<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR99311_13</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemeen reglement mandaat Gelderland 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-12-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad 2016 nr. 1937</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemeen reglement mandaat Gelderland 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet Bestuursrecht, art. 10.3.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">gedeputeerde staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-03-29</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-04-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>zaaknummer 2016-000033</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>subsidies, klachten, toezicht, milieu, personeelsregelingen, handhaving, bestuurlijke organisatie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Besluit is niet alleen genomen door Gedeputeerde Staten van Gelderland, maar ook door de Commissaris van de Koning in de provincie Gelderland en de Beheersautoriteit Oost-Nederland, ieder voor voor wat betreft de eigen bevoegdheden.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemeen reglement mandaat Gelderland 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND, DE COMMISSARIS VAN DE KONING IN DE
                        PROVINCIE GELDERLAND EN DE BEHEERSAUTORITEIT OOST-NEDERLAND, IEDER VOOR WAT
                        BETREFT DE EIGEN BEVOEGDHEDEN;</al><al>Gelet op het bepaalde in afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht; </al><al>BESLUITEN</al><al>Vast te stellen de als volgt gewijzigde regeling: Algemeen reglement mandaat
                        Gelderland 2009</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk I Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1. Definities</titel></kop><al>In dit reglement wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> mandaat: zowel mandaat, volmacht als machtiging, tenzij anders
                                    wordt aangegeven;</al></li><li nr="b."><al> ondermandaat: mandaat, volmacht of machtiging verleend door een
                                    mandataris of een ondermandataris, tenzij anders wordt
                                    aangegeven;</al></li><li nr="c."><al> eerste ondermandaat: ondermandaat, verleend door een
                                    mandataris;</al></li><li nr="d."><al> tweede ondermandaat: ondermandaat, verleend door een
                                    ondermandataris;</al></li><li nr="e."><al> directeur: lid van de directie;</al></li><li nr="f."><al> afdelingsmanager: zowel manager van een afdeling als
                                    programmamanager van een prioritair programma.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk II Instructies</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2. Mandataris </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Mandaat kan worden verleend aan: </al><lijst><li nr="a."><al> een collegelid, voor zover het geen bevoegdheid van de
                                        Commissaris van de Koning betreft;</al></li><li nr="b."><al> de algemeen directeur;</al></li><li nr="c."><al> een persoon die niet werkzaam is onder de
                                        verantwoordelijkheid van Gedeputeerde Staten of de
                                        Commissaris van de Koning;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Mandaat aan een collegelid wordt verleend aan de eerste
                                portefeuillehouder.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bepaalde in dit reglement is niet van toepassing op
                                mandaatverlening als bedoeld in artikel 10:4 van de Algemene wet
                                bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3. Ondermandaat</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Tenzij bij de mandaatverlening anders is bepaald, kan de algemeen
                                directeur een eerste ondermandaat verlenen aan een directeur, een
                                afdelingsmanager of een externe die onder zijn verantwoordelijkheid
                                werkzaam is binnen de provinciale organisatie. Hij kan aan het
                                eerste ondermandaat aanvullende voorwaarden verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het is een ondermandataris toegestaan om een tweede ondermandaat te
                                verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien een tweede ondermandaat wordt verleend aan een ambtenaar, is
                                dit de hoogste ambtenaar die een inhoudelijke bijdrage levert aan de
                                krachtens het tweede ondermandaat te nemen beslissingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4. Functie mandataris </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een mandaat is gebonden aan de functie van de mandataris, tenzij
                                bij de beslissing tot verlening van mandaat anders is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de mandataris in zijn functie wordt opgevolgd door een
                                ander, wordt het mandaat geacht te zijn verleend aan die ander.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5. Vervangingsregeling </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een (onder)mandataris wordt bij de uitoefening van het mandaat als
                                volgt vervangen. </al><lijst><li nr="a."><al> De algemeen directeur wordt vervangen door een
                                        directeur.</al></li><li nr="b."><al> Een directeur wordt vervangen door de algemeen directeur of
                                        door een van de andere directeuren.</al></li><li nr="c."><al> Een afdelingsmanager wordt vervangen door de teammanagers
                                        die werkzaam zijn op die afdeling.</al></li><li nr="d."><al> Een teammanager wordt vervangen door zijn afdelingsmanager
                                        en de overige teammanagers die werkzaam zijn op die
                                        afdeling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De afdelingsmanager kan andere personen, werkzaam op zijn afdeling,
                                belasten met de vervanging van de binnen die afdeling werkzame
                                ondermandatarissen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De algemeen directeur kan andere personen dan die bedoeld in de
                                voorgaande leden, belasten met de vervanging van een
                                (onder)mandataris.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6. Mandaatregister </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Er is een openbaar mandaatregister, waarin de verleende algemene
                                mandaten en de eerste en tweede ondermandaten systematisch worden
                                opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De (onder)mandaatgever draagt zorg voor bekendmaking van een
                                beslissing tot verlening van algemeen mandaat in het Provinciaal
                                Blad. Hij draagt tegelijk zorg voor opname van de beslissing in het
                                mandaatregister.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7. Bewijs mondelinge mandaatverlening </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onverminderd de verantwoordelijkheid van degene die mondeling
                                mandaat heeft verleend, draagt de mandataris zorg dat onverwijld een
                                schriftelijk bewijsstuk wordt opgemaakt van de beslissing tot
                                verlening van mandaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Is de mandataris een collegelid dan draagt de algemeen directeur
                                zorg voor het opmaken van een schriftelijk bewijsstuk als bedoeld in
                                het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8. Instemming tweede portefeuillehouder </titel></kop><al>Een collegelid neemt geen beslissing krachtens mandaat dan na instemming
                            van de tweede portefeuillehouder.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9. Informeren mandaatgever </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De mandataris legt een door hem te nemen beslissing voor aan de
                                mandaatgever indien: </al><lijst><li nr="a."><al> advies nodig is van anderen en het advies niet aansluit op
                                        het eigen standpunt dan wel niet tot dezelfde uitkomsten
                                        leidt;</al></li><li nr="b."><al> de maatschappelijke, beleidsmatige, politieke, juridische
                                        of financiële omstandigheden daartoe aanleiding geven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het niet voldoen aan de in het vorige lid bedoelde verplichting
                                doet niet af aan de rechtsgeldigheid van de krachtens mandaat
                                genomen beslissing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De mandataris informeert de mandaatgever onverwijld over een door
                                hem genomen beslissing indien het van belang is dat deze daar kennis
                                van neemt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10. Ondertekening </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien mandaat een bevoegdheid van Gedeputeerde Staten betreft,
                                worden uitgaande stukken ondertekend met: "Namens Gedeputeerde
                                Staten van Gelderland," gevolgd door de handtekening en naam van de
                                mandataris.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien mandaat een bevoegdheid van de Commissaris van de Koning
                                betreft, worden uitgaande stukken ondertekend met: "Namens de
                                Commissaris van de Koning van Gelderland", gevolgd door de
                                handtekening en naam van de mandataris.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien volmacht is verleend om namens de Commissaris van de Koning
                                de provincie in en buiten rechte te vertegenwoordigen, wordt
                                ondertekend met: "De provincie Gelderland, namens de Commissaris van
                                de Koning van Gelderland", gevolgd door de handtekening en naam van
                                de gevolmachtigde.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing
                                voor zover het betreft de bekendmaking en mededeling van in mandaat
                                genomen ontwerpbeslissingen of beslissingen van Gedeputeerde Staten
                                of de Commissaris van de Koning in het Provinciaal Blad of in een
                                dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad. In dat geval luidt de
