<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR98078_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening persoonsgebonden budget begeleid werken Wsw gemeente Noordwijkerhout</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Noordwijkerhout</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Noordwijkerhout</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening persoonsgebonden budget begeleid werken Wsw gemeente Noordwijkerhout</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-06-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening persoonsgebonden budget begeleid werken Wsw gemeente
                Noordwijkerhout</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Wsw: Wet sociale werkvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>werkvoorzieningschap: de Regeling Werkvoorzieningsschap Kust-, Duin-
                                en Bollenstreek;</al></li><li nr="c."><al>Wsw-geïndiceerde: degene die op grond van een indicatiebesluit of
                                herindicatiebeschikking, als bedoeld in artikel 11 van de Wsw,
                                uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid
                                in staat is;</al></li><li nr="d."><al>ingezetene: de persoon die in de gemeente woonplaats heeft, als
                                bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het
                                Burgerlijk Wetboek;</al></li><li nr="e."><al>periodieke subsidie: de loonkostensubsidie en overige aan de
                                werkgever te verstrekken vergoedingen voor structurele kosten;</al></li><li nr="f."><al>begeleidingsorganisatie: de organisatie, zoals bedoeld in artikel 7
                                van de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De hoogte van de rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden
                            uitvoeringskosten</titel></kop><al>Het werkvoorzieningschap stelt elk jaar vóór 31 december de hoogte vast van
                        de rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden uitvoeringskosten voor
                        elk te verstrekken persoons-gebonden budget voor het daarop volgende
                        kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Invulling voorwaarden adequate werkplek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het werkvoorzieningschap verstrekt op aanvraag aan iedere
                            Wsw-geïndiceerde die daar recht op heeft een persoongebonden budget
                            begeleid werken Wsw, indien werkgever en begeleidingsorganisatie er zorg
                            voor dragen dat de arbeidsplaats voor de Wsw-geïndiceerde adequaat wordt
                            ingevuld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werkgever voldoet aan de volgende vereisten:</al><lijst><li nr="a."><al>zijn onderneming staat ingeschreven bij de Kamer van
                                    Koophandel;</al></li><li nr="b."><al>de aangeboden arbeidsplaats en de omvang daarvan zijn, gelet op
                                    de indicatiestelling en mogelijkheden van de Wsw-geïndiceerde,
                                    als passend aan te merken;</al></li><li nr="c."><al>de duur van het dienstverband bedraagt tenminste zes maanden,
                                    met een mogelijkheid tot verlenging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De begeleidingsorganisatie voldoet aan de volgende vereisten:</al><lijst><li nr="a."><al>de begeleidingsorganisatie is ingeschreven bij de Kamer van
                                    Koophandel;</al></li><li nr="b."><al>de begeleidingscommissie en/of haar medewerkers zijn
                                    gekwalificeerd voor het begeleiden van de doelgroep c.q. de
                                    Wsw-geïndiceerde voor wie het persoonsgebonden budget is
                                    bestemd;</al></li><li nr="c."><al>de begeleidingsorganisatie heeft aantoonbare kennis en ervaring
                                    in het werkveld.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De wijze van vaststelling van de periodieke subsidie aan de
                            werkgever</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het werkvoorzieningschap stelt de hoogte van de subsidie aan de
                            werkgever vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien bij toepassing van het vorige lid gerede twijfel bestaat aan de
                            juiste hoogte van de loonkostensubsidie vindt, in afwijking van het
                            vorige lid, een loonwaarde onderzoek plaats, op basis waarvan de hoogte
                            van de loonkostensubsidie wordt vastgesteld. Daarbij kan een externe
                            deskundige worden ingeschakeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In ieder geval vindt er altijd een loonwaarde onderzoek plaats, indien
                            de loonkostensubsidie meer bedraagt dan 60% van het bruto loon van de
                            Wsw-geindiceerde.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Herziening van de loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op verzoek van de werkgever kan een loonkostensubsidie worden herzien
                            als hier, gelet op de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit van de
                            werknemer, aanleiding voor is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De loonkostensubsidie kan worden gewijzigd als hier gerede aanleiding
                            toe is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In ieder geval vindt er elke drie jaar een toetsing van de
                            loonkostensubsidie plaats. Op basis van de toetsing kan de
                            loonkostensubsidie worden herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>De vergoeding aan de begeleidingsorganisatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van de vergoeding aan de begeleidingsorganisatie en de omvang
                            van het aantal begeleidingsuren wordt door partijen in onderling overleg
                            vastgesteld. Tussentijdse aanpassingen hierin zijn mogelijk indien
                            partijen dit vooraf overeenkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kosten van een begeleidingsorganisatie in verband met het zoeken van
                            een begeleid werkenplaats komen alleen voor vergoeding in aanmerking als
