<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR98431_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Amsterdam</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Amsterdam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2013, afd. 3A, nr. 215/978</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-11-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-11-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 4,5,10 en toelichting</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Gemeenteblad 2013, afd. 1, nr. 978</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Openbare orde en veiligheid</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 6-11-2013</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: Gemeenteblad 2011, afd. 3A, nr. 215/978</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Inhoud</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H74042_0_1_1_1_">In deze verordening wordt verstaan
                                    onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een inrichting: een voor mensen toegankelijke ruimtelijk
                                            begrensde plaats voor zover die geen bouwwerk is; </al></li><li nr="b."><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout,
                                            steen, metaal of ander materiaal,op de plaats van
                                            bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond
                                            verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in
                                            of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.
                                        </al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Gebruiksvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H74042_0_2_2_2_"> Het is verboden zonder of in
                                    afwijking van een door het college verleende gebruiks-vergunning
                                    een inrichting in gebruik te hebben of te houden, voor zover
                                    daarin:</al><lijst><li nr="a."><al>meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn;
                                        </al></li><li nr="b."><al>aan meer dan 4 personen bedrijfsmatig of in het kader
                                            van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft; of
                                        </al></li><li nr="c."><al>aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer
                                            dan 10 lichamelijk of verstandelijk gehandicapte
                                            personen dagverblijf zal worden verschaft. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H74042_0_2_2_3_"> Het college kan aan de
                                    gebruiksvergunning voorschriften verbinden in het belang van het
                                    voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van
                                    brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij
                                    brand en al hetgeen daarmee verband houdt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H74042_0_2_2_4_"> Het college kan aan de
                                    gebruiksvergunning nieuwe voorschriften verbinden en gestelde
                                    voorschriften wijzigen of intrekken als een verandering van
                                    inzichten of een verandering van de omstandigheden, gelegen
                                    buiten de inrichting en opgetreden na het verlenen van de
                                    gebruiksvergunning, dit vereist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Weigeringgronden</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H74042_0_2_3_5_">Het college weigert een
                                    gebruiksvergunning als de in de aanvraag vermelde wijze van
                                    gebruik van de inrichting niet brandveilig is en door het
                                    stellen van voorschriften ook niet brandveilig kan worden
                                    gemaakt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                                brandgevaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Gebruikseisen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de
                                artikelen 1.16, 1.17 en 6.5 en in de afdelingen 6.5, 6.6, 7.1 en 7.2
                                van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676) zijn van
                                overeenkomstige toepassing op vergunningplichtige en niet
                                vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het bestrijden van brand en het voorkomen en beperken
                                van ongevallen bij brand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Brandveiligheidsvoorzieningen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de
                                afdelingen 6.7 en 6.8 van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en
                                676) zijn, met uitzondering van de artikelen 6.28, 6.29 en 6.39, van
                                overeenkomstige toepassing op vergunningplichtige en niet
                                vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H74042_0_4_6_6_">Ieder die brand of broei ontdekt of
                                    deze vermoedt, is verplicht dit onmiddellijk aan de brandweer te
                                    melden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Opvolgen voorschriften</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H74042_0_4_7_7_">De rechthebbende op een
                                    aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten houtopstand die voor
                                    meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een heideveld, een veen
                                    of een ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in artikel
                                    8, tweede lid onder b van de Woningwet, en dat met brandbare
                                    gewassen is begroeid, is verplicht de voorschriften op te volgen
                                    die het college geeft ter voorkoming van brand en ter beperking
                                    van de gevolgen van brand.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Toezicht, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Toezicht op naleving</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H74042_0_5_8_8_">Het toezicht op de naleving van de
                                    bepalingen van deze verordening wordt opgedragen aan daartoe
                                    door het college aangewezen personen of categorieën van
                                    personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H74042_0_5_9_9_"> Een vergunning die is verleend op
                                    grond van de Brandbeveiligingsverordening Amsterdam 1995
