<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR9771_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de uitgangspunten voor het financieel beleid, alsmede voor het financieel beheer en voor de inrichting van de financiele organisatie van de gemeente Zeist</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zeist</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zeist</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Nieuwsbode, 30-09-2003</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Financieel Beleid, Beheer en Organisatie gemeente Zeist</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 212</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2003-09-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2003-11-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2009-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>nr. 516</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Treasurystatuut</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Financieel Beleid, Beheer en Organisatie gemeente Zeist</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Zeist;</al><al>gelet op artikel 212 Gemeentewet</al><al>besluit vast te stellen:</al><al>De Verordening op de uitgangspunten voor het financieel beleid, alsmede voor
                        het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie
                        van de gemeente Zeist.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Definities</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>administratie:</al><al>het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en
                                    verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het
                                    functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de
                                    organisatie van de gemeente Zeist en ten behoeve van de
                                    verantwoording die daarover moet worden afgelegd.</al></li><li nr="b."><al>financiële administratie:</al><al>het onderdeel van de administratie dat omvat het systematisch
                                    maken en verwerken van aantekeningen betreffende de financiële
                                    gegevens van (onderdelen van) de organisatie van de gemeente
                                    Zeist, teneinde te komen tot een goed inzicht in:</al><lijst><li nr="1."><al>de financieel-economische positie;</al></li><li nr="2."><al>het financiële beheer ;</al></li><li nr="3."><al>de uitvoering van de begroting;</al></li><li nr="4."><al>het afwikkelen van vorderingen en schulden;</al></li><li nr="5."><al>alsmede tot het afleggen van rekening en verantwoording
                                            daarover.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>administratieve organisatie:</al><al>het stelsel van organisatorische maatregelen gericht op het tot
                                    stand brengen en het in stand houden van de goede werking van de
                                    bestuurlijke en ambtelijke informatieverzorging ten behoeve van
                                    de verantwoordelijke leiding.</al></li><li nr="d."><al>financieel beheer :</al><al>het uitoefenen van bestuur over en toezicht op het beheer van
                                    middelen en het uitoefenen rechten van de gemeente Zeist.</al></li><li nr="e."><al>rechtmatigheid</al><al>het in overeenstemming zijn met geldende wet- en regelgeving,
                                    waaronder gemeentelijke verordeningen, raadsbesluiten en
                                    collegebesluiten.</al></li><li nr="f."><al>doelmatigheid</al><al>het realiseren van bepaalde prestaties met een zo beperkt
                                    mogelijke inzet van middelen.</al></li><li nr="g."><al>doeltreffendheid</al><al>de mate waarin de beoogde maatschappelijke effecten van het
                                    beleid ook daadwerkelijk worden behaald.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel</label><nr>1.</nr><titel>Begroting en verantwoording</titel></kop><afdeling><kop><label/><nr/><titel>Kaderstellen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Programmabegroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad stelt in ieder geval bij de aanvang van de nieuwe
                                    raadsperiode een programma-indeling vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad stelt per programma vast:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoogde maatschappelijke effecten;</al></li><li nr="b."><al>de te leveren goederen en diensten;</al></li><li nr="c."><al>de baten en lasten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt per programma indicatoren voor met betrekking
                                    tot de beoogde maatschappelijke effecten en de te leveren
                                    goederen en diensten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad stelt de indicatoren, bedoeld in het derde lid,
                                    vast.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor het verzamelen en vastleggen van
                                    gegevens over de geleverde goederen en diensten en de
                                    maatschappelijke effecten, opdat de doelmatigheid en
                                    doeltreffendheid van het beleid zoals vastgesteld door de raad,
                                    kunnen worden getoetst.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Producten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij iedere begroting en jaarstukken wordt een overzicht gegeven
                                    van de toedeling van de producten uit de productraming aan de
                                    programma’s.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderverdeling van de programma’s in de producten staat voor
                                    de raadsperiode vast, tenzij er dringende redenen zijn tot
                                    wijzigen. Wijzigingen worden bij de begroting expliciet
                                    vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Kaders begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt uiterlijk op 1 juli van het begrotingsjaar de
                                    voorjaarsnota aan waarin de kaders zijn aangegeven voor het
                                    volgende begrotingsjaar en de drie opvolgende jaren. In deze
                                    nota worden de bevindingen betrokken uit de rapportage van de
                                    begrotingsuitvoering bedoeld in artikel 7 en de jaarstukken
                                    bedoeld in artikel 8.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad stelt deze nota vast.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label/><nr/><titel>Uitvoering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Uitvoering begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt regels die waarborgen dat de uitvoering van de
                                    begroting rechtmatig, doelmatig en doeltreffend verloopt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college draagt ten aanzien van de productenraming er zorg
                                    voor dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de lasten en baten, door middel van kostentoerekening,
                                            eenduidig zijn toegewezen aan de producten van de
                                            productraming;</al></li><li nr="b."><al>de budgetten uit de productraming en kredieten voor
                                            investeringen passen binnen de kaders zoals
                                            geautoriseerd bij de vaststelling van de uiteenzetting
                                            van de financiële positie.;</al></li><li nr="c."><al>de lasten van de producten niet dusdanig worden
                                            overschreden dat de realisatie van andere producten
                                            binnen hetzelfde programma onder druk komt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de lasten van de programma’s
                                    zoals geautoriseerd in de (gewijzigde) begroting niet worden
                                    overschreden.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label/><nr/><titel>Beheersing en Interne controle</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Interne controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt ten behoeve van het getrouwe beeld en de
                                    rechtmatigheid van de jaarrekening zorg voor de jaarlijkse
                                    interne toetsing van de getrouwheid van de
                                    informatieverstrekking, en de rechtmatigheid van de
                                    beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college
                                    maatregelen tot herstel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt ten minste elke vier jaar een nota aan inzake
                                    de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de
                                    gemeentelijke regelingen. De raad stelt deze nota vast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van
                                    een aantal bedrijfsonderdelen op juistheid, volledigheid en
                                    tijdigheid van de bestuurlijke informatievoorziening, de
                                    rechtmatigheid van beheershandelingen en op misbruik en
                                    oneigenlijk gebruik van de gemeentelijke regelingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college zorgt op basis van de resultaten van de toets
                                    bedoeld in het derde lid indien nodig voor een plan van
                                    verbetering. Het college neemt op basis van het plan van
                                    verbetering maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De resultaten van de toets en het plan van verbetering worden
                                    ter kennisgeving aan de raad aangeboden.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label/><nr/><titel>Rapportage en Verantwoording</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Tussentijdse rapportage en informatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college informeert de raad door middel van tenminste 2
                                    tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting van
                                    de gemeente over het lopende boekjaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inrichting van de tussentijdse rapportages sluit aan bij de
                                    programma-indeling van de begroting.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De rapportages gaan in op afwijkingen, zowel wat betreft de
                                    lasten, de geleverde goederen en diensten en indien daar
                                    aanleiding voor is de maatschappelijke effecten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Jaarstukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor een adequate vertaling van de
                                    verantwoording van de diensten naar de productenrealisatie en
                                    naar de programma verantwoording.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt verantwoording af over de uitvoering van de
                                    programma’s. In de verantwoording geeft het college aan:</al><lijst><li nr="a."><al>wat is bereikt;</al></li><li nr="b."><al>welke goederen en diensten zijn geleverd;</al></li><li nr="c."><al>wat de kosten zijn</al></li><li nr="d."><al>hoe de resultaten zich verhouden tot de in de begroting
                                            gestelde doelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad bepaalt aan de hand van de uitvoering van de programma’s
                                    of de beleidsdoelen van de programma’s voor het lopende jaar
                                    bijstelling behoeven.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel</label><nr>2.</nr><titel>Financiële positie</titel></kop><afdeling><kop><label/><nr/><titel>Kaderstellen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Financiële positie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor, dat al het beleid waartoe de
                                    raad heeft besloten, in de uiteenzetting van de financiële
                                    positie en de meerjarenramingen is opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het totaalbedrag aan verleende garanties en waarborgen wordt in
                                    de risicoparagraaf van de begroting expliciet vermeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad autoriseert met het vaststellen van de financiële
                                    positie de investeringskredieten zoals opgenomen in de
                                    primitieve begroting.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Waardering &amp; afschrijving vaste activa</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Geactiveerde kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een
                                    bepaald actief worden lineair in maximaal 5 jaar
                                    afgeschreven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Kosten voor het afsluiten van geldleningen en het saldo voor
                                    agio en disagio worden maximaal in 5 jaar afgeschreven. Is de
                                    looptijd van een lening korter dan wordt de afschrijvingstermijn
                                    beperkt tot maximaal de looptijd van de lening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De materiele vaste activa met economisch nut, zoals bedoeld in
                                    artikel 35 van het Besluit begroting en verantwoording
                                    provincies en gemeenten, worden in principe lineair afgeschreven
                                    conform de hierna indicatief aangegeven termijnen:</al><lijst><li nr="a."><al>40 jaar: nieuwbouw woonruimten en bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="b."><al>25 jaar: rioleringen;</al></li><li nr="c."><al>25 jaar: renovatie, restauratie en aankoop woonruimten
                                            en bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="d."><al>15 jaar: technische installaties in
                                            bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>10 jaar: veiligheidsvoorzieningen bedrijfsgebouwen;
                                            telefooninstallaties; kantoormeubilair; schoolmeubilair;
                                            aanleg tijdelijke terreinwerken; nieuwbouw tijdelijke
                                            woonruimten en bedrijfsgebouwen; groot onderhoud
                                            woonruimten en bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="f."><al>5 jaar: zware transportmiddelen; aanhangwagens;
                                            schuiten; personenauto’s; lichte motorvoertuigen;
                                            automatiseringsapparatuur;</al></li><li nr="g."><al>niet: gronden en terreinen.</al></li></lijst><al>De werkelijke afschrijvingstermijnen worden in de bijlage bij de
                                    begroting gespecificeerd opgenomen, waarbij als uitgangspunt
                                    geldt de economische levensduur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onder activa met een meerjarig maatschappelijk nut, zoals
                                    bedoeld in artikel 35 van het Besluit begroting en
                                    verantwoording provincies en gemeenten, worden verstaan
                                    investeringen in aanleg en onderhoud van: (inrichting) wegen,
                                    waterwegen; civiele kunstwerken, groen en kunstwerken,</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Aankoop en vervaardiging van activa met een meerjarig
                                    maatschappelijk nut worden onder aftrek van bijdragen van derden
                                    en bestemmingsreserves om budgettaire redenen geactiveerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Voorziening voor oninbare vorderingen</titel></kop><al>Voor openstaande vorderingen betreffende: </al><lijst><li nr="1."><al>Lokale heffingen en rechten en voor</al></li><li nr="2."><al>Overige vorderingen van de gemeente</al></li></lijst><al>wordt, bij het in gebreke blijven van voldoening van de vordering
                                door de schuldenaar, een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op
                                basis van een beoordeling per vordering op de “inbaarheid”
                                hiervan.</al><al>Deze beoordeling is gebaseerd op ervaringscijfers en dient te
