<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR97779_4</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening leerlingenvervoer gemeente Boxmeer 2010, inclusief eerste wijziging 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Boxmeer</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Boxmeer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Boxmeers weekblad, 19 juni 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening leerlingenvervoer gemeente Boxmeer 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de expertisecentra, artikel 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het primair onderwijs, artikel 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het voortgezet onderwijs</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-05-31</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-06-20</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-04-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Technische wijzigingen in de Verordening leerlingenvervoer gemeente Boxmeer 2010</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>I-WL/2012/2139</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De term ‘gehandicapte leerling’ is in alle artikelen vervangen door een omschrijving;</al><al>Artikel 4: voorkeur voor meerjarige beschikkingen vervalt;</al><al>Artikel 28a: het college krijgt de bevoegdheid om uitvoeringsregels vast te stellen;</al><al>Artikel 31, actualisering van de overgangsregeling.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening leerlingenvervoer gemeente Boxmeer 2010, inclusief eerste wijziging 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Boxmeer,</al><al>gelezen het voorstel van het college van 7 september 2010,</al><al>gelet op de artikelen 4 van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de
                        expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs</al><al>besluit vast te stellen de volgende: Verordening leerlingenvervoer gemeente
                        Boxmeer</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Titel</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><al>a. school:</al><al>- een basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in
                            de Wet op het primair onderwijs (Stb. 1998, 495);</al><al>- een school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal
                            onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de
                            expertisecentra (Stb. 1998, 496);</al><al>- een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het
                            voortgezet onderwijs (Stb. 1998, 512);</al><al>b. ouders: de ouders, voogden of verzorgers van de leerling;</al><al>c. leerling: een leerling van een school als bedoeld onder a;</al><al>d. vervallen;</al><al>e. woning: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk
                            verblijft;</al><al>f. afstand: de afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de
                            kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg;</al><al>g. vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen
                            de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in
                            aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de
                            schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige
                            leerling die aansluiting onmogelijk maakt;</al><al>h. openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer volgens
                            een dienstregeling per trein, metro, tram, bus, veerdienst of auto;</al><al>i. aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi,
                            treintaxi of bustaxi;</al><al>j. eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig, bromfiets of
                            fiets;</al><al>k. reistijd: de totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de
                            woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus
                            maximaal 10 minuten indien en voorzover de leerling het schoolgebouw met
                            bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids
                            aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de
                            schooldag volgens de schoolgids, een eventuele wachttijd, en de aankomst
                            bij de woning;</al><al>l. toegankelijke school:</al><al>- voor wat betreft basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs:
                            de basisschool van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke
                            richting dan wel de openbare school of de speciale school voor
                            basisonderwijs waarop de leerling is aangewezen van de verlangde
                            godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare
                            school;</al><al>- voor wat betreft scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs en
                            scholen voor voortgezet onderwijs: de school van de soort waarop de
                            leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of
                            levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school van de soort
                            waarop de leerling is aangewezen;</al><al>m. inkomen: het ingevolge de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Stb.
                            2000, 215) vastgestelde gecorrigeerde verzamelinkomen van de ouders in
                            het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor
                            bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd.</al><al>n. opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de
                            leerling gebruik kan maken van het vervoer;</al><al>o. commissie voor de begeleiding: de commissie die is ingesteld door het
                            bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                            expertisecentra, niet zijnde een instelling, of de bevoegde
                            gezagsorganen van twee of meer scholen als bedoeld in artikel 1 van de
                            Wet op de expertisecentra, niet zijnde instellingen, die hetzelfde
                            expertisecentrum instandhouden.;</al><al>p. vervoersvoorziening: een gehele of gedeeltelijke bekostiging van de
                            door het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en
                            zo nodig diens begeleider, of bekostiging van de goedkoopst mogelijke
                            wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens
                            begeleider, of aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt
                            of doet verzorgen. </al><al>q. permanente commissie leerlingenzorg: de commissie als bedoeld in
                            artikel 23 van de Wet op het primair onderwijs;</al><al>r. samenwerkingsverband: het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel
                            18 van de Wet op het primair onderwijs;</al><al>s. regionale verwijzingscommissie: de commissie als bedoeld in artikel
                            10 g van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al>t. opdc: orthopedagogisch en -didactisch centrum als bedoeld in artikel
                            10h , derde lid, Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al>u. ambulante begeleiding: de begeleiding door een personeelslid van een
                            school of instelling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                            expertisecentra van leerlingen die zijn geplaatst op een basisschool of
                            leerlingen die zijn geplaatst op een school voor voortgezet onderwijs en
                            die naar het oordeel van het bevoegd gezag zonder die begeleiding zouden
                            zijn aangewezen op het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal
                            onderwijs;</al><al>v. commissie voor de indicatiestelling: de commissie als bedoeld in
                            artikel 28 c van de Wet op de expertisecentra.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten
                                vervoerskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van
                                in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een
                                vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt zij
                                van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de
                                vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste
                                het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening
                                moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of
                                nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde
                                bijdrage doet de aanspraak op bekostiging vervallen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De bepalingen in deze verordening laten onverlet de
                                verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun
                                kinderen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de
                                bekostiging op aanvraag verstrekt aan de leerling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bekostiging van de vervoerskosten wordt toegekend over de afstand
                                tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor
                                de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder
                                weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou
                                brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk
                                instemmen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien ouders bekostiging van de vervoerskosten aanvragen voor het
                                bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is
                                gelegen dan in artikel 11 of 15 is bepaald, terwijl een of meer
                                scholen van dezelfde onderwijssoort dichterbij de woning zijn
                                gelegen, ontstaat slechts aanspraak op bekostiging naar
                                eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard
                                dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan
                                wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen,
                                van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de
                                woning zijn gelegen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Uitbetaling van de bekostiging</titel></kop><al>Het college bepaalt bij het verstrekken van bekostiging van de
                            vervoerskosten de wijze en het tijdstip van de uitbetaling, alsmede de
                            tijdsduur van de verstrekte bekostiging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een aanvraag voor bekostiging van de vervoerskosten wordt gedaan
                                door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de
                                ouders ondertekend formulier, voorzien van de op het formulier
                                vermelde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanvraag wordt, indien het een aanvraag voor het eerstvolgende
                                schooljaar betreft, voor 1 juni voorafgaand aan dat schooljaar
                                ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk
                                is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te
                                verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten
                                hoogste vier weken verdagen. Het stelt de aanvrager hiervan
                                schriftelijk in kennis.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Indien een vervoersvoorziening wordt toegekend wordt deze
                                getroffen:</al><al>a. met ingang van het nieuwe schooljaar indien de aanvraag voor 1
                                juni is ingediend;</al><al>b. met ingang van de door de ouders verzochte datum als het een
                                aanvraag gedurende het schooljaar betreft, met dien verstande dat de
                                datum waarop bekostiging wordt verstrekt niet ligt voor de datum van
                                ontvangst van de aanvraag door het college.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Doorgeven van wijzigingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ouders zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op
                                de verstrekte bekostiging van de vervoerskosten, onder vermelding
                                van de datum van wijziging, onverwijld schriftelijk mede te delen
                                aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien sprake is van een wijziging die van invloed is op de
                                verstrekte bekostiging, vervalt de aanspraak op bekostiging en
                                verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de
                                vervoerskosten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de ouders niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, en
                                het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt,
                                waardoor blijkt dat ten onrechte bekostiging is verstrekt, vervalt
                                de aanspraak op bekostiging van de vervoerskosten terstond en
                                verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de
                                vervoerskosten.</al><al>Het college deelt zijn besluit schriftelijk mee aan de ouders.</al><al/></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders worden
                                teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuwe
                                verstrekking van bekostiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Peildatum leeftijd leerling</titel></kop><al>Voor het verstrekken van bekostiging op basis van artikel 12 is bepalend
                            de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de
                            bekostiging betrekking heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Andere vergoedingen</titel></kop><al>De aanspraak op bekostiging wordt verminderd met de aanspraak op een
                            toelage, voorzover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op
                            de reiskosten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel</label><nr>2</nr><titel>BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN DE LEERLINGEN VAN SCHOLEN VOOR
                            PRIMAIR ONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale
                                school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 wordt bekostiging
                            verstrekt van de kosten van het vervoer over de afstand tussen de woning
                            dan wel de opstapplaats en:</al><al>a. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school
                            voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool
                            waarvan de leerling afkomstig is, of</al><al>b. een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a.
                            bedoelde samenwerkingsverband, indien het vervoer naar die school voor
                            de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar
                            de speciale school voor basisonderwijs, bedoeld onder a..</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Permanente commissie leerlingenzorg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien het college de gevraagde voorziening ten behoeve van een
                                leerling op een school voor primair onderwijs niet of slechts
                                gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking de beslissing te
                                betrekken van de permanente commissie leerlingenzorg over de
                                toelating van de leerling op een speciale school voor
                                basisonderwijs.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor
                                leerlingenvervoer eventuele adviezen van de permanente commissie
                                leerlingenzorg die voor de beoordeling van die aanvraag van belang
                                zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                                fiets</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school
                                voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs
                                bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer,
                                indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem
                                toegankelijke school meer dan zes km bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets, indien
                                de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder
                                begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Daarbij
                                hanteert het college een maximale fietsafstand van 10km tussen het
                                woonadres en school.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van een
                                begeleider</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 11,
                                bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten behoeve
                                van 1 begeleider, indien de leerling jonger dan negen jaar is, en
                                door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt
                                aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het
                                openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt,
                                komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van een
                                begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</titel></kop><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                            vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor basisonderwijs
                            of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, indien voldaan wordt
                            aan het afstandscriterium van artikel 11, en</al><al>a. de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of
                            terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast
                            vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan
                            worden teruggebracht, of:</al><al>b. openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van
                            het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het
                            vervoer per fiets.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan
                                het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen
                                zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf
                                vervoeren, dan wel laten vervoeren:</al><al>a. een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer,
                                indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten
                                van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde
                                lid;</al><al>b. een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto,
                                afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou
                                bestaan op bekostiging van de kosten van aangepast vervoer,
                                behoudens het bepaalde in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een
                                leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een
                                bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto afgeleid
                                van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer
                                leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het
                                college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling
                                gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college
                                aan de ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor
                                de fiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel</label><nr>3</nr><titel>BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN DE LEERLINGEN VAN SCHOLEN VOOR
                            (VOORTGEZET) SPECIAAL ONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                                fiets</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, bekostiging op basis
                                van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de
                                woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer dan zes
                                kilometer bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan wel
                                bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al
                                dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per
                                fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                bromfiets.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15a</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke WEC school
                                cluster 4</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 geldt voor de leerling
                            die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs uit cluster 4
                            bezoekt als dichtstbijzijnde toegankelijke school, de school die door de
                            commissie voor de indicatiestelling is geadviseerd. Dit is van
                            toepassing zolang de leerling zijn woonplaats heeft in het gebied van
                            het regionale expertisecentrum waaraan voornoemde commissie is
                            verbonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Commissie voor de begeleiding</titel></kop><al>Indien het college de gevraagde voorziening ten behoeve van een leerling
                            op een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs niet of slechts
                            gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de
                            commissie voor de begeleiding of het advies van andere deskundigen te
                            betrekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van
                                een begeleider</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 15,
                                bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten behoeve
                                van een begeleider, indien door de ouders ten behoeve van het
                                college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling, gelet op zijn
                                lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap of leeftijd,
                                niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets
                                gebruik te maken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere
                                deskundigen te betrekken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt,
                                komen slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van een
                                begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van
                                aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor
                                (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, indien voldaan wordt aan
                                het afstandscriterium van artikel 15, en</al><al>a. de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of
                                terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met
                                aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar
                                vervoer kan worden teruggebracht, of:</al><al>b. openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel
                                van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van
                                het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het
                                vervoer per bromfiets.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere
                                deskundigen te betrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan
                                het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen
                                zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf
                                vervoeren, dan wel laten vervoeren:</al><al>a. een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer,
                                indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten
                                van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde
                                lid;</al><al>b. een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto,
                                afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou
                                bestaan op bekostiging van de kosten van aangepast vervoer,
                                behoudens het bepaalde in het vierde lid.</al><al/></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan een
                                leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren,
                                bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor
                                de auto, afgeleid van de Reisregeling Binnenland, behoudens het
                                bepaalde in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer
                                leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het
                                college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling
                                gebruik kan maken van het vervoer per fiets of bromfiets, verstrekt
                                het college aan de ouders bekostiging van een bedrag op basis van
                                een kilometervergoeding voor de fiets dan wel bromfiets, afgeleid
                                van de Reisregeling binnenland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Bekostiging vervoerskosten van leerlingen met een handicap voor
                                scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verstrekt eveneens bekostiging op basis van de kosten
                                van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, indien het college van
                                oordeel is dat de lichamelijke, psychische, verstandelijke of
                                zintuiglijke handicap van de leerling dat vereist.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere
                                deskundigen te betrekken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten zoals
                                bedoeld in het eerste lid, is artikel 19 van toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel</label><nr>4</nr><titel>BEPALINGEN OMTRENT WEEKEINDE- EN VAKANTIEVERVOER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Bekostiging van de kosten van het weekeinde en vakantievervoer
                                aan de in de gemeente wonende ouders</titel></kop><al>Het college bekostigt desgewenst de kosten van het weekeinde- en
                            vakantievervoer aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling
                            die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet)
                            speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft, volgens het
                            bepaalde in deze Titel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Bekostiging kosten weekeinde en vakantievervoer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders bekostiging van de kosten van
                                het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde
                                gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling
                                verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voorzover de
                                weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde
                                schoolvakanties.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college bekostigt de kosten van het vakantievervoer van de
                                leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer,
                                gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling
                                verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voorzover de
                                vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling
                                bezoekt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Titel 3 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing, met
                                uitzondering van artikel 16, artikel 17, tweede lid, artikel 18,
                                eerste lid onder a, artikel 18, tweede lid, en artikel 20.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel</label><nr>5</nr><titel>EIGEN BIJDRAGE EN BEKOSTIGING NAAR FINANCIËLE DRAAGKRACHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Drempelbedrag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of
                                een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen
                                tezamen meer bedraagt dan euro 23.400,- wordt slechts bekostiging
                                verstrekt voorzover de kosten van het vervoer van die leerling de
                                kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11 bepaalde
                                afstand te boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen
                                het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders
                                van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale
                                school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een
                                eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer
                                over de in artikel 11 bepaalde afstand, indien het inkomen van de
                                ouders meer bedraagt dan euro 23.400,-</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede
                                lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die op grond van de
                                zone-indeling in de regeling die is gebaseerd op artikel 30 , eerste
                                lid, van de Wet personenvervoer 2000, voor de afstand redelijkerwijs
                                zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer
                                of het daadwerkelijk gebruik ervan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het bedrag van euro 23.400,- genoemd in het eerste en tweede lid,
                                wordt met ingang van 1 januari 2010 jaarlijks aangepast aan de
                                wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen
                                werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en
                                rekenkundig afgerond op een veelvoud van euro 450,-. Het aangepaste
                                bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde
                                bedrag van euro 23.400,-</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie
                                ingevolge Titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Financiële draagkracht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde
                                toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt,
                                wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de
                                financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen
                                het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van
                                de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor
                                basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, betalen de ouders een van de
                                financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het
                                bedrag van de kosten van het vervoer.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de
                                bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en
                                zijn afhankelijk van de hoogte van het gecorrigeerde verzamelinkomen
                                van de ouders in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting
                                2001.</al><al>Zie bedragen voor 2010-2011:</al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><tbody><row><entry><al>Gezamenlijk inkomen beide ouders in euro</al></entry><entry><al>eigen bijdrage per gezin in euro</al></entry></row><row><entry><al>0-31.000</al></entry><entry><al>Nihil</al></entry></row><row><entry><al>31.000-37.500</al></entry><entry><al>125</al></entry></row><row><entry><al>37.500-43.500</al></entry><entry><al>520</al></entry></row><row><entry><al>43.500-49.000</al></entry><entry><al>960</al></entry></row><row><entry><al>49.000-56.000</al></entry><entry><al>1405</al></entry></row><row><entry><al>56.000-62.000</al></entry><entry><al>1855</al></entry></row><row><entry><al>62.000 en verder</al></entry><entry><al>voor elke extra € 4.500 : € 455 erbij</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden jaarlijks
                                aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen
                                van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari
                                van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud
                                van euro 500,-.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden
                                jaarlijks aangepast aan de wijziging die het
                                consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het
                                onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1
                                januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een
                                veelvoud van euro 5,-.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie
                                ingevolge Titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel</label><nr>6</nr><titel>BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN LEERLINGEN MET EEN HANDICAP VAN
                            SCHOLEN VOOR PRIMAIR ONDERWIJS EN VOORTGEZET ONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met
                                begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 verstrekt het college
                                bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met
                                begeleiding aan de ouders van de leerling die een basisschool,
                                speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet
                                onderwijs bezoekt en die vanwege een lichamelijke, psychische,
                                verstandelijke of zintuiglijke handicap niet zelfstandig van het
                                openbaar vervoer gebruik kan maken. Ten aanzien van een leerling van
                                een speciale school voor basisonderwijs neemt het college artikel 9
                                in acht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dienen zij bij de beschikking het
                                advies van de permanente commissie leerlingenzorg, de ambulante
                                begeleider of het advies van andere deskundigen te betrekken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt,
                                komen slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van een
                                begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan wel
                                bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al
                                dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per
                                fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                bromfiets.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van
                                aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een basisschool,
                                speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet
                                onderwijs bezoekt, indien</al><al>a. de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn
                                lichamelijke, psychische, verstandelijke of zintuiglijke handicap
                                niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van openbaar vervoer
                                gebruik te maken. Ten aanzien van een leerling van een speciale
                                school voor basisonderwijs neemt het college artikel 9 in acht.
                                Of:</al><al>b. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 25 en
                                de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of
                                terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met
                                aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar
                                vervoer kan worden teruggebracht, of:</al><al>c. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 25 en
                                openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van
                                het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het
                                vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het
                                vervoer per bromfiets.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de permanente commissie leerlingenzorg, de ambulante
                                begeleider of het advies van andere deskundigen te betrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan
                                het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen
                                zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf
                                vervoeren, dan wel laten vervoeren:</al><al>a. een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer met
                                begeleiding, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis
                                van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in
                                het vijfde lid;</al><al>b. een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto,
                                afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou
                                bestaan op bekostiging van de kosten van aangepast vervoer,
                                behoudens het bepaalde in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan een
                                leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren,
                                bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor
                                de auto, afgeleid van de Reisregeling Binnenland, behoudens het
                                bepaalde in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer
                                leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het
                                college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling
                                gebruik kan maken van het vervoer per fiets of bromfiets, verstrekt
                                het college aan de ouders bekostiging van een bedrag op basis van
                                een kilometervergoeding voor de fiets dan wel bromfiets, afgeleid
                                van de Reisregeling binnenland.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel</label><nr>7</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin
                            deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28A</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering
                            van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Afwijken van bepalingen</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs
                            aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze
                            verordening, zonodig na advies te hebben gevraagd aan de permanente
                            commissie leerlingenzorg, de commissie van begeleiding, de regionale
                            verwijzingscommissie of andere deskundigen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De verordening leerlingenvervoer gemeente Boxmeer 2003 wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Overgangsregeling</titel></kop><al>In afwijking van het gestelde in artikel 11, eerste lid, wordt voor de
                            toepassing van Titel 2 voorzover het een leerling betreft ten behoeve
                            waarvan op het moment van vaststelling van deze verordening aanspraak
                            bestaat op een vergoeding als bedoeld in Titel 2 voor zo lang als deze
                            leerling onderwijs blijft volgen aan dezelfde instelling voor speciaal
                            basisonderwijs uiterlijk tot en met groep 8, als afstandscriterium
                            genoemd in artikel 11, eerste lid gehanteerd een afstand van vier
                            kilometer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na de datum van
                            uitgifte van het Boxmeers Weekblad waarin zij is geplaatst.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                            leerlingenvervoer gemeente Boxmeer 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>Artikelsgewijze toelichting Verordening leerlingenvervoer gemeente
                        Boxmeer 2010</titel></kop><al/><al><vet><cursief>Artikel 1: Begripsomschrijving</cursief></vet></al><al>In artikel 1 van de verordening is een aantal begrippen nader gedefinieerd, die
                    regelmatig gebruikt worden in de verordening.</al><al/><al><vet><cursief>Ad a. School</cursief></vet></al><al><cursief>Speciale school voor basisonderwijs</cursief></al><al>De Wet op het primair onderwijs (WPO), die op 1 augustus 1998 in werking is
                    getreden, voorziet in de samenvoeging van het basisonderwijs en het onderwijs
                    voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lom), moeilijk lerende
                    kinderen (mlk) en in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk) in een wet. De
                    scholen voor lom, mlk en iobk heten onder de WPO `speciale scholen voor
                    basisonderwijs'.</al><al/><al><cursief>School voor voortgezet onderwijs</cursief></al><al>Onder een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de WVO, vallen het
                    voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen voortgezet
                    onderwijs (havo)en het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), waar
                    praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs deel van uit maken.</al><al/><al><cursief>Speciaal onderwijs (WEC)</cursief></al><al>De Wet op de expertisecentra (WEC) omvat al het overig speciaal en voortgezet
                    speciaal onderwijs. Het gaat om onderwijs voor doven, slechthorenden, kinderen
                    met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapten, lichamelijk
                    gehandicapten, kinderen opgenomen in het ziekenhuis, langdurig zieken, zeer
                    moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, meervoudig
                    gehandicapten en onderwijs op pedologische instituten.</al><al/><al>De WEC onderscheidt de volgende clusters:</al><lijst><li nr=""><al>Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel
                            meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap;</al></li><li nr=""><al>Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en
                            kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudige
                            gehandicapte kinderen met een van deze handicaps;</al></li><li nr=""><al>Cluster 3: onderwijs aan langdurige zieke kinderen met een lichamelijke
                            handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende
                            kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze
                            handicaps;</al></li><li nr=""><al>Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een
                            lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in
                            scholen verbonden aan pedologische instituten.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Particuliere </cursief>scholen</al><al>Aanspraak op leerlingenvervoer kan zowel naar rijksbekostigde als particuliere
                    scholen bestaan, mits de particuliere school een onderwijsrichting
                    vertegenwoordigt en mits de particuliere school een 'school' in de zin van de
                    onderwijswetten is. Momenteel zijn het individuele leerplichtambtenaren die
                    beslissen of een particuliere school voldoende lijkt op bekostigde scholen.</al><al/><al>Op rijksniveau bestaat het voornemen dit centraal te gaan bepalen. In 2007 is
                    daarom een wetswijziging van de Leerplichtwet in behandeling gegeven bij de
                    Eerste en Tweede Kamer. De wetswijziging beoogt onder andere aanscherping van de
                    criteria waaraan particuliere scholen moeten voldoen. De Raad van State heeft
                    echter negatief geoordeeld over dit wetsvoorstel en de minister en de
                    staatssecretaris zijn om opheldering gevraagd.</al><al>Het is niet duidelijk of (en wanneer) het wetsvoorstel doorgang zal vinden.</al><al/><al/><al><cursief>Andere onderwijsvormen</cursief></al><al>Het vervoer naar het middelbaar beroepsonderwijs, het hoger beroepsonderwijs en
                    het universitair onderwijs valt onder geen enkele omstandigheid onder het
                    leerlingenvervoer. Leerlingen met een handicap die een dergelijke opleiding
                    volgen, kunnen zich tot het UWV wenden voor een eventuele vergoeding.</al><al/><al><cursief>Hoogbegaafde leerling</cursief></al><al>Wanneer voor een hoogbegaafde leerling het reguliere onderwijsaanbod niet
                    adequaat is en de leerling dientengevolge een school voor gewoon voortgezet
                    onderwijs bezoekt, dan behoeft de gemeente volgens de afdeling
                    bestuursrechtspraak van de Raad van State geen bekostiging van de kosten van het
                    leerlingenvervoer toe te kennen. De reden hiervoor is dat een school voor gewoon
                    voortgezet onderwijs geen school is in de zin van de WEC (uitspraak van 9
                    november 1995, nr. H 01.95.0165; zie Jur. 21.8; in een uitspraak van 23 april
                    1998, nr. H01.98.0221 bevestigd).</al><al/><al><cursief>Besluit trekkende bevolking</cursief></al><al>Het Besluit trekkende bevolking van de WBO (Stb. 465, 1985) bevat voorschriften
                    voor scholen voor kinderen van wie de ouders een trekkend bestaan leiden (zoals
                    scholen voor kinderen van kermisexploitanten, schippers of circusmedewerkers).
