<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR9655_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Inspraakverordening Sittard-Geleen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Sittard-Geleen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sittard-Geleen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Trompetter, 14 mei 2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Inspraakverordening Sittard-Geleen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">art. 150 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-04-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-05-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-07-19</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regelgeving</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>incl. toelichting</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Inspraakverordening Sittard-Geleen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Sittard-Geleen;</al><al>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders: </al><al>gelet op het bepaalde in de artikelen 147, 149 en 150 van de Gemeentewet; </al><al>besluit:</al><al>vast te stellen de Inspraakverordening Sittard-Geleen met de daarbij
                        behorende </al><al>toelichting </al><al><vet>Inspraakverordening Sittard-Geleen</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>De verordening verstaat onder: </al><lijst><li nr="a."><al>inspraak: het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de
                                voorbereiding van gemeentelijk beleid; </al></li><li nr="b."><al>inspraakprocedure: de wijze waarop de inspraak gestalte wordt
                                gegeven;</al></li><li nr="c."><al>beleidsvoornemen: het voornemen van het bestuursorgaan tot het
                                vaststellen of wijzigen van beleid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Onderwerp van inspraak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of
                            inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid.
                        </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Inspraak wordt altijd verleend, indien de wet daartoe verplicht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen inspraak wordt verleend: </al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder
                                    vastgesteld beleidsvoornemen;</al></li><li nr="b."><al>indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is
                                    uitgesloten; </al></li><li nr="c."><al>indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij
                                    het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid
                                    heeft;</al></li><li nr="d."><al>inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke
                                    dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de
                                    Gemeentewet; </al></li><li nr="e."><al>indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate
                                    spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht;</al></li><li nr="f."><al>indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van
                                    de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen
                                    in de samenleving. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inspraakgerechtigden</titel></kop><al>Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inspraakprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet
                            bestuursrecht van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere
                            inspraakprocedure vaststellen. </al><al>Artikel 5 Eindverslag</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Eindverslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een eindverslag
                            op. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eindverslag bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;</al></li><li nr="b."><al>een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak
                                    mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht; </al></li><li nr="c."><al>een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed
                                    wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van
                                    het beleidsvoornemen wordt overgegaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze
                            openbaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester vermeldt het eindverslag in zijn burgerjaarverslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Intrekking oude verordening en overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De inspraakverordening zoals vastgesteld op 12 december 2002 wordt
                            ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op besluiten tot het houden van inspraak die genomen zijn en op
                            inspraakprocedures die gestart zijn voor de datum van inwerkingtreding
                            van deze verordening blijven de bepalingen van de Inspraakverordening
                            uit 2002 van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt een dag na de bekendmaking in werking. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening Sittard-Geleen.
                    </al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten door de raad der gemeente Sittard-Geleen in zijn vergadering
                        van 23 april 2009. </al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><al/><al><vet>TOELICHTING</vet> behorende bij de Inspraakverordening Sittard-Geleen </al><al>(vastgesteld bij raadsbesluit van 23 april 2009) </al><al/><divisie><kop><titel>Algemeen </titel></kop><al>Sinds 1 januari 1994 is in artikel 150 van de Gemeentewet aan de raad de
                        verplichting opgelegd een inspraakverordening vast te stellen. Op 12
                        december 2002 is de vigerende inspraakverordening Sittard-Geleen
                        vastgesteld. Sedertdien zijn diverse wettelijke regelingen gewijzigd, die er
                        thans toe nopen de inspraakverordening te actualiseren. De belangrijkste
                        wijzigingen betreffen de inwerkingtreding van de afdeling Uniforme openbare
                        voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) per 1 juli
                        2005 en artikel 150 Gemeentewet per 1 juli 2006. </al></divisie><divisie><kop><titel>Algemene wet bestuursrecht</titel></kop><al>De Awb kende tot 1 juli 2005 een openbare voorbereidingsprocedure (afdeling
                        3.4), waarbij belanghebbenden, en zonodig de aanvrager, moeten worden
                        gehoord bij de voorbereiding van besluiten/beschikkingen. Daarnaast kent
                        deze wet een uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.5).
