<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR9996_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening bijzondere bijstand ISD Midden-Langstraat</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Waalwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Waalwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 09-06-2005</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening bijzondere bijstand ISD Midden-Langstraat</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gedelegeerde functionaris</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-11-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2005/024</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening is vastgesteld door het AB</al><al>van de ISD Midden-Langstraat.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening bijzondere bijstand ISD Midden-Langstraat</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Verordening bijzondere bijstand ISD Midden-Langstraat</label></kop><al>Verordening bijzondere bijstand</al><al>Het algemeen bestuur van de ISD Midden-Langstraat gevestigd te
                        Waalwijk;</al><al>Gelet op artikel 35 Wet werk en bijstand</al><al>Gezien het voorstel van het dagelijks bestuur van 1 november 2004*</al><al>Gezien het advies van de Klantenraad ISD</al><al>b e s l u i t:</al><al>vast te stellen de <vet>“Verordening bijzondere bijstand ISD
                            </vet><vet>Midden-Langstraat</vet><vet>”</vet></al><al><onderstreept>Hoofdstuk 1: ALGEMENE BEPALINGEN</onderstreept></al><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader
                        omschreven worden, hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand
                        (WWB) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze verordening verstaat
                        onder:</al><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al><al>krediethypotheek: bijstand in de vorm van een geldlening onder verband van
                        hypotheek;</al><al>pandrecht: bijstand in de vorm van een geldlening onder verband van
                        pandrecht;</al><al>tremanormen: de landelijke door rechterlijke instanties gehanteerde normen
                        bij de vaststelling van een onderhoudsbijdrage;</al><al>draagkracht: het in aanmerking te nemen vermogen en inkomen voor zover dit
                        niet overeenkomstig hoofdstuk 3, paragraaf 3.4 van de wet buiten aanmerking
                        blijft;</al><al>drempelbedrag: de drempel die van toepassing is op de kosten zoals bedoeld
                        in artikel 35, lid 2 van de wet.</al><al><vet>Artikel 2 Voorwaarden</vet></al><al>Bijzondere bijstand kan worden verleend indien bijzondere omstandigheden in
                        het individuele geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan waarin
                        de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven
                        gaan.</al><al>Bijzondere bijstand kan eveneens worden verleend aan een persoon, behorend
                        tot een bepaalde categorie, zonder dat beoordeeld wordt of kosten
                        noodzakelijk zijn en ook daadwerkelijk worden dan wel zijn gemaakt. Daarbij
                        worden de bepalingen in deze verordening in acht genomen.</al><al><vet>Artikel 3 Individualiseren</vet></al><al>Als bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden tot
                        noodzakelijke bestaanskosten, anders dan die reeds zijn genoemd in deze
                        verordening, kan het dagelijks bestuur voor deze kosten bijzondere bijstand
                        verlenen.</al><al>Als bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven kan het dagelijks
                        bestuur de bijzondere bijstand in afwijking van deze verordening
                        vaststellen.</al><al><vet>Artikel 4 De aanvraag</vet></al><al>Een aanvraag bijzondere bijstand wordt ingediend voorafgaand aan de te maken
                        kosten.</al><al>Hiervan wordt afgeweken als de kosten het in artikel 8 genoemde
                        drempelbedrag niet overschrijden.</al><al>Voor zover de noodzaak van de kosten achteraf vastgesteld kan worden, kan
                        een aanvraag worden ingediend tot 3 maanden na afloop van het in artikel 5
                        bedoelde draagkrachtjaar.</al><al>Een verkorte aanvraagprocedure is van toepassing:</al><al>indien de belanghebbende periodieke algemene bijstand ontvangt;</al><al>indien de belanghebbende geen algemene bijstand ontvangt, voor hem een
                        draagkrachtjaar vastgesteld is en hij verklaart dat met betrekking tot dat
                        draagkrachtjaar zijn gegevens onveranderd zijn gebleven.</al><al><onderstreept>Hoofdstuk 2: DRAAGKRACHT</onderstreept></al><al><vet>Artikel 5 Draagkrachtperiode</vet></al><al>De draagkracht wordt vastgesteld voor de periode van een jaar, gerekend
                        vanaf de eerste dag van de maand waarin de aanvraag om bijstand is
                        ingediend.</al><al>De draagkracht kan in afwijking van het gestelde in het eerste lid worden
                        vastgesteld voor de periode van een jaar gerekend vanaf de eerste dag van de
                        maand waarin voor het eerst bijzondere noodzakelijke kosten zijn gemaakt,
                        indien in alle redelijkheid met die kosten rekening moet worden
                        gehouden.</al><al>Draagkracht en draagkrachtperiode worden niet vastgesteld voor zover de
                        belanghebbende algemene bijstand ontvangt.</al><al><vet>Artikel 6 Draagkracht</vet></al><al>Bij regelmatige inkomsten is het inkomen in de maand voorafgaand aan de
                        maand van de aanvraag bepalend. Bij onregelmatige inkomsten is het
                        gemiddelde inkomen in de drie maanden voorafgaand aan de maand van de
                        aanvraag bepalend.</al><al>Bij deelname aan een spaarloonregeling wordt de draagkracht bepaald aan de
                        hand van het netto maandinkomen zoals dat zou zijn ontvangen bij
                        niet-deelneming aan een spaarloonregeling.</al><al>Voor de berekening van de draagkracht wordt het inkomen verminderd met voor
                        eigen rekening blijvende buitengewone uitgaven, zoals:</al><al>ten laste van belanghebbende blijvende noodzakelijke extra uitgaven in
                        verband met de uitoefening van bedrijf of beroep;</al><al>feitelijke betalingen voor levensonderhoud ten behoeve van een niet in het
                        gezinsverband levende echtgenoot of kinderen tot 21 jaar, alsmede ten
                        behoeve van de gewezen echtgenoot;</al><al>kosten in verband met studie of opleiding van kinderen, zulks ter hoogte van
                        de maximaal te vergoeden studiekosten, verminderd met de ontvangen
                        tegemoetkoming op grond van de “Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                        schoolkosten”;</al><al>de ouderbijdrage op grond van de "Wet studiefinanciering 2000”;</al><al>buitengewone kosten in verband met wonen.</al><al>Bij de vaststelling van de draagkracht kan rekening worden gehouden met
                        gewijzigde omstandigheden, die binnen de vastgestelde jaardraagkrachtperiode
                        optreden. Gewijzigde omstandigheden kunnen aanleiding geven de berekende
                        draagkracht tussentijds te herzien.</al><al><vet>Artikel </vet><vet>7 In</vet><vet> aanmerking te nemen
                            draagkracht</vet></al><al>Met inachtneming van het gestelde in de artikelen 1, 4 en 5 van deze
                        verordening wordt met de draagkracht van het in aanmerking te nemen inkomen
                        als volgt rekening gehouden:</al><al>0% van het inkomen tot € 816,-</al><al>25% van het inkomen van € 816,- tot € 2.722,-</al><al>50% van het inkomen van € 2.722,- of meer;</al><al>100% van het inkomen voor zover het betreft:</al><al>woonkosten;</al><al>toeslag in verband met een terugval in inkomen;</al><al>verwervingskosten;</al><al>legeskosten, verschuldigd voor de kosten van wijziging en verlenging van de
                        verblijfsdocumenten I en II en voor de kosten van naturalisatie;</al><al>de premie van een met de verplichte ziekenfondsverzekering overeenkomende
                        ziektekostenverzekering, verminderd met een bedrag gelijk aan de nominale
                        premie Ziekenfondswet dat verschuldigd zou zijn in geval van verplichte
                        ziekenfondsverzekering;</al><al>de premie van een door een zelfstandige gesloten verzekering tegen
                        arbeidsongeschiktheidkosten in verband met een al dan niet verplichte
                        verzekering tegen ziektekosten;</al><al>de kosten van een geldlening.</al><al>Het vermogen wordt volledig als draagkracht aangemerkt, waarbij het vermogen
                        wordt bepaald overeenkomstig de vermogensvaststelling in het kader van de
                        algemene bijstand.</al><al>De draagkracht die op basis van de voorgaande leden is vastgesteld, kan in
                        geval van periodieke bijzondere bijstand naar evenredigheid over het
                        kalenderjaar worden verdeeld.</al><al>Bij samenloop van periodieke en incidentele bijzondere bijstand wordt de
                        draagkracht eerst aangewend voor de incidentele kosten.</al><al><vet>Artikel 8 Het drempelbedrag</vet></al><al>Geen bijstand wordt verleend voor zover de in aanmerking te nemen bijzondere
                        kosten tijdens de draagkrachtperiode lager zijn dan het drempelbedrag van €
                        50,-. Zodra de kosten in dat jaar meer dan € 50,- bedragen, is de drempel
                        niet van toepassing.</al><al>Het drempelbedrag is niet van toepassing op de verstrekkingen genoemd in
                        artikel 14.</al><al><onderstreept>Hoofdstuk 3: NOODZAKELIJKE KOSTEN VAN HET
                            BESTAAN</onderstreept></al><al><vet>Artikel 9 Woonkosten</vet></al><al>Bij bewoning van een huurwoning, waarvan de woonkosten de voor de
                        belanghebbende van toepassing zijnde maximale huursubsidiegrens krachtens de
                        Huursubsidiewet niet te boven gaan en nog geen dan wel niet volledig
                        aanspraak bestaat op huursubsidie of een bijzondere bijdrage in de
                        huurlasten op grond van de Huursubsidiewet kan een toeslag verstrekt
                        worden.</al><al>De toeslag is gelijk aan het bedrag van de huursubsidie dat in
                        overeenkomstige omstandigheden per maand zou worden ontvangen bij een
                        inkomen ter hoogte van de toepassing zijnde bijstandsnorm onder aftrek van
                        de aanspraken op grond van de Huursubsidiewet.</al><al>De voorgaande leden vinden overeenkomstige toepassing bij bewoning van een
                        eigen woning waarvan de woonkosten lager zijn dan de voor belanghebbende van
                        toepassing zijnde maximale huursubsidiegrens.</al><al>Bij bewoning van een huurwoning of een eigen woning, waarvan de woonkosten
                        de voor de belanghebbende van toepassing zijnde maximale huursubsidiegrens
                        krachtens de Huursubsidiewet overschrijden, kan een toeslag verstrekt
                        worden.</al><al>De hoogte van de toeslag wordt vastgesteld op het bedrag van de woonkosten,
                        verminderd met het bedrag dat bij een maximale huur op grond van de
                        Huursubsidiewet door de belanghebbende zelf betaald dient te worden.</al><al>De toeslag wordt voor maximaal een jaar toegekend onder de verplichting dat
                        de belanghebbende uitziet naar goedkopere huisvesting.</al><al>De toeslag kan telkens voor de periode van maximaal een jaar worden
                        verlengd, indien geen goedkopere huisvesting verkregen kan worden.</al><al><vet>Artikel 10 Toeslag in verband met terugval in inkomen</vet></al><al>Bij een plotselinge, onvoorziene en niet verwijtbare terugval in inkomen tot
                        op het niveau van de bijstandsnorm, die leidt tot financiële problemen, kan
                        gedurende maximaal zes maanden een toeslag worden verleend ter grootte van
