<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR9997_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Waalwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Waalwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening WWB</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 7</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 9</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 10, lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, art. 34</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, art. 36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, art. 37</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen, art. 34</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen, art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen, art. 36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen, art. 37</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gedelegeerde functionaris</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-03-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2000-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening is vastgesteld door het AB</al><al>van de ISD Midden-Langstraat.</al><al>Datum inwerkingtreding is 1e dag dag na publicatie. Datum zoals hieronder aangegeven is niet correct.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1:</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><structuurtekst><al>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand</al><al>Het algemeen bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst
                            Midden-Langstraat gevestigd te Waalwijk,</al><al>gelet op het bepaalde in artikel 7, 8, 9 en 10 tweede lid van de Wet
                            werk en bijstand, de artikelen 34, 35, 36 en 37 van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers
                            en de artikelen 34, 35, 36 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al>gelet op de EG-verordening Werkgelegenheidssteun (nr. 2204/2002, Pb EG
                            2002, L 337/3) en de EGverordening de minimissteun (nr. 69/2001, Pb EG
                            2001, L 10/30), alsmede de Beleidsaanbeveling van belang voor het
                            opstellen van de gemeentelijke re-integratieverordeningen in het kader
                            van de Wet Werk en Bijstand (Verzamelcirculaire SZW, april 2004),</al><al>gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke
                            Sociale Dienst Midden-Langstraat van 21 februari 2007;</al><al><vet>b e s l u i t:</vet></al><al><vet>De Re-integratieverordening Wet werk en bijstand, </vet>zoals
                            vastgesteld bij besluit van 7 juni 2004, zodanig te wijzigen, dat deze
                            als volgt komt te luiden.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Wet werk en bijstand (WWB) en de Algemene wet bestuursrecht
                                    (Awb).</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al><onderstreept>het dagelijks bestuur</onderstreept>: het
                                            dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale
                                            Dienst Midden-Langstraat.</al></li><li nr="b."><al><onderstreept>het algemeen bestuur</onderstreept>: het
                                            algemeen bestuur van de Intergemeentelijke Sociale
                                            Dienst Midden-Langstraat.</al></li><li nr="c."><al><onderstreept>de gemeenteraad</onderstreept>: de raad
                                            van resp. de gemeenten Heusden, Loon op Zand en
                                            Waalwijk.</al></li><li nr="d."><al><onderstreept>de wet</onderstreept>: de Wet werk en
                                            bijstand;</al></li><li nr="e."><al><onderstreept>IOAW</onderstreept>: de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="f."><al><onderstreept>IOAZ</onderstreept>: de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="g."><al><onderstreept>WSW</onderstreept>: Wet sociale
                                            werkvoorziening;</al></li><li nr="h."><al><onderstreept>Wiw</onderstreept>: Wet Inschakeling
                                            Werkzoekenden;</al></li><li nr="i."><al><onderstreept>IDLW</onderstreept>: Besluit In- en
                                            Doorstroombanen voor langdurig werklozen;</al></li><li nr="j."><al><onderstreept>Wet WIA</onderstreept>: Wet werk en
                                            inkomen naar arbeidsvermogen;</al></li><li nr="k."><al><onderstreept>ANW</onderstreept>: Algemene
                                            nabestaandenwet;</al></li><li nr="l."><al><onderstreept>UWV</onderstreept>: Uitvoeringsinstituut
                                            werknemersverzekeringen (voorheen GAK, Cadans, Sfb,
                                            etc);</al></li><li nr="m."><al><onderstreept>CWI</onderstreept>: Centrale organisatie
                                            werk en inkomen;</al></li><li nr="n."><al><onderstreept>voorzieningen</onderstreept>:
                                            voorzieningen bedoeld in artikel 7 eerste lid onder a
                                            van de WWB, artikel 34 IOAW, artikel 34 IOAZ en
                                            beschreven in deze verordening;</al></li><li nr="o."><al><onderstreept>de doelgroep</onderstreept>: de personen
                                            aan wie op grond van artikel 7 eerste lid onder a. van
                                            de WWB, artikel 34 IOAW en artikel 34 IOAZ door de
                                            gemeente ondersteuning kan worden geboden;</al></li><li nr="p."><al><onderstreept>de belanghebbende</onderstreept>: het lid
                                            van de doelgroep dat aanspraak maakt op ondersteuning of
                                            aan wie ondersteuning wordt geboden;</al></li><li nr="q."><al><onderstreept>uitkeringsgerechtigde</onderstreept>:
                                            persoon jonger dan 65 jaar die bijstand ter voorziening
                                            in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                                            ontvangt; dan wel een uitkering ontvangt op grond van de
                                            IOAW, de IOAZ;</al></li><li nr="r."><al><onderstreept>niet-uitkeringsgerechtigde</onderstreept>:
                                            de persoon bedoeld in artikel 6 onder a. van de
                                            WWB;</al></li><li nr="s."><al><onderstreept>ANW-er</onderstreept>: de persoon met een
                                            nabestaanden- of halfwezenuitkering op grond van de
                                            Algemene nabestaandenwet;</al></li><li nr="t."><al><onderstreept>jongere</onderstreept>: persoon onder de
                                            23 jaar zonder uitkering van het UWV, niet schoolgaand,
                                            zonder arbeidsrelevante startkwalificatie en zonder
                                            werk;</al></li><li nr="u."><al><onderstreept>algemeen geaccepteerde
                                                arbeid</onderstreept>: arbeid die algemeen aanvaard
                                            is en waar betrokkene fysiek en/of mentaal toe in staat
                                            is (niet zijnde werk in WSW–verband); het verrichten van
                                            werkzaamheden als zelfstandige in een rechtmatig,
                                            levensvatbaar beroep of bedrijf valt ook onder algemeen
                                            geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="v."><al><onderstreept>duurzame arbeid</onderstreept>: algemeen
                                            geaccepteerde arbeid die over een periode van tenminste
                                            zes maanden wordt verricht waarbij
                                            uitkeringsonafhankelijkheid is gerealiseerd (niet zijnde
                                            gesubsidieerde arbeid);</al></li><li nr="w."><al><onderstreept>sociale activering:</onderstreept> het
                                            verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle
                                            activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of
                                            zelfstandige maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="x."><al><onderstreept>ondersteuning</onderstreept>:
                                            ondersteuning als bedoeld in artikel 7 van de WWB,
                                            artikel 34 IOAW en artikel 34 IOAZ;</al></li><li nr="y."><al><onderstreept>een traject</onderstreept>: een
                                            aaneenschakeling van re-integratie-instrumenten;</al></li><li nr="z."><al><onderstreept>re-integratie-instrumenten</onderstreept>:
                                            de instrumenten die het dagelijks bestuur ter
                                            beschikking heeft voor het bieden van ondersteuning als
                                            bedoeld in artikel 7 van de WWB, artikel 34 IOAW en
                                            artikel 34 IOAZ;</al></li></lijst></li></lijst><al>aa. <onderstreept>arbeidsinschakeling</onderstreept>:
                            arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 6 onder b. van de WWB,
                            artikel 40 IOAW en artikel 40 IOAZ.</al><al>bb. <onderstreept>Re-integratiebesluit</onderstreept>: het door het
                            dagelijks bestuur genomen besluit inzake de vaststelling van regels ten