                                resulteren in een getrouw beeld van de grootte van de voorziening
                                wegens oninbaarheid van vorderingen gerekend naar de toestand per
                                balansdatum.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Reserves en voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt om de 4 jaar een nota reserves en
                                    voorzieningen aan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De nota behandelt:</al><lijst><li nr="a."><al>de vorming en besteding van reserves;</al></li><li nr="b."><al>de vorming en besteding voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>de toerekening en verwerking van rente over de reserves
                                            en de voorzieningen, in relatie tot de nota
                                            weerstandsvermogen bedoeld in artikel 17.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad stelt deze nota vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Kostprijsberekening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van producten en
                                    diensten van de gemeente Zeist wordt een systeem van
                                    kostentoerekening gehanteerd. Bij de kostentoerekening worden
                                    naast de directe kosten alleen die indirecte kosten betrokken,
                                    die rechtstreeks samenhangen met de door de gemeente verleende
                                    diensten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de indirecte kosten worden betrokken de bijdragen aan
                                    reserves voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken
                                    activa, de kapitaallasten van de in gebruik zijnde activa en
                                    voor rioolrechten, reinigingsrechten en afvalstoffenheffing de
                                    compensabele BTW.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De omslagrente voor de rentetoerekening van de kapitaallasten
                                    wordt bepaald door het rentetotaal van de uitstaande leningen en
                                    de bij begroting vastgestelde gecalculeerde rente over het eigen
                                    vermogen en voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Financieringsfunctie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt bij de uitoefening van de
                                    financieringsfunctie zorg voor</al><lijst><li nr="a."><al>het aantrekken van voldoende financiële middelen en het
                                            uitzetten van overtollige gelden om de programma’s
                                            binnen de door de raad vastgestelde kaders van de
                                            begroting uit te kunnen voeren;</al></li><li nr="b. "><al>het beheersen van de risico’s verbonden aan de
                                            financieringsfunctie zoals renterisico’s, koersrisico’s
                                            en kredietrisico’s;</al></li><li nr="c. "><al>het zo veel mogelijk beperken van de kosten van de
                                            leningen en het bereiken van een voldoende rendement op
                                            de uitzettingen;</al></li><li nr="d. "><al> het beperken van de interne verwerkingskosten en
                                            externe kosten bij het beheren van de geldstromen en
                                            financiële posities.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college neemt bij de uitvoering van de financieringsfunctie
                                    de volgende richtlijnen in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>het uitzetten van overtollige geldmiddelen gebeurt
                                            conform de in de wet Fido bepaalde voorwaarden. Dit
                                            gebeurt bij financiële instellingen met minimaal een A
                                            rating en tot maximaal 10 mln Euro per instelling;</al></li><li nr="b."><al>Derivaten worden uitsluitend gebruikt ter beperking van
                                            financiële risico’s;</al></li><li nr="c."><al>voor het aantrekken van financieringen voor langer dan 1
                                            jaar worden tenminste 2 prijsopgaven bij verschillende
                                            financiële instellingen gevraagd;</al></li><li nr="d."><al>overeenkomsten voor het aangaan van leningen, het
                                            uitzetten van middelen of het verlenen van garanties
                                            luiden in euro;</al></li><li nr="e."><al>voor de kasgeldlimiet en de renterisiconorm gelden de
                                            wettelijke waarden. Het college informeert de raad
                                            indien de kasgeldlimiet of de renterisiconorm dreigen te
                                            worden overschreden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Verstrekken van leningen en garanties en het aangaan van
                                    financiële participaties anders dan genoemd in het tweede lid
                                    worden uitsluitend gedaan uit hoofde van de publieke taak. Bij
                                    het uitzetten van middelen, het verstrekken van garanties en het
                                    aangaan van financiële participaties uit hoofde van de publieke
                                    taak bedingt het college zekerheden. Het college motiveert in
                                    zijn besluit het openbaar belang van dergelijke uitzettingen van
                                    middelen, verstrekkingen van garanties en financiële
                                    participaties.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt regels op ter uitvoering van het gestelde
                                    onder het eerste tot en met derde lid en legt deze regels
                                    alsmede de regels voor taken en bevoegdheden, de
                                    verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening
                                    vast in een besluit financieringsstatuut (= treasurystatuut).
                                    Het college zendt het besluit financieringsstatuut (=
                                    treasurystatuut) ter kennisgeving aan de raad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Registratie bezittingen, activa en vermogen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorgt voor een actuele en volledige
                                    registratie van bezittingen. In de registratie worden ook
                                    opgenomen niet-geactiveerde kunstvoorwerpen met
                                    cultuurhistorische waarde en de niet- of netto-geactiveerde
                                    investeringen in de openbare ruimte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor, dat de registratie en de
                                    ontwikkeling van de bezittingen en het vermogen van de gemeente
                                    systematisch worden gecontroleerd, met dien verstande dat de
                                    waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de
                                    (debiteuren-)vorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen
                                    leningen en de (crediteuren-)schulden jaarlijks worden
                                    gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen tenminste
                                    eenmaal in de 4 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij afwijkingen in de registratie van bezittingen neemt het
                                    college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen. De
                                    resultaten van de controle en eventuele plannen van verbetering
                                    worden ter kennisgeving aan de raad aangeboden.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel</label><nr>3.</nr><titel>Paragrafen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Lokale heffingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt elk jaar een (bijgestelde) nota lokale heffingen
                                aan. Deze nota behandelt in ieder geval:</al><lijst><li nr="-"><al>de samenstelling van het pakket aan gemeentelijke
                                        belastingen en heffingen;</al></li><li nr="-"><al>de verdeling van de druk van de belastingen over de diverse
                                        bevolkingsgroepen en belanghebbenden;</al></li><li nr="-"><al>de kostendekkendheid van de heffingen;</al></li><li nr="-"><al>de druk van de lokale belastingen en heffingen;</al></li><li nr="-"><al>het kwijtscheldingsbeleid en het tarievenbeleid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De nota bevat voorts een overzicht van de verordeningen met de
                                bijbehorende vaststellingsdata waarin tarieven, heffingen en prijzen
                                zijn vastgelegd. Het college draagt er zorg voor dat er een actueel
                                overzicht is van de tarieven, heffingen, prijzen en kosten per
                                verstrekte dienst. De raad stelt de nota vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Weerstandsvermogen en risicomanagement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt tenminste eenmaal in de vier jaar een
                                (bijgestelde) nota weerstandsvermogen en risicomanagement aan. In
                                deze nota wordt ingegaan op het risicomanagement, het opvangen van
                                risico’s door verzekeringen, voorzieningen, het weerstandsvermogen
                                of anderszins. In de nota wordt tevens het gewenste
                                weerstandscapaciteit bepaald. De raad stelt de nota vast</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college geeft aan in de paragraaf weerstandsvermogen van de
                                begroting en van de jaarstukken de risico’s van materieel belang en
                                een inschatting van de kans dat deze risico’s zich voordoen. Het
                                college brengt hierbij in elk geval de risico’s in beeld en
                                actualiseert de risico’s genoemd in de nota bedoeld in het eerste
                                lid. Hierbij wordt aandacht gegeven aan:</al><lijst><li nr="a."><al>een inventarisatie van de weerstandscapaciteit;</al></li><li nr="b."><al>een inventarisatie van de risico’s;</al></li><li nr="c."><al>het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en de risico’s
                                    </al></li></lijst><al>Het college geeft aan in de paragraaf weerstandsvermogen van de
                                begroting en van de jaarstukken de weerstandscapaciteit en in
                                hoeverre schade en verliezen als gevolg van de risico’s van
                                materieel belang met de weerstandscapaciteit kunnen worden
                                opgevangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Onderhoud kapitaalgoederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt tenminste eens in de vier jaar een nota onderhoud
                                openbare ruimte aan. De nota geeft het kader weer voor de inrichting
                                van het onderhoud en het beoogde onderhoudsniveau voor het openbaar
                                groen, water, wegen, kunstwerken en straatmeubilair en eveneens de
                                normkostensystematiek en het meerjarig budgettair beslag. De raad
                                stelt de nota vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt ten minste eens in de vier jaar een nota
                                rioleringsplan aan. De nota geeft het kader weer voor de inrichting
                                van het onderhoud, het beoogde onderhoudsniveau en de uitbreiding
                                van de riolering alsmede de kwaliteit van het milieu en eveneens de
                                normkostensystematiek en het meerjarig budgettair beslag. De raad
                                stelt de nota vast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college biedt tenminste eens in de vier jaar een nota onderhoud
                                gebouwen aan. De nota geeft het kader weer voor de inrichting van
                                het onderhoud en het beoogde onderhoudsniveau en de bijbehorende
                                kosten aan de gemeentelijke gebouwen en eveneens de
                                normkostensystematiek en het meerjarig budgettair beslag. De raad
                                stelt de nota vast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de begroting en de jaarstukken doet het college in de paragraaf
                                onderhoud kapitaalgoederen verslag over de voortgang van het
                                geplande onderhoud en het eventuele achterstallig onderhoud aan
                                openbaar groen, water, wegen, kunstwerken, straatmeubilair,
                                riolering, gebouwen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Financiering</titel></kop><al>Bij de begroting en de jaarstukken doet het college in de paragraaf
                            financiering in ieder geval verslag van:</al><lijst><li nr="a"><al>de kasgeldlimiet;</al></li><li nr="b"><al>de renterisico norm;</al></li><li nr="c"><al>de liquiditeitsplanning en de financieringsbehoefte voor de
                                    komende drie jaar;</al></li><li nr="d"><al>de rentevisie en</al></li><li nr="e"><al>de rentekosten en rente-opbrengsten verbonden aan de
                                    financieringsfunctie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Bedrijfsvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt tenminste eenmaal in de vier jaar een nota
                                bedrijfsvoering vast. De nota wordt ter kennisgeving aan de raad
                                gezonden. In de nota wordt speciale aandacht geschonken aan de
                                relatie tussen het gemeentelijk apparaat en de inwoners van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de bedrijfsvoeringsparagraaf in de begroting wordt ingegaan op de
                                tijdelijke en actuele onderwerpen die aandacht behoeven. In de
                                bedrijfsvoeringsparagraaf in het jaarverslag wordt gerapporteerd
                                over de bij de begroting bepaalde onderwerpen aangaande de
                                bedrijfsvoering alsmede over nieuwe ontwikkelingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college rapporteert in de bedrijfsvoeringsparagraaf van de
                                begroting en jaarstukken over de voortgang van de onderzoeken naar
                                de doelmatigheid en doeltreffendheid, bedoeld in artikel 213a
                                Gemeentewet, en de uitputting van de bijbehorende budgetten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Verbonden partijen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt tenminste eenmaal in de vier jaar een nota
                                verbonden partijen aan. De raad stelt de nota vast..</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van elk van de verbonden partijen wordt weergegeven het openbaar
                                belang, het eigen vermogen, de solvabiliteit, het financieel
                                resultaat en het financieel belang en de zeggenschap van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De nota bevat voorts de kaders voor het beleid aangaande (het
                                aangaan van nieuwe) participaties met name de condities waaronder
                                het publiek belang is gediend met behartiging door verbonden
                                partijen, de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de
                                verbonden partijen en de financiële voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In de begroting en de jaarstukken wordt in de paragraaf verbonden
                                partijen in elk geval ingegaan op nieuwe verbonden partijen, het
                                beëindigen van bestaande verbonden partijen, het wijzigen van
                                bestaande verbonden partijen en eventuele problemen bij bestaande
                                verbonden partijen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Grondbeleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt ten minste eens in de vier jaar een (bijgestelde)
                                nota grondbeleid aan ter behandeling en vaststelling door de raad.