                    De voorzieningen ten behoeve van deze groepen zijn opgenomen in de WPO en de
                    betreffende scholen worden aangemerkt als basisscholen. Belangrijkste overweging
                    hiervoor is, dat de desbetreffende kinderen in principe aangewezen zijn op het
                    reguliere basisonderwijs. Van overwegende orthopedagogische of didactische
                    benadering is geen sprake.</al><al>Dit betekent dat de ouders van de betreffende leerlingen aanspraak kunnen maken
                    op bekostiging van vervoer. Hiervoor gelden de bepalingen omtrent het vervoer
                    van leerlingen naar scholen voor basisonderwijs en speciale scholen voor
                    basisonderwijs (Titel 2 van de verordening).</al><al/><al>Een belangrijke uitzondering vormen:</al><lijst><li nr=""><al>leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van
                            kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B Besluit trekkende
                            bevolking);</al></li><li nr=""><al>leerlingen die ligplaatsscholen bezoeken voor varende kinderen (Titel C
                            Besluit trekkende bevolking).</al></li></lijst><al/><al>Ouders van leerlingen die voornoemde scholen bezoeken, komen
                        <onderstreept>niet</onderstreept> voor bekostiging van vervoer in
                    aanmerking. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve
                    van het schoolbezoek, vormen onderdeel van de materiële instandhouding van die
                    scholen.</al><al/><al><cursief>Medische behandeling en zorg</cursief></al><al>Gemeenten worden steeds vaker geconfronteerd met aanvragen van ouders voor
                    bekostiging van vervoer naar instellingen waar kinderen dagbehandelingen (zorg)
                    krijgen, al dan niet in combinatie met onderwijs. Gemeenten zijn hier in
                    principe niet toe verplicht. Het leerlingenvervoer betreft slechts het vervoer
                    naar en van een school op de schooltijden die zijn aangegeven in de
                    schoolgids.</al><al>Dan gaat het dus om een onderwijsinstelling in de zin van de onderwijswetgeving;
                    zorginstellingen, medisch kinderdagverblijven en dergelijke worden hier niet toe
                    gerekend. Volgt een kind ook onderwijs op of nabij die locatie, dan kan het zijn
                    dat ouders een (gedeeltelijke) tegemoetkoming bij de gemeente kunnen krijgen.
                    Ook dan moet het gaan om onderwijs in de zin van onderwijswetgeving, dus moet de
                    instelling die het onderwijs verzorgt een "school" zijn. Hierbij geldt dat
                    gemeenten vervoeren in aansluiting op het begin en einde van de schooldag
                    volgens de schoolgids (artikel 1, onderdeel f, van de verordening). Krijgen
                    kinderen voor, tijdens of na schooltijd zorg of behandelingen, dan zijn toch de
                    schooltijden leidend voor het leerlingenvervoer.</al><al/><al><vet><cursief>Ad b. Ouders</cursief></vet></al><al>De WPO en de WEC verstaan onder ouders: ouders, voogden of verzorgers van
                    kinderen. Ook pleegouders zijn aan te merken als verzorgers en vallen daarmee
                    onder het begrip ‘ouders’, zoals bedoeld in de verordening.</al><al/><al>Voor de bepaling of een drempelbedrag verplicht is, dient een inkomen in de zin
                    van de Wet op de inkomstenbelasting aanwezig te zijn. Als de aanvrager een
                    rechtspersoon is (bijvoorbeeld een zorginstelling), dan valt deze formeel niet
                    onder de werking van de Wet op de inkomstenbelasting. In de bekostiging van
                    instellingen is vaak rekening gehouden met bekostiging van de kosten van het
                    dagelijks vervoer naar school en het weekeinde- en vakantievervoer. In
                    voorkomende gevallen kan met de betrokken instelling contact worden
                    opgenomen.</al><al/><al><vet><cursief>Ad c. Leerling</cursief></vet></al><al>In artikel 39, derde lid, van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en
                    tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen
                    bezoeken. Deze kinderen worden echter pas als zij de leeftijd van vier jaar
                    hebben bereikt leerling in de zin van de WPO (artikel 39, eerste lid, WPO). De
                    ouders kunnen dan ook pas vanaf het moment dat hun kind vier jaar is geworden
                    eventueel aanspraak maken op bekostiging van de vervoerkosten naar de
                    basisschool of speciale school voor basisonderwijs. De toelatingsleeftijd voor
                    kinderen in het speciaal onderwijs is geregeld in artikel 39 van de WEC.</al><al/><al>Voor leerlingen die op grond van de onderwijswetgeving toegelaten zijn op een
                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, ongeacht of zij de leerplichtige
                    leeftijd hebben bereikt of al voorbij zijn, kunnen de ouders, indien zij voldoen
                    aan de voorwaarden van de gemeentelijke verordening leerlingenvervoer, aanspraak
                    maken op bekostiging van de vervoerskosten.</al><al/><al>Voor het voortgezet onderwijs geldt dat zolang een leerling toegelaten is op een
                    school voor voortgezet onderwijs, en dus ‘leerling’ is van zo'n school, er
                    aanspraak kan bestaan op bekostiging op grond van Titel 6 van de
                    verordening.</al><al/><al><cursief>Illegale leerlingen</cursief></al><al>Het recht op onderwijs, ook voor illegaal in ons land verblijvende leerlingen,
                    is gebaseerd op het principe dat jongeren waar ook ter wereld moeten worden
                    toegerust om aan het maatschappelijke leven deel te nemen. Nederland is hiertoe
                    ook internationale verdragsrechtelijke verplichtingen aangegaan.</al><al/><al>In de Koppelingswet is zelfs vastgelegd dat illegale kinderen die voor hun 18e
                    jaar een onderwijstraject zijn gestart het recht hebben om dit af te maken. Hier
                    vloeit uit voort dat illegale leerlingen in principe ook recht hebben op
                    leerlingenvervoer. Scholen en gemeenten hoeven leerplichtige leerlingen niet te
                    vragen naar de verblijfsstatus. Een schoolleider kan dus niet als een
                    opsporingsambtenaar worden ingezet.</al><al/><al><cursief>Asielzoekerskinderen</cursief></al><al>Voor kinderen die in een Asielzoekerscentrum (AZC) verblijven en naar school toe
                    gaan, bestaat de Richtlijn schoolvervoer asielzoekers. Deze richtlijn houdt in
                    dat het AZC het vervoer betaalt van het AZC naar de school. Dit betaalt het AZC
                    uit de middelen die het via het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA)
                    ontvangt.</al><al>Leerlingen die niet in een asielzoekerscentrum verblijven, vallen onder de
                    gemeentelijke regeling leerlingenvervoer. Gemeenten moeten leerlingen die in
                    aanmerking komen voor het leerlingenvervoer in principe vervoeren naar de
                    dichtstbijzijnde toegankelijke school van de soort en de richting.</al><al/><al><cursief>Besluit trekkende bevolking</cursief></al><al>Voor de begripsomschrijving ‘leerling’ geldt, evenals voor de
                    begripsomschrijving van ‘school’, dat die leerlingen zijn uitgesloten die een
                    rijdende school voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers
                    dan wel een ligplaatsschool voor varende kinderen bezoeken.</al><al/><al/><al><vet>Ad d. </vet></al><al>Dit onderdeel is per 31 mei 2012 vervallen. </al><al/><al><vet><cursief>Ad e. Woning</cursief></vet></al><al>Onder ‘woning’ wordt in de verordening verstaan: de plaats waar de leerling
                    structureel en feitelijk verblijft. Met andere woorden, de plaats van waaruit
                    het kind de school bezoekt. in dezen is het niet relevant in welke gemeente de
                    ouders en/of het kind staan ingeschreven.</al><al/><al>Niet ter zake doet of de ouders, voogden of verzorgers in de gemeente hun
                    officiële verblijf hebben in de zin van de artikelen 10 en verder van Boek 1 van
                    het Burgerlijk wetboek. Dit betekent dat indien een leerling tijdelijk in een
                    andere gemeente verblijft in deze andere gemeente (in het algemeen) bekostiging
                    van de vervoerkosten van deze leerling aangevraagd moet worden (dit geldt
                    overigens niet indien het bijvoorbeeld een leerling betreft die vanwege een
                    vakantie van de ouders tijdelijk elders verblijft).</al><al/><al><cursief>Tijdelijk verblijf</cursief></al><al>Met name bij zeer kort tijdelijk verblijf van de leerling in een andere gemeente
                    kan de vraag rijzen of het redelijk is dat deze gemeente de vervoerskosten moet
                    dragen. Door het incidentele karakter van dit vervoer laat het zich doorgaans
                    moeilijk organiseren binnen de bestaande gemeentelijke kaders, zodat dit vervoer
                    zeer veel extra kosten met zich mee kan brengen. Ook voor ouders is dit
                    omslachtig: bij gemeente A moeten zij deelname aan het vervoer opzeggen, bij
                    gemeente B vervoer aanvragen en een aantal weken later dienen zij het omgekeerde
                    te doen. Bovendien bevat de definitie van het begrip woning een structureel
                    element.</al><al/><al>In een voorkomend geval kan als volgt worden gehandeld. Als vooraf vaststaat dat
                    een leerling gedurende een korte periode (niet meer dan bijvoorbeeld zes weken)
                    in een andere gemeente (B) verblijft en zijn oude school blijft bezoeken, dan
                    wordt dit verblijf aangemerkt als verblijf in de oorspronkelijke gemeente
                    (A).</al><al/><al>Deze gemeente (A) zal dan ook het vervoer gedurende deze weken blijven
                    verzorgen. Hierbij wordt er van uitgegaan dat het kind naar zijn eigen school
                    blijft gaan. Is de afstand van het tijdelijk verblijf van de leerling naar
                    school kleiner dan de kilometergrens die gemeente A hanteert, dan zal uiteraard
                    (tijdelijk) geen aanspraak op bekostiging van vervoerkosten bestaan.</al><al/><al>In alle andere situaties waarin een leerling tijdelijk in een andere gemeente
                    verblijft verdient het aanbeveling de hoofdregel toe te passen, namelijk dat in
                    de gemeente waarin de leerling feitelijk verblijft het leerlingenvervoer wordt
                    aangevraagd. Deze gemeente beoordeelt dan dit verzoek op basis van de eigen
                    verordening leerlingenvervoer. Deze verordening kan uiteraard andere criteria
                    bevatten dan de verordening leerlingenvervoer van de oorspronkelijke
                    gemeente.</al><al/><al><cursief>Dagcentrum: twee woningen</cursief></al><al>Het uitgangspunt van de verordening leerlingenvervoer is, dat slechts het
                    vervoer van de woning naar de onderwijsinstelling en vice versa wordt bekostigd.
                    In het geval een leerling vanuit een ouderlijke woning een school bezoekt en
                    vanuit die school, omwille van een medische of sociale indicatie, naar een
                    dagcentrum (bijvoorbeeld een Boddaertcentrum) reist, is de gemeente derhalve
                    niet verplicht het vervoer van school naar het dagcentrum te bekostigen.</al><al/><al>Als het dagcentrum als structureel feitelijk (eventueel tweede) verblijf
                    aangemerkt kan worden, <cursief>kan </cursief>een gemeente ervan uitgaan dat het
                    kind twee woningen in de zin van deverordening heeft, te weten de
                    ouderlijke woning en het dagcentrum en daarom toch besluiten tot bekostiging.
                    Dit is een keuze van de gemeente. Als de gemeente wel bekostigt, dan kan er
                    vervoer van huis naar school en van school naar het dagcentrum worden
                    aangeboden. Het dagcentrum wordt dan aangemerkt als tweede woning. Het vervoer
                    van het dagcentrum naar huis valt dan niet onder het leerlingenvervoer.</al><al/><al><cursief>Gescheiden ouders: twee woningen</cursief></al><al>Een kind van gescheiden ouders kan twee woningen hebben in de zin van de
                    verordening. Wanneer er bijvoorbeeld sprake is van co-ouderschap, waarbij het
                    kind evenveel bij de ene als de andere ouder verblijft, kan gezegd worden dat er
                    sprake is van twee hoofdverblijven. Om aanspraak te maken op bekostiging van
                    leerlingenvervoer moeten beide ouders afzonderlijk, voor de dagen dat het kind
                    doordeweeks bij hen verblijft, een aanvraag indienen bij de gemeente waar hij of
                    zij woonachtig is. Waar de leerling staat ingeschreven doet niet ter zake;
                    doorslaggevend is de feitelijke verblijfplaats van de leerling.</al><al>De betreffende gemeenten toetsen de aanvraag elk aan de eigen verordening
                    leerlingenvervoer, waarbij onder meer wordt bekeken of er sprake is van een
                    woning in de zin van de verordening, of de school wel de dichtstbijzijnde
                    toegankelijke is en of voldaan is aan de afstandsgrens. Het komt voor dat
                    slechts in <cursief>één </cursief>van beide gemeenten aanspraak op
                    leerlingenvervoer bestaat, doordat de school niet de dichtstbijzijnde
                    toegankelijke school is.</al><al/><al><vet><cursief>Ad f. Afstand</cursief></vet></al><al>De afstand dient consequent te worden gemeten. Het verdient aanbeveling om
                    altijd dezelfde en de meest actuele routeplanner te hanteren en de ouders bij de
                    aanvraag te informeren over de wijze waarop de afstand wordt gemeten.</al><al/><al>Met betrekking tot het begrip ‘afstand’ heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak
                    van de Raad van State bepaald dat de veiligheid van de weg op zich zelf
                    beoordeeld voldoende dient te zijn (uitspraak van 31 maart 1989, R03.87.2599;
                    zie Jur. 1.5). Het college mag niet volstaan met verwijzing naar een minder
                    veilige alternatieve route.</al><al/><al>Indien de afstand van de woning naar school niet voldoet aan het
                    afstandscriterium, dan dienen de ouders in voorkomend geval zelf voor
                    begeleiding zorg te dragen indien de af te leggen route onveilig is, aldus de
                    afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 12 juni 1995,
                    nr. R03.93.5575; zie jur.1.6 ).</al><al/><al>De afdeling bestuursrechtspraak is voorts van mening dat de route niet in alle
                    gevallen volledig toegankelijk moet zijn voor gemotoriseerd verkeer (uitspraak
                    van 12 juni 1995, nr. R03.93.5639; zie jur. 1.7).</al><al/><al><vet><cursief>Ad g. Vervoer</cursief></vet></al><al>Indien de gemeente opstapplaatsen hanteert, dient dit in de verordening te
                    worden opgenomen (zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1,
                    onderdeel n). Voorts is ter verduidelijking opgenomen dat het vervoer alleen
                    plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals
                    aangegeven in de schoolgids. Hiermee wordt voorkomen dat ouders op basis van
                    bijvoorbeeld sociale of tijdelijke medische overwegingen aanvragen indienen voor
                    het vervoer tijdens de schooltijd (bijvoorbeeld omdat de leerling te jong is om
                    het hele onderwijsprogramma te volgen). Uitsluitend indien de structurele
                    handicap van een leerplichtige leerling noodzaakt tot het volgen van slechts een
                    deel van het onderwijsprogramma, dient in voorkomend geval wel tijdens de
                    schooltijd vervoerd te worden.</al><al/><al><vet><cursief>Ad h. Openbaar vervoer</cursief></vet></al><al>Bij de definiëring van het begrip ‘openbaar vervoer’ is aangesloten bij de
                    begripsomschrijving zoals deze is vastgelegd in artikel 1 van de Wet
                    personenvervoer (wet van 12 maart 1987, Stb. 175). In deze Wet wordt onder
                    ‘openbaar vervoer’ verstaan: voor een ieder openstaand personenvervoer per
                    trein, metro, tram, bus, of auto volgens een dienstregeling. De Wet
                    personenvervoer definieert ‘dienstregeling’ als voor een ieder kenbaar schema
                    van reismogelijkheden. In de verordening is de begripsomschrijving ‘openbaar
                    vervoer’ uitgebreid met ‘veerdienst’.</al><al/><al><vet><cursief>Ad k. Reistijd</cursief></vet></al><al>Onder ‘reistijd’ wordt in de verordening verstaan, de tijdspanne die ligt tussen
                    het verlaten van het huis en de aanvang van de schooldag, dan wel de tijdspanne
                    die ligt tussen het einde van de schooldag en de aankomst bij het huis. De
                    praktijk leert dat leerlingen, ongeacht of zij gebruikmaken van het
                    leerlingenvervoer, zich vaak zo'n tien minuten voor de aanvang van de lessen op
                    het schoolplein bevinden. Het ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten van de
                    reistijd. Dit betreft enkel de wachttijd aan het begin van de schooldag. De
                    eventuele wachttijd aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend bij de
                    totale reistijd.</al><al/><al><cursief>Schooltijden</cursief></al><al>Vanaf 1 augustus 2006 hebben scholen in het primair en het speciaal onderwijs
                    meer vrijheid om, in samenspraak met ouders, de schooltijden zelf in te vullen.
                    Voor scholen die vallen onder de WPO of de WEC geldt dat de leerlingen in de
                    eerste vier schooljaren ten minste 3520 uren onderwijs en in de laatste vier
                    schooljaren tenminste 3760 uren onderwijs ontvangen. Als voorwaarde is wel
                    gesteld dat de onderwijsactiviteiten evenwichtig over de dag verdeeld moeten
                    worden. Voor scholen vallend onder de WEC geldt daarnaast nog dat het onderwijs
                    aan leerlingen jonger dan 4 jaar ten minste 880 uren per schooljaar omvat en aan
                    leerlingen ouder dan 12 jaar ten minste 1000 uren per schooljaar. Het is
                    mogelijk om voor alle groepen naast de woensdagmiddag een tweede vrije middag in
                    te voeren, of de verplichte lesuren in vier dagen per week te verzorgen. Een
                    school kan ook kiezen voor een zesdaagse lesweek.</al><al/><al>Voor de bepaling van het recht op leerlingenvervoer wordt aangesloten op de
                    schoolgids die een school heeft uitgegeven. Indien een school dus van de nieuwe
                    regelgeving gebruik maakt en dat vastlegt in de schoolgids dan moet de gemeente
                    dit honoreren.</al><al/><al><vet><cursief>Ad l. Toegankelijke school</cursief></vet></al><al>De WPO kent het orgaan de permanente commissie leerlingenzorg (pcl, artikel 23
                    WPO). Deze commissie beslist op aanvraag van de ouders of een leerling op het
                    onderwijs van een speciale school voor basisonderwijs is aangewezen. Alleen als
                    dit besluit positief is, kan een leerling op een speciale school voor
                    basisonderwijs worden opgenomen. Het college moet bij de beoordeling van een
                    aanvraag voor leerlingenvervoer van dit besluit uitgaan.</al><al>Dit besluit is overigens een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb). In het kader van de operatie Weer samen naar school is afgesproken dat,
                    indien vaststaat dat een leerling is aangewezen op een hulpklas bij een
                    basisschool, deze basisschool moet worden aangemerkt als de toegankelijke
                    school, ook wanneer dit niet de dichtstbijzijnde basisschool is, en dat derhalve
                    vervoer naar deze basisschool met hulpklas dient te worden bekostigd.</al><al>De Regionale Verwijzingscommissie bepaalt de toelaatbaarheid tot het
                    praktijkonderwijs. (artikel 10g van de WVO).</al><al/><al><vet><cursief>Ad m. Inkomen</cursief></vet></al><al>Om te bepalen of op grond van artikel 23 een drempelbedrag kan worden geheven,
                    is het inkomen van ouders in het peiljaar nodig. Ouders kunnen een IB
                    60-formulier opvragen bij de Belastingdienst, waarop dit gecorrigeerde
                    verzamelinkomen staat vermeld.</al><al/><al><vet><cursief>Ad n. Opstapplaats</cursief></vet></al><al>Een van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te
                    organiseren, is het instellen van centrale opstapplaatsen, van waar de
                    leerlingen met de taxi of bus worden vervoerd. Met een dergelijk systeem worden
                    de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald, maar dienen zij zich, al dan
                    niet onder begeleiding van de ouders, te begeven naar de door de gemeente
                    aangewezen opstapplaats.</al><al/><al><cursief>Reistijd naar opstapplaats</cursief></al><al>In de uitspraak van 26 februari 1992 (nr. R03.89.0419183-107) acht de Afdeling
                    Bestuursrechtspraak van de Raad van State het kennelijk redelijk dat de gemeente
                    opstapplaatsen opstelt vanaf waar de leerling van het vervoer gebruik kan maken.
                    De afdeling vindt de reistijd, die in dit geval niet meer dan dertig minuten
                    bedraagt, alleszins redelijk. Hiermee is echter nog niet aangegeven wanneer de
                    afdeling de reistijd niet meer redelijk acht.</al><al/><al/><al><cursief>Veiligheid en begeleiding</cursief></al><al>Wanneer gekozen wordt voor het aanwijzen van opstapplaatsen, dan is het van
                    belang dat de gemeente daarbij let op de af te leggen afstand van huis naar de
                    opstapplaats. Hierbij kan in ieder geval gedacht worden aan bestaande
                    halteplaatsen binnen een loopafstand van dertig minuten, waar een beschutte
                    halteplaats aanwezig is (mede in verband met de weersomstandigheden). Het feit
                    alleen dat de halte aan een drukke verkeersweg ligt en dus niet veilig genoeg
                    zou zijn voor een leerling, is niet voldoende om af te zien van het aanwijzen
                    van opstapplaatsen. Van ouders mag in dergelijke gevallen verwacht worden dat
                    zij hun kinderen begeleiden tot ten minste het moment dat hun kinderen in het
                    voertuig zijn gestapt. (Zie ABRS 24 augustus 1992, nr. R03.90.1504183-105).</al><al/><al><cursief>Afstand</cursief></al><al>Wanneer een verzoek om een tegemoetkoming van de vervoerkosten wordt ingediend,
                    blijft de afstand tussen de woning en de school relevant; het instellen van
                    opstapplaatsen verandert daar niets aan. Dit betekent dat ouders die op
                    bijvoorbeeld negen kilometer van de school wonen terwijl de gemeente op zes
                    kilometer afstand een opstapplaats heeft ingesteld, recht hebben op bekostiging
                    van het vervoer (en eventueel begeleiding) over de resterende drie kilometer.
                    Ook blijft het berekenen van de reistijd zoals dat nu geldt onverkort intact;
                    met andere woorden de tijdsduur die gemoeid is met het bereiken van de
                    opstapplaats telt mee als reistijd als bedoeld in artikel 13, onder a, en
                    artikel 18, eerste lid onder b, van de verordening.</al><al/><al><vet><cursief>Ad o. </cursief></vet><vet><cursief>Commissie voor
                        de</cursief></vet><vet><cursief>begeleiding</cursief></vet></al><al>De commissie voor de begeleiding is in de plaats gekomen voor de commissie van
                    onderzoek. De indicerende taken van de CvO zijn overgegaan naar de regionale
                    commissies van indicatiestelling (Cvi). De taken omtrent toewijzing van
                    (ambulante) begeleiding liggen bij de commissie voor de begeleiding, verbonden
                    aan een school.</al><al/><al><vet><cursief>Ad p. Vervoersvoorziening</cursief></vet></al><al>De wet bepaalt dat de gemeenten het vervoer zelf kunnen verzorgen, dan wel doen
                    verzorgen. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’ is dit nader uitgewerkt.