                                ondertekening “Gedeputeerde Staten van Gelderland" respectievelijk
                                "Commissaris van de Koning van Gelderland".</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien mandaat een bevoegdheid van Gedeputeerde Staten betreft ter
                                uitvoering van taken als managementautoriteit voor het Operationeel
                                Programma EFRO Oost-Nederland 2014-2020 betreft, worden uitgaande
                                stukken ondertekend met: "Namens de Managementautoriteit
                                Oost-Nederland", gevolgd door de handtekening en naam van de
                                mandataris.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11. Elektronisch besluitvormingssysteem</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een mandataris neemt beslissingen krachtens mandaat door het geven
                                van een akkoord in het elektronisch besluitvormingssysteem.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De algemeen directeur kan bepalen dat in afwijking van het eerste
                                lid, bepaalde eenvoudige beslissingen of bepaalde categorieen van
                                eenvoudige beslissingen kunnen worden genomen zonder gebruikmaking
                                van het elektronisch besluitvormingssysteem.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12. Begrenzing </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een ieder die een mandaat, eerste ondermandaat, dan wel tweede
                                ondermandaat heeft, kan van zijn bevoegdheid slechts gebruik maken
                                voorzover dat past binnen zijn taak en verantwoordelijkheid en hij
                                binnen het aan hem toegekende budget blijft.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een mandataris oefent zijn bevoegdheid niet uit indien hij bij de
                                te nemen beslissing een persoonlijk belang heeft als bedoeld in
                                artikel 2:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13. Financiële verplichtingen </titel></kop><al>Indien het eerste of tweede ondermandaat tot het aangaan van financiële
                            verplichtingen is verleend aan een ander dan de houder van het budget
                            ten laste waarvan de verplichtingen worden gebracht, behoeft de
                            ondermandataris voor het nemen van een beslissing krachtens een
                            dergelijk ondermandaat de instemming van de budgethouder.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14. Eerste en tweede ondermandaat </titel></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 4, 5, 7 lid 1, 9 tot en met 12 is van
                            toepassing op de eerste en tweede ondermandataris en het eerste en
                            tweede ondermandaat.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk III Mandaat algemene bevoegdheden</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf I Voorbereiding, bekendmaking, uitvoering en
                                goedkeuring</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15. Voorbereiding- en uitvoeringsbesluiten. </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een (eerste of tweede onder)mandataris is bevoegd tot het
                                    verrichten van alle handelingen, benodigd voor de voorbereiding,
                                    bekendmaking en uitvoering van een beslissing krachtens (eerste
                                    of tweede onder)mandaat, tenzij bij de beslissing tot verlening
                                    van (eerste of tweede onder)mandaat anders is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De algemeen directeur is bevoegd tot het verrichten van alle
                                    handelingen, benodigd voor de voorbereiding, de bekendmaking en
                                    uitvoering van: </al><lijst><li nr="a."><al> een door een portefeuillehouder te nemen beslissing
                                            krachtens mandaat, tenzij bij de verlening van het
                                            mandaat anders is bepaald;</al></li><li nr="b."><al> door Provinciale Staten vast te stellen beleidsplannen,
                                            verordeningen en het provinciale milieuprogramma,
                                            alsmede het doen van mededelingen over de vaststelling
                                            of wijziging van deze besluiten;</al></li><li nr="c."><al> een besluit van Provinciale Staten in verband met
                                            subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 3, tweede
                                            lid, van de Algemene subsidieverordening Gelderland
                                            2016;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De algemeen directeur is bevoegd in het kader van de door het
                                    provinciebestuur uitgeoefende bevoegdheden: </al><lijst><li nr="a."><al> de noodzakelijke inlichtingen te vragen;</al></li><li nr="b."><al> natuurlijke of rechtspersonen in de gelegenheid stellen
                                            tot het indienen van zienswijzen;</al></li><li nr="c."><al> het horen van de aanvrager en andere belanghebbenden
                                            voorafgaand aan het nemen van de beslissing op de
                                            aanvraag;</al></li><li nr="d."><al> adviezen te verstrekken aan natuurlijke en
                                            rechtspersonen;</al></li><li nr="e."><al> aanbevelingen te doen;</al></li><li nr="f."><al> het buiten behandeling laten van een aanvraag;</al></li><li nr="g."><al> zienswijzen of bedenkingen naar voren te brengen of
                                            door te zenden;</al></li><li nr="h."><al> een aanvraagformulier vast te stellen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De algemeen directeur is bevoegd tot bekendmaking en mededeling
                                    van ontwerpbeslissingen en beslissingen van een bestuursorgaan
                                    die niet krachtens mandaat zijn genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16. Goedkeuring </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van de
                                    navolgende beslissingen in het kader van goedkeuring: </al><lijst><li nr="a."><al> voorbereidingshandelingen;</al></li><li nr="b."><al> besluiten tot verdaging van het besluit tot
                                            goedkeuring;</al></li><li nr="c."><al> bieden van gelegenheid tot overleg met betrokken
                                            bestuursorganen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De algemeen directeur is bevoegd, ter voldoening aan een
                                    wettelijke verplichting, tot het toezenden van een beslissing
                                    aan een ander bestuursorgaan dan wel het verzoeken om
                                    goedkeuring van een beslissing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf II Subsidie, vergunning, milieueffectrapportage</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 17. Subsidie </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van besluiten
                                    omtrent verlening van subsidie tot en met € 125.000,-- .</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De algemeen directeur is bevoegd tot het vaststellen van
                                    subsidie zonder voorafgaande beschikking tot subsidieverlening
                                    tot en met € 125.000,--.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van
                                    subsidiebeschikkingen met eenbedrag hoger dan € 125.000,-- ter
                                    uitvoering van beslissingen van Gedeputeerde Staten omtrent
                                    verlening van subsidie, waarbij de ontvanger, het bedrag en de
                                    omschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt
                                    verleend door Gedeputeerde Staten zijn bepaald.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De algemeen directeur is bevoegd tot het intrekken of wijzigen
                                    van een subsidie, niet inhoudende een verhoging van het
                                    verleende bedrag, en tot het vaststellen van een subsidie
                                    overeenkomstig of lager dan de subsidieverlening.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De algemeen directeur is bevoegd tot het verlenen van een
                                    voorschot als bedoeld in artikel 4:95 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De algemeen directeur is bevoegd tot het terugvorderen of
                                    verrekenen van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en
                                    voorschotten.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De algemeen directeur is bevoegd tot het afwijzen van
                                    subsidieverzoeken als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de
                                    Algemene subsidieverordening Gelderland 2016, tot het afwijzen
                                    van verzoeken waarop artikel 4:25, tweede lid, van de Algemene
                                    wet bestuursrecht van toepassing is en tot het verlenen van
                                    toestemming als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Algemene
                                    subsidieverordening Gelderland 2016.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van
                                    beschikkingen op subsidieaanvragen ter uitvoering van besluiten
                                    van Provinciale Staten waarbij de bevoegdheid tot
                                    subsidieverstrekking aan Gedeputeerde Staten is
                                    gedelegeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18. Vergunning en ontheffing </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van de
                                    navolgende beslissingen in verband met vergunningverlening: </al><lijst><li nr="a."><al> besluiten in verband met toetsing van de
                                            ontvankelijkheid van een aanvraag om vergunning;</al></li><li nr="b."><al> besluiten op aanvragen om vergunning;</al></li><li nr="c."><al> besluiten ambtshalve of op verzoek tot wijziging of
                                            intrekking van een vergunning;</al></li><li nr="d."><al> besluiten naar aanleiding van een melding;</al></li><li nr="e."><al> besluiten omtrent nadere eisen die krachtens de
                                            vergunning gesteld kunnen worden;</al></li><li nr="f."><al> vervallen per 1 april 2013;</al></li><li nr="g."><al> vervallen per 1 april 2013;</al></li><li nr="h."><al> beslissingen omtrent het voeren van correspondentie
