<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR99683_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Adviescommissie bezwaarschriften</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-05-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Verbinding, 03-05-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Adviescommissie bezwaarschriften 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">de Algemene wet bestuursrecht, art. 7:13</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">de Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-04-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-06-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Adviescommissie bezwaarschriften</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad, het college en de burgemeester van de gemeente Heumen;</al><al>ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;</al><al>gelet op de wens zich over de afhandeling van bezwaarschriften te laten
                        adviseren door een onafhankelijke commissie;</al><al>gelezen het voorstel van het college van 18 mei 2010 en 22 maart
                        2011;</al><al>gelet op artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel
                        149 van de Gemeentewet;</al><al>besluiten vast te stellen de volgende verordening:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>verwerend orgaan: bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft
                                    genomen;</al></li><li nr="b."><al>commissie: de Adviescommissie bezwaarschriften;</al></li><li nr="c."><al>de wet: de Algemene wet bestuursrecht, verder af te korten met:
                                    Awb;</al></li><li nr="d."><al>voorzitter: de voorzitter van de commissie;</al></li><li nr="e."><al>secretaris: de secretaris van de commissie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inleidende bepaling commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten behoeve van beslissingen op bezwaar van de Raad, het College en
                                de Burgemeester wordt een adviescommissie als bedoeld in artikel
                                7:13 Awb ingesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie is niet ingesteld ten behoeve van beslissingen op
                                bezwaar betreffende besluiten op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>een wettelijk voorschrift inzake belastingen of de Wet
                                        waardering onroerende zaken;</al></li><li nr="b."><al>een wettelijk voorschrift inzake personele aangelegenheden
                                        zoals bijvoorbeeld de CAR -UWO);</al></li><li nr="c."><al>wettelijke voorschriften, ten aanzien waarvan de behandeling
                                        van bezwaarschriften bij wettelijk voorschift exclusief aan
                                        anderen is opgedragen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Samenstelling van de commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden,
                                die worden benoemd, geschorst en ontslagen door het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter en de leden van de commissie kunnen geen deel uitmaken
                                van of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van een gemeentelijk
                                bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college benoemt een aantal plaatsvervangende leden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De commissie regelt de vervanging van de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Vacatures voor commissieleden worden openbaar bekend gemaakt op de
                                wijze zoals openbare bekendmakingen gebruikelijk worden gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Secretaris</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De secretaris van de commissie is een door het college aangewezen
                                ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst tevens een of meer plaatsvervangers van de
                                secretaris aan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Zittingsduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter en de leden van de commissie worden benoemd voor een
                                termijn van vier jaar. Het is mogelijk om tenminste één keer
                                herbenoemd te worden, zonder dat daarbij openbaar wordt geworven om
                                geschikte opvolgers te vinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter en de leden van de commissie kunnen op elk moment
                                ontslag nemen. Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aftredende of ontslag nemende voorzitter of leden van de
                                commissie blijven hun functie vervullen totdat in de opvolging is
                                voorzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Ingediend bezwaarschrift</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeentesecretaris draagt er zorg voor dat op de ingediende
                                bezwaarschriften de datum van ontvangst wordt aangetekend en op per
                                post bezorgde bezwaarschriften tevens de datum van ter postbezorging
                                blijkens poststempel wordt aangetekend;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op bezwaarschriften die in de brievenbus van het gemeentehuis worden
                                gedeponeerd wordt als datum van ontvangst aangetekend de datum van
                                de laatste dag dat deze brievenbus is geledigd;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bezwaarschrift met eventuele bijlagen wordt onverwijld na
                                ontvangst in handen van de secretaris gesteld. Binnen tien werkdagen
                                na het verzoek daartoe door de secretaris, worden namens het
                                verwerende orgaan alle processtukken en een verweerschrift in handen
                                van de secretaris van de commissie gesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De secretaris bevestigt de ontvangst van het bezwaarschrift, onder
                                vermelding van de datum van ontvangst daarvan en met de mededeling
                                zoals is bepaald in artikel 7:13, tweede lid van de Awb dat een
                                onafhankelijke commissie over het bezwaar zal adviseren. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Bemiddeling</titel></kop><al>De commissie onderzoekt of de zaak in de minne kan worden geschikt
                            alvorens de zaak in behandeling wordt genomen. De secretaris verricht
                            daartoe de nodige handelingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Uitoefening bevoegdheden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bevoegdheden ingevolge de hierna genoemde artikelen van de
                                    Awb worden voor de toepassing van deze verordening uitgeoefend
                                    door of namens de voorzitter van de commissie:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 2:1, tweede lid;</al></li><li nr="b."><al>artikel 6:6, wat betreft het de indiener stellen van een
                                    termijn; </al></li><li nr="c."><al>artikel 6:14, eerste lid, wat betreft het bericht van
                                    ontvangst;</al></li><li nr="d."><al>artikel 6:17, voor zover het de verzending van stukken betreft
                                    tijdens de behandeling door de commissie;</al></li><li nr="e."><al>artikel 7:4, tweede lid;</al></li><li nr="f."><al>artikel 7:6, vierde lid,</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in deze verordening toegekende bevoegdheden aan de commissie
                                    respectievelijk de voorzitter van de commissie kunnen - met
                                    uitzondering van het bepaalde in artikel 7:3 van de wet - namens
                                    dezen, door de secretaris van de commissie worden uitgeoefend.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter van de commissie is bevoegd rechtstreeks alle gewenste
                                inlichtingen in te winnen of te laten inwinnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de
                                commissie bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en hen zo
                                nodig uitnodigen daartoe op de hoorzitting te verschijnen. Indien
                                daaraan kosten zijn verbonden, is vooraf machtiging van het college
                                vereist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hoorzitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de
                                zitting waarin de belanghebbenden en het verwerend orgaan in de
                                gelegenheid worden gesteld zich door de commissie te laten
                                horen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de Awb
                                .</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de voorzitter op grond van het tweede lid besluit af te zien
                                van het horen, doet hij of de secretaris namens hem, daarvan
                                mededeling aan de belanghebbenden en het verwerend orgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Uitnodiging zitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter van de commissie nodigt de belanghebbenden en het
                                verwerend orgaan ten minste twee weken voor de zitting schriftelijk
                                uit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen drie dagen na de uitnodiging kunnen de belanghebbenden of het
                                verwerend orgaan onder schriftelijke opgaaf van redenen de
                                voorzitter verzoeken het tijdstip van de zitting te wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk één
                                week voor het tijdstip van de zitting aan de belanghebbenden en het
                                verwerend orgaan meegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken
                                of afwijking toe te staan van de termijnen die genoemd zijn in het
                                eerste tot en met het derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Quorum</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor het houden van een zitting, is vereist dat ten minste de
                            voorzitter, of zijn plaatsvervanger, aanwezig is. </al></li><li nr="2."><al>Het advies wordt uitgebracht door de voltallige commissie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Niet-deelneming aan de behandeling</titel></kop><al>De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de
                            behandeling van een bezwaarschrift indien daarbij hun onpartijdigheid in
                            het geding kan zijn. Zij laten zich zo nodig vervangen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Openbaarheid zitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De zitting van de commissie is openbaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De deuren kunnen worden gesloten indien de voorzitter van de
                                commissie of een van de aanwezige leden het nodig oordeelt of indien
                                een belanghebbende daartoe een verzoek doet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de commissie vervolgens beslist dat gewichtige redenen
                                aanwezig zijn die zich tegen openbaarheid van de zitting verzetten,
                                vindt de zitting plaats achter gesloten deuren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Schriftelijke verslaglegging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verslag als bedoeld in artikel 7:7 Awb vermeldt de namen van de
                                aanwezigen en hun hoedanigheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer
                                is gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de zitting geheel of gedeeltelijk achter gesloten deuren
                                plaatsvond, of indien belanghebbenden, respectievelijk hun
                                gemachtigden niet in elkaars tegenwoordigheid zijn gehoord, maakt
                                het verslag hiervan melding.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden,
                                die aan het verslag kunnen worden gehecht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris
                                van de commissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Nader onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien na afloop van de zitting maar voordat het advies wordt
                                opgesteld, nader onderzoek wenselijk blijkt te zijn, kan de
                                voorzitter uit eigen beweging of op verlangen van de andere
                                commissieleden dit onderzoek houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in afschrift
                                aan de leden van de commissie, het verwerend orgaan en de
                                belanghebbenden toegezonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De leden van de commissie, het verwerend orgaan en de
