<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR99485_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Wet Investeren in Jongeren</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heerhugowaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heerhugowaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Heerhugowaards Nieuwsblad 1 februari 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Wet Investeren in Jongeren</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 12, eerste lid onderdeel b en eerste lid onderdeel c en artikel 41 eerste lid van de Wet investeren in jongeren</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-01-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-02-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB2011017</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Verordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Wet Investeren in Jongeren</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet><cursief>Geconsolideerde tekst van de regeling</cursief></vet></al><al>Nr. RB2011017</al><al/><al/><al>de Raad van de gemeente Heerhugowaard;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 7 december
                        2010</al><al/><al>artikel 147, eerste lid Gemeentewet en artikel 12, eerste lid onderdeel b,
                        artikel 12, eerste lid onderdeel c en artikel 41, eerste lid van de Wet
                        investeren in jongeren </al><al/><al>b e s l u i t</al><al/><al>vast te stellen de hierna volgende verordening;</al><al/><al><cursief><vet>Maatregelenverordening Wet investeren in
                            jongeren</vet></cursief></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al><cursief><vet>HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN </vet></cursief><vet>Artikel
                            1. Begripsomschrijving</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet investeren in jongeren (WIJ); </al></li><li nr="b."><al>WIJ-norm: de op grond van hoofdstuk 4 van de WIJ op de
                                        jongere van toepassing zijnde norm, vermeerderd of
                                        verminderd met de op grond van dat hoofdstuk door het
                                        college vastgestelde verhoging of verlaging;</al></li><li nr="c."><al>jongere: een hier te lande woonachtige Nederlander van 16
                                        jaar en ouder doch jonger dan 27 jaar;</al></li><li nr="d."><al>WWB: wet werk en bijstand;</al></li><li nr="e."><al>bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5,
                                        onderdeel b van de WWB;</al></li><li nr="f."><al>maatregel: de verlaging van de inkomensvoorziening op grond
                                        van artikel 41, eerste lid WIJ; </al></li><li nr="g."><al>benadelingsbedrag: het bruto bedrag dat als gevolg van het
                                        niet of niet behoorlijk nakomen van een
                                        inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als
                                        inkomensvoorziening; </al></li><li nr="h."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Heerhugowaard</al><al/><al>2. In deze verordening wordt mede verstaan onder
                                        benadelingsbedrag: de kosten van het werkleeraanbod.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2. Maatregel</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 42 van de WIJ, verlaagt het college,
                                overeenkomstig deze verordening, het bedrag van de aan de jongere
                                toegekende inkomensvoorziening, indien de jongere naar het oordeel
                                van het college de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in
                                hoofdstuk 5 van de WIJ, of de uit artikel 30c, tweede lid of derde
                                lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
                                voortvloeiende verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel
                                zich jegens het college zeer ernstig misdraagt.</al></li><li nr="2."><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere en kan
                                daarom afwijken van de in deze verordening genormeerde maatregelen. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 3. Berekeningsgrondslag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt toegepast op de voor de jongere van toepassing
                                zijnde WIJ-norm.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid wordt, indien de jongere op grond
                                van artikel 12 van de Wet werk en bijstand aanvullende bijzondere
                                bijstand ontvangt, de maatregel toegepast op de WIJ-norm voor een 21
                                jarige alleenstaande of alleenstaande ouder. Voor zover deze
                                maatregel niet kan worden geëffectueerd wordt deze met toepassing
                                van de afstemmingsverordening Wet werk en bijstand toegepast op de
                                aanvullende bijzondere bijstand.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een maatregel</vet></al><al>1. In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                        vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het bedrag
                        waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd en, indien van toepassing, de
                        reden om af te wijken van een standaardmaatregel.</al><al>2. Tevens wordt in het besluit gemotiveerd toepassing gegeven aan de
                        bepalingen van artikel 2 lid 2 van deze verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 5. Horen van de jongere</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de jongere in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van de jongere kan achterwege worden gelaten indien:</al></li></lijst><al>a. de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al><al>b. de jongere reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar
                        voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden
                        hebben voorgedaan;</al><al>c. de jongere niet heeft voldaan aan een verzoek van het college of van een
                        derde aan wie het college met toepassing van artikel 11, vierde lid, van de
                        WIJ, werkzaamheden in het kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een
                        gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 44 van
                        de WIJ; of</al><al>d. het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst
                        van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Afzien van het opleggen van een maatregel</vet></al><al>1. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><al>a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al><al>b. de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door
                        het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de
                        inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte
                        inkomensvoorziening is verleend. Een maatregel wegens schending van de
                        inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de
                        betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.</al><al>2. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                        daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al><al>3. Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van
                        dringende redenen, wordt de jongere daarvan schriftelijk mededeling
                        gedaan.</al><al/><al><vet>Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                                kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de maatregel aan de jongere is bekend gemaakt. Daarbij
                                wordt uitgegaan van de voor die maand geldende WIJ-norm.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de ingangsdatum daardoor niet
                                voor de datum van de gesanctioneerde gedraging komt te liggen. Er is
                                dan sprake van een herzieningsbesluit en een terugvorderingsbesluit
                                van de verstrekte inkomensvoorziening.</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die
                                voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt
                                uiterlijk binnen drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd
                                heroverwogen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 8. Samenloop van gedragingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in de WIJ genoemde verplichtingen, wordt één maatregel
                                opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen maatregelen
                                van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel
                                opgelegd. </al></li><li nr="2."><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt voor
                                iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze
                                maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op
                                artikel 2, tweede lid van deze verordening, niet verantwoord
                                is.</al><al/></li></lijst><al><cursief><vet>HOOFDSTUK 2. HET NIET NAKOMEN VAN DE
                                VERPLICHTINGEN BEDOELD IN ARTIKEL 45 VAN DE
                                </vet></cursief><cursief><vet>WET</vet></cursief></al><al/><al><vet>Artikel 9. Indeling in categorieën</vet> Gedragingen van de jongere
                        waardoor de verplichtingen op grond van artikel 45 van de WIJ niet of
                        onvoldoende zijn nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: </al><al>1. <onderstreept>Eerste categorie</onderstreept>:</al><al> a. het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV
                        WERKbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; </al><al>2. <onderstreept>Tweede categorie</onderstreept>:</al><lijst><li nr="1."><al>het onvoldoende meewerken aan het opstellen van een plan met
                                betrekking tot de arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het
                                onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                arbeidsinschakeling;</al></li></lijst><lijst><li nr="1."><al>het niet of niet voldoende meewerken aan het opheffen van medische
                                en/of sociale belemmeringen arbeidsinschakeling in de weg
                                staan;</al></li><li nr="2."><al>het stellen van onredelijke eisen in verband met door de jongere te
                                verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden of
                                verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren;</al></li><li nr="3."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of bevorderen van
                                de arbeidsbekwaamheid;</al></li><li nr="4."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten of werkzaamheden,
                                gericht op de arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="5."><al>het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar beste
                                vermogen te verrichten.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 10. De hoogte en duur van de maatregel</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt vastgesteld op:</al></li></lijst><lijst><li nr="1."><al>10% van de WIJ-norm bij gedragingen van de eerste categorie
                                gedurende een maand;</al></li><li nr="2."><al>20% van de WIJ-norm bij gedragingen van de tweede categorie
                                gedurende een maand.</al></li><li nr="3."><al>Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid van deze
                                verordening.</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van het eerste lid wordt het percentage van de
                                maatregel verdubbeld, indien de jongere zich binnen twaalf maanden
                                na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of
                                hogere categorie. </al></li><li nr="5."><al>Indien de jongere zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een
                                besluit waarbij een maatregel is opgelegd als bedoeld in lid 3
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde
                                categorie, wordt het percentage van de afstemming opnieuw
                                verdubbeld.</al><al/></li></lijst><al><cursief><vet>HOOFDSTUK 3. NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT IN HET
                                KADER VAN DE WIJ</vet></cursief></al><al/><al><vet> Artikel 11. Schending inlichtingenplicht zonder benadeling voor de
                            gemeente</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Indien de jongere de verplichting op grond van artikel 44, eerste
                                lid van de WIJ niet tijdig is nagekomen en daaraan ook niet heeft
                                voldaan binnen de gegeven hersteltermijn, maar dit niet heeft geleid
                                tot het ten onrechte toekennen of uitvoeren van het werkleeraanbod
                                of tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van de
                                inkomensvoorziening, wordt met toepassing van artikel 41 WIJ een
                                maatregel opgelegd van 10% van de WIJ-norm gedurende een maand,
                                onverminderd artikel 2, tweede lid.</al></li><li nr="2."><al>Indien de jongere de verplichting op grond van artikel 44, eerste
                                lid van de WIJ niet tijdig is nagekomen en daaraan wel heeft voldaan
                                binnen de gegeven hersteltermijn, maar dit niet heeft geleid tot het
                                ten onrechte toekennen of uitvoeren van het werkleeraanbod of tot
                                het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van de
                                inkomensvoorziening, kan het college met toepassing van artikel 41
                                WIJ een maatregel opleggen van 10% van de WIJ-norm gedurende een
                                maand, onverminderd artikel 2, tweede lid.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van lid 1 en 2 kan het college ten aanzien van het te
                                laat inleveren van het inlichtingenformulier nadere regels stellen.