                    Er dient een keuze te worden gemaakt tussen één van de drie weergegeven
                    mogelijkheden: </al><lijst><li nr="1."><al>een gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college
                            noodzakelijk geachte vervoerskosten van de leerling en zo nodig diens
                            begeleider,</al></li><li nr="2."><al>de verstrekking van een abonnement of strippenkaart voor de leerling en
                            zo nodig diens begeleider, of </al></li><li nr="3."><al>aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet
                            verzorgen.</al></li></lijst><al/><al><vet><cursief>Ad q. Permanente commissie leerlingenzorg</cursief></vet></al><al>DeWPO kent de permanente commissie leerlingenzorg (pcl). Besluiten van de
                    pcl over de toelating van een leerling tot een speciale school voor
                    basisonderwijs dienen door het college bij de beoordeling van een aanvraag voor
                    leerlingenvervoer betrokken te worden, ingeval het college een negatieve
                    beschikking geeft op de gevraagde voorziening. Zie tevens de toelichting bij
                    onderdeel l.</al><al/><al><vet><cursief>Ad r. Samenwerkingsverband</cursief></vet></al><al>Op basis van de WPO moeten basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs
                    die samenwerken, een zodanige zorgstructuur inrichten, dat voor elke leerling de
                    benodigde zorg kan worden geboden. Artikel 18 van de WPO geeft een regeling voor
                    de samenwerkingsverbanden.</al><al/><al><vet><cursief>Ad s. Regionale
                            </cursief></vet><vet><cursief>verwijzingscommissie</cursief></vet></al><al>De regionale verwijzingscommissie heeft op grond van artikel 10g van de WVO tot
                    taak te beoordelen of een leerling tot het praktijkonderwijs toelaatbaar
                    is.</al><al/><al><vet><cursief>Ad t. Opdc</cursief></vet></al><al>Opdc: orthopedagogisch en didactisch centrum. Bovenschoolse voorziening bedoeld
                    om leerlingen extra zorg te geven. Op een opdc kan ook onderwijs gegeven worden,
                    maar de leerlingen blijven ingeschreven op een school voor voortgezet
                    onderwijs.</al><al/><al>Leerlingen die volledig onderwijs volgen aan een opdc en aanspraak maken op
                    vervoer op basis van titel 6, kunnen in aanmerking komen voor leerlingenvervoer
                    naar het opdc. Leerlingen die gedeeltelijk onderwijs volgen aan een opdc en
                    gedeeltelijk aan een school voor voortgezet onderwijs, kunnen alleen in
                    aanmerking komen voor leerlingenvervoer naar de school voor voortgezet
                    onderwijs.</al><al/><al><vet><cursief>Ad u. Ambulante begeleiding</cursief></vet></al><al>Een ambulante begeleider is verbonden aan een school voor speciaal onderwijs en
                    geeft ondersteuning aan leerlingen met een handicap in het reguliere primair en
                    voortgezet onderwijs. De gemeente kan aan de ambulante begeleider van een
                    leerling in het reguliere onderwijs, voor wie een aanvraag leerlingenvervoer
                    wordt ingediend, advies vragen over de vervoersbehoefte van die leerling.</al><al/><al><vet><cursief>Ad v. Commissie voor de indicatiestelling</cursief></vet></al><al>Elk kind dat wordt aangemeld voor het speciaal onderwijs moet worden
                    geïndiceerd. De commissie voor de indicatiestelling beoordeelt aan de hand van
                    onafhankelijke landelijke criteria of een leerling in aanmerking komt voor
                    leerlinggebonden financiering en in welk cluster de leerling wordt
                    geplaatst.</al><al/><al/><al><vet><cursief>Artikel 2: Bekostiging van de door het college noodzakelijk te
                            achten vervoerskosten </cursief></vet></al><al>In de verordening worden de aanspraken van de ouders op gehele of gedeeltelijke
                    bekostiging voor het dagelijks vervoer van leerlingen naar scholen voor
                    basisonderwijs, speciale scholen voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                    onderwijs vastgelegd. Indien het college het vervoer zelf laat verzorgen, kan
                    het van ouders, die voor bekostiging van de vervoerskosten in aanmerking komen,
                    verlangen dat hun kinderen van dit vervoer gebruik maken. </al><al>Tevens kan zij van ouders, aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de
                    vervoerskosten toekomt, verlangen een eigen bijdrage te betalen aan het vervoer
                    van hun leerlingen (artikel 2, tweede lid, van de verordening). De hoogte van
                    deze eigen bijdrage, die slechts van toepassing is op ouders van leerlingen die
                    scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs bezoeken, is
                    afhankelijk van het inkomen van de ouders en de afstand tussen de woning en de
                    te bezoeken school. Indien de ouders weigeren of nalatig zijn met betrekking tot
                    de ingevolge de verordening te betalen bijdrage, leidt dit tot het vervallen van
                    de aanspraak op de bekostiging dan wel, indien gebruik wordt gemaakt van
                    bijvoorbeeld een taxi (busje), tot stopzetting van het vervoer. </al><al>Het behoeft geen betoog dat juist bij het aangepast vervoer afspraken kunnen
                    worden gemaakt met regiogemeenten om een zo efficiënt en goedkoop mogelijke
                    wijze van aangepast vervoer te organiseren. Tevens komt in artikel 2, tweede
                    lid, tot uitdrukking dat het eventuele drempelbedrag en de bijdrage afhankelijk
                    van het inkomen nooit hoger kunnen zijn dan de werkelijke kosten van
                    vervoer.</al><al/><al>De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft ingevolge de Leerplichtwet
                    in alle gevallen bij de ouders liggen. In artikel 2, derde lid, van de
                    verordening is deze verantwoordelijkheid nog eens expliciet vastgelegd. Deze
                    verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of overgedragen worden aan de
                    gemeente. De wettelijke regeling, noch de gemeentelijke verordening beperkt deze
                    verantwoordelijkheid van de ouders.</al><al/><al>In het vierde lid staat dat een leerling die meerderjarig en handelingsbekwaam
                    is zelf een aanvraag voor leerlingenvervoer kan doen in plaats van de
                    ouders/verzorgers.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 3: Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                            school</cursief></vet></al><al>Een van de uitgangspunten van de artikelen 4 van de WPO, WVO en de WEC is dat de
                    gemeenteraad bij het vaststellen van de verordening en het college bij de
                    uitvoering daarvan de op godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende
                    keuze voor een school dient te eerbiedigen. Tevens is in genoemde artikelen
                    bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt gemaakt tussen openbaar en
                    bijzonder onderwijs. In de verordening is dit verankerd in artikel 3.
                    Bekostiging van de vervoerskosten wordt verstrekt over de afstand tussen de
                    woning van de leerling en de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school. Als
                    dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt: de school die naar afstand het
                    dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende
                    (meest) begaanbare, veilige weg.</al><al/><al>Als toegankelijke school is aan te merken wat betreft het primair onderwijs: de
                    school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel
                    de openbare school. Wat betreft (voortgezet) speciaal onderwijs wordt hier nog
                    een tweede criterium aan toegevoegd: de school van de soort waarop de leerling
                    is aangewezen op grond van zijn lichamelijke of geestelijke toestand. De hier
                    bedoelde soorten zijn schooltypen zoals vermeld in artikel 2 van de WEC en
                    artikel 5 van de WVO. Op grond van de WPO dient voor de speciale scholen voor
                    basisonderwijs het vervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school in het
                    samenwerkingsverband te worden bekostigd. Zie daarvoor artikel 9 van de
                    verordening.</al><al/><al><cursief>Scholen met wachtlijsten</cursief></al><al>Het spreekt voor zich dat op een toegankelijke school wel ruimte voor de
                    leerling moet zijn en dat de leerling moet zijn/worden toegelaten. Indien de
                    dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling omdat er een
                    wachtlijst bestaat, dient bekostiging plaats te vinden naar de eerstvolgende
                    dichtstbijzijnde, toegankelijke school. De aanspraak op vervoer naar deze verder
                    weg gelegen school blijft bestaan, zolang er een wachtlijst is voor de
                    dichtstbijzijnde school.</al><al>Indien de wachtlijst is opgelost - de gemeente dient naar de duur van de
                    wachtlijst te informeren - kan de bekostiging beperkt worden tot aan de
                    dichtstbijzijnde school, aangezien deze weer toegankelijk is geworden. Dit is
                    ongeacht of de leerling vanaf dat moment ook daadwerkelijk de dichtstbijzijnde
                    school gaat bezoeken: ouders zijn vrij om hun kind naar elke school van hun keus
                    te laten gaan, echter in het kader van het leerlingenvervoer hoeft slechts een
                    vervoerskostenvergoeding voor de dichtstbijzijnde, toegankelijke school te
                    worden verstrekt.</al><al/><al>Van belang hierbij is dat wanneer het college een aanvraag om bekostiging
                    afwijst in verband met de aanwezigheid van een dichterbij gelegen school van (de
                    aangewezen soort en van) dezelfde richting, het dient aan te tonen dat de
                    leerling daadwerkelijk kan worden toegelaten tot die school. Hierbij kan nog
                    worden aangetekend dat bijvoorbeeld een nieuwe school met slechts een
                    leerkracht, namelijk voor de groepen 1 en 2, voor leerlingen uit groep 3 en
                    verder niet toegankelijk is.</al><al/><al>De leerling zal, indien hij niet toegelaten wordt op de desbetreffende
                    dichtstbijzijnde school, moeten uitzien naar een andere school. Deze school is
                    dan aan te merken ais de dichtstbijzijnde toegankelijke school. In een dergelijk
                    geval dient bekostiging van vervoer te worden verstrekt, naar deze andere
                    (dichtstbijzijnde) school.</al><al/><al><cursief>Stagevervoer</cursief></al><al>Is de stage een onderdeel van het onderwijsprogramma en krijgt de leerling
                    dagelijks leerlingenvervoer naar de school, dan bestaat in beginsel aanspraak op
                    leerlingenvervoer naar het stageadres. Dit is dan immers aan te merken als de
                    ‘dichtstbijzijnde toegankelijke school’. De gemeente kan scholen er op
                    attenderen dat stageplaatsing financiële gevolgen kan hebben voor gemeenten.
                    Scholen kunnen dit aspect mee laten wegen in de plaatsing van leerlingen door
                    bijvoorbeeld een stageplek te zoeken op de route van het leerlingenvervoer.</al><al/><al><cursief>Hoogbegaafde kinderen en </cursief><cursief>‘toegankelijke
                        school’</cursief></al><al>Ten aanzien van hoogbegaafde kinderen worden gemeenten regelmatig geconfronteerd
                    met aanvragen tot bekostiging van het vervoer naar scholen die zich richten op
                    dit type kinderen. </al><al>In 2011 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan inzake de afwijzing
                    leerlingenvervoer van de gemeente Barendrecht. De rechtbank oordeelde dat de
                    omstandigheid dat een reguliere school de mogelijkheid biedt tot het volgen van
                    Leonardo-onderwijs niet maakt dat deze school gelijkgesteld kan worden aan een
                    speciale school voor basisonderwijs. Tegelijk heeft de rechtbank bepaald dat de
                    ouders niet aannemelijk hebben gemaakt dat er binnen een straal van zes
                    kilometer van hun woning geen andere basisscholen zijn die onderwijs kunnen
                    bieden dat recht doet aan het ontwikkelingsproces van hun hoogbegaafde kind.
                    (Zie LJN: BQ7394, Barendrecht 1 juni 2011).</al><al>In 2011 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS)
                    uitspraak gedaan in een zaak waarbij de bekostiging leerlingenvervoer naar de
                    Leonardoschool in Venlo werd afgewezen. De RvS overweegt dat de Leonardoschool
                    een reguliere basisschool is. Ouders hebben de vrijheid van schoolkeuze. Het
                    recht op onderwijs strekt echter niet zover dat het college gehouden is om ook
                    het leerlingenvervoer naar deze school te bekostigen. Dat de school voorziet in
                    de educatieve behoefte is niet doorslaggevend. (Zie LJN: BR1478, Asten 13 juli
                    2011).</al><al/><al><cursief>Onderwijsrichting</cursief></al><al>In de parlementaire behandeling van de Wet gemeentelijke regelingen
                    leerlingenvervoer is in het verleden uitgebreid aandacht besteed aan de richting
                    van het onderwijs. Door middel van een Vierde nota van wijziging (Kamerstuk
                    18841, nr. 21) is in de relevante artikelen expliciet opgenomen dat vervoer
                    plaatsvindt naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke schoolvan de
                    verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting, tenzij het vervoer met
                    betrekking tot een verder weg gelegen school voor de gemeente minder kosten met
                    zich mee zou brengen, en de ouders met het vervoer naar die school
                    instemmen.</al><al/><al>Bovengenoemd uitgangspunt houdt in dat indien een leerling een school bezoekt
                    die, met voorbijgaan van een school van dezelfde gewenste richting, verder van
                    de woning van de leerling is verwijderd, de aanspraak in principe beperkt blijft
                    tot de kosten verbonden aan het vervoer naar en van de dichtstbijzijnde bij de
                    woning gelegen school. Dit is echter geen verplichting. Het college kan
                    besluiten om in het geheel geen bekostiging te verstrekken indien vervoer
                    aanwezig is waarvan de kosten gelijk blijven ongeacht het aantal leerlingen dat
                    van dat vervoer gebruik maakt.</al><al/><al>Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van de woning
                    van de leerling gelegen school van dezelfde richting voor de gemeente goedkoper
                    zou zijn (of niet meer kosten met zich meebrengt), kan het college aan de ouders
                    vragen ermee in te stemmen dat de leerling naar die school wordt vervoerd. Voor
                    een openbare school geldt hetzelfde.</al><al/><al>Het zogenoemde ‘richtingenvraagstuk’ heeft geleid tot veel jurisprudentie.
                    Aanvankelijk beperkte de jurisprudentie zich bij de vraag over het al dan niet
                    doen toekennen van een vervoerskostenbekostiging tot het zogenoemde ‘klassieke
                    richtingenbestand’. Kenmerkend hierbij is dat het gaat om stromingen van
                    levensbeschouwelijke en godsdienstige aard. Ook bijzonder onderwijs op algemene
                    grondslag is hierbij als richting aan te merken.</al><al/><al>In het algemeen kan gesteld worden dat naast scholen voor openbaar onderwijs,
                    tot het klassieke richtingenbestand binnen het bijzonder onderwijs gerekend
                    worden: </al><lijst><li nr=""><al>scholen voor (rooms)katholiek onderwijs, </al></li><li nr=""><al>scholen voor protestants-christelijk onderwijs, </al></li><li nr=""><al>scholen voor gereformeerd (vrijgemaakt) onderwijs (KB 28 december 1960,
                            nr. 95; zie Jur 5.1), </al></li><li nr=""><al>scholen voor reformatorisch onderwijs, </al></li><li nr=""><al>scholen voor joods onderwijs,</al></li><li nr=""><al>scholen voor islamitisch onderwijs,</al></li><li nr=""><al>scholen voor hindoeïstisch onderwijs,</al></li><li nr=""><al>scholen voor algemeen bijzonder onderwijs (KB 15 december 1948, nr. 37;
                            zie Jur. 5.2). </al></li></lijst><al>Daarnaast kunnen in het christelijk onderwijs, wat betreft het
                    leerlingenvervoer, de volgende richtingen worden onderscheiden: </al><lijst><li nr=""><al>gereformeerde schoolvereniging</al></li><li nr=""><al>scholen met den bijbel, </al></li><li nr=""><al>christelijk-nationaal, </al></li><li nr=""><al>hervormd. </al></li><li nr=""><al>In jurisprudentie worden ook de zogenoemde evangelische scholen als een
                            afzonderlijke richting aangemerkt (RvS 11-2-97, AB 1998, 28).</al></li></lijst><al/><al><cursief>Interconfessioneel onderwijs</cursief></al><al>Hieronder wordt verstaan: onderwijs dat is gebaseerd op verschillende
                    geloofsovertuigingen. Interconfessionele scholen zijn meestal ontstaan uit de
                    fusie van een protestante en een katholieke school. Gezien de statuten van deze
                    scholen wordt dit type onderwijs niet als aparte richting ten opzichte van
                    andere confessionele scholen aangemerkt.</al><al/><al><cursief>‘Vrije scholen’</cursief></al><al>Deze scholen, die hun onderwijs stoelen op de antroposofische wijsbegeerte en
                    met name de filosofie van Rudolf Steiner, kunnen geacht worden een bepaalde
                    richting in het onderwijs te vertegenwoordigen, aangezien het onderwijs wordt
                    gegeven vanuit een eigen mens- en wereldbeschouwing (KB 18 juni 1980, nr. 32;
                    zie Jur. 5.3). De vrije school is in Nederland bekend onder namen als Rudolf
                    Steinerschool, Parcivalschool en de Zonneschool.</al><al/><al><cursief>Overige scholen</cursief></al><al>Niet tot het begrip ‘richting’ wordt gerekend een bepaalde onderwijskundige
                    methode van een school. Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen,
                    Montessorischolen, Daltonscholen en Freinetscholen. Deze scholen baseren hun
                    identiteit op de onderwijskundige inrichting van de school en niet op de
                    godsdienstige of levensbeschouwelijke richting.</al><al/><al>Montessorischolen, Jenaplanscholen etc. kunnen bijvoorbeeld onder meer van
                    katholieke, protestante of openbare signatuur zijn. Dit betekent dat er in dezen
                    geen verschil bestaat tussen een ‘reguliere’ katholieke basisschool en een
                    katholieke Montessorischool of een katholieke Jenaplanschool etc. </al><al>Relatief nieuw zijn de zogenaamde ‘lederwijsscholen’. Dit zijn particuliere
                    scholen die sinds 2000 op verschillende plaatsen in Nederland gestart zijn. In
                    het algemeen worden deze scholen erkend als ‘scholen’ in de zin van de
                    onderwijswetten. De identiteit van de school lijkt meer geënt op de
                    onderwijskundige inrichting, dan een godsdienst of levensovertuiging. Er is geen
                    jurisprudentie bekend waaruit blijkt dat er sprake is van een afzonderlijke
                    richting.</al><al/><al><cursief>Verklaring van bezwaar</cursief></al><al>Op grond van artikel 3, tweede lid, van de verordening dienen ouders, indien een
                    leerling een school voor basisonderwijs bezoekt op grotere afstand dan bepaald
                    in de verordening, terwijl zich dichterbij andere (openbare en bijzondere)
                    basisscholen bevinden, schriftelijk te verklaren, dat zij overwegende bezwaren
                    hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van de dichterbij
                    gelegen bijzondere basisscholen.</al><al/><al>Een verklaring van bezwaar dient zich te richten tegen de richting van het
                    bijzonder onderwijs dan wel tegen het openbaar onderwijs en niet tegen de
                    onderwijskundige methode die op de school gehanteerd wordt. Sinds de
                    totstandkoming van onderwijswetgeving met betrekking tot de vrijheid van
                    onderwijs, is het oordeel over de bezwaren, die aan de richting van het
                    onderwijs verbonden zijn, aan de overheid onttrokken. Met andere woorden: het
                    college is niet gerechtigd de bezwaren van ouders tegen een bepaalde richting
                    inhoudelijk te verifiëren. Ook onder de huidige regeling wordt deze gedragslijn
                    in de jurisprudentie gevolgd. Slechts in een enkel uitzonderlijk geval neemt de
                    Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State aan dat niet de richting van
                    het onderwijs, maar de kwaliteit daarvan, de keuze van de ouders heeft bepaald,
                    in tegenstelling tot de door de ouders afgelegde verklaring inzake hun bezwaar
                    tegen de overige richtingen en het openbaar onderwijs (ABRS, 10 april 1989,
                    803.87.2455198-86; zie Jur. 21.1. ABRS, 2 januari 1992, R03.89.0685172-107; zie
                    Jur. 5.7).</al><al/><al>Op het college rust in deze gevallen een zware bewijslast. Aangetoond dient te
                    worden dat de bezwaren van de ouders in weerwil van de letter van hun verklaring
                    kennelijk niet de richting van het onderwijs betreffen. Zelfs indien ouders hun
                    kinderen aanvankelijk naar een openbare basisschool sturen, vervolgens naar een
                    katholieke basisschool en uiteindelijk wederom naar een openbare basisschool,
                    geeft de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak de ouders het voordeel
                    van de twijfel (ABRS, 24 maart 1988, R03.88.09171S526098.00). Ook indien ouders
                    hun kind pas op twaalfjarige leeftijd naar de school met de door hen gewenste
                    richting sturen, dient het college de verklaring van de ouders, dat zij tegen de
                    overige richtingen en tegen het openbaar onderwijs bezwaar hebben te
                    respecteren, zeker nu de ouders aangaven dat zij hun kind aanvankelijk te jong
                    achtten om de afstand naar de gewenste school te overbruggen (ABRS, 17 februari
                    1989, R03.89.02861S5137-58; zie Jur. 5.6).</al><al/><al>Ook het feit dat kinderen uit hetzelfde gezin scholen van diverse richtingen
                    bezoeken levert onvoldoende grond op voor het oordeel dat de ouders hun keuze
                    kennelijk niet met het oog op de richting van het onderwijs hebben bepaald
                    (ABRS, 9 december 1989, 803.87.2975/72­86; zie Jur. 5.5).</al><al/><al><cursief>Speciaal onderwijs</cursief></al><al>Uiteraard geldt voor het (voortgezet) speciaal onderwijs dat het bovenstaande
                    slechts van toepassing is op dichterbij gesitueerde scholen van de soort waarop
                    de leerling is aangewezen.</al><al>In dit kader is van belang dat de Afdeling Bestuursrechtspraakheeft bevestigd
                    dat voor het antwoord op de vraag op welke soort speciaal onderwijs een leerling
                    is aangewezen slechts een keuze kan worden gemaakt uit de in artikel 2 van de
                    WEC onderscheiden soorten (ABRS, 2 januari 1992, R03.88.4075 en
                    R03.89.160/62-129; zie Jur. 21.2). ‘Binnen die soorten is geen nadere
                    onderverdeling aangebracht op basis waarvan onderscheid tussen (...) scholen
                    (...) kan worden gemaakt’. Slechts indien door de ouders wordt aangetoond - met
                    name via deskundigenrapporten - dat niet de dichtstbij gelegen school van de
                    gewenste richting en de aangewezen soort geschikt is maar een verder gelegen
                    school, neemt de Afdeling aan dat de leerling op deze verder gelegen school
                    feitelijk is aangewezen, en is er voor het college aanleiding te bezien of met
                    toepassing van de hardheidsclausule het vervoer naar de verder gelegen school
                    dient te worden bekostigd.</al><al/><al>Op grond van de Wet leerlinggebonden financiering kunnen leerlingen die
                    geïndiceerd zijn voor (voortgezet) speciaal onderwijs tevens kiezen voor het
                    regulier onderwijs. Leerlingen die naar het (voortgezet) speciaal onderwijs
                    gaan, titel 3 van de verordening, maken onverminderd aanspraak op
                    leerlingenvervoer. Voor leerlingen van cluster 4 scholen (zeer moeilijk
                    opvoedbare kinderen, leerlingen van scholen verbonden aan pedologische
                    instituten, langdurig zieke kinderen (psychiatrische problematiek)) geldt dat
                    zij recht hebben op vervoer naar de cluster 4-school waarvoor de commissie voor
                    de indicatiestelling (cvi) een advies heeft afgegeven. Artikel 4, vijfde lid WEC
                    bepaalt namelijk dat de cluster 4-school waarvoor de cvi een advies heeft
                    afgegeven, wordt aangemerkt ais de dichtstbijzijnde, toegankelijke school. Dit
                    geldt zolang de leerling woont in het gebied van het regionaal expertisecentrum
                    waar voornoemde commissie aan is verbonden.</al><al/><al><cursief>Voorbeeld 1</cursief></al><al>School A is een rooms-katholieke basisschool en ligt op zes kilometer afstand
                    van de woning van de leerling. School B is een protestants-christelijke
                    basisschool en ligt op drie kilometer afstand van de woning van de leerling.