                                belanghebbenden kunnen binnen een week na verzending van de nadere
                                informatie aan de voorzitter van de commissie een schriftelijk
                                verzoek richten tot het beleggen van een nieuwe hoorzitting. De
                                voorzitter beslist op zo'n verzoek.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op een nieuwe hoorzitting zijn de bepalingen in deze verordening die
                                betrekking hebben op de hoorzitting, zo veel mogelijk van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Raadkamer en advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over het
                                door haar uit te brengen advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te
                                brengen advies.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien bij een stemming de stemmen staken, beslist de stem van de
                                voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding gemaakt
                                indien die minderheid dat verlangt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te nemen
                                beslissing op het bezwaarschrift.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het advies wordt door de voorzitter en de secretaris van de
                                commissie ondertekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Uitbrengen advies en verdaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het advies wordt, onder medezending van het verslag, bedoeld in
                                artikel 15 en eventueel door de commissie ontvangen nadere
                                informatie en nader verslag, tijdig uitgebracht aan het
                                bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te beslissen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van de voorzitter van de commissie de
                                termijn van 12 weken, genoemd in artikel 7:10, eerste lid, van de
                                Awb, ontoereikend is voor achtereenvolgens het uitbrengen van een
                                advies en het nemen van een beslissing, verzoekt hij het verwerend
                                orgaan tijdig de beslissing te verdagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van een besluit tot verdaging ontvangen de commissie en de
                                belanghebbenden een afschrift.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>verslag</titel></kop><al>De commissie brengt tweejaarlijks vóór 1 juli aan de bestuursorganen van
                            de gemeente verslag uit van haar werkzaamheden in de voorafgaande twee
                            kalenderjaren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Bekendmaking, inwerkingtreding en citeertitel.</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening wordt bekendgemaakt in de Regiodiek van de
                                    gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juni 2011.Tezelfdertijd
                                    wordt de Verordening Adviescommissie bezwaarschriften van
                                    september 2002 ingetrokken.</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening
                                    Adviescommissie bezwaarschriften 2010. </al></li></lijst><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 21 april 2011</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>MvdH</ondertekening><ondertekening>Malden, 21 april 2011</ondertekening><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD;</ondertekening><ondertekening>De raadsgriffier,</ondertekening><ondertekening>L.Bosland.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>drs. J. van Zomeren.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>MvdH</ondertekening><ondertekening>BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN HEUMEN;</ondertekening><ondertekening>De secretaris,</ondertekening><ondertekening>drs. J. Wijnia</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>drs. J. van Zomeren</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>MvdH</ondertekening><ondertekening>BURGEMEESTER VAN HEUMEN;</ondertekening><ondertekening>P.Mengde.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting</tussenkop><al>Deze verordening geeft een uitwerking van de behandeling van bezwaarschriften
                    door een adviescommissie. Om een volledig beeld te krijgen van de procedure die
                    moet worden gevolgd bij de behandeling van een bezwaarschrift is het
                    noodzakelijk om de bepalingen uit de Awb en de verordening naast elkaar te
                    plaatsen. In de onderstaande artikelsgewijze toelichting zijn zo veel mogelijk
                    onderdelen uit de Awb opgenomen die van belang zijn in de
                    behandelingsprocedure.</al><tussenkop>Ambtelijke commissie</tussenkop><al>Niet elke gemeente kiest voor behandeling van bezwaarschriften door een externe
                    commissie. Mogelijk is dat voor bepaalde categorieën besluiten gekozen wordt
                    voor een ambtelijke commissie. Zo kan er gekozen worden voor een systeem waarbij
                    de commissie adviseert over de ingewikkeldere bezwaarschriften, terwijl de
                    eenvoudige ambtelijk worden afgehandeld. Een ambtelijke commissie hoeft zich
                    niet te houden aan de vereisten uit artikel 7:13 Awb. Doordat niet bij de
                    bevestiging van ontvangst van een bezwaarschrift verplicht moet worden
                    medegedeeld dat een commissie zal adviseren, maar doordat in de wet is bepaald
                    dat dit zo spoedig mogelijk dient te gebeuren heeft een gemeente de tijd en
                    mogelijkheid om bezwaarschriften te scheiden. De in deze verordening opgenomen
                    bepalingen over het horen, de gang van zaken tijdens de hoorzitting en het
                    adviseren aan het bestuursorgaan kunnen ook voor een ambtelijke commissie
                    gelden. Voor het horen door een ambtelijke commissie gelden de bepalingen uit
                    artikel 7:5 Awb. De gemeente Heumen kiest voor behandeling van bezwaarschriften
                    door de vaststelling van deze verordening nadrukkelijk voor een externe
                    adviescommissie. </al><tussenkop>Bestuursorgaan</tussenkop><al>Sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 19 maart
                    2003, LJN AF6023. is duidelijk dat de bezwaarschriftencommissie niet alleen een
                    adviescommissie is maar ook een bestuursorgaan. In deze Verordening zijn regels
                    opgenomen met betrekking tot de adviestaak van de commissie. De raad, het
                    college en de burgemeester stellen de commissie in en hebben daarmee zeggenschap
                    over de wijze waarop de commissie haar adviestaak uitoefent. Zo kunnen afspraken
                    met de commissie worden gemaakt over de termijnen waarbinnen de
                    bezwaarschriftencommissie advies uitbrengt. In het kader van de Wet dwangsom en
                    beroep is het van belang dat de commissie op tijd adviseert, zodat ook tijdig
                    een beslissing op het ingediende bezwaar kan worden genomen.</al><al>De raad, het college en de burgemeester hebben geen zeggenschap over de
                    uitoefening van de bevoegdheden door de commissie als
                        bestuursorgaan<cursief>.</cursief></al><al>Er is een aantal mogelijkheden denkbaar waarbij de commissie als bestuursorgaan
                    optreedt. Dit is het geval als er een verzoek op grond van de Wet openbaarheid
                    bestuur (Wob) of Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) wordt ingediend of
                    indien er een klacht wordt ingediend.</al><al>Op grond van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in
                    documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuurorgaan of
                    een onder verantwoordelijkheid van een bestuurorgaan werkzame instelling, dienst
                    of bedrijf.</al><al>De commissie dient te beslissen op Wob verzoeken om documenten die onder haar
                    berusten. Het gaat dan om alle documenten die vanuit de commissie worden
                    verzonden en om alle documenten die aan de commissie zijn gericht.</al><al>Ook is de bezwaarschriftencommissie verantwoordelijk voor de verwerking van
                    persoonsgegevens in de zin van de Wbp. De verwerking van persoonsgegeven in het
                    kader van de behandeling van bezwaarschriften vindt plaats onder
                    verantwoordelijkheid van de commissie. Voor het recht op inzage en het recht op
                    verbetering, aanvulling, verwijdering en afscherming (artikel 35 en 36 Wbp) zal
                    de belanghebbende zich tot de commissie moeten richten. </al><al>Op basis van artikel 9:1 Awb kan een ieder een klacht indienen over de wijze
                    waarop het bestuursorgaan of een onder de verantwoordelijkheid van dat orgaan
                    werkzame persoon zich in een concrete situatie jegens de klager of iemand anders
                    heeft gedragen. Dit betekent dat niet alleen klachten over de commissie als
                    geheel, over een commissielid maar ook klachten over de secretaris moeten worden
                    afgedaan door de commissie zelf.</al><tussenkop>Vierde tranche Awb</tussenkop><al>Op 1 juli 2009 trad de vierde tranche van de Awb in werking. Deze tranche
                    beslaat 3 onderwerpen:</al><al>algemene regels voor betaling en inning van schulden (bestuursrechtelijke
                    geldschulden)</al><al> bestuurlijke handhaving, in het bijzonder de bestuurlijke boete</al><al> attributie van bevoegdheden aan ambtenaren</al><al>De vierde tranche heeft verder weinig gevolgen voor de werkzaamheden van de
                    bezwaarschriftencommissie. Wellicht leidt deze aanvulling van de Awb tot een
                    toename van het aantal bezwaarschriften. Op dit moment is daar echter nog weinig
                    over bekend.</al><tussenkop>Wet dwangsom en beroep</tussenkop><al>Op 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep, eveneens aanvulling en daarmee
                    onderdeel van de Awb, in werking getreden. Voor de bezwaarschriftencommissie is
                    deze wet op 2 punten van belang.</al><al>Allereerst is met de inwerkingtreding van deze wet de beslistermijn voor een
                    bezwaarschrift verruimd. De termijn begint nu niet meer te lopen vanaf het
                    moment dat een bezwaar wordt ingediend maar vanaf het moment dat de
                    bezwaartermijn van het besluit is afgelopen. Deze regeling ziet op die gevallen
                    waarbij er meerdere bezwaren tegen 1 besluit worden ingediend, het is nu
                    mogelijk om deze gelijk te behandelen. Voorheen was het mogelijk dat er ruim 5
                    weken zat tussen het eerste ingediende bezwaarschrift en het laatste, waardoor
                    het lastig was op tijd het 1<sup>e</sup> bezwaarschrift af te handelen.</al><al>Daarnaast is de beslistermijn indien er een commissie is, verlengd van 10 naar
                    12 weken en de mogelijkheid om te verdagen van 4 naar 6 weken.</al><al>Wordt er niet op tijd een besluit genomen door het bestuursorgaan dan is het
                    mogelijk dat de bezwaarde een dwangsom aanvraagt. Dit proces wordt gestart door
                    het sturen van een ingebrekestelling. Dan heeft het bestuursorgaan nog twee
                    weken de tijd om het besluit te nemen. Gebeurt dit niet dan gaat automatisch de
                    dwangsom lopen, per dag, met een maximum van 42 dagen wat staat voor een bedrag
                    van €1260, -. Tegelijk met de ingebrekestelling kan er beroep worden ingesteld
                    bij de rechter. De rechter kan ook een passende dwangsom opleggen.</al><al>De Wet dwangsom en beroep zorgt ervoor dat bestuursorganen hun interne processen
                    goed inrichten zodat op tijd besluiten genomen kunnen worden. De
                    bezwaarcommissie maakt onderdeel uit van het proces om tot een beslissing op
                    bezwaar te komen. Het ligt voor de hand dat er afspraken worden gemaakt tussen
                    bestuursorgaan en commissie. Voor de commissie is het belangrijk dat zij zo snel
                    mogelijk de dossiers behorende bij het bezwaarschrift ontvangen van de
                    ambtelijke organisatie, voor het bestuursorgaan is het van belang dat de
                    commissie haar adviezen op tijd aanlevert.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting op de verordening
                    Adviescommissie bezwaarschriften 2010</tussenkop><al>In de aanhef van de regelgeving is bepaald dat de bestuursorganen van de
                    gemeente, de raad, het college en de burgemeester, ieder voor zover het hun
                    bevoegdheden betreft, besluiten de verordening vast te stellen. Duidelijk is dat
                    de raad de verordenende bevoegdheid heeft. Het college en de burgemeester hebben
                    deze bevoegdheid niet, maar nemen hiermee het besluit tot het instellen van de
                    Adviescommissie bezwaarschriften. Op deze manier is het mogelijk dat de
