<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR97000_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Monumentenverordening 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Harderwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-04-14</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Harderwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Het Kontakt 13 april 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Monumentenverordening 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0004471">gelet op; artikel 149 gemeentewet, artikel 12,14, 15 en 38 Monumentenwet 1988 en artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht overwegende dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen tot behoud van cultuurhistorisch erfgoed</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005416">Monumentenwet 1988</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0024779">Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-04-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-04-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-09-28</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>B11.000304</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De op grond van de onder artikel 33 ingetrokken monumentenverordening 2010 aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening</al><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in artikel 33 ingetrokken verordening.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Monumentenverordening 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Harderwijk;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 8 februari 2011</al><al>gelet op; artikel 149 gemeentewet, artikel 12,14, 15 en 38 Monumentenwet
                        1988 en artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht </al><al>overwegende dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen tot behoud van
                        cultuurhistorisch erfgoed</al><al>b e s l u i t:</al><al>vast te stellen de volgende:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>– Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen Deze verordening verstaat
                                onder:</titel></kop><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk monument aangewezen:</al><lijst><li nr="1."><al>zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                            waarde; </al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak als bedoeld onder 1; </al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                    gemeentelijk monument of als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht
                                    aangewezen zaken en terreinen zoals bedoeld onder a of f; </al></li><li nr="c."><al>rijksmonument: onroerend monument dat is ingeschreven in de
                                    ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers; </al></li><li nr="d."><al>kerkelijke monumenten; monumenten welke eigendom zijn van een
                                    kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam
                                    waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander
                                    genootschap op geestelijke grondslag en welke uitsluitend of
                                    voor een overwegend deel worden gebruikt voor het gezamenlijk
                                    belijden van de goddienst of levensovertuiging;</al></li><li nr="e."><al>stads- of dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken of
                                    terreinen die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid,
                                    hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun
                                    wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groep
                                    zich een of meer monumenten bevinden; </al></li><li nr="f."><al>gemeentelijk stads- of dorpsgezicht: stads- of dorpsgezicht, dat
                                    overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als beschermd
                                    gemeentelijk stads- of dorpsgezicht is aangewezen; </al></li><li nr="g."><al>selectiecriteria: door het college vastgestelde begrippen,
                                    waarmee de onder a en f bedoelde termen concreet worden gemaakt;
                                </al></li><li nr="h."><al>monumentencommissie: de op basis van art. 15, lid 1
                                    Monumentenwet 1988 door het college ingestelde commissie met als
                                    taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren
                                    over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene
                                    bepalingen omgevingsrecht, deze verordening, en het
                                    monumentenbeleid;</al></li><li nr="i."><al>bouwhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd
                                    onderzoek naar de bouwgeschiedenis en de bouwhistorische
                                    kwaliteit van een monument, overeenkomstig de richtlijnen
                                    bouwhistorisch onderzoek;</al></li><li nr="j."><al>archeologisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd
                                    onderzoek naar de geschiedenis en de archeologische waarden van
                                    een locatie, overeenkomstig de Kwaliteitsnorm Nederlandse
                                    Archeologie; </al></li><li nr="k."><al>plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische
                                    uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen
                                    denkt te gaan beantwoorden;</al></li><li nr="l."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de
                                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="m."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Harderwijk;</al></li><li nr="n."><al>vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1
                                    eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="o."><al>Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li><li nr="p."><al>Beleidskaart archeologie: de door de Raad vastgestelde
                                    geografische kaart, waarop gebieden met archeologische waarden
                                    en gebieden met een archeologische verwachting, van de gemeente
                                    Harderwijk zijn aangeven;</al></li><li nr="q."><al>Mor: Ministeriële regeling omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>– Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3 De aanwijzing tot gemeentelijk monument en de
                                bescherming tijdens deaanwijzingsprocedure</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende,
                                    een monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></li><li nr="2."><al>Ten behoeve van de aanwijzing op verzoek van een belanghebbende,
                                    kan het college bepalen dat vooraf bouwhistorisch of
                                    archeologisch onderzoek wordt verricht.</al></li><li nr="3."><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt
                                    hij advies aan de monumentencommissie. In spoedeisende gevallen
                                    kan het vragen van dit advies achterwege blijven.</al></li><li nr="4."><al>Voordat het college een kerkelijk monument als gemeentelijk
                                    monument aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar.</al></li><li nr="5."><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op
                                    grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></li><li nr="6."><al>Het college doet een kennisgeving van het voornemen tot de
                                    aanwijzing van een gemeentelijk monument als bedoeld in het
                                    eerste lid aan degenen die in de kadastrale registratie als
                                    eigenaar en beperkt zakelijk gerechtigde staan vermeld, aan de
                                    ingeschreven hypothecaire schuldeisers en, indien om aanwijzing
                                    is verzocht, aan de aanvrager. </al></li><li nr="7."><al>Bij de beoordeling van de monumentwaardigheid toetst het college
                                    aan vooraf vastgestelde selectiecriteria. Op een monument dienen
                                    één of meer van deze criteria van toepassing te zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar en/of beperkt zakelijk
                            gerechtigde de kennisgeving van het voornemen als bedoeld in artikel 3.
