<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR97070_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregel Besluit proceskosten bestuursrecht</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Woerden</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-04-13+02:00</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Woerden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Woerdense Courant 30 maart 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregel besluit proceskosten bestuursrecht</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=ALGEMENE WET BESTUURSRECHT">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gedelegeerde functionaris</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-03-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-04-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-09-23</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe beleidsregel</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2011/736</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiën en economie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregel Besluit proceskosten bestuursrecht</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> De gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, aanhef en
                        onderdeel b, Gemeentewet, van de gemeente Woerden, gelet op artikel 1:3,
                        vierde lid, Awb, artikel 7:15 Awb, artikel 2, eerste lid, aanhef en
                        onderdeel a, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het
                        Besluit proceskosten bestuursrecht juncto onderdeel C.1. van de bij dat
                        Besluit behorende bijlage; besluit; vast te stellen de “Beleidsregel Besluit
                        proceskosten bestuursrecht”</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel/></kop><al> 1. Voor de toepassing van de wegingsfactoren, die zijn genoemd in onderdeel
                        C.1. van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, wordt een
                        zaak in beginsel aangemerkt als gemiddeld, tenzij een zaak als zeer licht
                        dient te worden aangemerkt.</al><al> 2. Van een zeer lichte zaak is sprake indien:</al><al> 1. het om een pro forma bezwaarschrift zonder aanvulling gaat;</al><al> 2. het bezwaarschrift summier gemotiveerd is;</al><al> 3. het bezwaarschrift is voorzien van een standaardmotivering;</al><al> 4. de inhoud van het bezwaarschrift is gebaseerd op een bijgevoegd
                        taxatierapport;</al><al> 5. het bezwaarschrift zich uitsluitend richt op de volledigheid van het
                        taxatieverslag of op het ontbreken van een deugdelijke motivering zonder
                        nadere visie en onderbouwing van de waarde;</al><al> 6. het bezwaarschrift is gericht tegen het niet tijdig nemen van een
                        besluit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel/></kop><al> 1. De vergoeding van door een deskundige opgemaakt taxatierapport geldt dat
                        deze vergoeding wordt gebaseerd op de in dit artikel vermelde tijdsbesteding
                        en uurtarieven.</al><al> 2. Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van een door een
                        deskundige opgemaakt taxatierapport wordt uitgegaan van de volgende
                        tijdsbesteding:</al><al> a. maximaal 3 uren indien het taxatierapport betrekking heeft op een
                        onroerende zaak die dient tot woning, welk aantal wordt verhoogd met 1
                        indien de zaak inpandig is opgenomen;</al><al> b. maximaal 4 uren indien het taxatierapport betrekking heeft op een
                        onroerende zaak die niet dient tot woning en deze zaak is aan te merken als
                        een courante niet-woning, welk aantal wordt verhoogd met 1 indien de zaak
                        inpandig is opgenomen;</al><al> c. maximaal 5 uren indien het taxatierapport betrekking heeft op een
                        onroerende zaak die niet dient tot woning en deze zaak is aan te merken als
                        een incourante niet-woning, welk aantal wordt verhoogd met 1 indien de zaak
                        inpandig is opgenomen.</al><al> 3. Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van een door een
                        deskundige opgemaakt taxatierapport wordt uitgegaan van de volgende
                        uurtarieven:</al><al> a. maximaal € 40,00 exclusief BTW indien het taxatierapport betrekking
                        heeft op een onroerende zaak die dient tot woning, welk bedrag wordt
                        verhoogd met BTW indien de BTW op belanghebbende drukt;</al><al> b. maximaal € 50,00 exclusief BTW indien het taxatierapport betrekking
                        heeft op een onroerende zaak die niet dient tot woning en deze zaak is aan
                        te merken als een courante niet-woning, welk bedrag wordt verhoogd met BTW
                        indien de BTW op belanghebbende drukt;</al><al> c. maximaal € 60,00 exclusief BTW indien het taxatierapport betrekking
                        heeft op een onroerende zaak die niet dient tot woning en deze zaak is aan
                        te merken als een incourante niet-woning, welk bedrag wordt verhoogd met BTW
                        indien de BTW op belanghebbende drukt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel/></kop><al> Reis- en verblijfkosten van een belanghebbende kunnen voor vergoeding in
                        aanmerking komen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat reiskosten worden