                                    (Gemeenteblad 1995, afd. 3, nr. 56) en die van kracht is op het
                                    moment dat deze verordening in werking treedt wordt aangemerkt
                                    als een vergunning die op grond van deze verordening is
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H74042_0_5_9_10_"> Het eerste lid is van
                                    overeenkomstige toepassing op een vergunning die is verleend op
                                    grond van de brandbeveiligingsverordening van een stadsdeel als
                                    bedoeld in de Verordening op de stadsdelen (Gemeenteblad 2006,
                                    afd. 3A, nr 7/4, laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 8
                                    september 2010 (Gemeenteblad 2010, afd. 3A, nr. 169/352).</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H74042_0_5_9_11_"> Op een aanvraag om vergunning op
                                    grond van de Brandbeveiligingsverordening 1995 waarop bij de
                                    inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt
                                    met toepassing van deze verordening beslist.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H74042_0_5_9_12_"> Op een bezwaarschrift gericht tegen
                                    een beschikking op een aanvraag om vergunning krachtens de
                                    Brandbeveiligingsverordening 1995 wordt beslist met toepassing
                                    van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H74042_0_5_10_13_">Deze verordening wordt aangehaald
                                    als Brandbeveiligingsverordening 2011.</al></lid></artikel></paragraaf></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al><vet>Toelichting</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De wetgever geeft in artikel 3 lid 2 van de onlangs in werking getreden
                            Wet veiligheidsregio's de raad de opdracht om bij verordening regels
                            vast te stellen over het voorkomen, beperken en bestrijden van brand,
                            het beperken van brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen
                            bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt, voor zover daarin niet
                            bij of krachtens de Woningwet of enige andere wet is voorzien.</al><al>De wetgever heeft ook de titel van de verordening bepaald:
                            brandbeveiligingsverordening.</al><al>De rechtsvoorganger van de Wet veiligheidsregio's, de Brandweerwet 1985,
                            bevatte een vergelijkbare verplichting. In Amsterdam is met het oog
                            hierop de Brandbeveiligingsverordening 1995 vastgesteld. </al><al>Op 1 april 2012 is het landelijk geldende Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011,
                            nr. 416) in werking getreden. Met dit besluit zijn voor een groot aantal
                            onderwerpen op het gebied van brandveiligheid algemeen geldende regels
                            vastgesteld. In verband hiermee is aanpassing van de gemeentelijke
                            verordening nodig omdat deze onderwerpen bevat die nu exclusief in het
                            besluit worden geregeld en verwijst naar artikelnummers en benamingen
                            die zijn komen te vervallen. </al><al>Het besluit regelt echter alleen het brandveilig gebruik van
                                <cursief>bouwwerken.</cursief> Hierdoor is een leemte in de
                            regelgeving ontstaan voor het gebruik van voor mensen toegankelijke,
                            ruimtelijk begrensde plaatsen die geen bouwwerken zijn in de zin van het
                            besluit.</al><al>Het is van groot belang dat een bestuursorgaan de beschikking heeft over
                            een instrument, i.c. een vergunningstelsel, waarmee voorschriften kunnen
                            worden gesteld in geval van potentieel risicovolle situaties waarin
                            grote groepen mensen bij elkaar komen op plaatsen die niet onder het
                            besluit vallen.</al><al>De Brandbeveiligingsverordening vervult deze rol en kan worden gezien
                            als een vangnetregeling: zij regelt de brandveiligheid die niet op een
                            andere manier wettelijk is geregeld.</al><al>De verordening volgt de modelverordening van de VNG die een sobere
                            regeling bevat met dit doel en goed toepasbaar is. Het model is ook
                            overgenomen door de andere grote steden.</al><al>Het vaststellen van de Brandbeveiligingsverordening is op de A-lijst
                            behorende bij de Veror-dening op de stadsdelen geplaatst.</al><al>Het Gebruiksbesluit is landelijk vastgesteld om te voorkomen dat in
                            lokale bouwverordeningen overal andere regels kunnen worden opgenomen
                            over het brandveilig gebruik van gebouwen.</al><al>Het is logisch om dit uitgangspunt ook te hanteren voor de
                            Brandbeveiligingsverordening en door plaatsing op de A-lijst te zorgen
                            dat het vergunninginstrument in de hele stad eenduidig van toepassing
                            is.</al><al>De uitvoering van de verordening wordt gedelegeerd zodat stadsdelen de
                            bevoegdheid hebben om het vergunningvereiste toe te passen in daarvoor
                            in aanmerking komende gevallen. </al><al>Op overtreding van de regels van deze verordening wordt op grond van
                            artikel 64 van de Wet veiligheidsregio's als straf gesteld hechtenis van
                            ten hoogste een jaar of een geldboete van de derde categorie. In de
                            verordening is daarom geen eigen strafbepaling opgenomen.</al><al>De verordening bevat niet langer een bepaling op grond waarvan
                            ontheffing kan worden gevraagd voor het stoken van een vuur. </al><al>De landelijke regelgeving voorziet in voldoende mate in regels om het
                            stoken van vuur aan banden te leggen. Zo bevat artikel 429 onder 1° van
                            het Wetboek van Strafrecht een verbod om een vuur aan te leggen op zo
                            korte afstand van gebouwen dat daardoor brandgevaar kan ontstaan. Onder
                            3° van hetzelfde artikel wordt degene strafbaar gesteld die door gebrek
                            aan omzichtigheid gevaar voor bos,- heide-, gras- of veenbrand doet
                            ontstaan. </al><al>Daarnaast bevat artikel 10.2 Wet milieubeheer een algemeen verbod om
                            zich van afvalstoffen te ontdoen door deze buiten een inrichting te
                            storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden.