                            lid 6 ontvangt, tot het moment dat de aanwijzing en registratie als
                            bedoeld in artikel 6 en 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het
                            monument niet wordt geregistreerd zijn de artikelen 10 tot en met 14 van
                            overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen twaalf
                                    weken na ontvangst van het verzoek van het college.</al></li><li nr="2."><al>Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het
                                    advies van de monumentencommissie. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Mededeling aanwijzingsbesluit </titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt meegedeeld aan
                            degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan en aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst
                            </titel></kop><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op een openbare
                            gemeentelijke monumentenlijst. De gemeentelijke monumentenlijst bevat de
                            plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale
                            aanduiding, de tenaamstelling en een beschrijving van het object.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Wijzigen van de aanwijzing </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de aanwijzing ambtshalve of op aanvraag van een
                                    belanghebbende wijzigen.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 3, tweede tot en met vierde lid, alsmede artikel 5, 6 en
                                    7 zijn van overeenkomstige toepassing op het
                                    wijzigingsbesluit.</al></li><li nr="3."><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                    ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing
                                    van artikel 3, tweede tot en met vierde lid, alsmede artikel 5,
                                    eerste lid, achterwege.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Intrekken van de aanwijzing </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de aanwijzing ambtshalve of op aanvraag van een
                                    belanghebbende intrekken.</al></li><li nr="2."><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                    en vierde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></li><li nr="3."><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien
                                    toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet
                                    1988.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>III</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10 Instandhouding gemeentelijke monumenten</titel></kop><al> 1. Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te
                            vernielen</al><al>2 Het is verboden zonder vergunning van bevoegd gezag of in strijd met
                            bij zodanige vergunning gestelde voorschriften:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te
                                    verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; </al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te
                                    laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd
                                    of in gevaar gebracht.</al></li></lijst><al>3 Het verbod en de vergunningsplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                            gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de
                            wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd</al><al>4 Het bevoegd gezag verleent met betrekking tot een kerkelijk monument
                            geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming
                            met de eigenaar, indien en voor zover het een vergunning betreft,
                            waarbij wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of de
                            levensovertuiging in dat monument in het geding zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Termijnen advies</titel></kop><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke
                            aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de
                            monumentencommissie voor een advies</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Weigeringsgronden </titel></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Voorschriften vergunning gemeentelijke monumenten
                            </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag kan in het belang van de monumentenzorg en
                                    archeologie nadere voorschriften verbinden aan een
                                    vergunning.</al></li><li nr="2."><al>De vergunning kan voor een bepaalde tijd worden verleend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Intrekken vergunning gemeentelijke monumenten </titel></kop><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld in
                                    artikel 13 niet naleeft;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen;</al></li><li nr="d."><al>niet binnen 26 weken van de vergunning gebruik wordt
                                    gemaakt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>– Beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15 De aanwijzing tot gemeentelijk stads- of
                                dorpsgezicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De gemeenteraad kan een stads- of dorpsgezicht aanwijzen als
                                    gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.</al></li><li nr="2."><al>Alvorens het college ter zake een voorstel aan de gemeenteraad
                                    doet, wordt de monumentencommissie gehoord. In spoedeisende
                                    gevallen kan het vragen van dit advies achterwege blijven.</al></li><li nr="3."><al>De aanwijzing kan geen stads- of dorpsgezicht betreffen dat is
                                    aangewezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet
                                    1988.</al></li><li nr="4."><al>Bij de beoordeling van de beschermenswaardigheid toetst de
                                    gemeenteraad aan vooraf vastgestelde selectiecriteria. Op een
                                    stads- of dorpsgezicht dienen één of meer van deze criteria van
                                    toepassing te zijn.</al></li><li nr="5."><al>De selectiecriteria genoemd in lid 4 worden door het college
                                    vastgesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Termijn advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken
                                    na ontvangst van het verzoek van het college.</al></li><li nr="2."><al>Het college doet binnen twaalf weken na ontvangst van het advies
                                    van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 20 weken
                                    na de adviesaanvraag, een voorstel ter zake aan de
                                    gemeenteraad.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Registratie op de gemeentelijke
                                monumentenlijst</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college registreert het beschermde gemeentelijke stads- of
                                    dorpsgezicht op de gemeentelijke monumentenlijst.</al></li><li nr="2."><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke
                                    aanduiding, de datum van aanwijzing, de gebiedsaanwijzing van
                                    het beschermde stads- of dorpsgezicht en een beschrijving van de
                                    daarin vervatte cultuurhistorische waarden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Wijzigen en intrekken van de aanwijzing</titel></kop><al>De artikelen 15, 16 en 17 zijn van overeenkomstige toepassing. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Vaststellen beschermend bestemmingsplan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De gemeenteraad stelt ter bescherming van een beschermd stads-
                                    of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet
                                    op de ruimtelijke ordening.</al></li><li nr="2."><al>Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of
                                    dorpsgezicht wordt door het college bepaald in hoeverre geldende
                                    bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het eerste
                                    lid kunnen worden aangemerkt.</al></li><li nr="3."><al>Alvorens het college de gemeenteraad ter zake een voorstel doen,
                                    wordt de monumentencommissie gehoord.</al></li><li nr="4."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken
                                    na ontvangst van het in lid 3 genoemde verzoek van het
                                    college.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20 Vergunning tot slopen in beschermd gemeentelijk stads-
                                of dorpsgezicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten is het
                                    verboden een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken zonder
                                    of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag. </al></li><li nr="2."><al>geen vergunning tot slopen is vereist, indien het beschermend
                                    bestemmingsplan al een vergelijkbare vergunning tot slopen
                                    voorschrijft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21 indieningvereisten </titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikelen 1.2, 1.3, 1.4 en 1.5 van de Mor,
                            maakt de aanvrager bij de aanvraag om vergunning, zoals bedoeld in
                            artikel 20, aannemelijk dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een
                            ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22 weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning als bedoeld in artikel 20 kan worden geweigerd indien naar
                            het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats
                            van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
                        </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>– Beschermde Monumenten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 23 Vergunning voor beschermd monument </titel></kop><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke
                            aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan de
                            monumentencommissie voor een advies.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VI</nr><titel>Instandhouding van archeologische terreinen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 24 instandhouding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden de gronden die op de beleidskaart archeologie