                        50% van het te overbruggen verschil in inkomen, voor zover het voorheen
                        genoten hogere inkomen gedurende tenminste één jaar voorafgaande aan de
                        aanvraag werd genoten. De toeslag bedraagt ten hoogste € 225,- per
                        maand.</al><al>Bij een plotselinge, onvoorziene en niet verwijtbare afhankelijkheid van
                        algemene bijstand kan bijstand om niet worden verstrekt ter overbrugging
                        naar de eerstvolgende volledige maandbetaling. De bijstand kan worden
                        verstrekt als de middelen van de belanghebbende minder bedragen dan van
                        toepassing zijnde WWB-norm. De bijstand bedraagt maximaal de WWB-norm
                        exclusief vakantietoeslag.</al><al>Indien in het gezin van de alleenstaande ouder het laatste in de
                        gezinsbijstand begrepen kind niet meer ten laste van de ouder komt wordt aan
                        deze een toeslag verleend indien en voor zolang:</al><al>het betreffende kind tot het huishouden van de voormalige alleenstaande
                        ouder blijft behoren en</al><al>de som van de inkomens van de voormalige alleenstaande ouder en het kind
                        lager is dan de voorheen geldende bijstandsnorm voor die alleenstaande
                        ouder, vermeerderd met de Akw.</al><al>De toeslag wordt vastgesteld ter hoogte van het verschil tussen de norm voor
                        een alleenstaande ouder, vermeerderd met de Akw voor dat kind onder aftrek
                        van de som van de inkomens van de ouder en het kind, waarbij aangenomen
                        wordt dat het kind in ieder geval een inkomen kan hebben ter hoogte van de
                        van toepassing zijnde bijstandsnorm voor dat kind.</al><al>Ingeval het bedoelde kind een inkomen heeft uit studiefinanciering wordt dit
                        inkomen bepaald op het in deze wet vastgestelde normbedrag voor
                        levensonderhoud overeenkomstig artikel 33 lid 2 sub a of 33 lid 3 van de
                        wet. Dit bedrag wordt verhoogd met de inkomsten die het kind naast de
                        studiefinanciering ontvangt.</al><al><vet>Artikel 11 Kosten kinderopvang en verwervingskosten</vet></al><al>Bijzondere bijstand kan worden verleend in de kosten van kinderopvang:</al><al>Voor zover deze kosten noodzakelijk zijn gelet op een sociaal-medische
                        indicatie voor een ouder of kind en geen aanspraak op een tegemoetkoming in
                        het kader van de Wet kinderopvang dan wel een andere voorliggende
                        voorziening mogelijk is.</al><al>Voor zover deze kosten noodzakelijk zijn voor de combinatie van arbeid en
                        zorg, mits door bijzondere omstandigheden, zoals de arbeidstijden van de
                        ouder, geen passend aanbod voor kinderopvang kan worden gedaan door een
                        kindercentrum of gastouderbureau waardoor geen aanspraak op een
                        tegemoetkoming in het kader van de Wet kinderopvang dan wel een andere
                        voorliggende voorziening mogelijk is.</al><al>De maximale tegemoetkoming aan de ouder bedraagt de door het Rijk bepaalde
                        maximumkostprijs voor de kinderopvang. In geval van particuliere opvang
                        wordt de maximale vergoeding gebaseerd op de richtbedragen van het
                        NIBUD.</al><al>Voor reiskosten in verband met het verrichten van arbeid wordt bijzondere
                        bijstand verleend op basis van de kosten openbaar vervoer tweede klasse,
                        mits de enkele reisafstand meer dan 10 kilometer bedraagt.</al><al>Indien het inkomen niet meer bedraagt dan de van toepassing zijnde
                        bijstandsnorm worden de reiskosten volledig vergoed.</al><al><vet>Artikel 12 Kosten van scholing en werkervaring</vet></al><al>Bijzondere bijstand kan worden verleend voor de kosten verbonden aan
                        scholing of werkervaring (reiskosten en kosten van kinderopvang daaronder
                        begrepen) die voor de inschakeling in het arbeidsproces noodzakelijk
                        zijn.</al><al>Alvorens tot bijstandsverlening over te gaan kan met betrekking tot de
                        mogelijkheden op de arbeidsmarkt nader advies worden ingewonnen.</al><al>Bijzondere bijstand voor de noodzakelijk aanschaf van duurzame
                        gebruiksgoederen ten behoeve van de opleiding of scholing, wordt verleend in
                        de vorm van een geldlening.</al><al><vet>Artikel 13 Kosten van medische en sociaal-medische aard</vet></al><al>Bijzondere bijstand kan worden verleend voor de hierna vermelde kosten.
                        Hierbij wordt rekening gehouden met wettelijke aanspraken en de aanspraken
                        die via een aanvullende verzekering inclusief tandheelkunde ontvangen zou
                        kunnen worden.</al><al>de premie van een met de verplichte ziekenfondsverzekering overeenkomende
                        ziektekostenverzekering met inbegrip van de wettelijke toeslagen MOOZ en WTZ
                        en verminderd met een bedrag gelijk aan de nominale premie Ziekenfondswet
                        dat verschuldigd zou zijn in geval van verplichte
                        ziekenfondsverzekering;</al><al>de premie van een door een zelfstandige gesloten verzekering tegen
                        arbeidsongeschiktheid;</al><al>het voor eigen rekening blijvende deel van kosten voor de voorzieningen
                        genoemd in de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere
                        Ziektekosten;</al><al>tandartskosten voor zover het betreft preventief periodiek onderzoek,
                        incidenteel consult en extractie en de eigen bijdrage voor een uitneembare
                        volledige gebitsprothese voor ziekenfondsverzekerden van 18 jaar en
                        ouder;</al><al>overige noodzakelijke tandheelkundige hulp voor zover deze niet vergoed
                        kunnen worden door een aanvullende verzekering inclusief tandheelkunde;</al><al>de eigen bijdrage op grond van de Regeling ziekenvervoer
                        Ziekenfondswet;</al><al>de meerkosten van een dieet (met uitzondering van dieetpreparaten) conform
                        de voorschriften van het Voedingscentrum;</al><al>de extra noodzakelijke kosten van verwarming als gevolg van ziekte of
                        handicap;</al><al>de kosten van voetverzorging, mits er sprake is van een noodzaak wegens
                        ziekte of handicap;</al><al>de kosten van eenmaal 1 montuur en 2 glazen of 2 lenzen per 3 opeenvolgende
                        kalenderjaren ter hoogte van de volgende bedragen:</al><al>montuur: maximaal € 57,-;</al><al>enkelfocus glazen: maximaal € 68,50 per glas</al><al>dubbelfocus glazen: maximaal € 113,50 per glas</al><al>lenzen: lenzen: maximaal € 90 per lens</al><al>de verschuldigde eigen bijdrage voor thuiszorg;</al><al>de extra kosten in verband met thuiszorg van ouderen en gehandicapten
                        alsmede de extra kosten ter bevordering van de zelfstandigheid van deze
                        categorie, zoals sociale alarmering, maaltijdvoorziening en
                        dagverzorging;</al><al>de extra kosten van bewassing en slijtage van kleding en beddengoed;</al><al>de kosten van alternatieve geneeswijze, mits:</al><al>op grond van een geldige reden geen gebruik is gemaakt van een voorliggende
                        voorziening en</al><al>een conservatieve behandelingswijze geen genezing biedt en de behandeling
                        medisch noodzakelijk is en uitstel tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden
                        en</al><al>een arts de behandeling verricht;</al><al>de kosten van psychotherapie, indien:</al><al>op grond van een geldige reden geen gebruik is gemaakt van een voorliggende
                        voorziening en</al><al>een conservatieve behandelingswijze geen genezing biedt;</al><al>Over de medische noodzaak van de kosten kan advies gevraagd worden aan een
                        onafhankelijke deskundige als de kosten meer bedragen dan € 230,-.</al><al><vet>Artikel 14 Categoriale vergoeding kosten in verband met een chronische
                            ziekte, handicap of ouderdom</vet></al><al>Categoriale bijzondere bijstand kan worden verleend in de kosten van de
                        premie van de collectieve aanvullende verzekering ISD Midden-Langstraat voor
                        zover het inkomen lager is dan 112% van de van toepassing zijnde norm.</al><al>Voor de toepassing van het vorige lid wordt het in aanmerking te nemen
                        vermogen niet als draagkracht aangemerkt.</al><al>De bijdrage voor deze verzekering wordt maandelijks rechtstreeks betaalbaar
                        gesteld aan de zorgverzekeraar.</al><al>Categoriale bijzondere bijstand kan worden verleend in de kosten die verband
                        houden met de kosten die voortvloeien uit chronische ziekte, handicap of
                        ouderdom.</al><al>De forfaitaire kostenvergoeding bedraagt € 80,- per jaar.</al><al>Indien de werkelijke kosten hoger zijn dan € 80,- worden de werkelijke
                        kosten vergoed onder aftrek van de forfaitaire kostenvergoeding.</al><al><vet>Artikel 15 Kosten van maatschappelijke aard</vet></al><al>Bijzondere bijstand kan worden verleend voor:</al><al>De eigen bijdrage voor rechtsbijstand via een op grond van Wet op de
                        rechtsbijstand toegewezen raadsman alsmede de hieraan verbonden overige
                        kosten, waaronder de bijdrage griffierechten. Aan de bijstandsverlening
                        dient zo mogelijk de voorwaarde te worden verbonden dat de rechter wordt
                        verzocht de tegenpartij te veroordelen tot vergoeding van deze kosten;</al><al>De eigen bijdrage in de kosten van jeugdhulpverlening;</al><al>De noodzakelijk geachte kosten van begrafenis of crematie tot het bedrag der
                        kosten voor zover de eigen middelen niet toereikend zijn;</al><al>De extra kosten, die verband houden met tijdelijke opname in een ziekenhuis
                        of inrichting ter verpleging of verzorging van een gezinslid, tot een bedrag
                        van:</al><al>€ 25,- bij een opname van 3 tot 8 dagen</al><al>€ 35,- bij een opname van 8 tot 16 dagen</al><al>€ 45,- bij een opname van 16 tot 24 dagen</al><al>€ 55,- bij een opname van 24 tot 31 dagen</al><al>De reiskosten in verband met bezoek aan een in een ziekenhuis verblijvend
                        gezinslid, indien:</al><al>De reisafstand enkele reis meer bedraagt dan 40 kilometer of</al><al>Voor zover de opnameduur langer is dan 10 dagen, vanaf de elfde dag.</al><al>Voor de hoogte wordt uitgegaan van de kosten van de goedkoopste
                        vervoersmogelijkheid en een vergoeding op basis van een frequentie van 1 x
                        per dag voor maximaal 2 personen;</al><al>De reiskosten in verband met bezoek aan een in detentie verblijvend
                        gezinslid voor maximaal 2 personen gedurende 1 x per 14 dagen. Voor de
                        hoogte wordt uitgegaan van de kosten van de goedkoopste
                        vervoersmogelijkheid;</al><al>De kosten van doorlopende woonlasten dan wel de kosten van opslag van
                        huisraad wegens opname in een inrichting ter verpleging of verzorging;</al><al>Extra woonkosten voortvloeiend uit het bewonen van een aanleunwoning;</al><al>Extra woonkosten voortvloeiend uit het verblijf in serviceflat Molenwijck,
                        voor zover de bewoning is aangevangen voor 1 juli 1981;</al><al>De kosten van wijziging en verlenging van de verblijfsdocumenten I en
                        II.</al><al>De kosten van bewindvoering op basis van een rechterlijke uitspraak.</al><al>Directe en indirecte noodzakelijke schoolkosten van leerplichtige kinderen,
                        indien deze kosten niet in overeenstemming zijn met de vergoeding via de
                        voorliggende voorziening (Wtos).</al><al><vet>Artikel 16 Bijstand voor aflossing en rente van geldleningen voor
                            duurzame gebruiksgoederen en/of ter sanering van schulden, aangegaan bij