                                            over financiële zekerheidsstelling en over handhaving
                                            van vergunningvoorschriften met betrekking tot
                                            financiële zekerheid, met uitzondering van beslissingen
                                            inhoudende het opleggen van bestuursrechtelijke
                                            maatregelen;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van de
                                    navolgende beslissingen in verband met ontheffingverlening: </al><lijst><li nr="a."><al> beslissingen op aanvragen tot ontheffing;</al></li><li nr="b."><al> het wijzigen en het intrekken van een ontheffing;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het eerste en tweede lid zijn van toepassing op
                                    vergunningbeslissingen en ontheffingen gebaseerd op wetten en
                                    regelingen die zijn opgenomen in bijlage I van dit
                                    reglement.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18a. Verklaring van geen bedenkingen </titel></kop><al>De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van beslissingen tot
                                het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in
                                de artikelen 46b en 47b van de Natuurbeschermingswet 1998.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19. Milieueffectrapportage </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De algemeen directeur is bevoegd tot het verrichten van
                                    procedurele handelingen benodigd voor de voorbereiding,
                                    uitvoering en bekendmaking van beslissingen in het kader van
                                    milieueffectrapportage voor plannen en besluiten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De algemeen directeur is bevoegd tot het geven van adviezen in
                                    het kader van milieueffectrapportage voor plannen en
                                    besluiten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De algemeen directeur is bevoegd een m.e.r-beoordelingsbesluit
                                    te nemen, indien het nemen van dit besluit gekoppeld is aan een
                                    besluit waarvan de bevoegdheid tot het nemen daarvan
                                    gemandateerd is.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf III Handhaving</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 20. Handhaving door collegelid </titel></kop><al>Een collegelid is bevoegd tot het nemen van de navolgende
                                beslissingen in verband met handhaving:</al><lijst><li nr="a."><al> het verlenen, weigeren of intrekken van een
                                        gedoogbeschikking die afwijkt van de vigerende
                                        gedoogbeleidsregels;</al></li><li nr="b."><al> de intrekking van een vergunning of ontheffing als
                                        sanctie;</al></li><li nr="c."><al> een beschikking tot het opleggen van een last onder
                                        bestuursdwang, die op een inrichting als bedoeld in artikel
                                        1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht of op een deel van een dergelijke inrichting
                                        betrekking heeft en die een stillegging van het primaire
                                        productieproces tot gevolg heeft;</al></li><li nr="d."><al> Een beschikking tot het opleggen van een last onder
                                        dwangsom, die op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1,
                                        eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of
                                        op een deel van een dergelijke inrichting betrekking heeft
                                        en die een stillegging van het primaire productieproces tot
                                        gevolg heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21. Handhaving door algemeen directeur </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van de
                                    navolgende beslissingen in verband met handhaving: </al><lijst><li nr="a."><al> het beslissen op een verzoek tot handhaving;</al></li><li nr="b."><al> het verlenen, weigeren, intrekken van een beschikking
                                            tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of
                                            last onder dwangsom;</al></li><li nr="c."><al> het verlenen, weigeren of intrekken van een
                                            gedoogbeschikking die past binnen de vigerende
                                            gedoogbeleidsregels;</al></li><li nr="d."><al> het verlengen van de termijn van een
                                            gedoogbeschikking;</al></li><li nr="e."><al> het verminderen, opschorten of opheffen van de werking
                                            van een last onder dwangsom en het innen van een
                                            verbeurde dwangsom;</al></li><li nr="f."><al> vervallen per 1 april 2013;</al></li><li nr="g."><al> vervallen per 1 april 2013;</al></li><li nr="h."><al> vervallen per 1 april 2013;</al></li><li nr="i."><al> het instellen van onderzoek naar veiligheid op grond
                                            van de Wet hygiëne veiligheid badinrichtingen en
                                            zwemgelegenheden;</al></li><li nr="j."><al> het met betrekking tot een badinrichting of een andere
                                            plaats die wordt gebruikt voor het zwemmen, geven van
                                            een last tot sluiten, het instellen van een zwemverbod
                                            of het uitbrengen van een negatief zwemadvies, alsmede
                                            het intrekken van een last tot sluiten, ingesteld
                                            zwemverbod of negatief zwemadvies;</al></li><li nr="k."><al> het treffen van maatregelen die noodzakelijk zijn om
                                            het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis
                                            van het beschermd natuurmonument te herstellen of te
                                            behouden en van het voornemen daartoe schriftelijk
                                            mededeling doen aan eigenaar en gebruiker.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid, aanhef en onder b, is voor de beschikking tot
                                    het opleggen van een last onder bestuursdwang of tot het
                                    opleggen van een last onder dwangsom van toepassing op een
                                    beschikking die een gehele dan wel een deel van de inrichting
                                    als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene
                                    bepalingen omgevingsrecht betreft en die niet een stillegging
                                    van het primaire productieproces tot gevolg heeft.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De voorgaande leden zijn van toepassing op
                                    handhavingbeslissingen gebaseerd op wetten en regelingen die
                                    zijn opgenomen in bijlage II van dit reglement.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf IV Bepalingen over bezwaar, beroep, mediation en
                                klachten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 22. Bezwaar </titel></kop><al>De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van de navolgende
                                beslissingen en het verrichten van de navolgende handelingen in
                                verband met het behandelen van bezwaarschriften:</al><lijst><li nr="a. "><al>het verlenen van verder uitstel voor de beslissing op het
                                        bezwaarschrift indien: </al><lijst><li nr="1e."><al> verder uitstel is nodig in verband met de naleving
                                                van wettelijke voorschriften; of</al></li><li nr="2e."><al> de indiener instemt; en</al></li><li nr="3e."><al> andere belanghebbenden niet in hun belangen worden
                                                geschaad of zij daarmee instemmen;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al> het indienen van een verweerschrift en andere
                                        processtukken;</al></li><li nr="c."><al> de vertegenwoordiging tijdens de hoorzitting.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23. Beroepschriften </titel></kop><al>De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van de navolgende
                                beslissingen en het verrichten van de navolgende handelingen in
                                verband met het behandelen van bij Gedeputeerde Staten ingediende
                                beroepschriften:</al><lijst><li nr="a."><al> schriftelijk bevestigen van de ontvangst van een
                                        beroepschrift.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24. Rechtsgedingen </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van beslissingen
                                    en het verrichten van handelingen in verband met het voeren van
                                    rechtsgedingen, arbitrage, het maken van bezwaar en het
                                    instellen van administratief beroep en (hoger) beroep bij een
                                    administratieve en burgerlijke rechter namens de provincie of
                                    het provinciebestuur, voorzover het betreft: </al><lijst><li nr="a."><al> het indienen van een verweerschrift, repliek, dupliek
                                            en andere processtukken;</al></li><li nr="b."><al> de vertegenwoordiging ter zitting;</al></li><li nr="c."><al> het doen van verzet;</al></li><li nr="d."><al> het indienen van een pro forma bezwaarschrift,
                                            beroepschrift en verzoekschrift bij een bestuursorgaan
                                            of een rechter in gevallen waarbij een besluit van
                                            Gedeputeerde Staten niet kan worden afgewacht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het besluit als bedoeld in eerste lid onder d wordt zo spoedig
                                    mogelijk door Gedeputeerde Staten bekrachtigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 25. Mediation </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van de
                                    navolgende beslissingen en het verrichten van de navolgende