                                    zijn aangeduid als: </al></li><li nr="-"><al>AMK terreinen met attentiezone,</al></li><li nr="-"><al>de stadstuinen;</al></li><li nr="-"><al>gebied met een hoge archeologische verwachting;</al></li><li nr="-"><al>gebied met een middelhoge archeologische verwachting;</al></li><li nr="-"><al>gebied met een lage archeologische verwachting;</al></li></lijst><al>zonder of in afwijking van een vergunning van bevoegd gezag te
                            verstoren. </al><lijst><li nr="1."><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien de verstoring
                                    plaatsvindt in, op of sprake is van:</al></li><li nr="a."><al>een beschermd monument of gemeentelijk monument, waarvoor al een
                                    vergunning is verleend op grond van artikel 11 Monumentenwet
                                    1988 of artikel 10 van deze verordening:</al></li><li nr="b."><al>niet dieper dan 30 cm. onder het maaiveld;</al></li><li nr="c."><al>een gebied met lage archeologische verwachtingswaarde en het te
                                    verstoren gebied kleiner is dan 5000 m²:</al></li><li nr="d"><al>een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde
                                    en het te verstoren gebied kleiner is dan 1000 m²: </al></li><li nr="e"><al>een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde en het te
                                    verstoren gebied kleiner is dan 100 m² </al></li><li nr="f"><al>een AMK terrein met attentiezone of de stadstuinen en het te
                                    verstoren gebied kleiner is dan 50 m² </al></li><li nr="g."><al>een gebied waar in het geldende bestemmingsplan voor dat gebied
                                    regels zijn gesteld, omtrent de archeologische monumentenzorg of
                                    het geldende bestemmingsplan is vastgesteld nadat deze
                                    verordening in werking is getreden;</al></li><li nr="h."><al>een activiteit als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid onderdeel c
                                    van de Wabo en in de aanvraag vergunning de archeologische
                                    monumentenzorg al is betrokken, of in de vergunning
                                    voorschriften zijn opgenomen omtrent de archeologische
                                    monumentenzorg;</al></li><li nr="f"><al>een bouwvergunning, aanlegvergunning of omgevingsvergunning die
                                    is aangevraagd en/of verleend, voordat deze verordening is
                                    werking is getreden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 25 Indieningvereisten </titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikelen 1.2, 1.3, 1.4 en 1.5 van de Mor,
                            kan bevoegd gezag bij de aanvraag om vergunning zoals bedoeld in artikel
                            24, een archeologisch onderzoek vragen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26 Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning, zoals bedoeld in artikel 24, kan worden geweigerd als de
                            archeologische waarden onvoldoende zijn gewaarborgd. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 27 Voorschriften </titel></kop><al>Het bevoegd gezag kan in het belang van de archeologische monumentenzorg
                            aan de vergunning, zoals bedoeld in artikel 24 de volgende voorschriften
                            verbinden:</al><al>a de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor
                            de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;</al><al>b de verplichting tot het doen van opgravingen of;</al><al>c de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden
                            door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg
                            die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te
                            stellen kwalificaties.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 28. Opgravingen en begeleiding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente Harderwijk
                                    onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van
                                    opgravingen in de zin van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988,
                                    dient, onverminderd de overige bepalingen van deze wet:</al></li><li nr="a."><al>het college een programma van eisen vast te stellen of te
                                    bekrachtigen als bedoeld in artikel 1 onder j, waarbij nadere
                                    regels worden gesteld ten aanzien van het onderzoek.</al></li><li nr="b."><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van
                                    aanpak als bedoel in artikel 1 onder m van deze verordening ter
                                    goedkeuring aan het college te overleggen,.</al></li><li nr="2."><al>In de nadere regels neemt het college bepalingen op met
                                    betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het
                                    plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van
                                    het college in acht te worden genomen.</al></li><li nr="3."><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma
                                    van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het college
                                    advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de
                                    Archeologische monumentenzorg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 29 Schadevergoeding</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal
                            lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort
                            te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar
                            billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, indien de schade in relatie
                            staat tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in
                                    artikel 10, 20 en 24</al></li><li nr="b."><al>de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een
                                    vergunning als bedoeld in artikel 13 en 26</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VII</nr><titel>– Slot- en overgangsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 30 Strafbepaling</titel></kop><al>Hij, die handelt in strijd met de artikelen 10, 20, 22 en 26 van deze
                            verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of
                            een hechtenis van ten hoogste drie maanden. Artikel 31 Toezichthouders </al><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de bij besluit van het bevoegd gezag aan te
                            wijzen personen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking.
                        </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 33 intrekken oude regeling </titel></kop><al>De monumentenverordening 2010 is ingetrokken, na het in werking treden
                            van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 34 Overgangsrecht</titel></kop><al>1 De op grond van de onder artikel 33 ingetrokken monumentenverordening
                            2010 aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten worden geacht
                            aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van
                            deze verordening</al><al>2 Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                            van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                            artikel 33 ingetrokken verordening. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 35 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'Monumentenverordening 2011'. </al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente</ondertekening><ondertekening>Harderwijk in zijn openbare vergadering van </ondertekening><ondertekening>7 april 2011, onder nummer 30.</ondertekening><ondertekening>de heer J.C.G.M. Berends de heer H.R. Lanning</ondertekening><ondertekening>voorzitter raadsgriffier</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel> Artikelgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>– Algemene bepalingen</titel></kop><al>Artikel 1 Begripsbepalingen Sub a Bij de omschrijving van het begrip '
                        gemeentelijk monument' is aansluiting gezocht bij die in de Monumentenwet.
                        Cultuurhistorische waarde is de aan een bouwwerk of gebied toegekende
                        waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens
                        in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt.
                        Het begrip cultuurhistorische waarde is dermate ruim dat het ook betrekking
                        kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige waarde. De onder 2
                        bedoelde terreinen kunnen bijvoorbeeld parken, tuinen en een perceel met een
                        of meer bomen zijn, maar ook het in de grond aanwezige zogeheten
                        archeologische bodemarchief. Het is niet vereist dat op een locatie ook een
                        bouwkundig monument aanwezig is, om over een monument te kunnen spreken. Een
                        'zaak' is immers een veel ruimer begrip. De leeftijdgrens van vijftig jaar
                        die voor rijksmonumenten geldt, is niet voor gemeentelijke monumenten
                        overgenomen. Daardoor biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten
                        die bijvoorbeeld (nog) niet op de rijkslijst kunnen komen omdat ze te jong
                        zijn, reeds onder gemeentelijke bescherming te brengen. </al><al>Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip zaak alleen
                        onroerende zaken worden verstaan. Roerende monumenten worden derhalve niet
                        beschermd. Reden hiervoor is, dat het effectueren van de bescherming een
                        probleem vormt. Roerende monumenten kunnen meestal eenvoudig worden
                        verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten de
                        werking van de verordening worden gebracht. Roerende zaken zijn bijvoorbeeld
                        schepen, voertuigen, schilderijen, kerkschatten en gebruiksvoorwerpen. Zaken
                        die naar hun aard onroerend zijn, zoals een kerkorgel, kunnen de beschermde
                        status wel krijgen, op basis van een daarvoor redengevende
                        omschrijving.</al><al>Sub b Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de
                        verordening aangewezen monumenten en stads- en dorpsgezichten registreert.