                    bestuursorganen samen een en dezelfde commissie instellen om te adviseren over
                    bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester. De
                    ondertekening gebeurt eveneens door de drie bestuursorganen.</al><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepaling</tussenkop><al>In dit artikel zijn slechts die begripsbepalingen opgenomen die niet in de Awb
                    voorkomen. Zo ontbreekt er een omschrijving van het begrip 'bestuursorgaan'
                    hoewel dat op meerdere plaatsen in de verordening voorkomt. Het bestuursorgaan
                    dat het bestreden besluit heeft genomen, wordt in de verordening aangeduid als
                    'verwerend orgaan'. Dit kan de gemeenteraad betreffen, het college van
                    burgemeester en wethouders, de burgemeester of een commissie waaraan via
                    delegatie bepaalde bevoegdheden van de hiervoor genoemde bestuursorganen zijn
                    overgedragen.</al><tussenkop>Artikel 2. Inleidende bepaling commissie</tussenkop><al>In de algemene toelichting is de keuze ver(ant)woord voor het horen en adviseren
                    door een gemeentelijke commissie. Deze commissie wordt via deze inleidende
                    bepaling als zodanig geïntroduceerd. In artikel 1:5 van de Awb is omschreven wat
                    onder het maken van bezwaar dient te worden verstaan.</al><al>In het tweede lid worden bezwaarschriften die betrekking hebben op een zo
                    specifieke materie of voor onderwerpen waarover zulke grote aantallen
                    bezwaarschriften te verwachten zijn, uitgesloten van de reikwijdte van de
                    Adviescommissie bezwaarschriften. Daarbij kan worden gedacht aan sociale zaken
                    (WMO), personeelszaken en aan belastingzaken en WOZ-zaken. De eerste zaken
                    worden niet uitgesloten. De tweede wel en over de twee laatstgenoemde zaken
                    dient opgemerkt te worden dat de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de WOZ
                    afwijkende of aanvullende bepalingen bevatten over beslistermijnen, het horen en
                    de geheimhouding. In verband daarmee en vanwege het feit dat nagenoeg de gehele
                    belastingenheffing en WOZ -zaken naar de gemeente Beuningen zijn overgeheveld is
                    ervoor gekozen deze uit te zonderen.</al><tussenkop>Artikel 3. Samenstelling van de commissie</tussenkop><al>Het eerste lid verwijst naar de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 7:13
                    van de Awb.</al><al>De wet stelt als minimale eisen aan de samenstelling van een
                    adviescommissie:</al><lijst><li nr="1."><al>De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden
                            (artikel 7:13, eerste lid, onder a, van de Awb)</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter maakt geen deel uit en is niet werkzaam onder
                            verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan (artikel 7:13, eerste lid,
                            onder b, van de Awb)</al></li></lijst><al>In artikel 84, tweede lid van de Gemeentewet is een uitzondering opgenomen voor
                    bezwaar- en klachtcommissies voor wat betreft het uitgangspunt dat leden van de
                    raad geen lid mogen zijn van een door het college of de burgemeester ingestelde
                    commissie.</al><al>Het is dus mogelijk dat een raadslid voorzitter of lid is van een
                    bezwaarschriftencommissie. Wel staat dit ter discussie. In een dualistisch
                    stelsel ligt het niet voor de hand dat een raadslid onderdeel uitmaakt van een
                    adviescommissie welke voornamelijk adviseert over genomen collegebesluiten.
                    Begin 2009 heeft de staatssecretaris van het ministerie van Binnenlandse Zaken
                    en Koninkrijksrelaties de 'Staat van de dualisering' aan de Tweede Kamer
                    aangeboden. Daarin wordt een stand van zaken geschetst rond het proces van
                    dualisering in het lokaal bestuur. De staatssecretaris geeft hierin aan dat zij
                    de mogelijkheid dat raadsleden lid kunnen zijn van een adviescommissie
                    bezwaarschriften uit de Gemeentewet wil schrappen. De staatssecretaris vindt dit
                    een onzuiver element in de verhouding tussen raad en college, omdat het geen
                    raadswerk betreft. Raadsleden krijgen op deze manier indirect de kans om op de
                    stoel van het dagelijks bestuur te gaan zitten, terwijl de politieke
                    verantwoording en controle via de raad hoort te lopen.</al><al>Er is gekozen voor een adviescommissie die volledig bestaat uit leden die geen
                    deel uitmaken van en niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het
                    bestuursorgaan.In het tweede lid is dan ook bepaald dat de voorzitter
                    en de leden van de commissie geen deel kunnen uitmaken van of werkzaam zijn
                    onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan.</al><al>Bij de beantwoording van de vraag voor welke samenstelling van de commissie
                    wordt gekozen , moet voor ogen worden gehouden welk doel met de commissie wordt
                    nagestreefd. In de eerste plaats moeten de personen die de commissie vormen in
                    die mate inhoudelijk vakkundig zijn dat er van de commissie goede adviezen te
                    verwachten zijn. Hierbij kan gedacht worden aan personen die op zijn minst
                    affiniteit hebben met wat er speelt bij de desbetreffende overheid, maar met
                    name ook aan deskundigen op het gebied van geschillenbeslechting (juristen). De
                    leden van de commissie moeten gevoel hebben voor politieke en bestuurlijke
                    verhoudingen. De taak van de commissie is immers een bestuurlijke heroverweging,
                    die naast de toetsing van rechtmatigheid toetsing van de doelmatigheid
                    omvat.</al><al>Door de bepaling in het eerste lid delegeert de raad de benoeming van
                    commissieleden aan het college. Het college is hiermee ook het orgaan dat indien
                    nodig het functioneren van de leden van de commissie evalueert. Indien een lid
                    van de commissie niet naar behoren functioneert is het in eerste instantie de
                    commissie die hierop actie zal ondernemen,het is immers een zelfstandig
                    bestuursorgaan. De voorzitter zal hierbij een rol spelen. Mocht een commissielid
                    niet zelf ontslag nemen dan is het uiteindelijk aan het college om op te treden.
                    Het ligt voor de hand dat voordat een dergelijke stap wordt genomen er diverse
                    gesprekken hebben plaatsgehad en dat er een dossier is gevormd. Bij de
                    bevoegdheid van het college om een lid te schorsen kan gedacht worden aan een
                    situatie waarbij het functioneren van een commissielid wordt onderzocht en deze,
                    hangende het overleg hierover, wordt geschorst.</al><al>Op 22 juli 2009 heeft de Raad van State uitspraak gedaan inzake het ontslag door
                    het college van leden van een bezwaarschriftencommissie, aanleiding was een
                    vertrouwensbreuk (gepubliceerd in JB 2009, 216). Met name in de uitspraak van de
                    Rechtbank, minder in die van de Afdeling, wordt ingegaan op de bevoegdheid van
                    het college om leden van de bezwaarschriftencommissie te ontslaan wegens een
                    vertrouwensbreuk. De commissie heeft als adviseur in zekere mate een
                    onafhankelijke rol ten opzichte van het college en daarom dient aan de commissie
                    ruimte te worden gelaten om op verantwoorde wijze invulling aan haar
                    onderzoeksbevoegdheden te geven. Het college mag daarom niet te lichtvaardig met
                    de ontslagbevoegdheid omspringen omdat anders de schijn zou kunnen ontstaan dat
                    een commissie(lid) aan de kant wordt geschoven vanwege een voor het
                    bestuurorgaan onwelgevallig standpunt. Tegelijkertijd is de commissie een
                    adviserend orgaan en ligt de eindverantwoordelijkheid voor de beslissing op het
                    bezwaar bij het bestuursorgaan. In verband hiermee achtte de Rechtbank en ook de
                    Afdeling het ontoelaatbaar dat de commissie het initiatief nam tot een
                    bemiddelingspoging door een derde, terwijl verweerder al had laten blijken niets
                    te voelen voor een dergelijke oplossing. Het feit dat de commissieleden voor een
                    periode van vier jaar worden benoemd doet niet ter zake; indien sprake is van
                    een vertrouwensbreuk is ontslag mogelijk.</al><tussenkop>Artikel 4. Secretaris</tussenkop><al>Hoewel in de Awb nergens over een secretaris wordt gesproken, is het
                    gebruikelijk dat een commissie beschikt over een secretaris ter ondersteuning
                    van de werkzaamheden.</al><tussenkop>Artikel 5. Zittingsduur</tussenkop><al>Deze bepaling is gewijzigd ten opzichte van de vorige verordening uit 2002. In
                    de vorige verordening was bepaald dat de zittingsduur van de commissie gelijk
                    liep met de zittingstermijn van de raad. Dat heeft alleen een functie als
                    raadsleden lid van de commissie zijn. In de toelichting op artikel 3 is
                    aangegeven dat dit, hoewel juridisch (nog) mogelijk geen gewenste situatie
                    is.</al><al>Door deze wijziging is de continuïteit bij de commissie beter gewaarborgd, omdat
                    het niet meer zo is dat op één moment de hele commissie opstapt (demissionair
                    is). Voor de zittingsduur van vier jaar is gekozen omdat dit door diverse
                    gemeenten in hun verordening wordt gebruikt. Uiteraard kan hier een andere
                    termijn worden bepaald. Dit geldt ook voor de (on)mogelijkheid tot
                    herbenoeming.</al><al>Een lid kan bij zijn ontslag zelf het tijdstip van dat ontslag bepalen. Het kan
                    ook een later tijdstip kiezen om zodoende eventueel nog bij de afhandeling van
                    lopende zaken betrokken te kunnen zijn. De bepaling van het derde lid is van
                    orde. Een ontslagnemend lid kan niet gedwongen worden ook feitelijk de functie
                    te blijven vervullen.</al><tussenkop>Artikel 6. Ingediend bezwaarschrift</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>In de Awb wordt uitgebreid aandacht geschonken aan de wijze waarop een
                    bezwaarschrift ingediend moet worden en de daarmee samenhangende
                    ontvankelijkheidsvragen. Hieronder wordt beknopt aangegeven welke onderwerpen in
                    de Awb aan de orde komen:</al><lijst><li nr="a."><al>Vereisten te stellen aan het bezwaarschrift (artikel 6:5).</al></li><li nr="b."><al>De indieningstermijn (artikel 6:7 tot en met 6:12):</al><lijst><li nr="1."><al>De indieningstermijn bedraagt zes weken (artikel 6:7).</al></li><li nr="2."><al>De indieningstermijn vangt aan met ingang van de dag na die
                                    waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt
                                    (artikel 6:8).</al></li><li nr="3."><al>De ontvangsttheorie (artikel 6:9, eerste lid) of een combinatie
                                    van de verzend- en ontvangsttheorie is van toepassing (artikel
                                    6:9, tweede lid).</al></li><li nr="4."><al>Regeling voor de ontvankelijkheid van te vroeg of te laat
                                    ingediende bezwaarschriften (artikel 6:10 en 6:11).</al></li><li nr="5."><al>Bezwaar dat gericht is tegen het niet-tijdig nemen van een
                                    besluit, is niet aan een termijn gebonden (artikel 6:12).</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>De procedure na ontvangst van een bezwaarschrift (artikel 6:14 tot en
                            met 6:15):</al><lijst><li nr="1."><al>Schriftelijk bevestigen van de ontvangst door het orgaan waarbij
                                    het bezwaarschrift is ingediend. Hierbij kan worden vermeld dat
                                    een commissie over het bezwaar zal adviseren. Dit kan ook in een
                                    later stadium: zie ook de opmerkingen in paragraaf 3 onder
                                    ambtelijke commissie (artikel 6:14).</al></li><li nr="2."><al>Doorzendplicht (artikel 6:15).</al></li></lijst></li></lijst><al>Over de ontvangstbevestiging wordt nog opgemerkt dat naast verzending per post
                    ook uitreiking van een ontvangstbewijs in aanmerking komt. Het ontvangstbewijs
                    kan samenvallen met de mededeling aan de indiener dat hij in de gelegenheid
                    wordt gesteld te worden gehoord, mits de mededeling spoedig na de ontvangst van
                    het bezwaarschrift kan worden gedaan.</al><al>Het verdient aanbeveling om bij grensgevallen naast aantekening van de datum van
                    ontvangst op het bezwaarschrift, de envelop waarin het is verzonden te bewaren.