                            een kredietverlenende instelling.</vet></al><al>Bijzondere bijstand kan worden verleend voor de maandelijkse rente en
                        aflossing van een geldlening welke is aangegaan voor noodzakelijke duurzame
                        gebruiksgoederen en/of ter sanering van schulden, indien en voor zover met
                        de aflossing een bedrag gelijk aan 6% van de voor betrokkene geldende norm
                        wordt overschreden.</al><al>De bijzondere bijstand als bedoeld onder 1. wordt verstrekt voor een periode
                        van maximaal drie jaar.</al><al>Ten aanzien van personen, die een inkomen hebben boven de voor hen geldende
                        norm wordt - met inachtneming van artikel 5 van deze verordening - 100% van
                        dat meerdere in de aflossing te worden betrokken.</al><al>De hoogte van de bijzondere bijstand voor aflossing en rente wordt jaarlijks
                        herzien, indien de financiële positie van de betrokkene daartoe aanleiding
                        geeft.</al><al><vet>Artikel 17 Bijzondere bijstand aan jongeren van 18 tot 21
                        jaar.</vet></al><al>Bijstand kan worden verleend aan de alleenstaande van 18 tot 21 jaar, die in
                        een inrichting verblijft, voor zijn persoonlijke uitgaven, voor zover de
                        eigen middelen en die van zijn ouders niet toereikend zijn.</al><al>De bijstand is ten hoogste gelijk aan de norm voor een alleenstaande van 21
                        jaar of ouder die in een inrichting verblijft.</al><al>Bijstand kan worden verleend aan de alleenstaande (ouder) van 18 tot 21 jaar
                        en het (echt)paar waarvan een of beide partners jonger is dan 21 jaar in
                        aanvulling op de van toepassing zijnde bijstandsnorm, wanneer:</al><al>zelfstandige huisvesting noodzakelijk is én</al><al>voor zover de middelen van de ouders niet toereikend zijn of van de
                        belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij voor
                        financiële hulp een beroep op zijn ouders doet.</al><al>Van noodzakelijke zelfstandige huisvesting is sprake als:</al><al>de ouders zijn overleden of in het buitenland wonen;</al><al>de belanghebbende op het moment van de bijstandsverlening al 12 maanden
                        zelfstandig woont.</al><al>De belanghebbende wordt geacht redelijkerwijs geen beroep op zijn ouders te
                        kunnen doen als op basis van een schriftelijke indicatie van een instelling
                        voor jeugdhulpverlening sprake is van een ernstig verstoorde relatie tussen
                        ouder(s) en kind.</al><al>De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de bijstandsnorm voor
                        (een) belanghebbende(n) van 21 jaar in een vergelijkbare situatie verminderd
                        met de van toepassing zijnde bijstandsnorm en de (berekende) ouderlijke
                        bijdrage.</al><al>Voor de beoordeling of en in hoeverre de middelen van de ouder toereikend
                        zijn om in de noodzakelijke bestaanskosten van hun kind te voorzien, wordt
                        aangesloten bij de Tremanormen.</al><al>De op grond van het tweede lid verleende bijzondere bijstand wordt met
                        toepassing van de Tremanormen op de ouders verhaald.</al><al>Het dagelijks bestuur kan van verhaal geheel of gedeeltelijk afzien indien
                        daarvoor, gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht
                        of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen
                        aanwezig zijn.</al><al><onderstreept>Hoofdstuk 4: VORM VAN BIJSTAND</onderstreept></al><al><vet>Artikel 18 Bijzondere bijstand als geldlening voor noodzakelijke
                            duurzame gebruiksgoederen en of ter sanering van schulden.</vet></al><al>Bijstandsverlening ter voorziening in de aanschaf van noodzakelijke duurzame
                        gebruiksgoederen kan worden verleend in de vorm van een geldlening, indien
                        geen gebruik gemaakt kan worden van een voorliggende voorziening, zijnde een
                        lening via een kredietverlenende instelling c.q. een borgtocht voor een door
                        een instelling voor Volkskrediet of andere reguliere bankinstelling te
                        verstrekken geldlening.</al><al>De hoogte van de aflossing van de geldlening voor deze gebruiksgoederen
                        wordt zodanig vastgesteld dat de belanghebbende minimaal blijft beschikken
                        over 94% van de voor de betrokkene geldende norm.</al><al>De hoogte van de aflossing wordt jaarlijks herzien, indien de financiële
                        positie van de betrokkene daartoe aanleiding geeft.</al><al>Indien een geldlening op grond van de WWB is verstrekt, wordt na drie jaar
                        aflossing overeenkomstig het bij individuele beschikking vastgestelde
                        aflossingsbedrag, het restant van de lening omgezet in een bedrag om niet.
                        Met de hiervoor bedoelde geldlening wordt gelijkgesteld de aflossing van een
                        andere geldlening, die voor als noodzakelijk aan te merken kosten is
                        aangegaan.</al><al>Indien bijstandsverlening voor (aflossing van) een geldlening het gevolg is
                        van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
                        in het bestaan, wordt de bijstand daarop afgestemd.</al><al><vet>Artikel 19 Bijzondere bijstand onder verband van krediethypotheek of
                            pandrecht</vet></al><al>Indien recht op bijzondere bijstand bestaat, heeft die bijstand de vorm van
                        een geldlening onder verband van hypotheek of pandrecht als aan de in
                        artikel 50, lid 2 van de wet genoemde criteria is voldaan.</al><al>Indien enkel bijzondere bijstand wordt verstrekt, worden de kosten van
                        taxatie van de eigen woning, het passeren van de hypotheekakte en
                        dergelijke, eveneens als geldlening onder verband van hypotheek
                        verleend.</al><al><vet>Artikel 20 Bijzondere bijstand om niet.</vet></al><al>Behoudens in de gevallen genoemd in de artikelen 12, lid 3, 18 en 19 wordt
                        de bijstand om niet verstrekt.</al><al><onderstreept>Hoofdstuk 5: SLOTBEPALINGEN</onderstreept></al><al><vet>Artikel 21 Indexering</vet></al><al>Het dagelijks bestuur kan de bedragen genoemd in deze verordening jaarlijks
                        aanpassen voor zover de ontwikkeling van het prijsindexcijfer van de kosten
                        van levensonderhoud volgens het C.B.S. daartoe aanleiding geeft.</al><al><vet>Artikel 22 Citeertitel en inwerkingtreding</vet></al><al>Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening bijzondere bijstand ISD
                        Midden-Langstraat".</al><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2005.</al><al>Aldus vastgesteld door het algemeen bestuur van de ISD Midden-Langstraat in
                        zijn openbare vergadering van 15 november 2004</al><al>Het algemeen bestuur van de ISD Midden-Langstraat,</al><al>de secretaris, de voorzitter,</al><al>A.A.M. Vervest J.P.M. Klijs</al><al> ALGEMENE TOELICHTING</al><al>Naast bepalingen met betrekking tot bijstandsverlening in de algemeen
                        noodzakelijke kosten van het</al><al>bestaan zijn in de WWB ook bepalingen opgenomen ten aanzien van de verlening
                        van bijzondere bijstand.</al><al>Bijzondere bijstand is de bijstand die wordt verstrekt indien bijzondere
                        omstandigheden in het individuele geval leiden tot noodzakelijke kosten van
                        het bestaan, waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige
                        draagkracht te boven gaan. De begrenzing ten opzichte van de algemene
                        bijstand wordt gevormd door het gegeven, dat alle bijstand die uitgaat boven
                        de van toepassing zijnde bijstandsnorm ter voorziening in de algemeen
                        noodzakelijke kosten van het bestaan wordt aangemerkt als bijzondere
                        bijstand.</al><al>Grondslag bijstandsverlening</al><al>Het eerste lid van artikel 35 WWB stelt het recht op bijzondere bijstand
                        vast: “Onverminderd paragraaf</al><al>2 heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor
                        zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te
                        voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke
                        kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college</al><al>niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag,
                        het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de
                        bijstandsnorm, waarbij artikel 31 tweede lid en artikel 34 tweede lid niet
                        van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode
                        waarover</al><al>het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen."</al><al>Deze vorm van individuele bijzondere bijstandsverlening is uitgebreid met de
                        mogelijkheid van</al><al>categoriale bijstandsverlening. Deze is gebaseerd op het derde lid van
                        artikel 35 WWB dat als volgt luidt:</al><al>“In afwijking van het eerste lid kan bijzondere bijstand ook aan een persoon
                        van 65 jaar of ouder, behorend tot een bepaalde categorie, worden verleend,
                        zonder dat wordt nagegaan of ten aanzien van die persoon de hierna bedoelde
                        kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien ten
                        aanzien van de categorie waartoe hij behoort aannemelijk is dat die zich in
                        bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot bepaalde noodzakelijke
                        kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de
                        aanwezige draagkracht te boven gaan.” </al><al>Verdere uitbreiding van de categoriale bijstandsverlening heeft
                        plaatsgevonden via artikel 10, lid 2 en 3 van de Invoeringswet WWB. Via het
                        tweede lid blijft het mogelijk een collectieve aanvullende
                        ziektekostenverzekering af te sluiten. In afwachting van de
                        stelselherziening ziektekostenverzekering is deze bevoegdheid in de
                        Invoeringswet opgenomen, aangezien de werking ervan door de
                        stelselherziening van beperkte duur zou kunnen zijn. De wenselijkheid van
                        een collectieve verzekering wordt onderkend en in het 1e semester van 2005
                        zal nadere besluitvorming plaatsvinden. Met het derde lid wordt het mogelijk
                        gemaakt om aan een persoon van 18 jaar en ouder, doch jonger dan 65 jaar,
                        behorend tot een categorie chronisch zieken of gehandicapten, bijzondere
                        bijstand te verlenen, zonder dat wordt nagegaan of ten aanzien van die
                        persoon kosten in verband met chronische ziekte of handicap ook
                        daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien ten aanzien van de
                        categorie waartoe hij behoort aannemelijk is dat die zich in bijzondere
                        omstandigheden bevindt die leiden tot bepaalde noodzakelijke kosten van
                        bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige
                        draagkracht te boven gaan.</al><al>Relatie tot voorliggende voorzieningen</al><al>Bij de verlening van bijzondere bijstand is de verhouding tot de
                        voorliggende voorzieningen van belang. In artikel 5 WWB wordt aangegeven wat
                        onder een voorliggende voorziening verstaan wordt:</al><al>voorliggende voorziening: “elke voorziening buiten deze wet waarop de
                        belanghebbende of het gezin</al><al>aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van
                        middelen of ter bekostiging</al><al>van specifieke uitgaven”.</al><al>Het begrip voorliggende voorziening speelt een bepalende rol in de WWB.