                            dit leidt tot het totstandkomen van een arbeidsovereenkomst.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Vergoeding voor eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van de
                            omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het werkvoorzieningschap kan een vergoeding verstrekken voor de
                            eenmalige kosten van aanpassing van de omstandigheden waaronder de
                            arbeid wordt verricht als blijkt dat aanpassingen op de werkplek
                            noodzakelijk zijn en deze persoonsgerelateerd zijn. De vergoeding voor
                            deze kosten bedraagt maximaal € 3.000.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het werkvoorzieningschap regelt de wijze van uitbetaling van de
                            vergoeding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Indienen van de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag voor een persoonsgebonden budget wordt ingediend door een
                            volledig ingevulde aanvraag. De aanvraag wordt meeondertekend door
                            werkgever en de begeleidingsorganisatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het werkvoorzieningschap kan ten behoeve van de aanvraag een
                            aanvraagformulier vaststellen</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het werkvoorzieningschap besluit over de aanvraag binnen vier weken na
                            ontvangst van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het werkvoorzieningschap kan dit besluit met ten hoogste vier weken
                            verlengen. Het werkvoorzieningschap stelt de aanvrager hiervan
                            schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de periodieke subsidie</titel></kop><al>Het besluit tot verlening van een periodieke subsidie bevat in ieder
                        geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de hoogte van de periodieke subsidie en de wijze waarop deze kan
                                worden aangepast;</al></li><li nr="b."><al>de verplichtingen van de werkgever.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Het vaststellen van de periodieke subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De werkgever verstrekt binnen vier weken na afloop van ieder kwartaal
                            aan het werkvoorzieningschap een schriftelijke opgave van het door hem
                            betaalde bruto CAO-loon van de Wsw-geïndiceerde, vermeerderd met alle
                            werkgeverslasten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het werkvoorzieningschap stelt de periodieke subsidie binnen vier weken
                            na ontvangst van deze opgave vast en betaalt de subsidie binnen een week
                            na de vaststelling uit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Verplichtingen van de werkgever</titel></kop><al>De werkgever doet onmiddellijk schriftelijke mededeling aan het
                        werkvoorzieningschap van alle feiten en omstandigheden die van belang kunnen
                        zijn voor de verstrekking van de subsidie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Partijen zullen naar redelijkheid en billijkheid uitvoering geven aan deze
                        verordening. Indien en voor zover het ten uitvoer brengen van deze
                        verordening aantoonbaar een onbillijke situatie voor de betrokken Wsw
                        geïndiceerde medewerker tot gevolg zou hebben, kan het werkvoorzieningschap
                        na overleg met betrokken partijen in gunstige zin van deze verordening
                        afwijken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Deze verordening wordt geëvalueerd binnen drie jaar na
                        inwerkingtreding.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2008. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: ’Verordening persoonsgebonden budget
                        begeleid werken Wsw gemeente Noordwijkerhout‘. </al></artikel></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Algemene Toelichting</titel></kop><al>Op 1 januari 2008 is de herziene Wet sociale werkvoorziening (Wsw) in werking
                    getreden. Deze wet bevordert dat Wsw-geïndiceerden meer in een reguliere
                    werkomgeving gaan werken. Om deze doelstelling te verwezenlijken, voert de wet
                    enkele belangrijke wijzigingen door. Zo worden regie en sturing op de Wsw
                    nadrukkelijker in handen gelegd van gemeenten. Gemeenten worden hiermee
                    gestimuleerd een visie te ontwikkelen om het doel van de wet, het realiseren van
                    aangepaste arbeid die aansluit bij de capaciteiten en mogelijkheden van de
                    Wsw-geïndiceerde, het beste te kunnen verwezenlijken. Een tweede verandering
                    heeft betrekking op het geven van meer rechten en keuzemogelijkheden aan
                    Wsw-geïndiceerden, waaronder het recht op een persoonsgebonden budget (PGB) om
                    begeleid werken te realiseren.</al><al>De wet verplicht gemeenteraden om bij verordening nadere regels vast te stellen
                    over de wijze waarop het werkvoorzieningschap vormgeeft aan het PGB (artikel 7,
                    tiende lid, Wsw). Gemeenteraden moeten binnen zes maanden na inwerkingtreding
                    van de wet deze verordening hebben vastgesteld.</al><al><vet>Twee vormen van begeleid werken</vet></al><al>Sinds 1998 kent de Wsw de mogelijkheid van begeleid werken door
                    Wsw-geïndiceerden bij een reguliere werkgever. Het begeleid werken was onder de
                    oude wet geregeld in het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid
                    werken. Bij deze vorm van begeleid werken worden begeleid werkplekken tot stand
                    gebracht door gemeente of schap. Deze wijze van tot stand brengen van begeleid
                    werken blijft ook onder de nieuwe wet bestaan.</al><al>Naast het begeleid werken dat door gemeente of schap tot stand wordt gebracht,
                    introduceert de nieuwe Wsw het begeleid werken via de figuur van het
                    persoonsgebonden budget (PGB). Dit vanuit de gedachte dat de Wsw als vrijwillige
                    voorziening voor een specifieke groep arbeidsgehandicapten zo goed mogelijk moet
                    aansluiten bij de capaciteiten en mogelijkheden van een Wsw-geïndiceerde.