                    Dit is gezien het belang van de datum van de poststempel en ter voorkoming van
                    onnodige geschillen over de ontvankelijkheid (zie artikel 6:9 van Awb). Een per
                    fax verzonden bezwaarschrift dient vóór 24.00 uur van de laatste dag van de
                    termijn te zijn ingediend. Op grond van jurisprudentie moet het faxen zijn
                    aangevangen vóór 24.00 uur. Het risico van storingen in zowel de zendende als de
                    ontvangende faxapparatuur is voor de verzender (ABRS 16 mei 2000, AB 00/325).
                    Een bezwaarschrift verzenden per e-mail is ook mogelijk. Wel is het zo dat het
                    bestuursorgaan deze weg expliciet moet openstellen (art.2:15 van de Awb). Dit
                    geeft de gemeente ook de mogelijkheid om een apart e-mail adres in te richten
                    voor de ontvangst van bezwaarschriften. Indien een bezwaarde per e-mail een
                    bezwaarschrift heeft ingediend terwijl het bestuursorgaan deze mogelijkheid niet
                    heeft toegestaan, dan dient het bestuursorgaan de verzender op de hoogte te
                    brengen dat deze manier niet mogelijk is en de verzender te verzoeken het
                    bezwaarschrift alsnog op de voorgeschreven wijze te versturen. Een per e-mail
                    ingediend bezwaarschrift kan dus niet automatisch niet-ontvankelijk worden
                    verklaard. In Heumen is het langs elektronische wijze indienen van een
                    bezwaarschrift deze weg niet opengesteld.</al><al>Het aantekenen van de datum van ontvangst wordt in artikel 6:15 van de Awb
                    uitdrukkelijk voorgeschreven indien het bezwaarschrift wordt ingediend bij een
                    onbevoegd bestuursorgaan of een onbevoegde administratieve rechter. Dit heeft
                    betekenis voor de vraag of het geschrift tijdig bij de bevoegde instantie is
                    ingediend. Ingevolge het derde lid van artikel 6:15 van de Awb dient namelijk de
                    bevoegde instantie het doorgezonden geschrift als tijdig ingediend te beschouwen
                    indien de indiening bij de onbevoegde instantie tijdig is geschied, tenzij
                    belanghebbende kennelijk misbruik heeft gemaakt van zijn procesrecht (derde lid,
                    zoals gewijzigd bij de Eerste evaluatiewet Awb, in werking getreden op 1 april
                    2002). Hiervan is bijvoorbeeld sprake als belanghebbende bij herhaling willens
                    en wetens een bezwaarschrift bij het verkeerde bestuursorgaan indient. Wanneer </al><al>het derde lid geen toepassing vindt, is de ontvangst bij het bevoegd orgaan
                    beslissend. Er zal dan meestal sprake zijn van verwijtbaar handelen van de
                    indiener die daarvoor zelf het risico loopt. In beginsel moet doorzending binnen
                    twee weken plaatsvinden. Gebeurt dit niet, dan komt dit niet voor risico van
                    belanghebbende.</al><al>Met dit artikel wordt de daadwerkelijke behandeling van een ingediend
                    bezwaarschrift door de commissie gestart. In verband met de voor de afhandeling
                    geldende termijn verdient het aanbeveling aan het hier gestelde (zo spoedig
                    mogelijk) ook daadwerkelijk te voldoen. Eventueel kunnen deze woorden vervangen
                    worden door een concrete aanduiding, bijvoorbeeld: [... met de daarbij
                    overgelegde stukken worden binnen twee weken in handen van de commissie
                    gesteld.</al><al>De in artikel 7:13, tweede lid, van de Awb bepaalde melding dat een commissie
                    over het bezwaar zal adviseren, is van belang omdat hierdoor de beslistermijn
                    van zes weken wordt verlengd tot twaalf weken met een mogelijkheid tot verdagen
                    van zes weken (artikel 7:10, derde lid, van de Awb). Wellicht ten overvloede
                    wordt hier opgemerkt dat het aanbeveling verdient indieners al in een zo vroeg
                    mogelijk stadium op de hoogte te brengen van de te volgen procedure.</al><tussenkop>Artikel 7. Bemiddeling</tussenkop><al>Alternatieve geschillenbeslechting wordt bij de meeste bestuursorganen en
                    rechtbanken op een bepaalde manier toegepast. Veel voorkomende vormen zijn
                    (pre)-mediation of een andere aanpak.</al><al>Bij de andere aanpak wordt vaak na ontvangst van het bezwaarschrift meteen
                    gebeld naar de bezwaarde. Op deze manier kunnen misverstanden worden rechtgezet,
                    het besluit nader worden toegelicht etc. Dit kan leiden tot een intrekking van
                    het bezwaarschrift. Dit laatste al dan niet ingegeven door de herziening van het
                    bestreden besluit.</al><al>Mediation is een formelere vorm. Hierbij kan onder begeleiding van een mediator
                    naar een oplossing gezocht worden waarmee beide partijen uit de voeten kunnen.