                        Reden daarvan is, dat deze</al><al>wet in het stelsel van bestaansvoorzieningen de plaats inneemt van laatste
                        voorziening. De bijstandsverlening is complementair ten opzichte van
                        voorliggende voorzieningen. Voorts is in dit verband met name artikel 15 WWB
                        van belang. Hierin is het volgend vermeld:</al><al>Geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op
                        een voorliggende</al><al>voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de
                        belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt
                        zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet
                        noodzakelijk worden aangemerkt. Afwijking van artikel 15 WWB is slechts
                        mogelijk</al><al>indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen naar het
                        oordeel van het dagelijks bestuur daartoe noodzaken. Het niet doen van een
                        beroep op een voorliggende voorziening kan op zich niet als afwijzingsgrond
                        voor een aanvraag dienen. Eerst moet beoordeeld worden of de belanghebbende
                        voor de voorziening in aanmerking komt. In dat geval moet de bijstand worden
                        geweigerd. Zo nee, dan moet bijstand volgen. Bij twijfel kan een
                        verplichting worden opgelegd om een beroep te doen op de voorziening.</al><al>Vergoeding medische en sociaal-medische kosten</al><al>De verordening kent in artikel 13 de mogelijkheid van vergoeding van
                        medische en sociaal-medische</al><al>kosten. In dit verband is van belang dat van de belanghebbende verwacht
                        wordt dat hij zich zelf vanuit</al><al>zijn eigen inkomen in voldoende mate verzekerd tegen ziektekosten, niet
                        alleen in het kader van de</al><al>Ziekenfondswet maar daarnaast in aanvulling op deze wet en de Awbz via het
                        afsluiten van een aanvullende verzekering met inbegrip van een verzekering
                        voor tandheelkunde. Hierdoor kan de belanghebbende de voor
                        bijstandsverlening vatbare kosten beperken tot doorgaans een eigen
                        bijdrage.</al><al>Voor zover deze kosten noodzakelijk zijn is bijstandsverlening vervolgens
                        mogelijk. Voor het vaststellen van de noodzaak van dit soort kosten kan een
                        beroep worden gedaan op een extern deskundige. </al><al>Uitgesloten van bijzondere bijstandsverlening</al><al>Een aantal kosten zijn op grond van artikel 14 WWB in ieder geval
                        uitgezonderd van bijstandsverlening. Het gaat dan om: </al><al>de voldoening aan alimentatieverplichtingen;</al><al>de betaling van een boete;</al><al>geleden of toegebrachte schade;</al><al>vrijwillige premiebetaling in het kader van een publiekrechtelijke
                        verzekering;</al><al>kosten van medische handelingen en verrichtingen die gerekend kunnen worden
                        tot de ontwikkelingsgeneeskunde als bedoeld in de Wet op bijzondere medische
                        verrichtingen, of wanneer zodanige medische behandelingen en verrichtingen
                        buiten Nederland plaatsvinden.</al><al>Uitvoeringsrichtlijnen</al><al>Nadere uitwerking van het beleid bijzondere bijstand ten behoeve van de
                        uitvoering is geregeld in het</al><al>Handboek WWB. Dit handboek is zowel voor medewerkers bij de ISD als bij de
                        zorgloketten in digitale</al><al>vorm beschikbaar.</al><al>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</al><al>Hoofdstuk 1: ALGEMENE BEPALINGEN</al><al>Artikel 1 Begripsbepalingen</al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al>Artikel 2 Voorwaarden</al><al>Verwezen wordt naar de algemene toelichting bij deze verordening.</al><al>Artikel 3 Individualiseren</al><al>Ter toelichting wordt verwezen naar de algemene toelichting bij deze
                        verordening.</al><al>Artikel 4 De aanvraag</al><al>Om de noodzaak van de kosten te kunnen vaststellen, is het vaak nodig dat de
                        aanvraag bijzondere</al><al>bijstand wordt gedaan, voordat de kosten gemaakt worden. Hierin voorziet het
                        eerste lid. Hiermee</al><al>wordt tevens bereikt dat de belanghebbende geconfronteerd wordt met een niet
                        verwachte afwijzing</al><al>van het verzoek om bijstand.</al><al>Voor geringe kosten wordt een uitzondering worden gemaakt. Het hanteren van
                        een administratieve</al><al>drempel van € 50,- is immers bedoeld ter reductie van uitvoeringskosten en
                        lastendruk. Als de noodzaak achteraf vastgesteld kan worden, kan de aanvraag
                        worden ingediend tot 3 maanden na afloop van het in artikel 5 bedoelde
                        draagkrachtjaar. Met het verbod van bijstandsverlening met terugwerkende
                        kracht ten aanzien van de bijzondere bijstand moet niet te rigide omgegaan
                        worden. In de aard van de bijzondere omstandigheden, waardoor het recht op
                        bijzondere bijstand is ontstaan, kan immers besloten liggen dat een aanvraag
                        indienen voordat de kosten opkomen niet (goed) mogelijk is. Vasthouden aan
                        het verbod op bijstandsverlening met terugwerkende kracht, zou in die
                        gevallen betekenen dat de functie van de bijzondere bijstand danig wordt
                        uitgehold. Om de klant niet onnodig te belasten met gegevensuitvraag is een
                        verkorte aanvraagprocedure in de genoemde gevallen mogelijk gemaakt.</al><al>Hoofdstuk 2: DRAAGKRACHT</al><al>Artikel 5 Draagkrachtperiode</al><al>Op basis van het eerste lid van artikel 35 WWB bepaalt het dagelijks bestuur
                        de duur van de periode</al><al>waarover de draagkracht in aanmerking wordt genomen en het tijdstip waarop
                        deze periode begint. Het vaststellen van de draagkrachtperiode ligt in het
                        verlengde van het bepaalde in artikel 4 voor wat</al><al>betreft het tijdstip van indienen van een aanvraag. Degene die algemene
                        bijstand ontvangt, heeft geen draagkracht. Het vaststellen van draagkracht
                        en draagkrachtjaar heeft daarom eerst zin op het moment dat geen algemene
                        bijstand meer ontvangen wordt. Door dit te doen, wordt de draagkracht vanaf
                        dat moment in overeenstemming met de nieuwe inkomenssituatie gebracht. Dit
                        is van belang bij periodieke bijzondere bijstand. Hierin is voorzien in het
                        vierde lid.</al><al>Artikel 6 Draagkracht</al><al>Hoofdstuk 3, paragraaf 3.4 van de wet handelt over de vaststelling van de
                        middelen. Hiertoe worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend
                        waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan
                        beschikken. Voor de draagkrachtbepaling bijzondere bijstand is besloten
                        dezelfde</al><al>systematiek te hanteren als ten aanzien van de algemene bijstand het geval
                        is. De langdurigheidstoeslag wordt in dat verband buiten aanmerking gelaten.