                    Daarbij past ook dat Wsw-geïndiceerden de mogelijkheid moeten hebben om zelf te
                    bepalen op welke manier hun arbeidsplaats wordt gerealiseerd. </al><al>Door de Wsw geïndiceerde een recht op een PGB te geven wordt hierin voorzien.
                    Tussen beide vormen van begeleid werken, totstandkoming via een PGB dan wel met
                    behulp van gemeente of schap, bestaat een aantal verschillen. Zo is begeleid
                    werken met een PGB als een recht voor elke Wsw-geïndiceerde geformuleerd. Deze
                    heeft recht op begeleid werken met een PGB als de aanvraag aan de wettelijke
                    eisen en de daarop gebaseerde gemeentelijke voorwaarden voldoet. Bovendien ligt
                    bij begeleid werken met een PGB het initiatief bij de Wsw-geïndiceerde zelf. De
                    Wsw-geïndiceerde, of iemand namens hem, zal een PGB bij de gemeente moeten
                    aanvragen en om dit te kunnen doen zal hij zelf een werkgever en een
                    begeleidingsorganisatie moeten aandragen en de wijze van werkplekaanpassing
                    moeten regelen, dan wel daar een voorstel voor doen. Als een Wsw geïndiceerde
                    (of een door hem ingeschakelde begeleidingsorganisatie) een werkgever vindt die
                    hem een adequate werkplek aanbiedt, de begeleiding op de werkplek adequaat wordt
                    geregeld en de kosten van begeleid werken binnen het beschikbare budget vallen,
                    dan is de gemeente (na de aanvraag te hebben beoordeeld) verplicht de wens van
                    de Wsw-geïndiceerde te honoreren. Iedere Wsw-geïndiceerde komt in beginsel in
                    aanmerking voor begeleid werken met een PGB. Voor het beroep op een PGB is geen
                    begeleid werken-indicatie van het CWI vereist. Hij of zij hoeft daarvoor dus
                    niet een positief advies begeleid werken te hebben gekregen. Een sw-indicatie
                    volstaat. Ook een sw-werknemer met een bestaand dienstverband kan dus een beroep
                    doen op een PGB.</al><al>Het verschil tussen begeleid werken dat door de gemeente of schap wordt
                    georganiseerd en begeleid werken met een PGB is in beginsel uitsluitend gelegen
                    in de procedurele wijze waarop een begeleid werkenplek tot stand wordt gebracht.