                                In deze nota wordt aandacht besteed aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de relatie met de programma’s van de begroting;</al></li><li nr="b."><al>de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de
                                        gemeente;</al></li><li nr="c."><al>aan te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen
                                        projecten;</al></li><li nr="d."><al>de voorraadverwerving en uitgifte van gronden;</al></li><li nr="e."><al>de uitgifte van gronden in erfpacht en de bijstelling van
                                        erfpachtvergoedingen.</al></li></lijst><al>De raad stelt de nota vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de paragraaf grondbeleid van de begroting en de jaarstukken wordt
                                ingegaan op de uitvoering van de nota grondbeleid, met name de
                                belangrijkste financiële ontwikkelingen zoals
                                verlies/winstverwachtingen, de verwerving van gronden e.d. en de
                                relaties van het grondbeleid met de programma’s.</al><al>Bij de begroting en de jaarstukken doet het college in de paragraaf
                                grondbeleid verslag van:</al><lijst><li nr="a"><al>een visie op het grondbeleid in relatie tot de realisatie
                                        van de doelstellingen van de programma’s die zijn opgenomen
                                        in de begroting;</al></li><li nr="b"><al>een aanduiding van de wijze waarop de gemeente het
                                        grondbeleid uitvoert;</al></li><li nr="c"><al>een actuele prognose van de te verwachten resultaten van de
                                        totale grondexploitatie;</al></li><li nr="d"><al>een onderbouwing van de geraamde winstneming;</al></li><li nr="e"><al>de beleidsuitgangspunten omtrent de reserves voor grondzaken
                                        in relatie tot de risico’s van de grondzaken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Verstrekking subsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt tenminste eens in de vier jaar een (bijgestelde)
                                nota verstrekking gemeentelijke subsidies aan. De nota bevat het
                                kader voor de verstrekking van gemeentelijke subsidies en een
                                overzicht van de toegekende gemeentelijke subsidies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad stelt de nota vast..</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel</label><nr>4.</nr><titel>Financiële organisatie en administratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Administratie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder
                                geval dienstbaar is voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in
                                        de gemeente als geheel en in de diensten;</al></li><li nr="b."><al>het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de
                                        omvang van activa met economisch nut, activa met
                                        maatschappelijk nut, voorraden, vorderingen en schulden,
                                        enzovoorts.;</al></li><li nr="c."><al>het verschaffen van informatie aan de budgethouders en voor
                                        het maken van kostencalculaties;</al></li><li nr="d."><al>het bevorderen van de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de
                                        doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de
                                        gestelde beleidsdoelen, de begroting en ter zake geldende
                                        wet- en regelgeving;</al></li><li nr="e."><al>het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de
                                        doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde
                                        bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de
                                        begroting en ter zake geldende wet- en regelgeving;</al></li><li nr="f."><al>de controle van de registratie van gegevens als zodanig en
                                        van de daaraan ontleende informatie alsmede voor de controle
                                        op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de
                                        doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de
                                        gestelde beleidsdoelen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Financiële administratie</titel></kop><al>Het college draagt er zorg voor dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de inrichting en de werking van de financiële administratie
                                    voldoet aan het Besluit begroting en verantwoording provincies
                                    en gemeenten en andere relevante wet- en regelgeving;</al></li><li nr="b."><al>de vereiste informatie verstrekt wordt aan het rijk, de
                                    provincie en de Europese Unie, alsmede aan andere instellingen
                                    die specifieke verantwoordingsverplichtingen opleggen aan
                                    gemeenten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Financiële organisatie</titel></kop><al>Het college draagt de zorg voor en legt (in een besluit) vast:</al><lijst><li nr="a."><al>een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een
                                    eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de
                                    diensten</al></li><li nr="b."><al>een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden,
                                    verantwoordelijkheden, zodat aan de eisen van interne controle
                                    wordt voldaan en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie
                                    aan beleids- en beheersorganen is gewaarborgd;</al><al>Gelet hierop zijn in de bij deze Verordening behorende bijlage
                                    specifiek door het College aangewezen functies en de
                                    beschrijving hiervan opgenomen. </al></li><li nr="c."><al>de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van
                                    verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en
                                    investeringskredieten;</al></li><li nr="d."><al>de regels voor de opdrachtverlening en de verrekening van
                                    leveringen tussen de diensten van de gemeente;</al></li><li nr="e."><al>de te maken afspraken met de diensten over de te leveren
                                    prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en
                                    frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten
                                    en uitputting van middelen;</al></li><li nr="f."><al>de regels voor de verlening van décharge over het gevoerde
                                    beheer van de diensten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Aanbesteding en inkoop</titel></kop><al>Het college draagt zorg voor en legt (in een besluit) vast de interne
                            regels (protocol) voor de inkoop en aanbesteding van werken en diensten.
                            De regels waarborgen dat wordt gehandeld in overeenstemming met de
                            regels terzake van de Europese Unie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Subsidieverstrekking en steunverlening</titel></kop><al>Het college draagt zorg voor en legt (in een besluit) vast de interne
                            regels (protocol) voor de toekenning van steunverlening aan
                            ondernemingen en subsidies. De regels waarborgen dat wordt gehandeld in
                            overeenstemming met de regels terzake van de Europese Unie en de
                            subsidieverordening van de gemeente Zeist. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking per 15 november 2003, met dien
                            verstande dat de begroting, meerjarenraming, de jaarstukken, de
                            uitvoeringsinformatie en de informatie voor derden en de daarbij
                            behorende toelichtingen met ingang van de begroting voor het
                            begrotingsjaar 2004 voldoen aan de bepalingen van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald onder de naam “Verordening
                            Financieel Beleid, Beheer en Organisatie gemeente Zeist”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label/><nr/><titel>Bijlage</titel></kop><al>Bijlage behorende bij de Verordening op de uitgangspunten voor het financieel
                    beleid, alsmede voor het financieel beheer en voor de inrichting van de
                    financiële organisatie van de gemeente Zeist.</al><al>Betreft de op grond van artikel 26 van deze Verordening door het college van
                    burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.</al><lijst><li nr="1."><al>Het college van burgemeester en wethouders wijst ambtenaren aan als:
                            concerncontroller, comptabele, betalingsfiatteur, kassier, financieel
                            consulent en administrateur alsmede hun respectieve plaatsvervangers.
                            Deze bevoegdheid kan gemandateerd worden aan de ambtelijke leiding.</al></li><li nr="2."><al>De functies van concerncontroller, comptabele, betalingsfiatteur,
                            kassier en administrateur zijn onverenigbaar. Deze functies zijn tevens
                            onverenigbaar met enige andere, de functiescheiding wezenlijk
                            aantastende functies. Dit betreft met name functies die
                            verantwoordelijkheid dragen voor het beheer van vermogenswaarden.</al></li></lijst><tussenkop> 1. Concerncontroller.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De concerncontroller heeft onder meer de zorg voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het opstellen van het meerjarig beleidsplan, de voorjaarsnota,
                                    de gemeentebegroting en de periodieke bestuursrapportages;</al></li><li nr="b."><al>het opstellen van procedures ter waarborging van de economisch
                                    verantwoorde verwerving van middelen voor het verkrijgen van
                                    deze middelen tegen de laagst mogelijke kosten alsmede de
                                    bewaking op de naleving van deze procedures;</al></li><li nr="c."><al>het opstellen van richtlijnen en het ontwikkelen van
                                    instrumenten ten behoeve van de planning, budgettering en
                                    bewaking van activiteiten alsmede de bewaking op de naleving van
                                    de richtlijnen;</al></li><li nr="d."><al>het ontwikkelen van instrumenten, het verrichten van onderzoeken
                                    ter beoordeling van de efficiency van de uitvoering dan wel de
                                    effectiviteit van de daarbij gekozen methoden en
                                    technieken;</al></li><li nr="e."><al>het ontwikkelen van instrumenten ter verbetering van de
                                    allocatiefunctie van de gemeenteraad;</al></li><li nr="f."><al>de bedrijfseconomische advisering op concernniveau;</al></li><li nr="g."><al>De concerncontroller treedt voorts op als adviseur van de
                                    rekenkamercommissie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De concerncontroller heeft onverlet de verantwoordelijkheid van de
                            ambtelijke leiding een eigen verantwoordelijkheid voor de bevordering en
                            de bewaking van de doelmatigheid van het beheer en van de administratie.
