<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR99553_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op het onderzoeksrecht van de raad</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Haren</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-08-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Haren</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Harener Weekblad,
                16-12-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening op het onderzoeksrecht van de raad</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 155a t/m 155f</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-12-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-12-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Correcties opmaak</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>66</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op het onderzoeksrecht van de raad</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>DE RAAD DER GEMEENTE HAREN,</al><al>gelet op de artikelen 155a tot en met 155f van de Gemeentewet;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de volgende</al><al><vet>Verordening op het onderzoeksrecht van de raad</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>onderzoek:</cursief> een onderzoek als bedoeld in artikel
                                155a, eerste lid, van de Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al><cursief>onderzoekscommissie: </cursief>een commissie als bedoeld in
                                artikel 155a, derde lid van de Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Instellen van het onderzoek/onderzoekscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op voorstel van een of meer van zijn leden kan de raad besluiten een
                            onderzoek in te stellen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In de eerstvolgende raadsvergadering na dit besluit stelt de raad een
                            onderzoekscommissie in van tenminste drie leden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De raad wijst een genoegzaam aantal plaatsvervangende leden aan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij de instelling van de onderzoekscommissie stelt de raad nadere regels
                            vast met betrekking tot de rapportage van de onderzoekscommissie aan de
                            raad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Voorzitter/plaatsvervangend voorzitter</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De leden van de onderzoekscommissie kiezen uit hun midden een voorzitter
                            en een plaatsvervangend voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De voorzitter is belast met:</al><lijst><li nr="a."><al>het leiden van de beraadslaging en zitting;</al></li><li nr="b."><al>het handhaven van de orde;</al></li><li nr="c."><al>het doen naleven van bij of krachtens deze verordening gestelde
                                    regels;</al></li><li nr="d."><al>hetgeen deze verordening hem verder opdraagt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging van het lidmaatschap</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het lidmaatschap van de onderzoekscommissie eindigt indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de raad besluit tot opheffing van de onderzoekscommissie;</al></li><li nr="b."><al>een lid ophoudt lid te zijn van de raad;</al></li><li nr="c."><al>de onderzoekscommissie besluit een lid van zijn commissie te
                                    horen;</al></li><li nr="d."><al>een lid ontslag neemt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een lid van de onderzoekscommissie kan op elk moment ontslag nemen.
                            Hiervan brengt hij de raad en de voorzitter van de onderzoekscommissie
                            zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In openstaande vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De leden 1 tot en met 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            plaatsvervangende leden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Bevoegdheden van de onderzoekscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De onderzoekscommissie besluit alvorens het eerste getuigenverhoor
                            plaats vindt of getuigen uitsluitend verhoord worden na het afleggen van
                            de eed of belofte.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan buiten de in artikel 155b, eerste lid, van de
                            Gemeentewet genoemde personen tevens anderen verzoeken om medewerking
                            aan het onderzoek te verlenen. Laatstgenoemde medewerking geschiedt
                            slechts op vrijwillige basis.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan besluiten derden in te schakelen voor het
                            uitvoeren van opdrachten die zij in het kader van de onderzoeksopdracht
                            en de uitoefening van haar taak nodig acht.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan in het belang van het onderzoek in
                            beslotenheid met een ieder informatieve gesprekken voeren, welke als
                            zodanig geen onderdeel van het onderzoek uitmaken. Er bestaat hiertoe