                            behoeve van de uitvoering van de re-integratieverordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2:</nr><titel>BELEID</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht aan het dagelijks bestuur.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur biedt aan leden van de doelgroep ondersteuning
                                bij de arbeidsinschakeling in maatschappelijk geaccepteerde arbeid
                                en, voor zover het dagelijks bestuur dat noodzakelijk acht, een
                                voorziening gericht op die arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur zorgt voor een voldoende gevarieerd aanbod van
                                re-integratie-instrumenten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur zal bij het bepalen van het aanbod aan
                                re-integratie-instrumenten prioriteiten stellen in verband met de
                                financiële mogelijkheden en met maatschappelijke, economische en
                                conjuncturele ontwikkelingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur bevordert de beschikbaarheid van voorzieningen
                                voor de opvang van kinderen jonger dan 12 jaar voor leden van de
                                doelgroep, voor zover die opvang nodig is voor het volgen van een
                                traject of voor deelname aan een re-integratie-instrument.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur werkt bij de uitvoering van het tweede lid
                                samen met het CWI en het UWV.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De doelgroep</titel></kop><al>De doelgroep van deze verordening zijn de personen wonende in de
                            gemeenten Heusden, Loon op Zand en Waalwijk, jonger dan 65 jaar en
                            geregistreerd als werkzoekende bij het CWI en,</al><lijst><li nr="1."><al>die een uitkering ontvangen op grond van de IOAW of de IOAZ of
                                    algemene bijstand of</al></li><li nr="2."><al>personen met een uitkering op grond van de Algemene
                                    nabestaandenwet en nietuitkeringsgerechtigden, of</al></li><li nr="3."><al>personen zoals die omschreven staan bij het eerste artikel van
                                    deze verordening bij het begrip “jongere” of</al></li><li nr="4."><al>personen die een dienstbetrekking hebben zoals eerder beschreven
                                    in het Besluit In- en Doorstroombanen of een dienstbetrekking in
                                    het kader van de Wet Inschakeling Werkzoekenden.</al></li><li nr="5."><al>personen die vanwege een voorziening zoals omschreven in
                                    hoofdstuk drie van deze verordening niet tot een van de groepen
                                    behoren zoals bedoeld in dit artikel.</al></li></lijst><al>Niet tot de doelgroep behoort:</al><lijst><li nr="1."><al>de persoon die geen uitkeringsgerechtigde is en die onderwijs of
                                    een beroepsopleiding volgt als bedoeld in de Wet
                                    studiefinanciering 2000 of in hoofdstuk 4 van de Wet
                                    tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, en</al></li><li nr="2."><al>de persoon die een kind is als bedoeld in artikel 7, tweede lid,
                                    aanhef en onderdeel a, van de Algemene Kinderbijslagwet.</al></li><li nr="3."><al>de persoon die een uitkering ontvangt van het UWV onafhankelijk
                                    de aard van de uitkering en/of de hoogte. Het dagelijks bestuur
                                    en het UWV kunnen overeenkomen dat het genoemde in artikel 2,
                                    lid 1 en 2, wel van toepassing is op de persoon met een
                                    uitkering van het UWV.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Taken en Beleidsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur draagt zorg voor het aanbieden van
                                voorzieningen aan personen behorende tot de doelgroep in het kader
                                van ondersteuning bij arbeidsinschakeling gericht op de kortste weg
                                naar duurzame arbeid. Het dagelijks bestuur stelt vast welke
                                voorziening voor personen uit de doelgroep het meest geschikt is om
                                het beoogde doel te behalen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur bevordert de beschikbaarheid van flankerende
                                voorzieningen die belemmeringen voor toetreding tot de arbeidsmarkt
                                kunnen opheffen c.q. verminderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzieningen die het dagelijks bestuur in het kader van
                                ondersteuning bij arbeidsinschakeling voor een persoon uit de
                                doelgroep inzet, worden vastgelegd in een beschikking.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ter uitvoering van de in het eerste lid genoemde zorgplicht, stelt
                                het algemeen bestuur jaarlijks een beleidsplan vast waarin op basis
                                van het beschikbare budget wordt aangegeven op welke wijze het
                                komende jaar wordt voorzien in de ondersteuning bij
                                arbeidsinschakeling en welke voorzieningen in welke mate in het
                                kader van arbeidsinschakeling zullen worden ingezet voor de
                                doelgroepen van de WWB.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het algemeen bestuur zendt eenmaal per jaar aan de raden van de
                                gemeenten Heusden, Loon op Zand en Waalwijk een jaarverslag over de
                                doeltreffendheid en de effecten van het beleid.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In het beleidsplan als bedoeld in het vierde lid en het jaarverslag
                                als bedoeld in het vijfde lid is het oordeel van de klantenraad
                                opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Rechten en plichten deelnemer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De persoon uit de doelgroep is verplicht naar vermogen algemeen
                                geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De persoon uit de doelgroep kan aanspraak maken op ondersteuning bij
                                arbeidsinschakeling ten behoeve van het realiseren van de, naar het
                                oordeel van het dagelijks bestuur, kortste weg naar duurzame arbeid.
                                Het dagelijks bestuur bepaalt hoe deze aanspraak wordt
                                ingevuld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een persoon uit de doelgroep aan wie een voorziening zoals bedoeld
                                in deze verordening wordt aangeboden, is verplicht gebruik te maken
                                van deze voorziening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een persoon uit de doelgroep aan wie een medische keuring op basis
                                van de Wet WIA of de WSW wordt aangeboden, is verplicht hiervan
                                gebruik te maken.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onverminderd andere verplichtingen, voortvloeiend uit wet- of
                                regelgeving, geldt voor een persoon die deelneemt aan of deelgenomen
                                heeft aan een voorziening de verplichting:</al><lijst><li nr="a."><al>zich als werkzoekende te laten registreren bij het CWI (art
                                        9 WWB);</al></li><li nr="b."><al>alle inlichtingen te verstrekken aan het dagelijks bestuur
                                        over de passendheid en de voortgang van de voorziening en
                                        wijzigingen in zijn persoonlijke situatie die van belang
                                        kunnen zijn voor de beoordeling van de aanspraak op
                                        ondersteuning en de noodzaak van voortzetting van een
                                        voorziening, daaronder in ieder geval begrepen wijzigingen
                                        in woonplaats, wijzigingen met betrekking tot
                                        gezondheidssituatie of arbeidshandicaps en wijzigingen met
                                        betrekking tot nevenwerkzaamheden of neveninkomsten;</al></li><li nr="c."><al>zijn medewerking te verlenen aan onderzoeken over de inhoud,
                                        passendheid, voortgang en uitvoering van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="d."><al>naar vermogen uitvoering te geven dan wel mee te werken aan
                                        de onderdelen van de voorziening;</al></li><li nr="e."><al>na te laten alles dat de realisatie van het doel van de
                                        voorziening belemmert.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Criteria ontheffing arbeidsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan met inachtneming van artikel 9 tweede lid
                                van de WWB, onderscheidenlijk artikel 7a van de IOAW en de IOAZ
                                bepalen dat aan belanghebbende tijdelijk, geheel of gedeeltelijk,
                                ontheffing wordt verleend van de in artikel 5 van deze verordening
                                genoemde verplichtingen wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>de combinatie van zorg en arbeid of de combinatie van zorg
                                        en voorziening niet mogelijk is voor alleenstaande ouders.
                                        Met zorg wordt bedoeld de zorg voor een kind c.q. kinderen.