                            De concerncontroller toetst in dit kader de opzet en werking van door de
                            leiding getroffen maatregelen.</al></li><li nr="3."><al>Indien de concerncontroller van oordeel is dat een meer doelmatig beheer
                            kan worden gerealiseerd, treedt hij in overleg met de leiding. Zo nodig
                            legt hij zelfstandig voorstellen voor aan de gemeentesecretaris dan wel
                            het college van burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="4."><al>De concerncontroller kan het college van burgemeester en wethouders,
                            gevraagd en ongevraagd, rechtstreeks adviseren ten aanzien van de in
                            deze taakomschrijving genoemde taken.</al></li><li nr="5."><al>Het college van burgemeester en wethouders kan onderwerpen vaststellen
                            ten aanzien waarvan de concerncontroller, met het oog op handhaving en
                            uitvoering van deze verordening , nadere richtlijnen kan geven.</al></li><li nr="6."><al>De concerncontroller kan functionele aanwijzingen doen uitgaan met
                            betrekking tot de hiervoor beschreven taken.</al></li><li nr="7."><al>De concerncontroller voert in het kader van deze taakomschrijving
                            regelmatig overleg met de leiding en neemt deel aan de vergaderingen van
                            het Centraal Managementteam als er onderwerpen aan de orde komen
                            vallende onder het bereik van deze taakomschrijving.</al></li><li nr="8."><al>De concerncontroller is rechtstreeks verantwoording verschuldigd aan het
                            college van burgemeester en wethouders voor de aan hem in deze
                            verordening opgedragen taken en verantwoordelijkheden. Van deze
                            rechtstreekse verantwoordelijk zijn uitgesloten de taken als vermeld
                            onder de leden 1a en 1f van deze omschrijving. </al></li></lijst><tussenkop>2. Comptabele.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De comptabele heeft onder meer de zorg voor:</al><lijst><li nr="a."><al>de organisatie, het bijhouden en het doen bijhouden van de
                                    financiële administratie van de gemeente als geheel. Hij staat
                                    in voor de tijdigheid, volledigheid, de juistheid en de
                                    toereikendheid van de onder zijn verantwoordelijkheid gevoerde
                                    administraties en verstrekte informatie; </al></li><li nr="b."><al>de opzet en werking van de administratieve organisatie inclusief
                                    de interne controle;</al></li><li nr="c."><al>het opstellen van de jaarrekeningen en het jaarverslag. Indien
                                    de comptabele met betrekking tot de inhoud van de jaarrekening
                                    een van het college van burgemeester en wethouders afwijkend
                                    standpunt heeft, doet hij daarvan bij de aanbieding van de
                                    jaarrekening schriftelijk mededeling;</al></li><li nr="d."><al>het opstellen van periodieke rapportages niet zijnde de
                                    periodieke bestuursrapportages;</al></li><li nr="e."><al>het doen functioneren van het budgetsysteem;</al></li><li nr="f."><al>het bevorderen en het bewaken van de rechtmatigheid en
                                    doelmatigheid van het beheer en de administratie alsmede de
                                    rechtmatigheid en doelmatigheid van de onder hem ressorterende
                                    financiële administratie. Hij toetst in dit kader de opzet en
                                    werking van de door de leiding getroffen maatregelen;</al></li><li nr="g."><al>het tijdig nemen van de vereiste invorderingsmaatregelen en van
                                    de wettelijke vervolgingsmaatregelen bij het in gebreke blijven
                                    van debiteuren;</al></li><li nr="h."><al>een optimale afstemming tussen de netto uitgaven van de gemeente
                                    en de daartoe aan te trekken of uit te zetten
                                    financieringsmiddelen. De activiteiten beslaan onder meer:
                                    liquiditeitsprognoses, cashmanagement, korte - en lange
                                    financiering, aantrekken en uitzetten van financieringsmiddelen,
                                    beleidsadvisering, informatievoorziening en dergelijke. De
                                    activiteiten worden uitgeoefend overeenkomstig daarvoor door ons
                                    en door het college van burgemeester en wethouders gegeven
                                    richtlijnen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien de comptabele van oordeel is dat een meer rechtmatig of doelmatig
                            beheer kan worden gerealiseerd, treedt hij in overleg met de leiding. Zo
                            nodig legt hij zelfstandig voorstellen voor aan de gemeentesecretaris
                            dan wel het college van burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="3."><al>De comptabele kan het college van burgemeester en wethouders, gevraagd
                            en ongevraagd, rechtstreeks adviseren ten aanzien van de in deze
                            taakomschrijving genoemde taken.</al></li><li nr="4."><al>Het college van burgemeester en wethouders kan onderwerpen vaststellen
                            ten aanzien waarvan de comptabele, met het oog op handhaving en
                            uitvoering van deze verordening , nadere richtlijnen kan geven.</al></li><li nr="5."><al>De comptabele kan functionele aanwijzingen doen uitgaan met betrekking
                            tot de in deze beschrijving vermelde taken.</al></li><li nr="6."><al>De comptabele voert in het kader van het gestelde in deze
                            taakomschrijving regelmatig overleg met de leiding.</al></li><li nr="7."><al>De comptabele wordt door het college van burgemeester en wethouders
                            aangewezen als ambtenaar bedoeld in artikel 231, lid 2.c. van de
                            Gemeentewet.</al></li></lijst><tussenkop>3. Betalingsfiatteur.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De betalingsfiatteur is onder toezicht van de comptabele belast met en
                            verantwoordelijk voor de effectuering van betalingen.</al></li><li nr="2."><al>Hij draagt er zorg voor dat betalingen slechts kunnen plaatsvinden nadat
                            is vastgesteld dat er een betalingsverplichting bestaat.</al></li><li nr="3."><al>Hij toetst de juistheid van de overgelegde betalingen. </al></li><li nr="4."><al>De betalingsfiatteur kan zich in zaken die zijn zelfstandigheid en
                            verantwoordelijkheid betreffen, nadat hiervan de comptabele en de
                            verantwoordelijke leiding op de hoogte zijn gesteld, rechtstreeks tot
                            het college van burgemeester en wethouders wenden.</al></li></lijst><tussenkop>4. Kassier.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De kassiers zijn belast met:</al><lijst><li nr="a."><al>het bewaren van contanten en andere met contanten gelijk te
                                    stellen geldswaarden;</al></li><li nr="b."><al>het juist, tijdig en volledig verrichten en vastleggen van
                                    contante betalingen en het eveneens juist, tijdig en volledig
                                    verantwoorden van contante ontvangsten;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De kassier kan zich in zaken die zijn zelfstandigheid en
                            verantwoordelijkheid betreffen, nadat hiervan de verantwoordelijke
                            leiding op de hoogte is gesteld, rechtstreeks tot het college van
                            burgemeester en wethouders wenden.</al></li></lijst><tussenkop>5. Financieel consulentschap.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Ter ondersteuning bij de in deze verordening genoemde taken en
                            activiteiten wordt het college van burgemeester en wethouders, de
                            ambtelijke leiding, de concerncontroller en de comptabele bijgestaan
                            door de financieel consulenten.</al></li><li nr="2."><al>De financieel consulent voert in dit kader regelmatig overleg met de
                            leiding.</al></li></lijst><tussenkop>6. Administrateur.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De administrateur van de algemene dienst draagt, onverlet het bepaalde
                            ten aanzien van de verantwoordelijkheid van de comptabele, zorg voor het
                            voeren van de financiële administratie van de gemeente als geheel.</al></li><li nr="2."><al>Bij het uitoefenen van zijn taken neemt de administrateur richtlijnen en
                            aanwijzingen van de comptabele en de concerncontroller in acht.</al></li><li nr="3."><al>De administrateur zorgt voor het tijdig, het juist en het volledig
                            verwerken van de gegevens in zijn administratie.</al></li><li nr="4."><al>De administrateur zorgt voor het tijdig, het juist en het volledig
                            verstrekken van de gegevens uit zijn administratie.</al></li></lijst></bijlage><nota-toelichting><kop><label/><nr/><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al>Artikelsgewijze toelichting op de Verordening op de uitgangspunten voor het
                    financieel beleid, alsmede voor het financieel beheer en voor de inrichting van
                    de financiële organisatie van de gemeente Zeist.</al><tussenkop>Artikel 2. Programmabegroting</tussenkop><al>Artikel 2 bevat een aantal bepalingen over de inrichting van de begroting waarin
                    de kaderstellende functie van de raad tot uiting komt. De raad legt op basis van
                    dit artikel een belangrijk deel van de infrastructuur van de begroting vast,
                    evenals de kengetallen waarop de raad wil sturen en controleren.</al><al>In het Besluit comptabiliteitsvoorschriften 1995 was de indeling van de
                    begroting in functies verplicht voorgeschreven. In het Besluit begroting en
                    verantwoording provincies en gemeenten is dat niet meer zo. De gemeente bepaalt
                    nu zelf het aantal en de inhoud van de programma's van de begroting en kan
                    daardoor de begrotingsopzet aanpassen aan de eigen politiek-bestuurlijke wensen.
