Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Amersfoort

Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Amersfoort houdende regels omtrent het VTH Beleidsplan 2019-2022

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieAmersfoort
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBesluit van de gemeenteraad van de gemeente Amersfoort houdende regels omtrent het VTH Beleidsplan 2019-2022
CiteertitelVTH Beleidsplan 2019 - 2022
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerp
Externe bijlagenBijlagenUitvoeringsprogrVTH 2020JaarverslagVTH2019 Bijlagenboek VTH Uitvoeringsprogramma 2019 Uitvoeringsprogr VTH 2020 en Jaarversl VTH 2019 VTH Uitvoeringsprog 2019 Jaarversl VTH 2018 Bijlagenboek VTH Beleidsplan 2019-2022

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

07-08-2020nieuwe regeling

16-04-2019

gmb-2020-211120

Tekst van de regeling

Intitulé

Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Amersfoort houdende regels omtrent het VTH Beleidsplan 2019-2022

[Deze bekendmaking is slechts een tekstplaatsing. De oorspronkelijke publicatie is op 6 augustus 2020 bekendgemaakt, beschikbaar via Stadsberichten van de gemeente Amersfoort.]

1. Inleiding

Voor u ligt het VTH beleidsplan 2019-2022. Dit is de opvolger van de Nota Integrale Handhaving Fysieke Leefomgeving. Met dit plan geven we invulling aan de wettelijke plicht die we hebben vanuit art. 7.1 Besluit omgevingsrecht (Bor).

In dit plan staat beschreven hoe wij de komende

jaren omgaan met onze taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH-taken) binnen de omgeving waar mensen wonen, werken en recreëren. Naast het invullen van de wettelijke verplichtingen die we hebben, is het doel van het plan om een bijdrage te leveren aan het realiseren van de visie die VTH heeft:

 

"Wij dragen bij aan een leefbare stad waarin inwoners en Bedrijven zonder al te veel gedoe hun zaken kunnen regelen en waarin iedereen zich houdt aan de regels."

 

Dit doen we door risico’s in kaart te brengen, prioriteiten te stellen en doelstellingen te formuleren op de geprioriteerde thema’s. Door dit beleidsplan geven wij op uniforme en transparante wijze inzicht in de beleidskeuzes die we maken, de organisatiewijze en de uitvoering van de VTH-taken.

Het beleid kent voor een groot deel een uitvoerend karakter omdat de wetgever ons opdraagt hier beleid voor vast te stellen. De strategische keuzes zitten voornamelijk in het vaststellen van de prioriteiten.

2. Afbakening en positionering

Dit plan heeft betrekking op een breed scala aan VTH-taken binnen het omgevingsrecht. Samengevat gaat het over taken die betrekking hebben op: bouwen, ruimtelijke ordening, monumenten, milieu, brandveilig gebruik, openbare ruimte (APV), drank en horeca, coffeeshops en ondermijning. De volledige lijst met landelijke en lokale wet- en regelgeving waar dit beleidsplan betrekking op heeft is te vinden in bijlage 1.

 

Relatie met andere beleidsnota’s

Er zijn 2 andere belangrijke beleidsnota’s die zich tot dit beleidsplan verhouden

 

  • 1.

    Integraal Veiligheids Programma (IVP)

Dit programma ziet hoofdzakelijk op een uitwerking van de beleidskeuzes op het gebied van sociale veiligheid. Dit staat in verbinding met fysieke veiligheid waar dit beleidsplan op ziet. In de uitvoering is vaak sprake van overlap. Ook leveren vergunningverleners, toezichthouders en handhavers vaak direct een

bijdrage aan het realiseren van de doelstellingen uit het IVP. De doelstellingen en prioriteiten uit het nieuwe IVP worden daarom waar van belang ook meegenomen in dit beleidsplan en in het Uitvoeringsprogramma dat hieruit volgt.

 

  • 2.

    Preventie- en Handhavingsplan Drank- en Horecawet

Dit plan geeft inzicht in de wijze waarop wij invulling geven aan alcoholpreventie en handhaving van de Drank- en Horecawet. Bij de uitvoering van het DHW-plan wordt aansluiting gezocht bij deze nota en het HUP.

3. Leeswijzer

Dit beleidsplan is opgebouwd uit een beknopte kern en een bijlagenboek. In de kern, welke nu voor u ligt, komen de volgende onderwerpen aan de orde:

  • Visie op kwaliteit en plaats binnen de beleidscyclus

  • Ontwikkelingen

  • Visie op VTH

  • Risico’s en prioriteiten

  • Doelstellingen en indicatoren

  • Uitvoeringsstrategie

Er wordt steeds verwezen naar het bijlagenboek, welke integraal onderdeel uitmaakt van dit plan en waar een nadere uitwerking van de kern is te vinden.

4. De beleidscyclus

Het VTH beleidsplan is het belangrijkste document in de VTH beleidscyclus. Deze cyclus staat hieronder afgebeeld in de big-8. Het VTH beleidsplan vormt het strategisch beleidskader. De in dit plan gestelde prioriteiten en doelstellingen worden in het Uitvoeringsprogramma VTH, het operationeel beleidskader, doorvertaald. In de begroting worden de financiële middelen geregeld. Na degelijke voorbereiding vindt de uitvoering plaats. De gestelde doelen worden gemonitord en na een jaarverslag volgt een bijstelling van het Uitvoeringsprogramma voor het volgende jaar. Het beleidsplan wordt eens per vier jaar opgesteld. De provincie controleert als interbestuurlijk toezichthouder of wij de big-8 naar behoren doorlopen en uitvoeren.

 

5. Visie op kwaliteit

 

De raad heeft in 2017 de “Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Amersfoort 2017” vastgesteld. In deze verordening staat aangegeven dat de kwaliteitscriteria, welke landelijk gezien worden als het instrument om de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken te meten, gelden voor de taken die door de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD Utrecht) uit worden gevoerd. Voor wat betreft de VTH-taken die wij zelf uitvoeren is dat enkel het geval voor zover door burgemeester en wethouders nader bepaald.

 

Door middel van het vaststellen van dit beleidsplan verklaart het college de kwaliteitscriteria ook van toepassing op de VTH-taken die binnen de eigen gemeentelijke organisatie uit worden gevoerd.

 

Waar niet voldaan kan worden aan de criteria of waar dit toch niet wenselijk blijkt, zal aan worden gegeven waarom niet. Hier geldt het zogenoemde ‘comply or explain’. Of we passen de kwaliteitscriteria toe, of we leggen jaarlijks uit waarom we dat niet doen. De kwaliteitscriteria zijn geen doel op zich, maar een waardevol middel om een zo hoog mogelijke kwaliteit van uitvoering te realiseren.

 

In de Uitvoeringsprogramma’s binnen deze beleidsperiode zal steeds aan worden gegeven welke activiteiten moeten worden ondernomen om aan de criteria te voldoen.

 

In bijlage 2 “Visie op kwaliteit” staat een nadere uitleg van de kwaliteitscriteria.

 

 

6. Beleidsevaluatie

In bovenstaande weergave van de Big-8 gaat de evaluatie van het beleid vooraf aan het opstellen van een nieuw beleidskader. In bijlage 4 is deze beleidsevaluatie opgenomen. Uit de beleidsevaluatie komen een aantal aanbevelingen voor het nieuwe Beleidsplan en zijn de doelstellingen die in 2018 in het Uitvoeringsprogramma zijn gesteld, geëvalueerd.

7. Ontwikkelingen

Het omgevingsrecht is continu in ontwikkeling. Het is dan ook onmogelijk om hier alle ontwikkelingen te schetsen die gedurende deze beleidsperiode een rol zullen spelen. We volstaan met het benoemen van de belangrijkste ontwikkelingen en de richting die we daarin zoeken. In de Uitvoeringsprogramma’s worden activiteiten opgenomen om in te spelen op de op dat moment relevante ontwikkelingen.

 

 

Invoeren omgevingswet

Op 1 juli 2015 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel Omgevingswet aangenomen. Deze wet zal op 1 januari 2021 van kracht worden. Het huidige omgevingsrecht is verbrokkeld en verdeeld over tientallen wetten. Er zijn aparte wetten voor ruimtelijk toezicht, bodem, waterbeheer, milieu, mijnbouw, monumentenzorg, natuur, geluid, bouwen en infrastructuur. Deze verbrokkeling leidt tot afstemmings- en coördinatieproblemen en verminderde kenbaarheid en bruikbaarheid voor alle gebruikers. De Omgevingswet beoogt om te komen tot één afgestemd instrumentarium voor de integrale aanpak van nieuwe initiatieven en de duurzame ontwikkeling voor gezonde en veilige fysieke leefomgeving.

Voor de invoering zullen we de wijze waarop we werken aan moeten passen aan de nieuwe wet.

Op de inhoud is de verwachting dat er een verschuiving gaat plaatsvinden van vergunningverlening naar advisering aan inwoners en ondernemers en/of toezicht en handhaving.

Dit is wel afhankelijk van de kaders die de raad

zal stellen de keuzes zij daarin maakt.

 

Energietransitie

De energietransitie die landelijk is ingezet zal gevolgen hebben voor met name de activiteit bouwen onder de Wabo. De toetsing van vergunningaanvragen zal veranderen. Denk aan de eisen die gesteld worden aan nieuwe installaties als warmtepompen. De transitie zou een uitbreiding van het werkaanbod kunnen betekenen.

 

Toezicht op basis van data

Als overheden beschikken we over steeds meer data in verschillende databases welke nuttige informatie op kunnen leveren voor gericht toezicht. Met inachtneming van de juridische kaders (AVG) zullen we onderzoeken hoe we slim en efficiënt gebruik kunnen maken van deze data.

 

Verwijderen asbestdaken

Per 1 januari 2025 zijn asbestdaken verboden. Vanaf dat moment zullen we hierop moeten handhaven. In de aanloop naar 2025 zullen we een bijdrage leveren om voor 2025 zo veel mogelijk asbestdaken verwijderd te krijgen.

 

 

Toezicht op bestaande gebouwen

Mede onder invloed van de Omgevingswet en wet Private kwaliteitsborging bestaat de kans dat er een verschuiving plaats zal vinden van vergunningverlening naar toezicht. De bestaande gebouwenvoorraad veroudert en (thematisch) toezicht op deze voorraad zal vorm worden gegeven. Deze ontwikkeling is bovendien geprioriteerd in de raadspeiling van 8 januari 2019.

8. Missie en visie

Op de afbeelding rechts staan de missie, visie en de leidende principes van VTH van de gemeente Amersfoort weergegeven.

 

Deze is tot stand gekomen door een jarenlange ontwikkeling en ervaring in het werkveld.

 

De elementen uit de visie zullen tot uitdrukking worden gebracht in een aantal concrete doelstellingen. In het Uitvoeringsprogramma VTH in geven we aan welke activiteiten we ondernemen om de visie zo goed mogelijk te realiseren.

 

 

9. Omgevingsanalyse

In bijlage 5 staat een uitgebreide probleemanalyse opgenomen. De probleemanalyse bestaat uit een omgevingsanalyse en een risicoanalyse. In de omgevingsanalyse duiden wij wat voor soort gemeente Amersfoort is en welke uitdagingen we op het gebied van VTH verwachten de komende beleidsperiode. We kijken hierbij naar de sociaal geografische factoren en het aanbod van VTH- taken in het afgelopen jaar.

 

10. Risicoanalyse

In bijlage 6 Risicomatrix gemeente Amersfoort’ is de volledige uitkomst van de risicoanalyse te vinden die voor Toezicht en Handhaving op is gesteld. Voor Vergunningverlening wordt er niet gewerkt met een risicoanalyse. Voor bouwen wordt de landelijke toetsmatrix (zie bijlage 7) en een daaraan gekoppeld toezichtsprotocol gebruikt. Deze laatste wordt deze beleidsperiode ingevoerd.

Voor de overige vergunningen toetsen we volledig aan alle daarvoor geldende toetsingskaders (zie bijlage 8 Vergunningenstrategie).

De risicoanalyse is opgesteld volgens een landelijke systematiek*. De activiteiten die een hoge of een zeer hoge risicoscore hadden zijn geprioriteerd in deze beleidsperiode. Deze activiteiten zijn aangevuld met de bestuurlijke prioriteiten van zowel het college als de raad. Om deze bestuurlijke prioriteiten op te halen is voorafgaand aan de vaststelling van dit plan een Peiling gehouden in de Amersfoortse raad. Gezamenlijk vormen zij de “Meerjaren-prioriteiten” voor deze beleidsperiode.

 

* Risicomatrix gebaseerd op het model van het Expertisecentrum Rechtspleging en

Rechtshandhaving van het Ministerie van Justitie dat is ontwikkeld in het kader van het

programma Handhaven met effect

11. Meerjaren-prioriteiten VTH 2019-2022

 

Bouwenen RO

Bouwen zonder vergunning > 100m3

 

Sloop zonder of in afwijking vande vergunning met

 

asbestop bedrijventerreinen, buitengebied enkernen

 

Bouwen zonder vergunning > 100m3

 

Toezicht op bestaande bouw

Brandveiliggebruik van bouwwerken

Bijeenkomstfunctie (onderwijs/kinderopvang)

 

gezondheidszorgfunctie (met bedgebied)

 

gezondheidszorgfunctie (overig)

 

Inrichting type B (Milieubelastend - meldingsplichting)

 

Inrichting type C (Erg milieubelastend - vergunningplichting)

Milieu(bodem)

NalevingBesluit bodemkwaliteit (meldingen RUD)

 

Saneringsplicht Wet bodembescherming

Milieu (water)

Lozing afvalwater

Milieu (lucht)

Geurhinder & stankoverlast

Milieu (externe veiligheid)

Opslag gevaarlijke stoffen (BEVI-inrichtingen)

 

Vervoer gevaarlijke stoffen (weg, spoor, water & buisleidingen)

 

Vuurwerk

Milieu inrichtingen

Milieutoezicht op bedrijven zonderverg./ melding

 

Milieutoezicht bijkleine bedrijven

 

Drank- en Horecawet

Leeftijdsgrens

Evenementen met

vergunning

Heelgroot, groot

Evenementenzonder vergunning

Heelgroot, groot, klein

Drugs

Drugshandel/ gebruik van drugs op straat

Voertuigen

Onbeheerd stallen van (brom)fietsen

 

Parkeren

Horecabedrijven

Exploitatie openbare inrichting zonder of in afwijking vanvergunning

 

Sluitingstijden openbare inrichting (ontheffing)

 

Terras

Seksinrichtingen

Exploiteren seksinrichting zonder vergunning

 

Straatprostitutie

Vuurwerk

Consumentenvuurwerk gebruik (aanwijzing)

Dieren

Loslopende honden (aanwijzing)

 

Verontreiniging door honden

Huishoudelijkafval

Verbod inzameling & aanbieden huishoudelijk afval

Jeugd

Aanpakjeugdoverlast

Algemeen

Toezichtop basis van data

Sociale veiligheid (ondermijning)

Toezicht op socialeveiligheid

 

12. Relatie risico’s, prioriteiten, doelstellingen en top-10

Uit de VTH-visie en de vereisten uit de kwaliteitscriteria volgen een aantal algemene en kwaliteitsdoelstellingen. Deze doelen hebben een looptijd van 4 jaar.

Uit de prioriteiten, die op de vorige pagina zijn benoemd, stellen we jaarlijks een top-10 op in het Uitvoeringsprogramma. Aan de top-10 worden prioriteitsdoelstellingen verbonden. Aan het eind van elk jaar wordt gekeken of deze doelstellingen zijn behaald en welke onderwerpen in het Uitvoeringsprogramma van het daaropvolgende jaar in de top-10 komen.

 

We pakken de landelijke prioriteiten in Amersfoort doorgaans op via het “Provinciale Milieu Overleg” (PMO). Naast de overheden (gemeenten, provincie, waterschappen, Uitvoeringsdiensten, politie, Openbaar Ministerie), landelijke inspectiediensten (NVWA, RWS, Belastingdienst, SZW, ILT) en de Veiligheidsregio, nemen ook een aantal beherende instanties (Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, Utrechts Landschap) en belangenorganisaties, zoals Utrechts Particulier Grondbezit deel aan het overleg..

 

 

13. Gevolgen werkwijze prioriteitstelling

Prioriteiten stellen we niet voor niets. We kunnen niet voor elke activiteit een doelstelling opstellen. Voor de geprioriteerde onderwerpen in de top-10 doen we dit wel.

 

In de nalevingsstrategie (zie bijlage 9) staat uitvoerig beschreven wat per beleidsterrein (“Bouwen en Ruimtelijke Ordening”, “APV”, “Evenementen” en “Drank- en Horecawet, Horeca, Wet op de kansspelen en Coffeeshops”) de gestelde prioriteiten betekenen voor de mate van toezicht, de afhandeling van meldingen en de afhandeling van handhavingsverzoeken.

 

Vereenvoudigd werken de prioriteiten als volgt door:

 

Mate van toezicht

Meldingen

Handhavings- verzoeken

Laag

Geen

Geen actie

Licht feitelijk onderzoek en besluit

Midden

Geen

Actie bij specifiek meldingenpatroon

Onderzoek en besluit

Hoog

Niet planmatig

Onderzoek en afhandeling

Onderzoek en besluit

Zeer Hoog

Planmatig

Onderzoek en afhandeling

Onderzoek en besluit

 

Per situatie zal wel een inschatting gemaakt worden in hoeverre direct handelen, ondanks een lage prioriteit, toch gewenst is. Zeker als de veiligheid in het geding is zal er direct gehandeld worden.

Daarnaast krijgt iedereen altijd een terugkoppeling wat er met de melding wordt gedaan, of gedaan is.

14. Doelstellingen

We maken onderscheid in 3 typen doelstellingen:

  • 1.

    Algemene doelstellingen: Doelstellingen voor VTH die we meten op outcome aangevuld met de doelstellingen per domein, veelal gemeten op

  • output. Deze doelstelling gelden voor 4 jaar.

  • 2.

    Kwaliteitsdoelstellingen: Deze doelstellingen komen voort uit het Besluit omgevingsrecht (Bor), de kwaliteitscriteria de VTH-visie. Er zijn een aantal

  • onderwerpen waar vanuit de Bor en de kwaliteitscriteria verplicht doelstellingen over moeten worden opgenomen. Daarnaast formuleren we aantal doelstellingen op basis van de VTH-visie die we hebben om deze visie ook te realiseren. Deze doelstellingen gelden voor 4 jaar.

  • 3.

    Prioriteitsdoelstellingen: Voor alle activiteiten die zijn geprioriteerd en die voor dat jaar in de top-10 van het Uitvoeringsprogramma zijn opgenomen, wordt tenminste één doelstelling opgenomen in het Uitvoeringsprogramma.

  • Voor 2019 is die top-10 ook in dit beleidsplan te vinden. De prioriteitsdoelstellingen worden jaarlijks getoetst op doelbereiking en eventueel bijgesteld.

14.1 Algemene doelstellingen

 

 

14.2 Kwaliteitsdoelstellingen

 

14.3 Prioriteitsdoelstellingen: Top-10

In “bijlage 5 Probleemanalyse en Risicoanalyse” staan alle activiteiten opgesomd die op basis van de risicoanalyse of de bestuurlijke wens hoge en of zeer hoge prioriteit hebben gekregen. Deze prioriteit heeft een gevolg voor de wijze waarop wij het werk uitvoeren (zie “12. Gevolgen prioriteitstelling” en in de Uitvoeringsstrategien). Jaarlijks kiezen we ook tien onderwerpen waar we, naast de algemene en de kwaliteitsdoestellingen, ook concrete doelstellingen op formuleren en waar we acties aan koppelen in het Uitvoeringsprogramma van dat jaar. Hieronder staat de “Top-10” voor 2019 met de daaraan gekoppelde doelstellingen.

 

 

15. Monitoring

De Bor stelt in art. 7.6 dat gemeenten moeten monitoren of de doelstellingen worden bereikt. Om dit te meten is er een set aan indicatoren benoemd. In “bijlage 14 Doelstellingenoverzicht” is deze lijst met indicatoren opgenomen. Het betreffen indicatoren die genoemd staan in de kwaliteitscriteria aangevuld met indicatoren die volgen uit de beschreven doelstellingen. Denk aan het aantal en de aard van de genoemde aanvragen, aantal gegronde bezwaren en beroepen en de het naleefgedrag.

16. Vergunningenstrategie

Onder punt 13 is vastgelegd welke doelen we willen bereiken. In de uitvoeringsstrategieën wordt bepaald hoe we dit gaan doen. In “bijlage 8 Vergunningenstrategie” wordt beschreven welke basiswerkwijzen worden gehanteerd bij de verschillende vergunningen en meldingen die we kennen. Uitgangspunt daarbij is dat dat burgers en bedrijven verantwoordelijk zijn voor het indienen van goede en volledige aanvragen. De aanvraag vormt immers de basis voor de te beoordelen vergunning. Bij de taakuitvoering worden de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel nageleefd.

Per activiteit wordt beschreven wat het beoordelingskader is en welke toetsen worden uitgevoerd. In “bijlage 12 Proces Vergunningverlening” en “bijlage 13 Proces Bouwtoezicht” staat het volledige proces voor bouwen gedetailleerd uitgewerkt.

17. Nalevingsstrategie

De nalevingsstrategie bestaat uit de preventiestrategie, de toezichtstrategie, de sanctiestrategie en de gedoogstrategie. Deze strategieën zijn volledig uitgewerkt in “bijlage 9 Nalevingsstrategie”.

De preventiestrategie beschrijft welke middelen worden ingezet om overtredingen van wet- en regelgeving te voorkomen. Hierbij speelt communicatie een cruciale rol. De toezichtstrategie beschrijft op welke wijze invulling wordt gegeven aan onze toezichtstaak. En met welke intensiteit het toezicht binnen deze thema’s en taken wordt uitgevoerd. Als overtredingen worden geconstateerd, zijn we in beginsel verplicht hiertegen handhavend op te treden. Hiertoe staan een aantal sanctiemiddelen ter beschikking. De handhavingsstrategie bepaalt welke sanctiemiddelen, wanneer en tegen welke overtredingen worden ingezet. De handhavingsstrategie wordt ook wel sanctiestrategie genoemd. Door middel van dit beleidsplan wordt de “Landelijke Handhavingsstrategie” (LHS) vastgesteld die ook op is genomen in bijlage 10. Tenslotte wordt in de gedoogstrategie beschreven in welke bijzondere situaties en onder welke voorwaarden wij van handhavend optreden afzien.

18. Bijlagenboek

Om dit beleidsplan kort en overzichtelijk te houden is er voor gekozen om veel beschrijvende delen op te nemen als bijlage in de vorm van een bijlagenboek. Dit bijlagenboek maakt onderdeel uit van dit beleidsplan.

 

Bijlage 1 Overzicht wettelijke kaders

Bijlage 2 Visie op kwaliteit

Bijlage 3 Kwaliteitscriteria 2.1

Bijlage 4 Beleidsevaluatie Nota Integrale Handhaving Fysieke Leefomgeving

Bijlage 5 Probleemanalyse en Risicoanalyse

Bijlage 6 Risicomatrix VTH Amersfoort

Bijlage 7 Toetsingsmatrix Bouwbesluit 2012 Amersfoort

Bijlage 8 Vergunningenstrategie

Bijlage 9 Nalevingsstrategie

Bijlage 10 Landelijke handhavingsstrategie

Bijlage 11 Sanctiebeleid horeca Amersfoort

Bijlage 12 Proces Vergunningverlening

Bijlage 13 Proces Bouwtoezicht

Bijlage 14 Doelstellingenoverzicht

Bijlage 15 Samenwerkingspartners en –afspraken

Bijlage 1: Overzicht wettelijke kaders

Het VTH beleidsplan gaat over (de uitvoering van) de VTH-taken waarvoor wij het bevoegd gezag zijn. Het programma vloeit voort uit de wet- en regelgeving die betrekking heeft op de fysieke leefomgeving in een zo breed mogelijk zin.

Concreet zijn dit de volgende landelijke en gemeentelijke kaders:

 

 

Landelijke wet- en regelgeving Lokale regelgeving

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

(Wabo))

Algemene Plaatselijke Verordening (APV)

Besluit omgevingsrecht (Bor)

Marktverordening 2013

Regeling omgevingsrecht (Mor)

Erfgoedverordening 2010

Woningwet (Wonw)

Winkeltijdenverordening 2013

Bouwbesluit

Afvalstoffenverordening 2015

Wet milieubeheer

Huisvestingsverordening 2018

Activiteitenbesluit milieubeheer

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Besluit externe inrichtingen buisleidingen/-

transportroutes

Besluit risico zware ongevallen (Brzo)

Vuurwerkbesluit

Wet bodembescherming (Wbb)

Besluit bodemkwaliteit

Besluit lozing afvalwater huishoudens

Besluit lozing buiten inrichtingen

Wet luchtkwaliteit (Wlk)

Wet geurhinder veehouderij (Wgv)

Wet geluidhinder (Wgh)

Monumentenwet (ICC (Monw)

Drank- en horecawet (Dhw)

Wet op de kansspelen (Wodk)

Winkeltijdenwet (Ww)

Zondagswet (Zw)

 

Deze nota is niet van toepassing op de taken die voortvloeien uit de sociale en financiële wet- en regelgeving waarvoor de gemeente het bevoegd gezag is of wordt. Zoals:

 

  • -

    de Wet werk en bijstand (Wwb);

  • -

    Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo);

  • -

    Leerplichtwet (Lpw);

  • -

    Wet kinderopvang (Wko);

  • -

    Wet onroerende zaken (Woz);

Bijlage 2: Visie op kwaliteit

Visie op VTH

In het Beleidsplan is de Amersfoortse visie voor de uitvoering op de VTH-taken opgenomen. Deze is weergegeven in onderstaande afbeelding.

 

 

In deze visie is opgenomen welke hogere doelstelling we willen realiseren (missie), voor welke concrete doelstellingen wij gaan (visie) en op welke manier we dat willen bereiken (Leidende principes). Jaarlijks stellen we een jaarplan voor de afdeling op, waarin we omschrijven wat we in dat betreffende jaar gaan doen om dit te realiseren.

 

Landelijke visie op kwaliteit: De kwaliteitscriteria(2.1)

Landelijk is een set aan criteria ontwikkeld om de kwaliteit van de uitvoering van de VTH taken te meten, de Kwaliteitscriteria 2.1 (zie bijlage 3). Het is geen wettelijke verplichting om je aan deze criteria te houden, maar ze staan wel centraal in de discussie. Ook is in de wet opgenomen dat elke gemeente een verordening vast moet stellen waarin zij aangeeft hoe zij de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken wil waarborgen. In Amersfoort is deze verordening op 3 augustus 2017 vastgesteld. In deze verordening is opgenomen dat de kwaliteitscriteria gelden voor de taken die door de RUD uit worden gevoerd. Voor de taken die niet door de RUD worden uitgevoerd, en dus in overwegende mate binnen onze eigen organisatie, gelden de criteria voor zover nader door het college bepaald. Door middel van het vaststellen van dit Beleidsplan gelden deze criteria ook voor de taken die we in eigen huis uitvoeren. In het jaarlijkse Uitvoeringsprogramma zal verslag worden gedaan van de mate waarin aan de kwaliteitscriteria wordt voldaan.

 

Voldoen aan de kwaliteitscriteria vergt een continue investering en onderhoud en meten waar je staat. In deze beleidsperiode zullen we dit verder vormgeven.

De kwaliteitscriteria bestaat uit 3 onderdelen:

  • 1.

    Inhoudelijke criteria: met welke inhoudelijke kwaliteit wordt het werk uitgevoerd

Op de inhoudelijke criteria voldoen we voor het overgrote merendeel. Veel van deze criteria zijn weer opgenomen in deel 2 “procescriteria”. In deze beleidsperiode zullen we evalueren waar we nog een stap moeten zetten om volledig aan deze criteria te voldoen.

  • 2.

    Procescriteria: De procescriteria samen leiden tot een sluitende cyclus en kwaliteitsborging.

De procescriteria betreffen eisen aan het proces dat doorlopen wordt. De eis is dat de “Big-8” wordt doorlopen. In Amersfoort doorlopen we deze “Big-8” ook elke beleidsperiode. De procescriteria betreffen een lange lijst aan eisen waar aan voldoen moet worden. We voldoen aan de overgrote merendeel van deze criteria. Ruimte voor verbetering is er altijd. Met het vaststellen van dit Beleidsplan zetten we hierin ook weer een grote stap voorwaarts.

 

 

  • 3.

    Criteria voor kritieke massa: Criteria over vakmanschap (opleiding, ervaring, kennis en het onderhouden en borgen daarvan)

Met de kwaliteitscriteria voor kritieke massa kan een antwoord gegeven worden op de vraag of een organisatie en haar medewerkers in principe in staat zijn om de taken en onderliggende operationele activiteiten uit te voeren, gegeven de minimaal benodigde deskundigheid voor de uitvoering van deze taken en de continuïteit daarvan.

In Amersfoort beschikken wij over een robuust team van medewerkers die qua omvang voor het overgrote merendeel voldoen aan de kwaliteitscriteria. Voor de specialistische deskundigheidsgebieden is dit nog niet voldoende in beeld en moet dat nauwgezetter in kaart worden gebracht. Het bijhouden van vakmanschap door kennis en opleiding is een aandachtspunt. Een opleidingsplan is in de maak.

Interbestuurlijk toezicht (IBT)

De Provincie Utrecht ziet als interbestuurlijk toezichthouder toe of en in hoeverre gemeenten voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen, onder andere op het gebied van het omgevingsrecht. Het IBT richt zich zowel op de taken vergunningenverlening, toezicht en handhaving, als op ruimtelijke ordening, milieu, externe veiligheid en erfgoed/monumenten.

 

 

In de provinciale verordening systematische toezichtinformatie is vastgelegd welke informatie de provincie van de gemeenten jaarlijks wil ontvangen op de onderdelen van het omgevingsrecht. Op basis van de aangeleverde informatie vindt de beoordeling plaats. Hierbij kan het oordeel uitkomen op ‘adequaat’, ‘redelijk adequaat’ of ‘niet adequaat’.

De Amersfoort is over de periode 2016-2017 beoordeeld met het oordeel ’redelijk adequaat’. Voor de periode 2017-2018 is dit verbeterd naar het beste oordeel mogelijk ‘adequaat’. In termen van de kwaliteitscriteria is het IBT gefocust op de procescriteria. Ook op de inhoudelijke criteria en de criteria voor kritieke massa willen we blijven verbeteren. De verbeteringen die we jaarlijks willen realiseren staan opgesomd in “Productblad G IBT” van het jaarlijks Uitvoeringsprogramma.

Kwaliteitscriteria 2.1

 

Voor vergunningverlening, toezicht en handhaving krachtens de Wabo

 

7 september 2012

 

Deel A: Algemeen

 

1 Inleiding

 

1.1 1 Achtergrond

In artikel 21 van de Grondwet staat de zorgplicht van de overheid voor het milieu vermeld. De gezamenlijke overheden hebben daarom hier een belangrijke taak te vervullen. De instrumenten vergunningverlening, toezicht en handhaving in het Omgevingsrecht geven hier, naast andere instrumenten, invulling aan.

 

Als overheid zijn we verantwoordelijk voor een goede taakinvulling. Belangrijk hierbij zijn afspraken over wat een goede taakinvulling is. In de Packagedeal die de VNG, het IPO en het Rijk in juni 2009 hebben gesloten, is afgesproken dat er kwaliteitscriteria worden ontwikkeld en vastgesteld waaraan vergunningverlening, toezicht en handhaving in het Omgevingsrecht moeten voldoen.

 

Vanuit de uitdaging om te komen tot één set met criteria die het fundament vormt voor een adequate uitvoering van de vergunningverlening, toezicht en handhaving is de set aan kwaliteitscriteria 2.0 tot stand gekomen (3 december 2009). Een grote en brede groep praktijkdeskundigen uit gemeenten, provincies, landelijke en regionale diensten leverden hieraan een bijdrage.

 

De ervaring die tot nu toe is opgedaan met de toepassing van deze criteria, heeft geleid tot de set kwaliteitscriteria 2.1. De uitdaging was om de aanpassingen door te voeren, zonder in te leveren op het ambitieniveau van de kwaliteitscriteria 2.0.

 

De kwaliteitscriteria zijn herzien op tien punten, die vastgesteld zijn in het Bestuurlijk overleg van PUmA met de staatssecretaris van Milieu (28 juni 2012). Om de eenduidige interpretatie van de systematiek en daartoe behorende kwaliteitscriteria te bevorderen, is de structuur en diepgang van dit document aangepast en is aangesloten bij andere lopende trajecten als Programmatisch handhaven.

 

1.2 Doel

De kwaliteitscriteria zijn bedoeld om de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving (de VTH-taken) door gemeenten en provincies in het Omgevingsrecht te professionaliseren en de kwaliteit in de organisatie te borgen. De criteria gaan over proces, inhoud en kritieke massa.

 

Het voldoen aan de criteria zorgt ervoor dat het bevoegd gezag in staat is om de gewenste kwaliteit en continuïteit te leveren. De set maakt inzichtelijk welke kwaliteit van de VTH-taken burgers, bedrijven en instellingen, maar ook overheden onderling en als opdrachtgevers, mogen verwachten.

 

Door te voldoen aan de criteria zorgt het bevoegd gezag ervoor dat ze in staat is om de gewenste kwaliteit te leveren.

 

De kwaliteitscriteria zijn er op verschillende niveaus beschreven. Deels hebben ze betrekking op de organisatie en deels op de medewerkers.

 

Voor de organisatie betekent dit dat er een sluitende beleidscyclus om kwaliteit te borgen moet zijn, er een inhoudelijke ondergrens is en de taken belegd moeten worden organisaties die continuïteit in de uitvoering kunnen garanderen.

 

Op medewerkerniveau moeten de taken belegd worden bij medewerkers die voldoende deskundig zijn om deze taken adequaat uit te kunnen voeren.

 

1.2.1 Wat is er nog meer?

In 2010 zijn de output- en outcomecriteria ontwikkeld voor VTH-taken. Het biedt organisaties handvatten voor het stellen van meetbare doelen en afrekenbare resultaten. De ouput- en outcomecriteria zijn daarmee een waardevolle concretisering op de kwaliteitscriteria 2.1.

 

1.2.2 Hoe nu verder?

Deze set met kwaliteitscriteria zal conform het wetsvoorstel VTH wettelijk worden vastgelegd. De datum waarop alle overheidsorganisaties zullen moeten is per 1 januari 2015.

 

De implementatie gaat niet vanzelf, daarom zal er vanaf begin 2013 een implementatietraject gestart worden.

 

De uitvoering van de VTH-taken is veranderd in loop van de tijd. Ook de eisen die gesteld worden aan de uitvoering veranderen. Een dynamische set kwaliteitscriteria is daarom belangrijk, zodat de kwaliteit van de taken, ook bij nieuwe onderwerpen, gewaarborgd blijft. De eerste grote aanpassingen wordt verwacht begin 2015, wanneer het kwaliteitsstelsel moet draaien.

 

1.3 3 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is de afbakening van de kwaliteitscriteria beschreven. De driedeling in de kwaliteitscriteria is vervolgens in de hoofdstukken 3 (criteria voor kritieke massa), 4 (procescriteria) en 5 (criteria voor inhoudelijke kwaliteit en prioriteiten) uitgewerkt. In afwijking van versie 2.0 zijn de spelregels opgenomen in deze drie hoofdstukken.

 

In de bijlagen zijn de kwaliteitscriteria opgenomen die voorheen (versie 2.0) in Deel B stonden. In bijlage 1 staan de criteria voor kritieke massa en in bijlage 2 de criteria voor proces, inhoudelijke kwaliteit en prioriteiten.

 

2 Afbakening

In de onderstaande paragrafen is de afbakening van de kwaliteitscriteria uitgewerkt.

 

2.1 Voor wie zijn de criteria?

De kwaliteitscriteria zijn primair voor het bevoegd gezag van de Wabo. Daarbij gelden de volgende bijzonderheden:

  • De kwaliteitscriteria voor taken behorende bij de bevoegdheid van het Ministerie van Economische Zaken (voor mijnbouw) en het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (voor defensieterreinen) zijn niet uitgewerkt.

  • De kwaliteitscriteria gelden niet als eis voor de adviserende taken die door wettelijke adviseurs (LNV, OC&W en waterschappen) in het kader van de Wabo worden uitgevoerd.

  • De kwaliteitscriteria gelden wel voor de activiteiten in het kader van de verklaring van geen bedenkingen (vvgb), omdat deze vvgb in feite een onderdeel van de omgevingsvergunning betreft waarvoor een ander bestuursorgaan materieel bevoegd gezag is. De kwaliteitseisen gelden voor dat bestuursorgaan met betrekking tot het vvgb-onderdeel.

  • De criteria hebben geen betrekking op artikel 2.2 van de Wabo (autonome taakuitoefening, onder meer kap en inrit). Een vrijwillige toepassing van de criteria op deze taken uit artikel 2.2 is uiteraard mogelijk.

2.2 2 Reikwijdte takenpakket

De criteria hebben betrekking op het minimale kwaliteitsniveau dat nodig is om taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (inclusief de hiervoor benodigde activiteiten) tijdig, met de juiste procedurele en inhoudelijke kwaliteit en in continuïteit te kunnen uitvoeren.

 

De afbakening is gebaseerd op artikel 2.1. van de Wabo. Het betreft de vergunningverlening van, het toezicht op én de handhaving van onder meer de activiteiten bouwen, monumenten, milieu, brandveilig gebruik, planologische afwijking, flora- en fauna en natuurbescherming. Op grond van artikel 2.1 zijn de onderstaande taken te benoemen:

  • Het verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken van een omgevingsvergunning;

  • Het afhandelen van meldingen;

  • Het verlenen van ontheffingen;

  • Het opstellen en vaststellen van een verklaring van geen bedenkingen.

De afbakening voor toezicht en handhaving is gebaseerd op de activiteiten die zijn benoemd in artikel 2.1 van de Wabo, op de activiteiten zoals bedoeld in artikel 5.2,

eerste lid van de Wabo en op de rechtstreekse verboden op grond van de wetten (o.a. Wet bodembescherming, Wet milieubeheer, Wet ruimtelijke ordening en Woningwet) en artikelen die in bijlage 1 zijn opgenomen.

 

Op grond van artikel 5.2, eerste lid van de Wabo zijn de volgende taken te benoemen:

  • Informatie verzamelen over de vraag of een activiteit of zaak voldoet aan de daaraan gestelde eisen, het zich daarna vormen van een oordeel daarover en het eventueel naar aanleiding daarvan interveniëren of adviseren ter zake van sanctionering aan het bevoegd gezag;

  • Informatie vastleggen en uitwisselen (inclusief de overdracht en meldingen aan het OM) met het oog op de beoordeling van de naleving van de regelgeving door de rechtssubjecten en de eventueel daarop volgende interventie of advisering inzake het opleggen van bestuurlijke sancties (waaronder het opleggen van een bestuurlijke strafbeschikking);

  • Zorg dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de geldende voorschriften, op grond van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten voor degene die het betrokken project uitvoert;

  • Beoordelen van wettelijke adviezen in het kader van bestuursrechtelijke, dan wel strafrechtelijke bevoegdheden;

  • Klachten behandelen die betrekking hebben op de naleving van de regelgeving door rechtssubjecten;

  • Bestuursrechtelijke of strafrechtelijke sanctiebevoegdheden toepassen (en in dat kader procedures te voeren).

Tenslotte is de afbakening voor zowel vergunningverlening als toezicht en handhaving gebaseerd op de activiteiten die benoemd zijn in artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 3 van de Wabo. Dit betreffen de activiteiten voor het verlenen van de omgevingsvergunning in strijd met het vigerende bestemmingsplan, het inpassingplan of de beheersverordening en waarvoor een goede ruimtelijke onderbouwing en motivering nodig is (afwijkingsbesluit).

 

2.3 Elementen van de kwaliteitscriteria

In lijn met het gedachtegoed vanuit (inter-)nationale standaarden voor kwaliteitsmanagement is gekeken naar de belangrijkste elementen voor het opstellen van de kwaliteitscriteria om de uitvoeringspraktijk op een steeds hoger plan te krijgen. Deze elementen zijn (1) de kritieke massa, (2) proceskwaliteit en (3) inhoud en prioriteiten en worden in de volgende hoofdstukken uitgewerkt.

 

3 Criteria voor kritieke massa

 

3.1 Waarom?

Het fundament van kwaliteit is het afleveren van een zo goed mogelijk product. Hiervoor is vooral vakmanschap nodig. De criteria voor kritieke massa adresseren dit vakmanschap in termen van voldoende opleiding, ervaring, kennis en het onderhouden en borgen daarvan. Organisaties en medewerkers die aan deze criteria voldoen moeten in de kern in staat zijn om producten af te leveren met de gewenste kwaliteit.

 

Met de kwaliteitscriteria voor kritieke massa kan een antwoord gegeven worden op de vraag of een organisatie en haar medewerkers in principe in staat zijn om de taken en onderliggende operationele activiteiten uit te voeren, gegeven de minimaal benodigde deskundigheid voor de uitvoering van deze taken en de continuïteit daarvan. In dit hoofdstuk zullen de criteria van de kritieke massa uiteen worden gezet, mede aan de hand van enkele spelregels die voor de organisaties gelden.

 

3.2 Overwegingen

 

3.2.1 Afhankelijkheid van werkaanbod

Er zijn situaties denkbaar die logischerwijs niet zullen voorkomen gezien de aard, grootte of omvang van het inrichtingenbestand dan wel het gebied. Indien het bevoegd gezag dit gemotiveerd kan aantonen, dan hoeft zij niet over de betreffende deskundigheidsgebieden te beschikken. Dit is met name afhankelijk van:

 

  • 1.

    De aard en complexiteit van de aanvragen;

  • 2.

    De aard en omvang van bouw- en/of verbouwactiviteiten;

  • 3.

    De klasse inrichtingen per sector;

  • 4.

    De (delen van) specialistische deskundigheidsgebieden die uitbesteed worden;

  • 5.

    Het principebesluit om wel of geen afwijkingsbesluiten te nemen.

De criteria voor kritieke massa hebben geen relatie met de omvang van het werkaanbod. Organisaties die een beperkt aantal activiteiten uitvoeren, dienen te voldoen aan dezelfde criteria als organisaties die veelvuldig deze activiteiten uitvoeren. De criteria voor kritieke massa geven de organisaties een ondergrens van het aantal medewerkers en hun deskundigheid, die nodig is om activiteiten in continuïteit uit te kunnen voeren.

 

Het is zeer waarschijnlijk dat bij een aantal organisaties vanuit het werkaanbod een grotere capaciteit nodig is voor een aantal deskundigheden dan in dit rapport (op basis van de kritieke massa) staat aangegeven. Daarnaast zal er mogelijk op onderdelen onvoldoende werkaanbod zijn voor het benodigde aantal medewerkers en de bijbehorende tijdsbesteding per persoon. Het verdient in dat geval dan ook aanbeveling om de samenwerking met andere partijen op te zoeken.

 

De kwaliteitscriteria in dit rapport zijn niet de rekentool om te bepalen wat het aantal benodigde medewerkers is op basis van het werkaanbod. In de procescriteria is bij criterium 2 (probleemanalyse) en criterium 11 (borging personele en financiële capaciteit) aangegeven op basis waarvan de capaciteit moet worden vastgesteld en geborgd.

 

3.2.2 Vaardigheden en competenties

Kritieke massa heeft geen betrekking op algemene (sociale) vaardigheden en competenties. Hiermee worden vaardigheden en competenties bedoeld die niet direct te koppelen zijn aan de wettelijke afbakening maar waaraan medewerkers van overheidsorganen veelal moeten voldoen, zoals het kunnen opstellen van besluiten en project- en procesmanagement. Vanuit het oogpunt van lokale autonomie en in aansluiting op bestaande competentieprofielen is er gekozen geen competentieprofielen te ontwikkelen in het kader van dit project. Binnen het Programma Uitvoering met Ambitie is binnen het project Arbeidsmarkt en deskundigheid wel aandacht voor opleidingen en het ontwikkelen van de juiste competenties.

 

De deskundigheidsgebieden waarvoor de kritieke massa geldt zijn geen functieprofielen. Zij ordenen de activiteiten die uitgevoerd moeten worden en geven vervolgens per activiteit aan welke kritieke massa nodig is. In de praktijk kan één medewerker over meerdere deskundigheden beschikken.

 

3.2.3 Verschillende eisen binnen één deskundigheidsgebied

In sommige gevallen gelden voor de activiteiten binnen één deskundigheidsgebied verschillende eisen voor kritieke massa. In de praktijk betekent dit dat activiteiten door verschillende personen binnen of buiten de organisatie kunnen worden uitgevoerd en dat de organisatie dan alsnog voldoet. Met andere woorden, het is goed mogelijk dat drie van de vier activiteiten van één deskundigheid door medewerker A, B of C worden uitgevoerd en de overige activiteiten door medewerker D en E.

 

Voor de deskundigheden „3. Vergunningverlening milieu‟ en „5. Toezicht en handhaving milieu‟ geldt een verbijzondering. Voor deze deskundigheden is onderscheid gemaakt in de sectoren (1) procesindustrie, (2) agrarisch en (3) afval. Medewerkers die binnen deze sectoren actief zijn, dienen minimaal 1/3 van een fte te besteden aan deze sector én in totaal minimaal 2/3 van een fte te besteden aan de deskundigheid „3. Vergunningverlening milieu‟ of „5. Toezicht en handhaving milieu‟.

 

Spelregel: De bevoegd gezag organisatie dient te voldoen aan de criteria, ongeacht waar activiteiten worden uitgevoerd.

 

Hieronder staat van deze mogelijkheid een concreet voorbeeld uitgewerkt.

 

3.2.4 Mogelijkheden voor integraal werken

De optelsom van het aantal medewerkers in de deskundigheidstabellen is niet gelijk aan het totaal aantal benodigde medewerkers. In de tabellen (deel B) staat hoeveel medewerkers over een bepaalde deskundigheid moeten beschikken. Eén medewerker kan beschikken over deskundigheid voor meerdere activiteiten, groepen van activiteiten of deskundigheidsgebieden. De frequentie waarmee de taak uitgevoerd moet worden is bepalend voor over hoeveel deskundigheidsgebieden één medewerker kan beschikken.

 

 

Spelregel: Eén persoon kan (delen van) meerdere deskundigheden bezitten en daarbij is het ook mogelijk om generieke en specialistische deskundigheden te combineren.

 

Het verenigen van generieke en specialistische deskundigheden binnen één persoon is in principe mogelijk als de opleiding, kennis en ervaring vanuit een specialistische deskundigheid vaak binnen een generieke deskundigheid worden toegepast. Gangbare voorbeelden hiervan zijn het combineren van de generieke deskundigheden „2. Vergunningverlening bouwen en ruimtelijke ordening‟ en ‟13. Bouwfysica‟. of bijvoorbeeld het combineren van de generieke deskundigheid „3. Vergunningverlening milieu‟ en de specialistische deskundigheid ‟22. Luchtkwaliteit‟.

 

Spelregel: De deskundigheden ‘8. Behandelen juridische aspecten vergunningverlening’ en ‘9. Behandelen juridische aspecten toezicht en handhaving’ zijn te combineren wanneer de domeinen ‘bouw’ en ‘milieu’ voldoende geborgd zijn en een minimaal aantal van vier medewerkers voor beide deskundigheden tezamen zeker wordt gesteld.

 

Organisaties die de activiteiten van de deskundigheidsgebieden „8. Behandelen juridische aspecten vergunningverlening‟ en „9. Behandelen juridische aspecten toezicht en handhaving‟ uitvoeren binnen zowel het domein bouwen en milieu, kunnen voldoen met vier medewerkers die ieder 2/3 fte besteden. Van deze vier medewerkers dienen:

 

  • er twee te voldoen aan de eisen voor „8. Behandelen juridische aspecten vergunningverlening‟ en twee te voldoen aan de eisen voor „9. Behandelen juridische aspecten toezicht en handhaving‟.

 

  • er twee hoofdzakelijk binnen het domein milieu actief te zijn en twee hoofdzakelijk binnen het domein bouwen.

 

Daardoor zijn er mogelijkheden tot collegiaal overleg en is er achtervang beschikbaar binnen (1) deskundigheden vergunningverlening en toezicht & handhaving en (2) binnen de domeinen bouwen en milieu. Indien een organisatie alleen binnen het milieudomein actief is, gelden alleen de eisen voor „8. Behandelen juridische aspecten vergunningverlening‟ en de eisen voor „9. Behandelen juridische aspecten toezicht en handhaving‟.

 

Voor alle combinaties geldt de eis van functiescheiding op dossier- dan wel objectniveau.

 

3.2.5 Functiescheiding

Voor functiescheiding gelden de volgende spelregels.

 

Spelregel: Voor de generalistische deskundigheidsgebieden geldt een principiële functiescheiding op persoonsniveau tussen vergunningverlening enerzijds en toezicht en handhaving anderzijds. Deze scheiding op persoonsniveau geldt ook tussen vergunningverlening of toezicht en handhaving enerzijds en het bevoegd gezag in de rol van initiatiefnemer of ontwikkelaar anderzijds.