                    Indien de ouders nu schriftelijk verklaren overwegende bezwaren te hebben tegen
                    de richting van de school die dichterbij gelegen is (i.c. school B), verstrekt
                    het college bekostiging voor het vervoer van de leerling naar school A.</al><al/><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief></al><al>Een leerling bezoekt een school voor algemeen-bijzonder basisonderwijs op drie
                    kilometer afstand van de woning. De ouders besluiten dat de leerling naar een
                    andere basisschool van dezelfde richting gaat, gelegen op zes kilometer afstand
                    van de woning. In dit geval verstrekt het college geen bekostiging voor het
                    vervoer naar deze basisschool op zes kilometer afstand (immers, het is niet de
                    dichtstbijzijnde toegankelijke school). Of bekostiging plaatsvindt naar de
                    basisschool op drie kilometer afstand, is afhankelijk van de door de
                    gemeenteraad bepaalde kilometergrens.</al><al/><al><cursief>Voorbeeld 3</cursief></al><al>Een leerling bezoekt een gereformeerde (vrijgemaakt) school op zeven kilometer
                    afstand van de woning. Op drie kilometer afstand wordt een nieuwe gereformeerde
                    (vrijgemaakt) basisschool gesticht. In principe vervalt de bekostiging van de
                    vervoerskosten naar de school op zeven kilometer afstand. Het is immers niet
                    meer de dichtstbijzijnde toegankelijke school.</al><al>Hierbij is echter een redelijke overgangsregeling gewenst. Aansluitend bij de
                    gangbare opvattingen hierover lijkt een overgangsperiode van circa twee jaren
                    reëel indien daarmee het belang van de leerling wordt gediend. Na een dergelijke
                    overgangsperiode vervalt dan de bekostiging van de vervoerskosten naar de school
                    op zeven kilometer afstand van de woning.</al><al/><al>Indien de ouders beslissen om de leerling eerder naar de dichterbij gelegen
                    school te sturen, vervalt de bekostiging op het moment dat de leerling de nieuwe
                    school bezoekt. Of er dan bekostiging plaatsvindt naar de nieuwe basisschool, is
                    afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde afstandsgrens.</al><al/><al><cursief>Voorbeeld 4</cursief></al><al>Een leerling bezoekt een openbare school op drie kilometer afstand van de
                    woning. Halverwege het jaar verhuist het gezin naar een andere wijk in dezelfde
                    gemeente, waardoor de bezochte school niet meer de dichtstbijzijnde school voor
                    openbaar onderwijs is. De bezochte school ligt nu op een afstand van acht
                    kilometer. In principe bestaat geen aanspraak meer op bekostiging naar deze
                    school. Echter, indien de ouders voornemens zijn de leerling toch op de verder
                    weg gelegen school te laten, lijkt een redelijke overgangsperiode voor de hand
                    te liggen. Het college kan dan overwegen - indien daarmee het belang van de
                    leerling wordt gediend - bekostiging te verlenen voor het resterende schooljaar.
                    Of er dan bekostiging plaatsvindt naar de dichterbij gelegen school is
                    afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde afstandsgrens.</al><al/><al><cursief>Voorbeeld 5</cursief></al><al>Een leerling bezoekt een protestants-christelijke speciale school voor
                    basisonderwijs op zes kilometer afstand van de woning terwijl een
                    rooms-katholieke speciale school voor basisonderwijs en een
                    protestants-christelijke ZMOK-school dichterbij zijn gesitueerd (respectievelijk
                    op twee kilometer en drie kilometer). De ouders komen voor bekostiging van de
                    vervoerskosten in aanmerking indien zij schriftelijk verklaren overwegende
                    bezwaren te hebben tegen de richting van de dichterbij gelegen toegankelijke
                    school (i.c. de rooms-katholieke speciale school voor basisonderwijs).</al><al/><al>De protestants-christelijke ZMOK-school is geen school van de soort waarop de
                    leerling is aangewezen en is dus niet aan te merken als een dichterbij gelegen
                    toegankelijke school.</al><al/><al><cursief>Voorbeeld 6</cursief></al><al>Een leerling bezoekt een openbare basisschool op negen kilometer afstand van de
                    woning. Op zes kilometer afstand is ook een openbare basisschool gehuisvest,
                    terwijl er dichterbij gelegen scholen voor bijzonder basisonderwijs aanwezig
                    zijn. Het college verstrekt bekostiging van de vervoerskosten naar de school op
                    zes kilometer afstand van de woning, indien de ouders schriftelijk hebben
                    verklaard overwegende bezwaren te hebben tegen de richting van deze dichterbij
                    gelegen bijzondere basisscholen. Deze school op zes kilometer afstand is immers
                    aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke school.</al><al/><al><cursief>Voorbeeld 7</cursief></al><al>Op drie kilometer afstand van de woning van de leerling is een reformatorische
                    basisschool gesitueerd. De leerling bezoekt een reformatorische basisschool op
                    acht kilometer afstand van de woning omdat op deze school godsdienstonderwijs
                    wordt gegeven volgens een bepaalde modaliteit, die niet tot uitdrukking komt in
                    de dichterbij gelegen reformatorische school. In dit geval bekostigt het college
                    niet de kosten van het vervoer naar de school, gelegen op een afstand van acht
                    kilometer.</al><al/><al>Of bekostiging plaatsvindt naar de reformatorische basisschool op drie kilometer
                    afstand is afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde kilometergrens.</al><al/><al><cursief>Voorbeeld 8</cursief></al><al>Een leerling bezoekt een vrijgemaakt-gereformeerde speciale school voor
                    basisonderwijs op twaalf kilometer afstand van de woning van de leerling, omdat
                    de onderwijskundige methode van die school geschikter blijkt voor de leerling
                    dan de onderwijskundige methode die gehanteerd wordt op de
                    vrijgemaakt-gereformeerde speciale school voor basisonderwijs, gelegen op een
                    afstand van vijf kilometer van de woning van de leerling.</al><al/><al>Het college verstrekt een eventuele bekostiging voor het vervoer van en naar de
                    school gelegen op vijf kilometer afstand.</al><al/><al><cursief>Voorbeeld 9</cursief></al><al>Een leerling bezoekt een openbare speciale school voor basisonderwijs binnen het
                    samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is,
                    terwijl er buiten het samenwerkingsverband een dichterbij de woning van de
                    leerling gelegen toegankelijke openbare speciale school voor basisonderwijs is.
                    Het college verstrekt bekostiging naar de school binnen het samenwerkingsverband
                    (zie artikel 9 van de verordening).</al><al/><al>Voor alle hiervoor weergegeven voorbeelden geldt dat het college de ouders met
                    toepassing van de hardheidsclausule toch een - volledige - bekostiging kan
                    verstrekken indien daartoe naar de mening van het college aanleiding is.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 4: Uitbetaling van de bekostiging</cursief></vet></al><al>Vanwege het creëren van beleidsruimte is in artikel 4 van de verordening
                    bepaald, dat het college bij de verstrekking van de bekostiging tevens de
                    termijn van de bekostiging bepaalt. In de beschikking dient deze termijn wel
                    aangegeven te worden. De gekozen formulering van artikel 4 van de verordening
                    laat zoals gezegd de ruimte om per geval determijn van de bekostiging te
                    bepalen.</al><al/><al>Tevens dient het college bij verstrekking van bekostiging de wijze en het
                    tijdstip van uitbetaling te bepalen. Bepaald zal onder andere dienen te worden
                    of:</al><lijst><li nr=""><al>de bekostiging per maand, kwartaal, of halfjaar geschiedt;</al></li><li nr=""><al>de bekostiging in de vorm van een voorfinanciering of op
                            declaratiebasis, dan wel via een vast termijnbedrag achteraf geschiedt;
                        </al></li><li nr=""><al>de bekostiging, in het geval er sprake is van aangepast vervoer,
                            rechtstreeks aan de vervoersonderneming geschiedt.</al></li></lijst><al/><al><vet><cursief>Artikel 5: Aanvraagprocedure</cursief></vet></al><al>Indien ouders menen voor bekostiging in aanmerking te komen, dienen zij hiertoe
                    een aanvraag in bij het college. Van gemeentezijde wordt hiervoor een (digitaal)
                    aanvraagformulier beschikbaar gesteld. </al><al/><al>In artikel 5 van de verordening zijn nadere bepalingen opgenomen omtrent de
                    aanvraag van bekostiging van de vervoerskosten.</al><al/><al>De aanvraag kan in principe op twee tijdstippen plaatsvinden:</al><lijst><li nr="1."><al>indien het betreft een aanvraag voor het nieuwe schooljaar, dient de
                            aanvraag voor 1 juni voorafgaand aan dat nieuwe schooljaar ingediend te
                            worden;</al></li><li nr="2."><al>indien het betreft een aanvraag gedurende het schooljaar, kan de
                            aanvraag gedurende het schooljaar worden ingediend.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Ad 1. Aanvraag voor 1 juni; beschikking geven voor het
                        </cursief><cursief>nieuwe </cursief><cursief>schooljaar</cursief></al><al>Veelal zal ruimschoots voor de aanvang van het nieuwe schooljaar bekend zijn dat
                    een leerling in het nieuwe schooljaar een bepaalde school gaat bezoeken. Ook
                    continuering van het schoolbezoek is in veel gevallen ruim voor de aanvang van
                    het nieuwe schooljaar bij de ouders bekend. In dergelijke gevallen bepaalt
                    artikel 5, tweede lid, van de verordening dat de ouders, die in aanmerking
                    wensen te komen voor bekostiging van de vervoerskosten, voor 1 juni voorafgaande
                    aan het nieuwe schooljaar een aanvraag bij de gemeente moeten indienen.</al><al/><al>Deze datum is gekozen omdat het van belang is om de afwikkeling van de
                    aanvraagprocedures zoveel mogelijk voor de werkelijke aanvang van het schooljaar
                    gerealiseerd te hebben respectievelijk voor de zomervakantie in verband met de -
                    in voorkomend geval - vereiste werkzaamheden van de commissie van
                    onderzoek.</al><al/><al>Indien de aanvraag voor 1 juni is ingediend bij de gemeente, heeft het college
                    op grond van artikel 5, vierde lid, tot uiterlijk het begin van het nieuwe
                    schooljaar de tijd een besluit te nemen en aan de aanvragers af te geven, De
                    aanvraag dient dan wel juist en volledig te zijn ingevuld en voorzien te zijn
                    van de noodzakelijke bijlagen.</al><al/><al>Voor de termijn van 1 juni plus acht weken is gekozen om de eventueel te
                    verwachten stormloop van aanvragen in de zomervakantie te kunnen verwerken. In
                    dit kader zij erop gewezen dat gemeenten met ingang van de jaarrekening 2004
                    geconfronteerd zijn met een rechtmatigheidoordeel van de accountant. Deze
                    beoordeelt of baten, lasten en balansmutaties in de jaarrekening in
                    overeenstemming met relevante wet- en regelgeving tot stand zijn gekomen.
                    Aanvragen die na 1 juni binnenkomen kunnen door de accountant als onrechtmatig
                    worden beoordeeld.</al><al/><al>Ondanks de gestelde termijnen in artikel 5 van de verordening kan het voorkomen
                    dat de gestelde afwikkelingstermijnen niet haalbaar zijn voor de gemeente.
                    Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn in het geval van een vakantiepiek, indien
                    het gevraagde oordeel van de commissie van onderzoek of andere deskundigen
                    uitblijft, of indien er sprake is van een bijzondere situatie. In dergelijke
                    gevallen kan het college de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen
                    (artikel 5, vijfde lid, van de verordening). Uiterlijk een dag voor het
                    verstrijken van de tweede termijn dient een beschikking op de ingediende
                    aanvraag door het college te zijn gegeven. Als blijkt dat ook de
                    verdagingstermijn onvoldoende soelaas biedt, bijvoorbeeld als gevolg van het
                    uitblijven van het advies van de commissie van onderzoek, is het van belang dat
                    er toch een beschikking wordt afgegeven. In een dergelijk geval ligt het voor de
                    hand een beschikking te geven, zonder bijvoorbeeld het advies van de commissie
                    van onderzoek af te wachten.</al><al/><al>Een beschikking treedt niet in werking voordat deze bekend is gemaakt (artikel
                    3:44 van de Awb). De termijnen die in artikel 5 van de verordening zijn
                    opgenomen zijn inclusief de tijd die het college nodig heeft om een genomen
                    beschikking aan de aanvragers bekend te maken. Artikel 4:13 van de Awb bepaalt
                    dat een redelijke termijn waarbinnen een beschikking dient te warden gegeven in
                    ieder geval is verstreken indien het college binnen acht weken geen beschikking
                    heeft gegeven.</al><al/><al>Indien bovenstaande termijnen (acht weken en een eventuele verdaging van vier
                    weken) overschreden worden, dan kunnen de aanvragers op basis van artikel 6:2
                    van de Awb daartegen bezwaar maken en beroep instellen. In het onderhavige geval
                    is het bezwaar en beroep niet aan een termijn gebonden (artikel 6:12, eerste
                    lid, van de Awb). Het bezwaar- of beroepschrift wordt niet-ontvankelijk
                    verklaard indien het onredelijk laat is ingediend (artikel 6:12, derde
                    lid).</al><al/><al><cursief>Ad 2. Aanvragen gedurende het schooljaar; beschikking binnen acht
                        weken</cursief></al><al>In gevallen waarin de ouders een aanvraag ten behoeve van het nieuwe schooljaar
                    om welke reden dan ook niet tijdig voor 1 juni indienen, is het in de meeste
                    gevallen niet haalbaar de beschikking voor het begin van het nieuwe schooljaar
                    af te geven. Hetzelfde geldt in het geval de aanvraag - weliswaar ingediend voor
                    1 juni - onvolledig is of onjuist is ingevuld (tenzij de gecorrigeerde aanvraag
                    ook voor 1 juni bij de gemeente binnen is).</al><al/><al>Wanneer de aanvraag onjuist of onvolledig is ingevuld, zullen de ouders de
                    aanvraag moeten aanvullen of corrigeren. In artikel 4:15 van de Awb is bepaald
                    dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de
                    ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is
                    verstreken. ls er sprake van een bovengenoemde situatie dan is artikel 5, vierde
                    lid, van de verordening van toepassing. Hierin wordt bepaald dat het college
                    binnen acht weken na ontvangst van het formulier een beslissing neemt, nadat
                    ouders in voorkomend geval in de gelegenheid zijn gesteld de aanvraag met
                    ontbrekende gegevens aan te vullen.</al><al/><al>Deze termijn is ook van toepassing indien gedurende het schooljaar een aanvraag
                    plaatsvindt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn, indien in de loop van het
                    schooljaar een leerling van schoolsoort wisselt (bijvoorbeeld van basisonderwijs
                    naar speciaal onderwijs), of wel dat het kind in de loop van het jaar verhuist
                    en daardoor een andere gelijksoortige school gaat bezoeken.</al><al/><al>In de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6
                    maart 1992 (R03.88.7294183-129; zie Jur. 21.3) staan de gevolgen van een
                    verhuizing centraal. Ervan uitgaande dat de voormalige woongemeente de ouders
                    wijst op de noodzaak een aanvraag bij de nieuwe woongemeente in te dienen mag
                    van de ouders worden verwacht dat zij onverwijld - maar uiterlijk binnen een
                    week na de berichtgeving van de voormalige woongemeente - een aanvraag bij de
                    nieuwe woongemeente indienen.</al><al/><al>Bij latere indiening is de nieuwe woongemeente niet gehouden om de kosten van
                    vervoer in de periode vanaf een week na de mededeling van de oude woongemeente
                    tot aan de uiteindelijke indiening van de aanvraag bij de nieuwe woongemeente te
                    bekostigen.</al><al/><al>Ook ten aanzien van de aanvraagprocedures geldt echter dat de
                    afwikkelingstermijnen niet haalbaar kunnen zijn voor de gemeente. Hiervoor geldt
                    dan ook de verdaging van de termijn met vier weken. Dezelfde criteria en
                    sancties gelden als onder ad 1 zijn gesteld.</al><al/><al>Indien op een aanvraag positief is beslist of indien via bezwaar of beroep een
                    positieve beschikking is afgedwongen, luidt de vraag met ingang van welke datum
                    de bekostiging wordt verleend. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat het
                    college de ingangsdatum van de bekostiging bepaalt. In het geval een aanvraag
                    voor het nieuwe schooljaar wordt gedaan, zal de ingangsdatum van de bekostiging
                    in principe samenvallen met de eerste schooldag van het nieuwe schooljaar
                    (artikel 5, zesde lid, onder a). Hieronder dient dan de werkelijke start van het
                    schooljaar verstaan te worden en niet de wettelijke aanvangsdatum. De
                    bekostiging gaat uiteraard pas in op de dag dat het vervoer daadwerkelijk
                    plaatsvindt.</al><al/><al><cursief>Geen bekostiging met terugwerkende kracht</cursief></al><al>Indien de aanvraag gedurende het schooljaar aan het college wordt gericht zal de
                    ingangsdatum van de bekostiging in principe samenvallen met de in het
                    aanvraagformulier verzochte datum van ingang, mits de aanvraag op tijd is
                    ontvangen. De aanvrager dient rekening te houden met een behandeltermijn van
                    acht weken. De ingangsdatum ligt nooit vóór de datum waarop het college de
                    aanvraag heeft ontvangen (artikel 5, zesde lid, onder b). Het spreekt voor zich
                    dat de gemeente haar burgers in algemene zin dient te informeren omtrent
                    eventuele rechten op bekostiging van leerlingenvervoer.</al><al/><al><cursief>Overleggen gegevens ten behoeve van de aanvraag</cursief></al><al>Zoals reeds eerder is opgemerkt geeft artikel 4:4 van de Awb de gemeente in het
                    algemeen de bevoegdheid om het gebruik van aanvraagformulieren voor te
                    schrijven. Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt opgeschort
                    tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de
                    daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.</al><al/><al>Onder gegevens dient ook te worden verstaan eventuele toevoeging van
                    verklaringen (bewijsstukken). Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan een
                    medische verklaring, werkgeversverklaring, verklaring van de rijksinspecteur der
                    belasting, verklaring van overwegende bezwaren en eventuele andere
                    bewijsstukken.</al><al/><al>Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Awb verplicht deze gegevens te
                    overleggen, indien deze gegevens van belang zijn voor een juiste beoordeling van
                    de aanvraag. Of gegevens daadwerkelijk van belang zijn voor een juiste
                    beoordeling wordt door het college bepaald. Uiteraard dient het begrip ‘juist’
                    redelijk geïnterpreteerd te worden. Criterium is: gegevens die van invloed zijn
                    op de aanvraag dienen juist en volledig ingevuld te zijn.</al><al>Het college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is.</al><al/><al>Indien het aanvraagformulier aanvulling behoeft of gecorrigeerd dient te worden,
                    stuurt het college het aanvraagformulier terug. Ouders worden dan in de
                    gelegenheid gesteld om de verlangde gegevens binnen een door het college te
                    bepalen termijn (bijvoorbeeld vier weken) aan te vullen of te verbeteren. Wordt
                    hiervan geen gebruik gemaakt, dan dient het college de afweging te maken of de
                    aanvraag in behandeling wordt genomen (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Op
                    grond van artikel 4:5, vierde lid van de Awb, dient in een voorkomend geval aan
                    de aanvrager bekend te worden gemaakt dat de aanvraag niet in behandeling wordt
                    genomen.</al><al/><al>Uit een beschikking van de voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de
                    Raad van State (9 november 1989, nr. R03.89.58311S6535; zie Jur. 8.1) wordt
                    duidelijk dat gemeenten bij een afwijzende beschikking zich niet louter kunnen
                    beroepen op een onjuist dan wel onvolledig ingevuld aanvraagformulier, maar dat
                    zij bij hun beoordeling mede moeten betrekken wat de kennelijke bedoeling van de
                    aanvrager is. De voorzitter overweegt het volgende: ‘Wij stellen voorop dat,
                    hoewel is gebleken dat het aanvraagformulier voor de in geding zijnde
                    reiskostenbekostiging onjuist dan wel onvolledig is ingevuld, de kennelijk
                    bedoeling van verzoeker, gezien de aanvragen van de voorafgaande jaren,
                    duidelijk is. Derhalve beschouwen wij de aanvraag als zijnde correct gedaan.’
                    Bij het in behandeling nemen van aanvragen zal de gemeente dus moeten letten op
                    de kennelijke bedoeling van de aanvrager zoals die uit aanvragen van de
                    voorafgaande jaren gebleken is.</al><al/><al><cursief>Verdagen</cursief></al><al>Het vijfde lid van artikel 5 geeft het college de mogelijkheid om de beslissing
                    op de aanvraag met vier weken te verdagen. Een beslissing van een bestuursorgaan
                    om een beslissing te verdagen is een beschikking in de zin van de Awb. Dit
                    betekent onder andere dat het bestuursorgaan een dergelijke beslissing dient te
                    motiveren (artikel 4:16 van de Awb) en dat de beslissing aan de belanghebbende
                    bekend gemaakt dient te worden (artikel 3:41 van de Awb).</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 6: Doorgeven van wijzigingen</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Artikel 6, eerste lid, van de verordening regelt dat ouders verplicht zijn
                    wijzigingen door te geven aan het college die van directe invloed zijn op de
                    verstrekte bekostiging van de vervoerskosten. Ouders dienen dergelijke
                    wijzigingen onverwijld mede te delen aan het college.</al><al>Gegevens die van invloed kunnen zijn op de bekostiging zijn onder andere:</al><lijst><li nr=""><al>wijziging van de reistijd, in verband met verandering in bijvoorbeeld
                            het openbaar vervoer;</al></li><li nr=""><al>wijziging in het woonadres van de leerling, door bijvoorbeeld
                            verhuizing;</al></li><li nr=""><al>wijziging in de gezinssituatie, die invloed heeft op het al dan niet
                            begeleiden van leerlingen;</al></li><li nr=""><al>wijziging van het adres van de school;</al></li><li nr=""><al>wijziging van de schooltijden van de school;</al></li><li nr=""><al>wijziging van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs naar
                            voortgezet speciaal onderwijs);</al></li><li nr=""><al>toekenning van bekostiging op grond van de Wet WIA, of op grond van
                            andere wet- en regelgeving.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Indien de wijziging daartoe aanleiding geeft, trekt het college de verstrekte
                    bekostiging in en verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de
                    vervoerskosten (artikel 6, tweede lid, van de verordening). Indien de wijziging
                    geen invloed op de bekostiging heeft dan gebeurt dit uiteraard niet. </al><al>Wijziging in het inkomen van ouders van leerlingen die een school voor
                    basisonderwijs of speciale school voor basisonderwijs volgen heeft in principe
                    geen invloed op de bekostiging van de vervoerskosten voor het desbetreffende
                    jaar. Als echter sprake is van een structurele wijziging in het inkomen van de
                    ouders die voor hen ernstig nadelig is, dan kan het college vooruitlopend op het
                    volgende schooljaar debekostiging aanpassen. </al><al>Indien het college, zonder hiervan door de ouders onverwijld op de hoogte te
                    zijn gesteld, zelf vaststelt dat er wijzigingen zijn die van invloed kunnen zijn
                    op de bekostiging, dan kan het zijn dat ouders ten onrechte bekostiging (hebben)
                    ontvangen.</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Artikel 6, vierde lid, van de verordening biedt in dergelijke situaties een
                    kapstok om de ten onrechte betaalde bekostiging terug te vorderen of in
                    mindering te brengen bij eventueel nieuw te verstrekken bekostiging. Ook in
                    onderhavige gevallen geldt immers dat nadat de wijziging is vastgesteld de
                    bekostiging kan vervallen en eventueel opnieuw wordt verstrekt. De beslissing
                    dient aan de aanvrager bekend te worden gemaakt (artikel 3:41 Awb).</al><al/><al><vet><cursief>Artikel </cursief></vet><vet><cursief>7: Peildatum
                        </cursief></vet><vet><cursief>leeftijd
                            </cursief></vet><vet><cursief>leerling</cursief></vet></al><al>Aangezien in de verordening het leeftijdscriterium in het basisonderwijs als een
                    van de volumebeperkende middelen is opgenomen (artikel 12) om al dan niet in
                    aanmerking te komen voor vervoer onder begeleiding, verdient het aanbeveling een
                    peildatum van de leeftijd van de leerling te kiezen. Indien de leerling in
                    aanmerking komt voor openbaar vervoer onder begeleiding en in de verordening is
                    geen peildatum gekozen, zal in dat schooljaar waarin de leerling de leeftijd van
                    negen jaar bereikt, tweemaal een beschikking dienen te worden afgegeven,
                    namelijk voor de periode dat de leerling nog acht jaar is en voor de periode dat
                    de leerling de leeftijd van negen jaar heeft bereikt. Een dergelijke handelwijze
                    houdt nogal wat extra administratieve werkzaamheden in.</al><al>In de verordening (artikel 7) is dan ook gekozen voor een peildatum die geldt
                    voor het gehele schooljaar. Gekozen is voor de peildatum van 1 augustus van het
                    betreffende schooljaar, omdat deze datum samenvalt met de wettelijke start van
                    het schooljaar. Deze bepaling houdt in dat indien de leerling op 1 augustus van
                    een bepaald schooljaar acht jaar is, hij in het kader van de verordening het
                    gehele schooljaar als acht jaar wordt aangemerkt (ook al wordt de leerling
                    halverwege het schooljaar negen jaar). Er hoeft dan ook maar 1 beschikking voor
                    het gehele schooljaar te worden afgegeven.</al><al/><al>Ten behoeve van het (voortgezet) speciaal onderwijs is een dergelijke
                    leeftijdsgrens niet opgenomen. Het recht op leerlingenvervoer staat verder in
                    geen relatie tot een bepaalde leeftijdgrens. Inschrijving bij een WPO, WEC of
                    WVO school volstaat.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 8: </cursief></vet><vet><cursief>Andere
                            vergoedingen</cursief></vet></al><al>Indien kan worden aangetoond dat een aanvrager van leerlingenvervoer via een
                    andere weg (bijvoorbeeld via de werkgever) vergoeding ontvangt voor de kosten
                    van het vervoer naar school, mag de gemeente die vergoeding aftrekken van de
                    bekostiging die de aanvrager zou hebben gekregen op basis van de verordening
                    leerlingenvervoer. Dat geldt echter niet voor vergoedingen die worden verstrekt
                    door de 1B-groep op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                    schoolkosten, die ouders van schoolgaande kinderen in het voortgezet onderwijs
                    kunnen aanvragen. Deze vergoeding is opgebouwd uit verschillende componenten,
                    zoals lesgeld, boekengeld enzovoort en is niet puur bestemd voor reiskosten.