                    Zo kan een gemeente programma's indelen naar doelgroepen of indelen volgens de
                    pijlers van het grote stedenbeleid. Omdat er een politiek-bestuurlijke keuze ten
                    grondslag ligt aan de indeling van de programma’s, stelt de raad de indeling
                    vast. Meestal zal die vaststelling voor enkele jaren gelden, bijvoorbeeld voor
                    een gehele raadsperiode. Indien daartoe aanleiding is, kan de raad de indeling
                    wijzigen.</al><al>Een programma is gebaseerd op de drie w-vragen: wat willen we bereiken, wat gaan
                    we daar voor doen en wat mag dat kosten? Vooral voor de eerste twee vragen
                    zullen in de praktijk indicatoren nodig zijn. Aan de hand van die indicatoren
                    kan de raad zijn kaderstellende functie vervullen. Ook dienen zij om de raad de
                    gelegenheid te bieden zijn controlerende functie in te vullen door de uitkomsten
                    en resultaten van de programma's te beoordelen. In het dualistisch bestel moet
                    de raad de w-vragen zelf beantwoorden; hij kan dat niet overlaten aan het
                    college en/of de ambtelijke organisatie.</al><tussenkop>Artikel 3. Producten</tussenkop><al>De raad stelt de programmabegroting vast. Ter uitvoering van de begroting stelt
                    het college - zoals geregeld in het Besluit begroting en verantwoording - een
                    productraming op. Het college is vrij in het aantal producten en de indeling
                    daarvan. De productraming is in de systematiek van het besluit geen onderdeel
                    van de begroting. </al><al>De raad kan van oordeel zijn dat hij bij de programmabegroting en verantwoording
                    een overzicht wil hebben van welke producten er bij de programma’s horen. Dit
                    wordt geregeld in het eerste lid.</al><tussenkop>Artikel 4. Kaders begroting</tussenkop><al>De artikelen 2 en 3 betreffen vooral de infrastructuur van de begroting. Artikel
                    4 gaat over het meerjarige budgettaire kader. Dat vormt, zoals in de meeste
                    gemeenten gebruikelijk is, de grondslag voor de eigenlijke begroting. Gegeven
                    het grote belang van het budgetrecht van de raad, is het logisch dat de raad
                    expliciet een budgettair kader vaststelt.</al><tussenkop>Artikel 5. Uitvoering begroting</tussenkop><al>In artikel 5 legt de raad het college een aantal eisen op die voor een goede
                    uitvoering van de begroting noodzakelijk zijn. In het eerste lid wordt bepaald
                    dat het college de rechtmatigheid, de doeltreffendheid en de doelmatigheid van
                    de uitvoering dient te waarborgen. Lid 2 stelt eisen voor de onderwerpen die van
                    belang zijn voor de opstelling van de productraming. Lid 3 doet hetzelfde voor
                    de uitvoering van de programma’s van de begroting.</al><al>In het duale stelsel geeft de raad geen nadere uitvoeringsregels om aan de
                    prestatie-eis te voldoen. Deze uitvoeringsregels zijn aan het college.</al><tussenkop>Artikel 6. Interne controle</tussenkop><al-groep><al>De raad legt in dit artikel enkele basiscondities vast voor de interne
                        controle. Daarmee verkrijgt de raad de zekerheid dat het college aan de
                        eisen genoemd in met name artikel 5, eerste lid, zal kunnen voldoen.</al><al>De verordening geeft in het eerste en tweede lid aan het college de opdracht
                        voor de inrichting van de financiële organisatie verschillende maatregelen
                        te treffen op het gebied van interne controle, bijvoorbeeld een adequate
                        functiescheiding. Voor een goede interne controle zijn, zoals aangegeven in
                        lid 3, aanvullende onderzoeken nodig. Het vierde en vijfde lid regelt dat
                        het college op grond van de uitkomsten van de onderzoeken bij tekortkomingen
                        maatregelen tot herstel treft en dat de raad over de uitkomsten van de
                        onderzoeken en de eventuele maatregelen tot herstel op de hoogte wordt
                        gebracht.</al><al>De genoemde onderzoeken in dit artikel omvatten niet de interne onderzoeken
                        van het college naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het
                        gevoerde bestuur. Regels voor deze interne onderzoeken zijn opgenomen in de
                        verordening artikel 213a Gemeentewet.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 7. Tussentijdse rapportage en informatie</tussenkop><al-groep><al>Artikel 7, eerste tot en met derde lid, formaliseert een belangrijk
                        onderdeel van de planning en control van de raad. De raad geeft namelijk aan
                        de aard van de informatie die het college standaard dient te verstrekken. Op
                        basis van deze informatie kan de raad de uitvoering van de begroting volgen
                        en besluiten of bijsturing nodig is.</al><al>In het tweede lid van het artikel geeft de raad kaders voor de inrichting
                        van de tussenrapportages.</al><al>Om de gemeentelijke organisatie niet op te zadelen met een rapportagecircus
                        is het natuurlijk wel zaak, dat de tussenrapportages niet te uitgebreid en
                        onoverzichtelijk zijn.</al><al>De stand van zaken van - en prognose voor het lopende begrotingsjaar kan
                        overigens naast de jaarstukken van het afgelopen jaar mede een belangrijke
                        basis zijn voor het inzicht voor en het opstellen van de komende
                        begroting.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 8. Jaarrekening</tussenkop><al>Artikel 8 is het sluitstuk van de begrotingscyclus, de verantwoording over de
                    begrotingsuitvoering door het college, cq. de controle van de raad daarop. Basis
                    daarvoor is de productrealisatie. In het eerste lid wordt daarvoor een
                    kwaliteitseis gesteld. Het tweede lid is de tegenpool van artikel 2, lid 2.</al><tussenkop>Artikel 9. De financiële positie</tussenkop><al-groep><al>De raad geeft in dit artikel enkele belangrijke uitgangspunten aan die het
                        college voor de uiteenzetting van de financiële positie en de
                        meerjarenramingen moet volgen.</al><al>Tevens wordt hier expliciet vastgelegd hoe de raad bij het vaststellen van
                        de financiële positie, de investeringskredieten autoriseert. De autorisatie
                        van deze kredieten zou anders als gevolg van het door gemeenten gehanteerde
                        lasten en batenstelsel buiten de boot vallen. Investeringen van gemeenten
                        worden voornamelijk geactiveerd waarbij wordt opgemerkt dat de
                        afschrijvingslasten in het jaar van aanschaf niet drukken op de onder de
                        programma’s verantwoorde lasten.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 10. Waardering &amp; afschrijving vaste activa</tussenkop><al>De verordening moet volgens artikel 212 Gemeentewet in elk geval bevatten de
                    “regels voor waardering en afschrijving activa”. Artikel 10 stelt de regels voor
                    de waardering en afschrijving van de vaste activa. De vaste activa worden
                    verplicht ingedeeld in immateriële vaste activa, materiele vaste activa en
                    financiële vaste activa. </al><al-groep><al>De immateriële vaste activa worden verdeeld in de kosten voor onderzoek en
                        ontwikkeling voor een bepaald actief en de kosten verbonden aan het sluiten
                        van geldleningen en het saldo van agio en disagio. De materiele vaste activa
                        worden onderverdeeld in materiele vaste activa met economisch nut en
                        materiele vaste activa met alleen maatschappelijk nut.</al><al>Het eerste lid bepaalt dat de kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een
                        bepaald actief lineair worden afgeschreven in maximaal 5 jaar. </al><al>In het tweede lid is eveneens een maximale afschrijvingstermijn van 5 jaar
                        opgenomen voor de kosten van het afsluiten van geldleningen en het saldo van
                        agio en disagio; met dien verstande, dat ingeval de looptijd van de lening
                        korter is dan 5 jaar de afschrijvingstermijn wordt beperkt tot maximaal de
                        looptijd van de lening.</al><al>Het derde lid geeft de afschrijvingstermijnen van de materiele vaste activa
                        met economisch nut. De afschrijvingswijze van deze activa is in principe
                        lineair. De afschrijvingstermijnen kunnen worden afgestemd op de specifiek
                        gemeentelijke situatie en de aard van het activum. Dit betekent dat voor
                        specifieke activa een afwijkende afschrijvingstermijn mogelijk is. De
                        verordening gaat immers uit van clustering van activa en daarbij behorende
                        gemiddelde afschrijvingstermijnen. De maat voor de afschrijvingstermijnen is
                        natuurlijk de economische levensduur.</al><al>Het vierde lid geeft een opsomming van de activa van de gemeente, welke
                        slechts een maatschappelijk en geen economisch nut hebben. Deze
                        investeringen genereren geen inkomsten en brengen bij verkoop geen geld op.
                        Alleen investeringen in de <vet>openbare ruimte</vet> met een
                        maatschappelijk nut mogen geactiveerd worden. Er moet in de praktijk een
                        (h)erkenbaar criterium zijn voor de onderscheiding van activa met alleen een
                        maatschappelijk nut. In lid 4 is aangegeven welke soorten van activa het
                        betreft. Het gaat dan om zaken als waterwegen, waterbouwkundige werken,
                        permanente terreinwerken, wegen, straten, fietspaden, voetpaden, bruggen,
                        viaducten, tunnels, verkeerslichtinstallaties, openbare verlichting,
                        straatmeubilair, reconstructie openbare ruimten, parken en overig
                        groen.</al><al>Activa met alleen maatschappelijk nut onder wordt aftrek van bijdragen van
                        derden en bestemmingsreserves in principe direct ten laste van de
                        exploitatie gebracht, waarmee een opwaartse vertekening van het eigen
                        vermogen wordt voorkomen. Slechts bij uitzondering mogen dergelijke
                        investeringen worden geactiveerd. Bijvoorbeeld ingeval een gemeente grote
                        investering in de openbare ruimte uitvoert en het in éénmaal afschrijven tot
                        een niet sluitende begroting leidt. </al><al>Een sluitende begroting is echter verplicht. Artikel 189 Gemeentewet bepaalt
                        namelijk, dat de begroting in enig jaar in evenwicht is, dan wel evenwicht
                        in de eerstvolgende jaren tot stand wordt gebracht. In een dergelijk geval
                        kan activering van deze investeringen bij wijze van uitzondering uitkomst
                        bieden. </al><al>Gelet op deze uitzonderingsmogelijkheid wordt, in overleg met de
                        toezichthouder, het vigerende beleid van “activeren” vooralsnog om
                        budgettaire redenen gehandhaafd. Het actief wordt afgeschreven gelijk aan de
                        periode van de verwachte levensduur.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 11. Waardering oninbare vorderingen</tussenkop><al>Artikel 11 geeft aan op welke wijze de hoogte van de voorziening wordt bepaald
                    voor oninbare vorderingen. Voor de wijze van het bepalen van de hoogte van de te
                    treffen voorziening wordt géén onderscheid gemaakt tussen de vorderingen uit
                    hoofde van “lokale heffingen en rechten” en de “overige” vorderingen. In beide
                    gevallen wordt op basis van ervaringscijfers de grootte van de noodzakelijke
                    voorziening bepaald.</al><tussenkop>Artikel 12. Reserves en voorzieningen</tussenkop><al-groep><al>Een belangrijk beleidsmatig aspect betreft de omvang van het eigen vermogen
                        van een gemeente. Het eigen vermogen van een gemeente bestaat uit de
                        algemene reserves en bestemmingsreserves. Hoe groot moet het eigen vermogen
                        zijn om risico’s op te vangen en gaan we een investering financieren door
                        belastingverhoging of door het interen op het eigen vermogen, zijn
                        financieel beleidsmatige vragen die thuishoren bij de raad.</al><al>Artikel 12 bepaalt, dat het college een nota over de reserves en
                        voorzieningen aanbiedt ter behandeling en vaststelling door de raad. In deze
                        nota kan de raad het kader vaststellen voor de omvang van de reserves .
