<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR97126_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Subsidieverordening Noordwijkerhout 2005</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Noordwijkerhout</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Noordwijkerhout</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Subsidieverordening Noordwijkerhout 2005</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-05-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Subsidieverordening Noordwijkerhout 2005</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMEEN DEEL</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="b."><al>activiteit: elke vorm van handelen door een instelling die
                                        de gemeente van belang acht;</al></li><li nr="c."><al>product: een concreet en meetbaar voortbrengsel van het
                                        handelen van een instelling;</al></li><li nr="d."><al>instelling: elke organisatie, niet zijnde een
                                        publiekrechtelijke instantie, die zich ten doel stelt het
                                        uitvoeren van een of meer activiteiten, waarvan het
                                        gemeentebestuur de ideële en/of materiële waarde voor de
                                        inwoners erkent;</al></li><li nr="e."><al>subsidieontvanger: elke instelling, waaraan door de gemeente
                                        subsidie wordt verstrekt;</al></li><li nr="f."><al>productsubsidie: een subsidie, waarbij het subsidiebedrag
                                        direct is gerelateerd aan een met de subsidieontvanger
                                        overeengekomen productie;</al></li><li nr="g."><al>exploitatiesubsidie: een subsidie, waarbij een instelling
                                        een bedrag krijgt toegewezen dat is afgestemd op het
                                        exploitatietekort van de instelling, nadat is gebleken dat
                                        ondersteuning van de instelling door middel van
                                        productsubsidie niet mogelijk of wenselijk is;</al></li><li nr="h."><al>waarderingssubsidie: een subsidie aan een instelling als
                                        zodanig ten behoeve van activiteiten, die burgemeester en
                                        wethouders van belang achten voor de plaatselijke bevolking,
                                        zonder deze activiteiten naar aard en inhoud te willen
                                        beïnvloeden;</al></li><li nr="i."><al>incidentele subsidie: een subsidie voor een eenmalige
                                        activiteit, die wordt verricht binnen twaalf maanden nadat
                                        de aanvraag is ingediend.</al></li><li nr="j."><al>Investeringssubsidie: een incidentele subsidie die wordt
                                        verstrekt ten behoeve van de aanschaf of bouw van
                                        accommodaties</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening is van toepassing op alle door de gemeente te
                                    verstrekken subsidies, tenzij bij of krachtens wettelijk
                                    voorschrift daarvan wordt afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening is niet van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>op gelden die ingevolge regelingen van het rijk of
                                            provincie door bemiddeling van de gemeente worden
                                            verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>op het verstrekken van donaties en het betalen van
                                            lidmaatschapsgelden en contributies door de
                                            gemeente.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Rechtspersoonlijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidies worden in beginsel slechts verstrekt aan instellingen
                                    die volledige rechtspersoonlijkheid bezitten, zoals bedoeld in
                                    boek 2 van het Burgerlijk wetboek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kunnen
                                    burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen ook subsidie
                                    verlenen aan natuurlijke personen of een groep van natuurlijke
                                    personen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien subsidie wordt verleend aan natuurlijke personen, zijn de
                                    in deze verordening opgenomen bepalingen, voorzover mogelijk,
                                    overeenkomstig van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Productsubsidiëring</titel></kop><al>Subsidiëring geschiedt in beginsel in de vorm van een
                                productsubsidie.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.2</nr><titel>Bevoegdheidsverdeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Bevoegdheden raad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad stelt jaarlijks op voorstel van burgemeester en
                                    wethouders tijdens de behandeling van de gemeentebegroting een
                                    subsidienota vast. Daarbij bepaalt de raad:</al><lijst><li nr="a."><al>de beleidsdoelen per beleidstaak;</al></li><li nr="b."><al>welke producten op grond van de beleidsdoelen voor
                                            subsidie in aanmerking komen;</al></li><li nr="c."><al>welke gronden worden gehanteerd voor de verstrekking van
                                            subsidie;</al></li><li nr="d."><al>eventueel welke specifieke voorschriften daarop van
                                            toepassing zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad kan, al dan niet per beleidstaak, een subsidieplafond
                                    vaststellen en daarbij bepalen hoe het beschikbare bedrag wordt
                                    verdeeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tenzij de raad daarvan bij afzonderlijk besluit afwijkt, gelden
                                    als subsidieplafond de in de gemeentebegroting of wijzigingen
                                    daarvan per onderwerp opgenomen inkomensoverdrachten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Bevoegdheden burgemeester en wethouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de uitvoering van
                                    deze verordening. Uitvoering houdt mede in het verlenen en
                                    vaststellen van subsidies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verstrekken subsidies indien en
                                    voorzover deze passen in het door de raad op grond van artikel 5
                                    bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen voorschotten verlenen als
                                    bedoeld in artikel 4:54 van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen toezichthouders als bedoeld in
                                    artikel 5:11 van de wet aanwijzen, die belast zijn met het
                                    toezicht op de naleving van de verplichtingen die zijn opgelegd
                                    aan de subsidieontvanger.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toezichthouders hebben niet de bevoegdheden, vermeld in de
                                    artikelen 5:18 en 5:19 van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Verslag</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders doen jaarlijks in de subsidienota verslag
                                aan de raad over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie
                                in de praktijk.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.3</nr><titel>Algemene verplichtingen van instellingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Participatie</titel></kop><al>Het bestuur van een instelling spant zich in om de deelnemers,
                                cliënten, vrijwilligers en beroepskrachten te betrekken bij het
                                beleid van de instelling. Deze participatie dient geregeld te zijn
                                in de statuten, het huishoudelijk reglement of een afzonderlijk
                                bestuursbesluit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Antidiscriminatie</titel></kop><al>Een instelling draagt binnen de doelstelling zorg voor het voorkomen
                                en het tegengaan van enige activiteit die discriminatie oplevert
                                wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras,
                                geslacht, burgerlijke staat, leeftijd, seksuele voorkeur, of op
                                welke grond dan ook.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Vrijwilligersbeleid</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Overleg en samenwerking</titel></kop><al>Instellingen nemen, indien daartoe noodzaak bestaat, deel aan
                                onderling overleg en samenwerking met de gemeente dan wel met door
                                burgemeester en wethouders aan te wijzen organen en
                                instellingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Toegankelijkheid accommodaties voor lichamelijk
                                    gehandicapten</titel></kop><al>Indien burgemeester en wethouders dat verlangen, zorgt een
                                instelling ervoor dat de gebruikte accommodatie bereikbaar,
                                toegankelijk en bruikbaar is voor lichamelijk gehandicapten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Statutenwijziging en wijziging bestuurssamenstelling</titel></kop><al>Een instelling brengt wijzigingen in de statuten en/of het
                                huishoudelijk reglement en in de samenstelling van het bestuur
                                binnen een maand na vaststelling ter kennis aan burgemeester en
                                wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Eisen aan de administratie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De instelling voert een zodanig ingerichte administratie, dat
                                    daaruit te allen tijde een overzicht kan worden verkregen van de
                                    producten, de bezittingen, de schulden, het eigen vermogen en de
                                    financiële resultaten van de instelling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De instelling houdt de administratie en de daartoe behorende
                                    bescheiden gedurende zeven jaar na afloop van het boekjaar
                                    beschikbaar.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>SUBSIDIEAANVRAAG, -VERLENING EN -VASTSTELLING</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Subsidieaanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Subsidieaanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een subsidieaanvraag wordt schriftelijk bij burgemeester en
                                    wethouders ingediend vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan
                                    het kalenderjaar waarvoor de aanvraag is bestemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een subsidieaanvraag gaat in ieder geval vergezeld van:</al><lijst><li nr="a."><al>een activiteitenplan;</al></li><li nr="b."><al>een begroting;</al></li><li nr="c."><al>een overzicht van de te heffen contributies en bijdragen
                                            en/of van de te hanteren tarieven of
                                            toegangsprijzen;</al></li><li nr="d."><al>een opgave van eventueel bij een of meer andere
                                            bestuursorganen aangevraagde subsidies voor dezelfde
                                            producten, onder vermelding van de stand van zaken met
                                            betrekking tot de beoordeling van die aanvraag of
                                            aanvragen;</al></li><li nr="e."><al>een verslag van de in het voorgaande boekjaar tot stand
                                            gebrachte producten met een beschrijving van de gevolgde
                                            werkwijze en van het verkregen resultaat;</al></li><li nr="f."><al>de balans op de laatste dag van het laatste voorafgaande
                                            boekjaar, met een opgave van de omvang van de algemene
                                            reserve en eventuele bestemmingsreserves.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een eerste subsidieaanvraag legt de instelling tevens
                                    over:</al><lijst><li nr="a."><al>de oprichtings- of stichtingsakte;</al></li><li nr="b."><al>de statuten;</al></li><li nr="c."><al>het huishoudelijk reglement;</al></li><li nr="d."><al>een opgave van de bestuurssamenstelling;</al></li><li nr="e."><al>een bewijs van inschrijving bij de Kamer van
                                            Koophandel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen:</al><lijst><li nr="a."><al>modellen vaststellen voor de bescheiden bedoeld in het
                                            tweede lid;</al></li><li nr="b."><al>richtlijnen vaststellen waaraan subsidieaanvragen en de
                                            financiële stukken dienen te voldoen;</al></li><li nr="c."><al>binnen een door hen te bepalen termijn overlegging van
                                            andere stukken of anderszins nadere informatie verlangen
                                            indien zij dat voor de beoordeling van de
                                            subsidieaanvraag nodig achten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen ambtshalve of op verzoek
                                    ontheffing van een of meer in het tweede en derde lid gestelde
                                    eisen indien de naleving daarvan redelijkerwijs niet kan worden
                                    verlangd of geen aanwijsbaar belang daarmee is gediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Activiteitenplan</titel></kop><al>Het activiteitenplan behelst een overzicht van de producten waarvoor
                                subsidie wordt gevraagd, de kwaliteit van de producten en het
                                geraamde aantal en de met het product nagestreefde doelstellingen en
                                vermeldt per product de daarvoor benodigde personele en materiële
                                middelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De begroting behelst een overzicht van de voor het boekjaar
                                    geraamde inkomsten en uitgaven van de aanvrager, voorzover deze
                                    betrekking hebben op de producten waarvoor subsidie wordt
                                    gevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begrotingsposten worden ieder afzonderlijk van een
                                    toelichting voorzien.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Naast het in het eerste lid genoemde overzicht geeft de
                                    begroting een vergelijking met de begroting van het lopende
                                    boekjaar en de gerealiseerde inkomsten en uitgaven van het jaar,
                                    voorafgaand aan het lopende boekjaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag vóór de
                                    periode, waarop de aanvraag betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de termijn tussen het moment, waarop de volledige
                                    gegevens rond de aanvraag zijn ontvangen en het begin van de
                                    periode, waarop de aanvraag betrekking heeft, minder dan dertien
                                    weken bedraagt, beslissen burgemeester en wethouders binnen
                                    dertien weken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Subsidieverlening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Subsidieverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen subsidie verlenen indien een
                                    aanvraag daartoe tijdig is ingediend. Wanneer een aanvraag te
                                    laat is ingediend kunnen burgemeester en wethouders gemotiveerd
                                    besluiten deze aanvraag alsnog in behandeling te nemen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen voor meerdere jaren subsidie
                                    verlenen, indien dit past in het door de raad op grond van
                                    artikel 5 bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders geven bij meerjarige
                                    subsidieverlening in de subsidiebeschikking aan op welke wijze
                                    de in het eerste jaar verleende subsidie en de op dat jaar
                                    betrekking hebbende contributies, bijdragen, tarieven en
                                    toegangsprijzen worden geïndexeerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen subsidie verlenen onder de
                                    voorwaarde dat een uitvoeringsovereenkomst wordt gesloten, als
                                    bedoeld in artikel 4:36 van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Egalisatiereserve</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen bij de subsidieverlening bepalen
                                dat de instelling een egalisatiereserve vormt. Artikel 4:72 van de