                        Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen rechtsgevolg. Het betreft
                        slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op de
                        lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die rechtsgevolgen
                        beoogt. Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op de lijst
                        uit elkaar te trekken. Zie verder ook de toelichting op artikel 3, lid 1, en
                        artikel 6. Sub c Het is nodig om de begripsomschrijving van 'rijksmonument'
                        in de gemeentelijke monumentenverordening op te nemen. Deze verordening is
                        ingevolge artikel 15 van de Monumentenwet verplicht om vergunningen voor de
                        wijziging en sloop van rijksmonumenten te verlenen. Op de
                        vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn met name de artikelen 11 tot
                        en met 21 van de Monumentenwet van toepassing. Sub d In geval van aanwijzing
                        van een kerkelijk monument tot gemeentelijk monument is overleg tussen
                        eigenaar en gemeente nodig Is er sprake van een vergunning voor het
                        gemeentelijke of rijksbeschermde kerkelijke monument, dan kan
                        overeenstemming tussen eigenaar en vergunningverlener nodig zijn. Dit
                        vanwege de zwaarte van het belang van de uitoefening van godsdienst of
                        levensovertuiging in dat betreffende monument. Voor bijvoorbeeld een
                        pastorie, een catechisatieruimte of verblijven van kloosterlingen geldt deze
                        verbijzondering voor kerkelijke monumenten in de regel niet. Zij vallen
                        onder de voorschriften die voor de andere monumenten gelden. Sub e en f</al><al>Bij de aanwijzing als gemeentelijk monument kan aandacht worden besteed aan
                        de omgeving rond het monument. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om
                        bijgebouwen, inrichting of beplanting. Het kan zijn dat complexbescherming
                        onvoldoende is, omdat het bijzondere nu juist ook ligt in het totaal van dat
                        gebied. Als dit niet nationale, maar wel lokale kwaliteit heeft, kan het
                        worden beschermd door het aan te wijzen als beschermd gemeentelijk stads- of
                        dorpsgezicht. De begripsomschrijving van een stads- of dorpsgezicht is
                        conform de Monumentenwet. De aanwijzing van beschermd stads en dorpsgezicht
                        heeft als direct rechtgevolg, dat in dat gebied voor alle sloopwerkzaamheden
                        een sloopvergunning aan gevraagd moet worden (zie artikel 20). Daarnaast
                        verplicht de gemeente zichzelf tot het vaststellen van een beschermend
                        bestemmingsplan (zie hoofdstuk III)</al><al>Sub g</al><al>De selectiecriteria voor gemeentelijke monumenten (bovengronds) en
                        gemeentelijke stads- en dorpsgezichten kunnen worden ontleend aan wat
                        landelijk gangbaar is, of wat in Harderwijk altijd gebruikelijk was bij
                        eerdere aanwijzingsrondes. De selectiecriteria voor gemeentelijke
                        archeologische monumenten kunnen ontleend worden aan de vigerende
                        Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.</al><al> Sub h De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                        monumentenverordening en de Monumentenwet en andere zaken met betrekking tot
                        cultuurhistorie. Te denken valt dan aan nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen,
                        welstandsbeleid, inrichtingsplannen enz. </al><al>In het dualistische stelsel is een belangrijke vernieuwing, dat elk
                        bestuursorgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn
                        commissies instelt. De monumentencommissie is een commissie die het college
                        instelt en hun adviseert. </al><al>In deze verordening bepaalt de gemeenteraad, dat er een monumentencommissie
                        is die advies uitbrengt aan het college. Dit vloeit voort uit de
                        Monumentenwet. In artikel 15 van die wet is bepaald, dat de gemeente in een
                        verordening de inschakeling van een commissie moet regelen die adviseert aan
                        het college over aanvragen van vergunningen als bedoeld in artikel 11 van de
                        Monumentenwet. Door de monumentencommissie in deze begripsomschrijving
                        bevoegd te verklaren ons over de toepassing van de Monumentenwet te
                        adviseren, is voldaan aan het vereiste, genoemd in artikel 15, lid 1, van de
                        Monumentenwet. In een Reglement op de monumentencommissie wordt de werkwijze
                        en de samenstelling van de commissie verder geregeld. Dit valt buiten de
                        werking van deze verordening. Wel dient het college er rekening mee te
                        houden dat de commissie onafhankelijk, deskundig en multidisciplinair moet
                        zijn. Sub i</al><al>Het bouwhistorisch onderzoek van een gebouw geeft meer inzicht in de
                        ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis van een gebouw. Er kunnen twee
                        verschillende vormen van bouwhistorisch onderzoek worden onderscheiden,
                        afhankelijk van de diepgang van de werkzaamheden.</al><al>Een bouwhistorische opname is een onderzoek van een bouwwerk of structuur,
                        waarbij tenminste de zichtbare onderdelen van de ruimtelijke opbouw, het
                        exterieur en de zichtbare onderdelen van de constructie en de
                        interieurafwerking worden beschreven, geanalyseerd en zo mogelijk gedateerd.
                        Daarnaast vinden literatuuronderzoek en een beperkt archiefonderzoek plaats.