                    Als de begeleid werkenplek eenmaal is gerealiseerd, zijn er in principe geen
                    verschillen. Dit betekent dat gemeenten bij het stellen van regels voor begeleid
                    werken met een PGB zoveel mogelijk zullen aansluiten bij de wijze waarop zij het
                    begeleid werken op dit moment organiseren. Dit geldt vooral voor de eisen die
                    zij aan werkgevers, de werkplek en aan begeleidingsorganisaties stellen.</al><al><vet>De regeling van begeleid werken met een PGB</vet></al><al>Het begeleid werken met een PGB wordt geregeld in artikel 7. De gemeente kan een
                    verzoek van een Wsw-geïndiceerde om voor een PGB in aanmerking te komen niet
                    weigeren, als:</al><lijst><li nr="1."><al>de betrokkene al een Wsw-dienstverband heeft of recht heeft op plaatsing
                            vanaf de wachtlijst;</al></li><li nr="2."><al>de door de Wsw-geïndiceerde of de door hem aangedragen
                            begeleidingsorganisatie voorgestelde werkplek en begeleiding op de
                            werkplek adequaat zijn;</al></li><li nr="3."><al>de door het werkvoorzieningschap aan de werkgever te verstrekken
                            periodieke subsidie en de aan begeleidingsorganisatie te verstekken
                            vergoeding, na aftrek van de voor de gemeente rechtstreeks aan de
                            subsidieverlening verbonden uitvoeringskosten, niet hoger zijn dan het
                            (gemiddelde) budget dat beschikbaar is voor een Wsw-plaats. Komt het
                            bedrag van de periodieke subsidie en de periodieke vergoeding van
                            begeleiding boven het budget uit dat beschikbaar is voor een Wsw-plaats,
                            dan is het werkvoorzieningschap niet verplicht om subsidie te
                            verstrekken, maar mag het dat wel doen (artikel 7, eerste lid,
                            Wsw).</al></li></lijst><al>Het uitgangspunt van de wet is dat een Wsw-geïndiceerde recht heeft op begeleid
                    werken met een PGB. Het werkvoorzieningschap heeft de bevoegdheid om op grond
                    van de wet en de voorwaarden in deze verordening te toetsen of het aangevraagde
                    bedrag voor het PGB nodig is om de betreffende Wsw-geïndiceerde op een adequate
                    wijze begeleid te laten werken, dan wel dat zou kunnen worden volstaan met een
                    lager bedrag. Omgekeerd kan het werkvoorzieningschap, hoewel hij de toekenning
                    van een dergelijke hogere aanvraag mag weigeren, ook besluiten een hoger bedrag
                    toe te kennen dan het beschikbare bedrag.</al><al>Het PGB bestaat uit drie bestanddelen:</al><lijst><li nr="1."><al>een periodieke subsidie aan de werkgever waar de Wsw-geïndiceerde in
                            dienst is. Deze subsidie is primair bedoeld als een tegemoetkoming in de
                            loonkosten in verband met de geringere arbeidsproductiviteit. Ook kan
                            deze subsidie worden gebruikt als een vergoeding voor structurele kosten
                            van de werkgever die verband houden met het in dienst hebben van een
                            Wsw-geïndiceerde. Daarbij kan worden gedacht aan reiskosten of kosten
                            voor intermediaire activiteiten ten behoeve van mensen met een visuele
                            of auditieve handicap (zoals een voorleeshulp of een doventolk).</al></li><li nr="2."><al>een periodieke vergoeding aan de begeleidingsorganisatie die de
                            begeleiding van de Wsw-geïndiceerde verzorgt.</al></li><li nr="3."><al>een vergoeding voor de eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van
                            de omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht (artikel 7, derde
                            lid, Wsw). Hieronder worden bijvoorbeeld kosten verstaan die gemaakt
                            worden voor technische aanpassingen in de werkplek.</al></li></lijst><al>Het PGB is geen rugzakje: de Wsw-geïndiceerde krijgt geen budget mee. In feite
                    moet het PGB als hier bedoeld dan ook eerder worden gezien als een
                    persoonvolgend budget. Het PGB wordt aangevraagd door de Wsw-geïndiceerde, maar
                    de subsidie en vergoeding worden door het werkvoorzieningschap verstrekt aan de
                    werkgever respectievelijk de begeleidingsorganisatie. De Wsw-geïndiceerde heeft
                    echter geen recht op een bepaald budget. Het uitgangspunt van de wet is dat een
                    Wsw-geïndiceerde recht heeft op begeleid werken met een PGB. </al><al>Enerzijds bestaat er dus een recht op een PGB, anderzijds heeft het
                    werkvoorzieningschap de verantwoordelijkheid voor het zo efficiënt en effectief
                    inzetten van publieke middelen en het realiseren van de jaarlijkse
                    (rijks)taakstelling voor het realiseren van Wsw-plekken. Het bestaan van een PGB
                    ontslaat het werkvoorzieningschap ook niet van de zorgplicht zoals die is
                    geformuleerd in art. 1 lid 3 van de wet.</al><al>De onderwerpen in de verordening in artikel 7, tiende lid, Wsw staan de
                    onderwerpen genoemd die de gemeenteraad in ieder geval in zijn verordening zal