                                wet is hierbij op de egalisatiereserve van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Weigeringsgronden subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Naast de in de artikelen 4:25 en 4:35 van de wet genoemde
                                    gevallen kan de subsidie voorts worden geweigerd indien gegronde
                                    redenen bestaan om aan te nemen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de producten of activiteiten van de aanvrager niet
                                            gericht zullen zijn op de gemeente of niet aanwijsbaar
                                            ten goede komen aan de ingezetenen van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>de gelden niet of in onvoldoende mate besteed zullen
                                            worden voor het doel waarvoor de subsidie beschikbaar
                                            wordt gesteld;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager doelstellingen beoogt, activiteiten zal
                                            ontplooien of producten zal leveren die in strijd zijn
                                            met de wet, het algemeen belang of de openbare
                                            orde;</al></li><li nr="d."><al>de aanvrager ook zonder subsidieverstrekking over
                                            voldoende gelden, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit
                                            middelen van derden, kan beschikken om de kosten van de
                                            producten te dekken;</al></li><li nr="e."><al>de producten niet passen binnen het door de raad
                                            vastgestelde beleid, zoals bedoeld in artikel 5.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders stellen nadere richtlijnen vast
                                    omtrent het bepaalde in lid 1 en onder d.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Verplichtingen van de subsidieontvanger</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieontvanger dient per omgaande aan burgemeester en
                                    wethouders te berichten omtrent:</al><lijst><li nr="a."><al>ontwikkelingen die van belang zijn voor het door de
                                            gemeente te voeren beleid;</al></li><li nr="b."><al>ontwikkelingen die ertoe leiden of kunnen leiden dat
                                            producten niet kunnen worden geleverd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidieontvanger brengt het geheel of gedeeltelijk
                                    beëindigen van zijn activiteiten onverwijld ter kennis van
                                    burgemeester en wethouders.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Subsidievaststelling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Subsidievaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uiterlijk op 15 april volgend op het jaar waarvoor subsidie is
                                    verleend of na afloop van een jaar, indien het tijdvak meerdere
                                    jaren omvat, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot
                                    subsidievaststelling in, als bedoeld in artikel 4:44 van de wet,
                                    tenzij bij de subsidieverlening een andere termijn is
                                    gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer een aanvraag te laat is ingediend kunnen burgemeester en
                                    wethouders gemotiveerd besluiten deze aanvraag alsnog in
                                    behandeling te nemen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders stellen de subsidie vast binnen zes
                                    maanden nadat de aanvraag daartoe is ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de in het tweede lid vermelde
                                    termijn met ten hoogste drie maanden verlengen. Van deze
                                    verlenging doen zij mededeling aan de aanvrager.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Gegevens bij de aanvraag tot subsidievaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieontvanger voldoet aan de in artikel 4:45, eerste lid
                                    van de wet bedoelde verplichting door een door het bestuur
                                    gewaarmerkt verslag van de activiteiten te overleggen. Het
                                    verslag bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een omschrijving van de aard en de omvang van de
                                            producten of de activiteiten;</al></li><li nr="b."><al>een vergelijking tussen de nagestreefde en de
                                            gerealiseerde doelstellingen en een toelichting op de
                                            verschillen;</al></li><li nr="c."><al>(vervallen).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidieontvanger voldoet aan de in artikel 4:45, tweede lid
                                    van de wet bedoelde verplichting door een door het bestuur
                                    gewaarmerkte rekening van baten en lasten en een balans met
                                    toelichting daarop te overleggen. De rekening moet op dezelfde
                                    wijze zijn ingericht als de bij de aanvraag overgelegde
                                    begroting.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien zulks naar het oordeel van burgemeester en wethouders
                                    nodig is, legt de subsidieontvanger tevens een verklaring over
                                    van een registeraccountant of een
                                    accountant-administratieconsulent met gecertificeerde
                                    bevoegdheid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling geven van een of
                                    meer onderdelen van het eerste en tweede lid, indien naleving
                                    daarvan redelijkerwijs niet verlangd kan worden of daarmee geen
                                    aantoonbaar belang is gediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Tussentijdse rapportages</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de subsidieontvanger
                                    verplichten tussentijds:</al><lijst><li nr="a."><al>verslag uit te brengen over de voortgang van de
                                            werkzaamheden over een deel van de subsidieperiode;</al></li><li nr="b."><al>een financieel verslag op hoofdlijnen uit te brengen
                                            over de onder a bedoelde periode;</al></li><li nr="c."><al>een prognose te geven voor de rest van de periode.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van het bepaalde
                                    in het eerste lid nadere regels stellen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Intrekking en wijziging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Tussentijdse intrekking of wijziging
                                    subsidieverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Artikel 4:48 van de wet is van toepassing op de intrekking of
                                    wijziging van de subsidieverlening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een wijziging als in het eerste lid bedoeld betrekking
                                    heeft op artikel 4:48, eerste lid onder e van de wet, geven
                                    burgemeester en wethouders aan wat de gevolgen daarvan zijn voor
                                    de in de subsidieverlening aangegeven productie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Intrekking of wijziging subsidievaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Artikel 4:49 van de wet is van toepassing op de intrekking of
                                    wijziging van de subsidievaststelling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de in artikel 4:49. eerste lid van de wet vermelde gevallen,
                                    kunnen burgemeester en wethouders de subsidievaststelling ten
                                    nadele van de subsidieontvanger wijzigen door daarop een
                                    kortingspercentage toe te passen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.5</nr><titel>Exploitatiesubsidies</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Exploitatiesubsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 20, lid 2 worden exploitatiesubsidies
                                    maximaal voor een periode van één jaar toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In aanvulling op artikel 23 geldt voor de ontvanger van
                                    exploitatiesubsidies de verplichting om, indien gedurende het
                                    boekjaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te
                                    ontstaan tussen de werkelijke uitgaven en inkomsten en de
                                    begrote uitgaven en inkomsten, daarvan onverwijld mededeling te
                                    doen aan burgemeester en wethouders onder vermelding van de
                                    oorzaak van de verschillen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.6</nr><titel>Waarderingssubsidies</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Waarderingssubsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 20, lid 2 worden waarderingssubsidies
                                    maximaal voor een periode van één jaar toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de vaststelling van waarderingssubsidies gaat geen
                                    subsidieverlening vooraf.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op waarderingssubsidies zijn de artikelen 20, lid 3 en 4, 24 tot
                                    en met 27 niet van toepassing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.7</nr><titel>Incidentele subsidies</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Incidentele subsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, dient
                                    een aanvraag voor een incidentele subsidie, niet zijnde een
                                    investeringssubsidie, uiterlijk dertien weken voordat de
                                    activiteit plaatsvindt te worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op incidentele subsidies zijn de artikelen 20, tweede en derde
                                    lid, en 21 niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Investeringssubsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan instellingen, die op grond van deze verordening voor
                                    subsidie in aanmerking komen, kan een investeringssubsidie à
                                    fond perdu voor de kosten van stichting van een accommodatie,
                                    dan wel een garantie ten behoeve van de door de instelling voor
                                    het stichten van een accommodatie bij derden te sluiten lening
                                    worden verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag voor een investeringssubsidie is voorzien van een
                                    raming van de investeringskosten, een dekkingsplan, een
                                    gespecificeerde begroting met toelichting, een beschrijving van
                                    de geplande investeringen, een beschrijving van de
                                    huisvestingsbehoefte van de instelling, gekoppeld aan haar
                                    activiteiten en nagestreefde doelstellingen en een tekening van
                                    de te bouwen accommodatie.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>ONTBINDING, FUSIE EN BEËINDIGING VAN ACTVITEITEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Ontbinding, fusie, staken van activiteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Instelling brengt onverwijld ter kennis van burgemeester en
                                wethouders:</al><lijst><li nr="a."><al>het voornemen tot ontbinding van de instelling;</al></li><li nr="b."><al>het aangaan van een fusie of het anderszins aangaan van een
                                        vorm van samenwerking;</al></li><li nr="c."><al>het geheel of gedeeltelijk staken van activiteiten;</al></li><li nr="d."><al>een voorgenomen vervreemding of bestemmingswijziging van
                                        eigendommen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij liquidatie, bij het aangaan van een fusie of een andere vorm van
                                samenwerking of het geheel of gedeeltelijk staken van activiteiten,
                                zijn de voorschriften omtrent rekening en verantwoording, alsmede
                                die betreffende vaststelling van subsidie en verrekening van
                                voorschotten, van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voorzover een batig liquidatiesaldo mede door het verstrekken van
                                gemeentelijke subsidie is gevormd, kunnen burgemeester en wethouders
                                terugstorting van dit saldo in de gemeentekas verlangen tot het
                                bedrag dat in totaliteit aan subsidie is ontvangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Vermogensvorming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de gevallen vermeld in artikel 4:41, tweede lid van de wet,
                                alsmede indien de instelling die het subsidie ontving, fuseert of
                                anderszins een vorm van samenwerking aangaat, is de instelling aan
                                burgemeester en wethouders een vergoeding van de vermogenswaarden
                                verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wijze waarop de hoogte van de vergoeding wordt bepaald, wordt
                                vermeld in de beschikking tot subsidieverlening, -vaststelling of,
                                -beëindiging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van
                                de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het
                                tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande
                                dat, in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of
                                beschadiging van zaken, wordt uitgegaan van het bedrag dat als
                                schadevergoeding door de instelling wordt ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het onroerende zaken betreft, geschiedt waardebepaling door
                                een onafhankelijke deskundige.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>In bijzondere gevallen en voorzover toepassing van deze verordening zal
                            leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, kunnen burgemeester
                            en wethouders afwijken van het bepaalde in deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Uitleg van de verordening</titel></kop><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet of
                            onduidelijkheid is treffen burgemeester en wethouders de nodige
                            maatregelen en/of nemen zij de nodige beslissingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een subsidienota, als bedoeld in het eerste lid van artikel
                                5, ontbreekt beslist de raad op een subsidieaanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op subsidieaanvragen voor het subsidiejaar 2005 is deze verordening
                                van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn
                                verleend, zijn de bepalingen van de Subsidieverordening
                                Noordwijkerhout 2000 van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als Algemene Subsidieverordening
                            Noordwijkerhout 2005 en treedt zes weken na de dag van bekendmaking in
                            werking. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 27 mei 2004.</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de verordening</titel></kop><al>1.Algemeen</al><tussenkop>1.1 Awb als kader</tussenkop><al>Per 1 januari 1998 is titel 4.2 "Subsidies" van de Algemene wet bestuursrecht in
                    werking getreden. De Awb geldt ten opzichte van een gemeentelijke regeling of
                    verordening als hogere wetgeving. De subsidieverordening kan dus geen regels
                    bevatten, die in strijd zijn met de Awb. </al><al>Nu de Awb het algemene kader stelt, is de functie van de gemeentelijke
                    verordening beperkt tot aanvulling en invulling. Voor gebruikers, instellingen
                    en burgers kan hierdoor een onoverzichtelijke situatie ontstaan. Op subsidies
                    zijn zowel de Awb als de gemeentelijke verordening van toepassing, waarbij de
                    verordening aanvullend is op de bepalingen uit de Awb. Om het voor gebruikers zo
                    inzichtelijk mogelijk te maken zijn in de toelichting bij deze verordening
                    steeds de relevante bepalingen uit de Awb opgenomen. De Awb-bepalingen zijn
                    herkenbaar doordat ze in een kader zijn geplaatst.</al><al>De Awb bevat algemene regels over subsidiëring. Daarbij kent de Awb vier soorten
                    regels:</al><lijst><li nr="1."><al>dwingende bepalingen, waarvan de gemeente niet mag afwijken;</al></li><li nr="2."><al>gangbare bepalingen, die voor normale gevallen de beste regeling geven.
