﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE trblad PUBLIC "-//SDU//DTD tractatenblad xml 1.1//NL" "../../dtd/trblad-11.dtd"[]>
<trblad publtype="trac">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/trb-2001-136/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>TRACTATENBLAD</titel>
    <subtitel>VAN HET</subtitel>
    <subtitel>KONINKRIJK DER NEDERLANDEN</subtitel>
    <subtitel>Jaargang 2001 Nr. 136</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.3" conv="prod1.5__2.0" markup="xa"></versie>
    <ordernr>TRB2658</ordernr>
    <sysnr>
      <dosnr>32</dosnr>
      <dosjaar>2001</dosjaar>
      <nummer>1</nummer>
    </sysnr>
    <jaargang>2001</jaargang>
    <nummer>136</nummer>
  </frontm>
  <body>
    <hfdsta>
      <nr>A.</nr>
      <gtxt> TITEL</gtxt>
      <titel>Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België
tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan
van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met
Protocollen;</titel>
      <plaats>Luxemburg</plaats>
      <gtxt>, </gtxt>
      <datum>5 juni 2001 </datum>
    </hfdsta>
    <hfdst>
      <nr>B.</nr>
      <titel>TEKST</titel>
      <verdrag>
        <taal taal="nl">
          <tuskop letat="vet">Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk
België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van
het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het
vermogen</tuskop>
          <al>De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden</al>
          <al>en</al>
          <witreg></witreg>
          <al>de Regering van het Koninkrijk België,</al>
          <witreg></witreg>
          <al>Wensende dat door beide Staten een nieuw Verdrag wordt gesloten tot het
vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting
inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, zijn het volgende
overeengekomen:</al>
          <tuskop letat="rom">HOOFDSTUK I </tuskop>
          <al>WERKINGSSFEER VAN HET VERDRAG</al>
          <artkop id="ART0">
            <nr>Artikel 1</nr>
            <titel>Personen op wie het Verdrag van toepassing is</titel>
          </artkop>
          <al>Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of
van beide verdragsluitende Staten.</al>
          <artkop id="ART1">
            <nr>Artikel 2</nr>
            <titel>Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is</titel>
          </artkop>
          <al>1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar
het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve
van een verdragsluitende Staat, van de staatkundige onderdelen of plaatselijke
publiekrechtelijke lichamen daarvan.</al>
          <al>2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd
alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele
vermogen, of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, daaronder
begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende
of onroerende goederen, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen
betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering.</al>
          <al>3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn
met name:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>in België: </al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>1°</nr>
            <al>de personenbelasting;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>2°</nr>
            <al>de vennootschapsbelasting;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>3°</nr>
            <al>de rechtspersonenbelasting;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>4°</nr>
            <al>de belasting van niet-inwoners;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>5°</nr>
            <al>de aanvullende crisisbijdrage;</al>
          </inspring>
          <al>met inbegrip van de voorheffingen, de opcentiemen op die belastingen en
voorheffingen, alsmede de aanvullende belastingen op de personenbelasting,</al>
          <al>(hierna te noemen „Belgische belasting");</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>in Nederland:</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>1°</nr>
            <al>de inkomstenbelasting;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>2°</nr>
            <al>de loonbelasting;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>3°</nr>
            <al>de vennootschapsbelasting, daaronder
begrepen het aandeel van de Regering in de netto winsten behaald met de exploitatie
van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnwet 1810 met betrekking
tot concessies uitgegeven vanaf 1967, of geheven krachtens de Nederlandse
Mijnwet continentaal plat 1965;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>4°</nr>
            <al>de dividendbelasting;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>5°</nr>
            <al>de vermogensbelasting;</al>
          </inspring>
          <al>(hierna te noemen: „Nederlandse belasting").</al>
          <al>4. Het Verdrag is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige
belastingen die na de datum van de ondertekening van het Verdrag naast of
in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten
van de verdragsluitende Staten delen elkaar alle wezenlijke wijzigingen die
in hun onderscheidene belastingwetten zijn aangebracht, mede.</al>
          <tuskop letat="rom">HOOFDSTUK II </tuskop>
          <al>BEGRIPSBEPALINGEN</al>
          <artkop id="ART2">
            <nr>Artikel 3</nr>
            <titel>Algemene begripsbepalingen</titel>
          </artkop>
          <al>1. Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>1° betekent de uitdrukking „een
verdragsluitende Staat" het Koninkrijk België of het Koninkrijk der Nederlanden,
al naar de context vereist; betekent de uitdrukking „verdragsluitende
Staten" het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr></nr>
            <al>2° betekent de uitdrukking „België"
het Koninkrijk België; gebruikt in geografische zin, betekent zij het
territorium van het Koninkrijk België, daarin inbegrepen de territoriale
zee en de maritieme zones en de luchtgebieden waarover, in overeenstemming
met het internationaal recht, het Koninkrijk België soevereine rechten
of zijn jurisdictie uitoefent;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr></nr>
            <al>3° betekent de uitdrukking „Nederland"
het deel van het Koninkrijk der Nederlanden dat in Europa is gelegen, met
inbegrip van zijn territoriale zee en elk gebied buiten de territoriale zee
waarbinnen Nederland, in overeenstemming met het internationale recht, rechtsbevoegdheid
heeft of soevereine rechten uitoefent met betrekking tot de zeebodem, de ondergrond
daarvan en de daarboven gelegen wateren, en hun natuurlijke rijkdommen;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>omvat de uitdrukking „persoon" een
natuurlijke persoon, een vennootschap en elke andere vereniging van personen;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c.</nr>
            <al>betekent de uitdrukking „vennootschap"
elke rechtspersoon of elke eenheid die voor de belastingheffing in de verdragsluitende
Staat waarvan zij inwoner is, als een rechtspersoon wordt behandeld;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>d.</nr>
            <al>betekenen de uitdrukkingen „onderneming
van een verdragsluitende Staat" en „onderneming van de andere verdragsluitende
Staat" onderscheidenlijk een onderneming gedreven door een inwoner van een
verdragsluitende Staat en een onderneming gedreven door een inwoner van de
andere verdragsluitende Staat;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>e.</nr>
            <al>betekent de uitdrukking „internationaal
verkeer" alle vervoer met een schip, binnenschip of luchtvaartuig, geëxploiteerd
door een onderneming waarvan de plaats van werkelijke leiding in een verdragsluitende
Staat is gelegen, behalve wanneer het schip, binnenschip of luchtvaartuig
uitsluitend wordt geëxploiteerd tussen plaatsen die in de andere verdragsluitende
Staat zijn gelegen;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>f.</nr>
            <al>betekent de uitdrukking „bevoegde
autoriteit":</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>1°</nr>
            <al>in België, de Minister van Financiën
of zijn bevoegde vertegenwoordiger, en</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>2°</nr>
            <al>in Nederland, de Minister van Financiën
of zijn bevoegde vertegenwoordiger;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>g.</nr>
            <al>betekent de uitdrukking „onderdanen":</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>1°</nr>
            <al>alle natuurlijke personen die de nationaliteit
van een verdragsluitende Staat bezitten;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>2°</nr>
            <al>alle vennootschappen en verenigingen
die hun rechtspositie als zodanig ontlenen aan de wetgeving die in een verdragsluitende
Staat van kracht is.</al>
          </inspring>
          <al>2. Voor de toepassing van het Verdrag op enig ogenblik door een verdragsluitende
Staat heeft, tenzij de context anders vereist, elke daarin niet omschreven
uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking op dat ogenblik heeft volgens
de wetgeving van die Staat met betrekking tot de belastingen waarop het Verdrag
van toepassing is; elke betekenis onder de toepasselijke belastingwetgeving
van die Staat heeft voorrang op de betekenis welke die uitdrukking heeft onder
de andere wetten van die Staat. </al>
          <artkop id="ART3">
            <nr>Artikel 4</nr>
            <titel>Inwoner</titel>
          </artkop>
          <al>1. Voor de toepassing van dit Verdrag betekent de uitdrukking „inwoner
van een verdragsluitende Staat" iedere persoon die, ingevolge de wetgeving
van die Staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats,
verblijf, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid. Deze
uitdrukking omvat echter niet een persoon die in die Staat slechts aan belasting
is onderworpen ter zake van inkomsten uit bronnen in die Staat of van vermogen
dat in die Staat is gelegen.</al>
          <al>2. Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van paragraaf
1 inwoner van beide verdragsluitende Staten is, wordt zijn situatie op de
volgende wijze bepaald:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>hij wordt geacht alleen inwoner te zijn
van de Staat waar hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft; indien
hij in beide Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt
hij geacht alleen inwoner te zijn van de Staat waarmede zijn persoonlijke
en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen);</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>indien niet kan worden bepaald in welke
Staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft of indien hij in geen
van de Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht
alleen inwoner te zijn van de Staat waar hij gewoonlijk verblijft;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c.</nr>
            <al>indien hij in beide Staten of in geen van
beide gewoonlijk verblijft, wordt hij geacht alleen inwoner te zijn van de
Staat waarvan hij onderdaan is;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>d.</nr>
            <al>indien hij onderdaan is van beide Staten
of van geen van beide, regelen de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende
Staten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.</al>
          </inspring>
          <al>3. Indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen
van paragraaf 1 inwoner is van beide verdragsluitende Staten, wordt hij geacht
alleen inwoner te zijn van de Staat waar de plaats van zijn werkelijke leiding
is gelegen.</al>
          <artkop id="ART4">
            <nr>Artikel 5</nr>
            <titel>Vaste inrichting</titel>
          </artkop>
          <al>1. Voor de toepassing van dit Verdrag betekent de uitdrukking „vaste
inrichting" een vaste bedrijfsinrichting met behulp waarvan de werkzaamheden
van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.</al>
          <al>2. De uitdrukking „vaste inrichting" omvat in het bijzonder:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>een plaats waar leiding wordt gegeven; </al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>een filiaal;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c.</nr>
            <al>een kantoor;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>d.</nr>
            <al>een fabriek;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>e.</nr>
            <al>een werkplaats; en</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>f.</nr>
            <al>een mijn, een olie- of gasbron, een steengroeve
of enige andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen.</al>
          </inspring>
          <al>3. De plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of installatiewerkzaamheden
is slechts dan een vaste inrichting indien de duur daarvan twaalf maanden
overschrijdt.</al>
          <al>4. Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel wordt de
uitdrukking „vaste inrichting" niet geacht te omvatten:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>het gebruik maken van inrichtingen, uitsluitend
voor opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende
goederen of koopwaar;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>het aanhouden van een voorraad van aan de
onderneming toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor opslag, uitstalling
of aflevering;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c.</nr>
            <al>het aanhouden van een voorraad van aan de
onderneming toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor bewerking
of verwerking door een andere onderneming;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>d.</nr>
            <al>het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting,
uitsluitend om voor de onderneming goederen of koopwaar aan te kopen of inlichtingen
in te winnen;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>e.</nr>
            <al>het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting,
uitsluitend om voor de onderneming enige andere werkzaamheid uit te oefenen
die van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>f.</nr>
            <al>het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting,
uitsluitend voor een combinatie van de in de subparagrafen a tot en met e
genoemde werkzaamheden, mits het totaal van de werkzaamheden van de vaste
bedrijfsinrichting dat uit deze combinatie voortvloeit van voorbereidende
aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft.</al>
          </inspring>
          <al>5. Indien een persoon – niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger
op wie paragraaf 6 van toepassing is – voor een onderneming werkzaam
is en in een verdragsluitende Staat een machtiging bezit om namens de onderneming
overeenkomsten af te sluiten en dit recht aldaar gewoonlijk uitoefent, wordt
die onderneming, niettegenstaande de bepalingen van de paragrafen 1 en 2,
geacht een vaste inrichting in die Staat te hebben voor alle werkzaamheden
welke deze persoon voor de onderneming verricht, tenzij de werkzaamheden van
die persoon beperkt blijven tot de in paragraaf 4 vermelde werkzaamheden die,
indien zij met behulp van een vaste bedrijfsinrichting zouden worden verricht,
die vaste bedrijfsinrichting niet tot een vaste inrichting zouden stempelen
ingevolge de bepalingen van die paragraaf.</al>
          <al>6. Een onderneming wordt niet geacht een vaste inrichting in een verdragsluitende
Staat te bezitten op grond van de enkele omstandigheid dat zij aldaar zaken
doet door middel van een makelaar, een algemeen commissionair of enige andere
onafhankelijke vertegenwoordiger, op voorwaarde dat deze personen in de normale
uitoefening van hun bedrijf handelen. Deze bepaling is niet van toepassing
op een vertegenwoordiger die uitsluitend voor rekening van een of ten hoogste
twee  verzekeringsondernemingen handelt en die een machtiging bezit om namens
die onderneming of ondernemingen overeenkomsten af te sluiten en dit recht
gewoonlijk uitoefent.</al>
          <al>7. De enkele omstandigheid dat een vennootschap die inwoner is van een
verdragsluitende Staat, een vennootschap beheerst of door een vennootschap
wordt beheerst, die inwoner is van de andere verdragsluitende Staat of die
in die andere Staat zaken doet (hetzij met behulp van een vaste inrichting,
hetzij op andere wijze), stempelt één van beide vennootschappen
niet tot een vaste inrichting van de andere.</al>
          <tuskop letat="rom">HOOFDSTUK III</tuskop>
          <al>BELASTINGHEFFING NAAR INKOMEN</al>
          <artkop id="ART5">
            <nr>Artikel 6</nr>
            <titel>Inkomsten uit onroerende goederen</titel>
          </artkop>
          <al>1. Inkomsten die een inwoner van een verdragsluitende Staat verkrijgt
uit in de andere verdragsluitende Staat gelegen onroerende goederen (inkomsten
uit landbouw- of bosbedrijven daaronder begrepen) mogen in die andere Staat
worden belast.</al>
          <al>2. De uitdrukking „onroerende goederen" heeft de betekenis die
daaraan wordt toegekend door het recht van de verdragsluitende Staat waar
de desbetreffende goederen zijn gelegen. De uitdrukking omvat in ieder geval
de goederen die bij de onroerende goederen behoren, levende en dode have van
landbouw- en bosbedrijven, rechten waarop de bepalingen van het privaatrecht
betreffende de grondeigendom van toepassing zijn, vruchtgebruik van onroerende
goederen en rechten op veranderlijke of vaste vergoedingen ter zake van de
exploitatie, of het recht tot exploitatie, van minerale aardlagen, bronnen
en andere natuurlijke rijkdommen; schepen, binnenschepen en luchtvaartuigen
worden niet als onroerende goederen beschouwd.</al>
          <al>3. De bepalingen van paragraaf 1 zijn van toepassing op inkomsten verkregen
uit het rechtstreekse genot, uit het verhuren of verpachten, of uit elke andere
vorm van exploitatie van onroerende goederen.</al>
          <al>4. De bepalingen van de paragrafen 1 en 3 zijn ook van toepassing op inkomsten
uit onroerende goederen van een onderneming en op inkomsten uit onroerende
goederen gebezigd voor de uitoefening van een zelfstandig beroep. </al>
          <artkop id="ART6">
            <nr>Artikel 7</nr>
            <titel>Ondernemingswinst</titel>
          </artkop>
          <al>1. Winst van een onderneming van een verdragsluitende Staat is slechts
in die Staat belastbaar, tenzij de onderneming in de andere verdragsluitende
Staat haar bedrijf uitoefent met behulp van een aldaar gevestigde vaste inrichting.
Indien de onderneming aldus haar bedrijf uitoefent, mag de winst van de onderneming
in de andere Staat worden belast, maar slechts in zoverre als zij aan die
vaste inrichting kan worden toegerekend.</al>
          <al>2. Onder voorbehoud van de bepalingen van paragraaf 3 wordt, indien een
onderneming van een verdragsluitende Staat in de andere verdragsluitende Staat
haar bedrijf uitoefent met behulp van een aldaar gevestigde vaste inrichting,
in elke verdragsluitende Staat aan die vaste inrichting de winst toegerekend
die zij geacht zou kunnen worden te behalen indien zij een onafhankelijke
onderneming zou zijn, die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden zou uitoefenen
onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden en die geheel onafhankelijk
zou handelen met de onderneming waarvan zij een vaste inrichting is.</al>
          <al>3. Bij het bepalen van de winst van een vaste inrichting worden in aftrek
toegelaten kosten, daaronder begrepen kosten van leiding en algemene beheerskosten,
die ten behoeve van de vaste inrichting zijn gemaakt, hetzij in de Staat waar
de vaste inrichting is gevestigd, hetzij elders.</al>
          <al>4. Voor zover het in een verdragsluitende Staat gebruikelijk is de aan
een vaste inrichting toe te rekenen winst te bepalen op basis van een verdeling
van de totale winst van de onderneming over haar verschillende delen, belet
paragraaf 2 die verdragsluitende Staat niet de te belasten winst te bepalen
volgens de gebruikelijke verdeling; de gevolgde methode van verdeling moet
echter zodanig zijn dat het resultaat in overeenstemming is met de in dit
artikel neergelegde beginselen.</al>
          <al>5. Geen winst wordt aan een vaste inrichting toegerekend enkel op grond
van aankoop door die vaste inrichting van goederen of koopwaar voor de onderneming.</al>
          <al>6. Voor de toepassing van de voorgaande paragrafen wordt de aan de vaste
inrichting toe te rekenen winst van jaar tot jaar volgens dezelfde methode
bepaald, tenzij er een goede en genoegzame reden bestaat om hiervan af te
wijken.</al>
          <al>7. Indien in de winst inkomstenbestanddelen zijn begrepen die afzonderlijk
in andere artikelen van dit Verdrag worden behandeld, worden de bepalingen
van die artikelen niet aangetast door de bepalingen van dit artikel. </al>
          <artkop id="ART7">
            <nr>Artikel 8</nr>
            <titel>Zeevaart, binnenvaart en luchtvaart</titel>
          </artkop>
          <al>1. Winst uit de exploitatie van schepen, binnenschepen of luchtvaartuigen
in internationaal verkeer is slechts belastbaar in de verdragsluitende Staat
waar de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen.</al>
          <al>2. Voor de toepassing van dit artikel omvat winst verkregen uit de exploitatie
van schepen, binnenschepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer onder
meer:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>winst verkregen uit de verhuring van bemande
schepen, binnenschepen of luchtvaartuigen en winst verkregen uit de incidentele
verhuring van onbemande schepen, binnenschepen of luchtvaartuigen gebruikt
in internationaal verkeer;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>winst verkregen uit het gebruik of de verhuring
van laadkisten, op voorwaarde dat die winst aanvullend of bijkomend is ten
opzichte van de winst waarop de bepalingen van paragraaf 1 van toepassing
zijn;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c.</nr>
            <al>winst verkregen uit de exploitatie van binnenschepen
anders dan in internationaal verkeer, in geval het vervoer per binnenschip
plaatsvindt in het verlengde van vervoer per schip in internationaal verkeer
en wordt uitgevoerd onder hetzelfde contract als, respectievelijk voor dezelfde
opdrachtgever als, dat vervoer per schip in internationaal verkeer.</al>
          </inspring>
          <al>3. Indien de plaats van de werkelijke leiding van een zeescheepvaart-onderneming
of een binnenscheepvaartonderneming zich aan boord van een schip of binnenschip
bevindt, wordt deze plaats geacht te zijn gelegen in de verdragsluitende Staat
waar het schip of het binnenschip zijn thuishaven heeft, of, indien er geen
thuishaven is, in de verdragsluitende Staat waarvan de exploitant van het
schip of het binnenschip inwoner is.</al>
          <al>4. De bepalingen van paragraaf 1 zijn ook van toepassing op winst verkregen
uit de deelneming in een „pool", een gemeenschappelijk bedrijf of een
internationaal opererend agentschap.</al>
          <artkop id="ART8">
            <nr>Artikel 9</nr>
            <titel>Verbonden ondernemingen</titel>
          </artkop>
          <al>1. Indien</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>een onderneming van een verdragsluitende
Staat onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding van, aan het toezicht
op, dan wel in het kapitaal van een onderneming van de andere verdragsluitende
Staat, of</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>dezelfde personen onmiddellijk of middellijk
deelnemen aan de leiding van, aan het toezicht op, dan wel in het kapitaal
van een onderneming van een verdragsluitende Staat en van een onderneming
van de andere verdragsluitende Staat, </al>
            <al>en, in het ene of in het andere
geval, tussen de twee ondernemingen in hun handelsbetrekkingen of financiële
betrekkingen, voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd die afwijken van
die welke zouden worden overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen,
mag winst die één van de ondernemingen zonder deze voorwaarden
zou hebben behaald maar ten gevolge van die voorwaarden niet heeft behaald,
worden begrepen in de winst van die onderneming en dienovereenkomstig worden
belast.</al>
          </inspring>
          <al>2. Indien een verdragsluitende Staat in de winst van een onderneming van
die Staat winst opneemt – en dienovereenkomstig belast – terzake
waarvan een onderneming van de andere verdragsluitende Staat in die andere
Staat is belast, en de aldus opgenomen winst bestaat uit winst die de onderneming
van de eerstbedoelde Staat zou hebben behaald indien tussen de twee ondernemingen
zodanige voorwaarden zouden zijn overeengekomen als tussen onafhankelijke
ondernemingen zouden zijn overeengekomen, herziet de andere Staat op passende
wijze het bedrag aan belasting dat aldaar over die winst is geheven. Bij deze
herziening wordt rekening gehouden met de overige bepalingen van dit Verdrag
en, indien nodig, plegen de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende
Staten overleg met elkaar.</al>
          <artkop id="ART9">
            <nr>Artikel 10</nr>
            <titel>Dividenden</titel>
          </artkop>
          <al>1. Dividenden betaald door een vennootschap die inwoner is van een verdragsluitende
Staat aan een inwoner van de andere verdragsluitende Staat, mogen in die andere
Staat worden belast.</al>
          <al>2. Deze dividenden mogen echter ook in de verdragsluitende Staat waarvan
de vennootschap die de dividenden betaalt inwoner is, overeenkomstig de wetgeving
van die Staat worden belast, maar indien de uiteindelijk gerechtigde tot de
dividenden inwoner is van de andere verdragsluitende Staat, mag de aldus geheven
belasting niet hoger zijn dan:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>5 percent van het brutobedrag van de dividenden
indien de uiteindelijk gerechtigde een vennootschap is die onmiddellijk ten
minste 10 percent bezit van het kapitaal van de vennootschap die de dividenden
betaalt;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>15 percent van het brutobedrag van de dividenden
in alle andere gevallen.</al>
          </inspring>
          <al>3. De bepalingen van paragraaf 2 laten onverlet de belastingheffing van
de vennootschap ter zake van de winst waaruit de dividenden worden betaald.</al>
          <al>4. De uitdrukking „dividenden", zoals gebezigd in dit artikel,
betekent inkomsten uit aandelen, winstaandelen of winstbewijzen, mijnaandelen,
oprichtersaandelen of andere rechten op een aandeel in de winst, met uitzondering
van schuldvorderingen, alsmede inkomsten uit andere vennootschappelijke rechten
die volgens de wetgeving van de Staat waarvan de uitkerende vennootschap inwoner
is op dezelfde wijze als inkomsten uit aandelen in de belastingheffing worden
betrokken.</al>
          <al>5. De bepalingen van de paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing indien
de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden, die inwoner is van een verdragsluitende
Staat, in de andere verdragsluitende Staat waarvan de vennootschap die de
dividenden betaalt inwoner is, een bedrijf met behulp van een aldaar gevestigde
vaste inrichting of een zelfstandig beroep door middel van een aldaar gevestigde
vaste basis uitoefent en het aandelenbezit uit hoofde waarvan de dividenden
worden betaald met die vaste inrichting of die vaste basis wezenlijk is verbonden.
In dat geval zijn de bepalingen van artikel 7 of van artikel 14, naar het
geval, van toepassing.</al>
          <al>6. Indien een vennootschap die inwoner is van een verdragsluitende Staat
winst of inkomsten verkrijgt uit de andere verdragsluitende Staat, mag die
andere Staat geen belasting heffen op dividenden die door de vennootschap
worden betaald, behalve voor zover die dividenden aan een inwoner van die
andere Staat worden betaald of voor zover het aandelenbezit uit hoofde waarvan
de dividenden worden betaald wezenlijk is verbonden met een in die andere
Staat gevestigde vaste inrichting of vaste basis, noch de niet-uitgedeelde
winst van de vennootschap onderwerpen aan een belasting op niet-uitgedeelde
winst, zelfs indien de betaalde dividenden of de niet-uitgedeelde winst geheel
of gedeeltelijk bestaan uit winst of inkomsten die uit die andere Staat afkomstig
zijn.</al>
          <al>7. Inkomsten verkregen als stille (commanditaire) vennoot uit winstaandelen
in een onderneming van één van de verdragsluitende Staten mogen
in die Staat overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast.</al>
          <artkop id="ART10">
            <nr>Artikel 11</nr>
            <titel>Interest</titel>
          </artkop>
          <al>1. Interest afkomstig uit een verdragsluitende Staat en betaald aan een
inwoner van de andere verdragsluitende Staat mag in die andere Staat worden
belast.</al>
          <al>2. Deze interest mag echter ook in de verdragsluitende Staat waaruit hij
afkomstig is overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar
indien de uiteindelijk gerechtigde tot de interest inwoner is van de andere
verdragsluitende Staat, mag de aldus geheven belasting niet hoger zijn dan
10 percent van het brutobedrag van de interest.</al>
          <al>3. In afwijking van het bepaalde in paragraaf 2 mag interest in de verdragsluitende
Staat waaruit hij afkomstig is, niet worden belast,</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>indien de uiteindelijk gerechtigde tot die
interest een onderneming van de andere verdragsluitende Staat is en het niet
handelt om interest van door effecten aan toonder vertegenwoordigde leningen
of gelddeposito's;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>indien het handelt om interest van door
effecten aan toonder vertegenwoordigde leningen of gelddeposito's en de uiteindelijk
gerechtigde tot de interest een onderneming van de andere verdragsluitende
Staat is die het bank- of verzekeringsbedrijf uitoefent en de desbetreffende
effecten ten minste drie maanden in bezit heeft voorafgaand aan de datum van
betaalbaarstelling van de interest;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c.</nr>
            <al>indien het handelt om interest van handelsschuldvorderingen –
met inbegrip van vorderingen vertegenwoordigd door handelspapier – wegens
termijnbetaling voor leveringen van koopwaar, goederen of diensten door ondernemingen;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>d.</nr>
            <al>indien interest wordt betaald uit hoofde
van een lening die is toegestaan, gewaarborgd of verzekerd, of een krediet
dat is verleend, gewaarborgd of verzekerd, in het kader van een algemeen stelsel
dat door een verdragsluitende Staat, een van zijn staatkundige onderdelen,
plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, de NV De Nederlandsche Bank
of de Nationale Bank van België is georganiseerd waarvan het doel bestaat
uit het bevorderen van de uitvoer;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>e.</nr>
            <al>indien de interest wordt betaald aan de
andere verdragsluitende Staat, een staatkundig onderdeel, een plaatselijk
publiekrechtelijk lichaam daarvan of aan de NV De Nederlandsche Bank of aan
de Nationale Bank van België.</al>
          </inspring>
          <al>4. De uitdrukking „interest", zoals gebezigd in dit artikel, betekent
inkomsten uit schuldvorderingen van welke aard ook, al dan niet gewaarborgd
door hypotheek of al dan niet aanspraak gevend op een aandeel in de winst
van de schuldenaar, niet zijnde de winstaandelen als bedoeld in artikel 10,
paragraaf 7, van dit Verdrag, en in het bijzonder inkomsten uit overheidsleningen
en inkomsten uit obligaties of schuldbewijzen, daaronder begrepen de aan zodanige
leningen, obligaties of schuldbewijzen verbonden premies van allerlei aard.
