<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR96314_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels voor het afwijken van een bestemmingsplan</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Urk</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Urk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Geen.</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels afwijken van bestemmingsplan</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet ruimtelijke ordening</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-12-20</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Aanpassen regels afwijken bestemmingsplan</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>20101845</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Beleidsregels afwijken van bestemmingsplan</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels voor het afwijken van een bestemmingsplan</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Beleidsregels voor het afwijken van een bestemmingsplan ex artikel 2.12,
                        eerste lid, onder a, onder 2° van de WaboINHOUDSOPGAVE 1 AANLEIDING 1.1
                        PLANOLOGISCHE ONTHEFFING 1.2 BELEIDSKADER 1.3 DOEL BELEIDSREGELS 1.4
                        BELANGENAFWEGING 1.5 VERPLICHTE PLANOLOGISCHE AFWIJKING? 1.6
                        VOORBEREIDINGSPROCEDURE 1.7 ONTHEFFING VAN RECHTSWEGE 1.8 JURIDISCH KADER
                        1.9 PLANSCHADE 1.10 BELEIDSREGELS GEMANDATEERD 1.11 WERKGROEP 1.12
                        WEIGERINGSGRONDEN 1.13 INSPRAAK 1.14 BEKENDMAKING</al><al>2 BELEIDSREGELS 3 BIJLAGE 1¹ Bouwen vergunningsvrij, artikel 3 van bijlage
                        II van het Bor</al><al>4 BIJLAGE 2¹ “Buitenplanse” afwijkingen, artikel 4 van bijlage II van het
                        Bor</al><al>5 BIJLAGE 3¹ Uitzonderingen, artikel 5 van bijlage II van het Bor</al><al>6 BIJLAGE 4 Beleidsregel werken aan huis gemeente Urk 2008”</al><al>7 BIJLAGE 5Beleidsnotitie GSM-Antennes gemeente Urk</al><al> ¹ De tekst van bijlage is gebaseerd op de wetgeving zoals die geldt vanaf 1
                        oktober 2010. Bij eventuele wijzigingen dient de actuele tekst te worden
                        geraadpleegd. 1. AanleidingOp 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Hierdoor zijn een
                        aanzienlijk aantal bepalingen in de Woningwet en de Wet ruimtelijke ordening
                        (hierna: Wro) gewijzigd. De ontheffingen die in de Wro waren opgenomen
                        gelden vanaf 1 oktober 2010 niet meer.</al><al>In artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo is bepaald dat
                        de omgevingsvergunning voor planologische gebruiksactiviteiten die in strijd
                        zijn met de geldende planologische regelgeving ondanks die strijdigheid kan
                        worden verleend voor de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
                        gevallen.</al><al>Deze algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (hierna:
                        Bor). In artikel 4 van bijlage II van het Bor zijn de categorieën van
                        gevallen aangewezen die voor de toepassing van artikel 2.12, eerste lid,
                        onder a, onder 2°, van de Wabo, in aanmerking komen.</al><al>Het gaat hier om een voortzetting van de zogenoemde “kruimellijst” van
                        gevallen van beperkte planologische betekenis welke op grond van artikel
                        3.23 van de Wro was opgenomen in artikel 4.1.1 van het Besluit ruimtelijke
                        ordening (hierna: Bro).</al><al>Deze ontheffingsmogelijkheid voor planologische kruimelgevallen was de
                        opvolger van de vrijstelling op basis van artikel 19, derde lid, Wet op de
                        Ruimtelijke Ordening in combinatie met artikel 20 van het Besluit op de
                        ruimtelijke ordening 1985. Door het College zijn op 5 juli 2001 dergelijke
                        beleidsregels vastgesteld.</al><al>Gebleken is dat er veelvuldig een beroep wordt gedaan op deze
                        ontheffingsmogelijkheden.</al><al>Over het algemeen wordt deze ontheffing in samenhang met een vergunning voor
                        het bouwen verleend dan wel geweigerd. In een aantal gevallen is er slechts
                        sprake van een ontheffing voor een gebruik in afwijking van een
                        bestemmingsplan. Voor enkele gevallen als bedoeld onder artikel 4.1.1,
                        eerste lid van het Bro is in 2008 de beleidsregel “werken aan huis”
                        vastgesteld.</al><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo is ook een nieuw fenomeen ingevoerd
                        namelijk het omgevingsvergunningvrij bouwen gecombineerd met een
                        planologische ontheffing voor strijdig gebruik. Artikel 3 van bijlage II van
                        het Bor beschrijft de bouwactiviteiten waarvoor geen omgevingsvergunning
                        vereist is. Anders dan bij de gecombineerde aanwijzingen van activiteiten
                        uit artikel 2 van bijlage II van het Bor, waarbij helemaal geen
                        omgevingsvergunning vereist is voor genoemde bouwactiviteiten en
                        planologisch gebruik “in ruime zin”.</al><al>Concreet betekent deze regeling dat voor de in artikel 3 van bijlage II van
                        het Bor genoemde gevallen de omgevingsvergunningplicht alleen bestaat voor
                        het planologisch strijdige gebruik “in ruime zin”. Daarom zal het
                        ontheffingenbeleid dan ook uitgebreid worden met de
                        ontheffingenmogelijkheden voor alleen het gebruik. Voor de woonbestemming
                        wordt primair de eerder genoemde beleidsregel “werken aan huis” als
                        toetsingskader gebruikt.</al><al>1.1 Planologische ontheffingIn principe moeten verzoeken welke niet voldoen
                        aan het bestemmingsplan worden geweigerd. Voordat een weigering tot stand
                        komt, moet echter telkens worden beoordeeld of er sprake is van een
                        uitzonderingssituatie waarvoor het redelijk is om ontheffing te
                        verlenen.Volgens artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt een aanvraag
                        voor de activiteit “bouwen” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a,
                        van de Wabo tevens aangemerkt als een aanvraag voor een”planologisch
                        strijdig gebruik”als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de
                        Wabo en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met
                        toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.</al><al>Daartoe dient in eerste instantie te worden onderzocht of het initiatief met
                        toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzage afwijking
                        gerealiseerd kan worden. Indien dit niet het geval is, biedt artikel 2.12,
                        eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo, de mogelijkheid tot het verlenen
                        van een omgevingsvergunning voor gebruik die afwijkt van het
                        bestemmingsplan, maar alleen voor gevallen die bij algemene maatregel van
                        bestuur (hierna:Amvb) zijn aangewezen.</al><al>Zoals eerder genoemd gaat het hierbij veelal om situaties die afwijken van
                        een bestemmingsplan en geen grote inbreuk vormen op de bedoeling van het
                        bestemmingsplan.</al><al>Ten behoeve van elke afzonderlijke aanvraag, die niet in overeenstemming is
                        met een bestemmingsplan, dient dan ook te worden bepaald of ontheffing op
                        grond van artikel 2.12 van de Wabo kan worden verleend. In dit verband is
                        het om meerdere redenen goed, beleid vast te stellen aan de hand waarvan kan
                        worden beoordeeld in welke gevallen medewerking door middel van een
                        ontheffing van het bestemmingsplan wenselijk is.</al><al>1.2 BeleidskaderZolang de bestemmingsplannen nog niet geactualiseerd zijn,
                        kan een aanvraag om omgevingsvergunning voor bouwen worden getoetst aan het