                        Deze procedure moet worden gevolgd met name als het gaat om zware
                        milieuprocedures op grond van de Wet Milieubeheer. </al><al>Met de nieuwe Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb zijn deze
                        twee procedures in een geschoven tot één procedure en sterk vereenvoudigd. </al><al><onderstreept>Gemeentewet</onderstreept></al><al>De tekst van artikel 150 Gemeentewet per 1 juli 2006 is als volgt:</al><lijst><li nr="1."><al>De raad stelt een verordening vast, waarin regels worden gesteld met
                                betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de
                                voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken;</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde inspraak wordt verleend door
                                toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, voor
                                zover in de verordening niet anders wordt bepaald.</al></li></lijst><al><onderstreept>Inspraakprocedure/deregulering VNG</onderstreept></al><al>Aan inspraak kan op zeer uiteenlopende manieren worden vormgegeven. De
                        Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft gekozen voor een bondige
                        inspraakregeling, mede met het oog op het door haar ondersteunde
                        dereguleringsstreven van opeenvolgende kabinetten. Door het van toepassing
                        verklaren van afdeling 3.4 Awb op de inspraak bij gemeenten en het weghalen
                        van overbodige bepalingen, resteert een bondige Inspraakverordening van
                        slechts acht artikelen. Bovendien maakt een globale raamregeling het
                        mogelijk dat recht wordt gedaan aan de behoefte van insprekers en
                        gemeentebestuur de inspraak af te stemmen op de aard, schaal en reikwijdte
                        van het concrete beleidsvoornemen waarop inspraak plaatsvindt.</al><al>Het model van de VNG is als uitgangspunt gehanteerd voor deze
                        verordening.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijs</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="a."><al>Inspraak is onderdeel van de voorbereiding en uitvoering van het
                                gemeentelijk beleid en heeft een tweeledig doel. Enerzijds wordt aan
                                belanghebbenden de mogelijkheid geboden om hun mening over
                                beleidsvoornemens kenbaar te maken. Anderzijds biedt inspraak aan
                                bestuursorganen een belangrijk hulpmiddel in het kader van de voor
                                de beleidsvoorbereiding noodzakelijke belangenafweging. </al></li><li nr="b."><al>De verantwoordelijkheid voor het maken van een regeling over
                                inspraak ligt ingevolge artikel 150 van de Gemeentewet bij de raad.
                                In artikel 4 is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van
                                toepassing verklaard. Het tweede lid van artikel 4 geeft het
                                bestuursorgaan ruimte om een andere procedure te volgen. Het
                                bestuursorgaan is immers verantwoordelijk voor uitvoering, de nadere
                                regeling en organisatie van de inspraak. </al></li><li nr="c."><al>Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het voornemen van
                                het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid. Het
                                zal duidelijk zijn dat het hierbij niet gaat om de vaststelling van
                                concrete besluiten of maatregelen, maar om de vorming van het beleid
                                waarop deze kunnen worden gebaseerd. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Onderwerp van inspraak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het begrip bestuursorgaan is gedefinieerd in artikel 1:1 lid 1 van
                                de Awb. Het omvat in elk geval de raad, het college en de
                                burgemeester. Het besluit om al dan niet inspraak te verlenen is een
                                besluit in de zin van de Awb. Hiertegen kan dus bezwaar worden
                                gemaakt. </al></li><li nr="2."><al>Hieronder is opgesomd welke wettelijke verplichtingen op dit moment
                                gelden. Hier kunnen uiteraard wijzigingen in optreden. Er is van
                                afgezien om de opsomming op te nemen in de tekst van artikel 2 zelf,
                                omdat in de eerste plaats bij een nieuwe wettelijke verplichting
                                direct de verordening moet worden aangepast en in de tweede plaats
                                het een dermate uitgebreide opsomming is dat de verordening hiermee
                                onoverzichtelijk wordt. </al></li></lijst><al>Wettelijke verplichtingen tot het bieden van inspraak krachtens artikel 150
                        Gemeentewet bestaan thans bij: </al><lijst><li nr="a."><al>de voorbereiding van het gemeentelijke milieubeleidsplan (artikel
                                4.17, derde lid, Wet milieubeheer)</al></li><li nr="b."><al>de voorbereiding van een ontwikkelingsprogramma stedelijke
                                vernieuwing (artikel 7 Wet stedelijke vernieuwing);</al></li><li nr="c."><al>de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een
                                Afvalstoffenverordening die afwijkt van artikel 10.21 Wet
                                milieubeheer (artikel 10.26, tweede lid, Wet milieubeheer );</al></li><li nr="d."><al>de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke
                                ondersteuning (artikel 11 Wet maatschappelijke ondersteuning);</al></li><li nr="e."><al>de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen artikel 42 en de Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
                                eveneens artikel 42; </al></li><li nr="f."><al>de voorbereiding van een welstandsnota (artikel 12a, tweede lid
                                Woningwet);</al></li><li nr="g."><al>de voorbereiding van besluiten tot uitsluiting van welstandstoetsing
                                als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder a en b, van de
                                Woningwet (artikel 12, vierde lid Woningwet).</al></li><li nr="h."><al>op basis van artikel 14a, lid 1, van de Monumentenwet 1988 is op de
                                voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning, als
                                bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1988, afdeling 3.4 van de
                                Awb van toepassing.</al></li></lijst><al>In bijlage twee zijn de relaties tussen inspraak en de bijzondere wetten
                        nader uitgewerkt.</al><al>3.In dit lid zijn een aantal situaties opgenomen wanneer geen inspraak wordt
                        verleend. Deze uitzonderingen spreken voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inspraakgerechtigden</titel></kop><al>De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de
                        tekst van artikel 150 van de Gemeentewet en betreft ingezetenen en
                        belanghebbenden. Krachtens artikel 3:15 eerste en tweede lid, Awb, staat
                        deelname aan de inspraakprocedure in ieder geval open voor belanghebbenden,
                        maar kan ook aan anderen de gelegenheid worden geboden om aan de procedure
                        deel te nemen. In dat laatste geval moet dit bij wettelijk voorschrift of
                        door het bestuursorgaan zelf worden bepaald. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inspraakprocedure</titel></kop><al>Ter uniformering en deregulering is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing
                        verklaard op de inspraak met uitzondering van artikel 3:17 Awb (zie
                        toelichting artikel 5). In artikel 3:11 tot en met 3:16 Awb is de
                        inspraakprocedure te vinden. Na ter inzage legging en bekendmaking van het
                        beleidsvoornemen kunnen ingezetenen en belanghebbenden gedurende zes weken
                        schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren brengen. In de meeste
                        gevallen zal deze procedure passend zijn voor de inspraak. Zo niet, dan kan
                        op grond van het tweede lid de inspraakprocedure worden aangepast. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Eindverslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In dit geval is niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 Awb.
                                In artikel 3:17 Awb wordt namelijk slechts bepaald dat een verslag
                                wordt gemaakt van hetgeen tijdens de inspraakprocedure mondeling
                                naar voren is gebracht.</al></li><li nr="2."><al>Onder het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde verslag van de
                                gevolgde inspraakprocedure wordt verstaan: Hoe is de procedure
                                feitelijk verlopen? Is afdeling 3.4 Awb onverkort toegepast? Wanneer
                                is het beleidsvoornemen ter inzage gelegd enz.?</al></li></lijst><al>Onderdeel b betekent dat de eindrapportage een volledig overzicht dient te
                        bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke inspraakreacties. De
                        schriftelijke inspraakreacties kunnen aan het verslag worden gehecht. In de
                        MvT bij de Awb wordt opgemerkt dat in het verslag kan worden volstaan met
                        een korte zakelijke weergave van de naar voren gebrachte opvattingen en
                        vermelding van de personen die hun opvatting naar voren hebben
                        gebracht.</al><al>Onder c wordt als het sluitstuk van inspraak voorgeschreven dat het
                        bestuursorgaan aangeeft wat met de zienswijzen wordt gedaan.</al><al>3.In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan het eindverslag op de
                        gebruikelijke wijze openbaar maakt.</al><al>Dit is niet verder ingevuld, omdat dit per beleidsvoornemen kan verschillen.
                        Benadrukt wordt dat de bekendmaking van de resultaten van de inspraak
                        uitermate belangrijk is. Het ligt voor de hand om degenen die hebben
                        ingesproken een exemplaar van het eindverslag te sturen. Daarnaast kan het
                        eindverslag algemeen worden gepubliceerd in het huis-aan-huisblad en/of op
                        de gemeentelijke website. Als het aantal insprekers omvangrijk is, kan
                        worden gekozen voor het volstaan met een algemene bekendmaking. Het is aan
                        te bevelen om tijdens de inspraakavond al duidelijkheid omtrent de
                        communicatie te verschaffen.</al><al>4.De burgemeester wordt verplicht om het eindverslag te vermelden in zijn
                        burgerjaarverslag overeenkomstig artikel 170, lid 2 van de Gemeentewet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening gemeente
                        Sittard-Geleen. In de citeertitel wordt geen jaartal opgenomen om te
                        voorkomen dat de schijn wordt gewekt dat de verordening slechts voor een
                        jaar geldt. </al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><tussenkop>Bijlage 2</tussenkop><al>Toelichting bijzondere wetten in relatie tot Inspraakverordening