                                        Deze afweging wordt door het dagelijks bestuur, in overleg
                                        met een (extern) deskundige gedaan voor wat betreft de duur
                                        en de zwaarte van de ontheffing. Maximaal 1 jaar kan
                                        ontheffing van de verplichting worden verleend.</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende om psychische dan wel medische redenen niet
                                        in staat is om te werken. De zwaarte van de belemmering
                                        bepaalt de geheel of gedeeltelijke ontheffing. De duur wordt
                                        bepaald door het dagelijks bestuur, in overleg met een
                                        (extern) deskundige. De maximale ontheffing bedraagt 3
                                        jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ontheffing van de arbeidsplicht wordt slechts voor een door het
                                dagelijks bestuur vast te stellen periode verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op basis van een herbeoordeling kan het dagelijks bestuur besluiten
                                een ontheffing na afloop van de vastgestelde periode te
                                verlengen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3:</nr><titel>VOORZIENINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur kan een persoon behorende tot de doelgroep
                                    (laten) begeleiden bij het zoeken naar en verwerven van arbeid
                                    in loondienst of als zelfstandig ondernemer, alsmede bij het
                                    wegnemen van belemmeringen voor de arbeidsinschakeling, nadat is
                                    gebleken dat het deze persoon ondanks aantoonbare inspanningen
                                    zelf niet is gelukt betaalde arbeid te verkrijgen.</al></li><li nr="2."><al>Het doel van de inzet van de voorzieningen is het vergroten van
                                    de vitaliteit en de zelfredzaamheid van de tot de doelgroep
                                    behorende personen. Onder andere door het opdoen van
                                    werkervaring, het aanleren van vaardigheden en kennis die nodig
                                    zijn op de arbeidsmarkt of bij de start van een eigen bedrijf,
                                    het opdoen van een werkritme, maatschappelijke participatie en
                                    het bevorderen van sociale zelfredzaamheid wordt
                                    arbeidsinschakeling bevorderd. Scholing kan onderdeel uitmaken
                                    van de voorzieningen in dit hoofdstuk. Daarnaast kan het
                                    dagelijks bestuur ook scholing als zelfstandige voorziening
                                    aanbieden.</al></li><li nr="3."><al>Het dagelijks bestuur kan voor de uitvoering van voorzieningen
                                    afspraken maken met derden, waaronder werkgevers en
                                    re-integratiebedrijven.</al></li><li nr="4."><al>Het dagelijks bestuur kan, in aanvulling op de verplichtingen
                                    die voortvloeien uit de wet en deze verordening, aan een
                                    voorziening nadere verplichtingen verbinden.</al></li><li nr="5."><al>Het dagelijks bestuur kan bij uitvoeringsbesluit ten aanzien van
                                    de voorzieningen, bedoeld in dit hoofdstuk, met inachtneming van
                                    hetgeen daarover in het beleidsplan is bepaald, nadere regels
                                    stellen. Deze regels kunnen in ieder geval betrekking hebben
                                    op:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorwaarden waaronder een voorziening wordt
                                            aangeboden;</al></li><li nr="b."><al>de weigeringsgronden bij het aanbieden van
                                            voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>de intrekking of wijziging van de subsidieverlening of
                                            –vaststelling;</al></li><li nr="d."><al>de aanvraag van en de besluitvorming over subsidies en
                                            premies;</al></li><li nr="e."><al>de betaling van subsidies en het verlenen van
                                            voorschotten;</al></li><li nr="f."><al>het vragen van een eigen bijdrage;</al></li><li nr="g."><al>overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en
                                            het verstrekken van</al></li></lijst></li></lijst><al>subsidies.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan aan uitkeringsgerechtigden activiteiten
                                aanbieden in het kader van sociale activering zijnde het verrichten
                                van maatschappelijk nuttige activiteiten ter voorbereiding op een
                                traject gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van sociale activering is het, met behoud van uitkering, op
                                laten doen en/of behouden van werkritme.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De activiteiten ter voorbereiding op een traject gericht op
                                arbeidsinschakeling duren maximaal twaalf maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op basis van een herbeoordeling kan het dagelijks bestuur besluiten
                                de in lid drie genoemde activiteiten na afloop van de vastgestelde
                                periode te verlengen met nog een periode van maximaal twaalf
                                maanden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan aan uitkeringsgerechtigden, indien
                                activiteiten zoals bedoeld in het eerste lid (nog) niet mogelijk
                                zijn, met behoud van uitkering activiteiten toestaan in het kader
                                van sociale activering gericht op maatschappelijke participatie en
                                het voorkomen van sociaal isolement.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt bij uitvoeringsbesluit nadere regels ten
                                aanzien van de activiteiten in het kader van sociale
                                activering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Leerwerkstages</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan aan uitkeringsgerechtigden een
                                leerwerkstage aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de leerwerkstage is het, met behoud van uitkering,
                                opdoen van werkervaring, dan wel het leren functioneren in een
                                arbeidsrelatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De leerwerkstage duurt maximaal zes maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur plaatst de persoon alleen, indien door de
                                plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden
                                beïnvloed en daardoor geen verdringing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Schriftelijk wordt tenminste vastgelegd het doel van de
                                leerwerkstage, alsmede de wijze waarop de begeleiding
                                plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt bij uitvoeringsbesluit nadere regels ten
                                aanzien van de activiteiten in het kader van leerwerkstages.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Proefplaatsingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan aan uitkeringsgerechtigden een
                                proefplaatsing aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de proefplaatsing is het, met behoud van uitkering,
                                opdoen van specifieke vaardigheden op de werkplek, dan wel het
                                wennen aan aspecten die samenhangen met betaald werk.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De proefplaatsing duurt maximaal zes maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur plaatst de persoon alleen, indien door de
                                plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden
                                beïnvloed en daardoor geen verdringing plaats vindt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Schriftelijk wordt tenminste vastgelegd het doel van de
                                proefplaatsing, alsmede de wijze waarop de begeleiding
                                plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt bij uitvoeringsbesluit nadere regels ten
                                aanzien van de activiteiten in het kader van proefplaatsingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Detacheringsbanen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan aan een persoon bedoeld in artikel 1 lid 2
                                onder q en t een detacheringsbaan aanbieden, gericht op
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van plaatsing in een detacheringsbaan is het opdoen van
                                vaardigheden om betaalde arbeid te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij
                                een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een
                                schriftelijke overeenkomst tussen zowel werkgever en inlenende
                                organisatie als tussen werknemer en inlenende organisatie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een werknemer wordt alleen geplaatst indien door zijn plaatsing de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                indien door zijn plaatsing geen verdringing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een organisatie aanwijzen die in opdracht
                                van, of namens de gemeente het werkgeversschap voor de banen,
                                bedoeld in het eerste lid, uitvoert.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt bij uitvoeringsbesluit nadere regels ten
                                aanzien van de detacheringsbanen, de duur van de subsidie, de
                                hoogte, en de voorwaarden en verplichtingen die aan de subsidie
                                worden verbonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Loonkostensubsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan subsidie verstrekken aan werkgevers die
                                met een persoon bedoeld in artikel 1 lid 2 onder q en t een
                                arbeidsovereenkomst sluiten, gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Minimaal eenmaal per jaar wordt in overleg met de werknemer en de
                                werkgever bezien welke mogelijkheden er voor de werknemer zijn voor
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt bij uitvoeringsbesluit nadere regels ten
                                aanzien van de duur van de subsidie, de hoogte, en de voorwaarden en
                                verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een vorm van scholing aanbieden gericht op
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde scholing kan aangeboden worden in de
                                vorm van een subsidie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt bij uitvoeringsbesluit nadere regels ten
                                aanzien van de noodzakelijkheid van de scholing, de duur en de
                                maximale kosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Voorzieningen gericht op nazorg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan ten behoeve van een persoon als bedoeld in
                                artikel 1 lid 2 onder o een voorziening verstrekken gericht op
                                nazorg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een voorziening gericht nazorg wordt verstaan een subsidie ter
                                voldoening van de noodzakelijk te maken kosten van werkzaamheden die
                                zijn gericht op het behoud van de geaccepteerde arbeid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt bij uitvoeringsbesluit nadere regels ten
                                aanzien van de duur van de subsidie, de hoogte, en de voorwaarden en
                                verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Wiw en IDLW</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de uitvoering van de
                                dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 4 van de Wiw, zoals dit
                                luidde op 31 december 2003, en stimuleert de uitstroom.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de subsidiëring van de
                                dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 6 van het Besluit in- en
                                doorstroombanen, zoals dit besluit luidde op 31 december 2003, en
                                voor de subsidiëring van de arbeidsovereenkomsten zoals bedoeld in
                                artikel 5 eerste lid van de Wiw, zoals dit luidde op 31 december
                                2003 en stimuleert de uitstroom.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De dienstbetrekkingen en arbeidsovereenkomsten genoemd in eerste en
                                tweede lid zijn, vanaf het moment van inwerkingtreding van de WWB,
                                voorzieningen in de zin van de WWB.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt bij uitvoeringsbesluit nadere regels ten
                                aanzien van de duur van de subsidie, de hoogte, en de voorwaarden en
                                verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inkomstenvrijlating</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitkeringsgerechtigde die arbeid in deeltijd heeft of aanvaardt,
                                waarmee een inkomen wordt verworven dat minder bedraagt dan de voor
                                de uitkeringsgerechtigde van toepassing zijnde norm, ontvangt op
                                aanvraag een vrijlating zoals bedoeld in artikel 31 tweede lid onder
                                o van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inkomensvrijlating bedraagt 25% van dit inkomen uit arbeid
                                gedurende zes aaneengesloten maanden tot het in artikel 31 tweede
                                lid onder o van de wet genoemde maximum bedrag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid genoemde vrijlating per uitkeringsperiode is
                                eenmalig en is alleen van toepassing op inkomen uit algemeen
                                geaccepteerde arbeid. In geval van onderbreking vindt geen
                                verschuiving van de einddatum plaats.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt bij uitvoeringsbesluit nadere regels ten
                                aanzien van de inkomstenvrijlating.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Premies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan aan personen een activeringspremie
                                toekennen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze premie wordt verstrekt bij het aanvaarden van duurzaam algemeen
                                geaccepteerde arbeid, niet zijnde gesubsidieerde arbeid, volgend op
                                de inzet van een re-integratietraject of voorziening zoals genoemd
                                in de artikelen 7 tot en met 16 van deze
                                re-integratieverordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt bij uitvoeringsbesluit nadere regels
                                over de doelgroepen, de voorwaarden en de hoogte van de
                                premies.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Afweging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de afweging welke voorziening het meest geschikt is voor welke
                                persoon uit de doelgroep, worden de mogelijkheden en belemmeringen
                                van de persoon en het belang van de gemeente tegen elkaar afgewogen.