                        vergoed op basis van een kaartje openbaar vervoer 2e klasse, tenzij de reis
                        (redelijkerwijs) per openbaar vervoer niet mogelijk is. In dat geval worden
                        de reiskosten vergoed tegen een bedrag van € 0,28 per kilometer. De hoogte
                        van de vergoeding van verblijfkosten wordt in goede justitie bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel/></kop><al> Verletkosten van een belanghebbende kunnen voor vergoeding in aanmerking
                        komen. De vergoeding van verletkosten vindt in beginsel plaats tegen de
                        werkelijke kosten, waarbij geldt dat het minimum bedrag per uur € 4,54 en
                        het maximum bedrag per uur € 53,09 bedraagt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel/></kop><al> Kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen,
                        internationale telexen, internationale telefaxen en internationale
                        telefoongesprekken kunnen voor vergoeding in aanmerking komen. De vergoeding
                        van deze kosten vindt in beginsel plaats tegen de werkelijke kosten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel/></kop><al> Een proceskostenvergoeding wordt eerst toegekend indien belanghebbende kan
                        aantonen dat de betreffende kosten daadwerkelijk op hem drukken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel/></kop><al> Het bedrag aan proceskostenvergoeding wordt overgemaakt op het
                        rekeningnummer van belanghebbende.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel/></kop><al> Deze beleidsregel treedt in werking op 11 april 2011.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel/></kop><al> Deze beleidsregel kan worden aangehaald als “Beleidsregel besluit
                        proceskosten bestuursrecht”.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Woerden, 24 maart 2011, </ondertekening><ondertekening> De in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde
                        gemeenteambtenaar, </ondertekening><ondertekening> Ing. B.W.J. de Bakker</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel>Toelichting behorende bij de Beleidsregel Besluit proceskosten
                        bestuursrecht</titel></kop><al> Inleiding</al><al> In toenemende mate wordt in bezwaarschriften, die zijn gericht tegen de in het
                    kader van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) genomen
                    (waarde)beschikkingen, op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb) een verzoek ingediend om vergoeding van proceskosten. Een
                    dergelijk verzoek dient te worden beoordeeld met inachtneming van het Besluit
                    proceskosten bestuursrecht. In artikel 1 van dit besluit worden de voor
                    vergoeding in aanmerking komende kosten limitatief opgesomd. In de
                    bezwaarschriften wordt vaak een verzoek ingediend voor vergoeding van kosten van
                    door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (artikel 1, onderdeel a,
                    besluit proceskosten bestuursrecht) en de kosten van een deskundige die een
                    verslag (lees: taxatierapport) heeft uitgebracht (artikel 1, onderdeel b,
                    Besluit proceskosten bestuursrecht). In de praktijk is niet altijd duidelijk op
                    welke wijze een vergoeding voor proceskosten wordt berekend. Deze beleidsregel
                    dient ervoor om aan deze onduidelijkheid een einde te maken. Hierna wordt per
                    artikel een nadere toelichting gegeven. Artikel 1</al><al> Ten aanzien van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende
                    rechtsbijstand geldt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht een
                    genormeerde kostenvergoeding. Daarbij wordt per zaak beoordeeld van welke van de
                    in dit besluit opgenomen proceshandelingen in bezwaar sprake is. Aan iedere
                    proceshandeling is een puntenwaardering toegekend. In bezwaar kunnen de volgende
                    proceshandelingen worden onderscheiden: 1. het indienen van een bezwaarschrift
                    1,0 punt</al><al> 2. het verschijnen bij een hoorzitting 1,0 punt</al><al> 3. het verschijnen bij een nadere hoorzitting 0,5 punt Ten aanzien van het
                    horen van een belanghebbende wordt het telefonisch horen in het kader van deze
                    beleidsregel niet aangemerkt als horen. Als gevolg daarvan wordt bij telefonisch
                    horen geen punt toegekend. Van horen is eerst sprake indien een hoorzitting
                    daadwerkelijk wordt bijgewoond. Het aantal punten wordt vermenigvuldigd met het
                    in het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen bedrag per punt. Vervolgens
                    dient een wegingsfactor voor de zaak te worden bepaald (variërend van zeer licht
                    tot zeer zwaar). Uit de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 15 augustus
                    2008, nr. 07/00181, LJN: BF0084, volgt dat de toepassing van de wegingsfactoren,
                    op grond van de toelichting op het Besluit proceskosten bestuursrecht, steeds in
                    overeenstemming moet zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de
                    zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener.