                            </al></li><li nr="4."><al>Het percentage van de maatregel als bedoeld in lid 1 wordt
                                verdubbeld, indien de jongere zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd
                                opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbare aan te merken
                                gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid van deze
                                verordening.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 12. Schending inlichtingenplicht met benadeling voor de
                            gemeente</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                inlichtingenplicht, bedoeld in <extref doc="http://handboek.stimulansz.nl/StimulanszSwordSite/hoi/ektronlink?uid=5e20e8472c75862ec670c730395061fa">artikel </extref>44, eerste lid WIJ heeft geleid tot het ten
                                onrechte toekennen of uitvoeren van het werkleeraanbod of tot het
                                ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van de
                                inkomensvoorziening, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van
                                het benadelingsbedrag.</al></li><li nr="2."><al>De maatregel bedoeld in het eerste lid wordt op de volgende wijze
                                vastgesteld:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,-: 10% van de WIJ-norm voor de
                                duur van een maand;</al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1.000,- tot € 2.000,-: 20% van de
                                WIJ-norm voor de duur van een maand; </al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2.000,- tot € 4.000,-: 40% van de
                                WIJ-norm voor de duur van een maand;</al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- of meer: 100% van de
                                WIJ-norm voor de duur van een maand.</al></li><li nr="3."><al>Het percentage van de maatregel kan worden verdubbeld, indien de
                                jongere zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit
                                waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde als verwijtbaar aan te merken gedraging. Met een besluit
                                waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om
                                daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in
                                artikel 6, tweede lid van deze verordening.</al></li><li nr="4."><al>Van een maatregel wordt afgezien:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is ingesteld en het
                                onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen;</al></li><li nr="b."><al>zodra het recht tot strafvervolging is vervallen, doordat het
                                Openbaar Ministerie een schikking met de jongere heeft
                                getroffen.</al></li></lijst><al/><al><cursief><vet>HOOFDSTUK 4. ZEER ERNSTIGE MISDRAGINGEN</vet></cursief></al><al/><al><vet>Artikel 13. Zeer ernstige misdragingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de jongere zich zeer ernstig misdraagt door verbaal geweld,
                                of discriminatie tegenover het college of zijn ambtenaren, onder
                                omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van
                                de WIJ, wordt onverminderd artikel 2, tweede lid van deze
                                verordening een maatregel opgelegd van 100% van de WIJ-norm
                                gedurende een maand.</al></li><li nr="2."><al>Indien de jongere zich zeer ernstig misdraagt door intimidatie
                                (uitoefenen van psychische druk) zaakgericht fysiek geweld
                                (vernielingen), mensgericht fysiek geweld of een combinatie van
                                agressievormen tegenover het college of zijn ambtenaren, onder
                                omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van
                                de WIJ, wordt onverminderd artikel 2, tweede lid van deze
                                verordening een maatregel opgelegd van 100% van de WIJ-norm
                                gedurende een maand.</al></li><li nr="3."><al>Indien de jongere zich binnen twaalf maanden wederom schuldig maakt
                                aan de gedraging als bedoeld in het eerste lid, dan wordt de
                                afstemming bepaald op 100% voor de duur van twee maanden.</al></li><li nr="4."><al>Indien de jongere zich binnen twaalf maanden wederom schuldig maakt
                                aan een gedraging als bedoeld in het tweede lid, dan wordt de
                                afstemming bepaald op 100% voor de duur van twee maanden.</al></li><li nr="5."><al>Indien de jongere zich na een tweede verwijtbare gedraging opnieuw
                                schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in lid 1 of
                                2, dan zal de hoogte en de duur van de maatregel individueel worden
                                bepaald.</al><al/></li></lijst><al><cursief><vet>HOOFDSTUK 5.
                            HANDHAVING</vet></cursief></al><al/><al><vet>Artikel 14. Oneigenlijk gebruik en misbruik van de inkomensvoorziening
                        </vet></al><al>1. De gemeenteraad stelt ter nadere uitvoering van de handhaving iedere vier
                        jaar een nota vast, waarin beleidsprioriteiten worden aangegeven.</al><al>2. Het in lid 1 genoemde handhavingsplan bevat in ieder geval de informatie
                        met betrekking tot het beleid inzake:</al><al>a. terugvordering van teveel of ten onrechte betaalde
                        inkomensvoorziening;</al><al>b. verhaal van bijstand op derden;</al><lijst><li nr="1."><al>het aantal aangeboden fraudezaken aan het Openbaar Ministerie.</al></li><li nr="2."><al>Het college zendt eenmaal per jaar aan de gemeenteraad een verslag
                                over de doeltreffendheid en de effecten van het beleid. </al></li><li nr="3."><al>De nota, als bedoeld in het eerste lid, alsmede het verslag als
                                bedoeld in het tweede lid, bevatten het advies van de
                                cliëntenraad.</al></li></lijst><al/><al><cursief><vet>HOOFDSTUK 6. SLOTBEPALINGEN</vet></cursief></al><al/><al><vet>Artikel 15. Beslissing van het college in gevallen waarin de
                            verordening niet voorziet</vet></al><al>In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin deze
                        verordening niet voorziet, beslist het college.</al><al/><al><vet> Artikel 16. Hardheidsclausule </vet></al><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jongere afwijken
                        van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening
                        tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al><al/><al><vet>Artikel 17. Citeertitel </vet>Deze verordening wordt aangehaald als
                        Maatregelenverordening Wet investeren in jongeren. </al><al/><al><vet>Artikel 18. Inwerkingtreding </vet></al><al>Deze verordening treedt met terugwerkende kracht vanaf 1 oktober 2010 in
                        werking, per welke datum de verordening tijdelijke regels Wet investeren in
                        jongeren van rechtswege is vervallen. </al><al/><al/></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Heerhugowaard</ondertekening><ondertekening>op 25 januari 2011.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>Heerhugowaard, 25 januari 2011</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING MAATREGELENVERORDENING WIJ</titel></kop><al><vet>De Wet investeren in jongeren en de inkomensvoorziening</vet></al><al>Op 1 oktober 2009 is de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking getreden.