                                Daarbij houdt het dagelijks bestuur rekening met de zorgtaken van
                                alleenstaande ouders voor hun kinderen. Hiernaast speelt de situatie
                                op de arbeidsmarkt een rol.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De alleenstaande ouder met kind(eren) in de leeftijd tot 12 jaar kan
                                pas deelnemen aan een voorziening zoals bedoeld in dit hoofdstuk van
                                deze verordening indien een kinderopvangvoorziening beschikbaar is.
                                Wanneer het jongste kind de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, is
                                reguliere kinderopvang niet meer mogelijk. Mocht opvang in die
                                situatie een belemmerende factor zijn, zal via maatwerk een
                                oplossing worden gezocht.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4:</nr><titel>AFSTEMMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Handhaving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een bijstandgerechtigde zijn verplichtingen als bedoeld in
                                artikel 5 niet is nagekomen of niet nakomt, zal het dagelijks
                                bestuur de uitkering verlagen, conform hetgeen hierover is bepaald
                                in de Afstemmingsverordening WWB.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een persoon die een uitkering ontvangt op grond van de IOAW of
                                de IOAZ, zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 5 niet nakomt,
                                zal het dagelijks bestuur de uitkering verlagen, conform hetgeen
                                hierover is bepaald in artikel 20 van de IOAW en de IOAZ.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Beëindiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur zal de voorziening beëindigen als:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoon die deelneemt aan een voorziening, zijn
                                        verplichtingen als bedoeld in artikel 5 van deze verordening
                                        en/of zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de
                                        WWB, niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>een persoon die deelneemt aan een voorziening niet meer tot
                                        de doelgroep bedoeld in artikel 3 van deze verordening
                                        behoort;</al></li><li nr="c."><al>het dagelijks bestuur een andere voorziening aanbiedt;</al></li><li nr="d."><al>een persoon die deelneemt aan een voorziening neveninkomsten
                                        heeft, die naar oordeel van het dagelijks bestuur betekenen
                                        dat hij in staat is zonder voorziening een plaats te vinden
                                        of te behouden op de arbeidsmarkt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Beëindiging van de voorziening kan tevens inhouden: het opzeggen van
                                de dienstbetrekking, bedoeld in de artikelen 11 en 15 eerste lid of
                                het beëindigen van de subsidie, bedoeld in de artikelen 12 en 15
                                tweede lid van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer een voorziening (voortijdig) beëindigd is zonder verwijtbare
                                reden van de deelnemer en niet het beoogde doel heeft gehad, kan het
                                dagelijks bestuur besluiten enige tijd geen nieuwe voorziening aan
                                te bieden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan besluiten enige tijd geen (nieuwe)
                                voorziening aan te bieden aan de betrokkene als een eerdere
                                voorziening door verwijtbaar toedoen van de deelnemer (voortijdig)
                                beëindigd is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5:</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                dagelijks bestuur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan in bijzondere gevallen afwijken van de
                                bepalingen in deze verordening, als toepassing daarvan tot
                                onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>De re-integratieverordening WWB treedt in werking met ingang van de
                            eerste dag na publicatie in de daarvoor bestemde periodieken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Citeerartikel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: de Re-integratieverordening
                            WWB. </al><al/><al>Aldus besloten in zijn openbare vergadering van 05 maart 2007.</al><al>Het algemeen bestuur voornoemd,</al><al/><al>de secretaris, de voorzitter,</al><al>Mevrouw A.E.W. van Limpt P.W.M. van Dongen</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al>Algemene Toelichting</al><al>Deze verordening regelt de ondersteuning die de ISD Midden–Langstraat
                            biedt bij de</al><al>arbeidsinschakeling van werkzoekenden die behoren tot de doelgroep. De
                            opdracht om die</al><al>ondersteuning te bieden, is geregeld in artikel 7 WWB. Het voorschrift
                            om een verordening vast te</al><al>stellen waarin deze ondersteuning nader vorm wordt gegeven, volgt uit
                            artikel 8 WWB.</al><al>De gemeentebesturen van de gemeenten Heusden, Loon op Zand en Waalwijk
                            hebben de uitvoering</al><al>van de WWB opgedragen aan de ISD Midden-Langstraat.</al><al>In het kader van deze verordening treedt bij de bepalingen van de WWB
                            het "algemeen bestuur" in</al><al>plaats van "de raad" en het "dagelijks bestuur" in plaats van het
                            "college".</al><al>In het door de gezamenlijke raden vastgestelde beleidsplan wordt aan de
                            ISD Midden-Langstraat de</al><al>opdracht gegeven op een geheel eigen manier de uitvoering van de WWB ter
                            hand te nemen op basis</al><al>van een eensluidend en gemeenschappelijk beleid.</al><al>Enkele belangrijke uitgangspunten daarbij zijn:</al><al>??stringente participatieplicht</al><al>??de eigen verantwoordelijkheid van de klant staat voorop</al><al>??invoering Workfirst-model</al><al>??resultaatgerichte uitvoering WWB met als doel beheersing van het
                            uitkeringsvolume</al><al>Om deze uitgangspunten te kunnen waarmaken is het van belang om een
                            stringente uitvoering te</al><al>geven aan de uitvoering van deze verordening in combinatie met de
                            Afstemmings- en</al><al>handhavingsverordening. De WWB geeft tevens de opdracht een verordening
                            inzake</al><al>klantenparticipatie op te stellen. In deze Re-integratieverordening is
                            daarom opgenomen dat bij de</al><al>vaststelling van het beleidsplan en beleidsverslag de klantenraad wordt
                            betrokken.</al><al>De uitgangspunten van deze verordening dienen middels een goede
                            voorlichting aan de</al><al>belanghebbenden gecommuniceerd te worden.</al><al>De re-integratieverordening geeft de minimale en maximale reikwijdte aan
                            van het re-integratiebeleid.</al><al>De verordening op zich is een technisch stuk. Het is niet mogelijk, en
                            het zou er geen recht aan doen,</al><al>wanneer de gedachte achter het re-integratiebeleid ook letterlijk in
                            deze verordening verwoord zou</al><al>worden. Welke achterliggende gedachte de koers bepaalt, staat in het
                            door het algemeen bestuur</al><al>vastgestelde beleidsplan 2004 en de beleidsnotitie re-integratie “Brug
                            naar de toekomst”. Naast</al><al>eerder genoemde uitgangspunten zijn kernbegrippen “de kortste weg naar
                            werk”, “snelheid” (meer</al><al>snelheid in het proces om te komen tot werk) en “regulier werk” (in deze
                            vorm van werk komt het</al><al>meest tot uitdrukking dat de persoon op eigen benen kan staan los van de
                            lokale overheid).</al><al>Met de komst van de WWB verdwijnt de landelijke wet- en regelgeving over
                            re-integratie zoals</al><al>vastgesteld in de WIW en het besluit ID. Ook financieel is er een
                            verandering: Voor de uitvoering van</al><al>het re-integratiebeleid krijgt de gemeente een ongedifferentieerd budget
                            (Werkdeel).</al><al>Staatssteun</al><al>Ondanks het feit dat gemeenten beleidsvrijheid hebben met betrekking tot
                            de inrichting van het reintegratiebeleid,</al><al>worden zij toch gebonden aan de regels die de Europese Unie stelt. Dit
                            betreft onder</al><al>meer het onderwerp staatssteun, wat is neergelegd in de Verordening
                            Werkgelegenheidssteun (Nr.</al><al>2204/2002) en de Verordening de minimis-steun (Verordening (EG) Nr.