                        Dit vereenvoudigt de uitvoering en beperkt daarmee de
                        uitvoeringskosten.</al><al>Ten aanzien van de in het derde lid genoemde buitengewone uitgaven geldt dat
                        deze alleen in mindering worden gebracht op het inkomen voor zover deze
                        uitgaven niet voorkomen kunnen worden. Als bijvoorbeeld een
                        alimentatieverplichting niet in overeenstemming is met het inkomen, is het
                        niet op zijn plaats structureel rekening te houden met deze verplichting als
                        met succes een beroep gedaan kan worden op herziening van de
                        alimentatieverplichting. Ook wordt er van uitgegaan dat een aanspraak op een
                        andere voorziening benut wordt.</al><al>Artikel 7 In aanmerking te nemen draagkracht</al><al>De draagkracht wordt uitgedrukt in een percentage van het voor de bijzondere
                        bijstand in aanmerking</al><al>te nemen inkomen en vermogen. Er wordt in dit verband gesproken van een
                        draagkrachtpercentage.</al><al>Dit artikel regelt hoe de draagkracht uiteindelijk wordt vastgesteld.</al><al>Uitgangspunt voor het beleid is dat:</al><al>??Het vermogen geheel in aanmerking wordt genomen voor zover dit op grond
                        van de bepalingen van</al><al>hoofdstuk 3, paragraaf 3.4 van de wet niet buiten aanmerking wordt
                        gelaten.</al><al>??Voor het vaststellen van de draagkracht in het inkomen verschillende
                        percentages worden gehanteerd. Bij kosten van medische, psychische en/of
                        sociale aard behoeft niet de gehele ruimte boven de bijstandsnorm te worden
                        aangesproken. Voor een aantal andere met name genoemde</al><al>kosten, zoals woon- of verwervingskosten wordt 100% van de draagkracht
                        berekend. Dat wil zeggen dat het hele inkomen boven het toepasselijke
                        normbedrag in mindering wordt gebracht op de te berekenen bijzondere
                        bijstand.</al><al>Artikel 8 Het drempelbedrag</al><al>Het tweede lid van artikel 35 maakt het mogelijk om kosten van geringe
                        omvang niet te vergoeden. Dit</al><al>maakt het ook mogelijk om ten aanzien van de uitvoeringskosten een beperkte
                        kosten-batenanalyse te hanteren. Een vergoeding van geringe kosten blijft
                        daarom achterwege als de kosten op jaarbasis lager dan € 50,- zijn. Zijn de
                        kosten hoger dan worden de volledige kosten vergoed.</al><al>Voor de toepassing van de collectieve aanvullende verzekering wordt een
                        uitzondering gemaakt. Het</al><al>afsluiten van een dergelijke verzekering wordt van belang geacht en wordt op
                        deze wijze gestimuleerd.</al><al>Hoofdstuk 3: NOODZAKELIJKE KOSTEN VAN HET BESTAAN</al><al>Artikel 9 Woonkosten</al><al>Het verstrekken van een woonkostentoeslag is door de systematiek in de
                        Huursubsidiewet slechts bij</al><al>uitzondering nodig als er:</al><al>??(nog) geen aanspraak bestaat op huursubsidie;</al><al>??of aanspraak bestaat op minder huursubsidie dan waarop op grond van de
                        huidige omstandigheden recht zou bestaan;</al><al>??een bijzondere bijdrage in de huurlasten (hoofdstuk IV Huursubsidiewet)
                        niet mogelijk is en</al><al>??de huur niet meer bedraagt dan de maximale huurgrens voor de toepassing
                        van de huursubsidie.</al><al>De Huursubsidiewet dient als basis voor de berekening voor de
                        woonkostentoeslag, waarbij rekening</al><al>wordt gehouden met de aanspraken op huursubsidie en/of een bijdrage op basis
                        van de zogenaamde</al><al>Vangnetregeling huursubsidie. De toeslag is gelijk aan het
                        huursubsidiebedrag dat voor de huidige situatie toegekend zou zijn,
                        verminderd met de daadwerkelijk aanspraken op huursubsidie en of bijzondere
                        bijdrage in de huurlasten.</al><al>Indien geen aanspraak bestaat op huursubsidie, omdat de woonkosten de
                        maximale huurgrens te boven gaan, kan gedurende maximaal één jaar een
                        toeslag worden verstrekt, gelijk aan het verschil tussen de woonkosten,
                        verminderd met het bedrag dat bij een maximale huur op grond van de
                        Huursubsidiewet door de belanghebbende zelf betaald dient te worden. Deze
                        toeslag kan bij bijzondere individuele omstandigheden met maximaal één jaar
                        worden verlengd. In deze omstandigheid dient betrokkene uit te zien naar
                        goedkopere huisvesting.</al><al>Voor bijzondere bijstand voor de woonkosten wordt 100% van de draagkracht in
                        het inkomen in</al><al>aanmerking genomen. Als er sprake is van een eigen woning, waarvan de
                        woonkosten lager zijn dan de maximaal subsidiabele huur op grond van de
                        Huursubsidiewet, wordt een woonkostentoeslag verstrekt, gelijk aan het
                        huursubsidiebedrag, waarop een huurder met dezelfde woonlasten aanspraak kan
                        maken. Als de woonkosten hoger zijn, wordt gehandeld overeenkomstig de
                        situatie in geval van bewoning van een huurwoning.</al><al>Bij de vaststelling van de hoogte van de woonlasten wordt uitgegaan
                        van:</al><al>de hypotheekrente</al><al>het eigenaarsdeel van de onroerendzaakbelasting en rioolrechten</al><al>de brand-/opstalverzekering</al><al>de erfpachtcanon</al><al>de waterschapsomslag (omslagheffing eigenaarsgedeelte)</al><al>een vast bedrag voor de kosten van groot onderhoud (normbedragen Ministerie
                        van VROM).</al><al>Bij de vorenstaande berekeningen (huur en eigen woning) wordt conform de
                        huursubsidiebepalingen</al><al>rekening gehouden met de aanwezigheid en/of het inkomen van inwonenden
                        (onderhuur,</al><al>medebewoners, kinderen), zodat er geen sprake is van doorkruising van het
                        rijksbeleid.</al><al>Bij bewoning van een aanleunwoning kan verder het achtste lid van artikel 15
                        van deze verordening van belang zijn.</al><al>Artikel 10 Toeslag in verband met terugval in inkomen</al><al>De overbruggingstoeslag, genoemd in het eerste lid, stelt de belanghebbende
                        in staat zijn</al><al>uitgavenpatroon aan een onverwachte nieuwe inkomenssituatie aan te passen.
                        Wanneer hij kan voorzien dat hij op een lager inkomen aangewezen geraakt,
                        zoals bij de overgang van het ontvangen van een WW-uitkering naar een WWB-
                        of Ioaw-uitkering, is deze toeslag niet van toepassing. Op basis van het
                        tweede lid kan een overbruggingstoeslag worden verstrekt voor zover de
                        belanghebbende op de ingangsdatum over onvoldoende middelen beschikt ter
                        overbrugging naar de</al><al>eerstvolgende volledige betaling. Een voorschot op grond van art. 52 WWB
                        (geldlening) biedt in dit geval geen soelaas, omdat dit voorschot direct bij
                        betaling van de toegekende bijstand verrekend wordt, waardoor het
                        liquiditeitsprobleem kan blijven bestaan.</al><al>Het derde lid biedt de mogelijkheid van een garantietoeslag als het laatste
                        in de gezinsbijstand begrepen kind niet meer ten laste van de ouder komt. De
                        bijstand wordt zodanig verleend dat de toe te kennen toeslag gelijk is aan
                        het verschil tussen de voormalige (norm alleenstaande ouder en
                        kinderbijslag) en de nieuwe inkomenssituatie (norm alleenstaande en inkomen
                        kind) van ouder en kind. De toeslag verstrekt de voormalige alleenstaande
                        ouder, mits aan bepaalde voorwaarden voldaan wordt een inkomensgarantie ter
                        hoogte van het voorheen genoten inkomen.</al><al>In het derde lid wordt aangegeven dat in de berekening van de toeslag
                        aangenomen wordt dat het kind in ieder geval een inkomen ter hoogte van de
                        van toepassing zijnde bijstandsnorm kan ontvangen. In tegenstelling tot het
                        vermelde in artikel 31 lid 2 is de Akw die eventueel nog ontvangen wordt ten
                        behoeve van het kind vanaf het moment van de normsverandering een middel
                        waarmee rekening wordt gehouden.</al><al>Artikel 11 Kinderopvang en verwervingskosten</al><al>Om een inkomen uit arbeid te verdienen, moeten vaak verwervingskosten worden
                        gemaakt. Hierbij valt te denken aan kosten van vervoer of kinderopvang.
                        Omdat het niet toegestaan is om deze kosten van het loon af te trekken, kan
                        in voorkomende gevallen bijzondere bijstand worden verstrekt. In het eerste
                        lid worden situaties aangegeven waarin geen aanspraak kan worden gemaakt op
                        een</al><al>tegemoetkoming via de Wet Kinderopvang. De kinderopvang op grond van een
                        sociaal-medische indicatie is in 2005 buiten de Wet Kinderopvang gelaten,
                        omdat nog niet is voorzien in een landelijk systeem van indicatiestelling.
                        In de overgangsperiode kan bijzondere bijstand worden verstrekt. De maximale
                        tegemoetkoming komt overeen met de maximale tegemoetkoming in het kader van
                        de Wet</al><al>Kinderopvang.</al><al>Bijzondere bijstand blijft mogelijk indien geen passend aanbod voor
                        reguliere kinderopvang kan worden gedaan, bijvoorbeeld in verband met
                        werktijden van de ouder in het weekend. Bij particuliere opvang wordt de
                        hoogte van de vergoeding in deze kosten afgestemd op de richtbedragen die
                        het NIBUD ter zake hanteert. De verantwoordelijkheid voor een regelmatige
                        opgave met bewijsstukken van de gemaakte kosten berust bij de cliënt.</al><al>Voor reiskosten kan bijzondere bijstand worden verstrekt als meer dan 10
                        kilometer enkele afstand</al><al>gereisd wordt voor zover de werkgever de kosten niet vergoedt. Het in
                        rekening brengen van een eigen bijdrage is niet reëel als het inkomen van de
                        werknemer niet meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm. In
                        dat geval kan immers de situatie ontstaan dat de werknemer er, ondanks de
                        geleverde inspanningen, financieel op achteruit gaat wat de werkaanvaarding
                        kan ontmoedigen. Het derde lid maakt het daarom mogelijk de kosten volledig
                        te vergoeden. Voor verwervingskosten geldt een draagkrachtpercentage van
                        100%.</al><al>Artikel 12 Kosten van scholing en werkervaring</al><al>Bevorderd dient te worden dat belanghebbende gebruik maakt van voorzieningen
                        die bijdragen aan</al><al>diens zelfstandige bestaansvoorziening. Deelname aan noodzakelijke
                        scholing/opleiding vormt een van de mogelijkheden. Door bijzondere bijstand
                        te verlenen in kosten die verband houden met noodzakelijke scholing wordt
                        participatie bevorderd.</al><al>De reiskosten worden vergoed op basis van het goedkoopste tarief openbaar
                        vervoer. Vergoeding is</al><al>alleen mogelijk als de scholing niet binnen de eigen woonplaats gebeurt en
                        de enkele reisafstand meer dan 10 kilometer bedraagt.</al><al>Het gestelde onder 11 ten aanzien van de kinderopvang is eveneens van
                        toepassing als kinderopvang</al><al>tijdens scholing of werkervaring noodzakelijk is en een voorliggende
                        voorziening geen uitkomst biedt.</al><al>In de praktijk zal dit artikel doorgaans niet toegepast behoeven te worden.