                            geen plicht tot medewerking.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan de bovengenoemde bevoegdheden uitsluitend
                            uitoefenen indien ten minste drie van haar leden aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De onderzoekscommissie besluit met meerderheid van stemmen.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>De Verordening op de raadscommissies is niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ambtelijke bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De raad benoemt ter ondersteuning van de onderzoekscommissie een
                            commissiegriffier.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De commissiegriffier is bij iedere zitting aanwezig.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij zijn verhindering of afwezigheid wordt zijn plaats ingenomen door
                            een daartoe door de raad aangewezen vervanger.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De Verordening ambtelijke bijstand is niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Zittingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de zitting
                            en brengt die ter openbare kennis.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De voorzitter roept de leden van de onderzoekscommissie, getuigen en
                            deskundigen ten minste twee weken voor de zitting op.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Binnen drie werkdagen na verzending van de oproep kunnen de getuigen en
                            deskundigen onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het
                            tijdstip van de zitting te wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk een week
                            voor het tijdstip van de zitting aan de betrokken getuige of deskundige
                            meegedeeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Toehoorders en de pers</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op
                            de voor hen bestemde plaatsen openbare zittingen bijwonen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze
                            verstoren van de orde is verboden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De voorzitter is bevoegd, toehoorders die op enigerlei wijze de orde van
                            de vergadering verstoren, te doen vertrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Geluid- en beeldregistraties</titel></kop><al>Degenen die tijdens de zitting geluid- dan wel beeldregistraties willen
                        maken doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn
                        aanwijzingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verslaglegging zitting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De commissiegriffier draagt zorg voor de verslaglegging van de
                            zitting.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verslag vermeldt de namen van de aanwezigen en hun hoedanigheid voor
                            zover van belang.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer is
                            gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden, die
                            aan het verslag kunnen worden gehecht.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de
                            commissiegriffier.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Beraadslagingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De onderzoekscommissie beraadslaagt indien een lid dat nodig acht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De onderzoekscommissie beraadslaagt achter gesloten deuren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Afronding onderzoek</titel></kop><al>Na afronding van het onderzoek door de onderzoekscommissie worden haar
                        bevindingen voorgelegd aan de raad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening op het onderzoeksrecht
                        van de raad.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 13 december 2010.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,P.A. Lambeck MSc, griffier</ondertekening><ondertekening>mr. M. Boumans MPM, voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>RVO raad onderzoek</titel></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Het onderzoeksrecht van de raad is uitvoerig geregeld in de artikelen 155a tot
                    en met 155f van de Gemeentewet. Deze verordening, die in nauwe samenhang met de
                    artikelen uit de Gemeentewet dient te worden gelezen, bevat nadere regels met
                    betrekking tot dit onderzoeksrecht. Het onderzoeksrecht is een exclusief recht
                    van de raad dat ingevolge artikel 156, tweede lid, van de Gemeentewet niet
                    overdraagbaar is.</al><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen. </vet>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al><vet>Artikel 2 Instellen van het onderzoek. </vet>Ter verduidelijking wordt hier
                    nogmaals aangegeven dat op voorstel van leden van de raad, bij raadsbesluit, een