                                    handelingen in verband met mediation: </al><lijst><li nr="a."><al> het beslissen over deelname aan mediation alsmede het
                                            ondertekenen van de mediationovereenkomst;</al></li><li nr="b."><al> het vertegenwoordigen van het provinciebestuur in geval
                                            van deelname aan mediation;</al></li><li nr="c."><al> het beslissen over het aangaan van een
                                            vaststellingsovereenkomst alsmede het ondertekenen
                                            ervan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met uitzondering van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid,
                                    onder b, kan ten aanzien van de in het eerste lid genoemde
                                    bevoegdheden geen tweede ondermandaat worden verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De algemeen directeur wint over de uitoefening van de
                                    bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder a, tevoren advies
                                    in van de ambtelijke eenheid belast met mediation indien de
                                    mediation betrekking heeft op een kwestie, dat aanhangig is
                                    gemaakt door indiening van een bezwaarschrift, beroepschrift of
                                    klaagschrift.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De algemeen directeur wint over de uitoefening van de
                                    bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder a, tevoren advies
                                    in van de ambtelijke eenheid belast met mediation indien de
                                    mediation betrekking heeft op een kwestie met een ambtenaar van
                                    de provincie, waarover geen bezwaarschrift of klaagschrift is
                                    ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26. Klachten </titel></kop><al>De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van de navolgende
                                beslissingen en het verrichten van de navolgende handelingen in
                                verband met het behandelen van klaagschriften:</al><lijst><li nr="a."><al> het schriftelijk bevestigen van de ontvangst van het
                                        klaagschrift;</al></li><li nr="b."><al> het niet in behandeling nemen van de klacht en het
                                        mededeling daarvan doen aan de klager;</al></li><li nr="c."><al> de klager in de gelegenheid stellen om zijn klaagschrift
                                        aan te vullen;</al></li><li nr="d."><al> het met de klager in overleg treden om tot een minnelijke
                                        oplossing te komen;</al></li><li nr="e."><al> het verdagen van de afhandeling van het klaagschrift;</al></li><li nr="f."><al> het indienen van een verweerschrift;</al></li><li nr="g."><al> de vertegenwoordiging tijdens de hoorzitting.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf V Overige bevoegdheden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 27. Overige publiekrechtelijke bevoegdheden </titel></kop><al>De algemeen directeur is bevoegd tot:</al><lijst><li nr="a."><al> het nemen van besluiten omtrent verzoeken ingevolge de Wet
                                        openbaarheid van bestuur;</al></li><li nr="b."><al> het nemen van beslissingen en het verrichten van
                                        handelingen verband houdende met het bieden van gelegenheid
                                        tot inspraak op grond van de Inspraakverordening provincie
                                        Gelderland 2004, afdeling 3.4 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht of een andere wettelijke regeling;</al></li><li nr="c."><al> het in kennis stellen van het statenlid van het feit dat
                                        zijn vraag niet binnen de voorgeschreven termijn kan worden
                                        beantwoord en het aangeven van de termijn waarbinnen
                                        beantwoording zal plaatsvinden;</al></li><li nr="d."><al> het aanvragen van een subsidie of een bijdrage bij een
                                        ander bestuursorgaan of een derde;</al></li><li nr="e."><al> het aanvragen van ontheffingen of vergunningen bij een
                                        ander bestuursorgaan;</al></li><li nr="f."><al> het nemen van beslissingen naar aanleiding van verzoeken om
                                        een dwangsom bij niet tijdig beslissen;</al></li><li nr="g."><al> het meedelen aan de aanvrager van een dreigende
                                        termijnoverschrijding en het verlengen van de
                                        beslistermijn;</al></li><li nr="h."><al> toepassing geven aan het bepaalde in artikel 2:3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="i."><al> toepassing geven aan het bepaalde in artikel 4:6, tweede
                                        lid, van de Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="j."><al> het nemen van besluiten naar aanleiding van verzoeken
                                        ingevolge de Wet hergebruik van overheidsinformatie;</al></li><li nr="k."><al> het nemen van besluiten op grond van de Wet bescherming
                                        persoonsgegevens als bedoeld in de artikelen 30, derde lid,
                                        35, 36 en 38, tweede lid, 40 of 41 van die wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 28. Privaatrechtelijke rechtshandelingen </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De algemeen directeur is bevoegd tot privaatrechtelijke
                                    rechtshandelingen van de provincie te besluiten en de provincie
                                    terzake te vertegenwoordigen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een tweede ondermandaat voor de bevoegdheid bedoeld in het
                                    eerste lid kan uitsluitend worden verleend aan een ambtenaar met
                                    een leidinggevende functie dan wel een ambtenaar die is
                                    aangesteld als programma- of projectmanager. In afwijking van
                                    het bepaalde in de vorige volzin kan een tweede ondermandaat tot
                                    het nemen van beslissingen ter voorbereiding en uitvoering van
                                    privaatrechtelijke rechtshandelingen ook worden verleend aan een
                                    andere ambtenaar dan de daar bedoelde ambtenaren.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij afwijking van de terzake door Gedeputeerde Staten en
                                    Provinciale Staten vastgestelde regels legt de (onder)mandataris
                                    een door hem te nemen beslissing voor aan de mandaatgever. Het
                                    bepaalde in de vorige volzin vindt geen toepassing indien wordt
                                    afgeweken van de Algemene inkoopvoorwaarden Gelderland 2015 of
                                    toepassing wordt gegeven aan artikel 2, tweede lid, of artikel
                                    3, tweede lid, van de Beleidsregels aanbesteding Gelderland
                                    2013.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 29. Feitelijke aangelegenheden </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een collegelid is bevoegd tot het beslissen omtrent het voeren
                                    van correspondentie over feitelijke aangelegenheden, tenzij
                                    daaraan financiële, politieke of beleidsmatige gevolgen
                                    verbonden zijn.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien een beslissing als bedoeld in het eerste lid een
                                    persoonlijke aangelegenheid betreft, is artikel 10, eerste lid,
                                    niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De algemeen directeur is bevoegd tot het beslissen omtrent het
                                    voeren van correspondentie over feitelijke aangelegenheden,
                                    tenzij daaraan financiële, politieke of beleidsmatige gevolgen
                                    zijn verbonden, voor zover deze bevoegdheid niet aan een
                                    collegelid is toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De Commissaris van de Koning en de secretaris zijn bevoegd tot
                                    het versturen van brieven aan Provinciale Staten en aan
                                    Statencommissies met mededelingen van feitelijke aard namens de
                                    leden van het college van Gedeputeerde Staten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 29a. Bevoegdheden afdelings- en teammanagers</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder
                                    b, zijn afdelingsmanagers en teammanagers bevoegd tot het nemen
                                    van besluiten en het uitvoeren van handelingen als bedoeld in de
                                    artikelen 15, 16, 19 en 22 tot en met 28 en 29, lid 3.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Afdelingsmanagers en teammanagers zijn bevoegd een ondermandaat
                                    te verlenen tot het uitoefenen van de bevoegdheden, bedoeld in
                                    het eerste lid. Artikel 3, tweede lid, is niet van
                                    toepassing.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk IV Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 30. Slotbepalingen </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit reglement wordt aangehaald als: Algemeen reglement mandaat
                                Gelderland 2009.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2009.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het Algemeen reglement mandaat Gelderland 2006 wordt ingetrokken
                                met ingang van het in het tweede lid bedoelde tijdstip.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Gedeputeerde Staten van Gelderland</al></slotformulering></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage I Behorende bij het Algemeen reglement mandaat Gelderland
                        2009</titel></kop><al><vet>Vergunningen</vet> - Ontgrondingenwet; - Waterwet; - Natuurbeschermingswet
                    1998; - Omgevingsverordening Gelderland; - Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht voor zover samenhangend met de Natuurbeschermingswet 1998.</al><al><vet>Ontheffingen</vet>- Wet milieubeheer; - Omgevingsverordening Gelderland; -
                    Lozingenbesluit bodembescherming; - Wegenverkeerswet 1994; - het Reglement
                    verkeersregels en verkeerstekens 1990; - de Regeling voertuigen; - Reglement