Voor de toepassing van dit artikel worden boeten voor laattijdige betaling
niet als interest behandeld.</al>
          <al>5. De bepalingen van de paragrafen 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing
indien de uiteindelijk gerechtigde tot de interest, die inwoner is van een
verdragsluitende Staat, in de andere verdragsluitende Staat waaruit de interest
afkomstig is, een bedrijf met behulp van een aldaar gevestigde vaste inrichting
of een zelfstandig beroep door middel van een aldaar gevestigde vaste basis
uitoefent en de schuldvordering uit hoofde waarvan de interest is verschuldigd
met die vaste inrichting of die vaste basis wezenlijk is verbonden. In dat
geval zijn de bepalingen van artikel 7 of van artikel 14, naar het geval,
van toepassing.</al>
          <al>6. Interest wordt geacht uit een verdragsluitende Staat afkomstig te zijn
indien de schuldenaar die Staat zelf is, een staatkundig onderdeel, een plaatselijk
publiekrechtelijk lichaam of een inwoner van die Staat. Indien evenwel de
schuldenaar van de interest, ongeacht of hij inwoner van een verdragsluitende
Staat is of niet, in een verdragsluitende Staat een vaste inrichting of een
vaste basis heeft waarvoor de schuld, terzake waarvan de interest wordt betaald
is aangegaan en de interest ten laste komt van die vaste inrichting of die
vaste basis, wordt die interest geacht afkomstig te zijn uit de Staat waar
de vaste inrichting of de vaste basis is gevestigd.</al>
          <al>7. Indien, ten gevolge van een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar
en de uiteindelijk gerechtigde of tussen hen beiden en een derde, het bedrag
van de interest, gelet op de schuldvordering waarvoor hij wordt betaald, hoger
is dan het bedrag dat zonder zulk een verhouding door de schuldenaar en de
uiteindelijk gerechtigde zou zijn overeengekomen, zijn de bepalingen van dit
artikel slechts op het laatstbedoelde bedrag van toepassing. In dat geval
is het daarboven uitgaande deel van de betalingen belastbaar overeenkomstig
de wetgeving van elke verdragsluitende Staat en met inachtneming van de overige
bepalingen van dit Verdrag.</al>
          <al>8. Niettegenstaande de bepalingen van de paragrafen 1, 2 en 3, mag interest
betaald door een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal, die volgens
de wetgeving van een verdragsluitende Staat inwoner is van die Staat, aan
een natuurlijke persoon die inwoner is van de andere verdragsluitende Staat
ook in eerstbedoelde verdragsluitende Staat worden belast overeenkomstig de
wetgeving van die Staat, indien die natuurlijke persoon – al dan niet
te zamen met zijn echtgenoot – dan wel een van hun bloed- of aanverwanten
in de rechte lijn onmiddellijk of middellijk ten minste vijf percent bezit
van het geplaatste kapitaal van een soort aandelen van die vennootschap. Deze
bepaling vindt alleen toepassing wanneer de natuurlijke persoon aan wie de
interest wordt betaald in de loop van de laatste tien jaren voorafgaande aan
het jaar waarin die interest wordt betaald inwoner van de eerstbedoelde Staat
is geweest en mits op het tijdstip waarop hij inwoner werd van de andere verdragsluitende
Staat werd voldaan aan eerdergenoemde voorwaarden ten aanzien van het aandelenbezit
in eerdergenoemde vennootschap.</al>
          <al>Deze bepaling geldt alleen in situaties waarin aan de natuurlijke persoon
een aanslag is opgelegd ter zake van de bij diens emigratie uit die verdragsluitende
Staat aangenomen vervreemding van de in de vorige alinea bedoelde aandelen
en zolang er van deze aanslag nog een bedrag openstaat. </al>
          <artkop id="ART11">
            <nr>Artikel 12</nr>
            <titel>Royalty's</titel>
          </artkop>
          <al>1. Royalty's afkomstig uit een verdragsluitende Staat en betaald aan een
inwoner van de andere verdragsluitende Staat zijn slechts in die andere Staat
belastbaar, indien die inwoner de uiteindelijk gerechtigde tot de royalty's
is.</al>
          <al>2. De uitdrukking „royalty's", zoals gebezigd in dit artikel, betekent
vergoedingen van welke aard ook voor het gebruik van, of voor het recht van
gebruik van, een auteursrecht op een werk op het gebied van letterkunde, kunst
of wetenschap, daaronder begrepen bioscoopfilms en films of banden voor radio
of televisie, van een octrooi, een fabrieks- of handelsmerk, een tekening,
een model, een plan, een geheim recept of een geheime werkwijze of voor inlichtingen
omtrent ervaringen op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap.</al>
          <al>3. De bepalingen van paragraaf 1 zijn niet van toepassing indien de uiteindelijk
gerechtigde tot de royalty's, die inwoner is van een verdragsluitende Staat,
in de andere verdragsluitende Staat waaruit de royalty's afkomstig zijn een
bedrijf met behulp van een aldaar gevestigde vaste inrichting of een zelfstandig
beroep door middel van een aldaar gevestigde vaste basis uitoefent en het
recht of het goed uit hoofde waarvan de royalty's verschuldigd zijn met die
vaste inrichting of die vaste basis wezenlijk is verbonden. In dat geval zijn
de bepalingen van artikel 7 of van artikel 14, naar het geval, van toepassing.</al>
          <al>4. Royalty's worden geacht uit een verdragsluitende Staat afkomstig te
zijn indien de schuldenaar die Staat zelf is, een staatkundig onderdeel, een
plaatselijk publiekrechtelijk lichaam of een inwoner van die Staat. Indien
evenwel de schuldenaar van de royalty's, ongeacht of hij inwoner van een verdragsluitende
Staat is of niet, in een verdragsluitende Staat een vaste inrichting of een
vaste basis heeft waarvoor de verbintenis, uit hoofde waarvan de royalty's
worden betaald is aangegaan en die de last van de royalty's draagt, worden
die royalty's geacht afkomstig te zijn uit de Staat waar de vaste inrichting
of de vaste basis is gevestigd.</al>
          <al>5. Indien, ten gevolge van een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar
en de uiteindelijk gerechtigde of tussen hen beiden en een derde, het bedrag
van de royalty's, gelet op het gebruik, het recht of de inlichtingen waarvoor
zij worden betaald, hoger is dan het bedrag dat zonder zulk een verhouding
door de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde zou zijn overeengekomen,
zijn de bepalingen van dit artikel slechts op het laatstbedoelde bedrag van
toepassing. In dat geval is het daarboven uitgaande deel van de betalingen
belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elke verdragsluitende Staat en
met inachtneming van de overige bepalingen van dit Verdrag. </al>
          <artkop id="ART12">
            <nr>Artikel 13</nr>
            <titel>Vermogenswinst</titel>
          </artkop>
          <al>1. Voordelen die een inwoner van een verdragsluitende Staat verkrijgt
uit de vervreemding van onroerende goederen zoals bedoeld in artikel 6 die
in de andere verdragsluitende Staat zijn gelegen, mogen in die andere Staat
worden belast.</al>
          <al>2. Voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende goederen die deel
uitmaken van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting die een onderneming
van een verdragsluitende Staat in de andere verdragsluitende Staat heeft,
of van roerende goederen die behoren tot een vaste basis die een inwoner van
een verdragsluitende Staat in de andere verdragsluitende Staat tot zijn beschikking
heeft voor de uitoefening van een zelfstandig beroep, daaronder begrepen voordelen
verkregen uit de vervreemding van die vaste inrichting (alleen of te zamen
met de gehele onderneming) of van die vaste basis, mogen in die andere Staat
worden belast.</al>
          <al>3. Voordelen verkregen uit de vervreemding van schepen, binnenschepen
of luchtvaartuigen die in internationaal verkeer worden geëxploiteerd,
of van roerende goederen die bij de exploitatie van die schepen, binnenschepen
of luchtvaartuigen worden gebruikt, zijn slechts belastbaar in de verdragsluitende
Staat waar de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen.
Het bepaalde van artikel 8, paragraaf 3, vindt hierbij toepassing.</al>
          <al>4. Voordelen verkregen uit de vervreemding van alle andere goederen dan
die vermeld in de paragrafen 1, 2 en 3 zijn slechts belastbaar in de verdragsluitende
Staat waarvan de vervreemder inwoner is.</al>
          <al>5. Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 4, mag een verdragsluitende
Staat overeenkomstig zijn eigen wetgeving, de betekenis van de uitdrukking „vervreemding"
daaronder begrepen, belasting heffen over voordelen door een natuurlijke persoon
die inwoner is van de andere verdragsluitende Staat verkregen uit de vervreemding
van aandelen in, winstbewijzen van of schuldvorderingen op, een vennootschap
met een in aandelen verdeeld kapitaal, die volgens de wetgeving van de eerstbedoelde
verdragsluitende Staat inwoner is van die Staat, alsmede uit de vervreemding
van een gedeelte van de in die aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen
besloten liggende rechten, indien die natuurlijke persoon – al dan niet
tezamen met zijn echtgenoot – dan wel een van hun bloed- of aanverwanten
in de rechte lijn onmiddellijk of middellijk ten minste vijf percent bezit
van het geplaatste kapitaal van een soort van aandelen van die vennootschap.
Deze bepaling vindt alleen toepassing wanneer de natuurlijke persoon die de
voordelen verkrijgt in de loop van de laatste tien jaren voorafgaande aan
het jaar waarin die voordelen worden verkregen inwoner van de eerstbedoelde
Staat is geweest en mits op het tijdstip waarop hij inwoner werd van de andere
verdragsluitende Staat werd voldaan aan eerdergenoemde voorwaarden ten aanzien
van het aandelenbezit in eerdergenoemde vennootschap.</al>
          <al>Deze bepaling geldt alleen in situaties waarin aan de natuurlijke persoon
een aanslag is opgelegd ter zake van de bij diens emigratie uit die verdragsluitende
Staat aangenomen vervreemding van de in de vorige alinea bedoelde aandelen,
winstbewijzen, schuldvorderingen of rechten en zolang er van deze aanslag
nog een bedrag openstaat. </al>
          <artkop id="ART13">
            <nr>Artikel 14</nr>
            <titel>Zelfstandige beroepen</titel>
          </artkop>
          <al>1. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 16, paragrafen 2, 3
en 4, zijn inkomsten verkregen door een inwoner van een verdragsluitende Staat
in de uitoefening van een vrij beroep of ter zake van andere werkzaamheden
van zelfstandige aard slechts in die Staat belastbaar, tenzij die inwoner
in de andere verdragsluitende Staat voor het verrichten van zijn werkzaamheden
geregeld over een vaste basis beschikt. Indien hij over zulk een vaste basis
beschikt, mogen de inkomsten in de andere Staat worden belast, maar slechts
in zoverre als zij aan die vaste basis kunnen worden toegerekend.</al>
          <al>2. De uitdrukking „vrij beroep" omvat in het bijzonder zelfstandige
werkzaamheden op het gebied van wetenschap, letterkunde, kunst, opvoeding
of onderwijs, alsmede de zelfstandige werkzaamheden van artsen, advocaten,
ingenieurs, architecten, tandartsen en accountants.</al>
          <artkop id="ART14">
            <nr>Artikel 15</nr>
            <titel>Niet-zelfstandige beroepen</titel>
          </artkop>
          <al>1. Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 16, 18, 19 en 20
zijn lonen, salarissen en andere soortgelijke beloningen verkregen door een
inwoner van een verdragsluitende Staat ter zake van een dienstbetrekking slechts
in die Staat belastbaar, tenzij de dienstbetrekking in de andere verdragsluitende
Staat wordt uitgeoefend. Indien de dienstbetrekking aldaar wordt uitgeoefend,
mogen de ter zake daarvan verkregen beloningen in die andere Staat worden
belast.</al>
          <al>2. Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 1 zijn beloningen verkregen
door een inwoner van een verdragsluitende Staat ter zake van een in de andere
verdragsluitende Staat uitgeoefende dienstbetrekking slechts in de eerstbedoelde
Staat belastbaar, indien:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>de genieter in de andere Staat verblijft
gedurende een tijdvak of tijdvakken, die in een tijdvak van twaalf maanden
beginnend of eindigend in het desbetreffende belastingjaar een totaal van
183 dagen niet te boven gaan, en </al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>de beloningen worden betaald door of namens
een werkgever die geen inwoner van de andere Staat is, en</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c.</nr>
            <al>de beloningen niet ten laste komen van een
vaste inrichting of een vaste basis, die de werkgever in de andere Staat heeft.</al>
          </inspring>
          <al>3. Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel is de beloning
verkregen ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een
schip, binnenschip of luchtvaartuig, slechts belastbaar in de verdragsluitende
Staat waar de plaats van de werkelijke leiding is gelegen van de onderneming
die dat schip, binnenschip of luchtvaartuig exploiteert.</al>
          <artkop id="ART15">
            <nr>Artikel 16</nr>
            <titel>Vennootschapsleiding</titel>
          </artkop>
          <al>1. Beloningen die een persoon die inwoner is van een verdragsluitende
Staat verkrijgt van een vennootschap die inwoner is van de andere verdragsluitende
Staat ter zake van de uitoefening van een opdracht of taak als bestuurder,
zaakvoerder, vereffenaar of ter zake van de uitoefening van functies die volgens
de wetgeving van die andere Staat als soortgelijke functies worden beschouwd,
mogen in die andere Staat worden belast.</al>
          <al>2. Beloningen die een persoon die inwoner is van een verdragsluitende
Staat verkrijgt van een vennootschap die inwoner is van de andere verdragsluitende
Staat ter zake van de uitoefening – buiten het kader van een dienstbetrekking –
van een leidende werkzaamheid of leidende functie van dagelijks bestuur, van
commerciële, technische of financiële aard, mogen in die andere
staat worden belast.</al>
          <al>3. Beloningen die een persoon die inwoner is van een verdragsluitende
Staat verkrijgt van een vennootschap die inwoner is van de andere verdragsluitende
Staat ter zake van de uitoefening – buiten het kader van een dienstbetrekking –
van werkzaamheden andere dan deze vermeld in de paragrafen 1 en 2 mogen in
die andere Staat worden belast.</al>
          <al>4. Niettegenstaande de bepalingen van de paragrafen 2 en 3 mogen de aldaar
bedoelde beloningen die een persoon verkrijgt ter zake van de uitoefening
van die werkzaamheden in een vaste inrichting gevestigd in de andere verdragsluitende
Staat dan die waarvan de vennootschap inwoner is en die door deze vaste inrichting
worden gedragen, in die andere Staat worden belast.</al>
          <artkop id="ART16">
            <nr>Artikel 17</nr>
            <titel>Artiesten en sportbeoefenaars</titel>
          </artkop>
          <al>1. Niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 14 en 15 mogen inkomsten
die een inwoner van een verdragsluitende Staat verkrijgt uit zijn persoonlijke
werkzaamheden die hij in de andere verdragsluitende Staat verricht in de hoedanigheid
van artiest, zoals toneelspeler, film-, radio- of televisieartiest, of musicus,
of in de hoedanigheid van sportbeoefenaar, in die andere Staat worden belast.</al>
          <al>2. Indien inkomsten uit werkzaamheden die een artiest of een sportbeoefenaar
persoonlijk en als zodanig verricht niet worden toegekend aan de artiest of
aan de sportbeoefenaar zelf maar aan een andere persoon, mogen die inkomsten,
niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 7, 14 en 15, worden belast
in de verdragsluitende Staat waar de werkzaamheden van de artiest of de sportbeoefenaar
worden verricht.</al>
          <al>3. De bepalingen van de paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing indien
de werkzaamheden die in een verdragsluitende Staat worden verricht voor een
wezenlijk deel worden gefinancierd uit de openbare middelen van de andere
verdragsluitende Staat, een staatkundig onderdeel, of een plaatselijk publiekrechtelijk
lichaam daarvan. In dat geval zijn de inkomsten welke uit die werkzaamheden
worden verkregen slechts in die andere verdragsluitende Staat belastbaar.</al>
          <artkop id="ART17">
            <nr>Artikel 18</nr>
            <titel>Pensioenen, lijfrenten, sociale zekerheidsuitkeringen en alimentatieuitkeringen</titel>
          </artkop>
          <al>1. a. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 19, paragraaf 2,
zijn pensioenen en andere soortgelijke beloningen betaald aan een inwoner
van een verdragsluitende Staat ter zake van een vroegere dienstbetrekking,
alsmede lijfrenten en uitkeringen – al dan niet periodiek – uit
pensioensparen, pensioenfondsen en groepsverzekeringen betaald aan een inwoner
van een verdragsluitende Staat, slechts in die Staat belastbaar.</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>Pensioenen en andere al dan niet periodieke
uitkeringen die worden betaald ter uitvoering van de sociale wetgeving van
een verdragsluitende Staat aan een inwoner van de andere verdragsluitende
Staat zijn slechts in de laatstbedoelde Staat belastbaar.</al>
          </inspring>
          <al>2. Niettegenstaande het bepaalde in paragraaf 1, mag een daar bedoeld
inkomstenbestanddeel ook worden belast in de verdragsluitende Staat waaruit
dit inkomstenbestanddeel afkomstig is, overeenkomstig de wetgeving van die
Staat, indien en voor zover:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>wat betreft inkomstenbestanddelen als bedoeld
in paragraaf 1, subparagraaf a, de aanspraak op dat inkomstenbestanddeel in
de verdragsluitende Staat waaruit het afkomstig is van belasting is vrijgesteld,
dan wel de bijdragen die daarvoor zijn betaald aan het pensioenfonds, pensioenspaarfonds
of de vennootschap die het inkomstenbestanddeel verschuldigd is, in het verleden
bij het bepalen van het in die Staat belastbare inkomen in aftrek zijn gebracht,
dan wel anderszins in het verleden in die Staat in aanmerking zijn gekomen
voor fiscale faciliëring; en </al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>wat betreft inkomstenbestanddelen als bedoeld
in paragraaf 1, subparagrafen a en b, dat inkomstenbestanddeel in de verdragsluitende
Staat waarvan de genieter ervan inwoner is niet tegen het algemeen van toepassing
zijnde belastingtarief voor inkomsten verkregen uit niet zelfstandige beroepen,
dan wel het brutobedrag van dit inkomstenbestanddeel voor minder dan 90 percent,
in de belastingheffing wordt betrokken.</al>
          </inspring>
          <al>Het vorenstaande is echter uitsluitend van toepassing indien het totale
brutobedrag van de inkomstenbestanddelen die op grond van het vorenstaande
in de verdragsluitende Staat waaruit zij afkomstig zijn, belastbaar zouden
zijn, in het kalenderjaar een bedrag van 25.000 euro te boven gaat.</al>
          <al>3. Niettegenstaande het bepaalde in de paragrafen 1 en 2, mag een in paragraaf
1 bedoeld pensioen, andere soortgelijke beloning, lijfrente of uitkering,
indien dit pensioen of deze andere soortgelijke beloning, lijfrente of uitkering
geen periodiek karakter draagt en uitbetaling plaatsvindt vóór
de datum waarop dit pensioen of deze andere soortgelijke beloning, lijfrente
of uitkering in zou moeten gaan, ook in de verdragsluitende Staat waaruit
dit pensioen of deze andere soortgelijke beloning, lijfrente of uitkering
afkomstig is worden belast.</al>
          <al>4. Een in paragraaf 1, subparagraaf a bedoeld inkomstenbestanddeel wordt
geacht afkomstig te zijn uit een verdragsluitende Staat indien en voorzover
de aanspraak op dit inkomstenbestanddeel, dan wel de daarmee samenhangende
bijdragen aan dit inkomstenbestanddeel in die Staat in aanmerking zijn gekomen
voor een fiscale faciliëring. De ingevolge dit artikel aan een verdragsluitende
Staat toegekende heffingsrechten worden op geen enkele wijze beperkt door
de overdracht van een in paragraaf 1 bedoeld inkomstenbestanddeel van een
in een verdragsluitende Staat gevestigd pensioenfonds, pensioenspaarfonds
of vennootschap naar een in een andere staat gevestigd pensioenfonds, pensioenspaarfonds
of vennootschap.</al>
          <al>5. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende Staten regelen in
onderlinge overeenstemming de wijze van toepassing van paragraaf 2. Daarin
wordt tevens geregeld welke gegevens de inwoner van een verdragsluitende Staat
ten behoeve van een juiste toepassing van het Verdrag in de andere verdragsluitende
Staat moet overleggen, met name om te kunnen vaststellen of al dan niet voldaan
is aan de omstandigheden als bedoeld in paragraaf 2.</al>
          <al>6. Niettegenstaande de paragrafen 1, 2 en 3 mogen uitkeringen, die worden
betaald ter uitvoering van de sociale wetgeving van een verdragsluitende Staat
aan een in die Staat in dienstbetrekking werkzame natuurlijke persoon die
inwoner is van de andere verdragsluitende Staat, omdat die natuurlijke persoon
vanwege ziekte, gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid of overtolligheid die
dienstbetrekking niet of niet volledig daadwerkelijk kan vervullen, voor een
periode van maximaal 1 jaar, dan wel zoveel langer als de natuurlijke persoon
nog beloningen geniet ter zake van het daadwerkelijk vervullen van bedoelde
dienstbetrekking, worden belast in de verdragsluitende Staat waarin de beloningen
genoten ter zake van de daadwerkelijk vervulde dienstbetrekking mogen worden
belast.</al>
          <al>7. De uitdrukking „lijfrente" betekent een vaste som, periodiek
betaalbaar op vaste tijdstippen, hetzij gedurende het leven, hetzij gedurende
een vastgesteld of voor vaststelling vatbaar tijdvak, ingevolge een verbintenis
tot het doen van betalingen, welke tegenover een voldoende en volledige tegenprestatie
in geld of geldswaarde staat.</al>
          <al>8. Alimentatieuitkeringen en andere soortgelijke betalingen afkomstig
uit een verdragsluitende Staat en die worden betaald aan een inwoner van de
andere verdragsluitende Staat, zijn slechts belastbaar in die andere Staat.
De uitdrukking „alimentatieuitkeringen en andere soortgelijke betalingen"
als bedoeld in deze paragraaf betekent periodieke uitkeringen ingevolge een
wettelijke verplichting tot onderhoud of ingevolge een schriftelijke overeenkomst
tot scheiding, dan wel een afkoopsom in plaats daarvan.</al>
          <artkop id="ART18">
            <nr>Artikel 19</nr>
            <titel>Overheidsfuncties</titel>
          </artkop>
          <al>1. a. Lonen, salarissen en andere soortgelijke beloningen, niet zijnde
pensioenen, betaald door een verdragsluitende Staat of een staatkundig onderdeel
of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan, aan een natuurlijke persoon,
ter zake van diensten bewezen aan die Staat of dat onderdeel of dat publiekrechtelijk
lichaam, mogen in die Staat worden belast.</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>Die lonen, salarissen en andere soortgelijke
beloningen zijn evenwel slechts in de andere verdragsluitende Staat belastbaar
indien de diensten in die Staat worden bewezen en de natuurlijke persoon inwoner
van die Staat is, die:</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>1°</nr>
            <al>onderdaan is van die Staat, of</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>2°</nr>
            <al>niet uitsluitend met het oog op het
bewijzen van de diensten inwoner van die Staat is geworden.</al>
          </inspring>
          <al>2. a. Pensioenen door een verdragsluitende Staat of een staatkundig onderdeel
of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan, hetzij rechtstreeks, hetzij
uit door hen in het leven geroepen fondsen, betaald aan een natuurlijke persoon
ter zake van diensten bewezen aan die Staat of aan dat onderdeel of dat publiekrechtelijk
lichaam, mogen in die Staat worden belast.</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>Die pensioenen zijn evenwel slechts in de
andere verdragsluitende Staat belastbaar indien de natuurlijke persoon inwoner
en onderdaan is van die Staat. </al>
          </inspring>
          <al>3. De bepalingen van de artikelen 15, 16, 17 en 18 zijn van toepassing
op lonen, salarissen en andere soortgelijke beloningen, en op pensioenen,
betaald ter zake van diensten bewezen in het kader van een op winst gericht
bedrijf uitgeoefend door een verdragsluitende Staat of een staatkundig onderdeel
of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan.</al>
          <artkop id="ART19">
            <nr>Artikel 20</nr>
            <titel>Leraren en studenten</titel>
          </artkop>
          <al>1. Beloningen, van welke aard ook, van hoogleraren en andere leden van
het onderwijzend personeel, die inwoner zijn van een verdragsluitende Staat
en in de andere verdragsluitende Staat verblijven om aldaar aan een universiteit
of een andere officieel erkende onderwijsinrichting, onderwijs te geven of
zich met wetenschappelijk onderzoek bezig te houden, zijn in die andere Staat
vrijgesteld van belasting gedurende een tijdvak van ten hoogste twee jaar
vanaf de datum van de feitelijke aanvang van die functie door die personen
in de andere Staat.</al>
          <al>2. Paragraaf 1 is niet van toepassing op inkomsten uit het verrichten
van wetenschappelijk onderzoek, indien dit onderzoek niet wordt verricht in
het algemeen belang, maar in de eerste plaats voor het persoonlijke nut van
een bepaalde persoon of bepaalde personen.</al>
          <al>3. Bedragen die een student of een voor een beroep of bedrijf in opleiding
zijnde persoon die inwoner is, of onmiddellijk vóór zijn bezoek
aan een verdragsluitende Staat inwoner was, van de andere verdragsluitende
Staat en die uitsluitend voor zijn studie of opleiding in de eerstbedoelde
Staat verblijft, ontvangt ten behoeve van zijn onderhoud, studie of opleiding,
zijn in die Staat niet belastbaar, op voorwaarde dat die bedragen afkomstig
zijn uit bronnen buiten die Staat.</al>
          <artkop id="ART20">
            <nr>Artikel 21</nr>
            <titel>Andere inkomsten</titel>
          </artkop>
          <al>1. Ongeacht de afkomst ervan zijn bestanddelen van het inkomen van een
inwoner van een verdragsluitende Staat die niet in de voorgaande artikelen
van dit Verdrag worden behandeld en die in die Staat zijn belast, slechts
in die Staat belastbaar.</al>
          <al>2. De bepaling van paragraaf 1 is niet van toepassing op inkomsten, niet
zijnde inkomsten uit onroerende goederen als omschreven in artikel 6, paragraaf
2, indien de verkrijger van die inkomsten, die inwoner is van een verdragsluitende
Staat, in de andere verdragsluitende Staat een bedrijf met behulp van een
aldaar gevestigde vaste inrichting of een zelfstandig beroep met behulp van
een aldaar gevestigde vaste basis uitoefent en het recht of het goed dat de
inkomsten oplevert met die vaste inrichting of die vaste basis wezenlijk is
verbonden. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 7 of van artikel 14,
naar het geval, van toepassing. </al>
          <tuskop letat="rom">HOOFDSTUK IV</tuskop>
          <al>BELASTINGHEFFING NAAR HET VERMOGEN</al>
          <artkop id="ART21">
            <nr>Artikel 22</nr>
            <titel>Vermogen</titel>
          </artkop>
          <al>1. Vermogen bestaande uit onroerende goederen als omschreven in artikel
6, die een inwoner van een verdragsluitende Staat bezit en die in de andere
verdragsluitende Staat zijn gelegen, mag in die andere Staat worden belast.</al>
          <al>2. Vermogen bestaande uit roerende goederen die deel uitmaken van het
bedrijfsvermogen van een vaste inrichting die een onderneming van een verdragsluitende
Staat in de andere verdragsluitende Staat heeft of uit roerende goederen die
behoren tot een vaste basis die een inwoner van een verdragsluitende Staat
in de andere verdragsluitende Staat tot zijn beschikking heeft voor de uitoefening
van een zelfstandig beroep, mag in die andere Staat worden belast.</al>
          <al>3. Vermogen bestaande uit schepen, binnenschepen en luchtvaartuigen die
in internationaal verkeer worden geëxploiteerd, alsmede uit roerende
goederen die bij de exploitatie van die schepen, binnenschepen of luchtvaartuigen
worden gebruikt, is slechts belastbaar in de verdragsluitende Staat waar de
plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen. Het bepaalde
van artikel 8, paragraaf 3 vindt hierbij toepassing.</al>
          <al>4. Alle andere bestanddelen van het vermogen van een inwoner van een verdragsluitende
Staat zijn slechts in die Staat belastbaar.</al>
          <tuskop letat="rom">HOOFDSTUK V</tuskop>
          <al>WIJZE WAAROP DUBBELE BELASTING WORDT VERMEDEN</al>
          <artkop id="ART22">
            <nr>Artikel 23</nr>
          </artkop>
          <al>1. In België wordt dubbele belasting op de volgende wijze vermeden:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>Indien een inwoner van België inkomsten
verkrijgt, andere dan dividenden, interest of royalty's als zijn bedoeld in
artikel 12, paragraaf 5, of bestanddelen van een vermogen bezit die ingevolge
de bepalingen van dit Verdrag, in Nederland zijn belast, stelt België
deze inkomsten of deze bestanddelen van vermogen vrij van belasting, maar
om het bedrag van de belasting op het overige inkomen of vermogen van die
inwoner te berekenen mag België het belastingtarief toepassen dat van
toepassing zou zijn indien die inkomsten of die bestanddelen van het vermogen
niet waren vrijgesteld. </al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>Onder voorbehoud van de bepalingen van de
Belgische wetgeving betreffende de verrekening van in het buitenland betaalde
belastingen met de Belgische belasting wordt, indien een inwoner van België
inkomsten verkrijgt die deel uitmaken van zijn samengetelde inkomen dat aan
de Belgische belasting is onderworpen en bestaan uit dividenden die niet van
Belgische belasting zijn vrijgesteld ingevolge subparagraaf c hierna, uit
interest of uit royalty's als zijn bedoeld in artikel 12, paragraaf 5, de
op die inkomsten geheven Nederlandse belasting in mindering gebracht van de
Belgische belasting op die inkomsten.</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c.</nr>
            <al>Dividenden die een vennootschap die inwoner
is van België verkrijgt van een vennootschap die inwoner is van Nederland,
worden in België vrijgesteld van de vennootschapsbelasting op de voorwaarden
en binnen de grenzen die in de Belgische wetgeving zijn bepaald.</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>d.</nr>
            <al>Indien verliezen die een onderneming gedreven
door een inwoner van België in een in Nederland gelegen vaste inrichting
heeft geleden, voor de belastingheffing van die onderneming in België
volgens de Belgische wetgeving werkelijk in mindering van de winsten van die
onderneming zijn gebracht, is de vrijstelling ingevolge subparagraaf a in
België niet van toepassing op de winst van andere belastbare tijdperken
die aan die inrichting kan worden toegerekend, in zoverre als deze winst ook
in Nederland door de verrekening van die verliezen van belasting is vrijgesteld.</al>
          </inspring>
          <al>2. In Nederland wordt dubbele belasting op de volgende wijze vermeden:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>Nederland is bevoegd bij het heffen van
belasting van zijn inwoners in de grondslag waarnaar de belasting wordt geheven,
de bestanddelen van het inkomen of het vermogen te begrijpen die overeenkomstig
de bepalingen van dit Verdrag in België mogen worden belast.</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>Indien echter een inwoner van Nederland
bestanddelen van het inkomen verkrijgt of vermogensbestanddelen bezit die
volgens artikel 6, artikel 7, artikel 10, paragrafen 5 en 7, artikel 11, paragraaf
5, artikel 12, paragraaf 3, artikel 13, paragrafen 1 en 2, artikel 14, artikel
15, paragraaf 1, artikel 18, paragrafen 2, 3 en 6, artikel 19, paragraaf 1,
subparagraaf a, en paragraaf 2, subparagraaf a, artikel 21, paragraaf 2, en
artikel 22, paragrafen 1 en 2, van dit Verdrag in België mogen worden
belast en die in de in paragraaf 2, subparagraaf a, bedoelde grondslag zijn
begrepen, stelt Nederland deze bestanddelen vrij door een vermindering van
zijn belasting toe te staan. Deze vermindering wordt berekend overeenkomstig
de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting.
Te dien einde worden genoemde bestanddelen geacht te zijn begrepen in het
bedrag van de bestanddelen van het inkomen of het vermogen die ingevolge die
bepalingen van Nederlandse belasting zijn vrijgesteld.</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c.</nr>
            <al>Nederland verleent voorts een aftrek op
de aldus berekende Nederlandse belasting voor die bestanddelen van het inkomen
die volgens artikel 10, paragraaf 2, artikel 11, paragraaf 2, artikel 16 en
artikel 17 van dit Verdrag in België mogen worden belast, in zoverre
deze bestanddelen in de in paragraaf 2, subparagraaf a, bedoelde grondslag
zijn begrepen. Het bedrag van deze aftrek wordt berekend overeenkomstig de
bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting.</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>d.</nr>
            <al>Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf
2, subparagraaf b verleent Nederland een aftrek op de Nederlandse belasting
voor de in België betaalde belasting op bestanddelen van het inkomen
die volgens artikel 7, artikel 10, paragraaf 5, artikel 11, paragraaf 5, artikel
12, paragraaf 3, artikel 14, en artikel 21, paragraaf 2, van dit Verdrag in
België mogen worden belast, voor zover deze bestanddelen in de in paragraaf
2, subparagraaf a, bedoelde grondslag zijn begrepen, indien en voor zover
Nederland volgens de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden
van dubbele belasting een aftrek verleent op de Nederlandse belasting voor
de in een ander land over die bestanddelen van het inkomen geheven belasting.