                        Immers deze kosten worden normaliter bestreden uit het werkbudget. Dit
                        budget zal in eerste instantie voor dit soort kosten moeten worden
                        aangesproken.</al><al>Artikel 13 Medische en sociaal medische kosten</al><al>Toelichting algemeen.</al><al>In dit artikel gaat het met name om medische of sociaal-medische kosten. De
                        noodzaak van deze kosten kan in bepaalde gevallen alleen worden vastgesteld
                        na een onafhankelijk advies van een deskundige. De kosten van zo’n advies
                        moeten wel in een redelijke verhouding staan ten opzichte van de kosten
                        waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd. Als grensbedrag voor het
                        opvragen van een advies wordt daarom € 230,- gehanteerd. Verder wordt
                        verwezen naar de tekst in de algemene toelichting onder het kopje
                        “vergoeding medische en sociaal-medische kosten”.</al><al>Toelichting bij 1: particuliere verzekering tegen ziektekosten.</al><al>Wanneer geen toegang tot de reguliere ziekenfondsverzekering mogelijk is,
                        kan bijzondere bijstand</al><al>worden verleend voor een met de verplichte ziekenfondsverzekering
                        overeenkomende ziektekostenverzekering (dus inclusief de wettelijke
                        toeslagen MOOZ en WTZ), nadat deze premie is verminderd met een bedrag
                        gelijk aan de nominale premie Ziekenfondswet dat door de belanghebbende
                        verschuldigd zou zijn bij verplichte ziekenfondsverzekering.</al><al>Toelichting bij 2: particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering voor
                        zelfstandigen.</al><al>Het kan, hoewel daaraan gedurende de bijstandsperiode geen behoefte bestaat,
                        noodzakelijk of redelijk zijn om een zelfstandige een particuliere
                        arbeidsongeschiktheidsverzekering te laten aanhouden om te voorkomen dat
                        deze na de beëindiging van de bijstandsverlening wordt geconfronteerd met
                        acceptatieproblemen of aanmerkelijk ongunstiger voorwaarden.</al><al>Voortzetting van de betaling van een arbeidsongeschiktheidsverzekering dient
                        in de vorm van bijzondere bijstand te gebeuren. Ten aanzien van de
                        verrekening van deze bijzondere bijstand zijn de bepalingen van het Besluit
                        bijstandverlening zelfstandigen 2004 van toepassing.</al><al>Toelichting bij 3: eigen bijdragen Ziekenfondswet en de Algemene Wet
                        Bijzondere Ziektekosten.</al><al>Als er een medische indicatie is voor bepaalde voorzieningen, maar de
                        voorliggende voorziening slechts een gedeelte van de noodzakelijke kosten
                        vergoedt, kan bijzondere bijstand worden verstrekt in de restantkosten. Het
                        gaat bijvoorbeeld om kosten van een hoortoestel, elastische kousen,
                        pruik,</al><al>steunzolen en voor eigen rekening blijvende reiskosten. Nadere detaillering
                        van deze kosten heeft</al><al>plaatsgevonden in het Handboek WWB.</al><al>Kosten die uitdrukkelijk om medisch inhoudelijke redenen buiten de
                        werkingssfeer van de voorliggende voorziening zijn gelaten, kunnen in
                        beginsel niet vergoed worden. Alleen in geval van zeer dringende redenen is
                        na medisch advies bijstandsverlening mogelijk. Als de voorliggende
                        voorziening om budgettaire redenen geen vergoeding verstrekt, is in beginsel
                        wel bijzondere bijstand mogelijk.</al><al>Toelichting bij 4: Tandartskosten voor volwassenen.</al><al>De genoemde kostensoorten zijn per 1 januari 2004 om budgettaire redenen en
                        niet omdat de kosten</al><al>niet noodzakelijk zouden zijn uit de Ziekenfondswet gehaald.
                        Bijstandsverlening is dus mogelijk.</al><al>Toelichting bij 5: Overige noodzakelijke tandheelkundige hulp.</al><al>Zoals in de algemene toelichting gesteld is, wordt er van uitgegaan dat een
                        belanghebbende zich in</al><al>voldoende mate verzekert. Dit geldt ook voor de kosten van tandheelkunde. In
                        de meeste gevallen zal</al><al>een eigen bijdrage resteren waarvoor bijstandsverlening verleend kan worden.
                        Dit betekent niet dat</al><al>alle vormen van tandheelkundige hulp voor bijstandsverlening vatbaar zijn.
                        Steeds zal uitgegaan</al><al>moeten worden van het goedkoopst adequate alternatief. Waar nodig zal de
                        besluitvorming</al><al>gebaseerd moeten worden op het advies van een onafhankelijk tandarts.</al><al>Toelichting bij 6: De eigen bijdrage op grond van de Regeling ziekenvervoer
                        Ziekenfondswet.</al><al>Per 1 juni 2004 is de systematiek van vergoeding in de kosten van liggend en
                        zittend ziekenvervoer</al><al>opnieuw geformuleerd en vastgelegd in deze regeling. Alleen in de in de
                        regeling genoemde gevallen is er nog sprake van noodzakelijk ziekenvervoer.
                        Dit betekent dat alleen in die gevallen nog bijstand</al><al>verstrekt kan worden in de kosten van de eigen bijdrage. In alle andere
                        gevallen is bijstandsverlening</al><al>niet mogelijk.</al><al>Toelichting bij 7: De meerkosten van een dieet (met uitzondering van
                        dieetpreparaten).</al><al>Alleen als de kosten van een dieet meer bedragen dan de gebruikelijke
                        voedingskosten kan in de</al><al>meerkosten bijzondere bijstand worden verstrekt. Het Voedingscentrum heeft
                        ter zake voorschriften</al><al>vastgesteld, die in voorkomende gevallen gehanteerd worden.</al><al>Toelichting bij 8: De extra noodzakelijke kosten als gevolg van ziekte of
                        handicap.</al><al>Tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan behoren ook
                        de stookkosten.</al><al>De algemene bijstand voorziet hierin. Alleen bij ziekte of handicap kan er
                        aanleiding zijn bijzondere</al><al>bijstand te verlenen voor deze kosten. Daarbij wordt uitgegaan van de
                        werkelijke kosten onder aftrek</al><al>van de van toepassing zijnde stookkosten zoals opgenomen in de
                        NIBUD-prijzengids. Over het</al><al>algemeen geldt dat het gasverbruik met 7% toeneemt wanneer de thermostaat
                        van de verwarming 1º</al><al>hoger wordt gezet.</al><al>Toelichting bij 9: Kosten van voetverzorging als gevolg van ziekte of
                        handicap</al><al>Behoeft geen toelichting.</al><al>Toelichting bij 10.: Bril/contactlenzen</al><al>In een periode van 3 jaar kan eenmaal een bril en meerdere keren
                        contactlenzen worden vergoed tot</al><al>het maximaal genoemde bedrag. Hierbij vindt geen
                        noodzakelijkheidsbeoordeling plaats. Hiervan is</al><al>alleen sprake als er een medische indicatie is voor de hogere kosten. Een
                        medisch advies wordt dan</al><al>opgevraagd. Dit kan achterwege blijven bij een sterkte van 10 of meer
                        dioptrieën en bij lenticulaire</al><al>glazen. In deze gevallen wordt aangenomen dat de standaardvergoeding niet
                        toereikend is.</al><al>Rekening wordt gehouden met de vergoeding die op basis van een collectieve
                        aanvullende verzekering ontvangen kan worden.</al><al>Toelichting bij 11. :De eigen bijdrage voor thuiszorg</al><al>Ten aanzien van deze kosten wordt er van uitgegaan dat de geboden hulp
                        verleend wordt door een</al><al>erkende instelling. Vergoeding van kosten, voor hulp verleend door
                        particulieren is niet mogelijk.</al><al>Toelichting bij 12.: Sociale alarmering, maaltijdvoorziening en
                        dagverzorging</al><al>Door middel van deze voorzieningen is het mogelijk langer zelfstandig in de
                        eigen woning te</al><al>functioneren. Bijstandsverlening is om die reden noodzakelijk, mits er een
                        indicatie is voor de</al><al>betreffende voorzieningen. Ten aanzien van de kosten van de
                        maaltijdvoorziening geldt dat alleen de</al><al>meerkosten ten opzichte van de gebruikelijke kosten noodzakelijk zijn. Het
                        Handboek WWB (NIBUDrichtlijnen) geeft hiervoor richtlijnen. Als een
                        magnetron noodzakelijk is, kan in de betreffende</al><al>huurkosten eveneens bijstand worden verleend.</al><al>Toelichting bij 13.: De extra kosten van bewassing en slijtage van kleding
                        en beddengoed.</al><al>Ziekte en gebrek kunnen lijden tot meerkosten op dit vlak. Met gebruikmaking
                        van de door de GGD</al><al>ontwikkelde voorschriften kan bijzondere bijstand worden verstrekt.</al><al>Artikel 14 Categoriale vergoeding kosten in verband met een chronische
                        ziekte, handicap of</al><al>ouderdom</al><al>Voor personen met een inkomen tot 112% van de toepassing zijnde norm is het
                        mogelijk deel te nemen aan een collectieve aanvullende
                        ziektekostenverzekering. Dit maakt het mogelijk dat de belanghebbende zonder
                        meerkosten gebruik kan maken van een uitgebreider verstrekkingenpakket via
                        de zorgverzekeraar. Voor deze verstrekking wordt afgeweken van de
                        gebruikelijke draagkracht, inkomens- en vermogensbepalingen.</al><al>Zoals in de algemene toelichting is opgenomen kan ook aan de persoon jonger
                        dan 65 jaar, behorend tot de categorie chronisch zieken, gehandicapten en
                        ouderen (vanaf 1 januari 2004) categoraal bijzondere bijstand worden
                        verstrekt. Als voorbeelden van chronisch ziekten kunnen genoemd worden cara
                        (o.a. astma), diabetes mellitus, epilepsie, reuma, lever- en darmziekten,
                        spierziekten, nierziekten,</al><al>hartafwijkingen, hemofilie, cystic fibrosis, chronische artritis en
                        kanker.</al><al>Bij het verstrekken van bijzondere bijstand t.b.v. personen uit deze
                        categorie wordt geen onderzoek</al><al>ingesteld om te bepalen of men al dan niet tot deze doelgroep behoort. Dit
                        ter voorkoming van onnodige onderzoeken en uitvoeringskosten. Er wordt
                        vanuit gegaan dat men tot de doelgroep behoort in het geval van:</al><al>??beschikking arbeidsongeschiktheidsuitkering, uitgaande van een
                        arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%</al><al>??toekenningsbeschikking WVG-voorziening</al><al>??beschikking vrijstelling arbeidsplicht op grond van lichamelijke
                        beperkingen</al><al>??bewijs van indicatiestelling door het Rio voor een of meerdere vormen van
                        Awbz-zorg of Wvg-hulpmiddelen</al><al>??gehandicaptenparkeerkaart</al><al>??diabetespaspoort</al><al>??medicijnenlijst (indien men over geen andere bewijsstukken beschikt)</al><al>Voor ouderen is de leeftijd van 65 jaar een algemeen aanvaard
                        criterium.</al><al>Het is mogelijk dat de werkelijke kosten als gevolg van chronische, ziekte
                        of handicap hoger zijn. In dat geval wordt de hoogte van de werkelijke
                        kosten vastgesteld en kunnen de werkelijke kosten vergoed worden onder
                        aftrek van de forfaitaire vergoeding. Het ontvangen van bijzondere bijstand
                        in deze kosten impliceert dat de belanghebbende deze kosten in beginsel niet
                        meer bij de belastingdienst kan opvoeren in het kader van de buitengewone
                        uitgavenaftrek en de aftrekmogelijkheid op grond van het Tijdelijk Besluit
                        Tegemoetkoming buitengewone uitgaven. Dat betekent overigens niet dat hij
                        helemaal geen beroep meer kan doen op een buitengewone uitgavenaftrek. Niet
                        alleen de feitelijke kosten, maar ook betaalde ziektekostenpremies
                        (werkgevers- en werknemersdeel, nominale en aanvullende premie), het
                        ouderdoms- en arbeidsongeschiktheidsforfait zijn immers fiscaal aftrekbaar.