                    Sittard-Geleen</al><tussenkop>Inspraak milieubeleidsplan:</tussenkop><al>Bij de totstandkoming van het milieubeleidsplan is de inspraakprocedure van
                    toepassing. In artikel 4.17 van de Wet milieubeheer is opgenomen dat het college
                    de ingezetenen en de in de gemeente belanghebbende natuurlijke en rechtspersonen
                    betrekt bij de voorbereiden van het milieubeleidsplan, op de wijze zoals
                    aangegeven in de inspraakverordening. Concreet houdt dit in dat voor de
                    toepassing van de inspraakprocedure een afzonderlijk besluit moet worden genomen
                    en dat de u.o.v. van toepassing is </al><tussenkop>Inspraak en ontwikkelingsprogramma stedelijke vernieuwing:</tussenkop><al>In artikel 7 sub 3a is geregeld dat bij de voorbereiding van het
                    ontwikkelingsprogramma de ingezetenen van de gemeente en degenen die in de
                    gemeente een belang hebben bij het programma, op de wijze als is voorzien in de
                    verordening die is vastgesteld krachtens artikel 150 van de Gemeentewet worden
                    betrokken.</al><tussenkop>Inspraak en afvalstoffenverordening:</tussenkop><al>Artikel 10.26 lid 2 van de Wet Milieubeheer heeft betrekking op de volgende
                    besluiten:</al><lijst><li nr="1."><al>Een besluit van de gemeenteraad om huishoudelijk restafval en gft-afval
                            in te zamelen nabij elk perceel (op basis van artikel 10.26 lid 4 gelden
                            hiervoor regels welke opgenomen zijn in de "Regeling voorwaarden
                            inzamelen huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel." Deze Regeling
                            stelt dat "de afstand tussen het perceel waar de huishoudelijke
                            afvalstoffen ontstaan en de inzamelvoorziening of de clusterplaats niet
                            meer bedraagt dan 75 meter. De gemeenteraad kan in bijzondere gevallen
                            bij de verordening, bedoeld in artikel 10.10, eerste lid, van de Wet
                            milieubeheer, bepalen dat de afstand wordt vastgesteld op ten hoogste
                            125 meter". Deze regeling komt zeer waarschijnlijk te vervallen bij de
                            komende wijziging van de Wet milieubeheer.)</al></li><li nr="2."><al>Een besluit van de gemeenteraad om huishoudelijk restafval en gft-afval
                            niet wekelijks in te zamelen (maar bijvoorbeeld alternerend, de ene week
                            gft en de andere week restafval).</al></li><li nr="3."><al>Een besluit van de gemeenteraad dat gft-afval in de gemeente niet
                            gescheiden wordt ingezameld.</al></li></lijst><tussenkop>Inspraak in relatie tot Wet maatschappelijke ondersteuning:</tussenkop><al>Met ingang van 1 januari 2007 is de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) van
                    kracht. Deze wet treedt in de plaats van de Wet voorzieningen gehandicapten
                    (Wvg). In artikel 11 van de Wmo is bepaald dat het college van burgemeester en
                    wethouders ingezetenen van de gemeente en in de gemeente een belang hebbende
                    natuurlijke personen en rechtspersonen betrekt bij de voorbereiding van het
                    beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, op de wijze voorzien in de
                    krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. </al><al>Inspraak in relatie tot de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte (IOAZ) en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW):</al><al>de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                    zelfstandigen (artikel 42, IOAZ) en de Wet inkomensvoorziening oudere en
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (artikel 42 IOAW</al><al>geven de gemeente een wettelijke verplichting tot het bieden van inspraak. De
                    inspraak geschiedt op de wijze zoals opgenomen in de inspraakverordening.</al><al>Inspraak ter voorbereiding van een welstandsnota en van besluiten ter
                    uitsluiting van de welstandtoetsing (Woningwet):</al><al>Artikel 12a van de Woningwet verplicht de gemeenteraad een welstandsnota vast te
                    stellen, indien zij bouwwerken aan redelijke eisen van welstand wil toetsen.
                    Ingevolge artikel 12a, eerste lid zijn welstandscriteria beleidsregels. Bij de
                    voorbereiding van deze beleidsregels is op grond van artikel 12a, tweede lid
                    Woningwet de inspraakprocedure op grond van artikel 150 Gemeentewet van
                    toepassing verklaard.</al><al>De gemeenteraad kan ingevolge artikel 12, tweede lid onder a en b van de
                    Woningwet respectievelijk gebieden binnen het gemeentelijk grondgebied en
                    categorieën van bouwwerken uitsluiten van de welstandstoetsing. Het vierde lid
                    van artikel 12 Woningwet schrijft bij de voorbereiding van deze besluiten de
                    inspraakprocedure op grond van artikel 150 Gemeentewet voor.</al><tussenkop>Inspraak en de Monumentenwet:</tussenkop><al>De inspraak geregeld in de Monumentenwet is alleen verplicht voor de aanvraag om
                    vergunning op Rijksmonumenten. Hiernaast bestaat een gemeentelijk monumenten
                    regime die voortvloeit uit de eigen beleidsvrijheid van de gemeenten en niet, op
                    welke wijze dan ook, uit de Monumentenwet 1988. Daar is derhalve niet de
                    verplichting om Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing te
                    verklaren.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>