                        Kaders stellen voor voorzieningen is veelal niet aan de orde, omdat
                        voorzieningen een verplichtend karakter kennen. Wel is het inzichtelijk in
                        de nota in te aan op de voorzieningen.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 13. Kostprijsberekening</tussenkop><al-groep><al>In artikel 13 is de grondslag voor de bepaling van heffingen en tarieven
                        neergelegd, zoals dat door artikel 212, lid 2, let b Gemeentewet wordt
                        geëist. De grondslag voor de hoogte van heffingen en tarieven is namelijk
                        politieke besluitvorming door de raad op basis van de geraamde hoeveelheden
                        en de geraamde kostprijzen. Kostprijzen laten zich op vele manieren
                        berekenen. In dit artikel worden uitgangspunten voor de bepaling van de
                        kostprijzen gegeven.</al><al>Artikel 13, lid 1 bepaalt, dat naast de direct aan een product toe te
                        rekenen kosten ook de indirecte kosten die rechtstreeks samenhangen met de
                        vervaardiging van het product, worden meegenomen voor de kostprijsbepaling.
                    </al></al-groep><al>De salariskosten van de burgemeester hoeven dus niet worden meegenomen voor de
                    kostprijsberekening van de rioolrechten. Het toe te rekenen deel van de overhead
                    van de gemeentelijke dienst waaronder het rioolbeheer valt moet dus wel worden
                    meegenomen in de kostprijsberekening.</al><al>Artikel 229b, lid 2, Gemeentewet stelt, dat bijdragen aan bestemmingsreserves en
                    voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van de betrokken activa voor
                    bepaling van de geraamde kostprijs en dus voor de bepaling van het tarief of de
                    heffing mogen worden meegenomen. Veel gemeenten hanteren daarnaast het
                    mechanisme van rentetoerekening over de reserves en de voorzieningen aan in
                    gebruik zijnde kapitaalgoederen. Artikel 13, lid 2 van de verordening bepaalt,
                    dat deze beide kosten ook daadwerkelijk worden meegenomen voor de berekening van
                    de geraamde kostprijs. </al><al>Indien is gekozen voor het systeem van het toerekenen van bespaarde rente dan is
                    het verplicht deze rente als lasten mee te nemen in de kostprijs.</al><al>Op grond van lid 2 moeten ook worden meegenomen de kosten compensabele BTW voor
                    rioolrechten, reinigingsrechten en afvalstoffenheffing. De begroting en
                    jaarstukken zijn exclusief de compensabele BTW. Voor dit soort heffingen is
                    echter in de wet bepaald dat ze wel meegenomen mogen worden in de
                    kostprijsberekening, omdat de gemeente deze kosten wel heeft, ook al wordt de
                    BTW gecompenseerd. </al><al>Het rentepercentage van de toerekening van kapitaallasten is van invloed op de
                    lasten, maar ook van invloed op de kostprijs. Indien men voor de bouw van een
                    school een lening heeft afgesloten, kan men er voor kiezen de rentelasten op de
                    kosten van het schoolgebouw te laten drukken. Dit wordt in de gemeentelijke
                    boekhouding bereikt door de zogenaamde rente-omslagmethode. Het rentepercentage
                    dat wordt gehanteerd bij de omslagmethode, is van invloed op de kostprijs. Het
                    rentepercentage valt zodoende onder het budgetrecht van de raad. Daarnaast is
                    bij de renteomslag van de kapitaallasten toerekening van de bespaarde rente over
                    het eigen vermogen toegestaan. Artikel 13, lid 3 legt het te hanteren
                    rentepercentage voor de omslagrente van de kapitaallasten vast.</al><tussenkop>Artikel 14. Financieringsfunctie</tussenkop><al>De financieringsfunctie (treasury) is een belangrijk onderdeel van het
                    middelenbeheer. Gezien de operationele kwetsbaarheid van deze functie bevat
                    artikel 212 het expliciete voorschrift dat de verordening een onderdeel over de
                    financieringsfunctie heeft. In dit artikel wordt uitvoering gegeven aan artikel
                    212, tweede lid onder c. Het gaat om de kaders voor het uitvoeren van de
                    financieringsfunctie. De uitvoering van de financieringsfunctie komt aan de orde
                    in de financieringsparagraaf in de begroting en de rekening zoals die in het
                    Besluit begroting en verantwoording is voorgeschreven. In dit artikel stelt de
                    raad doelstellingen, richtlijnen en limieten die voor het college gelden. Het
                    vierde lid van het artikel draagt het college op een financieringsstatuut
                    (treasurystatuut) op te stellen dat met name protocollen bevat voor de
                    dagelijkse uitvoering. </al><al-groep><al>Onderwerpen die in zo’n besluit aan de orde komen zullen met name betreffen
                        het derivatenbeheer (indien van toepassing), het kasbeheer, het
                        risicobeheer, de financiering en de administratieve organisatie. Onder het
                        risicobeheer vallen het renterisicobeheer, het kredietrisicobeheer, het
                        koersrisicobeheer, het interne liquiditeitsbeheer en het valutarisicobeheer
                        (indien van toepassing).</al><al>In het tweede lid onder a wordt gesproken van een vereiste rating die een
                        financiële instelling moet hebben. De regelgeving schrijft voor dat het
                        minimaal om een A-rating moet gaan. Gemeenten kunnen zelf een zwaardere
                        rating vaststelling, bijvoorbeeld AA.</al><al>In onderdeel 1 b wordt verder gesproken over een hoofdsomgarantie voor
                        uitzettingen. Dit is de minimumeis die volgens de regeling geldt. </al><al>De nominale waarde van de uitzetting blijft dan in ieder geval in takt.
                        Gemeenten kunnen een lager risicoprofiel kiezen voor uitzettingen indien op
                        de hoofdsom een inflatiepercentage gezet wordt van bijvoorbeeld 2%. </al><al>De kasgeldlimiet en de renterisiconorm zijn wettelijk geregeld (Wet
                        financiering decentrale overheden, artikel 3 en 4, respectievelijk 5 en 6).