                        bestemmingsplan en de onderhavige beleidsregels. Indien de aanvraag niet
                        past binnen het bestemmingsplan, maar wel voldoet aan deze beleidsregel, kan
                        medewerking worden verleend. De beleidsregel voor woningen heeft in
                        bestaande woongebieden de structuur van een bestemmingsplanregel. Deze kan
                        worden beschouwd als voorloper op de regels zoals die komende jaren in de
                        geactualiseerde bestemmingsplannen wordt opgenomen. Deze regeling vormt het
                        algemene en uniforme toetsingskader in de afweging om wel of geen
                        omgevingsvergunning te verlenen voor planologisch strijdig gebruik als
                        bedoeld in artikel 4 van bijlage II van het Bor.</al><al>1.3 Doel beleidsregelsZoals eerder is aangegeven zijn de op 5 juli 2001
                        vastgestelde beleidsregels zeer regelmatig toegepast. Het gaat daarbij om
                        zowel positieve als negatieve besluiten dan wel adviezen.Doordat beleid
                        opgesteld is over de toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid, is de
                        samenhang van de te maken afwegingen vergroot. Hiermee is ook de
                        rechtszekerheid voor burgers verbeterd. Zowel de aanvrager van de ontheffing
                        als derden-belanghebbenden kunnen op basis van deze beleidsregels beoordelen
                        of een verzoek in principe voor een ontheffing van het bestemmingsplan in
                        aanmerking komt. Het beleid vormt een belangrijke aanvulling op de interne
                        procedures, die gericht zijn op het maken van een zo zorgvuldig mogelijke
                        belangenafweging. Een voordeel van de beleidsregels is dat op een snellere
                        en eenvoudigere wijze de interne ambtelijke beoordeling over het al of niet
                        verlenen van een ontheffing kan plaatsvinden. Bovendien kan de beslissing
                        over een ontheffingsverzoek worden gemotiveerd met een verwijzing naar deze
                        beleidsregels, hetgeen een vermindering van bestuurslasten betekent en
                        willekeur zoveel mogelijk uitsluiten. Ook bij de voorlichting spelen deze
                        beleidsregels een belangrijke rol. Immers er kan vooraf een goede
                        inschatting gemaakt worden of een gewenst bouwwerk of gebruik een reële kans
                        van slagen heeft. Bij een negatief besluit kan -volgens vaste
                        jurisprudentie- kortheidshalve verwezen worden naar de beleidsregels onder
                        aanvulling dat er geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd waarom er
                        van de beleidsregels afgeweken dient te worden. Bovendien kan met deze
                        beleidsregels, zolang nog niet alle bestemmingsplannen in de gemeente Urk
                        zijn geactualiseerd een grote mate van uniformiteit worden bereikt voor wat
                        betreft de bouw- en gebruiksmogelijkheden in de verschillende wijken en
                        kernen van Urk.De actualisering van de Urker bestemmingsplannen is reeds
                        voortvarend ter hand genomen. In de geactualiseerde bestemmingsplannen
                        worden de huidige planologische inzichten, zoals in deze beleidsregels
                        neergelegd, opgenomen. Uitgangspunt is om uiterlijk op 1 juli 2013 over een
                        volledig actueel bestemmingsplannenbestand te beschikken. In wijken waar het
                        bestemmingsplan pas over enige jaren wordt herzien, kan door toepassing te
                        geven aan de ontheffingsmogelijkheid uit artikel 2.12, eerste lid, onder a,
                        onder 2°, van de Wabo medewerking worden verleend aan activiteiten die
                        volgens de nieuwe bestemmingsplannen zonder meer zijn toegelaten. Hetzelfde
                        geldt voor artikel 3 van bijlage II van het Bor en beleidsregel “werken aan
                        huis”. 1.4 BelangenafwegingVoor de goede orde wordt benadrukt dat het
                        verlenen van een ontheffing een bevoegdheid is en geen verplichting.
                        Burgemeester en wethouders beschikken dan ook over een ruime mate van
                        beleidsvrijheid bij hun beslissing om al dan niet van deze bevoegdheid
                        gebruik te maken. Hieraan voorafgaand dient een belangenafweging plaats te
                        vinden. Het belang van de aanvrager dient te worden afgewogen tegen belangen
                        van derden. Het belang van de aanvrager ligt voor de hand. Zijn of haar
                        woongenot dan wel gebruiksgenot zal toenemen. Daartegenover staan de
                        belangen van derden. Zij kunnen in hun belangen worden geschaad (derving
                        woongenot, vermindering privacy, verminderde daglichttoetreding,
                        waardevermindering eigendommen, belemmering uitzicht en eventuele
                        privaatrechtelijke belangen). In elk concreet geval zullen deze belangen
                        tegenover elkaar dienen te worden afgewogen. Het maken van aanspraak op
                        beleidsregels houdt dan ook niet in dat verzoeken altijd zullen worden
                        gehonoreerd. Voor de wijken die zijn aangewezen als beschermd dorpsgezicht
                        en de als karakteristiek (Nota Belverdere) aangewezen percelen, geldt als
                        extra afwegingskader dat het bouwplan moet passen binnen de
                        cultuurhistorische samenhang in de omgeving.1.5 Verplichte planologische
                        afwijking?In artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo staat “wordt de
                        vergunning slechts geweigerd als vergunningverlening met toepassing van
                        artikel 2.12 Wabo niet mogelijk is”. Met het oog op deze dwingende redactie
                        bestaat thans de indruk dat hierdoor een recht bestaat op een afwijking van
                        het bestemmingsplan op grond van het bepaalde in artikel 4 van bijlage II
                        van het Bor als er geen beleid over de toepasbaarheid van artikel 4 van
                        bijlage II van het Bor is. Mede gelet hierop is het van belang om dit beleid
                        zo spoedig mogelijk vast te stellen.</al><al>1.6 VoorbereidingsprocedureDe Wabo onderscheidt twee
                        voorbereidingsprocedures: de reguliere en de uitgebreide.Regel bij het
                        bepalen van de te volgen procedure (regulier of uitgebreid) is dat de
                        regulierevoorbereidingsprocedure wordt gevolgd, tenzij anders is bepaald. In
                        artikel 3.10 Wabo staatexpliciet aangegeven wanneer de uitgebreide
                        voorbereidingsprocedure moet wordengevolgd. Artikel 2.12 lid 1 sub a onder 2
                        van de Wabo (de zogenoemde kruimellijst gevallen) worden niet in artikel
                        3.10 Wabo genoemd hetgeen betekent dat deze planologische
                        afwijkingsmogelijkheden onder de reguliere voorbereidingsprocedure
                        vallen.</al><al>Een groot verschil tussen de reguliere en de uitgebreide
                        voorbereidingsprocedure is dat bij de uitgebreide, de 'uniforme openbare
                        voorbereidingsprocedure' (afdeling 3.4 Algemene wetbestuursrecht) moet
                        worden gevolgd. Omdat de binnenplanse ontheffingenen de kruimelgevallen met
                        de komst van de Wabo onder de reguliere voorbereidingsprocedure vallen,
                        volgen deze dus niet meer de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Voor
                        deze afwijkingen van het bestemmingsplan is dit dus compleet anders dan nu
                        het geval is; de ontwerpbesluiten worden dus niet (meer) ter inzage gelegd
                        en er is geen sprake meer van een zienswijze- procedure. In bijzondere
                        gevallen kan het college besluiten het ontwerpbesluit wel te publiceren.