                            69/2001).</al><al>De Europese regelgeving over staatssteun kan een beperking van de
                            mogelijkheden voor het</al><al>gemeentelijke re-integratiebeleid opleveren. Van belang is om na gaan,
                            in hoeverre de gemeentelijke</al><al>verordening voldoet aan de voorwaarden uit de Europese verordeningen.
                            Indien in de gemeentelijke</al><al>verordening sprake is van een generieke regeling, worden de subsidies
                            niet aangemerkt als</al><al>staatssteun. De bepalingen uit de EG-verordeningen zijn dan niet van
                            toepassing. Generiek wil</al><al>zeggen, dat niet op voorhand bepaalde bedrijven of groepen van bedrijven
                            of sectoren expliciet in de</al><al>verordening worden uitgesloten van subsidiëring. De redactie van de
                            artikelen in deze verordening die</al><al>Re-integratieverordening</al><al>Pagina 12 van 17</al><al>gaan over detacheringsbanen en loonkostensubsidies is zodanig, dat
                            sprake is van een generieke</al><al>regeling.</al><al>Naast de inhoudelijke regels vragen de EG-verordeningen om uitgebreide
                            informatiestromen richting</al><al>Europese Commissie. Deze informatieverplichtingen worden beperkt door
                            afspraken van het</al><al>Ministerie van SZW met de Europese Unie, die hun weerslag hebben
                            gevonden in het document</al><al>“Subsidiëring arbeidsplaatsen in het kader van re-integratie
                            werkzoekenden – beleidsaanbeveling van</al><al>belang voor het opstellen van de gemeentelijke
                            re-integratieverordeningen in het kader van de Wet</al><al>werk en bijstand.”</al><al>De beperking van de informatieverplichtingen wordt alleen effectief, als
                            een expliciete verwijzing naar</al><al>deze beleidsaanbeveling opnemen in de re-integratieverordening. In deze
                            verordening is ervoor</al><al>gekozen deze verwijzing op te nemen in de aanhef van de verordening
                            (gelet op …). Hiermee wordt</al><al>aangegeven dat alle bepalingen uit de verordening in overeenstemming
                            zijn met de eerder genoemde</al><al>beleidsaanbeveling van het Ministerie van SZW.</al><al>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</al><al>Artikel 1 Begripsomschrijving</al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een
                            gelijkluidende betekenis als de</al><al>omschrijving in de WWB.</al><al>In de verordening wordt het begrip “belanghebbende” gebruikt. Dit begrip
                            wordt in artikel 1:2 van de</al><al>Algemene wet bestuursrecht (Awb) omschreven als “degene wiens belang
                            rechtstreeks bij een besluit</al><al>is betrokken”.</al><al>Artikel 2 Opdracht aan het dagelijks bestuur en</al><al>Artikel 3 De doelgroep</al><al>Het is aan het dagelijks bestuur om te zorgen voor een voldoende aanbod
                            van re-integratieinstrumenten,</al><al>maar het dagelijks bestuur heeft daarbij te maken met beperkte middelen,
                            terwijl de</al><al>vraag naar ondersteuning afhankelijk is van een veelheid aan
                            sociaal-economische factoren. Dat</al><al>maakt dat het dagelijks bestuur bepaalt voor welke inwoners die tot de
                            doelgroep van de WWB</al><al>behoren, zij bepaalde voorzieningen gaat inzetten. In het beleidsplan
                            2004 is aangegeven voor welke</al><al>doelgroep de ISD Midden-Langstraat welke middelen en voorzieningen gaat
                            inzetten.</al><al>Artikel 4 Taken en Beleidsplan</al><al>De WWB geeft aan het dagelijks bestuur de verantwoordelijkheid voor het
                            bieden van ondersteuning.</al><al>Hoewel de tot de doelgroep behorende personen aanspraak kunnen maken op
                            ondersteuning, is er</al><al>geen afdwingbaar recht op ondersteuning op de manier zoals de tot de
                            doelgroep behorende persoon</al><al>dat het liefst zou zien.</al><al>De wet vraagt om het re-integratiebeleid in een verordening vast te
                            leggen. Hier is gekozen voor de</al><al>systematiek om niet alles in de verordening te regelen, maar ook gebruik
                            te maken van</al><al>beleidsplannen en uitvoeringsbesluiten. Het vierde lid geeft aan dat het
                            algemeen bestuur een</al><al>beleidsplan opstelt. Dit plan omvat in elk geval de omschrijving van het
                            beleid ten aanzien van de</al><al>verschillende doelgroepen en de prioritering binnen en tussen die
                            groepen, waarbij een evenwichtige</al><al>aanpak als uitgangspunt wordt genomen. Verder wordt aandacht besteed aan
                            de wijze waarop de</al><al>aanbesteding wordt vormgegeven, de verdeling van de beschikbare middelen
                            over de verschillende</al><al>voorzieningen en het flankerend beleid ten aanzien van zorg en
                            hulpverlening.</al><al>Het vijfde lid biedt de basis voor de verantwoording van het beleid. Het
                            algemeen bestuur doet dit elk</al><al>jaar door middel van een jaarverslag over de doeltreffendheid en de
                            effecten van het beleid en zendt</al><al>dit verslag aan de raden van de ISD-gemeenten. De voor de minister van
                            Sociale Zaken en</al><al>Werkgelegenheid (SZW) van belang zijnde informatie over de WWB wordt
                            vervolgens door de</al><al>gemeenten verstrekt via de bijlage bij de gemeentelijke
                            jaarrekening.</al><al>Re-integratieverordening</al><al>Pagina 13 van 17</al><al>In het zesde lid wordt aangegeven dat bij de vaststelling van het
                            beleidsplan en jaarverslag de</al><al>klantenraad wordt betrokken.</al><al>Artikel 5 Rechten en plichten deelnemer en</al><al>Artikel 19 Handhaving</al><al>Deelname aan re-integratie is niet vrijblijvend. Voor diegenen zonder
                            uitkering worden voorwaarden</al><al>aan het re-integratietraject gekoppeld die staan vermeld in artikel 5
                            van de verordening.</al><al>Bijstandsgerechtigden zijn reeds door het ontvangen van een uitkering
                            aan bepaalde verplichtingen</al><al>gehouden en ook artikel 5 van de verordening geldt voor hen. Het niet
                            nakomen van de verplichtingen</al><al>geeft de mogelijkheid om een traject af te breken of gevraagde
                            ondersteuning te weigeren,</al><al>bijvoorbeeld als iemand niet mee wil werken aan een onderzoek. Wanneer
                            een re-integratietraject</al><al>door verwijtbaar toedoen van de belanghebbende voortijdig wordt
                            beëindigd, vindt de koppeling plaats</al><al>naar artikel 18 van deze verordening (handhaving) en naar de
                            afstemmingsverordening waarin de</al><al>hoogte van de op te leggen maatregelen zijn bepaald.</al><al>Artikel 6 Criteria ontheffing arbeidsplicht</al><al>Categoriale ontheffingen zijn vanaf 1 januari 2004 niet langer mogelijk.