                    Belangrijk is dat beide partijen deze stap nemen en afspraken die hierbij horen
                    worden formeel in een overeenkomst vastgelegd.</al><al>De keuze om al dan niet tot mediation over te gaan is aan het bestuursorgaan,
                    dat ook de grenzen van de onderhandelingsruimte dient vast te stellen. Omdat er
                    door en /of namens de Commissie in de Heumense praktijk al een aantal jaren
                    gebruik wordt gemaakt van de bovengenoemde (pre)-mediation of ander aanpak wordt
                    deze bepaling toegevoegd. Het is de commissie en/of namens deze de secretaris
                    die na ontvangst van een bezwaarschrift kan beoordelen of een bemiddelingspoging
                    zinvol is. In de praktijk zal de secretaris een initiërende rol hebben om een
                    bemiddelingsvoorstel zowel bij de commissie als de behandelende afdeling voor te
                    leggen.</al><al>Door deze bepaling is procedureel vastgelegd dat een bemiddelingspoging mogelijk
                    is in het bezwaarschriftenproces. Door de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig
                    beslissen is het van belang dat, indien er gesproken wordt over mogelijke
                    oplossingen buiten de bezwaarschrift- procedure om, formeel wordt vastgelegd dat
                    de beslistermijn van het bezwaarschrift wordt opgeschort tot het moment dat aan
                    de secretaris wordt meegedeeld wat de uitkomst van de bemiddelingspoging
                    is.</al><tussenkop>Artikel 8. Uitoefening bevoegdheden</tussenkop><al>Ingevolge artikel 7:13 van de Awb beslist de commissie over onder andere de
                    toepassing van artikel 7:4, zesde lid, en 7:5, tweede lid, van de Awb. Dit
                    uitdrukkelijke voorschrift maakt het niet mogelijk dat deze bevoegdheid door de
                    voorzitter (of een ander lid) van de commissie wordt uitgeoefend. De hiervoor
                    aangehaalde bepalingen zijn in dit artikel dan ook niet genoemd.</al><al>De in dit artikel aangehaalde artikelen of artikelleden van de Awb luiden als
                    volgt.</al><tussenkop>Artikel 2:1, tweede lid</tussenkop><al>Een bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging
                    verlangen.</al><tussenkop>Toelichting:</tussenkop><al>Deze bepaling is facultatief geformuleerd: de voorzitter is dan ook vrij al dan
                    niet van deze bevoegdheid gebruik te maken.</al><tussenkop>Artikel 6:6</tussenkop><al>Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet
                    gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, kan
                    dit niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft
                    gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.</al><tussenkop>Toelichting:</tussenkop><al>De termijn waarbinnen het verzuim dient te worden hersteld, wordt vastgesteld
                    door de voorzitter. Er is van afgezien in de verordening een vaste termijn
                    daarvoor op te nemen omdat het niet goed mogelijk is in algemene zin voor alle
                    gevallen aan te geven hoe lang deze termijn zou moeten zijn. Uitgangspunt is wel
                    dat er sprake moet zijn van een redelijke termijn (in de meeste gevallen kan met
                    een termijn van twee weken (na het einde van de bezwaartermijn) worden
                    volstaan). Enerzijds moet de indiener een reële mogelijkheid worden geboden het
                    geconstateerde verzuim te herstellen; anderzijds moet het niet zo zijn dat door
                    een langere termijn de procedure wordt vertraagd. Uit jurisprudentie over
                    belastingen valt af te leiden dat na het bieden van een hersteltermijn, bij of
                    na afloop van die termijn ook nog gerappelleerd dient te worden.</al><al>Een zorgvuldige formulering van de brief waarin gewezen wordt op het verzuim en
                    waarin de termijn wordt gesteld waarbinnen het verzuim moet worden hersteld, is
                    noodzakelijk. Er zal duidelijk aangegeven moeten worden welke consequentie
                    verbonden is aan het niet - voldoen aan deze verplichting. Dit volgt ook uit de
                    facultatieve wijze waarop artikel 6:6 van de Awb is geformuleerd voor het gevolg
                    van het in verzuim zijn: het bezwaarschrift 'kan” niet-ontvankelijk worden
                    verklaard. De uiteindelijke beslissing ligt dus bij het bestuursorgaan.</al><al>Overigens zal niet zonder meer geconcludeerd mogen worden dat er in zo'n
                    situatie sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaarschrift waardoor -
                    ingevolge artikel 7:3 van de Awb - van het horen kan worden afgezien.</al><al>Ten slotte wordt hier gewezen op artikel 7:10 van de Awb waarin voorschriften
                    zijn opgenomen voor de termijn waarbinnen op een ingediend bezwaarschrift dient
                    te worden beslist. De beslistermijn wordt namelijk opgeschort met ingang van de
                    dag waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de
                    Awb te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor
                    gestelde termijn ongebruikt is verstreken.</al><tussenkop>Artikel 6:17</tussenkop><al>Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt het orgaan dat bevoegd is op
                    het bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in elk geval
                    aan de gemachtigde.</al><tussenkop>Toelichting:</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich. Voor zover het de behandeling door de commissie
                    betreft, ligt deze taak bij de voorzitter.</al><al>Het is niet nodig om in de bezwaarfase ook de stukken aan de vertegenwoordigers
                    van de belanghebbende toe te zenden die zijn geproduceerd in de fase tussen de
                    aanvraag en het primaire besluit (CRvB 24 juni 1997, JB 1997/196).</al><al>Artikel 7:4, vierde lid, van de Awb staat toe om leges te heffen voor het
                    verstrekken van afschriften van de desbetreffende stukken aan de gemachtigde van
                    een belanghebbende (HR 20 september 2000, JG 2001/30).</al><tussenkop>Artikel 7:4, tweede lid</tussenkop><al>Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking
                    hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste één week voor
                    belanghebbenden ter inzage.</al><tussenkop>Toelichting:</tussenkop><al>Het inzagerecht is als een van de fundamentele waarborgen voor een goed
                    verlopende bezwaarschriftprocedure te beschouwen. Het maakt het principe van
                    hoor en wederhoor mogelijk. Het is gekoppeld aan de hoorzitting: wordt er niet
                    gehoord, dan is er ook geen sprake van een verplichte ter-inzage-legging.
                    Stukken toezenden hoeft niet, maar een verzoek van een belanghebbende om stukken
                    in te zien mag niet beperkt blijven tot de termijn van ter-inzage-legging (Rb.
                    Amsterdam, 8 augustus 1995, Awb katern 1996, 19).</al><tussenkop>Artikel 7:6, vierde lid</tussenkop><al>Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende,
                    toepassing van het derde lid achterwege laten, voorzover geheimhouding om
                    gewichtige redenen is geboden [...].</al><al>Het derde lid van dit artikel luidt:</al><al>Wanneer belanghebbenden afzonderlijk zijn gehoord, wordt ieder van hen op de
                    hoogte gesteld van het verhandelde tijdens het horen buiten zijn
                    aanwezigheid.</al><tussenkop>Toelichting</tussenkop><al>In het tweede lid van artikel 7:6 van de Awb wordt de mogelijkheid gegeven om de
                    belanghebbenden afzonderlijk te horen. Een reden om dit te doen kan zijn dat
                    tijdens het horen feiten of omstandigheden bekend zullen worden waarvan
                    geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Het vierde lid geeft aan dat in
                    dit geval de verschillende partijen niet geïnformeerd hoeven te worden over wat
                    er in de afzonderlijke hoorzittingen is besproken.</al><al>Artikel 7:10, derde lid</al><al>Dit artikel is niet in de verordening opgenomen. De beslissing om te verdagen
                    met ten hoogste 6 weken is in het Mandaatbesluit gemandateerd aan de secretaris
                    van de Adviescommissie bezwaarschriften en aan de desbetreffende hoofden van de
                    afdelingen et cetera. In de praktijk wordt vaak in de ontvangstbevestiging de
                    wettelijke beslistermijn (van 12 weken) standaard verdaagd. In Heumen is
                    uitgangspunt dat namens het bestuursorgaan - afhankelijk van waar het
                    bezwaarschrift zich bevindt - wordt verdaagd door de secretaris van de
                    Adviescommissie of door het desbetreffende hoofd van de afdeling dat het
                    bestreden besluit heeft voorbereid en genomen en tevens belast is met de
                    voorbereiding of het nemen van de beslissing op het bezwaar. </al><al>Het tweede lid, </al><al>Aan de secretaris van de commissie is in het tweede lid om praktische redenen
                    een ondertekeningsmandaat zoals bedoeld in artikel 10:11 van de Awb toegekend. </al><tussenkop>Artikel 9. Vooronderzoek</tussenkop><al>Het spreekt voor zich dat de voorzitter van de commissie er zorg voor dient te
                    dragen dat al het noodzakelijke wordt gedaan om de behandeling van het
                    bezwaarschrift voldoende voor te bereiden. Dat geldt zowel intern bij de
                    gemeente - hij krijgt de bevoegdheid alle gewenste inlichtingen in te winnen -
                    als extern. Zo moet het mogelijk zijn om met de bezwaarde in contact te treden
                    om nadere informatie in te winnen of bijvoorbeeld hem bij kennelijke
                    niet-ontvankelijkheid in overweging te geven het bezwaarschrift in te
                    trekken.</al><al>De activiteiten van de commissie of haar voorzitter bij de voorbereiding van de
                    te behandelen zaken kunnen kosten met zich meebrengen. Daarbij vallen gewone en
                    bijzondere kosten te onderscheiden. Bij gewone kosten valt te denken aan
                    bijvoorbeeld de vergoedingen voor de leden. Het inschakelen van externe
                    deskundigen zal bijzondere kosten met zich meebrengen. Deze kosten komen ten
                    laste van de gemeentebegroting. Normaal gesproken is er in de begroting voorzien
                    in de normale kosten van een commissie. Dat kan anders liggen als het om
                    bijzondere kosten gaat.</al><al>Aangezien het college belast is met de uitvoering van de begroting, ligt het
                    voor de hand dat bijzondere kosten niet gemaakt worden voordat het college de
                    gelegenheid heeft gehad dit te toetsen aan een begrotingspost. Om deze reden is
                    in onderhavige bepaling voor de kosten voor getuigen of deskundigen een
                    machtiging vooraf geïntroduceerd. Uiteraard mag het niet zo zijn dat het college
                    door zo'n toetsing het werk van de commissie frustreert en haar onafhankelijke
                    positie daardoor aantast.</al><al>In dit verband verdient ook artikel 3:7 van de Awb aandacht. Daarin is bepaald
                    dat het bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht, al dan niet op verzoek,
                    de gegevens ter beschikking stelt aan de adviseur die nodig zijn voor een goede
                    vervulling van diens taak.</al><al>Uit de hier gebezigde formulering volgt dat het ter beoordeling van het
                    bestuursorgaan blijft welke gegevens dat zullen zijn. Uit de aard van het advies
                    van de commissie vloeit evenwel voort dat dit alle op de zaak betrekking
                    hebbende gegevens zullen zijn. De commissie zal immers geen afgewogen oordeel
                    kunnen uitbrengen indien gegevens worden achtergehouden.</al><tussenkop>Artikel 10. Hoorzitting</tussenkop><al>Voor het bepaalde in het eerste lid: zie de toelichting op artikel 8 van deze
                    verordening.</al><al>Artikel 7:3 van de Awb geeft aan in welke gevallen van het horen van
                    belanghebbenden kan worden afgezien. Voor een ingediend bezwaarschrift is dat
                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is;</al></li><li nr="b."><al>het bezwaar kennelijk ongegrond is;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbenden verklaard hebben geen gebruik te willen maken van het
                            recht te worden gehoord, of</al></li><li nr="d."><al>aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere
                            belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden
                            geschaad.</al></li></lijst><al>Het tweede lid,</al><al>De bevoegdheid om van het horen af te zien wordt door de verordening toegekend
                    aan de voorzitter van de commissie. Deze beslissing is dus niet aan het
                    bestuursorgaan dat het bezwaarschrift heeft ontvangen. Dat zou overigens ook
                    niet mogelijk zijn, gelet op artikel 7:13, vierde lid, van de waarin onder
                    andere is bepaald dat de commissie, voor zover bij wettelijk voorschrift (hier
                    in dit artikellid middels deze verordening dus wel) niet anders is bepaald,
                    beslist over de toepassing van artikel van de 7:3.</al><al>Nu hier wordt gekozen voor het toekennen van deze bevoegdheid aan de voorzitter
                    van de commissie, ligt het vervolgens voor de hand dat het ook de voorzitter is,
                    die het bestuursorgaan adviseert omtrent de beslissing op het bezwaarschrift
                    (zie echter Gst, 2008 7294, 45 en Gst. 7302, 100 en 101). Een en ander doet
                    overigens niet af aan het bepaalde in artikel 17, zesde lid van deze
                    verordening. Natuurlijk staat het de voorzitter vrij, zich bij “kennelijke“
                    gevallen door de overige twee commissieleden te laten adviseren. Indien dit het
                    geval is, wordt daarvan in het advies melding gemaakt en is het daarmee tevens
                    de commissie die heeft besloten over de toepassing van artikel 7:3 van de Awb. </al><al>Ad a. en b.</al><tussenkop>Geen hoorplicht bij kennelijk ongegrond of kennelijk niet - ontvankelijk
                    bezwaar. </tussenkop><al>Van het horen kan worden afgezien, als het bezwaar kennelijk niet - ontvankelijk
                    of kennelijk ongegrond is (art. 7:3 onder a en b van de Awb). De aanduiding
                    “kennelijk” duidt er op, dat sprake moet zijn van een evidente zaak. Bij
                    kennelijk niet - ontvankelijk kan daarbij worden gedacht aan een - onverminderd
                    het bepaalde in artikel 6:9 van de Awb - buiten de termijn ingediend
                    bezwaarschrift, zonder dat daarbij blijkt van enige verzachtende omstandigheid.