                    moeten regelen:</al><lijst><li nr="1."><al>de wijze waarop de hoogte van de periodieke subsidie aan de werkgever
                            dient te worden vastgesteld;</al></li><li nr="2."><al>de hoogte van de voor het werkvoorzieningschap rechtstreeks aan de
                            subsidieverlening verbonden uitvoeringskosten omgerekend op
                            jaarbasis;</al></li><li nr="3."><al>de voorwaarden waaronder het werkvoorzieningschap aan de werkgever een
                            vergoeding verstrekt voor de eenmalige noodzakelijke kosten van
                            aanpassing van de omstandigheden waaronder arbeid wordt verricht,
                            en</al></li><li nr="4."><al>de voorwaarden waaronder het werkvoorzieningschap een
                            begeleidingsorganisatie inschakelt die door de Wsw-geïndiceerde zelf is
                            aangewezen.</al></li></lijst><al>Naast deze vier verplichte onderwerpen kunnen gemeenten nog een aantal andere
                    zaken in hun verordening regelen of daaraan in ieder geval aandacht besteden als
                    ze het PGB gaan regelen. Het gaat dan om voorwaarden die de gemeente kan stellen
                    aan de werkgever en de werkplek van de Wsw-geïndiceerde. Het
                    werkvoorzieningschap zal bij elke aanvraag van een PGB moeten beoordelen of de
                    werkgever de voorgestelde inpassing in de arbeid adequaat kan verzorgen. In
                    verband hiermee kan een gemeente eisen stellen aan de werkgever en de door hem
                    aangeboden werkplek. Omdat begeleid werken met een PGB een recht is voor alle
                    Wsw-geïndiceerden, zullen eventuele voorwaarden waaronder dit recht kan worden
                    gerealiseerd bij verordening moeten worden geregeld.</al><al>Daarnaast kunnen ook procedurele bepalingen in de verordening worden opgenomen
                    die verband houden met het feit dat een PGB moet worden aangevraagd. Het gaat
                    dan om aangelegenheden als gegevens en documenten die bij de aanvraag voor een
                    PGB moeten worden overgelegd, de beslistermijn en de bevoegdheid van het
                    werkvoorzieningschap om een subsidie te wijzigen.</al><al><vet>Sober model</vet></al><al>Uitgangspunt is een sober model voor de verordening. Vanuit deze optiek dient
                    deze verordening dan ook gelezen en inhoudelijk beoordeeld te worden. Verder
                    draagt de sobere opzet van het model bij tot het zoveel mogelijk beperken van
                    administratieve lasten voor de uitvoering. </al><al><vet>Onderscheid subsidies en vergoedingen</vet></al><al>De wet maakt een onderscheid tussen subsidies en vergoedingen. De periodieke
                    betalingen door de gemeente aan een werkgever worden als een subsidie aangemerkt
                    en de periodieke betalingen aan de begeleidingsorganisatie als een vergoeding.
                    Ook de betalingen in verband met eenmalige kosten van aanpassing van de werkplek
                    worden in de wet als een vergoeding aangemerkt.</al><al>Om vast te stellen of een bepaalde geldverstrekking een subsidie is (die op
                    basis van een beschikking wordt verstrekt) of een commerciële transactie
                    (waarvoor een overeenkomst wordt gesloten) doet de naamgeving van de
                    geldverstrekking niet ter zake. Als tegenover de betaling door de gemeente een
                    reële economische tegenprestatie staat (in de vorm van een concrete dienst of
                    concreet product), is er sprake van een commerciële transactie. Staat tegenover
                    de betaling door de gemeente geen duidelijke economische tegenprestatie, dan is
                    er sprake van een subsidie. Dit betekent dat de periodieke subsidie aan de
                    werkgever en de vergoeding voor de eenmalige kosten van aanpassing van de
                    werkplek moeten worden aangemerkt als subsidie. Dit, ondanks de andere
                    terminologie (vergoeding) die het rijk hier aan geeft in de wet. Tegenover deze
                    betalingen staan immers geen economische tegenprestaties van werkgevers. </al><al>De periodieke vergoeding aan een begeleidingsorganisatie moet worden opgevat als
                    een commerciële transactie. De gemeente koopt een dienst in bij de
                    begeleidingsorganisatie en betaalt daarvoor in principe de marktprijs.</al><al>Het verstrekken van subsidies is een publiekrechtelijke rechtshandeling: het
                    vindt plaats op basis van een beschikking. De bepalingen in het Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb) zijn in beginsel van toepassing op de subsidies die de
                    gemeente in het kader van de PGB verstrekt. In de verordening kunnen nadere
                    regels worden gesteld over de subsidieverstrekking in het kader van de PGB. De
                    verstrekking van periodieke vergoedingen aan een begeleidingsorganisatie is
                    privaatrechtelijk van aard. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In artikel 1 is een beperkt aantal begrippen opgenomen, omdat de wet
                        voldoende duidelijk is over gehanteerde termen en begrippen. Een