                    Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in regulier werk
                    van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de wet een recht op een
                    zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust op het
                    uitgangspunt dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende
                    kwalificaties beschikken gemakkelijker aan het werk zullen komen en daardoor
                    zelfstandig in hun levensonderhoud kunnen voorzien. </al><al/><al>De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling van alle
                    jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Daartoe moeten
                    gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen. Afgeleide van het
                    werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor jongeren vanaf 18 jaar als de
                    jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze inkomensvoorziening is alleen
                    beschikbaar als het werkleeraanbod wegens in de persoon van de jongere gelegen
                    of niet verwijtbare omstandigheden zijnerzijds geen optie is, als het
                    werkleeraanbod onvoldoende inkomsten genereert of er nog geen werkleeraanbod kan
                    worden gedaan. De samenhang tussen het werkleeraanbod enerzijds en de
                    inkomensvoorziening anderzijds is een bepalend element in de WIJ.</al><al/><al>De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel anders dan de
                    Wet werk en bijstand (WWB), waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als
                    afgeleide de plicht tot arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een
                    ‘paradigmawisseling’ beoogd: is het uitgangspunt in de WWB ‘een uitkering, mits’
                    in de WIJ is dit omgedraaid en geldt als uitgangpunt ‘geen uitkering,
                    tenzij’.</al><al/><al>Aanvaardt de jongere het werkleeraanbod en is het inkomen ontoereikend, dan
                    bestaat in beginsel recht op een inkomensvoorziening. Deze inkomensvoorziening
                    volgt in grote lijnen de WWB voor wat betreft de voorwaarden die aan het recht
                    zijn verbonden en de normering die geldt voor de hoogte van deze voorziening. </al><al/><al>Evenals in de WWB geldt binnen de WIJ een stelsel van rechten en plichten. De
                    gemeente is verplicht een werkleeraanbod en eventueel een inkomensvoorziening
                    aan te bieden, de jongere is daartegenover verplicht zich te houden aan diverse
                    verplichtingen. Worden deze verplichtingen geschonden, dan dient de
                    inkomensvoorziening verlaagd te worden (artikel 41, eerste lid, WIJ). Die
                    verlaging geschiedt conform de regels die in een gemeentelijke verordening
                    moeten zijn vastgelegd (artikel 12, eerste lid, onderdeel b, WIJ). Dat is de
                    Maatregelenverordening.</al><al/><al><vet>Reikwijdte Maatregelenverordening WIJ</vet></al><al>In afwijking van het uitgangspunt van de wetgever om de WIJ zoveel mogelijk
                    WWB-conform in te richten, is de in de WIJ vastgelegde reikwijdte van de
                    gemeentelijke Maatregelenverordening beperkter van aard dan die in de WWB. Aan
                    het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening kunnen minder uiteenlopende
                    verplichtingen verbonden worden dan aan de bijstand. Het scala is beperkter van
                    aard. De verplichtingen die op grond van artikel 41 WIJ kunnen worden
                    gesanctioneerd betreffen de inlichtingen-, medewerkings- en identificatieplicht
                    (artikel 44 WIJ), alsmede een aantal concreet benoemde verplichtingen m.b.t. de
                    arbeidsinschakeling en de totstandkoming en tenuitvoerlegging van een
                    werkleeraanbod (artikel 45 WIJ). </al><al/><al>Een ander verschil tussen de WIJ en de WWB is dat de inkomensvoorziening niet
                    verlaagd kan worden als de jongere zich schuldig maakt aan tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid in de voorziening in het bestaan, anders dan in de vorm
                    van schending van één van de in artikel 41 WIJ genoemde verplichtingen. Dat
                    heeft tot gevolg dat de inkomensvoorziening niet verlaagd kan worden in geval
                    van het onverantwoord interen van vermogen en bij verwijtbare werkloosheid, als
                    deze gedragingen leiden tot het indienen van een aanvraag voor een
                    werkleeraanbod. Het belang van duurzame arbeidsparticipatie van de jongere heeft
                    in deze geprevaleerd boven het als maatregelwaardig aanmerken van de
                    bovengenoemde gedragingen. </al><al/><al>De Maatregelenverordening WIJ heeft al met al dus een beperkter strekking en
                    reikwijdte dan de Afstemmingsverordening WWB en wijkt daarom af waar het de
                    omschreven maatregelwaardige gedragingen betreft. </al><al/><al><vet>Verlagen is maatwerk</vet></al><al>Hoewel de gemeenteraad de regels stelt over het verlagen van de
                    inkomensvoorziening, is het verlagen van de inkomensvoorziening een vorm van
                    maatwerk, waarmee het college is belast. Evenals dat binnen de kaders van de WWB
                    het geval is, dient de maatregel afgestemd te worden op de ernst van de
                    gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere. Het
                    uitgangspunt wordt gevormd door de regels die ter zake door de gemeenteraad zijn
                    gesteld. In de Maatregelenverordening zijn de gedragingen die een schending van
                    de verplichtingen opleveren genormeerd. Die normering is echter niet absoluut.
                    Zowel in de ernst van de gedraging als de mate van verwijtbaarheid of de
                    omstandigheden van de jongere kan aanleiding worden gevonden om van de</al><al>standaardmaatregel af te wijken. Ontbreekt elke vorm van verwijtbaarheid, dan is
                    het college echter zonder meer verplicht om van verlaging af te zien (artikel
                    41, tweede lid, WIJ). Vanwege het karakter van de inkomensvoorziening als
                    minimuminkomen is tevens bepaald dat binnen drie maanden heroverweging van de
                    verlaging plaatsvindt. Daarmee wordt gewaarborgd dat de verlaging ook afgestemd
                    blijft op de omstandigheden van de jongere en deze niet onaanvaardbaar lang over
                    een te laag inkomen blijft beschikken. </al><al/><al><vet>Berekeningsgrondslag van de maatregel</vet></al><al>De maatregel wordt in deze verordening toegepast op de toepasselijke WIJ-norm.
                    Ingegeven door overwegingen van uitvoerbaarheid, zou de gedachte kunnen rijzen
                    dat het noemen van vaste bedragen in de verordening wellicht handiger zou zijn.
                    Daar tegenover staat echter dat dit spoedig tot vormen van rechtsongelijkheid en
                    disproportionaliteit kan leiden. Een maatregel van € 250,- betekent voor een
                    20-jarige een verlies van vrijwel de volledige inkomensvoorziening, terwijl dit
                    voor een 21-jarige verhoudingsgewijs een veel minder groot aandeel betreft.