                    Deze vergoeding mag daarom niet worden afgetrokken van de bekostiging
                    leerlingenvervoer.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel </cursief></vet><vet><cursief>9: Bekostiging naar de
                            dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor
                            </cursief></vet><vet><cursief>basisonderwijs in het
                            samenwerkingsverband</cursief></vet></al><al>Dit artikel is een aanvulling op artikel 3 van de verordening. Voor alle
                    onderwijssoorten geldt de hoofdregel van artikel 3, eerste lid. Artikel 4 van de
                    WPO bepaalt voor speciale scholen voor basisonderwijs echter dat het vervoer
                    naar de dichtstbijzijnde school in het samenwerkingsverband dient te worden
                    bekostigd. Dat zal veelal wel, maar hoeft niet de dichtstbijzijnde toegankelijke
                    school van zijn soort te zijn omdat buiten het samenwerkingsverband een
                    dichterbij gelegen speciale school kan zijn. Deze regeling is door de wetgever
                    getroffen om zo veel mogelijk opvang binnen het eigen samenwerkingsverband te
                    realiseren. Evenals bij de regeling voor basisscholen wordt bij het toekennen
                    van een voorziening voor leerlingenvervoer rekening gehouden met de
                    toegankelijkheid voor de leerling en de op godsdienst of levensbeschouwing
                    berustende keuze van de ouders. In artikel 9 wordt gesproken van de basisschool
                    waarvan de leerling afkomstig is. Dit is op grond van artikel 3 van de
                    verordening de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool. Is dit het geval, dan
                    is artikel 9 van toepassing. Daarnaast geldt als gevolg van de verwijzing naar
                    artikel 3 van de verordening bij toepassing van onderdeel b ook hier het
                    vereiste van schriftelijke instemming van de ouders.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 10: Permanente commissie
                    leerlingenzorg</cursief></vet></al><al>In de WPO wordt aan de permanente commissie leerlingenzorg (pcl) de taak
                    opgedragen om een besluit te nemen over de toelating van een leerling tot een
                    speciale school voor basisonderwijs. Het college moet bij de beoordeling van een
                    aanvraag voor</al><al>leerlingenvervoer van dit besluit uitgaan. Daarnaast kunnen door het
                    samenwerkingsverband aan de pcl adviestaken worden opgedragen. Wanneer dat is
                    gebeurd dient het college het advies van de commissie bij de beoordeling te
                    betrekken. Omdat het een advies betreft, is het college daaraan echter niet
                    gebonden. Om de bestuurslast beperkt te houden is bepaald, dat het advies van de
                    pcl alleen moet worden betrokken, als het college een negatieve beschikking op
                    de gevraagde voorziening geeft.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 11: Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en
                            vervoer per fiets</cursief></vet></al><al>Artikel 11 van de verordening bepaalt dat de ouders van leerlingen die een
                    school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoeken,
                    in aanmerking kunnen komen voor bekostiging op basis van de kosten van het
                    openbaar vervoer dan wel vervoer per fiets, indien de afstand van de woning naar
                    de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school meer dan zes kilometer
                    bedraagt.</al><al/><al>Het tweede lid van artikel 11 voorziet er in dat een fietsvergoeding wordt
                    verstrekt. Het college dient dan van oordeel te zijn dat de leerling, al dan
                    niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij
                    dienen in overweging te worden genomen de leeftijd van de leerling, de eventuele
                    handicap van de leerling, de veiligheid van de af te wijken route en de afstand.
                    Ook is het mogelijk een fietsbekostiging voor bijvoorbeeld de maanden maart tot
                    november te verstrekken en voor de overige maanden bekostiging voor ander
                    passend vervoer.</al><al/><al>In artikel 11 van de verordening zijn de minimumvoorwaarden vastgelegd om ouders
                    aanspraak te kunnen laten maken op bekostiging van de vervoerkosten. Hierbij
                    geldt als uitgangspunt: 'bekostiging van de kosten van openbaar vervoer dan wel
                    de kosten van het vervoer per fiets'.</al><al/><al><cursief>Afstandscriterium</cursief></al><al>De artikelen 4 van de WPO en de WEC bepalen dat de gemeentelijke regeling kan
                    bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de afstand. In de
                    verordening is deze afstand nader ingevuld door het stellen van een
                    kilometergrens.</al><al>Als afstandscriterium wordt in de verordening zes kilometer gehanteerd. In
                    artikel 4, zevende lid, van de WPO is deze afstand als bovengrens
                    vastgelegd.</al><al/><al>In de uitspraak van 27 december 1989 (R03.88.7309; zie Jur. 1.4) heeft de
                    Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State duidelijkheid verschaft over
                    de wijze waarop de afstand tussen school en woning bepaald moet worden. Als er
                    een klein verschil (minder dan enkele honderden meters) bestaat tussen de meting
                    van de afstand door de ouders en de gemeente, dan kan niet volstaan worden met
                    het meten van de afstand door een auto­dagteller. In dit geval dient een methode
                    gebruikt te worden waardoor de exacte afstand kan worden bepaald, bijvoorbeeld
                    door middel van het gebruik van een geijkte teller, of een recente versie van
                    een routeplanner of navigatiesysteem.</al><al/><al>Van belang is tevens dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State
                    in dezelfde uitspraak heeft bepaald dat bij het meten van de afstand niet mag
                    worden uitgegaan van de gemiddelde afstand van de heenweg ('s morgens) en de
                    terugweg ('s middags). Indien de reisafstand op de heenweg onder de in de
                    verordening gestelde grens ligt doch de reisafstand op de terugweg daarboven -
                    of omgekeerd - dan ligt het naar het oordeel van de afdeling veeleer in de rede
                    dat een gedeeltelijke bekostiging - voor alleen de heen- dan wel de terugreis -
                    wordt verstrekt.</al><al/><al>Een combinatie van afstandscriterium en leeftijdscriterium is op grond van de
                    wet niet mogelijk (artikel 4, achtste en negende lid, van de WPO en artikel 4,
                    zevende en achtste lid, van de WEC). Met andere woorden: een voor de hand
                    liggend onderscheid in afstand voor jongere en oudere kinderen is niet
                    mogelijk.</al><al/><al><cursief>Het drempelbedrag en </cursief><cursief>het
                        draagkrachtbeginsel</cursief></al><al>Voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor basisonderwijs heeft de
                    gemeente naast de vaststelling van een afstandsgrens en leeftijdsgrens nog twee
                    andere volumebeperkende maatregelen ter beschikking ter regulering van de
                    vervoerskosten, namelijk een drempelbedrag en het toepassen van het
                    draagkrachtbeginsel. In het kader van het vervoer van leerlingen naar speciale
                    scholen voor basisonderwijs kan eveneens een drempelbedrag geheven worden, maar
                    is het toepassen van het draagkrachtbeginsel niet mogelijk. Zie verder de
                    toelichting bij artikel 23 en 24.</al><al/><al><cursief>Leerlingenvervoer </cursief><cursief>naar
                        dislocaties/nevenvestigingen</cursief></al><al>Artikel 11 e.v. en artikel 15 e.v. van de verordening bepalen dat het college
                    bekostiging verstrekt in de kosten van leerlingenvervoer, indien de afstand van
                    de woning van de leerling naar de dichtstbijzijnde voor de leerling
                    toegankelijke school voor basisonderwijs, speciale school voor basisonderwijs of
                    een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs meer bedraagt dan zes
                    kilometer.</al><al/><al>Indien de school die de leerling bezoekt meer dan een locatie heeft, rijst de
                    vraag of slechts de hoofdvestiging dan wel alle onderwijslocaties als school in
                    de zin van de verordening leerlingenvervoer dienen te worden beschouwd. Deze
                    vraag zal zich in de praktijk vaker voordoen door met name de
                    schaalvergrotingsoperatie (T en B) in het basisonderwijs. Door deze operatie is
                    het aantal dislocaties toegenomen en zijn zelfstandige scholen omgevormd tot
                    nevenvestigingen.</al><al/><al>Voor de beantwoording van de gestelde vraag kan aansluiting worden gezocht bij
                    de regelgeving inzake de huisvesting en materiële instandhouding in het primair
                    onderwijs, alsmede bij artikel 2, eerste lid, artikel 11 en artikel 15, eerste
                    lid van de verordening leerlingenvervoer. Als uitgangspunt geldt dan dat de
                    feitelijke locatie die door de leerling wordt bezocht als school kan worden
                    beschouwd in de zin van de verordening.</al><al/><al>Concreet gaat het om de volgende situaties:</al><al><cursief>1. </cursief><cursief>Nevenvestiging in </cursief><cursief>het
                        basisonderwijs.</cursief>Een nevenvestiging wordt in termen van de WPO
                    (artikel 1) beschouwd als een deel van de school op de plaats waar voor de
                    vorming van de nevenvestiging een zelfstandige school functioneerde. De eigen
                    wettelijke positie van een nevenvestiging komt onder andere tot uiting in een
                    afzonderlijke normstelling voor de instandhouding, in een afzonderlijke regeling
                    voor de rijksbekostiging van de huisvesting (los van de plaatsingscapaciteit van
                    de hoofdvestiging) en in de verplichting om voor de nevenvestiging een
                    afzonderlijke leerlingadministratie bij te houden.Gelet op het
                    voorgaande uitgangspunt en tegen deze achtergrond bezien, ligt het voor de hand
                    een nevenvestiging als een school in de zin van de verordening te
                    beschouwen.</al><al/><al><cursief>2. </cursief><cursief>Dislocaties </cursief><cursief>in het primair
                        onderwijs.</cursief>Een dislocatie kan, gelet op het hiervoor genoemde
                    uitgangspunt, eveneens als een school in de zin van de verordening worden
                    beschouwd.</al><al/><al><cursief>3. </cursief><cursief>Bekostiging.</cursief>Het college verstrekt
                    bekostiging indien de leerling de dichtstbijzijnde toegankelijke
                    onderwijslocatie bezoekt, indien uiteraard aan de criteria van de verordening op
                    het gebied van richting en kilometergrens wordt voldaan. Met een
                    onderwijslocatie wordt zowel de hoofdvestiging als een nevenvestiging of
                    dislocatie bedoeld.Hieruit vloeit bijvoorbeeld voort dat indien een
                    leerling een dislocatie bezoekt die minder ver van de woning is gelegen dan de
                    kilometergrens van artikel 11 respectievelijk artikel 15 van de verordening, het
                    college niet gehouden is bekostiging te verstrekken voor de kosten van het
                    leerlingenvervoer. Dit gaat ook niet op indien de hoofdvestiging van de school
                    zich wel verder weg van de woning bevindt dan de
                    kilometergrens.Anderzijds is het college gehouden bekostiging van de
                    kosten van leerlingenvervoer te verstrekken indien de dichtstbijgelegen
                    onderwijslocatie van de gewenste soort en richting een nevenvestiging is die
                    verder weg van de woning is gelegen dan de kilometergrens van artikel 11
                    respectievelijk artikel 15, terwijl de hoofdvestiging binnen deze kilometergrens
                    is gelegen.</al><al/><al><cursief>4. </cursief><cursief>Toegankelijkheid.</cursief>De bekostigingsplicht
                    van het college tot de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school
                    kan van specifiek belang zijn indien de leerling een school bezoekt met een
                    nevenvestiging of een dislocatie.Indien een school een nevenvestiging
                    of dislocatie heeft, kan het bevoegd gezag bij de inrichting van het onderwijs
                    bepalen dat de hoofdvestiging en de nevenvestiging/ dislocatie niet elk een
                    volledig onderwijscurriculum verzorgen. Indien bijvoorbeeld de dichtstbij
                    gelegen locatie een dislocatie is waar slechts onderwijs voor de onderbouw wordt
                    verzorgd, is deze locatie voor een leerling uit de bovenbouw niet toegankelijk
                    en wordt de verder gelegen dislocatie of hoofdvestiging met onderwijs voor de
                    bovenbouw als dichtstbijzijnde onderwijslocatie aangemerkt. Indien aan de
                    overige voorwaarden wordt voldaan bekostigt het college het vervoer
                    daarheen.</al><al/><al><cursief>Verbouwing van de school</cursief></al><al>Indien een school verbouwd wordt en leerlingen op een andere locatie opgevangen
                    worden, dan is het niet automatisch zo dat de gemeente alle leerlingen naar die
                    locatie vervoert. Per leerling moet de verordening leerlingenvervoer van de
                    gemeente waar het kind woont worden toegepast.</al><al/><al>Voor leerlingen die al in het leerlingenvervoer zitten, geldt artikel 6 van de
                    verordening (doorgeven van wijzigingen). Het college gaat dan opnieuw kijken of
                    er aanspraak bestaat op leerlingenvervoer.</al><al/><al>Voor leerlingen die niet in het leerlingenvervoer zitten, moet een aanvraag
                    worden ingediend. De gemeente gaat deze aanvraag toetsen. Hierbij wordt (onder
                    meer) gekeken of wordt voldaan aan de afstandsgrens en of het om de
                    dichtstbijzijnde toegankelijke school van de soort en de richting gaat. Maken
                    ouders geen aanspraak op leerlingenvervoer, dan moeten zij samen met de school
                    bekijken hoe de eventuele extra vervoerskosten worden opgevangen. Vaak regelen
                    scholen vervoer tussen de oude en nieuwe locatie.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 12: Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van
                            een begeleider</cursief></vet></al><al>In een aantal gevallen zal blijken dat het voor de leerling niet mogelijk is
                    zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. Indien er dan geen andere
                    ‘oudere’ leerlingen zijn die de leerling kunnen begeleiden, is deze begeleiding
                    een verantwoordelijkheid van de ouders. In artikel 12 van de verordening is
                    daaromtrent een regeling getroffen.</al><al/><al>Uit artikel 12 blijkt:</al><lijst><li nr=""><al>dat de afstand van de woning naar de school meer dan zes kilometer moet
                            zijn om voor bekostiging van de vervoerkosten ten behoeve van een
                            begeleider in aanmerking te komen;</al></li><li nr=""><al>dat begeleiding slechts wordt bekostigd aan de ouders, indien de
                            leerling jonger dan negen jaar is. Met andere woorden: de regeling gaat
                            ervan uit dat een leerling van negen jaar en ouder in principe
                            zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Is dat in een
                            incidenteel geval niet zo, dan kan op grond van artikel 29 van de
                            verordening een uitzondering hierop gemaakt worden. </al></li><li nr=""><al>In dit verband is artikel 7 van de verordening van belang. Indien de
                            leerling op 1 augustus van het schooljaar acht jaar is, geldt voor het
                            hele schooljaar dat de leerling als acht jaar wordt aangemerkt ook al
                            wordt de leerling in de loop van het schooljaar negen jaar; </al></li><li nr=""><al>dat door de ouders genoegzaam aangetoond moet worden dat de leerling
                            niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken.
                        </al></li><li nr=""><al>Hiervan kan onder andere sprake zijn indien:</al></li><li nr=""><al>de leerling te jong is om zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik
                            te maken; </al></li><li nr=""><al>de leerling gedurende de rit met het openbaar vervoer een of meerdere
                            malen moet overstappen op gevaarlijke overstappunten en hij, gezien zijn
                            leeftijd, te jong hiervoor is;</al></li><li nr=""><al>de route van het uitstappunt van de bus naar de school gevaarlijke
                            punten kent (en oplossing daarvan door bijvoorbeeld verkeersbrigadiers
                            niet mogelijk is).</al></li></lijst><al/><al>Dit ‘genoegzaam aantonen’ dient zoveel als mogelijk ondersteund te worden door
                    eventuele bewijsstukken, zoals gegevens over de routes van het openbaar vervoer,
                    psychologische verklaringen en medische verklaringen. In een aantal gevallen kan
                    het voorkomen dat het bewijs moeilijk te geven is. In die gevallen dient de
                    situatie zorgvuldig beoordeeld te worden door het college. Het college bepaalt
                    immers of inderdaad aangetoond wordt of zelfstandig vervoer van de leerling niet
                    mogelijk is.</al><al/><al>Wie uiteindelijk als begeleider zal fungeren is in principe niet van belang. De
                    bekostiging van de kosten vindt plaats aan de ouders van de leerling, ongeacht
                    wie de leerling begeleidt. Indien een begeleider (al dan niet een ouder) meer
                    dan een leerling tegelijk begeleidt, geldt slechts bekostiging als ware er
                    sprake van de begeleiding van één leerling. Met andere woorden, indien
                    bijvoorbeeld een ouder drie leerlingen begeleidt met het openbaar vervoer, kan
                    het niet zo zijn dat de bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten
                    behoeve van de begeleider drie maal plaatsvindt.</al><al/><al>Artikel 12, tweede lid, van de verordening bepaalt dan ook dat de kosten van
                    openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider voor bekostiging in aanmerking
                    komen.</al><al/><al>In de uitspraak van 19 maart 1992 (nr. R03.89.69241106) van de Afdeling
                    Bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het om de vraag in hoeverre
                    leerlingen zelf kunnen voorzien in de begeleiding van andere (jongere)
                    leerlingen. In aanscherping op de algemene lijn die de afdeling hierin volgt,
                    geeft de afdeling aan dat weliswaar leerlingen van elf jaar en ouder enige
                    begeleiding voor hun rekening kunnen nemen, maar dat van een elfjarig kind niet
                    kan worden verwacht dat het zelfstandig twee of meer jongere kinderen door
                    moeilijke verkeerssituaties kan loodsen.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 13: Bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                            vervoer</cursief></vet></al><al>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer ten behoeve van de
                    leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor
                    basisonderwijs bezoekt, dient in principe slechts in uitzonderingsgevallen te
                    worden verleend. Deze uitzonderingen zijn in artikel 13 van de verordening
                    vastgelegd.</al><al/><al>In veel gevallen zal het voorkomen dat het college het aangepast vervoer zelf
                    organiseert. Het drempelbedrag en de bijdrage op grond van de draagkracht zullen
                    dan door de ouders aan het college betaald moeten worden, in feite in ruil voor
                    het aangeboden vervoer. Overigens geldt met name voor aangepast vervoer dat
                    regionale samenwerking met andere gemeenten tot belangrijke besparingen kan
                    leiden.</al><al/><al/><al><cursief>Onderdeel a. Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf
                        uur</cursief></al><al>Indien de leerling met gebruikmaking van het openbaar vervoer, meer dan
                    anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder
                    van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, wordt bekostiging
                    op basis van de kosten van aangepast vervoer verstrekt.</al><al/><al>Overigens is het niet zo dat de ouders, indien zij op basis van het criterium
                    reistijd aanspraak op bekostiging van aangepast vervoer maken, van het college
                    kunnen eisen dat de totale reistijd ook daadwerkelijk tot 50% of minder wordt
                    teruggebracht (in het geval dat het college het vervoer zelf organiseert).</al><al>Indien een schoolbusje meer leerlingen vervoert, kan dit tijdscriterium
                    overschreden worden. Slechts van belang is dat via individuele meting de
                    conclusie wordt getrokken, dat de totale reisduur van die leerling met het
                    openbaar vervoer meer dan anderhalf uur bedraagt en deze met het aangepast
                    vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden
                    teruggebracht. Is hiervan sprake dan kunnen ouders aanspraak maken op
                    bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer.</al><al/><al>De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van
                    17 februari 1990 (nr. R03.89.5769ISP274; zie Jur. 4.2) uitgesproken dat bij de
                    reistijd vijf minuten wachttijd bij de bushalte per rit opgeteld moet worden. Op
                    grond van de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van
                    State van 5 oktober 1990 (R03.90.6236186538) alsmede van 10 december 1992
                    (S03.92.3655.67; zie Jur. 4.4) kan voor de berekening van de reistijd per taxi
                    tweemaal vijf minuten worden bijgeteld. Discussie over de exacte reistijd per
                    openbaar vervoer kan volgens de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak
                    van de Raad van State van 6 oktober 1992 (S03.92.3174; zie Jur. 4.1) worden
                    vermeden door uit te gaan van de desbetreffende dienstregelingen.</al><al/><al>In de verordening is een reistijdcriterium opgenomen van anderhalf uur. Over een
                    maximale reistijd van anderhalf uur met het openbaar vervoer stelt de Afdeling
                    Bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraken R03.88.5039, R03.88.6089
                    en R03.88.6566) geen grond te zien voor het oordeel dat dit op zichzelf in
                    strijd is met artikel 4 van de WBO (nu WPO). Niet aannemelijk is, dat bij het
                    ontbreken van de mogelijkheid om bekostiging te krijgen op basis van de kosten
                    van aangepast vervoer, bij een reisduur tot anderhalf uur de vrijheid van ouders
                    om voor hun kinderen een openbare dan wel een bijzondere school van de door hen
                    gewenste richting te kiezen, in onaanvaardbare mate onder druk kan komen te
                    staan van financiële hindernissen.</al><al/><al>Dit neemt echter niet weg, dat van vervoerders mag worden verwacht dat indien de
                    omstandigheden daartoe aanleiding geven, zij onderzoeken of onverkort aan de in
                    artikel 13, onder a, van de verordening weergegeven reistijd dient te worden
                    vastgehouden. De hardheidsclausule in de gemeentelijke verordening biedt daartoe
                    uitdrukkelijk de mogelijkheid.</al><al/><al>In een aantal gevallen kan het voorkomen dat bijvoorbeeld ten aanzien van de
                    heenreis (woning-school) wel voldaan wordt aan het criterium van de reistijd,
                    terwijl dit voor de terugreis niet het geval is. Dit kan het geval zijn indien
                    bijvoorbeeld op de heenreis een stopbus en op de terugreis een snelbus is
                    ingezet, of indien de heenreis qua tijd niet aansluit bij de aanvang van de
                    school, maar dat dit bij de terugreis wel het geval is. In dergelijke gevallen
                    dient het college te besluiten, dat er bekostiging wordt verstrekt wat betreft
                    de heenreis, op basis van aangepast vervoer, en voor wat betreft de terugreis op
                    basis van openbaar vervoer.</al><al/><al>Ook kan het met name bij lange afstanden zinvol zijn om combinatie van vervoer
                    te overwegen. De leerling zou in zo'n geval gebruik kunnen maken van aangepast
                    vervoer (dat ook wordt ingezet voor andere leerlingen) tot een centraal
                    eindpunt, en vervolgens gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer om op de
                    plaats van bestemming te komen. Een vorm van combinatievervoer kan zijn dat de
                    leerling eerst met de bus naar het station gaat en vervolgens de trein
                    neemt.</al><al/><al>Een ander voorbeeld kan zijn dat de schoolbus enkele centrale opstapplaatsen
                    (zie artikel 1, onder 1) kent.</al><al/><al>In de uitspraak van 26 februari 1992 (R03.89.0419/83-107; zie Jur. 3.5) geeft de
                    Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State enige richtlijnen met
                    betrekking tot centrale opstapplaatsen (buurtbussen). Hierbij dienen de
                    leerlingen van huis naar een opstapplaats te lopen/fietsen/worden gebracht.