 

Voor de specialistische functies geldt een scheiding op object- of dossierniveau. Een specialist die een advies heeft uitgebracht in het vergunningverleningproces voor dossier X kan niet dezelfde zijn die in het toezicht- en handhavingproces een advies opstelt voor ditzelfde dossier.

 

Bij toezicht en handhaving voor bouwwerken geldt nog een extra eis. De scheiding op dossier- of objectniveau geldt ook tussen de bouwfase en de gebruiksfase voor de toezichthouders. De toezichthouder die tijdens de bouw toezicht heeft gehouden kan niet dezelfde zijn die in de gebruikfase het toezicht op ditzelfde object of dossier uitvoert. Deze spelregel geldt niet voor de specialisten die de toezichthouder daarbij consulteert.

 

3.2.6 Complexe versus eenvoudige situaties en activiteiten

Indien voldaan wordt aan de deskundigheidseisen voor complexere activiteiten, dan wordt automatisch voldaan aan de deskundigheidseisen voor dezelfde eenvoudige activiteiten. Ditzelfde geldt ook voor de indeling in klassen bij de deskundigheden „3. Vergunningverlening milieu‟ en „5. Toezicht en handhaving milieu‟. Het is in de praktijk mogelijk activiteiten te combineren binnen één medewerker. Waarbij geldt dat indien deze medewerker voldoet aan de eisen voor de hoogste klasse (III), deze medewerker automatisch voldoet aan de eisen voor de lagere klassen (I en II) binnen dezelfde sector.

 

In de deskundigheidstabellen is per deskundigheidsgebied aangegeven of er een onderscheid is te maken tussen complexe en eenvoudige situaties waar binnen activiteiten worden uitgevoerd. Aan het uitvoeren van de activiteiten zijn op deze manier verschillende eisen gesteld afhankelijk van de complexiteit. De mate van complexiteit is daarmee mede bepalend voor aan welke delen van de kritieke massa criteria de organisatie moet voldoen.

 

Het bevoegd gezag bepaalt zelf welke situaties complex zijn en welke situaties eenvoudig. Een medewerker op HBO-niveau beoordeelt bij de intake per geval of er sprake is van een complexe of eenvoudige situatie. Daarbij gelden wel enkele richtlijnen.

 

Casemanagen

Meervoudige aanvragen waarbij onder andere sprake is van het in werking stellen of wijzigen van vergunningplichtige bedrijfssituatie, zijn per definitie complex. De complexiteit van overige aanvragen is afhankelijk van diverse factoren.

 

Bouwen

De complexiteit van de activiteiten wordt veroorzaakt door de ingewikkeldheid van de activiteit zelf of het type bouwwerk. Hierbij zijn de volgende bouwwerken doorgaans niet- complex:

  • (Schotel) antennes;

  • Gevelwijzigingen;

  • Erf- en perceelsafscheidingen;

  • Zonnecollectoren en zonnepanelen;

  • Dakkapel/dakopbouw;

  • Dakramen;

  • Reclame

  • Bijgebouw, berging/garage; overige gebruiksfunctie < 50 m2

  • Verbouw/aanbouw woningen;

  • Geschakelde en seriematige bouw.

De volgende type bouwwerken zijn doorgaans complex:

  • Gestapelde bouw;

  • Bouwwerken > 1000 m2;

  • Bouwwerken waar personen slapen (m.u.v. woningen).

De volgende aspecten kunnen een bouwwerk complex maken:

  • Kwaliteit aangeleverde stukken;

  • Aanvragers die de grenzen van de bouwregelgeving zoeken;

  • Bijzondere bouwmethoden;

  • Klachten/handhavingzaken;

  • Calamiteiten;

  • Verbouwingen waarbij er gebruik gemaakt wordt van het rechtens verkregen niveau;

  • Bebouwde omgeving (kans schade omgeving/bouwveiligheid);

  • Gelijkwaardigheden;

  • Meerdere functies;

  • Aanwezigheid brandmeld-/ontruimingsinstallaties;

  • Woningen kunnen complex zijn als er sprake is van het opzoeken van grenzen bij epc-, daglicht-, ventilatieberekeningen etc.;

  • Luxe villa bouw is meestal ook complex.

Deze indeling komt ook terug bij de specialistische deskundigheidsgebieden met het accent bouwen: ‟13. Bouwfysica‟, ‟14. Brandveiligheid‟, ‟15. Constructieve veiligheid‟ en

‟16. Bouwakoestiek‟.

 

Afwijkingsbesluiten

Complexe afwijkingsbesluiten zijn bouwplannen of gebiedsontwikkeling met potentiële strijdigheid met diverse gemeentelijke, provinciale, landelijke en Europese toetsingskaders, een groot aantal belanghebbenden, meerdere procedures en/of ontheffingen tegelijkertijd (o.a. M.e.r. procedures, Natura 2000, diverse erfgoedbepalingen, etc) en/of een relatief hoge kans op een Raad van State procedure.

 

Milieu

Voor activiteiten milieu wordt onderscheid gemaakt in de klassen I, II en III. Uitgangspunt is dat bij het opstellen van de probleemanalyse (procescriterium 2) bepaald wordt of een inrichting complex of niet-complex is. Jaarlijks wordt geëvalueerd of de handhavingresultaten uitmonden in verbeteringen ten aanzien van de handhaving(beleid)cyclus (procescriterium 19.3 g). Dit geldt alleen voor klasse II. De volgende indeling wordt gehanteerd als richtlijn.

 

Klasse

VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering

Activiteitenbesluit

IPPC

BRZO

Opleiding en ervaring

I

Cat.1 en 2

TypeA en B

Nee

Nee

MBO,3 jaar

II

Cat. 3.1 t/m 4.2

Type B en C

Nee

Nee

MBO of HBO, 3 jaar

III

Cat. 4.2 t/m 6

Type C, incl. IPPC

Ja

Ja

HBO + sectorkennis, 3 jaar

 

Geluid

Van complexe situaties is sprake bij meervoudige bronnen.

 

3.3 Definities

Om de criteria voor kritieke massa goed te kunnen begrijpen en te interpreteren zijn heldere definities nodig. De criteria voor kritieke massa zijn uitgewerkt op basis van het onderstaande model.

 

 

Figuur 1: Model kritieke massa

 

Op hoofdlijnen bestaat de kritieke massa uit de onderstaande elementen:

 

Deskundigheid

  • Opleiding: de minimale basisopleiding en een indicatie van de aard en de omvang van de benodigde aanvullende opleidingen waarmee de kennis is te verkrijgen.

  • Werkervaring: het minimale aantal jaren relevante werkervaring die men nodig heeft om de taak zelfstandig uit te kunnen voeren.

  • Aanvullende kennis: de minimaal benodigde basiskennis en diepgaande kennis voor de zelfstandige uitvoering van de taak, in aanvulling op de opleidingen.

Continuïteit

  • Frequentie: de minimale frequentie per jaar waarmee een taak zelfstandig moet worden uitgevoerd om de deskundigheid te behouden.

  • Aantal: het minimale aantal medewerkers met de omschreven deskundigheid en frequentie waarover de organisatie moet kunnen beschikken om de noodzakelijke deskundigheid te kunnen borgen.

  • Borging: de omgeving waar deze activiteiten uitgevoerd moeten worden (binnen de overheid of uitbesteed) en de mogelijkheden die er zijn om in te huren.

In de onderstaande paragrafen worden deze elementen van de kritieke massa toegelicht en worden wederom (daarbij behorende) spelregels geformuleerd. Allereerst wordt in figuur 2 gevisualiseerd hoe de criteria voor kritieke massa zijn weergegeven in deel B.

 

Figuur 2. Elementen van de criteria voor kritieke massa

 

3.3.1 Borging

In de tabellen is aangegeven of bepaalde activiteiten binnen de overheid uitgevoerd moeten worden of aan marktpartijen uitbesteed kunnen worden.

 

Spelregel: Activiteiten binnen de verschillende deskundigheden kunnen in sommige gevallen worden uitbesteed en dienen in sommige gevallen binnen de overheid uitgevoerd te worden.

 

Activiteiten dienen binnen de overheid uitgevoerd te worden, indien:

  • De activiteit behoort tot één van de kernactiviteiten van de Wabo.

  • Een mogelijkheid bestaat voor belangenverstrengeling wanneer activiteiten worden uitgevoerd door een marktpartij.

  • De onafhankelijkheid van de uitvoerende medewerker in het geding kan komen.

De mogelijkheid tot uitbesteden is op activiteitenniveau binnen de deskundigheidsgebieden aangegeven. Indien de deskundigheid benodigd voor het uitvoeren van de activiteit redelijkerwijs alleen bij gespecialiseerde bureaus te verwachten is, dan bestaat de mogelijkheid deze activiteiten uit te besteden. Hiervoor geldt dat specifieke activiteiten of deskundigheidsgebieden binnen de overheid georganiseerd dienen te zijn.

 

Op de volgende pagina is in figuur 3 samengevat welke deskundigheidsgebieden binnen de overheid uitgevoerd dienen te worden en welke mogelijk uitbesteed kunnen worden.

 

Figuur 3: Schematische weergave van deskundigheidsgebieden die binnen de overheid uitgevoerd moeten worden en die uitbesteed kunnen worden.

 

Bij Deskundigheid „3. Vergunningverlening milieu‟ is activiteit 6 een uitzondering. Deze mag worden uitbesteed aan een marktpartij, mits de uitbestedende overheidsorganisatie beschikt over minimaal één medewerker die voor de deskundigheid nodig is voor activiteit 5.

 

Spelregel: Als uitbesteden is toegestaan dan zorgt het bevoegd gezag voor het tijdig beschikken over de benodigde deskundigheid en zorgt het bevoegd gezag dat de activiteiten behorend bij de verschillende deskundigheidsgebieden worden uitgevoerd door de daartoe toegeruste personen.

 

In de uitwerking in deel B van dit rapport is per deskundigheidsgebied aangegeven voor welke (delen van) deskundigheden en of activiteiten uitbesteding mogelijk is en onder welke aanvullende condities.

 

Deskundigheden zijn binnen de overheid georganiseerd als zij belegd zijn bij personen:

  • die zijn aangesteld door het bevoegd gezag;

  • die zijn aangesteld door het bestuur van een gemeenschappelijke regeling 1 waaraan het bevoegd gezag voor de betreffende activiteiten deelneemt;

  • aangesteld door derden of werkzaam als zelfstandige zonder personeel, in de vorm van detachering (de persoon werkt een vast aantal dagen per week voor een vaste periode bij de overheidsorganisatie). Waarbij de overheidsorganisatie zelf verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de uitgevoerde werkzaamheden en in staat is deze zelf te beoordelen. Daarvoor is het nodig dat de overheid zelf minimaal één persoon in dienst heeft die beschikt over de betreffende deskundigheden en behoort tot het eerste en tweede punt van bovenstaande opsomming;

  • die zijn aangesteld door andere overheden (waar het bevoegd gezag geen bestuurlijke verantwoordelijkheid voor draagt), waarmee het bevoegd gezag een structureel samenwerkingscontract heeft,

Deskundigheden zijn uitbesteed als zij belegd zijn bij personen:

  • die zijn aangesteld door andere overheden (waar het bevoegd gezag geen bestuurlijke verantwoordelijkheid voor draagt), waarmee het bevoegd gezag een ad hoc-contract heeft gesloten voor het leveren van die deskundigheden;

  • die zijn aangesteld door derden in de vorm van adviesdiensten (ad hoc advies, geen detachering).

 

In onderstaand figuur 4 is de wijze van beleggen van activiteiten schematisch weergegeven.

 

Figuur 4: schematische weergave van beleggen van activiteiten bij de juiste personen in het kader van uitbesteden.

 

Spelregel: Wanneer uitbesteden is toegestaan, zijn de benodigde kritieke massa criteria expliciet benoemd in de deskundigheidstabellen en behoudt het bevoegd gezag de bestuurlijke verantwoordelijkheid.

 

Het bevoegd gezag is en blijft ook bij uitbesteding verantwoordelijk voor de inzet van de betrokken deskundigheid bij het te nemen besluit.

 

Het bevoegd gezag blijft ook altijd verantwoordelijk voor het voldoen aan kwaliteitseisen, waaronder die van de kritieke massa criteria. Dit geldt wanneer de uitvoering van (specifieke activiteiten binnen) deskundigheden wordt uitbesteed aan elke organisatie. Dit geldt ook als sprake is van het werken onder mandaat. Het volledig overdragen van verantwoordelijkheden, waaronder die voor het voldoen aan de kwaliteitscriteria, is alleen mogelijk via het delegeren daarvan. Een Openbaar Lichaam op grond van de Wgr leent zich hier, onder specifiek in de wet benoemde situaties.

 

Spelregel: Wanneer uitbesteden is toegestaan verklaart de uitvoerende organisatie te voldoen aan de criteria.

 

De organisatie die de betreffende deskundigheid levert aan het bevoegd gezag moet voldoen aan de kwaliteitscriteria voor de kritieke massa en de activiteiten dienen uitgevoerd te worden op basis van de overige criteria voor proces, inhoudelijke kwaliteit en prioriteiten.

 

3.3.2 Opleiding

De verschillende elementen van opleiding zijn als volgt gedefinieerd:

 

Nr.

Opleiding

1

Basisopleiding:

  • Hetminimale denkniveau, uitgedrukt in termen van relevante MBO,HBO of WO opleiding.

2

Aanvullende opleiding(en):

  • De minimaal benodigde aanvullende opleidingen. Alleen vantoepassing indien de betreffende onderwerpen niet aantoonbaar onderdeel uitmaken van de basisopleiding. De benodigde permanente bijscholing is inhet kader van dit projectniet uitgewerkt.

    • o

      Basiscursus: een cursus van indicatief 1-5 dagenvoor de genoemde opleiding of het thema.

    • o

      Verdiepingscursus: een cursus of opleiding van indicatief 5-10 dagenper genoemde opleiding of thema.

    • o

      Specialistische opleiding: een opleiding van indicatief meer dan 10 dagen.

Specifiekemodules, standaard opleidingen, post HBO opleidingen en certificaten worden expliciet genoemd. Indien ditaan de orde is, wordt actualiseringsplichtvermeld.

Van medewerkers wordt verwachtdat zij de kennis die uitde genoten opleidingen voortkomt, altijd actueelhouden. Voor bijscholing zijndaartoe (nog) geencriteria opgenomen.

 

 

 

Een vergunningverlener Wet milieubeheer met 20

jaar ervaring heeft als basis een MBO opleiding. Zijn ervaring beslaat veel complexe procedures met zware chemische inrichtingen, MER procedures en hij heeft als specialisatie afvalstoffen.

 

Deze vergunningverlener kan aan alle criteria die

voor vergunningverlener klasse III afval worden genoemd voldoen, mede gezien aanwezige kennis en ervaringop het gebied van het LAP, IPPC, verbranden en storten.Echter gezien zijn basisopleiding (een  MBO opleiding) zou  hij niet

voldoen aan de criteria voor opleiding.

Spelregel: Aan de in de tabellen benoemde opleidingseisen kan ook voldaan worden door aantoonbaar gelijkwaardige opleiding en/of verkregen werk- en denkniveau door ruime ervaring.

 

Dit laatste kan bijvoorbeeld door middel van de systematiek die gehanteerd wordt in het kader van de Beoordelingsrichtlijn (BRL) 5019 (zie www.bpt.nu) of een volledig uitgewerkte systematiek voor Erkenning Verworven Competenties (EVC).

 

De systematiek van eerder verworven competenties kan worden toegepast in specifieke gevallen. Bijvoorbeeld wanneer een medewerker meer dan 2 jaar werkervaring heeft en dat kan bewijzen met beoordelingen, getuigschriften en verklaringen. En de systematiek is toepasbaar wanneer een medewerker met bijvoorbeeld met goede beoordelingen op een hoger niveau of in een andere functie actief is dan waar hij een diploma voor bezit. Indien het bevoegd gezag deze aantoonbare vergelijkbare opleidingseisen kan motiveren, dan voldoen de betreffende medewerkers en daarmee de organisatie.

 

Spelregel: Voorgeschreven opleidingseisen betreffen minimale eisen.

 

In sommige gevallen is het verstandig op eigen initiatief van het bevoegd gezag voor bepaalde activiteiten academisch (WO) niveau in te zetten in plaats van HBO niveau. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de verschillende juridische deskundigheidsgebieden,

‟13. Bouwfysica‟, ‟15. Constructieve veiligheid‟, ‟19. Externe veiligheid‟, ‟22. Luchtkwaliteit‟, ‟20. Geluid‟ of bij ‟25. Cultuurhistorie‟.

 

De noodzaak voor HBO of academisch niveau is hierbij lastig exact te bepalen. Daarom is voor de kritieke massa criteria in deze gevallen HBO als opleidingseis opgenomen.

 

 

Spelregel: Activiteiten kunnen worden uitgevoerd door medewerkers met een lager opleidingsniveau dan de criteria voorschrijven, mits deze uitvoering gecontroleerd wordt door medewerkers die wel voldoen aan de gestelde eisen voor dit deskundigheidsgebied.

 

De tabellen bevatten het minimaal aantal medewerkers dat moet beschikken over de betreffende deskundigheden.

 

Dit betekent niet dat alle medewerkers die delen van de bijbehorende activiteiten uitvoeren over de voorgeschreven deskundigheid moeten beschikken. Hieronder staat voor de deskundigheid „bouwfysica‟ een voorbeeld opgenomen dat de relatie met de praktijk legt.

 

3.3.3 Werkervaring

De verschillende elementen van „werkervaring‟ zijn als volgt gedefinieerd:

 

Nr.

Werkervaring

1

Het aantal jaren:

  • Het minimale aantal jaren relevante werkervaring die men nodig heeft om de activiteit100% zelfstandig uit te kunnen voeren. Relevante werkervaring wordt uitgedrukt inhet type werk en/of het onderdeel van een deskundigheidsgebied waarinde ervaring moet zijnopgedaan.

2

Basisfrequentie:

  • Hetaantal keren dat een bepaalde activiteit moet zijn uitgevoerd voordat dezeactiviteit 100% zelfstandig kan worden uitgevoerd.

Tot het moment dat deze ervaring is opgedaan,vindt begeleiding plaats door medewerkers die wel voldoen aan de ervaringseisen.

 

In de criteria wordt uitgegaan van „100 % zelfstandige uitoefening‟. Medewerkers met minder werkervaring kunnen (een deel van de) activiteiten uitvoeren, mits voldoende begeleiding wordt gegeven door medewerkers met voldoende werkervaring.

 

3.3.4 Aanvullende kennis

De verschillende elementen van „aanvullende kennis‟ zijn als volgt gedefinieerd:

 

Nr.

Aanvullende kennis

Alleen de (basisen diepgaande) kennis is opgenomen, indien de betreffende onderwerpen nietaantoonbaar onderdeel uitmaken van de opleiding. Van de kennis die aantoonbaar onderdeel uitmaakt van de opleiding wordt verwachtdat deze kennis altijd actueelgehouden wordt.

1

Basiskennis betreft thema‟s, onderwerpen waarvoor inzicht en/of kennis nodig is van één of meerdere van de onderstaande punten:

  • De structuur en systematiek van bepaalde wetgeving (inclusief jurisprudentie), normen en overige cruciale kaders voor het deskundigheidsgebied.

  • De grondbeginselen, de dosis-effectrelaties en cumulatie van milieueffecten.

  • De grondbeginselen, de fysieke effecten en aandachtspunten bij veel voorkomende oplossingen in (bouw)werken.

  • De grondbeginselen, ruimtelijke consequenties en aandachtspuntenbij ruimtelijke planvormen.

2

Diepgaande kennis betreft thema‟s, onderwerpen waarvoor:

  • Het kunnen doorgronden van de opzet, data-invoer en resultatenvan voor het deskundigheidsgebied gangbare analysemethoden,technische berekeningen, bestekken en/of computerprogramma‟s nodig is;

  • Hetin onderlinge samenhang interpreteren en hanteren vanverschillende wetsvoorschriftennodig is;

  • Maatwerk per deskundigheidsgebied(o.a.actualiseringsplicht opgedane kennis) nodigis.

 

3.3.5 Frequentie

De verschillende elementen van „frequentie‟ zijn als volgt gedefinieerd:

 

Nr.

Frequentie

1

Aantal keer per jaar:

  • De minimale frequentie per jaar waarmee een activiteit zelfstandig moet worden uitgevoerd om de deskundigheid te kunnenbehouden.

2

Deel van een volledige weektaak waarin de activiteit zelfstandig wordt uitgevoerd om de deskundigheid te kunnenbehouden:

  • -

    tenminste 2/3 van één fte

  • -

    tenminste 1/3 van één fte

 

 

Spelregel: De uitvoeringsfrequentie is gebaseerd op het maken van voldoende vlieguren voor het uitvoeren van een bepaalde activiteit gericht op borging van de deskundigheid in de praktijk en de bijbehorende product- en vakontwikkeling.

 

De essentie van de frequentie-eis is het maken van voldoende vlieguren om een activiteit dusdanig vaak uit te voeren dat deze activiteit beheerst wordt, zelfstandig en met voldoende, up to date, kennis kan worden uitgevoerd.

 

Deze frequentie is bij voorkeur uitgedrukt in aantal keren dat activiteiten dienen te worden verricht. Door de diversiteit in tijdsbesteding is het uitdrukken in aantallen keren vaak niet eenduidig te maken. Daarom is er in veel gevallen gekozen voor een richtinggevende tijdsbesteding vertaald in een deel (1/3 of 2/3 deel) van de totale tijdsbesteding van een fulltime medewerker gebaseerd op een 36-urige werkweek.

 

Het kunnen voldoen aan deze eis is mede afhankelijk van het werkaanbod om de deskundigheid te kunnen onderhouden. Het uitbreiden van het werkaanbod door samenwerking kan hierbij een stimulans zijn voor de vakontwikkeling en het bieden van een uitdagende werkomgeving voor vakspecialisten die graag hun specifieke kennis zo vaak mogelijk toepassen.

 

3.3.6 Aantal

De verschillende elementen van „aantal‟ zijn als volgt gedefinieerd:

 

Nr.

Aantal

1

Aantal:

  • Het minimale aantal medewerkers met de omschreven deskundigheid waarover menmoet kunnen beschikken om de noodzakelijke deskundigheid te kunnen borgen.

  • Het minimum aantal is altijd 2 (m.u.v.BOA‟s). Het wordt aan de organisatie overgelatenhoe het minimale aantal medewerkers met de omschreven deskundigheid geborgd wordt, bijvoorbeeld door tijdige opleiding en werving.

 

Voor het uitvoeren van veel specialistische activiteiten is altijd een collegiale toets en/of mogelijkheid tot overleg nodig door een collega die ook beschikt over minimaal de benodigde deskundigheid voor deze activiteit. Dit omdat uitgangspunten, context, wet- en regelgeving, modellering, invoergegevens en de daarop gebaseerde analyses en resultaten niet altijd eenduidig te bepalen zijn en de kans op fouten altijd aanwezig is.

 

Daarnaast geldt dat ook in geval van o.a. verlof, ziekte en vertrek voldoende bedrijfszekerheid/continuïteit gegarandeerd kan worden. De uitzonderingen hierop zijn die (onderdelen van) deskundigheidsgebieden waarvoor (1) de ervaringseis 0-1 jaar is en

(2) er geen eisen aan de frequentie worden gesteld die niet binnen enkele weken gerealiseerd kunnen worden. Een voorbeeld hiervan is de activiteit „1. Onderhouden, gebruiken en toegankelijk maken van informatie uit een Bodeminformatiesysteem (BIS)‟ binnen de deskundigheid ‟18. Bodem, bouwstoffen, water‟.

 

3.4 Opbouw

De kritieke massa criteria zijn opgebouwd uit generieke en specialistische deskundigheden.

 

  • Tot de generieke deskundigheidsgebieden behoren handelingen/activiteiten die een algemeen of generiek karakter hebben. Deze taken kunnen in principe uitgevoerd worden door generalisten zonder expert te zijn op een specifiek aspect. Voor deze deskundigheidsgebieden is het veelal voldoende om over basiskennis van verschillende aspecten te beschikken. Deze basiskennis stelt de generalist in staat om zelfstandig afwegingen te maken, waar nodig specialisten in te schakelen en om de toepasbaarheid van het werk van de specialist te kunnen beoordelen.

 

  • Onder specialistische deskundigheidsgebieden zijn die activiteiten uitgewerkt die een expertmatig karakter hebben. Om deze taken te kunnen uitvoeren is diepgaande kennis van een bepaald aspect nodig (bijvoorbeeld aangaande het uitvoeren van geluidsberekeningen). In onderstaand figuur 5 zijn de generieke en specialistische deskundigheidsgebieden weergegeven. De deskundigheidsgebieden waarvoor een frequentie eis van 2/3 fte geldt, zijn blauw gekleurd.

  •  

 

Figuur 5: Deskundigheidsgebieden

 

De deskundigheid „12. Buitengewone opsporing‟ is hierin een bijzondere, gezien BOA‟s bij voorkeur fulltime toezichthouder zijn, waarvan minimaal 1/3 van een fte actief met BOA activiteiten. Voor „ketentoezicht‟ geldt een soortgelijke voorkeur.

 

 

Spelregel: Elk bevoegd gezag moet voor het kunnen uitvoeren van de sanctiestrategie 24 uur per dag, 7 dagen per week beschikken over BOA’s met bevoegdheden voor alle wettelijke bepalingen uit de afbakening.

 

BOA's zijn niet alleen noodzakelijk voor de bestuurlijke strafbeschikking maar ook voor opstellen van PV's. Het opnemen van eisen t.a.v. BOA's is ingegeven vanuit de noodzaak om te allen tijde over het volledige pakket aan interventie mogelijkheden te kunnen beschikken als bevoegd gezag.

 

Voorts moet het bevoegd gezag altijd het instrument „bestuurlijke strafbeschikking‟, indien aan de orde, kunnen inzetten. Voor zaken waarin veel personen moeten worden gehoord of in lastige zaken, is het nodig om twee (of meer) BOA‟s tegelijkertijd in te kunnen zetten.

 

De eisen die aan individuele BOA‟s worden gesteld, zijn op basis van het Besluit Buitengewoon Opsporingsambtenaar (BBO) en de bijbehorende Circulaire bekwaamheid al verankerd.

 

In deel B zijn de kritieke massa criteria in detail uitgewerkt in deskundigheidstabellen.

 

4 Procescriteria

 

4.1 Waarom?

Voor de totstandkoming van producten zoals vergunningen, controles en handhavingacties zijn diverse werkprocessen nodig. Transparantie en bestuurlijke vastlegging spelen daarin een belangrijke rol. De procescriteria samen leiden tot een sluitende cyclus en kwaliteitsborging.

 

Op alle kritieke punten van overdracht in het hoofdproces van vergunningverlening en toezicht en handhaving dient goed nagedacht te worden over de borging van kwaliteit. De criteria bieden de kaders voor het kwaliteitssysteem van het bevoegd gezag. De criteria geven de elementen aan die minimaal aanwezig moeten zijn. Daarnaast moeten de criteria gebruikt worden bij het inrichten van de organisatie, bijvoorbeeld om onafhankelijke oordeelsvorming te borgen.

 

Zoals het woord „procescriteria‟ doet vermoeden, betreft het eisen aan het proces. Door het proces te verbeteren, dient de output en outcome in positieve zin te ontwikkelen. Naast de procescriteria wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van output- en outcome criteria, zoals omschreven in de Handleiding output- en outcomecriteria van de VNG (februari 2012).

 

4.2 Overwegingen

 

4.2.1 Sluitende BIG-8

De procescriteria beschrijven de eisen die gesteld worden aan de beleidscyclus. Door de criteria te volgen wordt de cyclus gesloten. Daarbij is de BIG-8 gehanteerd. Dit model maakt vanuit een strategisch kader de vertaling naar operationeel beleid ten behoeve van kwaliteitsborging te samen met een sluitende planning en control cyclus. De eisen die worden gesteld aan een sluitende BIG-8 (zie figuur hiernaast) komen grotendeels overeen met de eisen uit de ISO Norm

9001:2008.

 

De criteria zoals vastgelegd in de rapportage “Professionalisering van de milieuhandhaving; Kwaliteitscriteria, doe je voordeel met het oordeel” en de IPO norm kwaliteitsmanagement bedrijfsgebonden omgevingstaken vormden het vertrekpunt bij het ordenen van de criteria. Figuur 6: BIG-8 model

 

4.2.2 Transparantie in de uitvoering

Voorgeschreven documentatie volgens de criteria wat betreft proces, inhoudelijke kwaliteit en prioriteiten, leidt niet per definitie tot meer bureaucratie.

 

In de procescriteria wordt onder andere verwezen naar het handhavingsbeleid, de naleefstrategie, de sanctiestrategie, de probleemanalyse, de prioriteitstelling en de verantwoording. Hiermee wordt niet beoogd dat deze onderwerpen allemaal in verschillende documenten uitgeschreven moeten worden. Het is bijvoorbeeld goed mogelijk om de probleemanalyse, naleefstrategie, sanctiestrategie en doelstellingen in één document uit te werken.

 

Het gaat er om dat de verschillende analyses, strategieën, prioriteiten en doelstellingen transparant zijn, echt worden vastgesteld en dat de organisatie hier aantoonbaar naar handelt.

 

4.2.3 Andere kwaliteitseisen

Voor de activiteiten op het gebied van toezicht en handhaving op de bodemsanering gelden zeer specifieke eisen. In aanvulling op de geformuleerde procescriteria gelden de SIKB-eisen. Voor provincies gelden de eisen conform normblad 8001 en voor gemeenten geldt normblad 8002. In 2010 zijn de output- en outcomecriteria ontwikkeld voor VTH- taken. Het biedt organisaties handvatten voor het stellen van meetbare doelen en afrekenbare resultaten. De ouput- en outcomecriteria zijn daarmee een waardevolle concretisering van de in de procescriteria gevraagde doelen.

 

4.3 3 Processtappen

In onderstaande paragrafen worden de 7 elementen van de BIG-8 toegelicht. Per element zijn een aantal kernvragen opgenomen die het bevoegd gezag zichzelf zal moeten stellen bij het beoordelen of zij voldoet aan de eisen conform de procescriteria. Het volledige overzicht met procescriteria is opgenomen in deel C.

 

4.3.1 Rapportage en evaluatie

In essentie betreft deze stap het analyseren van allerlei relevante elementen dan wel veranderingen voor de vergunningverlenings- en handhavingsorganisatie.

 

  • Voor de vergunningverleningsorganisatie betreft dit met name een analyse van het huidige en toekomstige inrichtingenbestand inclusief het aantal te verwachten vergunningen en de actualiteit van het milieudeel van de vergunningen.

 

  • Voor de handhavingsorganisatie zijn dit bijvoorbeeld wijzigingen in het beleid, in het takenpakket of in het bedrijvenbestand, dan wel de verbetering of

 

verslechtering van het naleefgedrag van bedrijven/inrichtingen of van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in de regio.

 

Kernvragen rapportage en evaluatie

  • Handelt mijn organisatie op grond van een probleemanalyse?

  • Legt mijn organisatie verantwoording af over inzet,prestaties en resultaten?

  • Vergelijkt mijn organisatie haar prestaties met anderen?

 

4.3.2 Strategisch beleidskader

De volgende stap in het beleidsproces is het voorbereiden en voorleggen van prioriteiten en meetbare doelstellingen aan het bestuur van de vergunningverlening- en handhavingsorganisatie, het bespreken van keuzes met de politiek en het nemen van besluiten over de te stellen doelen op het gebied van vergunningverlening en handhaving. De uitgevoerde beleidsevaluatie legt voor deze stap de basis, waarbij output en outcome indicatoren gebruikt worden om de doelen te stellen.

 

Kernvragen strategisch beleidskader

  • Heeft mijn organisatie prioriteiten gesteld op basis van de probleemanalyse?

  • Worden in mijn organisatie de doelen van vergunningverlening en handhaving (per beleidsveld) omschreven?

  • Is voor de prioriteiten de geplande personele capaciteit in de begroting vastgelegd?

  • Is voor de prioriteiten de geplande financiële capaciteit in de begroting vastgelegd?

 

4.3.3 Operationeel beleidskader

In deze stap moeten prioriteiten en doelstellingen worden vertaald in concrete strategieën en objectieve criteria.

 

  • Voor de vergunningverleningorganisatie worden prioriteiten en doelstellingen vertaald in een set van objectieve criteria voor toetsing.

 

  • Voor de handhavingorganisatie worden de prioriteiten en doelstellingen vertaald naar doelgroepen en in nalevingstrategieën (of indien reeds aanwezig het periodiek toetsen daarvan). Pas dan blijkt op welke wijze specifieke doelgroepen in de praktijk benaderd moeten gaan worden en hoe bepaalde beleidsaspecten (zoals bijvoorbeeld strenger sanctioneren of minder gedogen) moeten gaan uitpakken.

 

Kernvragen operationeel beleidskader

  • Handelt mijn vergunningverleningsorganisatie op basis van een strategie en objectieve criteria voor het beoordelen, verlenen en/of weigeren van een omgevingsvergunning?

  • Handelt mijn handhavingsorganisatie op grond van een nalevingstrategie die de inzet vanoverige instrumenten, niet zijnde handhaving, omvat?

  • Is er een toezichtstrategie opgesteld?

  • Is er een sanctiestrategie opgesteld?

  • Is er een gedoogstrategie opgesteld?

 

4.3.4 Planning en control

Centraal in deze stap staat het toewijzen van de noodzakelijke capaciteit en financiële middelen die nodig zijn om de gestelde doelen te kunnen bereiken. Hiertoe worden organisatorische condities gesteld en een systematiek van interne borging ingericht voor de wijze waarop werkzaamheden beheerst kunnen worden uitgevoerd. De bouwstenen voor deze stap zijn de resultaten van de beleidsevaluatie, de prioriteiten daaruit, doelstellingen voor de komende periode en overeenstemming over te voeren strategieën.

 

Kernvragen planning en control

  • Kan mijn organisatie aantonen dat zij voldoet aande benodigde kritieke massa?

  • Kan mijn organisatie de (personele) onafhankelijkheid borgen van vergunningverleners en toezichthouders en handhavers?

  • Heeft mijnorganisatie regelingen getroffen voor functiescheiding tussenvergunningverlening en handhaving op persoons- dan wel objectniveau?

  • Bevatten toegewezen capaciteit en financiële middelen eenduidelijke verbinding met de doelstellingen en prioriteiten?

  • Handelt mijn organisatie op grond van een systematiek van interne borging van de wijzewaarop de werkzaamheden beheerst kunnen worden uitgevoerd?

  • Is het informatiebeheer op orde?

 

4.3.5 Voorbereiden

De essentie van deze stap is een goede voorbereiding van de af te geven vergunning en het uit te voeren controlebezoek door eerst te kijken naar de resultaten van eerdere vergunningverleningsprocedures met gelijke initiatiefnemers en van eerdere controlebezoeken, de meldingen, klachten en incidenten, eventuele rapportageverplichtingen, van toepassing zijnde nalevingstrategieën, etc.

 

Kernvragen voorbereiden

  • Wordt er voor de voorbereiding en uitvoering van de vergunningverlenings- en handhavingstaken gehandeld op grond van protocollen en werkinstructies?

  • Heeft mijnorganisatie eenuitvoeringsprogramma voor vergunningverlening en toezicht en handhaving?

  • Handelt mijn organisatie op basis van protocollen voor communicatie, informatiebeheer en informatie-uitwisseling?

 

4.3.6 Uitvoering

Dit kernelement betreft de uitvoering van de te verlenen vergunningen en het controlebezoek zelf (inclusief de hieruit volgende acties).

 

Kernvragen uitvoering

  • Beschikt mijn organisatie over voldoende kwantitatieve en kwalitatieve voorzieningen en hulpmiddelen die de taakuitvoering informatietechnisch,inhoudelijk technisch, juridisch en administratief mogelijk maken?

 

4.3.7 Monitoring

Het laatste onderdeel van de beleidscyclus is de monitoring van diverse zaken die relevant zijn voor bijsturing in de operationele cyclus (bijvoorbeeld het aantal/de aard/de complexiteit van de te verwachte vergunningen of het aantal gerealiseerde controles, het bestede aantal uren, etc.) of als input voor de beleidsevaluatie (zoals de verbetering of verslechtering van het naleefgedrag van bedrijven of de milieukwaliteit in de regio). Daarbij wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van output- en outcome indicatoren, zoals omschreven in de Handleiding input- en outcomecriteria van de VNG (februari 2012).

 

Kernvragen monitoring

  • Zorgt u voor het het monitorenvan de diverse vergunningverlening- en handhavingdoelen vanvastgestelde indicatoren?

  • Worden de vergunningverlening- en handhavingresultaten weergegeven in een verantwoordingsrapportage?

 

4.4 Toepassing van de criteria

In deel C zijn de kwaliteitscriteria wat betreft proces, inhoudelijke kwaliteiten en prioriteiten per BIG-8 element uitgewerkt. De bevoegd gezag organisaties dienen aan deze criteria te voldoen. Hieronder staat per BIG-8 element de procescriteria op hoofdlijnen weergegeven.

 

 

Figuur 7: Schematische weergave van de procescriteria

 

5 Criteria voor inhoudelijke kwaliteit en prioriteiten

 

5.1 Waarom?

De criteria voor inhoud en prioriteiten bepalen de minimale ondergrens binnen de werkprocessen. Het gaat bijvoorbeeld om criteria met betrekking tot de diepgang waarmee getoetst wordt en landelijke prioriteiten.

 

Uitgangspunt bij het opstellen van de criteria voor inhoud en prioriteiten was dat er een inhoudelijke ondergrens nodig is om voldoende robuustheid mee te geven aan de criteria.

 

5.2 Definitie

De inhoudelijke criteria hebben betrekking op:

  • 1.

    Inhoudelijke elementen probleemanalyse, beleid, strategie en programma;

  • 2.

    Diepgang toetsing vergunningen bouw en toezicht bouwfase;

  • 3.

    Wijze van toezicht ter plaatse;

  • 4.

    Toepassing landelijke sanctiestrategie;

  • 5.

    Landelijke prioriteiten toezicht en handhaving.

5.2.1. Inhoudelijke elementen probleemanalyse, beleid, strategie en programma

Door de VROM-Inspectie is in het verleden een „adequate niveau‟ gedefinieerd. Dit niveau betrof niet alleen de wettelijke eisen, maar ook procedurele en inhoudelijke eisen voor niet-wettelijke elementen voor een goede taakuitoefening. De wijze van formuleren van deze eisen lijkt in veel gevallen op wat in dit rapport „procescriteria‟ zijn.

 

Het adequate niveau bevat veel waardevolle punten. De procescriteria zijn nader gespecificeerd en aangevuld op basis van formuleringen uit het adequate niveau. Uitgangpunt daarbij was om niet het detailniveau uit het adequate niveau over te nemen. Enkele punten vanuit het adequate niveau zijn expliciet gemaakt in de procescriteria. Het betreft met name:

  • 1.

    Toezicht bestaande gebouwenvoorraad;

  • 2.

    Landbreedte voor de toezichtstrategie en het bijbehorende programma.

 

Door in de probleemanalyse expliciet te vermelden dat toezicht betrekking heeft op de bestaande gebouwenvoorraad en bouwen zonder of in afwijking van de omgevingsvergunning, is het bevoegd gezag vervolgens gehouden om dit toezicht ook feitelijk met de vastgestelde frequenties, diepgang en op basis van de toezicht- en sanctiestrategie op te nemen in het uitvoeringsprogramma en als zodanig uit te voeren.

 

5.2.2. Toets- en toezichtprotocol

De inhoudelijke ondergrens wordt onder andere bepaald door de werkwijze en diepgang vanuit het toets en integrale toezichtprotocol. Beide protocollen zijn naar buiten gebracht door de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht, nadat de VROM-inspectie het daarin geadviseerde collectieve niveau van diepgang als adequaat heeft beoordeeld. Het collectieve niveau is dat niveau waar je als overheid tenminste aan moet kunnen voldoen.

 

In het BIG-8 element operationeel beleidskader is het volgende opgenomen:

  • Het bevoegd gezag toetst op basis van een systematiek (inclusief het collectieve niveau) zoals beschreven in het toetsprotocol (of vergelijkbaar);

  • Het bevoegd gezag voert toezicht uit op basis van een systematiek (inclusief het collectieve niveau) zoals beschreven in het integraal toezichtprotocol (of vergelijkbaar).

Hiermee wordt niet alleen een eis gesteld aan de te hanteren systematiek maar ook de diepgang daarbinnen. Om recht te doen aan het uitgangspunt dat het bevoegd gezag zelf een gedegen risicoafweging moet maken op basis van lokale omstandigheden bestaat de mogelijkheid om, gemotiveerd, af te wijken van het hierboven genoemde collectieve niveau.

 

De essentie is dat transparant en op basis van een bestuurlijk vastgestelde aanpak wordt gewerkt. De gemeenteraad en de burgers moeten kunnen weten met welke kwaliteit een taak uitgevoerd wordt.

 

5.2.3. Wijze van toezicht ter plaatse

Geadviseerd wordt om te streven naar het uitvoeren van preventieve controles op één en hetzelfde toezichtmoment. Dit vanuit het oogmerk van de Wabo om de lastendruk te verminderen. Dit streven is opgenomen bij het BIG-8 element uitvoering.

 

5.2.4. Landelijke sanctiestrategie

Het overnemen van de landelijke sanctiestrategie is verplicht. De uitwerking daarvan is opgenomen onder het BIG-8 element “Operationeel Beleidskader”. De landelijke sanctiestrategie wordt geoptimaliseerd en op maat gemaakt voor de afbakening van de kwaliteitscriteria en te komen tot een (nieuwe) landelijke handhavingstrategie (inclusief de interpretatie voor bouwaspecten en handreikingen voor de wijze waarop politie en OM zich binden aan de sanctie en/of handhavingstrategie). Deze nieuwe handhavingstrategie zal de huidige sanctiestrategie vervangen en wordt in 2013 verwacht.

 

5.2.5. Landelijke prioriteiten

In het handhavingsbeleid van het bestuursorgaan wordt uitwerking gegeven aan de landelijke prioriteiten. Dit criterium is uitgewerkt in BIG-8 element “strategisch beleidskader”.

 

5.3 Toepassing van de criteria

De criteria voor inhoud en prioriteit zijn verwerkt in de tabellen met de procescriteria (zie deel C). Een toets op de procescriteria impliceert daarmee ook een toets op de inhoudelijke criteria.

 

Bijlage 1: Rechtstreekse verboden

 

Overzicht rechtstreekse verboden

Wetten

Artikel

Omschrijving

Wabo

2.1 lid 1

Verbod totuitvoeren project zonder omgevingsvergunning.

Flora-en Faunawet, Monumentenwet1988, Natuurbeschermingswet 1998

Aanhakers

Toezicht en handhaving voor zover hetbetreft de naleving van omgevingsvergunningplichtigeactiviteiten.

Wet milieubeheer

1.1a

Algemene zorgplicht.

8.1

Verbod oprichten,veranderen, in werking hebben van een inrichting.

8.40 en 8.42

Algemene regels en maatwerkvoorschriften.

10.1

Verbodennadelige handelingen mbt afvalstoffen te verrichten, en verplichting maatregelen treffen ivm handelen of nalatenm.b.t. afvalstoffen.

10.2

Verbod storten of op bodem brengen van afvalstoffen.

10.15

Verbodbepaalde handelingen die bij AmvB worden gesteld, te verrichten in het belang van het voorkomen of beperken vanhet ontstaan van afvalstoffen.

Regelgeving die op dit artikelisgebaseerd (gedelegeerde regelgeving):

  • Besluit beheer autobanden;

  • Besluit beheer autowrakken;

  • Besluit beheer batterijen en accu‟s 2008;

  • Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur;

  • Besluitbeheer verpakkingen en papier en karton;

  • Besluit bodemkwaliteit;

  • Regeling beheer batterijen en accu‟s 2008;

  • RegelingEuropese afvalstoffenlijst;

  • WijzigingsbesluitBesluit beheer autobanden, enz. (aanpassing van de meldings- en mededelingstermijn (onbeperkte geldigheid melding en mededeling);

  • WijzigingsbesluitBesluit beheer autowrakken, enz. (verbetering regels autowrakken en autobanden).

10.16

Verplichting tothet voeren van bepaalde aanduidingen op stoffen, preparaten of producten of de verpakking daarvan.

10.17

Verplichtingen met betrekking tothet innemen, nuttig toepassenof verwijderen van daarbij aangewezen categorieën van stoffen, preparaten of producten.

10.30

Verbod lozing afvalwater of afval op een werk (riool) anders dan vanuitinrichting.

10.37

Verbod zich door afgifte aan eenander van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen te ontdoen.

10.44

Verplichting begeleidingsbrief bij vervoer bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

10.54

Verbod totnuttig toepassen of verwijderen gevaarlijke afvalstoffen buiten een inrichting.

 

10.55

Verboden bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen voor anderen tegen vergoeding te vervoeren, te verhandelen,of ten behoeve van anderen te bemiddelen bij het beheer ervan.

17.1 en 17.2

Ongewone voorvallen(melden en maatregelen).

Wetruimtelijke ordening

7.10

Verboden(laten) gebruiken gronden en bouwwerken in strijd met bestemmingsplan, inpassingsplan, projectbesluit, beheersverordening, besluit tot buiten toepassing laten bestemmingsplan etc., een voorbereidingsbesluit, provinciale verordening,algemene maatregel van bestuur,aanwijzing.

Plusverbod tot gedraging in strijd met vergunning- of ontheffingvoorschrift.

Woningwet

1b

Verbodzonder vergunningals bedoeld inartikel 40:

  • a.

    een gebouw te bouwen in afwijking Bouwbesluit;

  • b.

    een bouwwerk,niet zijnde een gebouw, te bouwenin afwijking Bouwbesluit;

  • c.

    een standplaats te bouwen inafwijking Bouwbesluit. Plus verbod:

  • a.

    een bestaand gebouw in een staat te brengen, te laten komen of te houden die niet voldoet aan de op de staat van datgebouw van toepassing zijnde voorschriften;

  • b.

    een bestaand bouwwerk, niet zijnde een gebouw,in een staat te brengen, te laten komenof te houden die niet voldoetaan de op destaat vandat bouwwerk van toepassing zijnde voorschriften;

  • c.

    een bestaande standplaats in een staat te brengen, te laten komenof te houden die niet voldoet aan de op de staat van die standplaats van toepassing zijnde voorschriften.

Plusverbod een gebouw, bouwwerk,niet zijnde een gebouw, of standplaats, dan wel deel daarvan,in stand te laten voor zover bij het bouwen daarvan nietis voldaan aan de op dat bouwen van toepassing zijnde voorschriften.

7b

Verbod zonder vergunning eenbouwwerk, erf, etc.te bouwen of te gebruiken etc. in afwijking van Bouwverordening.

14a

Bijzondere  verplichtingen  (o.a.  staat van  gebouw/bouwwerk/standplaats, redelijke  eisen  van welstand,  sluiting terrein/bouwwerk/etc.).

40

Verbod zonder vergunningte bouwenof in stand te laten.

60

Verbod i.v.m. woonvergunning.

Wet bodembescherming

6 t/m 13

Zorgplicht en regelgeving die op dit artikelis gebaseerd (gedelegeerde regelgeving):

  • Besluit bodemkwaliteit;

  • Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998;

  • Besluit lozingafvalwater huishoudens;

  • Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer.

27

Verplichting totmelding van verontreiniging of de aantasting van de bodem.

30

Verplichting te voldoen aan bevel i.v.m. ongewoon voorval.

39a

Verplichting totnakoming saneringsplan.

39e

Verplichting totnakoming nazorgplan.

43

Verplichtingte voldoenaan bevel m.b.t. onderzoeksgeval op de daarbij aangegeven wijzenader onderzoek te verrichten, of m.b.t.een geval van ernstige verontreiniging tijdelijke beveiligingsmaatregelen te treffen.

64

Verplichting  tot naleving  voorschriften  bij vrijstelling  voor  categorieën van  gevallen van  de algemene regels  ter bescherming van de bodem.

65

Verplichting tot naleving beperkingen of voorschriften bijontheffing van regels van AMvB.