                            Artikel 10.63 van deze wet geeft burgemeester en wethouders de
                            bevoegdheid om ontheffing te verlenen voor het verbranden van
                            afvalstoffen buiten een inrichting.</al><al>In gevallen waarin een vuur wordt gestookt in het kader van een
                            evenement worden de hieraan te verbinden voorschriften bestreken door de
                            evenementenvergunning als bedoeld in artikel 2.40 van de Algemene
                            Plaatselijke Verordening.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 1 begripsomschrijvingen </vet></al><al>De Woningwet is van grote invloed op de reikwijdte van de
                            brandbeveiligingsverordening.</al><al>Deze wet bevat de wettelijke grondslag voor voorschriften over het
                            oprichten en veranderen van bouwwerken, de technische staat van
                            bestaande bouwwerken en standplaatsen en het gebruik van bouwwerken.
                            Zodra het gaat over de brandveiligheid in bouwwerken, is het Bouwbesluit
                            leidend. </al><al>De begrenzing van de verordening laat zich dan ook het best omschrijven
                            in de definities van de begrippen zoals die onder andere in de Woningwet
                            zijn opgenomen.</al><al>1. bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten,
                            vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het
                            geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het
                            vergroten van een standplaats; </al><al>2. gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte
                            geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;</al><al>3. standplaats: een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen,
                            waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare
                            nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden
                            aangesloten.</al><al>Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Woningwet niet, de VNG
                            houdt in de model bouwverordening de in de jurisprudentie aanvaarde en
                            algemeen gebruikte definitie aan.</al><al>Aan de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip
                            bouwwerk (een constructie, van enige omvang, met de grond verbonden en
                            bedoeld om ter plaatse te functioneren) wordt vastgesteld of het in een
                            bepaalde situatie om een bouwwerk gaat of niet. </al><al>Omdat het om zeer verschillende situaties kan gaan waarin sprake is van
                            een niet-bouwwerk is in de verordening gekozen voor het algemene begrip
                            ‘inrichting'. Voor het kunnen stellen van eisen aan een vergunning om
                            een inrichting in gebruik te hebben is het nodig dat de situatie waarop
                            de vergunning of de eisen van toepassing zijn is af te bakenen.</al><al>Dit wordt duidelijk aan de hand van een aantal voorbeelden die in de
                            praktijk spelen zoals een kortstondig geplaatste feesttent, een omheind
                            weiland of een boot waarop festiviteiten plaatsvinden et cetera. </al><al><vet>Artikel 2 Verbodsbepaling </vet></al><al>De Brandbeveiligingsverordening kent een gebruiksvergunningenstelsel
                            voor die situaties die uit een oogpunt van brandveiligheid meer dan de
                            gebruikelijke aandacht behoeven. </al><al>Gezien de grote verscheidenheid aan situaties is niet gekozen voor een
                            meldingsplicht omdat dan duidelijk moet worden aangegeven in welke
                            situaties gemeld moet worden.</al><al>Om dezelfde reden is het aanvragen van een vergunning vormvrij
                            gelaten.</al><al>Het zal er in veel gevallen op neer komen dat het bestuursorgaan -in
                            overleg met de brandweer- bepaalt of er sprake is van een situatie
                            waarin de verordening van toepassing is en vergunning aangevraagd moet
                            worden.</al><al>Bij de aanwijzing van de categorieën waarvoor de vergunningplicht geldt
                            is de modelverordening van de VNG gevolgd. Een uitzondering hierop vormt
                            het in artikel 2, eerste lid onder b aange-geven aantal van 4 personen