                        uitgebreide(re) begrippenlijst is daarom overbodig.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>Artikel 7, tiende lid, onderdeel b, Wsw schrijft voor dat de gemeenteraad
                        bij verordening regels stelt over de hoogte van de voor het
                        werkvoorzieningschap rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden
                        uitvoeringskosten omgerekend op jaarbasis. Artikel 2 van deze verordening
                        vormt de uitwerking van deze verplichting. In dit artikel wordt bepaald dat
                        het werkvoorzieningschap elk jaar de hoogte van de gemeentelijke
                        uitvoeringskosten van begeleid werken met een PGB vaststelt. Het
                        werkvoorzieningschap zal zelf bepalen welke uitvoeringskosten het toekennen
                        van een PGB aan een Wsw-geïndiceerde met zich meebrengt. De wet geeft niet
                        aan wat precies onder uitvoeringskosten moet worden verstaan. Het moet in
                        ieder geval gaan om kosten die rechtstreeks aan de subsidieverlening
                        verbonden zijn (artikel 7, tweede lid, onderdeel b, Wsw). Daarbij kan worden
                        gedacht aan kosten in verband met de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="-"><al>het beoordelen van aanvragen voor een PGB;</al></li><li nr="-"><al>de administratieve handelingen in verband met het verstrekken van
                                subsidies en vergoedingen in het kader van het PGB;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>het monitoren van het begeleid werken met een PGB;</al></li><li nr="-"><al>het tussentijds bepalen van loonwaarde;</al></li><li nr="-"><al>het voeren van (tussentijdse) gesprekken met begeleidingsorganisatie
                                en werkgever.</al></li></lijst><al>De uitvoeringskosten worden afgetrokken van het bedrag dat de gemeente
                        (gemiddeld) per Wsw-geïndiceerde van het rijk ontvangt, waarbij ook rekening
                        wordt gehouden met de mate van arbeidshandicap. Het bedrag dat de gemeente
                        (gemiddeld) per Wsw-geïndiceerde van het rijk ontvangt minus de (gemiddelde)
                        uitvoeringskosten per Wsw-geïndiceerde levert vervolgens het bedrag op dat
                        het werkvoorzieningschap in beginsel beschikbaar heeft voor een PGB.</al><al>De verordening moet uiterlijk voor 1 juli 2008 zijn vastgesteld. Gemeenten
                        moeten voor die tijd het budget aan uitvoeringskosten vaststellen voor de
                        tweede helft van 2008.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al>Het werkvoorzieningschap zal bij elke aanvraag van een PGB moeten beoordelen
                        of de inpassing in de arbeid van betrokkene, met inbegrip van begeleiding op
                        zijn werkplek adequaat door de werkgever wordt verzorgd (artikel 7, eerste
                        lid, Wsw). In verband hiermee kunnen er eisen gesteld worden aan de
                        werkgever en de door hem aangeboden werkplek. In artikel 7, tiende lid, Wsw
                        dient de gemeenteraad in zijn verordening de voorwaarden te regelen
                        waaronder het werkvoorzieningschap een begeleidingsorganisatie inschakelt
                        die door de Wsw-geïndiceerde is aangewezen.</al><al>Het ligt voor de hand dat de gemeente bij het stellen van eisen aan
                        werkgevers en begeleidingsorganisaties in het kader van begeleid werken met
                        een PGB zoveel mogelijk probeert aan te sluiten bij de wijze waarop zij op
                        dit moment begeleid werken organiseert. Als het gaat om voorwaarden waaraan
                        werkgevers moeten voldoen, kan worden gedacht aan:</al><lijst><li nr="-"><al>inschrijving van zijn onderneming bij de Kamer van Koophandel (een
                                dergelijke bepaling kan overigens niet worden opgenomen voor
                                overheidsorganisaties of daaraan gelieerde instellingen, omdat die
                                niet bij de KvK zijn of kunnen worden ingeschreven);</al></li><li nr="-"><al>de duur van het dienstverband;</al></li><li nr="-"><al>is de aangeboden arbeidsplaats passend in het licht van de
                                indicatiestelling door het CWI en de mogelijkheden en beperkingen
                                van de Wsw-geïndiceerde?;</al></li><li nr="-"><al>is de salariëring gebaseerd op de voor het bedrijf of de betreffende
                                branche geldende CAO of arbeidsvoorwaarden?;</al></li><li nr="-"><al>de situatie met betrekking tot arbeidsomstandigheden, veiligheid en
                                de aanwezigheid van risicoanalyses.</al></li></lijst><al>Voor wat betreft de duur van het, minimale, dienstverband is wellicht nog
                        van belang dat het rijk de bonus voor begeleid werken pas uitkeert als er
                        sprake is van een dienstverband van zes maanden. Dat is de reden waarom
                        deze, minimale, duur van het dienstverband in de verordening is
                        opgenomen.</al><al>Wat betreft de voorwaarden waaraan begeleidingsorganisaties moeten voldoen
                        kan worden gedacht aan:</al><lijst><li nr="-"><al>inschrijving bij de Kamer van Koophandel (mits de betreffende