 

Bijlage 2: Afkortingenlijst

 

ADR Article Dangereux de Route

AMvB Algemene Maatregel van Bestuur

AO/IC Administratieve Organisatie en Interne Controle Awb Algemene wet bestuursrecht

BAG Basisregistratie Adressen en Gebouwen

BAT Best Available Techniques

BBO Besluit Buitengewoon Opsporingsambtenaar

BBT Beste Beschikbare Technieken

Bevi Besluit externe veiligheid inrichtingen

BOA Buitengewoon opsporingsambtenaar

BREFs BAT Reference documents

BRL Beoordelingsrichtlijn

Brzo Besluit risico's zware ongevallen

BWT Bouw en Woning Toezicht

EV Externe Veiligheid

EVC Erkenning Verworven Competenties

HBO Hoger Beroepsonderwijs

IL Industrie Lawaai

IMRO Informatie Model Ruimtelijke Ordening

IPO Interprovinciaal Overleg

IPPC Integrated Pollution Prevention and Control

ISO International Standards Organisation

LNV Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

m.e.r. milieueffectrapportage

MBO Middelbaar Beroepsonderwijs

Nb-wet Natuurbeschermingswet

NEN Nederlandse Norm

NeR Nederlandse emissierichtlijn lucht

NPR Nederlandse praktijkrichtlijn

NRB Nederlandse Richtlijn Bodembescherming

OC&W Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

OM Openbaar Ministerie

PGS Publicatiereeks gevaarlijke stoffen

PRTR Pollutant Release Transfer Register

PUmA Programma Uitvoering met Ambitie

PV Proces verbaal

Qra Quantitatieve Risico Analyse

Revi Regeling externe veiligheid inrichtingen RNVGS Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen RO Ruimtelijke Ordening

SIKB Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer SVBP Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen

VBS Veiligheidsbeheersysteem

VNG Vereniging van Nederlandse Gemeenten

VOGM/BUGM Vervolgbijdrageregeling Ontwikkeling Gemeentelijk Milieubeleid

/ Bijdrageregeling Uitvoering Gemeentelijk Milieubeleid VROM Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer VTH vergunningverlening, toezicht en handhaving

vvgb verklaring van geen bedenkingen

Wabo Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Wbb Wet bodembescherming

Wgh Wet geluidshinder

Wm Wet milieubeheer

WMS Wet Milieugevaarlijke Stoffen

WO Wetenschappelijk onderwijs

Wro Wet ruimtelijke ordening

 

Deel B: Criteria voor kritieke massa

 

Generieke deskundigheidsgebieden

 

1. Casemanagen

Onderstaande activiteiten moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffen kernactiviteiten van de Wabo die bij het bevoegd gezag thuishoren. Een medewerker op HBO-niveau beoordeelt bij de intake per gevalof er sprake is van een complexeof eenvoudige situatie.

 

Activiteiten

  • 1.

    Uitvoeren toets op volledigheid.

  • 2.

    Organiseren / begeleiden van overleg met de aanvrager (vooroverleg).

  • 3.

    Bewaken proces, integraliteit en voortgang van de aanvraag.

  • 4.

    Inschakelen van vakdisciplines en wanneer nodig externe partijen (coördineren inhoudelijke volledigheid).

  • 5.

    Het uitzetten van adviesaanvragen aan de wettelijke adviseurs.

  • 6.

    Besluit (laten) samenstellen en coördineren.

 

Eisen aan medewerkers die deze zes activiteiten uitvoeren voor

alleen eenvoudige situaties

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante MBO

2 jaar in procesmanagement en het afhandelen van Awb procedures

Basiskennis:

  • Structuur en systematiek (bouw)tekeningen

Besteden van1/3 fte aan dezezes activiteiten.

Aanvullende opleiding(en):

  • BasiscursusOmgevingsrecht

  • Basiscursus Awb

een of meerdere complexe situaties

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Denkniveau:

  • Relevante HBO

3 jaar in procesmanagement en het afhandelen van Awb procedures

Basiskennis:

  • Zieeenvoudige situaties

Bestedenvan1/3 fte aan dezezes activiteiten en/of begeleiden van 5 complexe meervoudige aanvragen.

Aanvullende opleiding(en):

  • Zieeenvoudige situaties

 

Eisen aan organisaties die deze zes activiteiten uitvoeren voor

alleen eenvoudige situaties

minimaal 2 medewerkers die voldoen aan de bovengenoemde criteria voor eenvoudige situaties óf de criteria voor de deskundigheid „Vergunningverlening bouwen en ruimtelijke ordening‟ (blz.46) óf de criteria voor de deskundigheid „ Vergunningverlening milieu‟ (blz.49).

een of meerdere complexe situaties

minimaal  2 medewerkers  die  voldoen aan bovengenoemde criteria voor complexe situaties  óf de criteria voor  de deskundigheid „Vergunningverlening bouwen en ruimtelijke ordening‟ (blz.46) óf de criteria voor de deskundigheid

„Vergunningverlening milieu‟ (blz. 49).

 

2. Vergunningverlening bouwen en ruimtelijke ordening

Onderstaande activiteiten moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffen kernactiviteiten van de Wabo die bij het bevoegd gezag thuishoren. Een medewerker op HBO-niveau beoordeelt bij de intake per gevalof er sprake is van een complexeof eenvoudige situatie.

 

Activiteit

  • 1.

    Beoordelen aanvraagomgevingsvergunning voor het bouwenvaneen bouwwerk.

    • a.

      controleren van de volledigheid, juistheid van de inhoud (inclusief berekeningen en rapportages) van aanvragen in relatietot de indieningsvereisten;

    • b.

      toetsen van bouwaanvragen aan bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplanen/of voorbereidingsbesluit;

    • c.

      toetsen van bouwaanvragen aan bouwbesluit en bouwverordening;

    • d.

      opstellen conceptvergunning en bepalenvoorwaarden op basis van (eventuele) bijdragen jurist enspecialisten;

    • e.

      verlenen van ontheffing of het toepassen van de gelijkwaardigheidbepaling van hetBouwbesluit / bouwregelgeving;

    • f.

      beoordelen en afwegen legalisatiemogelijkheden bijafwijking van de vergunning.

 

Eisen aan medewerkers die deze activiteituitvoeren voor

alleen eenvoudige situaties

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante MBO

3 jaar (inclusief het verzamelen en/of opmaken van voorschriften)

Besteden van 2/3 fte aan dezezes activiteit.

Aanvullende opleiding(en):

  • Basiscursusbrandveiligheid

  • BasiscursusWm

  • BasiscursusWro (bestemming)

  • Basiscursusmonumenten

  • Basiscursusomgevingsrecht

  • Basiscursusbouwfysica en bouw- en woningtoezicht

Diepgaande kennis:

  • Bouwbesluit en bouwverordening

  • Werking gelijkwaardigheidsbesluit

een of meerdere complexe situaties

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

3 jaar (inclusief het verzamelen en/of opmaken van voorschriften)

Bestedenvan2/3 fte aan dezezes activiteit.

Aanvullende opleiding(en):

  • Zieeenvoudige situaties(van activiteit 1)

  • Specialistische opleiding ambtenaar bouw- en woningtoezicht I en II

Diepgaandekennis:

  • Zie eenvoudige situaties(vanactiviteit 1)

Medewerkers die aan deze eisenvoldoen, voldoen ook aan de eisenom de activiteiten 1 t/m 6 uitvoeren van de deskundigheid 1. Casemanagen.

 

Eisen aan organisaties die deze activiteit uitvoeren voor

alleen eenvoudige situaties

minimaal 2 medewerkers die voldoen aan bovengenoemde criteria voor eenvoudige situaties

een of meerdere complexe situaties

minimaal 2 medewerkers met minimaal HBO denkniveau die voldoenaan bovengenoemde criteria voor complexe situaties

 

  • 2.

    Inhoudelijk input leveren voor vooroverleg, overlegadviseurs en beoordelen zienswijzen en bezwaren bijhetbouwen van een bouwwerk en/of planologische ontheffing bij gebruik gronden en bouwwerken.

  • 3.

    Beoordelen aanvraag omgevingsvergunning tijdelijke, binnenplanse of buitenplanse ontheffing voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit (in verband met het afwijkingsbesluit)

    • a.

      beoordelen aanvraag;

    • b.

      opstellen conceptbesluit op basis van integraleafweging van (eventuele) bijdragen van jurist en specialisten.

 

Eisen aan medewerkers diedeze drie activiteitenuitvoeren voor

alleen eenvoudige situaties

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • RelevanteMBO

3 jaar in de RO praktijk (inclusief hetmaken en/of interpreteren van voorschriften vanruimtelijke plannen) en/of20 ontheffingen voordat zelfstandig gewerkt kan worden

Besteden van 2/3 fte aan dezedrie activiteiten (eenvoudig of complex).

Aanvullende opleiding(en):

  • Basiscursusomgevingsrecht

  • Basiscursus bouw- en woningtoezicht

Diepgaandekennis:

  • Bestemmingsplannen

  • IMRO codering (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening)

  • Beheersverordeningen, exploitatieplannen en voorbereidingsbesluiten

een of meerdere complexe situaties

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

3 jaar (inclusief het verzamelen en/of opmaken van voorschriften)

Besteden van 2/3 fte aan dezedrie activiteiten (complex).

Aanvullende opleiding(en):

  • Zieeenvoudige situaties(van activiteiten 2 t/m 4)

  • Specialistische opleiding ambtenaar bouw- en woningtoezicht I en II

Diepgaandekennis:

  • Zie eenvoudige situaties(van activiteiten 2 t/m 4)

Medewerkers die aan deze eisenvoldoen, voldoen ook aan de eisenom de activiteiten 1 t/m 6 uitvoeren van de deskundigheid 1. Casemanagen.

 

Eisen aanorganisaties diedeze drie activiteiten uitvoeren voor

alleeneenvoudige situaties

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria voor eenvoudige situaties

een of meerdere complexe situaties

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria voor complexe situaties

 

  • 4.

    Beoordelen melding voor het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigenvan bouwwerken

    • a.

      beoordelen eventuele monumentale status, situatiebeschermd stads,- en dorpsgezicht en andere geldende kaders;

    • b.

      beoordelen wanneer specialisten (slopen, monumenten e.a.)moeten worden ingeschakeld;

    • c.

      opstellen conceptbesluit op basis van integraleafweging van (eventuele) bijdragen van jurist en specialisten (o.a. sloop en asbest enmonumentenzorg);

    • d.

      inhoudelijk input leveren voor vooroverleg, overleg adviseurs en beoordelen zienswijzen en bezwaren.

 

Eisen aan medewerkers diedeze activiteituitvoeren voor

alleen eenvoudige situaties

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • RelevanteMBO

3 jaar (inclusief het beoordeling vansituaties omtrent slopen,verstoren, verplaatsen of wijzigen van bouwwerken) en enkeletientallen cases per jaar

Besteden van2/3 fte aan dezedrie activiteiten (eenvoudig of complex).

Aanvullende opleiding(en):

  • Basiscursusomgevingsrecht

  • Basiscursusmonumenten

  • Basiscursusbouwfysica

  • Basiscursusbouw- en woningtoezicht

een of meerdere complexe situaties

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

3 jaar (inclusief het beoordeling vansituaties omtrent slopen,verstoren, verplaatsen of wijzigen van bouwwerken) en enkeletientallen cases per jaar

Besteden van 2/3 fte aan dezedrie activiteiten (complex).

Aanvullende opleiding(en):

  • Zie eenvoudige situaties (vanactiviteiten 5)

Medewerkers die aan deze eisenvoldoen, voldoen ook aan de eisenom de activiteiten 1 t/m 6 uitvoeren van de deskundigheid 1. Casemanagen.

 

Eisen aanorganisaties diedeze activiteit uitvoeren voor

alleen eenvoudige situaties

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria voor eenvoudige situaties

een of meerdere complexe situaties

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria voor complexe situaties

 

3. Vergunningverlening milieu

Onderstaande activiteiten 1 tot/met 5 moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffen kernactiviteitenvan de Wabo die bijhetbevoegd gezag thuishoren.

Het is aan het bevoegd gezag om de portefeuille aan inrichtingen te beoordelen (probleemanalyse) en te bepalen welke inrichtingen klasse I, klasse II eenvoudig, klasse II complex en klasse III zijn. Activiteit 6 kan worden uitbesteed aan een marktpartij, mits de uitbestedende overheidsorganisatie beschikt over minimaal één medewerker die voor de deskundigheid nodig is voor activiteit 5.

 

Activiteit

  • 1.

    Toetsen van de ontvankelijkheid van het milieudeel van een aanvraag.

  • 2.

    Adviseren over en/of opstellen van besluiten in relatie tot het verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken van het milieudeel van een omgevingsvergunning voor het oprichten,veranderen of veranderen van de werking of het inwerking hebben van een inrichting.

  • 3.

    Afhandelen van meldingen in het kader van het activiteitenbesluit, inclusief het beoordelen van gekwantificeerde doelvoorschriften, erkende maatregelen, verplichte maatregelen en/of het beoordelen van een gelijkwaardige voorziening op basis van representatieve meetgegevens, onderbouwde berekeningen of een risico-analyse en hetopstellen van maatwerkvoorschriften en instemmende beschikkingen.

  • 4.

    Tijdig signaleren welke milieuspecialisten en/of juristen moetenworden ingeschakeld en hun bijdragen op relevantie, toepasbaarheid en benodigde diepgang beoordelen.

 

Eisen aan medewerkers diedeze vier activiteitenuitvoeren voor

alleen klasse I inrichtingen

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante MBO

1 jaar in klasse I ofII

Basiskennis:

  • Groene wetten, Waterwet (indirecte lozingen), Besluitlandbouw

Afhandelen van 10 meldingen en/ofvergunningaanvragen per jaar in dezeof een zwaardere klasse.

Aanvullende opleiding(en):

  • Basiscursus omgevingsrecht

  • Basiscursus Awb

  • Basiscursus Wm

  • Basiscursus EV / Bevi / Revi / PGS

  • Basiscursus Geluid / IL

  • BasiscursusBodem / NRB

  • BasiscursusNER,lucht, afval, energie, afvalwater

Diepgaandekennis:

  • Onderlinge samenhang doorgronden van wetsvoorschriften en normen

Medewerkers die aan dezeeisen voor eenvoudige of complexe situaties voldoen, voldoenook aan de eisen om de activiteiten 1 t/m 6 uitvoeren van de deskundigheid

1. Casemanagen.

 

Eisen aan medewerkers diedeze vier activiteitenuitvoeren voor

alleen klasse I en II inrichtingen

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

3 jaar in klasse II of III

Basiskennis:

  • Pseudowetgeving  (NER, handreiking industrielawaai, Nederlandse Richtlijn Bodembescherming, Energiebesparings- methodieken)

Besteden van2/3 fte aan dezevier activiteiten bij klasseII en III inrichtingen.

Aanvullende opleiding(en):

  • Zieklasse I

  • Basiscursus Brzo

Diepgaande kennis:

  • Europese milieurichtlijnen

  • Jurisprudentie milieu in omgevingsrecht

  • Cumulatie-, domino en ketenrelaties milieuthema‟s

  • Overwegingen gelijkwaardigheidsbesluit

Medewerkers die aan deze eisenvoldoen, voldoen ook aan de eisenom de activiteiten 1 t/m 6 uitvoeren van de deskundigheid 1. Casemanagen.

klasse I, II en III inrichtingen algemeen

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

5 jaar in klasse II of III, waarvan3 jaar in klasse III

Basiskennis:

  • Zieklasse II

Besteden van2/3 fte aan dezevier activiteiten bij klasseIII inrichtingen.

Aanvullende opleiding(en):

  • Zie klasse II

Diepgaandekennis:

  • Zieklasse II

  • Onderlinge samenhang doorgronden van wetsvoorschriften en normen

  • IPPC regelgeving en jurisprudentie

  • RelevanteBREFs, BBT

  • Afstand totbaseline en BBT

Medewerkers die aan deze eisenvoldoen, voldoen ook aan de eisenom de activiteiten 1 t/m 6 uitvoeren van de deskundigheid 1. Casemanagen.

 

Eisen aan medewerkers die deze vier activiteitenuitvoeren voor

klasse I, II en III inrichtingen binnen de sector procesindustrie

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

5 jaar in de sectorprocesindustrie in klasse II of III, waarvan3 jaar in klasseIII

Basiskennis:

  • Zieklasse III algemeen

Besteden van2/3 fte aan dezevier activiteiten bij klasseIII inrichtingen, waarvan1/3 fte aan deze vier activiteitenbij klasse III inrichtingenin de sector procesindustrie.

Aanvullende opleiding(en):

  • •.

    Zie klasse II algemeen

Diepgaandekennis:

  • Zieklasse III algemeen

  • Technische procesvoering en methoden gevaarlijke stoffen

klasse I, II en III inrichtingen binnen de sector agrarisch

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

5 jaar in de sector agrarisch in klasseII of III, waarvan3 jaar in klasse III

Basiskennis:

  • Zie klasse III algemeen

  • Verspreidingsmodellen geur, fijnstof en ammoniak

  • Natuurbeschermingswet, reconstructieplan

Besteden van2/3 fte aan dezevier activiteiten bij klasseIII inrichtingen, waarvan1/3 fte aan deze vier activiteitenbij klasse III inrichtingenin de sectoragrarisch

Aanvullende opleiding(en):

  • Zie klasse II algemeen

Diepgaande kennis:

  • Zieklasse III algemeen

  • Wet geurhinder ammoniak

  • Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij

 

Eisen aan medewerkers die deze vier activiteitenuitvoeren voor

klasse I, II en III inrichtingen binnen de sector afval

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

5 jaar in de sector afval in klasseII of III, waarvan3 jaar in klasse III

Basiskennis:

  • Zie klasse III algemeen

  • LandelijkAfvalstoffenPlan

  • Specialismen geluid, geur, luchtkwaliteit, stof, externe veiligheid en groene wetgeving

Bestedenvan2/3 fte aan dezevier activiteiten bij klasseIII inrichtingen, waarvan1/3 fte aan deze vier activiteitenbij klasse III inrichtingenin de sectorafval.

Aanvullende opleiding(en):

  • Zie klasse II algemeen

Diepgaandekennis:

  • Zieklasse III algemeen

  • Problematiek stortplaatsen

  • Acceptatie en verwerkingsbeleid

  • AO/IC afvalverwerkende inrichtingen

 

 

Activiteit

  • 5.

    Begeleiden, beoordelen en interpreteren vaneen milieuzoneringsonderzoek.

  • 6.

    Uitvoeren van een milieuzoneringsonderzoek.

 

Eisen aan medewerkers die deze twee activiteitenuitvoeren voor

alleen klasse I, II en III inrichtingen

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

3 jaar

Besteden van 1/3 fte aan dezetwee activiteiten óf begeleiden, beoordelen, interpreteren of uitvoeren van 15 milieuzoneringsonderzoeken per jaar.

Aanvullende opleiding(en):

  • Basiscursusomgevingsrecht

  • Basiscursus Awb

  • BasiscursusWm

  • Basiscursus EV

  • Basiscursus Geluid

  • BasiscursusLucht(geur en stof)

  • BasiscursusBedrijven en milieuzonering

Diepgaandekennis:

  • Bepalen van(meest) milieuzoneringsrelevante (bedrijfsmatige) activiteiten

  • Relevante rekenmodellen

  • Inhoudelijke overwegingen overaan te houden milieuzones

 

Eisen aan organisaties die deze twee activiteiten uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

4. Toezicht en handhaving bouwen en ruimtelijke ordening

Onderstaande activiteiten moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffen kernactiviteiten van de Wabo die bij het bevoegd gezag thuishoren. Een medewerker op HBO-niveau beoordeelt bij de intake per gevalof er sprake is van een complexeof eenvoudige situatie.

 

Activiteit

  • 1.

    Uitvoeren toezicht aan de hand van vergunningstekeningen, voorwaarden en geldendeplanologische regels:

    • a.

      toezicht houdenop de uitvoering van de bouw;

    • b.

      toezicht houdenbij bestaande bouw;

    • c.

      toezicht houdenop sloopwerkzaamheden, exclusief asbest;

    • d.

      toezicht houdenop de naleving van veiligheidsvoorschriften;

    • e.

      toezicht op de naleving van brandvoorschriften;

    • f.

      toezicht houdenop het gebruik van gebouwen;

    • g.

      toezicht houdenop het gebruik van gronden;

    • h.

      toezicht houdenop werken/werkzaamheden.

  • 2.

    Inschakelen van specialist voor complexe situaties en beoordelen toepasbaarheid advies van specialist.

  • 3.

    Bevindingen rapporteren, overtredingen melden,optreden en ambtelijke vooraankondiging maken.

  • 4.

    Handhaven bij geconstateerde overtredingen.

  • 5.

    Verzorgen van de gereedmelding van aanleg, bouw en/of sloop.

  • 6.

    Behandelen ongewone voorvallen 24 uur per dag, klachten,meldingen en verzoekentot handhaven.

 

Eisen aan medewerkers diedeze zes activiteitenuitvoeren voor

alleen activiteiten 1 en 2 eenvoudige situaties

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante MBO

3 jaar

Basiskennis:

  • Constructies

  • Geohydrologie

  • Basisregistratie Adressen en Gebouwen(BAG)

Bestedenvan2/3 fte aan dezezes activiteiten.

Aanvullende opleiding(en):

  • Basiscursusbrandveiligheid

  • BasiscursusWm

  • BasiscursusWro (bestemming)

  • Basiscursusmonumenten

  • Basiscursus omgevingsrecht

  • Basiscursusbouwfysica

  • Basiscursusbouw- en woningtoezicht

Diepgaandekennis:

  • Bouwbesluit

  • Handhavingsprocedures enjurisprudentie

 

Eisen aan medewerkers diedeze zes activiteitenuitvoeren voor

een of meerdere activiteiten 1 en 2 bij complexe situatiesen activiteiten 3 t/m 6

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

3 jaar voor bouwen

5 jaar voorruimtelijke ordening

Basiskennis:

  • Zie activiteiten 1 en 2 bij eenvoudige situaties

Bestedenvan2/3 fte aan dezezes activiteiten.

Aanvullende opleiding(en):

  • Zieactiviteiten 1 en 2 bij eenvoudige situaties

  • Basiscursus Awb

  • Basiscursusasbestherkenning

  • Basiscursusconstructieve veiligheid

  • Specialistische opleiding ambtenaar bouw- en woningtoezicht I en II

Diepgaandekennis:

  • Zie activiteiten 1 en 2 bij eenvoudige situaties

 

Eisen aanorganisaties diedeze zes activiteiten uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria voor complexe situaties

 

5. Toezicht en handhaving milieu

 

Onderstaande activiteiten moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffen kernactiviteiten van de Wabo die bij het bevoegd gezag thuishoren. Het is aan het bevoegd gezag om de portefeuille aan inrichtingen te beoordelen (probleemanalyse) en te bepalen welke inrichtingen klasse I, klasse II eenvoudig, klasse II complex en klasseIII zijn.

 

Activiteit

  • 1.

    Maken  van  risicoanalyses op  bedrijfsniveau en indien  nodig vertalen  naar bedrijfsspecifiek  toezichtsplan  met risico‟s, beoordelingspunten  en bijbehorende toezichtmethode en frequentie.

  • 2.

    Administratief toezicht houden op basis van openbare en bedrijfsspecifieke documenten (inclusief het beoordelen van rapporten die naar aanleiding van de vergunning moeten worden ingediend, bijv.NRBtoets).

  • 3.

    Voorbereiden en uitvoeren vancontroles ter plaatse op basis van vergunningvoorschriften, rechtstreekse verboden, meldingen en/of de eisen uithetActiviteitenbesluit (of de gelijkwaardige voorzieningen).

  • 4.

    Bevindingen rapporteren, overtredingen melden,optreden en ambtelijke vooraankondiging maken. Opstellen bezoekverslag/brief.

  • 5.

    Handhaven bij (opnieuw) geconstateerde overtredingen conformsanctiestrategie.

  • 6.

    Behandelen ongewone voorvallen 24 uur per dag, klachten, meldingen en verzoekentot handhaven.

  • 7.

    Tijdig signaleren welke specialisten en/of juristen moeten wordeningeschakeld en hun bijdragen op relevantie, toepasbaarheid en benodigde diepgangbeoordelen. .

 

Eisen aan medewerkers diedeze zeven activiteitenuitvoeren voor

alleen klasse I en eenvoudige klasseII inrichtingen

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante MBO

voor ieder van de sectoren 3 jaar in klasseI of II

Basiskennis:

  • Awb

  • Besluit landbouw

  • AO/IC financieel en stofstromen

  • Waterwet (indirecte lozingen)

  • Pseudowetgeving  (NER, handreiking industrielawaai, Nederlandse Richtlijn Bodembescherming, Energiebesparings- methodieken)

Bestedenvan2/3 fte aan dezezeven activiteiten bij klasseI en II inrichtingen en/of die ieder enkele tientallenfysieke controles per jaar uitvoerenin een mix van klasse I en II.

Aanvullende opleiding(en):

  • Basiscursusomgevingsrecht

  • BasiscursusWm

  • BasiscursusEV / Bevi / Revi / PGS

  • Basiscursusadministratief toezicht

  • Specialistische opleiding handhaving milieuwetgeving

  • BasiscursusNER,lucht, afval, energie, afvalwater

  • BasiscursusGeluid / IL

  • Basiscursus Bodem / NRB

Diepgaandekennis:

  • Onderlinge samenhang doorgronden van wetsvoorschriften en normen

  • Europese milieurichtlijnen

  • Jurisprudentie milieuin omgevingsrecht

  • Cumulatie-, domino en ketenrelaties milieuthema‟s

  • Documentenbijlage 2, regeling aanwijzing bbt

  • Overwegingen gelijkwaardigheidsbesluit

 

Eisen aan medewerkers die deze zeven activiteitenuitvoeren voor

klasse I, II en III inrichtingen algemeen

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

5 jaar in klasse I, II of III, waarvanminimaal 3 jaar in klasse III

Basiskennis:

  • Zie klasse I en eenvoudige klasse II

Bestedenvan2/3 fte aan dezezeven activiteiten bij klasseIII inrichtingen en/of ieder enkele tientallenobjecten in klasseII en III per jaar waarvoor fysieke en/of administratieve controles worden uitgevoerd (incl. enkele volledige audits milieu- managementsystemen).

Aanvullende opleiding(en):

  • Zieklasse I en eenvoudige klasse II

  • Verdiepings- of specialistische opleidingadministratief toezicht en auditvaardigheden

Diepgaandekennis:

  • Zie klasse I en eenvoudige klasse II

  • Toetsingstechnieken geld en goederenbeweging

  • Milieumanagementsystemen en bijbehorende toetsingstechnieken

  • IPPC regelgeving en jurisprudentie

  • Relevante BREFs, BBT

  • Afstand totbaseline en BBT

  • PRTR

klasse I, II en III inrichtingen binnen de sector procesindustrie

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

5 jaar in de sectorprocesindustrie in klasse I, II of III, waarvan 3 jaar in klasseIII

Basiskennis:

  • Zie klasse I, II en III algemeen

Besteden van 2/3 fte aan dezezeven activiteiten bij klasseIII inrichtingen, waarvan1/3 fte aan deze zeven activiteiten bij klasseIII inrichtingen in de sector procesindustrie én vijffysieke inspecties bij IPPC procesindustrie inrichtingen uitvoeren.

Aanvullende opleiding(en):

  • Zie klasse I, II en IIIalgemeen

Diepgaandekennis:

  • Zie klasse I, II en III algemeen

  • Technische procesvoering en methoden gevaarlijke stoffen

 

Eisen aan medewerkers die deze zeven activiteitenuitvoeren voor

klasse I, II en III inrichtingen binnen de sector agrarisch

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

5 jaar in de sectoragrarisch in klasseI, II of III, waarvan 3 jaar in klasseIII

Basiskennis:

  • Zie klasse I, II en III algemeen

  • Verspreidingsmodellengeur, fijnstof en ammoniak

  • Natuurbeschermingswet, reconstructieplan

Besteden van 2/3 fte aan dezezeven activiteiten bij klasseIII inrichtingen, waarvan1/3 fte aan deze zeven activiteiten bij klasseIII inrichtingen in de sector agrarisch én vijf fysieke inspecties bij IPPC agrarisch inrichtingenuitvoeren.

Aanvullende opleiding(en):

  • Zie klasse I, II en IIIalgemeen

Diepgaandekennis:

  • Zieklasse I, II en IIIalgemeen

  • Wet geurhinder ammoniak

  • Besluitammoniakemissie huisvesting veehouderij

klasse I, II en III inrichtingen binnen de sector afval

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

5 jaar in de sector afval in klasseI, II of III, waarvan 3 jaar in klasseIII

Basiskennis:

  • Zieklasse I, II en III algemeen

  • LandelijkAfvalstoffenPlan

  • Specialismen geluid, geur, luchtkwaliteit,stof, externe veiligheid en groene wetgeving

Besteden van 2/3 fte aan dezezeven activiteiten bij klasseIII inrichtingen, waarvan1/3 fte aan deze zeven activiteiten bij klasseIII inrichtingen in de sector afval én vijf fysieke inspecties bij IPPC afval inrichtingen uitvoeren.

Aanvullende opleiding(en):

  • Zie klasse I, II en IIIalgemeen

Diepgaandekennis:

  • Zieklasse I, II en IIIalgemeen

  • Technische procesvoering gevaarlijke stoffen

  • Acceptatie en verwerkingsbeleid

  • AO/IC afvalverwerkende inrichtingen

 

Eisen aan medewerkers die deze zeven activiteiten uitvoeren voor

klasse IIIBrzo inrichtingen *

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

4 jaar metinrichtingen met gevaarlijke stoffen, waarvan2 jaar inuitvoering Brzo-activiteiten en 2jaar Safety, milieu of kwaliteitsmanagement Brzo toezicht

Basiskennis:

  • Zie klasse I, II en III algemeen

  • Veiligheidsbeheerssystemen

  • AuditkennismetVBS

Besteden van 2/3 fte aan dezezeven activiteiten bij klasseIII inrichtingen, waarvan1/2 fte aan deze zeven activiteiten bij klasseIII Brzo inrichtingen én uitvoeren van vier volledige auditsper jaar

Aanvullende opleiding(en):

  • Basiscursusauditor

  • Specialistisch opleidingsprogrammaNIM voor Brzo toezicht

Diepgaandekennis:

  • Technische procesvoering gevaarlijke stoffen

*voor zover dit betrekking heeft op het toezicht in het kader van het Besluit risico‟s zware ongevallen

 

 

6. Toezicht en handhaving bodem

Onderstaande activiteiten moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffenkernactiviteiten van de toezicht en handhaving.

 

Activiteit

  • 1.

    Maken van een risicoanalyse en indien nodig vertalennaar locatiespecifiek toezichtsplan met risico‟s, beoordelingspunten en bijbehorende toezichtmethode en frequentie.

  • 2.

    Voorbereiden op basis van openbare en locatiespecifieke bronnen en uitvoerenvan controles ter plaatse.

  • 3.

    Bevindingen rapporteren, overtredingen melden,optreden en ambtelijke vooraankondiging maken. Opstellen bezoekverslag/brief.

  • 4.

    Handhaven bij (opnieuw) geconstateerde overtredingen conformsanctiestrategie.

  • 5.

    Behandelen ongewone voorvallen 24 uur per dag, klachten, meldingen en verzoekentot handhaven.

  • 6.

    Tijdig signaleren welke specialisten en/of juristen moeten wordeningeschakeld en hun bijdragen op relevantie, toepasbaarheid en benodigde diepgangbeoordelen.

 

Eisen aan medewerkers

die deze zes activiteitenuitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante MBO

2 jaar

Basiskennis:

  • Awb

  • Besluit stortplaatsen indien stortplaats op grondgebied

Bestedenvan1/3 fte aan dezezes activiteiten.

Aanvullende opleiding(en):

  • Verdiepingscursus toezicht en handhaving

  • Specialistische opleiding bodem

Diepgaandekennis:

  • Handhavingsprocedures jurisprudentie

en

 

Eisen aanorganisaties diedeze zes activiteiten uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

7. Toezicht en handhaving groene wetten

Onderstaande activiteiten moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffen kernactiviteiten van de toezicht en handhaving.

 

Activiteit

  • 1.

    Maken van een risicoanalyse en indien nodig vertalen naar situatie specifiek toezichtsplan met risico‟s, beoordelingspunten en bijbehorende toezichtmethode en frequentie.

  • 2.

    Voorbereiden op basis van openbare en situatiespecifieke bronnen en uitvoerenvan controles ter plaatse.

  • 3.

    Bevindingen rapporteren, overtredingen melden,optreden en ambtelijke vooraankondiging maken. Opstellen bezoekverslag/brief.

  • 4.

    Handhaven bij (opnieuw) geconstateerde overtredingen conformsanctiestrategie.

  • 5.

    Behandelen klachten, meldingen(ongewone voorvallen) en verzoekentot handhaven.

  • 6.

    Tijdig signaleren welke specialisten en/of juristen moeten wordeningeschakeld en hun bijdragen op relevantie, toepasbaarheid en benodigde diepgangbeoordelen.

 

Eisen aan medewerkers diedeze zes activiteitenuitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • RelevanteMBO

2 jaar

Bestedenvan2/3 fte aan dezezes activiteiten.

Aanvullende opleiding(en):

  • BasiscursusFlora en faunawet

  • Basiscursus Nb-wet en Boswet

  • BasiscursusWro

  • Verdiepingscursus toezicht en handhaving

Diepgaandekennis:

  • Stedelijk groen

  • Natura2000

  • Ecologische en landschappelijke condities

 

Eisen aanorganisaties diedeze zes activiteiten uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

Juridische deskundigheidsgebieden

 

8. Behandelen juridische aspecten vergunningverlening

Onderstaande activiteiten moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffenkernactiviteiten van de Wabo diebij het bevoegd gezag thuishoren.

 

Activiteit

  • 1.

    (Procedureel) beoordelen van vergunningaanvragen.

  • 2.

    Adviseren over diverse juridische vraagstukkenophet terrein van het omgevingsrecht.

  • 3.

    Adviseren dan wel opstellenvan (gedoog) beschikkingen ten aanzien van(complexe) aanvragen op grond vandeWabo.

  • 4.

    Behandelen van bezwaar- en beroepschriften, verzoeken voorlopige voorziening en zienswijzen, opstellen verweerschriften en pleitnota‟s en vertegenwoordigen van het bevoegd gezag bij de behandeling hiervan.

 

Eisen aan medewerkers diedeze vier activiteitenuitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

1 jaar voor activiteiten 1 en 2

3 jaar voor activiteiten 3 en 4

Basiskennis:

  • Strafrecht

Bestedenvan2/3 fte aan dezevier activiteiten en/ofminimaal 5 procedures doorlopen (reageren op bezwaar / beroeptot en met bepleiten danwel commissie)

Aanvullende opleiding(en):

  • BasiscursusWm

  • BasiscursusWro

  • Basiscursusbouwbesluit

  • BasiscursusNb-wet

  • Verdiepingscursus Awb

  • Verdiepingscursus omgevingsrecht

Diepgaandekennis:

  • Asbest

  • Jurisprudentie

 

Eisen aanorganisaties diedeze vier activiteiten uitvoeren

minimaal 2 medewerkers met 3 jaar werkervaring die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

9. Behandelen juridische aspecten handhaving

Onderstaande activiteiten moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffenkernactiviteiten van de Wabo die bij het bevoegd gezag thuishoren.

 

Activiteit

  • 1.

    (Procedureel) beoordelen van handhavingsverzoeken en gedoogbeschikkingen.

  • 2.

    Adviseren over juridische vraagstukken op hetterrein van omgevingsrecht.

  • 3.

    Behandelen en begeleiden van handhavingprocedures.

  • 4.

    Opstellen van beschikkingen ten aanzien van (complexe)handhavingszaken en hetdoen van aanschrijvingen in het kader vanbouw, RO en milieu.

  • 5.

    Behandelen van bezwaar- en beroepschriften, opstellen verweerschriften en pleitnota‟s en vertegenwoordigen van het bevoegd gezag bij de behandeling hiervan.

  • 6.

    Invorderen bestuurlijke geldschulden.

  • 7.

    Coördineren flankerend beleid / strafrechtelijk en bestuursrechtelijk acties door boa.

 

Eisen aan medewerkers diedeze zeven activiteitenuitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

1 jaar voor activiteiten 1 en 2

3 jaar voor activiteiten 3 t/m 7

Basiskennis:

  • Strafrecht

Bestedenvan2/3 fte aan dezezeven activiteiten en/of minimaal 5 procedures doorlopen(reageren op bezwaar

/ beroep tot en metbepleiten danwel commissie)

Aanvullende opleiding(en):

  • Basiscursus Wm

  • Basiscursus Wro

  • Basiscursus bouwbesluit

  • Basiscursus Nb-wet

  • Verdiepingscursus Awb

  • Verdiepingscursus omgevingsrecht

Diepgaandekennis:

  • Asbest

  • Jurisprudentie

 

Eisen aan organisaties die deze zeven activiteiten uitvoeren

minimaal 2 medewerkers met 3 jaar werkervaring die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

10. Behandelen juridische aspecten afwijkingsbesluiten

Onderstaande activiteiten moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffen kernactiviteiten van de Wabo die bij het bevoegd gezag thuishoren. Een medewerker op HBO-niveau beoordeelt bij de intake per gevalof er sprake is van een complexeof eenvoudige situatie.

 

Activiteit

  • 1.

    Toetsen van een aanvraag aan het bestemmings- of inpassingsplan en het beoordelen vanontheffingsmogelijkheden.

 

Eisen aan medewerkers diedeze activiteituitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

2 jaar en/of 15 toetsingen en beoordelingen

Basiskennis:

  • Handhaving

  • Bouwverordening

Bestedenvan1/3 fte aan dezeactiviteit.

Aanvullende opleiding(en):

  • Basiscursusomgevingsrecht

  • Basiscursus Wro

Diepgaandekennis:

  • Gebiedskennis

  • Woningwet

  • Groene wetten

  • Jurisprudentie

 

Eisen aan organisaties die deze activiteit uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

Activiteit

  • 2.

    Beoordelen wel/niet meewerken aan een initiatief en planologische medewerking.

  • 3.

    Maken van een keuze voor het geëigende juridische/planologische instrument per initiatief (afwijkingsbesluit of een andere planvorm/besluit op basis van de Wabo of Wro).

  • 4.

    Voorbereiden, motiveren, opstellen en laten nemen van een afwijkingsbesluit.

 

Eisen aan medewerkers diedeze drie activiteitenuitvoeren voor

alleen eenvoudige situaties

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

3 jaar

Basiskennis:

  • Zieactiviteit 1

  • Lokaal beleid, structuurvisies en inpassingsplannen

Bestedenvan1/3 fte aan deze drie activiteitenen/of 10 keer activiteit 2 en 5 keer activiteit 3.

Aanvullende opleiding(en):

  • Verdiepingscursus praktische toepassing omgevingsrecht

Diepgaandekennis:

  • Zieactiviteit 1

  • Bestuurlijkeverhoudingen

een of meerdere complexe situaties

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

5 jaar

Basiskennis:

  • Zie activiteiten 2-4 eenvoudige situatie

  • Grondexploitaties, archeologie, milieu en landschap, economie en verkeer en vervoer

  • Provinciale- en rijkskaders

Bestedenvan1/3 fte aan dezedrie activiteiten en/of3 keer activiteit 2 en 2 keer activiteit 3.

Aanvullende opleiding(en):

  • Zie activiteiten 2-4 eenvoudige situatie

Diepgaandekennis:

  • Zie activiteiten 2-4 eenvoudige situatie

  • Europese kaders

 

Eisen aan organisaties die deze drie activiteiten uitvoeren voor

alleen eenvoudige situaties

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria voor eenvoudige situaties

een of meerdere complexe situaties

minimaal 2 medewerkersdie voldoen aan bovengenoemde criteria voor complexe situaties

 

Activiteit

  • 5.

    Doorlopen van bezwaar,- en beroepsprocedures (inclusief RvS) naar aanleiding van een afwijkingsbesluit.

 

Eisen aan medewerkers diedeze activiteituitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Zie activiteiten 2-4 complexe situatie

Zieactiviteiten 2-4 complexe situatie

Basiskennis:

  • Zie activiteiten 2-4 complexe situatie

Bestedenvan1/3 fte aan de activiteiten 1 t/m 4 en minimaal

5 procedures doorlopen (reageren op bezwaar / beroep tot en met bepleiten dan wel commissie)

Aanvullende opleiding(en):

  • Zie activiteiten 2-4 complexe situatie

Diepgaandekennis:

  • Zie activiteiten 2-4 complexe situatie

 

Eisen aan organisaties die deze activiteit uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

11. Ketentoezicht

Onderstaande activiteiten moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffenkernactiviteiten van de Wabo die bij het bevoegd gezag thuishoren.

 

Activiteit

  • 1.

    Voorbereidend onderzoek externe en schriftelijke bronnen.

  • 2.

    Uitvoeren van tactische/risico analyses keten/branche/bedrijf o.b.v. prioriteiten, beleid of op verzoek.

  • 3.

    Opstellen van ketenbeschrijvingen.

  • 4.

    Opstellen van analyseprofielen en interventiestrategie.

  • 5.

    Draaiboeken opstellen voor diepgaand onderzoek.

 

Eisen aan medewerkers diedeze vijf activiteitenuitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

3 jaar als inspecteur of handhaver

Basiskennis:

  • Wm, Awb

  • Grondbeginselen milieuthema‟s

  • AO/IC financieel en stofstromen

  • Fysiek en administratief toezicht

  • Kennis vanmeet- en registratiepunten in bedrijfsprocessen

  • Boekhoudkunde, jaarrekening

  • Forensischonderzoek

Bestedenvan1/3 fte aan dezevijf activiteiten en/of5 keer per jaar hetuitvoeren van een onderzoek

Aanvullende opleiding(en):

  • Verdiepingscursus (tactisch)informatieanalist

 

Eisen aan organisaties die deze vijf activiteiten uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

Activiteit

  • 6.

    Opstellen van ketenbeschrijvingen.

  • 7.

    Audits ter plaatse uitvoeren (combineren financiële en stofstromen).

  • 8.

    Identificeren onregelmatigheden en oorzaken.

  • 9.

    Identificeren fraude.

 

Eisen aan medewerkers die deze vier activiteitenuitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Zieactiviteiten 1 t/m 5

3 jaar als inspecteur of handhaver

Basiskennis:

  • Zieactiviteiten 1 t/m 5

Bestedenvan1/3 fte aan deze vier activiteitenen/of 5 keer per jaar het uitvoeren van een onderzoek

Aanvullende opleiding(en):

  • Zieactiviteiten 1 t/m 5

  • Administratief toezicht

Diepgaandekennis:

  • i.

    AO/IC financieel en stofstromen

  • ii.

    Toetsingstechnieken geld en goederenbeweging

  • Milieumanagementsystemen en bijbehorende toetsingstechnieken

 

Eisen aan organisaties die deze vier activiteiten uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

Activiteit

  • 10.

    Fungeren als intern informatieknooppunt.

  • 11.

    Uitwisselen van informatie met externe handhavers.

 

Eisen aan medewerkers die deze twee activiteiten uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Zieactiviteiten 1 t/m 5

Zieactiviteiten 1 t/m 5

Basiskennis:

  • Zieactiviteiten 1 t/m 5

Besteden van 1/3 fte aan deze twee activiteiten.

Diepgaandekennis:

  • Activiteiten en werkwijze van andere handhavingsorganisaties

 

Eisen aan organisaties die deze twee activiteiten uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

12. Buitengewone opsporing milieu, welzijn en infrastructuur

Onderstaande activiteiten moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffenkernactiviteiten van de Wabo die bij het bevoegd gezag thuishoren.

 

Activiteit

  • 1.

    Opsporen van (economische) milieudelicten op het terrein vannatuur en milieu en fysieke leefomgeving (waaronder bouwen, wonen, monumentenen ruimte).

    • a.

      uitvoerend ondersteunen bij (eenvoudige) zaken;

    • b.

      deskundig ondersteunen bij gecompliceerde strafzaken;

    • c.

      signaleren van zaken die buiten de opsporingsbevoegdheid of competenties vallen;

    • d.

      terugkoppelen uitvoerbaarheid/handhaafbaarheid van normen en beleid.

  • 2.

    Uitvoeren van de bestuurlijke strafbeschikking milieu.

 

Eisen aan medewerkers die deze activiteit uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • RelevanteMBO

1 jaar

Basiskennis:

  • Wm, Wro, Awb

Besteden van 1/3 fte aan deze activiteit.

Aanvullende opleiding(en):

  • Basisopleiding voor boa‟s

  • Vervolgopleiding voor boa‟s

Diepgaandekennis:

  • Opsporingsmethoden en - technieken

  • Handhavingsprocedures en jurisprudentie

  • Strafvordering

 

Eisen aanorganisaties die deze activiteit uitvoeren

minimaal 3 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

Specialistische deskundigheidsgebieden accent bouwen

 

13. Bouwfysica

Onderstaande activiteiten 1 t/m 10 kunnen worden uitbesteed aan een marktpartij, mits de uitbestedende overheidsorganisatie beschiktover het deskundigheidsgebied „2. Vergunningverlening bouwen en ruimtelijke ordening‟ of 4. Toezicht en handhaving bouwen en ruimtelijke ordening‟. Een medewerker op HBO-niveau beoordeelt bij de intake per geval of er sprakeis van eencomplexe of eenvoudige situatie.

 

Activiteit

  • 1.

    Bespreken bevindingen met architecten/of adviesbureau.

  • 2.

    Toetsen tekeningen en berekeningen daglichttoetreding.

  • 3.

    Toetsen tekeningen en berekeningen rookgasafvoer.

  • 4.

    Controleren door visuele inspecties tijdens uitvoering van de bouw.

  • 5.

    Controleren door uitvoeren controlemetingen geluid,ventilatie, luchtdichtheid.

 

Eisen aan medewerkers die deze vijf activiteiten uitvoeren voor

alleen eenvoudige situaties

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante MBO

1 jaar

Basiskennis:

  • Actuele bouwnormen

  • Praktijkkennis vanuit bouwinspecties

  • Overwegingen gelijkwaardigheidsbesluit

  • Gebruikmeetapparatuur

Besteden van 1/3 fte aan deze vijf activiteiten.

Aanvullende opleiding(en):

  • Verdiepingscursus bouwbesluit

een of meerdere complexe situaties

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

3 jaar toetsing en controle

Basiskennis:

  • Zie eenvoudige situaties

Besteden van 1/3 fte aan deze vijf activiteiten.

Aanvullende opleiding(en):

  • Zieeenvoudige situaties

  • Post HBO bouwfysica

 

Eisen aan organisaties die deze vijf activiteiten uitvoeren voor

alleen eenvoudige situaties

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria voor eenvoudige situaties

een of meerdere complexe situaties

minimaal 2 medewerkers die voldoen aan bovengenoemde criteria voor complexe situaties

 

Activiteit

  • 6.

    Toetsen uitgangspunten, tekeningen en berekeningen ventilatie.

  • 7.

    Beoordelen bouwplan op samenhang tussen alle bouwfysische aspecten.

  • 8.

    Toetsen tekeningen en berekeningengeluidwering

 

Eisen aan medewerkers die deze drie activiteitenuit voeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Zie activiteit 1 t/m 5 complex

1 jaar toetsing en controle

Basiskennis:

  • Zie activiteit 1 complex

  • Installatietechniek

  • Overwegingen gelijkwaardigheidsbesluit

Besteden van 1/3 fte aan deze drie activiteiten.

Aanvullende opleiding(en):

  • Zie activiteit 1 t/m 5 complex

Diepgaandekennis:

  • Opzet, data-invoer en resultatendiverse rekenmethodes bouwfysica

 

Eisen aan organisaties die deze drie activiteiten uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoen aan bovengenoemde criteria

 

Activiteit

  • 9.

    Toetsen bouwkundige details koudebruggen.

  • 10.

    Toetsen uitgangspunten en berekeningen EPC en luchtdoorlatendheid.

 

Eisen aan medewerkers die deze twee activiteiten uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Zie activiteit 1 t/m 5 complex

3 jaar toetsing en controle

Basiskennis:

  • Zie activiteiten 6-8

  • Productontwikkeling ventilatievoorzieningen en systemen

Besteden van 1/3 fte aan dezetwee activiteiten.

Aanvullende opleiding(en):

  • Zieactiviteit 1 t/m 5 complex

Diepgaandekennis:

  • Zie activiteiten 6-8

 

Eisen aan organisaties die deze twee activiteiten uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

14. Brandveiligheid

Onderstaande activiteiten 1 t/m 10 moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Eenmedewerker op HBO-niveau beoordeelt bij de intake per geval of er sprake is van een complexe of eenvoudige situatie.

 

Activiteit

  • 1.

    Adviseren bij standaard/ niet complexevergunningen en meldingenbouw en milieu.

  • 2.

    Adviseren bij vergunningen brandveilig gebruik.

  • 3.

    Monitoren en analyseren van controlegegevens,ingekomen meldingen e.d.

  • 4.

    Afhandelen van klachten.

  • 5.

    Uitvoeren van standaard / niet complexe inspecties brandpreventie.

  • 6.

    Beoordelen van eenvoudige gelijkwaardigheden.

  • 7.

    Adviseren en laten informeren bij eenvoudige afwijkingsbesluiten(o.a. t.a.v. bereikbaarheid,bluswatervoorzieningen, brandweerzorg, opkomsttijden etc.).

Eisen aan medewerkers diedeze zeven activiteitenuitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • RelevanteMBO

5 jaar

Basiskennis:

  • Awb, Wm en Wro

Bestedenvan2/3 fte aan dezezeven activiteiten.

Aanvullende opleiding(en):

  • Basiscursusbouwbesluit

  • Specialistische opleiding MBO medewerker brandpreventie

Diepgaandekennis:

  • Onderlinge samenhang doorgronden van wetsvoorschriften en normen bouwbesluit / Wm

 

Eisen aan organisaties die deze zeven activiteiten uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

Activiteit

  • 8.