                    In deze beleidsregel is, met inachtneming van deze uitspraak, invulling gegeven
                    aan de toepassing van de wegingsfactoren. Op grond van deze beleidsregel is een
                    zaak in beginsel gemiddeld is, tenzij een zaak als zeer licht dient te worden
                    aangemerkt. Van een zeer lichte zaak is bijvoorbeeld sprake indien een
                    bezwaarschrift summier is gemotiveerd. Daarvan is onder meer sprake indien in
                    het bezwaarschrift: a. is aangevoerd dat de vastgestelde WOZ-waarde te hoog
                    is;</al><al> b. is verwezen naar de koopprijs van de betreffende onroerende zaak;</al><al> c. is aangevoerd dat sprake is van een onjuiste registratie van een
                    bijgebouw;</al><al> d. is aangevoerd dat sprake is van een onjuiste tenaamstelling;</al><al> e. is aangevoerd dat sprake is van een kenbare schrijffout in de
                    WOZ-beschikking;</al><al> f. uitsluitend wordt verwezen naar een bezwaarschrift, dat betrekking had op de
                    voor een ander kalenderjaar vastgestelde WOZ-waarde;</al><al> g. slechts wordt verwezen naar een lopende beroepsprocedure (waaronder mede
                    wordt begrepen hoger beroep en beroep in cassatie), die betrekking heeft op de
                    voor een ander kalenderjaar vastgestelde WOZ-waarde;</al><al> h. is aangevoerd dat niet tijdig een besluit is genomen. Nadat het aantal
                    punten is vermenigvuldigd met het bedrag per punt en de van toepassing zijnde
                    wegingsfactor dient nog te worden beoordeeld of sprake is van samenhangende
                    zaken. Daarvan is sprake indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1. de
                    bezwaarschriften zijn (nagenoeg) gelijktijdig door een of meer belanghebbenden
                    ingediend;</al><al> 2. de bezwaarschriften zijn tegen nagenoeg identieke besluiten ingediend;</al><al> 3. de bezwaarschriften zijn op vergelijkbare gronden ingediend;</al><al> 4. de bezwaarschriften zijn door een of meer personen ingediend, die deel
                    uitmaken van dezelfde organisatie en van wie de werkzaamheden in elk van de
                    zaken nagenoeg identiek konden zijn. Uit het arrest van de Hoge Raad van 1
                    oktober 2004, nrs. 37 851, 39 191 en 39 192, LJN: AR3090, volgt dat geen sprake
                    is van samenhangende zaken indien een gemachtigde in een geschrift bezwaar maakt
                    tegen de WOZ-waarde van verschillende onroerende zaken.</al><al> Verder volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2008, nr. 44 041,
                    LJN: BG7294, dat zaken die niet gegrond zijn niet als samenhangende zaken dienen
                    te worden aangemerkt. Indien sprake is van samenhangende zaken dient te worden
                    beoordeeld hoeveel zaken samenhangend zijn. Zijn dat er twee of drie dan wordt
                    het resultaat van de berekening van het aantal punten x het geldende tarief per
                    punt x de van toepassing zijnde wegingsfactor met factor 1 vermenigvuldigd.