                    Bovendien roept het verlagen van de inkomensvoorziening met een vast bedrag ook
                    het beeld op van een boete. Mede om die redenen is de maatregel in deze
                    verordening gerelateerd aan de toepasselijke WIJ-norm en indien van toepassing
                    de bijzondere bijstand.</al><al/><al><vet>De term 'maatregel' </vet></al><al>Het verlagen van de inkomensvoorziening op grond van het feit dat de jongere
                    zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de WIJ
                    aangeduid als het verlagen van de inkomensvoorziening. Gebruikelijk onder
                    gemeenten is echter de term ‘maatregel’. Daarmee wordt niet alleen aangesloten
                    bij het spraakgebruik dat ook binnen de bijstandspraktijk gangbaar is, maar
                    wordt ook het corrigerende karakter ervan benadrukt. Om die reden is in de
                    verordening de term ‘maatregel’ gebruikt om een verlaging aan te duiden. </al><al/><al><vet>Verlaging of intrekking inkomensvoorziening?</vet></al><al>Aan het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening zijn voor de jongere
                    verplichtingen verbonden. Tegenover het recht op een werkleeraanbod en eventueel
                    een inkomensvoorziening staat de verplichting van de jongere om mee te werken
                    aan de totstandkoming daarvan, bijvoorbeeld door mee te werken aan een onderzoek
                    naar de arbeidsmogelijkheden. Ook dient de jongere naar beste vermogen mee te
                    werken aan het werkleeraanbod zodra dat vastgesteld is. Daarnaast geldt een
                    inlichtingen-, medewerkings-en identificatieplicht. Deze verplichtingen zijn
                    vastgelegd in artikel 44, respectievelijk 45 van de WIJ. </al><al>Komt de jongere een aan het werkleeraanbod verbonden verplichting verwijtbaar
                    niet na, dan staan de gemeente diverse instrumenten ter beschikking. Onderscheid
                    kan worden gemaakt tussen de verschillende fasen waarop de verplichtingen
                    betrekking hebben. </al><al/><al><cursief>Aanvraagfase</cursief></al><al>Betreft het een schending van verplichtingen die betrekking hebben op de
                    aanvraagbehandeling, dan geldt het volgende: als de jongere in het geheel niet
                    meewerkt aan het opstellen van een plan voor zijn arbeidsinschakeling en zo zijn
                    arbeidsinschakeling belemmert, dan doet het college de jongere geen
                    werkleeraanbod (artikel 17, vijfde lid, WIJ). Bijgevolg heeft de jongere, zolang
                    hij niet wenst te voldoen aan die verplichting, geen recht op
                    inkomensvoorziening. Uit artikel 42, eerste lid, onderdeel c, WIJ vloeit immers
                    voort dat voor zover uit houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig
                    blijkt dat hij de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 niet wil nakomen, geen
                    recht op inkomensvoorziening bestaat (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3,
                    p. 39 en 40). Dit geldt in bredere zin ook voor andere gedragingen van de
                    jongere waaruit kan worden afgeleid dat deze de aan het werkleeraanbod verbonden
                    verplichtingen in het geheel niet wil nakomen. Is sprake van een minder ernstige
                    schending van de verplichtingen m.b.t. de totstandkoming van het werkleeraanbod,
                    dan kan na toekenning van een werkleeraanbod de eventuele inkomensvoorziening
                    verlaagd worden conform de gemeentelijke Maatregelenverordening (artikel 41,
                    eerste lid, WIJ). Zo is het denkbaar dat de jongere wel wil meewerken, maar dat
                    de medewerking onvoldoende is. In dat geval zou een maatregel aan de orde kunnen
                    komen. </al><al/><al><cursief>Van toekenning tot tenuitvoerlegging</cursief></al><al>Werkt de jongere wel mee aan de totstandkoming van een werkleeraanbod maar
                    weigert hij dit aanbod na ontvangst van de toekenningsbeschikking, dan kan het
                    werkleeraanbod worden ingetrokken (art. 21, onderdeel b WIJ). Door de weigering
                    bestaat geen recht op een inkomensvoorziening (art. 42, eerste lid, onderdeel a
                    WIJ). Zoals reeds aangegeven bestaat dat recht evenmin als uit houding en gedrag
                    van de jongere ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat hij de verplichtingen die
                    verbonden zijn aan het werkleeraanbod in het geheel niet wil nakomen (artikel
                    42, eerste lid, onderdeel c ,WIJ). Het werkleeraanbod kan
                        <cursief>daarnaast</cursief> ook worden herzien of ingetrokken als de
                    jongere één of meerdere verplichtingen schendt die specifiek betrekking hebben
                    op de voorbereiding op en uitvoering van het werkleeraanbod (artikel 21,
                    onderdeel b, WIJ). Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het niet of niet voldoende
                    meewerken aan het opheffen van medische en/of sociale belemmeringen die de
                    arbeidsinschakeling in de weg staan, of het stellen van onredelijke eisen m.b.t.
                    de te verrichten werkzaamheden. Met de intrekking van het werkleeraanbod vervalt
                    automatisch het recht op inkomensvoorziening (artikel 42, eerste lid, onderdeel
                    f, WIJ). Bij een herziening blijft de inkomensvoorziening in stand.</al><al/><al>Een andere sanctie op dergelijk gedrag is dat het werkleeraanbod wel in stand
                    blijft maar de inkomensvoorziening verlaagd wordt, conform de gemeentelijke
                    Maatregelenverordening (artikel 41, eerste lid, WIJ). Het college dient te
                    kiezen welke weg bewandeld wordt, hetzij de intrekking van werkleeraanbod en
                    inkomensvoorziening, hetzij het handhaven van het werkleeraanbod en verlaging
                    van die voorziening. Het past evenwel in het systeem van de WIJ om bij minder
                    ernstige gedragingen tot verlaging van de inkomensvoorziening te besluiten en
                    bij ernstiger gedrag, bijvoorbeeld waar sprake is van schending van meerdere
                    verplichtingen of van herhaald gedrag, het werkleeraanbod in te trekken. Het is
                    immers in de geest van de regeling om, met het oog op duurzame
                    arbeidsparticipatie, een werkleeraanbod niet te snel in te trekken. Dit is in de
                    wetgeving tot uitdrukking gebracht doordat verlaging van de inkomensvoorziening
                    bij schending van de verplichtingen <cursief>imperatief</cursief> is
                    voorgeschreven, waar intrekking van het werkleeraanbod (artikel 21 WIJ) een
                        <cursief>bevoegdheid </cursief>is, juist vanwege de verstrekkende gevolgen
                    daarvan. Bedacht moet daarbij immers worden dat intrekking van het
                    werkleeraanbod tevens intrekking van de inkomensvoorziening tot gevolg heeft
                    (indien toegekend) en dus het effect van ‘dubbele’ bestraffing kan hebben. Het
                    is daarom raadzaam om niet lichtvaardig tot intrekking van het werkleeraanbod
                    over te gaan. Een beleid waarbij slechts in uitzonderingsgevallen tot intrekking
                    van het werkleeraanbod wordt overgegaan, mag daarom in lijn met de bedoelingen
                    van de wetgever worden geacht. Een dergelijke uitzonderingssituatie zal zich in
                    de aanloop naar de feitelijke tenuitvoerlegging van het werkleeraanbod niet
                    spoedig voordoen. Daarvan kan sprake zijn als van de gemeente niet meer gevergd
                    kan worden dat uitvoering wordt gegeven aan het werkleeraanbod. </al><al>In de verordening Werkleeraanbod is in artikel 10 vastgelegd wanneer de
                    gedragingen van de jongere ernstig genoeg zijn om een intrekking van het
                    werkleeraanbod te rechtvaardigen.</al><al/><al><cursief>Vanaf de tenuitvoerlegging</cursief></al><al>Werkt de jongere onvoldoende mee aan de feitelijke uitvoering van het
                    werkleeraanbod, dan kan de eventuele inkomensvoorziening worden verlaagd,
                    conform de Maatregelenverordening (art.41, eerste lid WIJ). Daarnaast vervalt
                    het recht op inkomensvoorziening als uit de houding en gedragingen van de