                            Dat betekent dat alleenstaande</al><al>ouders met kinderen onder de vijf jaar en personen ouder dan 57,5 jaar,
                            die in de Abw een categoriale</al><al>ontheffing van de arbeidsplicht hadden, ook bekeken worden op hun
                            mogelijkheden om op zo kort</al><al>mogelijke termijn zelf te kunnen voorzien in hun kosten van
                            levensonderhoud.</al><al>Bij alleenstaande ouders met kind(eren) kan de combinatie zorg en werk
                            of de combinatie zorg en</al><al>voorziening maken dat tijdelijke ontheffing wordt gegeven. Indien
                            daarvoor dringende redenen</al><al>aanwezig zijn, kan het dagelijks bestuur in individuele gevallen
                            tijdelijk ontheffing verlenen van de</al><al>verplichting tot het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid of het
                            gebruik maken van een</al><al>door haar aangeboden voorziening dan wel het meewerken aan een onderzoek
                            naar de</al><al>mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Zorgtaken kunnen als dringende
                            redenen worden aangemerkt.</al><al>Indien de tijdelijke ontheffing een alleenstaande ouder betreft maakt
                            het dagelijks bestuur in het</al><al>bijzonder een afweging tussen het belang van arbeidsinschakeling en de
                            invulling die de ouder wenst</al><al>te geven aan de zorgplicht (artikel 9, lid 2 WWB).</al><al>De tijdelijkheid kent een maximale duur van 1 jaar respectievelijk 3
                            jaar. Daarna vindt herbeoordeling</al><al>plaats. In de praktijk komen situaties voor waarbij op basis van een
                            herbeoordeling de situatie van</al><al>belanghebbende zodanig wordt beoordeeld dat de ontheffing blijvend
                            (geheel of gedeeltelijk) verlengd</al><al>zou moeten worden. Dit is echter strijdig met artikel 9, lid 2 WWB. Uit
                            het woord “tijdelijk” blijkt dat een</al><al>ontheffing nooit definitief kan zijn. Bij (her)onderzoeken zal dan ook
                            periodiek bezien moeten worden</al><al>of, en in hoeverre, er aanleiding is om de tot arbeidsinschakeling
                            strekkende verplichtingen (opnieuw)</al><al>aan de bijstand te verbinden of om voor een bepaalde periode verleende
                            ontheffingen van deze</al><al>verplichtingen voort te zetten, in te trekken of te wijzingen. Voor wat
                            betreft de periode van verlenging</al><al>wordt aangesloten bij het bepaalde in het heronderzoeksplan 2007 ISD
                            Midden-Langstraat.</al><al>Voor personen ouder dan 57,5 jaar wordt de door het ministerie van SZW
                            aangegeven lijn gevolgd.</al><al>Als blijkt dat er kansen zijn, worden met belanghebbende afspraken
                            gemaakt over hoe die kansen te</al><al>benutten en daarmee uitstroom te bevorderen. Is die mogelijkheid er niet
                            dan krijgt belanghebbende</al><al>ontheffing van de sollicitatieplicht met een maximale duur van drie
                            jaar. Leeftijd op zich is geen</al><al>criterium voor ontheffing. Het gaat daarbij om een combinatie met andere
                            factoren.</al><al>Voor de alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar geldt expliciet dat
                            de verplichting om algemeen</al><al>geaccepteerde arbeid te aanvaarden slechts van toepassing is nadat het
                            dagelijks bestuur zich</al><al>genoegzaam heeft overtuigd van de beschikbaarheid van passende
                            kinderopvang, de toepassing van</al><al>voldoende scholing en de belastbaarheid van de betrokkene (artikel 9,
                            lid 4 WWB).</al><al>Artikel 7 Algemene bepalingen</al><al>Re-integratie-instrumenten worden alleen ingezet als zonder die inzet
                            het vinden van algemeen</al><al>geaccepteerde arbeid niet mogelijk is. Bovendien worden de instrumenten
                            alleen ingezet als aan de</al><al>hand van onderzoek is gebleken dat door de inzet van die instrumenten
                            het vinden van algemeen</al><al>geaccepteerde arbeid mogelijk wordt. Re-integratie moet bovendien de
                            kortste weg naar arbeid zijn.</al><al>Daarmee wordt niet alleen de tijd tussen de inzet van het instrument en
                            de werkaanvaarding bedoeld,</al><al>Re-integratieverordening</al><al>Pagina 14 van 17</al><al>maar ook de inspanningen die het kost om dat doel te bereiken. Alleen
                            als binnen een reeds lopende</al><al>voorziening blijkt dat arbeidsinschakeling niet tot de mogelijkheden
                            behoort, kan maatschappelijke</al><al>participatie een doel van de inzet van re-integratie-instrumenten zijn.
                            Ook in dat geval geldt dat het</al><al>instrument beschikbaar moet zijn en dat het adequaat en toereikend moet
                            zijn voor het beoogde doel.</al><al>De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de inhoud van het traject
                            ligt bij het dagelijks bestuur, dat</al><al>immers ook verantwoordelijk is voor de effectieve en doelgerichte inzet
                            van schaarse middelen.</al><al>Binnen de grenzen van die verantwoordelijkheid moet rekening gehouden
                            met de wensen van de</al><al>belanghebbende. Voor het slagen van het traject is de motivatie van de
                            belanghebbende belangrijk.</al><al>Bovendien wordt, voordat tot het traject wordt besloten, de inhoud van
                            het traject besproken met de</al><al>belanghebbende, waarna het trajectplan door beide partijen ondertekend
                            wordt.</al><al>Voor alle tot de doelgroep behorende inwoners van de gemeenten Heusden,
                            Loon op Zand en</al><al>Waalwijk staan de re-integratie-instrumenten genoemd in hoofdstuk 3 ter
                            beschikking.</al><al>Arbeid als zelfstandige is ook algemeen geaccepteerde arbeid en biedt
                            perspectief op uitstroom. Reintegratieactiviteiten</al><al>kunnen derhalve ook gericht zijn op het starten van een eigen bedrijf
                            of</al><al>onderneming.</al><al>Artikel 8 Sociale activering</al><al>Volgens de WWB dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te zijn
                            op arbeidsinschakeling. Voor</al><al>bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen
                            doel. Voor deze personen</al><al>staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop.</al><al>Gezien de beperkte middelen uit het werkdeel in relatie tot de omvang
                            van de doelgroep, kan het een</al><al>overweging zijn onderscheid te maken tussen sociale activering als
                            onderdeel van een reintegratietraject,</al><al>als voorbereiding op arbeidsinschakeling (eerste lid), en sociale
                            activering gericht op</al><al>het laten participeren van de persoon in de maatschappij (vijfde lid).