Voor de berekening van deze aftrek is de bepaling van subparagraaf c van deze
paragraaf van overeenkomstige toepassing.</al>
          </inspring>
          <al>3. Indien een inwoner van een van de verdragsluitende Staten interest
als bedoeld in artikel 11, paragraaf 8, geniet, die in overeenstemming met
artikel 11, paragraaf 8, in de andere verdragsluitende Staat mag worden belast,
staat die andere verdragsluitende Staat van zijn belasting op die inkomsten
een aftrek toe. Het bedrag van die aftrek is gelijk aan de belasting die in
eerstgenoemde verdragsluitende Staat op de genoemde inkomsten is geheven,
maar bedraagt in geen geval meer dan dat deel van de in de andere verdragsluitende
Staat geheven belasting zoals berekend voordat de aftrek is toegestaan, dat
toerekenbaar is aan die interest.</al>
          <tuskop letat="rom">HOOFDSTUK VI</tuskop>
          <al>BIJZONDERE BEPALINGEN</al>
          <artkop id="ART23">
            <nr>Artikel 24</nr>
            <titel>Werkzaamheden buitengaats</titel>
          </artkop>
          <al>1. De bepalingen van dit artikel vinden toepassing niettegenstaande enigerlei
andere bepalingen van dit Verdrag. Dit artikel is echter niet van toepassing
indien werkzaamheden buitengaats van een persoon voor die persoon een vaste
inrichting vormen ingevolge de bepalingen van artikel 5 of een vaste basis
waarop de bepalingen van artikel 14 toepassing vinden.</al>
          <al>2. In dit artikel betekent de uitdrukking „werkzaamheden buitengaats"
werkzaamheden die buitengaats worden verricht in verband met de exploratie
of exploitatie van de in een verdragsluitende Staat gelegen zeebodem en de
ondergrond daarvan en hun natuurlijke rijkdommen. </al>
          <al>3. Een onderneming van een verdragsluitende Staat die in de andere verdragsluitende
Staat werkzaamheden buitengaats verricht wordt, onder voorbehoud van paragraaf
4 van dit artikel, geacht ter zake van die werkzaamheden in de andere Staat
een bedrijf uit te oefenen met behulp van een aldaar gevestigde vaste inrichting,
tenzij de desbetreffende werkzaamheden buitengaats in de andere Staat worden
verricht gedurende een tijdvak of tijdvakken die in een tijdvak van twaalf
maanden een totaal van 30 dagen niet te boven gaan.</al>
          <al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>indien een vennootschap in de andere verdragsluitende
Staat werkzaamheden buitengaats verricht en verbonden is met een andere vennootschap,
welke andere vennootschap als onderdeel van hetzelfde project dezelfde werkzaamheden
buitengaats voortzet die worden of werden uitgevoerd door de eerstbedoelde
vennootschap, en de hiervoor bedoelde door beide vennootschappen verrichte
activiteiten bij elkaar opgeteld een tijdvak van 30 dagen te boven gaan, iedere
vennootschap geacht haar werkzaamheden uit te oefenen gedurende een tijdvak
dat 30 dagen in een tijdvak van twaalf maanden te boven gaat;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>een vennootschap geacht verbonden te zijn
met een andere vennootschap indien de een onmiddellijk of middellijk ten minste
een derde deel van het kapitaal van de andere vennootschap bezit of indien
een persoon onmiddellijk of middellijk ten minste een derde deel van het kapitaal
van beide vennootschappen bezit.</al>
          </inspring>
          <al>4. Voor de toepassing van paragraaf 3 van dit artikel wordt de uitdrukking „werkzaamheden
buitengaats" evenwel geacht niet te omvatten:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>een van de activiteiten of een combinatie
daarvan als genoemd in artikel 5, paragraaf 4;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>sleep- of ankerwerkzaamheden door schepen
die in de eerste plaats voor dat doel zijn ontworpen alsmede andere door zulke
schepen verrichte activiteiten;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c.</nr>
            <al>het vervoer van voorraden of personeel door
schepen, binnenschepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer.</al>
          </inspring>
          <al>5. Een inwoner van een verdragsluitende Staat die in het kader van een
zelfstandig beroep of van andere werkzaamheden van zelfstandige aard in de
andere verdragsluitende Staat werkzaamheden buitengaats verricht, wordt geacht
deze werkzaamheden te verrichten vanuit een vaste basis in de andere verdragsluitende
Staat indien de desbetreffende werkzaamheden buitengaats een aaneengesloten
tijdvak van 30 dagen of meer beslaan.</al>
          <al>6. Salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen verkregen door
een inwoner van een verdragsluitende Staat ter zake van een dienstbetrekking
in verband met werkzaamheden buitengaats die worden verricht met behulp van
een vaste inrichting in de andere verdragsluitende Staat, mogen, voor zover
de dienstbetrekking in die andere Staat buitengaats wordt uitgeoefend, in
die andere Staat worden belast.</al>
          <al>7. Indien aan de hand van bewijsstukken wordt aangetoond dat over de inkomstenbestanddelen
die ingevolge artikel 7 en artikel 14 in verband met paragraaf 3, onderscheidenlijk
paragraaf 5 van dit artikel en ingevolge paragraaf 6 van dit artikel in de
ene verdragsluitende Staat mogen worden belast, in die Staat belasting is
betaald, verleent de andere verdragsluitende Staat een vrijstelling of vermindering
van zijn belasting, die wordt berekend overeenkomstig de regels die zijn neergelegd
in artikel 23, paragraaf 1, subparagraaf a, onderscheidenlijk paragraaf 2,
subparagraaf b.</al>
          <artkop id="ART24">
            <nr>Artikel 25</nr>
            <titel>Instellingen voor collectieve belegging in effecten</titel>
          </artkop>
          <al>1. Een instelling voor collectieve belegging in effecten (I.C.B.E.) die
geen rechtspersoon is en die is gelegen in een verdragsluitende Staat waar
zij niet is onderworpen aan een belasting bedoeld in artikel 2, paragraaf
3, subparagraaf a, 2° of paragraaf 3, subparagraaf b, 3°, die dividenden
of interest verkrijgt die afkomstig zijn uit de andere verdragsluitende Staat,
kan in plaats van de individuele deelgerechtigden in de I.C.B.E., die inwoner
zijn van de eerstbedoelde verdragsluitende Staat, zelf een aanvraag indienen
voor de in het Verdrag voorziene belastingverminderingen, -vrijstellingen
of andere voordelen voor de individuele deelgerechtigden.</al>
          <al>Niettegenstaande het bovenstaande, kan de aldaar bedoelde I.C.B.E., indien
ten minste 75 percent van de bewijzen van deelgerechtigdheid in die I.C.B.E.
in het bezit is van personen die inwoner zijn van de verdragsluitende Staat
waar die I.C.B.E. is gelegen, een beroep doen op de bepalingen van artikel
10, paragraaf 2, subparagraaf b en artikel 11, paragraaf 2.</al>
          <al>2. Alleen indien en voor zover die I.C.B.E. in de gevallen bedoeld in
de paragraaf 1 niet zelf de voordelen van het Verdrag claimt, kan een persoon
die deelneemt in die I.C.B.E. in de verdragsluitende Staat waaruit het inkomen
afkomstig is een beroep doen op verdragsvoordelen.</al>
          <artkop id="ART25">
            <nr>Artikel 26</nr>
            <titel>Non-discriminatie</titel>
          </artkop>
          <al>1. Onderdanen van een verdragsluitende Staat worden in de andere verdragsluitende
Staat niet onderworpen aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende
verplichting, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede
verband houdende verplichtingen waaraan onderdanen van die andere Staat onder
gelijke omstandigheden, in het bijzonder met betrekking tot de woonplaats,
zijn of kunnen worden onderworpen. Niettegenstaande de bepalingen van artikel
1 is deze bepaling ook van toepassing op personen die geen inwoner zijn van
een verdragsluitende Staat of van beide verdragsluitende Staten.</al>
          <al>2. Natuurlijke personen die inwoner zijn van een van de verdragsluitende
Staten en die voordelen of inkomsten uit de andere verdragsluitende Staat
verkrijgen die ingevolge de bepalingen van hoofdstuk III van dit Verdrag ter
heffing aan die andere Staat zijn toegewezen, hebben bij de belastingheffing
in laatstbedoelde Staat, in de mate waarin die voordelen en inkomsten deel
uitmaken van het wereldinkomen, recht op dezelfde persoonlijke aftrekken,
tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van burgerlijke staat of samenstelling
van het gezin als inwoners van die andere Staat, voor zover zij overigens
in gelijke omstandigheden verkeren als inwoners van die Staat.</al>
          <al>3. De belastingheffing van een vaste inrichting die een onderneming van
een verdragsluitende Staat in de andere verdragsluitende Staat heeft, is in
die andere Staat niet ongunstiger dan de belastingheffing van ondernemingen
van die andere Staat die dezelfde werkzaamheden uitoefenen. Deze bepaling
mag niet aldus worden uitgelegd dat zij een verdragsluitende Staat verplicht
aan inwoners van de andere verdragsluitende Staat bij de belastingheffing
de persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van
de gezinstoestand of gezinslasten te verlenen die hij aan zijn eigen inwoners
verleent.</al>
          <al>4. Behalve indien de bepalingen van artikel 9, artikel 11, paragraaf 7,
of artikel 12, paragraaf 5, van toepassing zijn, worden interest, royalty's
en andere uitgaven die door een onderneming van een verdragsluitende Staat
aan een inwoner van de andere verdragsluitende Staat worden betaald, bij het
bepalen van de belastbare winst van die onderneming op dezelfde voorwaarden
in mindering gebracht, alsof zij aan een inwoner van de eerstbedoelde Staat
zouden zijn betaald. Schulden van een onderneming van een verdragsluitende
Staat tegenover een inwoner van de andere verdragsluitende Staat worden, bij
het bepalen van het belastbare vermogen van die onderneming, eveneens op dezelfde
voorwaarden in mindering gebracht, alsof die schulden tegenover een inwoner
van de eerstbedoelde Staat zouden zijn aangegaan.</al>
          <al>5. Ondernemingen van een verdragsluitende Staat, waarvan het kapitaal
geheel of ten dele, onmiddellijk of middellijk, in het bezit is van, of wordt
beheerst door, één of meer inwoners van de andere verdragsluitende
Staat, worden in de eerstbedoelde Staat niet aan enige belastingheffing of
daarmede verband houdende verplichting onderworpen die anders of zwaarder
is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen waaraan
andere, soortgelijke ondernemingen van de eerstbedoelde Staat zijn of kunnen
worden onderworpen. </al>
          <al>6. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 2 zijn de bepalingen van
dit artikel van toepassing op belastingen van elke soort en benaming.</al>
          <al>7. Bijdragen die door of namens een werknemer natuurlijke persoon zijn
betaald ter zake van een pensioenregeling die voor de belastingheffing is
erkend in de andere verdragsluitende Staat dan de verdragsluitende Staat waarin
die werknemer zijn dienstbetrekking uitoefent, worden gedurende een periode
van vijf jaar voor de belastingheffing in de laatstbedoelde Staat op dezelfde
wijze behandeld als een bijdrage betaald aan een in die laatstbedoelde Staat
voor de belastingheffing erkende pensioenregeling, mits:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>die werknemer reeds bijdroeg aan de pensioenregeling
voordat hij zijn dienstbetrekking in laatstbedoelde Staat ging uitoefenen;
en</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>de bevoegde autoriteit van de laatstbedoelde
Staat van oordeel is dat de pensioenregeling overeenkomt met een door die
Staat voor de belastingheffing erkende pensioenregeling.</al>
          </inspring>
          <al>Voor de toepassing van deze paragraaf omvat de uitdrukking „pensioenregeling"
mede een pensioenregeling ingevolge de sociale wetgeving van een verdragsluitende
Staat.</al>
          <al>8. Het recht op kinderbijslag ingevolge de sociale wetgeving van een verdragsluitende
Staat wordt voor de toepassing van de belastingheffing in de andere verdragsluitende
Staat gelijkgesteld met het recht op kinderbijslag ingevolge de sociale wetgeving
van die Staat.</al>
          <artkop id="ART26">
            <nr>Artikel 27</nr>
            <titel>Compensatieregeling voor Nederlandse grensarbeiders</titel>
          </artkop>
          <al>1. Aan natuurlijke personen die inwoner zijn van Nederland en uit België
beloningen verkrijgen die ingevolge de bepalingen van artikel 15, 16, 17 en
18, paragraaf 6, van dit Verdrag ter heffing aan België zijn toegewezen,
zal Nederland een vermindering van belasting verlenen, voor zover de som van
de verschuldigde Nederlandse en Belgische belasting en de verschuldigde premie
als bedoeld in de Wet financiering volksverzekeringen dan wel daarmee vergelijkbare
bijdragen en premies ingevolge de Belgische sociale zekerheid meer bedraagt
dan het bedrag dat aan Nederlandse belasting en premie als bedoeld in de Wet
financiering volksverzekeringen zou zijn geheven indien zij die beloningen
uit Nederland zouden hebben verkregen en Nederland daarover belasting en premie
als is bedoeld in de Wet financiering volksverzekeringen zou hebben geheven.</al>
          <al>Deze vermindering wordt gerealiseerd door, voor zover nodig, in België
verschuldigde belasting en bijdragen en premies sociale zekerheid, voor zover
deze vergelijkbaar zijn met premies die worden geheven ingevolge de Wet financiering
volksverzekeringen, aan te merken als ingehouden Nederlandse loonbelasting
en te verrekenen met de in Nederland verschuldigde belasting en premie als
is bedoeld in de Wet financiering volksverzekeringen.</al>
          <al>2. Ten aanzien van natuurlijke personen die inwoner zijn van Nederland
en die beloningen verkrijgen die voor het tijdstip waarop de bepalingen van
dit Verdrag van toepassing zijn, ingevolge de bepalingen van paragraaf 3,
subparagraaf 1, van artikel 15 van de op 19 oktober 1970 te Brussel getekende
Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering
van het Koninkrijk der Nederlanden tot het vermijden van dubbele belasting
op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot
het vaststellen van enige andere regelen verband houdende met de belastingheffing,
met Protocol, ter heffing aan Nederland waren toegewezen en die ingevolge
de bepalingen van artikel 15 van dit Verdrag ter heffing aan België zijn
toegewezen, zal Nederland een netto inkomensachteruitgang die zij als gevolg
van die wijziging in de toedeling van heffingsrechten lijden, compenseren
tot het moment waarop die netto inkomensachteruitgang nihil bedraagt of tot
het moment waarop zij niet langer zodanige beloningen uit dezelfde dienstbetrekking
verkrijgen.</al>
          <al>Deze compensatie wordt gerealiseerd door, voor zover nodig, in België
verschuldigde belasting en bijdragen en premies sociale zekerheid, voor zover
deze vergelijkbaar zijn met premies die worden geheven ingevolge de Wet financiering
volksverzekeringen, aan te merken als ingehouden Nederlandse loonbelasting
en te verrekenen met de in Nederland verschuldigde belasting en premie als
is bedoeld in de Wet financiering volksverzekeringen.</al>
          <al>3. Voor de toepassing van paragraaf 2 wordt onder netto inkomensachteruitgang
verstaan het jaarlijks vast te stellen verschil tussen de som van de Nederlandse
en Belgische belasting alsmede premie als is bedoeld in de Wet financiering
volksverzekeringen dan wel daarmee vergelijkbare bijdragen en premies ingevolge
de Belgische sociale zekerheid die de in die paragraaf bedoelde natuurlijke
persoon met toepassing van de bepalingen van dit Verdrag uiteindelijk verschuldigd
is over zijn inkomen, en de som van de hiervoor bedoelde Nederlandse en Belgische
belasting en premie als is bedoeld in de Wet financiering volksverzekeringen
dan wel daarmee vergelijkbare bijdragen en premies ingevolge de Belgische
sociale zekerheid die hij daarover verschuldigd zou zijn geweest indien met
betrekking tot de in die paragraaf bedoelde beloningen van die natuurlijke
persoon de bepalingen van paragraaf 3, subparagraaf 1, van artikel 15 van
de op 19 oktober 1970 te Brussel getekende Overeenkomst tussen de regering
van het Koninkrijk België en de regering van het Koninkrijk der Nederlanden
tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar
het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van enige andere regelen
verband houdende met de belastingheffing, met Protocol, van toepassing zouden
zijn geweest.</al>
          <al>4. De bevoegde autoriteiten regelen in onderlinge overeenstemming in welke
mate bijdragen en premies sociale zekerheid in België vergelijkbaar zijn
met de premie voor de volksverzekeringen in Nederland als bedoeld in de Wet
financiering volksverzekeringen.</al>
          <artkop id="ART27">
            <nr>Artikel 28</nr>
            <titel>Regeling voor onderling overleg</titel>
          </artkop>
          <al>1. Indien een persoon van oordeel is dat de maatregelen van een verdragsluitende
Staat of van beide verdragsluitende Staten voor hem leiden of zullen leiden
tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen
van dit Verdrag, kan hij, onverminderd de rechtsmiddelen waarin het interne
recht van die Staten voorziet, zijn geval voorleggen aan de bevoegde autoriteit
van de verdragsluitende Staat waarvan hij inwoner is, of indien zijn geval
onder artikel 26, paragraaf 1, ressorteert, aan die van de verdragsluitende
Staat waarvan hij onderdaan is. Het geval moet worden voorgelegd binnen drie
jaar nadat de maatregel die een belastingheffing ten gevolge heeft die niet
in overeenstemming is met de bepalingen van het Verdrag, voor het eerst te
zijner kennis is gebracht.</al>
          <al>2. De bevoegde autoriteit tracht, indien het bezwaar haar gegrond voorkomt
en indien zij niet zelf in staat is tot een bevredigende oplossing ervan te
komen, de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming met de bevoegde autoriteit
van de andere verdragsluitende Staat te regelen, teneinde een belastingheffing
die niet in overeenstemming is met het Verdrag te vermijden. De overeengekomen
regeling wordt uitgevoerd niettegenstaande de verjaringstermijnen in de nationale
wetgeving van de verdragsluitende Staten.</al>
          <al>3. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende Staten trachten moeilijkheden
of twijfelpunten die mochten rijzen met betrekking tot de interpretatie of
de toepassing van het Verdrag in onderlinge overeenstemming op te lossen.</al>
          <al>4. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende Staten plegen overleg
omtrent de administratieve maatregelen die voor de uitvoering van de bepalingen
van het Verdrag nodig zijn en met name omtrent de bewijsstukken die de inwoners
van elke verdragsluitende Staat moeten overleggen om in de andere Staat de
bij het Verdrag bepaalde belastingvrijstellingen of -verminderingen te verkrijgen.</al>
          <al>5. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende Staten kunnen zich
rechtstreeks met elkander in verbinding stellen voor de toepassing van het
Verdrag. </al>
          <artkop id="ART28">
            <nr>Artikel 29</nr>
            <titel>Uitwisseling van inlichtingen</titel>
          </artkop>
          <al>De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende Staten wisselen de inlichtingen
uit die relevant zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Verdrag
of aan die van de nationale wetgeving van de verdragsluitende Staten met betrekking
tot belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, voor zover de heffing
van die belastingen niet in strijd is met het Verdrag. De uitwisseling van
inlichtingen wordt niet beperkt door artikel 1. De door een verdragsluitende
Staat verkregen inlichtingen worden op dezelfde wijze geheim gehouden als
de inlichtingen die onder de nationale wetgeving van die Staat zijn verkregen
en worden alleen ter kennis gebracht van personen of autoriteiten (daaronder
begrepen rechterlijke instanties en administratieve lichamen) die betrokken
zijn bij de vaststelling of invordering van, de tenuitvoerlegging of vervolging
terzake van, of de beslissing in beroepszaken betrekking hebbende op belastingen
die door een verdragsluitende Staat worden geheven. Deze personen of autoriteiten
gebruiken deze inlichtingen slechts voor die doeleinden. Zij mogen van deze
inlichtingen melding maken tijdens openbare rechtszittingen of in rechterlijke
beslissingen.</al>
          <artkop id="ART29">
            <nr>Artikel 30</nr>
            <titel>Invorderingsbijstand</titel>
          </artkop>
          <al>1. a. Op verzoek van de aanzoekende Staat betekent de aangezochte Staat
documenten aan de geadresseerde, met inbegrip van documenten betreffende rechterlijke
beslissingen, die afkomstig zijn van de aanzoekende Staat en verband houden
met een belasting waarop dit Verdrag van toepassing is.</al>
          <al>De aangezochte Staat betekent deze documenten volgens een door zijn nationale
wetgeving en administratieve praktijk voorgeschreven methode voor de betekening
van documenten van in wezen gelijksoortige aard. De aanzoekende Staat verschaft
de daarvoor benodigde informatie.</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>De verdragsluitende Staten verlenen elkander
hulp en bijstand voor de invordering van de belastingen waarop dit Verdrag
van toepassing is, alsmede van alle met die belastingen verband houdende opcentiemen,
verhogingen, interest, kosten en boeten van niet-strafrechtelijke aard, wanneer
het belastingvorderingen betreft die eisbaar zijn en niet langer kunnen worden
bestreden, tenzij anders overeengekomen tussen de bevoegde autoriteiten.</al>
          </inspring>
          <al>2. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op elke persoon die
overeenkomstig de wetgeving van de aanzoekende Staat gehouden is tot de betaling
van belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is.</al>
          <al>3. Op vraag van de aanzoekende Staat zorgt de aangezochte Staat overeenkomstig
de wetgeving en de administratieve praktijk die voor de betekening en de invordering
van zijn eigen belastingvorderingen van toepassing zijn, voor de betekening
en de invordering van de belastingvorderingen van die Staat, tenzij het Verdrag
anders bepaalt.</al>
          <al>4. De aangezochte Staat is niet verplicht een verzoek om bijstand voor
de invordering in te willigen:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>indien de aanzoekende Staat niet alle op
zijn eigen grondgebied beschikbare middelen heeft aangewend, tenzij aanwending
van die middelen zou leiden tot onevenredige moeilijkheden;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>indien en voor zover hij de belastingvordering
in strijd acht met de bepalingen van dit Verdrag of met enig ander verdrag
waarbij beide Staten partij zijn.</al>
          </inspring>
          <al>5. De vraag om bijstand voor de invordering van een belasting-vordering
dient vergezeld te gaan van:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>een officieel afschrift van de uitvoerbare
titel in de aanzoekende Staat;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>een officieel afschrift van elk ander document
dat in de aanzoekende Staat voor de invordering is vereist; en</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c.</nr>
            <al>in voorkomend geval, een eensluidend verklaard
afschrift van elke op de belastingvordering betrekking hebbende beslissing
die kracht van gewijsde heeft verworven en afkomstig is van een administratief
lichaam of van een rechtbank.</al>
          </inspring>
          <al>6. a. De uitvoerbare titel in Nederland heeft dezelfde uitwerking in België.</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>De uitvoerbare titel in België wordt,
indien passend en in overeenstemming met de in Nederland van kracht zijnde
bepalingen, zo spoedig mogelijk na de datum van ontvangst van het verzoek
om bijstand aanvaard, erkend of aangevuld, dan wel vervangen door een uitvoerbare
titel in Nederland.</al>
          </inspring>
          <al>7. Problemen met betrekking tot de verjaringstermijn van de belastingvordering
worden uitsluitend door de wetgeving van de aanzoekende Staat geregeld.</al>
          <al>8. De daden van invordering die ten gevolge van een vraag om bijstand
door de aangezochte Staat zijn gesteld, alsmede andere omstandigheden die
overeenkomstig de wetgeving van die Staat de schorsing of stuiting van de
verjaringstermijn tot gevolg zouden hebben, hebben dezelfde uitwerking met
betrekking tot de wetgeving van de aanzoekende Staat. De aangezochte Staat
stelt de aanzoekende Staat in kennis van de daartoe genomen maatregelen.</al>
          <al>9. Belastingvorderingen waarvoor om invorderingsbijstand is verzocht,
genieten in de aangezochte Staat geen enkel voorrecht en kunnen niet worden
ingevorderd door middel van in hechtenis nemen wegens schuld van de schuldenaar.</al>
          <al>10. De verplichting om bijstand te verlenen bij het invorderen van belastingvorderingen
betreffende een overledene of zijn nalatenschap is beperkt tot de waarde van
de nalatenschap of van de goederen verkregen door iedere begunstigde van de
nalatenschap, afhankelijk van de vraag of de belastingvordering dient te worden
ingevorderd uit de nalatenschap of bij de begunstigden daarvan.</al>
          <al>11. De aangezochte Staat kan uitstel van betaling of betaling in termijnen
toestaan indien zijn wetgeving of zijn administratieve praktijk dit toestaat
in soortgelijke omstandigheden; hij doet echter eerst de aanzoekende Staat
hiervan mededeling.</al>
          <al>12. Op verzoek van de aanzoekende Staat worden met betrekking tot belastingvorderingen
die worden bestreden of nog kunnen bestreden worden of nog niet eisbaar zijn,
om zijn rechten te vrijwaren, door de bevoegde autoriteit van de aangezochte
Staat de conservatoire maatregelen genomen waarin diens wetgeving voorziet.