                        Daarnaast is het zo dat een reguliere procedure voor een omgevingsvergunning
                        binnen 8 weken (eventueel plus een verlenging van 6 weken) moet worden
                        doorlopen. Als de wettelijke termijn wordt overschreden, dan ontstaat er een
                        van rechtswege verleende vergunning. Bij vergunningaanvragen voor zaken die
                        in strijd zijn met het bestemmingsplan ligt de grens voor het ontstaan van
                        een van rechtswege verleende vergunning dus bij de maximale mogelijkheden
                        die de kruimellijst biedt (artikel 4 bijlage II van de Bor).</al><al>1.7 Ontheffing van rechtswegeOverschrijding van de beslistermijn in de
                        reguliere voorbereidingsprocedure leidt volgens artikel 3.9, derde lid, van
                        de Wabo tot een verlening van de vergunning van rechtswege (inclusief
                        ontheffing). Vóór de invoering van de Wabo kon er geen vergunning die
                        afwijkt van een bestemmingsplan van rechtswege ontstaan.Deze korte periode
                        om op een afwijking te beslissen, nodigt des te meer uit om beleidsregels
                        voor afwijkingenbeleid te hebben.</al><al>1.8 Juridisch kaderZoals in de aanleiding al vermeld, zijn deze nieuwe
                        beleidsregels gebaseerd op de Wabo die op 1 oktober 2010 in werking is
                        getreden. De bevoegdheid om af te wijken van een bestemmingsplan bij de
                        zogenaamde planologische kruimelgevallen vloeit voort uit artikel 2.12,
                        eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo¸ juncto artikel 3 en 4 van
                        bijlage II van het Bor. In deze artikelen worden alle gevallen limitatief
                        (uitputtend) opgesomd waarin het college gebruik kan maken van de in artikel
                        2.12 genoemde bevoegdheid.</al><al>Voor de duidelijkheid: de regelingen in artikel 3 en 4 van bijlage II van
                        het Bor hebben geen betrekking op vergunningvrije bouwwerken als bedoeld in
                        artikel 2.1 lid 3 van de Wabo. Deze bouwwerken kunnen zonder enige
                        vergunning en zonder toetsing aan het bestemmingsplan worden gebouwd. Er is
                        hierbij dan ook geen sprake van een afwijking.</al><al>1.9 PlanschadeAls het planologische regiem op een perceel wijzigt –
                        bijvoorbeeld door een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik
                        te verlenen – dan kan daar schade door ontstaan. Omliggende percelen kunnen
                        minder waard worden door bijvoorbeeld een afname van het woongenot.
                        Eigenaren van omliggende percelen kunnen een aanvraag indienen bij de
                        gemeente voor een tegemoetkoming in de schade.Onder de Wro komt een deel van
                        de schade in aanmerking voor vergoeding. De wetgever gaat er van uit dat een
                        deel van de schade valt onder het normaal maatschappelijk risico. Lid zijn
                        van de samenleving en het deelnemen aan het maatschappelijk leven, draagt in
                        zich dat men de lusten en de lasten daarvan aanvaardt. In principe moet een
                        burger nadeel als gevolg van een ontwikkeling in de samenleving dan ook zelf
                        dragen. Dat geldt ook voor overheidsbesluiten. Het is moeilijk aan te geven
                        wat het normaal maatschappelijk risico precies is. Daarom heeft de wetgever
                        een forfaitaire benadering gekozen. De wet bepaalt dat minimaal 2% van het
                        inkomen of waarde niet in aanmerking komt voor vergoeding. In concrete
                        gevallen kan bepaald worden dat meer dan 2% (tot 100%) van de waarde tot het
                        normaal maatschappelijk risico behoort.Voordat de gemeente een
                        omgevingsvergunning verleent voor planologisch strijdig gebruik, dient zij
                        op basis van Grex een planschadeovereenkomst. In de planschadeovereenkomst
                        verplicht de aanvrager van een dergelijke omgevingsvergunning zich om –
                        eventueel – uit te betalen schade aan de gemeente te vergoeden. In de
                        periode dat de eerder genoemde beleidsregels vastgesteld op 5 juli 2001
                        toegepast zijn, is geen planschadeverzoek ingediend dan wel
                        planschadevergoeding toegekend. Daarom wordt voor omgevingsvergunningen voor
                        planologisch strijdig gebruik die voldoen aan het onderhavige beleid, geen
                        planschadeovereenkomst gesloten.1.10 Beleidsregels gemandateerdIn principe
                        worden alle verzoeken die passen binnen de beleidsregels afgedaan door de
                        manager van de Publiekszaken. Verzoeken die in strijd zijn met de
                        beleidsregels kunnen uitsluitend worden gehonoreerd indien daar besluit van
                        het College ten grondslag ligt. Verder wordt gebruik gemaakt van de
                        mogelijkheid die artikel 3.9, tweede lid, van de Wabo biedt om de termijn
                        van 8 weken (waarbinnen moet worden beslist op de aanvraag om een
                        omgevingsvergunning) eenmaal met ten hoogste zes weken te verlengen.</al><al>1.11 Werkgroep Een aanvraag om de omgevingsvergunning die in strijd is met
                        de geldende planologische regelgeving wordt besproken binnen de werkgroep
                        bestaande uit een juridisch beleidsmedewerker publiekszaken, een
                        beleidsmedewerker ontwikkeling en advies en een beleidsmedewerker bouw- en
                        woningtoezicht.</al><al>1.12 Weigeringsgronden Het voldoen aan de beleidsregels uit deze nota is
                        geen garantie dat ook daadwerkelijk een afwijking toegestaan wordt. In deze
                        nota zijn een aantal beleidsuitgangspunten geformuleerd die tot doel hebben
                        om bij een concreet verzoek om afwijking (al dan niet in combinatie met een
                        bouwaanvraag) een afwegingskader te bieden waarmee snel een oordeel over de
                        wenselijkheid en aanvaardbaarheid van medewerking kan worden gegeven. In
                        artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht staat het volgende “Het
                        bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor één
                        of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere
                        omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te
                        dienen doelen.” Daarbij mag het echter niet zo zijn dat dit voor een of meer
                        belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden
                        onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.
                        Er kunnen altijd bijzondere omstandigheden zijn die bij toepassing van het
                        vastgestelde beleid in een concreet geval tot onevenredige hardheid kunnen
                        leiden. Soms kan dit op voorhand duidelijk zijn, maar soms kan dit ook pas
                        blijken in de bezwarenprocedure (dus nadat de afwijking verleend is). In
                        zijn algemeenheid valt niet aan te geven wanneer sprake is van onevenredig
                        nadeel. Dit zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld. Voorkomen
                        dient te worden dat de in het beleid neergelegde uitgangspunten als een
                        recht worden toegepast. Aan ieder ontheffingsbesluit gaat een zorgvuldige
                        belangenafweging vooraf die in een concreet geval, zelfs als het verzoek
                        past binnen de in dit beleid opgenomen randvoorwaarden, tot weigering van
                        het ontheffingsverzoek kan leiden.Elk beleid kan onvoorziene neveneffecten
                        hebben. Met een beroep op de hardheidsclausule kunnen onvoorziene
                        onaanvaardbare gevolgen van beleidsregels worden voorkomen.Indien de
                        hardheidsclausule wordt toegepast of in afwijking van de in het
                        ontheffingenbeleid opgenomen criteria geen medewerking aan een verzoek wordt
                        verleend, wordt zowel het verzoek als de voorgenomen beleidswijziging aan
                        het college voorgelegd. In het ontheffingsbesluit wordt gemotiveerd
                        aangegeven waarom in een specifiek geval wordt afgeweken van het
                        ontheffingenbeleid. Met een verwijzing naar de motivering in het
                        ontheffingenbeleid kan eventuele (ongewenste) precedentwerking worden
                        voorkomen.</al><al>1.13 InspraakVoor het vaststellen van voornoemde beleidsregels bestaat geen,
                        uit de Wet voortvloeiende, verplichting om inspraak te voeren.</al><al>1.14 BekendmakingVoor het vaststellen van voornoemde beleidsregel zijn
                        burgemeester en wethouders hetbevoegde orgaan. Door het enkel vaststellen
                        van een beleidsregel treedt deze nog niet inwerking. Voor inwerkingtreding
                        van een besluit, waaronder een beleidsregel mede wordtbegrepen, is het nodig
                        dat het wordt bekendgemaakt (artikel 3:40 Awb). De bekendmaking van
                        besluiten is geregeld in afdeling 3.6 van de Awb. Voor besluiten die, net
                        als beleidsregels, niet tot een of enkele belanghebbenden zijn gericht, maar
                        zich richten tot een ruimere kring adressanten, geschiedt bekendmaking door
                        middel van kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in
                        een van overheidswege uitgegeven blad of een dag,- nieuws-, of
                        huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze (artikel 3:42 Awb).