                    rijbewijzen.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage II Behorende bij het Algemeen reglement mandaat Gelderland
                        2009</titel></kop><al>- Algemene wet bestuursrecht; - Wet milieubeheer; - Waterwet; - Wet hygiëne en
                    veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden; - Ontgrondingenwet; - Flora- en
                    faunawet; - Natuurbeschermingswet 1998; - Omgevingsverordening Gelderland; - Wet
                    Luchtvaart; - Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></bijlage><nota-toelichting><al><vet>Toelichting</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Het Algemeen reglement mandaat Gelderland 2009 is een regeling voor de gehele
                    provinciale organisatie ten aanzien van het opdragen van bevoegdheden tot het
                    verrichten van publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtshandelingen en
                    feitelijke handelingen. Een regeling derhalve, die alle vormen van
                    vertegenwoordiging betreft: mandaat, volmacht en machtiging. Hiermee wordt een
                    transparant kader voor al deze vormen van vertegenwoordiging van Gedeputeerde
                    Staten en de Commissaris van de Koning beoogd. Transparant in die zin dat
                    duidelijk is wie namens deze bestuursorganen waarover mag beslissen en dat voor
                    derden herkenbaar is wie een beslissing feitelijk heeft genomen. Naast een
                    aantal algemene beginselen die van toepassing zijn op alle besluiten tot het
                    verlenen van mandaat, volmacht en machtiging, bevat het reglement een aantal
                    algemene bevoegdheden. Mandaat is de (publieke) vertegenwoordigingsvorm die
                    centraal staat in de Algemene wet bestuursrecht. De Algemene wet bestuursrecht
                    (artikel 10.1) verstaat onder mandaat: de bevoegdheid om in naam van een
                    bestuursorgaan besluiten te nemen. Onder een besluit verstaat de Algemene wet
                    bestuursrecht (artikel 1.3, eerste lid): een schriftelijke beslissing van een
                    bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het
                    bestuursorgaan dat mandaat verleent, blijft volledig verantwoordelijk. Daarom
                    kan het bestuursorgaan degene aan wie mandaat is verleend instructies en
                    beleidsregels geven of de bevoegdheid zelf uitoefenen, zonder dat het daarvoor
                    het gegeven mandaat behoeft in te trekken. Mandaat is in beginsel toegestaan,
                    tenzij het bij wettelijk voorschrift is verboden of de aard van de bevoegdheid
                    zich er tegen verzet. De mandaatgever kan toestaan dat eerste en tweede
                    ondermandaat wordt verleend: in dat geval verleent degene die het (onder)
                    mandaat heeft ontvangen op zijn beurt (onder)mandaat aan een ander. Het verlenen
                    van (eerste/tweede onder)mandaat, doorkruist de hiërarchische verhoudingen
                    binnen de provinciale organisatie niet. In onderstaand schema is weergegeven hoe
                    (onder)mandatering in de provinciale organisatie is belegd: (zie voor het schema
                    Provinciaal Blad 2008/14). Een uitzondering op dit schema vormen de bevoegdheden
                    die zijn genoemd in artikel 29a van het reglement, omdat deze rechtstreeks door
                    Gedeputeerde Staten aan de afdelings- en teammanagers zijn verleend.</al><al><vet>Artikelsgewijs</vet></al><al>Artikel 1. Bestuursorganen verrichten naast publiekrechtelijke rechtshandelingen
                    ook privaatrechtelijke rechtshandelingen en feitelijke handelingen. In die
                    gevallen wordt bij vertegenwoordiging niet van mandaat gesproken, maar van
                    volmacht respectievelijk machtiging. Om te voorkomen dat voor de verschillende
                    vormen van vertegenwoordiging verschillende regimes zouden gelden, verklaart de
                    Algemene wet bestuursrecht (artikel 10:12) dat alle bepalingen die betrekking
                    hebben op mandaat van overeenkomstige toepassing zijn indien een bestuursorgaan
                    volmacht of machtiging verleent aan een ander werkzaam onder zijn
                    verantwoordelijkheid. Van deze benadering is ook bij dit reglement uitgegaan:
                    het gaat over mandaat, maar is ook van toepassing op volmacht en
                    machtiging.</al><al>Artikel 2. Het reglement staat drie vormen van mandaat toe: mandaat aan een
                    collegelid, i.c. de eerste portefeuillehouder, de algemeen directeur of een
                    persoon die niet werkzaam is onder de verantwoordelijkheid van Gedeputeerde
                    Staten of de Commissaris van de Koning. De portefeuillehouder is belast met een
                    door Gedeputeerde Staten vastgestelde portefeuille van tot het bestuur behorende
                    zaken. Ondermandaten aan ambtenaren worden in beginsel via een mandaat aan de
                    algemeen directeur verleend, zulks in verband met diens verantwoordelijkheid
                    voor het functioneren van de provinciale organisatie in het algemeen. Om het
                    aantal uitvoeringshandelingen met betrekking tot het mandaatstelsel te beperken
                    is een uitzondering op dit beginsel opgenomen in artikel 29a op grond waarvan
                    bevoegdheden rechtstreeks aan ambtelijke afdelingsen teammanagers worden
                    verleend.</al><al>Artikel 3. De algemeen directeur kan een eerste ondermandaat verlenen aan een
                    directeur of aan een afdelingsmanager, tenzij Gedeputeerde Staten of de
                    Commissaris van de Koning expliciet hebben aangeven dat zulks niet het geval is.
                    De algemeen directeur kan tot op zekere hoogte een eerste ondermaat verlenen aan
                    een externe, namelijk indien die externe werkzaam is onder zijn
                    verantwoordelijkheid binnen de provinciale organisatie, bijvoorbeeld een
                    interim-functionaris. De algemeen directeur kan dus geen ondermandaat verlenen
                    aan personen die niet onder de verantwoordelijkheid van Gedeputeerde Staten of
                    de Commissaris van de Koning werkzaam zijn. Deze bevoegdheid is voorbehouden aan
                    de bestuursorganen zelf. Het verlenen van mandaat aan deze externen die niet
                    functioneren binnen de provinciale organisatie is relatief uniek en vergt een
                    afzonderlijke bestuurlijke afweging. Dit geldt a fortiori voor het verlenen van
                    volmacht of machtiging aan externen, aangezien hier de regels van de Algemene
                    wet bestuursrecht niet op van toepassing zijn. De ondermandataris kan een tweede
                    ondermandaat verlenen aan de hoogste in de hiërarchie van de provinciale
                    organisatie die nog een feitelijke toegevoegde waarde heeft. Ondermandaat hoger
                    in de hiërarchie is niet wenselijk omdat dat slechts een rituele en geen
                    materiële betekenis zou hebben. Uit dit artikel blijkt tevens dat een
                    collegelid, anders dan de algemeen directeur, niet de bevoegdheid heeft
                    ondermandaat te verlenen. De reden is dat indien dit wel de regel zou zijn, de
                    hiërarchische lijn binnen de ambtelijke organisatie doorbroken zou worden, met
                    een onduidelijke en minder overzichtelijke verantwoordelijkheidsrelatie als
                    gevolg. Indien het toch gewenst is bevoegdheden door de ambtelijke organisatie
                    te laten uitoefenen, zal dit via het verlenen van mandaat aan de algemeen
                    directeur gestalte kunnen krijgen. Voor deze bevoegdheden is een voorziening
                    getroffen in artikel 15, tweede en derde lid.</al><al>Artikel 4. Algemeen mandaat, een eerste en tweede ondermandaat wordt in principe
                    verleend aan een functionaris en niet aan een persoon, omdat daarmee wordt
                    voorkomen dat personele wisselingen noodzaken tot aanpassing van
                    mandaatbesluiten. Er kunnen evenwel nader te motiveren omstandigheden zijn die
                    ertoe leiden dat het verlenen van mandaat, eerste/tweede ondermandaat aan een
                    persoon de voorkeur verdient.</al><al>Artikel 5. Het eerste lid van dit artikel bevat de hoofdregels van de vervanging
                    van mandatarissen en ondermandatarissen. Directeuren vervangen elkaar en binnen
                    een afdeling vervangen de managers elkaar. Indien er behoefte is aan meer
                    vervangers binnen een afdeling dan kan de afdelingsmanager, gezien zijn
                    integrale verantwoordelijkheid voor de gang van zaken binnen zijn afdeling,
                    daartoe besluiten. In het derde lid is een vangnetbepaling opgenomen voor
                    situaties die niet worden gedekt door de twee voorgaande leden. In deze
                    situaties kan de algemeen directeur een vervanger aanwijzen.</al><al>Artikel 6. Beslissingen tot verlening van mandaat, eerste/tweede ondermandaat
                    treden pas in werking als deze op de juiste wijze zijn bekendgemaakt.
                    Beslissingen tot verlening van mandaat, eerste/tweede ondermandaat behoren
                    volgens de terminologie van afdeling 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht tot
                    de categorie die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, maar een
                    algemeen karakter hebben. Deze mandaten worden, net als de mandaten aan een
                    externe, schriftelijk verleend. Hiervoor is een algemene bekendmaking van
                    toepassing. Deze algemene bekendmaking heeft de vorm van een integrale
                    publicatie van de beslissing tot verlening van mandaat, eerste/tweede
                    ondermandaat in het Provinciaal Blad. Tevens wordt iedere beslissing tot
                    verlening van mandaat, eerste/tweede ondermandaat opgenomen in het
                    mandaatregister in de bibliotheek van de provincie.</al><al>Artikel 7. Dit artikel is opgenomen omdat artikel 10:5 van de Algemene wet
                    bestuursrecht alleen regelt dat schriftelijk mandaat moet worden verleend bij:
                    a) algemeen mandaat en bij b) mandaat voor een bepaald geval aan een ander die
                    niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de mandaatgever. Het is uit een
                    oogpunt van transparantie van belang dat mondeling verleend mandaat voor een
                    bepaald geval óók schriftelijk kan worden bewezen.</al><al>Artikel 8. Voor wat betreft mandaat aan een collegelid is opgenomen dat dit
                    alleen kan worden uitgeoefend met instemming van de tweede portefeuillehouder.