                        In de voorlichting aan de klant wordt hieraan aandacht worden besteed.</al><al>Artikel 15 Kosten van maatschappelijke aard</al><al>Toelichting bij 1: Rechtshulp.</al><al>Bij toewijzing van juridische hulp via de Raad voor Rechtsbijstand staat de
                        noodzaak van deze hulp vast en blijft toetsing aan het
                        noodzakelijkheidscriterium achterwege.</al><al>Toelichting bij 2: Eigen bijdrage jeugdhulpverlening.</al><al>Deze inkomensonafhankelijke eigen bijdrage, die geïnd wordt door het
                        Landelijk Bureau Inning</al><al>Onderhoudsbijdragen (LBIO) wordt opgelegd aan de ouder die de Akw ontvangt.
                        De bijdrage wordt op</al><al>nihil gesteld als de ouder aantoont algemene bijstand op basis van de norm
                        voor een alleenstaande, een uitkering ingevolge de Regeling verstrekking
                        asielzoekers (Rva), dan wel een zak- en</al><al>kleedgeldvergoeding te ontvangen.</al><al>Toelichting bij 3: Kosten lijkbezorging.</al><al>De kosten van lijkbezorging behoren tot de noodzakelijke bestaanskosten van
                        de erfgenamen. Voor</al><al>zover deze onvoldoende middelen hebben, er geen erfenis of verzekering is,
                        waaruit de kosten van</al><al>lijkbezorging voldaan kunnen worden, kan bijzondere bijstand worden
                        verstrekt met betrekking tot de</al><al>volgende kosten:</al><al>Begrafeniskosten:</al><al>Standaardkist, begeleiders en dragers, rouwauto, regelen begrafenis en
                        vervullen van alle vereiste formaliteiten.</al><al>Transportkosten (overbrengen van de overledene naar een mortuarium).</al><al>Standaard uitvaartdienst.</al><al>Drukwerk ( 50 rouwcirculaires, 50 bidprentjes, 50 bedankkaarten) met
                        portokosten.</al><al>Afleggen en bloemstuk in mortuarium.</al><al>Staangeld in mortuarium.</al><al>Huur aula (indien er geen kerkdienst is).</al><al>Begraafplaats naar plaatselijk geldend tarief.</al><al>Grafsteen</al><al>Crematiekosten:</al><al>Standaard, begeleiders en dragers, rouwauto, regelen begrafenis en vervullen
                        van alle vereiste formaliteiten.</al><al>Transportkosten (overbrengen van de overledene naar een crematorium).</al><al>Overbrengen naar crematorium.</al><al>Kosten crematorium.</al><al>Standaard uitvaartdienst.</al><al>Drukwerk (50 rouwcirculaires, 50 bidprentjes, 50 bedankkaarten) met
                        portokosten.</al><al>Afleggen en bloemstuk in mortuarium.</al><al>Staangeld in mortuarium.</al><al>Bloemen</al><al>Grafsteen</al><al>Voor de vaststelling van de kosten zijn richtbedragen opgenomen in het
                        Handboek WWB (NIBUDrichtlijnen)</al><al>Toelichting bij 4: Extra kosten bij opname in ziekenhuis of inrichting ter
                        verpleging of verzorging.</al><al>Dit artikel maakt het mogelijk een forfaitaire vergoeding te verstrekken aan
                        personen die met extra</al><al>kosten geconfronteerd worden bij een ziekenhuisopname (bijv. voor de huur
                        van een telefoon of TV,</al><al>extra linnengoed).</al><al>Toelichting bij 5: Reiskosten in verband met ziekenhuisbezoek, bij opname
                        van een gezinslid.</al><al>Deze kosten zijn in beginsel van algemene aard. Bij grotere reisafstanden of
                        een langdurige opname</al><al>verandert dit. Met inachtneming van de hier bepaalde randvoorwaarden is
                        bijzondere</al><al>bijstandsverlening mogelijk.</al><al>Toelichting bij 6: Reiskosten in verband met een in detentie verblijvend
                        gezinslid.</al><al>De reiskosten in verband met bezoek aan een in detentie verblijvend
                        gezinslid voor maximaal 2</al><al>personen gedurende 1 x per 14 dagen. Voor de hoogte wordt uitgegaan van de
                        kosten van de</al><al>goedkoopste vervoersmogelijkheid. Door deze regeling blijft t.b.v. de
                        gezinsleden contact</al><al>gewaarborgd.</al><al>Toelichting bij 7: Doorlopende woonlasten of opslag kosten huisraad bij
                        verblijf in een inrichting ter</al><al>verpleging of verzorging</al><al>Bijstand voor de kosten van het aanhouden van de woning wordt alleen
                        verstrekt gedurende de</al><al>periode dat dit redelijkerwijs noodzakelijk is. Hierbij geldt als richtlijn
                        een periode van 6 maanden. Reden om van een langere periode uit te gaan kan
                        bijvoorbeeld zijn dat de belanghebbende al dan niet na verloop van tijd
                        (bijvoorbeeld op therapeutische basis) de weekends buiten de inrichting
                        doorbrengt. Gezien de besparing op de verbruikslasten van de eigen woning
                        behoren de voorschotbedragen gas, licht en water gedurende de afwezigheid
                        wel aangepast te worden. Overigens geldt deze bepaling niet als er sprake is
                        van detentie. De wet verzet zich in deze situatie</al><al>tegen bijstandsverlening.</al><al>Toelichting op 8: Extra woonkosten voortvloeiend uit het bewonen van een
                        aanleunwoning.</al><al>In deze omstandigheden kan sprake zij van zodanige woonkosten dat de
                        voorliggende voorziening</al><al>(Huursubsidiewet) niet meer toereikend wordt geacht. Omdat het bewonen van
                        een aanleunwoning als noodzakelijk dient te worden bestempeld, worden de
                        extra woonkosten als bijzonder aangemerkt op basis van de volgende
                        berekening:</al><al>Te betalen huur onder aftrek huursubsidie €</al><al>Af:</al><al>normhuur €</al><al>energielasten €</al><al>water €</al><al>glasverzekering €</al><al>heffing afvalstoffen €</al><al>belasting WOZ </al><al>algemeen beheer en administratiekosten €</al><al>rente en afschrijving voorzieningen in woning €</al><al>Energielasten €</al><al>Totaal € ……..</al><al>Extra bijzonder noodzakelijke kosten €</al><al>Toelichting op 9: extra woonkosten voortvloeiend uit verblijf in serviceflat
                        Molenwijck</al><al>De gemeente Loon op Zand heeft het mogelijk gemaakt dat personen die voor 1
                        juli 1981 in deze</al><al>serviceflat zijn gaan wonen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand in
                        extra woonkosten. In incidentele gevallen wordt hiervan nog gebruik gemaakt
                        en op basis van deze eerdere afspraak is deze regeling opgenomen in de
                        verordening. De berekening van de bijzondere bijstand is als volgt:</al><al>huur €</al><al>servicekosten €</al><al>maaltijden €</al><al>nota Essent €</al><al>kosten broodmaaltijden €</al><al>waskosten €</al><al>totaal €</al><al>Af:</al><al>Aow (incl. VT) – norm zak- en kleedgeld WWB – nominale premie ZFW €</al><al>Huursubsidie €</al><al>Totaal € ……. -</al><al>Bijzondere bijstand €</al><al>Toelichting op 10: De kosten van wijziging en verlenging van de
                        verblijfsdocumenten I en II en de</al><al>kosten van naturalisatie</al><al>Dit soort kosten zijn vanaf 1 januari 2003 aanmerkelijk verhoogd en wel
                        zodanig dat bij een inkomen</al><al>op minimumniveau de kosten een direct probleem kunnen vormen. Bijzondere
                        bijstand kan daarom</al><al>verleend worden in de wijzigings- en verlengingskosten van de
                        verblijfsdocumenten I en II (niet van</al><al>toepassing bij asielgerechtigden en EU/EEG-onderdanen). Daarbij wordt het
                        volgende in acht genomen:</al><al>??De bijzondere kosten bestaan uit de meerkosten t.o.v. de kosten van een
                        regulier paspoort of in geval van jongeren &lt; 12 jaar t.o.v. de kosten van
                        het bijschrijven van een kind in het paspoort van een ouder.</al><al>??Met de kosten van een regulier paspoort of bijschrijving wordt in een
                        periode van 5 jaar 1 keer rekening gehouden.</al><al>??Draagkrachtpercentage bedraagt 100%</al><al>??Omdat de kosten voorzienbaar zijn, wordt rekening gehouden met de
                        reserveringsmogelijkheden. Dit geldt niet voor de periode die ligt voor 1
                        januari 2003.</al><al>Toelichting op 11: Kosten bewindvoering.</al><al>De hoogte van de bijzondere bijstand wordt afgestemd op de door de rechter
                        in de beschikking</al><al>vastgestelde kosten van bewindvoering of de door de bewindvoerder in
                        rekening gebrachte</al><al>voorschotten, die later definitief worden vastgesteld door de
                        kantonrechter.</al><al>Toelichting 12: Directe en indirecte schoolkosten van leerplichtige
                        kinderen.</al><al>Onder de directe schoolkosten worden met name de reiskosten begrepen van
                        kinderen op het voortgezet onderwijs die een reisafstand moeten overbruggen
                        waarvoor het Wtos-budget aantoonbaar niet toereikend is. De grens waarbij
                        rekening gehouden kan worden met bovennormelijke reiskosten ligt bij een
                        enkele reisafstand van 8 km. De formule waarlangs de kosten</al><al>worden vastgesteld ligt vast in het Handboek WWB.</al><al>Voor kinderen op het basisonderwijs geldt dat de kosten van de
                        onderwijsbijdrage als noodzakelijk</al><al>worden aangemerkt. Daardoor wordt voorkomen dat het kind bij allerlei
                        activiteiten “buitenspel” komt te staan. Verder kunnen overblijfkosten
                        worden vergoed als dit noodzakelijk is in het kader van de</al><al>activering van de ouder (sociale activering, vrijwilligerswerk,
                        werkervaring, deeltijdwerk, scholing).</al><al>Artikel 16 Bijstand voor aflossing en rente van geldleningen voor duurzame
                        gebruiksgoederen en/of ter sanering van schulden, aangegaan bij een
                        kredietverlenende instelling.</al><al>Artikel 51 WWB vermeldt::</al><al>“Bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame
                        gebruiksgoederen kan</al><al>worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de
                        vorm van een</al><al>bedrag om niet.</al><al>Indien een geldlening als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt, stemt
                        het college de</al><al>aflossingsbedragen en de duur van de aflossing mede af op de
                        omstandigheden,</al><al>mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.”</al><al>Artikel 48 WWB geeft aan wanneer de bijstand nog meer kan worden verleend in
                        de vorm van een</al><al>geldlening of borgtocht, namelijk indien:</al><al>redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn
                        over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de
                        noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;</al><al>de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend
                        besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;</al><al>de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom betreft;</al><al>het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast
                        betreft.</al><al>Uitgangspunt voor het gemeentelijk beleid is dat de bijzondere bijstand
                        wordt verstrekt in de vorm van</al><al>een geldlening wanneer het betreft bijstand voor:</al><al>duurzame gebruiksgoederen (waaronder ook te rekenen de duurzame
                        gebruiksgoederen</al><al>die behoren tot de babyuitzet);</al><al>waarborgsom;</al><al>schulden.</al><al>Voor de hoogte van de aflossing wordt onveranderd aansluiting gezocht bij de
                        normen zoals vastgesteld door de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet
                        (NVVK), de aflossingsbedragen die ook door de Stadsbank Midden-Nederland.
