<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR98326_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening WWB 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws, 2011, 15</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening WWB 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artikel 8 en artikel 30, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-04-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-04-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-01-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB11.0029</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Regeling vervangt de Toeslagenverordening WWB 2007, zoals vastgesteld op 31 januari 2007.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening WWB 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader
                                worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en
                                bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21, onderdeel
                                        c, van de wet;</al></li><li nr="c."><al>woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j,
                                        Wet op de huurtoeslag, evenals een woonwagen of een
                                        woonschip;</al></li><li nr="d."><al>woonkosten: </al><lijst><li nr="1."><al> indien een woning wordt bewoond, de per maand geldende
                                        huurprijs als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="2."><al> indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag
                                        per maand omgerekende som van de verschuldigde
                                        hypotheekrente en de met het in eigendom hebben van de
                                        woning te betalen zakelijke lasten en een naar de
                                        omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>toeslag: een verhoging van de norm als bedoeld in artikel 25
                                        van de wet;</al></li><li nr="g."><al>norm: de op grond van hoofdstuk 3 van de wet van toepassing
                                        zijnde norm, vermeerderd of verminderd met de op grond van
                                        dat hoofdstuk door het college vastgestelde verhoging of
                                        verlaging;</al></li><li nr="h."><al>verzorgingsbehoevende: degene die is aangewezen op
                                        verzorging ter voorkoming van opname in een verpleeg- of
                                        verzorgingstehuis;</al></li><li nr="i."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente Den Helder.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Categorieën</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend geldt een
                                categorieaanduiding. De categorieën worden aangeduid als:</al><lijst><li nr="a."><al>alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>gehuwden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor
                                belanghebbenden van 27 jaar of ouder maar jonger dan 65 jaar. In
                                geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening alleen
                                indien beide echtgenoten, of daarmee gelijkgestelde, 27 jaar of
                                ouder maar jonger dan 65 jaar zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 van de wet laten de toepassing van
                                artikel 18 eerste lid van de wet onverlet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Deze verordening voorziet niet in een verlaging ten aanzien van
                                schoolverlaters zoals genoemd in artikel 28 van de wet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 25 eerste lid van de wet bedraagt 20%
                                van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in
                                wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 25 eerste lid van de wet bedraagt 10%
                                van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in
                                wiens woning één of meer anderen zijn hoofdverblijf heeft in
                                dezelfde woning.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet
                                in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                hoofdverblijf heeft:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>thuiswonende kinderen van 18 jaar of ouder die een in
                                        aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het
                                        normbedrag van levensonderhoud voor hoger onderwijs genoemd
                                        in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000;</al></li><li nr="b."><al>verzorgingsbehoevende die door belanghebbende wordt
                                        verzorgd.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10% van de
                                gehuwdennorm voor gehuwden die met één of meer anderen hun
                                hoofdverblijf hebben in dezelfde woning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3 lid 3 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging wegens woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>15% van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan
                                    voor de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwde geen
                                    woonkosten zijn verbonden;</al></li><li nr="b."><al>15% van de gehuwdennorm indien door de alleenstaande, de
                                    alleenstaande ouder of gehuwde geen woning bewoond wordt;</al></li><li nr="c."><al>de verlaging genoemd onder a en b vindt plaats op de
                                    toeslag.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5a</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>De Toeslagenverordening WWB 2007, vastgesteld bij Raadsbesluit van 31
                            januari 2007, wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2010, met dien
                            verstande dat de artikelen 3, vierde lid onder a, en 4, tweede lid,
                            ervan van toepassing blijven voor zover toeslagen op basis daarvan zijn
                            verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5b</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in individuele bijzondere situaties ten gunste van de
                            belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien
                            toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard
                            leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening WWB
                            2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>De Toeslagenverordening WWB 2010 treedt in werking na haar publicatie en
                            werkt terug tot 1 januari 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de raadsvergadering van 4 april 2011</ondertekening><ondertekening>Koen Schuiling, voorzitter</ondertekening><ondertekening>Mr. drs. M. Huisman, griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting op de Toeslagenverordening WWB 2010</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al/><tussenkop>1. Norm, toeslag en verlaging</tussenkop><al>De WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan een systeem
                    van basisnorm en toeslagen en verlagingen. De bijstandsnormen zijn vastgelegd in
                    paragraaf 2, de artikelen 20 t/m 24 WWB. Daarnaast voorziet paragraaf 3 in
                    toeslagen en verlagingen van de artikelen 25 t/m 29 WWB. Het college is
                    verplicht om in voorkomende gevallen de basisnorm te verhogen met een toeslag.