                        Zoals gebruikelijk zal de bekendmaking plaatsvinden in Het Urkerland. 2.
                        Beleidsregels</al><al>Artikel 1BegripsbepalingBij de toepassing van deze beleidsregels worden de
                        begripsbepalingen zoals deze in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
                        Besluit omgevingsrecht, het Bouwbesluit, de Bouwverordening en de van
                        toepassing zijnde bestemmingsplannen van de gemeente Urk zijn geregeld,
                        gehanteerd. Slechts de volgende begrippen behoeven in dit verband een nadere
                        aanduiding.1. aan- en uitbouw: een aan een hoofdgebouw verbonden bouwwerk,
                        dat rechtstreeks vanuit dat hoofdgebouw toegankelijk is en dat in bouwkundig
                        opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 2. bijgebouw:een niet voor
                        bewoning bestemd vrijstaand gebouw, dat een gebruikseenheid vormt met en
                        dienstbaar is aan een hoofdgebouw; 3. hoekpand: een pand als beëindiging van
                        een bouwblok (geen vrijstaande villa) waarvan niet alleen de vóór- en of
                        achtergevel, maar ook (minstens) één van de zijgevels naar de openbare
                        weg/ruimte gericht is.</al><al>Artikel 2Wijze van metenBij de toepassing van deze beleidsregels wordt als
                        gemeten en berekend conform artikel 1 van bijlage II van het Bor.Artikel
                        3Criteria voor een bijbehorend bouwwerk:Een bijbehorend bouwwerk bij een
                        woonhuis is mogelijk met dien verstande dat,1. deze tenminste 3 meter achter
                        (het verlengde van) de voorgevel van de woning, en op voor wonen bestemde
                        gronden is gelegen; 2. de oppervlakte niet meer dan 150 m² bedraagt en het
                        aansluitend terrein voor niet meer dan 50% wordt bebouwd; 3. op gronden die
                        gelegen zijn buiten het bouwperceel mogen geen gebouwen worden gebouwd; 4.
                        de goothoogte van een uitbreiding en/of bijgebouw mag niet meer bedragen dan
                        3,50 meter; 5. ten aanzien van een carport geldt, in afwijking van het
                        bepaalde onder 1, een afstand van ten minste 1 meter achter (het verlengde
                        van) de voorgevel van de woning;6. deze beleidsregels zijn niet van
                        toepassing op het realiseren van verblijven voor dieren.</al><al>Artikel 4Criteria voor erkersIn afwijking van het bepaalde in artikel 2 is
                        het mogelijk erkers aan de voor- en/of zijgevel te realiseren, met dien
                        verstande dat:1. aan de zijgevel de maximale diepte van de erker 2 meter
                        bedraagt en de afstand tussen de gevel van de erker en de zijperceelsgrens
                        minimaal 2 meter bedraagt;2. aan de voorgevel de maximale diepte van de
                        erker 1 meter bedraagt en afstand tussen de voorzijde van de erker en de
                        perceelsgrens minimaal 1 meter bedraagt;3. de goot- en bouwhoogte van de
                        erker bedraagt maximaal 3,50 meter;4. de erker niet breder is dan 60% van de
                        breedte van de gevel waartoe hij behoort.</al><al>Artikel 5Criteria voor balkons, bordessen en ingangspartijenDe naar de weg
                        gekeerde bebouwingsgrens mag, tot maximaal 1 meter, worden overschreden door
                        balkons, bordessen en ingangspartijen mits niet breder dan 60% van de gevel
                        waartoe hij behoort en de vrije hoogte vanaf de weg gemeten minimaal 2,50
                        meter bedraagt.</al><al>Artikel 6Criteria voor een bouwwerk ten behoeve van een infrastructurele of
                        openbare voorzieningTen aanzien van deze bouwwerken geldt hetgeen in artikel
                        4 van bijlage II van het Bor is bepaald. Gestreefd dient te worden naar een
                        integratie van nutsvoorzieningen in de bestaandebebouwing dan wel opname in
                        de nieuwe bebouwing. Indien dit onevenredig bezwarend is voor de aanvrager
                        dan is vrijstaand bebouwing toegestaan. Artikel 2, onderdeel 18 sub a
                        vanbijlage II van het Bor biedt echter voldoende mogelijkheden, zodat de
                        ontheffingterughoudend verleend zal worden.</al><al>Artikel 7Criteria voor een bouwwerk geen gebouw zijndeTen aanzien van erf-
                        en terrein afscheidingen gelden de volgende regels:1. vanaf 3 meter achter
                        de voorgevel, of in het verlengde hiervan, mag de bouwhoogte niet meer
                        bedragen dan 2 meter;2. voor het overige geldt een bouwhoogte van 1
                        meter.</al><al>Artikel 8Criteria voor een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding
                        van een gebouwVoor zover het gaat om dakkapel/dakopbouw die niet vallen
                        onder het bepaalde in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Bor wordt
                        aansluiting gezocht bij hetgeen is bepaald in de door de raad vastgestelde
                        Welstandsnota. De dakkapel/dakopbouw voldoet aan redelijke eisen van
                        welstand naar het oordeel van de welstands/monumentencommissie, waarbij in
                        geval van eerdere precedenten op naburige gebouwen, hiermee zorgvuldig
                        rekening wordt gehouden.Een dakopbouw is uitsluitend mogelijk op het
                        hoofdgebouw.</al><al>Artikel 9Criteria voor een antenne-installatieEr wordt alleen van
                        bestemmingsplan afgeweken, als de antenne-installaties voldoet aan de
                        beleidsnota “beleidsnotitie antennes gemeente Urk”.</al><al>Artikel 10Criteria voor het gebruik van bouwwerkenWijziging in het gebruik
                        van bouwwerken wordt toegestaan tot een maximum van 1500 m² mits:- de
                        omgevingskwaliteit (onder andere milieubelasting), bereikbaarheid en
                        parkeerdrukniet verslechtert en;- geen strijdigheid met geldend beleid zoals
                        onder andere vastgelegd in visies,plannen en nota’s ontstaat;- ontheffing
                        kan tevens worden verleend voor inpandige bouwactiviteiten.</al><al>Artikel 11Criteria voor het gebruik van recreatiewoningen voor bewoningDe
                        ontheffing wordt uitsluitend verleend aan de aanvrager en diens met name
                        genoemdemeerderjarige huisgenoten die sinds 31 oktober 2003 onafgebroken
                        hebben gewoond. De ontheffing is persoonsgebonden, niet overdraagbaar en
                        vervalt bij verhuizing of overlijden zodra deze personen de bewoning hebben
                        beëindigd. Uitzonderingen op deze beleidsregel zijn niet mogelijk.</al><al>Artikel 12SnippergroenGronden die zijn aangekocht als snippergroen worden
                        voor hetgeen bepaald in artikel 3, sub 2, van deze beleidsregels geacht te
                        behoren tot het aansluitend terrein.</al><al>Artikel 13Algemene criteria1. Het verlenen van ontheffing mag niet leiden
                        tot een onevenredige aantasting van:- belangen van derden;- de
                        gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;- het straat- en
                        bebouwingsbeeld;- de milieusituatie;- de woonsituatie;- de sociale
                        veiligheid;- de verkeersveiligheid.2. Een bouwplan wordt geacht passen te
                        zijn in het straat- en bebouwingsbeeld indien er sprake is van: - goede
                        verhouding tussen bouwmassa en open ruimte;- goede hoogte-/breedteverhouding
                        tussen bebouwing onderling;- samenhang in bouwvorm/architectonisch beeld
                        tussen bebouwing die ruimtelijk op elkaar georiënteerd is;- voor zover als
                        beschermd dorpsgezicht of als karakteristiek aangewezen: cultuurhistorische
                        samenhang in de omgeving;- een gunstig welstandsadvies.</al><al>Artikel 14Afwijking in bijzondere gevallen (hardheidclausule)Burgemeester en
                        wethouders handelen overeenkomstig deze beleidsregels, tenzij dat voor een
                        of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere
                        omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te
                        dienen doelen. In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders
                        gemotiveerd afwijken van het beleid zoals geformuleerd in de artikelen 2 tot
                        en met 13 van deze beleidsregels.</al><al>Artikel 15Cumulatie van ontheffingen1. Indien in een onderdeel van artikel 3
                        en 4 van bijlage II van het Bor of in een beleidsregel een maximum is
                        gesteld (bijvoorbeeld voor wat betreft oppervlakte aan bijgebouwen) is
                        toepassing van dit onderdeel of deze beleidsregel in zijn geheel of in delen
                        mogelijk tot eenmaal het maximum;2. in het geval van het toepassen van
                        verschillende onderdelen van artikel 3 en 4 van bijlage II van het Bor op
                        het zelfde bouwperceel is er geen sprake van cumulatie.</al><al>Artikel 16InwerkingtredingDeze beleidsregels treden in werking op 1 januari
                        2011. Met de inwerkingtreding van deze regels vervallen de beleidsregels
                        welke zijn vastgesteld op 5 juli 2001.</al><al>Artikel 17CiteertitelDeze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels
                        voor “buitenplanse” afwijkingen van een bestemmingsplan”.</al><al>Urk, 2010.</al><al>Burgemeester en Wethouders van Urk,</al><al>de secretaris, de burgemeester,Bijlage 1Categorieën gevallen waarin voor
                        bouwactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist</al><al>Artikel 3Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel
                        2.1, eerste lid, onder a, van de wet is niet vereist, indien deze activiteit
                        betrekking heeft op:1. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in
                        achtererfgebied, mits niet hoger dan 5 m; 2. een op de grond staand bouwwerk
                        ten behoeve van recreatief nachtverblijf, mits wordt voldaan aan de volgende
                        eisen: a. niet hoger dan 5 m, en b. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; 3.
                        een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied
                        gekeerd zijdakvlak, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. redelijke
                        eisen van welstand zijn niet van toepassing; b. voorzien van een plat dak,
                        c. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m, d.
                        onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet, e. bovenzijde
                        meer dan 0,5 m onder de daknok, en f. zijkanten meer dan 0,5 m van de
                        zijkanten van het dakvlak; 4. een sport- of speeltoestel anders dan voor
                        uitsluitend particulier gebruik, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
                        a. niet hoger dan 4 m, en b. uitsluitend functionerend met behulp van de
                        zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; 5. een zwembad, whirlpool,
                        jacuzzi of vijver op het erf bij een woning of woongebouw, mits deze niet
                        van een overkapping is voorzien; 6. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in
                        achtererfgebied ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering, voor zover het
                        betreft: a. een voeder- of mestsilo, of b. een ander bouwwerk niet hoger dan
                        2 m; 7. een verandering van een bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende
                        eisen: a. geen verandering van de draagconstructie, b. geen verandering van
                        de brandcompartimentering of subbrandcompartimentering, c. geen uitbreiding
                        van de bebouwde oppervlakte, en d. geen uitbreiding van het
                        bouwvolume.Bijlage 2Categorieën gevallen waarin voor planologische
                        gebruiksactiviteiten een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12,
                        eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet kan worden verleend</al><al>Artikel 4Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing
                        van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het
                        bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in
                        aanmerking:1. een bijbehorend bouwwerk: a. binnen de bebouwde kom, b. buiten
                        de bebouwde kom, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: 1°. niet hoger
                        dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte
                        constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf, 2°. de oppervlakte niet
                        meer dan 150 m2, en 3°. het bouwen niet tot gevolg heeft dat het aansluitend
                        terrein voor meer dan 50% wordt bebouwd dan wel dat de oppervlakte die op
                        grond van het bestemmingsplan of de beheersverordening voor bebouwing in
                        aanmerking komt voor meer dan 50% wordt overschreden; 2. een gebouw ten
                        behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in
                        artikel 2, onderdeel 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat
                        subonderdeel genoemd eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a.
                        niet hoger dan 5 m, en b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²; 3. een
                        bouwwerk, geen gebouw zijnde, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a.
                        niet hoger dan 10 m, en b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²; 4. een
                        dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw; 5. een
                        antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m; 6. een installatie bij een
                        glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1,
                        eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998; 7. een installatie bij
                        een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het
                        bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid,
                        van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een
                        krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het
                        vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in
                        de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen; 8. het gebruiken
                        van gronden of bouwwerken ten behoeve van evenementen met een maximum van
                        drie per jaar en een duur van ten hoogste vijftien dagen per evenement, het
                        opbouwen en afbreken van voorzieningen ten behoeve van het evenement
                        hieronder begrepen; 9. het gebruiken van bouwwerken, al dan niet in
                        samenhang met inpandige bouwactiviteiten, mits wordt voldaan aan de volgende
                        eisen: a. binnen de bebouwde kom, en b. de oppervlakte niet meer dan 1500
                        m²; 10. het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, mits wordt
                        voldaan aan de volgende eisen: a. de recreatiewoning voldoet aan de bij of
                        krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen; b. de
                        bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de
                        Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en
                        veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden, c.
                        de bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had
                        en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en d. de bewoner op 31 oktober 2003
                        meerderjarig was.Bijlage 3Bijzondere bepalingen</al><al>Artikel 51. Bij de toepassing van de artikelen 2, 3 en 4 blijft het aantal
                        woningen gelijk. 2. De artikelen 2 en 3 zijn niet van toepassing op een
                        activiteit die plaatsvindt in, aan, op of bij een bouwwerk dat in strijd met
                        artikel 2.1 van de wet is gebouwd of wordt gebruikt. 3. Artikel 2, met
                        uitzondering van de onderdelen 1 en 2, en artikel 3 zijn evenmin van
                        toepassing op een activiteit die plaatsvindt: a. in, aan, op of bij een
                        beschermd monument als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Monumentenwet
                        1988, een monument waarop artikel 5 van die wet van toepassing is, een
                        krachtens een provinciale of gemeentelijke verordening aangewezen monument
                        dan wel een monument waarop, voordat het is aangewezen, een zodanige
                        verordening van overeenkomstige toepassing is, of b. in een beschermd stads-
                        of dorpsgezicht en kan leiden tot andere dan uitsluitend inpandige
                        veranderingen. 4. Artikel 2, onderdeel 3, is evenmin van toepassing op een
                        activiteit die plaatsvindt in: a. een in het bestemmingsplan of de
                        beheersverordening opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of
                        B-zone, rondom een munitieopslag of een inrichting voor activiteiten met
                        ontplofbare stoffen; b. een ander gebied waarin die activiteit op grond van
                        het bestemmingsplan of de beheersverordening niet is toegestaan vanwege het
                        overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van
                        de aanwezigheid van een inrichting, transportroute of buisleiding dan wel
                        vanwege de ligging in een belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud
                        van een buisleiding. 5. Artikel 3, onderdelen 1 en 2, is evenmin van
                        toepassing voor zover voor het bouwwerk waarop de activiteit betrekking
                        heeft krachtens het bestemmingsplan regels gelden die met toepassing van
                        artikel 40 van de Monumentenwet 1988 in het belang van de archeologische
                        monumentenzorg zijn gesteld, tenzij de oppervlakte van het bouwwerk minder
                        dan 50 m2 bedraagt. 6. Artikel 3, onderdeel 7, is evenmin van toepassing op
                        een activiteit die tevens een activiteit is als bedoeld in artikel 2 of 3,
                        onderdelen 1 tot en met 6, maar niet voldoet aan de in die artikelen ten
                        aanzien van die activiteit gestelde eisen. Bijlage 4Beleidsregel werken aan
                        huis gemeente Urk 2008”</al><al>Inleiding Uit door de raad vastgestelde bestemmingsplannen blijkt de wens,
                        dat het onder omstandigheden mogelijk moet zijn om in een woning een aan
                        huis verbonden beroep of een aan huisverbonden bedrijf uit te mogen oefenen.