                        Bij archiefonderzoek worden in elk geval oude kaarten, bouwtekeningen en
                        foto’s betrokken. Op grond van deze onderzoeksgegevens wordt een
                        waardestelling geformuleerd. </al><al>Een bouwhistorische ontleding is het meest uitvoerige en gedetailleerde
                        onderzoek naar de bouw- en gebruiksgeschiedenis van een bouwwerk of
                        structuur. Bij een bouwhistorische ontleding worden niet alleen de
                        zichtbare, maar ook de ‘verborgen’ bouwsporen in het muurwerk en de
                        draagconstructie blootgelegd (voor zover dat niet ten koste gaat van
                        waardevolle afwerkingen en pleisterlagen) en gedocumenteerd. Verder vinden
                        bijvoorbeeld een gedetailleerde opmeting, een fotodocumentatie en een
                        uitvoerig literatuur- en archiefonderzoek plaats. Vrijwel steeds maakt
                        specialistisch onderzoek deel uit van een bouwhistorische ontleding. Naar
                        bevind van zaken kunnen architectuur- en/of ander kunsthistorisch onderzoek
                        en algemeen historisch onderzoek deel uitmaken van een bouwhistorische
                        ontleding. Ten behoeve van een restauratie of verbouwing kan een
                        bouwhistorische waardestelling op basis van de onderzoeksresultaten worden
                        gegeven. Bij een bouwhistorische ontleding vinden behalve tijdens de
                        planfase van een verbouwing, ook waarnemingen plaats tijdens de uitvoering
                        van verbouwings- of restauratiewerkzaamheden. Als bij sloop historische
                        waarden verloren gaan, vindt gelijktijdig documentatie plaats door middel
                        van opmetingen en foto’s. Ook moeten in dat geval vrijkomende materialen
                        veilig gesteld worden. Voor beide onderzoeken moet de meest actuele versie
                        van “richtlijnen bouwhistorisch onderzoek” als leidraad gebruik worden.</al><al>Sub j en k</al><al>Archeologisch onderzoek is een door een gekwalificeerde organisatie
                        uitgevoerd onderzoek naar het bodemarchief. Volgens artikel 45 van de
                        Monumentenwet 1988 is het verboden een archeologisch onderzoek uit te voeren
                        zonder een opgravingsvergunning (bevoegdheid). Dat wil zeggen dat alleen
                        archeologisch onderzoek kan worden uitgevoerd door partijen met een
                        opgravingsvergunning, de zogeheten gecertificeerde partijen. De voorwaarden
                        waaraan een archeologisch onderzoek moet voldoen, zijn vastgelegd in de
                        Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).</al><al>Bij archeologisch onderzoek kan onderscheid worden gemaakt tussen de
                        verschillende vormen van onderzoek. Hierbij is sprake van een soort van
                        trechtering middels een stappenplan, waarbij begonnen wordt met betrekkelijk
                        eenvoudige onderzoeksmethoden en de meer complexe en kostbare werkzaamheden
                        pas later in het proces alleen worden toegepast op vindplaatsen die deze
                        investering waard zijn. Iedere stap eindigt met de afweging of er voldoende
                        informatie is om een verantwoorde beslissing over eventuele vervolgacties te
                        kunnen nemen. Stap 1 omvat bureauonderzoek, stap 2 nondestructief
                        vooronderzoek in de vorm van boringen en/of veldverkenning en/of geofysisch
                        onderzoek. Stap 3 omvat destructief onderzoek in de vorm van proefsleuven of
                        proefputten. Stap 4 omvat opgraven en of fysiek beschermen en of
                        archeologische begeleiding of opgeven van de vindplaats.</al><al>Sub l t/m o</al><al>Deze begripsbepalingen zijn noodzakelijk ingevolge de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht. </al><al>Artikel 2 Het gebruik van het monument Het betreft hier niet zozeer de
                        publiekrechtelijke, planologische bestemming, maar de gebruiksmogelijkheid
                        die de eigenaar/gebruiker daaraan toekent. Een en ander mede gelet op de
                        constructie en ligging van het pand. Dit artikel is van belang omdat bij de
                        aanwijzing van monumenten en bij de vergunningverlening een motivering
                        behoort; in die motivering speelt het gebruik van het monument een rol. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>– Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><al>Artikel 3 De aanwijzing tot gemeentelijk monument en de bescherming tijdens
                        deaanwijzingsprocedure De aanwijzing tot gemeentelijk monument heeft
                        rechtsgevolgen, het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst
                        is slechts een administratieve handeling. Het besluit tot aanwijzing is een
                        bevoegdheid van het college (lid 1)</al><al>In de Monumentenwet is geen bepaling over bouwhistorisch onderzoek
                        opgenomen. Het laten verrichten van dergelijk onderzoek behoort daarmee in
                        alle gevallen tot de beleidsvrijheid van de gemeente. Voor de aanwijzing van
                        archeologische rijksmonumenten op grond van artikel 3 van de Monumentenwet
                        is evenmin een bepaling over archeologisch onderzoek opgenomen. Maar in
                        aanvulling op de Monumentenwet is in het kader van de W.a.m.z. 2007 wel
                        bepaald, dat in geval van wijziging van een archeologisch rijksmonument een
                        archeologisch onderzoek verplicht wordt gesteld. De aanvraag tot aanwijzing
                        als gemeentelijk monument is niet altijd afkomstig van de eigenaar van het
                        pand of terrein. In situaties waarin de gemeente ambtshalve
                        aanwijzingsvoorstellen doet, kan zij de eigenaar moeilijk verplichten
                        bouwhistorisch of archeologisch onderzoek uit te voeren. In het geval dat
                        een andere belanghebbende dan de gemeente evenwel een aanvraag tot
                        aanwijzing doet (een eigenaar, een historische vereniging of een andere als
                        zodanig aan te merken belanghebbende), kan de gemeente de aanvrager wél
                        verplichten tot zo’n onderzoek. Aldus wordt de motiveringsplicht als het
                        ware omgekeerd en wordt praktisch gezien tevens de vrijblijvendheid om een
                        aanvraag tot aanwijzing in te dienen, ingeperkt (lid 2).</al><al> Het college moet zoals eerder gemeld advies inwinnen van de
                        monumentencommissie. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde
                        voorschriften over vorm en inhoud. Het instellingsbesluit van het college is
                        daarvoor de aangewezen plaats. Er wordt niet bepaald dat de aanvrager en
                        andere belanghebbenden worden gehoord voordat het college over een
                        aanwijzing een besluit neemt, omdat dit is geregeld in (de artikelen 4:8 en
                        4:9 van) de Algemene wet bestuursrecht (lid3). Dit lid is nodig ondanks het
                        bepaalde in de Awb dat belanghebbenden zienswijzen naar voren kunnen brengen
                        (artikel 4:8). Overleg is immers meer dan het naar voren kunnen brengen van
                        zienswijzen (lid 4). Monumenten die al op een rijkslijst staan, komen niet
                        voor aanwijzing als gemeentelijk monument in aanmerking (lid 5). </al><al>Artikel 4 voorbescherming </al><al>Naar analogie van de Monumentenwet (artikelen 3 en 5) bevat de verordening
                        een regeling voor de “voorbescherming” van aan te wijzen gemeentelijke
                        monumenten. Op het moment dat het college het voornemen heeft een zaak aan
                        te wijzen als gemeentelijk monument, moet hiervoor de aanwijzingsprocedure
                        worden gestart door advies te vragen aan de monumentencommissie. Het college
                        doet daarvan mededeling aan de eigenaar, de beperkt zakelijk gerechtigden en
                        de hypothecaire schuldeisers. Krachtens het zevende lid wordt de zaak dan
                        tijdens de aanwijzingsprocedure behandeld als ware reeds een aanwijzing tot
                        stand gekomen. Daarmee wordt voorkomen dat “op de valreep” voor de
                        aanwijzing nog onherstelbare schade aan de te beschermen waarden van de zaak
                        wordt toegebracht. De voorbescherming duurt totdat de aanwijzing tot
                        gemeentelijk monument tot stand is gekomen, of tot duidelijk is dat een
                        dergelijke aanwijzing niet tot stand zal komen </al><al>Artikel 5 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit </al><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie
                        moet adviseren (lid 1) en het College een beslissing moeten nemen (lid 2).