                    onderzoek kan worden ingesteld naar het door het college of de burgemeester
                    gevoerde bestuur. Met betrekking tot voorstellen is het bepaalde omtrent het
                    initiatiefvoorstel in artikel 36 Reglement van orde van toepassing. Indien de
                    raad tot een onderzoek besloten heeft dient in de eerstvolgende raadsvergadering
                    besloten te worden omtrent het aantal leden dat in de onderzoekscommissie plaats
                    zal nemen en welke leden dat zijn (samenstelling). De Gemeentewet bepaald
                    hieromtrent in artikel 155a, derde en vierde lid, dat de onderzoekscommissie uit
                    ten minste drie (raads)leden bestaat en dat de raad bij de samenstelling
                    zorgdraagt voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in de raad
                    vertegenwoordigde groeperingen. Omdat het denkbaar is dat hieromtrent nader
                    overleg tussen raadsfracties nodig is, is dit besluitmoment verschoven naar de
                    eerstvolgende raadsvergadering na het besluit tot het instellen van een
                    onderzoek. Omdat de onderzoekscommissie ingevolge artikel 6 van deze
                    modelverordening besluit met meerderheid van stemmen verdient het aanbeveling om
                    een oneven aantal leden te benoemen. Op deze wijze kan het staken van stemmen
                    worden voorkomen. Het derde lid voorziet in de benoeming van plaatsvervangende
                    leden. Het aantal plaatsvervangende leden is afhankelijk van de omvang van de
                    onderzoekscommissie. Omdat de uitoefening van bevoegdheden van de
                    onderzoekscommissie gekoppeld is aan de aanwezigheid van tenminste drie leden
                    kan benoeming van plaatsvervangende leden bij een omvangrijke commissie
                    achterwege blijven. Het vierde lid bepaalt dat er bij de instelling van de
                    onderzoekscommissie wordt bepaald hoe en op welk moment deze commissie aan de
                    raad rapporteert. Voorstelbaar zou zijn dat hier bepaald wordt dat de voorzitter
                    in elke raadsvergadering een kort verslag doet omtrent de vorderingen.</al><al><vet>Artikel 3 Voorzitter/plaatsvervangend voorzitter. </vet>In deze
                    modelverordening is ervoor gekozen dat de onderzoekscommissie haar voorzitter en
                    plaatsvervangend voorzitter benoemt. Het staat de raad echter vrij om te bepalen
                    dat de raad deze ‘uit zijn midden’ benoemt. De voorzitter maakt tevens deel uit
                    van de onderzoekscommissie en is derhalve niet slechts (technisch)
                    voorzitter.</al><al><vet>Artikel 4 Beëindiging van het lidmaatschap. </vet>In artikel 155a, zesde
                    lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de bevoegdheden en werkzaamheden van een
                    onderzoekscommissie niet worden geschorst door het aftreden van de raad. Nu de
                    onderzoekscommissie slechts mag bestaan uit leden van de raad brengt dat met
                    zich mee dat bij het aantreden van een nieuwe raad de samenstelling van de
                    onderzoekscommissie wel zal moeten worden aangepast. Indien een individueel lid
                    van de onderzoekscommissie ophoudt lid te zijn van de raad eindigt derhalve
                    tevens zijn lidmaatschap van eerder genoemde commissie. Voorts eindigt een
                    lidmaatschap uiteraard bij opheffing van de onderzoekscommissie en bij het nemen
                    van ontslag. De raad kan tevens, indien dit wenselijk wordt geacht, de
                    onderzoekscommissie tussentijds opheffen. Daarnaast eindigt het lidmaatschap
                    indien de onderzoekscommissie besluit een van haar leden te horen. Artikel 155c,
                    tweede lid, van de Gemeentewet bepaalt namelijk dat een getuige of deskundige
                    die door de onderzoekscommissie wordt gehoord, niet tevens lid is van de
                    onderzoekscommissie. Het bepaalde is uiteraard tevens van toepassing op de
                    plaatsvervangende leden.</al><al><vet>Artikel 5 Bevoegdheden van de onderzoekscommissie. </vet>De
                    onderzoekscommissie heeft op basis van de bepalingen uit de Gemeentewet reeds
                    een aantal bevoegdheden. Zo bepaalt artikel 155c, vijfde lid, van de Gemeentewet
                    dat de onderzoekscommissie kan besluiten dat getuigen uitsluitend worden
                    verhoord na het afleggen van een eed of belofte. Omdat het ten gevolge hiervan
                    niet mogelijk is om de ene getuige wel en de andere niet onder ede te horen is
                    in artikel 5, eerste lid, van deze verordening bepaald dat de
                    onderzoekscommissie hieromtrent een besluit neemt alvorens de eerste getuige of
                    deskundige gehoord is. Artikel 155b, eerste lid, Gemeentewet bepaalt de groep
                    van personen die verplicht zijn mee te werken aan een onderzoek en jegens wie
                    dwangmiddelen kunnen worden ingezet. Dit laat onverlet de mogelijkheid om