De bepalingen van de voorgaande paragrafen zijn op die maatregelen van overeenkomstige
toepassing.</al>
          <al>13. De Staten zien wederzijds af van de terugbetaling van kosten die voortvloeien
uit de onderscheiden hulp en bijstand die zij elkaar verlenen bij de toepassing
van dit Verdrag. De aanzoekende Staat zal in ieder geval verantwoordelijk
blijven jegens de aangezochte Staat voor de geldelijke gevolgen van de invorderingsdaden
die onterecht zijn gebleken ten aanzien van de realiteit van de betrokken
belastingvordering of van de rechtsgeldigheid van de uitvoerbare titel in
de aanzoekende Staat.</al>
          <al>14. De in geval van betwisting in te stellen actie wordt gebracht voor
de bevoegde rechter van de aanzoekende Staat overeenkomstig de bepalingen
van zijn fiscale en burgerlijke wetgeving, en wordt tegelijkertijd ter kennis
gebracht van de ambtenaar die in de aangezochte Staat met de invordering is
belast.</al>
          <al>Indien evenwel de betwisting de geldigheid of de gevolgen betreft van
de krachtens dit Verdrag genomen conservatoire of executoriale handelingen,
moet de actie worden ingesteld bij de bevoegde rechter van de aangezochte
Staat, overeenkomstig de wetgeving van die Staat.</al>
          <al>15. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende Staten plegen desgewenst
overleg om de regels vast te leggen ter uitvoering van dit artikel.</al>
          <artkop id="ART30">
            <nr>Artikel 31</nr>
            <titel>Beperking van de artikelen 29 en 30</titel>
          </artkop>
          <al>In geen geval mogen de bepalingen van de artikelen 29 en 30 aldus worden
uitgelegd dat zij een verdragsluitende Staat de verplichting opleggen:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>administratieve maatregelen te nemen die
afwijken van de wetgeving en de administratieve praktijk van die of van de
andere verdragsluitende Staat; </al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>bijzonderheden te verstrekken die niet verkrijgbaar
zijn volgens de wetgeving of in de normale gang van de administratieve werkzaamheden
van die of van de andere verdragsluitende Staat;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c.</nr>
            <al>inlichtingen te verstrekken die een handels-,
bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim of een handelswerkwijze zouden onthullen,
dan wel inlichtingen waarvan het verstrekken in strijd zou zijn met de openbare
orde.</al>
          </inspring>
          <artkop id="ART31">
            <nr>Artikel 32</nr>
            <titel>Diplomatieke en consulaire ambtenaren</titel>
          </artkop>
          <al>1. De bepalingen van dit Verdrag tasten in geen enkel opzicht de fiscale
voorrechten aan die leden van diplomatieke zendingen of consulaire posten
ontlenen aan de algemene regelen van het volkenrecht of aan bepalingen van
bijzondere verdragen.</al>
          <al>2. Voor de toepassing van het Verdrag worden de leden van diplomatieke
zendingen of consulaire posten van een verdragsluitende Staat die in de andere
verdragsluitende Staat of in een derde Staat geaccrediteerd zijn en die onderdaan
van de zendstaat zijn, geacht inwoner van die Staat te zijn indien zij aldaar
ter zake van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen aan dezelfde
verplichtingen onderworpen zijn als de inwoners van die Staat.</al>
          <al>3. Het Verdrag is niet van toepassing op internationale organisaties,
hun organen of hun ambtenaren, noch op personen die lid zijn van diplomatieke
zendingen of consulaire posten van een derde Staat, indien deze in een verdragsluitende
Staat verblijven en inzake belastingen naar het inkomen of naar het vermogen
niet als inwoners van de ene of de andere verdragsluitende Staat worden behandeld.</al>
          <tuskop letat="rom">HOOFDSTUK VII</tuskop>
          <al>SLOTBEPALINGEN</al>
          <artkop id="ART32">
            <nr>Artikel 33</nr>
            <titel>Inwerkingtreding</titel>
          </artkop>
          <al>1. Elke verdragsluitende Staat zal de andere verdragsluitende Staat in
kennis stellen van de voltooiing van de procedures die door zijn wetgeving
voor de inwerkingtreding van dit Verdrag is vereist. Het Verdrag zal in werking
treden op de vijftiende dag na de datum waarop de tweede kennisgeving is ontvangen.</al>
          <al>2. De bepalingen van het Verdrag zullen van toepassing zijn:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>op de bij de bron verschuldigde belastingen
op inkomsten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld op of na 1 januari van
het jaar dat onmiddellijk volgt op dat waarin het Verdrag in werking treedt;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>op de andere belastingen geheven naar inkomsten
van belastbare tijdperken die eindigen op of na 31 december van het jaar dat
onmiddellijk volgt op dat waarin het Verdrag in werking treedt;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c.</nr>
            <al>op belastingen naar het vermogen geheven
van bestanddelen van het vermogen die bestaan op 1 januari van elk kalenderjaar
na dat waarin het Verdrag in werking treedt.</al>
          </inspring>
          <al>3. Ten aanzien van belastingen waarvoor artikel 30 van dit Verdrag voorziet
in de mogelijkheid van invorderingsbijstand vinden de bepalingen van het Verdrag
tussen Nederland, België en Luxemburg nopens wederkerige bijstand inzake
de invordering van belastingschulden, gesloten te Brussel op 5 september 1952,
in de relatie tussen Nederland en België geen toepassing.</al>
          <al>Ten aanzien van belastingen waarvoor artikel 30 van dit Verdrag niet voorziet
in de mogelijkheid van invorderingsbijstand vinden de bepalingen van het Verdrag
tussen Nederland, België en Luxemburg nopens wederkerige bijstand inzake
de invordering van belastingschulden, gesloten te Brussel op 5 september 1952,
onverkort toepassing.</al>
          <al>4. Niettegenstaande het bepaalde in paragraaf 2 van dit artikel zijn de
bepalingen van artikel 30 van het Verdrag overeenkomstig van toepassing op
belastingvorderingen die door de Staat die het verzoek om invorderingsbijstand
doet, zijn vastgesteld voor de datum van het van toepassing worden van het
Verdrag. De eerste volzin is echter niet van toepassing voor belastingvorderingen
waarvoor vóór de datum van het van toepassing worden van het
Verdrag, met een beroep op het Verdrag tussen Nederland, België en Luxemburg
nopens wederkerige bijstand inzake de invordering van belastingschulden, gesloten
te Brussel op 5 september 1952, reeds een verzoek voor invorderingsbijstand
is gedaan. Met betrekking tot die belastingvorderingen blijven de bepalingen
van het Verdrag tussen Nederland, België en Luxemburg nopens wederkerige
bijstand inzake de invordering van belastingschulden, gesloten te Brussel
op 5 september 1952, onverkort van toepassing.</al>
          <al>5. De op 19 oktober 1970 te Brussel ondertekende Overeenkomst tussen de
Regering van het Koninkrijk België en de Regering van het Koninkrijk
der Nederlanden tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van
belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van
enige andere regelen verband houdende met de belastingheffing, met Protocol,
wordt beëindigd met de inwerkingtreding van dit Verdrag. De bepalingen
van de Overeenkomst van 1970 blijven echter van toepassing totdat de bepalingen
van dit Verdrag, in overeenstemming met de bepalingen van paragraaf 2 van
dit artikel, toepassing vinden. </al>
          <artkop id="ART33">
            <nr>Artikel 34</nr>
            <titel>Beëindiging</titel>
          </artkop>
          <al>Dit Verdrag blijft van kracht totdat het door een verdragsluitende Staat
is opgezegd, maar elk van de verdragsluitende Staten kan tot en met 30 juni
van elk kalenderjaar na het vijfde jaar dat volgt op het jaar waarin het Verdrag
in werking is getreden, aan de andere verdragsluitende Staat langs diplomatieke
weg een schriftelijke opzegging doen toekomen. In geval van opzegging voor
1 juli van zodanig jaar, zal het Verdrag voor de laatste maal van toepassing
zijn:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>op de bij de bron verschuldigde belastingen
op inkomsten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld ten laatste op 31 december
van het jaar waarin de kennisgeving van de beëindiging is gedaan;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>op de andere belastingen geheven naar inkomsten
van belastbare tijdperken die eindigen vóor 31 december van het jaar
na dat waarin de kennisgeving van de beëindiging is gedaan;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c.</nr>
            <al>op belastingen naar het vermogen geheven
van bestanddelen van het vermogen die bestaan op 1 januari van het jaar waarin
de kennisgeving van de beëindiging is gedaan.</al>
          </inspring>
          <witreg></witreg>
          <al>TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gevolmachtigd
door hun respectieve Regeringen, dit Verdrag hebben ondertekend.</al>
          <witreg></witreg>
          <al>GEDAAN in tweevoud te Luxemburg, op 5 juni 2001, in de Nederlandse en
de Franse taal, zijnde de twee teksten gelijkelijk authentiek.</al>
          <witreg></witreg>
          <al>
            <nadruk type="cur">Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,</nadruk>
          </al>
          <witreg></witreg>
          <al>(w.g.) W. J. BOS</al>
          <witreg></witreg>
          <al>
            <nadruk type="cur">Voor de Regering van het Koninkrijk België,</nadruk>
          </al>
          <witreg></witreg>
          <al>(w.g.) D. REYNDERS</al>
          <lijn></lijn>
          <tuskop letat="vet">Protocol I</tuskop>
          <al>Bij de ondertekening van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot
het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen
en naar het vermogen zijn de ondergetekenden de volgende bepalingen overeengekomen
die een integrerend deel van het Verdrag vormen.</al>
          <al>1. Met betrekking tot artikel 2, paragraaf 2, artikel 6, artikel 13, paragraaf
1, artikel 21, paragraaf 2, en artikel 22, paragraaf 1</al>
          <al>Voor de toepassing van het Verdrag wordt de uitdrukking „onroerende
goederen" voor wat betreft Nederland gelezen als onroerende zaken.</al>
          <al>2. Met betrekking tot artikel 3, paragraaf 1, subparagraaf c</al>
          <al>Ingeval een vennootschap in de ene verdragsluitende Staat als zodanig
aan belasting is onderworpen, doch het inkomen dan wel het vermogen van die
vennootschap in de andere verdragsluitende Staat als inkomen onderscheidenlijk
vermogen van de gerechtigden tot die vennootschap wordt belast, kunnen de
bepalingen van het Verdrag niet tot gevolg hebben dat dubbele belasting of
een totale of gedeeltelijke vrijstelling van het inkomen of het vermogen blijft
bestaan. Om een dergelijk gevolg te vermijden, wordt de belasting, het inkomen
en het vermogen van de vennootschap geacht belasting, inkomen en vermogen
van de gerechtigden tot die vennootschap te zijn naar rato van hun gerechtigdheid
in het vermogen van de vennootschap. Voor zover nodig kan daarbij worden bepaald
dat de gerechtigden tot de vennootschap de ten laste van de vennootschap geheven
belasting over dat inkomen en vermogen (inclusief eventueel daarop drukkende
bronbelasting van derde Staten), ieder voor zijn aandeel mogen verrekenen
met de belasting die zij over hetzelfde inkomen onderscheidenlijk vermogen
verschuldigd zijn en dat de Staat van vestiging van de vennootschap afziet
van eventuele belastingheffing van de gerechtigden tot die vennootschap die
inwoner zijn van de andere verdragsluitende Staat over uitdeling van winst
door die vennootschap aan die gerechtigden.</al>
          <al>3. Met betrekking tot artikel 3, paragraaf 2, en artikel 28, paragraaf
3</al>
          <al>Het is wel te verstaan dat indien de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende
Staten in onderlinge overeenstemming een oplossing binnen de context van het
Verdrag hebben bereikt voor gevallen waarin:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>onder toepassing van artikel 3, paragraaf
2, de uitleg van een niet omschreven uitdrukking als gevolg zou hebben dat;
dan wel</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>als gevolg van kwalificatieverschillen (bijvoorbeeld
van een inkomensbestanddeel of van een persoon),</al>
          </inspring>
          <al>een situatie van dubbele belasting of dubbele vrijstelling zou optreden,
deze oplossing – na bekendmaking daarvan door beide bevoegde autoriteiten –
voor de toepassing van het Verdrag ook in andere, gelijke gevallen bindend
zal zijn. </al>
          <al>4. Met betrekking tot artikel 4</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>Een natuurlijke persoon die aan boord van
een schip of binnenschip woont zonder een werkelijke woonplaats in een verdragsluitende
Staat te hebben, wordt geacht zijn woonplaats te hebben in de Staat waarin
het schip of binnenschip zijn thuishaven heeft.</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>Indien een vennootschap in de ene verdragsluitende
Staat als zodanig niet aan belasting is onderworpen en in de andere verdragsluitende
Staat wel als zodanig aan belasting is onderworpen, worden op verzoek van
de vennootschap door de andere verdragsluitende Staat de bepalingen van de
Hoofdstukken III, IV en V van het Verdrag toegepast in de mate waarin die
hadden moeten worden toegepast indien de gerechtigden in het vermogen van
die vennootschap het inkomen en het vermogen van die vennootschap ieder voor
zijn aandeel in die vennootschap rechtstreeks zouden hebben genoten onderscheidenlijk
hebben bezeten. De toepassing van de vorige volzin laat onverlet dat de andere
verdragsluitende Staat volgens zijn nationale wet de grondslag waarnaar de
belasting van de vennootschap wordt geheven bepaalt en deze slechts in zoverre
vermindert als rechtstreeks voortvloeit uit de vorige volzin.</al>
          </inspring>
          <al>5. Met betrekking tot artikel 4, paragraaf 1</al>
          <al>Een verdragsluitende Staat, een staatkundig onderdeel of een plaatselijk
publiekrechtelijk lichaam daarvan, alsmede een pensioenfonds of instelling
uitsluitend werkzaam voor godsdienstige, liefdadige, weten-schappelijke, opvoedkundige
of openbare doeleinden, gevestigd in een verdragsluitende Staat en als zodanig
in die Staat vrijgesteld van belastingen als bedoeld in artikel 2 van het
Verdrag wordt geacht een inwoner van die Staat te zijn.</al>
          <al>Onder de uitdrukking „pensioenfonds" wordt verstaan elk pensioen-fonds
dat volgens de wettelijke bepalingen van de verdragsluitende Staat waarin
het is gevestigd, als zodanig is erkend en onder toezicht staat.</al>
          <al>6. Met betrekking tot artikel 5, paragraaf 3</al>
          <al>Ingeval door een onderneming van een verdragsluitende Staat in de andere
verdragsluitende Staat bouwwerken of constructie- of installatie-werkzaamheden
op verschillende plaatsen en op verschillende tijdstippen worden uitgevoerd,
dient voor de berekening van de duur van twaalf maanden het volgende in aanmerking
te worden genomen:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>afzonderlijke bouwwerken of afzonderlijke
constructie- of installatiewerkzaamheden moeten voor de berekening van de
duur van twaalf maanden niet worden samengenomen;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>normaal kunnen als afzonderlijke werken
worden beschouwd werken die voor rekening van verschillende opdrachtgevers
worden uitgevoerd, tenzij die werken uit economisch oogpunt één
geheel vormen;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c.</nr>
            <al>indien verschillende werken voor rekening
van één enkele opdrachtgever worden uitgevoerd ingevolge één
enkele overeenkomst, worden zij als één geheel behandeld, tenzij
die werken niet in enige samenhang worden verricht; </al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>d.</nr>
            <al>indien verschillende werken voor rekening
van één enkele opdrachtgever worden uitgevoerd ingevolge meer
dan één overeenkomst, dienen zij eveneens te worden samengenomen
in geval de werken, ofschoon op verschillende plaatsen uitgevoerd, slechts
een deel van een groter geheel vormen en er geen noemenswaardige werkonderbreking
is geweest.</al>
          </inspring>
          <al>7. Met betrekking tot artikel 5, artikel 6, artikel 7, artikel 13, artikel
22 en artikel 24</al>
          <al>Het is wel te verstaan dat rechten tot exploratie en exploitatie van natuurlijke
rijkdommen worden beschouwd als onroerende goederen die zijn gelegen in de
verdragsluitende Staat op wiens zeebodem en ondergrond daarvan deze rechten
betrekking hebben, alsmede dat deze rechten geacht worden te behoren tot de
activa van een vaste inrichting in die Staat. Voorts is het wel te verstaan
dat de hiervoor genoemde rechten ook omvatten rechten op belangen bij, of
voordelen uit vermogensbestanddelen die voortvloeien uit die exploratie of
exploitatie.</al>
          <al>8. Met betrekking tot artikel 7</al>
          <al>Met betrekking tot artikel 7, paragrafen 1 en 2, geldt dat, indien een
onderneming van een verdragsluitende Staat in de andere verdragsluitende Staat
goederen of koopwaar verkoopt of een bedrijf uitoefent met behulp van een
aldaar gevestigde vaste inrichting, de winst van die vaste inrichting niet
wordt bepaald op basis van het totale door de onderneming ontvangen bedrag,
doch slechts op basis van dat deel van de winst van de onderneming dat aan
de werkelijke werkzaamheden van de vaste inrichting voor die verkopen of die
bedrijfsuitoefening is toe te rekenen. Met name bij overeenkomsten betreffende
de levering, installatie of constructie, dan wel het toezicht daarop, van
nijverheids-, handels- of wetenschappelijke uitrusting of betreffende de constructie,
dan wel het toezicht daarop, van gebouwen, alsmede bij openbare werken, wordt,
indien de onderneming een vaste inrichting heeft, de winst van die vaste inrichting
niet bepaald op basis van het totale door de onderneming ontvangen bedrag,
doch slechts op basis van dat deel van de overeenkomst dat werkelijk wordt
uitgevoerd door de vaste inrichting in de verdragsluitende Staat waar de vaste
inrichting is gevestigd. De winst die betrekking heeft op dat deel van de
overeenkomst, dat wordt uitgevoerd door het hoofdkantoor van de onderneming,
is slechts belastbaar in de verdragsluitende Staat waarvan de persoon die
deze onderneming exploiteert inwoner is.</al>
          <al>9. Met betrekking tot artikel 7 en artikel 14</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>Vergoedingen voor technische diensten, waaronder
begrepen studies of toezichthoudende werkzaamheden van wetenschappelijke,
geologische of technische aard, of voor diensten van raadgevende of toezichthoudende
aard, worden beschouwd als vergoedingen waarop de bepalingen van artikel 7
of artikel 14 van toepassing zijn.</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>Het is wel te verstaan dat wanneer een natuurlijke
persoon, inwoner van een verdragsluitende Staat, beloningen geniet ter zake
van het verrichten van arbeid in een in de andere verdragsluitende Staat gevestigde
vaste inrichting van een door zijn echtgenoot gedreven onderneming van eerstgenoemde
verdragsluitende Staat, die beloningen voor de toepassing van het Verdrag
worden aangemerkt als winst van een onderneming van eerstgenoemde verdragsluitende
Staat die in de andere verdragsluitende Staat mag worden belast, indien het
bedrag van de beloningen ten laste komt van eerdergenoemde in de andere verdragsluitende
Staat gevestigde vaste inrichting.</al>
          </inspring>
          <al>Het vorengaande is van overeenkomstige toepassing op beloningen genoten
ter zake van het verrichten van arbeid in een in de andere verdragsluitende
Staat gevestigde vaste basis waarover zijn in de eerstbedoelde Staat woonachtige
echtgenoot geregeld beschikt voor het verwerven van inkomsten uit een zelfstandig
beroep.</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c.</nr>
            <al>Het is wel te verstaan dat wanneer een natuurlijke
persoon, inwoner van België, winst uit onderneming geniet die aan een
in Nederland gevestigde vaste inrichting is toe te rekenen deze natuurlijke
persoon overeenkomstig de wetgeving van Nederland een aan de omvang van deze
winst gerelateerde oudedagsreserve mag opbouwen. Wanneer de omvang van de
oudedagsreserve afneemt, worden die afnemingen voor de toepassing van het
Verdrag aangemerkt als winst van die vaste inrichting. Deze winst mag in Nederland
worden belast.</al>
            <al>Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing
voor een natuurlijke persoon, inwoner van België, die een zelfstandig
beroep uitoefent en daarvoor beschikt over een in Nederland gevestigde vaste
basis.</al>
          </inspring>
          <al>10. Met betrekking tot artikel 9, paragraaf 1</al>
          <al>Het is echter wel te verstaan, dat de omstandigheid dat verbonden ondernemingen
overeenkomsten hebben afgesloten, zoals „cost-sharing" overeenkomsten
of algemene dienstverleningsovereenkomsten, voor of gebaseerd op de toerekening
van de kosten van de leiding, de algemene beheerskosten, de technische en
zakelijke kosten, kosten voor onderzoek en ontwikkeling en andere soortgelijke
kosten, op zichzelf geen voorwaarde is die afwijkt van die welke zouden worden
overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen.</al>
          <al>11. Met betrekking tot artikel 9</al>
          <al>Het is wel te verstaan dat voor de toepassing van artikel 9 onder een
onderneming mede wordt begrepen een vaste inrichting.</al>
          <al>12. Met betrekking tot artikel 10, paragraaf 2</al>
          <al>De bepalingen van artikel 10, paragraaf 2, zijn niet van toepassing op
dividenden die een vennootschap die inwoner is van een van de verdragsluitende
Staten betaalt aan een vennootschap die inwoner is van de andere verdragsluitende
Staat, terzake waarvan, op grond van de bepalingen van de Richtlijn betreffende
de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen
uit verschil-lende Lid-Staten (90/435/EEG) zoals deze eventueel kan worden
gewijzigd, door de Staat waarvan de vennootschap die het dividend betaalt
inwoner is, geen belasting mag worden geheven.</al>
          <al>13. Met betrekking tot artikel 10, artikel 11 en artikel 12</al>
          <al>Indien aan de bron belasting is geheven die het belastingbedrag dat ingevolge
de bepalingen van artikel 10, 11 of 12 mag worden geheven te boven gaat, moeten
verzoeken om teruggaaf van het daarboven uitgaande belastingbedrag worden
ingediend bij de bevoegde autoriteit van de verdragsluitende Staat die de
belasting heeft geheven, binnen een tijdvak van drie jaren na afloop van het
kalenderjaar waarin de belasting is geheven.</al>
          <al>14. Met betrekking tot artikel 11 en artikel 13</al>
          <al>Voor de toepassing van artikel 11, paragraaf 8 en artikel 13, paragraaf
5, wordt onder de uitdrukking „een vennootschap die volgens de wetgeving
van een verdragsluitende Staat inwoner is van die Staat" verstaan:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>een vennootschap waarvan de plaats van werkelijke
leiding in die verdragsluitende Staat gelegen is; en</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>een vennootschap waarvan de plaats van werkelijke
leiding uit die verdragsluitende Staat is verplaatst, mits de plaats van werkelijke
leiding van die vennootschap, voorafgaande aan vorenbedoelde verplaatsing
van zijn werkelijke leiding, voor een periode van ten minste 5 jaren in die
verdragsluitende Staat was gelegen. In dit geval wordt die vennootschap slechts
voor een periode van 10 jaar na verplaatsing van zijn werkelijke leiding uit
die verdragsluitende Staat als inwoner van die Staat aangemerkt.</al>
          </inspring>
          <al>15. Met betrekking tot artikel 10 en artikel 13</al>
          <al>Het is wel te verstaan dat de uitdrukking „voordelen verkregen
uit de vervreemding" niet omvat inkomsten genoten bij het inkopen van aandelen
door, of bij de liquidatie van een vennootschap. Die inkomsten worden beheerst
door de bepalingen van artikel 10.</al>
          <al>16. Met betrekking tot artikel 11, paragrafen 2 en 3</al>
          <al>Indien een EEG-richtlijn inzake de belastingheffing op inkomsten van spaargelden
van kracht wordt en indien, ingevolge deze richtlijn, zoals deze eventueel
kan worden gewijzigd, interest afkomstig uit een van de verdragsluitende Staten
en betaald aan een inwoner van de andere Staat ook mag worden belast in de
verdragsluitende Staat waaruit de interest afkomstig is, dan geldt, in afwijking
in zoverre van het bepaalde in artikel 11, paragrafen 2 en 3, met betrekking
tot die interest het bepaalde in die richtlijn.</al>
          <al>Indien een EEG-richtlijn, zoals deze eventueel kan worden gewijzigd, betreffende
een gemeenschappelijke belastingregeling inzake betalingen van rente en royalty's
tussen ondernemingen van kracht wordt, dan geldt, wat betreft interest, in
afwijking in zoverre van het bepaalde in artikel 11, paragrafen 2 en 3, het
bepaalde in die richtlijn. </al>
          <al>17. Met betrekking tot artikel 10, paragraaf 4</al>
          <al>Het is wel te verstaan dat de uitdrukking „dividenden" eveneens
betekent inkomsten die worden genoten door een natuurlijke persoon en die
volgens de fiscale wetgeving van de Staat waarvan de vennootschap-schuldenaar
inwoner is op dezelfde wijze als inkomsten uit aandelen in de belastingheffing
worden betrokken.</al>
          <al>18. Met betrekking tot artikel 15, paragraaf 2</al>
          <al>Het is wel te verstaan dat de uitdrukking „belastingjaar" voor
België betekent „belastbaar tijdperk".</al>
          <al>19. Met betrekking tot artikel 15 en 23</al>
          <al>Het is wel te verstaan dat het bepaalde in paragraaf 3 van artikel 15
Nederland niet belet de bepalingen van paragraaf 2, subparagrafen a en b,
van artikel 23 van het Verdrag toe te passen.</al>
          <al>20. Met betrekking tot artikel 7, 14, 15 en 16</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>Het is wel te verstaan dat voor de toepassing
van paragraaf 1 van artikel 16 voor Nederland de uitdrukking soortgelijke
functie omvat „commissaris van een vennootschap" die als zodanig door
de algemene vergadering van aandeelhouders of enig ander bevoegd orgaan van
de vennootschap die inwoner is van Nederland is benoemd en die met het toezicht
op de algemene leiding van de vennootschap is belast.</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>Het is wel te verstaan dat, indien een door
een natuurlijke persoon die inwoner is van een van de verdragsluitende Staten
gedreven onderneming die haar bedrijf uitoefent met behulp van een in de andere
verdragsluitende Staat gevestigde vaste inrichting, overeenkomstig de wetgeving
van eerstbedoelde Staat geheel of gedeeltelijk wordt omgezet in een onderneming
gedreven door een vennootschap gevestigd in die Staat, de inkomsten die de
natuurlijke persoon geniet ter zake van werkzaamheden voor die vennootschap
in oprichting en die toerekenbaar zijn aan het in de andere verdragsluitende
Staat uitgeoefende bedrijf gedurende de periode dat de vennootschap in oprichting
is, voor de toepassing van het Verdrag worden beschouwd als beloningen in
de zin van artikel 15 of 16, naar gelang het geval.</al>
          </inspring>
          <al>De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing in geval die natuurlijke
persoon een zelfstandig beroep uitoefent in de zin van artikel 14 van het
Verdrag.</al>
          <al>21. Met betrekking tot artikel 17, paragraaf 3</al>
          <al>Voor de toepassing van artikel 17, paragraaf 3, betekent de uitdrukking „gefinancierd
voor een wezenlijk deel" een financiering van ten minste dertig percent.</al>
          <al>22. Met betrekking tot artikel 18 en artikel 26</al>
          <al>Voor de toepassing van artikel 18 en artikel 26, wordt onder de uitdrukking „sociale
wetgeving" verstaan een stelsel inzake sociale zekerheid. </al>
          <al>23. Met betrekking tot artikel 19, paragraaf 2</al>
          <al>Een uit Nederland afkomstig pensioen valt onder de reikwijdte van artikel
19, paragraaf 2, voor zover de aanspraak op dat pensioen is opgebouwd gedurende
een publiekrechtelijke dienstbetrekking. Dit ongeacht door wie dat pensioen
wordt uitbetaald. Wanneer de aanspraak op een pensioen deels gedurende een
particuliere dienstbetrekking en deels gedurende een publiekrechtelijke dienstbetrekking
is opgebouwd, wordt het deel van dat pensioen dat wordt beheerst door artikel
18, respectievelijk het deel dat wordt beheerst door artikel 19, paragraaf
2, vastgesteld naar evenredigheid van het aantal jaren dat de aanspraak op
dat pensioen is opgebouwd gedurende een particuliere, onderscheidenlijk gedurende
een publiekrechtelijke dienstbetrekking, ten opzichte van het totale aantal
jaren waarover de aanspraak op dat pensioen is opgebouwd.</al>
          <al>24. Met betrekking tot artikel 23, paragraaf 1</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>Voor het bepalen van de aanvullende belastingen
die door de Belgische gemeenten en agglomeraties worden vastgesteld, worden
in België, niettegenstaande de bepalingen van artikel 23, paragraaf 1,
subparagraaf a en elke andere bepaling van dit Verdrag, de beroepsinkomsten
die volgens artikel 23, paragraaf 1, subparagraaf a zijn vrijgesteld, in aanmerking
genomen. Deze aanvullende belastingen worden berekend op de belasting die
in België verschuldigd zou zijn in het geval bedoelde inkomsten uit Belgische
bronnen werden verkregen.</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>Het is wel te verstaan dat de regeling bepaald
in artikel 23, paragraaf 1, subparagraaf c, eveneens van toepassing is op
dividenden die een vennootschap die inwoner is van België verkrijgt van
een vennootschap die inwoner is van Nederland, en die voortkomen uit dividenden
uitgekeerd aan die laatste vennootschap door een derde vennootschap die aan
een belasting van gelijke aard als de Belgische vennootschapsbelasting is
onderworpen.</al>
          </inspring>
          <al>25. Met betrekking tot artikel 23, paragraaf 2, subparagraaf b</al>
          <al>Het is wel te verstaan dat voor de berekening van de vermindering vermeld
in artikel 23, paragraaf 2, subparagraaf b, de waarde van de in artikel 22,
paragraaf 1, genoemde vermogensbestanddelen wordt verminderd met de waarde
van de schulden verzekerd door hypotheek op dat vermogen en de waarde van
de in artikel 22, paragraaf 2, bedoelde vermogensbestanddelen wordt verminderd
met de waarde van de tot de vaste inrichting of de vaste basis behorende schulden.</al>
          <al>26. Met betrekking tot artikel 26, paragraaf 2</al>
          <al>Ingeval in Nederland omstandigheden van partners mede een rol spelen bij
de vaststelling van de verschuldigde belasting worden die omstandigheden,
ingeval een natuurlijke persoon die inwoner is van België een beroep
doet op deze bepaling bij de vaststelling van zijn in Nederland verschuldigde
belasting overeenkomstig in aanmerking genomen, met dien verstande dat hij
de persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen die bij zijn
partner in België in aanmerking komen niet ook in Nederland kan vergelden. </al>
          <al>27. Met betrekking tot artikel 28</al>
          <al>De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende Staten kunnen ter zake
van een overeengekomen regeling in het kader van een onderling overleg op
basis van het bepaalde in artikel 28 tevens overeenkomen dat in de verdragsluitende
Staat waar ingevolge eerdergenoemde regeling sprake is van een vermeerdering
van het belastbare inkomen met betrekking tot de daaruit voortvloeiende verschuldigde
belasting wordt afgezien van belastingverhogingen, interest en kosten, indien
in de andere verdragsluitende Staat met betrekking tot de corresponderende
vermindering van belasting ingevolge die regeling wordt afgezien van de toekenning
van interest.</al>
          <al>28. Met betrekking tot artikel 30</al>
          <al>Voor de toepassing van het Verdrag wordt de uitdrukking „uitvoerbare
titel" voor wat betreft Nederland gelezen als executoriale titel en wordt
de uitdrukking „eisbaar" voor wat betreft Nederland gelezen als invorderbaar.</al>
          <al>29. Met betrekking tot artikel 30, paragraaf 9</al>
          <al>Deze bepaling is in België van toepassing met betrekking tot het
voorrecht van de Schatkist zoals bedoeld in de artikelen 422 en 423 van het
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.</al>
          <al>30. Met betrekking tot artikel 33 en artikel 34</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a.</nr>
            <al>Het is wel te verstaan dat de uitdrukking „zijn
toegekend of betaalbaar gesteld" voor Nederland tevens betekent „ontvangen,
verrekend of ter beschikking gesteld zijn, rentedragend zijn geworden, vorderbaar
en inbaar zijn geworden".</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b.</nr>
            <al>Het is wel te verstaan dat de uitdrukking „belastbare
tijdperken" voor Nederland betekent „belastingjaren".</al>
          </inspring>
          <witreg></witreg>
          <al>TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gevolmachtigd
door hun respectieve Regeringen, dit Protocol hebben ondertekend.</al>
          <witreg></witreg>
          <al>GEDAAN in tweevoud te Luxemburg, op 5 juni 2001, in de Nederlandse en
de Franse taal, zijnde de twee teksten gelijkelijk authentiek.</al>
          <witreg></witreg>
          <al>
            <nadruk type="cur">Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,</nadruk>
          </al>
          <witreg></witreg>
          <al>(w.g.) W. J. BOS</al>
          <witreg></witreg>
          <al>
            <nadruk type="cur">Voor de Regering van het Koninkrijk België,</nadruk>
          </al>
          <witreg></witreg>
          <al>(w.g.) D. REYNDERS</al>
          <lijn></lijn>
          <tuskop letat="vet">Protocol II</tuskop>
          <witreg></witreg>
          <al>Bij de ondertekening van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot
het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen
en naar het vermogen zijn de ondergetekenden het volgende tweede protocol
overeengekomen dat een integrerend deel van het Verdrag vormt.</al>
          <witreg></witreg>
          <al>De verdragsluitende Staten komen overeen dat zij, met het oog op een redelijke
verdeling van de door elk van die Staten van inwoners natuurlijke personen
van de andere verdragsluitende Staat geheven belastingen over inkomsten uit
niet-zelfstandige arbeid als bedoeld in artikel 15 van het Verdrag, elkaar
jaarlijks over en weer een vergoeding ter grootte van een deel van die belasting
zullen doen toekomen. Basis voor de door een van de verdragsluitende Staten
aan de andere verdragsluitende Staat verschuldigde vergoeding vormt het totaal
aan zuivere belastingopbrengst dat eerstbedoelde verdragsluitende Staat ontvangt
van inwoners natuurlijke personen van de andere verdragsluitende Staat die
in eerstbedoelde verdragsluitende Staat inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid
genieten waarover het heffingsrecht ingevolge het bepaalde in artikel 15 van
het Verdrag is toegewezen aan die Staat. De zuivere belastingopbrengst als
bedoeld in de vorige volzin wordt gesteld op 20 percent van het totaal van
de door vorenbedoelde inwoners natuurlijke personen van de ene verdragsluitende
Staat in de andere verdragsluitende Staat naar hun inkomsten verschuldigde
belasting en de gelijktijdig door de belastingdienst van die laatstbedoelde
Staat geheven premies sociale verzekeringswetgeving als bedoeld in Verordening
(EEG) nr. 1408/71. Elk van de verdragsluitende Staten betaalt de andere verdragsluitende
Staat een vergoeding ter grootte van 50 percent van het door die verdragsluitende
Staat van inwoners van de andere verdragsluitende Staat ontvangen bedrag aan
zuivere belastingopbrengst. De over en weer verschuldigde vergoedingen worden
in rekening courant verrekend op het moment dat de daaraan ten grondslag liggende
belastingopbrengst is ontvangen, c.q. betaald. De bevoegde autoriteiten van
de verdragsluitende Staten treden voorafgaande aan de inwerkingtreding van
het protocol en vervolgens na elke periode van 5 jaar waarin jaarlijks vorenbedoelde
verrekening heeft plaatsgevonden met elkaar in overleg teneinde te bezien
of eerdergenoemde percentages nog adequaat worden geacht. Wanneer de bevoegde
autoriteiten van beide verdragsluitende Staten in het kader van zo'n overleg
overeenstemming bereiken over het feit dat een van eerderbedoelde percentages
of beide niet meer adequaat zijn, dan stellen zij in onderling overleg de
voor een volgende 5 jaars-periode geldende percentages vast. </al>
          <witreg></witreg>
          <al>TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gevolmachtigd
door hun respectieve Regeringen, dit Protocol hebben ondertekend.</al>
          <witreg></witreg>
          <al>GEDAAN in tweevoud te Luxemburg, op 5 juni 2001, in de Nederlandse en
de Franse taal, zijnde de twee teksten gelijkelijk authentiek.</al>
          <witreg></witreg>
          <al>
            <nadruk type="cur">Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,</nadruk>
          </al>
          <witreg></witreg>
          <al>(w.g.) W. J. BOS</al>
          <witreg></witreg>
          <al>
            <nadruk type="cur">Voor de Regering van het Koninkrijk België,</nadruk>
          </al>
          <witreg></witreg>
          <al>(w.g.) D. REYNDERS</al>
          <lijn></lijn>
        </taal>
        <taal taal="fr">
          <tuskop letat="vet">Convention entre le Royaume des Pays-Bas,  et le Royaume
de Belgique tendant à éviter la double imposition et à
prevenir l'évasion fiscale en matière d'impôts sur le
revenu et sur la fortune</tuskop>
          <al>Le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas</al>
          <al>et</al>
          <witreg></witreg>
          <al>le Gouvernement du Royaume de Belgique,</al>
          <witreg></witreg>
          <al>Désireux que soit conclue entre les deux Etats une nouvelle Convention
tendant à éviter la double imposition et à prévenir
l'évasion fiscale en matière d'impôts sur le revenu et
sur la fortune, sont convenus des dispositions suivantes:</al>
          <tuskop letat="rom">CHAPITRE I</tuskop>
          <al>CHAMP D'APPLICATION DE LA CONVENTION</al>
          <artkop id="ART0">
            <nr>Article 1</nr>
            <titel>Personnes visées</titel>
          </artkop>
          <al>La présente Convention s'applique aux personnes qui sont des résidents
d'un Etat contractant ou des deux Etats contractants.</al>
          <artkop id="ART1">
            <nr>Article 2</nr>
            <titel>Impôts visés</titel>
          </artkop>
          <al>1. La présente Convention s'applique aux impôts sur le revenu
et sur la fortune perçus pour le compte d'un Etat contractant, de ses
subdivisions politiques ou de ses collectivités locales, quel que soit
le système de perception.</al>
          <al>2. Sont considérés comme impôts sur le revenu et sur
la fortune les impôts perçus sur le revenu total, sur la fortune
totale, ou sur des éléments du revenu ou de la fortune, y compris
les impôts sur les gains provenant de l'aliénation de biens mobiliers
ou immobiliers, les impôts sur le montant global des salaires payés
par les entreprises, ainsi que les impôts sur les plus-values.</al>
          <al>3. Les impôts actuels auxquels s'applique la Convention sont notamment:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>en ce qui concerne la Belgique: </al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>1°</nr>
            <al>l'impôt des personnes physiques;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>2°</nr>
            <al>l'impôt des sociétés;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>3°</nr>
            <al>l'impôt des personnes morales;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>4°</nr>
            <al>l'impôt des non-résidents;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>5°</nr>
            <al>la contribution complémentaire
de crise;</al>
          </inspring>
          <al>y compris les précomptes, les centimes additionnels auxdits impôts
et précomptes ainsi que les taxes additionnelles à l'impôt
des personnes physiques,</al>
          <al>(ci-après dénommés «l'impôt belge»);</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>en ce qui concerne les Pays-Bas:</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>1°</nr>
            <al>l'impôt sur le revenu (<nadruk type="cur">de inkomstenbelasting</nadruk>);</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>2°</nr>
            <al>l'impôt sur les salaires (<nadruk type="cur">de loonbelasting</nadruk>);</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>3°</nr>
            <al>l'impôt des sociétés (<nadruk type="cur">de vennootschapsbelasting</nadruk>), y compris la part du Gouvernement
dans les bénéfices nets tirés de l'exploitation de ressources
naturelles, prélevée en vertu de la Mijnwet 1810 relative aux
concessions octroyées à partir de 1967 ou en vertu de la Nederlandse