    Adviseren bij complexe vergunningen en meldingenbouw en milieu.

  • 9.

    Uitvoeren van complexeinspecties brandpreventie.

  • 10.

    Beoordelen van complexegelijkwaardigheden.

  • 11.

    Adviseren en laten informeren bij een complex afwijkingsbesluit (o.a. t.a.v.bereikbaarheid, bluswatervoorzieningen, brandweerzorg, opkomsttijden etc.).

Eisen aan medewerkers die deze vier activiteiten uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

3 jaar

Basiskennis:

  • Awb, Wm, Wro en M.e.r.

Besteden van 2/3 fte aan dezevier activiteiten.

Aanvullende opleiding(en):

  • Basiscursus bouwbesluit

  • Basiscursus procestechnologie

  • Specialistische opleiding brandpreventie(voorheen op niveau hoofdbrandweermeester)

Diepgaande kennis:

  • Zie activiteiten 1 t/m 7

  • Chemische eigenschappen van stoffen en procestechnologie

  • Risico-en effectanalyses

 

Eisen aan organisaties die deze vier activiteiten uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoen aan bovengenoemde criteria

 

15. Constructieve veiligheid

Onderstaande activiteiten 1 t/m 6 kunnen uitbesteed worden aan een marktpartij mits de uitbestedende overheidsorganisatie beschikt over het deskundigheidsgebied „2. Vergunningverlening bouwen en ruimtelijke ordening‟ en „4. Toezichten handhaving bouwen en ruimtelijke ordening‟. Een medewerker op HBO-niveau beoordeelt bij de intake per gevalof er sprake is van een complexe of eenvoudige situatie.

 

Activiteit

  • 1.

    Controleren constructietekeningen en berekeningen op constructieve veiligheid en bruikbaarheid.

  • 2.

    Beoordelen bouwmaterialen.

  • 3.

    Toetsen van de gehele constructie van een bouwaanvraag.

  • 4.

    Bespreken en vastleggen van bevindingen over de gehanteerde rekenmethode en schematisering met het raadgevend ingenieursbureau dat de bouwconstructie heeft ontworpen.

  • 5.

    Inspecteren op uitvoering complexe constructieve zaken.

  • 6.

    Inspecteren op constructies in de gebruiksfase.

 

Eisen aan medewerkers die deze zes activiteiten uitvoeren voor

alleen eenvoudige situaties

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

3 jaar

Basiskennis:

  • Actuele bouwnormen

  • rekenmodellen / computerprogrammatuur

Bestedenvan2/3 fte aan dezezes activiteiten.

Aanvullende opleiding(en):

  • Verdiepingscursus bouwbesluit

  • Specialistische opleiding beton-, staal-, of houtconstructeur op HBO niveau

Diepgaandekennis:

  • Onderlinge samenhang doorgronden van wetsvoorschriften en normen bouwbesluit

een of meerdere complexe situaties

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

5 jaar

Basiskennis:

  • Zie eenvoudige situaties

Bestedenvan2/3 fte aan deze zes activiteiten.

Aanvullende opleiding(en):

  • Zie eenvoudige situaties

Diepgaandekennis:

  • Zie eenvoudige situaties

 

Eisen aan organisaties die deze zes activiteiten uitvoeren voor

alleen eenvoudige situaties

minimaal 2 medewerkers die voldoen aan bovengenoemde criteria voor eenvoudige situaties

een of meerdere complexe situaties

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria voor complexe situaties

 

16. Bouwakoestiek

Onderstaande activiteiten1 t/m 4 kunnen uitbesteed worden aan een marktpartij mits de uitbestedende overheidsorganisatie beschiktover minimaal één medewerkermet de deskundigheid nodig voor activiteit 1. Een medewerker op HBO-niveau beoordeelt bij de intake per geval of er sprake is van een complexe of eenvoudige situatie.

 

Activiteit

1. Controleren aan de hand van meting of de norm wordt gehaald.

 

Eisen aan medewerkers die deze activiteit uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante MBO

2 jaar

Basiskennis:

  • Wgh, Wro en Awb

  • Akoestische rekenmodellen

  • Geluiden trillingen

Besteden van 1/3 fte aan deze activiteit en/of 3 keer per jaar een controle aan de hand van een meting uitvoeren.

Aanvullende opleiding(en):

  • Verdiepingscursus BWT 1

 

Eisen aan organisaties die deze activiteit uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoen aan bovengenoemde criteria

 

Activiteit

  • 2.

    Beoordelen van een aanvraag door middel van:

    • a.

      de effecten van verschillende bouwkundige oplossingen op de geluidwering van de gevel beoordelen en een ingediende berekening interpreteren en controleren;

    • b.

      de geluidwering van constructies tussen woningenbeoordelen en toetsen aan hetBouwbesluit

    • c.

      de nagalmin eengemeenschappelijke ruimte bepalen;

  • 3.

    Toezicht uitvoerenop de akoestische aspecten vanhetbouwplan.

  • 4.

    Beoordelen bouwlawaai en trillingshinder:

    • a.

      beoordelen ontheffingaanvraag;

    • b.

      beoordelen of onderzoek nodig is, het (laten) uitvoeren vanonderzoek en beoordelen onderzoek;

    • c.

      ondersteunen bij toezicht en handhaving.

  • 5.

    Beoordelen noodzakelijkheid ontheffing bouwlawaai en trillingshinder.

 

Eisen aan medewerkers diedeze vier activiteitenuitvoeren voor

alleen eenvoudige situaties

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • RelevanteMBO

3 jaar

Basiskennis:

  • Zie activiteit 1

Besteden van 1/3 fte aan deze vier activiteiten en/of 3 keer per jaar een beoordeling uitvoeren

Aanvullende opleiding(en):

  • Basiscursusopstellen geluidsmodellen

  • BasiscursusWm, Wro en ArcGIS

  • Basiscursusbouwakoestiek

Diepgaandekennis:

  • NPR en NENnormen geluid

een of meerdere complexe situaties

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

3 jaar

Basiskennis:

  • Zieactiviteit 1

Besteden van 1/3 fte aan deze vier activiteiten en/of 3 keer per jaar een beoordeling uitvoeren

Aanvullende opleiding(en):

  • Verdiepingscursus opstellen geluidsmodellen

  • Verdiepingscursus Wm, Wro enArcGIS

  • Specialistische opleiding bouwakoestiek (post HBO)

Diepgaandekennis:

  • Zie activiteit 2 en 3 eenvoudige situaties

 

Eisen aan organisaties die deze vier activiteiten uitvoeren voor

alleen eenvoudige situaties

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria voor eenvoudige situaties

een of meerdere complexe situaties

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria voor complexe situaties

 

17. Sloop en asbest

Onderstaande activiteiten kunnen ook uitbesteed worden aan een marktpartij mits de uitbestedendeoverheidsorganisatie beschiktover het deskundigheidsgebied „4. Toezichten handhaving bouwen en ruimtelijke ordening‟.

 

Activiteit

  • 1.

    Beoordelen (bij een aanvraag) of er een sloopveiligheidsplan benodigd is en hetbeoordelen van een sloopveiligheidsplan.

  • 2.

    Nemen van materiaalmonsters op locatie (nietzijnde asbest).

  • 3.

    Beoordelen van sloop aanvragen en meldingen.

  • 4.

    Toezicht op de sloop o.a. beoordelen vrijgavemeting,veiligheid, ondergrondse tanks.

  • 5.

    Toezicht op mobielebrekers.

  • 6.

    Toezicht op sloopmeldingen, onderdeel asbestverwijdering.

  • 7.

    Beoordelen asbestinventarisatie.

  • 8.

    Toezicht op omgang met asbest(na akkoord sloop afvalstoffen).

 

Eisen aan medewerkers die deze achta ctiviteiten uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante MBO

1 jaar

Basiskennis:

  • Woningwet / Bouwbesluit, Bodembesluit,Wm, Archeologie / monumentenzorg, Wbb en Besluit mobiel brekenbouw- en sloopafval

Bestedenvan1/3 fte aan dezeacht activiteiten.

Aanvullende opleiding(en):

  • Specialistische opleiding asbestdeskundige conform SC570

Diepgaande kennis:

  • Onderlinge samenhang doorgronden van voorschriften Asbestverwijderingsbesluit en Besluit mobiel brekenbouw- en sloopafval

 

Eisen aan organisaties die deze acht activiteiten uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

Specialistische deskundigheidsgebieden accent milieu

 

18. Afvalwater (indirecte lozingen)

Activiteiten  kunnen  uitbesteed worden  mits overheid  over het  deskundigheidsgebied toezicht  en handhaven milieu  beschikt en minimaal  één medewerker met de deskundigheid voor afvalwater.

 

Activiteit

  • 1.

    (Adviseren over) monsterneming, het beoordelen en het uitvoeren van (standaard)controles van lozingendie vallen onder algemeneregels en vergundeindirecte lozingen.

  • 2.

    Beoordelen van en adviserenover monsterneming strategieën (incl. bepalen parameters) en bemonsteringsopstellingenbij afvalwaterlozingen op riolering.

  • 3.

    Onderzoek naar en advisering over mogelijkhedenbeperking afvalwaterstromen en/of beperking van de verontreinigings- of vervuilingsgraad van het te lozen afvalwater.

  • 4.

    Adviseren over vergunningen of ontheffingen op het gebied afvalwaterlozingen en grondwaterlozingen (bij saneringen en bronneringen) in riolering of de bodem.

  • 5.

    Adviseren over klachten en overtreding van regelgeving.

 

Eisen aan medewerkers die deze activiteit uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO*

3 jaar

Basiskennis:

  • Protocollen voor emissiemetingen en normstellingen(emissie- eisen) van afvalwater.

  • GRP en beleidsvelden gerelateerd aan water en riolering

Bestedenvan1/3 fte aan dezeactiviteit.

Aanvullende opleiding(en):

  • Chemie en afvalwatertechnologie

  • Industriële bedrijfsprocessen

  • Zuiveringsproces RWZI(TAZ)

  • Monsterneming strategieën

  • Bemonsteringsopstellingen

Diepgaande kennis:

  • Het in samenhang interpreteren en hanteren van wetsvoorschriften Wet bodemkwaliteit, Wet bodembescherming en Waterwet

 

Eisen aan organisaties die deze activiteit uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

*Monsterneming, het beoordelen en het uitvoeren van(standaard) controles van lozingen die vallen onder algemene regels kan op MBO niveau plaatsvinden.

 

19. Bodem, bouwstoffen, water

Activiteiten  2 en 3 kunnen  uitbesteed worden  aan een marktpartij  mits  de uitbestedende overheidsorganisatie  beschikt  over de deskundigheidsgebieden  „2. Vergunningverlening bouwen en ruimtelijke ordening‟, „4. Toezicht en handhaving bouwen en ruimtelijke ordening, „6. Toezicht en handhaving bodem‟ en ‟11. Ketentoezicht‟.

 

Activiteit

1. Onderhouden, gebruiken en toegankelijk maken van informatie uit een Bodeminformatiesysteem (BIS).

 

Eisen aan medewerkers die deze activiteit uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante MBO

0-1 jaar

Basiskennis:

  • Openbaarstelling informatie aanexternen

Regelmatig (minstens 10x per jaar)gegevens invoeren inhet bodeminformatiesysteem.

Aanvullende opleiding(en):

  • Basiscursusbodeminformatiesysteem

 

Eisen aan organisaties die deze activiteit uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

Activiteit

  • 2.

    Ondersteunen en advisereninhet kader van vergunningverlening en toezicht en handhaving,waaronder:

    • o

      laten uitvoeren, begeleiden bij en toetsen/controleren van bodemonderzoek/lozingonderzoek;

    • o

      beoordelen bodembeschermende voorzieningen (indien van toepassing: m.b.t. lozingenonderzoek);

    • o

      uitvoeren van het grondstromenbeheer in het kader van het besluit bodemkwaliteit;

    • o

      beoordelen (aanvragen) grondwateronttrekking, verlenenvan de vergunning en uitvoeren toezicht en handhaving;

    • o

      beoordelen (aanvragen) koude-warmte opslagsysteem;

    • o

      beoordelen bodemsanering (noodzaak en plan),bodemonderzoek laten uitvoeren.

  • 3.

    Adviseren in het kader van een eenvoudig „afwijkingsbesluit‟; beoordelen bodemkwaliteit vanuit een oogpunt van volksgezondheid.

 

Eisen aan medewerkers die deze twee activiteiten uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

2 jaar

Basiskennis:

  • Besluit stortplaatsen indien stortplaats op grondgebied

  • Grondwaterwet, Awb

  • VTH-procedures

Besteden van 1/3 fte aan deze twee activiteiten.

Aanvullende opleiding(en):

  • Specialistische opleiding bodem(post HBO)

 

Eisen aan organisaties die deze twee activiteiten uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

Activiteit

4. Adviseren in het kader van een complex „afwijkingsbesluit‟; beoordelen geo-hydrologische situatie in relatie tot beoogde functie, beoordelen effecten van beoogde functies op waterkwaliteit, waterkwantiteit en waterveiligheid.

 

Eisen aan medewerkers die deze activiteit uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

5 jaar

Besteden van 1/3 fte aan deze activiteit.

Diepgaande kennis:

  • Geohydrologische situatie

 

Eisen aan organisaties die deze activiteit uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoen aan bovengenoemde criteria

 

20. Externe veiligheid

Onderstaande activiteiten 1 t/m 5 moeten binnende overheid uitgevoerd worden. Activiteit 5 wordt bij voorkeurdoor bovenregionale samenwerkingsverbanden en/of gespecialiseerde bureaus uitgevoerd. Dit geldt ook voor activiteit 6, omdat een relatiefgroot en ruimtelijk complex grondgebied nodig is om met voldoendefrequentie het grote aantalverschillende typen situatieste kunnen beoordelen.

 

Activiteit

  • 1.

    Inbrengen aspecten externe,- en procesveiligheid in het kader van vergunningverlening, toezicht en handhaving en het nemen van een afwijkingsbesluit (inclusief toepassing PGS richtlijnen).

  • 2.

    Het bijhouden van de EV-situatie (risicokaart)..

 

Eisen aan medewerkers die deze activiteit uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullendekennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • RelevanteMBO (voor inrichtingen klasse I)

  • Relevante HBO (voor inrichtingen klasse II/III)

1 jaar (o.a.binnen specialistenunit, procestechnologie, vergunningverlening,toezicht of handhaving)

Basiskennis:

  • EV (pseudo) wet- en regelgeving en gerelateerde documenten voorinrichtingen, transport en buisleidingen

  • QRA

  • M.e.r., Wro

Besteden van 1/3 fte aan activiteiten 1 tm 6 én per jaar minimaal 5 beoordelingenter plaatse op PGS-richtlijnen uitvoeren,

Aanvullende opleiding(en):

  • Basiscursus EV, BEVI,PGS,

  • Basiscursus Omgevingsrecht

Diepgaande kennis:

  • Stofcategorieën ADR/Wms, etikettering, labelling, insluitsystemen

  • Brandbestrijdingssystemen inrelatie tot PG S 15

  • Overwegingen gelijkwaardigheidsbesluit

 

Eisen aan organisaties die deze activiteit uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

Activiteit

  • 3.

    Vaststellen EV-situatie op basis van het RNVGS (relatie kunnen leggen tussen risicobronnen en ruimtelijke situatie en ontwikkelingen).

 

Eisen aan medewerkers die deze activiteit uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante MBO

1 jaar (o.a.binnen specialistenunit, procestechnologie, vergunningverlening,toezicht of handhaving)

Basiskennis:

  • RNVGS en gerelateerde wetten

  • EV (pseudo) wet- en regelgeving en gerelateerde documenten voorinrichtingen, transport en buisleidingen

  • M.e.r.

Besteden van 1/3 fte aan de activiteiten 1 tm 6.

Aanvullende opleiding(en):

  • Zie activiteiten 1 en 2

Diepgaande kennis:

  • Informatiebronnen transportstromen en gevaarlijke stoffen

 

Eisen aan organisaties die deze activiteit uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

Activiteit

4. Toetsen ontvankelijkheid QRA en het inhoudelijk beoordelen van hetresultaat van een QRA.

 

Eisen aan medewerkers die deze activiteit uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

3 jaar (regelmatig uitvoeren en/of beoordelen QRA‟s)

Basiskennis:

  • QRA

Besteden van 1/3 fte aan deze activiteit én per jaar minimaal 5 QRA‟s beoordelen (in een mix van relevante inrichtingen en activiteiten)

Aanvullende opleiding(en):

  • Verdiepingscursus procesveiligheid,Safeti_NL, QRA en inrichtingen,RBMII, Carola/Pipesafe (EV- rekenmodellen)

Diepgaandekennis:

  • Waarschijnlijkheids- berekeningen

  • Chemie van stoffen en procestechnologie

  • Bronmaatregelen

 

Eisen aan organisaties die deze activiteit uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

Activiteit

  • 5.

    Maken van QRA's in het kader van BEVI, RNVGS, Buisleidingen.

 

Eisen aan medewerkers die deze activiteit uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Zie activiteit 4

3 jaar (regelmatig uitvoeren QRA‟s)

Basiskennis:

  • Waarschijnlijkheids- berekeningen

  • Wet en regelgeving vervoer

  • Bron- en beheermaatregelen

Besteden van 2/3 fte aan de deskundigheid Externe veiligheid en daarbinnen 1/3 fte besteden aan deze activiteit én per jaar 5 QRA‟s maken(in een mix van relevante inrichtingen en activiteiten) én per jaar 4 QRA‟s maken t.a.v.bransport (in een mix van modaliteiten)

Aanvullende opleiding(en):

  • Zieactiviteit 4.

  • Specialistische opleiding toepassen applicaties EV

Diepgaandekennis:

  • Fysische transportverschijnselen

  • Toxicologie, Probit-relaties

  • Chemischetechnologie

  • Technische systeembeveiliging

  • Risicoanalysetechnieken en risicoanalysemethode

 

Eisen aan organisaties die deze activiteit uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

Activiteit

6. Advisering ten aanzien van verantwoordengroepsrisico (inclusief beheersmaatregelen).

 

Eisen aan medewerkers die deze activiteit uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

3 jaar (regelmatig uitvoeren QRA‟s)

Basiskennis:

  • Zieactiviteit 4.

Uitvoerenvan 3 beoordelingen, analyses en verantwoordingen per jaar voor de onderdelen voorbereiden, rampenbestrijding en zelfredzaamheid

Aanvullende opleiding(en):

  • Zie activiteit 4.

Diepgaandekennis:

  • Zieactiviteit 4.

  • Structuurdenken

  • Zelfredzaamheid en voorbereiden rampenbestrijding

  • Bestuurlijkegevoeligheden

 

Eisen aan organisaties die deze activiteit uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

21. Geluid

Onderstaande activiteit 7 moet binnen de overheiduitgevoerd worden. Activiteiten 1 t/m 6 en 10 kunnen uitbesteed worden aan een marktpartij mits de uitbestedende overheidsorganisatie beschikt over minimaal één medewerker die beschikt over de deskundigheid nodig voor activiteiten 8 en 9.

 

Activiteit

  • 1.

    Uitvoeren geluidsonderzoeken en daarover adviseren.

  • 2.

    Inventariseren en controleren vaninvoergegevens.

  • 3.

    Opstellen en controleren van rekenmodellen.

  • 4.

    Bewerken van gegevensen databestanden met o.a.GIS.

  • 5.

    Bewerken van de berekeningsresultaten en toetsenaan de wet- en regelgeving en rapporteren.

  • 6.

    Beoordelen/toetsen van metingen in het kader van handhaving.

  • 7.

    Afgeven hogere waarde ontheffing.

 

Eisen aan medewerkers die deze zeven activiteiten uitvoeren voor

alleen eenvoudige situaties (enkelvoudige bronnen)

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante MBO

0-1 jaar in het milieuwerkveld

Basiskennis:

  • Wgh, Wro,Awb, M.e.r.

  • Akoestische (eenvoudige) standaard rekenmodellen

  • Bedrijvenen milieuzonering

Bestedenvan1/3 fte aan dezezeven activiteiten en/of 3 keerper jaar een onderzoek (industrielawaai/verkeerslawaai) uitvoeren.

Aanvullende opleiding(en):

  • Basiscursus opstellen geluidsmodellen

  • Basiscursus Wm

  • Basiscursus Wro

  • Basiscursus ArcGIS

  • Basiscursushogere akoestiek

 

Eisen aan medewerkers die deze zeven activiteiten uitvoeren voor

een of meerdere complexe situaties (meervoudige bronnen)

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

3 jaar

Basiskennis:

  • Zieeenvoudige situaties

Bestedenvan1/3 fte aan dezezeven activiteiten en/of 3 keerper jaar een onderzoek (industrielawaai/verkeerslawaai) uitvoeren.

Aanvullende opleiding(en):

  • Zieeenvoudig activiteiten

  • Specialistische opleiding hogere akoestiek

Diepgaande kennis:

  • Geluidsoverdrachtmodellen Industrie- en(spoor)weglawaai

  • Rekenmodellen CARII en URBIS Geonoise(DGMR) Winhavik (DirActivity)

  • NEN normengeluid

  • GISapplicaties ESRI MapInfo programmatuur

  • Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006, Handleiding Meten en rekenen industrielawaai

 

Eisen aanorganisaties die deze zeven activiteit enuitvoeren voor

alleen eenvoudige situaties

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria voor eenvoudige situaties

een of meerdere complexe situaties

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria voor complexe situaties

 

  • 8.

    Beoordelen noodzaak voor onderzoek en beoordelen rapportages inhetkader van de vergunningverlening,toezicht en het nemen vaneen afwijkingsbesluit.

  • 9.

    Adviseren over geluidsaspecten (inclusief hanteren voorschriften).

Eisen aan medewerkers die deze twee activiteiten uitvoeren voor

alleen eenvoudige situaties

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Zie activiteiten 1 t/m 7 eenvoudige situaties

0-1 jaar in het milieuwerkveld

Basiskennis:

  • Zie activiteiten 1 t/m 7 eenvoudige situaties

Besteden van 1/3 fte aan deze twee activiteiten.

Aanvullende opleiding(en):

  • Basiscursus opstellen geluidsmodellen

  • Basiscursus Wm, Wro en ArcGIS

  • Specialistische opleiding hogere akoestiek

Diepgaande kennis:

  • Handleiding meten en rekenenindustrielawaai

een of meerdere complexe situaties

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Zie activiteiten 1 t/m 7 complexe situaties

3 jaar

Basiskennis:

  • Zie activiteiten 1 t/m 7 complexe situaties

Besteden van 1/3 fte aan dezetwee activiteiten.

Aanvullende opleiding(en):

  • Zie activiteiten 1 t/m 7 complexe situaties

Diepgaandekennis:

  • Zie activiteiten 8 en 9 eenvoudig situaties

 

Eisen aan organisaties die deze twee activiteiten uitvoeren voor

alleen eenvoudige situaties

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria voor eenvoudige situaties

een of meerdere complexe situaties

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria voor complexe situaties

 

10. Uitvoerenvan trillingsonderzoeken.

Eisen aan medewerkers die deze activiteituit voeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Zie activiteiten 1 t/m 7 complexe situaties

2 jaar

Basiskennis:

  • Zie activiteiten 1 t/m 7 complexe situaties

Besteden van 1/3 fte aan dezeactiviteit of 3 keer per jaar een trillingsonderzoek uitvoeren.

Aanvullende opleiding(en):

  • Zie activiteiten 1 t/m 7 complexe situaties

Diepgaandekennis:

  • Handreiking meten en rekenenindustrielawaai en SBR-richtlijn B

 

Eisen aan organisaties die deze activiteit uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

22. Groen en ecologie

Onderstaandeactiviteiten kunnen uitbesteed worden aan een marktpartij mits de uitbestedende overheidsorganisatie beschikt over minimaal één medewerker die beschikt over de deskundigheid nodig voor activiteiten 1 en 2.

 

Activiteit

1. Beoordelen of er sprake is van een bijzondere omstandigheid “groen en ecologie” in het kader van de omgevingsvergunning.

 

Eisen aan medewerkers die deze activiteit uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante MBO

0-1 jaar

Besteden van 1/3 fte aan deze activiteit.

Aanvullende opleiding(en):

  • Basiscursus Flora en faunawet

  • Basiscursus Nb-wet en Boswet

  • Basiscursus Wro

 

Eisen aan organisaties die deze activiteit uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

Activiteit

  • 2.

    Uitzetten en beoordelen van ecologisch onderzoek.

  • 3.

    Uitvoeren van ecologisch onderzoek.

  • 4.

    Adviseren bij ontheffingen Natuurberschermingswet, Flora en Faunawet, Boswet,Wro en afwijkingsbesluiten.

 

Eisen aan medewerkers die deze drie activiteiten uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

3 jaar

Besteden van 2/3 fte aan deze drie activiteiten.

Aanvullende opleiding(en):

  • Zie activiteit 1

Diepgaande kennis:

  • Stedelijk groen,Natura2000

  • Ecologische en landschappelijke condities

 

Eisen aan organisaties die deze drie activiteiten uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

23. Luchtkwaliteit

Onderstaande activiteit 4 moet binnen de overheid uitgevoerd worden. Zonder de benodigde deskundigheid voor deze activiteit is het nietgoed mogelijk om werkprocessenopeen juiste manier uitte voeren en het werk van externen te beoordelen. Activiteiten 1 t/m 3, 5 en 6 kunnen uitbesteed worden aaneen marktpartij.

 

Activiteit

  • 1.

    Bepalen of vanonderzoeksplicht of noodzaak sprake is (o.a. op basis van het Besluitluchtkwaliteit), en zo ja het kunnenbepalen welk rekenmodel van toepassing is.

  • 2.

    (Laten) uitvoerenvan luchtonderzoeken met toepassing van het NNM en CAR model(of een SRM3 model)

    • a.

      inventariseren en controleren vaninvoergegevens;

    • b.

      bewerken van gegevens en databestanden;

    • c.

      bewerken van de berekeningsresultaten.

 

Eisen aan medewerkers die deze twee activiteiten uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

1 jaar

Basiskennis:

  • Wro, Wm, Awb, besluitluchtkwaliteit

  • Rekenmodellen CARII, Nieuw NationalModel, V- stacks,ISL3a en Urbis of een SRM3 model

(Laten) uitvoeren van eenluchtonderzoek 3 keer per jaar.

Diepgaande kennis:

  • Opzet, werking en doorgronden CARII

 

Eisen aan organisaties die deze twee activiteiten uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

Activiteit

  • 3.

    Het uitvoerenvan luchtonderzoeken met behulp van complexe rekenmodellen(juiste input leverenen output genereren).

  • 4.

    Het beoordelen en interpreteren van rapportages (van interne of externe adviseurs) en daarover adviseren i.h.k.v. de vergunningverlening, handhaving en het nemen van een afwijkingsbesluit.

  • 5.

    Het beoordelen van geurrapportage.

 

Eisen aan medewerkers

die deze drie activiteiten uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Zie activiteiten 1 en 2

3 jaar inhet werken met modellen en kunnen rekenen met computers

Basiskennis:

  • Zieactiviteiten 1 en 2

  • M.e.r.

Besteden van 2/3 fte aan deze drie activiteiten.

Aanvullende opleiding(en):

  • Verdiepingscursus rekenmodellen Nationaal model en URBIS

  • Verdiepingscursus luchtkwaliteit

  • Wro (Bedrijven en milieuzonering)

CARII,

Nieuw

Diepgaandekennis:

  • Zie activiteiten 1 en 2

  • Opzet, werking en modellering van rekenmodellen

  • WetLuchtkwaliteit / NSL, RSL en Europese Richtlijn Luchtkwaliteit (voor activiteit 4)

 

Eisen aan organisaties die deze drie activiteiten uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

Activiteit

6. Het uitvoeren vanemissiemetingen en geuronderzoeken.

 

Eisen aan medewerkers die deze activiteit uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante MBO

Basiskennis:

  • Emissiemetingen

Bestedenvan2/3 fte aan dezeactiviteit.

Aanvullende opleiding(en):

  • Zieactiviteiten 3 t/m 5

 

Eisen aan organisaties die deze activiteit uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

Specialistische deskundigheidsgebieden accent ruimtelijke ordening

 

24. Stedenbouw en inrichting openbare ruimte

Onderstaande activiteiten 2 t/m 4 moeten binnen deoverheid uitgevoerd worden.

 

Activiteit

1. Opstellen stedenbouwkundige en inrichtingsplannen.

 

Eisen aan medewerkers die deze activiteit uitvoeren voor

alleen eenvoudige situaties

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

1 jaar,minimaal twee plannenper jaar opgesteld

Basiskennis:

  • Wabo,Wro (bestemmingsplannen)

  • Grondexploitatie

  • Digitalisering plannen

Besteden van 1/3 fte aan dezeactiviteit.

Diepgaande kennis:

  • Inrichting openbaar gebied

  • SVBP

  • RO beleid

een of meerdere complexe situaties

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Zie eenvoudig situaties

3 jaar,minimaal twee plannenper jaar opgesteld

Basiskennis:

  • Zie eenvoudig situaties

Besteden van 1/3 fte aan dezeactiviteit.

Diepgaandekennis:

  • Zie eenvoudig situaties

 

Eisen aan organisaties die deze activiteit uitvoeren voor

alleen eenvoudige situaties

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria voor eenvoudige situaties

een of meerdere complexe situaties

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria voor complexe situaties

 

Activiteit

2. Adviseren over bouwvoornemens die afwijken van het vigerende beleid.

 

Eisen aan medewerkers die deze activiteit uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Zie activiteit 1

1 jaar,minimaal 5 aanvragen per jaar beoordeeld

Basiskennis:

  • Wabo,Wro (bestemmingsplannen)

  • Beleid op gebied vanEV, cultuurhistorie, milieu,economie, verkeer, bedrijventerreinen, woningbouw, groen,EHS, landbouw, etc.

Bestedenvan1/3 fte aan dezeactiviteit.

Diepgaande kennis:

  • Zie activiteit 1

 

Eisen aan organisaties die deze activiteit uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

Activiteit

  • 3.

    Opstellen van richtlijnen en kaders voor stedenbouwkundige en inrichtingsplannen.

  • 4.

    Beoordeling extern gemaakte stedenbouwkundige en inrichtingsplannen.

 

Eisen aan medewerkers die deze twee activiteit uitvoeren voor

alleen eenvoudige situaties

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Zie activiteit 1

1 jaar,minimaal twee plannenper jaar beoordeeld

Basiskennis:

  • Zie activiteit 1 eenvoudig situaties

  • Gemeentelijk beleid

Besteden van 1/3 fte aan dezetwee activiteit.

Diepgaandekennis:

  • Inrichting openbare ruimte

een of meerdere complexe situaties

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Zie activiteit 1

3 jaar,minimaal twee plannen per jaar beoordeeld

Basiskennis:

  • Zie activiteit 3 en 4 eenvoudig situaties

Besteden van 1/3 fte aan dezetwee activiteit.

Diepgaandekennis:

  • Zie activiteit 3 en 4 eenvoudig situaties

 

Eisen aan organisaties die deze twee activiteit uitvoeren voor

alleen eenvoudige situaties

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria voor eenvoudige situaties

een of meerdere complexe situaties

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria voor complexe situaties

 

25. Exploitatie en planeconomie

Onderstaande activiteiten kunnen uitbesteed worden aaneen marktpartij.

 

Activiteit

  • 1.

    Opstellen, adviserenover de besluitvoering en het uitvoerenvanplannen m.b.t. grondexploitaties.

  • 2.

    Opstellen van haalbaarheidsanalyses, exploitatiebegrotingen, varianten afwegingen, rendementsberekeningen, begrotingenvoor projectontwikkeling etc.

  • 3.

    Beoordelen van de effecten van de grondexploitatiewet en opstellen effectrapportages.

Eisen aan medewerkers diedeze drie activiteitenuitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

3 jaar

Basiskennis:

  • Wabo,Wm, Wro (Grondexploitatiewet)

  • Boekhoudkunde/financiering

  • Gemeentewet

  • Civieltechniek

  • Structuurvisie

Besteden van 1/3 fte aan deze drie activiteiten.

Aanvullende opleiding(en):

  • Specialistische opleiding exploitatie/planeconomie

Diepgaande kennis:

3. Procesmanagement

  • Reken- en exploitatiemodellen

 

Eisen aan organisaties die deze drie activiteiten uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

26. Cultuurhistorie

Onderstaande activiteiten 1 t/m 5 moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. De overigeactiviteiten kunnenuitbesteed worden aan een marktpartij.

 

Activiteit

  • 1.

    Adviseren t.a.v. cultuurhistorische aspecten inhetkader van omgevingsvergunningen en het handhaven van de omgevingsvergunning.

  • 2.

    Beoordelen van de aanvraag aan cultuurhistorische waarden.

  • 3.

    Aangeven van effectenvan het te nemen afwijkingsbesluitopde cultuurhistorische waarde.

  • 4.

    Opstellen van voorschriften voor omgevingsvergunning.

  • 5.

    Inhoudelijk adviseren bij bezwaar en beroep.

 

Eisen aan medewerkers die deze vijf activiteiten uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

2 jaar

Basiskennis:

  • Wro,Awb,M.e.r.

  • AMvB Ruimte,nota ruimte en structuurvisie

Besteden van 2/3 fte aan dezevijf activiteiten óf 1/3 fte besteden aan deze vijf activiteitenindien ook een of meerdere van de overigeactiviteiten van de deskundigheid Cultuurhistorie wordenuitgevoerd

Diepgaandekennis:

  • Historie van het gebied

 

Eisen aan organisaties die deze vijf activiteiten uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoen aan bovengenoemde criteria

 

Activiteit

  • 6.

    Adviseren t.a.v. monumentale aspecten in het kader vanomgevingsvergunningaanvragen (activiteit bouwen en slopen) en het handhaven van de omgevingsvergunning).

  • 7.

    Toetsen van de aanvraag aan de Monumentenwet 1988.

  • 8.

    Toetsen van de aanvraag aan een erfgoedverordening.

  • 9.

    (Beoordelen van) bouwhistorische onderzoek en waardestellingen: interpreteren monumentwaardigheid (van onderdelen).

Eisen aan medewerkers die deze vier activiteiten uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

2 jaar

Basiskennis:

  • Restauratiefilosofieën

  • Kennisvanherstel bouw

Besteden van 2/3 fte aan dezevier activiteiten óf 1/3 fte besteden aan deze vier activiteitenindien ook een of meerdere van de overigeactiviteiten van de deskundigheidCultuurhistorie worden uitgevoerd.

Aanvullende opleiding(en):

  • Specialistische opleiding erfgoed en cultuurhistorie in de bouw

Diepgaandekennis:

  • (Steden)bouwkundige geschiedenis en karakteristieken

 

Eisen aan organisaties die deze vier activiteiten uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

Activiteit

  • 10.

    Adviseren t.a.v. archeologische aspecteninhet kader van omgevingsvergunningen.

  • 11.

    Toetsen van de aanvraag aan de Monumentenwet 1988.

  • 12.

    Toetsen van de aanvraag aan een eventuele erfgoedverordening.

  • 13.

    Beoordelen van archeologische rapporten.

Eisen aan medewerkers die deze vier activiteiten uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Relevante HBO

2 jaar

Basiskennis:

  • Archeologische verwachtings- en waardenkaart

Besteden van 2/3 fte aan dezevier activiteiten óf 1/3 fte besteden aan deze vier activiteitenindien ook een of meerdere van de overigeactiviteiten van de deskundigheid Cultuurhistorie wordenuitgevoerd

Diepgaandekennis:

  • Actuele wetenschappelijke inzichten

 

Eisen aan organisaties die deze vier activiteiten uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

Activiteit

  • 14.

    Adviseren t.a.v. stedenbouwkundige, historisch-geografische en ruimtelijk aspecten in hetkader van omgevingsvergunningen.

  • 15.

    Maken van een cultuurhistorische en ruimtelijke analyse.

  • 16.

    Vertalen cultuurhistorische waarden en betekenissen naar ruimtelijke uitgangspunten of toetscriteria voor aanvragen.

  • 17.

    Toetsen van de aanvraag aan de doelstelling van het instrumentbeschermd gezicht en hetter bescherming strekkend bestemmingsplan.

  • 18.

    Toetsen van de aanvraag aan hetruimtelijke kwaliteitsbeleid (welstand) en erfgoedverordening.

 

Eisen aan medewerkers die deze vijf activiteiten uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Zieactiviteiten 1 t/m 5

2 jaar

Basiskennis:

  • Wro,planologie

Besteden van 2/3 fte aan deze vijf activiteiten óf 1/3 fte besteden aan deze vijf activiteiten indien ook een of meerdere van de overigeactiviteiten van de deskundigheid Cultuurhistorie wordenuitgevoerd.

Aanvullende opleiding(en):

  • Basiscursus stedenbouw

 

Eisen aan organisaties die deze vijf activiteiten uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

Activiteit

  • 19.

    Adviseren t.a.v. cultuurlandschappelijke aspecteninhet kader van omgevingsvergunningen.

  • 20.

    Aangeven van effecten van hettenemen afwijkingsbesluit op het landschap.

Eisen aan medewerkers die deze twee activiteiten uitvoeren

Opleiding

Werkervaring

Aanvullende kennis

Frequentie

Basisopleiding:

  • Zie activiteiten 1 t/m 5

  • Specialisatie cultuurlandschap / landschapsgeschiedenis

2 jaar

Basiskennis:

  • Natuurschoonwet

  • Werelderfgoed

  • Beleid cultuurlandschap

Besteden van 2/3 fte aan dezetwee activiteiten óf 1/3 fte besteden aan dezevijf activiteiten indien ook een of meerdere van de overigeactiviteiten van de deskundigheid Cultuurhistorie wordenuitgevoerd.

Diepgaande kennis:

  • Ontstaansgeschiedenis Nederlands landschap

 

Eisen aan organisaties die deze twee activiteiten uitvoeren

minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria

 

Deel C: Procescriteria, inhoudelijke criteria en prioriteiten

 

 

1. Rapportage en evaluatie

Criteria Gezamenlijk (vergunningverlening en toezicht en handhaving)

1. Verantwoording van inzet,prestaties en resultaten

Hetbevoegd gezag ontwikkelt een systematiek om internen extern verantwoording af te leggen over het proces voor vergunningverlening (inclusief meldingen) en het toezicht- en handhavingsproces en de resultaten en effecten hiervan. Deze systematiek wordt bestuurlijk vastgelegd.

1.1Deze verantwoording heeft minimaal betrekking op de volgende elementen:

  • a.

    Flexibiliteit en actualiteit vigerende juridische planologische regelingen.

  • b.

    Zicht op afwijkingen inverband met mogelijke activiteiten die in strijd zijnmet het bestemmings,- dan wel inpassingsplan.

  • c.

    Strategische doelstellingen.

  • d.

    Operationele doelstellingen: een rapportage van de eigen indicatoren bij de binnen de organisatie geformuleerde doelstellingen en/of prioriteiten.

  • e.

    Een rapportage van de afspraken die inhet kader vanbestuursovereenkomsten of handhavingsarrangementenzijn gemaakt.

  • f.

    Regelmatige benchmarking met andere diensten uitvoeren.

  • g.

    Prestaties vergunningverlening:

    • i.

      aantal producten per categorie en tijdsbesteding;

    • ii.

      mate van actualiteitvan de portfolio aan vergunningen;

    • iii.

      tijdigheid (uitgedruktin percentage afwijking van vastgestelde tijdigheid normstelling) van hetbesluit;

    • iv.

      juridische kwaliteit;

    • v.

      evaluatie prestaties vergunningverlening uitmondendin verbeteringenten aanzien van de vergunningverlenings(beleid)cyclus.

  • h.

    Prestatiestoezicht en handhaving:

    • i

      aantalproducten per categorie en tijdsbesteding;

    • ii

      mate waarintoezicht- en sanctiestrategie is toegepast;

    • iii

      realisatie bezoekfrequenties;

    • iv

      tijdigheid (uitgedruktin percentage afwijking van vastgestelde tijdigheid normstelling ) van de (her)controle;

    • v

      tijdigheid (uitgedruktin percentage afwijking van vastgestelde tijdigheid normstelling) versturen controleverslag en brief;

    • vi

      het naleefgedrag;

    • vii

      evaluatie van de handhavingsresultatenuitmondend in verbeteringenten aanzien van de handhavings(beleids)cyclus.

  • i.

    Prestaties watbetreft aanvragen niet passend binnen het bestemmings- danwel inpassingsplan:

    • i

      aard van de aanvraag;

    • ii

      complexiteit;

    • iii

      overwegingen;

    • iv

      aantalaanvragen;

    • v

      genomenbesluiten;

    • vi

      aantalmalen wanneer bezwaar en beroep is aangetekend.

  • j.

    Terugkoppeling van resultaten en aanbevelingen.

 

1. Rapportage en evaluatie

Criteria Vergunningverlening

Criteria Toezicht en handhaving

2. Probleemanalyse

Voorde taken op het gebied van vergunningverlening en meldingen, die op grondvan de Wabo verplicht zijn, handelt het bevoegd gezag op basis van een bestuurlijk vast te stellen probleemanalyse, ten einde sturing te kunnen gevenaan haar inspanningen op het gebiedvan vergunningverlening en het afhandelen van meldingen.

2. Probleemanalyse

De handhavingsorganisatie handelt op grond van een analysevan de problemen in de fysiekeleefomgeving, deeffecten van niet-naleving en de kansen op niet- naleving,teneinde sturing te kunnengeven aan haar handhavingsinspanningen.

2.1 Vooralle besluiten omtrent omgevingsvergunningen betreft dit een analysevan de complexiteit en aardvan de te verwachten (bouw)vergunningen ten einde eengefundeerde inschatting te kunnen maken voor benodigde capaciteit (kwaliteit en kwantiteit).

Deze analyse bevat tenminste de volgende elementen:

  • a.

    aantalte verwachten aanvragen / meldingen;

  • b.

    type bouwwerk / aardvan de inrichting;

  • c.

    aard en complexiteitvan de aanvraag;

  • d.

    benodigde capaciteit(met in acht name vande kritieke massa criteria).

2.1  De probleemanalyse is gebaseerd op een daarvoor geschikte methode die inzicht geeft in het naleefgedrag, de risico's en het bestuurlijke gewicht daarvan.

De analyse heeft tenminste betrekking op:

  • a.

    feitelijk naleefgedrag;

  • b.

    de mogelijke effectenvan potentiële en feitelijke overtredingen;

  • c.

    de kansenop overtredingen;

  • d.

    klachten en signalen;

  • e.

    landelijke prioriteiten.

2.2Voor het gebruiksdeel van de omgevingsvergunning betreft dit in aanvulling op criterium 1.1. een periodieke toets naar de actualiteit van de verleende vergunningen op basiswaarvan kan worden beoordeeld of een besluit dient te worden geactualiseerd. Voor het uitvoeren van de toets wordt ruimte opgenomen in het capaciteitsplan. De uitkomsten van deze toetswordt jaarlijks doorvertaald naar hetjaarprogramma.

Deze periodieke toets bevat tenminste de volgende elementen:

  • a.

    de noodzaak tot aanpassing van de vergunning;

  • b.

    de huidige en beoogde milieubelasting;

  • c.

    ouderdom van de oprichtingsvergunning of indien aan de orde,meest recente revisie omgevingsvergunning in relatie tot vastgestelde doelenover actualisatie;

  • d.

    aantalmilieubeschikkingen datgeldt voor inrichting;

  • e.

    de verandering in wetten regelgeving,inclusief Europese regelgeving (bijvoorbeeld wijzigingen in Bref's);

  • f.

    de mate waarinvergunningen dekkend zijn;

  • g.

    geografische context vande vergunning waarvoor actualisering kan worden overwogen rekeninghoudend met de huidige en beoogde functies en (milieu)kwaliteitenin de omgeving van de inrichting;

  • h.

    de noodzaak totverdere beperkingen van de nadelige gevolgen voor het milieu;

  • i.

    nieuwe of andere technische mogelijkheden om hetmilieu te beschermen;

  • j.

    waarnemingen uit de handhavingspraktijk die leiden tot actualisatie van vergunningen.

2.2 In aanvulling op 1.1 heeftdeze analyse voor de bouwfase tenminste betrekking op:

  • a.

    aantalte verwachten bouwwerken inafwijking van de vergunning;

  • b.

    aantalte verwachten sloopwerken inafwijking van de vergunning;

  • c.

    aantalte verwachten bouwwerken zonder vergunning;

  • d.

    aantalte verwachten sloopwerken zonder vergunning.

In aanvulling op 1.1 heeft deze analysevoor de gebruiksfase tenminste betrekking op:

  • a.

    de bestaande gebouwenvoorraad;

  • b.

    alle inrichtingsgebonden en niet-inrichtingsgebondentaken en objecten;

  • c.

    alle (taakgebonden) omgevingsproblemen;

  • d.

    de te verwachten omvang van gebruik van bouwwerken inafwijking van de vergunning voor brandveilig gebruik;

  • e.

    de te verwachten omvang van gebruik van bouwwerken zonder vergunning voorbrandveilig gebruik;

  • f.

    analyse van stofstromen.

 

1. Rapportage en evaluatie

Criteria Vergunningverlening

Criteria Toezicht en handhaving

2.3 Voor het deel van de omgevingsvergunning waarvoor een goede ruimtelijke

onderbouwingnodig is omdat deze afwijktvan het vigerende bestemmings- dan wel inpassingsplan bevat deze analyse tenminste:

  • a.

    aard van de aanvragen

  • b.

    complexiteit(aantal deelaspecten)

  • c.

    overwegingen

  • d.

    aantalaanvragen

  • e.

    genomenbesluiten

  • f.

    aantalmalen wanneer bezwaar en beroep is aangetekend

2.4De probleemanalyse wordt minimaal 1 keer per 4 jaar opgesteld en bestuurlijk vastgesteld (bestuurlijke vaststelling dient ook plaatste vinden bij tussentijdse bestuurswisselingen). De probleemanalyse wordt jaarlijks geactualiseerd op basisvan een analysevan algemene dan wel wijzigingen in de bouwprognoses en economische ontwikkelingen en overigefacturen die van invloed kunnen zijn op de prioriteitsstelling. De resultaten daarvan worden ieder jaar gehanteerd voor het opstellen van een ramingvan de nodigecapaciteit en vertaald naar het uitvoeringsprogramma vergunningverlening en de begroting.

2.4De probleemanalyse wordt minimaal 1 keer per 4 jaar opgesteld en bestuurlijk vastgesteld (bestuurlijke vaststelling dient ook plaatste vinden bij tussentijdse bestuurswisselingen). De probleemanalyse wordt jaarlijks geactualiseerd op basisvan een analysevan algemene dan wel wijzigingen in de fysiekeleefomgeving (binnen het eigen grondgebied of van buurgemeenten / regio's) die van invloed kunnen zijn op de prioriteitsstelling. De resultaten daarvan worden ieder jaar gehanteerd voor het opstellen van een raming van de nodigecapaciteit en vertaald naar hethandhavinguitvoeringsprogramma en de begroting.

CriteriaGezamenlijk (vergunningverleningen toezicht en handhaving)

3. Vergelijking en auditing

Hetbevoegd gezag ontwikkelt een systematiek (bijvoorbeeld via benchmarking) om inzet,organisatie en het resultaat van de vergunningverlening en handhaving te vergelijken, te toetsen en te beoordelen.

3.1Voor vergunningverlening,inclusief activiteiten die in strijd zijn met het bestemmings- dan welinpassingsplan, zijnde elementen waarmee vergeleken, getoetst en beoordeeld wordt tenminste de volgende:

  • a.

    tijdigheid van de vergunning;

  • b.

    actualiteitvan de vergunningen;

  • c.

    juridische kwaliteit van de vergunning;

  • d.

    juridische kwaliteitvan de beroep en bezwaar procedure/het aantal (gewonnen en verloren) beroep en bezwaarprocedures in relatie tothet aantal genomenbesluiten.

3.2Voor toezicht en handhaving, inclusief activiteiten die in strijd zijn met het bestemmings- dan wel inpassingsplan,zijn de elementen waarmee vergeleken,getoetst en beoordeeld wordt tenminste de volgende:

  • a.

    toepassensanctiestrategie;

  • b.

    naleefgedrag;

  • c.

    bezoekfrequenties;

  • d.

    tijdigheid van de (her)controle;

  • e.

    tijdigheid versturen controleverslag en brief;

  • f.

    prestaties bedrijf t.o.v.branche (benchmark).

 

2. Strategisch beleidskader

Criteria Vergunningverlening

Criteria Toezicht en Handhaving

4. Prioriteitenstelling en meetbare doelstellingen

Hetkader voor de uitvoering van de omgevingsvergunning wordt gevormd door Europese, landelijke of lokale wet-en regelgeving en door Europese (bijv. NEC), landelijke(bijv. Actieplan fijn stof, LAP) en lokale (bijv. een milieubeleidsplan) beleidsmatige kaders. Wijzigingen in deze kaders,door bijvoorbeeld jurisprudentie of nieuweinzichten, kan leiden tot de noodzaak om vergunningen te actualiseren. Hetbevoegd gezag zorgtvoor een prioriteitsstelling ten aanzienvan de uit te voerenactualisatie. Voor vergunningen bouwen en brandveilig gebruik is het niet toegestaan om de vergunning te actualiseren.