                        In het verleden is regelmatig vrijstelling verleend van de bepalingen van
                        het betreffende bestemmingsplan voor dergelijke activiteiten. Aanvragen
                        werden in dit kader ad hoc beoordeeld. Als aanvulling op deze werkwijze zijn
                        in 2004 beleidsregels vastgesteld. Aanvragen werden beoordeeld aan de hand
                        van de beleidsregels. Deze regels zijn in 2007 geactualiseerd.</al><al>Nieuwe Wet ruimtelijke ordening Inmiddels is op 1juli 2008 de nieuwe Wet
                        ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden. Deze wet vervangt de
                        Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Het rechtsfiguur
                        “vrijstelling” is vervallen. Daarvoor is o.a. in de plaats getreden het
                        instrument “ontheffing”. Door het bestuursorgaan kan nu eventueel worden
                        verleend: een “binnenplanse ontheffing” (voorheen: ex artikel 15 WRO), een
                        “buitenplanse ontheffing” (voorheen: artikel 19, lid 3 WRO) of een
                        “tijdelijke ontheffing” (voorheen: artikel 17 WRO).</al><al>Dit heeft als gevolg, dat de beleidsregels voor werken aan huis aangepast
                        zullen moeten worden aan deze terminologie. Aanvragen die zijn ingekomen
                        vóór 1juli 2008 worden afgedaan onder het regime van de “oude”
                        beleidsregels. Er is overigens geen reden om over te gaan tot inhoudelijke
                        aanpassing c.q. aanpassing van de ruimtelijke uitgangspunten. Het betreft
                        puur een formele aangelegenheid. De beleidsregel kan als ruimtelijke
                        onderbouwing worden gebruikt in geval van verlening van ontheffing dan wel
                        de weigering om medewerking te verlenen aan een aanvraag. De regel dient
                        tenslotte gepubliceerd te worden in Het Urkerland (inwerkingtreding).</al><al>Onderscheid beroep en bedrijf Gewoonlijk wordt bij “vrije beroepen” gedacht
                        aan de medische- en paramedische beroepen van arts, tandarts, fysiotherapeut
                        en dierenarts, alsmede aan de juridisch-administratieve beroepen van
                        notaris, advocaat en procureur, accountant en makelaar (of daaraan gelijk te
                        stellen beroepen). Veelal worden deze aan huis gebonden beroepen in een
                        zogenaamde praktijkruimte -dit is een aangepast gedeelte- uitgeoefend,
                        waarbij het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een
                        ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in
                        overeenstemming is. In de bestemmingsplanpraktijk is de volgende definitie
                        gangbaar voor huisverbonden beroep/vrij beroep:</al><al>“Een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief,
                        juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee
                        gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en
                        daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kunnen worden
                        uitgeoefend”.</al><al>De praktijk leert echter dat woningen niet alleen voor de uitoefening van de
                        traditionele vrije beroepen worden aangewend, maar ook in toenemende mate
                        voor een bonte verzameling van andere bedrijfsmatige activiteiten. Hierbij
                        kan worden gedacht aan: opticiens, verzekeringsadviseurs,
                        verzekeringsagenten, kap-, schoonheid- en massagesalons, nagelstudios,
                        uitzend-, reclame- en allerhande advies- en servicebureaus, verkoop en
                        verhuur van video- en speelfilms, kleine winkeltjes (o.a. in 2e hands
                        kinderkleding) en hondentrimsalons. De opsomming is niet uitputtend.
                        Geregeld manifesteren zich nieuwe vormen van afwijkend gebruik van woningen.
                        In het algemeen is daarbij sprake van een of andere vorm van dienstverlening
                        al dan niet in combinatie met detailhandel, Soms ook gaat het enkel om
                        detailhandel, wat al dan niet gewenst is.</al><al>Voor aan huis verbonden bedrijf is de volgende definitie in de rechtspraak
                        gangbaar:</al><al>“Het bedrijfsmatig verlenen van diensten of het uitoefenen van ambachtelijke
                        bedrijvigheid door middel van handwerk, waarvan de omvang in een woning met
                        behorende gebouwen past en de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin in
                        overwegende mate blijft behouden”.</al><al>A Geen ontheffing van het bestemmingsplan nodig Voor sommige zogenaamde
                        Vrije beroepen (medisch beroepen, architect, advocaat en notaris) heeft de
                        afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaald, dat deze zonder
                        vrijstelling passen in een burgerwoning als het bestemmingsplan het niet
                        verbied of reguleert, het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie
                        behoudt en het gebruik een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die
                        met de woonfunctie in overeenstemming is. De (introductie van de) ontheffing
                        zal naar verwachting weinig invloed hebben op deze ruimtelijke inhoudelijke
                        uitgangspunten. De randvoorwaarden die verderop genoemd worden zijn een
                        verdere uitkristallisering van de criteria van de Afdeling
                        bestuursrechtspraak. Voorgesteld wordt om te bepalen, dat een vrij beroep
                        welke voldoet aan de genoemde randvoorwaarden als passend te zien in een
                        burgerwoning, tenzij het bestemmingsplan dit gebruik expliciet verbiedt dan
                        wel reguleert.</al><al>B Wel ontheffing van het bestemmingsplan nodig Een kleinschalige
                        bedrijfsmatige aan huis gebonden activiteit is een bedrijvigheid die door
                        zijn beperkte omvang in een gebouw met een woonfunctie of een aangebouwd
                        bijgebouw mag worden uitgeoefend en waarvoor ontheffing van het
                        bestemmingsplan kan worden verleend. Inmiddels is op basis van
                        jurisprudentie vrij duidelijk geworden, welke activiteiten aangemerkt kunnen
                        worden als een bedrijf aan huis en welke niet. Deze categorie dijt nog immer
                        uit met nieuwe soorten bedrijfsmatige activiteiten die het licht zien.</al><al>Uitgangspunten</al><al>Artikel 1 Gebied waarop de beleidsregel van toepassing is De beleidsregel is
                        van toepassing op alle percelen in de gemeente Urk waar krachtens vigerende
                        bestemmingen een woonfunctie aan toegekend is en waar bovendien sprake is
                        van een zelfstandige woning.</al><al>Artikel 2 Voorschriften Aan huisgebonden beroepen en (kleinschalige)
                        bedrijfsmatige activiteiten zijn in overeenstemming met de woonfunctie en
                        mogen geen ernstige hinder voor het woonmilieu opleveren c.q. geen afbreuk
                        doen aan het woonkarakter van de buurt. Hiertoe gelden de volgende
                        voorwaarden en bepalingen: 1. De woning moet blijven voldoen aan het
                        Bouwbesluit en de Bouwverordening. 2. Het gebruik past qua aard, omvang en
                        ruimtelijke uitstraling -naar het oordeel van het college van burgemeester
                        en wethouders- in de woonomgeving en mag niet leiden tot een onevenredige
                        aantasting van het woon- en leefklimaat. 3. Het beroep/bedrijf mag
                        uitsluitend worden uitgeoefend in de woning (hoofdgebouw) en niet in een
                        vrijstaand, afzonderlijk gelegen gebouw dat geen deel uitmaakt van het
                        hoofdgebouw.4. Het beroep/bedrijf dient door in ieder geval één bewoner van
                        de woning te worden uitgeoefend. Er mogen maximaal twee werkplekken zijn.5.