                            Van de gangbare regels mag worden afgeweken, indien daaraan de clausule
                            is verbonden: "tenzij bij wettelijke voorschrift anders is
                            bepaald";</al></li><li nr="3."><al>aanvullende regels, die gelden wanneer de gemeente niet zelf iets heeft
                            geregeld over het betreffende onderwerp;</al></li><li nr="4."><al>facultatieve regels, die pas gelden als deze uitdrukkelijk van
                            toepassing zijn verklaard in de verordening.</al></li></lijst><tussenkop>1.2 Verordening nodig als grondslag voor subsidies</tussenkop><al>De Awb schrijft voor dat een subsidie alleen kan worden verstrekt op grond van
                    een wettelijk voorschrift. Voor gemeenten is dat wettelijke voorschrift een
                    gemeentelijke subsidieverordening. Op het principe dat een subsidie alleen kan
                    worden verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift, bestaan twee
                    uitzonderingen:</al><lijst><li nr="1."><al>een wettelijke grondslag is niet nodig wanneer de gemeentebegroting
                            zowel de subsidieontvanger als het bedrag, waarop de subsidie ten
                            hoogste kan worden vastgesteld, vermeldt;</al></li><li nr="2."><al>in incidentele gevallen, mits de subsidie wordt verstrekt voor ten
                            hoogste vier jaar.</al></li></lijst><tussenkop>1.3 Terminologie</tussenkop><al>De in de Algemene Subsidieverordening gehanteerde terminologie is aangepast aan
                    die van de Awb. De verordening hanteert de volgende begrippen:</al><lijst><li nr="1."><al>Verlening: Dit is een besluit, waarbij de aanvrager aanspraak krijgt op
                            een bepaald subsidiebedrag.</al></li><li nr="2."><al>Weigering: Dit is het besluit, waarbij geen subsidie wordt verleend of
                            een bepaald product niet subsidiabel wordt verklaard.</al></li><li nr="3."><al>Vaststelling: De vaststelling volgt in de regel na de subsidieverlening.
                            Dit is het besluit, waarin de aanspraak op subsidie wordt omgezet in een
                            definitieve vaststelling. Door de vaststelling ontstaat aanspraak op
                            betaling van het vastgestelde bedrag.4. Verstrekking: Dit begrip omvat
                            het proces van subsidieverlening en - vaststelling.</al></li></lijst></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMEEN DEEL</titel></kop><al><vet>Paragraaf 1.1 Algemene bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>Subsidie: Het begrip "subsidie" ontbreekt in artikel 1, omdat de Awb hiervan
                        al een dwingende definitie geeft, die algemeen geldig is.</al><al/><al>Artikel 4:21 </al><al>1. Onder subsidie wordt verstaan: de aanspraak op financiële middelen, door
                        een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de
                        aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde
                        goederen of diensten.</al><al>2. Deze titel is niet van toepassing op aanspraken of verplichtingen die
                        voortvloeien uit een wettelijk voorschrift inzake belastingen of de heffing
                        van een premie dan wel een premievervangende belasting ingevolge de Wet
                        financiering volksverzekeringen.</al><al>3. Deze titel is niet van toepassing op de aanspraak op financiële middelen
                        die wordt verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift dat uitsluitend
                        voorziet in verstrekking aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn
                        ingesteld.</al><al>4. Deze titel is van overeenkomstige toepassing op de bekostiging van het
                        onderwijs en onderzoek.</al><al/><al>De Awb gaat uit van een materieel begrip: zodra aan de elementen van de
                        begripsomschrijving wordt voldaan, is sprake van subsidie. De
                        elementen:</al><al>1. aanspraak op financiële middelen. Van subsidie is alleen sprake indien
                        wettige betaalmiddelen overgaan, dus geld. Verstrekkingen in natura, zoals
                        het om niet of voor een lage prijs beschikbaar stellen van een accommodatie,
                        vallen niet onder het subsidiebegrip. Het gaat niet alleen om het
                        daadwerkelijk overhandigen van geld. De Awb spreekt immers over "aanspraak".
                        Dit betekent dat na een subsidietoekenning een rechtens afdwingbare,
                        voorwaardelijke aanspraak ontstaat op financiële middelen. Als de
                        gesubsidieerde de gevraagde prestatie heeft geleverd en aan alle
                        verplichtingen heeft voldaan, moet de gemeente tot betaling overgaan. Onder
                        deze definitie valt ook het garant staan door de gemeente voor de betaling
                        van bijvoorbeeld huurpenningen.</al><al>2. verstrekt door een bestuursorgaan. Onder bestuursorgaan wordt hier
                        verstaan het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad. Maar
                        ook organen van particuliere organisaties kunnen hieronder vallen, indien
                        zij subsidie verstrekken in het kader van de uitoefening van een publieke
                        taak. In deze verordening wordt onder bestuursorgaan verstaan: burgemeester
                        en wethouders.</al><al>3. met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager. De
                        bestedingsrichting van de verleende middelen moet zijn vastgelegd. Door de
                        aanduiding van de subsidievormen productsubsidie, exploitatiesubsidie en
                        waarderingssubsidie wordt hieraan voldaan.</al><al>4. geen betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.
                        Commerciële transacties vallen buiten het subsidie begrip. Als de ontvanger
                        van het geld een product levert aan een derde, is meestal sprake van een
                        subsidie. Als er geen sprake is van een transactie tussen de
                        subsidieontvanger en een derde, is dat een belangrijke aanwijzing dat er
                        geen sprake is van subsidie.</al><al/><al>- Activiteit: Het begrip "activiteit" is in de verordening opgenomen, omdat
                        dit begrip steeds wordt gebezigd in de Awb. Het is een ruim begrip, waar ook
                        prestaties of producten onder kunnen worden verstaan.</al><al>- Product: Wij gebruiken liever de term "product", omdat hiermee het wezen
                        van de budgetsubsidiëring beter wordt weergegeven en omdat hiermee de
                        gerichtheid op de output van de instelling duidelijker naar voren komt. Het
                        resultaat van alle bedrijvigheden van een instelling kan in producten wordt
                        aangegeven. Alle producten kunnen in principe voor subsidie in aanmerking
                        komen.</al><al>Producten zijn kostendragers, waaraan alle kosten worden toegerekend, zoals
                        personeelskosten, materialen, huren en overheadkosten. Het totaal van de
                        componenten geeft de kosten van een product aan. Het product is de kern van
                        de in deze verordening ingevoerd outputsubsidiëring: het budgetteren van
                        duidelijk omschreven en meetbare producten, activiteiten of prestaties.</al><al>De output van de instelling mag niet worden verward met de nagestreefde
                        output van het beleid, dat we beter outcome kunnen noemen, oftewel met het
                        bereiken van de vooraf gestelde beleidsdoelen. Het bereiken van
                        beleidsdoelen kan niet de basis zijn op grond waarvan wordt gebudgetteerd,
                        zeker niet in de welzijnssector. Voor een goede werking van budgettering is
                        het immers nodig dat de gevraagde prestatie duidelijk en meetbaar is. Het
                        oordeel of een beleidsdoel is bereikt bevat echter veelal subjectieve
                        elementen. De verlangde effecten zijn niet altijd goed en duidelijk te
                        omschrijven en zijn ook niet altijd objectief te meten. De budgethouder kan
                        ook niet in alle gevallen het bereiken van het beleidsdoel geheel
                        beïnvloeden. Er kunnen immers factoren buiten hem om zijn die ervoor zorg
                        dragen dat het beleidsdoel wel of niet wordt bereikt buiten zijn
                        inspanningen om, of juist het gebrek daaraan. De gemeente zal daarom zelf
                        moeten bepalen met welke producten de beleidsdoelen kunnen worden bereikt.
                        Over de levering van deze producten kunnen met derden afspraken worden
                        gemaakt, waarbij budgetten ter beschikking worden gesteld.</al><al>De verantwoordelijkheid voor het leveren van dat product ligt bij de
                        budgetontvanger. De verantwoordelijkheid of met het geleverde product ook
                        het beleidsdoel wordt bereikt is in hoofdzaak een zaak voor de
                        gemeente.</al><al>- Instelling: De definitie van een instelling is niet beperkt tot in de
                        gemeente gevestigde organisaties. De mogelijkheid moet bestaan ook andere
                        instellingen welke (mede) voor de plaatselijke bevolking werken voor het
                        subsidiëren van producten of voor een waarderingssubsidie in aanmerking te
                        laten komen. Met name in de maatschappelijke dienstverlening komen
                        dergelijke, regionaal werkende, instellingen voor. Omgekeerd betekent deze
                        ruime definitie natuurlijk niet dat nu iedere instelling, waar ook
                        gevestigd, voor subsidie in aanmerking komt. Recht op subsidie ontstaat pas
                        als daartoe is besloten.</al><al>- Subsidieontvanger: De definitie spreekt voor zich.</al><al>- Productsubsidie: De in de verordening opgenomen begripsomschrijving
                        spreekt voor zich. Productsubsidiëring is de kern van het subsidiebeleid.
                        Instellingen worden niet gesubsidieerd in de kosten, maar voor het leveren
                        van producten. Bij productsubsidie gaat het om een vooraf bepaald budget
                        voor vooraf in kwaliteit en kwantiteit beschreven producten, waarbij de
                        ontvanger vrij is in de besteding van het budget.</al><al>- Exploitatiesubsidie: Exploitatiesubsidiëring is een aanvullende
                        subsidievorm, waarbij de gemeente instellingen subsidieert, omdat
                        (vooralsnog) een duidelijke samenhang tussen de inzet van middelen en de
                        activiteiten, de doelstellingen en de voorzieningen ontbreekt. Niet de
                        activiteiten/geleverde prestaties van de instelling staan centraal, maar het
                        instandhouden van de instelling. </al><al>Deze subsidiemethode richt zich sterk op sturing op basis van input, waarbij
                        het financieel risico bij de gemeente ligt. De gemeente “zuivert” aan het
                        einde van het jaar het eventuele financiële tekort aan. Aan dit bezwaar kan
                        enigszins tegemoet gekomen worden door vooraf een maximum aan te geven voor
                        het subsidiabele exploitatietekort. Er is dan geen sprake van een volledige
                        blanco cheque. De gesubsidieerde instelling weet dat het tekort niet
                        onbeperkt mag oplopen en die wetenschap kan het kosten- en
                        opbrengstenbewustzijn enigszins stimuleren.</al><al>- Waarderingssubsidie: Waarderingssubsidies zijn van productsubsidies te
                        onderscheiden doordat ze niet direct betrekking hebben op het leveren van
                        een product en meer zijn gericht op een instelling als zodanig. Dat wil niet
                        zeggen dat de activiteiten van de instelling niet van belang zijn. De Awb
                        stelt immers in artikel 4:23 dat subsidies slechts worden verstrekt op grond
                        van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidies
                        kan worden verstrekt. Bij een waarderingssubsidie gaat het meer om het
                        geheel aan activiteiten van een instelling dan om concrete, gekwantificeerde
                        en kwalitatief beschreven producten. </al><al>Een waarderingssubsidie is een eenvoudige vorm van ondersteuning of
                        waardering, waarbij er geen direct verband hoeft te zijn de tussen de hoogte
                        van de subsidie en de gemaakte kosten. Een waarderingssubsidie wordt gegeven
                        als de gemeente geen behoefte heeft aan concrete sturing.
                        Waarderingssubsidies betreffen in het algemeen geringere bedragen. Door de
                        aard van deze subsidies zijn hierop niet alle bepalingen in deze verordening
                        van toepassing. Artikel 30 geeft dit aan.</al><al>- Incidentele subsidie: Incidentele subsidies kunnen zoals product- als
                        waarderingssubsidies zijn. Incidentele subsidies zijn voornamelijk bedoeld
                        voor nieuwe activiteiten en kennen een eenmalige karakter. </al><al>- Investeringssubsidie: De definitie spreekt voor zich.</al><al><vet>Artikel 2 Reikwijdte</vet></al><al>Deze verordening is in principe van kracht voor alle subsidies van de
                        gemeente. Het kan echter voorkomen dat er beleidstaken zijn die een andere
                        regeling behoeven. In deze gevallen zal er een specifieke verordening moeten
                        worden vastgesteld, die op die beleidstaak is toegesneden.</al><al><vet>Artikel 3 Rechtspersoonlijkheid</vet></al><al>Er is voor gekozen om subsidie in beginsel alleen te verstrekken aan
                        organisaties die als rechtspersoon naar burgerlijk recht zijn opgericht.