                    Daarmee wordt recht gedaan aan het beginsel van collegiaal bestuur.</al><al>Artikel 9. Weliswaar mag de (eerste of tweede onder)mandataris de bevoegdheid
                    uitoefenen, maar de (eerste of tweede onder)mandaatgever blijft
                    verantwoordelijk. Om aan deze verantwoordelijkheid inhoud te kunnen geven, heeft
                    degene aan wie het (eerste of tweede onder)mandaat is verleend de plicht om de
                    (eerste of tweede onder)mandaatgever waar nodig tijdig een door hem te nemen
                    beslissing voor te leggen. De (eerste of tweede onder)mandataris vraagt daarmee
                    om sturing van de mandaatgever. Anders dan in het eerste en tweede lid wordt in
                    het geval van het derde lid het mandaat gewoon uitgeoefend, maar wordt de
                    (eerste of tweede onder)mandaatgever achteraf op de hoogte gesteld.</al><al>Artikel 10. Het is van belang dat stukken die van de provincie uitgaan op een
                    uniforme wijze worden ondertekend. De standaardformuleringen zijn in dit artikel
                    vastgelegd. In het vierde lid is bepaald dat de standaardformuleringen in het
                    eerste en tweede lid niet gelden voor wat betreft - kort samengevat -
                    bekendmakingen in dagbladen, e.d. In dat geval luidt de ondertekening
                    "Gedeputeerde Staten van Gelderland" respectievelijk "Commissaris van de Koning
                    van Gelderland".</al><al>Artikel 11. Voor alle te nemen beslissingen wordt in principe gebruikgemaakt van
                    het minuutformulier volgens de daarvoor geldende regels (de Handleiding minuut).
                    Het kan evenwel voorkomen dat de aard van de beslissing zich tegen gebruik van
                    het minuutformulier verzet. Dat geldt bijvoorbeeld voor beslissingen die op
                    locatie genomen moeten worden.</al><al>Artikel 12. In het eerste lid is aangegeven dat een taak en verantwoordelijkheid
                    van de mandataris onder meer wordt beperkt door budget. Of een ambtenaar een
                    budget heeft en hoe hoog dit budget is, blijkt uit de provinciale financiële
                    administratie. Het tweede lid strekt ertoe verstrengeling van persoonlijke en
                    openbare belangen te voorkomen. Het begrip "persoonlijk belang" moet blijkens de
                    uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak d.d. 7 augustus 2002 inzake Winsum
                    ruim worden genomen. Het kan daarbij gaan om belangen die strikt in de
                    privé-sfeer liggen, maar ook om belangen van bedrijven, instellingen of
                    personen, waarmee de mandataris is verbonden via een nevenfunctie of door
                    familie-, vriendschaps- of daarmee gelijk te stellen relaties.</al><al>Artikel 13. De bepaling in het eerste lid over de houder van het budget is
                    opgenomen om te waarborgen dat de bevoegdheid om financiële verplichtingen aan
                    te gaan en de verantwoordelijkheid voor provinciale budgetten met elkaar zijn
                    verbonden. Dit geldt voor publiekrechtelijke (zoals subsidieverlening) en
                    privaatrechtelijke rechtshandelingen (aanschaf nieuwe bureaustoelen). In het
                    tweede lid is geregeld dat in de situatie waarin niet een medewerker, maar de
                    budgethouder zelf een minuut maakt, deze minuut, gezien het zogenaamde principe
                    van de “vier ogen”, wordt voorzien van een medeparaaf van de leidinggevende van
                    de budgethouder.</al><al>Artikel 15. Op basis van het eerste en het tweede lid is de algemeen directeur
                    bevoegd (procedurele) beslissingen te nemen voorafgaand aan de feitelijke
                    besluitvorming. Het gaat daarbij onder meer om artikel 2.2 van de Algemene
                    subsidieverordening Gelderland 1998, de artikelen 2:3, 4:5, 4:7, 4:8 en 4:14 van
                    de Algemene wet bestuursrecht. De besluitvorming ten principale vindt ten
                    aanzien van het tweede lid steeds door het bevoegde bestuursorgaan plaats.
                    Artikel 15, tweede lid sub b regelt de mandatering van de bevoegdheid tot het
                    verrichten van voorbereidende en uitvoerende handelingen met betrekking tot de
                    provinciale beleidsplannen, de verordeningen en het provinciale milieuprogramma.
                    Onder de provinciale beleidsplannen worden onder andere begrepen: de
                    structuurvisie, het provinciaal verkeers- en vervoerplan, het Gelders
                    milieuplan, het provinciale waterhuishoudingsplan, enzovoort. De beslissing tot
                    het vaststellen van de provinciale beleidsplannen is niet gemandateerd. Op basis
                    van het tweede lid sub c kunnen beslissingen ter voorbereiding en uitvoering van
                    subsidieverstrekkingsbesluiten van Provinciale Staten door de algemeen directeur
                    worden afgedaan. Het gaat dan onder meer om de bevoegdheid tot het verlenen en
                    betalen van voorschotten, betaling van subsidiebedragen in gedeelten en het
                    vaststellen van subsidie. Het tweede lid heeft betrekking op het voldoen aan
                    procedurele handelingen die in wetgeving van het Rijk is opgedragen aan
                    Gedeputeerde Staten. Gedacht kan worden aan bepalingen in de Provinciewet,
                    Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, Wet ziekenhuisvoorzieningen,
                    Pachtwet, Natuurbeschermingswet 1998 en de Monumentenwet 1988. De bekendmaking
                    en mededeling van beslissingen die niet in mandaat zijn genomen, was tot en met
                    2011 beperkt tot publicaties in het Provinciaal Blad en in dag-, nieuws- of
                    huisaan-huisbladen. Deze beperking is geschrapt omdat beslissingen steeds vaker
                    niet meer in dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen worden gepubliceerd maar in
                    plaats daarvan op elektronische wijze worden bekendgemaakt of meegedeeld
                    (bijvoorbeeld op de provinciale website).</al><al>Artikel 16. Dit artikel regelt de mandatering van voorbereidingshandelingen van
                    goedkeuring in de zin van artikel 10:25 Algemene wet bestuursrecht. Onder deze
                    voorbereidingshandelingen vallen bijvoorbeeld het besluiten tot verdaging
                    goedkeuring (artikel 10:31, tweede lid, Awb) en het bieden van gelegenheid tot
                    overleg met betrokken bestuursorganen (artikel 10:30 Awb). De beslissing tot
                    goedkeuring zelf is niet gemandateerd. In bijzondere mandaten is in sommige
                    gevallen een mandaat opgenomen van de bevoegdheid tot goedkeuring. Het derde lid
                    heeft betrekking op toezending van stukken en het verzoeken om goedkeuring
                    gebaseerd op een wettelijk voorschrift, bijvoorbeeld het toezenden van
                    provinciale verordeningen aan het ministerie van BZK op grond van artikel 95 van
                    de Provinciewet of op grond van artikel 96 van de Provinciewet bij de minister
                    van BZK goedkeuring vragen voor een provinciale verordening.</al><al>Artikel 17. In dit artikel is een staffel voor besluitvorming omtrent
                    subsidieverlening vastgesteld. Het betreft niet alleen besluiten tot
                    verstrekking van subsidie, maar ook besluiten tot weigering, intrekking en
                    terugvordering van subsidie. Bepalend voor de besluitvorming is het bedrag in de
                    aanvraag om subsidie. Afhankelijk van de wijze van subsidieverstrekking is dit
                    inclusief of exclusief btw.</al><al>In het derde lid worden onder beslissingen van Gedeputeerde Staten verstaan: -
                    programma’s; - verdeelnotities; - tenders, waarbij Gedeputeerde Staten de
                    subsidieontvanger, het te verlenen bedrag en een omschrijving van de
                    activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend hebben aangeduid. In de
                    individuele subsidiebeschikkingen worden vervolgens de verplichtingen omschreven
                    die aan de subsidieontvanger worden opgelegd. Voor het nemen van die individuele
                    beschikkingen wordt middels dit artikellid mandaat verleend.</al><al>De grens tussen de aanvragen die op basis van mandaat kunnen worden afgedaan
                    (aanvragen van subsidie tot en met € 50.000, -) en de aanvragen die eerst aan
                    Gedeputeerde Staten moeten worden voorgelegd (aanvragen van subsidie tot een
                    bedrag hoger dan € 50.000, -) is opgetrokken tot € 125.000, -. Deze wijziging
                    houdt verband met de implementatie op provinciaal niveau van het zogenaamde