                    personen buiten deze groep te horen, zij het op vrijwillige basis. Deze personen
                    zijn niet verplicht om een verklaring onder ede af te leggen. Indien een
                    onderzoekscommissie derhalve bepaald heeft dat alle getuigen en deskundigen
                    onder ede gehoord worden, zijn deze personen hiervan uitgezonderd. Naast het
                    horen op vrijwillige basis kan een onderzoekscommissie ook informele
                    (informatieve) gesprekken voeren met getuigen en deskundigen, bijvoorbeeld om
                    vast te stellen of horen ter zitting nuttig is. Tenslotte bestaat de
                    mogelijkheid om, bijvoorbeeld bij gebrek aan deskundigheid, opdrachten uit te
                    besteden aan derden. Ingevolge artikel 155f Gemeentewet dient het college de
                    door de raad geraamde kosten voor een onderzoek in een bepaald jaar op te nemen
                    in de ontwerpbegroting. Voorstelbaar is dat hier tevens een post wordt opgenomen
                    met betrekking tot deze (mogelijke) inschakeling van externen. Tot het aangaan
                    van eventuele overeenkomsten met derden ter ondersteuning van de
                    onderzoekscommissie moet het college beslissen. De onderzoekscommissie kan
                    ingevolge artikel 155a, vijfde lid, Gemeentewet, de haar bij die wet verleende
                    bevoegdheden uitsluitend uitoefenen indien tenminste drie van haar leden
                    aanwezig zijn. Met betrekking tot de bevoegdheden die op basis van deze
                    verordening bestaan is gekozen voor hetzelfde regime. Er kan uiteraard bepaald
                    worden dat alle of enkele van de bevoegdheden kunnen worden uitgeoefend bij de
                    aanwezigheid van een kleiner aantal leden. Uit praktische overwegingen zou er
                    bijvoorbeeld voor gekozen kunnen worden om het voeren van informatieve
                    gesprekken ook door individuele leden mogelijk te maken. Daarnaast zegt het
                    zesde lid dat de onderzoekscommissie beslist met een meerderheid van stemmen. Om
                    deze reden wordt ook aanbevolen een oneven aantal leden te benoemen. De
                    verordening op de raadscommissies is hier buiten toepassing verklaard omdat
                    hierin zaken en bevoegdheden geregeld worden die bij het onderzoek niet
                    toepasbaar dan wel onwenselijk zijn. Hierbij valt te denken aan zaken als
                    spreekrecht voor burgers enz.</al><al><vet>Artikel 6 Ambtelijke bijstand.</vet> Artikel 155a, achtste lid, van de
                    Gemeentewet, bepaalt dat de raad, alvorens tot een onderzoek besloten wordt, bij
                    verordening nadere regels stelt met betrekking tot deze onderzoeken. Hierin
                    dienen in ieder geval regels opgenomen te worden over de wijze waarop ambtelijke
                    bijstand wordt verleend aan de onderzoekscommissie. Artikel 6 van deze
                    verordening voorziet in de benoeming van een commissiegriffier, waarmee
                    aangesloten wordt bij de modelverordening ambtelijke bijstand. Voor een nadere
                    toelichting bij dit artikel wordt naar deze verordening en bijgaande toelichting
                    verwezen. Het staat de raad uiteraard vrij om in deze verordening te bepalen dat
                    ambtelijke bijstand binnen of buiten de raadsgriffie gezocht dient te worden.
                    Het is voorstelbaar dat daartoe tijdelijke krachten van buiten worden ingehuurd
                    of dat direct een beroep wordt gedaan op het ambtelijke apparaat.</al><al><vet>Artikel 7 Zitting. </vet>Artikel 155d, eerste lid, van de Gemeentewet
                    voorziet in de schriftelijke oproeping van getuigen en deskundigen die ter
                    zitting dienen te verschijnen. Deze zitting dient te worden onderscheiden van de
                    beraadslaging van de onderzoekscommissie, die ingevolge artikel 11 van de
                    verordening achter gesloten deuren plaatsheeft. Op de zitting vinden de verhoren
                    van getuigen en deskundigen plaats ex artikel 155c, zesde lid, van de
                    Gemeentewet en zijn in beginsel openbaar. De onderzoekscommissie kan ingevolge
                    artikel 155c, zevende lid, van de Gemeentewet om gewichtige redenen echter
                    besluiten dat een verhoor of een gedeelte ervan niet in het openbaar
                    plaatsvindt. De leden bewaren geheimhouding over hetgeen hen tijdens een
                    besloten zitting ter kennis komt. De redenen om besloten te vergaderen zijn
                    hierbij anders dan die genoemd in artikel 86, eerste lid, van de
                    Gemeentewet.</al><al>In artikel 86, eerste lid, wordt immers gesproken over belangen als bedoeld in
                    artikel 10 Wet openbaarheid van bestuur. Dat is bij besloten vergaderingen in
                    het kader van het onderzoeksrecht niet van belang. Slechts van belang is er of
                    naar het oordeel van de onderzoekscommissie sprake is van 'gewichtige redenen'.