                        Door de besluitvorming aan een termijn te binden, weten de aanvrager,
                        eigenaar en andere belanghebbenden waar ze aan toe zijn.</al><al>Artikel 6 Mededeling aanwijzingsbesluit </al><al>De mededeling van het college is voor de eigenaar en de anderszins zakelijk
                        gerechtigden van essentieel belang. Het is dan ook zaak zeker te weten, dat
                        de geadresseerde deze ontvangt. In de regel zal de mededeling bij
                        aangetekend schrijven met bericht van ontvangst uitgaan. In latere instantie
                        kan hij zich er dan niet op beroepen van niets te weten. Dit artikel regelt
                        niet dat de aanwijzing wordt bekendgemaakt aan de aanvrager, omdat de Awb
                        dit bepaalt (afdeling 3.6). Is artikel 4:8 toegepast (het horen van
                        geadresseerde en van derde belanghebbenden) en is van de daar geboden
                        mogelijkheid gebruik gemaakt, dan dienen de betrokkenen op grond van het
                        bepaalde in artikel 3:43 Awb een mededeling te ontvangen.</al><al> Artikel 7 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst De redengevende
                        beschrijving geeft een beschrijving van het pand en de reden waarom het
                        voldoet aan de selectiecriteria. Wanneer het pand is aangewezen tot
                        gemeentelijk monument is het gehele pand, inclusief het interieur, onder de
                        werking van de verordening geplaatst. Het is dus niet zo dat alleen de zaken
                        die beschreven zijn beschermd worden. Het is namelijk praktisch onmogelijk
                        om elk detail van een gebouw te beschrijven. Bovendien zijn sommige zaken
                        niet zichtbaar, wanneer deze zich achter een plafond, voorzetwand of
                        vloerbedekking bevinden. Bij een aanvraag om vergunning kan op detailniveau
                        beoordeeld worden in hoeverre de voorgestelde wijziging monumentale waarden
                        aantast. Wanneer in de beschrijving expliciet wordt aangeven dat bepaalde
                        zaken niet onder de werking van de verordening vallen (een recente aanbouw
                        bijvoorbeeld) is voor de wijziging van deze zaken geen monumentenvergunning
                        vereist, maar wel eventueel een bouwvergunning. Andere zaken die zich op het
                        perceel van het monument bevinden, zoals bijgebouwen en tuininrichting
                        moeten expliciet worden aangegeven, willen zij onder de werking van de
                        verordening vallen. Voor elke wijziging van het monument is dus een
                        vergunning nodig. Voor de duidelijkheid, bijvoorbeeld in verband met
                        kadastrale vernummering, kan ook een plattegrond worden aangehecht. De
                        registratie van de aanwijzing is zoals eerder gemeld een administratieve
                        handeling (en geen besluit). De bedoeling van de aldus bij te houden
                        monumentenlijst is om eenieder snel inzicht te geven welke zaken en ook om
                        welke reden deze als gemeentelijk monument zijn aangewezen. </al><al>Artikel 8 Wijzigen van de aanwijzing </al><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                        monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde
                        voorbereidingsprocedure (advies van de monumentencommissie en het verplichte
                        overleg met de eigenaar van een kerkelijk monument) als voor de aanwijzing
                        (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3).
                        Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de gemeentelijke
                        monumentenlijst </al><al>Artikel 9 intrekking van de aanwijzing</al><al>Intrekken van de aanwijzing. Via dit artikel is het mogelijk om de
                        aanwijzing van gemeentelijke monumenten in te trekken (lid 1). Ook hiervoor
                        geldt dat het advies van de monumentencommissie nodig is, tenzij het gaat om
                        spoedeisende gevallen (lid 2). Monumenten op de gemeentelijke
                        monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt
                        of anderszins volledig teloor gegaan), worden door het college van de
                        monumentenlijst gehaald. Lid 3 regelt dat monumenten die na aanwijzing als
                        gemeentelijk monument worden geregistreerd als rijksmonument, vanaf dat
                        tijdstip geacht worden niet meer te zijn aangewezen. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke Monumentale zaken</titel></kop><al>Artikel 10 instandhouding gemeentelijke monumenten</al><al>Artikel 10 regelt dat een vergunning nodig is om een monument te verstoren,
                        af te breken, verplaatsen, wijzigen of (laten) gebruiken. In lid 3 van
                        artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om nader regels
                        te stellen die in plaats kunnen worden gesteld van het verbod uit het eerste
                        lid en de vergunningplicht in het tweede lid. Het zal hierbij gaan om
                        wijzigen aan gemeentelijke monumenten die van niet ingrijpende aard zijn.