                        Overschrijding is niet toegestaan. Gedeputeerde staten van de provincie
                        moeten in hun hoedanigheid van toezichthouder ingrijpen, maar kunnen onder
                        bijzondere omstandigheden een tijdelijke overschrijding tolereren. Bij
                        overschrijding kan de gemeente worden geconfronteerd met preventief toezicht
                        op het sluiten van kortlopende (kasgeldlimiet) of langlopende
                        (renterisiconorm) leningen. De raad dient daarom wanneer overschrijding
                        dreigt terstond geïnformeerd te worden.</al><al>Inzake de uitvoering van lid 3 van dit artikel dient in aanmerking te worden
                        genomen dat:</al></al-groep><lijst><li nr="·"><al>Het bij de gemeente Zeist bestaand beleid is om aan personeel verstrekte
                            respectievelijk te verstrekken leningen onder hypothecair verband, met
                            inachtneming van de hieraan verbonden voorwaarden, te beschouwen als
                            onderdeel van de publieke taak.</al></li><li nr="·"><al>Het verstrekken van garanties uitsluitend plaatsvindt onder de hiertoe
                            bij raadsbesluit van 26 mei 2003 gestelde voorwaarden.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 15. Registratie bezittingen en activa</tussenkop><al>Voor een goed beeld van de financiële positie is een volledige registratie van
                    de gemeentelijke bezittingen onontbeerlijk. Om te garanderen dat de registratie
                    actueel en juist is, wordt in dit artikel het college opgedragen periodiek de
                    registratie te controleren en bij afwijkingen maatregelen tot herstel te
                    treffen. </al><tussenkop>Artikel 16. Lokale heffingen</tussenkop><al-groep><al>Het nieuwe artikel 212 Gemeentewet eist in het tweede lid, onderdeel b, dat
                        de verordening 212 Gemeentewet minimaal de grondslagen bevat voor de
                        berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen tarieven
                        voor rechten als bedoeld in artikel 229b Gemeentewet en in rekening te
                        brengen heffingen als bedoeld in artikel 15.33 Wet milieubeheer. In de
                        verordening is er voor gekozen om als uitgangspunt van het financieel beleid
                        de grondslagen voor de bepaling van heffingen, tarieven en prijzen in het
                        algemeen te verankeren. Zo zijn opgenomen regels voor de bepaling van de
                        lokale belastingen.</al><al>Het eerste lid van artikel 16 regelt, dat het college elk jaar een nota
                        lokale heffingen aan de raad aanbiedt ter behandeling en vaststelling van de
                        lokale lasten. Gelijktijdig worden de bijbehorende belastingverordeningen
                        aangepast en door de raad vastgesteld. De nota bevat eveneens een overzicht
                        van de overige verordeningen, waarin heffingen, tarieven en prijzen zijn
                        vastgelegd. Artikel 229b Gemeentewet en artikel 15.33 Wet milieubeheer
                        stellen echter randvoorwaarden aan de hoogte van de meeste tarieven en
                        heffingen. Behalve tarieven voor het geven van vermakelijkheden en
                        belastingen mogen de tarieven en heffingen niet het bedrag van de geraamde
                        kostprijs te boven gaan. </al><al>Voor het vaststellen van de hoogte van de verschillende tarieven en
                        heffingen heeft de raad dus de geraamde kostprijs per tarief c.q. heffing
                        nodig.</al><al>In afwijking van het voorgaande is bij meer producten en diensten opgenomen
                        in één verordening het mogelijk dat een bepaald product hoger wordt geprijsd
                        dan de geraamde kostprijs zolang het totaal van de geraamde opbrengst de
                        totale kosten van de in de verordening genoemde producten en diensten niet
                        overschrijdt.</al><al>Ook in de verplichte paragraaf bij de begroting en jaarstukken wordt de raad
                        over de lokale heffingen geïnformeerd. Hier kan de raad invulling geven aan
                        zijn eigen informatiebehoefte over de lokale lasten en heffingen. Het
                        Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten schrijft de
                        minimumeisen voor die in de paragraaf moeten worden vermeld, namelijk:</al></al-groep><lijst><li nr="a."><al>de geraamde inkomsten;</al></li><li nr="b."><al>het beleid ten aanzien van de lokale heffingen;</al></li><li nr="c."><al>een overzicht op hoofdlijnen van de diverse heffingen;</al></li><li nr="d."><al>een aanduiding van de lokale lastendruk;</al></li><li nr="e."><al>een beschrijving van het kwijtscheldingsbeleid.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan men bijvoorbeeld opnemen:</al><lijst><li nr="f."><al>de kostendekkendheid van de rioolrechten, reinigingsheffing en
                            afvalstoffenheffing;</al></li><li nr="g."><al>de lokale lastendruk voor eenpersoonshuishoudens,
                            meerpersoonshuishoudens en bedrijven;</al></li><li nr="h."><al>het aantal en het bedrag aan kwijtscheldingen;</al></li><li nr="i."><al>de waardeontwikkeling van onroerende zaken in de gemeente.</al></li></lijst><al>Samenvattend wordt de raad bij de vaststelling van het beleid inzake lokale
                    heffingen en tarieven betrokken bij:</al><lijst><li nr="•"><al>De voorjaarsnota;</al></li><li nr="•"><al>Het raadsvoorstel programmabegroting en meerjarenbegroting;</al></li><li nr="•"><al>In de paragraaf “Lokale heffingen” van de programmabegroting.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 17. Weerstandsvermogen</tussenkop><al-groep><al>Een gemeente loopt risico’s. Deze risico’s zijn van uiteenlopende aard. </al><al>Tegen een deel van deze risico’s kan een gemeente zich verzekeren, of er
                        moeten voorzieningen worden gevormd, of ze kunnen anderszins worden
                        opgevangen. Voor een deel van de risico’s is dit echter niet het geval.
                        Daarnaast kiezen gemeenten er soms voor om voor bepaalde verzekerbare
                        risico’s eigen risicodrager te worden door zich bewust niet voor deze
                        risico’s te verzekeren.</al><al>De niet verzekerde risico’s hebben, als ze zich voordoen, (grote) financiële
                        consequenties. Het is dus zaak voor een gemeente, dat ze zich bewust is van
                        de risico’s die ze loopt, en ze beheerst. Het uitsluiten van risico’s is
                        echter niet mogelijk. Waar gewerkt wordt vallen spaanders. Niet verzekerde
                        risico’s die zich voordoen, moet de gemeente opgevangen met het eigen
                        vermogen, door belastingverhoging of door beleidsmatige ombuigingen op de
                        begroting.</al></al-groep><al-groep><al>Het eerste lid van artikel 17 eist dat het college eens in de vier jaar een
                        nota aan de raad aanbiedt, waarin het college uiteenzet hoe hij omgaat met
                        de inventarisatie en beheersing van risico’s. Dit zijn bijvoorbeeld regels
                        over welke bezittingen van de gemeente moeten worden verzekerd en welke
                        procedures hiervoor gelden. Een ander voorbeeld van een regel voor de
                        beheersing van risico’s is, dat er jaarlijks een rentevisie wordt gemaakt,
                        waarmee de gemeente het renterisico op haar leningportefeuille op een
                        aanvaardbaar niveau houdt. Ieder college kan zelf invulling geven hoever hij
                        met deze regels wil gaan. Ten tweede moet het college in deze nota de
                        risico’s kwantificeren en aan de hand ervan het gewenste
                        weerstandscapaciteit bepalen.</al><al>Het tweede lid regelt over welke risico’s en hun financiële consequenties de
                        raad in de verplichte paragraaf weerstandsvermogen van de begroting en de
                        jaarstukken moet worden geïnformeerd. Het “Besluit begroting en
                        verantwoording provincies en gemeenten” verplicht een aantal zaken op te
                        nemen in de paragraaf, namelijk:</al></al-groep><lijst><li nr="a."><al>een inventarisatie van de weerstandscapaciteit;</al></li><li nr="b."><al>een inventarisatie van de risico’s;</al></li><li nr="c."><al>het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en de risico’s;</al></li></lijst><al>In het onderhavige artikel is er voor gekozen om de beleidslijnen uit te zetten
                    in een nota. De desbetreffende, volgens het Besluit begroting en verantwoording
                    voorgeschreven paragraaf informeert dan vooral de uitvoering en toepassing van
                    de nota. Alhoewel niet voor de hand liggend, is het ook mogelijk om niet met een
                    nota te werken, maar om de beleidsmatige contouren en de uitvoering beide in de
                    paragraaf op te nemen. Deze opmerking geldt ook voor de artikelen 16, 18 tot en
                    met 23.</al><tussenkop>Artikel 18. Onderhoud kapitaalgoederen</tussenkop><al-groep><al>In artikel 18 stelt de raad regels voor de begrotings- en
                        verantwoordingsinformatie aan de raad over het onderhoud aan
                        kapitaalgoederen. </al><al>Het eerste tot en met het derde lid regelen, dat er nota’s aan de raad
                        worden aangeboden over het onderhoud aan de verschillende categorieën
                        kapitaalgoederen. </al><al>Hierin kan op de stand van zaken worden ingegaan en kan de raad de kaders
                        voor het toekomstig beleid uiteenzetten.</al><al>Voor de nota’s is in de verordening een actualisatie termijn opgenomen van 4
                        jaar. Sommige gemeenten hebben voor bepaalde categorieën onderhoud
                        kapitaalgoederen niet al te hoge uitgaven. </al><al>Deze gemeenten kunnen er voor kiezen om voor de diverse soorten
                        kapitaalgoederen geen afzonderlijke nota op te stellen, maar deze soorten
                        kapitaalgoederen te bundelen in één nota</al><al>Artikel 18, vierde lid, regelt over welke feiten aangaande het financieel
                        beheer van het onderhoud van kapitaalgoederen de raad in de verplichte
                        paragraaf onderhoud kapitaalgoederen bij de begroting en jaarstukken in elk
                        geval geïnformeerd wordt. Hier kan de raad invulling geven aan zijn eigen
                        informatiebehoefte over het onderhoud kapitaalgoederen. Het Besluit
                        begroting en verantwoording provincies en gemeenten schrijft enige feiten
                        voor, die in de paragraaf moeten worden vermeld. Namelijk het beleidskader,
                        de daaruit voortvloeiende financiële consequenties en de vertaling daarvan
                        in de begroting van het onderhoud wegen, het onderhoud riolering, het
                        onderhoud water, het onderhoud groen en het onderhoud gebouwen.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 19. Financiering</tussenkop><al-groep><al>De basis voor dit artikel is gelegen in artikel 14. Artikel 19 regelt over
                        welke feiten inzake het financieel beheer van de financieringsfunctie de
                        raad in elk geval in de verplichte paragraaf financiering bij de begroting
                        en jaarstukken wordt geïnformeerd. </al><al>De raad kan aangeven om over meerdere zaken geïnformeerd te willen worden
                        zoals de samenstelling en omvang van het vreemde vermogen en van de
                        uitzettingen en de liquiditeitspositie.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 20. Bedrijfsvoering</tussenkop><al-groep><al>Het domein van de ambtelijke organisatie is de verantwoordelijkheid van het
                        college. Beleid op dit gebied wordt in de eerste plaats vormgegeven door het
                        college. </al><al>In het eerste lid van artikel 20 van de verordening over het financieel
                        middelenbeheer van de bedrijfsvoering wordt dan ook slechts een nota over de
                        bedrijfsvoering ter kennisgeving aan de raad overlegd.</al><al>Het tweede lid regelt verder over welke feiten aangaande het financieel
                        beheer van de bedrijfsvoering de raad in de verplichte paragraaf
                        bedrijfsvoering geïnformeerd wordt.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 21. Verbonden partijen</tussenkop><al-groep><al>Artikel 21 stelt regels voor de verantwoordingsinformatie over de verbonden
                        partijen. De verantwoordingsinformatie wordt gesplitst. Het eerste lid
                        regelt, dat er een nota verbonden partijen aan de raad wordt aangeboden,
                        waarin op de stand van zaken van de verbonden partijen wordt ingegaan en de
                        raad de kaders voor het toekomstig beleid uiteen kan zetten. </al><al>Deze nota wordt minimaal eens in de vier jaar dus minimaal één keer per
                        raadsperiode door het college aan de raad aangeboden. </al><al>Gemeenten met niet al te veel verbonden partijen kunnen er voor kiezen in
                        het geheel geen nota over de verbonden partijen aan te bieden. Deze
                        gemeenten kunnen alles in de paragraaf verbonden partijen bij de begroting
                        en de jaarstukken aan de raad verantwoorden. In dat geval moet men artikel
                        20, lid 1 laten vervallen.</al><al>Artikel 21, lid 2 regelt over welke feiten aangaande het financieel beheer
                        van verbonden partijen de raad in elk geval in de verplichte paragraaf
                        verbonden partijen bij de begroting en jaarstukken geïnformeerd wil worden.