                        Voor zover de belanghebbende bij toekenning van de uitkering en ook
                        gedurende de 3 daarop volgende jaren algemene bijstand ontvangt, wordt het
                        bijstandsbedrag tussentijds niet getoetst aan de vermelde 6%-norm. Bedraagt
                        het inkomen meer dan de bijstandsnorm, dan wordt het vast te stellen
                        aflossingsbedrag verhoogd met 100% van het inkomen voor zover dat meer is
                        dan de bijstandsnorm. Eenmaal vastgestelde aflossingsbedragen worden
                        gedurende de aflossingsperiode niet herzien wanneer de NVVK de normen
                        wijzigt.</al><al>Voor de bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen geldt, dat na
                        drie jaar aflossen (36</al><al>maanden) het restant van de lening buiten invordering wordt gesteld.</al><al>Artikel 17 Bijzondere bijstand aan jongeren van 18 tot 21 jaar.</al><al>Toelichting bij het eerste lid: toeslagen voor in inrichting verblijvende
                        jongeren van 18 tot en met 20 jaar. In artikel 13 tweede lid, onderdeel a
                        WWB is bepaald dat voor personen jonger dan 21 jaar die in een inrichting
                        verblijven, geen recht op algemene bijstand bestaat. In de situatie dat een
                        persoon jonger dan 21 jaar in een inrichting verblijft, kan bijzondere
                        bijstand worden verleend voor zover de jongere geen beroep kan doen op de
                        onderhoudsplicht van de ouders.</al><al>Het komt slechts zeer incidenteel voor dat aan deze groep bijstand moet
                        worden verstrekt. De persoonlijke toelage in de vorm van bijzondere bijstand
                        voor 18 t/m 20 jarigen die in een inrichting</al><al>verblijven, is afhankelijk van de in de betrokken inrichting noodzakelijke
                        persoonlijke uitgaven en bedraagt ten hoogste de norm voor een in een
                        inrichting verblijvende alleenstaande van 21 jaar of ouder, vermeld in
                        artikel 23 WWB. De bijstand wordt slechts verleend indien redelijkerwijs
                        geen beroep kan worden gedaan op de onderhoudsplichtige. Waar mogelijk wordt
                        de bijstand op de onderhoudsplichtige verhaald.</al><al>Toeslagen voor alleenstaande ouders in inrichting:</al><al>De WWB voorziet in artikel 23 in de bijstandsnorm bij verblijf in een
                        inrichting. De norm voor een</al><al>alleenstaande is gelijk aan de norm voor een alleenstaande ouder De situatie
                        kan zich voordoen dat een alleenstaande ouder tezamen met zijn kind in een
                        inrichting verblijft. In dergelijke gevallen zijn de kosten die de
                        belanghebbende voor het kind moet maken, meestal zodanig dat de
                        kinderbijslag daartoe een toereikende vergoeding biedt. Derhalve kan worden
                        volstaan met het normbedrag voor een alleenstaande. Voor de gevallen dat
                        hogere kosten dienen te worden gemaakt, kunnen burgemeester en wethouders de
                        bijstand daarop afstemmen door aanvulling met bijzondere bijstand.”</al><al>Uitgangspunt voor het gemeentelijk beleid is dat de kinderbijslag in
                        principe toereikend is dat geen</al><al>bijzondere bijstand verstrekt wordt voor het kind dat samen met de ouder(s)
                        in een inrichting verblijft.</al><al>In dié gevallen dat noodzakelijk hogere kosten gemaakt moeten worden, is er
                        aanleiding de bijstand</al><al>daarop af te stemmen. De bijstand wordt slechts verleend indien
                        redelijkerwijs geen beroep kan worden gedaan op de onderhoudsplichtige. Waar
                        mogelijk wordt de bijstand op de onderhoudsplichtige verhaald.</al><al>Toeslagen voor jongeren van 18 t/m 20 jaar:</al><al>De toeslagen voor uitkeringsgerechtigden van 21 jaar en ouder zijn geregeld
                        in de Verordening</al><al>toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2004. In die verordening mocht
                        de toeslag voor jongeren van 18 t/m 20 jaar niet worden geregeld. Bijzondere
                        bijstand kan en mag immers niet categoriaal worden geregeld. </al><al>De eventuele toeslagen voor uitkeringsgerechtigden tot 21 jaar zijn daarom
                        gebaseerd op artikel 12 van de WWB, dat als volgt luidt:</al><al>"Een persoon van 18, 19 of 20 jaar heeft recht op bijzondere bijstand voor
                        zover zijn noodzakelijke</al><al>kosten van het bestaan uitgaan boven de toepasselijke bijstandsnorm en hij
                        voor deze kosten geen</al><al>beroep kan doen op zijn ouders omdat:</al><al>de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of</al><al>hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan
                        maken."</al><al>In dit artikel wordt het recht op aanvullende bijstand voor de 18- tot
                        21-jarigen geregeld. Deze aanvullende bijstand wordt als bijzondere bijstand
                        verleend. Zoals uit de redactie van dit artikel blijkt, is dat ook het geval
                        als een of beide partners jonger dan 21 jaar is of als alleenstaande de zorg
                        heeft voor een of meer kinderen heeft.</al><al>Deze aanvullende bijstand wordt slechts verleend voor zover de betrokkene
                        voor die noodzakelijke</al><al>bestaanskosten geen beroep op de ouders kan doen. Onderdeel a. ziet op de
                        omstandigheid dat de</al><al>financiële draagkracht van de ouders ontoereikend is om te voorzien in de
                        noodzakelijke bestaanskosten van het kind. Op grond van onderdeel b. kan
                        eveneens aanvullende bijstand worden verleend als de ouders weliswaar
                        financieel in staat zijn om de bestaanskosten van het kind op zich te nemen,
                        maar de betrokkene redelijkerwijs geen beroep op de ouders kan doen. Daarbij
                        gaat het vooral om de situaties waarin de onderlinge verhouding ernstig
                        verstoord is. Met het begrip "redelijkerwijs" wordt tot uitdrukking gebracht
                        dat de gemeente van geval tot geval dient te beoordelen of hiervan inderdaad
                        in die mate sprake is, dat de verlening van bijstand gerechtvaardigd is. Om
                        geen afbreuk te doen aan de ouderlijke onderhoudsplicht, wordt in zo'n
                        situatie de bijstand verhaald op de ouders.</al><al>Voor de hoogte van de toeslag wordt het uitgangspunt gehanteerd dat de
                        toeslag het mogelijk moet</al><al>maken dat de noodzakelijk uitwonende jongere op dezelfde wijze in zijn
                        onderhoud kan voorzien als de persoon van 21 jaar en ouder.</al><al>Hoofdstuk 4: VORM VAN BIJSTAND</al><al>Artikel 18 Bijzondere bijstand als geldlening voor noodzakelijke duurzame
                        gebruiksgoederen</al><al>en of ter sanering van schulden.</al><al>Verwezen wordt naar de toelichting bij artikel 16. De uitgangspunten voor
                        het in dat artikel geformuleerde beleid zijn ook hier van toepassing.
                        Kredietverlening via Stadsbank Midden-Nederland of andere kredietverlener is
                        voorliggend aan bijstandsverlening in de vorm van leenbijstand zoals bedoeld
                        in dit artikel.</al><al>Artikel 19 Bijzondere bijstand onder verband van krediethypotheek</al><al>De bijstand wordt verleend in de vorm van een krediethypotheek als voldaan
                        wordt aan de in artikel 50, tweede lid genoemde criteria, te weten:</al><al>indien de bijstand over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste
                        dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting meer bedraagt dan het
                        netto minimumloon, bedoeld in artikel 37, eerste lid en</al><al>Voor zover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf hoger is
                        dan het vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid onderdeel d.</al><al>De bepalingen van de verordening en het besluit krediethypotheek zijn verder
                        van toepassing.</al><al>Artikel 20 Bijzondere bijstand om niet</al><al>Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.</al><al>Hoofdstuk 5: SLOTBEPALINGEN</al><al>Artikel 21 Indexering</al><al>Op basis van dit artikel heeft het dagelijks bestuur het mandaat om de in de
                        verordening genoemde</al><al>bedragen te indexeren als daartoe aanleiding bestaat. De ontwikkeling van de
                        kosten van</al><al>levensonderhoud zoals bepaald door het C.B.S. zijn daarbij
                        uitgangspunt.</al><al>Artikel 22 Citeertitel en inwerkingtreding</al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></artikel></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>