                    Rijksbrede Subsidiekader. Op grond van dit kader geldt voor subsidies tot en met
                    € 125.000, - een verlicht regime met minder zware administratieve lasten voor de
                    subsidieontvanger dan voor subsidies boven dat bedrag. Dit verlichte regime
                    rechtvaardigt ook een besluitvorming op basis van ambtelijk mandaat, waardoor
                    aanvragers sneller een besluit kunnen ontvangen.</al><al>In het vierde lid is een aantal bevoegdheden neergelegd die administratief
                    regelmatig moeten worden toegepast, te weten het intrekken en wijzigen van
                    verleende subsidies (namelijk als de activiteiten waarvoor de subsidie is
                    verleend, niet of anders worden uitgevoerd) en het vaststellen van de subsidie
                    overeenkomstig of lager dan de verlening. Van dit mandaat wordt geen gebruik
                    gemaakt als dit maatschappelijk, beleidsmatig, politiek, juridisch of financieel
                    gevoelig ligt (zie artikel 9, eerste lid, onder b).</al><al>In het vijfde lid is de bevoegdheid tot het verlenen van een voorschot
                    gemandateerd. Het voorschot kan worden verleend op een verleende subsidie als
                    bedoeld in het eerste en derde lid, op een verleende subsidie door Provinciale
                    Staten, dan wel als bedoeld in artikel 6.1 van de Verordening voor Welzijn, Zorg
                    en Cultuur Gelderland 2005 en artikel 5.1 van de Verordening Jeugdzorg
                    Gelderland 2005.</al><al>In het zesde lid is de bevoegdheid gemandateerd om bedragen terug te vorderen of
                    te verrekenen. In dit stadium van het subsidieproces spelen er immers geen
                    politieke afwegingen meer. De bevoegdheid om deze bedragen niet terug te
                    vorderen valt niet onder dit mandaat.</al><al>In het zevende lid wordt mandaat verleend voor de afwijzing van zogenaamde
                    ongereglementeerde subsidieverzoeken. Het gaat daarbij om subsidieverzoeken
                    ingediend buiten de in de Algemene subsidieverordening Gelderland 1998
                    voorgeschreven termijn, voor activiteiten waarvoor geen bijzondere
                    subsidieregeling geldt en waarvoor op de provinciale begroting ook geen gelden
                    beschikbaar zijn gesteld. Tevens is in dit lid de bevoegdheid gemandateerd om
                    aanvragen van subsidie af te wijzen indien door de inwilliging daarvan het
                    desbetreffende subsidieplafond zou worden overschreden. Het betreft hier een
                    imperatieve weigeringsgrond, zodat in een dergelijk geval geen bestuurlijke
                    afweging behoeft te worden gemaakt. Ten slotte wordt in dit artikel ook de
                    bevoegdheid gemandateerd toestemming te verlenen voor het verrichten van de in
                    artikel 4:71 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde rechtshandelingen van de
                    subsidieontvanger. Ook ten aanzien van deze rechtshandelingen is geen
                    bestuurlijke afweging vereist.</al><al>Het achtste lid ziet op de situatie dat Provinciaal Staten besluiten om subsidie
                    te verlenen, waarbij de subsidie-ontvanger en het te verlenen bedrag bekend zijn
                    en waarbij de bevoegdheid om de besluit te nemen aan Gedeputeerde Staten is
                    gedelegeerd.</al><al>Artikel 19. Dit artikel regelt de mandatering van procedurele bevoegdheden die
                    verband houden met de milieueffectrapportage en in specifieke gevallen het nemen
                    van het m.e.r-beoordelingsbesluit. Op grond van het eerste lid is de algemeen
                    directeur bevoegd procedurele handelingen te verrichten die voorafgaan aan de
                    vaststelling van het MER door GS of PS. Onder procedurele handelingen wordt
                    bijvoorbeeld verstaan: publicaties, correspondentie met de commissie voor de
                    m.e.r., het vaststellen van de startnotitie e.d. Onder dit mandaat is niet
                    begrepen het besluit tot het vaststellen van de richtlijnen en het besluit tot
                    het vaststellen van de MER. Indien een m.e.r-beoordelingsbesluit gekoppeld is
                    aan een besluit waarvoor mandaat is verleend, kan ook het
                    m.e.r-beoordelingsbesluit in mandaat worden afgedaan. Hierbij kan bijvoorbeeld
                    worden gedacht aan vergunningen in het kader van de Wet milieubeheer.</al><al>Artikel 20 en 21. Deze artikelen regelen de mandatering van de bevoegdheid om
                    handhavend op te treden. Bij de omschrijving van de bevoegdheden is aansluiting
                    gezocht bij artikel 122 van de Provinciewet en hoofdstuk 5, afdelingen 3 en 4
                    van de Algemene wet bestuursrecht. Onder artikel 21 tweede lid, onder h, valt
                    niet het verlengen van de termijn tot het verbeuren van een dwangsom. Hiertoe
                    zal een nieuw besluit genomen moeten worden. De terminologie van de artikelen 20
                    en 21 is aangepast aan de 4e tranche van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat
                    ook een beschikking tot het opleggen van een last onder dwangsom het stilleggen
                    van het primaire productieproces tot gevolg kan hebben, is een dergelijke
                    beschikking alsnog in deze bepalingen opgenomen. Overigens wordt opgemerkt dat
                    de bedoelde lasten niet rechtstreeks het primaire productieproces behoeven te
                    betreffen. Zij kunnen ook betrekking hebben op een zodanig secundair proces
                    binnen de inrichting, dat bij het stilleggen daarvan ook het primair
                    productieproces geen voortgang kan vinden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn
                    als een aan het primaire productieproces gekoppeld systeem van
                    afvalwaterzuivering moet worden stilgelegd en er geen mogelijkheden zijn om het
                    afvalwater ongezuiverd af te voeren. Of bij het primaire productieproces
                    vrijkomende slib kan bij uitvoering geven aan de last niet langer bewerkt worden
                    binnen de inrichting en onbewerkt niet worden afgezet. Voor de redactie van
                    artikel 21, onderdeel j, is aansluiting gezocht bij de tekst van artikel 11 van
                    de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden. Dit artikel
                    kent de bevoegdheid tot het geven van een last tot sluiten van een
                    badinrichting, het instellen van een zwemverbod en het geven van een negatief
                    zwemadvies toe aan Gedeputeerde Staten en, als er onmiddellijk gevaar voor de
                    gezondheid of veiligheid van bezoekers dreigt, ook aan de Commissaris van de
                    Koning. Opmerkelijk is dat genoemde wet in artikel 11a wel voorziet in de
                    mogelijkheid tot het intrekken van een last tot sluiting en van een ingesteld
                    zwemverbod, maar niet tot het intrekken van een negatief zwemadvies. Uitgaande
                    van het adagium "wie het meerdere mag, mag ook het mindere" ligt het voor de
                    hand dat het bevoegde gezag, als de omstandigheden daartoe aanleiding geven, een
                    eerder afgegeven negatief zwemadvies zal intrekken.</al><al>Artikel 22. Het onder a bedoelde mandaat heeft betrekking op de bevoegdheid als
                    bedoeld in artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht. Het onder b bedoelde
                    mandaat heeft betrekking op de bevoegdheid als bedoeld in artikel 7:10, vierde
                    lid, van de Algemene wet bestuursrecht.</al><al>Artikel 23. Verschillende bijzondere wetten, bijvoorbeeld de Wet op de
                    lijkbezorging en de Waterschapswet, stellen beroep open op Gedeputeerde Staten
                    die aldus een belangrijke rol spelen als administratief beroepsorgaan. De
                    bevoegdheid van Gedeputeerde Staten om op administratieve beroepen te beslissen,
                    is overgedragen aan de Commissie Administratieve Geschillen. Ten behoeve van de
                    afhandeling van administratieve beroepen zijn in dit artikel de hiervoor
                    noodzakelijke mandaten geregeld. Ten aanzien van het mandaat onder e het
                    volgende. Ten overstaan van de Commissie Administratieve Geschillen staan twee
                    partijen: de indiener van het beroep en het bestuursorgaan wat het bestreden
                    besluit heeft genomen (bijvoorbeeld het college van B&amp;W). Voor de Commissie
                    Administratieve Geschillen wordt door de betreffende dienst van de provincie
                    Gelderland een advies opgesteld. Een ambtenaar van de dienst fungeert hiermee
                    als het ware als griffier van de commissie. Het mandaat onder e ziet