                    Het bepaalde in artikel 86, eerste lid, is derhalve op de onderzoekscommissie
                    niet van toepassing.</al><al><vet>Artikel 8 Toehoorders en de pers. </vet>Artikel 26, eerste en tweede lid,
                    van de Gemeentewet regelen dat de voorzitter van de raad toehoorders die de orde
                    verstoren, kan doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toezegging kan
                    ontzeggen. Voor de onderzoekscommissie ontbreekt een dergelijke bepaling in de
                    Gemeentewet, het derde lid voorziet hierin.</al><al><vet>Artikel 9 Geluid- en beeldregistraties. </vet>Aangezien de zittingen van
                    een onderzoekscommissie in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations
                    geluids- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een
                    besloten zitting betreft. De voorzitter kan aanwijzingen geven met betrekking
                    tot bijvoorbeeld plaats en opstelling.</al><al><vet>Artikel 10 Verslaglegging zitting. </vet>Het verdient aanbeveling om
                    tijdens de verhoren een geluidsband mee te laten draaien of op andere wijze het
                    gezegde exact vast te leggen. Op deze wijze ontstaat achteraf nooit discussie
                    over hetgeen wel of niet gezegd is.</al><al><vet>Artikel 11 Beraadslaging. </vet>Beraadslaging vindt plaats achter gesloten
                    deuren omdat de inhoud van een beraadslaging zich mogelijk niet voor
                    openbaarheid leent. Het is namelijk zeer wel denkbaar dat er beraadslaagd wordt
                    omtrent ondervragingsmethoden, tactieken en dergelijke, welke in het belang van
                    het onderzoek niet naar buiten mogen worden gebracht. Daarnaast moet er vrij
                    gesproken kunnen worden over personen en hetgeen door hen naar voren is
                    gebracht. De raad kan op basis van artikel 2, derde lid, van deze verordening,
                    nadere regels stellen omtrent deze beraadslagingen in verband met de rapportage
                    naar de raad.</al><al><vet>Artikel 12 Afronding onderzoek. </vet>Indien de onderzoekscommissie haar
                    werkzaamheden heeft afgerond legt zij haar bevindingen voor aan de raad. De vorm
                    waarin dit geschiedt wordt hier niet nader bepaald en is aan de raad in het
                    kader van de nadere regels als genoemd in artikel 2, derde lid, van deze
                    verordening. Hierbij zijn verschillende vormen mogelijk, variërend van een
                    rapport tot een voorstel aan de raad. De vraag luidt hierbij wat de raad onder
                    bevindingen wenst te verstaan. Is dit slechts een feitenrelaas van de
                    onderzoekscommissie waarover de raad zich een oordeel vormt of dient er door de
                    commissie ook zelf een oordeel gevormd te worden alvorens de raad zich erover
                    buigt.</al><al><vet>Artikel 13 Inwerkingtreding. </vet>De onderliggende verordening bevat
                    enkele algemeen verbindende voorschriften. Hierop is de Tijdelijke referendumwet
                    (Trw.) van toepassing. Verordeningen waarover op grond van de Trw een referendum
                    kan worden gehouden, treden in afwijking van artikel 142 Gemeentewet niet eerder
                    in werking dan zes weken na de bekendmaking van de verordening (artikel 22 Trw).
                    Voorbeelden van algemeen verbindende voorschriften zijn verplichtingen gericht
                    aan toehoorders en de pers en verplichtingen over het maken van beeld- en
                    geluidsregistraties en het uitzetten van mobiele telefoons. De verplichting voor
                    bepaalde categorieën personen om medewerking te verlenen aan een door de raad in
                    te stellen onderzoek is geen algemeen verbindend voorschrift. Deze vloeit immers
                    niet voort uit de verordening, maar rechtstreeks uit de wet.</al><al><vet>Artikel 14 Citeertitel. </vet>Deze verordening kan worden aangehaald als:
                    Verordening op het onderzoeksrecht van de raad.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>