Mijnwet continentaal plat 1965;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>4°</nr>
            <al>l'impôt sur les dividendes <nadruk type="cur">(de dividendbelasting);</nadruk></al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>5°</nr>
            <al>l'impôt sur la fortune <nadruk type="cur">(de vermogensbelasting);</nadruk></al>
          </inspring>
          <al>(ci-après dénommés «l'impôt néerlandais»).</al>
          <al>4. La Convention s'applique aussi aux impôts de nature identique
ou analogue qui seraient établis après la date de signature
de la Convention et qui s'ajouteraient aux impôts actuels ou qui les
remplaceraient. Les autorités compétentes des Etats contractants
se communiquent toutes les modifications substantielles apportées à
leurs législations fiscales respectives.</al>
          <tuskop letat="rom">CHAPITRE II</tuskop>
          <al>DÉFINITIONS</al>
          <artkop id="ART2">
            <nr>Article 3</nr>
            <titel>Définitions générales</titel>
          </artkop>
          <al>1. Au sens de la présente Convention, à moins que le contexte
n'exige une interprétation différente:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>1° l'expression «un Etat contractant»
désigne, suivant le contexte, le Royaume de Belgique ou le Royaume
des Pays-Bas; l'expression «Etats contractants» désigne
le Royaume de Belgique et le Royaume des Pays-Bas;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr></nr>
            <al>2° le terme «Belgique» désigne
le Royaume de Belgique; employé dans un sens géographique, il
désigne le territoire du Royaume de Belgique, y compris la mer territoriale
ainsi que les zones maritimes et les espaces aériens sur lesquels,
en conformité avec le droit international, le Royaume de Belgique exerce
des droits souverains ou sa juridiction;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr></nr>
            <al>3° le terme «Pays-Bas» désigne
la partie du Royaume des Pays-Bas qui est située en Europe, y compris
sa mer territoriale ainsi que toute zone située en dehors de la mer
territoriale à l'intérieur de laquelle les Pays-Bas, conformément
au droit international, ont une juridiction ou exercent des droits souverains
à l'égard du lit de la mer, de son sous-sol et des eaux surjacentes,
et de leurs ressources naturelles;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>le terme «personne» comprend
les personnes physiques, les sociétés et tous autres groupements
de personnes;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c)</nr>
            <al>le terme «société»
désigne toute personne morale ou toute entité qui est considérée
comme une personne morale aux fins d'imposition dans l'Etat contractant dont
elle est un résident;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>d)</nr>
            <al>les expressions «entreprise d'un Etat
contractant» et «entreprise de l'autre Etat contractant»
désignent respectivement une entreprise exploitée par un résident
d'un Etat contractant et une entreprise exploitée par un résident
de l'autre Etat contractant;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>e)</nr>
            <al>l'expression «trafic international»
désigne tout transport effectué au moyen d'un navire, d'un bateau
servant à la navigation intérieure ou d'un aéronef exploité
par une entreprise dont le siège de direction effective est situé
dans un Etat contractant, sauf lorsque le navire, le bateau ou l'aéronef
est exploité exclusivement entre des points situés dans l'autre
Etat contractant;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>f)</nr>
            <al>l'expression «autorité compétente»
désigne:</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>1°</nr>
            <al>en ce qui concerne la Belgique, le Ministre
des Finances ou son représentant autorisé, et</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>2°</nr>
            <al>en ce qui concerne les Pays-Bas, le
Ministre des Finances ou son représentant autorisé;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>g)</nr>
            <al>le terme «nationaux» désigne:</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>1°</nr>
            <al>toutes les personnes physiques qui possèdent
la nationalité d'un Etat contractant;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>2°</nr>
            <al>toutes les sociétés et
associations constituées conformément à la législation
en vigueur dans un Etat contractant.</al>
          </inspring>
          <al>2. Pour l'application de la Convention à un moment donné
par un Etat contractant, tout terme ou expression qui n'y est pas défini
a, sauf si le contexte exige une interprétation différente,
le sens que lui attribue, à ce moment, le droit de cet Etat concernant
les impôts auxquels s'applique la Convention; le sens attribué
à ce terme ou expression par le droit fiscal de cet Etat prévaut
sur le sens que lui attribuent les autres branches du droit de cet Etat.</al>
          <artkop id="ART3">
            <nr>Article 4</nr>
            <titel>Résident</titel>
          </artkop>
          <al>1. Au sens de la présente Convention, l'expression «résident
d'un Etat contractant» désigne toute personne qui, en vertu de
la législation de cet Etat, est assujettie à l'impôt dans
cet Etat, en raison de son domicile, de sa résidence, de son siège
de direction ou de tout autre critère de nature analogue. Toutefois,
cette expression ne comprend pas les personnes qui ne sont assujetties à
l'impôt dans cet Etat que pour les revenus de sources situées
dans cet Etat ou pour la fortune qui y est située.</al>
          <al>2. Lorsque, selon les dispositions du paragraphe 1, une personne physique
est un résident des deux Etats contractants, sa situation est réglée
de la manière suivante:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>cette personne est considérée
comme un résident seulement de l'Etat où elle dispose d'un foyer
d'habitation permanent; si elle dispose d'un foyer d'habitation permanent
dans les deux Etats, elle est considérée comme un résident
seulement de l'Etat avec lequel ses liens personnels et économiques
sont les plus étroits (centre des intérêts vitaux);</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>si l'Etat où cette personne a le
centre de ses intérêts vitaux ne peut pas être déterminé,
ou si elle ne dispose d'un foyer d'habitation permanent dans aucun des Etats,
elle est considérée comme un résident seulement de l'Etat
où elle séjourne de façon habituelle;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c)</nr>
            <al>si cette personne séjourne de façon
habituelle dans les deux Etats ou si elle ne séjourne de façon
habituelle dans aucun d'eux, elle est considérée comme un résident
seulement de l'Etat dont elle possède la nationalité;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>d)</nr>
            <al>si cette personne possède la nationalité
des deux Etats ou si elle ne possède la nationalité d'aucun
d'eux, les autorités compétentes des Etats contractants tranchent
la question d'un commun accord.</al>
          </inspring>
          <al>3. Lorsque, selon les dispositions du paragraphe 1, une personne autre
qu'une personne physique est un résident des deux Etats contractants,
elle est considérée comme un résident seulement de l'Etat
où son siège de direction effective est situé.</al>
          <artkop id="ART4">
            <nr>Article 5</nr>
            <titel>Établissement stable</titel>
          </artkop>
          <al>1. Au sens de la présente Convention, l'expression «établissement
stable» désigne une installation fixe d'affaires par l'intermédiaire
de laquelle une entreprise exerce tout ou partie de son activité.</al>
          <al>2. L'expression «établissement stable» comprend notamment:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>un siège de direction, </al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>une succursale,</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c)</nr>
            <al>un bureau,</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>d)</nr>
            <al>une usine,</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>e)</nr>
            <al>un atelier, et</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>f)</nr>
            <al>une mine, un puits de pétrole ou
de gaz, une carrière ou tout autre lieu d'extraction de ressources
naturelles.</al>
          </inspring>
          <al>3. Un chantier de construction ou de montage ne constitue un établissement
stable que si sa durée dépasse douze mois.</al>
          <al>4. Nonobstant les dispositions précédentes du présent
article, on ne considère pas qu'il y a «établissement
stable» si:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>il est fait usage d'installations aux seules
fins de stockage, d'exposition ou de livraison de marchandises appartenant
à l'entreprise;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>des marchandises appartenant à l'entreprise
sont entreposées aux seules fins de stockage, d'exposition ou de livraison;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c)</nr>
            <al>des marchandises appartenant à l'entreprise
sont entreposées aux seules fins de transformation par une autre entreprise;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>d)</nr>
            <al>une installation fixe d'affaires est utilisée
aux seules fins d'acheter des marchandises ou de réunir des informations,
pour l'entreprise;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>e)</nr>
            <al>une installation fixe d'affaires est utilisée
aux seules fins d'exercer, pour l'entreprise, toute autre activité
de caractère préparatoire ou auxiliaire;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>f)</nr>
            <al>une installation fixe d'affaires est utilisée
aux seules fins de l'exercice cumulé d'activités mentionnées
aux alinéas a) à e), à condition que l'activité
d'ensemble de l'installation fixe d'affaires résultant de ce cumul
garde un caractère préparatoire ou auxiliaire.</al>
          </inspring>
          <al>5. Nonobstant les dispositions des paragraphes 1 et 2, lorsqu'une personne –
autre qu'un agent jouissant d'un statut indépendant auquel s'applique
le paragraphe 6 – agit pour le compte d'une entreprise et dispose dans
un Etat contractant de pouvoirs qu'elle y exerce habituellement lui permettant
de conclure des contrats au nom de l'entreprise, cette entreprise est considérée
comme ayant un établissement stable dans cet Etat pour toutes les activités
que cette personne exerce pour l'entreprise, à moins que les activités
de cette personne ne soient limitées à celles qui sont mentionnées
au paragraphe 4 et qui, si elles étaient exercées par l'intermédiaire
d'une installation fixe d'affaires, ne permettraient pas de considérer
cette installation comme un établissement stable selon les dispositions
de ce paragraphe.</al>
          <al>6. Une entreprise n'est pas considérée comme ayant un établissement
stable dans un Etat contractant du seul fait qu'elle y exerce son activité
par l'entremise d'un courtier, d'un commissionnaire général
ou de tout autre agent jouissant d'un statut indépendant, à
condition que ces personnes agissent dans le cadre ordinaire de leur activité.
Cette disposition ne s'applique pas à un agent qui agit exclusivement
pour le compte d'une ou, au maximum, de deux entreprises d'assurances et qui
dispose de pouvoirs, qu'il exerce habituellement, lui permettant de conclure
des contrats au nom de cette entreprise ou de ces entreprises.</al>
          <al>7. Le fait qu'une société qui est un résident d'un
Etat contractant contrôle ou est contrôlée par une société
qui est un résident de l'autre Etat contractant ou qui y exerce son
activité (que ce soit par l'intermédiaire d'un établissement
stable ou non) ne suffit pas, en lui-même, à faire de l'une quelconque
de ces sociétés un établissement stable de l'autre.</al>
          <tuskop letat="rom">CHAPITRE III</tuskop>
          <al>IMPOSITION DES REVENUS</al>
          <artkop id="ART5">
            <nr>Article 6</nr>
            <titel>Revenus immobiliers</titel>
          </artkop>
          <al>1. Les revenus qu'un résident d'un Etat contractant tire de biens
immobiliers (y compris les revenus des exploitations agricoles ou forestières)
situés dans l'autre Etat contractant, sont imposables dans cet autre
Etat.</al>
          <al>2. L'expression «biens immobiliers» a le sens que lui attribue
le droit de l'Etat contractant où les biens considérés
sont situés. L'expression comprend en tous cas les accessoires, le
cheptel mort ou vif des exploitations agricoles et forestières, les
droits auxquels s'appliquent les dispositions du droit privé concernant
la propriété foncière, l'usufruit des biens immobiliers
et les droits à des paiements variables ou fixes pour l'exploitation
ou la concession de l'exploitation de gisements minéraux, sources et
autres ressources naturelles; les navires, les bateaux servant à la
navigation intérieure et les aéronefs ne sont pas considérés
comme des biens immobiliers.</al>
          <al>3. Les dispositions du paragraphe 1 s'appliquent aux revenus provenant
de la jouissance directe, de la location ou de l'affermage, ainsi que de toute
autre forme d'exploitation de biens immobiliers.</al>
          <al>4. Les dispositions des paragraphes 1 et 3 s'appliquent également
aux revenus provenant des biens immobiliers d'une entreprise ainsi qu'aux
revenus des biens immobiliers servant à l'exercice d'une profession
indépendante. </al>
          <artkop id="ART6">
            <nr>Article 7</nr>
            <titel>Bénéfices des entreprises</titel>
          </artkop>
          <al>1. Les bénéfices d'une entreprise d'un Etat contractant
ne sont imposables que dans cet Etat, à moins que l'entreprise n'exerce
son activité dans l'autre Etat contractant par l'intermédiaire
d'un établissement stable qui y est situé. Si l'entreprise exerce
son activité d'une telle façon, les bénéfices
de l'entreprise sont imposables dans l'autre Etat mais uniquement dans la
mesure où ils sont imputables à cet établissement stable.</al>
          <al>2. Sous réserve des dispositions du paragraphe 3, lorsqu'une entreprise
d'un Etat contractant exerce son activité dans l'autre Etat contractant
par l'intermédiaire d'un établissement stable qui y est situé,
il est imputé, dans chaque Etat contractant, à cet établissement
stable les bénéfices qu'il aurait pu réaliser s'il avait
constitué une entreprise distincte exerçant des activités
identiques ou analogues dans des conditions identiques ou analogues et traitant
en toute indépendance avec l'entreprise dont il constitue un établissement
stable.</al>
          <al>3. Pour déterminer les bénéfices d'un établissement
stable, sont admises en déduction les dépenses exposées
aux fins poursuivies par cet établissement stable, y compris les dépenses
de direction et les frais généraux d'administration ainsi exposés,
soit dans l'Etat où est situé cet établissement stable,
soit ailleurs.</al>
          <al>4. S'il est d'usage, dans un Etat contractant, de déterminer les
bénéfices imputables à un établissement stable
sur la base d'une répartition des bénéfices totaux de
l'entreprise entre ses diverses parties, aucune disposition du paragraphe
2 n'empêche cet Etat contractant de déterminer les bénéfices
imposables selon la répartition en usage; la méthode de répartition
adoptée doit cependant être telle que le résultat obtenu
soit conforme aux principes contenus dans le présent article.</al>
          <al>5. Aucun bénéfice n'est imputé à un établissement
stable du fait qu'il a simplement acheté des marchandises pour l'entreprise.</al>
          <al>6. Aux fins des paragraphes précédents, les bénéfices
à imputer à l'établissement stable sont déterminés
chaque année selon la même méthode, à moins qu'il
n'existe des motifs valables et suffisants de procéder autrement.</al>
          <al>7. Lorsque les bénéfices comprennent des éléments
de revenu traités séparément dans d'autres articles de
la présente Convention, les dispositions de ces articles ne sont pas
affectées par les dispositions du présent article. </al>
          <artkop id="ART7">
            <nr>Article 8</nr>
            <titel>Navigation maritime, intérieure et aérienne</titel>
          </artkop>
          <al>1. Les bénéfices provenant de l'exploitation, en trafic
international, de navires, de bateaux servant à la navigation intérieure
ou d'aéronefs ne sont imposables que dans l'Etat contractant où
le siège de direction effective de l'entreprise est situé.</al>
          <al>2. Au sens du présent article, les bénéfices provenant
de l'exploitation, en trafic international, de navires, de bateaux ou d'aéronefs
comprennent notamment:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>les bénéfices provenant de
la location de navires, de bateaux ou d'aéronefs, tout armés
et équipés, et les bénéfices provenant de la location
occasionnelle coque nue de navires, de bateaux ou d'aéronefs exploités
en trafic international;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>les bénéfices provenant de
l'usage ou de la location de conteneurs, à condition que ces bénéfices
soient complémentaires ou accessoires par rapport aux bénéfices
auxquels les dispositions du paragraphe 1 sont applicables;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c)</nr>
            <al>les bénéfices provenant de
l'exploitation, autrement qu'en trafic international, de bateaux servant à
la navigation intérieure, lorsque le transport par bateau constitue
le prolongement d'un transport par navire en trafic international et est effectué
en exécution du même contrat, ou pour le même commettant,
que ce transport par navire en trafic international.</al>
          </inspring>
          <al>3. Si le siège de direction effective d'une entreprise de navigation
maritime ou intérieure est à bord d'un navire ou d'un bateau,
ce siège est considéré comme situé dans l'Etat
contractant où se trouve le port d'attache de ce navire ou de ce bateau
ou, à défaut de port d'attache, dans l'Etat contractant dont
l'exploitant du navire ou du bateau est un résident.</al>
          <al>4. Les dispositions du paragraphe 1 s'appliquent aussi aux bénéfices
provenant de la participation à un pool, une exploitation en commun
ou un organisme international d'exploitation.</al>
          <artkop id="ART8">
            <nr>Article 9</nr>
            <titel>Entreprises associées</titel>
          </artkop>
          <al>1. Lorsque</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>une entreprise d'un Etat contractant participe
directement ou indirectement à la direction, au contrôle ou au
capital d'une entreprise de l'autre Etat contractant, ou que</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>les mêmes personnes participent directement
ou indirectement à la direction, au contrôle ou au capital d'une
entreprise d'un Etat contractant et d'une entreprise de l'autre Etat contractant,</al>
          </inspring>
          <al>et que, dans l'un et l'autre cas, les deux entreprises sont, dans leurs
relations commerciales ou financières, liées par des conditions
convenues ou imposées, qui diffèrent de celles qui seraient
convenues entre des entreprises indépendantes, les bénéfices
qui, sans ces conditions, auraient été réalisés
par l'une des entreprises mais n'ont pu l'être en fait à cause
de ces conditions, peuvent être inclus dans les bénéfices
de cette entreprise et imposés en conséquence.</al>
          <al>2. Lorsqu'un Etat contractant inclut dans les bénéfices
d'une entreprise de cet Etat – et impose en conséquence –
des bénéfices sur lesquels une entreprise de l'autre Etat contractant
a été imposée dans cet autre Etat, et que les bénéfices
ainsi inclus sont des bénéfices qui auraient été
réalisés par l'entreprise du premier Etat si les conditions
convenues entre les deux entreprises avaient été celles qui
auraient été convenues entre des entreprises indépendantes,
l'autre Etat procède à un ajustement approprié du montant
de l'impôt qui y a été perçu sur ces bénéfices.
Pour déterminer cet ajustement, il est tenu compte des autres dispositions
de la présente Convention et, si c'est nécessaire, les autorités
compétentes des Etats contractants se consultent.</al>
          <artkop id="ART9">
            <nr>Article 10</nr>
            <titel>Dividendes</titel>
          </artkop>
          <al>1. Les dividendes payés par une société qui est un
résident d'un Etat contractant à un résident de l'autre
Etat contractant sont imposables dans cet autre Etat.</al>
          <al>2. Toutefois, ces dividendes sont aussi imposables dans l'Etat contractant
dont la société qui paie les dividendes est un résident,
et selon la législation de cet Etat, mais si le bénéficiaire
effectif des dividendes est un résident de l'autre Etat contractant,
l'impôt ainsi établi ne peut excéder:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>5 pour cent du montant brut des dividendes
si le bénéficiaire effectif est une société qui
détient directement au moins 10 pour cent du capital de la société
qui paie les dividendes;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>15 pour cent du montant brut des dividendes,
dans tous les autres cas.</al>
          </inspring>
          <al>3. Les dispositions du paragraphe 2 n'affectent pas l'imposition de la
société au titre des bénéfices qui servent au
paiement des dividendes.  </al>
          <al>4. Le terme «dividendes» employé dans le présent
article désigne les revenus provenant d'actions, actions ou bons de
jouissance, parts de mine, parts de fondateur ou autres parts bénéficiaires
à l'exception des créances, ainsi que les revenus d'autres parts
sociales soumis au même régime fiscal que les revenus d'actions
par la législation de l'Etat dont la société distributrice
est un résident.</al>
          <al>5. Les dispositions des paragraphes 1 et 2 ne s'appliquent pas lorsque
le bénéficiaire effectif des dividendes, résident d'un
Etat contractant, exerce dans l'autre Etat contractant dont la société
qui paie les dividendes est un résident, soit une activité industrielle
ou commerciale par l'intermédiaire d'un établissement stable
qui y est situé, soit une profession indépendante au moyen d'une
base fixe qui y est située, et que la participation génératrice
des dividendes s'y rattache effectivement. Dans ce cas, les dispositions de
l'article 7 ou de l'article 14, suivant les cas, sont applicables.</al>
          <al>6. Lorsqu'une société qui est un résident d'un Etat
contractant tire des bénéfices ou des revenus de l'autre Etat
contractant, cet autre Etat ne peut percevoir aucun impôt sur les dividendes
payés par la société, sauf dans la mesure où ces
dividendes sont payés à un résident de cet autre Etat
ou dans la mesure où la participation génératrice des
dividendes se rattache effectivement à un établissement stable
ou à une base fixe situés dans cet autre Etat, ni prélever
aucun impôt, au titre de l'imposition des bénéfices non
distribués, sur les bénéfices non distribués de
la société, même si les dividendes payés ou les
bénéfices non distribués consistent en tout ou en partie
en bénéfices ou revenus provenant de cet autre Etat.</al>
          <al>7. Les revenus qu'un associé commanditaire tire d'actions ou parts
bénéficiaires d'une entreprise de l'un des Etats contractants
sont imposables dans cet Etat selon la législation de cet Etat.</al>
          <artkop id="ART10">
            <nr>Article 11</nr>
            <titel>Intérêts</titel>
          </artkop>
          <al>1. Les intérêts provenant d'un Etat contractant et payés
à un résident de l'autre Etat contractant sont imposables dans
cet autre Etat.</al>
          <al>2. Toutefois, ces intérêts sont aussi imposables dans l'Etat
contractant d'où ils proviennent et selon la législation de
cet Etat, mais si le béné-ficiaire effectif des intérêts
est un résident de l'autre Etat contractant, l'impôt ainsi établi
ne peut excéder 10 pour cent du montant brut des intérêts.</al>
          <al>3. Par dérogation à la disposition du paragraphe 2, les
intérêts ne sont pas imposables dans l'Etat contractant d'où
ils proviennent,</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>lorsque le bénéficiaire effectif
de ces intérêts est une entreprise de l'autre Etat contractant
et qu'il ne s'agit pas d'intérêts de prêts ou de dépôts
de sommes d'argent représentés par des titres au porteur;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>lorsqu'il s'agit d'intérêts
de prêts ou de dépôts de sommes d'argent représentés
par des titres au porteur  et que le bénéficiaire effectif des
intérêts est une entreprise de l'autre Etat contractant qui exerce
une activité bancaire ou dans le domaine de l'assurance et qui détient
les titres considérés pendant au moins les trois mois qui précèdent
la date de mise en paiement des intérêts;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c)</nr>
            <al>lorsqu'il s'agit d'intérêts
de créances commerciales – y compris celles qui sont représentées
par des effets de commerce – résultant du paiement à terme
de fournitures de marchandises, produits ou services par des entreprises;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>d)</nr>
            <al>lorsque des intérêts sont payés
en raison d'un prêt ou d'un crédit consenti, garanti ou assuré
dans le cadre d'un régime général organisé par
un Etat contractant, une de ses subdivisions politiques ou collectivités
locales, la NV De Nederlandsche Bank ou la Banque Nationale de Belgique et
dont l'objet est de promouvoir les exportations;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>e)</nr>
            <al>lorsque les intérêts sont payés
à l'autre Etat contractant, à l'une de ses subdivisions politiques
ou collectivités locales, à la NV De Nederlandsche Bank ou à
la Banque Nationale de Belgique.</al>
          </inspring>
          <al>4. Le terme «intérêts» employé dans le
présent article désigne les revenus des créances de toute
nature, assorties ou non de garanties hypothécaires ou d'une clause
de participation aux bénéfices du débiteur, autres que
les actions ou parts bénéficiaires visées à l'article
10, paragraphe 7, de la présente Convention, et notamment les revenus
des fonds publics et des obligations d'emprunts, y compris les primes de toute
nature attachées à ces titres. Les pénalisations pour
paiement tardif ne sont pas considérées comme des intérêts
au sens du présent article. </al>
          <al>5. Les dispositions des paragraphes 1, 2 et 3 ne s'appliquent pas lorsque
le bénéficiaire effectif des intérêts, résident
d'un Etat contractant, exerce dans l'autre Etat contractant d'où proviennent
les intérêts, soit une activité industrielle ou commerciale
par l'intermédiaire d'un établissement stable qui y est situé,
soit une profession indépendante au moyen d'une base fixe qui y est
située, et que la créance génératrice des intérêts
s'y rattache effectivement. Dans ce cas, les dispositions de l'article 7 ou
de l'article 14, suivant les cas, sont applicables.</al>
          <al>6. Les intérêts sont considérés comme provenant
d'un Etat contractant lorsque le débiteur est cet Etat lui-même,
une subdivision politique, une collectivité locale ou un résident
de cet Etat. Toutefois, lorsque le débiteur des intérêts,
qu'il soit ou non un résident d'un Etat contractant, a dans un Etat
contractant un établissement stable, ou une base fixe, pour lequel
la dette donnant lieu au paiement des intérêts a été
contractée et qui supporte la charge de ces intérêts,
ceux-ci sont considérés comme provenant de l'Etat où
l'établissement stable, ou la base fixe, est situé. </al>
          <al>7. Lorsque, en raison de relations spéciales existant entre le
débiteur et le bénéficiaire effectif ou que l'un et l'autre
entretiennent avec de tierces personnes, le montant des intérêts,
compte tenu de la créance pour laquelle ils sont payés, excède
celui dont seraient convenus le débiteur et le bénéficiaire
effectif en l'absence de pareilles relations, les dispositions du présent
article ne s'appliquent qu'à ce dernier montant. Dans ce cas, la partie
excédentaire des paiements est imposable, selon la législation
de chaque Etat contractant et compte tenu des autres dispositions de la présente
Convention.</al>
          <al>8. Nonobstant les dispositions des paragraphes 1, 2 et 3, les intérêts
payés par une société par actions qui, selon la législation
d'un Etat contractant, est un résident de cet Etat, à une personne
physique qui est un résident de l'autre Etat contractant sont aussi
imposables dans le premier Etat contractant et selon la législation
de cet Etat lorsque cette personne physique – seule ou avec son conjoint –
ou un de leurs parents ou alliés en ligne directe possède directement
ou indirectement au moins cinq pour cent du capital souscrit représenté
par une catégorie d'actions de cette société. La présente
disposition ne s'applique que lorsque la personne physique à qui les
intérêts sont payés a, au cours des dix dernières
années précédant celle au cours de laquelle ces intérêts
sont payés, été un résident du premier Etat et
pour autant que les conditions précitées en matière de
participation dans cette société aient été remplies
au moment où cette personne est devenue un résident de l'autre
Etat contractant.</al>
          <al>La présente disposition n'est applicable que dans les cas où
une cotisation a été établie à charge de la personne
physique, lors de son émigration hors de cet Etat contractant, sur
la base d'une fiction légale d'aliénation des actions visées
à l'alinéa précédent et aussi longtemps qu'une
partie de cette cotisation reste ouverte.</al>
          <artkop id="ART11">
            <nr>Article 12</nr>
            <titel>Redevances</titel>
          </artkop>
          <al>1. Les redevances provenant d'un Etat contractant et payées à
un résident de l'autre Etat contractant ne sont imposables que dans
cet autre Etat, si ce résident en est le bénéficiaire
effectif.</al>
          <al>2. Le terme «redevances» employé dans le présent
article désigne les rémunérations de toute nature payées
pour l'usage ou la concession de l'usage d'un droit d'auteur sur une oeuvre
littéraire, artistique ou scientifique, y compris les films cinématographiques
et les films ou bandes enregistrés pour la radio ou la télévision,
d'un brevet, d'une marque de fabrique ou de commerce, d'un dessin ou d'un
modèle, d'un plan, d'une formule ou d'un procédé secrets
et pour des informations ayant trait à une expérience acquise
dans le domaine industriel, commercial ou scientifique.</al>
          <al>3. Les dispositions du paragraphe 1 ne s'appliquent pas lorsque le bénéficiaire
effectif des redevances, résident d'un Etat contractant, exerce dans
l'autre Etat contractant d'où proviennent les redevances, soit une
activité industrielle ou commerciale par l'intermédiaire d'un
établissement stable qui y est situé, soit une profession indépendante
au moyen d'une base fixe qui y est située, et que le droit ou le bien
générateur des redevances s'y rattache effectivement. Dans ce
cas, les dispositions de l'article 7 ou de l'article 14, suivant les cas,
sont applicables.</al>
          <al>4. Les redevances sont considérées comme provenant d'un
Etat contractant lorsque le débiteur est cet Etat lui-même, une
subdivision politique, une collectivité locale ou un résident
de cet Etat. Toutefois, lorsque le débiteur des redevances, qu'il soit
ou non un résident d'un Etat contractant, a dans un Etat contractant
un établissement stable, ou une base fixe, pour lequel le contrat donnant
lieu au paiement des redevances a été conclu et qui supporte
la charge de ces redevances, celles-ci sont considérées comme
provenant de l'Etat où l'établissement stable, ou la base fixe,
est situé.</al>
          <al>5. Lorsque, en raison de relations spéciales existant entre le
débiteur et le bénéficiaire effectif ou que l'un et l'autre
entretiennent avec de tierces personnes, le montant des redevances, compte
tenu de la prestation pour laquelle elles sont payées, excède
celui dont seraient convenus le débiteur et le bénéficiaire
effectif en l'absence de pareilles relations, les dispositions du présent
article ne s'appliquent qu'à ce dernier montant. Dans ce cas, la partie
excédentaire des paiements est imposable selon la législation
de chaque Etat contractant et compte tenu des autres dispositions de la présente
Convention.</al>
          <artkop id="ART12">
            <nr>Article 13</nr>
            <titel>Gains en capital</titel>
          </artkop>
          <al>1. Les gains qu'un résident d'un Etat contractant tire de l'aliénation
de biens immobiliers visés à l'article 6, et situés dans
l'autre Etat contractant, sont imposables dans cet autre Etat.</al>
          <al>2. Les gains provenant de l'aliénation de biens mobiliers qui font
partie de l'actif d'un établissement stable qu'une entreprise d'un
Etat contractant a dans l'autre Etat contractant, ou de biens mobiliers qui
appartiennent à une base fixe dont un résident d'un Etat contractant
dispose dans l'autre Etat contractant pour l'exercice d'une profession indépendante,
y compris de tels gains provenant de l'aliénation de cet établissement
stable (seul ou avec l'ensemble de l'entreprise) ou de cette base fixe, sont
imposables dans cet autre Etat. </al>
          <al>3. Les gains provenant de l'aliénation de navires, de bateaux servant
à la navigation intérieure ou d'aéronefs exploités
en trafic international, ou de biens mobiliers affectés à l'exploitation
de ces navires, bateaux ou aéronefs, ne sont imposables que dans l'Etat
contractant où le siège de direction effective de l'entreprise
est situé. A cet égard, les dispositions de l'article 8, paragraphe
3, sont applicables.</al>
          <al>4. Les gains provenant de l'aliénation de tous biens autres que
ceux visés aux paragraphes 1, 2 et 3 ne sont imposables que dans l'Etat
contractant dont le cédant est un résident.</al>
          <al>5. Nonobstant les dispositions du paragraphe 4, un Etat contractant peut
imposer selon sa propre législation, en ce compris le sens donné
au terme «aliénation», les gains qu'une personne physique
qui est un résident de l'autre Etat contractant tire de l'aliénation
de bons de jouissance ou d'actions d'une société par actions
qui, selon la législation du premier Etat contractant, est un résident
de cet Etat, ou de créances sur cette société, ainsi
que les gains que cette personne physique tire de l'aliénation d'une
partie des droits attachés à ces actions, bons de jouissance
ou créances, lorsque cette personne physique – seule ou avec
son conjoint – ou un de leurs parents ou alliés en ligne directe
possède directement ou indirectement au moins cinq pour cent du capital
souscrit représenté par une catégorie d'actions de cette
société. La présente disposition ne s'applique que lorsque
la personne physique qui réalise les gains a, au cours des dix dernières
années précédant celle au cours de laquelle ces gains
sont réalisés, été un résident du premier
Etat et pour autant que les conditions précitées en matière
de participation dans cette société aient été
remplies au moment où cette personne est devenue un résident
de l'autre Etat contractant. </al>
          <al>La présente disposition n'est applicable que dans les cas où
une cotisation a été établie à charge de la personne
physique, lors de son émigration hors de cet Etat contractant, sur
la base d'une fiction légale d'aliénation des actions, bons
de jouissance, créances ou droits visés à l'alinéa
précédent et aussi longtemps qu'une partie de cette cotisation
reste ouverte.</al>
          <artkop id="ART13">
            <nr>Article 14</nr>
            <titel>Professions indépendantes</titel>
          </artkop>
          <al>1. Sous réserve des dispositions de l'article 16, paragraphes 2,
3 et 4, les revenus qu'un résident d'un Etat contractant tire d'une
profession libérale ou d'autres activités de caractère
indépendant ne sont imposables que dans cet Etat, à moins que
ce résident ne dispose de façon habituelle dans l'autre Etat
contractant d'une base fixe pour l'exercice de ses activités. S'il
dispose d'une telle base fixe, les revenus sont imposables dans l'autre Etat
mais uniquement dans la mesure où ils sont imputables à cette
base fixe.</al>
          <al>2. L'expression «profession libérale» comprend notamment
les activités indépendantes d'ordre scientifique, littéraire,
artistique, éducatif ou pédagogique, ainsi que les activités
indépendantes des médecins, avocats, ingénieurs, architectes,
dentistes et comptables.</al>
          <artkop id="ART14">
            <nr>Article 15</nr>
            <titel>Professions dépendantes</titel>
          </artkop>
          <al>1. Sous réserve des dispositions des articles 16, 18, 19 et 20,
les salaires, traitements et autres rémunérations similaires
qu'un résident d'un Etat contractant reçoit au titre d'un emploi
salarié ne sont imposables que dans cet Etat, à moins que l'emploi
ne soit exercé dans l'autre Etat contractant. Si l'emploi y est exercé,
les rémunérations reçues à ce titre sont imposables
dans cet autre Etat.</al>
          <al>2. Nonobstant les dispositions du paragraphe 1, les rémunérations
qu'un résident d'un Etat contractant reçoit au titre d'un emploi
salarié exercé dans l'autre Etat contractant ne sont imposables
que dans le premier Etat si:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>le bénéficiaire séjourne
dans l'autre Etat pendant une période ou des périodes n'excédant
pas au total 183 jours au cours d'une période de douze mois commençant
ou se terminant durant l'année fiscale considérée, et </al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>les rémunérations sont payées
par un employeur ou pour le compte d'un employeur qui n'est pas un résident
de l'autre Etat, et</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c)</nr>
            <al>la charge des rémunérations
n'est pas supportée par un établissement stable ou une base
fixe que l'employeur a dans l'autre Etat.</al>
          </inspring>
          <al>3. Nonobstant les dispositions précédentes du présent
article, la rémunération reçue au titre d'un emploi salarié
exercé à bord d'un navire, d'un bateau servant à la navigation
intérieure ou d'un aéronef n'est imposable que dans l'Etat contractant
où est situé le siège de direction effective de l'entreprise
qui exploite ce navire, ce bateau ou cet aéronef.</al>
          <artkop id="ART15">
            <nr>Article 16</nr>
            <titel>Dirigeants de sociétés</titel>
          </artkop>
          <al>1. Les rémunérations qu'une personne qui est un résident
d'un Etat contractant reçoit d'une société qui est un
résident de l'autre Etat contractant en raison de l'exercice d'un mandat
ou de fonctions d'administrateur, de gérant, de liquidateur ou en raison
de l'exercice de fonctions qui, en vertu de la législation de cet autre
Etat, sont considérées comme des fonctions analogues sont imposables
dans cet autre Etat.</al>
          <al>2. Les rémunérations qu'une personne qui est un résident
d'un Etat contractant reçoit d'une société qui est un
résident de l'autre Etat contractant en raison de l'exercice –
en dehors du cadre d'un emploi salarié – d'une activité
ou d'une fonction dirigeante de gestion journalière, d'ordre commercial,
technique ou financier sont imposables dans cet autre Etat.</al>
          <al>3. Les rémunérations qu'une personne qui est un résident
d'un Etat contractant reçoit d'une société qui est un
résident de l'autre Etat contractant en raison de l'exercice –
en dehors du cadre d'un emploi salarié – d'activités autres
que celles visées aux paragraphes 1 et 2 sont imposables dans cet autre
Etat.</al>
          <al>4. Nonobstant les dispositions des paragraphes 2 et 3, les rémunérations
visées dans ces paragraphes qu'une personne reçoit en raison
de l'exercice de telles activités dans un établissement stable
situé dans l'Etat contractant autre que celui dont la société
est un résident et qui sont supportées par cet établissement
stable sont imposables dans cet autre Etat.</al>
          <artkop id="ART16">
            <nr>Article 17</nr>
            <titel>Artistes et sportifs</titel>
          </artkop>
          <al>1. Nonobstant les dispositions des articles 14 et 15, les revenus qu'un
résident d'un Etat contractant tire de ses activités personnelles
exercées dans l'autre Etat contractant en tant qu'artiste du spectacle,
tel qu'un artiste de théâtre, de cinéma, de la radio ou
de la télévision, ou qu'un musicien, ou en tant que sportif,
sont imposables dans cet autre Etat.</al>
          <al>2. Lorsque les revenus d'activités qu'un artiste du spectacle ou
un sportif exerce personnellement et en cette qualité sont attribués
non pas à l'artiste ou au sportif lui-même mais à une
autre personne, ces revenus sont imposables, nonobstant les dispositions des
articles 7, 14 et 15, dans l'Etat contractant où les activités
de l'artiste ou du sportif sont exercées.</al>
          <al>3. Les dispositions des paragraphes 1 et 2 ne s'appliquent pas si les
activités exercées dans un Etat contractant sont financées
pour une large part au moyen de fonds publics de l'autre Etat contractant
ou de l'une de ses subdivisions politiques ou collectivités locales.