                                organisatie inschrijvingsplichtig is);</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>taakvervulling met inachtneming van de stand van de wetenschap en
                                die van de arbeids- en organisatiekunde;</al></li><li nr="-"><al>beschikking over voldoende opgeleide deskundigen die de
                                arbeidsinpassing met inbegrip van de begeleiding op de werkplek
                                adequaat kunnen verzorgen;</al></li><li nr="-"><al>(gespecialiseerde) kennis met betrekking tot specifieke kenmerken
                                (van delen) van de doelgroep;</al></li><li nr="-"><al>transparantie en marktconforme prijsstelling;</al></li><li nr="-"><al>liquiditeits- en solvabiliteitspositie.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al>De gemeenteraad dient bij verordening nadere regels te stellen over de wijze
                        waarop de hoogte van de periodieke subsidie aan de werkgever dient te worden
                        vastgesteld (artikel 7, tiende lid, onderdeel a, Wsw). De periodieke
                        subsidie bestaat uit een loonkostensubsidie en eventueel ook uit een
                        vergoeding voor structurele kosten van de werkgever die verband houden met
                        het in dienst hebben van een Wsw-geïndiceerde (bijvoorbeeld reiskosten of
                        terugkerende kosten voor intermediaire activiteiten).</al><al>Het doel van de loonkostensubsidie is het verstrekken van een tegemoetkoming
                        in de loonkosten in verband met geringere arbeidsproductiviteit van de
                        Wsw-geïndiceerde. Om te kunnen bepalen wat de hoogte van de
                        loonkostensubsidie moet zijn, is inzicht nodig in de verdiencapaciteit
                        (loonwaarde) van de betrokken Wsw-geïndiceerde. In de praktijk kan de hoogte
                        van de loonkostensubsidie worden bepaald in onderhandeling. Daarbij wordt in
                        veel gevallen overigens gebruik gemaakt van bestaande methodieken voor
                        inschatting van de loonwaarde. Ook het functieprofiel van de te vervullen
                        functie en het daarbij behorende (CAO-)loon maken vaak deel uit van dit
                        proces.</al><al>De hoogte van de subsidie wordt concreet door het werkvoorzieningschap
                        vastgesteld. Vanuit een oogpunt van administratieve lastenverlichting is
                        deze methode te verkiezen. Bovendien blijkt uit ervaringsgegevens in de
                        praktijk dat dit een werkbare manier is. Bij gerede twijfel over de juiste
                        hoogte van de loonkostensubsidie en als loonkostensubsidie meer dan 60% van
                        het bruto loon van de Wsw-geïndiceerde bedraagt, vindt altijd vooraf een
                        loonwaardebepaling plaats. </al><al>Het verstrekken van subsidie aan werkgevers kan onder bepaalde
                        omstandigheden vallen onder staatssteun (die op grond van Europese
                        regelgeving verboden is). Voor het verstrekken van loonkostensubsidies aan
                        werkgevers die Wsw-geïndiceerden in dienst hebben is de Europese
                        Vrijstellingsverordening werkgelegenheidssteun van belang. Deze Europese
                        verordening staat toe dat maximaal 60% van de loonkosten wordt gesubsidieerd
                        zonder dat daaraan een individuele loonwaardebepaling ten grondslag ligt.
                        Daarom is dit percentage in de verordening opgenomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al>De productiviteit van een sw-geïndiceerde kan wijzigen, als deze persoon
                        langer op een begeleid werkplek werkzaam is. Als dat het geval is, kan de
                        loonkostensubsidie worden aangepast. De werkgever kan dan, als de
                        productiviteit, c.q. verdiencapaciteit van de werknemer minder wordt, na
                        overleg en met instemming van de werknemer, een verzoek indienen om de
                        loonkostensubsidie te herzien. De werkgever moet zijn verzoek om herziening
                        met redenen omkleden.</al><al>Ook kan het werkvoorzieningschap, als er een gerede aanleiding is voor een
                        (tussentijdse) aanpassing van de subsidie, een hernieuwde beoordeling voor
                        de hoogte van het subsidie doen. Dit zal zich overigens alleen in
                        uitzonderlijke gevallen voordoen, bijvoorbeeld als er sprake is van
                        kennelijke onredelijkheid bij handhaving van een bestaande situatie. In de
                        praktijk zal het waarschijnlijk vaker voorkomen dat in de
                        subsidiebeschikking aan de werkgever wordt opgenomen hoe, en op welke wijze
                        (tussentijdse) herbeoordelingen van loonwaarde zullen plaatsvinden. De
                        herbeoordeling van de loonwaarde kan plaatsvinden op basis van een
                        loonwaardeonderzoek. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>Omdat de vergoedingen aan begeleidingsorganisaties op basis van een
                        overeenkomst plaatsvinden, en in feite de uitkomst is van overleg hierover,
                        hoeft dit artikel in principe niet in de verordening te worden opgenomen.