                        Reden voor deze keuze is dat de wettelijke oprichtingsvereisten en de
                        verplichte financiële verslaglegging van rechtspersonen, de gemeente in
                        staat stellen om een effectief financieel toezicht te houden op de besteding
                        van de overheidsgelden. Het resultaat voor de gemeente is dat zij haar
                        overheidsuitgaven beter kan beheersen en derhalve kan komen tot een
                        verantwoorde besteding van gemeenschapsgelden.</al><al>Het tweede lid van dit artikel geeft de bevoegdheid aan burgemeester en
                        wethouders om in bijzondere gevallen - en in afwijking van het eerste lid -
                        subsidies te verstrekken aan natuurlijke personen of groep van natuurlijke
                        personen. Bij de afweging of afwijking van het
                        rechtspersoonlijkheidsvereiste in het concrete geval is geëigend, speelt een
                        drietal afwegingen een rol, te weten:</al><al>- De mate waarin inzage in de financiële toestand van de subsidieaanvrager
                        kan worden gegeven;</al><al>- De mate waarin en de wijze waarop verantwoordelijkheid kan worden afgelegd
                        over de organisatie en de uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie
                        wordt aangevraagd;</al><al>- De waarde die aan de activiteiten kan worden gehecht.</al><al><vet>Artikel 4 Productsubsidiëring</vet></al><al>Uitgangspunt van de verordening is, dat zoveel mogelijk wordt gewerkt met
                        het systeem van productsubsidie. Met dit systeem kan het beste worden
                        gestuurd in de richting van de gemeentelijke beleidsdoelen, terwijl ook de
                        financiële risico's worden beheerst. </al><al>Niet altijd is het mogelijk of zinvol het systeem van productsubsidiëring te
                        volgen. Hierbij gaat het met name om die situaties, waarin:</al><al>- (vooralsnog) een duidelijke samenhang tussen de inzet van middelen en de
                        activiteiten, de doelstellingen en de voorzieningen ontbreekt. De
                        exploitatiesubsidie kan hier uitkomst bieden.</al><al>- het gemeentebestuur niet de behoefte heeft te sturen, maar meer belang
                        hecht aan het bestaan van (kleine) organisaties als zodanig. Hier is de
                        waarderingssubsidie de aangewezen subsidievorm. Deze subsidie wordt
                        gekenmerkt door eenvoudiger voorschriften en procedures.</al><al>Burgemeester en wethouders bepalen afhankelijk van de beleidsdoelstellingen
                        en het te subsidiëren product de subsidievorm.</al><al><vet>Paragraaf 1.2 Bevoegdheidsverdeling</vet></al><al>Algemeen uitgangspunt voor de bevoegdheidsverdeling is dat de gemeenteraad
                        op hoofdlijnen stuurt en burgemeester en wethouders zorgen voor de
                        uitvoering van het beleid. Dit uitgangspunt is in de verordening terug te
                        vinden: De raad zet de algemene beleidslijnen uit en bepaalt de
                        beleidsdoelen en (financiële) prioriteiten. De raad geeft ook aan met welke
                        producten zij verwacht dat de beleidsdoelen worden bereikt (zie ook de
                        toelichting bij artikel 1: "product"). De vastlegging van de grondslagen
                        voor subsidies in de verschillende beleidstaken behoort eveneens tot de taak
                        van de raad. Al deze zaken kan de raad per beleidstaak vastleggen in een
                        subsidienota. De nota wordt opgesteld aan de hand van:</al><al>- het politieke beleidsprogramma;</al><al>- het verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidies (zie
                        artikel 8);</al><al>- de (meerjaren)begroting.</al><al>De Subsidienota wordt op voorstel van burgemeester en wethouders tijdens de
                        behandeling van de gemeentebegroting vastgesteld en zal jaarlijks worden
                        bijgesteld aan de hand van nieuwe ontwikkelingen. Als de raad de nota heeft
                        vastgesteld en daarmee ook heeft bepaald welke producten moeten worden
                        geleverd om de gestelde doelen te bereiken, is het een taak voor het college
                        voor de uitvoering zorg te dragen. Daarom behoort de subsidieverstrekking
                        tot de taak van burgemeester en wethouders.</al><al><vet>Artikel 5 Bevoegdheden raad</vet></al><al>In het eerste lid wordt de hierboven beschreven bevoegdheid tot het
                        vaststellen van het beleid bij de raad gelegd. Deze vaststelling zal zodanig
                        moeten zijn, dat deze een maatstaf is voor het afwegen van
                        subsidieaanvragen. Uitgangspunt is, dat de raad jaarlijks voor iedere
                        beleidstaak het beleid (inclusief producten, grondslag en voorschriften)
                        opnieuw vaststelt/bijstelt. </al><al>In het tweede lid ligt de bevoegdheid voor de raad vast een subsidieplafond
                        te hanteren. De Awb biedt deze mogelijkheid in artikel 4:25. Voorwaarde is
                        dat de bevoegdheid bij verordening is geregeld. Het tweede lid van artikel 5
                        van de verordening voorziet in de wettelijke eisen. </al><al/><al>Artikel 4:22</al><al>Onder subsidieplafond wordt verstaan: het bedrag dat gedurende een bepaald
                        tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies
                        krachtens een bepaald wettelijk voorschrift.</al><al/><al>Artikel 4:25</al><al>1. Een subsidieplafond kan slechts bij of krachtens wettelijk voorschrift
                        worden vastgesteld.</al><al>2. Een subsidie wordt geweigerd voor zover door verstrekking van de subsidie
                        het subsidieplafond zou worden overschreden.</al><al>3. Indien niet tijdig, dan wel in bezwaar of beroep of ter uitvoering van
                        een rechterlijke uitspraak omtrent verstrekking wordt beslist, geldt de
                        verplichting van het tweede lid slechts voor zover zij ook gold op het
                        tijdstip, waarop de beslissing in eerste aanleg werd genomen of had moeten
                        worden genomen. </al><al/><al>Artikel 4:26</al><al>1. Bij of krachtens wettelijk voorschrift wordt bepaald hoe het beschikbare
                        bedrag wordt verdeeld.</al><al>2. Bij de bekendmaking van het subsidieplafond wordt de wijze van verdeling
                        vermeld.</al><al/><al>Artikel 4:27</al><al>1. Het subsidieplafond wordt bekendgemaakt voor de aanvang van het tijdvak
                        waarvoor het is vastgesteld.</al><al>2. Indien het subsidieplafond of een verlaging daarvan later wordt
                        bekendgemaakt, heeft deze bekendmaking geen gevolgen voor voordien
                        ingediende aanvragen. </al><al/><al>Artikel 4:28</al><al>Artikel 4:27, tweede lid, is niet van toepassing, indien: </al><al>a. de aanvragen voor het tijdvak waarvoor het subsidieplafond is vastgesteld
                        ingevolge wettelijk voorschrift moeten worden ingediend op een tijdstip
                        waarop de begroting nog niet is vastgesteld of goedgekeurd;</al><al>b. het een verlaging betreft die voortvloeit uit de vaststelling of
                        goedkeuring van de begroting, en</al><al>c. bij de bekendmaking van het subsidieplafond is gewezen op de mogelijkheid
                        van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen. </al><al/><al>Het hanteren van een subsidieplafond is facultatief. Een subsidieplafond is
                        een oplossing, indien het ontbreken van een toereikende begrotingspost niet
                        kan worden tegengeworpen aan de aanvrager, omdat de subsidieregeling een
                        ongeclausuleerde aanspraak op subsidie creëert. Dat kan bijvoorbeeld nuttig
                        zijn bij speciale potjes voor vernieuwende producten of activiteiten.</al><al/><al>De Awb geeft een aantal voorschriften rond een subsidieplafond. Een daarvan
                        is, dat de raad moet bepalen welk verdeelsysteem moet worden gehanteerd bij
                        een plafond. De raad is geheel vrij in de keuze. Het is bijvoorbeeld
                        mogelijk dat het principe van "wie het eerst komt, wie het eerst maalt"
                        wordt vastgelegd, of dat de raad als principe hanteert dat aanvragen voor
                        een bepaalde datum moeten worden ingediend, waarna een selectie plaatsvindt
                        aan de hand van vastgelegde criteria.</al><al><vet>Artikel 6 Bevoegdheden burgemeester en wethouders</vet></al><al>Burgemeester en wethouders voeren het door de raad vastgestelde beleid uit.
                        Daaruit volgt dat het college binnen de door de raad gestelde kaders is
                        belast met de verstrekking van subsidies en de uitvoering van de
                        verordening. Het is gebruikelijk dat op verleende subsidies voorschotten
                        worden verstrekt. De Awb eist hiervoor een wettelijk voorschrift. Het derde
                        lid van artikel 5 voorziet hierin. De nadere invulling van de
                        bevoorschotting wordt beschreven in de subsidienota. Uit de Awb blijkt dat
                        het besluit een voorschot al dan niet te verlenen een beschikking is. Daar
                        staan bezwaar en beroep tegen open.</al><al/><al>Artikel 4:54</al><al>1. Het bestuursorgaan kan de subsidieontvanger voorschotten verlenen, voor
                        zover dit bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald. </al><al>2. De beschikking tot voorschotverlening vermeldt het bedrag van het
                        voorschot, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.</al><al/><al>Artikel 4:55</al><al>1. Voorschotten worden overeenkomstig de voorschotverlening betaald.</al><al>2. De voorschotten worden binnen vier weken na de voorschotverlening
                        betaald, tenzij bij wettelijk voorschrift of bij de voorschotverlening
                        anders is bepaald.</al><al><vet>Artikel 7 Toezichthouders</vet></al><al>De Awb heeft in Hoofdstuk 5, Afdeling 5.1 een regeling voor toezichthouders.
                        Deze verordening sluit hier op aan door de mogelijkheid te creëren
                        toezichthouders aan te wijzen. De Awb geeft een uitgebreide opsomming van de
                        bevoegdheden van een toezichthouder en de verplichtingen van degene, op wie
                        toezicht wordt gehouden.</al><al/><al>In de artikelen 5:18 en 5:19 Awb worden aan de toezichthouder bevoegdheden
                        gegeven, die in het kader van subsidieverstrekking geen zin hebben. Daarom
                        worden deze bepalingen, met gebruikmaking van artikel 5:14 Awb, uitgesloten
                        in artikel 7, tweede lid.</al><al/><al>Artikel 5:11</al><al>Onder toezichthouder wordt verstaan: een persoon, bij of krachtens wettelijk
                        voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het
                        bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.</al><al/><al>Artikel 5:12</al><al>1. Bij de uitoefening van zijn taak draagt een toezichthouder een
                        legitimatiebewijs bij zich, dat is uitgegeven door het bestuursorgaan onder
                        verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is.</al><al>2. Een toezichthouder toont zijn legitimatiebewijs desgevraagd aanstonds. </al><al>3. Het legitimatiebewijs bevat een foto van de toezichthouder en vermeldt in
                        ieder geval diens naam en hoedanigheid.</al><al/><al>Artikel 5:13</al><al>Een toezichthouder maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover
                        dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.</al><al/><al>Artikel 5:14</al><al>Bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan dat de
                        toezichthouder als zodanig aanwijst, kunnen de aan de toezichthouder
                        toekomende bevoegdheden worden beperkt. </al><al/><al>Artikel 5:15</al><al>1. Een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde
                        apparatuur, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder
                        toestemming van de bewoner.</al><al>2. Zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke arm.</al><al>3. Hij is bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door
                        hem zijn aangewezen.</al><al/><al>Artikel 5:16</al><al>Een toezichthouder is bevoegd inlichtingen te vorderen.</al><al/><al>Artikel 5:17</al><al>1. Een toezichthouder is bevoegd inzage te vorderen van zakelijke gegevens
                        en bescheiden.</al><al>2. Hij is bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieën te maken.</al><al>3. Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden, is hij
                        bevoegd de gegevens en bescheiden voor dat doel voor korte tijd mee te nemen
                        tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs.</al><al/><al>Artikel 5:18</al><al>1. Een toezichthouder is bevoegd zaken te onderzoeken, aan opneming te
                        onderwerpen en daarvan monsters te nemen.</al><al>2. Hij is bevoegd daartoe verpakkingen te openen.</al><al>3. De toezichthouder neemt op verzoek van de belanghebbende indien mogelijk
                        een tweede monster, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is
                        bepaald.</al><al>4. Indien het onderzoek, de opneming of de monsterneming niet ter plaatse
                        kan geschieden, is hij bevoegd de zaken voor dat doel voor korte tijd mee te
                        nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs.</al><al>5. De genomen monsters worden voor zover mogelijk teruggegeven.</al><al>6. De belanghebbende wordt op zijn verzoek zo spoedig mogelijk in kennis
                        gesteld van de resultaten van het onderzoek, de opneming of de
                        monsterneming. </al><al/><al>Artikel 5:19</al><al>1. Een toezichthouder is bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken met
                        betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft.</al><al>2. Hij is bevoegd vervoermiddelen waarmee naar zijn redelijk oordeel zaken
                        worden vervoerd met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft,
                        op hun lading te onderzoeken.</al><al>3. Hij is bevoegd van de bestuurder van een vervoermiddel inzage te vorderen
                        van de wettelijk voorgeschreven bescheiden met betrekking waartoe hij een
                        toezichthoudende taak heeft.</al><al>4. Hij is bevoegd met het oog op de uitoefening van deze bevoegdheden van de
                        bestuurder van een voertuig of van de schipper van een vaartuig te vorderen
                        dat deze zijn vervoermiddel stilhoudt en naar een door hem aangewezen plaats
                        overbrengt.</al><al>5. Bij regeling van Onze Minister van Justitie wordt bepaald op welke wijze
                        de vordering tot stilhouden wordt gedaan.</al><al/><al>Artikel 5:20</al><al>1. Een ieder is verplicht aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde
                        redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan
                        vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. </al><al>2. Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht
                        zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor
                        zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit.</al><al><vet>Artikel 8 Verslag</vet></al><al>Artikel 4:24</al><al>Indien een subsidie op een wettelijk voorschrift berust, wordt ten minste
                        eenmaal in de vijf jaren een verslag gepubliceerd over de doeltreffendheid
                        en de effecten van de subsidie in de praktijk, tenzij bij wettelijk
                        voorschrift anders is bepaald.</al><al/><al>In artikel 8 wordt van deze bepalingen uit de Awb afgeweken om een betere
                        aansluiting te krijgen met de jaarlijkse cyclus. Het verslag is immers van
                        belang voor het opnieuw vaststellen van het beleid per beleidstaak. Zie
                        artikel 5, eerste lid, en de toelichting daarop.</al><al/><al><vet>Paragraaf 1.3 Algemene verplichtingen van instellingen</vet></al><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>In de artikelen 9 tot en met 11 staat aangegeven aan welke maatschappelijke
                        eisen aan een instelling moet voldoen om voor subsidie in aanmerking te
                        komen. Bij het aangaan van een subsidierelatie - welke volgens deze
                        verordening altijd van bepaalde duur zal zijn - zijn het belangrijke
                        toetsingspunten. Als een instelling niet voldoet aan deze criteria, zal in
                        beginsel geen relatie worden aangegaan. De artikelen 12 en 13 bevatten
                        algemene bepalingen, die de gemeente aan een instelling kan opleggen. In de
                        artikelen 14 en 15 worden verplichtingen opgelegd, die voor iedere
                        instelling die subsidie ontvangt, gelden.</al><al><vet>Artikel 9 Participatie</vet></al><al>Voor het democratisch functioneren van een instelling die gesubsidieerde
                        producten levert, zijn moeilijk algemene regels te geven. Natuurlijk is het
                        controleerbaar of de eigen regels waarnaar de instelling zich moet gedragen
                        op voldoende wijze in de interne democratische besluitvorming voorzien.