                    Indien sprake is van 4 of meer samenhangende zaken wordt het resultaat van de
                    berekening van het aantal punten x het geldende tarief per punt x de van
                    toepassing zijnde wegingsfactor met factor 1,5 vermenigvuldigd. Artikel 2</al><al> Ten aanzien van de kosten van een deskundige die een verslag (lees:
                    taxatierapport) heeft uitgebracht, geldt dat de vergoeding van deze kosten wordt
                    vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de
                    Wet tarieven in strafzaken. Als gevolg daarvan geldt een maximum uurtarief van €
                    81,23 exclusief BTW.</al><al> In de praktijk wordt vaak een taxatierapport overgelegd, waarbij wordt verzocht
                    om de kosten van dit rapport te vergoeden. Ten einde te beoordelen of de kosten
                    van een taxatierapport redelijk zijn, is een onderzoek verricht naar de kosten
                    en tijdsbesteding van een taxatie in</al><al> Nederland. Daarbij is navraag gedaan bij verschillende organisaties, die
                    taxaties verrichten.</al><al> Uit voornoemd onderzoek blijkt dat in hoofdlijnen veelal wordt uitgegaan van de
                    volgende tijdsbesteding: a. 3 uren indien het taxatierapport betrekking heeft op
                    een onroerende zaak die dient tot woning, welk aantal wordt verhoogd met 1
                    indien de zaak inpandig is opgenomen;</al><al> b. 4 uren indien het taxatierapport betrekking heeft op een onroerende zaak die
                    niet dient tot woning en deze zaak is aan te merken als een courante
                    niet-woning, welk aantal wordt verhoogd met 1 indien de zaak inpandig is
                    opgenomen;</al><al> c. 5 uren indien het taxatierapport betrekking heeft op een onroerende zaak die
                    niet dient tot woning en deze zaak is aan te merken als een incourante
                    niet-woning, welk aantal wordt verhoogd met 1 indien de zaak inpandig is
                    opgenomen.</al><al> Verder blijkt uit een uitspraak van Rechtbank Amsterdam van 20 december 2010,
                    nr. AWB</al><al> 101/386, LJN: BO8903, dat de taxatiewerkzaamheden niet van zodanig
                    wetenschappelijke of bijzondere aard zijn dat daaraan het maximumtarief dient te
                    worden toegekend.</al><al> De rechtbank acht een uurtarief van € 40,61 exclusief BTW niet onredelijk. Op
                    basis van deze</al><al> uitspraak alsmede gelet op voornoemd onderzoek zijn in deze beleidsregel de
                    volgende</al><al> uurtarieven opgenomen: a. € 40,00 exclusief BTW indien het taxatierapport
                    betrekking heeft op een onroerende zaak die dient tot woning, welk bedrag wordt
                    verhoogd met BTW indien de BTW op belanghebbende drukt;</al><al> b. € 50,00 exclusief BTW indien het taxatierapport betrekking heeft op een
                    onroerende zaak die niet dient tot woning en deze zaak is aan te merken als een
                    courante niet-woning, welk bedrag wordt verhoogd met BTW indien de BTW op
                    belanghebbende drukt;</al><al> c. € 60,00 exclusief BTW indien het taxatierapport betrekking heeft op een
                    onroerende zaak die niet dient tot woning en deze zaak is aan te merken als een
                    incourante niet-woning, welk bedrag wordt verhoogd met BTW indien de BTW op
                    belanghebbende drukt. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 1999,
                    nr. 34 442, Belastingblad 1999, blz. 621, dient BTW te worden vergoed, indien de
                    BTW op belanghebbende drukt. Voornoemde uurtarieven worden ook gehanteerd indien
                    een deskundige daadwerkelijk een hoorzitting bijwoont. Het van toepassing zijnde
                    uurtarief wordt in dat geval vermenigvuldigd met het aantal uren dat met de
                    hoorzitting is gemoeid. Ten aanzien van de vergoeding van de kosten van een
                    deskundige die een verslag (lees: taxatierapport) heeft uitgebracht, wordt nog