                        Met name het reguliere onderhoud kan in vastomlijnde regels worden
                        opgenomen, zodat burgers niet voor relatief eenvoudige wijzingen
                        (bijvoorbeeld met betrekking tot de kleurstelling, vervangen goten) worden
                        geconfronteerd met een vergunningsprocedure. lid 4 is alleen van toepassing
                        als er wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het geding zijn.
                        Zie de toelichting op artikel 1, sub d.</al><al>Artikel 11 Termijnen advies </al><al>Artikel 11 regelt dat een aanvraag om een vergunning voor advies naar de
                        monumentencommissie wordt gezonden. Het reglement op de monumentencommissie
                        geeft aan binnen welke termijn de monumentencommissie advies moet geven. </al><al>Artikel 12 Weigeringsgronden</al><al>In dit artikel is de grond om de vergunning te kunnen weigeren.</al><al> Artikel 13 Voorschriften vergunning gemeentelijke monumenten </al><al>Deze bepalingen vertonen gelijkenis met artikel 19, lid 1, 2 en 3 en met
                        artikel 39 van de Monumentenwet 1988. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om
                        uitvoeringsvoorschriften, een bouwhistorisch onderzoek of, in het geval van
                        archeologie, om voorwaarden die enerzijds gericht zijn op het verkrijgen van
                        inzicht in de locatie door archeologisch onderzoek en anderzijds op
                        eventuele planaanpassing teneinde de archeologische waarden te behouden in
                        situ. Ook kan dit overleg van nadere gegevens zijn, die tijdens de aanvraag
                        nog bekend waren, bijvoorbeeld niet zichtbare zaken. Het kan soms zinvol om
                        een vergunning voor bepaalde tijd af te geven.</al><al> Artikel 14 Intrekken vergunning gemeentelijke monumenten </al><al> Dit artikellid bevat de mogelijke intrekkinggronden. De bepaling onder c
                        heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de vergunninghouder
                        ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat, als
                        er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het
                        monument behoren voor te gaan. In dat geval moet de vergunningverlener (het
                        college) de mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken. Dit is
                        bijvoorbeeld het geval wanneer de vergunninghouder geen eigenaar of huurder
                        van het monument meer is. Bij de intrekkingtermijn van 26 weken is
                        uniformiteit gezocht met de bouwverordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>– Beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten</titel></kop><al>Artikel 15 tot en met 22</al><al>Deze regeling is vergelijkbaar met hoofdstuk IV van de Monumenten 1988.
                        Verschil is hierin dat de gemeente nu zichzelf de verplichting oplegt om een
                        beschermend bestemmingsplan vast te stellen. Daarnaast is in een
                        gemeentelijk beschermd stadsgezicht nog steeds vergunningsvrij bouwen
                        mogelijk. Dit in tegenstelling tot een rijks beschermd stadsgezicht. Net als
                        in een rijks beschermd stadsgezicht is er ook een vergelijkbaar
                        sloopvergunningsstelsel van kracht.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>– Beschermde monumenten</titel></kop><al>Artikel 23 Vergunning voor beschermd monument </al><al>De Monumentenwet schrijft voor dat de monumentencommissie bij de aanvragen
                        om vergunning voor rijksmonumenten wordt ingeschakeld.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VI</nr></kop><al>Artikel 24</al><al>De in 2007 aangepaste Monumentenwet 1988 verplicht de raad om bij de
                        vaststelling van een bestemmingsplan, rekening te houden met de in de grond
                        aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten. Het uitgangspunt
                        van deze wet (voortvloeiend uit het Verdrag van Malta) en daarmee ook van
                        deze verordening, is daarom primair dat in het bestemmingsplan, wordt
                        vastgelegd waar zich archeologische waarden in de bodem kunnen bevinden. In
                        die gevallen biedt de Monumentenwet 1988 de mogelijkheid om bouwregels te
                        stellen. In deze regels kan worden bepaald dat bij een aanvraag om een
                        vergunning voor een bouwactiviteit een archeologisch onderzoek kan worden
                        gevraagd. Ook kunnen er voorschiften in kader van de archeologische
                        monumentenzorg aan de vergunning worden gesteld. Tevens is het mogelijk dat
                        er ter bescherming van archeologische waarden, een vergunningstelsel wordt
                        opgenomen voor werken geen bouwwerken zijnde met dezelfde mogelijkheden. </al><al>In het archeologiebeleid 2011-2015 is een beleidskaart archeologie
                        vastgesteld, waarin voor het gehele grondgebied van de gemeente de
                        archeologische waarden en verwachtingen zijn weergegeven. In dit beleid
                        wordt duidelijk aangeven wanneer er een archeologisch onderzoek is vereist.