                    jongere ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat deze de verplichtingen die aan
                    het werkleeraanbod zijn verbonden in het geheel niet wil nakomen (artikel 42,
                    eerste lid, onderdeel c, WIJ). Voorts kan het werkleeraanbod worden herzien of
                    ingetrokken als de jongere één van die verplichtingen niet nakomt (artikel 21,
                    onderdeel b, WIJ). Vindt intrekking plaats dan vervalt daarmee, zoals gezegd,
                    tevens het recht op inkomensvoorziening (artikel 42, eerste lid, onderdeel f,
                    WIJ). Hetgeen hierboven over de keuze tussen verlaging van de
                    inkomensvoor-ziening en intrekking van het werkleeraanbod is gezegd geldt
                    mutatis mutandis ook voor deze fase. </al><al/><al><vet>Relatie met de verordening Werkleeraanbod</vet></al><al>De verordening Werkleeraanbod en de Maatregelenverordening vormen twee kanten
                    van dezelfde medaille. Immers, de WIJ legt het college de plicht op om jongeren
                    een werkleeraanbod te doen. Het werkleeraanbod wordt door de verordening
                    Werkleeraanbod gefaciliteerd. Anderzijds staat daar wel tegenover dat de jongere
                    verplicht is het aanbod te aanvaarden en de verplichtingen die aan het
                    werkleeraanbod zijn gekoppeld na te leven. Komt de jongere die verplichtingen
                    niet na, dan vormt de Maatregelenverordening het kader voor verlaging van de
                    inkomensvoorziening. Beide verordeningen sluiten dus op elkaar aan. In de
                    verordening Werkleeraanbod (artikel 10) is zoals eerder gezegd vastgelegd onder
                    welke voorwaarden en omstandigheden tot intrekking van het werkleeraanbod (en
                    daarmee de inkomensvoorziening) kan worden overgegaan. Daarmee wordt dan tevens
                    de grens afgebakend met het verlagen van de inkomensvoorziening bij wijze van
                    maatregel. Zoals gezegd is het in lijn met de wetgever als slechts in bijzondere
                    omstandigheden tot intrekking van het werkleeraanbod wordt overgegaan. </al><al/><al><vet>DE VERPLICHTINGEN DIE TOT EEN MAATREGEL KUNNEN LEIDEN</vet></al><al>De verplichtingen die aan het werkleerrecht en de inkomensvoorziening jegens het
                    college zijn verbonden zijn de volgende:</al><lijst><li nr=""><al>de inlichtingenplicht (artikel 44, eerste lid, WIJ);</al></li><li nr=""><al>de medewerkingsplicht (artikel 44, tweede lid, WIJ);</al></li><li nr=""><al>de identificatieplicht (artikel 44, derde lid, WIJ);</al></li><li nr=""><al>verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het werkleeraanbod.</al></li></lijst><al/><al>Daarnaast heeft de jongere bij zijn aanvraag om een werkleeraanbod ook een
                    inlichtingenplicht jegens UWV WERKbedrijf, die bij schending ook tot het
                    opleggen van een maatregel kan leiden (artikel 41, eerste lid, WIJ). </al><al/><al><vet>Schending inlichtingen- medewerkings- en identificatieplicht</vet></al><al>De schending van de inlichtingenplicht heeft zowel betrekking op de
                    inkomensvoorziening als het werkleeraanbod en ziet niet alleen op de
                    informatieplicht van de jongere jegens het college maar ook UWV WERKbedrijf. In
                    dit model is ervoor gekozen om de hoogte van de maatregel te relateren aan de
                    mate van benadeling van de gemeente. Hoe hoger de benadeling, hoe zwaarder de
                    maatregel. Dit is conform het VNG-model van de Maatregelenverordening WWB.</al><al/><al><vet>Schending van de verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het
                        werkleeraanbod </vet></al><al>In artikel 45 WIJ zijn tamelijk gedetailleerd de verplichtingen omschreven die
                    betrekking hebben op de arbeidsinschakeling en de totstandkoming en de
                    tenuitvoerlegging van het werkleeraanbod. Deze verplichtingen gelden van
                    rechtswege vanaf het moment dat de aanvraag voor een werkleeraanbod wordt
                    ingediend. Schending van één van deze verplichtingen dient in beginsel te leiden
                    tot verlaging van de eventuele inkomensvoorziening. </al><al/><al><cursief>Aansluiting bij de Afstemmingsverordening WWB</cursief></al><al>In aansluiting op de huidige WWB-praktijk wordt in deze verordening een aantal
                    percentages gehanteerd voor schending van de verschillende verplichtingen. Net
                    als bij de</al><al>Afstemmingverordening WWB is er sprake van een differentiatie tussen de
                    verschillende</al><al>verplichtingen. In deze verordening zijn aan de schending van de verplichtingen
                    maatregelen</al><al>van uiteenlopende hoogte verbonden. Met de aansluiting wordt beoogd dat </al><al>bijstandsgerechtigden en jongeren zoveel mogelijk op een gelijke wijze worden
                    behandeld. <vet>Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al>Afzonderlijke aandacht verdient de verplichting om de inkomensvoorziening te
                    verlagen als de jongere zich zeer ernstig misdraagt (artikel 41, eerste lid,
                    WIJ). Het betreft gedragingen die in het maatschappelijk verkeer in alle
                    gevallen als onacceptabel worden beschouwd (conform artikel 18, tweede lid,
                    WWB). De redactie van artikel 41, eerste lid, WIJ wijkt af van die van artikel
                    18, tweede lid, WWB en laat ruimte open voor de gedachte dat een zeer ernstige
                    misdraging niet afhankelijk zou zijn van de context waarin deze zich afspeelt,
                    zolang deze zich maar tot het college of diens ambtenaren richt. Hiermee is
                    echter niet beoogd afstand te nemen van de jurisprudentie van de Centrale Raad
                    van Beroep inzake zeer ernstige misdragingen in het kader van bijstandverlening
                    (zie ook Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p. 46). </al><al/><al>Zoals de CRvB onder meer in zijn uitspraak van 29 juli 2008, LJN BD7970, heeft
                    overwogen, is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 18, tweede lid, WWB
                    voldaan indien sprake is van het niet of onvoldoende nakomen van een of meer van
                    de in dat artikellid bedoelde verplichtingen <cursief>met als verzwarende
                        omstandigheid</cursief> dat sprake is van agressief, aan de jongere toe te
                    rekenen gedrag jegens het college en bij de uitvoering van de WWB betrokken
                    personen dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    kan worden beschouwd. Een wegens dergelijk gedrag opgelegde verlaging van de
                    bijstand c.q. inkomensvoorziening dient te worden aangemerkt als punitieve
                    (bestraffende) sanctie en op het college rust de bewijslast om voldoende
                    aannemelijk te maken dat van agressie in de zin van de genoemde bepaling sprake
                    is geweest (zie ook de uitspraak van 31 december 2007, LJN BC1811). Bezondigt de
                    jongere zich herhaaldelijk aan zeer ernstige misdragingen, dan kan het college
                    de duur van de maatregel verlengen. </al><al/><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN</vet></al><al><vet>Artikel 1. Begripsomschrijving</vet></al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als in de WIJ.</al><al>Met de term ‘WIJ-norm’ wordt in deze verordening bedoeld de van toepassing
                    zijnde norm, inclusief toeslag/verlaging. Het equivalent in de WWB, de
                    bijstandsnorm (artikel 5, onderdeel c, WWB), is in de WIJ zelf niet opgenomen en
                    gedefinieerd. Wel wordt in de memorie van toelichting tweemaal gesproken van
                    ‘inkomensvoorzieningsnorm’, waarmee kennelijk hetzelfde begrip wordt bedoeld. In
                    artikel 41 WIJ is opgenomen dat het <cursief>bedrag</cursief> van de
                    inkomensvoorziening wordt verlaagd; bedoeld is echter de norm. Omdat hantering
                    van het begrip ‘inkomensvoorzieningsnorm’ of ‘bedrag van de inkomensvoorziening’
                    de leesbaarheid niet ten goede komt, is het begrip ‘WIJ-norm’
                    geïntroduceerd.</al><al/><al>Er is een omschrijving van het begrip ‘benadelingsbedrag’ gegeven, omdat dit
                    begrip uitgangs-punt is bij het bepalen van de hoogte van de maatregel die
                    verbonden is aan schending van de inlichtingenplicht (zie artikel 12).