                    Van de mogelijkheid om een verlaging toe te passen hoeft geen gebruik gemaakt te
                    worden.</al><al>Door de inwerkingtreding van de Wet investeren in jongeren (WIJ) is de WWB in
                    beginsel niet toegankelijk voor jongeren tot 27 jaar en kunnen zij geen algemene
                    bijstand meer ontvangen. Daarvoor is de WWB op een aantal onderdelen aangepast
                    en is ook deze verordening gewijzigd. Jongeren tot 27 jaar vallen dan ook niet
                    langer onder deze verordening.</al><tussenkop>Norm</tussenkop><al>Voor belanghebbenden van 27 t/m 65 jaar bestaan er drie basisnormen (artikel 21
                    WWB), namelijk:</al><lijst><li nr="a."><al>gehuwden: 100% van het wettelijke minimumloon (gehuwdennorm);</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm;</al></li><li nr="c."><al>alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm.</al></li></lijst><tussenkop>Toeslagen</tussenkop><al>Een toeslag kan verstrekt worden aan de alleenstaande (ouder) als de algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan niet geheel of gedeeltelijk gedeeld kunnen
                    worden. De mogelijkheid tot het delen van de kosten wordt aanwezig te zijn als
                    naast de belanghebbende nog één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben in
                    dezelfde woning. Dan kunnen voorzieningen als energie, huur en andere zaken
                    gedeeld worden.</al><al>De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van de gehuwdennorm waardoor de uitkering
                    maximaal bedraagt voor:</al><lijst><li nr="·"><al>Alleenstaande ouders: 90% van de gehuwdennorm;</al></li><li nr="·"><al>Alleenstaanden: 70% van de gehuwdennorm.</al></li></lijst><al>De verhogingen zijn opgenomen in hoofdstuk 2 van de verordening.</al><tussenkop>Verlagingen</tussenkop><al>In de WWB zijn de volgende verlagingen opgenomen:</al><lijst><li nr="·"><al>Verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van de
                            algemene noodzakelijke kosten van het bestaan met een ander bij gehuwden
                            (art. 26 WWB);</al></li><li nr="·"><al>Verlaging in verband met de woonsituatie (art. 27 WWB);</al></li><li nr="·"><al>Verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een studie (art.
                            28 WWB).</al></li></lijst><al>De verlagingen zijn uitgewerkt in hoofdstuk 3 van de verordening. Er vindt geen
                    verlaging plaats bij schoolverlaters (art. 2 lid 4 verordening).</al><al/><tussenkop>2. De Toeslagenverordening</tussenkop><al>In artikel 8 lid 1 onder c juncto artikel 30 WWB is geregeld dat de gemeenteraad
                    bij verordening dient vast te stellen voor welke categorieën de bijstandsnorm
                    verhoogd of verlaagd wordt en op grond van welke criteria de hoogte van die
                    verhoging of verlaging wordt bepaald. In deze verordening is opgenomen het
                    beleid met toeslagen op en verlagingen van de bijstandsnorm voor de categorieën
                    van belanghebbenden aan wie in de gemeente Den Helder bijstand kan worden
                    verleend. </al><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al/><tussenkop>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijving</tussenkop><al>Lid 1: </al><al>Er is voor gekozen om de begrippen die zijn omschreven in de WWB of Awb, niet
                    afzonderlijk te definiëren in de verordening. Dit voorkomt dat in geval van
                    wijziging van betreffende definities in de WWB of Awb ook de verordening moet
                    worden gewijzigd. </al><al>Lid 2: </al><al>Begrippen die niet in de WWB of Awb zijn beschreven of nader uitgelegd moeten
                    worden, zijn in dit lid omschreven.</al><lijst><li nr="b."><al>gehuwdennorm: dit begrip is omschreven omdat deze term en de hoogte van
                            de daarbij behorende norm in de WWB zelf wordt gegeven in artikel 21