                        Hier kan de raad invulling geven aan zijn eigen informatiebehoefte over de
                        verbonden partijen. Wel schrijft het Besluit begroting en verantwoording
                        enige feiten verplicht voor die in de paragraaf moeten worden vermeld,
                        namelijk:</al></al-groep><lijst><li nr="a."><al>de visie op verbonden partijen in relatie tot de realisatie van de
                            doelstellingen die zijn opgenomen in de begroting;</al></li><li nr="b."><al>de beleidsvoornemens omtrent verbonden partijen.</al></li></lijst><al>Daar de begroting, jaarstukken en nota’s openbare stukken zijn, kan vermelding
                    van bepaalde in de verordening vereiste informatie de belangen van de gemeente
                    schaden. We kunnen bijvoorbeeld denken aan het voornemen om een financieel
                    belang af te stoten, hetgeen in bepaalde situaties de onderhandelingspositie van
                    de gemeente aantast. Deze gegevens neemt men vanzelfsprekend niet herkenbaar op
                    in de begroting, jaarstukken en openbare nota’s.</al><al>Ingevolge het Besluit begroting en verantwoording dient een lijst van verbonden
                    partijen te worden bijgehouden.</al><tussenkop>Artikel 22. Grondbeleid</tussenkop><al-groep><al>Een belangrijke taak van een gemeente is het daadwerkelijk ingrijpen in de
                        ruimtelijke ordening van een gemeente door zelf vastgoedlocaties te (laten)
                        ontwikkelen. De uitgangspunten van het financieel beleid ten aanzien van het
                        grondbeleid horen bij de raad thuis. Artikel 22, eerste lid, regelt, dat het
                        college eenmaal per raadsperiode een nota grondbeleid aan de raad aanbiedt
                        ter behandeling en vaststelling. In deze nota kan de raad de kaders
                        vaststellen voor het toekomstig grondbeleid. </al><al>Het tweede lid van artikel 22 schrijft de feiten voor aangaande het
                        grondbeleid waarover de raad in elk geval in de verplichte paragraaf
                        grondbeleid bij de begroting en jaarstukken moet worden geïnformeerd. Hier
                        kan de raad invulling geven aan zijn eigen informatiebehoefte over het
                        grondbeleid. Dit naast de verplichtingen die het Besluit begroting en
                        verantwoording voorschrijft. Het besluit schrijft voor:</al></al-groep><lijst><li nr="a"><al>een visie op het grondbeleid in relatie tot de realisatie van de
                            doelstellingen van de programma’s die zijn opgenomen in de
                            begroting;</al></li><li nr="b"><al>een aanduiding van de wijze waarop de gemeente het grondbeleid
                            uitvoert;</al></li><li nr="c"><al>een actuele prognose van de te verwachten resultaten van de totale
                            grondexploitatie;</al></li><li nr="d"><al>een onderbouwing van de geraamde winstneming;</al></li><li nr="e"><al>de beleidsuitgangspunten omtrent de reserves voor grondzaken in relatie
                            tot de risico’s van de grondzaken.</al></li></lijst><al>Daar de begroting, jaarstukken en nota’s openbare stukken zijn, kan vermelding
                    van bepaalde in de verordening geëiste informatie de belangen van de gemeente
                    schaden. We kunnen bijvoorbeeld denken aan het opnemen van de financiële
                    onderhandelingsruimte in de begroting voor de aankoop van een stuk grond.
                    Dergelijke informatie tast de onderhandelingspositie van de gemeente aan. Zulke
                    gegevens neemt men vanzelfsprekend niet herkenbaar op in de begroting,
                    jaarstukken en openbare nota’s.</al><tussenkop>Artikel 23. Verstrekking subsidies</tussenkop><al-groep><al>Een belangrijke uitgaande middelenstroom, die de kaderstellende rol en het
                        budgetrecht van de raad raakt, betreft de verstrekking van gemeentelijke
                        subsidies. Hiervoor is geen paragraaf bij de begroting en de jaarstukken
                        opgenomen. Artikel 4.23 Algemene wet bestuursrecht vereist dat een subsidie
                        slechts door een bestuursorgaan kan worden verstrekt op grond van een
                        wettelijk voorschrift. Het voorschrift moet regelen voor welke activiteiten
                        subsidies kunnen worden verstrekt. </al><al>Voor incidentele gevallen met een subsidieduur van ten hoogste vier jaar
                        geldt het bovengenoemde vereiste niet. Gemeenteraden hebben in de regel op
                        grond van deze wettelijke bepaling een subsidieverordening
                            vastgesteld<vet>.</vet></al><al>Artikel 23 regelt, dat de raad periodiek een nota ontvangt waarin het
                        college het voorgenomen beleid uiteenzet voor de verstrekking van subsidies
                        en een overzicht van de toegekende subsidies. De nota wordt eens per
                        raadsperiode aangeboden.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 24. Administratie</tussenkop><al>In artikel 24 worden de kaders gegeven voor de inrichting van administraties van
                    de gemeente. In hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens moeten worden
                    vastgelegd en aan welke eisen de vastgelegde gegevens moeten voldoen. Deze
                    verordening regelt niet – inherent aan het dualisme – de regels en activiteiten
                    die daarvoor in de uitvoering nodig zijn. Dat is een taak van het college. </al><al>Een en ander geldt ook voor artikel 25, 26 en 27.</al><tussenkop>Artikel 25. Financiële administratie</tussenkop><al>Een belangrijk onderdeel van de administratie is de financiële administratie.
                    Bij algemene maatregel van bestuur stelt het Rijk eisen aan de
                    verantwoordingsinformatie van gemeenten. In het Besluit begroting en
                    verantwoording zijn onder andere waarderingsgrondslagen, balansindeling en
                    verplicht op te leveren financiële gegevens vastgelegd. Vanuit de financiële
                    administratie moeten gegevens worden aangeleverd voor de financiële
                    verantwoordingsinformatie aan de raad, maar ook aan gedeputeerde staten, in hun
                    rol als toezichthouder, het rijk, de Europese Unie etc.</al><tussenkop>Artikel 26. Financiële organisatie</tussenkop><al-groep><al>In dit artikel worden uitgangspunten voor de inrichting van de financiële
                        organisatie gegeven, waaraan het college bij het stellen van regels voor de
                        ambtelijke organisatie invulling moet geven. De uitgangspunten vormen kaders
                        voor het college, waaraan hij zich moet houden.</al><al>In de onderdelen a en b worden eisen gesteld aan de toedeling van taken aan
                        organisatieonderdelen van de gemeente en de toewijzing van functies aan
                        functionarissen. In de onderdelen c t/m f worden eisen gesteld aan de
                        budgettoedeling en de verantwoording daarover.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 27. Aanbesteding en inkoop</tussenkop><al>De inkoop van goederen en diensten en de aanbesteding van werken zijn
                    belangrijke en kwetsbare activiteiten die een groot budgettair effect kunnen
                    hebben. Het hanteren van een protocol is naast de desbetreffende administratieve
                    aspecten tevens te zien als een vorm van risicobeheersing. </al><al>De aansprakelijkheid kan worden beperkt en er wordt jegens derden
                    rechtszekerheid gecreëerd. Artikel 27 legt aan het college de zorg op om regels
                    op te stellen voor de aanbesteding van werken en inkoop van goederen en
                    diensten. De regelgeving van de Europese Unie dient daarbij nageleefd te worden.
                    Doordat de regels worden vastgelegd kan de accountant bij zijn controle van de
                    jaarstukken nagaan of de interne regels (en de Europese regelgeving) zijn
                    nageleefd, het is een onderdeel van de rechtmatigheidstoets. De accountant
                    beoordeelt hiervoor eveneens het systeem van interne regels.</al><tussenkop>Artikel 28. Subsidieverstrekking en steunverlening </tussenkop><al>Een ander kwetsbare activiteit van gemeenten is de subsidieverlening en
                    steunverlening aan ondernemingen. Ook hiervoor is het hanteren van een protocol
                    te zien als een vorm van risicobeheersing. Daarnaast is op delen van deze
                    activiteit de Europese regelgeving inzake staatssteun van toepassing. </al><tussenkop>Artikel 29. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze verordening treedt in de plaats van de vorige op grond van het oude artikel
                    212 Gemeentewet opgestelde verordening. De wetgever heeft bepaald, dat de nieuwe
                    verordening artikel 212 Gemeentewet bij alle gemeenten op het begrotingsjaar
                    2004 van toepassing moet zijn. De oude verordening blijft nog van kracht op de
                    begroting en jaarrekening van 2003.</al><tussenkop>Artikel 30. Citeertitel</tussenkop><al>In dit artikel wordt de naam gegeven, waarmee men in de gemeentelijke stukken
                    naar deze verordening kan verwijzen.</al><tussenkop>Vaststelling</tussenkop><al-groep><al>De begroting 2004 moet voor 15 november 2003 zijn toegezonden aan
                        gedeputeerde staten (artikel 191 Gemeentewet) en dus moet de begroting voor
                        die datum door de raad zijn vastgesteld. </al><al>De nieuwe verordening 212 is van toepassing op de begroting 2004. De
                        wetgever heeft dan ook bepaald dat de nieuwe verordening 212 voor 15
                        november 2003 door de raad moet zijn vastgesteld. Daarnaast moet de
                        verordening binnen twee weken na vaststelling door de raad door het college
                        naar gedeputeerde staten worden verzonden (artikel 214 Gemeentewet).</al><al>De ondertekening van uitgaande stukken van de raad door de burgemeester is
                        in het nieuwe duale bestel gehandhaafd (artikel 75, lid 1 Gemeentewet). Door
                        de komst van de griffier zijn de taken van de gemeentesecretaris gewijzigd. </al><al>De secretaris hoeft niet meer aanwezig te zijn bij de vergaderingen van de
                        raad. Deze taak wordt overgenomen door de griffier (artikel 107b
                        Gemeentewet). Door deze wijziging is het niet meer de secretaris, die de
                        uitgaande stukken van de raad meeondertekent. De griffier moet de uitgaande
                        stukken van de raadsvergaderingen meeondertekenen (artikel 107c
                        Gemeentewet).</al></al-groep></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>