                    Bij dat laatste zij vermeldt, dat daarvan niet licht sprake zal kunnen zijn. De
                    Memorie van Toelichting op artikel 7:3 (PG AwbI, blz. 333) noemt een drietal
                    voorbeelden van een kennelijk ongegrond bezwaar:</al><lijst><li nr="1."><al>Gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming aan het bezwaar is evident in
                            strijd met een wettelijk voorschrift;</al></li><li nr="2."><al>Het bezwaar richt zich tegen een beslissing welke geheel overeenkomt met
                            vast, door de rechter aanvaard, beleid;</al></li><li nr="3."><al>Het bezwaar richt zich tegen de afwijzing van een herhaald verzoek
                            zonder dat in het bezwaarschrift melding wordt gemaakt van sedert het
                            nieuwe besluit nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Dit
                            laatste voorbeeld wordt in de jurisprudentie bevestigd. Als er sprake is
                            van een herhaald verzoek (artikel 4:6 Awb) en duidelijk is dat de feiten
                            en omstandigheden die in het bezwaarschrift worden aangevoerd niet als
                            nieuwe feiten en omstandigheden kunnen worden aangemerkt, kan het horen
                            achterwege blijven (ABRvS 4 juli 2001, AB 2001, 240, m.nt. A.T.
                            Marseille).</al></li></lijst><al>Er dient bij twijfel altijd te worden gehoord en zeker met kennelijk ongegrond
                    dient terughoudend te worden omgesprongen. </al><al>Ad c. </al><al>Dit sublid spreekt voor zich. </al><al>Ad d.</al><al>Het ligt voor de hand dat indien het verwerend orgaan aan het bezwaar van
                    appellant volledig tegemoet denkt te kunnen komen, het daarover met de
                    voorzitter van de commissie contact opneemt. In dit verband wordt ook gewezen op
                    artikel 6:18 en 6:19 van de Awb. In artikel 6:18 gaat het over het tijdens het
                    aanhangig zijn van bezwaar intrekken of wijzigen van het bestreden besluit. In
                    artikel 6:19 wordt bepaald dat indien een bestuursorgaan zo'n intrekkings- of
                    wijzigingsbesluit heeft genomen, het bezwaar geacht wordt mede gericht te zijn
                    tegen het nieuwe besluit tenzij dat besluit geheel tegemoetkomt aan het
                    bezwaar.</al><al>Het derde lid,</al><al>Het bepaalde in het derde lid spreekt voor zich. In het uiteindelijk uit te
                    brengen (voorzitters)advies wordt hier nogmaals (wordt ook opgewezen in
                    ontvangstbevestiging) op teruggekomen. Dat is noodzakelijk omdat ingevolge
                    artikel 7:12, eerste lid, van de Awb bij de beslissing op een bezwaarschrift,
                    indien van het horen is afgezien, aangegeven moet worden op welke grond dat is
                    geschied.</al><tussenkop>Artikel 11. Uitnodiging zitting</tussenkop><al>Ingevolge het eerste lid van deze bepaling wordt ook het verwerend orgaan
                    uitgenodigd voor de zitting. Het is van groot belang dat dit orgaan zich ook ter
                    zitting laat vertegenwoordigen. Daarmee kan worden voorkomen dat er, vanwege de
                    inbreng van bezwaarde, een eenzijdig beeld ontstaat. Voorts is het voor een
                    externe commissie van groot belang om van bestuurlijke zijde te vernemen hoe een
                    beslissing tot stand is gekomen. Anders kan het voor de commissie moeilijk
                    worden om een goede afweging te maken.</al><al>Het verdient aanbeveling een termijn vast te stellen die ligt tussen de
                    oproeping en de zitting zelf. In het algemeen moet gedacht worden aan een
                    zodanige termijn dat de bezwaarde en de overige belanghebbenden voldoende
                    gelegenheid krijgen om zich behoorlijk op de zitting voor te bereiden.
                    Bezwaarden kunnen geattendeerd worden op de mogelijkheid om hun verweer op
                    schrift te stellen dat bij het verslag wordt gevoegd.</al><al>Gekozen is voor een termijn van twee weken, mede in verband met de termijn van
                    12 weken waarbinnen, behoudens verdaging, op het bezwaar moet zijn beslist (zie
                    artikel 7:10 van de Awb) en het bepaalde in artikel 7:4 van de Awb (zie
                    hierna).</al><al>Voorts is een regeling opgenomen over het desgevraagd wijzigen van het tijdstip
                    van de zitting. Daartoe zal binnen bekwame tijd een schriftelijk verzoek onder
                    opgaaf van gegronde redenen moeten worden ingediend. In beginsel zal niet snel
                    uitstel worden verleend. Elementen die de voorzitter bij een verzoek om uitstel
                    zal meewegen zijn: het algemeen belang (voortgang in de zaak, denk bijvoorbeeld
                    aan handhaving), het belang van eventueel derde - belanghebbenden (waaronder in
                    dit geval mede begrepen het bestuursorgaan) en de tijdigheid van het verzoek.