                            onder c WWB. Dit bedrag is feitelijk gelijk aan het netto
                            minimumloon.</al></li><li nr="c."><al>woning: het vastgelegde beleid van toeslagen en verlagingen heeft mede
                            betrekking op bewoners van een woonwagen of woonschip.</al></li><li nr="d."><al>woonkosten: voor woonkosten wordt aangesloten bij de huurprijs ogv. de
                            Wet op de huurtoeslag. Daarmee wordt bedoeld de prijs die bij huur en
                            verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van de woning.</al></li></lijst><al>Voor woonkosten van een door de eigenaar bewoonde woning wordt rekening gehouden
                    met de te betalen netto hypotheekrente (fiscaal aftrekbare rente is hierop in
                    mindering gebracht) en de zakelijke lasten.</al><al/><tussenkop>Artikel 2 Categorieën</tussenkop><al>Lid 1: </al><al>Artikel 30 WWB bepaalt dat de verordening een categoriaal karakter moet hebben. </al><al>Lid 2: </al><al>In verband met de invoering van de WIJ is de verordening van toepassing op
                    personen van 27 jaar of ouder, maar jonger dan 65 jaar. </al><al>Bij gehuwden geldt dat beide partners 27 jaar of ouder moeten zijn. Indien één
                    van de echtgenoten jonger is dan 27 jaar geldt artikel 24 WWB. De WWB norm van
                    de rechthebbende echtgenoot wordt dan omgezet naar de norm die voor hem/haar als
                    alleenstaande (ouder) van toepassing zou zijn. In artikel 32, derde lid, WWB
                    staat hoe omgegaan moet worden met het inkomen van een niet-rechthebbende
                    partner.</al><al>Ontvangt de niet-rechthebbende echtenoot een inkomensvoorziening WIJ dan is voor
                    de WIJ-gerechtigde partner in art. 28, derde en vierde lid WIJ, geregeld welke
                    norm toegepast moet worden.</al><al>Lid 3: </al><al>Op grond van artikel 30 vierde lid van de wet kan het college, in afwijking de
                    bijstand anders vaststellen als dat gelet op de omstandigheden, mogelijkheden en
                    de middelen van de belanghebbende noodzakelijk is. Om hierover bij de uitvoering
                    van de Toeslagenverordening geen misverstand te laten bestaan is de
                    individualiseringsplicht expliciet opgenomen. </al><al>Lid 4: </al><al>Artikel 28 geeft het college de mogelijkheid om de normen voor schoolverlaters
                    die recentelijk de deelname aan onderwijs of beroepsopleiding hebben beëindigd,
                    tijdelijk te verlagen. Het college heeft hiervoor niet gekozen. </al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 2 Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</tussenkop><al/><al>Artikel 3 Toeslagen</al><al>Lid 1:</al><al>De hoogte van 20% van het minimumloon als hoogte van de toeslag voor de
                    alleenstaande (-ouder) in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, is
                    verplicht op grond van artikel 30 tweede lid onder a van de wet. Bij de
                    vaststelling van de basisnorm voor de alleenstaande (-ouder) is de wetgever
                    uitgegaan van de veronderstelling dat betrokkene de bestaanskosten geheel met
                    een ander kan delen. Indien dit niet het geval is, wordt de bijstandsnorm
                    verhoogd met een toeslag. Voor het bepalen van de toeslag worden alle extra
                    algemeen noodzakelijke bestaanskosten in aanmerking genomen die de alleenstaande
                    of de alleenstaande ouder heeft ten opzichte van degene die met zijn partner een
                    gezamenlijke huishouding voert. </al><al>Het gaat hierbij niet alleen om woonkosten (in beperkte of uitgebreide zin) maar
                    ook om alle andere uitgaven waarbij partners een schaalvoordeel hebben omdat zij
                    alle kosten van huisvesting en huishouding gezamenlijk opbrengen. Bij de