                    hierop.</al><al>Artikel 24. Dit artikel heeft betrekking op het voeren van rechtsgedingen voor
                    de bestuursrechter, de burgerlijke rechter en het voeren van een arbitraal
                    geding. Bij de omschrijving van de bevoegdheden is aansluiting gezocht bij
                    artikel 158, eerste lid, onder f, van de Provinciewet waarin de bevoegdheden van
                    Gedeputeerde Staten zijn opgenomen om rechtsgedingen, bezwaarprocedures of
                    administratieve beroepsprocedures namens de provincie of het provinciebestuur te
                    voeren. De bevoegdheden zijn omschreven in de hoofdstukken 7 en 8 van de
                    Algemene wet bestuursrecht en de desbetreffende artikelen uit het Wetboek van
                    Burgerlijke Rechtsvordering.</al><al>Artikel 25. Dit artikel regelt de mandatering van de bevoegdheid tot het
                    beslissen over deelname aan mediation alsmede van de overige aan mediation
                    verbonden bevoegdheden. Bij mediation wordt onder leiding van een mediator
                    buiten de procedure bij bijvoorbeeld de rechtbank of de Raad van State om
                    onderhandeld over een oplossing van het geschil welke voor alle partijen
                    aanvaardbaar is. Mediation is ook mogelijk in de bezwaarprocedure. Mediation
                    wordt in de regel afgerond met een vaststellingsovereenkomst waarin alle
                    betrokken partijen vastleggen uitvoering te geven aan het resultaat van de
                    gesprekken en de onderhandelingen. In dat geval kan de rechterlijke procedure
                    worden stopgezet. Met het onder a geregelde mandaat wordt ook de bevoegdheid
                    gemandateerd deelname aan mediation te beëindigen. Het vierde lid betreft
                    mediation bij een kwestie op het gebied van personeelsaangelegenheden.</al><al>Artikel 26. In dit artikel zijn de mandaten geregeld voor wat betreft de
                    afhandeling van klaagschriften. Een klaagschrift is een schriftelijke klacht
                    over de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid
                    jegens de klager heeft gedragen. Ten behoeve van de afhandeling van
                    klaagschriften zijn hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht en de
                    Verordening klachtbehandeling Gelderland van belang.</al><al>Artikel 27. Voor een restcategorie van beslissingen is een voorziening
                    getroffen. Bij het nemen van besluiten omtrent verzoeken ingevolge de Wet
                    openbaarheid van bestuur heeft onder meer betrekking op de verlening en de
                    weigering. Indien het verlening van de term van de beantwoording van
                    statenvragen politiek gevoelig ligt,kan op grond van artikel 9 geen gebruik
                    gemaakt worden van het mandaat en neemt door Gedeputeerde Staten het besluit.
                    Met name bij de uitvoering van wegenprojecten en het beheer van de provinciale
                    gebouwen komt het voor dat bij een andere bestuursorgaan een vergunning of
                    ontheffing aangevraagd wordt. Gedacht kan worden aan bouwvergunning,
                    vrijstelling, gebruikersvergunning, milieuvergunning, uitritvergunning,
                    kapvergunning. De overige bevoegdheden hebben betrekking op onder meer: -
                    artikel 2, 3, 4, 5, 8, 9, 10 en 11 van de Wet openbaarheid van bestuur; -
                    artikel 2, 3, 4 en 5 van de Inspraakverordening provincie Gelderland 2004; -
                    artikel 42 van het Reglement van Orde van Provinciale Staten. In onderdeel h is
                    de bevoegdheid neergelegd om aanvragen die al eens eerder zijn ingediend en
                    afgewezen en vervolgens onherroepelijk zijn geworden (de zogenaamde herhaalde
                    aanvragen), nogmaals af te wijzen indien de aanvrager geen nieuwe feiten of
                    omstandigheden heeft aangevoerd. In onderdeel i is de bevoegdheid neergelegd om
                    onjuist geadresseerde geschriften door te sturen of terug te sturen als er geen
                    ander bevoegd bestuursorgaan valt te identificeren.</al><al>Artikel 28. Dit artikel regelt de mandatering van de bevoegdheid tot
                    privaatrechtelijke rechtshandelingen van de provincie te besluiten (bijv. het
                    sluiten van een contract ten behoeve van de inkoop van goederen of de inhuur van
                    een externe medewerker) en de provincie terzake te vertegenwoordigen. In dit
                    artikel verlenen Gedeputeerde Staten aan de algemeen directeur mandaat voor het
                    verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen (artikel 158, eerste lid,
                    onder e, van de Provinciewet). Daaraan gekoppeld is een besluit van de
                    Commissaris van de Koning om ten aanzien van zijn bevoegdheid contracten te
                    ondertekenen volmacht te verlenen aan de algemeen directeur (artikel 176 van de
                    Provinciewet). In dit artikel is tevens bepaald dat bij afwijking van de terzake
                    door Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten vastgestelde regels de algemeen
                    directeur een door hem te nemen beslissing voorlegt aan de mandaatgever. Hiermee
                    wordt allereerst beoogd dat de (eerste/tweede onder)mandataris verplicht is de
                    door Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten vastgestelde regels in acht te
                    nemen. Het betreft hier onder andere de Beleidsregels aanbesteding (onderdeel
                    van het inkoopbeleid) en de regels ten aanzien van de betrokkenheid van
                    Provinciale Staten bij privaatrechtelijke rechtshandelingen, rechtsgedingen en
                    civiele verdediging. Bij afwijking van deze regels dient de te nemen beslissing
                    te worden voorgelegd aan de mandaatgever. In dit artikel is in de tweede volzin
                    van het derde lid een uitzondering opgenomen voor het afwijken van de Algemene
                    inkoopvoorwaarden en het toepassen van artikel 2, tweede lid en artikel 3,
                    tweede lid, van de Beleidsregels Aanbesteding Gelderland 2013. Sinds de
                    inwerkingtreding van de Aanbestedingswet 2012 en daarbij de Gids
                    Proportionaliteit, dient de overheid proportioneel om te gaan met het hanteren
                    van Algemene inkoopvoorwaarden. Het zal daardoor vaker dan voorheen voorkomen
                    dat contractsbepalingen worden overeengekomen die afwijken van de Algemene
                    inkoopvoorwaarden. In artikel 2, eerste lid, en 3, eerste lid, van de
                    Beleidsregels Aanbesteding Gelderland 2013 is bepaald welk aanbestedingsregime
                    de provincie per drempelbedrag moet toepassen. Op basis van het tweede lid van
                    beide artikelen kan hiervan worden afgeweken, indien toepassing van het eerste
                    lid niet proportioneel zou zijn of wanneer (ingeval van artikel 3, tweede lid,
                    onder b) het zogenaamde 2B-diensten betreffen. De (onder)mandataris moet dit
                    besluit motiveren. Een tweede ondermandaat voor deze rechtshandelingen kan
                    alleen worden verleend aan een ambtenaar met leidinggevende bevoegdheid of aan
                    een projectmanager. Voor voorbereidings- en uitvoeringshandelingen zoals
                    bijvoorbeeld het tekenen van facturen, het paraferen van bestellingen uit het
                    inkoopsysteem e.d. kan echter ook een tweede ondermandaat worden verleend aan
                    ambtenaren die geen leidinggevende bevoegdheid hebben. De financiële omvang van
                    de bevoegdheid tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen
                    blijkt uit de provinciale financiële administratie.</al><al>Artikel 29. Voor correspondentie over feitelijke aangelegenheden die geen
                    besluiten inhouden geldt dat zij in overeenstemming zijn met het beleid van
                    Gedeputeerde Staten of ter uitvoering van het beleid van Gedeputeerde Staten
                    dienen.</al><al>Artikel 29a Dit artikel bepaalt dat eenieder die binnen de provinciale
                    organisatie belast is met een leidinggevende taak ten aanzien van een afdeling
                    of een team over een aantal voorbereidende en uitvoerende bevoegdheden kan
                    beschikken. De gebruikmaking van deze bevoegdheden is uiteraard gebonden aan de
                    taken, verantwoordelijkheden en budgetten die in het concrete geval aan de
                    desbetreffende functionaris zijn toevertrouwd. De verwijzing naar artikel 12
                    brengt deze beperking in de bevoegdheidsuitoefening tot uitdrukking.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>