Dans ce cas, les revenus tirés de ces activités ne sont imposables
que dans cet autre Etat contractant.</al>
          <artkop id="ART17">
            <nr>Article 18</nr>
            <titel>Pensions, rentes, allocations de sécurité sociale et
rentes alimentaires</titel>
          </artkop>
          <al></al>
          <al>1. a) Sous réserve des dispositions de l'article 19, paragraphe
2, les pensions et autres rémunérations similaires, payées
à un résident d'un Etat contractant au titre d'un emploi antérieur,
ainsi que les rentes et allocations – périodiques ou non –
provenant de l'épargne-pension, de fonds de pension et d'assurances
de groupe, qui sont payées à un résident d'un Etat contractant,
ne sont imposables que dans cet Etat.</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>Les pensions et autres allocations, périodiques
ou non, payées en exécution de la législation sociale
d'un Etat contractant à un résident de l'autre Etat contractant
ne sont imposables que dans ce dernier Etat.</al>
          </inspring>
          <al>2. Nonobstant les dispositions du paragraphe 1, un élément
de revenu visé dans ce paragraphe est aussi imposable dans l'Etat contractant
d'où il provient et selon la législation de cet Etat si et dans
la mesure où:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>en ce qui concerne les éléments
de revenu visés au paragraphe 1, a), le droit à cet élément
de revenu a été exempté d'impôt dans l'Etat contractant
d'où il provient, ou les cotisations payées à ce titre
au fonds de pension, au fonds d'épargne-pension ou à la société
débitrice de cet élément de revenu ont été
par le passé, soit déduites lors de la détermination
du revenu imposable dans cet Etat, soit prises en considération pour
l'octroi d'un autre avantage fiscal dans cet Etat; et</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>en ce qui concerne les éléments
de revenu visés au paragraphe 1, a) et b), cet élément
de revenu n'est pas soumis, dans l'Etat contractant dont le bénéficiaire
est un résident, au taux d'imposition généralement applicable
aux revenus de professions dépendantes ou moins de 90 pour cent du
montant brut de cet élément de revenu est soumis à l'impôt
dans cet Etat.</al>
          </inspring>
          <al>Les dispositions qui précèdent ne s'appliquent toutefois
que lorsque le montant brut total des éléments de revenu qui,
en vertu des dispositions qui précèdent, seraient imposables
dans l'Etat contractant d'où ils proviennent, excède au cours
de l'année civile un montant de 25.000 euros.</al>
          <al>3. Nonobstant les dispositions des paragraphes 1 et 2, une pension ou
une autre rémunération, rente ou allocation similaire visée
au paragraphe 1 est aussi imposable dans l'Etat contractant d'où elle
provient si cette pension ou cette autre rémunération, rente
ou allocation similaire n'a pas un caractère périodique et si
le paiement a lieu avant la date à laquelle cette pension ou cette
autre rémunération, rente ou allocation similaire devrait prendre
cours.</al>
          <al>4. Un élément de revenu visé au paragraphe 1, a),
est considéré comme provenant d'un Etat contractant si et dans
la mesure où le droit à cet élément de revenu
ou les cotisations y relatives ont été pris en considération
pour l'octroi d'un avantage fiscal dans cet Etat. Les pouvoirs d'imposition
attribués à un Etat contractant conformément aux dispositions
du présent article ne sont en aucune façon limités par
le transfert d'un élément de revenu visé au paragraphe
1 d'un fonds de pension, d'un fonds d'épargne-pension ou d'une société
établi dans un Etat contractant à un fonds de pension, un fonds
d'épargne-pension ou une société établi dans un
autre Etat.</al>
          <al>5. Les autorités compétentes des Etats contractants règlent
d'un commun accord les modalités d'application du paragraphe 2. Elles
déterminent en même temps les données à fournir
par un résident d'un Etat contractant aux fins d'une application correcte
de la Convention dans l'autre Etat contractant, notamment en vue de déterminer
si les conditions définies au paragraphe 2 sont ou non remplies.</al>
          <al>6. Nonobstant les dispositions des paragraphes 1, 2 et 3, les allocations
payées en exécution de la législation sociale d'un Etat
contractant à une personne physique qui exerce un emploi salarié
dans cet Etat et qui est un résident de l'autre Etat contractant, parce
que cette personne physique, en raison d'une maladie, d'une incapacité
partielle de travail ou parce qu'elle est en surnombre, n'est pas à
même d'exercer effectivement ou complètement cet emploi, sont
imposables, pendant une période maximale d'un an ou aussi longtemps
que la personne physique continue à percevoir des rémunérations
au titre de l'exercice effectif de cet emploi, dans l'Etat contractant où
les rémunérations perçues au titre de l'emploi effectivement
exercé sont imposables.</al>
          <al>7. Le terme «rente» désigne une somme prédéterminée,
payable périodiquement à échéances fixes, la vie
durant ou pendant un laps de temps déterminé ou déterminable,
en vertu d'un engagement d'effectuer les paiements en échange d'une
pleine et adéquate contre-valeur en argent ou en son équivalent.</al>
          <al>8. Les rentes alimentaires et autres paiements similaires provenant d'un
Etat contractant et payés à un résident de l'autre Etat
contractant ne sont imposables que dans cet autre Etat. L'expression «rentes
alimentaires et autres paiements similaires» désigne, aux fins
du présent paragraphe, les paiements périodiques effectués
en vertu d'une obligation légale d'entretien ou d'une convention écrite
de séparation ou de divorce, ainsi que les capitaux en tenant lieu.</al>
          <artkop id="ART18">
            <nr>Article 19</nr>
            <titel>Fonctions publiques</titel>
          </artkop>
          <al>1. a) Les salaires, traitements et autres rémunérations
similaires, autres que les pensions, payés par un Etat contractant
ou l'une de ses subdivisions politiques ou collectivités locales à
une personne physique, au titre de services rendus à cet Etat ou à
cette subdivision ou collectivité, sont imposables dans cet Etat.</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>Toutefois, ces salaires, traitements et
autres rémunérations similaires ne sont imposables que dans
l'autre Etat contractant si les services sont rendus dans cet Etat et si la
personne physique est un résident de cet Etat qui:</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>1°</nr>
            <al>possède la nationalité
de cet Etat, ou</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="2">
            <nr>2°</nr>
            <al>n'est pas devenu un résident
de cet Etat à seule fin de rendre les services.</al>
          </inspring>
          <al>2. a) Les pensions payées par un Etat contractant ou l'une de ses
subdivisions politiques ou collectivités locales, soit directement
soit par prélèvement sur des fonds qu'ils ont constitués,
à une personne physique, au titre de services rendus à cet Etat
ou à cette subdivision ou collectivité, sont imposables dans
cet Etat.</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>Toutefois, ces pensions ne sont imposables
que dans l'autre Etat contractant si la personne physique est un résident
de cet Etat et en possède la nationalité. </al>
          </inspring>
          <al>3. Les dispositions des articles 15, 16, 17 et 18 s'appliquent aux salaires,
traitements et autres rémunérations similaires ainsi qu'aux
pensions payés au titre de services rendus dans le cadre d'une activité
industrielle ou commerciale exercée par un Etat contractant ou l'une
de ses subdivisions politiques ou collectivités locales.</al>
          <artkop id="ART19">
            <nr>Article 20</nr>
            <titel>Professeurs et étudiants</titel>
          </artkop>
          <al>1. Les rémunérations quelconques des professeurs et autres
membres du personnel enseignant, résidents d'un Etat contractant, qui
séjournent dans l'autre Etat contractant pour y enseigner ou s'y livrer
à des recherches scientifiques dans une université ou une autre
institution d'enseignement officiellement reconnue, sont exemptées
d'impôt dans cet autre Etat pendant une période n'excédant
pas deux années à compter de la date à laquelle ces personnes
commencent effectivement à exercer cette fonction dans l'autre Etat.</al>
          <al>2. Le paragraphe 1 ne s'applique pas aux revenus provenant de travaux
de recherche scientifique, lorsque ces travaux sont entrepris non dans l'intérêt
général mais principalement au profit personnel d'une ou plusieurs
personnes déterminées.</al>
          <al>3. Les sommes qu'un étudiant ou un stagiaire qui est, ou qui était
immédiatement avant de se rendre dans un Etat contractant, un résident
de l'autre Etat contractant et qui séjourne dans le premier Etat à
seule fin d'y poursuivre ses études ou sa formation, reçoit
pour couvrir ses frais d'entretien, d'études ou de formation ne sont
pas imposables dans cet Etat, à condition que ces sommes proviennent
de sources situées en dehors de cet Etat.</al>
          <artkop id="ART20">
            <nr>Article 21</nr>
            <titel>Autres revenus</titel>
          </artkop>
          <al>1. Les éléments du revenu d'un résident d'un Etat
contractant, d'où qu'ils proviennent, qui ne sont pas traités
dans les articles précédents de la présente Convention
et qui sont imposés dans cet Etat ne sont imposables que dans cet Etat.</al>
          <al>2. La disposition du paragraphe 1 ne s'applique pas aux revenus autres
que les revenus provenant de biens immobiliers tels qu'ils sont définis
à l'article 6, paragraphe 2, lorsque le bénéficiaire
de tels revenus, résident d'un Etat contractant, exerce dans l'autre
Etat contractant, soit une activité industrielle ou commerciale par
l'intermédiaire d'un établissement stable qui y est situé,
soit une profession indépendante au moyen d'une base fixe qui y est
située, et que le droit ou le bien générateur des revenus
s'y rattache effectivement. Dans ce cas, les dispositions de l'article 7 ou
de l'article 14, suivant les cas, sont applicables.  </al>
          <tuskop letat="rom">CHAPITRE IV</tuskop>
          <al>IMPOSITION DE LA FORTUNE</al>
          <artkop id="ART21">
            <nr>Article 22</nr>
            <titel>Fortune</titel>
          </artkop>
          <al>1. La fortune constituée par des biens immobiliers visés
à l'article 6, que possède un résident d'un Etat contractant
et qui sont situés dans l'autre Etat contractant, est imposable dans
cet autre Etat.</al>
          <al>2. La fortune constituée par des biens mobiliers qui font partie
de l'actif d'un établissement stable qu'une entreprise d'un Etat contractant
a dans l'autre Etat contractant, ou par des biens mobiliers qui appartiennent
à une base fixe dont un résident d'un Etat contractant dispose
dans l'autre Etat contractant pour l'exercice d'une profession indépendante,
est imposable dans cet autre Etat.</al>
          <al>3. La fortune constituée par des navires, des bateaux servant à
la navigation intérieure et des aéronefs exploités en
trafic international, ainsi que par des biens mobiliers affectés à
l'exploitation de ces navires, bateaux ou aéronefs, n'est imposable
que dans l'Etat contractant où le siège de direction effective
de l'entreprise est situé. A cet égard, les dispositions de
l'article 8, paragraphe 3, sont applicables.</al>
          <al>4. Tous les autres éléments de la fortune d'un résident
d'un Etat contractant ne sont imposables que dans cet Etat.</al>
          <tuskop letat="rom">CHAPITRE V</tuskop>
          <al>Méthodes pour Éliminer la double imposition</al>
          <artkop id="ART22">
            <nr>Article 23</nr>
          </artkop>
          <al>1. En ce qui concerne la Belgique, la double imposition est évitée
de la manière suivante:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>Lorsqu'un résident de la Belgique
reçoit des revenus, autres que des dividendes, des intérêts
ou des redevances visées à l'article 12, paragraphe 5, ou possède
des éléments de fortune qui sont imposés aux Pays-Bas
conformément aux dispositions de la présente Convention, la
Belgique exempte de l'impôt ces revenus ou ces éléments
de fortune, mais elle peut, pour calculer le montant de ses impôts sur
le reste du revenu ou de la fortune de ce résident, appliquer le même
taux que si les revenus ou les éléments de fortune en question
n'avaient pas été exemptés.</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>Sous réserve des dispositions de
la législation belge relatives à l'imputation sur l'impôt
belge des impôts payés à l'étranger, lorsqu'un
résident de la Belgique reçoit des éléments de
revenu qui sont compris dans son revenu global soumis à l'impôt
belge et qui consistent en dividendes non exemptés d'impôt belge
en vertu du c) ci-après, en intérêts ou en redevances
visées à l'article 12, paragraphe 5, l'impôt néerlandais
perçu sur ces revenus est imputé sur l'impôt belge afférent
auxdits revenus.</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c)</nr>
            <al>Les dividendes qu'une société
qui est un résident de la Belgique reçoit d'une société
qui est un résident des Pays-Bas sont exemptés de l'impôt
des sociétés en Belgique, dans les conditions et limites prévues
par la législation belge.</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>d)</nr>
            <al>Lorsque, conformément à la
législation belge, des pertes subies par une entreprise exploitée
par un résident de la Belgique dans un établissement stable
situé aux Pays-Bas ont été effectivement déduites
des bénéfices de cette entreprise pour son imposition en Belgique,
l'exemption prévue au a) ne s'applique pas en Belgique aux bénéfices
d'autres périodes imposables qui sont imputables à cet établissement,
dans la mesure où ces bénéfices ont aussi été
exemptés d'impôt aux Pays-Bas en raison de leur compensation
avec lesdites pertes.</al>
          </inspring>
          <al>2. En ce qui concerne les Pays-Bas, la double imposition est évitée
de la manière suivante:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>Les Pays-Bas peuvent, lors de l'imposition
de leurs résidents, inclure dans la base imposable les éléments
du revenu ou de la fortune qui, conformément aux dispositions de la
présente Convention, sont imposables en Belgique.</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>Toutefois, lorsqu'un résident des
Pays-Bas reçoit des éléments de revenu ou possède
des éléments de fortune qui sont imposables en Belgique conformément
aux dispositions de l'article 6, de l'article 7, de l'article 10, paragraphes
5 et 7, de l'article 11, paragraphe 5, de l'article 12, paragraphe 3, de l'article
13, paragraphes 1 et 2, de l'article 14, de l'article 15, paragraphe 1, de
l'article 18, paragraphes 2, 3 et 6, de l'article 19, paragraphe 1, a), et
paragraphe 2, a), de l'article 21, paragraphe 2, et de l'article 22, paragraphes
1 et 2, de la présente Convention, et qui sont compris dans la base
imposable visée au paragraphe 2, a), les Pays-Bas exemptent ces éléments
de revenu ou de fortune en accordant une réduction de leur impôt.
Cette réduction est calculée conformément aux dispositions
de la législation néerlandaise visant à éviter
la double imposition. A cette fin, les éléments de revenu ou
de fortune précités sont censés être compris dans
les éléments de revenu ou de fortune qui sont exemptés
d'impôt néerlandais en vertu de ces dispositions.</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c)</nr>
            <al>Les Pays-Bas accordent en outre, sur l'impôt
néerlandais ainsi calculé, une déduction pour les éléments
de revenu qui sont imposables en Belgique conformément aux dispositions
de l'article 10, paragraphe 2, de l'article 11, paragraphe 2, de l'article
16 et de l'article 17 de la présente Convention, dans la mesure où
ces éléments de revenu sont compris dans la base imposable visée
au paragraphe 2, a). Le montant de cette déduction est calculé
conformément aux dispositions de la législation néerlandaise
visant à éviter la double imposition.</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>d)</nr>
            <al>Nonobstant les dispositions du paragraphe
2, b), les Pays-Bas accordent, au titre de l'impôt payé en Belgique
sur les éléments de revenu qui sont imposables en Belgique conformément
aux dispositions de l'article 7, de l'article 10, paragraphe 5, de l'article
11, paragraphe 5, de l'article 12, paragraphe 3, de l'article 14 et de l'article
21, paragraphe 2, de la présente Convention et dans la mesure où
ces éléments de revenu sont compris dans la base imposable visée
au paragraphe 2, a), une déduction sur l'impôt néerlandais,
si et dans la mesure où les Pays-Bas, en vertu des dispositions de
la législation néerlandaise visant à éviter la
double imposition, accordent une déduction sur l'impôt néerlandais
au titre de l'impôt perçu dans un autre pays sur ces éléments
de revenu. Pour le calcul de cette déduction, la disposition du c)
du présent paragraphe s'applique mutatis mutandis.</al>
          </inspring>
          <al>3. Lorsqu'un résident de l'un des Etats contractants perçoit
des intérêts visés à l'article 11, paragraphe 8,
qui, conformément à l'article 11, paragraphe 8, sont imposables
dans l'autre Etat contractant, cet autre Etat contractant accorde une déduction
sur l'impôt qu'il perçoit sur ces revenus. Le montant de cette
déduction est égal à l'impôt perçu sur ces
revenus dans le premier Etat contractant mais ne peut en aucun cas excéder
la fraction de l'impôt perçu dans l'autre Etat contractant, calculé
avant l'octroi de la déduction, qui est imputable à ces intérêts.</al>
          <tuskop letat="rom">CHAPITRE VI</tuskop>
          <al>DISPOSITIONS SPÉCIALES</al>
          <artkop id="ART23">
            <nr>Article 24</nr>
            <titel>Activités en mer</titel>
          </artkop>
          <al>1. Les dispositions du présent article s'appliquent nonobstant
toute autre disposition de la présente Convention. Toutefois, le présent
article ne s'applique pas lorsque les activités en mer exercées
par une personne constituent pour cette personne un établissement stable
selon les dispositions de l'article 5 ou une base fixe à laquelle les
dispositions de l'article 14 sont applicables.</al>
          <al>2. Dans le présent article, l'expression «activités
en mer» désigne les activités exercées en mer qui
ont trait à l'exploration ou à l'exploitation du lit de la mer,
de son sous-sol et de leurs ressources naturelles situés dans un Etat
contractant. </al>
          <al>3. Une entreprise d'un Etat contractant qui exerce des activités
en mer dans l'autre Etat contractant est, sous réserve du paragraphe
4 du présent article, considérée, pour ce qui concerne
ces activités, comme exerçant une activité industrielle
ou commerciale dans cet autre Etat par l'intermédiaire d'un établissement
stable y situé, à moins que ces activités en mer ne soient
exercées dans l'autre Etat pendant une période ou des périodes
n'excédant pas au total 30 jours au cours d'une période de douze
mois.</al>
          <al>Pour l'application du présent paragraphe:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>lorsqu'une société exerce
des activités en mer dans l'autre Etat contractant et qu'elle est associée
à une autre société, laquelle autre société
poursuit dans le cadre du même projet les mêmes activités
en mer que celles qui sont ou qui étaient exercées par la première
société, et que la durée cumulée des activités
précitées exercées par les deux sociétés
excède une période de 30 jours, chaque société
est considérée comme exerçant ses activités pendant
une période excédant 30 jours au cours d'une période
de douze mois;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>une société est considérée
comme associée à une autre société si une de ces
sociétés détient directement ou indirectement au moins
un tiers du capital de l'autre société ou si une personne détient
directement ou indirectement au moins un tiers du capital de chacune des deux
sociétés.</al>
          </inspring>
          <al>4. Toutefois, on considère, pour l'application du paragraphe 3
du présent article, que l'expression «activités en mer»
ne comprend pas:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>chacune des activités visées
à l'article 5, paragraphe 4, ou l'exercice cumulé de plusieurs
de ces activités;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>les activités de remorquage, de poussage
ou de touage effectuées par des navires principalement conçus
à cette fin, ainsi que les autres activités effectuées
par ces navires;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c)</nr>
            <al>le transport, en trafic international, d'approvisionnements
ou de personnel par des navires, des bateaux servant à la navigation
intérieure ou des aéronefs.</al>
          </inspring>
          <al>5. Un résident d'un Etat contractant qui, dans le cadre d'une profession
indépendante ou d'autres activités de caractère indépendant,
exerce des activités en mer dans l'autre Etat contractant est considéré
comme exerçant ces activités au moyen d'une base fixe située
dans l'autre Etat contractant si ces activités en mer sont exercées
pendant une période ininterrompue d'au moins 30 jours.</al>
          <al>6. Les salaires, traitements et autres rémunérations similaires
qu'un résident d'un Etat contractant reçoit au titre d'un emploi
salarié se rapportant à des activités en mer exercées
par l'intermédiaire d'un établissement stable dans l'autre Etat
contractant sont imposables dans cet autre Etat dans la mesure où l'emploi
est exercé en mer dans cet autre Etat.</al>
          <al>7. S'il est établi à l'aide de documents probants qu'un
impôt a été payé dans un Etat contractant sur les
éléments de revenu qui sont imposables dans cet Etat conformément
à l'article 7 et à l'article 14, combinés respectivement
avec le paragraphe 3 et le paragraphe 5 du présent article, et conformément
au paragraphe 6 du présent article, l'autre Etat contractant accorde
une exemption ou une réduction de son impôt, qui est calculée
conformément aux règles définies à l'article 23,
paragraphe 1, a), ou paragraphe 2, b).</al>
          <artkop id="ART24">
            <nr>Article 25</nr>
            <titel>Organismes de placement collectif en valeurs mobilières</titel>
          </artkop>
          <al>1. Un organisme de placement collectif en valeurs mobilières (O.P.C.V.M.)
qui n'est pas une personne morale et qui est établi dans un Etat contractant
où il n'est pas assujetti à un impôt visé à
l'article 2, paragraphe 3, a), 2°, ou paragraphe 3, b), 3°, qui reçoit
des dividendes ou des intérêts provenant de l'autre Etat contractant,
peut lui-même introduire, en lieu et place des participants individuels
de l'O.P.C.V.M. qui sont des résidents du premier Etat contractant,
une demande en vue d'obtenir pour les participants individuels les réductions
ou exemptions d'impôts ou les autres avantages prévus par la
Convention.</al>
          <al>Nonobstant la disposition qui précède, l'O.P.C.V.M. visé
par cette disposition peut invoquer les dispositions de l'article 10, paragraphe
2, b) et de l'article 11, paragraphe 2, à condition qu'au moins 75
pour cent des parts de cet O.P.C.V.M. soient détenues par des personnes
qui sont des résidents de l'Etat contractant où cet O.P.C.V.M.
est établi.</al>
          <al>2. Un participant de cet O.P.C.V.M. ne peut revendiquer le bénéfice
des avantages prévus par la Convention dans l'Etat contractant d'où
proviennent les revenus que si et dans la mesure où, dans les cas visés
au paragraphe 1, cet O.P.C.V.M. ne demande pas lui-même les avantages
prévus par la Convention.</al>
          <artkop id="ART25">
            <nr>Article 26</nr>
            <titel>Non-discrimination</titel>
          </artkop>
          <al>1. Les nationaux d'un Etat contractant ne sont soumis dans l'autre Etat
contractant à aucune imposition ou obligation y relative, qui est autre
ou plus lourde que celles auxquelles sont ou pourront être assujettis
les nationaux de cet autre Etat qui se trouvent dans la même situation,
notamment au regard de la résidence. La présente disposition
s'applique aussi, nonobstant les dispositions de l'article 1, aux personnes
qui ne sont pas des résidents d'un Etat contractant ou des deux Etats
contractants.</al>
          <al>2. Les personnes physiques qui sont des résidents de l'un des Etats
contractants et qui tirent de l'autre Etat contractant des gains ou des revenus
dont le pouvoir d'imposition est dévolu à cet autre Etat en
vertu des dispositions du chapitre III de la présente Convention ont
droit lors de l'imposition dans ce dernier Etat, dans la mesure où
ces gains et revenus sont compris dans leur revenu mondial, aux mêmes
déductions personnelles, abattements et réductions en raison
de leur état civil ou de leurs charges de famille que les résidents
de cet autre Etat, pour autant qu'ils se trouvent par ailleurs dans la même
situation que les résidents de cet Etat.</al>
          <al>3. L'imposition d'un établissement stable qu'une entreprise d'un
Etat contractant a dans l'autre Etat contractant n'est pas établie
dans cet autre Etat d'une façon moins favorable que l'imposition des
entreprises de cet autre Etat qui exercent la même activité.