                    relatief hogere kosten waarmee alleenstaanden in beginsel worden geconfronteerd
                    kan vooral gedacht worden aan duurzame gebruiksgoederen, zoals woninginrichting
                    en huishoudelijke apparatuur, maar ook aan diverse andere kosten, zoals
                    heffingen, belastingen, verzekeringen, tijdschriften, internet etc.</al><al>Bij de beoordeling of belanghebbende inderdaad hogere bestaanskosten heeft is in
                    voorkomende gevallen niet bepalend of de kosten ook feitelijk met anderen worden
                    gedeeld, maar of het (gegeven de omstandigheden) redelijk is ervan uit te gaan
                    dat deze kosten kunnen worden gedeeld. In bijvoorbeeld de situatie dat een
                    hoofdbewoner de woning met een ander bewoont, zou een ongewenste
                    gebruikersruimte van bijstandsmiddelen ontstaan als de hoogte van de toeslag
                    ervan afhankelijk is of de medebewoner (hoewel deze ertoe financieel in staat
                    is) ook feitelijk een bijdrage levert in de woonkosten. Hiertoe wordt gesproken
                    van het “kunnen delen” van de kosten. Met deze omschrijving wordt uitdrukkelijk
                        <cursief>niet</cursief> beoogt aan te geven dat van de belanghebbende kan
                    worden gevergd dat deze bijvoorbeeld zijn woonsituatie aanpast om zo met een
                    lagere bijstandsuitkering te kunnen volstaan. </al><al>De mate waarin de bestaanskosten kunnen worden gedeeld bepaalt de hoogte van de
                    toeslag. De toeslag bedraagt minimaal 0% en maximaal 20% van de gehuwdennorm.
                    Degene die voor een toeslag in aanmerking wenst te komen, moet aannemelijk maken
                    dat er geen sprake is van kosten die kunnen worden gedeeld en dat er daarom
                    terecht aanspraak op een toeslag wordt gemaakt. De toeslag maakt een integraal
                    deel van de bijstandsuitkering uit. </al><al>De inlichtingenplicht, zoals opgenomen in artikel 17 van de wet, geldt dan ook
                    voor het toeslagendeel. Belanghebbende zal dan ook door middel van het
                    overleggen van gegevens het recht moeten aantonen. </al><al>Lid 2:</al><al>Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op. Deze
                    schaalvoordelen treden op omdat de woonlasten in uitgebreide zin kunnen worden
                    gedeeld. De kosten van onder andere huur, belastingen, verzekeringen, vastrecht
                    nutsbedrijven en dergelijke, zijn voor personen die een woning delen lager omdat
                    deze kosten per woning slechts eenmaal in rekening worden gebracht. Deze
                    schaalvoordelen worden berekend op 10%. </al><al>Ingeval er op enigerlei wijze sprake is van het kunnen delen van kosten wordt de
                    toeslag als gevolg van de optredende schaalvoordelen vastgesteld op 10% van de
                    gehuwdennorm. Dit is ook van toepassing als meerdere personen in een
                    hulpverleningsinstelling e.d. woonachtig zijn.</al><al>Lid 3:</al><al>De artikelen 25 en 26 WWB zijn gewijzigd. In de WWB staat nu het uitgangspunt
                    dat ouders met een thuiswonend meerderjarig kind met een inkomen tot maximaal
                    het normbedrag WSF genoemd in artikel 3.18 WSF 2000, hun woonkosten niet kunnen
                    delen met dit kind. Het is daarbij niet van belang wat voor soort inkomen het
                    kind ontvangt (studiefinanciering, loon, uitkering enz.). Kunnen de
                    alleenstaande ouders de woonkosten ook niet met anderen delen, dan is de
                    maximale toeslag 20% van de gehuwdennorm en bij gehuwden de volledige norm.</al><al>In onderdeel b van het derde lid wordt geregeld dat een zorgbehoevende eveneens
                    niet wordt meegeteld als persoon die in dezelfde woning het hoofdverblijf heeft.