                    Een extra eis die aan een verzoek tot uitstel aan de verzoeker daartoe kan
                    worden gesteld is het vergewissen of eventuele derde - belanghebbenden zich in
                    dit verzoek kunnen vinden. Betrokkene dient wel tijdig uitsluitsel over zijn
                    verzoek om uitstel te krijgen. Met de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en
                    beroep bij niet tijdig beslissen is het verstandig om bij een gehonoreerd
                    verzoek, met bezwaarde af te spreken dat daarmee de beslistermijn met eenzelfde
                    periode wordt opgeschort. Een en ander dient uiteraard schriftelijk te worden
                    bevestigd.</al><al>De toelichting op dit artikel van deze verordening is ook de plaats om te wijzen
                    op het bepaalde in artikel 7:4 en 7:8 van de Awb. Het verdient aanbeveling om
                    van de inhoud van deze artikelen bij de uitnodiging van de hoorzitting
                    mededeling te doen. In Heumen wordt evenwel standaard een procesdossier gemaakt
                    van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder mede begrepen het
                    bezwaarschrift. Tezamen met een uitnodiging voor de hoorzitting wordt dit
                    procesdossier in beginsel en voor zover mogelijk, twee weken vóór de datum van
                    de hoorzitting, naar alle betrokkenen bij de zitting (de commissieleden,
                    bezwaarde, eventuele derde - belanghebbenden en de vertegenwoordiger van het
                    bestuursorgaan) verzonden. </al><al>Omdat de inhoud van deze artikelen voor zich spreekt, is ermee volstaan de tekst
                    ervan hier integraal op te nemen (zie ook de toelichting bij artikel 8).</al><tussenkop>Artikel 7:4</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Tot 10 dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken
                            indienen.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan/beroepsorgaan legt het bezwaarschrift/beroepschrift
                            en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken, voorafgaand aan
                            het horen, gedurende ten minste één week voor belanghebbenden ter
                            inzage.</al></li><li nr="3."><al>Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het
                            eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen
                            liggen.</al></li><li nr="4."><al>Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste
                            de kosten afschriften verkrijgen.</al></li><li nr="5."><al>Voor zover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van het
                            tweede lid achterwege worden gelaten.</al></li><li nr="6."><al>Het bestuursorgaan/beroepsorgaan kan, al dan niet op verzoek van een
                            belanghebbende, toepassing van het tweede lid voorts achterwege laten,
                            voor zover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van de
                            toepassing van deze bepaling wordt mededeling gedaan.</al></li><li nr="7."><al>Gewichtige redenen zijn in elk geval niet aanwezig, voor zover ingevolge
                            de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat een verzoek om
                            informatie, vervat in deze stukken, in te willigen.</al></li><li nr="8."><al>Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de
                            lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan
                            inzage van de desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een
                            gemachtigde die hetzij advocaat, hetzij arts is.</al></li></lijst><al>Volgens de parlementaire geschiedenis zal voor het aannemen van
                    geheimhoudingsredenen een sterkere grond aanwezig moeten zijn dan de in de WOB
                    opgenomen weigeringsgronden (zie ook: Rb. Den Haag, 19 februari 1996, Awb katern
                    1996, 43). In de bezwaarschriftprocedure is aangaande inzage in en geheimhouding
                    van stukken niet de WOB, maar artikel 7:4 Awb van toepassing (Rb. Alkmaar, 20
                    oktober 1997, Belastingblad 1998, 7).</al><tussenkop>Artikel 7:8</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Op verzoek van de belanghebbende kunnen door hem meegebrachte getuigen
                            en deskundigen worden gehoord.</al></li><li nr="2."><al>De kosten van getuigen en deskundigen zijn voor rekening van de
                            belanghebbende die hen heeft meegebracht.</al></li></lijst><al>Het aanwezig zijn van partijen bij het horen van getuigen in de
                    bezwaarschriftprocedure is een beginsel van goede procesorde (JG 2000/122).</al><tussenkop>Artikel 12. Quorum</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>Er is geen wettelijk bezwaar tegen het horen in het kader van de
                    bezwaarprocedure door de voorzitter of één lid van de adviescommissie die aan
                    dezelfde voorwaarden van onafhankelijkheid moet voldoen als de voorzitter,
                    terwijl advisering door de voltallige commissie heeft plaatsgevonden (ABRS 2
                    maart 2000, GS 2000/ 7119, 5). In de Gemeentestem 2008, nr. 101 is een artikel
                    verschenen van mr. H. Piefers : “<cursief>Horen en adviseren door een
                        onvolledige bezwaarschriftencommissie”.</cursief></al><tussenkop>Artikel 13. Niet-deelneming aan de
                    behandeling</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting. Zie ook artikel 2:4 van de Awb.</al><al>Ook al is de voorzitter formeel onafhankelijk, dan staat daarmee nog niet vast
                    dat automatisch ook op inhoudelijk vlak van niet-vooringenomenheid sprake is
                    (Rb. Leeuwarden 8 februari 1996, JB, 3 (1996), 100). Hetzelfde geldt voor de
                    leden van de commissie. In Heumen is het een goed commissiegebruik om bij de
                    minste twijfel - voorafgaande aan de zitting ten overstaan van partijen - aan te
                    geven of er sprake is van enige zakelijke of persoonlijke relaties met bezwaarde
                    en / of eventuele derde- belanghebbenden. Partijen worden daarbij tevens in de
                    gelegenheid gesteld aan te geven of zij in zo’n geval bezwaren hebben tegen de
                    mede advisering door een bepaald commissielid De commissie bepaalt zelf of er al
                    dan niet sprake is van voldoende afstand en onpartijdigheid van één van haar
                    leden. Een en ander wordt standaard in het verslag van de zitting opgenomen. </al><al>Ten slotte wordt opgemerkt dat er niet te snel een bepaalde relatie tussen de
                    onafhankelijke commissie c.q. haar leden en partijen moet worden aangenomen. Een
                    verzoek tot “wraking als verschoning” moet door
                    <cursief>Advies</cursief>commissie met enige terughoudendheid worden getoetst. </al><tussenkop>Artikel 14. Openbaarheid zitting</tussenkop><al>Ingevolge artikel 7:5, tweede lid, van Awb besluit het bestuursorgaan, voor
                    zover niet bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, of het horen in het
                    openbaar plaatsvindt. In artikel 7:13, vierde lid van Awb wordt deze bevoegdheid
                    aan de commissie toegekend.</al><al>In de onderhavige verordeningsbepaling is vastgelegd dat de hoorzitting in
                    beginsel in het openbaar plaatsvindt. Uitzondering op deze regel blijft
                    mogelijk, bijvoorbeeld indien bijzonder persoonlijke zaken van familiaire,
                    medische of financiële aard of andere zaken met een vertrouwelijk karakter aan
                    de orde komen.</al><al>De zitting dient te worden onderscheiden van de beraadslaging van de commissie,
                    die ingevolge artikel 16 van de verordening achter gesloten deuren
                    plaatsheeft.</al><al>Indien de bezwaarschriftencommissie adviseert over bezwaren op grond van de Wet
                    werk en bijstand kan het praktisch zijn een bepaling op te nemen waaruit
                    duidelijk wordt dat deze zittingen achter gesloten deuren plaatsvinden. Mogelijk
                    zijn er meer onderwerpen te noemen waarbij zittingen nooit openbaar zijn, zoals
                    bijv. urgentieverklaringen op grond van de huisvestingsverordening, bepaalde
                    aanvragen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning en bijvoorbeeld de
                    prostitutiebepaling(en0 uit de Algemeen Plaatselijke Verordening gemeente Heumen
                    2009. Hiermee worden problemen voorkomen indien de commissie vergeet te
                    besluiten tot een niet-openbare zitting.</al><tussenkop>Artikel 15. Schriftelijke verslaglegging</tussenkop><al>Artikel 7:7 van de Awb vereist zeer kort en bondig dat van het horen een verslag
                    wordt gemaakt. De wijze waarop en de inhoudelijke vereisten aan het verslag
                    worden niet door de Awb geregeld. Dit staat er overigens niet aan in de weg dat
                    in de verordening een vaste procedure wordt opgenomen.</al><al>Het bepaalde in het eerste lid hoeft niet zo ver te strekken dat van al het
                    aanwezige publiek naam en hoedanigheid wordt opgenomen. Wel zal uit het verslag
                    duidelijk moeten blijken wie namens welke partij aanwezig was en wat door hen
                    naar voren is gebracht.</al><al>Gezien de betekenis van de hoorzitting in het kader van de besluitvorming in de
                    bezwaarschriftenfase, ligt het voor de hand (hoewel niet voorgeschreven in de
                    Awb) dat het verslag van de zitting uiterlijk gelijktijdig met de beslissing op
                    het bezwaar aan belanghebbenden wordt toegezonden. Het verslag speelt ook een
                    rol in de raadkamer en bij het advies. Als een lid afwezig is geweest bij het
                    horen en de stemmen staken in de adviescommissie, dan hoeft bij de hernieuwde
                    behandeling in de commissie niet opnieuw gehoord te worden (CRvB, 2 april 1996,
                    AB 1997/23).</al><tussenkop>Artikel 16. Nader onderzoek</tussenkop><al>Een nader onderzoek kan feiten of omstandigheden aan het licht brengen die op
                    het moment van de zitting nog niet bekend waren. Dit kan aanleiding zijn om
                    belanghebbenden en het verwerend orgaan opnieuw te horen. De onderhavige
                    bepaling voorziet in de mogelijkheid de commissie te verzoeken daartoe een
                    nieuwe zitting te houden. In artikel 7:9 van de Awb wordt bepaald dat indien het
                    in het hier bedoelde geval feiten of omstandigheden betreffen die voor de op
                    bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan
                    belanghebbenden wordt meegedeeld en dat zij opnieuw - bij voorkeur schriftelijk
                    - in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord (rechtsbeginsel hoor en
                    wederhoor). Ook indien de nieuwe informatie niet van aanmerkelijk belang is, dan
                    kan er voor gekozen worden om de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen
                    schriftelijk te reageren. Na de hoorzitting gehouden telefoongesprekken kunnen
                    gezien worden als nader onderzoek (Nationale ombudsman 9 juli 2001, AB
                    2001/263). Een zorgvuldige procedure houdt ook in dat het bestuursorgaan zich
                    niet rechtstreeks tot de adviescommissie kan wenden zonder dat de andere
                    belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om hun standpunt dienaangaande
                    kenbaar te maken (Rb. Rotterdam, 10 november 1999, JB, 1999/311).</al><al>Een verzoek zoals bedoeld in het derde lid van de verordening zal de voorzitter
                    niet licht honoreren. Elementen die de voorzitter bij het door één der partijen
                    gedane schriftelijke verzoek zal meewegen zijn: het algemeen belang (voortgang
                    in de zaak, denk bijvoorbeeld aan handhaving), het belang van eventueel derde -
                    belanghebbenden (waaronder in dit geval mede begrepen het bestuursorgaan) en de
                    tijdigheid van het verzoek. Een extra eis die aan een verzoek tot een nieuwe
                    hoorzitting aan de verzoeker daartoe kan worden gesteld, is het vergewissen of
                    eventuele derde - belang - hebbenden zich in dit verzoek kunnen vinden.