                        Het uitgangspunt van dit beleid is dat deze beleidskaart wordt gebruikt met
                        nieuwe planontwikkelingen, ontheffingen van het bestemmingsplan en
                        sloopaanvragen in beschermd stadsgezicht. Het is echter niet mogelijk om op
                        basis van dit beleid, deze eisen te stellen bij bouwaanvragen en werken geen
                        bouwwerken zijnde, die passen in een vigerende bestemmingsplan, welke nog
                        geen bouwregels en vergunningstelsel heeft in kader van de archeologische
                        monumentenzorg. De actualisatie van de oude bestemmingsplannen (het “malta
                        proof” maken ) gaat nog enkele jaren gaat duren. Tot het moment dat een
                        ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden vastgesteld, biedt deze verordening
                        de nodige bescherming aan de archeologische waarden in de bodem.</al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid van artikel 21 is een verbod opgenomen om zonder vergunning
                        de bodem te verstoren voor de gebieden die in de beleidskaart archeologie
                        zijn aangewezen als archeologische waarde of verwachtingen. Er is voor
                        gekozen om de instandhoudingsvergunning van archeologische terreinen op
                        grond van artikel 2.2, tweede lid, Wabo aan te haken bij de
                        omgevingsvergunning (facultatieve integratie). Zolang gemeentelijke
                        bestemmingsplannen nog niet ‘Malta-proof’ zijn, kan op deze wijze in de
                        omgevingsvergunning bescherming aan archeologische waarden in de bodem
                        worden geboden, bij de realisatie van een fysiek project</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In het tweede lid van artikel 21 worden een aantal
                        uitzonderingsmogelijkheden gegeven op het eerste lid. </al><al>Onderdeel a betreft het geval wanneer het betreffende terrein is beschermd
                        als archeologisch monument is er al een vergunning vereist op grond van de
                        Monumentenwet of deze verordening. Een tweede vergunning is daarmee
                        overbodig </al><al>Onderdeel b tot en met f zijn de vrijstellinggrenzen zoals opgenomen in de
                        beleidskaart archeologie</al><al>Onderdeel g ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date is
                        als bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat geval biedt
                        het bestemmingplan, aan de hand van een bijbehorende archeologische
                        waardenkaart, voldoende bescherming aan de in de bodem aanwezige of te
                        verwachten archeologische waarden.</al><al>In onderdeel h. is het om het oude projectbesluit, de oude binnenplanse
                        ontheffing, de oude tijdelijke ontheffing en de oude buitenplanse ontheffing
                        (voorheen de artikelen artikel 3.10 3.6, eerste lid onder c, 3.22 en 3.23
                        Wro) . Deze bepalingen zijn met de Invoeringswet Wabo komen te vervallen en
                        in de Wabo opgenomen. Al deze ontheffingen zijn nu een omgevingsvergunning
                        voor het gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met een
                        bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid onderdeel c Wabo). </al><al>Op grond van artikel 41 van de Monumentenwet kan aan de aanvraag van een
                        dergelijke vergunning de voorwaarde worden verbonden dat een rapportage
                        wordt overlegd waarin de archeologische waarden van het te verstoren terrein
                        in voldoende mate is vastgesteld en kunnen er voorschriften in de
                        beschikking worden opgenomen met betrekking tot archeologische
                        monumentenzorg. In deze gevallen voorziet de wet dus al. </al><al>Onderdeel f is een overgangsregel. Het is niet gewenst om vergunningen die
                        in procedure zijn, of vergunningen die al verleend zijn, alsnog te belasten
                        met een archeologische verplichting. </al><al>Artikel 25 Indieningvereisten </al><al>In de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) zijn de algemene
                        indieningvereisten voor een aanvraag om een omgevingsvergunning opgenomen,
                        zoals naam, adres enz. Daarnaast zijn er in de Mor specifieke
                        indieningvereisten gesteld voor de verschillende deelactiviteiten. Omdat
                        deze vergunning niet specifiek is genoemd in de Mor is het noodzakelijk om
                        in de verordening de indieningvereisten te noemen.</al><al>Artikel 26 Weigeringsgronden</al><al>De archeologische waarden kunnen op twee manieren geborgd worden, behoud in
                        situ of behoud ex situ. Over het algemeen wordt deze borging bewerkstelligd
                        door het stellen van voorschriften (zie artikel 27). Het kan echter gebeuren
                        dat de informatie en/of archeologisch onderzoek bij de aanvraag van
                        dusdanige kwaliteit is, dat ook door het stellen van voorschriften de
                        archeologische waarden niet geborgd zijn. Dit is dan een reden om de
                        vergunning te weigeren. </al><al>Artikel 27 Voorschriften </al><al>De archeologische waarden kunnen op twee manieren geborgd worden, behoud in
                        situ of behoud ex situ Over het algemeen wordt deze borging bewerkstelligd
                        door het stellen van voorschriften. De voorschriften zijn letterlijk
                        overgenomen uit de Monumentenwet 1988. </al><al>Artikel 28 opgravingen en begeleiding </al><al>In de Monumentenwet 1988 een is aantal zaken met betrekking tot opgravingen
                        al uitputtend geregeld. Zo bestaat een vergunningvereiste voor het doen van
                        opgravingen; dient een rechthebbende van een terrein te dulden dat de
                        opgravingbevoegde zijn terrein betreedt en eventueel opgravingen verricht;
                        en is ook de eigendomskwestie van de archeologische vondsten uitputtend
                        geregeld. Door dit artikel wordt er gekozen voor een uitgebreide
                        regiefunctie bij archeologische opgravingen binnen het gemeentelijk
                        grondgebied.</al><al>Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het college een
                        programma van eisen op te stellen of te bekrachtigen (indien deze door een
                        externe partij wordt opgesteld) waarmee de kaders worden gesteld voor het
                        ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder a).
                        Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak
                        weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders zoals omschreven in het
                        programma van eisen denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Op grond van de
                        leden 2 en 3 kunnen vervolgens nadere regels worden gesteld met betrekking
                        tot de feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop) en de beoordeling van
                        het plan van aanpak. Op deze manier kunnen specifieke onderzoeksvragen die
                        voor Harderwijk interessant zijn worden beantwoord.</al><al>Artikel 29 schadevergoeding</al><al>Het opnemen van dit artikel voorkomt niet dat eventuele schadevergoeding
                        moet worden betaald. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VII</nr><titel>– Slot- en overgangsbepalingen</titel></kop><al>Artikel 30 Strafbepaling </al><al>Artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet laat aan de gemeentelijke wetgever de
                        keuzemogelijkheid om op overtreding van verordeningen een geldboete te
                        stellen van de tweede of de eerste categorie. </al><al>Artikel 31 Toezichthouders </al><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid toezichthouders aan te wijzen,
                        die toezien op naleving van de verordening.</al><al>Artikel 32 Inwerkingtreding </al><al>Geen toelichting. </al><al>Artikel 33 intrekken oude regeling</al><al>Geen toelichting</al><al>Artikel 34 Overgangsrecht</al><al>In lid 1 wordt bepaald dat de huidige gemeentelijke monumenten geacht worden
                        te zijn aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze verordening. In lid
                        2 wordt geregeld dat aanvragen om vergunningen op grond van deze verordening
                        , die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening, worden
                        afgehandeld op grond van de oude verordening. </al><al>Artikel 35 Citeertitel </al><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening. Gekozen is voor de naam
                        Monumentenverordening in plaats van erfgoedverordening, omdat erfgoed veel
                        breder is dan alleen onroerende monumenten waar deze verordening in
                        voorziet. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>