                    Aangesloten is bij de omschrijving van dit begrip in het Boetebesluit
                    socialezekerheidswetten. In artikel 1, onderdeel s van dit Besluit is het begrip
                    ‘benadelingsbedrag’ gedefinieerd voor het opleggen van boetes op grond van een
                    vijftiental socialezekerheidswetten, waaronder de Wet inkomensvoorziening oudere
                    en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemer (IOAW) en de Wet
                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                    zelfstandigen (IOAZ), in verband met schending van de inlichtingenplicht.
                    Gegeven de toelichting op dit artikel wordt onder <cursief>bruto</cursief>
                    benadelingsbedrag tevens verstaan de (inmiddels) afgedragen loonbelasting,
                    premies volksverzekeringen en de vergoeding bedoeld in de Zorgverzekeringswet,
                    als bedoeld in artikel 54, vierde lid WIJ. Voor zover er ten tijde van het
                    maatregelbesluit nog geen sprake is geweest van afdracht aan belastingen etc.,
                    bijvoorbeeld omdat de teveel verstrekte inkomensvoorziening reeds is
                    terugbetaald in hetzelfde kalenderjaar als waarin de inkomensvoorziening ten
                    onrechte is verstrekt, blijft het benadelingsbedrag uiteraard beperkt tot een
                    netto bedrag. </al><al/><al>Onder benadelingsbedrag wordt niet slechts verstaan de ten onrechte verstrekte
                    uitkering (inkomensvoorziening) maar ook het werkleeraanbod, eveneens conform
                    artikel 1, onderdeel van het Boetebesluit. Analoog aan het Boetebesluit is
                    daarnaast in het tweede lid nog expliciet bepaald dat onder benadelingsbedrag in
                    deze verordening mede wordt verstaan de kosten die de gemeente maakt voor het
                    ten onrechte toegekende en/of uitgevoerde werkleeraanbod. Die kosten zullen niet
                    altijd eenvoudig zijn vast te stellen, maar als het een voorziening betreft die
                    de jongere ten onrechte heeft benut, is het meestal wel mogelijk om een raming
                    te maken van de daaraan verbonden kosten. Deze kosten tellen mee voor het
                    bepalen van de hoogte van de maatregel bij schending van de inlichtingenplicht.
                    Dit kan verder worden uitgewerkt in een beleidsregel. Het staat gemeenten
                    uiteraard vrij om te bepalen of het gewenst wordt geacht de kosten van het
                    werkleeraanbod te betrekken bij het benadelingsbedrag. Als dit niet gewenst
                    wordt, kan deze bepaling uiteraard geschrapt worden. </al><al/><al><vet>Artikel 2. Afstemming</vet><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Herhaald is de wettelijke grondslag voor het opleggen van een maatregel (artikel
                    41, eerste lid, WIJ). In de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving wordt
                    dit afgeraden, niettemin is deze grondslag omwille van de leesbaarheid,
                    duidelijkheid en consistentie, evenals in de het VNG-model van de
                    Afstemmingsverordening WWB, hier herhaald. Verwezen wordt naar artikel 42 WIJ om
                    aan te geven dat de imperatief voorgeschreven verlaging middels een maatregel
                    niets afdoet aan intrekking van de inkomensvoorziening vanwege intrekking van
                    het werkleeraanbod. Als daartoe wordt besloten, dan komt verlaging veelal niet
                    meer aan de orde.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te
                    leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de jongere
                    en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het
                    college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de
                    individuele omstandigheden van de betrokken jongere afwijking van de hoogte en
                    de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de
                    standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen en kan
                    zowel zijn gebaseerd op de ernst van de gedraging als de mate van
                    verwijtbaarheid of de omstandigheden van de jongere afzonderlijk. Waar verderop
                    in de verordening gedragingen worden genormeerd, kan daarvan dus worden
                    afgeweken op de genoemde gronden. Dat is om redactionele redenen expliciet
                    verwoord, zodat bij de normering van de maatregelen in het vervolg van de
                    verordening niet steeds hoeft te worden gesteld dat de maatregel een
                    x-percentage bedraagt ‘onverminderd artikel 2, tweede lid’, m.a.w. met de
                    mogelijkheid af te wijken. </al><al/><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                    opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de jongere.</al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de
                    mate van verwijtbaar-heid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6.</al><al> Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                    bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr=""><al>bijzondere financiële omstandigheden van de jongere, zoals bijvoorbeeld
                            hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard
                            waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is;</al></li><li nr=""><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al></li><li nr=""><al>bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van
                            maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate
                            van verwijtbaarheid.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3. De berekeningsgrondslag</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over
                    de toepasselijke WIJ-norm. Zie artikel 1 voor een begripsomschrijving.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De 18 tot 21-jarigen ontvangen een lagere jongerennorm, die- indien
                    noodzakelijk- wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in
                    de kosten van levensonderhoud op grond van de WWB tot de norm voor een 21
                    jarige. Indien deze jongere een maatregel moet worden opgelegd, kan dit leiden
                    tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Met deze bepaling wordt
                    voorkomen dat deze jongere met aanvullende bijzondere bijstand voor dezelfde
                    gedraging een lagere maatregel krijgt.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een maatregel</vet></al><al>Het verlagen van de inkomensvoorziening omdat een maatregel wordt opgelegd,
                    vindt plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in
                    het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks
                    voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name het
                    motiveringsbeginsel. Het motiveringsbeginsel houdt onder andere in dat een
                    besluit aan betrokkene kenbaar is gemaakt en deugdelijk is gemotiveerd (<extref doc="http://handboek.stimulansz.nl/StimulanszSwordSite/hoi/ektronlink?uid=acde5e27c9a04fe4d01899a7d8045f88">afdeling 3.7 Awb</extref>).</al><al/><al><vet>Artikel 5. Horen van de jongere</vet></al><al>Op grond van <extref doc="http://handboek.stimulansz.nl/StimulanszSwordSite/hoi/ektronlink?uid=2516c24b2c81627c445cfcb554953345">afdeling 4:12</extref> van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de jongere verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze hoorplicht
                    geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die betrekking hebben
                    op een financiële aanspraak (artikel 4:12 Awb), behalve bij subsidies. In dit
                    artikel wordt het horen van de jongere voordat een maatregel wordt opgelegd
                    voorgeschreven. Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze
                    hoorplicht. De onderdelen a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de
                    Awb.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Afzien van het opleggen van een maatregel</vet></al><al>Naast de redenen genoemd in dit artikel waarin afgezien kan worden van het
                    opleggen van een maatregel wordt verwezen naar artikel 41, tweede lid, WIJ
                    waarin is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als iedere vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt. </al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Een reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de gedraging
                    te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit
                    is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad,
                    wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het college geen
                    maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben
                    plaatsgevonden. </al><al/><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                    gevolg waarvan ten onrechte inkomensvoorziening is verleend of een te hoog
                    bedrag aan inkomensvoorziening is verleend, geldt in de verordening een
                    verjaringstermijn van vijf jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de
                    termijn die gelet op artikel <extref doc="http://handboek.stimulansz.nl/StimulanszSwordSite/hoi/ektronlink?uid=836dd8e3be4e48b7d8e771013dc789f4">14e van de Algemene bijstandswet</extref> gold in verband met het opleggen
                    van een boete wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf
                    jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op
                    het feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude
                    (het benadelingsbedrag) vast te stellen.</al><al/><al><cursief>Tweede </cursief>lid</al><al>In individuele omstandigheden kan wegens dringende redenen worden afgezien van
                    het opleggen van een maatregel. Van dringende redenen is sprake als de gevolgen
                    van het opleggen van een maatregel onaanvaardbaar zijn. Dat vergt een
                    beoordeling van de situatie van de jongere maar daarvan zal niet spoedig sprake
                    zijn.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband met
                    eventuele recidive.</al><al/><al><vet>Artikel 7. Ingangsdatum </vet><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de WIJ-norm.