                        Niettemin is het toch wenselijk hierover een bepaling in de verordening op
                        te nemen. Het werkvoorzieningschap kan dergelijke voorwaarden ook opnemen in
                        eigen richtlijnen of hierover onderhandelen. Op basis van ervaringsgegevens
                        blijkt dat de omvang van het aantal uren aan begeleiding in de tijd kan
                        variëren, afhankelijk van de behoefte hieraan en de aard van de handicap.
                        Daarom is de mogelijkheid in de verordening opgenomen om het aantal uren aan
                        begeleiding, en dus de vergoeding, aan te passen. Partijen
                        (uitvoeringsorganisatie, sw-geïndiceerde en begeleidingsorganisatie) moeten
                        het hier uiteraard wel over eens zijn en van te voren met elkaar afspreken
                        dat periodieke evaluaties over aanpassingen in de omvang van het aantal
                        begeleidingsuren plaats vinden. Op die manier kan maatwerk in de begeleiding
                        worden geleverd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al>De verordening dient regels te bevatten die betrekking hebben op de
                        voorwaarden waaronder het werkvoorzieningschap aan de werkgever een
                        vergoeding (subsidie) verstrekt voor de eenmalige noodzakelijke kosten van
                        aanpassing van de omstandigheden waaronder arbeid wordt verricht (artikel 7,
                        tiende lid, Wsw). Dit artikel vormt de uitwerking van deze
                        verplichting.</al><al>Het eerste lid bepaalt dat een eenmalige vergoeding kan worden verstrekt. In
                        de praktijk zullen hierbij de kosten en baten tegen elkaar moeten worden
                        afgewogen. Omdat hier sprake is van maatwerk, is niet bij benadering aan te
                        geven om welk bedrag het exact gaat. Duidelijk is dat hier de criteria van
                        redelijkheid en maatwerk van belang zijn om een verantwoorde en zorgvuldige
                        afweging te maken. De aard van de voorziening kan immers van geval tot geval
                        verschillen en overigens ook gerelateerd zijn aan de aard van de handicap.
                        Bovendien hoeft er niet perse sprake te zijn van aanpassingen van
                        bouwkundige aard. Het kan ook gaan om (aangepaste) apparatuur die een
                        sw-geïndiceerde kan gebruiken bij een andere werkgever. Wel is de eenmalige
                        vergoeding aan een maximum van € 3.000 gebonden. </al><al>Het artikel regelt verder de wijze van uitbetaling van de vergoeding regelt.
                        Daarbij kan worden gedacht aan de termijnen van betaling.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>De Wsw-geïndiceerde zal het PGB moeten aanvragen. Omdat begeleid werken met
                        een PGB leidt tot een subsidierelatie met de werkgever (in verband met het
                        verstekken van een periodieke subsidie) en een contractrelatie met de
                        begeleidingsorganisatie (in verband met het verstrekken van een periodieke
                        vergoeding), zullen ook de werkgever en de begeleidingsorganisatie van de
                        Wsw-geïndiceerde de aanvraag moeten ondertekenen. Op basis van de aanvraag
                        beslist het werkvoorzieningschap vervolgens of een periodieke subsidie aan
                        de werkgever en een periodieke vergoeding aan de begeleidingsorganisatie
                        worden verstrekt en voor welke bedragen. Vervolgens vindt de verstrekking
                        van de periodieke subsidie aan de werkgever plaats op basis van een
                        beschikking en de verstrekking van een periodieke vergoeding aan de
                        begeleidingsorganisatie op basis van een overeenkomst.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><al>Om de subsidie te kunnen vaststellen, dient de werkgever een schriftelijke
                        opgave te doen van het door hem betaalde bruto CAO-loon van de
                        Wsw-geïndiceerde, vermeerderd met alle werkgeverslasten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr></kop><al>Dit artikel maakt het mogelijk dat, ten gunste van de desbetreffende
                        betrokken Wsw-geïndiceerde medewerker, van de bepalingen in deze verordening
                        kan worden afgeweken als het ten uitvoer brengen van de verordening
                        aantoonbaar een onbillijke situatie voor de betrokkene tot gevolg zou
                        hebben. Het werkvoorzieningschap kan dit doen na overleg met de betrokken
                        partijen.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>