La présente disposition ne peut être interprétée
comme obligeant un Etat contractant à accorder aux résidents
de l'autre Etat contractant les déductions personnelles, abattements
et réductions d'impôt en fonction de la situation familiale ou
des charges de famille qu'il accorde à ses propres résidents.</al>
          <al>4. A moins que les dispositions de l'article 9, paragraphe 1, de l'article
11, paragraphe 7 ou de l'article 12, paragraphe 5, ne soient applicables,
les intérêts, redevances et autres dépenses payés
par une entreprise d'un Etat contractant à un résident de l'autre
Etat contractant sont déductibles, pour la détermination des
bénéfices imposables de cette entreprise, dans les mêmes
conditions que s'ils avaient été payés à un résident
du premier Etat. De même, les dettes d'une entreprise d'un Etat contractant
envers un résident de l'autre Etat contractant sont déductibles,
pour la détermination de la fortune imposable de cette entreprise,
dans les mêmes conditions que si elles avaient été contractées
envers un résident du premier Etat.</al>
          <al>5. Les entreprises d'un Etat contractant, dont le capital est en totalité
ou en partie, directement ou indirectement, détenu ou contrôlé
par un ou plusieurs résidents de l'autre Etat contractant, ne sont
soumises dans le premier Etat à aucune imposition ou obligation y relative,
qui est autre ou plus lourde que celles auxquelles sont ou pourront être
assujetties les autres entreprises similaires du premier Etat.  </al>
          <al>6. Les dispositions du présent article s'appliquent nonobstant
les dispositions de l'article 2, aux impôts de toute nature ou dénomination.</al>
          <al>7. Les cotisations payées par ou pour le compte d'un travailleur
personne physique au titre d'un régime de pension qui est reconnu aux
fins de l'imposition dans l'Etat contractant autre que l'Etat contractant
où ce travailleur exerce son emploi sont, pendant une période
de cinq ans, traitées aux fins de l'imposition dans le second Etat
comme des cotisations payées à un régime de pension reconnu
aux fins de l'imposition dans ce second Etat, à condition que:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>ce travailleur ait cotisé à
ce régime de pension dès avant sa prise de fonctions dans le
second Etat; et</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>l'autorité compétente du second
Etat estime que le régime de pension correspond à un régime
de pension reconnu aux fins de l'imposition dans cet Etat.</al>
          </inspring>
          <al>Pour l'application du présent paragraphe, l'expression «régime
de pension» comprend également un régime de pension organisé
conformément à la législation sociale d'un Etat contractant.</al>
          <al>8. Le droit aux allocations familiales découlant de la législation
sociale d'un Etat contractant est assimilé, pour l'imposition dans
l'autre Etat contractant, au droit aux allocations familiales découlant
de la législation sociale de cet Etat.</al>
          <artkop id="ART26">
            <nr>Article 27</nr>
            <titel>Régime compensatoire pour les travailleurs frontaliers néerlandais</titel>
          </artkop>
          <al>1. Les personnes physiques qui sont des résidents des Pays-Bas
et qui tirent de Belgique des rémunérations dont le pouvoir
d'imposition est attribué à la Belgique conformément
aux dispositions des articles 15, 16, 17 et 18, paragraphe 6, de la présente
Convention bénéficient aux Pays-Bas d'une réduction d'impôt,
dans la mesure où la somme de l'impôt dû aux Pays-Bas et
en Belgique et de la prime due en exécution de la<nadruk type="cur">Wet financiering volksverzekeringen</nadruk> ou des cotisations et primes
analogues dues en exécution de la sécurité sociale belge
excède le montant de l'impôt néerlandais et de la prime
visée par la <nadruk type="cur">Wet financiering volksverzekeringen</nadruk> qui aurait été perçu si ces rémunérations
avaient été tirées des Pays-Bas et si elles avaient donné
lieu aux Pays-Bas à la perception de l'impôt et de la prime visée
par la <nadruk type="cur">Wet financiering volksverzekeringen</nadruk>.</al>
          <al>Cette réduction est obtenue en considérant, dans la mesure
nécessaire, comme impôt néerlandais sur les salaires retenu
à la source, et en impu-tant dans la même mesure sur l'impôt
et la prime visée par la<nadruk type="cur">Wet financiering volksverzekeringen</nadruk> dus aux Pays-Bas, l'impôt et – dans la mesure où
elles sont analogues aux primes perçues en exécution de la Wet
financiering volksverzekeringen – les cotisations et primes de sécurité
sociale dus en Belgique.</al>
          <al>2. En ce qui concerne les personnes physiques qui sont des résidents
des Pays-Bas et qui perçoivent des rémunérations dont,
avant la date de prise d'effet des dispositions de la présente Convention,
le pouvoir d'imposition était attribué aux Pays-Bas conformément
aux dispositions de l'article 15, paragraphe 3, 1, de la Convention entre
le Gouvernement du Royaume de Belgique et le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas
tendant à éviter les doubles impositions en matière d'impôts
sur le revenu et sur la fortune et à régler certaines autres
questions en matière fiscale et du Protocole, signés à
Bruxelles le 19 octobre 1970, et dont le pouvoir d'imposition est attribué
à la Belgique en vertu des dispositions de l'article 15 de la présente
Convention, les Pays-Bas compenseront toute perte nette de revenu subie par
ces personnes par suite de cette modification de la répartition des
pouvoirs d'imposition et ce, jusqu'au moment où cette perte nette de
revenu sera égale à zéro ou jusqu'au moment où
ces personnes cesseront de percevoir de telles rémunérations
au titre du même emploi.</al>
          <al>Cette compensation est obtenue en considérant, dans la mesure nécessaire,
comme impôt néerlandais sur les salaires retenu à la source,
et en imputant dans la même mesure sur l'impôt et la prime visée
par la <nadruk type="cur">Wet financiering volksverzekeringen</nadruk> dus
aux Pays-Bas, l'impôt et – dans la mesure où elles sont
analogues aux primes perçues en exécution de la Wet financiering
volksverzekeringen – les cotisations et primes de sécurité
sociale dus en Belgique.</al>
          <al>3. Pour l'application du paragraphe 2, on entend par perte nette de revenu
la différence à déterminer annuellement entre, d'une
part, la somme de l'impôt néerlandais et belge et de la prime
visée par la <nadruk type="cur">Wet financiering volksverzekeringen</nadruk> ou des cotisations et primes analogues dues en exécution de
la sécurité sociale belge dont la personne physique visée
dans ce paragraphe est effectivement redevable au titre de son revenu en application
des dispositions de la présente Convention et, d'autre part, la somme
des impôts néerlandais et belge et de la prime visée par
la <nadruk type="cur">Wet financiering volksverzekeringen</nadruk> ou des cotisations
et primes analogues dues en exécution de la sécurité
sociale belge dont cette personne aurait été redevable au titre
de ce même revenu si les dispositions de l'article 15, paragraphe 3,
1, de la Convention entre le Gouvernement du Royaume de Belgique et le Gouvernement
du Royaume des Pays-Bas tendant à éviter les doubles impositions
en matière d'impôts sur le revenu et sur la fortune et à
régler certaines autres questions en matière fiscale, et du
Protocole, signés à Bruxelles le 19 octobre 1970, avaient été
applicables aux rémunérations de cette personne physique visées
dans ce paragraphe.</al>
          <al>4. Les autorités compétentes déterminent d'un commun
accord dans quelle mesure les cotisations et primes de sécurité
sociale belge sont analogues à la prime néerlandaise de l'assurance
populaire (<nadruk type="cur">premie voor de volksverzekeringen</nadruk>)
visée par la <nadruk type="cur">Wet financiering volksverzekeringen</nadruk>.</al>
          <artkop id="ART27">
            <nr>Article 28</nr>
            <titel>Procédure amiable</titel>
          </artkop>
          <al>1. Lorsqu'une personne estime que les mesures prises par un Etat contractant
ou par les deux Etats contractants entraînent ou entraîneront
pour elle une imposition non conforme aux dispositions de la présente
Convention, elle peut, indépendamment des recours prévus par
le droit interne de ces Etats, soumettre son cas à l'autorité
compétente de l'Etat contractant dont elle est un résident ou,
si son cas relève de l'article 26, paragraphe 1, à celle de
l'Etat contractant dont elle possède la nationalité. Le cas
doit être soumis dans les trois ans qui suivent la première notification
de la mesure qui entraîne une imposition non conforme aux dispositions
de la Convention.</al>
          <al>2. L'autorité compétente s'efforce, si la requête
lui paraît fondée et si elle n'est pas elle-même en mesure
d'y apporter une solution satisfaisante, de résoudre le cas par voie
d'accord amiable avec l'autorité compétente de l'autre Etat
contractant, en vue d'éviter une imposition non conforme à la
Convention. L'accord est appliqué quels que soient les délais
de prescription prévus par le droit interne des Etats contractants. </al>
          <al>3. Les autorités compétentes des Etats contractants s'efforcent,
par voie d'accord amiable, de résoudre les difficultés ou de
dissiper les doutes auxquels peuvent donner lieu l'interprétation ou
l'application de la Convention.</al>
          <al>4. Les autorités compétentes des Etats contractants se concertent
au sujet des mesures administratives nécessaires à l'exécution
des dispositions de la Convention et notamment au sujet des justifications
à fournir par les résidents de chaque Etat contractant pour
bénéficier dans l'autre Etat des exemptions ou réductions
d'impôts prévues par cette Convention.</al>
          <al>5. Les autorités compétentes des Etats contractants peuvent
communiquer directement entre elles pour l'application de la Convention.</al>
          <artkop id="ART28">
            <nr>Article 29</nr>
            <titel>Échange de renseignements</titel>
          </artkop>
          <al>Les autorités compétentes des Etats contractants échangent
les renseignements appropriés pour appliquer les dispositions de la
présente Convention ou celles de la législation interne des
Etats contractants relative aux impôts visés par la Convention
dans la mesure où l'imposition qu'elle prévoit n'est pas contraire
à la Convention. L'échange de renseignements n'est pas restreint
par l'article 1. Les renseignements reçus par un Etat contractant sont
tenus secrets de la même manière que les renseignements obtenus
en application de la législation interne de cet Etat et ne sont communiqués
qu'aux personnes ou autorités (y compris les tribunaux et organes administratifs)
concernées par l'établissement ou le recouvrement des impôts
perçus par un Etat contractant, par les procédures ou poursuites
concernant ces impôts, ou par les décisions sur les recours relatifs
à ces impôts. Ces personnes ou autorités n'utilisent ces
renseignements qu'à ces fins. Elles peuvent faire état de ces
renseignements au cours d'audiences publiques de tribunaux ou dans des jugements.</al>
          <artkop id="ART29">
            <nr>Article 30</nr>
            <titel>Assistance au recouvrement</titel>
          </artkop>
          <al>1. a) A la demande de l'Etat requérant, l'Etat requis notifie au
destinataire les documents, y compris ceux ayant trait à des jugements,
qui émanent de l'Etat requérant et concernent un impôt
visé par la présente Convention.</al>
          <al>L'Etat requis procède à la notification de ces documents
selon les formes prescrites par sa législation interne et sa pratique
administrative pour la notification de documents de nature identique ou analogue.
L'Etat requérant fournit les renseignements nécessaires à
cette fin.</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>Les Etats contractants se prêtent
mutuellement aide et assistance en vue de recouvrer les impôts visés
par la présente Convention ainsi que tous additionnels, accroissements,
intérêts, frais et amendes sans caractère pénal
afférents auxdits impôts lorsque ces créances fiscales
sont exigibles et ne peuvent plus être contestées, à moins
que les autorités compétentes n'en conviennent autrement.</al>
          </inspring>
          <al>2. Les dispositions du présent article s'appliquent à toute
personne qui, conformément à la législation de l'Etat
requérant, est tenue au paiement d'impôts visés par la
présente Convention.</al>
          <al>3. A la demande de l'Etat requérant, l'Etat requis procède
à la notification et au recouvrement des créances fiscales de
cet Etat suivant la législation et la pratique administrative applicables
à la notification et au recouvrement de ses propres créances
fiscales, à moins que la Convention n'en dispose autrement.</al>
          <al>4. L'Etat requis n'est pas obligé de donner suite à une
demande d'assistance au recouvrement:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>si l'Etat requérant n'a pas épuisé
tous les moyens dont il dispose sur son propre territoire, à moins
que leur usage ne donne lieu à des difficultés disproportionnées;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>si et dans la mesure où il estime
que la créance fiscale est contraire aux dispositions de la présente
Convention ou à toute autre convention à laquelle les deux Etats
sont parties.</al>
          </inspring>
          <al>5. La demande d'assistance en vue du recouvrement d'une créance
fiscale est accompagnée:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>d'une copie officielle du titre permettant
l'exécution dans l'Etat requérant;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>d'une copie officielle de tout autre document
exigé dans l'Etat requérant pour le recouvrement; et</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c)</nr>
            <al>s'il y a lieu, d'une copie certifiée
conforme de toute décision relative à la créance fiscale
qui est passée en force de chose jugée et émane d'un
organe administratif ou d'un tribunal.</al>
          </inspring>
          <al>6. a) Le titre permettant l'exécution aux Pays-Bas produit les
mêmes effets en Belgique.</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>Le titre permettant l'exécution en
Belgique est, s'il y a lieu et conformément aux dispositions en vigueur
aux Pays-Bas, admis, homologué, complété, ou remplacé
dans les plus brefs délais suivant la date de réception de la
demande d'assistance par un titre permettant l'exécution aux Pays-Bas.</al>
          </inspring>
          <al>7. Les questions concernant le délai de prescription de la créance
fiscale sont régies exclusivement par la législation de l'Etat
requérant.</al>
          <al>8. Les actes de recouvrement accomplis par l'Etat requis à la suite
d'une demande d'assistance ainsi que les autres circonstances qui, suivant
la législation de cet Etat, auraient pour effet de suspendre ou d'interrompre
le délai de prescription ont le même effet au regard de la législation
de l'Etat requérant. L'Etat requis informe l'Etat requérant
des mesures prises à cette fin.</al>
          <al>9. Les créances fiscales pour le recouvrement desquelles une assistance
est demandée ne jouissent d'aucun privilège dans l'Etat requis
et ne peuvent être recouvrées au moyen de l'emprisonnement pour
dette du débiteur.</al>
          <al>10. L'obligation de prêter assistance en vue du recouvrement des
créances fiscales concernant une personne décédée
ou sa succession est limitée à la valeur de la succession ou
des biens reçus par chacun des bénéficiaires de la succession,
selon que la créance fiscale est à recouvrer sur la succession
ou auprès des bénéficiaires de celle-ci.</al>
          <al>11. Si sa législation ou sa pratique administrative le permet dans
des circonstances analogues, l'Etat requis peut consentir un délai
de paiement ou un paiement échelonné; il en informe toutefois
au préalable l'Etat requérant.</al>
          <al>12. En ce qui concerne les créances fiscales qui sont contestées
ou peuvent encore être contestées ou qui ne sont pas encore exigibles,
l'autorité compétente de l'Etat requis, à la demande
de l'Etat requérant et pour la sauvegarde des droits de celui-ci, prend
les mesures conservatoires prévues par sa propre législation.
Les dispositions des paragraphes précédents sont applicables
mutatis mutandis à ces mesures.</al>
          <al>13. Les Etats renoncent de manière réciproque au remboursement
des frais résultant de l'aide et de l'assistance qu'ils se prêtent
mutuellement en application de la présente Convention. L'Etat requérant
reste en tout cas responsable vis-à-vis de l'Etat requis des conséquences
pécuniaires des actes de recouvrement accomplis à tort eu égard
à la réalité de la créance fiscale concernée
ou à la validité du titre permettant l'exécution dans
l'Etat requérant.</al>
          <al>14. En cas de contestation, l'action est portée devant la juridiction
compétente de l'Etat requérant conformément aux dispositions
de sa législation fiscale et civile, et est notifiée en même
temps au fonctionnaire chargé du recouvrement dans l'Etat requis.</al>
          <al>Toutefois, si la contestation se rapporte à la validité
ou à l'effet des actes conservatoires ou d'exécution accomplis
en vertu de la présente Convention, l'action est portée devant
la juridiction compétente de l'Etat requis conformément à
la législation de celui-ci.</al>
          <al>15. Les autorités compétentes des Etats contractants se
concertent s'il y a lieu pour fixer les modalités d'exécution
du présent article.</al>
          <artkop id="ART30">
            <nr>Article 31</nr>
            <titel>Limitation des articles 29 et 30</titel>
          </artkop>
          <al>Les dispositions des articles 29 et 30 ne peuvent en aucun cas être
interprétées comme imposant à un Etat contractant l'obligation:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>de prendre des mesures administratives dérogeant
à sa législation et à sa pratique administrative ou à
celles de l'autre Etat contractant;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>de fournir des renseignements qui ne pourraient
être obtenus sur la base de sa législation ou dans le cadre de
sa pratique administrative normale ou de celles de l'autre Etat contractant;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c)</nr>
            <al>de fournir des renseignements qui révéleraient
un secret commercial, industriel, professionnel ou un procédé
commercial ou des renseignements dont la communication serait contraire à
l'ordre public.</al>
          </inspring>
          <artkop id="ART31">
            <nr>Article 32</nr>
            <titel>Fonctionnaires diplomatiques et consulaires</titel>
          </artkop>
          <al>1. Les dispositions de la présente Convention ne portent pas atteinte
aux privilèges fiscaux dont bénéficient les membres des
missions diplomatiques ou des postes consulaires en vertu soit des règles
générales du droit des gens, soit des dispositions d'accords
particuliers.</al>
          <al>2. Aux fins de la Convention, les membres des missions diplomatiques ou
des postes consulaires d'un Etat contractant accrédités dans
l'autre Etat contractant ou dans un Etat tiers, qui ont la nationalité
de l'Etat accréditant, sont réputés être des résidents
dudit Etat s'ils y sont soumis aux mêmes obligations, en matière
d'impôts sur le revenu et sur la fortune, que les résidents de
cet Etat.</al>
          <al>3. La Convention ne s'applique pas aux organisations internationales,
à leurs organes ou à leurs fonctionnaires, ni aux personnes
qui sont membres des missions diplomatiques ou des postes consulaires d'un
Etat tiers, lorsqu'ils se trouvent sur le territoire d'un Etat contractant
et ne sont pas traités comme des résidents de l'un ou l'autre
Etat contractant en matière d'impôts sur le revenu ou sur la
fortune.</al>
          <tuskop letat="rom">CHAPITRE VII</tuskop>
          <al>DISPOSITIONS FINALES</al>
          <artkop id="ART32">
            <nr>Article 33</nr>
            <titel>Entrée en vigueur</titel>
          </artkop>
          <al>1. Chaque Etat contractant notifiera à l'autre Etat contractant
l'accomplissement des procédures requises par sa législation
pour l'entrée en vigueur de la présente Convention. La Convention
entrera en vigueur le quinzième jour suivant celui de la réception
de la seconde de ces notifications.</al>
          <al>2. Les dispositions de la Convention s'appliqueront:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>aux impôts dus à la source
sur les revenus attribués ou mis en paiement à partir du 1er
janvier de l'année qui suit immédiatement celle de l'entrée
en vigueur de la Convention;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>aux autres impôts établis sur
des revenus de périodes imposables prenant fin à partir du 31
décembre de l'année qui suit immédiatement celle de l'entrée
en vigueur de la Convention;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c)</nr>
            <al>aux impôts sur la fortune établis
sur des éléments de fortune existant au 1er janvier de toute
année postérieure à celle de l'entrée en vigueur
de la Convention.</al>
          </inspring>
          <al>3. Les dispositions de la Convention entre les Pays-Bas, la Belgique et
le Luxembourg relative à l'assistance réciproque en matière
de recouvrement de créances fiscales, conclue à Bruxelles le
5 septembre 1952, ne sont pas applicables dans les relations entre les Pays-Bas
et la Belgique à l'égard des impôts pour lesquels l'article
30 de la présente Convention prévoit la possibilité d'une
assistance au recouvrement.</al>
          <al>Les dispositions de la Convention entre les Pays-Bas, la Belgique et le
Luxembourg relative à l'assistance réciproque en matière
de recouvrement de créances fiscales, conclue à Bruxelles le
5 septembre 1952, sont intégralement applicables à l'égard
des impôts pour lesquels l'article 30 de la présente Convention
ne prévoit pas la possibilité d'une assistance au recouvrement.</al>
          <al>4. Nonobstant les dispositions du paragraphe 2 du présent article,
les dispositions de l'article 30 de la Convention s'appliquent mutatis mutandis
aux créances fiscales établies avant la date de prise d'effet
de la Convention par l'Etat qui introduit la demande d'assistance au recouvrement.
Toutefois, la première phrase ne s'applique pas aux créances
fiscales pour lesquelles, avant la date de prise d'effet de la Convention,
une demande d'assistance au recouvrement a déjà été
introduite sur la base de la Convention entre les Pays-Bas, la Belgique et
le Luxembourg relative à l'assistance réciproque en matière
de recouvrement de créances fiscales, conclue à Bruxelles le
5 septembre 1952. En ce qui concerne ces créances fiscales, les dispositions
de la Convention entre les Pays-Bas, la Belgique et le Luxembourg relative
à l'assistance réciproque en matière de recouvrement
de créances fiscales, conclue à Bruxelles le 5 septembre 1952,
restent intégralement applicables.</al>
          <al>5. L'entrée en vigueur de la présente Convention met fin
à la Convention entre le Gouvernement du Royaume de Belgique et le
Gouvernement du Royaume des Pays-Bas tendant à éviter les doubles
impositions en matière d'impôts sur le revenu et sur la fortune
et à régler certaines autres questions en matière fiscale,
y compris le Protocole, signée à Bruxelles le 19 octobre 1970.
Les dispositions de la Convention de 1970 continueront toutefois à
s'appliquer jusqu'à ce que les dispositions de la présente Convention
soient applicables conformément aux dispositions du paragraphe 2 du
présent article.  </al>
          <artkop id="ART33">
            <nr>Article 34</nr>
            <titel>Dénonciation</titel>
          </artkop>
          <al>La présente Convention demeurera en vigueur tant qu'elle n'aura
pas été dénoncée par un Etat contractant mais
chacun des Etats contractants pourra, jusqu'au 30 juin inclus de toute année
civile postérieure à la cinquième année suivant
celle de l'entrée en vigueur, la dénoncer, par écrit
et par la voie diplomatique, à l'autre Etat contractant. En cas de
dénonciation avant le 1er juillet d'une telle année, la Convention
s'appliquera pour la dernière fois:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>aux impôts dus à la source
sur les revenus attribués ou mis en paiement au plus tard le 31 décembre
de l'année de la dénonciation;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>aux autres impôts établis sur
des revenus de périodes imposables prenant fin avant le 31 décembre
de l'année qui suit immédiatement celle de la dénonciation;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c)</nr>
            <al>aux impôts sur la fortune établis
sur des éléments de fortune existant au 1er janvier de l'année
de la dénonciation.</al>
          </inspring>
          <witreg></witreg>
          <al>EN FOI DE QUOI, les soussignés, à ce dûment autorisés
par leurs Gouvernements respectifs, ont signé la présente Convention.</al>
          <witreg></witreg>
          <al>FAIT à Luxembourg, le 5 juin 2001, en double exemplaire, en langues
néerlandaise et française, les deux textes faisant également
foi.</al>
          <witreg></witreg>
          <al>
            <nadruk type="cur">Pour le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas</nadruk>
          </al>
          <witreg></witreg>
          <al>(s.) W. J. BOS</al>
          <witreg></witreg>
          <al>
            <nadruk type="cur">Pour le Gouvernement du Royaume de Belgique</nadruk>
          </al>
          <witreg></witreg>
          <al>(s.) D. REYNDERS</al>
          <lijn></lijn>
          <al></al>
          <tuskop letat="vet">Protocole I</tuskop>
          <al>Au moment de procéder à la signature de la Convention entre
le Royaume des Pays-Bas et le Royaume de Belgique tendant à éviter
la double imposition et à prévenir l'évasion fiscale
en matière d'impôts sur le revenu et sur la fortune, les soussignés
sont convenus des dispositions suivantes, qui font partie intégrante
de la Convention.</al>
          <al>1. Ad article 2, paragraphe 2, article 6, article 13, paragraphe 1, article
21, paragraphe 2, et article 22, paragraphe 1</al>
          <al>Pour l'application de la Convention, en ce qui concerne les Pays-Bas,
l'expression <nadruk type="cur">«onroerende goederen»</nadruk> (biens
immobiliers) doit se lire <nadruk type="cur">«onroererende zaken»</nadruk>.</al>
          <al>2. Ad article 3, paragraphe 1, c)</al>
          <al>Lorsqu'une société est assujettie à l'impôt
en tant que telle dans un Etat contractant, mais que le revenu ou la fortune
de cette société est, dans l'autre Etat contractant, imposé
en tant que revenu ou fortune des actionnaires ou associés de cette
société, les dispositions de la Convention ne peuvent avoir
pour effet de laisser subsister une double imposition ou une exonération
totale ou partielle de ce revenu ou de cette fortune. Afin d'éviter
un tel effet, l'impôt, le revenu et la fortune de la société
sont considérés comme impôt, revenu et fortune des actionnaires
ou associés de cette société proportionnellement à
leurs droits dans le patrimoine de la société. On peut également
prévoir, s'il y a lieu, que les actionnaires ou associés de
la société peuvent, chacun pour leur part, imputer l'impôt
perçu à charge de la société au titre de ce revenu
ou de cette fortune (y compris les impôts éventuellement retenus
à la source dans des Etats tiers) sur l'impôt dont ils sont redevables
au titre du même revenu ou de la même fortune, et que l'Etat où
la société est établie renonce à une imposition
éventuelle des actionnaires ou associés de cette société
qui sont des résidents de l'autre Etat contractant au titre des bénéfices
distribués par cette société à ces actionnaires
ou associés.</al>
          <al>3. Ad article 3, paragraphe 2, et article 28, paragraphe 3</al>
          <al>Il est entendu que, lorsque les autorités compétentes des
Etats  contractants seront parvenues, dans le cadre de la Convention, à
une solution par voie d'accord amiable dans des cas où:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>l'interprétation, en application
de l'article 3, paragraphe 2, d'un terme ou expression non défini ;
ou</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>des différences de qualification
(par exemple d'un élément de revenu ou d'une personne),</al>
          </inspring>
          <al>entraînent une situation de double imposition ou de double exonération,
cette solution – après avoir été notifiée
par les deux autorités compétentes – sera également
contraignante pour l'application de la Convention dans d'autres cas similaires. </al>
          <al>4. Ad article 4</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>Une personne physique qui vit à bord
d'un navire ou d'un bateau servant à la navigation intérieure
sans avoir de domicile réel dans un Etat contractant est réputée
avoir son domicile dans l'Etat où se trouve le port d'attache du navire
ou du bateau.</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>Lorsqu'une société n'est pas
assujettie à l'impôt en tant que telle dans un Etat contractant
et est assujettie à l'impôt en tant que telle dans l'autre Etat
contractant, cet autre Etat contractant applique, à la demande de la
société, les dispositions des chapitres III, IV et V de la Convention
dans la mesure où ces dispositions auraient dû être appliquées
si les personnes possédant des droits dans le patrimoine de la société
avaient recueilli ou possédé directement, chacune proportionnellement
à sa part dans cette société, le revenu ou la fortune
de ladite société. L'application de la phrase précédente
ne modifie en rien le fait que l'autre Etat  contractant détermine
selon sa législation interne la base imposable de la société,
et ne réduit cette base que dans la mesure où une telle réduction
découle directement de la phrase précédente.</al>
          </inspring>
          <al>5. Ad article 4, paragraphe 1</al>
          <al>Un Etat contractant, une de ses subdivisions politiques ou collectivités
locales, ainsi qu'un fonds de pension ou une institution poursuivant des fins
exclusivement religieuses, charitables, scientifiques, éducatives ou
de caractère public, qui, en tant que tel, est exonéré
d'impôts visés à l'article 2 de la Convention dans l'Etat
contractant où il est situé, est considéré comme
un résident de cet Etat.</al>
          <al>Par «fonds de pension», il y a lieu d'entendre tout fonds
de pension qui, selon les dispositions légales de l'Etat contractant
où il est situé, est reconnu comme tel et soumis à un
contrôle.</al>
          <al>6. Ad article 5, paragraphe 3</al>
          <al>Lorsqu'une entreprise d'un Etat contractant exécute dans l'autre
Etat contractant des chantiers de construction ou de montage en différents
endroits et à différentes époques, il convient, pour
le calcul de la durée de douze mois, de tenir compte de ce qui suit:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>des chantiers de construction ou de montage
séparés ne doivent pas être cumulés pour le calcul
de la durée de douze mois;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>peuvent normalement être considérés
comme des chantiers séparés les chantiers qui sont exécutés
pour le compte de plusieurs commettants , à moins que ces chantiers
constituent un tout sur le plan économique;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c)</nr>
            <al>lorsque plusieurs chantiers sont exécutés
pour le compte d'un seul commettant ensuite d'un seul contrat, ils sont considérés
comme un tout, à moins qu'il n'existe aucun lien entre ces chantiers;</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>d)</nr>
            <al>lorsque plusieurs chantiers sont exécutés
pour le compte d'un seul commettant ensuite de plusieurs contrats, ils doivent
également être cumulés lorsque les travaux, bien qu'effectués
en différents endroits, ne forment qu'une partie d'un ensemble plus
important et qu'il n'y a pas eu d'interruption notable des travaux.</al>
          </inspring>
          <al>7. Ad article 5, article 6, article 7, article 13, article 22 et article
24</al>
          <al>Il est entendu que les droits d'exploration et d'exploitation de ressources
naturelles sont considérés comme des biens immobiliers situés
dans l'Etat contractant au lit de la mer et au sous-sol duquel ces droits
se rapportent, et que ces droits sont considérés comme faisant
partie de l'actif d'un établissement stable situé dans cet Etat.