                    Verlaging van de WIJ-norm kan in beginsel op twee manieren:<inf/></al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            inkomensvoorziening; </al></li></lijst><al>of</al><al>2. door middel van verlaging van de WIJ-norm in de eerstvolgende maand(en).</al><al/><al>Het verlagen van de WIJ-norm die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te gaan tot
                    herziening van de inkomensvoorziening en het te veel betaalde bedrag aan
                    inkomensvoorziening terug te vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat
                    een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand,
                    waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende WIJ-norm.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Is toepassing van lid 1 niet aan de orde, omdat de inkomensvoorziening reeds
                    beëindigd is, dan biedt het tweede lid de mogelijkheid dat met terugwerkende
                    kracht een maatregel worden opgelegd. Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet
                    (volledig) aan de jongere is uitbetaald, is het praktisch om de verlaging van de
                    uitkering te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat
                    geval moet de inkomensvoorziening wel worden herzien en teruggevorderd. Dat is
                    ook nog mogelijk indien de inkomensvoorziening reeds is uitbetaald. Uit de
                    jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat de uiterste begrenzing
                    ligt op het moment waarop de gedraging plaatsgevonden heeft. Wordt een
                    dergelijke maatregel opgelegd, dan moet tevens een besluit tot herziening van de
                    inkomensvoorziening op grond van artikel 40, derde lid, WIJ worden genomen.
                    </al><al/><al><vet>Artikel 8. Samenloop</vet></al><al>De regeling voor de samenloop heeft betrekking op de schending van de
                    verplichtingen genoemd in de wet (artikelen 44 en 45 WIJ). Indien sprake is van
                    één gedraging die als een schending van meerdere verplichtingen kan worden
                    aangemerkt, dan dient voor het toepassen van de maatregel te worden uitgegaan
                    van de verplichting waarop de zwaarste maatregel van toepassing is. </al><al/><al>Is er sprake van verschillende gedragingen (meerdaadse samenloop) dan dient voor
                    iedere gedraging afzonderlijk het maatregelpercentage te worden berekend en
                    gelijktijdig te worden opgelegd, tenzij dit niet verantwoord is. Omdat een
                    jongere altijd moet kunnen blijven beschikken over een absoluut minimumbedrag
                    (dat is geregeld in de Toeslagenverordening WIJ) wordt de maatregel over
                    meerdere maanden uitgesmeerd. Daarnaast dient altijd de individuele toets van
                    artikel 2, tweede lid te worden toegepast.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 2. HET NIET NAKOMEN VAN DE VERPLICHTINGEN BEDOELD IN ARTIKEL 45
                        VAN DE WET</vet></al><al/><al><vet>Artikel 9. Indeling in categorieën </vet></al><al>Zoals reeds in de Algemene toelichting gesteld, wordt gedifferentieerd in
                    categorieën. Er is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de
                    Afstemmingsverordening WWB. </al><al/><al><vet>Artikel 10. De hoogte en de duur van de maatregel </vet></al><al>Zie Algemene toelichting. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 3. NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT</vet></al><al> In dit hoofdstuk worden twee vormen van het niet nakomen van de
                    informatieplicht onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>Het niet tijdig verstrekken van inlichtingen aan de gemeente. In deze
                            situatie is artikel 40, eerste lid WIJ van toepassing. Het college kan
                            in dat geval het recht op inkomensvoorziening opschorten en de jongere
                            in de gelegenheid stellen binnen een door hem te stellen termijn het
                            verzuim te herstellen. In dat geval kan ook een maatregel aan de orde
                            zijn.</al></li><li nr="2."><al>Het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen aan de gemeente
                            (artikel 44 WIJ). Daardoor is het mogelijk dat er ten onrechte of een te
                            hoog bedrag aan inkomensvoorziening is verstrekt of ten onrechte een
                            werkleeraanbod is toegekend. Het is ook denkbaar dat het
                            inlichtingenverzuim niet tot benadeling heeft geleid. In beide gevallen
                            kan een maatregel aan de orde zijn.</al></li></lijst><al/><al>Het kan ook voorkomen dat bepaalde gevraagde gegevens bij een aanvraag niet aan
                    de gemeente worden verstrekt. In dat geval kan het college de rechtmatigheid van
                    het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening niet vaststellen. De aanvraag moet
                    dan worden afgewezen. Het opleggen van een maatregel is in dergelijke gevallen
                    niet aan de orde. </al><al/><al><vet>Artikel 11. Schending inlichtingenplicht zonder benadeling
                    gemeente</vet></al><al>Indien een jongere de voor het werkleeraanbod of de inkomensvoorziening van
                    belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan
                    het college het recht op inkomensvoorziening opschorten (artikel 40, eerste lid,
                    WIJ). Het college geeft de jongere vervolgens een termijn waarbinnen hij zijn
                    verzuim kan herstellen (de hersteltermijn). Wordt de gevraagde informatie niet
                    binnen de gestelde termijn aan de gemeente verstrekt, dan kan het college het
                    besluit tot vaststelling van de inkomensvoorziening intrekken (artikel 40,
                    vierde lid, tweede volzin, WIJ). Worden de gevraagde gegevens wél binnen de
                    hersteltermijn verstrekt, dan wordt de inkomensvoorziening voortgezet, maar kan
                    tevens een maatregel worden opgelegd. </al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Ten aanzien van het niet of niet tijdig inleveren van de inlichtingenformulieren
                    heeft het college beleidsregels opgesteld.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Indien een cliënt zich binnen 12 maanden opnieuw schuldig maakt aan dezelfde
                    verwijtbare gedraging kan het percentage van de afstemming worden verdubbeld. </al><al/><al><vet>Artikel 12. Schending inlichtingenplicht met benadeling
                        gemeente</vet><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In <extref doc="http://handboek.stimulansz.nl/StimulanszSwordSite/hoi/ektronlink?uid=5e20e8472c75862ec670c730395061fa">artikel </extref>44, eerste lid, WIJ is bepaald dat de jongere op verzoek
                    of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en
                    omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                    invloed kunnen zijn op zijn werkleeraanbod of het recht op inkomensvoorziening.