                        Daartoe is dit artikel geformuleerd. Belangrijker is echter de geest waarin
                        de regels worden uitgevoerd, de wijze waarop de instellingsorganen met
                        elkaar en met individuele leden, deelnemers aan of gebruikers van
                        activiteiten omgaan. Krijgt ieder wel de kans desgewenst mee te praten en te
                        denken over zaken die binnen de instelling leven? En wordt er omgekeerd wel
                        rekening mee gehouden dat inspraak een recht is en geen plicht mag worden?
                        Dit artikel geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid de instelling
                        hierop aan te spreken.</al><al><vet>Artikel 10 Antidiscriminatie</vet></al><al>Dit artikel is het anti-discriminatieartikel in de verordening. Indien
                        burgemeester en wethouders redelijkerwijs aanleiding hebben om te
                        veronderstellen dat er sprake is van discriminatie, zijn zij gerechtigd
                        daarnaar een onderzoek in te stellen. Indien de uitslag van het onderzoek
                        daar aanleiding voor geeft kunnen zij besluiten de subsidie in te
                        trekken.</al><al><vet>Artikel 11 Vrijwilligersbeleid</vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet>Artikel 12 Overleg en samenwerking</vet></al><al>Voor de voorbereiding en uitvoering van een integraal beleid en uit het
                        oogpunt van efficiency en effectiviteit is het nodig dat producten op elkaar
                        zijn afgestemd. Artikel 12 biedt de mogelijkheid instellingen te verplichten
                        hiertoe met andere organisaties te overleggen of samen te werken.</al><al><vet>Artikel 13 Toegankelijkheid accommodaties voor lichamelijk
                            gehandicapten</vet></al><al>Het spreekt voor zich dat in principe de producten die de gemeente afneemt
                        ten behoeve van de inwoners, ook toegankelijk zijn voor lichamelijk
                        gehandicapten. Toch is het niet altijd mogelijk die toegankelijkheid te
                        eisen, gelet op de aard van het product of van de daarvoor specifiek
                        benodigde omgeving.</al><al><vet>Artikel 14 Statutenwijziging en wijziging bestuurssamenstelling</vet></al><al>Het is van belang dat de gemeente direct op de hoogte wordt gesteld van
                        wijzigingen in de statuten of in het huishoudelijk reglement van een
                        instelling. Het is immers mogelijk dat hierdoor de doelstelling of de
                        werkwijze van een instelling zodanig verandert, dat de subsidiegrondslag
                        vervalt. Burgemeester en wethouders moeten dit kunnen beoordelen en zo nodig
                        stappen kunnen ondernemen.</al><al><vet>Artikel 15 Eisen aan de administratie</vet></al><al>Dit artikel heeft een gelijke strekking als artikel 4:69 van de Awb. Het
                        gaat hier om een bepaling uit de Afdeling 4.2.8 van de Awb (per boekjaar
                        verstrekte subsidies aan rechtspersonen), die facultatief is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>SUBSIDIEAANVRAAG, -VERLENING EN -VASTSTELLING</titel></kop><al><vet>Paragraaf 2.1 Subsidieaanvraag</vet></al><al><vet>Artikel 16 Subsidieaanvraag</vet></al><al>De procedure van afweging, besluitvorming, uitvoering en controle van te
                        subsidiëren producten start met de subsidieaanvraag. Deze aanvraag kan zowel
                        spontaan door de aanvrager worden gedaan als op verzoek van de gemeente
                        worden ingediend ("gevraagde offerte").</al><al>In lid 2 van artikel 16 wordt aangegeven, waaraan een subsidieaanvraag moet
                        voldoen. Naast de in dit artikel genoemde eisen, gelden ook de eisen die de
                        Awb stelt in Afdeling 4.1.1 rond de aanvraag van beschikkingen. De
                        belangrijkste bepaling is de volgende: </al><al/><al>Artikel 4:2</al><al>1. De aanvraag wordt ondertekend en bevat ten minste: </al><al>a. de naam en het adres van de aanvrager; </al><al>b. de dagtekening; </al><al>c. een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd. </al><al>2. De aanvrager verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor de
                        beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de
                        beschikking kan krijgen. </al><al/><al>De in lid 2 van artikel 16 gevraagde gegevens zijn noodzakelijk om de
                        aanvraag te beoordelen. De punten a, b, e en f spreken voor zich. Inzicht in
                        de contributies, bijdragen, tarieven en toegangsprijzen (punt c) is van
                        belang, omdat subsidies per definitie worden gegeven om producten
                        toegankelijk te maken voor bepaalde doelgroepen. Zie in dit verband tevens
                        artikel 22, lid 1 en onder d. </al><al>Voor de beoordeling van een subsidieaanvraag moeten burgemeester en
                        wethouders weten of ook andere overheden voor dezelfde producten een
                        aanvraag in behandeling hebben. Punt d vraagt hiernaar. Dit punt is
                        overgenomen uit de Awb, artikel 4:65 (facultatieve bepaling). </al><al>Niet in de opsomming is opgenomen de jaarrekening over het voorgaande
                        boekjaar. Dat is niet nodig, nu in artikel 18 is opgenomen dat de begroting
                        ook een vergelijking geeft met onder andere de gerealiseerde inkomsten en
                        uitgaven van het jaar, voorafgaand aan het lopende boekjaar.</al><al/><al>De informatie die wordt gevraagd in het derde lid, is van belang voor de
                        beoordeling van de aanvrager zelf. Met name kan hiermee inzicht worden
                        verkregen in het voldoen aan de artikelen 9 en 10. Ook is het van belang
                        naar de doelstelling van de organisatie te kijken. Deze behoeft niet
                        parallel te lopen met gemeentelijke (beleids)doelstellingen. De doelstelling
                        van de organisatie moet het natuurlijk wel mogelijk maken dat de offrerende
                        organisatie het aangeboden product tot stand brengt en mag het bereiken van
                        het resultaat, zoals de gemeente dat met het product beoogt, niet in de weg
                        staan.</al><al/><al>De leden 4 en 5 behoeven geen toelichting.</al><al><vet>Artikel 17 Activiteitenplan</vet></al><al>Dit artikel is geïnspireerd op het facultatieve artikel 4:62 uit de Awb.
                        Inzicht in de geplande productie is nodig om een aanvraag af te wegen tegen
                        het vastgestelde beleid als bedoeld in artikel 5, lid 1. Het zal hierbij
                        duidelijk zijn dat de eisen aan die aan een activiteitenplan worden gesteld
                        in het kader van een productsubsidie hoger zijn dan bij een
                        waarderingssubsidie, waarbij subsidiëring plaatsvindt om uiting te geven aan
                        de waardering voor het bestaan van een instelling, zonder haar
                        activiteiten/producten naar aard en inhoud te willen beïnvloeden.</al><al><vet>Artikel 18 Begroting</vet></al><al>Dit artikel is nagenoeg gelijk aan de facultatieve bepaling 4:63 in de
                        Awb.</al><al><vet>Artikel 19 Beslissingstermijn</vet></al><al>Het spreekt voor zich dat een beslissing nodig is vóór de periode, waarin de
                        producten moeten worden geleverd. Burgemeester en wethouders moeten een
                        redelijke termijn hebben om een aanvraag te kunnen beoordelen. Als een
                        aanvraag korter dan dertien weken voor de periode, waarop de aanvraag
                        betrekking heeft, is ingediend, wordt de beslistermijn op dertien weken
                        gesteld.</al><al>Als startpunt voor de termijnen wordt uitgegaan van het moment waarop de
                        volledige gegevens rond de aanvraag zijn ontvangen. Hierbij is artikel 4:4
                        uit Afdeling 4.1.1 (aanvraag van beschikkingen) van de Awb van belang:</al><al/><al>Artikel 4:5</al><al>1. Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift
                        voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte
                        gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag
                        of voor de voorbereiding van de beschikking, kan het bestuursorgaan
                        besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid
                        heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag
                        aan te vullen. </al><al>2. Indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of bescheiden
                        in een vreemde taal is gesteld en een vertaling daarvan voor de beoordeling
                        van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is,
                        kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de
                        aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan
                        gestelde termijn de aanvraag met een vertaling aan te vullen. </al><al>3. Indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of bescheiden
                        omvangrijk of ingewikkeld is en een samenvatting voor de beoordeling van de
                        aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan
                        het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de
                        aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan
                        gestelde termijn de aanvraag met een samenvatting aan te vullen. </al><al>4. Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager
                        bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de
                        daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.</al><al><vet>Paragraaf 2.2 Subsidieverlening</vet></al><al><vet>Artikel 20 Subsidieverlening</vet></al><al>Het eerste lid van artikel 20 is een nadere invulling van artikel 4:29 van
                        de Awb. Hierdoor wordt vastgelegd dat het regeling is, dat aan een
                        subsidievaststelling een subsidieverlening voorafgaat. Uit het eerste lid
                        volgt dat subsidieverlening achteraf niet mogelijk is.</al><al/><al>Artikel 4:29</al><al>Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald kan voorafgaand aan een
                        subsidievaststelling een beschikking omtrent subsidieverlening worden
                        gegeven, indien een aanvraag daartoe is ingediend voor de afloop van de
                        activiteit of het tijdvak waarvoor de subsidie wordt gevraagd.</al><al/><al>Hoe gaat de subsidieverlening nu in zijn werk?</al><al>Burgemeester en wethouders zullen allereerst toetsen of het in de
                        subsidieaanvraag aangeboden product (de “offerte”) helpt de gemeentelijke
                        beleidsdoelstellingen te bereiken. De vertaling van beleidsdoelstellingen
                        naar daarvoor noodzakelijke producten vindt plaats in de subsidienota (zie
                        artikel 5). Daarom zal de eerste toetsing daaraan kunnen plaatsvinden. Als
                        uit deze toetsing blijkt dat de gemeente is geïnteresseerd in de offerte,
                        kan zonodig budgetoverleg plaatsvinden. In dat overleg kan de offerte worden
                        toegelicht en kan worden bezien of de offerte zowel inhoudelijk als qua
                        gevraagde financiële middelen aanvaardbaar is. Hierbij zal een relatie
                        kunnen worden gelegd met de wensen en behoeften, zoals deze door de
                        betreffende bevolkingsgroep is geuit. Ten aanzien van de inhoud van de
                        aanbieding zal worden gelet op de kwantitatieve en op de kwalitatieve
                        aspecten. Voorts is het van belang dat de instelling rekening moet kunnen
                        houden met onderzoeksactiviteiten en productontwikkeling. Bij de beoordeling
                        kan de gemeente inhoudelijke en financiële kengetallen gebruiken. Omdat naar
                        maatwerk wordt gestreefd kunnen deze kengetallen echter geen keurslijf
                        vormen. Het moet mogelijk zijn dat hiervan gemotiveerd wordt afgeweken en
                        dat er dus andere afspraken worden gemaakt. Het overleg heeft dan ook het
                        karakter van onderhandelingen tussen twee partijen. Na het overleg kan
                        besluitvorming plaatsvinden. Indien voor dezelfde producten meerdere
                        offertes zijn gedaan, is onderlinge afweging van offertes van belang.</al><al/><al>Welke critria worden nu gehanteerd bij het beoordelen van offertes? Algemeen
                        criterium zal zijn dat de offrerende organisatie voldoet aan de eisen, welke
                        deze verordening stelt aan organisaties waar de gemeente zaken mee wil doen
                        (zie de artikelen 9 t/m 11). Verdere criteria zijn niet exact aan te geven.