                    Betrokkene dient wel tijdig uitsluitsel over zijn verzoek te krijgen. Met de
                    inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen is het
                    verstandig om bij een gehonoreerd verzoek, met bezwaarde af te spreken dat
                    daarmee de beslistermijn met eenzelfde periode wordt opgeschort. Een en ander
                    dient uiteraard schriftelijk te worden bevestigd.</al><tussenkop>Artikel 17. Raadkamer en advies</tussenkop><al>Zie ook de toelichting bij artikel 14. De hoorzitting is in beginsel openbaar;
                    de hier bedoelde beraadslaging vindt achter gesloten deuren plaats.</al><al>Het tweede lid, is opgenomen voor die gevallen waarin het vergaderquorum wel
                    aanwezig is, maar de commissie door afwezigheid van een of meer leden dan wel
                    hun plaatsvervangers (of als gevolg van de toepassing van artikel 13) tijdens de
                    besluitvorming uit een even aantal personen bestaat.</al><al>Het horen kan plaatsvinden door een niet-voltallige commissie (zie onder 12); de
                    advisering dient plaats te vinden door een commissie die voldoet aan de eisen
                    van artikel 7:13, eerste lid, onder a van de Awb. Hoe het advies tot stand komt,
                    is niet voorgeschreven. Schriftelijke consultatie is mogelijk (CRvB 21 oktober
                    1999, AB 2000/42 en Rb. Haarlem 5 januari 2001, ongepubliceerd, zaaknummer Awb
                    00/8620 en 00/8621).</al><al>Advisering door de voorzitter en één lid van de hoorcommissie is in strijd met
                    artikel 7:13, eerste lid, onder a van de Awb (Raad van State, Afdeling
                    bestuursrechtspraak 19-10-98, JB 1998/257). Uit het derde lid van dit artikel
                    (mogelijkheid voor de commissie om het horen op te dragen aan de voorzitter of
                    een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder
                    verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan) volgt niet dat de gehele advisering
                    kan worden opgedragen aan de voorzitter en één lid.</al><al>Een adviescommissie mag alleen adviseren: ze kan geen (gedelegeerde)
                    beslisbevoegdheid krijgen, (Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak
                    06-01-1997).</al><al>In 2002 is de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures in werking getreden. Deze
                    wet bevat een regeling voor de vergoeding van de kosten die een belanghebbende
                    maakt bij de behandeling van een door hem ingediend bezwaar- of administratief
                    beroepschrift. De bepalingen zijn opgenomen in art. 7:15, 7:28 en 8:75 van de
                    Awb. Een verzoek om vergoeding van de kosten moet worden gedaan voordat het
                    bestuursorgaan op het bezwaar of administratief beroep heeft beslist. Doorgaans
                    zal een dergelijk verzoek in het bezwaarschrift of mondeling tijdens de
                    hoorzitting worden gedaan. De bezwaarschriftencommissie adviseert in dat geval
                    ook over dit verzoek en zal aangeven of er recht is op een vergoeding en zo ja
                    over de hoogte van het vergoedingsbedrag. Dit laatste kan worden ontleend aan
                    het Besluit proceskosten bestuursrecht.</al><tussenkop>Artikel 18. Uitbrengen advies en verdaging</tussenkop><al>Volgens artikel 7:13, zesde lid van de Awb maakt in de bezwaarschriftprocedure
                    het verslag van de hoorzitting deel uit van het advies van de commissie en wordt
                    het schriftelijk uitgebracht.</al><al>De beslistermijn bedraagt ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb 12
                    weken, behoudens in het geval van opschorting of met gebruikmaking van de
                    mogelijkheid van verdaging. De onderhavige bepaling verlangt van de voorzitter
                    van de commissie dat indien hij voorziet dat de termijn als hiervoor bedoeld
                    niet wordt gehaald, hij tijdig het bestuursorgaan verzoekt de beslissing op het
                    bezwaar te verdagen. In de praktijk zal dit via de secretaris van de commissie
                    plaatsvinden (zie ook 8, tweede lid, van deze verordening). </al><al>Het besluit tot verdaging is een beschikking. Ingevolge artikel 7:14 van de Awb
                    zijn artikel 3:41 tot en met 3:45 van Awb, die de wijze van bekendmaking en
                    mededeling van besluiten regelen, in dit geval niet van toepassing. Artikel 3:40
                    van de Awb is wel van toepassing. Dit artikel bepaalt dat een besluit niet in
                    werking treedt voordat het bekendgemaakt is. Het ligt voor de hand in verband
                    hiermee ook belanghebbenden een afschrift van het verdagingsbesluit toe te
                    zenden. Naar valt aan te nemen is een besluit tot verdaging als gevolg van
                    artikel 6:3 van de Awb, niet vatbaar voor bezwaar en beroep. </al><tussenkop>Afronding van de procedure</tussenkop><al>De verordening spitst zich toe op de behandeling van bezwaarschriften en eindigt
                    er in feite mee - zie artikel 18 - dat door de commissie schriftelijk advies
                    wordt uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te
                    beslissen.</al><al>In de artikelen 7:11 en 7:12 van de Awb is geregeld wat er daarna dient te
                    gebeuren. Indien het bezwaar ontvankelijk is, dient op grondslag daarvan een
                    heroverweging van het bestreden besluit plaats te vinden. Is een bezwaarschrift
                    niet ontvankelijk, dan wordt aan heroverweging niet toegekomen. Voor zover de
                    heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het
                    bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in plaats daarvan een nieuw
                    besluit. Dit nieuwe besluit treedt daarmee in de plaats van het oorspronkelijke
                    (bestreden) besluit.</al><al>Omdat bestuursorganen in het verleden nogal eens bij de beslissing op
                    bezwaarschriften louter toetsten op rechtmatigheid is in het eerste lid van art
                    7:11 van de Awb vastgelegd dat het om een heroverweging gaat. Dat betekent dat
                    de toetsing niet beperkt moet blijven tot vragen van rechtmatigheid, maar binnen
                    de grenzen van de wet zich ook dient uit te strekken tot beleidsmatige en
                    bestuurlijke aspecten.</al><al>De heroverweging dient in beginsel ex nunc (ex tunc bij bijvoorbeeld
                    sanctiebesluiten, gedacht kan worden aan een last onder dwangsom) plaats te
                    vinden, dat wil zeggen dat rekening moet worden gehouden met inmiddels
                    gewijzigde feiten en omstandigheden. De feiten en omstandigheden van het moment
                    waarop het nieuwe besluit wordt genomen zijn van belang.</al><al>Daarnaast dient de heroverweging op grondslag van het bezwaar te geschieden.
                    Hieruit vloeit voort dat die onderdelen van het besluit die geheel los van de
                    aangevoerde bezwaren staan, in beginsel buiten beschouwing blijven. Het
                    bestuursorgaan zal daarbij de naar voren gebrachte bezwaren voldoende ruim naar
                    hun strekking moeten opvatten. Indien bijvoorbeeld tijdens de hoorzitting blijkt
                    dat deze, ondanks een beperkte omschrijving in het bezwaarschrift, ruimer
                    bedoeld zijn, dan zal daarmee rekening moeten worden gehouden.</al><al>Verder is het de bedoeling van deze bepaling dat er geen verslechtering van de
                    positie van degene die het bezwaarschrift indient tijdens de
                    bezwaarschriftprocedure mag optreden (verbod van reformatio in peius).
                    Natuurlijk staat dit er niet aan in de weg dat als een derde bezwaar maakt tegen
                    bijvoorbeeld een afgegeven vergunning, die bezwaren gehonoreerd kunnen worden.
                    Dit is het wezen van de bezwaarschriftprocedure en niet in strijd met genoemd
                    beginsel.</al><al>In artikel 7:12 van de Awb is voorgeschreven dat de beslissing op het
                    bezwaarschrift dient te berusten op een deugdelijke motivering die bij de
                    bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij is het van belang dat
                    indien van het advies van de commissie wordt afgeweken in de beslissing de reden
                    van die afwijking wordt vermeld en het advies met de beslissing wordt
                    meegezonden.</al><al>Tenslotte wordt verwezen naar artikel 6:23 van de Awb waarin wordt
                    voorgeschreven dat indien beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing op het
                    bezwaar, daarvan bij de bekendmaking van de beslissing melding wordt gemaakt.
                    Daarbij moet worden aangegeven door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan
                    beroep kan worden ingesteld.</al><tussenkop>Artikel 19. verslag</tussenkop><al>In de praktijk blijkt dat de bezwaarschriftencommissie twee jaarlijks verslag
                    uitbrengt aan de raad, het college en de burgemeester over haar werkzaamheden.
                    De invulling van dit verslag is aan de commissie gelaten. Voor de hand ligt dat
                    wordt aangegeven welke aantallen bezwaren zijn ingediend, hoeveel adviezen zijn
                    uitgebracht, wat de adviezen inhielden (niet-ontvankelijk, (deels) gegrond etc.)
                    en of het bestuursorgaan contrair heeft besloten. In geval er een klacht is
                    ingediend tegen de bezwaarschriftencommissie wordt dit in het jaarverslag
                    vermeld.</al><al>Het twee jaarlijkse verslag is ook een instrument voor de commissie om aan de
                    bestuursorganen adviezen te geven over de verbeterpunten op het gebied van
                    juridische kwaliteit.</al><tussenkop>Artikel 20. Bekendmaking, inwerkingtreding en
                    citeertitel</tussenkop><al>In artikel 139 tot en met 144 van de Gemeentewet zijn de bekendmaking en
                    inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden
                    geregeld. De bepalingen over bekendmaking en mededeling van besluiten zoals
                    opgenomen in afdeling 3.6 Awb zijn niet van toepassing op algemeen verbindende
                    voorschriften (zie artikel 3:1 Awb dat aangeeft dat op besluiten, die algemeen
                    verbindende voorschriften inhouden,van dat hoofdstuk slechts afdeling 2 tot en
                    met 4A van toepassing zijn en wel voor zover de aard van de besluiten zich
                    daartegen niet verzet). Besluiten van het gemeentebestuur die algemeen
                    verbindende voorschriften inhouden, verbinden niet dan wanneer ze bekendgemaakt
                    zijn. De bekendmaking geschiedt door plaatsing in het Gemeenteblad of in een
                    andere door de gemeente algemeen verkrijgbaar gestelde uitgave
                    (huis-aan-huisblad of plaatselijk dagblad). De citeertitel spreekt voor zich.
                    Het woordje “advies in Adviescommissie” verwijst naar - naast het horen - de
                    belangrijkste kerntaak van de commissie.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>