                    Het college zal moeten vaststellen wat het onder 'onverwijld' verstaat.</al><al> De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het
                    benadelingsbedrag. Dat is het door de gemeente te veel betaalde bedrag aan
                    inkomensvoorziening alsmede de kosten van het werkleeraanbod. </al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                    inlichtingenplicht wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het bedrag aan
                    inkomensvoorziening dat als gevolg van de schending van die verplichting ten
                    onrechte of te veel aan de jongere is betaald.</al><al/><al>De maatregel wordt in de regel toegepast op de toekomstige inkomensvoorziening
                    van de jongere maar kan ook met terugwerkende kracht worden opgelegd (zie
                    artikel 7, tweede lid van deze verordening).</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Het opleggen van een maatregel in reactie op schending van de inlichtingenplicht
                    is in beginsel een verantwoordelijkheid van de gemeente zelf. In de Aanwijzing
                    sociale zekerheidsfraude hebben de Procureurs-generaal echter richtlijnen
                    gegeven onder welke omstandigheden ter zake van de aan de schending klevende
                    strafrechtelijke delicten (veelal oplichting en valsheid in geschrifte)
                    vervolging door het OM moet plaatsvinden. </al><al/><al>Per 1 januari 2009 is de bestaande Aanwijzing sociale zekerheidsfraude gewijzigd
                    (zie Stcrt. 2008/187). Uitgangspunt is het zogenaamde ‘una via’-beginsel. De
                    jongere wordt hetzij door de gemeente, hetzij door de strafrechter
                    gesanctioneerd. Niet door beide.</al><al/><al>In grote lijnen komt het erop neer dat als er een redelijk vermoeden bestaat dat
                    het benadelingsbedrag (bruto) € 10.000 of hoger is, er aangifte en vervolging
                    door het OM dient plaats te vinden. Is er echter sprake van ‘witte’ fraude (door
                    koppeling van bestanden etc. aan het licht gebracht), dan is de gemeente primair
                    verantwoordelijk tot een benadelingsbedrag van € 35.000. Is de benadeling groter
                    dan is altijd het OM aan zet. Dat geldt ook voor gevallen waarin er met de
                    jongere geen uitkeringsrelatie meer bestaat en dus geen maatregel meer kan
                    worden toegepast. </al><al/><al>In dit lid is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als inmiddels
                    vervolging is ingesteld door het OM of als een schikking is getroffen. In
                    dergelijke situaties is een maatregel niet meer opportuun. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 4. ZEER ERNSTIGE MISDRAGINGEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 13. Zeer ernstige misdragingen </vet>Zie ook de algemene
                    toelichting op dit onderdeel. </al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    wordt beschouwd.</al><al> Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband bestaat
                    tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij
                    het vaststellen van het recht op een werkleeraanbod en/of inkomensvoorziening.
                    Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen
                    moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband
                    houden met de uitvoering van de WIJ (zie ook de algemene toelichting op dit
                    onderdeel). </al><al/><al>In artikel 41, eerste lid, WIJ wordt gesproken over 'het zich jegens het college
                    zeer ernstig misdragen'. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag
                    tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding zijn voor het
                    opleggen van een maatregel. </al><al>Of dit ook ‘a contrario’ betekent dat geen maatregel kan worden opgelegd als er
                    sprake is van zeer ernstige misdragingen jegens externe uitvoerders van de WIJ,
                    zoals het UWV-WERKbedrijf, re-integratiebedrijven, opleidingsinstituten e.d. is
                    niet duidelijk. De Centrale Raad van Beroep heeft zich daar tot dusver niet over
                    uitgelaten. </al><al/><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een jongere zich ernstig
                    heeft misdragen, zal evenzeer gekeken moeten worden naar de ernst van de
                    gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de
                    jongere.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden
                    onderscheiden:</al><lijst><li nr=""><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr=""><al>discriminatie;</al></li><li nr=""><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr=""><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr=""><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr=""><al>combinatie van agressievormen.</al></li></lijst><al/><al>In lid 1 en 2 wordt onderscheid gemaakt tussen de ernst van de gedraging;
                    hetgeen leidt tot </al><al>differentiatie van de hoogte van de maatregel. Daarbij is rekening gehouden met
                    het psychische of fysieke effect dat het gedrag zal hebben op leden van het
                    college of ambtenaren. Gedragingen uit de categorieën a en b en kunnen leiden
                    tot het afstemmen van de inkomensvoorziening met 30% gedurende een maand. Met
                    het opleggen van een maatregel van 100% gedurende een maand in verband met
                    gedragingen uit lid 1 of 2 wordt de ernst en het effect van die gedragingen tot
                    uitdrukking gebracht. Dit komt ook tot uitdrukking in het geval er sprake is van
                    recidive (lid 3 en lid 4).</al><al/><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In dit verband
                    is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en
                    frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen
                    van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het
                    verkrijgen van een inkomensvoorziening). </al><al>Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en
                    dergelijke kan worden aangeduid met frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn
                    dat de mate van verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is
                    dan bij frustratiegeweld.</al><al/><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de
                    agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie.</al><al> In dit verband zij tot slot enerzijds vermeld, dat de gemeente Heerhugowaard
                    beschikt over een Agressieprotocol waarin nadere regels zijn opgesteld hoe in
                    voorkomende gevallen met agressief gedrag dient te worden omgegaan.</al><al>Anderzijds dat het afstemmen van de inkomensvoorziening geheel los staat van het
                    doen van aangifte bij de politie. Het college stemt de inkomensvoorziening af en
                    zal de functionaris tegen wie de agressie zich richtte ondersteunen bij het doen
                    van aangifte bij de politie. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 5. ONEIGENLIJK GEBRUIK EN MISBRUIK</vet></al><al/><al><vet>Artikel 14. Oneigenlijk gebruik en misbruik </vet></al><al>Artikel 12, eerste lid, onderdeel c van de WIJ houdt in dat de gemeenteraad in
                    een verordening regels stelt over misbruik en oneigenlijk gebruik. Net als bij
                    de WWB kan de gemeenteraad aansluiten bij de Maatregelenverordening WIJ en hoeft
                    in dat geval géén afzonderlijke handhavingsverordening op te stellen. Om deze
                    reden is in de Maatregelenverordening dit artikel opgenomen.</al><al/><al>In het Handhavingsplan is beschreven de wijze waarop oneigenlijk gebruik en
                    misbruik van de inkomensvoorziening en het werkleeraanbod wordt bestreden en de
                    middelen die hiervoor worden ingezet. Een onderdeel daarvan is de wijze waarop
                    het college de jongere informeert over de rechten en plichten, welke verbonden
                    zijn aan de inkomensvoorziening en het werkleeraanbod. In het plan wordt
                    eveneens aangegeven op welke wijze de controle bij de aanvraag en de handelwijze
                    bij inconsistenties in de aanvraag, alsmede het gebruik van risicoprofielen bij
                    de beoordeling van de aanvraag. </al><al/><al>In de Wet investeren in jongeren is bepaald dat het college de kosten van de
                    inkomensvoorziening als deze ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend
                    terugvordert. Hetzelfde geldt voor verhaal van de kosten van de
                    inkomensvoorziening. Deze worden verhaald op degene die zijn onderhoudsplicht
                    niet is nagekomen. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 6. SLOTBEPALINGEN </vet></al><al/><al><vet>Artikel 15. Beslissing van het college in gevallen waarin de verordening
                        niet voorziet</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 16. Hardheidsclausule </vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 17. Citeertitel</vet> Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 18. Inwerkingtreding </vet>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>