                            Kosten in verband met</al><al>voorbereiding op arbeidsinschakeling zijn aan te merken als
                            trajectkosten en drukken op het werkdeel</al><al>van de WWB.</al><al>De kosten die gemaakt worden voor maatschappelijke participatie ter
                            voorkoming van maatschappelijk</al><al>isolement kunnen niet aangemerkt worden als re-integratiekosten en
                            kunnen derhalve niet betaald</al><al>worden uit het werkdeel van de WWB. Het algemeen bestuur kan besluiten
                            uitkeringsgerechtigden</al><al>met behoud van uitkering deelname aan activiteiten gericht op
                            maatschappelijke participatie toe te</al><al>staan. De activiteiten worden dan gezien als welzijnsactiviteiten en
                            daaraan verbonden kosten komen</al><al>dan ten laste van de gemeentelijke welzijnsmiddelen. Een keuze voor een
                            andere (gemeentelijke dan</al><al>wel ISD-) financiering is uiteraard ook mogelijk.</al><al>Het zevende lid geeft het dagelijks bestuur de mogelijkheid om nadere
                            regels te stellen. Dit vraagt</al><al>nadere uitwerking met betrekking tot financiële en organisatorische
                            aspecten, wellicht in regionaal</al><al>verband. In dat kader is het noodzakelijk de positionering van de ISD
                            bij sociale activering als</al><al>welzijnszaak nader te bepalen.</al><al>Artikel 9 Leerwerkstages</al><al>De leerwerkstage heeft als belangrijkste doel het opdoen van
                            vaardigheden in een vakgebied,</al><al>waardoor uitstroom naar betaald werk mogelijk wordt gemaakt. De
                            leerwerkstage is bedoeld voor</al><al>belanghebbenden die op korte termijn (&lt; 1jr) perspectief op betaald
                            werk hebben. Voor de</al><al>leerwerkstage geldt dat niet alleen het arbeidsperspectief bepalend is
                            voor de inzet van de</al><al>voorziening. Scholing/training staat voorop.</al><al>Het derde lid geeft een duurbeperking. De termijn 6 maanden komt overeen
                            met in de WWB</al><al>genoemde termijn van werken met behoud van uitkering. Leerwerkstages
                            zijn een betrekkelijk nieuw</al><al>instrument om langdurig werklozen te reïntegreren. Voor de term
                            “leerwerkstage” is gekozen om te</al><al>benadrukken dat het gaat om een soort scholingsinstrument: niet de
                            arbeid zelf, maar het leren</al><al>werken staat centraal. Een leerwerkstage is in principe bij iedere
                            werkgever of instelling mogelijk, niet</al><al>met uitsluitend de bedoeling daar in dienst te treden.</al><al>Re-integratieverordening</al><al>Pagina 15 van 17</al><al>Artikel 10 Proefplaatsingen</al><al>Bij de proefplaatsing is het doel vooral het wennen aan aspecten die
                            samenhangen met betaald werk.</al><al>Het opdoen van specifiek vaardigheden op de werkplek staat voorop
                            waardoor uitstroom naar betaald</al><al>werk mogelijk wordt. Net als de leerwerkstage kan het instrument worden
                            ingezet voor leden van de</al><al>doelgroep met een perspectief op betaald werk op korte termijn (&lt;
                            1jr). Voor de proefplaatsing geldt</al><al>net als voor leerwerkstages dat niet alleen het arbeidsperspectief
                            bepalend is voor de inzet van het</al><al>instrument. De proefplaatsing duurt maximaal zes maanden en heeft het
                            oogmerk dat aansluitend een</al><al>dienstverband wordt aangeboden. Het kabinet is voornemens ook binnen de
                            Werkloosheidswet de</al><al>mogelijkheid tot proefplaatsing te creëren, met behoud van
                            uitkering.</al><al>Artikel 11 Detacheringsbanen</al><al>De WWB houdt de mogelijkheid op om à la de Wiw personen een
                            dienstverband aan te bieden, om op</al><al>detacheringsbasis werkervaring op te doen.</al><al>Het eerste lid biedt de mogelijk tot het aangaan van het dienstverband
                            aan personen met een WWB-,</al><al>IOAW- en IOAZ-uitkering en jongeren beneden de 23 jaar. Voor de
                            doelgroep nuggers/Anw bestaat er</al><al>geen plicht om dezelfde voorzieningen aan te bieden als WWB-ers. Nuggers
                            en Anw-ers beschikken</al><al>over voldoende inkomsten om in hun levensonderhoud te voorzien. Met hun
                            arbeidsinschakeling</al><al>bespaart de gemeente geen uitkeringsgelden. Gelet op de beperkte
                            middelen in het werkdeel ligt het</al><al>niet voor de hand om gesubsidieerd werk open te stellen voor deze
                            doelgroep.</al><al>In het derde lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij
                            worden of twee vlakken afspraken</al><al>gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierin
                            worden zaken geregeld als</al><al>de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de
                            wijze waarop de</al><al>begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en
                            inlener worden afspraken</al><al>gemaakt over werktijden, verlof, de inhoud van het werk, etc.</al><al>Het zesde lid biedt het dagelijks bestuur de bevoegdheid nadere
                            beleidsregels vast te stellen ten</al><al>aanzien van de detacheringsbanen, de duur van de subsidie (gekoppeld aan
                            de mate van</al><al>productiviteit), de hoogte, en de voorwaarden en verplichtingen die aan
                            de subsidie worden</al><al>verbonden.</al><al>Artikel 12 Loonkostensubsidies</al><al>Het eerste lid geeft de basis voor de loonkostensubsidie, waarbij
                            expliciet wordt aangeven dat het</al><al>primair gaat om een re-integratievoorziening. De voorziening wordt ook
                            hier aangeboden aan</al><al>personen met een WWB-, IOAW- en IOAZ-uitkering en jongeren beneden de 23
                            jaar. Voor de</al><al>doelgroep nuggers/Anw bestaat er geen plicht om dezelfde voorzieningen
                            aan te bieden als WWBers.</al><al>Nuggers en Anw-ers beschikken over voldoende inkomsten om in hun
                            levensonderhoud te</al><al>voorzien. Met hun arbeidsinschakeling bespaart de gemeente geen
                            uitkeringsgelden. Gelet op de</al><al>beperkte middelen in het werkdeel ligt het niet voor de hand om
                            gesubsidieerd werk open te stellen</al><al>voor deze doelgroep.</al><al>Het instrument loonkostensubsidies gericht op re-integratie is onder de
                            WWB geheel vormvrij</al><al>geworden. Het beleid komt tot uitdrukking in de hoogte van de subsidie
                            (gekoppeld aan de mate van</al><al>productiviteit), de termijn en de aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen (b.v. bieden van scholing en</al><al>begeleiding). Het vierde lid geeft het dagelijks bestuur de bevoegdheid
                            hierover nadere regels te</al><al>stellen.</al><al>Artikel 13 Scholing</al><al>In het rapport “Werklozen zonder startkwalificatie”1 wordt geconcludeerd
                            dat de inzet van scholing als</al><al>re-integratievoorziening de afgelopen jaren sterk is afgenomen. Dit
                            wordt mede veroorzaakt door het</al><al>spanningsveld tussen enerzijds zo snel mogelijke arbeidsinschakeling (de
                            kortste weg naar werk) en</al><al>anderzijds de duurzaamheid van arbeidsinpassing. Op basis van het
                            principe «de kortste weg naar</al><al>werk» dient ook de scholing zo kort mogelijk te zijn. De praktijk leert
                            dat dat niet werkt, waardoor</al><al>klanten snel weer terug in de uitkering raken (draaideureffect). Met
                            name op de duurzaamheid wordt</al><al>steeds meer de nadruk gelegd. Dit houdt in dat scholing en training een
                            belangrijke plaats innemen op</al><al>de re-integratieladder. Daarbij onderscheiden zich verschillende vormen
                            van scholing en training, die</al><al>1 Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 30851, nrs 1-2</al><al>Re-integratieverordening</al><al>Pagina 16 van 17</al><al>allen hun verschillende betekenis hebben. Dit varieert van het verwerven
                            van een startkwalificatie tot</al><al>het aanbieden van een functiegerichte training.</al><al>Scholing is een voorziening die in het algemeen de mogelijkheid biedt
                            voor duurzame</al><al>arbeidsparticipatie. Scholing wordt geïndiceerd voor klanten waarvoor
                            scholing een essentiële</al><al>voorwaarde is om kans te maken op een duurzame plaatsing op de
                            arbeidsmarkt. Het uitgangspunt</al><al>blijft om eerst de arbeidsmogelijkheden te verkennen waarvoor geen
                            scholing nodig is. Als die er niet</al><al>zijn, bijvoorbeeld omdat terugkeer naar het oude beroep niet mogelijk is
                            of omdat de vakkennis van de</al><al>uitkeringsgerechtigde is verouderd, behoort scholing tot de
                            mogelijkheden. Vervolgens wordt er</al><al>gekeken naar de arbeidsmarktrelevantie van de scholing. Er dient een
                            directe relatie te bestaan met</al><al>een vacature of een concrete vraag op de regionale arbeidsmarkt.