                    Indien hiermee een reistijd is gemoeid van ten hoogste dertig minuten, en indien
                    de vertrektijden van de bus zodanig zijn afgestemd op de aanvangs- en eindtijden
                    van de lessen dat er niet of nauwelijks sprake is van wachttijden, is deze
                    constructie in beginsel alleszins redelijk te noemen, volgens de afdeling.
                    Wanneer de leerling gelet op zijn leeftijd begeleiding behoeft bij het vervoer
                    van huis naar de opstapplaats, acht de afdeling het reëel dat de ouders zelf
                    voor de begeleiding zorg dragen. Hierbij dient te worden aangetekend dat in de
                    onderhavige casus de leerlingen die dichterbij de school woonden dan de
                    kilometergrens van vier kilometer gewend waren om in zijn algemeenheid
                    vergelijkbare afstanden af te leggen naar reguliere bushalten, aldus de
                    afdeling.</al><al/><al><cursief>Onderdeel b. Openbaar vervoer ontbreekt</cursief></al><al>In een aantal gemeenten komt het voor dat openbaar vervoer geheel ontbreekt of
                    zo weinig frequent rijdt dat leerlingen daar geen gebruik van kunnen maken voor
                    het vervoer van woning naar school of vice versa. In principe kunnen de ouders
                    dan aanspraak maken op bekostiging op basis van aangepast vervoer.</al><al/><al>Hierbij kan het college de volgende mogelijkheden overwegen:</al><lijst><li nr=""><al>is een combinatie van vervoer haalbaar; </al></li><li nr=""><al>de vervoersonderneming kan verzocht worden om wijzigingen aan te brengen
                            in de dienstregeling of de mate van het openbaar vervoer, waardoor deze
                            vervoervorm dienstbaar wordt voor het reizen van en naar de school;</al></li><li nr=""><al>het bevoegd gezag van de school kan verzocht worden de schooltijden af
                            te stemmen op de vervoertijden; </al></li><li nr=""><al>contact kan worden opgenomen met de rijksverkeersinspectie in het
                            betreffende gebied; deze kan eventueel een adviserende en bemiddelende
                            rol spelen;</al></li><li nr=""><al>tevens kan nog bezien worden of het mogelijk is andersoortig vervoer te
                            organiseren tegen de kosten van openbaar vervoer.</al></li></lijst><al/><al>Als echter blijkt dat voorgaande en eventuele andere mogelijkheden niet
                    uitvoerbaar zijn, dan kan het college bekostiging verstrekken op basis van de
                    kosten van aangepast vervoer (of de leerling gebruik laten maken van het door de
                    gemeente verzorgde vervoer).</al><al/><al>Overigens biedt artikel 13, onder b, van de verordening het college de
                    mogelijkheid om te beoordelen of de leerling in staat mag worden geacht met de
                    fiets naar school te gaan. Hierbij spelen de volgende overwegingen een
                    belangrijke rol:</al><lijst><li nr=""><al>is de leerling zelfstandig genoeg om met de fiets naar school te gaan;
                        </al></li><li nr=""><al>is de route die de leerling af moet leggen, veilig met de fiets af te
                            leggen. Is dat het geval, dan vindt een fietsbekostiging plaats (zie ook
                            de toelichting op artikel 12). </al></li></lijst><al/><al>In de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de
                    Raad van State van 4 februari 1988 (R03.87.72251S6761) staat dat een bepaling in
                    de gemeentelijke verordening, die inhoudt dat alleen dan bekostiging wordt
                    verleend op basis van de kosten van aangepast vervoer indien openbaar vervoer
                    ontbreekt, in strijd is met de wet. Ook op andere gronden dan het ontbreken van
                    openbaar vervoer kan voor ouders aanspraak bestaan op bekostiging op basis van
                    de kosten van aangepast vervoer. Een zodanig geval kan zich voordoen indien de
                    reistijd die met het gebruik van het openbaar vervoer is gemoeid excessief lang
                    is en het alternatief van aangepast vervoer niet.</al><al/><al><cursief>Begeleiding door ouders</cursief></al><al>Begeleiding is primair een taak van de ouders. Als dat niet mogelijk is, dienen
                    zij zelf voor een oplossing te zorgen. Die kan gevonden worden door bijvoorbeeld
                    een oppas, buren, familie of anderen in te schakelen. In noodsituaties kunnen
                    ouders een beroep doen op de hardheidsclausule (artikel 29 van de verordening).
                    Daarbij dient rekening te worden gehouden met de uitspraken van de Afdeling
                    Bestuursrechtspraak van de Raad van State over dit onderwerp.</al><al/><al>De uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2
                    december 1988 (R03.88.59831S649265-29; zie Jur. 3.4) inzake het beroep van
                    ouders tegen de afwijzende beschikking van een gemeente om aangepast vervoer toe
                    te staan gaat verder op deze zaak in.</al><al>De ouders stellen dat het begeleiden van hun zoon tot gevolg heeft dat zijn
                    negenjarig zusje tweeëneenhalf tot vier uur per dag, mede door haar afwijkende
                    schooltijden, zonder opvang moet doorbrengen. Opvang elders is volgens de ouders
                    niet mogelijk. De afdeling concludeert dat verzoeker voorshands niet overtuigend
                    heeft aangetoond dat de begeleiding van zijn zoon - bijvoorbeeld door in
                    onderling overleg met de ouders van medeleerlingen beurtelings de kinderen naar
                    en van school brengen - niet op een andere minder bezwaarlijke wijze zou kunnen
                    plaatsvinden.</al><al/><al>Een soortgelijke uitspraak heeft de afdeling gedaan in een geschil waarin ouders
                    stellen dat begeleiding door de ouders de gezinnen voor grote problemen stelt,
                    onder meer omdat een aantal van hen thuis nog niet-schoolgaande kinderen heeft,
                    die eveneens aandacht en verzorging behoeven. De afdeling stelt in haar
                    uitspraak d.d. 25 april 1989 (R0.3.87.3373) dat niet aannemelijk is gemaakt dat
                    het voor appellanten onmogelijk is een zodanige regeling te treffen dat
                    gedurende de afwezigheid van degenen die zorg dragen voor de begeleiding van de
                    schoolkinderen door anderen op de jongere kinderen wordt gepast.</al><al/><al>Uit de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de
                    Raad van State van 14 mei 1992 (R03.89.73151P01) inzake de begeleiding door
                    ouders blijkt het volgende. Appellant is van mening, dat aanspraak bestaat op
                    aangepast vervoer in plaats van openbaar vervoer, omdat onder meer de
                    begeleiding van haar kind in het openbaar vervoer tot een onaanvaardbare
                    belasting van het gezin leidt, aangezien enerzijds haar tweede kind telkens mee
                    moet reizen bij gebrek aan een oppas en anderzijds de reistijd voor de
                    begeleider onaanvaardbaar lang is. De Voorzitter bepaalt dat, hoewel niet kan
                    worden ontkend dat bij gebruik van het openbaar vervoer de begeleiding van het
                    kind veel tijd vergt, niet aangetoond is dat begeleiding van haar kind tot
                    ernstige benadeling van het gezin zou leiden. Daarbij is in aanmerking genomen
                    dat de ouder van de gemeente bekostiging ten behoeve van begeleiding is
                    verstrekt, zodat zij haar kind niet zelf hoeft te begeleiden, maar hem kan laten
                    begeleiden. Bovendien zou de ouder gedurende de tijd dat zij haar zoon naar en
                    van school begeleidt haar tweede kind onder de hoede van een oppas kunnen
                    stellen.</al><al/><al>Ook volgens de recentere uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de
                    Raad van State van 6 januari 2010 (LJN: BK8359, 200903136/1/H2) behoort het
                    geven van begeleiding tijdens het leerlingenvervoer in beginsel tot de
                    verantwoordelijkheid van de ouders. Het betreft hier een alleenstaande ouder die
                    vanwege een intensieve zorgtaak voor haar andere kinderen een beroep doet op de
                    hardheidsclausule. De afdeling stelt dat de omstandigheid dat slechts één ouder
                    in staat is het kind naar school te brengen en van school te halen niet zodanig
                    is dat die het college noopt tot afwijking van de verordening. Evenzeer maakt de
                    omstandigheid dat vanuit het sociale netwerk geen begeleiding mogelijk is de
                    situatie niet bijzonder. </al><al/><al>Uit deze uitspraken blijkt onder meer dat de verklaring van de ouders, dat er
                    thuis kinderen zijn die verzorging behoeven en er daarom geen sprake kan zijn
                    van begeleiding door de ouders, op zich niet voldoende is. Van ouders wordt in
                    dit soort gevallen verwacht, dat zij zelf een oplossing zoeken voor het (laten)
                    begeleiden van hun kinderen en in voorkomend geval aantonen dat die mogelijkheid
                    niet aanwezig is. In feite zal de gemeente moeten afwegen wat van ouders, die in
                    aanmerking komen voor bekostiging van het leerlingenvervoer, meer gevraagd wordt
                    ten aanzien van de begeleiding van hun kinderen dan van ouders die niet voor die
                    bekostiging in aanmerking komen.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 14: Bekostiging op basis van de kosten van eigen
                            vervoer</cursief></vet></al><al>Artikel 14 van de verordening geeft nadere regels omtrent de bekostiging van het
                    eigen vervoer. Hieronder kan worden verstaan: ouders die de leerlingen zelf naar
                    school vervoeren of laten vervoeren met een eigen vervoermiddel (auto, bromfiets
                    etc.), of een leerling die gebruikmaakt van fietsvervoer.</al><al/><al>Of van bekostiging van eigen vervoer sprake kan zijn is ter beoordeling van het
                    college.Een belangrijke maatstaf hierbij kan zijn dat dit vervoer voor de
                    gemeente een goedkopere wijze van vervoer is. Hiervan is bijvoorbeeld geen
                    sprake indien voor de desbetreffende leerling nog plaats is in een aangepast
                    vervoermiddel (busje, taxi) waarmee de leerling anders zou kunnen reizen. Ook
                    kunnen aspecten als zelfredzaamheid van de leerling meespelen bij de beoordeling
                    van het college of de leerling zelf gebruik kan maken van het vervoer per
                    fiets.</al><al/><al>De bekostiging van het eigen vervoer is gerelateerd aan de bekostiging waar de
                    ouders in principe op basis van de bepalingen in de verordening voor in
                    aanmerking komen:</al><lijst><li nr="1."><al>voor openbaar vervoer;</al></li><li nr="2."><al>voor aangepast vervoer.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Ad a. Openbaar vervoer</cursief></al><al>Indien ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van openbaar
                    vervoer en zij vervoeren de leerling met toestemming van het college zelf, dan
                    keert het college bekostiging uit op basis van de kosten van het openbaar
                    vervoer.</al><al/><al>Voorbeeld:</al><al>Afstand woning-school is acht kilometer. Ouders komen in aanmerking voor
                    bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer maar vervoeren de
                    leerling zelf, met toestemming van het college. Het college dient nu na te gaan
                    wat voor deze afstand betaald zou moeten worden, indien de leerling gebruik zou
                    maken van het openbaar vervoer. Ook hiervoor geldt dat het college het meest
                    goedkope tarief als uitgangspunt mag nemen. Vervolgens past het college het
                    eigen bijdrage principe toe.</al><al>De vraag, wat het openbaar vervoer per kilometer kost, is niet in zijn
                    algemeenheid te beantwoorden en is mede afhankelijk van het Vervoersplan en de
                    bepalingen omtrent de zone-indeling die gelden voor die specifieke gemeente.
                    Nadere informatie hierover bij de plaatselijke of regionale
                    vervoersondernemingen is daarom noodzakelijk.</al><al/><al><cursief>Ad b. Aangepast vervoer</cursief></al><al>Indien ouders in aanmerking komen voor bekostiging op basis van de kosten van
                    aangepast vervoer en zij met toestemming van het college de leerling zelf
                    vervoeren, geldt een vergoeding per kilometer. De kilometervergoeding is
                    gebaseerd op Reisbesluit binnenland (Stb. 1993, 144) en de Reisregeling
                    binnenland (Stcrt. van 22 maart 1993). In artikel 14, tweede tot en met vijfde
                    lid en artikel 19, tweede tot en met vijfde lid van de verordening
                    leerlingenvervoer is bepaald dat onder omstandigheden bekostiging aan ouders
                    wordt verstrekt die bestaat uit een bedrag op basis van een kilometervergoeding
                    afgeleid van de Reisregeling binnenland. De kilometervergoeding betreft
                    enkelvoudige reizen. De gemeente hanteert de volledige kilometervergoeding van
                    de Reisregeling binnenland. Ouders maken uitsluitend aanspraak op een
                    kilometervergoeding voor de reis die de leerling aflegt, dat wil zeggen voor de
                    enkele reis heen en voor de enkele reis terug. </al><al/><al>Geen bekostiging wordt verstrekt voor de kosten die ontstaan als de leerling ook
                    tussen de middag wordt vervoerd.</al><al/><al>Indien ouders twee of meer leerlingen vervoeren die aangepast vervoer behoeven,
                    dan mag uitgegaan worden van de rijafstand uitgaande van de woning van de te
                    vervoeren leerling die het verst van de school verwijderd woont.</al><al/><al>In artikel 14, derde lid, van de verordening is bepaald, dat ouders aanspraak
                    maken op bekostiging op basis van een kilometervergoeding, indien zij meer dan 1
                    leerling tegelijk vervoeren en daarvoor van het college toestemming hebben
                    gekregen. Dit is ook het geval indien ouders in principe slechts aanspraak maken
                    op bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer.</al><al/><al>Indien ouders bijvoorbeeld zes kinderen met een eigen busje vervoeren, dan kan
                    het college bij wijze van uitzondering op grond van de hardheidsclausule een
                    andere bekostiging vaststellen. Dit vervoer kan goedkoper zijn dan aangepast
                    vervoer per leerling.</al><al/><al>Ook in een dergelijk geval is toestemming van het college noodzakelijk. Hierbij
                    zal uiteraard rekening gehouden moeten worden met de kosten die daarmee gepaard
                    gaan.</al><al/><al>Ten slotte bepaalt artikel 14, vijfde lid, van de verordening dat het college
                    bekostiging verstrekt op basis van het aantal kilometers fietsvervoer, indien de
                    leerling gebruik maakt van het vervoer per fiets. Hiervan kan sprake zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>indien het college van oordeel is dat de leerling hiertoe in staat mag
                            worden geacht als openbaar vervoer ontbreekt;</al></li><li nr="2."><al>indien de ouders van de leerling dit wensen, bijvoorbeeld in het kader
                            van de bevordering van de zelfredzaamheid, en het college hiervoor
                            toestemming geeft.</al></li></lijst><al/><al><vet><cursief>Artikel 15: Bekostiging </cursief></vet><vet><cursief>van de
                            kosten van openbaar vervoer en vervoer per </cursief></vet><vet>fiets
                    </vet>Voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs geldt evenals voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor
                    basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs als uitgangspunt:
                    bekostiging van de kosten van openbaar vervoer. Indien het college van oordeel
                    is, eventueel na de commissie voor de begeleiding en andere deskundigen gehoord
                    te hebben, dat een andere wijze van vervoer noodzakelijk is, dan kan een andere
                    wijze van vervoer voor bekostiging in aanmerking gebracht worden, namelijk:</al><lijst><li nr=""><al>openbaar vervoer onder begeleiding;</al></li><li nr=""><al>aangepast vervoer al dan niet verzorgd door het college;</al></li><li nr=""><al>eigen vervoer;</al></li><li nr=""><al>een combinatie van bovenstaande vervoersmogelijkheden.</al></li></lijst><al/><al>In de verordening is voor het (speciaal) onderwijs één afstandsgrens opgenomen,
                    namelijk zes kilometer. Hierbij dient echter rekening te worden gehouden met het
                    bepaalde in artikel 20 van de verordening. Dit artikel bepaalt dat als de
                    afstand naar de school minder bedraagt dan zes kilometer, toch aangepast vervoer
                    moet worden verstrekt indien de handicap van de leerling dat vereist.</al><al/><al>Analoog aan de regeling voor de bekostiging van het vervoer naar scholen voor
                    basisonderwijs en speciale scholen voor basisonderwijs geldt ook ten aanzien van
                    de bekostiging van het vervoer naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                    dat het college de voor de gemeente goedkoopst mogelijke wijze van vervoer
                    bekostigt. Dit kan bijvoorbeeld zijn een strippenkaart, een jaarabonnement of
                    een maandabonnement of een kilometervergoeding voor de (brom)fiets.</al><al/><al>Het college kan op grond van het tweede lid bepalen dat bekostiging voor de
                    fiets wordt verstrekt. Het college moet dan van oordeel zijn dat de leerling, al
                    dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij
                    dient in overweging te worden genomen: de leeftijd van de leerling, de eventuele
                    handicap van de leerling, de veiligheid van de af te leggen route en de afstand.
                    Ook is het mogelijk een fietsvergoeding voor bijvoorbeeld de maanden maart tot
                    november te verstrekken en voor de overige maanden bekostiging voor ander
                    passend vervoer.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 15a: </cursief></vet><vet><cursief>Bekostiging naar de
                            dichtstbijzijnde </cursief></vet><vet><cursief>toegankelijke WEC
                        </cursief></vet><vet>school <cursief>cluster 4 </cursief></vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 16: Commissie voor de begeleiding</cursief></vet></al><al>Het college kan advies inwinnen bij de commissie voor de begeleiding en/of de
                    ambulante begeleider van een leerling. Als zij niet op de hoogte zijn van de
                    gesteldheid van de leerling waarvoor een aanvraag is binnengekomen, kan advies
                    worden ingewonnen bij de schooldirecteur. Deze moet een gemotiveerd advies
                    geven.</al><al/><al>Als nadeel van een keuze voor de directeur/commissie voor de begeleiding als
                    adviserend orgaan geldt de veel gehoorde klacht, dat hun adviezen nogal eens
                    subjectief van aard kunnen zijn. Zij zijn immers verbonden aan de ontvangende
                    school en er kunnen dan bepaalde belangen zijn bij het aannemen van het kind op
                    de desbetreffende school. Het is in dat kader van belang dat het college een
                    gemotiveerd advies vraagt van de directeur/commissie voor de begeleiding. Voorts
                    is in de verordening gekozen voor de mogelijkheid om ook andere deskundigen te
                    raadplegen.</al><al/><al>Van de mogelijkheid dat het college het advies van andere deskundigen in kan
                    winnen, kan gebruik worden gemaakt indien bijvoorbeeld het oordeel van het
                    college afwijkt van het advies van genoemde commissies, of in geval de
                    bijzondere handicap van de leerling dit vraagt. Andere deskundigen zijn
                    bijvoorbeeld medische specialisten, een orthopedagoog, de huisarts van de
                    leerling, een kinderpsycholoog, en dergelijke.</al><al/><al>De gemeenteraad kan als alternatief een onafhankelijke commissie van advies
                    instellen, al dan niet in samenwerking met andere gemeenten. Op deze wijze kan
                    een onafhankelijk advies verkregen worden; de commissie van advies is immers
                    niet gekoppeld aan een bepaalde school. De eventuele kosten verbonden aan een
                    onafhankelijke commissie van advies zullen dan wel door de (samenwerkende)
                    gemeenten gedragen moeten worden.</al><al/><al>Er kan ook worden gekozen voor advisering door een schoolartsendienst of
                    geneeskundige dienst. De kosten verbonden aan de adviezen van een
                    schoolartsendienst of geneeskundige dienst, zullen veelal lager zijn dan de
                    kosten verbonden aan een apart ingestelde onafhankelijke commissie. Deze kosten
                    zullen echter ook voor rekening van de gemeente komen. </al><al/><al>Wanneer advies nodig is over deelaspecten van het vervoer - bijvoorbeeld
                    ‘veilige route’ -, dan kan dit worden ingewonnen bij deskundigen op het terrein
                    van het desbetreffende deelaspect, bijvoorbeeld in dit geval de
                    (verkeers)politie. Ook voor deze deskundigen geldt dat zij een onafhankelijke
                    positie innemen.</al><al/><al><cursief>Advisering bij negatieve beschikking</cursief></al><al>Om de bestuurslast beperkt te houden, is bepaald dat alleen in het geval het
                    college een negatieve beschikking op de gevraagde voorziening geeft, het advies
                    van genoemde commissies daarbij moet worden betrokken. Indien het voor een
                    gemeente duidelijk is dat het aangevraagde vervoer voor de leerling passend is
                    (bijvoorbeeld omdat het een herhalingsaanvraag betreft of omdat de handicap dat
                    vervoer noodzakelijk maakt), behoeft het advies niet te worden gevraagd.
                    Uiteraard laat deze bepaling onverlet dat het advies van genoemde commissies ook
                    gevraagd kan worden indien de gemeente dit wenselijk vindt.</al><al/><al>Volgens de verordening vindt advisering plaats indien het college een
                    negatieve</al><al>beschikking op de gevraagde voorziening geeft. Het kan dan bijvoorbeeld gaan
                    om:</al><lijst><li nr=""><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling die een school
                            voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, al dan niet onder
                            begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets (artikel 15,
                            tweede lid);</al></li><li nr=""><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een school
                            voor speciaal onderwijs bezoekt, al dan niet zelfstandig gebruik kan
                            maken van het openbaar vervoer in verband met zijn verstandelijke of
                            lichamelijke handicap of leeftijd, waardoor vervoer onder begeleiding
                            noodzakelijk is (artikel 17, eerste lid, van de verordening); </al></li><li nr=""><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling die een school
                            voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gelet op zijn
                            verstandelijke of lichamelijke handicap al dan niet in staat is - ook
                            niet onder begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik te maken,
                            waardoor aangepast vervoer noodzakelijk is (artikel 18, eerste lid,
                            onder a, van de verordening); </al></li><li nr=""><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een school
                            voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, waarvan de afstand van de
                            woning van de leerling naar de te bezoeken school minder bedraagt dan de
                            in de verordening aangegeven minimum km-grenzen, niet in staat is,
                            gezien zijn lichamelijke handicap, die school zonder aangepast vervoer
                            te bereiken (artikel 20 van de verordening);</al></li><li nr=""><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een school
                            voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gebruik kan maken van de
                            (brom)fiets, indien openbaar vervoer ontbreekt (artikel 18, eerste lid,
                            onder c, van de verordening); </al></li><li nr=""><al>advisering aan het college indien het college wil afwijken van de
                            bepalingen zoals die omschreven zijn in titel 3 van de verordening.</al></li></lijst><al/><al>In de verordening hebben de commissies slechts adviserende taken als het het
                    gestel van de leerling betreft (verstandelijk of lichamelijk). De commissies
                    hebben geen adviserende taak indien het betreft:</al><lijst><li nr="1."><al>de vraag of de reistijd van anderhalf uur of meer met openbaar vervoer
                            door middel van aangepast vervoer teruggebracht kan worden tot 50% of
                            minder (artikel 18, onder b, van de verordening);</al></li><li nr="2."><al>de vraag of openbaar vervoer ontbreekt (artikel 18, onder c, van de
                            verordening).</al></li></lijst><al/><al>Het spreekt voor zichzelf dat de commissies het gemotiveerde advies aan het
                    college uitbrengen binnen een door het college te stellen termijn. Deze
                    commissies zijn een externe adviseur in de zin van artikel 3:5 van de Awb. Dit
                    houdt in dat de algemene regels die in afdeling 3:3 van de Awb zijn gegeven van
                    toepassing zijn. Dit betekent onder andere dat het bestuursorgaan de adviseur
                    een termijn kan stellen waarbinnen het advies wordt verwacht, en dat in of bij
                    het besluit vermeld dient te worden wie de adviseur is die het advies heeft
                    uitgebracht.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 17: Bekostiging van de
                            </cursief></vet><vet><cursief>kosten van
                            </cursief></vet><vet><cursief>openbaar</cursief></vet><vet><cursief>vervoer
                        </cursief></vet><vet><cursief>ten behoeve van een
                    begeleider</cursief></vet></al><al>Indien ouders van een leerling op grond van artikel 15 van de verordening in
                    aanmerking komen voor bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer,
                    en het college van oordeel is dat de leerling niet zelfstandig van het openbaar
                    vervoer of de fiets gebruik kan maken, komen de ouders tevens in aanmerking voor
                    bekostiging van de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van een
                    begeleider (artikel 17 van de verordening). Uit artikel 17 blijkt dat:</al><lijst><li nr="1."><al>de leerling een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs moet
                            bezoeken die is aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke
                            school, en de afstand van de woning naar de school voor speciaal
                            onderwijs moet meer dan zes kilometer bedragen;</al></li><li nr="2."><al>de begeleiding slechts wordt bekostigd indien door de ouders genoegzaam
                            wordt aangetoond dat de leerling door zijn lichamelijke, verstandelijke
                            of zintuiglijke handicap dan wel door zijn leeftijd niet in staat is
                            zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.</al></li></lijst><al/><al>Hiervan kan onder andere sprake zijn:</al><lijst><li nr=""><al>indien de handicap dan wel de leeftijd van de leerling begeleiding
                            noodzakelijk maakt; </al></li><li nr=""><al>indien de leerling gedurende de rit met het openbaar vervoer een of
                            meerdere malen over moet stappen op te gevaarlijke overstappunten en dit
                            gezien de leeftijd van de leerling onverantwoord is;</al></li><li nr=""><al>indien de route van het uitstappunt van de bus naar de school te
                            gevaarlijke punten kent, en een adequate oplossing van deze gevaarlijke
                            punten niet mogelijk is (bijvoorbeeld verkeersbrigadiers etc.).</al></li></lijst><al/><al>Voor dit ‘genoegzaam aantonen’ geldt - analoog aan de desbetreffende bepaling
                    voor het openbaar vervoer onder begeleiding naar scholen voor basisonderwijs of
                    speciale scholen voor basisonderwijs - dat de bewijslast bij de ouders ligt.