4. Prioriteitenstelling en meetbare doelstellingen

De handhavingsorganisatie handelt op grondvan een integrale prioriteitenstelling van de handhavingstaak (een in samenhang opgestelde prioriteitsstelling voor alle deelaspecten van de Wabo).

4.1De prioriteitstelling en doelstellingen omvatten tenminste:

  • a.

    een omschrijving van het doelvan de vergunningverlening per beleidsveld;

  • b.

    prioriteiten,rekeninghoudend metde probleemanalyse (zie 'rapportage en evaluatie') en met evaluaties (zie 'monitoring');

  • c.

    een vastlegging van concrete, meetbare doelenten aanzien van de frequentie waarmee het milieudeel van de omgevingsvergunning geactualiseerd wordt;

  • d.

    meetbare indicatoren voor alle doelstellingen,inclusief afspraken over monitoring van die indicatoren. Bij voorkeur indicatoren over output en outcome.

4.1De prioriteiten en doelstellingen omvatten tenminste:

  • a.

    een omschrijving van het doelvan de handhaving per beleidsveld (inclusief naleefgedrag);

  • b.

    prioriteiten,rekening houdend metde probleemanalyse, het naleefgedrag en met evaluaties;

  • c.

    meetbare indicatoren voor alle doelstellingen,inclusief afspraken over monitoring van die indicatoren. Bij voorkeur indicatoren over output en outcome.

4.2 Voorhet milieudeel van de omgevingsvergunningen bevat deze prioriteitstelling de volgende elementen (de grondslag hiervoor is artikel 8.22 Wetmilieubeheer):

  • a.

    hetbelang van de prioritering;

  • b.

    het(type) inrichtingen wat geactualiseerd moet worden;

  • c.

    de milieuaspecten;

  • d.

    het geografische gebied.

4.2In het handhavingsbeleid van het bestuursorgaanwordt uitwerking gegevenaan de landelijke prioriteiten. In deze uitwerking wordt ten minimale aandacht besteed aan:

  • a.

    afstemming met handhavingspartners;

  • b.

    regionale samenwerkingsafspraken;

  • c.

    hetbeschikbaar stellen van middelen en capaciteit.

4.3 Vooractiviteiten die in strijd zijn met het bestemmings- dan wel inpassingsplan dient het bevoegd gezag een beginselbereidheid te formuleren. De motivering hiervan dientopgesteld te worden op basis van:

  • a.

    de mate waarin deze bereidheid past inhet vigerende beleidskader;

  • b.

    de mate waarin deze bereidheid de ruimtelijke kwaliteit dient.

Gezamenlijke criteria Vergunningverlening en Toezicht & Handhaving

5. Vastleggen van benodigde capaciteit in de begroting

Op basisvan vastgestelde prioriteiten en doelstellingen wordt de benodigde capaciteit gepland en vastgelegd in de begroting.

6. Vastleggenvan benodigde financiële middelen in de begroting

Op basis van vastgestelde prioriteiten en doelstelling worden de benodigde financiële middelen gepland en vastgelegd in de begroting.

 

3. Operationeel beleidskader

Criteria Vergunningverlening

Criteria Toezicht en Handhaving

7. Strategie vergunningverlening

Hetbevoegd gezag handelt op grond van een strategie en objectieve criteria voor het beoordelen en beslissen over een omgevingsvergunning en het afhandelen van meldingen, ter uitwerking van de in de wet bepaalde criteria. In dezestrategie is vastgelegd welke vormen vanvergunningverlening wordenonderscheiden en wat de basiswerkwijze daarbij is, mede ten aanzien van aanvragen die in strijd zijn met het bestemmings- dan wel inpassingsplan. Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat de basiswerkwijze van vergunningverlening volgens een geborgd proces verloopt.

7. Nalevingsstrategie (interventiestrategie)

De handhavingsorganisatie handelt op grondvan een nalevingsstrategie/ interventiestrategie, waarin is vastgelegd met welke instrumenten zij naleving wil bereiken en welkerol handhaving daarbinnen speelt.

  • 8. Beleidruimtelijke ordening:

Het bevoegdgezag beschikt over:

  • a.

    bestemmingsplanbeleid dan wel inpassingsplanbeleid;

  • b.

    ontheffingsbeleid;

  • c.

    afwijkingsbesluitenbeleid.

8. Toezichtstrategie

De handhavingsorganisatie handelt op grondvan een toezichtstrategie, waarin is vastgelegd welke vormen van toezicht worden onderscheiden en wat de basiswerkwijze daarbij is. In de toezichtstrategie wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussenhet toezicht tijdens de bouw en tijdensde gebruiksfase.

8.1Bestemmings-inpassingsplanbeleid

Voor het beoordelen van aanvragen die in strijd zijn met een goede ruimtelijke onderbouwing beschikt het bevoegd gezag over een bestemmings-, dan wel inpassingsplanbeleid:

  • a.

    Hetbeleid is er op gericht dat alle bestemmings-, dan wel inpassingsplannen actueel zijn en niet ouder dan 10 jaar.

  • b.

    Hetbeleid is er op gericht om bestemmingsplannen dan wel inpassingsplannen binnen de gemeente dan wel binnen de provincie integraal te ontwikkelen (bv met bouw en milieu).

  • c.

    Hetbeleid is er op gericht om bestemmingsplannen dan wel inpassingsplannen te toetsen op handhaafbaarheid.

  • d.

    Hetgehele grondgebied van de gemeente cq provincie is belegd met bestemmingsplannencqinpassingsplannen.

8.1 Voorhet toezicht tijdens de bouwfase is de strategie gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

  • a.

    Het bevoegdgezag houdt toezicht op basis van een systematiek zoals beschrevenin het integraal toezichtprotocol. Deze systematiek gaat uit van objectcategorieën op basis van gebruik/activiteit, een toezichtmatrix die diepgang per thema en frequentie vastgelegd door hetbevoegd gezag en een projectgebonden checklist voor deinspectie. Voor het milieudeel van de omgevingsvergunning kan expliciet worden vastgesteld dat in sommige gevallen een aanvullende strategie nodig is voor de werking van een inrichting.

  • b.

    Hetbevoegd gezag hanteert het collectieve niveau zoals afgesproken in het integraaltoezichtprotocol.

  • c.

    Hetbevoegd gezag mag van de bovengenoemde (a en/of b) objectieve criteria afwijkenindien aantoonbaar blijkt uiteigen gegevens dat het collectieve niveau nietnoodzakelijk dan wel nietambitieus genoeg is. De gegevens bevatten tenminste informatie over geconstateerde afwijkingen en hetnaleefgedrag van specifieke partijen.De argumenten tot afwijkenmoeten aantoonbaar worden gemaakten vastgesteld worden.

 

3. Operationeel beleidskader

Criteria Vergunningverlening

Criteria Toezicht en Handhaving

8.2 Ontheffingsbeleid

  • a.

    De beleidsregels hebben alleenbetrekking op wettelijke (ontheffings) bevoegdheden en/of in bestemmingsplannen/ inpassingsplannen en/ of afwijkingsbesluiten opgenomenbevoegdheden.

  • b.

    Hetbeleid is niet instrijd met lokaal, provinciaal of rijksbeleid.

  • c.

    De beleidsregels worden consequenttoegepast en afwijkingenworden gemotiveerd.

8.2 Voor het toezichttijdens de gebruiksfase omvat de toezichtsstrategie tenminste:

  • a.

    diepgang van uit te oefenen toezicht;

  • b.

    routinematige bezoeken, inclusief de frequentie daarvan en incidentele bezoeken voor alletype objecten en gronden (inclusief bestaande gebouwenvoorraad en gevallenvan sloop);

  • c.

    de controle van administratieve bescheiden en het toezicht op het bereiken van kwaliteitsnormen;

  • d.

    onderzoek en verificatie van de eigen controlemaatregelen die door of ten behoeve van inrichtinghouders wordenuitgevoerd;

  • e.

    hetgeven van voorlichting aan de inrichtinghouder;

  • f.

    de rapportage over de resultatenvan het toezicht;

  • g.

    een aanpak voor het minimaliseren van de toezichtslast voor de ondertoezichtstaanden, onder andere door vooraf te beoordelen welke afstemming nodig is en in hoeverrecontroles op één moment en gelijktijdig kunnen wordenuitgevoerd met een zo klein mogelijk team waarin de benodigde deskundigheden voor de te verwachten risico‟s vertegenwoordigd zijn.

8.3Afwijkingsbesluitenbeleid

Het bevoegd gezag geeft aan wanneer gebruik wordt gemaakt vanafwijkingsbesluiten.

8.3 Voor het toezicht op activiteiten die toegestaan zijn middels een afwijkingsbesluitdient het bevoegd gezag:

  • a.

    explicietaan te geven of toezicht wordt uitgeoefend;

  • b.

    op welke wijze toezicht wordtuitgeoefend;

  • c.

    met welkeintensiteit toezicht wordt uitgeoefend.

9. Objectieve criteria

Hetbevoegd gezag handelt op grond van objectieve criteria voor het beoordelen en beslissen over een omgevingsvergunning in aanvulling van de hiertoein de wet bepaalde criteria.

9. Sanctiestrategie

De handhavingsorganisatie handelt op grondvan een sanctiestrategie, waarin de basisaanpak voor het bestuursrechtelijke en strafrechtelijke optreden bij overtredingen is vastgelegd. Het bevoegd gezag heefteen specifieke sanctiestrategie voor eigen inrichtingen of activiteiten in de bebouwde omgeving of inhet openbare gebied.

  • a.

    De sanctiestrategie omvat tenminste:

    • a.

      een op elkaar afgestemd bestuursrechtelijk – strafrechtelijk optreden tegen overtreding van de gestelde normenin lijn met de vastgestelde handhavingsstrategie;

    • b.

      een passende reactie op geconstateerde overtredingen en eenstringentere reactie bij voortduring van de overtreding;

    • c.

      transparantie over te stellen termijnen voor het opheffen van (standaard)overtredingen en over de zwaarte van sancties daarvoor. Een regeling voor optreden tegenovertredingen door de eigen organisatie en andereoverheden;

    • d.

      inhet handhavingsbeleid / strategie dient invulling gegevente worden aan hoe omgaan met clandestien bouwen en wat de strategie is voor het

    • e.

      stilleggen van bouwactiviteiten.

 

3. Operationeel beleidskader

Criteria Vergunningverlening

Criteria Toezicht en Handhaving

  • b.

    Het toepassen van de landelijke sanctiestrategie is verplicht.2

  • c.

    Afwijken van de landelijke sanctiestrategie is alleentoegestaan indien dit aantoonbaar effectiever is. De afwijking mag per bevoegd gezag verschillen om tot optimaal maatwerk te komen.

9.1Objectieve criteria voor het bouwdeel vande omgevingsvergunning:

  • a.

    Hetbevoegd gezag toets op basis van een systematiek die risico's bepaalt van de bouwaanvragen en accenten legt inhet vergunningverleningsproces,zoals beschreven in het toetsprotocolCKB online of een systematiek met vergelijkbare diepgang.

  • b.

    Hetbevoegd gezag handelt voor het toetsen van bouwaanvragen op basis van het collectieve niveau zoals de landelijk afgesproken collectieve toetsniveaus voor de Bouwbesluiteisen volgenshet toetsprotocol CKB-online of een niveaumet vergelijkbare diepgang.

  • c.

    Hetbevoegd gezag mag van de bovengenoemde objectieve criteriaafwijken indien aantoonbaar blijkt uit eigengegevens dat het collectieve niveau niet noodzakelijk dan wel nietambitieus genoeg is. De gegevens bevatten tenminste informatie over geconstateerde afwijkingen en het naleefgedrag vanspecifieke partijen. De argumenten tot afwijken moeten aantoonbaar worden gemaakten vastgesteld worden.

  • d.

    Hetbevoegd gezag toetst bij gecertificeerde bouwaanvragen op de geldigheid van het certificaat van de aanvrager. Hierbij wordt inieder geval getoetst op datum van hetcertificaat en of de aanvraag binnen het toepassingsgebied van hetcertificaat past.

9.2Objectieve criteria voor het gebruiksdeel van de omgevingsvergunning (inclusief meldingen),waaronder:

  • a.

    Regeling Best Beschikbare Techniek documenten;

  • b.

    Actieplanfijn stof;

  • c.

    NationaalSamenwerkingsporgamma Luchtkwaliteit;

  • d.

    Landelijk afval beheerplan;

  • e.

    Lokale beleidsregels.

9.3. Objectieve criteriavoor activiteiten die in strijd zijn met het bestemmings- dan welinpassingsplan:

  • a.

    spoedeisend karakter;

  • b.

    complexiteit (aantal aspecten mee te nemenin toetsing);

 

3. Operationeel beleidskader

Criteria Vergunningverlening

Criteria Toezicht en Handhaving

  • c.

    schaalgrootte;

  • d.

    aard vande afwijking (bijvoorbeeld functiewijziging);

  • e.

    ruimtelijkrelevant beleidskader;

  • f.

    benodigdeflexibiliteit;

  • g.

    strijdigheid met (rijks, provinciale danwel gemeentelijke) verordeningen.

10. Gedoogstrategie

De handhavingsorganisatie handelt op grondvan een restrictieve gedoogstrategie, waarin isvastgelegd in welke situaties (overmacht,  overgangssituatie, onmogelijkheid en onwenselijkheid van handhaving) en onder welkecondities inzet van sancties tegenover overtreders tijdelijk achterwege wordt gelaten. Deze gedoogstrategie neemt de inhoudvan de algemene Nota Grenzen aan gedogen in acht.

4. Planning en control

GezamenlijkeCriteria Vergunningverleningen Toezicht en Handhaving

11. Borgingpersonele en financiële middelen

Het bevoegd gezag zorgt voor de afstemming tussen de bestuurlijk vastgestelde doelen/prioriteiten en inzet van de personele en financiële middelen en zorgt voor borginghiervan in de begroting. Op basisvan vastgestelde prioriteiten en doelstellingen worden de benodigde capaciteit en financiële middelen gepland en vastgelegd in de begroting.

11.1 Het borgen van de personele en financiële middelen omvat tenminste:

  • a.

    het in debegroting vastleggen van die personele en financiële middelen enkosten apparatuur en instrumenten;

  • b.

    een inzichtelijke systematiek waarbij een verbinding wordt gelegdtussen de bestuurlijk vastgestelde vergunningverlening- en handhavingsprioriteiten en – doelstellingen en de daarvoor benodigde inzet vanpersoneel en middelen mede gezien de wettelijke termijnen. (personele en financiële middelen inlijn met het te verwachten werkaanbod);

  • c.

    een jaarlijkse reservering van capaciteit en middelen die nodig zijn voor de uitvoering van delandelijke prioriteiten en de regionale samenwerkingsafspraken,inclusief ruimte voor samenwerking op ad hoc basis;

  • d.

    een jaarlijkse reservering van middelen voor permanente her-, en bijscholing.

11.2 Hetbevoegd gezag moet kunnen aantonen datzij voldoet aande benodigde kritieke massa door:

  • a.

    periodiek te beoordelenin hoeverre de werkelijke opleiding, kennis,ervaring, frequentie van taakuitoefening en beschikbare deskundigen in overstemming is metde deskundigheidstabellen;

  • b.

    evaluatie en registratie van gevolgde opleidingen (inclusief vastlegging van de tijd enfinanciële middelen);

  • c.

    leveranciersbeoordeling bij uitbesteding (laten) aantonen dat externe partijen voldoenaan kwaliteitscriteria).

11.3 Het bevoegd gezag beschikt aantoonbaar over voldoende personele capaciteit, en/of financiële middelen voor het inhuren van capaciteit voor de uitvoering van de Wabotaken en toezicht en handhaving op de rechtstreekse verboden zoals geformuleerd in de uitvoeringsprogramma‟s, zie criterium 12.

 

4. Planning en control

Gezamenlijke Criteria Vergunningverlening en Toezicht en Handhaving

12. Uitvoeringsprogramma vergunningverleningen handhaving

Het bevoegd gezag handelt op grond van een uitvoeringsprogramma voor vergunningverlening, en op grond van een uitvoeringsprogramma voor toezicht en handhaving (beide programma‟s kunnen in één document opgenomen worden als te onderscheiden delen).

12.1Hetuitvoeringsprogramma omvat tenminste:

  • a.

    een duidelijke verbinding met de gestelde prioriteiten en doelstellingen;

  • b.

    een weergave van de concrete activiteitenvoor vergunningverlening en toezicht & handhaving, inclusief de bijbehorende capaciteit;

  • c.

    een uitwerking van het uitvoeringsprogramma in eenconcrete werkplanning voor alle betrokken organisatieonderdelen.

13. Organisatorische condities

Het bevoegdgezag handelt op grond van een organisatorische opbouw en regelingen die nodigzijn om de gestelde doelente kunnen bereiken. De organisatorische condities omvattentenminste:

13.1 Eenscheiding tussen:

  • a.

    vooroverleg en vergunningverlening;

  • b.

    vergunningverlening en handhaving;

  • c.

    planmatige handhaving en hercontrole (inclusief juridische opvolging);

Dit geldt op personeelsniveau voor degenerieke deskundigheden en op objectniveau voor specialistische en juridische deskundigheden.

13.1.1 Voor hetbouwdeelvan de omgevingsvergunning is deze scheiding tenminste geborgd volgens de volgende organisatorische condities:

  • a.

    Voor de generieke deskundigen een scheiding op persoonsniveau tussen: 1. activiteiten in het kader van het verlenen van de vergunning (inclusief de toetsingsactiviteitendie daarmee gepaard gaan) 2. de activiteiten die worden uitgevoerd inhet kader van toezicht en handhaving tijdens de bouwfase en 3. activiteiten die inhet kader van toezicht enhandhaving worden uitgebouwd bij bestaande bouw.

  • b.

    Voor de specialisten en juristen een scheiding op objectniveau tussen activiteiten in het kader van 1. het verlenen van de vergunning (inclusief de toetsingsactiviteiten die daarmee gepaard gaand enerzijds en 2. de activiteiten die worden uitgevoerd inhet kader van toezicht en handhaving tijdens de bouwfase en 3. activiteiten die in het kader van toezicht en handhaving worden uitgevoerd bij bestaande bouw.

  • c.

    Handhavingsactiviteitentijdens de bouwfase worden uitgevoerd door de daartoebevoegde ambtenaren op grond van voorheen artikel100a van de Woningwet en straksop grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

13.1.2 Voor hetmilieudeel van de omgevingsvergunning is dezescheiding tenminste geborgd volgens de volgende organisatorische condities:

  • a.

    In het gevalvan instemmende beschikkingen en of maatwerk voorschriften dienenactiviteiten uitgevoerd te worden vanuithet deskundigheidsgebied vergunningverlening en blijftde functiescheiding van toepassing.

  • b.

    Indien hetgeen maatwerkvoorschriften betreftkunnen de activiteiten vanuit zowel de deskundigheid vergunningverlening als vanuit toezicht en handhaving en op MBO niveau worden uitgevoerd en is de functiescheiding op persoonsniveau niet van belang.

13.2 Een roulatiesysteem bij objecten, partijen en inrichtingen waar frequent en intensief controles worden uitgevoerd ( „een vaste handhavingsrelatie‟). Dit roulatiesysteem betreft minimaal een periodieke afwisseling van branches en geografische gebieden waarbinnen de handhavingsactiviteiten worden uitgevoerd voor handhavers bij inrichtingenwaarmee een vastehandhavingsrelatie bestaat.

13.3  Het op schrift vastleggen van de bevoegdheden, taken en verantwoordelijkheden, inclusief het schriftelijk vastleggen van de aansturing van buitengewone opsporingsambtenaren (BOA‟s).

 

4. Planning en control

Gezamenlijke Criteria Vergunningverlening en Toezicht en Handhaving

13.4Documentatie op persoonsniveau met wie voldoetaan de verschillende eisen voor kritieke massa en wie wordtingezet op welke processen / aandachtsvelden.

13.5 Regelingen voor het uitbesteden van vergunningverlening, toezicht en handhavingstaken.

13.6 Een bereikbaarheids- en beschikbaarheidsregeling voor buiten kantooruren: ook buiten kantoortijden moeten burgers melding kunnen doen van incidenten of acuteklachten over overtredingen kunnen uiten.Daartoe moet het bevoegd gezag bereikbaar zijn en moeten personen beschikbaar zijn om zo nodig op te treden.

13.7 Hetborgen van de personele onafhankelijkheid/ integriteit:

  • a.

    Vergunningverleners, toezichthouders en handhavers nemen een onafhankelijke positie in tenopzichte van de bij het opstellen van bouwplannen(wel of niet in strijd met het bestemmings- dan welinpassingsplan) betrokken organisaties, instanties, bureaus of bedrijven. Ook als het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer / ontwikkelaar is.

  • b.

    Om te voorkomen dat andere belangen dan de wettelijke eisen en vastgestelde strategische en operationele beleidskaders domineren tijdens het proces vanvergunningverlening, toezicht en handhaving is de verantwoordelijkheid voor de realisatie vaninitiatieven gescheiden van die voor vergunningverlening, toezicht en handhaving.

  • c.

    Hiervoor is sprake van functiescheiding op persoonsniveau voor vergunningverlening en handhavingsactiviteiten.

  • d.

    Voor aanvragen diein strijd zijn met het bestemmings-, danwel inpassingsplan betreft dit een scheiding op persoonsniveau tussen de voorbereiding voor het afwijkingsbesluit en de beslissing over het afwijkingsbesluit, deze scheiding is niet noodzakelijk voor de voorbereiding en voor het schrijven vanhet afwijkingsbesluit indien de beslissing hierover gemaakt is.

13.8Het bevoegd gezag beschikt over de kwantitatieve en kwalitatieve voorzieningen en hulpmiddelen die de taakuitvoering informatietechnisch, vakinhoudelijk, technisch,juridisch en administratief mogelijk maken.

14. Kwaliteitsborging

Het bevoegd gezag handelt op grond van een systematiek van interne borging (beschrijving, toetsing en verbetering) van de wijze waarop de werkzaamheden beheerst kunnenworden uitgevoerd. De systematiek kent minimaal de volgende elementen:

14.1Directievertegenwoordiger: De algemeen directeur stelt een lid van het management aan als directievertegenwoordiger. De directievertegenwoordiger is verantwoordelijk voor het ontwikkelen en in standhouden van het kwaliteitssysteem en het rapporteren over de werking. Deze verantwoordelijkheid betreft alleen het proces en niet de inhoud. Hij/zij beschikt hiervoor over de benodigde bevoegdheden.

14.2 Kwaliteitsbeleid en doelstellingen: Het bevoegd gezag draagt zorg voor de uitvoering van een kwaliteitsbeleid, dat past bij de gewenste kwaliteit van de bedrijfsgebonden omgevingstaken. Het beleid geeft hierbij de gewenste focus aan, die wordt geconcretiseerd in specifieke doelstellingen. Het beleid en de doelstellingen behorente zijn gericht op het continu verbeteren van de effectiviteit van het kwaliteitssysteem en worden jaarlijks, op basis van de uitkomsten van een directiebeoordeling, geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.

14.3Kwaliteitsprogramma/kalender met vaste meet-en bijstuurmomenten: Het bevoegdgezag stelt jaarlijks een plan van aanpak, ook wel kwaliteitsprogramma genoemd, op waarin concreet staat aangegeven hoe het bevoegd gezag invulling denkt te geven aan haar kwaliteitsbeleid en de doelstellingen. Voor het opstellen en bewakenvan het planvan aanpak maakt het bevoegd gezag gebruik van de in deorganisatie aanwezige planning & control cyclusen documenteert de resultaten.

14.4  Borgingprocesbeschrijvingen: Het bevoegd gezag legt schriftelijk een procesbeschrijving vast van de wijze waarop vergunningverleners en handhavers de werkzaamheden dienenuit te voeren. De uitvoering van deze procesbeschrijvingen wordt geborgd via een vastgelegde toetsingsmethodiek.

 

4. Planning en control

Gezamenlijke Criteria Vergunningverlening en Toezicht en Handhaving

14.5Werkwijze voor registeren en managen verbeterpunten: Het bevoegd gezag hanteert verbetermechanismen waarmee bijstelling van procesbeschrijvingen mogelijk wordt gemaakt(inclusief managementreview, zoals bedoeld in ISO 9001. 2008).

14.6  Interne  audits  op de procedure  en op  de producten: Het  bevoegd gezag  beschikt over  een gedocumenteerde procedure  voor  het uitvoeren  van  interne kwaliteitsaudits. De minimale audit frequentie wordt hierinvoor alle soorten of type producten en voor alle processen vastgesteld op eens per 3 jaar.

14.7Meten van en sturen op klanttevredenheid: klanttevredenheid wordt periodiek gemeten en het bevoegdgezag neemt de resultaten daarvan mee in de uitvoering van hetproces.

14.8Klachtenprocedure: Het bevoegd gezag draagt aanvullend op de algemene klachtenregeling op grond van AWB zorg voor het ontvangen, vastleggen en afhandelen van interne en externeklachten over de kwaliteit van de uitvoering van de omgevingstaken ten behoeve van het identificeren van verbeterpunten. Hierbij wordt expliciet gemaakt hoe deze processen zich onderscheiden van milieuklachten, meldingen voor ongewone voorvallen en verzoeken tot handhaving. Dit betreffen de nietbejegeningsklachten uithet AWB.

14.9Risico's, maatregelen en meetpunten per (type) werkproces: Het bevoegd gezag brengt per (type) werkproces de belangrijkste risico's (bijvoorbeeld tijdigheid, kosten, juridische kwaliteit) en bijbehorende maatregelenin beeld op vastgestelde momentenin het proces.

14.10Protocollen (voor zover expliciet benoemd in deze kwaliteitseisen): Het bevoegd gezag handelt op grondvan protocollen voor de voorbereiding en uitvoering van haar taken zoals benoemd onder 'Voorbereiden'.

14.11Standaarden voor projectdossiers: In aanvulling op de archiefwet geldt voor elke beoordeling dat een projectdossier bijgehouden dient te worden. In dit projectdossier dienen alle documenten die op de beoordeling betrekking hebben opgeslagen te worden. Het bevoegd gezag legt een standaard voor projectdossiers schriftelijk vast waarin de minimaal vereiste documenten voor in het dossier worden benoemd.

 

5. Voorbereiden

Criteria Vergunningverlening

Criteria Toezicht en Handhaving

15. Protocollen en werkinstructies

Hetbevoegd gezag handelt op grond van protocollen voor de voorbereiding en uitvoering van haar Wabo taken. De protocollen omvatten tenminste een uitwerking in procedurebeschrijvingen en/of werkinstructies in lijn met de strategie voor vergunningverlening en de objectieve criteria voor het beoordelen en beslissen over een omgevingsvergunning (zoals bepaald inhet operationele beleidskader).

15 Protocollen en werkinstructies

Hetbevoegd gezag handelt op grond van protocollen voor de voorbereiding en uitvoering van haar Wabo taken. De protocollen omvatten tenminste een uitwerking in procedurebeschrijvingen en/of werkinstructies voor de naleefstrategie, de toezichtsstrategie, de sanctiestrategie, de gedoogstrategie en de interne en externeafstemming (zoals bepaald in het operationele beleidskader).

15.1  Voor  vergunningverlening  betreft  dit  een uitwerking voor  de volgende onderdelen:

  • a.

    vooroverleg;

  • b.

    conceptaanvraag beoordelen;

  • c.

    definitieveaanvraag beoordelen;

15.1Voor toezicht en handhaving betreft dit een uitwerking voor de volgende onderdelen:

  • a.

    voorbereiden van controles;

  • b.

    uitvoeren van controles;

  • c.

    versturenverslag en brief;

 

5. Voorbereiden

Criteria Vergunningverlening

Criteria Toezicht en Handhaving

  • d.

    (ontwerp) besluit;

  • e.

    bedenkingen;

  • f.

    bezwaar en beroep;

  • g.

    overdrachtnaar handhaving;

  • h.

    procesbeschrijving van de te doorlopen stappenm.b.t. afwijkingsbesluit.

d. toepassenvansancties.

15.2 Vooraanvragendie in strijdzijn met het bestemmings- dan wel inpassingsplan betreft dit,in aanvulling op 15.1, een uitwerking van de volgende elementen:

  • a.

    Een werkinstructie voor een goede intake waarin aandacht wordt besteed aan:

    • i.

      beoordeling op goede ruimtelijke onderbouwing (compleetheid van de aanvraag);

    • ii.

      strijdigheid met het bestemmingsplan;

    • iii.

      checklist voor mee te wegen aspecten in de beoordeling;

    • iv.

      relatie met exploitatieplan.

  • b.

    Een werkinstructie voor hetnagaan van relevante kaders/ vigerend beleid waarinaandacht besteed wordt aan:

    • a.

      checklist relevante wet-enregelgeving mee te nemen inbeoordelen van de aanvraag;

    • b.

      economische haalbaarheid van het initiatief.

Gezamenlijke criteria (vergunningverlening en toezicht & handhaving)

16. Interne en externe afstemming

Het bevoegdgezag zorgt inde voorbereiding en uitvoering van haar vergunning- en handhavingstaken voor interne en externeafstemming voor alle procesfasen.

16.1 Kwaliteit intern overleg: het bevoegd gezag stelt vast wat de relevante overlegstructuren zijn met internbetrokken partijen en geeft hierbijaan wie verantwoordelijk is voor het overleg, wathet doel is van het overleg en hoe de uitkomsten van het overlegworden vastgesteld en teruggekoppeld binnen de organisatie.

De interne afstemming omvat tenminste:

  • a.

    afstemming tussen vergunningverlening en handhaving;

  • b.

    afstemming met overige relevante organisatieonderdelen.

16.2Kwaliteit extern overleg: Het bevoegd gezag stelt vast wat de relevante overlegstructuren zijn met de extern betrokken partijen en geefthierbij aan wie verantwoordelijk is voor het overleg, wat het doel is van het overlegen hoe de uitkomsten van het overleg worden vastgelegd en teruggekoppeld naar de externbetrokkenen.

De externe afstemming omvat ten minste:

a. het makenvan afspraken inhet kader van de bestuursovereenkomsten en regionale samenwerking.

 

Specifiek voor vergunningverlening omvat de externe afstemming tenminste:

a. het makenvan afspraken metpartijen voor gevallen waarin toestemmingenaanhaken in de Wabo, te weten het Ministerie van LNV inzake de Flora & Fauna en

 

5. Voorbereiden

Gezamenlijke criteria (vergunningverlening en toezicht & handhaving)

  • b.

    Natuurbeschermingswet en het Ministerie van OC&W inzake de Monumentenwet;

  • c.

    hetmaken van afspraken methet Waterschap inzake de Wet Verontreiniging Oppervlaktewater;

  • d.

    hetmaken van afspraken metde Brandweer inzake de vergunning voor bouw en brandveilig gebruik.

Specifiek voor toezicht en handhaving omvat de externe afstemming tenminste:

  • a.

    afstemming met Politieen Functioneel Parket;

  • b.

    hetmaken van afspraken over gevallen waarin meerdere organisaties tegelijkertijd handhavingsbevoegd zijn;

  • c.

    hetmaken van afspraken over gevallen waarin meerdere organisaties naelkaar handhavingsbevoegd zijn(keenbeheer).

Specifiek voor afwijkingsbesluit omvat de externe toestemming tenminste:

  • a.

    afstemming met Provincie en het Rijk (strijdigheid provinciale/rijks inpassingsplannen, structuurvisies);

  • b.

    overleg regionale brandweer.

  • 17. Protocollenvoor communicatie, informatiebeheer en informatie-uitwisseling

Hetbevoegd gezag handelt op grond van protocollen voor de communicatie, het informatiebeheer en de informatie-uitwisseling van vergunning- en toezichtresultaten, aangekondigde of opgelegde sancties en gedoogbesluiten.

De protocollen omvatten tenminste:

  • a.

    de communicatie over vergunningsresultaten;

  • b.

    de communicatie over toezichtresultaten, sancties en gedoogbesluiten;

  • c.

    hetinformatiebeheer van toezichtsresultaten, sancties en gedoogbesluiten;

  • d.

    de operationele informatie-uitwisseling intern en metandere handhavingsorganisaties van toezichtsresultaten, sancties en gedoogbesluiten;

  • e.

    de raadpleegbaarheid van ruimtelijke plannen en besluiten in DURP enIMRO.

6. Uitvoeren

Gezamenlijke criteria (Vergunningverlening en Toezicht & Handhaving)

18. Uitvoeringsondersteunende voorzieningen

De vergunningverlening-  en handhavingsorganisatie  beschikt  over  voldoende kwantitatieve  en kwalitatieve  voorzieningen  en hulpmiddelen die  de taakuitvoering informatietechnisch,milieutechnisch, juridisch en administratief mogelijk maken.

18.1De uitvoeringsondersteunende voorzieningen omvattentenminste:

  • a.

    een geautomatiseerd systeem voor planning, programmering en voortgangsbewaking van de vergunningverlening en handhavingstaak;

  • b.

    een geautomatiseerd systeem voor de registratie en monitoring van zowel de inrichtingsgebonden als de niet-inrichtingsgebondenvergunningverlening- en handhavingstaak;

  • c.

    een goedestaat van onderhoud en kalibratie van de apparatuur en de instrumentendie worden gebruikt;

  • d.

    transportmiddelen;

  • e.

    bibliotheek en naslagwerken;

  • f.

    veiligheidsvoorzieningen(Arbo) voor de toezichthouders.

 

7. Monitoren

Gezamenlijke Criteria Vergunningverlening en Toezicht & Handhaving

19. Monitoring

Het bevoegdgezag handelt op grond van een systematiek van monitoring van het proces van vergunningverlening en handhaving, de resultaten en voor zover mogelijk de effectenhiervan.

19.1 Per doelstelling/prioriteit uit hetstrategische beleidskader wordt ten behoeve van de monitoring het volgende benoemd:

  • a.

    beoogd effect;

  • b.

    resultaten;

  • c.

    benodigde/uitgevoerde activiteiten;

  • d.

    beschikbare middelen.

Voor elk vandeze elementen stelthet bevoegd gezag indicatoren en normen op.

19.2Het bevoegd gezag stelt richtlijnen op voor het gebruik van de monitor. Hierbij wordttenminste aandacht besteed aan:

  • a.

    vaststellen indicatoren;

  • b.

    frequentie van meten;

  • c.

    bespreken resultaten;

  • d.

    check op kwaliteit data.

Criteria Vergunningverlening

Criteria Toezicht en Handhaving

19.3 De monitoring van de kwaliteit en resultaten van de

vergunningverleningactiviteitenis tenminste gericht op de volgende producten/elementen:

  • a.

    aantal en aard ingediende aanvragen;

  • b.

    aantalbesluiten op basis van de ingediende aanvragen;

  • c.

    aantal afgehandelde meldingen onder verdeeld in relevante categorieën;

  • d.

    aantal besluiten onderverdeeld naar relevante categorieën;

  • e.

    aantalingediende bezwaren/ beroep door initiatiefnemers en percentage gehonoreerd;

  • f.

    tijdigheid van de geleverde producten;

  • g.

    de effecten van afgegeven vergunningenvoor de kwaliteit van defysieke leefomgeving;

  • h.

    de inhoudelijke kwaliteitvan de producten.

19.3 De monitoring van de kwaliteit en resultaten van de toezicht en

handhavingsactiviteitenis tenminste gerichtop de volgende elementen:

  • a.

    mate waarintoezicht,- en sanctiestrategie is toegepast;

  • b.

    realisatie bezoekfrequenties;

  • c.

    geconstateerde overtredingen;

  • d.

    tijdigheid van de (her)controle;

  • e.

    tijdigheid versturen controleverslag en brief;

  • f.

    hetnaleefgedrag;

  • g.

    evaluatie van de handhavingsresultatenuitmondend in verbeteringenten aanzien van de handhavings(beleids)cyclus.

19.4 De monitoring van aanvragen die instrijd zijn met het bestemmings-, dan welinpassingsplan is tenminste gericht op:

  • a.

    de gronden op basis waarvan hetafwijkingsbesluit is genomen;

  • b.

    de relatie tussen dergelijke aanvragen en de wettelijke termijnen.

 

Bijlage 4: Beleidsevaluatie Nota Integrale Handhaving Fysieke Leefomgeving

 

Het VTH Beleidsplan 2019-2022 is de opvolger van de Nota Integrale Handhaving Fysieke Leefomgeving 2015-2018 (De Nota. In deze beleidsevaluatie onderzoeken we in welke mate de doelstellingen uit de Nota zijn gerealiseerd en waar aanpassing wenselijk voor de nieuw beleidsperiode.

 

Realisatie van de doelstellingen

De Nota bestaat naast een inleidend deel uit een aantal onderdelen:

  • 1.

    Visie, uitgangspunten en randvoorwaarden

  • 2.

    Prioriteiten

  • 3.

    Nalevingstrategie

  • 4.

    Monitoring, evaluatie en bijsturing

Ad. 1 Visie, uitgangspunten en randvoorwaarden

De visie is gericht op integrale handhaving en het toezicht dat daaraan vooraf gaat en dus niet op vergunningverlening. Dat is een gemis, omdat de afdeling als geheel dan niet geprikkeld wordt om volgen een visie te werken. De aanbeveling is dan ook om de visie, uitgangspunten en randvoorwaarden voor het gehele VTH-proces vast te stellen. In de wet in inmiddels ook een verplichting opgenomen om ook voor vergunningverlening beleid op te stellen.

De inhoud van de visie, uitgangpunten en randvoorwaarden kunnen wel een basis zijn om een nieuwe visie voor VTH als geheel vorm te geven. De kern van de visie is “integraliteit”. Deze integraliteit is in de afgelopen beleidsperiode verder vorm gegeven door binnen de afdeling VTH te gaan werken in gebiedsteams waarin alles VTH-disciplines vertegenwoordigd zijn. Met name de integratie tussen toezicht op de openbare ruimte en het bouwtoezicht heeft hiermee een boost gekregen. Maar ook de integraliteit tussen vergunningverlening enerzijds en toezicht- en handhaving anderzijds is hiermee vergroot. De aanbeveling is dan ook om deze integrale werkwijze tussen de verschillende disciplines en de verschillende beleidsterreinen in stand te houden.

 

Hier een samenvatting van wat we hebben gerealiseerd van het oude beleidsplan. Daar stonden geen concrete doelen in. Dus vooral verwijzen naar en benoemen van de resultaten over 2018.

 

Ad. 2 Prioriteiten

De prioriteiten zijn gesteld op basis van de uitkomsten van een risicoanalyse, probleemanalyse en bestuurlijke wensen. Voor de komende beleidsperiode is de aanbeveling om dit ook weer op deze manier vorm te geven. Het maken van risicoanalyse en probleemanalyse wordt ook gevraagd vanuit de kwaliteitscriteria 2.1 en het Besluit Omgevingsrecht (Bor). De probleemanalyse is in de Nota onvoldoende uitgevoerd en de aanbeveling is dan ook om hier een kwaliteitsslag te maken.

 

Voor de uitwerking van de prioriteiten wordt verwezen naar het Handhaving Uitvoerings Programma (HUP) en er zijn dan ook geen concrete doelstellingen opgenomen in de Nota. De aanbeveling is om in het nieuwe beleid wel concrete en meetbare doelstellingen op te nemen die na afloop van de beleidsperiode geëvalueerd kunnen worden. De prioriteiten kunnen door ontwikkelingen en bestuurlijke keuzes wel elk jaar veranderen en hier kan in het jaarlijkse VTH Uitvoeringsprogramma dan ook ruimte voor worden gemaakt.

 

Omdat in de Nota geen doelstellingen op zijn genomen maar we in deze beleidsevaluatie wel willen terugblikken wat er het afgelopen jaar bereikt is nemen we hieronder de belangrijkste bevindingen op van het Jaarverslag 2018, welke is samengesteld op basis van de Managementrapportage VTH Uitvoeringsprogramma 2018. De belangrijkste conclusie met betrekking tot de gestelde prioriteiten staan hieronder weergegeven.

 

Algemeen

  • -

    Veel van de indicatoren waarop voortgang is gemeten zeggen te weinig over doelbereiking. Voor 2019 worden de doelstellingen beter meetbaar geformuleerd.

  • -

    De gegevens die uit de backoffice applicatie komen lijken niet altijd zuiver. In 2019 investeren we in verbetering van de backoffice applicatie (wabo) en het gebruik hiervan door de medewerkers.

  • -

    Bij de doelstellingen rondom het aantal meldingen moeten we ons realiseren dat het aantal meldingen gemeente breed toe is genomen met 15 tot 20 procent. Met name doordat er steeds meer kanalen voor melden openstaan. Denk aan apps, facebook, twitter etc.

  • -

    De legesopbrengsten zijn hoger dan begroot, maar wel ongeveer gelijk aan 2017. Op kleine vergunningen (APV, evenementen, ontheffingen en kleine bouwwerken) zijn de leges niet kostendekkend. Voor de grote bouwwerken zijn ze meer dan kostendekkend.

Vergunningverlening & ketenpartners

  • -

    Het aantal vergunningaanvragen over de breedte is redelijk stabiel gebleven.

  • -

    De samenwerkingsafspraken met ketenpartners worden goed nagekomen.

  • -

    De doelstelling om de vergunningen die een fatale termijn hebben (en die dus van rechtswege worden verleend indien we te laat besluiten) wordt gehaald.

  • -

    Voor APV en Drank & Horecawet is een afhandeling van 100% van de aangevraagde vergunningen binnen de wettelijke beslistermijn niet realistisch. Dit percentage moet omlaag. Contact met de klant en een goede dienstverlening zijn hier belangrijker. De vergunningen kennen ook geen fatale termijn.

Toezicht en handhaving

  • -

    Evenementhouders houden zich in de regel aan de gemaakte afspraken. De schouw vooraf en de evaluatie achteraf bij alle B en C evenementen werpt zijn vruchten af.

  • -

    De naleefpercentages van (para)commerciële instellingen met betrekking tot alcohol worden gehaald. Deze inzet wordt dan ook gecontinueerd.

  • -

    Doelstellingen over de mate van toezicht op de diverse terreinen worden bijna allemaal gehaald.

  • -

    Na een verbeterslag in de registratie van de meldingen voor afval en de toegenomen aandacht voor meldingen door “Omgekeerd inzamelen” moet het aantal meldingen in 2019 op dit thema niet verder oplopen.

  • -

    Op veel thema’s moeten de doelstellingen voor 2019 meetbaarder geformuleerd worden.

Structurele werkzaamheden (voor zover nog niet hierboven besproken)

  • -

    Het aantal sancties opgelegd door BOA’s is heel sterk gestegen.

  • -

    Omdat we meer wijkgericht werken zijn we beter op de hoogte wat er speelt in een wijk. Veel situaties zijn dus niet nieuw meer en gaan we eerder over tot sanctioneren. Daarbij was de bezetting in 2018 beter dan in 2017.

  • -

    Door verdergaande professionalisering zien we dat we er steeds “strakker in zitten” en eerder overgaan tot sanctioneren.

Ad. 3 Nalevingstrategie

 

De nalevingstrategie in de Nota bestaat uit de wettelijk verplichte onderdelen. Deze nalevingstrategie wordt in de praktijk gebruikt om toezicht en handhaving vorm te geven. In de nalevingstrategie is aangegeven dat de uitgangspunten van de LHS worden gehanteerd. Het proces van toezicht en handhaving behoeft nog wel enige aanpassing om dit in de praktijk ook volledig te realiseren. De aanbeveling is om de LHS ook bestuurlijk vast te stellen en deze beter in de processen door te voeren.

In de Nota ontbreekt een strategie voor vergunningverlening. In het nieuwe Beleidsplan moet een vergunningenstrategie op worden genomen.

 

Ad. 4 Monitoring, evaluatie en bijsturing

Monitoring, evaluatie en bijsturing van het VTH Uitvoeringsprogramma is op orde. Indicatoren kunnen wat zuiverder geregistreerd en gemeten worden. In de Nota stonden geen meetbare doelstellingen, dus was het ook niet mogelijk om deze te monitoren, te evalueren en bij te sturen. In het nieuwe Beleidsplan moeten meetbate doelstellingen opgenomen worden die geëvalueerd kunnen worden en waarop bijsturing mogelijk is.

 

Aanbevelingen

  • -

    Maak een visie, uitgangspunten en randvoorwaarden voor het gehele VTH-proces.

  • -

    Houdt de integrale werkwijze tussen de verschillende disciplines en de verschillende beleidsterreinen in stand.

  • -

    Maak een kwaliteitsslag in het maken van de probleemanalyse.

  • -

    Neem in het nieuwe beleidsplan concrete en meetbare doelstellingen op te nemen die na afloop van de beleidsperiode geëvalueerd kunnen worden.

  • -

    Neem in het Uitvoeringsprogramma ook doelstellingen op die een looptijd hebben van een jaar en die jaarlijks geëvalueerd kunnen worden.

  • -

    Stel de LHS bestuurlijk vast en leg de werkwijze beter vast in het toezicht- en handhavingsproces.

  • -

    Neem een vergunningenstrategie op in het nieuwe Beleidsplan.

  • -

    Geef monitoring, evaluatie en bijsturing vorm om basis van de nieuwe meetbare doelstellingen in het Beleidsplan.

Bijlage 5: Risicoanalyse en Probleemanalyse

1.Inleiding

In Amersfoort prioriteren we de inzet van VTH in eerste instantie op basis risico’s. De prioriteiten worden aangevuld met de landelijke prioriteiten, de bestuurlijke wensen en de ontwikkelingen die we de komende jaren op ons af zien komen.

In de volgende paragraaf wordt eerst de methode van risicoanalyse nader toegelicht. Vervolgens bespreken we de maatschappelijke ontwikkelingen, kijken we per gebied naar de risico’s en komen we uiteindelijk tot een prioriteitstelling. We sluiten dit hoofdstuk af met een aantal bedrijfsmatige risico’s die we onderkennen binnen de uitvoering van de VTH-taken.

 

2.Methode van Risicoanalyse

De risicoanalyse is uitgevoerd op basis van een landelijk erkende systematiek. Het verschijnsel ‘risico’ wordt daarbij als volgt benaderd: Risico = (gemiddeld) negatief effect x de kans dat het effect zich zal voordoen.

Het uitvoeren van de risicoanalyse vindt plaats door het invullen van de risicomatrix (zie bijlage 6 Risicomatrix) waar uiteindelijk per activiteit een risicoscore uit volgt.

 

De risicoanalyse richt zich op de fysieke leefomgeving binnen de gemeente Amersfoort en is besproken met experts op de diverse werkvelden.

 

De risicoanalyse richt zich uitsluitend op toezicht en handhaving. Voor vergunningverlening geldt dat met betrekking tot bouwen de risicoanalyse verwerkt zit in het bouwtoetsprotocol (zie bijlage 7). Het toezicht dat volgt uit vergunningverlening zit verwerkt in het integrale toezichtsprotocol (iTP) welke deze beleidsperiode in wordt gevoerd. Voor bouwen is het gebruikelijk dat er naar gelang de aard van de aanvraag gevarieerd wordt in de diepte van de toetsing. Voor de overige vergunningen die we verlenen geld deze variatie niet en wordt de aanvraag volledig aan de regels getoetst.

 

Voor milieu geldt dat er door de RUD Utrecht wel gevarieerd wordt in de diepte van de toets. Hiervoor wordt de risicoanalyse voor toezicht en handhaving aangehouden.

 

3.Uitkomsten risicoanalyse

Uit de risicoanalyse komen de volgende activiteiten met een hoog of zeer hoog risico:

 

Bouwen en RO

Bouwen zondervergunning > 100m3

Sloop zonder of in afwijking van de vergunning met asbest op bedrijventerreinen, buitengebied en kernen

Bouwen zondervergunning > 100m3

Brandveilig gebruik van bouwwerken

Bijeenkomstfunctie (onderwijs/kinderopvang)

gezondheidszorgfunctie (met bedgebied

gezondheidszorgfunctie (overig)

Inrichtingtype B (Milieubelastend - meldingsplichting)

Inrichting type C (Erg milieubelastend - vergunningplichting)

Milieu (bodem)

Naleving Besluit bodemkwaliteit (meldingen RUD)

Saneringsplicht Wet bodembescherming

Milieu (water)

Lozingafvalwater

Milieu (lucht)

Geurhinder & stankoverlast

Milieu (externe veiligheid)

Opslaggevaarlijke stoffen (BEVI-inrichtingen)

Vervoer gevaarlijke stoffen(weg, spoor, water & buisleidingen)

Vuurwerk

Drank- en Horecawet

Leeftijdsgrens

Evenementen met vergunning

Groot

Heel groot

Evenementen zonder vergunning

Klein

Groot

Heel Groot

Drugs

Drugshandel

Gebruik vandrugs op straat

Voertuigen

Onbeheerdstallen van (brom)fietsen

Horecabedrijven

Exploitatie openbare inrichting zonder of in afwijking van vergunning

Sluitingstijdenopenbare inrichting (ontheffing)

Terras

Seksinrichtingen

Exploiterenseksinrichting zondervergunning

Straatprostitutie

Vuurwerk

Consumentenvuurwerkgebruik (aanwijzing)

Dieren

Loslopendehonden (aanwijzing)

Verontreinigingdoor honden

Huishoudelijk afval

Verbodinzameling & aanbieden huishoudelijk afval

 

Deze activiteiten hebben in de komende beleidsperiode dus een hoge of zeer hoge prioriteit.