                            waaraan bedrijfsmatig nachtverblijf wordt gegeven. Aansluiting is
                            gezocht bij het vergelijkbare artikel 7.3.1 van de Bouwverordening
                            waarin eveneens een aantal van 4 personen wordt genoemd als het om
                            bouwwerken gaat. </al><al><vet>Artikel 3 Weigeringsgronden </vet></al><al>Het is duidelijk dat het voor een grote verscheidenheid aan situaties
                            niet goed mogelijk is om concreet aan te geven in welke gevallen het
                            gebruik van een inrichting niet brandveilig is en dat een voldoende mate
                            van brandveiligheid ook niet kan worden bereikt door het stellen van
                            voorschriften. Dit zal per geval moeten worden beoordeeld.</al><al>Het Bouwbesluit en het Gebruiksbesluit bevatten regels voor bouwwerken. </al><al>Veel inrichtingen in de zin van de verordening zullen lijken op de
                            situaties die in deze besluiten worden gereguleerd. Via de lijnen van
                            analoge toepassing moet dan met logica en verstand worden
                            gehandeld.</al><al><vet>Artikelen 4 en 5 Gebruikseisen en brandveiligheidsvoorzieningen
                            </vet></al><al>In deze bepalingen wordt voor de inrichtingen in de zin van de
                            verordening een duidelijk verband gelegd met het Bouwbesluit, dat
                            analoog dient te worden toegepast. De artikelen waarnaar wordt verwezen
                            regelen verschillende onderwerpen op het gebied van brandveiligheid in
                            gebouwen zoals het gebruik van toestellen en installaties, een verbod op
                            roken en open vuur, de aanwezigheid van rookmelders, het toepassen van
                            brandwerende aankleding, de aanwezigheid van vluchtroutes en
                            noodverlichting, blusmiddelen, bereikbaarheid voor de brandweer, een
                            blusleiding et cetera.</al><al><vet>Artikel 6 Melden van brand en broei </vet></al><al>Deze verplichting spreekt voor zich en behoeft geen nadere
                            toelichting.</al><al><vet>Artikel 7 Opvolgen voorschriften </vet></al><al>Het college kan op basis van dit artikel de rechthebbende op een perceel
                            verplichten de voorschriften op te volgen die worden gegeven ter
                            voorkoming van brand of om de gevolgen van brand te beperken. Deze
                            bepaling zal in Amsterdam waarschijnlijk alleen incidenteel toegepast
                            worden in buitengebied waar het verbranden van snoeiafval, maaisel etc.
                            niet ongebruikelijk is. </al><al>Het geen gehoor geven aan deze voorschriften is strafbaar overeenkomstig
                            de strafbepaling in de Wet veiligheidsregio's. </al><al><vet>Artikel 8 Toezicht op naleving </vet></al><al>Op basis van deze bepaling kan het college toezichthouders aanwijzen.
                            Een persoon die in een aanwijzingsbesluit wordt belast met het toezicht
                            op de naleving van de verordening krijgt daar-door verschillende
                            bevoegdheden. Deze bevoegdheden worden geregeld in hoofdstuk 5 van de
                            Algemene wet bestuursrecht.</al><al>De aanwijzing kan individueel zijn (personen), bijvoorbeeld door de
                            toezichthouder bij naam te noemen of door de functie aan te duiden. De
                            aanwijzing kan ook categoraal zijn (categorieën van personen),
                            bijvoorbeeld door het organisatieonderdeel te noemen waar de met het
                            toezicht belaste personen werkzaam zijn.</al><al><vet>Artikel 9 Overgangsrecht </vet></al><al>De redactie van de overgangsbepaling sluit aan bij de tekst die ook bij
                            nadere gemeentelijke verordeningen wordt gebezigd.</al><al>Het tweede lid bevat een overgangsbepaling voor de vergunningen die
                            eerder door de stadsdelen zijn afgegeven op basis van hun eigen
                            brandbeveiligingsverordeningen.</al><al>Deze bepaling is noodzakelijk nu het vaststellen van de
                            Brandbeveiligingsverordening op lijst A van de Verordening op de
                            stadsdelen is geplaatst.</al><al><vet>Artikel 10 Citeertitel </vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>