                    opgemerkt dat op grond van de uitspraken van onder andere Rechtbank Amsterdam
                    van 30 november 2006, nr. 06/1171, LJN: AZ4881 en Rechtbank Arnhem van 28
                    december 2010, nr. AWB 10/454, LJN: BP1769, niet relevant is</al><al> of de betreffende deskundige bij hetzelfde bedrijf werkzaam is als de derde die
                    beroepsmatig rechtsbijstand verleent. In dat geval is het denkbaar dat het
                    moeilijker is om na te gaan of de kosten die als deskundigenkosten worden
                    opgevoerd uitsluitend samenhangen met de</al><al> ingeschakelde taxatietechnische expertise dan wel dat deze kosten (mede)
                    betrekking hebben op kosten van advisering van rechtskundige aard, waarvan de
                    vergoeding reeds begrepen is in de kostenvergoeding voor beroepsmatig verleende
                    rechtsbijstand. Deze omstandigheid leidt ertoe dat de kosten van de deskundige
                    zorgvuldig moeten worden</al><al> onderscheiden. Als gevolg daarvan wordt op grond van deze beleidsregel een
                    nadere onderbouwing verlangd van de kosten die als deskundigenkosten worden
                    opgevoerd. Artikel 3</al><al> Ten aanzien van reis- en verblijfkosten van een belanghebbende geldt dat
                    reiskosten worden vergoed op basis van een kaartje openbaar vervoer 2e klasse,
                    tenzij de reis (redelijkerwijs) per openbaar vervoer niet mogelijk is. In dat
                    geval worden de reiskosten vergoed tegen een bedrag van € 0,28 per kilometer. Op
                    grond van de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 26 mei 2004, nr. 02/04617,
                    LJN: AP1069, wordt de hoogte van de vergoeding van verblijfkosten in goede
                    justitie bepaald. Op grond van deze beleidsregel worden daarbij in beginsel de
                    werkelijk gemaakte kosten vergoed, mits deze kosten redelijk (dat wil
                    zeggen</al><al> niet bovenmatig) zijn. Artikel 4</al><al> Van verlet is sprake indien een belanghebbende verlof dient te nemen om
                    bijvoorbeeld een hoorzitting bij te wonen. De vergoeding van verletkosten vindt
                    in beginsel plaats tegen de werkelijke kosten, waarbij geldt dat het minimum
                    bedrag per uur € 4,54 en het maximum bedrag per uur € 53,09 bedraagt. Artikel
                    5</al><al> Kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale
                    telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken kunnen
                    voor vergoeding in aanmerking komen. De vergoeding van deze kosten vindt in
                    beginsel plaats tegen de werkelijke kosten. Artikel 6</al><al> Uit jurisprudentie (bijvoorbeeld Hoge Raad 25 april 2008, nr. 43 815, LJN:
                    BD0464) volgt dat een proceskostenvergoeding eerst wordt toegekend indien
                    belanghebbende kan aantonen dat de betreffende kosten daadwerkelijk op hem
                    drukken. Om dit te kunnen beoordelen, kan</al><al> van een belanghebbende worden verlangd dat de door hem gevraagde
                    kostenvergoeding wordt onderbouwd met facturen en betalingsbewijzen. Artikel
                    7</al><al> Op grond van artikel 4:89, eerste lid, van de Awb kan belanghebbende als
                    schuldeiser een bankrekeningnummer aanwijzen, waarop de betaling dient plaats te
                    vinden. Uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken 2003-2004, 29702, nr. 3, p.
                    37) blijkt dat het daarbij gaat om een aangewezen bankrekening ten name van
                    belanghebbende. Als gevolg daarvan wordt het bedrag aan proceskostenvergoeding
                    overgemaakt op het rekeningnummer van belanghebbende. Artikel 8</al><al> Deze beleidsregel treedt met ingang van de achtste dag na de dag van
                    bekendmaking van de beleidsregel in werking. Artikel 9</al><al> Deze beleidsregel kan worden aangehaald als “Beleidsregel besluit proceskosten
                    bestuursrecht”.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>