 

4.Bestuurlijke prioriteiten

 

In januari 2019 zijn we in gesprek gegaan met de gemeenteraad over de mogelijke prioriteiten voor VTH in de voorliggende beleidsperiode. Hierbij kwamen onderstaande prioriteiten naar voren(2 of meer keer geprioriteerd of zelf aangedragen onderwerpen door raadsleden):

 

 

In bovenstaande tabel staat aangegeven welke onderwerpen als prioriteit mee worden genomen in dit beleidsplan en welke niet. De reden waarom staat in de kolom erachter.

 

Er zitten een aantal verschillen in de gestelde prioriteiten door de raad en die door de professionals door middel van de risicoanalyse worden geduid.

 

  • -

    De risicoanalyse kent geen beperking. De raadsleden hadden maar beperkt de mogelijkheid tot prioriteren. Uit de risicoanalyse komen alle potentieel risicovolle activiteiten naar voren

  • -

    De terminologie is bij de raadsbijeenkomst wat aangepast omwille van de duidelijkheid. Er zijn dus een aantal activiteiten in de risicoanalyse wat anders omschreven, maar deze komen wel overeen met hetgeen door de fracties aangegeven.

  • -

    Een aantal onderwerpen leefden wel bij de fracties, maar komen uit de risicoanalyse niet als prioriteit. Hierbij hebben we gekeken wat onze ervaring in de afgelopen jaren is met dit onderwerp en aan de hand daarvan besloten of we deze onderwerpen hebben geprioriteerd.

  • -

    Een aantal taken behoren vanuit de wet- en regelgeving niet per se tot het takenpakket van VTH en staan om die reden ook niet opgenomen in de risicoanalyse. Het zijn echter wel taken die in steeds ruimere mate door VTH uit worden gevoerd en daarom ook geprioriteerd zouden kunnen worden. Denk dan aan de inzet op de thema’s binnen sociale veiligheid en bijvoorbeeld toezicht op jeugdgroepen.

De combinatie van de risicoanalyse en de bestuurlijke inventarisatie leid dan tot de volgende lijst met geprioriteerde onderwerpen (hoog of zeer hoog).

 

Thema

Activiteit

Bouwen en RO

Bouwen zonder vergunning > 100m3

Sloop zonderof in afwijking van de vergunning met asbest op bedrijventerreinen, buitengebied en kernen

Bouwen zonder vergunning > 100m3

Toezicht op bestaande bouw

Brandveilig gebruik van bouwwerken

Bijeenkomstfunctie (onderwijs/kinderopvang)

gezondheidszorgfunctie (met bedgebied)

gezondheidszorgfunctie (overig)

Inrichting type B(Milieubelastend - meldingsplichting)

Inrichting type C (Erg milieubelastend - vergunningplichting)

Milieu (bodem)

Naleving Besluit bodemkwaliteit (meldingen RUD)

Saneringsplicht Wet bodembescherming

Milieu (water)

Lozing afvalwater

Milieu (lucht)

Geurhinder & stankoverlast

Milieu (externe veiligheid)

Opslag gevaarlijke stoffen (BEVI-inrichtingen)

Vervoer gevaarlijke stoffen(weg, spoor, water & buisleidingen)

Vuurwerk

Milieu inrichtingen

Milieutoezicht op bedrijven zonder verg./ melding

Milieutoezicht bij kleine bedrijven

Drank- en Horecawet

Leeftijdsgrens

Evenementen met vergunning

Heel groot,groot

Evenementen zondervergunning

Heel groot,groot, klein

Drugs

Drugshandel/ gebruik van drugs op straat

Voertuigen

Onbeheerd stallen van (brom)fietsen

Parkeren

Horecabedrijven

Exploitatie openbare inrichting zonder of in afwijking van vergunning

Sluitingstijden openbare inrichting (ontheffing)

Terras

Seksinrichtingen

Exploiteren seksinrichting zonder vergunning

Straatprostitutie

Vuurwerk

Consumentenvuurwerk gebruik (aanwijzing)

Dieren

Loslopende honden (aanwijzing)

Verontreiniging door honden

Huishoudelijk afval

Verbod inzameling & aanbieden huishoudelijk afval

Jeugd

Aanpak jeugdoverlast

Algemeen

Toezicht op basis van data

Sociale veiligheid

Toezicht op sociale veiligheid

 

In onderstaande figuur wordt de relatie tussen de risico’s, prioriteiten, doelstellingen en de top- 10 weergegeven:

 

 

Op alle prioriteiten in de top-10 zijn doelstellingen benoemd. Aan deze doelstellingen wordt gewerkt in 2019. De algemene en kwaliteitsdoelstellingen gelden voor een periode van 4 jaar.

 

5.Probleemanalyse

 

5.1Beschrijving van de stad

Amersfoort is een stad en gemeente in het oosten van de Nederlandse provincie Utrecht. De gemeente telt 155.614 inwoners. Het is in bevolkingsaantal de tweede stad van de provincie Utrecht en de vijftiende van Nederland. Amersfoort is een groeistad en vervult economisch een regiofunctie met een sterk gegroeid bedrijfsleven, heeft een van de grootste spoorwegknooppunten van Nederland. Amersfoort ligt op een vlakke plaats in

de vallei van de Eem aan de meest noordoostelijke rand van de Utrechtse Heuvelrug en ten zuiden van het hoger gelegen gebied Hoogland. De stad heeft een middeleeuwse kern met grachten en wallen.

 

Vanaf 1870 breidde de stad zich sterk uit door de komst van de spoorwegen en een aantal kazernes. In 1980 kreeg de stad Groeistad-status, mede waardoor enkele omliggende gemeenten geheel of gedeeltelijk werden geannexeerd. Zoals Hoogland, Leusden (deels), Stoutenburg Noord, Nijkerk (deels), Hoevelaken (deels) en Bunschoten (deels). Er kwamen grote nieuwe woonwijken, zoals Vathorst en Schothorst-Noord, beiden met een eigen station en Zielhorst, Kattenbroek en Nieuwland. Deze versterkten in niet geringe mate de centrumfunctie van de oude stad, waar veel winkels en horeca zijn. Er kwamen ook aanzienlijke bedrijfs- en kantoorterreinen. De aanleg van de A28 (Utrecht-Zwolle) oostelijk van Amersfoort betekende een verdere impuls voor de groei. Waar de A28 de A1 snijdt, ontstond het Knooppunt Hoevelaken. In 2019 is in Amersfoort- Noord, Vathorst, sprake van grootschalige bouwactiviteit. Ook in het gebied ten noordoosten van NS-station Amersfoort, het Eemkwartier, worden ongeveer 750 woningen gebouwd. In het gebied rondom de Hogeweg in het oosten van de stad verrijzen maximaal 870 woningen. Amersfoort zal voorlopig nog blijven groeien, hoewel Amersfoort de grenzen van zijn uitbreidingsmogelijkheden bijna heeft bereikt.

Inbreiding heeft dan ook aandacht.

 

In 2006 won Amersfoort de titel 'Groenste Stad van Nederland'. De stad dankt haar titel aan het beleid dat Amersfoort voert om haar natuur te behouden. Amersfoort kent vele stadsparken. Het grootste park is Park Schothorst, dat ten noorden van het centrum ligt. Het park is rijk aan vele soorten natuur. Ook het iets kleinere Park Randenbroek ten zuiden van het centrum kent vele soorten natuur. In Amersfoort zijn twee grondwaterbeschermingsgebieden.

 

Amersfoort heeft één groter theater, de Flint, tevens congrescentrum, enkele kleinere plus twee bioscoopcentra met meerdere zalen en een poppodium (Fluor). De horeca is sinds de jaren zeventig flink ontwikkeld met de pleinen de Hof en het Lieve Vrouwekerkhof als zwaartepunt. Er zijn een aantal jaarlijks terugkerende muziek- en theaterfestivals, zoals Dias Latinos, een Jazz- en bluesfestival en Into the woods.

Daarnaast vindt Proef Amersfoort (vanaf 1996), een culinair evenement, elk jaar plaats op de Hof. Ook het Eemplein en de Prodentfabriek zijn uitgaanscentra, met onder meer een (Pathé)bioscoop (8 zalen), muziekschool, bibliotheek en horecagelegenheden.

Amersfoort is een belangrijk spoorwegknooppunt, door de centrale ligging en door de kruising van de lijnen Amsterdam-Deventer en Zwolle-Utrecht. In 1904 werd de Wagenwerkplaats geopend, waar goederenwagons werden hersteld. De werkplaats is tot 2000 in gebruik geweest. Het spoorwegemplacement ter plaatse is nog altijd een van de grootste in Nederland. Nabij het station ligt het redelijk nieuwe opstelterrein voor reizigerstreinen Bokkeduinen. De oude opstelsporen worden gebruikt voor goederenvervoer, zodat de beide vervoersstromen gescheiden kunnen blijven.

 

Amersfoort is een regiegemeente. Dit houdt in dat de gemeente de regie houdt en de uitvoering wordt belegd bij organisaties die hiervoor zijn opgericht. Voor Vergunningverlening, Toezicht en handhaving is dit terug te zien in het feit dat alle VTH taken voor milieu bij de RUD Utrecht zijn ondergebracht. Dit betreft Wet milieubeheer en Wet bodembeschermingstaken.

 

5.2Bouwen

De aandacht voor het aspect bouwen is in Amersfoort uitdagend en breed. In de historische binnenstad vergen de gemeentelijke en rijksmonumenten aandacht. Inpassing van de horeca is een mooie uitdaging. Herontwikkeling van kantoorlocaties en gedateerde bedrijfsterreinen is een ander vlak waar aandacht naar uitgaat.

Transformatie van kantoren naar wonen en transformatie van industrie naar evenementenlocaties en gemengde functies zoals winkels en wonen komt ook voor. In Amersfoort is zowel aandacht voor seriematige nieuwbouw van woningen, utiliteitsbouw als verbouwing en renovatie van de bestaande woningvoorraad en monumenten.

Asbest

In samenwerking met de RUD Utrecht wordt de vergunningverlening, toezicht en handhaving, de asbesttaken, uitgevoerd. Dit gaat in goed overleg omdat de gemeente voor monumenten en grote, veiligheid gerelateerde sloop de sloopvergunningen verleend en omdat bij gecombineerde aanvragen WABO en sloop een goede samenwerking noodzakelijk is. Daarnaast heeft de gemeente Amersfoort een stimulerende rol bij de saneringsopgave voor 1 januari 2025 van asbestdaken.

 

Het aantal aanvragen voor bouwen en aanverwante Wabo-activiteiten in de afgelopen jaren redelijk stabiel gebleven. Dat geldt ook voor de leges die daaraan gekoppeld zijn.

 

5.3Milieu

De diversiteit van milieuonderwerpen is, net als andere onderwerpen, binnen Amersfoort groot. Er is een grote diversiteit van bedrijvigheid. Er zijn ongeveer 270 grotere bedrijven die onder het basistakenpakket vallen en in 2014 zijn overgedragen aan de

RUD Utrecht. Daarnaast zijn er ongeveer 1500 bedrijven die minder complex zijn, maar wel milieurelevante activiteiten uitvoeren. Deze bedrijven moeten zich melden of moeten een vergunning aanvragen. Ook zijn er ongeveer 1000 bedrijven die wel aan de milieuregels moeten voldoen, maar zodanig beperkt in omvang zijn dat zij geen vergunning hoeven aanvragen of melding hoeven doen.

Het geluidsaspect is ook op verschillende plaatsen een aandachtspunt. Te denken valt aan het weg- en spoorverkeerslawaai, de evenementen, de horeca en de industrie.

Het wateraspect komt tot uiting in lozing van afvalwater op het riool of op het oppervlaktewater door bedrijven, maar ook vanwege de aanleg of onderhoud van bodemenergiesystemen of bemaling ten behoeve van bouwwerkzaamheden.

 

De geluidsklachten zijn zeer divers en meestal niet inrichting gerelateerd. De woningen in Amersfoort liggen relatief dicht bij de snelweg A28 en liggen in de geluidszone van de A28.

 

Amersfoort heeft naast de verplichte basistaken een aantal plustaken bij de RUD Utrecht belegd op het gebied van bodem, de milieutelefoon, externe veiligheid, geluid, bodem en geur.

 

5.4Handhaving openbare ruimte

De handhavingsorganisatie voor de openbare ruimte is de afgelopen jaren verder geprofessionaliseerd. We beschikken over 23 BOA’s die toezicht houden op de openbare ruimte.

Door de verschillende wijken die Amersfoort kent, met ieder zijn eigen vorm van problematiek, zijn de BOA’s ook ingedeeld naar wijk. Elke wijk kent zijn eigen BOA en elke BOA kent zijn eigen wijk. Verder worden de BOA’s ingezet om de veiligheid en de leefbaarheid te garanderen op een keur aan onderwerpen die spelen in de stad. Denk aan toezicht op de sociale veiligheid, jeugd, horeca, honden, afval etc.

 

5.5Beschrijving van de ontwikkelingen in de stad

Bovenop de ontwikkelingen die onder 6 van het VTH beleidsplan zijn benoemd, is er een aantal Amersfoort specifieke ontwikkelingen te benoemen die de komende jaren van invloed zijn op de VTH-werkzaamheden en de keuzes die we daarin als Amersfoort moeten maken.

 

Knooppunt Hoevelaken: A1 en A28

Vanaf 2021 bouwt Rijkswaterstaat het knooppunt Hoevelaken om. De A1 en de A28 krijgen allebei vier rijstroken in beide richtingen. De gemeentelijke toezichthouders krijgen er hierdoor een aanzienlijke klus bij in het toezicht op bouwwerken geen gebouw zijnde.

 

Westelijke ontsluiting

De westelijke ontsluiting van Amersfoort geeft in het ruimtelijk domein uitdagingen aan de gemeente Amersfoort.

 

Toename evenementen

Amersfoort is al lange tijd een evenementenstad. Op dit moment is er een toename in het aantal evenementen en de omvang hiervan. We zien deze toename omdat er een stroom is vanuit andere grote steden zoals Amsterdam en Utrecht. Deze bruisende evenementen kunnen spanningen opleveren voor de leefbaarheid in bepaalde wijken. Ook vraagt deze ontwikkeling meer aandacht van het gemeentelijk toezicht op de veiligheid bij en rondom deze evenementen. Het blijft belangrijk om goed in contact te staan met de organiserende partijen van deze evenementen en er zeker van te zijn dat de organisatie zo professioneel als mogelijk is. Kleine evenementen verdienen aandacht vanwege een relatief hoog aantal kleine overtredingen.

Grotere evenementen verdienen de aandacht omdat overtredingen van normen een grote impact kunnen hebben, ook al zijn deze overtredingen relatief zeldzaam.

 

Horecazaken zonder vergunning

We signaleren de trend dat een toenemend aantal horecazaken van start gaan zonder daarvoor een vergunning te hebben. Landelijke wettelijke ontwikkelingen vereisen dat we nauwkeuriger dan voorheen kijken of het levensgedrag van de aanvrager in overeenstemming is met de voorwaarden waaronder een vergunning voor een horecazaak kan worden verleend.

 

Autoluwe binnenstad

Vanuit de bestuurlijke omgeving is de wens geuit om de binnenstad autoluw te maken. Dit betekent dat het gemeentelijke toezicht hier rekening mee moet houden in haar handhaving.

 

BOA 2020

De verschuiving van het uitvoeren van taken op het gebied van leefbaarheid van de politie naar de gemeentelijke handhaving is een landelijke trend die ook Amersfoort zal raken.

 

Transformaties

We zien een aanzienlijk aantal gebouwen die van ruimtelijke functie veranderen van publieks- of bedrijfsmatige functies naar woningen. Deze transformaties zijn constructief-technisch ingewikkelde situaties waar veel verschillende brandveiligheidsaspecten aandacht vragen van de gemeentelijke toezichthouders.

 

Prioriteiten en de wettelijke verplichting

De wettelijke plichten moeten worden uitgevoerd. Vanwege de beginselplicht tot handhaving is de gemeente Amersfoort door het recht gebonden om handhavingsverzoeken inhoudelijk te behandelen. Binnen de activiteiten die buiten de discretionaire ruimte van de gemeente worden uitgevoerd – die verplicht zijn vanuit het recht – is geen ruimte om te prioriteren. De gemeente is immers gebonden aan het recht. Voor verschillende onderdelen van de vergunningverlening,

het toezicht en de handhaving is in verschillende mate een vrije ruimte aanwezig om prioriteiten binnen te stellen.

 

Geef bij de categorieën die we in beginsel niet handhaven aan dat er per specifiek geval een afweging gemaakt wordt. ‘Het orgaan zal dus na een verzoek om handhaving een afweging moeten maken in het individuele geval, waarbij de belangen van de verzoeker worden betrokken. Bij deze afweging moet het bestuursorgaan bezien of het ondanks de prioritering in dit geval toch moet optreden.’ Je mag dus wel iets laag prioriteren, maar je zult een weging toe moeten voegen of je niet alsnog handhavend op moet treden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bijlage 8: Vergunningenstrategie

 

Eerder in dit beleidsplan hebben we vastgelegd welke doelen we willen bereiken. In de uitvoeringsstrategieën bepalen we hoe we dit gaan doen. In deze bijlage beschrijven we de strategie die we hanteren bij het behandelen van vergunningaanvragen en meldingen. In “bijlage 9 Nalevingsstrategie” worden de strategieën ten aanzien van toezicht en handhaving beschreven.

 

1. Uitgangspunt

Uitgangspunt bij vergunningverlening is dat burgers en bedrijven verantwoordelijk zijn voor het indienen van goede en volledige aanvragen. De aanvraag vormt immers de basis voor de te verlenen vergunning. De gemeente houdt zich bij de taakuitvoering aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.

De gemeente heeft de taak om de verschillende belangen vanuit de verschillende disciplines te coördineren. De komst van de Wabo heeft er toe geleid dat bij het aanvragen van een omgevingsvergunning wordt gewerkt met casemanagement. Bij elke aanvraag wordt een casemanager toegewezen. De klant beschikt hierdoor over één vast aanspreekpunt. Het ‘van het kastje naar de muur sturen’ wordt hierdoor sterk verminderd, evenals het risico dat bij vergunningverlening tegenstrijdige voorschriften worden gesteld. De casemanager krijgt vanuit de betrokken disciplines adviezen aangereikt en ziet toe op het integrale karakter van de omgevingsvergunning.

 

2.1Basiswerkwijze Wabo

Ons hoofdproces voor het besluiten op een vergunningaanvraag en het beoordelen van een melding volgt de wettelijke reguliere of uitgebreide procedure zoals vastgelegd in de Awb en de Wabo. Het wabo-werkproces valt als volgt eenvoudig weer te geven:

  • 1.

    Inboeken, registreren en eventueel digitaliseren van de aanvraag;

  • 2.

    Sturen ontvangstbevestiging;

  • 3.

    Registeren aanvraag in Key2vergunningen/ OVX;

  • 4.

    Casemanager omgevingsvergunning bepaalt:

    • a.

      Bevoegd gezag;

    • b.

      Uitgebreide of reguliere procedure;

    • c.

      Meervoudige of enkelvoudige aanvraag;

    • d.

      Publiceren aanvragen en (concept)beschikkingen;

    • e.

      Overzicht bewaken over lopende procedures.

  • 5.

    De casemanager is verantwoordelijk voor het afhandelen van de aanvraag:

    • a.

      Toets ontvankelijkheid;

    • b.

      (Vak)inhoudelijke toets aan alle relevante beoordelingskaders;

    • c.

      Uitzetten bij interne- en externe adviseurs;

    • d.

      Bewaken van de termijn;

    • e.

      Aanspreekpunt voor de aanvrager en informeren aanvrager;

    • f.

      Opstellen (concept)beschikking;

    • g.

      Doorlopen van Key2vergunningen/OVX.

  • 6.

    Verzenden beschikking

  • 7.

    Publicatie van de beschikking

  • 8.

    Archiveren beschikkingen (analoog en digitaal).

  • 9.

    Mogelijk bezwaar, beroep en hoger beroep, eventueel gecombineerd met een voorlopige

    • a.

      voorziening.

Afhankelijk van de complexiteit van de aanvraag wordt bepaald welke medewerker casemanager is. Senior casemanager of casemanager.

De basiswerkwijze voor het verlenen van een omgevingsvergunning is vastgelegd Key2vergunningen, waarbij de processtappen worden doorlopen en wordt aangegeven wie waarvoor verantwoordelijk is. Het gaat hier om de processtappen op hoofdlijnen. De gemeente specifieke werkwijze en keuzes zijn vastgelegd in werkafspraken en -processen. Voor vergunningverlening bouwen en het toezicht wat daaraan gekoppeld is een uitgebreide beschrijving te vinden in “bijlage 12 Procesbeschrijving Vergunningverlening bouwen” en “bijlage 13 Procesbeschrijving Bouwtoezicht”.

Correspondentie, beschikkingen, adviezen en vergunningvoorschriften zijn gestandaardiseerd voor de toestemmingen die onder de Wabo vallen.

We verrichten een volledige ontvankelijkheidstoets bij alle aanvragen om vergunning. Als richtlijn geldt dat binnen één week na ontvangst van de aanvraag schriftelijk om aanvullende gegevens wordt verzocht. Als de gevraagde stukken niet, niet op tijd of niet volledig worden aangeleverd wordt de aanvraag buiten behandeling gelaten. Dit wil zeggen dat de aanvrager een besluit krijgt waartegen bezwaar kan worden ingediend.

Indien met de verlening van een vergunning het gevaar bestaat dat daarmee strafbare feiten gepleegd zullen worden of dat uit strafbare feiten verkregen geld benut zal worden, wordt door onze gemeente in het voortraject of na ontvangst van de aanvraag een Bibob toets uitgevoerd.

 

2.2Vormen van vergunningverlening

De volgende vormen van vergunningverlening worden onderscheiden:

  • -

    Reguliere procedure (8 weken, eenmalig te verlengen met 6 weken)

  • -

    Uitgebreide procedure (6 maanden, eenmalig te verlengen met 6 weken)

  • -

    Gefaseerde aanvraag (eerste fase en tweede fase (verschillende termijncombinaties mogelijk)

  • -

    Aanvraag van deelactiviteiten (langste termijn van ieder van de deelactiviteiten)

  • -

    Opleggen van maatwerkvoorschriften (milieu) of nadere voorwaarden (brandveilig gebruik).

Aan de initiatiefnemers van vergunde werken die na 2 jaar na het definitief worden van het besluit niet zijn gestart, kan een verzoek tot intrekking worden verstuurd. Daarmee wordt voorkomen dat activiteiten gerealiseerd worden volgens verouderde normen in wetgeving. Het verzoek tot intrekking wordt verstuurd volgens de termijnen zoals deze zijn opgenomen in de Wabo. Aanvragers kunnen ook zelf verzoeken om intrekking. Zij ontvangen na een intrekking op verzoek 75% van de betaalde leges terug wanneer het geheel of gedeeltelijk om een bouw-, sloop-, of aanlegactiviteit betrof.

 

3.1Beoordelingskader bouwen

Voor de activiteiten bouw geldt dat de gemeentelijke toets (de zogenaamde preventieve toets) gekarakteriseerd wordt als een ‘aannemelijkheidstoets’: een vergunning voor de activiteit bouwen wordt alleen verleend als voldoende aannemelijk is dat het bouwplan voldoet aan de technische voorschriften. Hiermee stelt de wetgever duidelijk dat de gemeente bij het toetsen van de bouwaanvraag niet de verantwoordelijkheid overneemt van de vergunninghouder of de bouwpartij.

Aanvragen voor vergunningsplichtige bouwwerken toetsen we achtereenvolgens aan de volgende onderdelen:

  • ontvankelijkheidstoets

  • toetsing aan bestemmingsplan

  • toetsing aan welstandseisen

  • bouwtechnische toetsing (Bouwbesluit 2012)

  • toetsing aan gemeentelijke Bouwverordening (2014)

  • Overige relevante wet- en regelgeving

In het bestemmingsplan worden ruimtelijke beleidskeuzes vertaald naar praktisch toepasbare voorschriften. In de welstandsnota worden door het vastgestelde kader de ruimtelijke uitstraling en kwaliteit van de gemeente waar nodig gewaarborgd. De gemeentelijke bouwverordening bevat alleen nog maar stedenbouwkundige voorschriften (vangnet), voorschriften inzake tegengaan van bouwen op verontreinigde grond en procedurele welstandsvoorschriften.

 

3.1.1Toetsing aan welstandseisen

Indien een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen aan het bestemmingsplan voldoet, of duidelijk is dat de omgevingsvergunning voor het planologisch strijdig gebruik kan worden verleend, wordt het plan getoetst aan redelijke eisen van welstand. Welstand is ook een belang dat al wordt meegenomen in de ruimtelijke afweging. Concreet houdt dit in dat het bouwplan moet voldoen aan de criteria die zijn opgenomen in de Welstandsnota. In Amersfoort zijn een beperkt aantal gebieden aangewezen als welstandsvrij en loopt er een pilot welstandsvrij over meerdere kleine gebieden verdeeld over de stad.

Om de redelijke eisen van welstand te beoordelen, worden bouwplannen voorgelegd aan de Stadsbouwmeester. Plannen die vallen binnen rijksbeschermde of gemeentelijke stadsgezichten, of die anderszins een waarde bevatten die de gemeente wil beschermen, worden voorgelegd aan de subcommissie Erfgoed. Wanneer een grotere groep de plannen

 

moet beoordelen omdat er sprake is van een grote ruimtelijke ontwikkeling of het beoordelen van een beleidsnota, dan komt de commissie Ruimtelijke Kwaliteit samen.

 

3.1.2Bouwtechnische toetsing

Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om aannemelijk te maken dat het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit. De toetsing aan het Bouwbesluit is een onderwerp waarover een expliciete bestuurlijke keuze is gemaakt. Het is praktisch onmogelijk om alle geldende technische voorschriften even uitputtend te toetsen en te handhaven. Dat is uit het oogpunt van maatschappelijke risico’s en maatschappelijke kosten ook niet nodig.

In het Bouwbesluit zijn voorschriften gegeven voor het bouwen van woningen en woongebouwen, woonwagens en standplaatsen, niet tot bewoning bestemde gebouwen en voor bouwwerken geen gebouwen zijnde. Het bouwbesluit maakt vervolgens onderscheid tussen twaalf verschillende gebruiksfuncties. De voorschriften voor de verschillende bouwwerken zijn verdeeld in vier thema’s, te weten: veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en energiezuinigheid. De voorschriften kunnen wat betreft zwaarte per gebruiksfunctie verschillen. Bovendien hanteert het Bouwbesluit verschillende niveaus met betrekking tot deze voorschriften. Bij verandering van zowel het gebruik als de technische staat van een bouwwerk zijn de voorschriften voor nieuwbouw uitgangspunt. Indien sprake is van een ondergeschikte verbouwing kan vrijstelling voor een lager niveau worden gegeven met als ondergrens het bestaande niveau als beschreven in het Bouwbesluit.

 

Aan de hand van de vier thema’s is een aantal aspecten benoemd waarop toetsing door de gemeente Amersfoort plaatsvindt, te weten:

1. Veiligheid: voorschriften die uit het oogpunt van veiligheid zijn gesteld hebben betrekking op:

  • constructieve veiligheid

  • gebruiksveiligheid,

  • brandveiligheid en

  • sociale veiligheid

 

2. Gezondheid: voorschriften op het gebied van gezondheid richten zich op bescherming tegen:

  • geluid

  • vocht

  • waterafvoer

  • ventilatie

  • beperking invloed schadelijke stoffen / dieren

  • watervoorziening

  • daglicht

 

3. Bruikbaarheid: voorschriften die vanwege bruikbaarheid worden gesteld houden verband met

  • toegankelijkheid

  • ruimten

  • opstelplaatsen

 

4. Energiezuinigheid: voorschriften op het gebied van energiezuinigheid richten zich op het terugdringen van het gebruik van gas en elektriciteit en houden, in zijn algemeenheid, verband met:

  • energiezuinigheid (beoordelen EPC-berekeningen)

  • MPG (Milieu Prestatie Gebouwen)

 

Voor de toetsing aan het bouwbesluit van iedere aanvraag met een bouwactiviteit maken we gebruik van het bouwtoetsingsprotocol. Deze werkt met vier niveaus van toetsing. Per type bouwwerk is afhankelijk van het risico bepaald op welk niveau ieder van de aspecten getoetst wordt. Het bouwtoetsingsprotocol is opgenomen als een bijlage bij dit beleid.

Zie voor de definities van de toetsingsniveaus voorschriften bouwbesluit bijlage 7 “bouwtoetsingsprotocol”.

 

3.2Beoordelingskader slopen

Voor slopen geldt bij karakteristieke objecten (volgens het bestemmingsplan) een vergunningsplicht.

Voor overige objecten geldt een meldingsplicht, die bestaat uit de volgende stappen:

 

  • ontvangst en registratie van de sloopmelding

  • toetsing op volledigheid van gegevens en bescheiden 1

  • beoordeling relevante wet- en regelgeving,

  • de melder een bevestiging van acceptatie sturen

 

3.3Beoordelingskader brandveiligheid

Het toetsen van aanvragen omgevingsvergunning voor gebouwen in relatie tot brandveiligheid geschiedt desgevraagd door de Veiligheidsregio Utrecht op basis van de Dienstverleningsovereenkomst Risicobeheersing (pluspakket). Aan de hand van een BRIStoets wordt beoordeeld of aanvragen in overeenstemming zijn met de Landelijke toetsmatrix Bouwbesluit 2012, Scoop C Brandveiligheid.

De door de Veiligheidsregio opgestelde toetsingsrapportage wordt aan de gemeente voorgelegd.

Meldingen brandveilig gebruik worden doorgestuurd naar de VRU en daar afgehandeld. Ook het toezicht op brandveilig gebruik wordt de VRU uitgevoerd.

Vergunningen brandveilig gebruik worden doorgestuurd naar de VRU en wordt de vergunningaanvraag verder afgehandeld door de gemeente.

 

3.4Beoordelingskader monumenten

De omgevingsvergunning voor monumenten (wijziging) vergt bijzondere aandacht om te voorkomen dat onomkeerbare schade wordt toegebracht aan gemeentelijk cultuurhistorisch erfgoed. Naast de gebruikelijke beoordeling van de aanvraag via de subcommissie Erfgoed ligt het voor de hand dat bij de toetsing van aanvragen voor een vergunningen voor monumenten wordt aangesloten bij de toetsingsstrategie voor omgevingsvergunningen activiteit bouwen. Immers, voor het merendeel van de veranderingen aan een monument is ook een omgevingsvergunning bouwen vereist. Door de intensiteit van toetsing en toezicht te vergroten als het een monument betreft kan een afdoende waarborg tegen vernietiging van monumentale waarden worden verkregen.

Belangrijkste toetsingskader is de “Cultuurhistorische analyse beschermd stadsgezicht binnenstad Amersfoort” waarin het gros van de Amersfoortse monumenten gelegen zijn.

In de binnenstad en Rijksbeschermde stadsgezichten staan de eisen waar aan getoetst in de cultuurhistorische analyse en in “bestemmingsplan de Berg”. Dit is ziet toe op de bescherming van een gebied.

Voor specifieke monumenten geldt een redengevende omschrijving per monument. Hierion staat waarom iets monument is en welke waarde beschermd moet worden. Alle Rijksmonumenten staan ook op monumentenregister.nl

Vanuit de erfgoedverordening kan een bouwhistorisch onderzoek worden geëist. Als gemeente onderzoeken we eerst of dat wel een adequaat middel is.

 

3.5Beoordelingskader milieu

Voor de activiteit milieu is het bedrijf primair verantwoordelijk voor een milieuverantwoorde bedrijfsvoering, binnen de kaders die hiervoor door de overheid zijn gesteld. De werkzaamheden rondom vergunningverlening milieu hebben betrekking op het beoordelen van aanvragen ingevolge de Wabo voor activiteiten die van invloed zijn op het milieu en het beoordelen van meldingen ingevolge het Activiteitenbesluit.

Anders dan bij bouwen zijn voor milieu geen vaststaande methodieken voor het uitvoeren van een beoordeling. Dit komt omdat de milieutoets betrekking heeft op een grote variëteit aan bedrijfsactiviteiten, waarbij ook de locatie van de bedrijvigheid een belangrijke rol speelt. Voor een bedrijf dat is gevestigd op een industrieterrein worden doorgaans andere milieueisen gesteld dan aan een bedrijf dat is gevestigd in een woonwijk. Daarnaast kenmerkt de milieuregelgeving zich door een grote mate van beoordelingsvrijheid en een enorme hoeveelheid (pseudo-)wetgeving. Veel normen staan niet per definitie vast, maar moeten afhankelijk van locatie en bedrijvigheid door het bevoegde gezag worden bepaald in op maat gemaakte voorschriften. Om de transparantie en uniformiteit in de behandeling zo goed mogelijk te waarborgen, zijn in protocollen afspraken vastgelegd over de uitvoering van de beoordeling. Vanwege het verschil in werkwijze gelden voor het behandelen van vergunningaanvragen en meldingen afzonderlijke beoordelingskaders.

De RUD toetst voor de gemeenten op basis van het volgende beoordelingskader de aanvragen voor een vergunning milieu:

  • -

    Actuele milieuwet- en regelgeving, inclusief verordeningen (zoals geurverordening);

  • -

    Standaarden: Er wordt gewerkt met standaarden voor bijvoorbeeld vergunningvoorschriften, consideransen, brieven en overige documenten;

  • -

    Aandachtspunten besluitvorming: In de besluitvorming wordt deugdelijk gemotiveerd op welke wijze invulling is gegeven aan de beoordelingsvrijheid. Ook wordt gemotiveerd op welke wijze eventueel ingebrachte adviezen en/of bedenkingen bij de beschikking zijn betrokken;

  • -

    Aanpassen vergunning: De gemeente heeft de bevoegdheid en soms ook de plicht om vergunningen te actualiseren, te reviseren (integraal te herzien) en in te trekken. Het beoordelingskader voor meldingsplichtige activiteiten bestaat uit het Activiteitenbesluit met eventueel een Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets. het Besluit lozen buiten inrichtingen of het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval.

De gemeente Amersfoort streeft ernaar om in deze beleidsperiode te beschikken over objectieve criteria waaraan vergunningen en meldingen kunnen worden getoetst. De RUD Utrecht draagt er zorg voor dat deze objectieve criteria in afstemming met de andere RUD Utrecht partners worden opgesteld, waardoor uniformiteit binnen het werkgebied van de RUD Utrecht is gewaarborgd.

 

3.6Beoordelingskader APV

Voor het realiseren van activiteiten die als wettelijke basis in de APV zijn geregeld, vindt toetsing primair plaats op basis van de bepalingen in de APV. Naast deze publiekrechtelijke toetsing, vinden vaak ook privaatrechtelijke afspraken plaats als de activiteiten plaatsvinden op publieke gronden (bijvoorbeeld bij de aanleg van inritten). Afstemming vindt plaats met de wegbeheerders. Binnen onze gemeente zijn dit de gemeente zelf, het hoogheemraadschap of de provincie.

Voor een aantal veelvoorkomende activiteiten die in de APV zijn geregeld staat hieronder het beoordelingskader beschreven.

 

3.7Beoordelingskader kappen

Van kappen kan sprake zijn als een boom of houtopstand geveld wordt of als er zeer drastisch wordt gesnoeid, bijvoorbeeld het verwijderen van de kroon uit een boom. In de APV is opgenomen dat het verboden is om zonder kapvergunning bomen te vellen.

Een aanvraag wordt getoetst aan de indieningsvereisten (eigenaar perceel, vragen beantwoord, foto, situatietekening).

De wijkbeheerder beoordeelt de boom technisch. Wat is de kwaliteit van de boom.

Afhankelijke van de beoordeling van de wijkbeheerder en de casemanager wordt een aanvraag besproken in het kapvergunningenoverleg. In dat overleg beoordeelt RO, een landschapsarchitect en de een ecoloog de aanvraag. Een aanvullende flora- en faunatoets kan worden verlangd. Vervolgens kan een vergunning worden verleend. Het toetsingskader wordt gevormd door de bomenleidraad, vastgesteld door de gemeenteraad. Daarnaast kennen we de monumentale bomenlijst waar bomen op staan die in beginsel niet gekapt mogen worden.

 

3.8Beoordelingskader aanleg

Voor de beoordeling van aanvragen voor de activiteit ‘aanleg’ wordt 100% getoetst aan de bepalingen in het bestemmingsplan.

 

3.9Beoordelingskader reclame

De beoordeling van aanvragen voor de activiteit reclame worden getoetst aan de welstandsnota en ter advisering voorgelegd aan de stadsbouwmeester.

 

3.10Beoordelingskader inrit

In de APV staat opgenomen dat je niet zonder melding een inrit mag realiseren. Eerst vindt er een volledigheidstoets plaats (gegevens aanvrager en tekening). Sommige aanvragen worden voor advies uitgezet aan de afdeling verkeer en mogelijk naar de afdeling Leefomgeving voor het doorkruisen van groen. Vervolgens ingestemd worden met de melding op basis van voorwaarden (gemeente legt aan, geen draaiende delen naar buiten). Er volgt nog een kostenberekening van de werkzaamheden voor het gedeelte van de inrit die in de openbare ruimte aangelegd wordt.

 

3.11Beoordelingskader rioolaansluiting

Er geldt in beginsel een verplichting voor ieder perceel om aangesloten te zijn op het riool. Hier moet een vergunning voor aan worden gevraagd. De aanvraag wordt getoetst op de aanwezige gegevens. Deze gegevens zijn nodig om de vergunning op te maken en een kostenplaatje te maken van het aansluiten op het riool. Voorwaarde bij het verlenen van de vergunningen is dat ze de kosten voor het aansluiten van het riool voldoen.

Bij de vergunning wordt verwezen naar de wet- en regelgeving van het gebruik van aansluiting (denk aan het niet afvoeren dierlijke vetten bijvoorbeeld dierlijke vetten).

 

3.12Beoordelingskader evenementen

Aanvragen voor evenementen worden getoetst aan het evenementenbeleid en het vigerende geluidbeleid. Indien evenementen plaatsvinden in tijdelijke bouwwerken, vindt de toetsing plaats aan het bouwbesluit volgens de niveaus in het bouwtoetsingsprotocol.

 

3.13Beoordelingskader bodem, bouwstoffen en grondstromen

De provincie Utrecht is binnen onze gemeente bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming. Wel is de gemeente verantwoordelijk voor het beoordelen van meldingen voor het (opnieuw) toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie. Op basis van de DVO worden deze meldingen door de RUD getoetst aan de eisen van de regionale bodembeheersnota en bodemkwaliteitskaart Besluit Bodemkwaliteit.

De kwaliteit van de bodem speelt een rol bij onder meer bouwplannen, herinrichting van stadsdelen, civieltechnische werken en het verlenen van milieuvergunningen. Bij deze activiteiten zijn diverse partijen betrokken. Al deze partijen (andere afdelingen binnen een gemeente maar ook aannemers, makelaars, projectontwikkelaars, etc.) hebben behoefte aan duidelijke regels voor het omgaan met de bodemkwaliteit en het toepassen van partijen grond en baggerspecie. Tevens willen de gemeenten hun bodemkwaliteit duurzaam beheren. Dat betekent onder meer dat hergebruik van vrijkomende grond efficiënt en verantwoord moet plaatsvinden. Het bodembeleid zoals beschreven in de beheersnota maakt het mogelijk om vrijkomende grond zoveel mogelijk in de regio te

 

hergebruiken. Zowel de interne gemeentelijke uitvoeringsorganisatie als externe partijen hebben hier profijt van.

 

3.14Beoordelingskader natuurbescherming en flora en fauna

Indien een aanvraag voor een omgevingsvergunning de activiteit handelen in een natuurbeschermingsgebied bevat, of de activiteit kan nadelige gevolgen ondervinden voor de aanwezige flora en faunawet, dan wordt door onze gemeente een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) in het kader van de Wabo aangevraagd bij respectievelijk de provincie en IL&T.

De inhoudelijke toetsing ten aanzien van natuurbescherming en/of flora en fauna vindt plaats door deze overheden. We nemen de resultaten van deze toetsing (verklaring van geen bedenkingen) over in onze beschikking.

 

3.15Beoordelingskader ruimtelijke ordening

Afwijking- en ontheffingsbeleid

Alle plannen worden getoetst aan het bestemmingsplan. Bij gebleken strijd met het bestemmingsplan wordt eerst de ruimtelijke procedure bepaald. Hierbij bestaan drie mogelijkheden:

 

  • -

    Binnenplanse afwijking (criteria opgenomen in het bestemmingsplan) – Reguliere procedure

  • -

    Buitenplanse afwijking (kruimellijst opgenomen in het Bor) – Reguliere procedure

  • -

    Wabo-Projectbesluit (alle overige plannen) – Uitgebreide procedure

Vervolgens wordt beoordeeld of het plan voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en of het wenselijk is om aan het initiatief mee te werken. Voor de reguliere buitenplanse afwijking is op 14 december 2010 het Beleid voor het afwijken van het bestemmingsplan (Afwijkingenbeleid) vastgesteld. Dit betreft met name veel voorkomende kleine bouwwerken, zoals bijbehorende bouwwerken, dakopbouwen en erfafscheidingen. De andere mogelijkheden die de kruimelgevallenlijst biedt, zoals gebruikswijzigingen, aanpassingen aan het openbaar gebied en tijdelijke afwijkingen zijn zeer diffuus en casuïstisch. Hiervoor is dan ook geen beleid geformuleerd. De beoordeling van deze aanvragen betreft maatwerk.

 

Als een plan niet voldoet aan het Afwijkingenbeleid of daarin niet is beschreven, wordt in het Bouw en Gebruikers Overleg (BGO) beoordeeld of het plan voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Hier wordt ter plekke een beoordeling en afweging gemaakt door de specialisten van de relevante disciplines, die vervolgens in de onderbouwing bij de beschikking wordt verwerkt. De plannen die een Wabo-Projectbesluit moeten volgen en een aantal plannen met veel impact op de omgeving (toevoegen van woningen, gebruikswijzigingen van meer dan 1500 m2 en tijdelijke afwijkingen) worden vervolgens beoordeeld in de Haalbaarheidstoets.

 

3.16Samenwerking bij de vergunningverlening

Afhankelijk van de aangevraagde activiteit vindt samenwerking plaats met diverse interne en externe adviseurs

 

Per gebiedsteam hebben de casemanagers een Casemanagersoverleg waarin de werkvoorraad wordt besproken. In het Bouw- en GebruiksOverleg (BGO) vindt afstemming plaats over aanvragen die niet binnen het bestemmingsplan passen.

Voor de kwaliteit van de specialistische bouwplantoetsing v.w.b. bouwakoestiek kunnen de casemanagers uitzetten bij de afdeling Woon- en werkklimaat of naar specialistisch bureau Metz. Toetsing van de brandveiligheidsaspecten vindt plaats door de Veiligheidsregio Utrecht. Voor sommige activiteiten wordt advies gevraagd aan het waterschap.

Aanvragen voor monumenten worden, naast de gebruikelijke beoordeling voor slopen/bouwen, getoetst door de Stadsbouwmeester.

 

3.17Strategieën aanverwant beleid

Naast de beleidsstrategie voor het vergunnings- en toezichtstraject zijn er ook aanverwante beleidsdocumenten waarin strategieën zijn opgenomen. Dit zijn beleidsdocumenten die in het kader van VTH ook van belang zijn en vormen samen met de strategieën in dit VTH-beleidsplan het strategische kader voor het Omgevingsrecht.

 

3.18Strategie intrekken Omgevingsvergunning

De Wabo geeft de mogelijkheid om omgevingsvergunningen waarvan geen of niet langer gebruik wordt gemaakt, in te trekken. De gemeente Amersfoort heeft een beleidsregel vastgesteld waarin wordt omschreven hoe de gemeente van deze intrekkingsbevoegdheid maakt inzake bouwen. Samengevat houdt deze regeling in dat vergunningen waar binnen 104 weken geen start is gemaakt met de werkzaamheden kunnen worden introkken tenzij er zwaarwegende omstandigheden zijn om dit eerder te doen. Bij het stilleggen van de werkzaamheden kan een vergunning na 26 weken worden ingetrokken. De volledige strategie voor het intrekken van Omgevingsvergunningen is weergegeven in de ‘Beleidsregel intrekken Omgevingsvergunning, 2012’.

Bijlage 9: Nalevingsstrategie

 

1.Inleiding

De nalevingsstrategie is het verzamelbegrip dat voortvloeit uit de samenvoeging van de volgende beleidsstrategieën:

  • Preventiestrategie;

  • Toezichtstrategie;

  • Handhavingsstrategie;

  • Gedoogstrategie.

 

Deze beleidsstrategieën worden allemaal uitgewerkt op basis van de visie en prioriteiten uit dit beleidsplan.

2.Preventiestrategie

De preventiestrategie beschrijft welke middelen wij inzetten om overtredingen van wet- en regelgeving te voorkomen. Hierbij speelt communicatie een cruciale rol. In de preventiestrategie wordt ingegaan op de in te zetten communicatiemiddelen. En op de wijze van informatievoorziening aan de samenleving over de uit te voeren VTH-taken. De preventiestrategie is een belangrijk onderdeel van het hele handhavingsproces, want als overtredingen kunnen worden voorkomen dan heeft dit de voorkeur boven het inzetten van toezicht en handhaving. ‘Preventie’ is dan ook onderdeel van de visie.

 

Preventie is vaak niet (alleen) een taak van de afdeling VTH. VTH is vooral uitvoerend en dus weinig beleidsrijk. Bij verandering in wet- en regelgeving of bij een veranderende werkwijze, is het dan ook vaak een andere afdeling die aan zet is om preventie vorm te geven. In de komende beleidsperiode is de verplichte verwijdering van asbestdaken hier een goed voorbeeld van. Vanaf 1 januari 2024 zijn asbestdaken verboden. Vanaf dat moment zullen we hier ook op toezien en handhaven. Tot die tijd zal er een projectgroep, getrokken vanuit een andere afdeling, aan de slag gaan om mensen er zoveel mogelijk toe te bewegen om asbestdaken te verwijderen. VTH levert daar een bijdrage aan.

 

Communicatie

Goede communicatie over de visie, het beleid, de uitvoering en de organisatie van de VTH- taken draagt bij aan draagvlak binnen de samenleving. Dit beleidsplan, de bekendmaking en natuurlijk een transparante uitvoering ervan, zorgen ervoor dat de samenleving kennis kan nemen van hoe wordt omgegaan met de VTH-taken. Transparantie en duidelijkheid over de invulling en uitvoering van de VTH-taken leiden uiteindelijk tot een verbetering van de effecten van de geleverde inspanningen en daarmee een beter naleefgedrag.

 

Communicatie en handhaving

Communicatie versterkt, naast en voorafgaand aan de daadwerkelijke handhaving, de uitwerking van handhavingsacties. Als de uitwerking zichtbaar wordt gemaakt, heeft een uitgevoerde controle niet alleen een positieve invloed op het naleefgedrag van de gecontroleerde, maar ook op die van de niet-gecontroleerde. Gebeurt het zichtbaar maken niet (voldoende), dan gaat de effectversterkende werking hiervan snel verloren.

 

In het uitvoeringsprogramma wordt uitgewerkt op welke wijze en op welke onderdelen wij actief communiceren over onze toezicht- en handhavingstaken. Dat kan verschillen per beleidsterrein (Wabo, Dank- en Horecawet, APV etc.).

 

Communicatiemiddelen

De in te zetten communicatiemiddelen zijn onder te verdelen in:

  • Persoonlijke en centrale communicatie.

  • Toezichthouders en handhavers zijn vaak in gesprek met burgers en bedrijven om de regels duidelijk te maken. Elke melding of klacht Openbare Ruimte krijgt opvolging waardoor we in gesprek blijven met de samenleving.

  • Gedrukte media, zoals folders, dag- en weekbladen, brieven, brochures en flyers. Elke week worden de aanvragen en besluiten gepubliceerd in ‘De Stad Amersfoort’ en op de website. De brieven die we in het kader van VTH sturen verbeteren we continu om de leesbaarheid en duidelijkheid te vergroten.

  • Elektronische/sociale media, zoals de website, e-mail, Twitter, Facebook etc. Meldingen kunnen bij de gemeente Amersfoort op verschillende manieren worden gedaan: amersfoort.nl, twitter, facebook, telefonisch en apps. Specifiek voor VTH is er informatie beschikbaar via amersfoort.nl. We werken continu aan verbetering van die informatie. Zo willen we onderzoeken of een handhavingaccount op Instagram een waardevolle aanvulling kan zijn.

Situaties

Afhankelijk van de situatie wordt bepaald welk communicatiemiddel wordt ingezet. Hierbij is het van belang de volgende vragen te beantwoorden:

  • Over welke doelgroep(en) hebben we het? Wie willen we bereiken?