Il est également entendu que les droits précités comprennent
également les droits portant sur des intérêts dans des
actifs résultant de cette exploration ou exploitation ou sur des gains
tirés de tels actifs.</al>
          <al>8. Ad article 7</al>
          <al>En ce qui concerne l'article 7, paragraphes 1 et 2, lorsqu'une entreprise
d'un Etat contractant vend des marchandises ou exerce une activité
industrielle ou commerciale dans l'autre Etat contractant par l'intermédiaire
d'un établissement stable qui y est situé, les bénéfices
de cet établissement stable ne sont pas déterminés sur
la base du montant total reçu par l'entreprise, mais seulement sur
la base de la partie des bénéfices de l'entreprise qui est imputable
à l'activité réelle de l'établissement stable
concernant ces ventes ou cette activité. En ce qui concerne notamment
les contrats relatifs à la fourniture, l'installation ou la construction
d'équipement industriel, commercial ou scientifique ou à la
surveillance y relative ou les contrats relatifs à la construction
de bâtiments ou à la surveillance y relative et en ce qui concerne
les ouvrages publics, lorsque l'entreprise a un établissement stable,
les bénéfices de cet établissement stable ne sont pas
déterminés sur la base du montant total reçu par l'entreprise,
mais seulement sur la base de la partie du contrat qui est effectivement exécutée
par l'établissement stable dans l'Etat contractant où celui-ci
est situé. Les bénéfices se rapportant à la partie
du contrat exécutée par le siège central de l'entreprise
ne sont imposables que dans l'Etat contractant dont la personne qui exploite
cette entreprise est un résident.</al>
          <al>9. Ad article 7 et article 14</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>Les rémunérations payées
pour des services techniques, y compris des études ou des activités
de surveillance de nature scientifique, géologique ou technique, ou
pour des services de consultation ou de surveillance sont considérées
comme des rémunérations auxquelles s'appliquent les dispositions
de l'article 7 ou de l'article 14.</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>Il est entendu que, lorsqu'une personne
physique qui est un résident d'un Etat contractant, perçoit
des rémunérations au titre d'un travail accompli dans un établissement
stable, situé dans l'autre Etat contractant, d'une entreprise du premier
Etat contractant exploitée par son conjoint, ces rémunérations
sont considérées, pour l'application de la Convention, comme
des bénéfices d'une entreprise du premier Etat contractant qui
sont imposables dans l'autre Etat contractant, si la charge de ces rémunérations
est supportée par l'établissement stable situé dans l'autre
Etat contractant.</al>
          </inspring>
          <al>La disposition qui précède s'applique mutatis mutandis aux
rémunérations perçues au titre d'un travail accompli
dans une base fixe située dans l'autre Etat contractant dont son conjoint,
résident du premier Etat, dispose de manière habituelle en vue
d'obtenir des revenus d'une profession indépendante.</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>c)</nr>
            <al>Il est entendu que, lorsqu'une personne
physique qui est un résident de la Belgique, recueille des bénéfices
d'entreprise imputables à un établissement stable situé
aux Pays-Bas, cette personne physique peut, conformément à la
législation des Pays-Bas, constituer une réserve-vieillesse <nadruk type="cur">(oudedagsreserve)</nadruk> liée à l'importance de
ces bénéfices. Lorsque l'importance de la réserve-vieillesse
diminue, ces prélèvements sont considérés, pour
l'application de la Convention, comme des bénéfices de cet établissement
stable. Ces bénéfices sont imposables aux Pays-Bas.</al>
            <al>La disposition qui précède s'applique mutatis mutandis à
une personne physique, qui est un résident de la Belgique, qui exerce
une profession indépendante et qui dispose à cette fin d'une
base fixe située aux Pays-Bas.</al>
          </inspring>
          <al>10. Ad article 9, paragraphe 1</al>
          <al>Il est entendu que le fait que des entreprises associées aient
conclu des conventions, comme des conventions de «cost-sharing»
ou des accords généraux de prestation de services, ayant pour
objet ou pour base l'imputation des dépenses de direction, frais généraux
d'administration, charges techniques et professionnelles, frais de recherche
et de développement et autres dépenses analogues, ne constitue
pas en soi une condition qui diffère de celles qui seraient convenues
entre des entreprises indépendantes.</al>
          <al>11. Ad article 9</al>
          <al>Pour l'application de l'article 9, il est entendu que par «entreprise»
on entend également un établissement stable.</al>
          <al>12. Ad article 10, paragraphe 2</al>
          <al>Les dispositions de l'article 10, paragraphe 2, ne s'appliquent pas aux
dividendes qu'une société qui est un résident de l'un
des Etats contractants paie à une société qui est un
résident de l'autre Etat contractant, sur lesquels, en vertu des dispositions
de la Directive concernant le régime fiscal commun applicable aux sociétés
mères et filiales d'Etats membres différents (90/435/CEE), telle
qu'elle pourrait être modifiée, aucun impôt ne peut être
perçu par l'Etat dont la société qui paie le dividende
est un résident.</al>
          <al>13. Ad article 10, article 11 et article 12</al>
          <al>Si un impôt perçu à la source excède le montant
de l'impôt qui peut être perçu en vertu des dispositions
de l'article 10, 11 ou 12, les demandes de remboursement du montant d'impôt
excédentaire sont introduites auprès de l'autorité compétente
de l'Etat contractant qui a perçu l'impôt et ce, dans un délai
de trois ans après l'expiration de l'année civile au cours de
laquelle l'impôt a été perçu.</al>
          <al>14. Ad article 11 et article 13</al>
          <al>Pour l'application de l'article 11, paragraphe 8, et de l'article 13,
paragraphe 5, on entend par «une société qui, selon la
législation d'un Etat contractant, est un résident de cet Etat»:</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>une société dont le siège
de direction effective est situé dans cet Etat contractant; et</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>une société dont le siège
de direction effective a été déplacé hors de cet
Etat contractant, à condition que, préalablement à ce
déplacement, le siège de direction effective de cette société
ait été situé dans cet Etat contractant pendant une période
d'au moins 5 ans. Dans ce cas, cette société n'est considérée
comme un résident de cet Etat contractant que pendant une période
de 10 ans suivant le déplacement hors de cet Etat de son siège
de direction effective.</al>
          </inspring>
          <al>15. Ad article 10 et article 13</al>
          <al>Il est entendu que l'expression «gains provenant de l'aliénation»
ne comprend pas les revenus perçus lors du rachat d'actions par une
société ou lors de la liquidation d'une société.
Ces revenus sont régis par les dispositions de l'article 10.</al>
          <al>16. Ad article 11, paragraphes 2 et 3</al>
          <al>Si une directive CEE en matière d'imposition des revenus de l'épargne
entre en vigueur et si, en vertu de cette directive, telle qu'elle pourrait
être modifiée, les intérêts provenant de l'un des
Etats contractants et payés à un résident de l'autre
Etat sont aussi imposables dans l'Etat contractant d'où ils proviennent,
les dispositions de cette directive, dans la mesure où elles dérogent
aux dispositions de l'article 11, paragraphes 2 et 3, seront applicables à
ces intérêts.</al>
          <al>Si une directive CEE concernant un régime fiscal commun en matière
de paiements d'intérêts et de redevances entre entreprises, telle
qu'elle pourrait être modifiée, entre en vigueur, les dispositions
de cette directive, dans la mesure où elles dérogent aux dispositions
de l'article 11, paragraphes 2 et 3, seront applicables en ce qui concerne
les intérêts.</al>
          <al>17. Ad article 10, paragraphe 4</al>
          <al>Il est entendu que le terme «dividendes» désigne également
les revenus perçus par une personne physique et soumis au même
régime fiscal que les revenus d'actions par la législation fiscale
de l'Etat dont la société débitrice est un résident.</al>
          <al>18. Ad article 15, paragraphe 2</al>
          <al>Il est entendu que, en ce qui concerne la Belgique, l'expression «année
fiscale» désigne la «période imposable».</al>
          <al>19. Ad articles 15 et 23</al>
          <al>Il est entendu que la disposition de l'article 15, paragraphe 3, n'empêche
pas les Pays-Bas d'appliquer les dispositions de l'article 23, paragraphe
2, a) et b), de la Convention.</al>
          <al>20. Ad articles 7, 14, 15 et 16</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>Pour l'application de l'article 16, paragraphe
1, il est entendu, que, en ce qui concerne les Pays-Bas, l'expression «fonctions
analogues» désigne également un «commissaire de
société» désigné comme tel par l'assemblée
générale des actionnaires ou tout autre organe compétent
de la société qui est un résident des Pays-Bas et qui
est chargé de contrôler la gestion de la société.</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>Il est entendu que, lorsqu'une entreprise
exploitée par une personne physique qui est un résident de l'un
des Etats contractants exerce son activité par l'intermédiaire
d'un établissement stable situé dans l'autre Etat contractant,
et que cette entreprise est, conformément à la législation
du premier Etat, transformée totalement ou partiellement en une entreprise
exploitée par une société située dans cet Etat,
les revenus que cette personne physique perçoit au titre d'activités
exercées pour cette société en cours de constitution
et qui sont imputables à l'activité industrielle ou commerciale
exercée dans l'autre Etat contractant pendant la période au
cours de laquelle la société est en cours de constitution, sont
considérés, pour l'application de la Convention, comme des rémunérations
au sens de l'article 15 ou de l'article 16, selon le cas.</al>
          </inspring>
          <al>La phrase qui précède s'applique mutatis mutandis lorsque
la personne physique susmentionnée exerce une activité indépendante
au sens de l'article 14 de la Convention.</al>
          <al>21. Ad article 17, paragraphe 3</al>
          <al>Pour l'application de l'article 17, paragraphe 3, l'expression «financées
pour une large part» désigne un financement d'au moins trente
pour cent.</al>
          <al>22. Ad article 18 et article 26</al>
          <al>Pour l'application de l'article 18 et de l'article 26, l'expression «législation
sociale» désigne un régime de sécurité sociale.
 </al>
          <al>23. Ad article 19, paragraphe 2</al>
          <al>Une pension provenant des Pays-Bas tombe dans le champ d'application de
l'article 19, paragraphe 2, dans la mesure où le droit à cette
pension a été constitué dans le cadre de l'exercice d'un
emploi salarié public et ce, quel que soit le débiteur de cette
pension. Lorsque le droit à une pension a été constitué
en partie dans le cadre d'un emploi salarié privé et en partie
dans le cadre d'un emploi salarié public, la partie de cette pension
qui est régie par l'article 18 et celle qui est régie par l'article
19, paragraphe 2, sont déterminées au prorata du nombre d'années
pendant lesquelles le droit à cette pension a été constitué,
respectivement, dans le cadre d'un emploi privé et dans le cadre d'un
emploi public par rapport au nombre total d'années durant lesquelles
le droit à cette pension a été constitué.</al>
          <al>24. Ad article 23, paragraphe 1</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>Pour la détermination des taxes additionnelles
établies par les communes et agglomérations belges, la Belgique
tient compte, nonobstant les dispositions de l'article 23, paragraphe 1, a),
et toute autre disposition de la Convention, des revenus professionnels exemptés
en vertu de l'article 23, paragraphe 1, a). Ces taxes additionnelles sont
calculées sur l'impôt qui serait dû en Belgique si les
revenus en question étaient tirés de sources belges.</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>Il est entendu que le régime prévu
à l'article 23, paragraphe 1, c), s'applique également aux dividendes
qu'une société qui est un résident de la Belgique reçoit
d'une société qui est un résident des Pays-Bas, et qui
proviennent de dividendes distribués à cette dernière
société par une tierce société, assujettie à
un impôt analogue à l'impôt belge des sociétés.</al>
          </inspring>
          <al>25. Ad article 23, paragraphe 2, b)</al>
          <al>Il est entendu que, pour le calcul de la réduction visée
à l'article 23, paragraphe 2, b), la valeur des éléments
de fortune visés à l'article 22, paragraphe 1, est diminuée
de la valeur des dettes garanties par une hypothèque sur cette fortune
et la valeur des éléments de fortune visés à l'article
22, paragraphe 2, est diminuée de la valeur des dettes de l'établissement
stable ou de la base fixe.</al>
          <al>26. Ad article 26, paragraphe 2</al>
          <al>Lorsque, aux Pays-Bas, la situation des partenaires intervient pour la
détermination de l'impôt dû, cette situation est également
prise en considération, lorsqu'une personne physique qui est un résident
de la Belgique invoque cette disposition, aux fins de la détermination
de l'impôt qu'elle doit aux Pays-Bas, étant entendu qu'elle ne
peut obtenir également aux Pays-Bas le bénéfice des déductions
personnelles, abattements et réductions qui interviennent en Belgique
dans le chef de son partenaire. </al>
          <al>27. Ad article 28</al>
          <al>Lorsque les autorités compétentes des Etats contractants
sont parvenues à un accord dans le cadre d'une procédure amiable
basée sur les dispositions de l'article 28, elles peuvent également
convenir que l'Etat contractant dans lequel l'accord précité
entraîne une augmentation du revenu imposable renonce à tous
accroissements d'impôt, intérêts et frais afférents
à l'impôt dû par suite de cette augmentation du revenu
imposable, à condition que l'autre Etat contractant renonce à
octroyer des intérêts en raison de la réduction d'impôt
correspondante qui résulte de cet accord.</al>
          <al>28. Ad article 30</al>
          <al>Pour l'application de la Convention, l'expression «titre permettant
l'exécution» doit, en ce qui concerne les Pays-Bas, être
prise dans le sens de titre exécutoire (executoriale titel) et le terme
«exigible» doit, en ce qui concerne les Pays-Bas, être pris
dans le sens de recouvrable (invorderbaar).</al>
          <al>29. Ad article 30, paragraphe 9</al>
          <al>En Belgique, cette disposition s'applique au privilège du Trésor
visé aux articles 422 et 423 du Code des impôts sur les revenus
1992.</al>
          <al>30. Ad article 33 et article 34</al>
          <inspring nivo="0">
            <nr>a)</nr>
            <al>Il est entendu que l'expression «attribués
ou mis en paiement» signifie également, en ce qui concerne les
Pays-Bas, «reçus, crédités ou mis à la disposition,
devenus productifs d'intérêts, devenus exigibles et devenus encaissables».</al>
          </inspring>
          <inspring nivo="0">
            <nr>b)</nr>
            <al>Il est entendu que, en ce qui concerne les
Pays-Bas, l'expression «périodes imposables» doit être
prise dans le sens de «années fiscales» (<nadruk type="cur">belastingjaren</nadruk>).</al>
          </inspring>
          <witreg></witreg>
          <al>EN FOI DE QUOI, les soussignés, à ce dûment autorisés
par leurs Gouvernements respectifs, ont signé le présent Protocole.</al>
          <witreg></witreg>
          <al>FAIT à Luxembourg, 5 juin 2001, en double exemplaire, en langues
néerlandaise et française, les deux textes faisant également
foi.</al>
          <witreg></witreg>
          <al>
            <nadruk type="cur">Pour le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas</nadruk>
          </al>
          <witreg></witreg>
          <al>(s.) W. J. BOS</al>
          <witreg></witreg>
          <al>
            <nadruk type="cur">Pour le Gouvernement du Royaume de Belgique</nadruk>
          </al>
          <witreg></witreg>
          <al>(s.) D. REYNDERS</al>
          <lijn></lijn>
          <tuskop letat="vet">Protocole II</tuskop>
          <al></al>
          <witreg></witreg>
          <al>Au moment de procéder à la signature de la Convention entre
le Royaume des Pays-Bas et le Royaume de Belgique tendant à éviter
la double imposition et à prévenir l'évasion fiscale
en matière d'impôts sur le revenu et sur la fortune, les soussignés
sont convenus du second Protocole suivant, qui fait partie intégrante
de la Convention.</al>
          <al>Les Etats contractants conviennent, en vue d'une répartition équitable
des impôts perçus par chacun de ces Etats à charge des
personnes physiques qui sont des résidents de l'autre Etat contractant
sur des revenus de professions dépendantes visées à l'article
15 de la Convention, de se verser réciproquement chaque année
une compensation égale à une partie de cet impôt. La base
de la compensation due par un Etat contractant à l'autre Etat contractant
est constituée par le total des recettes fiscales nettes que le premier
Etat contractant reçoit des personnes physiques qui sont des résidents
de l'autre Etat contractant qui perçoivent dans le premier Etat contractant
des revenus de professions dépendantes dont le pouvoir d'imposition
est attribué à cet Etat en vertu des dispositions de l'article
15 de la Convention. Les recettes fiscales nettes visées dans la phrase
précédente sont fixées à 20 pour cent du total
de l'impôt dont les personnes physiques précitées, qui
sont des résidents d'un Etat contractant, sont redevables au titre
de leurs revenus dans l'autre Etat contractant et des cotisations de sécurité
sociale visées par le Règlement (CEE) n° 1408/71 qui sont
perçues simultanément par l'administration fiscale de ce dernier
Etat. Chacun des Etats contractants paie à l'autre Etat contractant
une compensation égale à 50 pour cent du montant des recettes
fiscales nettes qu'il a obtenues des résidents de l'autre Etat contractant.
Les compensations réciproques sont portées en compte courant
au moment où les recettes fiscales qui en constituent la base sont
perçues ou, le cas échéant, remboursées. Les autorités
compétentes des Etats contractants se consultent avant l'entrée
en vigueur du Protocole et, par la suite, après chaque période
de cinq ans au cours de laquelle de telles compensations ont eu lieu annuellement,
afin d'examiner si les pourcentages précités sont toujours considérés
comme appropriés. Lorsque les autorités compétentes des
deux Etats contractants conviennent, dans le cadre d'une telle consultation,
qu'un des pourcentages précités, ou les deux, ne sont plus appropriés,
elles déterminent d'un commun accord les pourcentages applicables pour
la période suivante de cinq ans.</al>
          <witreg></witreg>
          <al>EN FOI DE QUOI, les soussignés, à ce dûment autorisés
par leurs Gouvernements respectifs, ont signé le présent Protocole.</al>
          <witreg></witreg>
          <al>FAIT à Luxembourg, le 5 juin 2001, en double exemplaire, en langues
néerlandaise et française, les deux textes faisant également
foi.</al>
          <witreg></witreg>
          <al>
            <nadruk type="cur">Pour le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas</nadruk>
          </al>
          <witreg></witreg>
          <al>(s.) W. J. BOS</al>
          <witreg></witreg>
          <al>
            <nadruk type="cur">Pour le Gouvernement du Royaume de Belgique</nadruk>
          </al>
          <witreg></witreg>
          <al>(s.) D. REYNDERS</al>
          <lijn></lijn>
        </taal>
      </verdrag>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <nr>D.</nr>
      <titel>PARLEMENT</titel>
      <al>Het Verdrag, met Protocollen, behoeft ingevolge artikel 91 van de Grondwet
de goedkeuring van de Staten-Generaal, alvorens het Koninkrijk aan het Verdrag
kan worden gebonden.</al>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <nr>G.</nr>
      <titel>INWERKINGTREDING</titel>
      <al>De bepalingen van Verdrag en Protocollen zullen ingevolge artikel 33,
eerste lid, van het Verdrag juncto de preambulen tot de Protocollen in werking
treden op de vijftiende dag na de datum van ontvangst van de tweede van de
kennisgevingen van Partijen dat de door de wet vereiste procedures voor de
inwerkingtreding van het Verdrag zijn voltooid.</al>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <nr>J.</nr>
      <titel>GEGEVENS</titel>
      <al>Van het op 5 september 1952 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tussen
Nederland, België en het Groothertogdom Luxemburg nopens wederkerige
bijstand inzake de invordering van belastingschulden, naar welk Verdrag onder
meer in artikel 33, derde lid, van het onderhavige Verdrag wordt verwezen,
zijn de Nederlandse en Franse tekst geplaatst in Trb. 1952, 137. Zie ook Trb. 1956,
141.</al>
      <al>Van de op 19 oktober 1970 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst tussen
de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk
België tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen
naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van enige andere
regelen verband houdende met de belastingheffing, naar welke Overeenkomst
in artikel 33, vijfde lid, van het onderhavige Verdrag wordt verwezen, zijn
de Nederlandse en Franse tekst geplaatst in Trb. 1970, 192. Zie ook Trb. 1971,
174.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op 5 juni 2001 zijn te Luxemburg tevens brieven uitgewisseld waarvan de
tekst als volgt luidt: </al>
      <artkop id="ART34">
        <nr>(Nr. I)</nr>
      </artkop>
      <al>Excellentie,</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ik heb de eer te verwijzen naar het op 5 juni 2001 getekende Verdrag tussen
het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden
van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake
belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (hierna te noemen: het Verdrag)
en namens de regering van het Koninkrijk der Nederlanden het volgende voor
te stellen:</al>
      <al>In de loop van de onderhandelingen die hebben geleid tot het sluiten van
het heden ondertekende Verdrag hebben de onderhandelaars een gemeenschappelijke
overeenstemming bereikt en opgesteld over de verhouding tussen de conclusies
van de Raad van 1 december 1997 inzake het belastingbeleid (98/C 2/01) en
het Verdrag.</al>
      <al>In de conclusies van de Raad van 1 december 1997 wordt voorzien in een
pakket van maatregelen bestaande uit een gedragscode inzake de belastingregeling
voor ondernemingen, een richtlijn voor de belasting op inkomsten uit spaartegoeden
en een voorstel voor bronheffing op grensoverschrijdende uitkeringen van interest
en royalty's tussen bedrijven.</al>
      <al>In het protocol bij het Verdrag is een voorziening opgenomen voor de samenloop
van de bepalingen van het Verdrag met de in de conclusies opgenomen voorstellen
voor een richtlijn inzake de belasting op inkomsten uit spaartegoeden en een
richtlijn voor bronheffing op grensoverschrijdende uitkering van interest
en royalty's.</al>
      <al>Het verdrag onderscheidenlijk het protocol bevat geen verwijzing naar
de gedragscode. De gedragscode betreft een op Europees niveau gecoördineerde
actie ter bestrijding van schadelijke fiscale concurrentie om bij te dragen
tot de verwezenlijking van Europese doelstellingen. De uitvoering van deze
aanbeveling van de Raad bijeen zal met erkenning van de positieve effecten
van eerlijke concurrentie en van de noodzaak om het internationale concurrentievermogen
van de Europese Unie en de lidstaten te waarborgen in beginsel moeten leiden
tot een oplossing op gemeenschapsniveau.</al>
      <al>Indien in het kader van de resolutie van 1 december 1997 van de Ecofinraad
op communautair niveau uitvoering wordt gegeven aan de conclusies van de Raad
zullen de verdragsluitende Staten in gezamenlijk overleg bezien of en zo ja
in welke mate, met het oog op het scheppen van voorwaarden voor eerlijke concurrentie
binnen de Europese Unie, het Verdrag daaraan dienstbaar kan zijn, dan wel
kan worden gemaakt. </al>
      <al>Gelief, Excellentie, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting
wel te willen aanvaarden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>(w.g.) W. J. BOS</al>
      <lijn></lijn>
      <artkop id="ART35">
        <nr>(Nr. II)</nr>
      </artkop>
      <al>Excellentie,</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ik heb de eer de ontvangst te bevestigen van uw Nota van heden die als
volgt luidt:</al>
      <artkop id="ART36">
        <nr>(Zoals in Nr. I)</nr>
      </artkop>
      <al>Ik heb de eer u mede te delen dat mijn Regering met het vorenstaande akkoord
gaat.</al>
      <al>Gelief, Excellentie, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting
wel te willen aanvaarden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>(w.g.) D. REYNDERS</al>
      <lijn></lijn>
      <artkop id="ART37">
        <nr>(Nr. III)</nr>
      </artkop>
      <al>Intentiebrief</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ik heb de eer te verwijzen naar het op 5 juni 2001 getekende verdrag tussen
het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden tot het vermijden
van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake
belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (hierna te noemen: het Verdrag)
en namens de regering van het Koninkrijk België het volgende mede te
delen:</al>
      <al>Tijdens de onderhandelingen die hebben geleid tot het sluiten van het
heden ondertekende verdrag is de territoriale werkingssfeer van het Verdrag
wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden ter sprake gekomen. Het Verdrag
geldt alleen voor Nederland.</al>
      <al>Het Verdrag bevat op verzoek van België geen bepaling inzake de zogenoemde
territoriale uitbreiding van het Verdrag tot de andere landen van het Koninkrijk.
Wel wordt van de zijde van België de bereidheid uitgesproken om, nadat
de Nederlandse Antillen en/of Aruba een stelsel van belasting hebben geïntroduceerd
dat in overeenstemming is met internationaal aanvaarde fiscale beginselen
(de zogenoemde OESO-normen) en het beleid ter uitvoering van de wet eveneens
in overeenstemming is met deze beginselen, desgewenst met deze landen besprekingen
aan te gaan over de mogelijkheid tot het sluiten van een bilateraal verdrag
ter vermijding van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan
van belasting.</al>
      <al>Gelief, Excellentie, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting
wel te willen aanvaarden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>(w.g.) D. REYNDERS</al>
      <lijn></lijn>
      <artkop id="ART34">
        <nr>(Nr. I)</nr>
      </artkop>
      <al>Excellence,</al>
      <witreg></witreg>
      <al>J'ai l'honneur de me référer à la Convention signée
le 5 juin 2001 entre le Royaume des Pays-Bas et le Royaume de Belgique tendant
à éviter la double imposition et à prévenir l'évasion
fiscale en matière d'impôts sur le revenu et sur la fortune (ci-après
dénommée: la Convention) et de proposer ce qui suit au nom du
Gouvernement du Royaume des Pays-Bas:</al>
      <al>Au cours des négociations qui ont abouti à la conclusion
de la Convention signée aujourd'hui, les négociateurs sont parvenus
à un accord mutuel concernant le rapport entre les conclusions du Conseil
du 1er décembre 1997 en matière de politique fiscale (98/C 2/01)
et la Convention.</al>
      <al>Les conclusions du Conseil du 1<sup>er</sup> décembre 1997 prévoient
un paquet de mesures constitué par un code de conduite dans le domaine
de la fiscalité des entreprises, une directive en matière de
fiscalité des revenus de l'épargne et une proposition en matière
de retenue à la source sur les paiements transfrontaliers d'intérêts
et de redevances entre entreprises.</al>
      <al>Le Protocole à la Convention contient une disposition relative
à la concurrence des dispositions de la Convention et des propositions
contenues dans les conclusions du Conseil concernant une directive en matière
de fiscalité des revenus de l'épargne et une directive en matière
de retenue à la source sur les paiements transfrontaliers d'intérêts
et de redevances.</al>
      <al>Ni la Convention ni le Protocole ne font allusion au code de conduite.
Le code de conduite porte sur une action coordonnée au niveau européen
pour lutter contre la concurrence fiscale dommageable en vue de contribuer
à la réalisation de certains objectifs européens. La
mise en oeuvre de cette résolution du Conseil, reconnaissant les effets
positifs d'une  concurrence loyale et la nécessité de consolider
la compétitivité internationale de l'Union européenne
et des Etats membres, devrait en principe aboutir à une solution au
niveau communautaire.</al>
      <al>Si, dans le cadre de la résolution du Conseil Ecofin du 1<sup>er</sup> décembre 1997, les conclusions du Conseil sont mises en oeuvre
au niveau communautaire, les Etats contractants se concerteront en vue d'examiner,
si et, le cas échéant, dans quelle mesure la Convention peut
être utile ou être mise à profit aux fins de créer
les conditions nécessaires à une  concurrence loyale au sein
de l'Union européenne. </al>
      <al>Veuillez agréer, Excellence, l'assurance de ma très haute
considération.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>(s.) W.J. BOS</al>
      <lijn></lijn>
      <artkop id="ART35">
        <nr>(Nr. II)</nr>
      </artkop>
      <al>Excellence,</al>
      <witreg></witreg>
      <al>J'ai l'honneur d'accuser réception de votre Note de ce jour, libellée
comme suit:</al>
      <artkop id="ART36">
        <nr>(Zoals in Nr. I)</nr>
      </artkop>
      <al>J'ai l'honneur de vous informer que mon Gouvernement souscrit à
ce qui précède.</al>
      <al>Veuillez agréer, Excellence, l'assurance de ma très haute
considération.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>(s.) D. REYNDERS</al>
      <lijn></lijn>
      <artkop id="ART37">
        <nr>(Nr. III)</nr>
      </artkop>
      <al>Lettre d'intention</al>
      <witreg></witreg>
      <al>J'ai l'honneur de me référer à la Convention signée
le 5 juin 2001 entre le Royaume de Belgique et le Royaume des Pays-Bas tendant
à éviter la double imposition et à prévenir l'évasion
fiscale en matière d'impôts sur le revenu et sur la fortune (ci-après
dénommée: la Convention) et de communiquer ce qui suit au nom
du Gouvernement du Royaume de Belgique:</al>
      <al>Lors des négociations qui ont abouti à la conclusion de
la Convention signée aujourd'hui, le champ d'application territorial
de la Convention en ce qui concerne le Royaume des Pays-Bas a été
évoqué. La Convention ne s'applique qu'aux Pays-Bas.</al>
      <al>A la demande de la Belgique, la Convention ne contient pas de disposition
en vue de l'extension territoriale de la Convention aux autres pays du Royaume.
La Belgique se déclare toutefois disposée, après que
les Antilles néerlandaises et/ou Aruba auront introduit un régime
fiscal conforme aux principes fiscaux internationalement reconnus (à
savoir les normes OCDE) et lorsque leur politique en matière d'application
de la législation sera également conforme à ces principes,
à entamer avec ces pays, si cela s'avère souhaitable, des discussions
visant à examiner la possibilité de conclure une convention
bilatérale tendant à éviter la double imposition et à
prévenir l'évasion fiscale.</al>
      <al>Veuillez agréer, Excellence, l'assurance de ma très haute
considération.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>(s.) D. REYNDERS</al>
      <lijn></lijn>
    </hfdst>
  </body>
  <backm>
    <ondertek>
      <onddat>
        <dag>zestiende</dag>
        <maand>augustus</maand>
        <jaar>2001</jaar>
      </onddat>.<min><minvan>De Minister van Buitenlandse Zaken,</minvan><naam>J. J. VAN AARTSEN</naam></min></ondertek>
  </backm>
</trblad>