                        Afhankelijk van de grootte en indeling mag van de begane
                        grondvloeroppervlakte ten hoogste 30% worden gebruikt met een maximum van 45
                        m².6. Het beroep/bedrijf mag uitsluitend worden uitgeoefend indien geen
                        vergunningen/of meldingsplicht op grond van de Wet milieubeheer en/of andere
                        milieuwetgeving van toepassing is. Dit betekent dat het activiteiten betreft
                        die passen binnen categorie 1 van de VNG-uitgave “Bedrijven en
                        milieuzonering”. 7. Verkoop van bedrijfsgerelateerde detailhandelsproducten
                        aan bezoekers is toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit, mits deze
                        beperkt is tot maximaal 10% van de totale bedrijfsomzet.8. Vormen van horeca
                        en auto-, motor- en bromfietsreparatie zijn niet toegestaan Evenmin als een
                        vorm van kapsalon. 9. Er dienen op het eigen terrein of in de directe
                        omgeving voldoende parkeerplaatsen voor bezoekers aanwezig te zijn. Indien
                        dit niet het geval is, dan doet de aanvrager een financiële bijdrage per
                        parkeerplaats in het gemeentelijke parkeerfonds.10. Reclame-uitingen zijn
                        niet toegestaan, behalve hetgeen op grond van de gemeentelijke Algemene
                        Plaatselijke Verordening en Welstandsnota mogelijk is.11. De ontheffing
                        heeft een geldigheidsduur van 5 jaar.</al><al>Artikel 3 Uitvoering Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd
                        om met inachtneming van artikel 2 lid 2 te bepalen of een activiteit valt te
                        verenigen met de woonfunctie.</al><al>Artikel 4 Citeertitel De beleidsregel kan worden aangehaald als
                        “Beleidsregel werken aan huis gemeente Urk 2008”.</al><al>Artikel 5 Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang
                        van de eerste dag na die van de bekendmaking.</al><al>Urk, 31 JUL 2008</al><al>Burgemeester en wethouders voornoemd,</al><al>De secretaris, De burgemeester, M. Bogerd J. KroonBIJLAGE Voorbeeldlijst van
                        huisgebonden beroepen en bedrijven Huisgebonden beroepen Uitoefening van
                        (para)medische beroepen, waaronder -individuele praktijk voor huisarts,
                        psychiater, psycholoog, fysiotherapie of bewegingsleer, voedingsleer,
                        mondhygiëne, tandheelkunde, logopedie, dierenarts, yoga enz.</al><al>Advies- en ontwerpbureaus, waaronder -reclame ontwerp -grafisch ontwerp
                        -architect</al><al>(Zakelijke) dienstverlening, waaronder -notaris -advocaat -accountant
                        -assurantie-/verzekeringsbemiddeling -exploitatie en handel in onroerende
                        zaken</al><al>Kleinschalige bedrijfsmatige (huisgebonden activiteiten), waaronder -kleding
                        makerij -(maat)kledingmakerij en kledingverstelbedrijf</al><al>Kantoorfunctie ten behoeve van bedrijvigheid die elders wordt uitgeoefend,
                        zoals: -schoonmaakbedrijf -schoorsteenveegbedrijf -glazenwasserij, maar ook
                        ten behoeve van bijvoorbeeld een groothandelsbedrijf</al><al>In ieder geval zijn auto- en motorreparatiebedrijven uitgezonderd
                        Reparatiebedrijfjes ten behoeve van particulieren, zoals:
                        -schoen-/lederwarenreparatiebedrijf -uurwerkreparatiebedrijf -goud- en
                        zilverwerkreparatiebedrijf -reparatie van kleine (elektrische)
                        gebruiksgoederen reparatie van muziekinstrumenten -lijstenmakerij</al><al>Onderwijsactiviteiten, zoals: -autorijschool -naaicursus
                        -computercursus</al><al>Overige dienstverlening, zoals: -schoonheidsalon -zonnestudio -nagelstudio
                        -massagesalon (niet erotisch) -hondentrimsalon -pedicure</al><al>In ieder geval zijn kapsalons, prostitutie en seksinrichtingen
                        uitgezonderd</al><al>Bijlage 5Beleidsnotitie GSM-Antennes gemeente Urk</al><al>Gemeente Urk Sector Grondgebiedzaken Afdeling Ruimtelijke
                        OntwikkelingInhoudsopgaveINHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING 1.1 HET NATIONAAL
                        ANTENNEBELEID 1.2 HUIDIGE STAND VAN ZAKEN 1.3 BELEIDSLIJN GEMEENTE URK 2
                        JURIDISCH KADER 2.1 WONINGWET 2.2 MONUMENTENWET 1988 2.3 MILIEUVERGUNNING
                        2.4 TELECOMMUNICATIEWET 2.5 CONVENANT 2.6 EUROPEES VERDRAG TER BESCHERMING
                        VAN DE RECHTEN VAN DE MENS (EVRM) 2.7 UITVOERINGSMOGELIJKHEDEN</al><al>3 OVERIGE AANDACHTSPUNTEN IN DE BELEIDSVORMING 3.1 HORIZONVERVUILING 3.2
                        WELSTAND 3.3 GEZONDHEID 3.4 SITE-SHARING</al><al>4 STEDENBOUWKUNDIGE TOETSINGSCRITERIA 4.1 DEELGEBIEDEN 4.2 VOORWAARDEN VOOR
                        PLAATSING VERGUNNINGVRIJE ANTENNES 4.3 FLEXIBILITEITBEPALINGEN BIJLAGEN 1
                        Inleiding</al><al>Een aantal jaren geleden heeft de rijksoverheid vijf licenties geveild voor
                        mobiele telefonie in Nederland. Bij het verkrijgen van de licentie zat
                        destijds de plicht om zo snel mogelijk een landelijke dekking te realiseren.