  • Hoe staat de doelgroep tegenover het onderwerp?

  • Met welk communicatiemiddel is deze doelgroep het beste te bereiken?

  • Hoe effectief en efficiënt wordt de doelgroep met dat middel bereikt en wat is de meerwaarde van het gekozen middel?

  • In hoeverre is er over het betreffende onderwerp al eens gecommuniceerd en welk resultaat heeft dit gehad?

Voorbeeld: gebiedsgerichte controle

Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de aankondiging van een grote gebiedsgerichte controle op een bepaald(e) handhavingsthema/-taak. Of de aankondiging van de start van een bepaald project. Maar ook het gericht verspreiden van flyers (in een bepaalde wijk) met informatie over een VTH-taak waarvan vanuit data duidelijk is geworden dat de taak (in een bepaalde wijk) extra aandacht behoeft.

 

Voorwaarden voor succesvolle communicatie

Communicatie staat niet op zichzelf. Communicatie als handhavingsinstrument is pas succesvol als in ieder geval aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • De visie, het beleid, de uitvoering en de organisatie van de VTH-taken moeten helder en duidelijk zijn en bekend zijn (gemaakt).

  • Verleende vergunningen/meldingen, vrijstellingen/ontheffingen, bestemmingsplanvoorschriften, beleid etc. moeten uitvoerbaar en handhaafbaar zijn.

  • De VTH-taken moeten transparant en consequent worden uitgevoerd. Uitzonderingen worden slechts in bijzondere gevallen gemaakt. Van belang voor een succesvolle uitvoering van de VTH-taken, is dat de gehele gemeentelijke organisatie (bestuurlijk en ambtelijk) en haar samenwerkingspartners transparant werken.

  • Interne- en externe communicatiemiddelen over VTH-taken dienen zo goed mogelijk beschikbaar te zijn voor de betrokken medewerkers. Bijvoorbeeld door het ter beschikking stellen van de juiste middelen hiervoor (smartphone’s, tablets etc.), het geven van trainingen, opleidingen en cursussen over het gebruik van communicatiemiddelen en het investeren in het verbeteren van de communicatieve vaardigheden van de betrokken medewerkers. Ook trainingen in mediation of omgaan met agressie voor betrokken medewerkers dragen hier aan bij;

  • Het bestuur en de ambtelijke organisatie dienen gericht te zijn op het kwalitatief goed functioneren van de communicatie binnen en buiten de organisatie in al haar facetten.

 

3.Toezichtstrategie

Toezicht houden op de naleving van wettelijke voorschriften is en blijft onze kerntaak. Dit draagt bij aan de naleving van wettelijke voorschriften en het beperken van risico’s op het niet naleven van de wettelijke voorschriften. Ook van het feitelijk toezicht houden gaat een preventieve werking uit (zichtbaar, dichtbij en aanspreekbaar).

De toezichtstrategie beschrijft op welke wijze wij invulling geven aan onze toezichtstaak. En met welke intensiteit het toezicht binnen deze thema’s en taken wordt uitgevoerd.

 

Onder toezicht wordt verstaan: “Het preventief en repressief controleren of, en in hoeverre, wet- en regelgeving wordt nageleefd”.

 

Hoofdvormen

We onderscheiden twee hoofdvormen van toezicht:

  • 1.

    Preventief toezicht

  • 2.

    Repressief toezicht

Deze twee hoofdvormen van toezicht zijn houden we op diverse typen wet- en regelgeving. We onderscheiden hier vier categorieën:

  • 1.

    Wabo (bouwen, slopen, monumenten, bestemmingsplan, brandveiligheid, aanleggen, milieu, kappen, inrit, reclame)

  • 2.

    Drank- en Horecawet, Horeca (APV), Wet op de kansspelen en Coffeeshops

  • 3.

    Evenementen

  • 4.

    APV + overig (voor zover niet in 1 t/m 3)

Binnen elke vorm van toezicht geven we aan hoe het toezicht binnen elke van deze 4 categorieën is vormgegeven.

 

3.1Preventief toezicht

Onder preventief toezicht wordt verstaan: het toezicht dat structureel en continu wordt uitgevoerd om naleving van wet- en regelgeving vast te stellen en/of mogelijke overtredingen in beeld te krijgen, zonder dat hiertoe een directe aanleiding is.

 

Capaciteit

Het preventieve toezicht vindt programmatisch plaats. Dit betekent dat hiervoor capaciteit wordt opgenomen in het uitvoeringsprogramma, waarin het toezicht wordt ingepland en waarin de benodigde capaciteit hiervoor wordt bepaald.

 

Het preventieve toezicht kan hierbij worden onderverdeeld in twee verschillende vormen, namelijk:

  • -

    Vergunning- en meldinggebonden toezicht;

  • -

    Niet-vergunning/-meldinggebonden toezicht.

3.1.1Vergunning- en meldinggebonden toezicht

Dit type toezicht vindt plaats tijdens de realisatiefase, de gebruiksfase of de sloopfase van een project/ inrichting/ activiteit.

Uitgangspunt voor het vergunning-/meldinggebonden toezicht is dat het toezicht altijd programmatisch plaatsvindt. Dit betekent dat het aantal te programmeren controles wordt gebaseerd op het aantal verleende vergunningen/afgegeven meldingen van het afgelopen jaar. De frequentie en intensiteit van de controles wordt bepaald aan de hand van de prioriteit die aan de betreffende taak is toegekend.

 

Wabo

Voor het toezicht tijdens de realisatiefase/ sloopfase van vergunningen uit de Wabo voeren we deze beleidsperiode het integraal Toezichtprotocol (iTP) in. Hierin staat per activiteit en per bouwwerk beschreven hoe vaak en op welke wijze we toezicht houden. Dit protocol is opgesteld op basis van een risicoanalyse.

De mate van toezicht tijdens de gebruiksfase is afhankelijke van de prioriteitstelling.

 

Realisatie- en sloopfase

Gebruiksfase

Laag

iTP

Geen

Midden

iTP

Geen

Hoog

iTP

Geen gestructureerde waarnemingen. Wel onderzoek bij constatering.

Zeer hoog

iTP

Planmatig toezicht

Vergunning-/melding gebonden toezicht Wabo

 

Voor de activiteiten milieu en brandveilig gebruik worden jaarlijks afspraken gemaakt met de RUD Utrecht en de VRU over de bezoekfrequentie van instellingen en inrichtingen. Deze zijn gebaseerd op de risicoanalyse.

 

Drank- en Horecawet, Horeca (APV), Wet op de kansspelen (Wok) en Coffeeshops

Toezicht binnen deze categorie vindt altijd plaats tijdens de gebruiksfase. Ongeacht de prioritering wordt er een jaarplanning gemaakt. Deze is vastgelegd in het uitvoeringsprogramma drank & horeca. De hoge prioriteiten worden hierbij vaker bezocht dan de lage prioriteiten. Bijna zonder uitzondering betreffen dit echter activiteiten met een hoge prioriteit. De jaarplanning voor controles bij coffeeshops wordt gemaakt in

samenwerking met de politie. Gedurende deze beleidsperiode geven we deze jaarplanning structureler vorm.

 

Gebruiksfase

Laag

Toezicht volgensjaarplanning

Midden

Toezicht volgensjaarplanning

Hoog

Toezicht volgensjaarplanning

Zeer hoog

Toezicht volgensjaarplanning

Vergunning-/melding gebonden toezicht Drank- en Horecawet, Horeca (APV), Wet op de kansspelen en Coffeeshops

 

Evenementen

Voor evenementen is het onderscheid tussen realisatiefase en gebruiksfase wel van belang. De mate van toezicht is afhankelijk van de categorisering van het betreffende evenement. Bij een meldingsplichtig evenement is er nauwelijks tot geen toezicht. Bij een B en C evenement worden hulpdiensten uitgenodigd voor een afstemmingsoverleg, is er een schouw vooraf en een evaluatie achteraf. Voor een A evenement worden stukken ter kennisname naar de hulpdiensten gestuurd en is er niet altijd sprake van toezicht. Tot 12 dagen voor het evenement is de vergunningverlener de regievoerder. Hierna is dat de toezichthouder.

 

Realisatie- en sloopfase

Gebruiksfase

Laag

Volgensafspraak

Volgensafspraak

Midden

Volgensafspraak

Volgensafspraak

Hoog

Volgensafspraak

Volgensafspraak

Zeer hoog

Volgensafspraak

Volgensafspraak

Vergunning-/melding gebonden toezicht Evenementen

 

APV

Het overige vergunning/ meldinggebonden toezicht op basis van de APV vindt minder frequent plaats, veelal als onderdeel van gebiedsgericht toezicht. De mate waarin dit per activiteit plaatsvindt staat uitgewerkt in het uitvoeringsprogramma.

 

3.1.2Niet-vergunning-/meldinggebonden toezicht

Het preventieve toezicht op niet-vergunning-/meldinggebonden taken vergt een andere aanpak aangezien het (veelal) vooraf niet duidelijk is waar, wanneer en in welke vorm mogelijke overtredingen zich kunnen voordoen. Het gaat hier om toezicht op vergunningvrije activiteiten en illegale activiteiten (vergunningplichtige activiteiten die uitgevoerd worden zonder de benodigde vergunning).

Het gebruiken van vastgelegde, verzamelde en geanalyseerde data gaat bij het bepalen van de inzet op het preventieve niet-vergunning/meldinggebonden toezicht in de toekomst ook een steeds grotere rol spelen.

 

Preventief niet-vergunning/-meldinggebonden toezicht vindt als volgt plaats:

 

  • 1.

    Programmatisch toezicht

Programmatisch toezicht betekent het op vooraf bepaalde (geplande) wijze en in een vooraf bepaalde frequentie houden van toezicht op taken die in de tijd voortduren.

 

  • 2.

    Gebiedsgericht toezicht

Gebiedsgericht toezicht betekent het binnen vast omgrensde (deel-)gebieden binnen de gemeente Amersfoort in een vooraf bepaalde frequentie houden van toezicht.

In het licht van gebiedsgericht werken is de afdeling VTH recent opnieuw ingericht naar gebied. Zo is er nu een “Team Midden” en een “Team Noord-Zuid”. Binnen deze teams komen meerdere disciplines samen en wordt beter interdisciplinair met elkaar samengewerkt. Zo is er meer sprake van signaaltoezicht voor een ander vakgebied, integrale controles en kennisoverdracht tussen de diverse collega’s.

 

  • 3.

    Projectmatig toezicht

Projectmatig toezicht betekent het houden van toezicht op één of meerdere vooraf bepaalde thema’s/ taken die eenmalig of binnen een kort tijdsbestek plaatsvinden.

 

Wabo

Elke bouwinspecteur heeft zijn eigen wijk binnen de geografisch ingedeelde teams. Zo is er al sprake van een vorm van gebiedsgericht toezicht. Binnen deze vorm van toezicht is er op gebied van de Wabo voornamelijk sprake van projectmatig toezicht naar aanleiding van een landelijke prioriteit of een incident.

 

Drank- en Horecawet, Horeca (APV), Wet op de kansspelen en Coffeeshops

Binnen deze categorie vindt vrijwel uitsluitend vergunning-/ meldinggebonden toezicht plaats. Wel kan het zo zijn dat de wijkboa’s bij gebiedsgerichte controles overtredingen of illegale activiteiten waarnemen.

Ook voeren we toezicht uit op illegale horecabedrijven. Bijvoorbeeld horecabedrijven die zijn gestart zonder vergunning. Op illegaal gokken wordt gecontroleerd, met name gokken via gokzuilen.

Tenslotte kennen we toezicht op het gebruik van alcohol in de openbare ruimte.

 

Evenementen

Ook binnen evenementen vindt uitsluitend vergunning-/ meldinggebonden toezicht plaats. Wel kan het zo zijn dat de wijkboa’s bij gebiedsgerichte controles een evenement constateren dat vergunning- of meldingsplichtig is. Daarnaast houden we preventief digitaal toezicht waarbij we via social media in de gaten houden of er evenementen gaande zijn die meldings- of vergunningsplichtig zijn.

 

APV

De handhavers (BOA’s) zitten ook in de geografische teams. Daarnaast kent elke wijk binnen Amersfoort zijn eigen wijkBOA’s. Er is dus sprake van continu gebiedsgericht toezicht.

Daarnaast vindt er op diverse thema’s programmatisch toezicht plaats en is er regelmatig projectmatig toezicht. Denk aan het toezicht op het gebruik van vuurwerk in december en januari, toezicht op honden, fietsen in voetgangersgebied, het digitaal opkopersregister en illegale prostitutie.

 

3.2Repressief toezicht

Onder repressief toezicht wordt verstaan: toezicht dat plaatsvindt op basis van klachten/meldingen en verzoeken om handhaving, alsmede hercontroles naar aanleiding van opgelegde sancties.

 

3.2.1Klachten/ meldingen

In het kader van dit beleidsplan is slechts sprake van een klacht/melding, als de melding betrekking heeft op één van de VTH-taken, bijvoorbeeld een melding over illegale bouw door de buren of een melding over stankoverlast door een bedrijf.

 

Inkomende klachten/ meldingen

Klachten/meldingen kunnen op verschillende manieren bij ons binnenkomen. Telefonisch, rechtstreeks bij een ambtenaar, via het KCC en/of schriftelijk via een brief of digitaal via de gemeentelijke website, e-mail, facebook, twitter en apps.

 

Beoordeling schriftelijke klachten/ meldingen

Bij de beoordeling van een schriftelijke klacht/ melding wordt eerst vastgesteld of de betreffende klacht/ melding niet moet worden opgevat als een verzoek om handhaving. Er bestaat namelijk een verschil tussen de behandeling en afhandeling van een klacht/melding en een verzoek om handhaving.

 

Onduidelijkheid

Bestaat er onduidelijkheid over de aard van de schriftelijke klacht/melding, dan wordt altijd contact gezocht met de klager/ melder om vastgesteld te krijgen hoe de klacht/ melding dient te worden opgevat en hoe de klacht/ melding vervolgens dient te worden afgehandeld.

 

Telefonische klacht/melding

Een telefonische klacht/ melding en/of een klacht/ melding via de e-mail is nooit een formeel verzoek om handhaving (behalve als het gescande getekende brief betreft). Als blijkt dat de betreffende klacht/ melding geen verzoek om handhaving inhoudt, ontvangt de klager/ melder een (schriftelijke) reactie met daarin aangegeven hoe verder met de klacht/ melding wordt omgegaan.

 

Uitgangspunt: redelijke termijn

Eén van de uitgangspunten voor de afhandeling van klachten/ meldingen is dat deze altijd binnen een redelijke termijn worden behandeld. De klager/ melder krijgt altijd binnen een redelijke termijn uitsluitsel over hoe wij met de klacht/ melding omgaan.

 

Uitgangspunt: onveilige situaties

Verder geldt als uitgangspunt dat klachten/ meldingen over mogelijke onveilige of gevaarlijke situaties altijd direct in behandeling worden genomen. Dit betekent dat degene die de klacht/ melding in behandeling neemt een goede inschatting dient te maken van de aard en de ernst van de situatie waarop de klacht/ melding betrekking heeft.

 

Anonieme klachten/meldingen

Als klachten/ meldingen anoniem worden gedaan, is het lastig voor ons om terug te koppelen aan de klager/melder. Bij anonieme klachten/meldingen wordt daarom onderscheid gemaakt tussen twee categorieën anonieme klachten/meldingen, te weten:

  • 1.

    Anonieme klachten/ meldingen waarbij de klager/ melder bij de gemeente bekend is, maar waarbij de klager/ melder voor degene waarover geklaagd wordt anoniem wil blijven.

  • 2.

    Anonieme klachten/ meldingen waarbij de klager/ melder bij de gemeente onbekend is.

 

Ad. 1 Anonieme klachten/ meldingen waarbij de klager/ melder bij de gemeente bekend is, maar waarbij de klager melder voor degene waarover geklaagd wordt anoniem wil blijven.

Uitgangspunt voor de afhandeling van deze categorie anonieme klachten/meldingen is dat deze op eenzelfde wijze worden behandeld als gewone klachten/ meldingen, waarbij de gewenste anonimiteit van de melder zoveel mogelijk wordt gerespecteerd. Wij kunnen in deze situatie:

  • -

    de gewenste anonimiteit niet garanderen;

  • -

    niet actief naar buiten treden;

  • -

    desgevraagd minimale informatie verstrekken.

Ad. 2 Anonieme klachten/ meldingen waarbij de klager/ melder bij de gemeente onbekend is.

Het uitgangspunt voor deze categorie klachten/ meldingen is dat deze klachten/ meldingen niet in behandeling worden genomen, tenzij er naar inschatting van degene die de klacht/ melding in behandeling neemt mogelijk sprake is van een onveilige of gevaarlijke situatie.

 

Klachtenafhandeling

Het proces van klachtenafhandeling ziet er in zijn algemeenheid als volgt uit:

  • 1.

    De klacht/melding wordt in behandeling genomen door de medewerkers van het klantencontactcentrum (KCC) of komt binnen via een van de andere meldpunten.

  • 2.

    De klacht wordt vervolgens door een toezichthouder in behandeling genomen.

  • 3.

    De toezichthouder ziet ter plekke of en in hoeverre de klacht/melding gegrond is.

  • 4.

    Vervolgens maakt de toezichthouder een controlerapport op en overlegt eventueel uitkomsten hiervan intern met zijn collega en/of zijn leidinggevende.

  • 5.

    Tenslotte wordt de uitkomst van de behandeling van de melding teruggekoppeld aan de klager/melder.

Prioriteit in relatie tot de afhandeling van klachten/ meldingen

 

Bij de afhandeling van alle klachten/ meldingen wordt gekeken naar de prioriteit van de betreffende activiteit. Het is daarom van belang dat bij binnenkomst van de klacht/ melding meteen een goed beeld ontstaat van klacht/ melding en de activiteit waarop de klacht/ melding betrekking heeft, zodat de prioriteit juist kan worden bepaald. In onderstaande tabel staat per domein aangegeven hoe we met klachten en meldingen omgaan uitgesplitst over de diverse prioriteiten.

 

Wabo

D&H,Horeca, Wok, Coffeeshops

Evenementen

APV

Laag

Klager/ melder

laten weten dat er geen actie wordt ondernomen

Contact opnemen met de klager/ melder en inschatten of onderzoek noodzakelijk is door de BOA. Elke klacht of melding wordt opgevolgd. De meldingsinformatie (tijd, hinder, gevaarzetting) bepaalt met welke snelheid de klacht ofmelding wordt opgepakt.Hierbij reageren we altijd binnen 5 werkdagen en handelen we de klacht/ melding waar mogelijk binnen 14 dagen af.

Midden

Enkel bij een

specifiek klachtenpatroon onderzoek doen. Anders de klager/ melderlaten weten dat er geen actie wordt ondernomen

Hoog

In behandeling

nemen en onderzoek doen.

Zeer Hoog

In behandeling

nemen en onderzoek doen.

Prioriteit afhandeling van klachten en meldingen

 

Meerdere klachten/meldingen over dezelfde handhavingstaak kunnen aanleiding geven af te wijken van bovenstaande. Dit geldt ook voor klachten/meldingen van meerdere verschillende klagers/melders over dezelfde situatie.

 

Bijzondere klachten/meldingen

Uiteraard wordt, afhankelijk van het belang en de spoedeisendheid van de klacht/ melding, ingeschat of een directe behandeling en afhandeling van de klacht/melding noodzakelijk is. Het is voorstelbaar dat in bepaalde gevallen wordt afgeweken van de prioriteit die aan de betreffende taak is toegekend. Uiteraard worden dergelijke

 

bijzondere klachten/ meldingen waarbij sprake lijkt te zijn van direct gevaar en/of een onveilige situatie altijd direct behandeld.

 

3.2.3Verzoeken om handhaving

Om als een verzoek om handhaving te worden behandeld, dient een verzoek te voldoen aan de vereisten voor een aanvraag. Volgens artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder een aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. Daarnaast schrijven artikelen 4:1 en 4:2 Awb voor dat een aanvraag schriftelijk dient te geschieden en dat een aanvraag moet worden ondertekend en tenminste de volgende inhoud bevat:

  • 1.

    De naam en het adres van de aanvrager

  • 2.

    De dagtekening

  • 3.

    Een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd

De aanvrager zorgt verder voor gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij/zij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

 

Telefonisch/e-mail

Dit betekent dat een verzoek om handhaving niet telefonisch en/of via de e-mail kan worden gedaan (tenzij het een gescande getekende brief betreft). Immers, een verzoek per telefoon en/of per e-mail is niet schriftelijk en daarbij is er geen sprake van een ondertekening.

Dit betekent dat dergelijke verzoeken in dat geval als klacht/ melding in behandeling worden genomen.

 

Als een verzoek om handhaving wel voldoet aan de vereisten, wordt deze als zodanig in behandeling genomen. Het uitgangspunt voor de afhandeling van verzoeken om handhaving is dat deze altijd binnen de wettelijke termijn dienen te worden afgehandeld, ongeacht de prioriteit die aan het betreffende taakonderdeel is gegeven. Deze wettelijke termijn is gesteld op maximaal 8 weken, met daarbij de mogelijkheid voor ons om deze termijn (eenmalig) te verlengen met een redelijke termijn. Indien niet binnen deze termijn wordt besloten, kunnen wij dwangsommen verbeuren vanwege het niet tijdig nemen van een besluit, als de aanvrager deze mogelijkheid inroept.

 

Besluit op het verzoek om handhaving

Op alle verzoeken om handhaving dient een besluit te worden genomen. Dit besluit kan tweeledig zijn, namelijk:

  • 1.

    Een besluit tot afwijzing van het verzoek;

  • 2.

    Een besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom/ bestuursdwang aan overtreder.

Ad. 1 Besluit tot afwijzing van het verzoek

Als een verzoek om handhaving wordt afgewezen, wordt dit besluit formeel kenbaar gemaakt aan de verzoeker. Het afwijzingsbesluit dient net als alle overige besluiten te voldoen aan de vereisten van de Awb. Tegen dit besluit kan bezwaar en (hoger) beroep worden aangetekend.

 

Reden voor afwijzing

Redenen voor afwijzing van het verzoek om handhaving kunnen zijn:

  • 1.

    Na controle en juridische toetsing blijkt dat er geen sprake is van een overtreding.

  • 2.

    Na controle en juridische toetsing blijkt dat er wel sprake is van een overtreding, maar dat er daarbij sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van handhaving kan worden afgezien (bijvoorbeeld in het geval van concreet zicht op legalisatie).

  • 3.

    De activiteit waar het verzoek om handhaving betrekking op heeft, heeft op dat moment een lage prioriteit. Daarnaast worden er geen bijzondere omstandigheden gezien om alsnog handhavend op te treden.

Ad. 2 Besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom/bestuursdwang aan overtreder.

Als na controle en juridische toetsing blijkt dat er sprake is van een overtreding, waarbij er geen bijzondere omstandigheden bekend zijn op grond waarvan van handhaving kan worden afgezien, dient op het verzoek om handhaving altijd een handhavingsbesluit te volgen. Dit betekent dat er een bestuursrechtelijk sanctiemiddel dient te worden opgelegd aan de overtreder.

 

Jurisprudentie

Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt namelijk ‘een beginselplicht tot handhaving’ bij overtredingen en zeker als derden hierom formeel verzoeken. Het is daarom van belang dat bij de afhandeling van verzoeken om handhaving zorgvuldig en tijdig te werk wordt gegaan. Een onzorgvuldig en/of een niet tijdig genomen besluit op een verzoek levert vaak bezwaar op. Of de verbeuring van een dwangsom vanwege het niet tijdig nemen van het besluit. Twee aspecten in de besluitvorming die wij wensen te voorkomen.

 

Zienswijze overtreder

Om ervoor te zorgen dat de overtreder niet ineens geconfronteerd wordt met een handhavingsbesluit, wordt de overtreder eerst in de gelegenheid gesteld om zijn/haar zienswijze te geven. Pas als de overtreding en alle omstandigheden en belangen goed in beeld zijn gebracht, volgt het definitieve handhavingsbesluit

 

Prioritering

Uit recente jurisprudentie is gebleken dat een prioriteitstelling ook van invloed kan zijn op het al dan niet besluiten tot een afwijzing van het verzoek. Als de activiteit als laag geprioriteerd is, mag een gemeente met een belangenafweging besluiten om het verzoek af te wijzen. Dit betekent niet dat de gemeente er nooit meer iets aan hoeft te doen, maar op dat moment kunnen we als gemeente stellen dat het momenteel niet geprioriteerd is en dat de belangen afwegende handhaving op dit moment niet noodzakelijk is. In onderstaande tabel staat weergegeven hoe we de prioriteitstelling door laten werken in de behandeling van handhavingsverzoeken.

 

Wabo

D&H,Horeca, Wok, Coffeeshops

Evenementen

APV

Laag

Licht feitelijk

onderzoek naar de situatie. Slechts ter duiding, niet ter oplossing.

Afwegen of er bijzondere omstandigheden zijn. Zo nee, handhavingsverzoek formeel afwijzen.

Zo ja, onderzoek doen naar de mogelijke overtreding door de toezichthouder.

Net als bij de meldingenworden alle verzoeken om handhaving opgepakt. De meldingsinformatie (tijd, hinder, gevaarzetting)bepaald met welke snelheid het handhavingsverzoek wordt opgepakt. Het feitdat het een formeel handhavingsverzoek is en geen melding of klacht,vormt een aspect bij de afweging met welke snelheidhet verzoek op wordt gepakt. Er komt een onderzoek naar de mogelijke overtreding door de BOA of toezichthouder.

Midden

Onderzoek doen naar de mogelijke overtreding door de toezichthouder.

Hoog

Onderzoek doen

naar de mogelijke overtreding door de toezichthouder.

Zeer Hoog

Onderzoek doen naar de mogelijke overtreding door de toezichthouder.

Prioriteit afhandeling handhavingsverzoeken

 

4.Handhavingsstrategie

Als overtredingen worden geconstateerd, zijn we in beginsel verplicht hiertegen handhavend op te treden. Hiertoe staan een aantal sanctiemiddelen ter beschikking. De handhavingsstrategie bepaalt welke sanctiemiddelen, wanneer en tegen welke overtredingen worden ingezet. De handhavingsstrategie wordt ook wel sanctiestrategie genoemd.

 

Uitgangspunt handhavingsstrategie

Het uitgangspunt voor het beschrijven van de handhavingsstrategie in dit plan is dat handhavend optreden met sanctiemiddelen het sluitstuk is van het handhavingsproces. In het voorliggende traject (informele handhavingstraject) is in overleg met de overtreder gezocht naar mogelijke oplossingen voor de ontstane situatie. Ook heeft er een legalisatieonderzoek plaatsgevonden, dat uiteindelijk niet heeft geleid tot een oplossing voor de situatie.

 

Rollen

Zowel de toezichthouders, BOA’s als de handhavingsjuristen hebben daarom in het voortraject een actieve rol:

  • -

    Zij treden in overleg met de overtreder.

  • -

    Zij stellen de waarschuwingsbrief op.

  • -

    Zij sturen de zogenaamde vooraankondiging/ voornemen tot het opleggen van een last (of bestuurlijke boete) op.

 

Hiermee kondigen wij aan dat wij van plan zijn een last onder dwangsom/ bestuursdwang op te leggen vanwege een door ons geconstateerde overtreding. De overtreder wordt hiermee ook altijd in de gelegenheid gesteld om zijn/haar zienswijze op dit voornemen kenbaar te maken. Mede op basis van deze zienswijze kunnen wij vervolgens de afweging maken om al dan niet over te gaan tot het daadwerkelijk opleggen van de last. In spoedeisende situaties kan worden afgezien van het geven van een zienswijzemogelijkheid. Denk bijvoorbeeld aan een bouw- of sloopstop, waarbij direct gelast wordt om de werkzaamheden te staken.

 

Formeel handhavingstraject

Alleen in die gevallen dat in het informele voortraject niet tot de gewenste oplossing wordt gekomen en/of de overtreder niet bereid is om mee te werken aan een mogelijke oplossing wordt overgegaan tot het formele handhavingstraject, waarbij de besluitvorming tot het feitelijk opleggen van de last plaatsvindt. Uiteraard kan het ook in spoedeisende gevallen noodzakelijk zijn direct het formele handhavingstraject in te zetten. De handhavingsstrategie in deze paragraaf beschrijft het formele handhavingstraject.

 

Sanctiemiddelen

Wij kunnen tegen overtreders met meerdere verschillende sanctiemiddelen, al dan niet gelijktijdig, optreden. Deze sanctiemiddelen kunnen bestuursrechtelijk en/of strafrechtelijk zijn. Privaatrechtelijk optreden valt niet binnen het kader van dit plan.

 

4.1 Bestuursrechtelijke sanctiemiddelen

Voor de bestuursrechtelijke handhaving van wettelijke voorschriften staan de volgende sanctiemiddelen ter beschikking:

 

  • 1.

    De oplegging van een last onder bestuursdwang (art. 5:21 e.v. Awb);

  • 2.

    De oplegging van een last onder dwangsom (art. 5:32 Awb);

  • 3.

    De intrekking van een vergunning/ontheffing (intrekkingsbesluit);

  • 4.

    De bestuurlijke strafbeschikking of de bestuurlijke boete.

Ad. 1 Last onder bestuursdwang

Onder het opleggen van een last onder bestuursdwang wordt volgens artikel 5:21 (Awb) verstaan: een herstelsanctie, inhoudende:

  • 1.

    Een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

  • 2.

    De bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Bestuursdwang

Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang op grond van artikel 125 lid 1 Gemeentewet. Ook de burgemeester kan op grond van artikel 125 lid 3 Gemeentewet bestuursdwang toepassen, wanneer de overtreding ziet op een VTH-taak waarvoor de burgemeester bevoegd gezag is.

 

Herstelsanctie

Het opleggen van een last onder bestuursdwang is een zogeheten reparatoire sanctie (herstelsanctie). Hiermee wordt slechts het feitelijk bewerkstelligen van een legale situatie (herstel) beoogd. Het opleggen van een last onder bestuursdwang is bij uitstek geschikt voor het ongedaan maken van overtredingen in die gevallen waarbij bijvoorbeeld een snelle beëindiging van de overtreding noodzakelijk is. En/of waarbij het opleggen van de last onder dwangsom niet tot beëindiging van de overtreding heeft geleid. Door bestuursdwang toe te passen, worden de gevolgen van de begane overtreding door ons ongedaan gemaakt op kosten van de overtreder.

 

Last onder bestuursdwang

Een last onder bestuursdwang kan niet alleen aan de overtreder worden opgelegd, maar aan een ieder die het (feitelijk en juridisch) in zijn macht heeft om de overtreding ongedaan te maken.

De kosten van het toepassen van bestuursdwang kunnen echter alleen op de overtreder worden verhaald. Deze kosten dienen met een kostenbeschikking te worden vastgesteld en bekendgemaakt aan de overtreder (artikel 5: 25 Awb).

 

Rechtsopvolgers

Hierbij is het mogelijk om de last onder bestuursdwang, evenals een last onder dwangsom, ook te laten gelden voor de rechtsopvolger(s) van degene die de last opgelegd heeft gekregen. Dit betekent dat de opgelegde last ook volledige werking heeft tegen de mogelijke rechtsopvolger(s), inclusief de tenuitvoerlegging en de invorderingsmogelijkheden. Daarvoor is het noodzakelijk om de last in te schrijven in het beperkingenregister (kan overigens niet voor alle beschikkingen).

 

Voordelen en nadelen bestuursdwang

Eén van de voordelen van het opleggen van een last onder bestuursdwang is dat er snel een einde kan worden gemaakt aan de overtreding. Als nadeel kan worden aangegeven dat het uitvoeren van de bestuursdwang opleggen van een last onder bestuursdwang vaak een grote organisatorische en administratieve last met zich meebrengt voor ons. We moeten dan de kosten bijvoorbeeld voorschieten. Sommige overtredingen lenen zich niet zo voor bestuursdwang.

 

Ad. 2 Last onder dwangsom

In artikel 5:32 Awb is bepaald dat wij bevoegd zijn om in plaats van een last onder bestuursdwang een last onder dwangsom op te leggen.

Onder een last onder dwangsom wordt verstaan: een herstelsanctie, inhoudende:

  • 1.

    Een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en;

  • 2.

    De verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

 

Ook de last onder dwangsom is dus een reparatoire sanctie (herstelsanctie). In tegenstelling tot een last onder bestuursdwang kan een last onder dwangsom uitsluitend aan de overtreder worden opgelegd.

 

Inhoud van de last onder dwangsom

Als de opgelegde last niet binnen de in het besluit opgenomen termijn (begunstigingstermijn) wordt uitgevoerd, verbeurt de overtreder van rechtswege de in het besluit genoemde dwangsom(men). Deze dwangsom kan vastgesteld worden op een bedrag ineens, een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel een bedrag per overtreding van de last. De hoogte van de dwangsom wordt bepaald op een maximum te verbeuren bedrag, dat in redelijke verhouding dient te staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

 

Jurisprudentie

Een last onder dwangsom is ten opzichte van bestuursdwang meer geschikt om herhaling van een overtreding te voorkomen. Uit de jurisprudentie blijkt dat de gemeente een grote beleidsvrijheid heeft bij de keuze tussen een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom. Er geldt geen plicht om de keuze afzonderlijk te motiveren.

 

Keuze last onder dwangsom

Het uitgangspunt voor ons is om primair voor het opleggen van een last onder dwangsom te kiezen in plaats van het opleggen van een last onder bestuursdwang. In bepaalde situaties kan hiervan worden afgeweken. Ook zijn er situaties denkbaar dat beide sancties worden opgelegd, bijvoorbeeld het stilleggen van de bouw in combinatie met het opleggen van een last onder dwangsom om het verder bouwen te voorkomen.

De uiteindelijke keuze voor het sanctiemiddel doen we door het toepassen van de LHS. Zie verderop in dit hoofdstuk en in bijlage 10.

 

Verbeuring van rechtswege

De verbeuring van een last onder dwangsom geschiedt van rechtswege. Dit betekent dat na verloop van de begunstigingstermijn die in de lastgeving is gesteld de dwangsom automatisch verbeurt, indien de overtreding niet is beëindigd en/of beëindigd wordt gehouden. De verbeurde dwangsom dient binnen 6 weken nadat deze is verbeurd door de overtreder te worden betaald.

 

Invordering van verbeurde dwangsommen

Na verbeuring van de dwangsom hebben wij de bevoegdheid de dwangsom feitelijk in te vorderen. Hiertoe wordt een zogenaamde invorderingsbeschikking genomen op grond van artikel 5: 37 Awb. Als betaling hierna ook nog uitblijft, vorderen wij, na aanmaning, de verbeurde dwangsom in per dwangbevel volgens artikel 5: 10 lid 2 Awb.

 

Wij gaan op het moment dat er sprake is van verbeurde dwangsommen altijd over tot de invordering daarvan. Slechts onder bijzondere omstandigheden, te bepalen per individueel geval, wordt hiervan afgeweken. Deze beleidskeuze heeft te maken met het feit dat de bestuursrechtelijke handhaving het sluitstuk is van een uitgebreid handhavingsproces. In de fase voor het opleggen van een last onder dwangsom is veel tijd en energie gestoken.

En in het maken van goede afspraken in overleg met de overtreder om te komen tot een tijdige beëindiging van de overtreding.

 

Rechtsopvolgers

Hierbij is het op grond van artikel 5: 18 Wabo mogelijk om de last onder dwangsom, evenals een last onder bestuursdwang, ook te laten gelden voor de mogelijke rechtsopvolger(s) van degene die de last opgelegd heeft gekregen.

 

Dit betekent concreet dat de opgelegde last ook volledig werking heeft tegen de mogelijke rechtsopvolger(s), inclusief de tenuitvoerlegging en de invorderingsmogelijkheden.

Daarvoor is het noodzakelijk om de last in te schrijven in het beperkingenregister (kan overigens niet voor alle beschikkingen).

 

Ad. 3 Intrekking van de vergunning/ ontheffing

Wij kunnen een eerder verleende vergunning/ontheffing, ook wel een begunstigende beschikking genoemd, intrekken als bestuurlijke sanctie op onrechtmatig gedrag van de houder van de beschikking.

Dit kan bijvoorbeeld als:

  • -

    de vergunning/ ontheffing op grond van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;

  • -

    er niet overeenkomstig de vergunning/ontheffing wordt gehandeld;

  • -

    de aan de vergunning/ ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen niet zijn of worden nageleefd;

  • -

    de voor de houder van de vergunning/ ontheffing als zodanig geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd.

Intrekking vergunning/ontheffing

Er wordt pas tot intrekking van de vergunning/ontheffing overgegaan nadat de betrokkene in de gelegenheid is gesteld om binnen een daartoe te bepalen termijn zijn handelen alsnog in overeenstemming te brengen met de (voorschriften van de) vergunning/ontheffing. Dit betekent dat de betrokkene altijd eerst de kans krijgt om binnen een bepaalde termijn de situatie weer overeenkomstig de vergunning/ontheffing te brengen. In sommige gevallen wordt de betrokkene deze mogelijkheid niet gegeven.

 

Reparatoir of punitief karakter

De intrekking van een begunstigende beschikking kan zowel een reparatoir (herstel), als een punitief (bestraffend) karakter hebben. Dit onderscheid is van belang, omdat punitieve bestuurlijke sancties op grond van het legaliteitsbeginsel een wettelijke grondslag behoeven en onder meer moeten voldoen aan de eisen van artikel 6 EVRM.

 

Ad. 4 Bestuurlijke strafbeschikking en Bestuurlijke boete Bestuurlijke strafbeschikking (strafrecht)

De bestuurlijke strafbeschikking houdt in dat wanneer een buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA) een overtreding constateert, hij direct op straat een bestuurlijke strafbeschikking kan aankondigen aan de overtreder. Dit gebeurt door een zogeheten gestandaardiseerde (combi-)bon te maken. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een speciaal ontwikkeld boekje met feiten (overtredingen) en feitcodes die de BOA ter beschikking staat.

 

Combi-bon

Op basis van de doorslag van de combi-bon kan de Boa het proces-verbaal rechtstreeks (laten) invoeren in een computersysteem van justitie. Dit systeem staat in verbinding met het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), dat de incasso voor zijn rekening neemt.

 

Verzet

De overtreder wordt verondersteld schuldig te zijn en de strafbeschikking kan in beginsel worden geëffectueerd zonder rechterlijke tussenkomst. Indien de overtreder niet wenst te betalen, kan hij in verzet gaan. Het Openbaar Ministerie kan het verzet gegrond achten en de strafbeschikking intrekken. Indien het laatste niet het geval is, wordt door middel van dagvaarding de zaak naar een zitting bij de kantonrechter gebracht. Deze strafrechter oordeelt dan integraal over de zaak zonder daarbij op enigerlei wijze gebonden te zijn aan

 

de eerdere strafbeschikking. De strafrechter blijft immers bevoegd geheel zelfstandig opnieuw de schuldvraag te beoordelen. Hoger beroep kan worden ingesteld bij het gerechtshof. De juridische afwikkeling en incasso geschiedt in principe geheel buiten de gemeente om.

 

Bestuurlijke boete

Onder bestuurlijke boete wordt verstaan: de bestraffende sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom.

 

Bevoegdheid

De toezichthouder stelt een boeterapport op. Dit is geen aankondiging van een boete en wordt ook niet uitgereikt aan overtreder. Wel wordt de overtreder gehoord, waarbij cautie wordt gegeven. Vervolgens volgt een voornemen voor een bestuurlijke boete (met toezending boeterapport), een zienswijzemogelijkheid en het definitief besluit.

 

4.2Strafrechtelijke sanctiemiddelen

Veel overtredingen van de regelgeving waarvoor het college het bevoegde gezag is, leveren ook een strafbaar feit op ingevolge de Wet op de economische delicten (Wed). Strafrechtelijke handhaving is het instellen van strafvervolging na het opmaken van een proces-verbaal (door een daartoe aangewezen ambtenaar: bijzondere opsporingsambtenaar en/of politie). In gevallen dat een proces-verbaal is opgemaakt, wordt aan de hand van de ernst (en bewijsbaarheid) van de overtreding door het Openbaar Ministerie (OM) strafrechtelijke sanctie toegepast. Dit kan leiden tot:

  • 1.

    Een (voorwaardelijk) sepot. Dit betekent dat het OM al dan niet onder voorwaarden afziet van strafvervolging.

  • 2.

    Een transactie.

  • Door betaling van een geldsom wordt door het OM afgezien van verdere strafvervolging.

  • 3.

    Strafrechtelijke vervolging.

  • Het OM legt de overtreding middels een dagvaarding voor aan de strafrechter, zodat de op te leggen straf door de rechter bepaald wordt.

Sanctiemiddelen

Aangezien het strafrecht een punitief (bestraffend) karakter en het bestuursrecht een reparatoir (herstellend) karakter heeft, is samenloop van beide sanctiemiddelen mogelijk. Hierbij kunnen strafrechtelijke instrumenten vaak bijzonder effectief in aanvulling op een bestuurlijke handhaving worden toegepast. Dit wordt ook wel ‘flankerend beleid’ genoemd. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarbij er door het begaan van de overtreding een onomkeerbare situatie is ontstaan en feitelijk herstel van de overtreding niet (meer) mogelijk is.

 

Una via-beginsel

Anders ligt dit in het geval de inzet van een bestuurlijk instrument dat – evenals het strafrecht – een bestraffend karakter heeft. Zoals bij het opleggen van een bestuurlijke boete. Op grond van het ‘una via-beginsel’ is het namelijk niet mogelijk twee ‘bestraffende’ sancties voor dezelfde overtreding toe te passen. Dit beginsel vereist afstemming met het OM over welke zaken bestuursrechtelijk en welke zaken strafrechtelijk aangepakt gaan worden.

 

4.3Landelijke Handhavingstrategie (LHS)

 

Wabo

De LHS is uitgewerkt in de vorm van een instrument voor alle overheden om eenduidig te interveniëren naar aanleiding van tijdens het toezicht gedane bevindingen (zie bijlage 10). De afgelopen jaren werkten wij al volgens de uitgangspunten van de LHS. Met inwerkingtreding van dit beleidsplan stellen we de LHS ook formeel vast en gaan we voor de Wabo en de in artikel 5.1 van de in de Wabo opgenomen wetten de LHS ook toepassen. We doorlopen de stappen die de LHS onderscheidt:

 

  • -

    Stap 1: Positionering in de interventiematrix (Zie bijlage 10 op pagina 11) door de toezichthouder.

  • -

    Stap 2: Bepalen verzwarende aspecten door de jurist.

  • -

    Stap 3: Bepalen of overleg van het bestuur met politie en OM, dan wel van politie en OM met het bestuur, over de toepassing van het bestuurs- en/of strafrecht geïndiceerd is door de jurist.

  • -

    Stap 4: Optreden met de interventiematrix door de jurist.

  • -

    Stap 5: Vastlegging door de jurist.

De transformatie van de ‘oude werkwijze’ naar het doorlopen van de stappen uit de LHS geven we deze beleidsperiode vorm.

 

APV

Voor deze categorie geldt dat een BOA vaak ter plekke een beslissing moet nemen welke sanctie toe wordt gepast. Hier leent het instrument van de LHS zich minder voor. Wel hebben we werkafspraken over hoe we in beginsel handelen en sanctioneren. Uitgangspunt hierbij is: mondeling waarschuwen, schriftelijk waarschuwen, sanctioneren. Het is echter per situatie afhankelijk voor welke vorm er wordt gekozen.

 

Evenementen

Bij evenementen moet er vaak ook direct door een toezichthouder gehandeld worden. Er wordt gezocht naar een oplossing. Als deze niet gevonden wordt kan de toezichthouder een evenement stil leggen. Voor een aantal APV-feiten kan een BOA een bestuurlijk strafbeschikking opleggen.

 

Drank- en Horecawet, Horeca (APV), Wet op de kansspelen en Coffeeshops

Sanctioneren binnen deze categorie geschiedt op basis van het “Sanctiebeleid Horeca Amersfoort” (zie bijlage 11).

 

5.Gedoogstrategie

Slechts in bepaalde bijzondere situaties wordt van handhavend optreden afgezien. In de gedoogstrategie wordt omschreven in welke bijzondere situaties en onder welke voorwaarden wij van handhavend optreden afzien.

 

Definitie

Gedogen is het bewust schriftelijk en onder voorwaarden niet handhavend optreden tegen overtredingen van wet- en regelgeving door het bevoegde bestuursorgaan. Van bewust niet handhavend optreden kan alleen sprake zijn als wij bekend zijn met een bepaalde overtreding. Wij beschrijven met deze gedoogstrategie hoe wij omgaan met het gedogen van overtredingen.

 

Jurisprudentie

In de jurisprudentie wordt een aantal eisen aan het gedogen gesteld, namelijk:

  • -

    Uitdrukkelijk schriftelijk gedogen

  • -

    Tijdelijk karakter (bij voorkeur vooruitlopend op vergunningverlening);

  • -

    Verbonden aan voorwaarden;

  • -

    Betrokkenheid van belanghebbenden (hoorplicht van art. 4.7 en 4.8 Awb).

Gedoogsituaties

Het gedogen van overtredingen van wet- en regelgeving is aan strenge voorwaarden gebonden. Immers, om onder de eerdergenoemde beginselplicht tot handhaving uit te komen, moet er sprake zijn van bijzondere situaties en/of omstandigheden. Hierbij sluiten wij voor wat betreft (de voorwaarden van) gedogen aan bij de landelijke beginselen van gedogen, zoals beschreven in o.a. de regeringsnota ‘Grenzen aan gedogen’.

 

Wij onderscheiden de volgende situaties die voor gedogen in aanmerking komen:

  • 1.

    Overgangssituaties

  • 2.

    Belang van het afzien van handhaving weegt zwaarder dan de te beschermen norm

  • 3.

    Overmachtssituaties

Ad 1. Overgangssituaties

In overgangssituaties kan gedogen aanvaardbaar zijn als de consequenties van handhaving niet in redelijke verhouding staan tot de belangen die met (onmiddellijke) handhaving gemoeid zouden zijn.

 

Voorbeelden

Bij een overgangssituatie kan het bijvoorbeeld gaan om:

  • 1.

    Zicht op legalisatie: De situatie waarin nieuwe regelgeving in voorbereiding is en redelijkerwijs mag worden verwacht dat daarmee de overtreding spoedig wordt gelegaliseerd.

  • 2.

    Situaties waarin een overtreding voortvloeit uit een uitspraak van de bestuursrechter, waarbij een verleende vergunning door de bestuursrechter is vernietigd op formele gronden, terwijl de activiteit redelijkerwijs alsnog (ten volle) vergunbaar moet worden geacht.

  • 3.

    Situaties bij (zeer) kortdurende activiteiten en eenmalige proeven.

Ad. 2 belang van het afzien van handhaving weegt zwaarder dan de te beschermen norm

Gedogen kan aanvaardbaar zijn als het achterliggende belang in uitzonderingsgevallen die de wetgever niet heeft voorzien, beter gediend is met (tijdelijk), al dan niet onder voorwaarden, afzien van handhaving. Ook kan een zwaarder wegend belang gedogen soms rechtvaardigen.

Rechtsbeginselen kunnen er toe leiden dat ook andere belangen dan het door de norm te beschermen belang moeten worden meegenomen in de afweging. Voor al deze omstandigheden geldt dat zij slechts in uitzonderingsgevallen en onder zorgvuldige belangenafweging kunnen worden toegepast. Mits het gedogen zoveel mogelijk in omvang en tijd beperkt is.

 

Ad. 3 Overmachtssituaties

Van een overmachtssituatie is bijvoorbeeld sprake bij werkzaamheden die direct voortvloeien uit calamiteiten. Als de te handhaven voorschriften technisch niet kunnen worden nageleefd en moeten worden aangepast. Of in gevallen waarin onderzocht moet worden hoe een overtreding van voorschriften kan worden beëindigd en waarvoor het nodig is de handeling nog enige tijd uit te voeren.

 

5.1Voorwaarden van gedogen

 

Gedogen is altijd tijdelijk

Gedogen is slechts aanvaardbaar zolang en voor zover zich de betreffende uitzonderingssituatie voordoet. Zodra de formele gedoogtermijn is verstreken, of er andere omstandigheden zijn die de gedoogsituatie doen beëindigen, wordt overgegaan tot handhaving. Ook kan de noodzaak om te gedogen weggenomen worden door de situatie te legaliseren. Is (tijdelijke) legalisering van de

overtreding mogelijk, dan verdient dit altijd de voorkeur boven gedogen.

 

Gedogen expliciet en na zorgvuldige en kenbare belangenafweging

Gedogen moet altijd in de vorm van een beschikking. Een gedoogbeschikking moet expliciet en na zorgvuldige en kenbare belangenafweging worden genomen. Ook moet de gedoogbeschikking uiteraard voldoen aan de overige eisen die de Awb aan besluiten stelt.