                        Te denken valt hierbij aan beoordeling van prijs/kwaliteitverhouding en van
                        de inschatting van de mogelijkheden (met name aan de hand van tot dan
                        toegeleverde prestaties en de graad van personele deskundigheid) van de
                        offrerende organisatie. Ook is de vraag aan de orde of er nog andere
                        aanbieders zijn, of de gemeente niet al zaken doet met een andere
                        organisatie en of laatstgenoemde relatie al of niet tot tevredenheid stemt.
                        Het gaat kortom om afwegingen, die ook in ieder huishouden worden gemaakt
                        bij de beslissing tot aanschaffing van goederen of diensten.</al><al/><al>Het spreekt voor zich dat de gemeente niet de gehele financiële ruimte
                        vastlegt. Binnen de beschikbare middelen moet speelruimte beschikbaar
                        blijven voor onverwachte ontwikkelingen of het tussentijds bijstellen van
                        het beleid.</al><al/><al>Subsidies zijn een aanvullend middel om de producten aan de bevolking te
                        kunnen leveren. In theorie kan voor ieder product een kostendekkend tarief
                        aan de gebruiker worden berekend. Een aantal producten zal dan geen aftrek
                        meer vinden, terwijl andere producten niet meer voor de doelgroep bereikbaar
                        zijn. Om dit te voorkomen subsidieert de gemeente. Het is in dat geval niet
                        meer dan billijk dat de gemeente ook bepaalt welke eigen bijdrage of
                        contributie of welk tarief wel in rekening mag of moet worden gebracht.</al><al/><al>Afhankelijk van de subsidiesoort en het per beleidstaak vastgelegde beleid
                        kunnen burgemeester en wethouders voor meerdere jaren afspraken met
                        instellingen maken over de te leveren producten. Dit heeft voordelen:</al><al>- Niet ieder jaar hoeft overleg plaats te vinden (maar wel jaarlijke
                        controle en vaststelling);</al><al>- De instellingen hebben een perspectief op middellange termijn, waardoor
                        bijvoorbeeld meerjarenplanningen binnen een instelling mogelijk zijn en de
                        risico´s makkelijker kunnen worden opgevangen (zie egalisatiereserve).</al><al/><al>Meerjarige subsidieverlening vindt alleen plaats bij productsubsidies. In
                        het algemeen gaat dit gepaard met het afsluiten van een
                        uitvoeringsovereenkomst</al><al/><al>Het hier beschreven systeem is vastgelegd in de leden 2 en 3 van artikel 20.
                        Lid 2 is daarbij een uitwerking van artikel 4:32 van de awb.</al><al/><al>In het derde lid wordt indexering vastgelegd voor de jaren die volgen na het
                        eerste jaar, maar binnen de periode van subsidieverlening vallen. In de
                        verordening wordt geen algemene indexering voorgeschreven omdat de situatie
                        per instelling en product kan verschillen al naar gelang de benodigde inzet
                        om de producten te leveren. De kostenontwikkeling kan immers per
                        uitgavencategorie (personeel, huisvesting en de overige uitgaven)
                        verschillen. Door de gekozen formulering kan maatwerk worden geleverd. Het
                        is daarbij mogelijk dat burgemeester en wethouders een algemene gedragslijn
                        vaststellen, waarop uitzonderingen mogelijk zijn.</al><al/><al>In het vierde lid van artikel 20 krijgen burgemeester en wethouders de
                        bevoegdheid een uitvoeringsovereenkomst te sluiten, zoals bedoeld in artikel
                        4:36 van de awb.</al><al/><al>Artikel 4:36</al><al>1. Ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening kan een
                        overeenkomst worden gesloten.</al><al>2. Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de
                        subsidie zich daartegen verzet, kan in de overeenkomst worden bepaald dat de
                        subsidieontvanger verplicht is de activiteiten te verrichten waarvoor de
                        subsidie is verleend. </al><al/><al>In een tweetal situaties kan het voorkomen dat behoefte bestaat aan een
                        privaatrechtelijke overeenkomst ter uitvoering van de
                        subsidiebeschikking:</al><al>a. Bij subsidies in de vorm van kredieten of garanties bevat de
                        subsidieverlening naar inhoud elementen, die goed bij overeenkomst zijn te
                        regelen. Te denken valt aan de verplichting tot betaling van rente en
                        aflossing. Door de rechtsfiguur van de overeenkomst te kiezen kan ook de
                        subsidieontvanger zich verplichten en kan de verplichting worden
                        afgedwongen. In dit geval kunnen burgemeester en wethouders een beschikking
                        afgeven, waarin is opgenomen dat de subsidieontvanger moet meewerken aan de
                        totstandkoming van een overeenkomst van geldlening of borgtocht.</al><al>b. Een beschikking verplicht de ontvanger niet tot het verrichten van de
                        gesubsidieerde activiteit of het leveren van de gesubsidieerde producten.
                        Zij geeft alleen aan dat als de beschreven producten zijn geleverd in de
                        beschikking aangegeven kwantiteit en kwaliteit, recht ontstaat op de
                        toegezegde middelen. Voor de gemeente zal dit in een aantal gevallen te
                        vrijblijvend zijn. De gemeente wil bij essentieel geachte voorzieningen de
                        garantie dat de gevraagde producten ook daadwerkelijk worden geleverd. Het
                        kan dan nuttig zijn dat een overeenkomst wordt gesloten waarbij de ontvanger
                        van een subsidie zich verplicht de producten te leveren. De gemeente kan dan
                        zonodig in rechte nakoming van die verplichting vorderen. Het zal duidelijk
                        zijn dat deze situatie zich niet veel zal voordoen.</al><al/><al>Op de subsidieverlening is daarnaast een aantal dwingende artikelen van de
                        Awb van toepassing. Deze artikelen zijn op alle subsidieverleningen van
                        toepassing en zijn niet in de verordening worden opgenomen.</al><al>Artikel 4:30</al><al>1. De beschikking tot subsidieverlening bevat een omschrijving van de
                        activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend.</al><al>2. De omschrijving kan later worden uitgewerkt, voor zover de beschikking
                        tot subsidieverlening dit vermeldt.</al><al/><al>Artikel 4:31</al><al>1. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van de subsidie,
                        dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.</al><al>2. Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie
                        niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan
                        worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.</al><al/><al>Artikel 4:32</al><al>Een subsidie in de vorm van een periodieke aanspraak op financiële middelen
                        wordt verleend voor een bepaald tijdvak, dat in de beschikking tot
                        subsidieverlening wordt vermeld.</al><al/><al>Artikel 4:34</al><al>1. Voor zover een subsidie wordt verleend ten laste van een begroting die
                        nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, kan zij worden verleend onder de
                        voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.</al><al>2. De voorwaarde kan niet worden gesteld, voor zover zulks voortvloeit uit
                        het wettelijk voorschrift waarop de subsidie berust.</al><al>3. De voorwaarde vervalt, indien het bestuursorgaan daarop niet binnen vier
                        weken na de vaststelling of goedkeuring van de begroting een beroep heeft
                        gedaan.</al><al>4. Het beroep op de voorwaarde geschiedt bij een subsidie voor een
                        activiteit die door het bestuursorgaan ook in het voorafgaande
                        begrotingsjaar werd gesubsidieerd door een intrekking wegens veranderde
                        omstandigheden overeenkomstig artikel 4:50.</al><al>5. In andere gevallen geschiedt het beroep op de voorwaarde door een
                        intrekking overeenkomstig artikel 4:48, eerste lid.</al><al><vet>Artikel 21 Egalisatiereserve</vet></al><al>Bij budgettering liggen de risico´s bij de budgetontvanger. Hij zal immers
                        tegenvallers zelf moeten opvangen. Daar staat tegenover dat meevallers niet
                        behoeven te worden ingeleverd en naar eigen goeddunken kunnen worden
                        aangewend. Budgettering is dan ook alleen mogelijk als meevallers mogen
                        worden behouden om risico´s op te vangen. Daarom zal een egalisatiereserve
                        mogelijk en nodig zijn.</al><al/><al>Artikel 4:72</al><al>1. Indien dit bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is
                        bepaald, vormt de ontvanger een egalisatiereserve.</al><al>2. Het verschil tussen de vastgestelde subsidie en de werkelijke kosten van
                        de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend komt ten gunste
                        onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve.</al><al>3. De egalisatiereserve wordt zo hoog rentend en zo veilig als
                        redelijkerwijs mogelijk is belegd.</al><al>4. De van de egalisatiereserve genoten rente wordt aan de egalisatiereserve
                        toegevoegd.</al><al>5. In de gevallen bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, onderdelen c, d en e,
                        is de subsidie-ontvanger ter zake van de egalisatiereserve
                        vergoedingsplichtig naar evenredigheid van de mate waarin de subsidie aan de
                        egalisatiereserve heeft bijgedragen.</al><al/><al>In de verordening zijn geen directe beperkingen opgenomen ten aanzien van de
                        hoogte van de egalisatiereserve gedurende de looptijd van een meerjarige
                        subsidieperiode. Daar zijn de volgende redenen voor:</al><al>1. Het past niet in het systeem, waarbij instellingen eigen
                        verantwoordelijkheid dragen en de gemeente zich niet op de instelling richt
                        maar op de te leveren producten, dat de gemeente zich dan wel met een
                        beheersaspect van de instelling bemoeit;</al><al>2. de Awb geeft niet de mogelijkheid tussentijds reserves te begrenzen en af
                        te romen. Subsidies moeten overeenkomstig de verlening worden vastgesteld,
                        tenzij sprake is van de in artikel 4:46, lid 2, genoemde gevallen.</al><al/><al>Wel is het mogelijk dat de gemeente bij het beoordelen van een subsidie
                        aanvraag voor een nieuwe periode rekening houdt met het verloop van de
                        uitgaven in de vorige periode en met de mogelijkheden van de instelling zelf
                        de kosten geheel of gedeeltelijk te kunnen dragen. Zie hiervoor ook artikel
                        22, lid 1 en onder d.</al><al><vet>Artikel 22 Weigeringsgronden subsidie</vet></al><al>De weigeringsgronden zijn opgenomen in de artikelen 4:25 en 4:35 van de Awb.