                    Ouders dienen hiertoe verklaring(en) van deskundige(n) te overleggen. Indien het
                    college de aanvraag voor begeleiding afwijst, dient daarbij het advies van de
                    commissie voor de begeleiding of andere deskundigen (bijvoorbeeld specialist,
                    pedagoog en psycholoog) te worden betrokken. Het advies betreft dan de vraag of
                    de leerling, gezien zijn handicap dan wel leeftijd, niet zelfstandig van het
                    openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken.</al><al/><al>In principe is het niet van belang wie de leerling uiteindelijk begeleidt. In de
                    regel zullen dit de ouders zijn. Het is echter ook denkbaar dat een ander
                    familielid, een oppas, buren, ouders van andere leerlingen, een kennis of een
                    klassenassistent de leerling begeleidt.</al><al/><al>Bij begeleiding door een klassenassistent dienen wel afspraken gemaakt te worden
                    met het bevoegd gezag van de betrokken school. Ook kan begeleiding in
                    groepsverband georganiseerd worden of via een rooster van verschillende
                    begeleiders. Is hiervan sprake, dan is artikel 17, derde lid, van de verordening
                    van toepassing; indien een begeleider meerdere leerlingen tegelijk begeleidt,
                    komen slechts de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van één begeleider voor
                    bekostiging in aanmerking (zie tevens de toelichting op artikel 12).</al><al/><al>Door de Nederlandse Spoorwegen en de stads- en streekvervoerbedrijven is een
                    regeling getroffen betreffende kosteloos vervoer van de begeleider van een
                    gehandicapte. Indien een gehandicapte hiervoor in aanmerking komt, verstrekt de
                    NS hem een legitimatiebewijs. Het legitimatiebewijs is bestemd voor die mensen
                    die vanwege een lichamelijke, geestelijke of zintuiglijke handicap niet of niet
                    onder alle omstandigheden zelfstandig kunnen reizen. Het legitimatiebewijs is
                    wat het binnenland betreft geldig op onder meer:</al><lijst><li nr="1."><al>alle lijnen van de Nederlandse Spoorwegen;</al></li><li nr="2."><al>alle buslijnen in Nederland, zowel in het stads- als in het
                            streekvervoer;</al></li><li nr="3."><al>alle metro- en tramlijnen.</al></li></lijst><al/><al>Voorts blijkt het in de praktijk tot de mogelijkheden te horen dat afspraken met
                    de NS worden gemaakt over bijvoorbeeld het uitstappen van de leerling onder
                    begeleiding van de conducteur.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel </cursief></vet><vet><cursief>18: Bekostiging op basis van
                            de </cursief></vet><vet><cursief>kosten</cursief></vet><vet><cursief>van
                            aangepast vervoer</cursief></vet></al><al>Ook voor het vervoer naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs geldt dat
                    bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer in principe
                    uitzondering is. Wel moet de toegankelijkheid van het (voortgezet) speciaal
                    onderwijs gewaarborgd blijven. Daar waar vervoer, openbaar of aangepast,
                    noodzakelijk is, moet dit op passende wijze kunnen plaatsvinden. In artikel 18
                    van de verordening zijn deze waarborgen verankerd.</al><al/><al><cursief>Onderdeel a. Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf
                        uur</cursief></al><al>Het college verstrekt ook bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                    vervoer, indien de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school
                    of terug meer dan ten minste anderhalf uur onderweg is en de reistijd met
                    aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan
                    worden teruggebracht. Ook hierbij geldt dat het advies van de commissie voor de
                    begeleiding niet gevraagd hoeft te worden. Zie verder de toelichting op artikel
                    13 onder ad 1.</al><al/><al><cursief>Onderdeel b. Openbaar vervoer ontbreekt</cursief></al><al>Artikel 18, eerste lid, onder b, van de verordening geeft een tweede
                    mogelijkheid om aanspraak te maken op bekostiging op basis van de kosten van
                    aangepast vervoer. Dit lid bepaalt dat het college de kosten van het aangepast
                    vervoer bekostigt, indien openbaar vervoer ontbreekt. Tevens kan het voorkomen
                    dat het openbaar vervoer zo weinig frequent rijdt dat de leerling daarvan geen
                    gebruik kan maken. Echter, voordat het college beslist dat bekostiging van het
                    aangepast vervoer verleend wordt, kan het de mogelijkheden onderzoeken zoals in
                    de toelichting op artikel 13 is uitgewerkt. Ook kan het college bepalen dat de
                    leerling gebruik kan maken van het vervoer per (brom)fiets. Het college kan het
                    advies van de commissie voor de begeleiding en eventueel het advies van andere
                    deskundigen daarover vragen.</al><al/><al>Als de leerling gebruik dient te maken van een aangepaste fiets of driewieler of
                    met behulp van een tandem naar school gaat (als er een zogenaamde voorrijder
                    aanwezig is), kunnen de ouders op grond van de Wet WIA bij het UWV een
                    tegemoetkoming in de aanschafkosten vragen.</al><al/><al><cursief>Medische begeleiding</cursief></al><al>Gemeenten zijn niet verantwoordelijk voor de medische begeleiding in het
                    leerlingenvervoer. Dit blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Zwolle
                    (Rechtbank Zwolle, 21 november 2007 Awb 0611788, LJN: BB8810). De gemeente
                    stelde in het verweer dat vervoer iets anders is dan (medische) zorgverlening.
                    De rechter vindt dit geen beperkte uitleg van de wettelijke bepalingen. De
                    medische begeleiding hoort volgens de rechtbank thuis in het zogenaamde 2e
                    compartiment (tot 1 januari 2006 de Ziekenfondswet en sinds die datum de
                    Zorgverzekeringswet -de AWBZ).</al><al/><al>In het verleden is de gemeente wel verantwoordelijk gesteld voor medische
                    begeleiding (Uitspraak Raad van State van 8 oktober 1990; R03.90.30611Sp. 179).
                    In deze uitspraak was het college gehouden de (salaris)kosten van een begeleider
                    in aangepast vervoer te bekostigen, met betrekking tot een leerling die constant
                    op de ondersteuning van een deskundige op het gebied van speciale medische
                    apparatuur was aangewezen. Dit betrof echter een zeer uitzonderlijk geval.</al><al/><al><cursief>Advisering</cursief></al><al>Op grond van artikel 18, tweede lid, van de verordening dient het college indien
                    het de gevraagde voorziening niet of slechts gedeeltelijk toekent het advies te
                    vragen aan de commissie voor de begeleiding. Deze zal dan moeten beoordelen of
                    de leerling, gezien zijn lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicap,
                    niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik
                    te maken. Tevens kan het college het advies van andere deskundigen
                    inwinnen.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 19: Bekostiging op basis van de kosten van eigen
                            vervoer</cursief></vet></al><al>Met name bij het bezoeken van scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs kan
                    het voorkomen dat de ouders de leerlingen zelf wensen te vervoeren of te laten
                    vervoeren per auto. In artikel 19 van de verordening zijn hiervoor nadere
                    voorschriften gegeven.</al><al/><al>Indien ouders de leerling zelf wensen te vervoeren of te laten vervoeren tegen
                    een (kilometer)vergoeding, is toestemming van het college noodzakelijk. Deze
                    toestemming is opgenomen in de verordening, omdat het college dient te bekijken
                    of deze wijze van vervoer daadwerkelijk de goedkoopste is. Is dat het geval, dan
                    kan het college desgewenst toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of
                    laten vervoeren. De bekostiging die hier dan tegenover staat is afhankelijk van
                    de bekostiging waarop de ouders in principe recht hebben.</al><al/><al><cursief>a. Openbaar vervoer</cursief></al><al>Maken ouders aanspraak op bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en
                    wensen zij de leerling zelf te vervoeren of te laten vervoeren, dan bekostigt
                    het college de kosten van het openbaar vervoer.</al><al/><al><cursief>Voorbeeld:</cursief></al><al>Ouders maken aanspraak op bekostiging van de kosten van het openbaar vervoer
                    naar een school voor dove leerlingen. De kosten van een jaarabonnement zijn €
                    500,-. Zij vervoeren de leerling echter, na toestemming van het college, zelf.
                    De bekostiging is dan € 500,- als ware er sprake van bekostiging van de kosten
                    van het openbaar vervoer.</al><al/><al><cursief>b. Aangepast vervoer</cursief></al><al>Maken ouders aanspraak op bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                    vervoer en vervoeren zij de leerling, na toestemming van het college, zelf of
                    laten zij de leerling zelf vervoeren, dan bekostigt het college een bedrag per
                    kilometer.</al><al/><al>Deze bekostiging is analoog aan de betreffende bepaling in Titel 2 van de
                    verordening, namelijk een bedrag per kilometer, afgeleid van de Reisregeling
                    binnenland. Voor een verdere uitwerking hiervan wordt verwezen naar de
                    toelichting op artikel 14.</al><al/><al>In artikel 19, derde lid, van de verordening is tevens bepaald dat, indien het
                    college de ouders desgewenst heeft toegestaan meer dan een leerling zelf te
                    vervoeren of te laten vervoeren, bekostiging op basis van een
                    kilometervergoeding bestaat. Dit geldt ook indien de ouders aanspraak maken op
                    bekostiging gebaseerd op openbaar vervoer.</al><al/><al><cursief>Fiets/bromfiets</cursief></al><al>In artikel 19, vijfde lid, is bepaald dat, indien de ouders of het college van
                    oordeel zijn dat de leerling met de fiets of de bromfiets naar school en terug
                    kan, bekostiging wordt verstrekt op basis van een fietsvergoeding dan wel op
                    basis van een bromfietsvergoeding.</al><al/><al>Indien het college van oordeel is dat de leerling gebruik kan maken van het
                    (brom)fietsvervoer kan het advies van de commissie voor de begeleiding of andere
                    deskundigen worden ingewonnen. </al><al/><al>Zeker voor leerlingen die een school voor voortgezet speciaal onderwijs
                    bezoeken, kan deze vorm van vervoer nuttig zijn in het kader van de bevordering
                    van de zelfredzaamheid. Het college verleent dan een vergoeding per km
                    fietsvervoer (zie de toelichting op artikel 14) of een vergoeding per kilometer
                    bromfietsvervoer afgeleid van de bedragen als genoemd in de Reisregeling
                    binnenland.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 20: Bekostiging vervoerskosten van leerlingen met een
                            handicap voor scholen voor (voortgezet) speciaal
                        onderwijs</cursief></vet></al><al>Uitgangspunt van de verordening is dat in principe voldaan dient te worden aan
                    het gestelde criterium in artikel 15 van de verordening (afstandsgrens), dat is
                    gebaseerd op artikel 4, zevende lid, van de WEC. Hierin is bepaald dat de
                    gemeenteraad kan bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond van
                    de afstand tussen de woning en de school. Echter, artikel 4, zevende lid, van de
                    WEC bepaalt tevens dat leerlingen, die vanwege een handicap op ander vervoer dan
                    openbaar vervoer zijn aangewezen, op een passende wijze dienen te worden
                    vervoerd. In een aantal gevallen zal het voorkomen dat een leerling, vanwege
                    zijn handicap, ook over een afstand van minder dan zes kilometer aangepast
                    vervoer behoeft. Artikel 20 van de verordening voorziet in een dergelijke
                    voorziening.</al><al/><al>Maakt de handicap van de leerling aangepast vervoer noodzakelijk naar de school
                    die dichterbij is gelegen dan zes kilometer, dan kunnen ouders toch in
                    aanmerking komen voor bekostiging van de vervoerkosten. (Deze leerlingen vallen
                    dus niet onder titel 6 van de verordening.) Hiervan kan bijvoorbeeld sprake
                    zijn, indien door de aard van de handicap aangepast vervoer technisch de enige
                    mogelijkheid is.</al><al/><al>Indien het college de gevraagde voorziening niet toekent, dient het bij de
                    beschikking het advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van
                    andere deskundigen te betrekken.</al><al/><al>In het geval een WEC leerling een handicap heeft en recht heeft op aangepast
                    vervoer, dan kunnen de ouders ook kiezen voor de bekostiging van eigen vervoer.
                    Deze mogelijkheid is opgenomen in het derde lid. Artikel 19 is in dat geval van
                    overeenkomstige toepassing. Dit houdt ondermeer in dat het college toestemming
                    moet geven voor het eigen vervoer.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 21: Bekostiging van de kosten van het weekeinde- en
                            vakantievervoer aan de in de gemeente wonende
                    ouders</cursief></vet></al><al>Artikel 21 van de verordening bepaalt dat het college desgewenst de kosten van
                    het weekeinde- en vakantievervoer bekostigt aan de in de gemeente wonende ouders
                    van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet)
                    speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. Dit artikel valt in
                    twee belangrijke onderdelen uiteen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het college van de gemeente waar de ouders wonen, bekostigt de kosten
                            van het weekeinde- en vakantievervoer.</al></li><li nr="2."><al>Het college bekostigt de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer,
                            indien het verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin
                            noodzakelijk is met het oog op het volgen van passend (voortgezet)
                            speciaal onderwijs.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Ad 1</cursief></al><al>Indien de ouders ten behoeve van hun kind aanspraak maken op bekostiging van het
                    weekeinde- en vakantievervoer, dan wordt deze bekostiging verstrekt door het
                    college van de gemeente waar de ouders woonachtig zijn, en dus niet door het
                    college van de gemeente waar de leerling in een internaat of een pleeggezin
                    verblijft. Wellicht ten overvloede wordt hier nog opgemerkt dat het college van
                    de gemeente waar de leerling in het internaat of het pleeggezin verblijft, het
                    dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin naar de school en terug dient
                    te bekostigen, indien de leerling daarvoor in aanmerking komt.</al><al/><al>Het komt wel eens voor dat ouders van een leerling die een internaat bezoekt
                    gescheiden zijn en dat de leerling het ene weekeinde naar zijn moeder en het
                    andere weekeinde naar zijn vader dient te worden vervoerd. Als de vader in een
                    andere gemeente woont dan de moeder dan dient iedere ouder zelfstandig een
                    aanvraag in te dienen bij de gemeente waar men woonachtig is. Het komt nogal
                    eens voor dat ouders het college vragen hun kind af en toe ook door de week naar
                    huis te vervoeren. Dergelijke verzoeken kunnen worden afgewezen. Het gaat hier
                    immers om weekeinde- en vakantievervoer. Indien daartoe aanleiding is, kan in
                    voorkomend geval bezien worden of toepassing gegeven dient te worden aan artikel
                    29 van de verordening.</al><al/><al><cursief>Ad 2</cursief></al><al>Essentieel voor de regeling is dat pas bekostiging van het weekeinde- en
                    vakantievervoer wordt verleend als het verblijf in het internaat of pleeggezin
                    noodzakelijk is voor het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs.
                    Woont de leerling niet meer bij zijn ouders om sociale of medische redenen (denk
                    aan uithuisplaatsing, crisisopvang), dan wordt dit vervoer niet door de gemeente
                    vergoed in het kader van het leerlingenvervoer.</al><al/><al>Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een internaat of
                    pleeggezin en het volgen van passend onderwijs. Dit betekent dat het college
                    geen bekostiging voor het weekeinde- en vakantievervoer verstrekt, als de
                    leerling passend onderwijs kan volgen dat met dagelijks vervoer vanuit het
                    ouderlijk huis bereikt kan worden. Tevens betekent dit dat het vervoer niet
                    wordt bekostigd van gemeentewege indien de leerling om medische of sociale
                    redenen in een internaat of pleeggezin verblijft.</al><al/><al><cursief>Voorbeeld</cursief>: Een leerling is aangewezen op onderwijs voor dove
                    kinderen. Vanuit de ouderlijke woning is dit onderwijs niet bereikbaar met
                    dagelijks vervoer. Verblijf in een internaat of een pleeggezin in de buurt van
                    een geschikte school is daarom noodzakelijk. De ouders kunnen in de gemeente
                    waar zij wonen een aanvraag voor weekendvervoer indienen.</al><al/><al>Of plaatsing op het internaat om buiten het onderwijs gelegen redenen heeft
                    plaatsgevonden dient door de gemeente voldoende gemotiveerd te worden. De
                    gemeente dient na te gaan op welke gronden een leerling op een internaat is
                    geplaatst (afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 12 juni 1995, nr.
                    803.92.5415; zie Jur. 8.5).</al><al/><al><cursief>Slechts voor (voortgezet) speciaal onderwijs</cursief></al><al>Weekeinde- en vakantievervoer geldt dus slechts voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs. Met andere woorden: voor het volgen van primair onderwijs wordt geen
                    weekeinde- of vakantievervoer bekostigd van en naar het internaat of pleeggezin.