 

Alleen als gedoogbeschikkingen expliciet en dus ook schriftelijk zijn genomen en tevens van een zorgvuldige en kenbare motivering zijn voorzien, zijn ze ook daadwerkelijk onderworpen aan de mogelijkheid van controle. Het besluit zal ook duidelijk moeten zijn over de gedragingen die gedoogd worden en over de (eind)termijnen en de voorwaarden die aan het gedogen gesteld worden.

Ook moet in de beschikking een verwijzing staan dat derden alsnog tegen de toestemming bezwaar kunnen maken.

 

Gedoogsituaties worden afgestemd met de handhavingspartners

Een (voorgenomen) gedoogbeschikking wordt altijd afgestemd met de interne en externe samenwerkingspartners.

 

5.2Optreden tegen eigen overheid of andere overheden

Wij kunnen als bestuursorgaan of als rechtspersoon in sommige gevallen ook als overtreder worden aangemerkt. Het is dan ook van belang dat wij zelf ook de regels naleven en een voorbeeldfunctie vervullen in die gevallen dat er toch overtredingen worden begaan.

 

In die gevallen dat wij als overtreder zijn aan te merken, wordt hiertegen volgens de uitgangspunten van dit plan opgetreden. Hetzelfde geldt voor overtredingen die worden begaan door andere overheden en/of samenwerkingspartners van ons.

 

Landelijke handhavingstrategie

 

Een passende interventie bij iedere bevinding

 

VERSIE 1.7

24 april 2014

 

Inhoudsopgave

 

1.Inleiding

 

1.1 Achtergrond en aanleiding

1.2 Beoogde brede werking, doel en positionering

1.3 Werking, implementatie en monitoring en evaluatie

 

2.Visie landelijke handhavingstrategie

 

2.1 Onafhankelijkheid – sterke, slagkrachtige en onafhankelijke handhavinginstanties

2.2 Professionaliteit en vakmanschap – training, opleiding, kennis- en informatie-uitwisseling

2.3 Betrouwbaarheid – beginselplicht tot handhaven en verantwoording afleggen

2.4 Eenvoud – een passende interventie bij iedere bevinding en hoe daar toe te komen

2.5 Gezamenlijkheid – overleg, afstemming en planmatig en informatiegestuurd gezamenlijk optreden

 

3.Realisatie landelijke handhavingstrategie – stappenplan

 

3.1 Stap 1 – Positionering bevinding in de interventiematrix

3.2 Stap 2 – Bepalen verzwarende aspecten

3.3 Stap 3 – Bepalen of overleg van het bestuur met politie en OM, dan wel van politie en OM met het bestuur, over de toepassing van het bestuurs- en/of strafrecht geïndiceerd is

3.4 Stap 4 – Optreden met de interventiematrix

3.5 Stap 5 – Vastlegging

 

Bijlage 1

Begrippen

 

Bijlage 2

Toelichting interventies van licht naar zwaar

 

1.Inleiding

 

1.1Achtergrond en aanleiding

 

Op 11 april 2013 zijn de grondslagen van het nieuwe stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) 1 voor de Wabo bestuurlijk vastgesteld. Het nieuwe stelsel beoogt een robuuste professioneel werkende uitvoeringsstructuur, waarin de Omgevingsdiensten een centrale rol vervullen, die:

  • knelpunten oplost, zoals die onder andere zijn vastgesteld door de Commissie Herziening Handhavingstelsel VROM-regelgeving 2 ;

  • bijdraagt aan de realisatie van beleidsdoelen in de fysieke leefomgeving (een schoner milieu, natuur en water, veiliger leefomgeving, betere naleving);

  • leidt tot vermindering van de door het bedrijfsleven ervaren regel- en toezichtsdruk en tot een gelijk speelveld voor bedrijven.

  • een heldere rolverdeling regelt en ook eenvoudige en effectieve afstemming tussen het bestuurs- en strafrecht.

Het nieuwe VTH-stelsel is in 2013 en wordt gedurende 2014 verder ontwikkeld en geïmplementeerd op drie essentiële onderdelen:

  • 1.

    generieke condities waaronder het stelsel kan functioneren en waaronder een (verdere) verbetering van de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving kan plaatsvinden. Hierbij valt te denken aan een infrastructuur voor kennis- en informatie- uitwisseling en training en opleiding van handhavers;

  • 2.

    onderling afgestemd en effectief handelen van alle instanties die een rol hebben in de handhaving van het omgevingsrecht, waaronder het maken van afspraken over de afstemming van landelijke en regionale prioriteiten en het zo effectief mogelijk bestuurs- en/of strafrechtelijk aanpakken ervan;

  • 3.

    monitoring, verantwoording en zo nodig bijsturing van het (gezamenlijke) overheidsoptreden in het nieuwe stelsel.

De onderhavige landelijke handhavingstrategie is primair uitgewerkt voor onderdeel 2, in de vorm van een instrument voor alle overheden om eenduidig te interveniëren naar aanleiding van tijdens het toezicht gedane bevindingen.

 

De landelijke handhavingstrategie heeft ook raakvlakken met de onderdelen 1 en 3. Met onderdeel 1 vanwege het uitwisselen van ervaringen met (het toepassen van) de landelijke handhavingstrategie, teneinde de (uitvoering van de) strategie stap voor stap te verbeteren. Met onderdeel 3 vanwege de monitoring en verantwoording van de toepassing van de landelijke handhavingstrategie en de op termijn voorziene evaluatie van het VTH-stelsel en de landelijke handhavingstrategie.

 

Voor het opstellen van de landelijke handhavingstrategie is gebruik gemaakt van bestaande strategieën. Met de toepassing van de landelijke handhavingstrategie komen de bestaande handhavingstrategieën, die daarin goeddeels zijn geïncorporeerd, te vervallen.

 

1.2Beoogde brede werking, doel en positionering

 

Beoogde brede werking

 

De landelijke handhavingstrategie is ontwikkeld vanuit het milieurecht, met oog voor het bredere omgevingsrecht, en heeft in eerste instantie betrekking op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de in artikel 5.1 van de Wabo opgenomen wetten 3 . Toepassing van de landelijke handhavingstrategie leidt tot afgestemd en effectief bestuurs- en/of strafrechtelijk handelen. Daarom is de landelijke handhavingstrategie breder toepasbaar dan alleen op het omgevingsrecht.

 

Doel

 

De overheid is verantwoordelijk voor het handhaven van de wetgeving. Voor wat het omgevingsrecht betreft ligt de basis van deze verantwoordelijkheid voor het bestuur in diverse bijzondere wetten, de Algemene wet bestuursrecht en in de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de zogenoemde beginselplicht tot handhaven 4 . Voor het OM ligt de basis van deze verantwoordelijkheid in artikel 124 van de Wet op de rechterlijke organisatie en in de Europese richtlijn inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht 5 . Uitgangspunt is dat bestuur en OM, elk handelend vanuit de eigen verantwoordelijkheid, hun handelen afzonderlijk en in combinatie richten op het naleven van wet- en regelgeving.

 

Uit het oogpunt van rechtsgelijkheid is het doel van de landelijke handhavingstrategie, voortbouwend op de hiervoor geschetste verantwoordelijkheden van bestuur en OM: uitvoering geven aan de beginselplicht tot handhaven, passend interveniëren bij iedere bevinding, in vergelijkbare situaties vergelijkbare keuzes maken en interventies op vergelijkbare wijze kiezen en toepassen, landsbreed door het bestuurlijk bevoegd gezag / de Omgevingsdiensten, landelijke inspecties, politie en het OM. Hiertoe bevat de landelijke handhavingstrategie een duidelijke visie op handhaven (hoofdstuk 2) en een uitgeschreven en geïnstrumenteerde aanpak (hoofdstuk 3).

 

Positionering

 

Handhavinginstanties moeten op grond van het Besluit omgevingsrecht (Bor) een nalevingstrategie hebben, bevattende een toezicht-, sanctie- en gedoogstrategie. De landelijke handhavingstrategie ondersteunt dit, door één lijn te brengen in hoe instanties reageren op tijdens het toezicht gedane bevindingen. In figuur 1 is de positionering van de landelijke handhavingstrategie weergegeven.

 

De term ‘handhavingstrategie’ drukt uit dat interveniëren breder is dan het opleggen van sancties naar aanleiding van overtredingen. Omdat interveniëren ook tijdens toezicht kan plaatsvinden, bijvoorbeeld in de vorm van aanspreken en informeren, raakt de landelijke handhavingstrategie in figuur 1 de toezichtstrategie aan. De landelijke handhavingstrategie

 

gaat niet over het toezicht als zodanig (prioriteiten, manieren van toezicht houden, en dergelijke).

 

De landelijke handhavingstrategie raakt in figuur 1 ook de gedoogstrategie aan. Dit betekent dat de landelijke handhavingstrategie erkent dat er omstandigheden kunnen zijn om van (bestuursrechtelijk) handhaven af te zien. Dit laat eventuele strafvervolging door het OM overigens onverlet 6 .

 

Figuur 1 toont tot slot dat er specifieke strategieën, die sporen met de landelijke handhaving- strategie, onder de landelijke handhavingstrategie kunnen hangen voor gebieden (bijvoorbeeld Natura 2000), groepen van normadressaten (BRZO bedrijven) of speciale thema’s. Indien een met de landelijke handhavingstrategie sporende specifieke strategie voorhanden en bestuurlijk vastgesteld is, wordt deze specifieke strategie gevolgd. Reeds onderkend is dat het voor bepaalde domeinen, zoals ‘water’, ‘erfgoed’ en ‘bouwen en wonen’, noodzakelijk kan zijn om spoedig een specifieke, met de landelijke handhaving- strategie sporende, handhavingstrategie te ontwikkelen.

 

Figuur 1: Positionering landelijke handhavingstrategie

 

1.3Werking, implementatie en monitoring en evaluatie

 

Voor de Wabo en de in artikel 5.1 van de Wabo opgenomen wetten7 is de landelijke handhavingstrategie voor gebruik in het VTH-stelsel opgeleverd aan het Bestuurlijk omgevingsberaad.

 

Het overnemen en invoeren van de landelijke handhavingstrategie is onderdeel van de VTH kwaliteitscriteria voor Wabo bevoegde overheden 8 . Dit waarborgt landelijke eenduidigheid in twee opzichten, te weten:

  • 1.

    dat iedere bevinding een passende interventie krijgt; en

  • 2.

    dat het proces om tot een passende interventie te komen overal hetzelfde verloopt.

 

Lokale/regionale bestuurlijke afwegingsruimte zit gezien het voorgaande in keuzes over toezichtprioriteiten en de manier van toezicht houden, maar niet in het toepassen van de landelijke handhavingstrategie. De landelijke handhavingstrategie is een landelijk geldend afwegingsinstrument dat iedereen volgt om van bevinding naar interventie te komen. Dit onderstreept dat de landelijke handhavingstrategie vooral een instrument is voor uitvoerders.

 

Als stelselverantwoordelijke VTH voor de Wabo, draagt de minister van IenM voor wat betreft het omgevingsrecht zorg voor het monitoren en evalueren van de toepassing van de landelijke handhavingstrategie en het zo nodig voorstellen van maatregelen naar aanleiding hiervan. Alle partijen die met de landelijke handhavingstrategie werken kunnen voorstellen voor maatregelen doen. Besluitvorming over voorgestelde maatregelen vindt voor wat betreft het omgevingsrecht plaats in het Bestuurlijk omgevingsberaad.

 

2.Visie landelijke handhavingstrategie

 

Als richtinggevende visie zijn de volgende vijf uitgangspunten van het nieuwe VTH-stelsel voor de Wabo voor de handhaving geoperationaliseerd.

 

2.1Onafhankelijkheid – sterke, slagkrachtige en onafhankelijke handhavinginstanties

 

Handhavinginstanties en hun medewerkers handelen consequent en vasthoudend op basis van de geldende wet- en regelgeving en de landelijke handhavingstrategie. Het belang van sterke, slagkrachtige en onafhankelijke handhavinginstanties is groot. Provincies en gemeenten dragen hier als bevoegd gezag voor de Wabo aan bij, door voor de aan hun Omgevingsdiensten opgedragen taken een duidelijk en ruim mandaat te verstrekken, op grond waarvan de directeur bevoegd is tot het toepassen van bestuursrechtelijke interventies, waaronder sancties.

 

2.2Professionaliteit en vakmanschap – training, opleiding, kennis- en informatie-uitwisseling

 

Handhavers wegen de ernst van de bevinding, het gedrag van de normadressaat en de feiten en omstandigheden van de situatie. Handhavers bepalen vervolgens welke interventie in het specifieke geval passend is. Dit vereist professionaliteit en vakmanschap. Handhaving- instanties brengen en houden daarom de voor handhaven vereiste9 kennis en kunde op peil en ondersteunen binnen hun organisaties een cultuur waarin (elkaar aanspreken op) kennis en informatie uitwisselen, samenwerken en handhavers die zich blijven ontwikkelen vanzelfsprekend zijn.

 

Ook uitwisseling van kennis en leerervaringen tussen handhavinginstanties is van groot belang. De landelijke handhavingstrategie op papier is immers het begin, maar waar het vervolgens om gaat is dat alle instanties de papieren strategie op soortgelijke wijze blijven toepassen en daarover met elkaar in contact blijven en leerervaringen en beste praktijken uitwisselen. Anders zullen praktijken ongewild toch weer uit elkaar gaan lopen.

 

Landelijk overleg over de implementatie en uitvoering van de landelijke handhavingstrategie gebeurt tijdens de implementatieperiode voor wat het omgevingrecht betreft in het Implementatieberaad. Regionaal overleg ter zake vindt plaats in (de voorportalen van) het door de provincie geïnitieerde Bestuurlijk Handhavingsoverleg (BHO) van de bevoegde overheden en het Functioneel Parket van het OM.

 

2.3Betrouwbaarheid – beginselplicht tot handhaven en verantwoording afleggen

 

Handhavinginstanties hebben een beginselplicht tot handhaven 10 . Handhavend optreden is zowel eerlijk tegenover normadressaten uit het oogpunt van een gelijk speelveld, als tegenover de maatschappij die ervan uit mag gaan dat handhavers zodanig optreden dat haar rechtsgevoel wordt gerespecteerd en de leefomgeving veilig, schoon en gezond blijft.

 

In het VTH-stelsel is de primaire verantwoordingsrelatie die van het bevoegd gezag aan het eigen democratisch controlerend orgaan (bijvoorbeeld Gemeenteraad en Provinciale Staten

 

in het geval van gemeenten respectievelijk provincies). De toepassing van de landelijke handhavingstrategie is onderdeel van deze verantwoordingsrelatie.

 

2.4Eenvoud – een passende interventie bij iedere bevinding en hoe daar toe te komen

 

Met de landelijke handhavingstrategie wordt ingezet op een passende interventie bij iedere bevinding. Handhavers hanteren de landelijke handhavingstrategie bij iedere bevinding en maken daarbij gebruik van de in de strategie opgenomen instrumenten. Omwille van rechtsgelijkheid waarborgt dit passend interveniëren en eenduidig optreden, dat wil zeggen: het in vergelijkbare zaken maken van vergelijkbare keuzes en het op vergelijkbare wijze kiezen en toepassen van interventies, landsbreed.

 

Een passende interventie wil zeggen dat de interventie, gegeven de verzamelde feiten en de beoordeling van de aard en/of omstandigheden van de bevinding en de normadressaat, zo effectief en efficiënt mogelijk leidt tot spoedig herstel van de situatie voor de bevinding, naleving waarborgt, herhaling voorkomt en/of straft daar waar dit passend is of noodzakelijk om de normadressaat tot naleven te bewegen, dan wel de norm te bevestigen.

 

Dit betekent dat twee keuzen noodzakelijk zijn:

  • 1.

    Hoe wordt er opgetreden: alleen bestuursrechtelijk, bestuurs- én strafrechtelijk, of alleen strafrechtelijk?

  • 2.

    Welke interventie(s) wordt (worden) ingezet?

Ad. 1

Hoe wordt opgetreden is vastgelegd in hoofdstuk 3 van deze landelijke handhavingstrategie. Bestuursrechtelijk optreden is vooral gericht op het herstellen van de situatie, dat wil zeggen op het in overeenstemming brengen met de wet- en regelgeving, opdat vastgesteld beleid wordt geëffectueerd. Strafrechtelijk optreden is vooral gericht op het straffen van de overtreder en het wegnemen van diens wederrechtelijk genoten (concurrentie)voordeel.

Bestuurs- en strafrechtelijk optreden dienen daarnaast allebei tot ontmoediging, ofwel tot individuele en algemene preventie. Omdat deze aspecten vaak tegelijk aan de orde zijn, is een weloverwogen inzet van het bestuursrecht en/of het strafrecht conform de landelijke handhavingstrategie noodzakelijk.

 

Ad. 2

De keuze van de in te zetten bestuursrechtelijke interventie(s) vindt plaats aan de hand van de in hoofdstuk 3 van de landelijke handhavingstrategie opgenomen interventieladder en interventiematrix, waarbij het spoedig herstellen van de situatie voor de bevinding de eerste prioriteit is.

 

2.5Gezamenlijkheid – overleg, afstemming en planmatig en informatiegestuurd gezamenlijk optreden

 

Toezicht houden gebeurt op basis van door bevoegde overheden bestuurlijk vastgestelde handhavingprogramma’s, inclusief financiering en menskracht, die zijn afgestemd met alle bij het omgevingsrecht betrokken instanties. Afgestemde handhavingprogramma’s en de landelijke handhavingstrategie borgen in combinatie dat de overheden planmatig gezamen- lijk optreden, bij het toezicht en bij bevindingen die tijdens dat toezicht zijn gedaan 11 .

Informatie is voor goede risicoanalyses en daarop gebaseerde handhavingprogramma’s onontbeerlijk.

 

3.Realisatie landelijke handhavingstrategie – stappenplan

 

Dit hoofdstuk geeft een stappenplan voor het toepassen van de in hoofdstuk 2 opgenomen visie. Startpunt van het stappenplan is een tijdens het toezicht gedane bevinding.

 

3.1Stap 1 – Positionering bevinding in de interventiematrix

 

Figuur 2: De interventiematrix

 

De handhaver bepaalt ten eerste in welk segment van de in figuur 2 opgenomen interventiematrix hij de bevinding positioneert 12 door: (1) het beoordelen van de gevolgen van de bevinding voor milieu, natuur, water, veiligheid, gezondheid en/of maatschappelijke relevantie en (2) het typeren van de normadressaat.

 

Ad. 1

De gevolgen van bevindingen beoordeelt de handhaver als:

  • 1.

    vrijwel nihil; of

  • 2.

    beperkt; of

  • 3.

    van belang – er is sprake van aanmerkelijk risico dat de bevinding maatschappelijke onrust geeft en/of milieuschade, natuurschade, waterverontreiniging en/of doden, zieken of gewonden (mens, plant én dier) tot gevolg heeft; of

  • 4.

    aanzienlijk, dreigend en/of onomkeerbaar – onder andere het geval als de overtreding maatschappelijke onrust en/of ernstige milieuschade, ernstige natuurschade, ernstige waterverontreiniging en/of doden, zieken of gewonden (mens, plant én dier) tot gevolg heeft.

 

Ad. 2

De handhaver typeert de normadressaat als:

  • A.

    goedwillend, proactief en geneigd om de regels te volgen, de bevinding is het gevolg van onbedoeld handelen; of

  • B.

    onverschillig/reactief, neemt het niet zo nauw met het algemeen belang, heeft een onverschillige houding, de bevinding en de gevolgen van zijn handelen laten hem koud; of

  • C.

    is opportunistisch en calculerend, er is sprake van het bewust belemmeren van controlerenden, er is sprake van mogelijkheidsbewustzijn, maar de gevolgen van het handelen worden op de koop toe genomen, bewust risico nemend; of

  • D.

    bewust en structureel de regels overtredend en/of crimineel of deel uitmakend van een criminele organisatie, houdt zich bezig met fraude, oplichting of witwassen.

Bij de typering van de normadressaat kijkt de handhaver dus verder dan de bevinding op zich en neemt hij diens gedrag en toezicht- en handhavinghistorie mee in beschouwing. Als de handhaver niet in staat is om de normadressaat te typeren, dan is typering B (onverschillig/reactief) het vertrekpunt.

 

De handhaver bepaalt tot slot of er sprake is van verzachtende of verzwarende argumenten. Bij verzachtende argumenten wordt de in de interventiematrix gepositioneerde bevinding één segment naar links en vervolgens één segment naar onder verplaatst. Bij verzwarende argumenten, waaronder recidive, is de verplaatsing één segment naar rechts en vervolgens één segment naar boven. Als er meer verzachtende of verzwarende argumenten zijn, levert dit toch maar één verplaatsing op.

 

Als legalisatie van de bevinding mogelijk is, is dat de aangewezen weg gelet op de hieruit voortvloeiende rechtszekerheid voor alle betrokkenen. Dit laat het toepassen van de landelijke handhavingstrategie en de interventiematrix onverlet, omdat er maatregelen nodig kunnen zijn om de overtreding te beëindigen en de gevolgen te beperken of weg te nemen. Bij het toepassen van de interventiematrix is de mogelijkheid van legalisatie een verzachtende omstandigheid.

 

Er kunnen tot slot omstandigheden zijn om bij een bevinding van handhaven af te zien op basis van een vastgestelde gedoogstrategie. Onder gedogen wordt verstaan het expliciete besluit van een bestuursorgaan om tegen een bepaalde overtreding niet handhavend op te treden. De nota ‘Gedogen in Nederland’ 13 bevat het landelijke kader voor gedogen: een gedoogsituatie is van tijdelijke aard doordat het handelen binnen afziebare tijd ophoudt dan wel doordat waarschijnlijk een vergunning zal worden verleend. Ingeval tot gedogen wordt besloten dient het landelijke kader voor gedogen onverkort te worden gevolgd. Gedogen laat eventuele strafvervolging door het OM overigens onverlet.

 

3.2Stap 2 – Bepalen verzwarende aspecten

 

De handhaver bepaalt of er verzwarende aspecten zijn die moeten worden betrokken bij de afweging om het bestuurs- en/of strafrecht toe te passen. Hoe meer verzwarende aspecten, des te groter de reden om naast bestuursrechtelijk ook strafrechtelijk te handhaven. Vooral voor bevindingen die na stap 1 in de middensegmenten van de interventiematrix zijn gepositioneerd (A4, B3, B4, C2 en D2), kunnen de verzwarende aspecten reden zijn om naast bestuursrechtelijk ook strafrechtelijk op te treden. De volgende verzwarende aspecten worden afgewogen:

 

  • 1.

    Verkregen financieel voordeel (winst of besparing). De normadressaat heeft door zijn handelen financieel voordeel behaald of financieel voordeel halen was het doel.

 

  • 2.

    Status verdachte / voorbeeldfunctie. De normadressaat is: een regionaal of landelijk maatschappelijk aansprekende of bekende (rechts)persoon, een overheid, een toonaangevend brancheonderdeel, een certificerende instelling, een persoon die een openbaar ambt bekleedt, de eigen organisatie.

 

  • 3.

    Financiële sanctie heeft vermoedelijk geen effect. Een bestuurlijke boete kan waarschijnlijk niet geïnd worden of is waarschijnlijk door de normadressaat als (bedrijfs)kosten ingecalculeerd.

 

  • 4.

    Combinatie met andere relevante delicten. Andere handelingen zijn gepleegd ter verhulling van de feiten, zoals valsheid in geschrift, corruptie of witwassen.

  •  

  • 5.

    Medewerking van deskundige derden. De normadressaat is bij zijn handelen ondersteund door deskundige derden, zoals vergunningverlenende of certificerende instellingen, keuringinstanties en brancheorganisaties. De handhaver moet onderbouwen op grond van welke aanwijzingen hij het vermoeden heeft dat de deskundige derde op de hoogte was en/of medewerking heeft verleend aan de geconstateerde bevinding(en).

 

  • 6.

    Normbevestiging. Bij dit aspect geldt dat het doel van de handhaving ligt in het onder de aandacht brengen van het belang van een bepaalde norm bij de branche of bij het bredere publiek. Strafrechtelijke handhaving vindt mede plaats in het kader van normhandhaving of normbevestiging met het oog op grotere achterliggende te beschermen rechtsbelangen. Hierbij speelt de openbaarheid van het strafproces een grote rol. Als in het openbaar, door middel van een onderzoek ter terechtzitting of de publicatie van een persbericht bij een transactie of strafbeschikking, verantwoording wordt afgelegd van gepleegde strafbare feiten krijgt de normhandhaving of normbevestiging het juiste effect.

 

  • 7.

    Waarheidsvinding. Soms kan strafrechtelijk optreden met toepassing van opsporingsbevoegdheden met het oog op de strafrechtelijke waarheidsvinding en afdoening aangewezen zijn. Bijvoorbeeld als een controle of inspectie aanwijzingen aan het licht brengt dat er meer aan de hand is, maar de bestuursrechtelijke instrumenten ontoereikend zijn om de waarheid aan het licht te brengen.

 

3.3Stap 3 – Bepalen of overleg van het bestuur met politie en OM, dan wel van politie en OM met het bestuur, over de toepassing van het bestuurs- en/of strafrecht geïndiceerd is

 

De handhaver bepaalt of overleg over de toepassing van het bestuurs- en/of strafrecht geïndiceerd is op basis van de beoordeling van de bevinding met de interventiematrix (stap

1) en de afweging van verzwarende aspecten (stap 2). Dit overleg beoogt een weloverwogen inzet van het bestuursrecht, het bestuurs- én strafrecht of alleen het strafrecht. Dit overleg is

 

derhalve tweerichtingsverkeer: bestuursrechtelijke handhavers zoeken indien noodzakelijk het overleg op met politie en OM en omgekeerd.

 

Overleg over de toepassing van het bestuurs- en/of strafrecht is altijd noodzakelijk als de handhaver de bevinding na stap 1 heeft gepositioneerd in de middensegmenten (A4, B3, B4, C2, D2 en D1) of zware segmenten (C3, C4, D3 en D4) van de interventiematrix. Overleg kan ook zinvol zijn bij bevindingen die de handhaver weliswaar heeft gepositioneerd in de lichte segmenten van de interventiematrix (A1, A2, A3, B1, B2 en C1), maar waarbij er op grond van stap 2 sprake is van één of meer verzwarende aspecten.

 

In situaties waarin een handhavinginstantie een BSBm oplegt is overleg met het OM niet geïndiceerd en is strafrechtelijk optreden door het OM niet aan de orde.

 

Als de handhaver concludeert dat overleg over de toepassing van het bestuurs- en/of strafrecht geïndiceerd is, wordt gehandeld op basis van vooraf tussen bestuursrechtelijke handhavinginstanties, politie en OM gemaakte algemene afspraken over hun samenspel. Alleen zo kan accuraat en effectief optreden in voorkomende gevallen worden gewaarborgd, in het bijzonder als er sprake is van spoed en heterdaad. Situaties waarin de vooraf gemaakte algemene afspraken niet voorzien, zullen apart door handhavinginstantie, politie en OM worden beoordeeld, in een regulier overleg of door middel van ad hoc overleg als snelheid vereist is. Uit het overleg volgt hoe de betreffende bevinding wordt opgepakt: alleen bestuursrechtelijk, bestuurs- én strafrechtelijk of alleen strafrechtelijk. Het laatste veelal startend met een opsporingsonderzoek onder leiding van de Officier van Justitie.

 

Tenslotte is, afgezien van de interventiematrix, aangifte bij het OM standaard als toezicht- houders de volgende ernstige bevindingen doen:

  • Situaties waarin bewust het toezicht onmogelijk wordt gemaakt, zoals het weigeren van toegang, intimidatie, geweldsdreiging, fraude, vernietiging van bewijs en poging tot omkoping.

  • Situaties waarin de toezichthouder constateert dat er opzettelijk mensen in gevaar worden gebracht, door onder andere: sabotage, vernieling of het bewust verstrekken van verkeerde informatie.

3.4Stap 4 – Optreden met de interventiematrix

 

De landelijke handhavingstrategie gaat uit van het in principe zo licht mogelijk starten met interveniëren gericht op herstel en het vervolgens snel inzetten van zwaardere interventies als naleving uitblijft. De handhaver gebruikt de interventiematrix van figuur 3 daarbij als volgt:

  • 1.

    De handhaver kijkt naar de interventies in het segment van deze interventiematrix waarin hij de bevinding eerder met behulp van stap 1 (paragraaf 3.1) heeft gepositioneerd.

  • 2.

    De handhaver kiest voor de minst zware (combinatie) van de in het betreffende segment opgenomen interventies, tenzij de handhaver motiveert dat een andere (combinatie van) interventie(s) in de betreffende situatie passender is.

De interventies in de (segmenten van de) matrix lopen van beneden naar boven op in zwaarte. In bijlage 2 staan alle interventies eveneens van licht naar zwaar toegelicht.

 

Waar in de matrix van figuur 3 ‘PV’ staat betreft het de middelzware en zware segmenten die in stap 3 zijn afgestemd tussen handhavinginstantie en OM. Als in overleg is besloten dat het OM niet optreedt, zijn er in deze situaties de in figuur 3 aangegeven op herstel en/of op bestraffing gerichte bestuursrechtelijke interventies om te overwegen, en ook de BSBm als strafrechtelijke interventie.

 

Figuur 3: De interventiematrix voor het bepalen van de eerste interventie(s) – zie ook bijlage 2

 

De handhaver zet de betreffende (combinatie van) interventie(s) in totdat sprake is van naleving. Als naleving binnen de door de handhaver bepaalde termijn uitblijft, pakt de handhaver direct door, door middel van het inzetten van een zwaardere (combinatie van) interventie(s). In algemene zin geldt voor termijnen het volgende:

  • Gedragsvoorschriften dienen direct in acht genomen te worden. Hiervoor dient geen of hooguit een zeer korte termijn te worden gesteld om de overtreding te beëindigen en/of herhaling ervan te voorkomen.

  • In alle andere gevallen – waaronder ook plannen of voorzieningen waarvoor investeringen vereist zijn – geldt: hoe urgenter de situatie des te korter de termijn. Daarbij rekening houdend met de technische en organisatorische realiseerbaarheid in die termijn.

Het optreden in stap 4, zoals tot nu toe beschreven, heeft betrekking op gedane bevinding(en) die op grond van de interventiematrix worden aangepakt. Uiteraard kunnen handhavinginstanties aanvullend ook hun toezichtstrategie bij het betreffende bedrijf als zodanig aanpassen, in de zin van bijvoorbeeld het verhogen/verlagen van de toezichtfrequentie, het initiëren van de herijking van de vergunningensituatie, et cetera.

 

3.5Stap 5 – Vastlegging

 

De doorlopen stappen en genomen beslissingen worden verifieerbaar en transparant vastgelegd volgens de binnen de handhavinginstantie geldende administratieprocedures en - systemen, zodanig dat hieruit kan worden afgeleid dat is voldaan aan: het motiverings- beginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het verbod van willekeur en het verbod van misbruik van bevoegdheid.

 

Bijlage 1 – Begrippen

 

Begrip

Toelichting

Beginselplicht tot handhaven

Uitgangspunt dat het bevoegd gezagverplicht is om op te treden bij een geconstateerdeovertreding. De term‘beginselplicht’ impliceert dat er omstandigheden kunnenzijn om van handhaven en/ofhet opleggen van een sanctie af te zien. Ditis in het recht geregeld via artikel 5:5 Awb (het bestuursorgaanlegt geen bestuurlijke sanctie op voor zover voor de overtreding een rechtvaardigingsgrond bestond) en artikelen 39 en verder van het Wetboekvan strafrecht (strafuitsluitingsgronden). Uit de recht- spraak volgt voortsdat overwogen kan wordenvan handhaven af te zien als er concreet zicht op legalisatie bestaat, of wanneer handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding totde daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Bestuurlijk handhavingoverleg

Een overleg onder coördinatie van de provincie waaraande handhaving- partners deelnemen. Het BHO steltuitgaande van de landelijke hand- havingprioriteiten de regionale / lokale handhavingprioriteiten vast.

Bestuurlijk Omgevingsberaad

Centraal bestuurlijk overleg overhet stelsel VTH o.l.v de Minister van IenM,gericht op afstemming van de verschillende takenen verantwoor- delijkheden. Aan het Bestuurlijk omgevingsberaad doen in iedergeval mee: de ministers van I&M en V&J, drievertegenwoordigers van de omgevingsdiensten, vertegenwoordigers van de bevoegde overheden en het OM.

Bestuurlijkeboete

Een boete die door een daartoe bevoegde overheidsdienst zonder tussenkomst van het OM of een rechterkan worden opgelegd. Het CJIB verzorgt de inningen incasso van bestuurlijke boetes van diverse overheidsdiensten, waaronder de NVWA, de Inspectie SZW en de Inspectie Leefomgeving en Transport.

Bestuurlijke strafbeschikking milieu

Een strafrechtelijke boete die bij strafbeschikking wordt opgelegd ter afdoening van relatief eenvoudige overtredingen. De gevallen waarindit instrument kan worden toegepast zijn opgenomen in het Feitenboekje Bestuurlijke strafbeschikking milieu- en keurfeiten.

Bevinding

Waarneming die ten aanzien van een bepaald onderwerp van onderzoek tijdens eeninspectie wordt gedaan. Na beoordeling ervankunnen bevindingen leiden tot de kwalificatie wel/geen overtreding.

Functioneel Parket

Specialistisch, landelijk opererend onderdeel van het OM, dat zich toelegt op de bestrijding van complexe fraudeen milieucriminaliteit.

Fysieke leefomgeving

De fysieke leefomgeving omvatde inrichting van de woonwijk/gemeente inclusief de wegen, parken, industrieterreinen. De kwaliteit van de fysieke leefomgeving wordt deels bepaalddoor de milieukwaliteit.

Gedoogstrategie

Een bestuurlijk vastgesteld document, waarin is vastgelegd in welke situaties en onderwelke condities inzet van sancties tegenover overtreders tijdelijk achterwege kan blijven.

Handhaving

Het door toezicht bewerkstelligen en zo nodig met toepassing van bestuursrechtelijke of strafrechtelijke middelen bereiken dat de regelgeving wordt nageleefd.

Handhavingprogramma

Op onderkende risico’s en vastgestelde prioriteiten gericht handhaving- activiteitenprogramma, inclusief financiering en capaciteit.

Interventie

Actieve handelingom een geconstateerd probleem op te lossen.

Legalisatietoets

Toets om na te gaanof legalisatie van een overtreding mogelijk is.

Motiveringsbeginsel

In de Algemene wet bestuursrecht vastgelegd beginsel dat de overheid haarbesluiten goed moetmotiveren: de feitenmoeten kloppenen de motivering moetlogisch en begrijpelijk zijn.

 

Nalevingstrategie

Bestuurlijk vastgesteld document, waarin is vastgelegd met welke instrumenten naleving wordtgerealiseerd en welkerol handhaving daarbinnen speelt.Een nalevingstrategie bevat in iedergeval een toezichtstrategie, een sanctiestrategie en een gedoogstrategie.

Normadressaat

Natuurlijke of rechtspersoon voor wie eenbepaalde norm of voorschrift geldt.

OM

Openbaar Ministerie.

Omgevingsdiensten

Diensten van provincies en gemeenten voor de uitvoering van de VTH- taken. De Omgevingsdiensten werden eerder ook welaangeduid als Regionale Uitvoeringsdiensten (RUD’s).

Rechtsgelijkheid

Rechtsbeginsel dat bepaaltdat gelijke gevallen gelijk dienente worden behandeld en ongelijke verschillend naar de mate van het verschil.

Rechtvaardigingsgrond

Omstandigheid die de wederrechtelijkheid van een handeling bij nader inzienwegneemt. Mogelijke reden om uiteindelijk geen sanctie op te leggen.

Sanctie

Straf of maatregel die wordt toegepast als rechtsregels worden overschreden.

Sanctiestrategie

Bestuurlijk vastgesteld document, waarin de basisaanpak voor het bestuursrechtelijk en strafrechtelijk optreden bij overtredingen is vastgelegd. De sanctiestrategie omvatten minste:

  • a.

    een op elkaarafgestemd bestuursrechtelijk – strafrechtelijk optredentegen overtreding van de gestelde milieunormen;

  • b.

    een passende reactieop geconstateerde overtredingen;

  • c.

    een stringentere reactiebij voortduring van de overtreding;

  • d.

    een regeling voor optreden tegen overtredingen doorde eigen organisatie en andereoverheden;

  • e.

    transparantie over te stellen termijnen voorhet opheffen van (standaard)overtredingen en overde zwaarte van sancties daarvoor.

Schulduitsluitingsgrond

Omstandigheid die de verwijtbaarheid van een handeling bij nader inzien wegneemt. Mogelijke reden om uiteindelijk geen sanctie op te leggen.

Strafuitsluitingsgronden

Er zijn twee categorieën strafuitsluitingsgronden: rechtvaardigheids- gronden en schulduitsluitingsgronden. Zie aldaar.

Strategischemilieukamer

Overleg tussen het Functioneel Parket van het OM, de inspecteurs- generaalvan de ILT, NVWA en de Inspectie SZW, de Nationale Politie, een vertegenwoordiging vande Omgevingsdiensten en het bestuurlijk bevoegdgezag. De SMK stelt de landelijke prioriteiten vast voorde strafrechtelijke handhaving en de afstemming van de strafrechtelijke handhaving op de bestuurlijke handhaving.

Toezicht

Het controleren of en in hoeverre wettelijke bepalingen worden nageleefd.

Toezichtstrategie

Bestuurlijk vastgesteld document, waarin is vastgelegd welke vormen van toezicht worden onderscheiden en wat de basiswerkwijze daarbijis.

VTH kwaliteitscriteria

Kwaliteitscriteria die inzichtelijk maken welke kwaliteit burgers, bedrijven en instellingen, maar ook overheden onderling en opdrachtgevers mogen verwachten bij de uitvoering of de invulling van takenop het gebiedvan vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTHtaken).

Zorgvuldigheidsbeginsel

In de Algemene wet bestuursrecht vastgelegd rechtsbeginsel, dat de overheid een besluitzorgvuldig moetvoorbereiden en nemen:correcte handeling van de burger, zorgvuldig onderzoek naar de feiten en belangen, procedure goed volgenen deugdelijke besluitvorming.

 

Bijlage 2 – Toelichting interventies van licht naar zwaar

 

Bestuursrecht herstellend

 

Aanspreken/informeren

Aanspreken/informeren is een informele interventie (geen wettelijke basis) naar aanleiding van een inspectie die ertoe moet leiden dat de normadressaat naleeft of in staat is na te leven.

Aanspreken/informeren gebeurt mondeling, door het verstrekken van schriftelijke informatie of door verwijzing naar websites. Aanspreken/informeren is vooral aan de orde bij goedwillende normadressaten die onbedoeld niet naleven en die gemotiveerd zijn de niet naleving zo snel mogelijk zelf op te lossen.

 

Waarschuwen – brief met hersteltermijn

Waarschuwen betekent dat de normadressaat naar aanleiding van een inspectie een waarschuwingsbrief ontvangt. Daarin is opgenomen welke maatregelen of voorzieningen getroffen moeten worden om na te leven en binnen welke (redelijke) termijn. In de brief staat ook dat de handhavinginstantie verdergaande bestuursrechtelijke interventies zal nemen (LOB, LOD), als blijkt dat de in de waarschuwingsbrief opgenomen maatregelen of voorzieningen niet zijn getroffen na het verstrijken van de termijn.

 

Bestuurlijk gesprek

Een bestuurlijk gesprek met (de leiding van) de normadressaat in kwestie is een aanvullende escalerende interventie op waarschuwen.

 

Verscherpt toezicht

Verscherpt toezicht als interventie betreft het naar aanleiding van een inspectie meer of intensiever toezicht houden op de normadressaat. Een bestuurlijk gesprek zal hier vaak aan vooraf gaan.

Verscherpt toezicht moet worden aangekondigd, als ook onder welke voorwaarden het verscherpt toezicht weer zal worden opgeheven.

 

Last onder dwangsom – LOD

Een last onder dwangsom is een op herstel gerichte interventie voor het ongedaan maken van overtredingen en/of het voorkomen van verdere/herhaalde overtreding. De normadressaat krijgt een verplichting (een last) opgelegd om binnen een gegeven termijn de overtreding te beëindigen door iets te doen of na te laten op straffe van het verbeuren van een dwangsom wanneer de last niet tijdig wordt uitgevoerd. De op te leggen dwangsom moet voldoende hoog zijn om de overtreding te beëindigen. Een last onder dwangsom kan alleen worden opgelegd als hiervoor een wettelijke bevoegdheid bestaat.

 

Het opleggen van een last onder dwangsom gebeurt volgens zorgvuldig te volgen stappen. In het algemeen worden de volgende stappen doorlopen:

  • 1.

    Bestuurlijke waarschuwing, dat wil zeggen: het bekend maken van het voornemen om een last onder dwangsom op te leggen met een hersteltermijn plus de termijn om zienswijzen bekend te maken. Indien niet tijdig hersteld:

  • 2.

    Sanctiebeschikking, dat wil zeggen: het opleggen van een last onder dwangsom met een hersteltermijn. Indien niet tijdig hersteld:

  • 3.

    Verbeuren en innen dwangsom.

Last onder bestuursdwang – LOB

Een last onder bestuursdwang is een op herstel gerichte interventie voor het ongedaan maken van een overtreding waarbij de handhavinginstantie, wanneer de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd, op kosten van de overtreder, een overtreding beëindigt door zelf daadwerkelijk in te (laten) grijpen. Een last onder bestuursdwang kan alleen worden toegepast als hiervoor een wettelijke bevoegdheid bestaat.

 

Voor de last onder bestuursdwang gelden dezelfde zorgvuldig te doorlopen stappen als voor de last onder dwangsom. Ook hier kan, bijvoorbeeld in spoedeisende situaties, van deze stappen worden afgeweken:

 

  • 1.

    Bestuurlijke waarschuwing, dat wil zeggen: het bekend maken van het voornemen om een last onder bestuursdwang op te leggen met een hersteltermijn plus de termijn om zienswijzen bekend te maken. ndien niet tijdig hersteld:

  • 2.

    Sanctiebeschikking, dat wil zeggen: het opleggen van een last onder bestuursdwang met een hersteltermijn. Indien niet tijdig hersteld:

  • 3.

    Uitvoeren bestuursdwang.

 

In spoedeisende situaties en bij ernstige overtredingen is de last onder bestuursdwang de meest geschikte bestuursrechtelijke interventie. De handhavinginstantie kan verzoeken om onmiddellijke beëindiging van de overtreding. Als blijkt dat de normadressaat niet bereid is aan dit verzoek te voldoen, kan de handhavinginstantie zelf en in spoedeisende gevallen zonder voorafgaande last feitelijk optreden. Wel moet de handhavinginstantie zo spoedig mogelijk nadien alsnog een formele sanctiebeschikking uitvaardigen.

 

Tijdelijk stilleggen

Tijdelijk stilleggen betekent dat activiteiten of voertuigen als gevolg van de overtreding tijdelijk worden stilgelegd, tot de overtreding is hersteld en van naleving sprake is. Er kan aanleiding zijn om bij tijdelijk stilleggen beleid en/of politiek te informeren. Tijdelijk stilleggen kan onder de LOB vallen.

 

Bestuursrecht bestraffend

 

Bestuurlijke boete

Een bestuurlijke boete is een bestuurlijke bestraffende sanctie die door een daartoe bevoegde overheidsdienst zonder tussenkomst van het OM of een rechter kan worden opgelegd. Het CJIB verzorgt de inning en incasso van bestuurlijke boetes van diverse overheidsdiensten, waaronder de NVWA, de Inspectie SZW en de Inspectie Leefomgeving en Transport.

Een bestuurlijke boete houdt de onvoorwaardelijke verplichting in tot betaling van een geldsom en kan naast een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang worden opgelegd. Het opstellen van het boeterapport gebeurt door de toezichthouder/handhaver, maar de kennisgeving, beschikking en inning gebeuren door het boetebureau (o.a. CJIB). De maxima en bandbreedtes van boetebedragen zijn veelal vastgelegd in de wetgeving. Een belangrijk verschil met de BSBm is dat bezwaar en beroep bij het bestuursorgaan dienen te worden aangetekend, terwijl de normadressaat tegen de BSBm in verzet kan komen bij het OM.

 

Schorsen of intrekken vergunning, certificaat of erkenning

Als de normadressaat houder is van een begunstigend besluit (vergunning of ontheffing), dan kan het geheel of gedeeltelijk intrekken van dat besluit een passende interventie zijn. Deze interventie is met name passend als de normadressaat niet in actie komt naar aanleiding van eerdere correctieve interventies, zoals een last onder dwangsom. Het geheel of gedeeltelijk intrekken van een begunstigend besluit is een vergaande interventie die zorgvuldig moet worden voorbereid.

 

Exploitatieverbod, sluiting

Voor niet vergunningplichtige normadressaten bestaat de mogelijkheid op basis van de Fraudewet om het bedrijf te sluiten of de exploitatie ervan te verbieden. Ook dit zijn vergaande interventies die zorgvuldig moeten worden voorbereid en waarbij het informeren van beleid en politiek noodzakelijk is.

 

Strafrecht

 

Bestuurlijke strafbeschikking milieu – BSBm

De bestuurlijke strafbeschikking milieu is een op het strafrecht (artikel 257ba Wetboek van Strafvordering) gebaseerde interventie die daartoe bevoegde handhavinginstanties zonder tussenkomst van het OM kunnen opleggen. Voor feiten uit het zogenoemde ‘Feitenboekje Bestuurlijke Strafbeschikking Milieu- en Keurfeiten’ wordt een combibon uitgeschreven (geldboete) die ter afdoening wordt gezonden aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). De BSBm kan los van (óf óf), parallel met (én én) of volgtijdelijk aan (eerst…dan…) op herstel gerichte interventies worden ingezet.

 

De BSBm is bedoeld voor relatief eenvoudige overtredingen, waarbij er over de schuldvraag geen twijfel bestaat. De ‘Richtlijn bestuurlijke strafbeschikkingbevoegdheid milieu- en keurfeiten’ geeft in paragraaf 2.7 de beleidsvrijheid binnen gestelde grenzen aan en in paragraaf 2.8 de contra-indicaties

voor het uitvaardigen van een BSBm. Als geen BSBm kan worden uitgevaardigd is in veel gevallen overleg met het OM noodzakelijk.

 

Proces-verbaal (PV)

BOA’s die een strafbaar feit vermoeden of constateren, kunnen een PV opmaken. Dit optreden valt onder het strafrechtelijk optreden dat in deze landelijke handhavingstrategie is geregeld. Een PV is de basis voor het verdere optreden van het OM dat kan leiden tot sancties als: een geldboete, een werkstraf, een gevangenisstraf, ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, publicatie van het vonnis, stillegging van de onderneming en verbeurdverklaring.

 

GEMEENTEBLAD

Officiële uitgave van gemeente Amersfoort.

 

Nr. 18801

17 februari

2016

 

Sanctiebeleid Horeca gemeente Amersfoort

 

incl. stappenplan handhaving

Horeca (APV), Drank- en Horecawet, Wet op de Kansspelen, Coffeeshops

 

In dit sanctiebeleid legt de burgemeester vast op welke wijze hij reageert op geconstateerde overtredin- gen. Daarbij wordt per overtreding vastgelegd welk sanctiemiddel wordt ingezet en welke stappen er worden gezet in het handhavingstraject. Door dit vast te leggen in een sanctiebeleid, wordt er op een eenduidige manier opgetreden en is er geen sprake van willekeur.

 

Dit sanctiebeleid heeft betrekking op de horeca en - voor zover het gaat om de Drank- en Horecawet – andere verkopers van alcohol (slijterijen, supermarkten, etc.).

 

Algemene opmerkingen:

  • -

    De Algemene wet bestuursrecht (Awb) is van toepassing op besluiten van de burgemeester. Dit betekent dat voordat wordt besloten tot het opleggen van een last onder dwangsom, last onder bestuursdwang, bestuurlijke boete en het schorsen of intrekken van een vergunning in beginsel eerst een voornemen wordt bekendgemaakt. De ondernemer wordt daarbij in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze (reactie) naar voren te brengen. Pas daarna zal een definitief besluit worden genomen. Tegen de definitieve besluiten staat vervolgens bezwaar open.

  • -

    N.B. Dit geldt niet voor de bestuurlijke strafbeschikking. De strafbeschikking is een strafrechtelijk sanctiemiddel en hierop is de Awb niet van toepassing.

 

  • -

    De stappenplannen worden toegepast per ondernemer en niet per horecabedrijf. Als een onder- nemer zijn onderneming tussentijds overdraagt aan een ander, begint de nieuwe exploitant met een schone lei. Dit is anders als de ondernemingsvorm wijzigt, maar (één van de) oorspronkelijke ondernemer(s) nog steeds betrokken is bij de zaak.

  • -

    Voor elk stappenplan geldt in beginsel een verjaringstermijn van 1 jaar (tenzij bij het stappenplan een afwijkende verjaringstermijn wordt genoemd). Na iedere geconstateerde overtreding gaat de verjaringstermijn opnieuw lopen. Wordt er binnen een jaar opnieuw een overtreding gecon- stateerd, dan volgt de sanctie uit de volgende stap. Wordt er binnen het jaar geen overtreding geconstateerd, dan begint de ondernemer weer met een schone lei.

  • <