                    Uitgangspunt daarbij is dat het niet wenselijk is om belanghebbende vanwege deze
                    verzorgingstaken te confronteren met een lagere toeslag. </al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 3 Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of
                    toeslag</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 4 Verlaging gehuwden</tussenkop><al>Lid 1:</al><al>In de gehuwdennorm is al rekening gehouden met het feit dat beide echtgenoten de
                    kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met elkaar. Indien in de woning
                    nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de algemeen noodzakelijke kosten
                    van het bestaan nog verder gedeeld worden. Daarbij is de mate waarin de kosten
                    ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een
                    verantwoordelijkheid van belanghebbenden zelf. </al><al>Ongeacht het aantal andere personen dat in de woning zijn hoofdverblijf heeft,
                    vindt er een verlaging van 10% van de bijstandsnorm plaats. Dit omdat het in de
                    praktijk dan ook vaak gaat om een grotere en duurdere woning bij meer bewoners
                    van een woning. </al><al>Lid 2:</al><al>Hier wordt verwezen naar de toelichting zoals opgenomen bij artikel 3 derde lid
                    van deze verordening. </al><al/><tussenkop>Artikel 5 Verlaging wegens woonsituatie</tussenkop><al>Lid 1:</al><al>Artikel 27 WWB geeft het college de mogelijkheid de norm of de toeslag te
                    verlagen voor zover belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan heeft ten gevolge van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet
                    aanhouden van een woning. Artikel 27 WWB is aanvullend bedoeld op de artikelen
                    25 en 26 WWB.</al><al>Als aan de woning geen woonkosten verbonden zijn, is er sprake van lagere
                    bestaanskosten. Het begrip woonkosten is nader gedefinieerd in artikel 1 lid 2
                    onder d van deze verordening. Het uitgangspunt voor verlaging van de toeslag is
                    het bedrag dat de minister van Infrastructuur en Milieu (v/h ministerie VROM)
                    hanteert als minimumbedrag bij het toepassen van huurtoeslag (het zogenaamde
                    normbedrag voor minimuminkomensklasse). Omgerekend naar een percentage bedraagt
                    deze verlaging afgerond 15%.</al><al>Lid 2:</al><al>Als door de belanghebbende in het geheel geen woning wordt bewoond, wordt
                    hij/zij geacht lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te hebben
                    vanwege het ontbreken van alle woonlasten.</al><al>Gekozen is om deze situatie toch vergelijkbaar te stellen met een belanghebbende
                    die geen huur of hypotheeklasten heeft, daar een dakloze geconfronteerd wordt
                    met de hogere kosten van het op straat leven, zoals de kosten van nachtopvang.
                    De hoogte van de verlaging krachtens dit artikel heeft geen invloed op de wijze
                    waarop de bijstand verleend moet worden. Indien bijstand verleend wordt aan
                    daklozen, kan het college gebruik maken van zijn bevoegdheid om een
                    budgetteringsplicht op te leggen dan wel de bijstand in natura (in de vorm van
                    opvang) te verlenen. </al><al>Lid 3:</al><al>De korting vindt plaats op de toeslag.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 4 Slotbepalingen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 5a</tussenkop><al>Het betreft hier de overgangsbepaling in verband met de terugwerkende kracht
                    bepaling. Er zou sprake moeten zijn van een herbeoordeling. Wanneer een
                    herbeoordeling tot een lagere toeslag zou leiden, dan kan dat niet
                    teruggevorderd worden. De cliënt mag niet de dupe worden van het niet tijdig
                    aanpassen door de gemeente van de verordening. Via de hardheidsclausule van 5b
                    dient het verschil in die gevallen te worden erkend als rechtmatig toegekend.
                    Bij het bereiken van de 21 jarige leeftijd van het inwonende kind, of eerder als
                    de situatie wijzigt, vindt aanpassing plaats conform de vigerende
                    verordening.</al><al/><tussenkop>Artikel 5b, 6 en 7</tussenkop><al>Geen toelichting noodzakelijk.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>