                        Het betreft hier dwingend recht, waar niet van mag worden afgewezen. Artikel
                        4:25 Awb betreft de situatie, dat door de subsidieverstrekking het
                        subsidieplafond zou worden overschreden. De in artikel 4:35 Awb gegeven
                        weigeringsgronden mogen worden aangevuld. De invulling van artikel 22 is
                        limitatief.</al><al/><al>In artikel 22, lid 1 en onder d is opgenomen dat subsidie wordt geweigerd,
                        als kan worden aangenomen dat de aanvrager ook zonder subsidieverstrekking
                        over voldoende gelden, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van
                        derden, kan beschikken om de kosten van de producten te dekken. Hierbij
                        draait het bijvoorbeeld om de vraag hoeveel vermogen een instelling mag
                        hebben alvorens dit consequenties heeft voor de subsidieverstrekking. Om
                        duidelijkheid hierover te verschaffen stellen burgemeester en wethouders
                        nadere richtlijnen hieromtrent vast.</al><al/><al>Artikel 4:25</al><al>2. Een subsidie wordt geweigerd voor zover door verstrekking van de subsidie
                        het subsidieplafond zou worden overschreden.</al><al/><al>Artikel 4:35</al><al>1. De subsidieverlening kan in ieder geval worden geweigerd indien een
                        gegronde reden bestaat om aan te nemen dat: </al><al>a. de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;</al><al>b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden
                        verplichtingen; </al><al>c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal
                        afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven
                        en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van
                        belang zijn.</al><al>2. De subsidieverlening kan voorts in ieder geval worden geweigerd indien de
                        aanvrager: </al><al>a. in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                        verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking
                        op de aanvraag zouden hebben geleid, of</al><al>b. failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of
                        ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
                        toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is
                        ingediend.</al><al><vet>Artikel 23 Verplichtingen van de subsidieontvanger</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen verder toelichting.</al><al><vet>Paragraaf 2.3 Subsidievaststelling</vet></al><al><vet>Artikel 24 Subsidievaststelling</vet></al><al>In dit artikel wordt een termijn gesteld aan de indiening van een aanvraag
                        tot het vaststellen van de subsidie. Ook de gemeente is daarop aan een
                        afdoeningstermijn gebonden. Er kunnen zich situaties voordoen, waarbij de
                        gemeente voor de subsidievaststelling afhankelijk is van derden. Een
                        voorbeeld is de situatie, waarin de gemeente niet meer is dan een
                        doorgeefluik van Europese subsidies. In de toelichting op artikel 2 is reeds
                        aangegeven, dat in dergelijke situaties een aparte, op de situatie
                        toegesneden, verordening aanbeveling verdient. Het principe is dat de
                        vaststelling (voorheen dikwijls afrekening genoemd) geschiedt na afloop van
                        de subsidieperiode. Bij meerjarige subsidies zal ieder jaar vaststelling
                        over het verstreken jaar plaatsvinden. Dit laatste is als een uitwerking van
                        artikel 4:44, lid 1 onder b, opgenomen in het eerste lid van artikel
                        24.</al><al/><al>De Awb kent een aantal dwingende bepalingen omtrent de
                        subsidievaststelling:</al><al/><al>Artikel 4:42</al><al>De beschikking tot subsidievaststelling stelt het bedrag van de subsidie
                        vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde bedrag
                        overeenkomstig afdeling 4.2.7.</al><al/><al>Artikel 4:44</al><al>1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, dient de
                        subsidieontvanger na afloop van de activiteiten of het tijdvak waarvoor de
                        subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in,
                        tenzij: </al><al>a. de subsidie met toepassing van artikel 4:47, onderdeel a, ambtshalve
                        wordt vastgesteld;</al><al>b. bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald dat de
                        aanvraag wordt ingediend telkens na afloop van een gedeelte van het tijdvak
                        waarvoor de subsidie is verleend, of</al><al>c. de vaststelling van de subsidie bij een overeenkomst als bedoeld in
                        artikel 4:36, eerste lid, anders is geregeld.</al><al>2. Indien bij wettelijk voorschrift geen termijn is bepaald, wordt de
                        aanvraag tot vaststelling ingediend binnen een bij de subsidieverlening te
                        bepalen termijn.</al><al>3. Indien voor de indiening van de aanvraag tot vaststelling geen termijn is
                        bepaald of de aanvraag na afloop van de daarvoor bepaalde termijn niet is
                        ingediend kan het bestuursorgaan de subsidieontvanger een termijn stellen
                        binnen welke de aanvraag moet zijn ingediend.</al><al>4. Indien na afloop van deze termijn geen aanvraag is ingediend, kan de
                        subsidie ambtshalve worden vastgesteld.</al><al>AFDELING 4.2.7. BETALING EN TERUGVORDERING </al><al>Artikel 4:52</al><al>1. Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de subsidievaststelling betaald,
                        onder verrekening van de betaalde voorschotten.</al><al>2. Het subsidiebedrag wordt binnen vier weken na de subsidievaststelling
                        betaald, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.</al><al>3. Indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust, kan bij de
                        subsidieverlening, of, indien geen beschikking tot subsidieverlening is
                        gegeven, bij de subsidievaststelling, een andere termijn worden bepaald
                        waarbinnen het subsidiebedrag wordt betaald.</al><al/><al>Artikel 4:53</al><al>1. Het subsidiebedrag kan in gedeelten worden betaald, mits bij wettelijk
                        voorschrift is bepaald hoe de gedeelten worden berekend en op welke
                        tijdstippen zij worden betaald.</al><al>2. Indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust, kan het
                        subsidiebedrag in gedeelten worden betaald, mits bij de subsidieverlening,
                        of indien geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven, bij de
                        subsidievaststelling, is bepaald hoe de gedeelten worden berekend en op
                        welke tijdstippen zij worden betaald.</al><al/><al>Artikel 4:54</al><al>1. Het bestuursorgaan kan de subsidie-ontvanger voorschotten verlenen, voor
                        zover dit bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald. </al><al>2. De beschikking tot voorschotverlening vermeldt het bedrag van het
                        voorschot, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.</al><al/><al>Artikel 4:55</al><al>1. Voorschotten worden overeenkomstig de voorschotverlening betaald.</al><al>2. De voorschotten worden binnen vier weken na de voorschotverlening
                        betaald, tenzij bij wettelijk voorschrift of bij de voorschotverlening
                        anders is bepaald. </al><al/><al>Artikel 4:56</al><al>De verplichting tot betaling van een subsidiebedrag of een voorschot wordt
                        opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan aan de
                        subsidie-ontvanger schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden dat
                        er grond bestaat om toepassing te geven aan artikel 4:48 of 4:49, tot en met
                        de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking of wijziging is
                        bekendgemaakt of de dag waarop sedert de kennisgeving van het ernstige
                        vermoeden dertien weken zijn verstreken.</al><al/><al>Artikel 4:57</al><al>Onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en voorschotten kunnen worden
                        teruggevorderd voor zover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld, dan
                        wel de handeling als bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, onderdeel c, heeft
                        plaatsgevonden, nog geen vijf jaren zijn verstreken.</al><al/><al>De basis voor de vaststelling is het gegeven of het afgesproken product is
                        geleverd. Een kleiner productenpakket zal leiden tot een lager budget. Meer
                        producten zullen niet kunnen leiden tot verhoging van het budget. Indien
                        tenminste de begrote producten zijn geleverd wordt de subsidie vastgesteld
                        op het vooraf verleende budget. In het geval dat de geplande producten niet
                        of in mindere omvang zijn geleverd zal de subsidie evenredig worden
                        aangepast. Indien de instelling andere producten tot stand heeft gebracht
                        dan in de subsidieverlening is vastgelegd, worden deze bij de afrekening
                        buiten beschouwing gelaten. Het gaat dan immers niet om de gevraagde
                        producten.</al><al>Ook als de producten zijn geleverd die bij de subsidieverlening zijn
                        vastgelegd, is het onder bepaalde omstandigheden mogelijk dat de subsidie
                        lager wordt vastgesteld. Artikel 4:46 Awb geeft dat als volgt aan:</al><al/><al>Artikel 4:46</al><al>1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het
                        bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.</al><al>2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien: </al><al>a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben
                        plaatsgevonden;</al><al>b. de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden
                        verplichtingen;</al><al>c. de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en
                        de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking
                        op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of</al><al>d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit
                        wist of behoorde te weten.</al><al>3. Voor zover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de werkelijke
                        kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die
                        in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de
                        vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen.</al><al>In een aantal gevallen is ambtshalve vaststelling mogelijk volgens artikel
                        4:47 Awb:</al><al/><al>Artikel 4:47</al><al>Het bestuursorgaan kan de subsidie geheel of gedeeltelijk ambtshalve
                        vaststellen, indien: </al><al>a. bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening een termijn is
                        bepaald binnen welke de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld; </al><al>b. toepassing wordt gegeven aan artikel 4:44, vierde lid, of</al><al>c. de beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot
                        subsidievaststelling wordt ingetrokken of ten nadele van de ontvanger wordt
                        gewijzigd.</al><al><vet>Artikel 25 Gegevens bij de aanvraag tot subsidievaststelling</vet></al><al>Artikel 25 geeft aanvullende eisen op artikel 4:45 van de Awb.</al><al/><al>Artikel 4:45</al><al>1. Bij de aanvraag tot subsidievaststelling toont de aanvrager aan dat de
                        activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de aan de subsidie
                        verbonden verplichtingen, tenzij de subsidie voor de aanvang van de
                        activiteiten wordt vastgesteld.</al><al>2. Bij de aanvraag tot subsidievaststelling legt de aanvrager rekening en
                        verantwoording af omtrent de aan de activiteiten verbonden uitgaven en
                        inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang
                        zijn.</al><al><vet>Artikel 26 Tussentijdse rapportages</vet></al><al>Er kunnen zich situaties voordoen waarin het voor de gemeente belangrijk is
                        tussentijds op de hoogte te worden gesteld van de voortgang van de
                        werkzaamheden en van de financiële gang van zaken. Hiermee kan tijdig worden
                        ingespeeld op de ontwikkelingen. Het kan ook van belang zijn voor
                        tussentijdse rapportages aan de raad over de stand van zaken in de gehele
                        gemeentelijke huishouding (maraps en beraps).</al><al/><al>Met name bij exploitatiesubsidies, waarbij de financiële risico´s voor de
                        gemeente hoger zijn dan bij productsubsidies, is het voor de gemeente
                        belangrijk op de hoogte te zijn van financiële ontwikkelingen binnen de
                        gesubsidieerde instelling.</al><al><vet>Paragraaf 2.4 Intrekking en wijziging</vet></al><al><vet>Artikel 27 Tussentijdse intrekking of wijziging subsidieverlening</vet></al><al>Het is mogelijk verleende, maar nog niet vastgestelde subsidies in te
                        trekken of te wijzigen. Daartoe moet de facultatieve bepaling 4:48 uit de
                        Awb van toepassing worden verklaard. De meeste gevallen in artikel 4:48 van
                        de Awb kunnen worden beschouwd als “straf” voor de subsidieontvanger. Daar
                        kan worden volstaan met intrekking of wijziging.</al><al/><al>Anders ligt het bij intrekking of wijziging op grond van het feit dat er
                        onvoldoende middelen beschikbaar zijn gesteld. Dan zal de gemeente ook
                        moeten aangeven wat de gevolgen zijn van een subsidievermindering voor de
                        omvang en/of kwaliteit van de productie.</al><al/><al>Artikel 4:48</al><al>1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het bestuursorgaan de
                        subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen,
                        indien: </al><al>a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben
                        plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;</al><al>b. de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden
                        verplichtingen;</al><al>c. de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en
                        de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking
                        op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid;</al><al>d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit
                        wist of behoorde te weten, of</al><al>e. met toepassing van artikel 4:34, vijfde lid, een beroep wordt gedaan op
                        de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.</al><al>2. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de
                        subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is
                        bepaald.</al><al><vet>Artikel 28 Intrekking of wijziging subsidievaststelling</vet></al><al>De Awb biedt ook de mogelijkheid een subsidie alsnog te wijzigen of in te
                        trekken als de subsidievaststelling al heeft plaatsgevonden. De
                        mogelijkheden zijn beperkt en er worden strenge eisen gesteld. Meestal gaat
                        het omstandigheden, die de subsidieontvanger zelf heeft of had kunnen
                        beïnvloeden. Daarom geeft artikel 27 van de verordening de mogelijkheid in
                        deze gevallen een kortingspercentage als “straf” op te leggen.</al><al/><al>Artikel 4:49</al><al>1. Het bestuursorgaan kan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele
                        van de ontvanger wijzigen: </al><al>a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de
                        subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond
                        waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn
                        vastgesteld;</al><al>b. indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidieontvanger dit
                        wist of behoorde te weten, of</al><al>c. indien de subsidieontvanger na de subsidievaststelling niet heeft voldaan
                        aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.</al><al>2. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de
                        subsidie is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is
                        bepaald.</al><al>3. De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele
                        van de ontvanger worden gewijzigd indien vijf jaren zijn verstreken sedert
                        de dag waarop zij is bekendgemaakt dan wel, in het geval, bedoeld in het
                        eerste lid, onderdeel c, sedert de dag waarop de handeling in strijd met de
                        verplichting is verricht of de dag waarop aan de verplichting had moeten
                        zijn voldaan. </al><al/><al>De Awb kent nog de artikelen 4:50 en 4:51, die het bestuursorgaan
                        rechtstreekse bevoegdheid geven. Het is dwingend recht.</al><al/><al>Artikel 4:50 heeft net als artikel 4:48 betrekking op de situatie, dat het
                        bestuursorgaan de subsidie na de subsidieverlening, maar voor de
                        subsidievaststelling wil wijzigen of intrekken. Belangrijk verschil met
                        artikel 4:48 is echter, dat het bij artikel 4:50 gaat om situaties, waarbij
                        de subsidieontvanger geen verwijten kunnen worden gemaakt. Omdat in deze
                        gevallen de subsidieontvanger geen blaam treft, is wettelijk de verplichting
                        opgenomen dat eventuele schade wordt vergoed. Ook geeft de Awb aan dat een
                        redelijke termijn in acht moet worden genomen voor de intrekking of
                        wijziging.</al><al/><al>Het spreekt voor zich dat niet alleen de eventuele schade moet worden
                        vergoed, maar dat bij een wijziging tevens moet worden aangegeven wat de
                        gevolgen moeten zijn voor de bij de oorspronkelijke subsidieverlening
                        aangegeven productie.</al><al/><al>Artikel 4:50</al><al>1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het bestuursorgaan de
                        subsidieverlening met inachtneming van een redelijke termijn intrekken of
                        ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen: </al><al>a. voor zover de subsidieverlening onjuist is;</al><al>b. voor zover veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich in
                        overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de
                        subsidie verzetten, of</al><al>c. in andere bij wettelijk voorschrift geregelde gevallen. </al><al>2. Bij intrekking of wijziging op grond van het eerste lid, onderdeel a of
                        b, vergoedt het bestuursorgaan de schade die de subsidieontvanger lijdt
                        doordat hij in vertrouwen op de subsidie anders heeft gehandeld dan hij
                        zonder subsidie zou hebben gedaan.</al><al/><al>Ook artikel 4:51 Awb is essentieel. Hier wordt een redelijke termijn
                        voorgeschreven; in de gevallen waarin de subsidie wordt geweigerd nadat voor
                        dezelfde producten al drie of meer jaren subsidie is verstrekt. Als die
                        redelijke termijn nog niet is verstreken, wordt de subsidiëring voortgezet
                        gedurende de redelijke termijn. Daarbij kan de gemeente zich niet beroepen
                        op mogelijke overschrijding van het subsidieplafond (artikel 4:25).</al><al/><al>Artikel 4:51</al><al>1. Indien aan een subsidieontvanger voor drie of meer achtereenvolgende
                        jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde
                        voortdurende activiteiten, geschiedt gehele of gedeeltelijke weigering van
                        de subsidie voor een daarop aansluitend tijdvak op de grond, dat veranderde
                        omstandigheden of gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting of
                        ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, slechts met
                        inachtneming van een redelijke termijn. </al><al>2. Voor zover aan het einde van het tijdvak waarvoor subsidie is verleend
                        sedert de bekendmaking van het voornemen tot weigering voor een daarop
                        aansluitend tijdvak nog geen redelijke termijn is verstreken, wordt de
                        subsidie voor het resterende deel van die termijn verleend, zo nodig in
                        afwijking van artikel 4:25, tweede lid.</al><al><vet>Paragraaf 2.5 Exploitatiesubsidies</vet></al><al><vet>Artikel 29 Exploitatiesubsidies</vet></al><al>Omdat deze subsidiemethode zich sterk richt op sturing op basis van input,
                        waarbij het financieel risico bij de gemeente ligt, kan een
                        exploitatiesubsidie slechts voor een periode van één jaar worden toegekend.
                        Dit wil overigens niet zeggen dat een exploitatiesubsidie geen structureel
                        karakter kan hebben. Er zal echter wel jaarlijks aan de gemeente goedkeuring
                        van de nieuwe begroting gevraagd moeten worden. Het financiële risico voor
                        de gemeente legitimeert dit. De financiële zekerheid voor de instelling
                        wordt gewaarborgd door artikel 4:51 van de Awb.</al><al>De extra verplichting die is opgenomen is het tweede lid komt eveneens voort
                        uit het financiële risico voor de gemeente.</al><al><vet>Paragraaf 2.6 Waarderingssubsidies</vet></al><al><vet>Artikel 30 Waarderingssubsidies</vet></al><al>Als er geen behoefte is aan sturing van de output van een instelling heeft
                        het geen zin het in de verordening omschreven subsidiesysteem toe te passen.
                        Dat is ook niet het geval als de gemeente middelen beschikbaar wil stellen
                        uit waardering voor een organisatie of voor het instandhouden van een
                        organisatie zelf. In deze gevallen kan beter een waarderingssubsidie of
                        donatie worden gegeven. Hierbij is de inhoudelijke afweging eenvoudiger en
                        zijn de administratieve handelingen voor zowel de gemeente als de instelling
                        beperkter.</al><al/><al>Bij een waarderingssubsidie wordt geen directe tegenprestatie gevraagd en er
                        worden geen voorwaarden aan verbonden. Het gaat in feite om een gift,
                        waarbij de gemeente blijk geeft van haar waardering voor de activiteiten die
                        de ontvanger ontplooit. Om deze activiteiten op hun juiste waarde te
                        schatten wordt jaarlijks op grond van een aantal criteria de hoogte van de
                        subsidie vastgesteld. De waarderingssubsidie kan derhalve een structureel
                        karakter hebben. Ook hier geldt dat de financiële zekerheid voor de
                        instelling wordt gewaarborgd door artikel 4:51 van de Awb.</al><al/><al>Bij waarderingssubsidies vindt geen verantwoording en afrekening plaats. Wel
                        is het mogelijk een volgend verzoek om een waarderingssubsidie van een
                        instelling te weigeren als uit de overgelegde gegevens blijkt dat de
                        instelling de middelen in een voorafgaande periode niet nodig bleek te
                        hebben of activiteiten heeft verricht, welke een andere inhoud hebben dan
                        was aangegeven bij het subsidieverzoek voor die periode.</al><al/><al>Bij het al dan niet verstrekken van een waarderingssubsidie bestaat een
                        grote beleidsvrijheid. Waarderingssubsidies zijn mogelijk doordat de Awb in
                        artikel 4:29 (zie de toelichting bij artikel 20) de mogelijkheid openlaat om
                        bij wettelijk voorschrift te bepalen dat geen subsidieverlening plaatsvindt
                        voor subsidievaststelling.</al><al><vet>Paragraaf 2.7 incidentele subsidies</vet></al><al><vet>Artikel 31 Incidentele subsidies</vet></al><al>Incidentele subsidies zijn voornamelijk bedoeld voor nieuwe activiteiten en
                        kennen een eenmalige karakter. Daarom geeft artikel 29 aan dat een aantal
                        bepalingen uit de verordening niet van toepassing is op incidentele
                        subsidies.</al><al><vet>Artikel 32 Investeringssubsidies</vet></al><al>Met investeringssubsidies wordt beoogt om plaatselijke instellingen de
                        mogelijkheid te bieden om ten behoeve van hun activiteiten investeringen te
                        doen in accommodaties. De kaders voor deze subsidievorm zijn vastgelegd in
                        het accommodatiebeleid. </al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>ONTBINDING, FUSIE EN BEËINDIGING VAN ACTVITEITEN</titel></kop><al><vet>Artikel 33 Ontbinding, fusie, staken van activiteiten</vet></al><al>De leden 1 en 2 van dit artikel behoeven geen toelichting. Subsidie is in
                        principe een aanvullend middel voor een instelling om producten te kunnen
                        leveren. Indien bij liquidatie blijkt dat er een batig saldo is, terwijl de
                        instelling een of meer jaren subsidie heeft ontvangen, is subsidiëring dus
                        niet of niet geheel nodig geweest.</al><al>Het is dan ook redelijk dat de gemeente in een dergelijk geval het
                        liquidatiesaldo kan opeisen tot maximaal het bedrag dat aan subsidies is
                        ontvangen. Indien dan nog een saldo overblijft, heeft de instelling dat op
                        een andere wijze verkregen en komt het meerdere de gemeente niet toe.</al><al><vet>Artikel 34 Vermogensvorming</vet></al><al>In bijzondere situaties kunnen vermogensbestanddelen niet langer dienen om
                        het doel te verwezenlijken, waarvoor subsidie is verleend. In de Awb is een
                        facultatieve bepaling opgenomen (artikel 4:41) inzake vergoeding van
                        vermogensvorming. De mogelijkheden zijn gelimiteerd. In artikel 34 is deze
                        bepaling van toepassing verklaard.</al><al/><al>Artikel 4:41</al><al>1. In de gevallen, genoemd in het tweede lid, is de subsidieontvanger, voor
                        zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming,
                        daarvoor een vergoeding verschuldigd aan het bestuursorgaan, mits: </al><al>a. dit bij wettelijk voorschrift of, indien de subsidie niet op een
                        wettelijk voorschrift berust, bij de subsidieverlening is bepaald, en</al><al>b. daarbij is aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald. </al><al>2. De vergoeding is slechts verschuldigd indien: </al><al>a. de subsidieontvanger voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of
                        bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt; </al><al>b. de subsidieontvanger een schadevergoeding ontvangt voor verlies of
                        beschadiging van voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde
                        goederen;</al><al>c. de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd; </al><al>d. de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de
                        subsidie wordt beëindigd, of</al><al>e. de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden.3. De vergoeding
                        wordt vastgesteld binnen een jaar nadat het bestuursorgaan op de hoogte is
                        gekomen of kon zijn van de gebeurtenis die het recht op vergoeding deed
                        ontstaan, doch in ieder geval binnen vijf jaren na de bekendmaking van de
                        laatste beschikking tot subsidievaststelling.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><al><vet>Artikel 35 Hardheidsclausule</vet></al><al>Met deze bepaling krijgen burgemeester en wethouders de mogelijkheid om af
                        te wijken van de verordening. Van deze mogelijkheid moet spaarzaam gebruik
                        worden gemaakt. Er moet sprake zijn van een zo bijzonder geval, dat er bij
                        het opstellen van de verordening geen rekening mee is gehouden omdat het
                        niet voorzienbaar was. Bovendien moet sprake zijn van een apert onredelijk
                        besluit bij het strikt toepassen van de verordening.</al><al><vet>Artikel 36 Uitleg van de verordening</vet></al><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet of onduidelijkheid
                        is, treffen burgemeester en wethouders de nodige voorzieningen en/of nemen
                        zij de nodige beslissingen, een en ander mede in overleg met de betrokken
                        instelling.</al><al><vet>Artikel 37 Overgangsbepalingen</vet></al><al>Als de raad nog geen beleidsnota heeft vastgesteld als bedoeld in artikel 5,
                        danwel een bepaalde beleidstaak hierin (nog) niet hebben opgenomen, kunnen
                        burgemeester en wethouders ook niet voor uitvoering zorgdragen.
                        Subsidieaanvragen kunnen dan ook niet in het kader van het uitvoeren van
                        vastgesteld beleid worden afgehandeld. De bevoegdheid tot het beslissen op
                        subsidieaanvragen zal dan bij de raad moeten blijven liggen. Artikel 37,
                        eerste lid, regelt dit. Het tweede en derde lid behoeven geen
                        toelichting.</al><al><vet>rtikel 38 Citeertitel en inwerkingtreding</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>