                    Een belangrijke consequentie hiervan is dat leerlingen die in een internaat of
                    een pleeggezin verblijven omdat hun ouders een trekkend bestaan leiden niet voor
                    bekostiging van het weekeinde- en vakantievervoer in aanmerking komen. Het
                    betreft hier een vijftal categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>rijdende scholen voor kinderen van kermisexploitanten of van
                            circusmedewerkers;</al></li><li nr="2."><al>ligplaatsscholen voor varende kinderen;</al></li><li nr="3."><al>scholen voor kinderen van woonwagenbewoners;</al></li><li nr="4."><al>afdelingen voor zeer jeugdige kinderen van woonwagenbewoners;</al></li><li nr="5."><al>scholen voor kinderen van schippers, kermisexploitanten en
                            circusmedewerkers.</al></li></lijst><al/><al>Deze scholen worden aangemerkt als basisscholen. Ouders van leerlingen die in
                    internaten of pleeggezinnen verblijven met het oog op het volgen van
                    bovengenoemde basisscholen, vallen dan ook niet onder het regime van het
                    weekeinde- en vakantievervoer, zoals in Titel 4 van de verordening nader is
                    geregeld.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 22: </cursief></vet><vet><cursief>Bekostiging kosten
                        </cursief></vet><vet><cursief>weekeinde- en
                    vakantievervoer</cursief></vet></al><al>Welke wijze van vervoer conform artikel 21 wordt bekostigd wordt weergegeven in
                    artikel 22. Dit artikel van de verordening bepaalt welke bekostiging maximaal
                    wordt verleend, namelijk ten behoeve van:</al><lijst><li nr="1."><al>de reis van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en
                            terug in elk weekeinde, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de
                            schoolvakanties;</al></li><li nr="2."><al>de reis van het internaat of het pleeggezin naar de woning van de ouders
                            en terug in elke vakantie van twee of meer schooldagen, voor zover deze
                            vakantie is opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling
                            bezoekt.</al></li></lijst><al/><al>Welke wijze van vervoer wordt bekostigd, bepaalt het college van de gemeente
                    waar de ouders wonen. Artikel 22, derde lid, van de verordening geeft aan dat de
                    bepalingen van Titel 3 van de verordening van overeenkomstige toepassing zijn op
                    de toekenning van bekostiging voor weekeinde- en vakantievervoer, met
                    uitzondering van artikel 16, artikel 17 tweede lid, artikel 18, eerste lid,
                    onder b, artikel 18, tweede lid en artikel 20 van de verordening. Zie verder de
                    toelichting bij deze artikelen.</al><al/><al>Analoge toepassing van Titel 3 van de verordening betekent dat:</al><al>1. bekostiging van openbaar vervoer regel is indien aan de afstandscriteria van
                    artikel 15 wordt voldaan.</al><al>2. het college tevens de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van een
                    begeleider kan bekostigen, in het geval door de ouders ten behoeve van het
                    college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling, gelet op zijn
                    verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke handicap of leeftijd, niet in staat
                    is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken (artikel 17, eerste
                    lid).</al><al>3. het college de kosten van het aangepast vervoer bekostigt, indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de leerling gelet op zijn verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke
                            handicap niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van het
                            openbaar vervoer gebruik te maken (artikel 18, eerste lid, onder
                            a);</al></li><li nr="2."><al>openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het
                            college van het (brom)fietsvervoer gebruik kan maken.</al></li></lijst><al>(Van het (brom)fietsvervoer zal, gezien de afstanden die overbrugd moeten
                    worden, in principe geen gebruikgemaakt worden (artikel 18, eerste lid, onder
                    c). Overigens geldt met name voor het weekeinde- en vakantievervoer dat een
                    combinatie van vervoer in veel gevallen mogelijk is. Bijvoorbeeld een combinatie
                    trein-taxi, etc.</al><al>4. het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren. De
                    bekostiging is dan afhankelijk van de bekostiging van het vervoer waarop de
                    ouders aanspraak zouden maken (artikel 19).</al><al/><al>De algemene bepalingen van Titel 1 van de verordening zijn uiteraard ook van
                    toepassing, alsmede het bepaalde in Titel 7.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 23: Drempelbedrag</cursief></vet></al><al>De WPO biedt gemeenten de keuze een drempelbedrag bij ouders in rekening te
                    brengen. Het is dus niet verplicht. In de verordening is wel gebruik gemaakt van
                    deze optie. De wetgever heeft bedoeld de ouders verantwoordelijk te laten zijn
                    voor een bepaald deel van de (werkelijk gemaakte) kosten van het vervoer; de
                    zogenaamde drempel. Het bedrag wordt <onderstreept>per leerling</onderstreept>
                    in rekening gebracht. indien een leerling slechts een deel van het schooljaar
                    gebruik maakt van het leerlingenvervoer, wordt het drempelbedrag naar
                    evenredigheid in rekening gebracht.</al><al/><al>Bij het drempelbedrag is de ouderlijke bijdrage gekoppeld aan de door de
                    gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning
                    tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer. Invoering
                    van het drempelbedrag houdt in dat de kosten van het openbaar vervoer tot aan
                    deze kilometergrens voor rekening van de ouders komen. In de verordening is de
                    kilometergrens voor alle onderwijssoorten op zes kilometer gesteld (artikel 11,
                    eerste lid, en artikel 15, eerste lid). Gemeenten zijn vrij een andere
                    kilometergrens vast te stellen, mits deze niet boven de 6 kilometer uitkomt. In
                    de wet is deze afstand als bovengrens vastgelegd.</al><al/><al>Voor de berekening van de hoogte van het drempelbedrag is de gemeente gebonden
                    aan de wet. Er kan niet worden gewerkt met een fictief bedrag; de kosten van het
                    openbaar vervoer dienen te worden bepaald op basis van de zone-indeling. Dit
                    betekent dat bij een aanvraag voor leerlingenvervoer moet worden nagegaan
                    hoeveel zones gereisd moet worden om de afstand tot aan de door de gemeente
                    vastgestelde kilometergrens te overbruggen. Het drempelbedrag bedraagt dan de
                    kosten van een jeugdjaarkaart voor dit aantal te reizen zones. Voor het
                    kalenderjaar 2011 gaat het bij twee zones om een bedrag van € 461,50 (de kosten
                    van een jeugdjaarkaart met 2 sterren). Bij de vaststelling van de hoogte van het
                    drempelbedrag is het niet van belang of de leerling daadwerkelijk gebruikmaakt
                    van het openbaar vervoer. Ook wanneer de leerling gebruikmaakt van aangepast
                    vervoer of wanneer er geen openbaar vervoer aanwezig is, dienen de ouders de
                    kosten van het openbaar vervoer over de afstand tot aan de door de gemeente
                    gestelde kilometergrens zelf te dragen. In dat geval dient te worden uitgegaan
                    van de meest gangbare, voor de leerling toegankelijke route.</al><al/><al>De doelgroep voor het drempelbedrag bestaat uit leerlingen die een school voor
                    basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoeken en waarvan de
                    ouders een gezamenlijk inkomen van meer dan € 23.400,- (schooljaar 2011-2012)
                    hebben. Deze inkomensgrens wordt jaarlijks geïndexeerd.</al><al/><al>Voor leerlingen die onder titel 6 vallen (leerlingen met een handicap in het
                    reguliere primair en voortgezet onderwijs) geldt, dat aan de ouders geen
                    drempelbedrag gevraagd mag worden. Ook wanneer de leerling zelf de aanvraag doet
                    mag geen drempelbedrag gevraagd worden.</al><al/><al>Voor leerlingen die op grond van de overgangsregeling (artikel 31) in aanmerking
                    komen voor leerlingenvervoer naar het speciaal basisonderwijs geldt een
                    drempelbedrag dat is gebaseerd op één zone. Voor het kalenderjaar 2011 gaat het
                    bij één zone om een bedrag van € 250,50 (de kosten van een jeugdjaarkaart met
                    één ster).</al><al/><al>Het blijft mogelijk om voor elk van de genoemde onderwijssoorten een
                    verschillende kilometergrens te hanteren. Bovendien staat het de gemeente vrij
                    het drempelbedrag wel voor de ene maar niet voor de andere schoolsoort in te
                    voeren.</al><al/><al><cursief>Toepassen </cursief><cursief>hardheidsclausule </cursief><cursief>of
                        drempelbedrag </cursief><cursief>maximaliseren</cursief></al><al>Met name wanneer veel kinderen gebruikmaken van het leerlingenvervoer en het
                    inkomen van de ouders relatief laag is, kan voor ouders een onevenredig grote
                    financiële belasting ontstaan. In de verordening is er voor gekozen om
                    dergelijke uitzonderingssituaties op te lossen door het verschuldigde
                    drempelbedrag op grond van de hardheidsclausule van artikel 29 niet geheel in
                    rekening te brengen.</al><al/><al>De mogelijkheid om de hardheidsclausule te hanteren, vloeit voort uit
                    jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over de
                    verplichte eigen bijdrage. De afdeling heeft op 2 april 1990 (nr. R03.87.7147;
                    zie Jur. 9.4) een uitspraak gedaan over de bevoegdheid van gemeenten om de
                    `hardheidsclausule' toe te passen op de verplichte eigen bijdrage van destijds f
                    200,-. De belangrijkste overweging in de uitspraak van de afdeling luidt als
                    volgt: ‘Naar het oordeel van de afdeling biedt noch artikel 24 van de
                    verordening noch artikel 4,. dertiende lid, van de interimwet enig
                    aanknopingspunt voor de opvatting van verweerders. Artikel 24 en artikel 4,
                    dertiende lid, geven een algemene afwijkingsbevoegdheid, welke niet is beperkt
                    tot nader aangegeven gevallen, zodat van alle bepalingen van de regeling
                    (verordening) kan worden afgeweken. Verweerders hebben derhalve ten onrechte
                    gemeend dat hun niet de bevoegdheid toekwam om ook van het bepaalde in artikel
                    21, eerste lid, van de verordening af te wijken.’ Deze uitspraak betekent dat de
                    hardheidsclausule van (nu) artikel 29 van de verordening ook toegepast kan
                    worden om in bijzondere omstandigheden de ouders geen of slechts een deel van
                    het drempelbedrag te laten betalen.</al><al/><al><cursief>Het begrip ‘inkomen’</cursief></al><al>Onder inkomen moet worden verstaan: het gecorrigeerd verzamelinkomen in de zin
                    van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 in het peiljaar. Als peiljaar moet op
                    grond van de wet worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het
                    schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerkosten wordt gevraagd. Ouders
                    kunnen op verschillende manieren hun gecorrigeerd verzamelinkomen aantonen, maar
                    doen dat in principe door een IB 60-formulier op te vragen bij de
                    belastingdienst, waarop het gecorrigeerde verzamelinkomen staat vermeld.</al><al/><al>In de meeste gevallen zal ten behoeve van het peiljaar het gecorrigeerd
                    verzamelinkomen voorhanden zijn. Indien het gecorrigeerd verzamelinkomen van het
                    tweede kalenderjaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor bekostiging wordt
                    gevraagd nog niet bekend is, kan het derde jaar voorafgaande aan het
                    desbetreffende schooljaar als voorlopig uitgangspunt worden gehanteerd. In een
                    later stadium, als het gecorrigeerd verzamelinkomen in het peiljaar bekend is,
                    kan een definitieve berekening worden gemaakt.</al><al/><al>Wanneer ouders weigeren de gevraagde informatie over hun inkomen te verstrekken,
                    wordt op grond van artikel 4:15 van de Awb de beslistermijn opgeschort tot de
                    dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor
                    gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Vervolgens kan het college besluiten
                    de aanvraag niet in behandeling te nemen. De aanvragers worden hiervan
                    schriftelijk op de hoogte gesteld.</al><al/><al>De hoogte van het gecorrigeerd verzamelinkomen is voor het peiljaar 2009 (dus
                    ten behoeve van het schooljaar 2011-2012) vastgesteld op € 23.400,-, wat betreft
                    het innen van het drempelbedrag. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de
                    wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers
                    heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar en afgerond
                    op een veelvoud van € 450,-.</al><al/><al>Indien het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het
                    peiljaar waarin het inkomen wordt bepaald en het jaar waarin de aanvraag wordt
                    ingediend, op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het
                    voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te maken van de
                    afwijkingsmogelijkheid van artikel 29 van de verordening. Door het kiezen van
                    een later peiljaar kan het voorkomen dat ouders in dat latere peiljaar niet
                    voldoen aan de inkomensgrens en dus geen drempelbedrag hoeven te betalen.</al><al/><al>Om te bepalen wanneer het redelijk is van de peildatum af te wijken, kan de
                    regeling, zoals die opgenomen is in artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering
                    2000 (WSF), als leidraad gehanteerd worden. Dit artikel is niet in de
                    verordening opgenomen. Het gaat bijde toepassing van artikel 29 van de
                    verordening om eenbevoegdheidvan het college. Voorgaand artikel vormt slechts
                    een gedeeltelijke invulling van die beleidsruimte. Het betreffende artikel van
                    de WSF kan als richtsnoer gehanteerd worden. Het college houdt dan zijn eigen
                    bevoegdheid om in zeer bijzondere situaties een andere oplossing te kiezen.</al><al/><al><cursief>Pleegouders</cursief></al><al>Pleegouders kunnen als ‘ouders’ in de zin van de verordening worden aangemerkt
                    (zie de toelichting bij artikel 1, onderdeel b). Zij kunnen dus (als zij voldoen
                    aan de voorwaarden) een tegemoetkoming in de vervoerskosten krijgen. De Afdeling
                    Bestuursrechtspraak van de Raad van State (31 augustus 1993, nrs. R03.93. 1702
                    en R03.93.1773; zie Jur. 2.3) acht het redelijk dat als de verzorgers
                    pleegouders zijn, zij ook de financiële verplichtingen op zich nemen die uit de
                    eventuele honorering van een aanvraag tot bekostiging van vervoerkosten naar
                    school voortvloeien. De gemeente kan pleegouders dus een eigen bijdrage in
                    rekening brengen. (Uiteraard hebben gemeenten de vrijheid om op dit punt gebruik
                    te maken van de hardheidsclausule in artikel 29.)</al><al/><al>In tegenstelling tot de vrijwillige plaatsing zijn de natuurlijke ouders bij een
                    justitiële plaatsing niet meer aan te spreken voor de extra kosten, tenzij de
                    natuurlijke ouders en niet de pleegouders de aanvraag hebben ingediend.</al><al/><al>In de bekostiging op basis van de Regeling vrijwillige pleegzorg zit in het
                    algemeen geen component voor de kosten van het schoolbezoek, die door de
                    gemeente in mindering gebracht kan worden op de gemeentelijke bekostiging voor
                    het leerlingenvervoer. Pleegouders die bekostiging ontvangen op basis van de
                    Regeling vrijwillige pleegzorg, dienen bij een honorering van hun aanvraag tot
                    bekostiging van de kosten van het leerlingenvervoer door de gemeente ook het
                    drempelbedrag per schooljaar aan de gemeente te betalen, als hun inkomen boven
                    de inkomensgrens ligt. Tevens zullen de pleegouders de eventuele bijdrage naar
                    financiële draagkracht aan de gemeente moeten voldoen. Eventueel kunnen zij deze
                    kosten wel verhalen op de natuurlijke ouders of voogden van de leerling.</al><al/><al>Voogdij-instellingen kunnen ook als ‘ouder’ worden aangemerkt. Zij kunnen tevens
                    een aanvraag indienen. Bij hen kan echter geen drempelbedrag worden vastgesteld,
                    omdat zij geen inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting hebben.
                    (Deze wet ziet op natuurlijke personen.)</al><al/><al><cursief>Invordering drempelbedrag</cursief></al><al>Ten aanzien van de invordering van het drempelbedrag is het navolgende van
                    belang:</al><lijst><li nr=""><al>In artikel 2, tweede lid, van de verordening is onder meer bepaald:
                            ‘Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin
                            bedoelde bijdrage doet de aanspraak op bekostiging vervallen.’ Indien
                            het college zelf het vervoer verzorgt of laat verzorgen dienen de ouders
                            die daarvoor in aanmerking komen het drempelbedrag aan de gemeente over
                            te maken. Doen zij dit niet of niet geheel dan vervalt de aanspraak.
                        </al></li><li nr=""><al>Indien het college dit wenst kan het weigerachtige ouders in gebreke
                            stellen en de (kanton)rechter verzoeken uit te spreken dat de ouders het
                            drempelbedrag dienen te betalen. Vervolgens kan met inschakeling van een
                            deurwaarder de bijdrage worden geïnd. Aangezien deze procedure nogal
                            omslachtig en duur is kan het, als er sprake is van aangepast vervoer,
                            raadzaam zijn het vervoer te stoppen. De ouders blijven echter op grond
                            van de Leerplichtwet verantwoordelijk voor het schoolbezoek van hun
                            kind. De praktijk leert dat een dergelijke maatregel zeer effectief
                            is.</al></li></lijst><al/><al><vet><cursief>Artikel 24: Financiële draagkracht</cursief></vet></al><al>Artikel 4 van de WPO biedt gemeenten de mogelijkheid om van ouders wier kinderen
                    een school voor basisonderwijs bezoeken en van wie de school ten minste twintig
                    kilometer van de woning is verwijderd, een van de draagkracht afhankelijke
                    bijdrage te vragen in de kosten van het vervoer. Deze inkomensafhankelijke
                    bijdrage wordt per gezin geheven (in tegenstelling tot het drempelbedrag dat per
                    leerling in rekening wordt gebracht) en kan dus alleen bij het reguliere
                    basisonderwijs worden gevraagd.</al><al/><al>In artikel 24 is gekozen voor een systeem waarin met een aantal inkomensblokken
                    wordt gewerkt, waaraan een vooraf vastgestelde draagkrachtafhankelijke
                    ouderlijke bijdrage is gekoppeld. Zowel de bedragen van de inkomensblokken als
                    van de verschuldigde bijdrage worden geïndexeerd vastgesteld op een wijze die
                    aansluit bij artikel 4 van de WPO.</al><al/><al>Indien het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het
                    peiljaar waar­in het inkomen wordt bepaald en het jaar waarin de aanvraag wordt
                    ingediend, op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het
                    voordeel van de ouders een later peil­jaar te kiezen door gebruik te maken van
                    de afwijkingsmogelijkheid van artikel 29 van de verordening. Door het kiezen van
                    een later peiljaar kan het voorkomen dat ouders in dat latere peiljaar niet
                    voldoen aan de inkomensgrens en dus geen drempelbedrag hoeven te betalen.</al><al/><al/><al/><al><vet><cursief>Artikel 25: Bekostiging op basis van de kosten van openbaar
                            vervoer met begeleiding </cursief></vet></al><al>In titel 6 wordt geregeld dat alleen leerlingen in het regulier primair en
                    voortgezet onderwijs, die vanwege een handicap niet of niet zelfstandig van het
                    openbaar vervoer gebruik kunnen maken, in aanmerking kunnen komen voor
                    leerlingenvervoer. Voor deze leerlingen geldt geen afstandscriterium. Gemeenten
                    kunnen aan de ambulante begeleider die verbonden is aan de reguliere school voor
                    primair of voortgezet onderwijs, advies vragenover passend vervoer voor deze
                    leerlingen (zie toelichting artikel 1). Mocht een leerling geen ambulante
                    begeleiding krijgen, dan kan de gemeente het advies van de schooldirecteur of
                    andere deskundigen vragen (bijvoorbeeld een GGD-arts).</al><al/><al><cursief>Voor leerlingen van speciale scholen voor basisonderwijs die onder
                        titel 6 vallen geldt, dat ze </cursief><cursief>-overeenkomstig artikel 9-
                        recht hebben op vervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school in het
                        samenwerkingsverband. Dit is geregeld in lid 1 van artikel
                    25.</cursief></al><al/><al>Het gaat hier om de bekostiging van openbaar vervoer mét begeleiding aan de
                    ouders van de leerling die een basisschool, een speciale school voor
                    basisonderwijs of een (reguliere) school voor voortgezet onderwijs bezoekt.
                    Daarbij is duidelijk gesteld dat het hier alleen om leerlingen gaat die vanwege
                    hun handicap uitsluitend onder begeleiding van het openbaar vervoer gebruik
                    kunnen maken.</al><al/><al><cursief>Structurele handicap</cursief></al><al>Indien in de verordening gesproken wordt van een handicap, wordt een structurele
                    handicap bedoeld. In het leerlingenvervoer kennen we geen tijdelijke handicap.
                    Dit betekent dat de gemeente geen vervoer hoeft te verzorgen om tijdelijke
                    medische redenen, bijvoorbeeld als een leerling een gebroken been heeft. Ouders
                    hebben hier zelf een verantwoordelijkheid in. In sommige gevallen vergoedt de
                    ziektekostenverzekeraar een gedeelte.</al><al/><al>Echter, het kan voorkomen dat een leerling een zware operatie moet ondergaan of
                    een meervoudige ledematenbreuk heeft opgelopen, met als gevolg dat hij of zij
                    een groot gedeelte van het schooljaar afhankelijk is van rolstoel en/of krukken
                    vanwege herstel of revalidatie. In dat geval kan een leerling eventueel wel een
                    beroep doen op het leerlingenvervoer op basis van titel 6. De gemeente geeft dan
                    een beschikking af voor de duur van het herstel en/of de revalidatie. Als de
                    noodzaak voor het vervoer verdwijnt, heeft de leerling geen recht meer op
                    vervoer. Het UWV/gak hield altijd een termijn van drie maanden aan, voordat er
                    eventueel sprake was van een vervoersvergoeding op basis van de destijds
                    geldende Wet Rea. Dit zou een richtlijn kunnen zijn voor de gemeente:</al><lijst><li nr=""><al>tijdelijke handicap tot drie maanden: sowieso geen aanspraak op
                            leerlingenvervoer</al></li><li nr=""><al>tijdelijke handicap die langer duurt dan drie maanden: de gemeente
                            bekijkt of de leerling in aanmerking kan komen voor vervoer op basis van
                            titel 6.</al></li></lijst><al/><al><vet><cursief>Artikel 26: Bekostiging op basis van
                            </cursief></vet><vet><cursief>kosten van aangepast
                        vervoer</cursief></vet></al><al>Het gaat hier om de bekostiging van aangepast vervoer aan de ouders van de
                    leerling die een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs of een
                    (reguliere) school voor voortgezet onderwijs bezoekt. Daarbij is duidelijk
                    gesteld dat het hier alleen om leerlingen gaat die vanwege hun handicap in geen
                    geval – ook niet onder begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik kunnen
                    maken.</al><al/><al>Ten aanzien van leerlingen met een handicap die zelfstandig met het openbaar
                    vervoer kunnen reizen, maar die daartoe niet in staat zijn omdat het openbaar
                    vervoer in de regio ontbreekt, verwijzen wij naar de toelichting op artikel 13
                    ad 2. Leerlingen die een handicap hebben waardoor ze niet zelfstandig met het
                    openbaar vervoer kunnen reizen, maken aanspraak op aangepast vervoer indien het
                    openbaar vervoer in de regio ontbreekt. Zij zijn dan immers niet in staat om
                    onder begeleiding met het openbaar vervoer te reizen, omdat het niet aanwezig
                    is. De gemeente heeft echter wel de plicht om passend vervoer te verzorgen in
                    zo'n geval, dus aangepast vervoer. Daarom is in artikel 26 opgenomen dat indien
                    de leerling op grond van artikel 25 recht heeft op openbaar vervoer met
                    begeleiding, terwijl openbaar vervoer ontbreekt of te lang duurt, de leerling
                    aanspraak op aangepast vervoer kan maken. Zie verder de toelichting op artikel
                    25.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 27: Bekostiging op basis van de kosten van eigen
                            vervoer</cursief></vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 25. Over eigen vervoer is een uitgebreide
                    toelichting te vinden bij de artikelen 14 en 19. In artikel 27 wordt de
                    bekostiging gerelateerd aan de bekostiging waar ouders in principe op basis van
                    de verordening voor in aanmerking komen. Voor de leerlingen in titel 6 betekent
                    dit ofwel bekostiging op basis van openbaar vervoer met begeleiding (artikel 25)
                    ofwel aangepast vervoer (artikel 26).</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 28: Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet
                            voorziet</cursief></vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat het college beslist in gevallen, de uitvoering van het
                    leerlingenvervoer betreffende, waarin de verordening niet voorziet.</al><al/><al>In de verordening zijn de hoofdlijnen van de bekostiging van het
                    leerlingenvervoer vastgelegd. Uiteraard zal zich een aantal concrete gevallen
                    voordoen, waarin de verordening niet voorziet. Te denken valt onder andere
                    aan:</al><lijst><li nr=""><al>varianten van het combinatievervoer (bijvoorbeeld aangepast plus
                            openbaar vervoer);</al></li><li nr=""><al>begeleiding tijdens groepsvervoer;</al></li><li nr=""><al>gemeenschappelijke afspraken met andere gemeenten;</al></li><li nr=""><al>varianten in het gebruik van eigen vervoer.</al></li></lijst><al/><al>Voor dergelijke en andere situaties waarin de verordening niet voorziet, is in
                    artikel 28 van de verordening bepaald dat het college beslist. Hierbij dient in
                    redelijkheid gehandeld te worden. Uitgangspunt bij deze besluitvorming dient te
                    zijn dat in de geest van de wet en de verordening gehandeld wordt.</al><al/><al>Het komt voor dat schoolbesturen of een groep ouders een vervoermiddel in eigen
                    beheer gebruiken om de leerlingen naar school te brengen. Van belang daarbij is
                    dat de aansprakelijkheid en het toezicht hierop bij de gemeente blijft.
                    Aansprakelijkheid is immers gekoppeld aan zorgplicht. Voor het vervoer gelden
                    dezelfde eisen als voor vervoersbedrijven.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 28a: Nadere regels</cursief></vet></al><al>Op basis van dit artikel kan het college eigen beleidsregels opstellen die
                    handvatten bieden voor de uitvoering van het leerlingenvervoer. Zo kan in
                    beleidsregels bijvoorbeeld worden opgenomen welke routeplanner de gemeente
                    hanteert voor de berekening van de afstand of hoe een eventuele uitbetaling
                    gaat. Dergelijke beleidsregels verduidelijken de uitvoering van het
                    leerlingenvervoer voor zowel de ouders als de gemeente.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 29: Afwijken van bepalingen</cursief></vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen, het vervoer voor
                    onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders kan afwijken van de bepalingen in
                    de verordening. Dit houdt in dat het college slechts in voor ouders voordelige
                    zin kan afwijken van de verordening. Met deze bepaling wordt aangesloten bij
                    artikel 4, twaalfde lid van de WPO, artikel 4, zevende lid, van de WVO en
                    artikel 4, tiende lid, van de WEC.</al><al/><al>In haar jurisprudentie heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van
                    State in de casuïstiek nadere richtlijnen gegeven inzake de toepassing van de
                    hardheidsclausule, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>Hardheidsclausules hebben tot doel onbillijkheden van overwegende aard,
                            die zich ten aanzien van personen bij een strikte toepassing van de
                            bepalingen van de verordening zouden voordoen, weg te nemen. De
                            toepassing ervan is niet aan enige beperking gebonden. Met alle feiten
                            en omstandigheden kan rekening worden gehouden, zoals bijvoorbeeld
                            medische, pedagogische en sociale factoren (Afdeling Bestuursrechtspraak
                            van de Raad van State van 12 mei 1989, nr. R03.88.70571Sp347126-41; zie
                            Jur. 9.3).</al></li><li nr="2."><al>Via toepassing van de hardheidsclausule kan van alle bepalingen van de
                            verordening worden afgeweken, inclusief het heffen van het drempelbedrag
                            van artikel 23 (Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2
                            april 1990 803.87.7147158-43; zie Jur. 9.4).</al></li></lijst><al/><al>Voorts dient erop te worden toegezien dat ter voorkoming van - ongewenste -
                    precedentenwerking de toepassing van de hardheidsclausule wordt onderbouwd met
                    op de specifieke, concrete situatie van ouders van een leerling betrekking
                    hebbende argumenten.</al><al/><al>Tevens wordt in artikel 29 van de verordening bepaald dat het college zo nodig
                    het advies van de commissie van onderzoek, het advies van de regionale
                    verwijzingscommissie (RVC) of andere deskundigen vraagt.</al><al/><al>De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in 2006 een verzoek
                    afgewezen voor bekostiging van vervoer van een leerling die naar een verderaf
                    gelegen school wilde gaan. Reden van dit verzoek was dat de leerling daar de
                    noodzakelijk medische begeleiding kon krijgen, waarop hij anders twee jaar moet
                    wachten. Het betreffende college vond dat bekostiging van vervoer bedoeld is
                    voor schoolbezoek en niet voor medische behandeling (LJN AZ9034). Artikel 1 van
                    de verordening leerlingenvervoerdefinieert het begrip ‘vervoer’ als ‘vervoer van
                    en naar school’. Uit de hardheidsclausule blijkt echter onvoldoende of een
                    vergoeding alléén voor schoolbezoek ten behoeve van onderwijs is bedoeld. De
                    clausule kan beperkt worden door beleidsregels voor de uitwerking ervan vast te
                    stellen. Hierin kan opgenomen worden dat de bevoegdheid tot toekenning van
                    vervoerskosten beperkt blijft tot schoolbezoek voor het volgen van onderwijs.
                    Deze beperking kan eventueel ook in de hardheidsclausule zelf worden
                    opgenomen.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 30: Intrekking </cursief></vet><vet>oude
                            </vet><vet><cursief>regeling</cursief></vet></al><al>In artikel 30 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt
                    ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de oude regeling vervalt, is
                    de datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 31: Overgangsregeling</cursief></vet></al><al>Bij de vaststelling van deze verordening in 2010 heeft de raad bepaald dat de
                    leerlingen die op grond van de voorgaande verordening in aanmerking kwamen voor
                    het vervoer naar een school voor speciaal basisonderwijs hun recht op dit
                    vervoer blijven behouden zolang zij naar dezelfde school voor speciaal
                    basisonderwijs gaan. In de voorgaande verordening (Verordening leerlingenvervoer
                    gemeente Boxmeer 2002) was de kilometerafstandsgrens naar het speciaal
                    basisonderwijs vier kilometer, in de huidige verordening is bepaald dat deze
                    grens zes kilometer is. </al><al>Voor leerlingen die op grond van de overgangsregeling in aanmerking komen voor
                    leerlingenvervoer kan, afhankelijk van het inkomen van de ouders, een
                    drempelbedrag worden gevraagd gebaseerd op de oude kilometergrens van vier
                    kilometer, oftewel één zone (zie toelichting artikel 23). </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>