                            Tenslotte wordt het scholingsplan</al><al>getoetst aan de motivatie en de cognitieve vaardigheden.</al><al>Scholing is bij uitstek een maatwerkinstrument, waarbij het moeilijk is
                            vooraf algemene richtlijnen te</al><al>geven die in de verordening moeten worden opgenomen. Daarom is dit
                            artikel alleen nodig indien het</al><al>dagelijks bestuur op het niveau van de verordening een aantal
                            randvoorwaarden wil formuleren, zoals</al><al>die genoemd zijn in het derde lid. Het tweede lid geeft aan dat de
                            scholing zowel aangeboden kan</al><al>worden als voorziening die ingekocht kan worden, als in de vorm van een
                            subsidie. Dit laatste kan van</al><al>belang zijn indien de klant op eigen initiatief met een vorm van
                            scholing komt die door het dagelijks</al><al>bestuur als noodzakelijk wordt geacht, maar die niet bestaat binnen het
                            reguliere scholingsaanbod</al><al>van de gemeente.</al><al>Artikel 14 Voorzieningen gericht op nazorg</al><al>Mede gezien de beperkte budgetten is het belangrijk ervoor te zorgen dat
                            klanten na uitstroom niet na</al><al>een korte periode terugvallen in de uitkering. Het dagelijks bestuur kan
                            ertoe besluiten veel aandacht</al><al>te besteden aan nazorg, met als doel een werkelijk duurzame plaatsing te
                            realiseren. In de meeste</al><al>gevallen is nazorg een onderdeel van een re-integratietraject, echter
                            niet in alle gevallen, bijvoorbeeld</al><al>als de belanghebbende rechtstreeks is geplaatst, zonder interventie van
                            een re-integratiebedrijf.</al><al>Hierdoor ontstaat de noodzaak van de beschikbaarheid van een aparte
                            voorziening met als doel een</al><al>duurzame plaatsing te realiseren. In het bijzonder kan gedacht worden
                            aan de zgn. no-riskpolis die het</al><al>werkgeversrisico bij uitval door ziekte dekt. Dit risico wordt gedekt
                            door een aparte polis als</al><al>voorziening voor nazorg aan te bieden. In het re-integratiebesluit
                            worden nadere regels gesteld ten</al><al>aanzien van de toepassing van voorzieningen gericht op nazorg.</al><al>Artikel 15 Wiw en IDLW</al><al>Omdat de Wiw- en ID-regeling per 1 januari 2004 vervallen, is het
                            noodzakelijk de afspraken met de</al><al>bestaande Wiw/ID-werknemers, inleners en werkgevers te herzien. In het
                            beleidsplan 2004 en de</al><al>beleidsnotitie Re-integratie “Brug naar de toekomst” wordt uitgelegd wat
                            de komende jaren de</al><al>bedoeling met gesubsidieerde arbeid is. Over de toepassing, vorm en
                            financiën heeft het dagelijks</al><al>bestuur op 26 april 2004 voor de jaren 2004 en verder een besluit
                            genomen.</al><al>Het derde lid geeft aan dat de voormalige Wiw- en ID-dienstbetrekkingen
                            voorzieningen zijn in de zin</al><al>van de WWB.</al><al>Het vierde lid geeft het dagelijks bestuur op basis van het eerder
                            genoemde besluit van 26 april 2004</al><al>de bevoegdheid nadere beleidsregels vast te stellen ten aanzien van de
                            dienstbetrekkingen en</al><al>arbeidsovereenkomsten genoemd in het eerste en tweede lid, de duur van
                            de subsidie, de hoogte, en</al><al>de voorwaarden en verplichtingen die aan de subsidie worden
                            verbonden.</al><al>Artikel 16 Inkomstenvrijlating</al><al>Met het amendement Bruls is het mogelijk gemaakt de inkomsten van
                            uitkeringsgerechtigden die</al><al>werken in deeltijd voor een deel vrij te laten. De vrijlating bedraagt
                            maximaal 25% van de inkomsten</al><al>per maand, tot het in de Wet werk en bijstand in artikel 31, lid 2 onder
                            o, genoemde maximum.</al><al>Op grond van de WWB wordt vereist dat het dagelijks bestuur een oordeel
                            velt over de vraag of de</al><al>arbeid die door de belanghebbende tegen betaling wordt verricht,
                            bijdraagt aan diens</al><al>arbeidsinschakeling. Er zijn weinig situaties voor te stellen waarbij
                            dat niet het geval zal zijn. Met</al><al>andere woorden: in beginsel moeten inkomsten uit arbeid die een
                            bijstandsgerechtigde gedurende zes</al><al>Re-integratieverordening</al><al>Pagina 17 van 17</al><al>aaneengesloten maanden heeft verdiend (tot het gestelde maximum) buiten
                            beschouwing worden</al><al>gelaten als "aan de bijstandsgerechtigde toe te rekenen middelen". Dat
                            geldt in beginsel voor iedereen</al><al>die bijstand geniet. Het onderbreken van de periode van vrijlating heeft
                            geen opschortende werking</al><al>ten opzichte van de einddatum.</al><al>Artikel 17 Premies</al><al>Deze voorziening kenmerkt zich door de uitstroombevorderende werking in
                            bredere zin voor personen</al><al>die via een vorm van een re-integratietraject er in slagen algemeen
                            geaccepteerde arbeid te</al><al>verkrijgen.</al><al>Er wordt onderscheid te maken tussen het einddoel (duurzaam algemeen
                            geaccepteerde arbeid) en</al><al>de inzet van voorzieningen om dat doel te bereiken. Als het doel bereikt
                            is dan volgt premie. Dit houdt</al><al>dan in dat tijdens het re-integratietraject en de inzet van
                            voorzieningen (sociale activering,</al><al>participatieplaats, leerwerkstage, proefplaatsing, detacheringsbaan,
                            loonkostensubsidie, scholing,</al><al>oud-ID+-Wiw) géén premie wordt verstrekt. Het recht op een premie
                            ontstaat als via de inzet van het</al><al>re-integratietraject en/of de re-integratievoorziening duurzaam algemeen
                            geaccepteerde arbeid wordt</al><al>verkregen. Er kan ook sprake zijn van de inzet van een
                            re-integratietraject en/of re-integratievoorziening</al><al>door een derde partij, anders dan de ISD, zoals bijvoorbeeld het UWV
                            (betrokkene komt</al><al>na een WW-periode in de WWB en kan het UWV-traject afmaken). Ook kan er
                            sprake zijn van een</al><al>hulpverleningstraject of traject sociale activering gericht op
                            zelfredzaamheid, ter voorkoming c.q.</al><al>doorbreking van sociaal isolement dat door of via een derde partij wordt
                            uitgevoerd. Een dergelijke</al><al>traject of voorziening kan gelijk gesteld worden aan een traject of
                            voorziening die door de ISD wordt</al><al>uitgevoerd. Onder voorwaarde dat de betrokken persoon tot de
                            WWB-doelgroep behoort en duurzaam</al><al>regulier werk vindt, kan een premie toegekend worden.</al><al>In het re-integratiebesluit stelt het dagelijks bestuur vervolgens
                            nadere regels over de doelgroepen, de</al><al>voorwaarden en de hoogte van de premie.</al><al>Artikel 18 Afweging</al><al>Een bijzondere positie neemt in de alleenstaande ouder met kinderen tot
                            12 jaar. De</al><al>belangenafweging ten aanzien van de zorgtaak dient zorgvuldig te
                            geschieden, waarbij flankerende</al><al>voorzieningen een cruciale rol spelen. De algemene arbeidsplicht geldt
                            immers voor iedereen. Alleen</al><al>op individuele basis is een ontheffing mogelijk. Dit artikel gaat in op
                            die belangenafweging. Daarbij</al><al>blijft de eigen verantwoordelijkheid voor de ouder om in kinderopvang te
                            voorzien het uitgangspunt.</al><al>Dit is immers geen WWB-voorziening waarop via de WWB aanspraak
                            afgedwongen kan worden. Het</al><al>dagelijks bestuur bevordert wel de beschikbaarheid van flankerende
                            voorzieningen zoals</al><al>kinderopvang.</al><al>Artikel 20 Beëindiging</al><al>Naast de mogelijkheid tot het beëindigen van de voorziening geeft dit
                            artikel het dagelijks bestuur de</al><al>bevoegdheid enige tijd geen nieuwe voorziening aan te bieden indien het
                            beoogde doel niet gehaald</al><al>is dan wel door verwijtbaar toedoen van de deelnemer een eerdere
                            voorziening (voortijdig) beëindigd</al><al>is.</al><al>Artikel 21 Hardheidsclausule</al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al>Artikel 22 Inwerkingtreding</al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al>Artikel 23 Citeerartikel</al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>