                        Los van deze verplichting hebben de vijf providers¹ behoefte een netwerk op
                        te bouwen en uit te breiden om tegemoet te komen aan de wensen van het
                        groeiend aantal gebruikers van mobiele telefonie. De betreffende
                        installaties die voor deze mobiele vorm van telefoneren noodzakelijk zijn
                        kunnen zowel in masten als op gebouwen worden geplaatst. De behoefte aan
                        zendinstallaties wordt in de nabije toekomst alleen maar groter. Dit laatste
                        met name als direct gevolg van de UMTS-frequenties die in het jaar 2000 zijn
                        geveild.Voor Nederland heeft een inventariserend onderzoek² plaatsgevonden
                        naar de antennebehoefte in de periode tussen 2000 tot en met 2005. In dit
                        onderzoeksrapport is de behoefte aan nieuwe opstelpunten voor GSM, UMTS,
                        digitale communicatie, omroepnetwerken en digitale radio en televisie
                        weergegeven. Hieruit blijkt dat met name de mobiele telecommunicatie (CSM en
                        UMTS) de komende jaren grote aantallen antennes gaat vragen. Inmiddels is
                        begonnen met de plaatsing van ruim 600 middelhoge antennes en enkele
                        duizenden lagere antennes om tijdig voldoende vermogen te realiseren voor
                        landelijke dekking ten behoeve van het UMTS-netwerk. Dit laatste netwerk
                        vraagt een verdere verdichting van het huidige ‘antennewoud’.</al><al>UMTS, Universal Mobile Telecommunications System, is één van de derde
                        generatie mobiele telecommunicatiesystemen die het mogelijk maakt om naast
                        spraak een veelheid aan datacommunicatietoepassingen mobiel toegankelijk te
                        maken. Hierbij moet worden gedacht aan internettoegang, E-mail, fax,
                        electronic commerce, videotelefonie en amusementsdiensten als muziek en
                        video. De eerste UMTS-netwerken zijn in gebruik genomen. Rond 2005 zou een
                        wereldwijde dekking, inclusief de integratie met satellieten, mogelijk
                        moeten zijn.</al><al>1.1 Het Nationaal Antennebeleid</al><al>Het kabinet onderkent de toenemende maatschappelijke behoefte aan netwerken
                        voor draadloze communicatie. Daarnaast weet het kabinet dat zich problemen
                        voordoen met het plaatsen van nieuwe antennes voor draadloze netwerken. Op 8
                        december 2000 heeft het kabinet, in verband met het voorgaande, de nota
                        ‘Nationaal Antennebeleid’ vastgesteld.</al><al>De doelstelling van het Nationaal Antennebeleid is om binnen duidelijke
                        kaders van volksgezondheid, leefmilieu en veiligheid voldoende ruimte voor
                        antenne-opstelpunten te stimuleren en faciliteren. Uitgangspunt van het
                        Nationaal Antennebeleid is dat er een win- win-situatie ontstaat, waarbij
                        recht wordt gedaan aan de verschillende belangen van zowel:</al><al>1. de rijksoverheid (het stimuleren en faciliteren van antenne-opstelpunten
                        binnen duidelijke kaders); 2. de providers (economische belangen);3. en de
                        semi-overheden (de zorgvuldige politieke en bestuurlijke procedures met
                        betrekking tot de kwaliteit van de leefomgeving).</al><al>Het Nationaal Antennebeleid richt zich primair op de volgende groepen:1. de
                        burgers, die enerzijds gebruik willen maken van de nieuwe mogelijkheden van
                        draadloze communicatie, maar anderzijds de zekerheid moeten hebben dat hun
                        gezondheid, leefmilieu en veiligheid daarmee niet in het geding komen;1 KPN,
                        Vodafone, 02, Dutchtone en BEN.2 ‘Antennebehoefte in Nederland in de komende
                        vijf jaar’, juni2000, versie 3.2, Columbi Consulting. 32. de mede-overheden
                        (gemeenten en provincies), die de primaire zorg dragen voor het beschermen
                        van de gezondheid, het leefmilieu en de veiligheid van de burgers op hun
                        grondgebied; 3. de exploitanten van antennes voor draadloze netwerken (de
                        ‘providers’), die op een zorgvuldige manier aan de wensen van hun
                        netwerkgebruikers moeten voldoen, zodat de gezondheid, het leefmilieu en de
                        veiligheid op geen enkele wijze in gevaar kunnen komen.</al><al>1.2 Huidige stand van zakenIn de gemeente Urk is inmiddels een aantal
                        antennes geplaatst. Het gaat dan met name om de vergunningsvrije antennes
                        tot vijf meter die her en der op gebouwen zijn geplaatst. Daarnaast staat op
                        de gemeentewerf aan het Noorderzand een mast met een vijftal providers.
                        Recent is begonnen met het plaatsen van een C2000 mast (BiZa, Communicatie
                        hulpdiensten) nabij het zwembad. Hierbij is afgesproken dat maximaal twee
                        telecom providers gebruik mogen maken van deze mast.Op dit moment wordt
                        gewerkt aan een plaatsingsplan dat is aangevraagd door 02. De gemeente heeft
                        hierom verzocht teneinde een goed inzicht te krijgen in de huidige situatie
                        en in de te verwachten aanvragen in de komende jaren. Wanneer het plan klaar
                        is zal dit zowel intern als met de providers worden besproken voordat het
                        plan definitief wordt. De reden van het plaatsingsplan is een bouwaanvraag
                        die genoemde provider heeft ingediend. De aanvraag betreft het bouwen van
                        een 37½ meter hoge mast bij internetbedrijf Mach 6 op industrieterrein
                        Kamperhoek. Door het toenemende gebruik hebben alle providers meer
                        opstellingen nodig. Enkele providers hebben al een tweede opstelling op Urk,
                        terwijl de andere providers hier aan toe zijn. In het plaatsingsplan komt
                        hierover meer duidelijkheid en kan een betere afweging gemaakt worden met
                        betrekking op de aanvraag van O2.</al><al>1.3 Beleidslijn gemeente UrkMede-overheden, in het bijzonder gemeenten,
                        hebben een primaire verantwoordelijkheid voor een zorgvuldige plaatsing van
                        antennes op hun grondgebied. De gemeente dient bij verzoeken tot het
                        plaatsen van antennes alle betrokken belangen af te wegen bij de verlening
                        van bouwvergunningen, milieuvergunningen of vrijstellingen van het
                        bestemmingsplan. Tegelijk moet de gemeente antwoord kunnen geven op vragen
                        van de bevolking, over de wijze waarop met het plaatsen van antennes wordt
                        omgegaan.</al><al>De gemeentelijke beleidslijn voor zendinstallaties (die voor u ligt) is
                        opgesteld om wildgroei van masten te voorkomen. Het centrale uitgangspunt is
                        dat antennemasten (inclusief zenden ontvangstapparatuur) door hun hoogte en
                        verschijningsvorm van grote invloed zijn op de omgeving. In stedelijk gebied
                        zijn antennemasten in het algemeen goed inpasbaar, maar in het landelijk
                        gebied zijn plaatsingsmogelijkheden niet of nauwelijks aanwezig. Plaatsing
                        leidt er vaak toe dat wordt ingeleverd op de kwaliteit van het landschap
                        (horizonvervuiling). Om de kwaliteiten van dorp en buitengebied van de
                        gemeente Urk te behouden, zijn ruimtelijke randvoorwaarden noodzakelijk.
                        Deze randvoorwaarden zijn ook van belang bij:</al><al>- de integrale beoordeling van een verzoek tot vrijstelling van het
                        bestemmingsplan ten gunste van een zendinstallatie; - de beoordeling van de
                        legalisatiemogelijkheden van tijdelijk geplaatste installaties; - de
                        voorbereiding van nieuwe bestemmingsplannen (in nieuwe plannen kunnen
                        locaties expliciet worden aangewezen); - motivering van een besluit tot het
                        al dan niet verlenen van een vrijstelling c.q. het al dan niet gedogen van
                        een illegaal geplaatste installatie.</al><al>2 Juridisch kaderDit hoofdstuk handelt over de juridische aspecten die bij
                        het plaatsen van een antenne komen kijken. Naast een beschrijving van de
                        relevante wetgeving en het convenant wordt aandacht besteed aan de
                        uitvoeringsmogelijkheden van het gemeentelijk antennebeleid.</al><al>2.1 WoningwetAntenne-installaties zijn onderworpen aan het regime van de
                        Woningwet. Dat betekent dat ze op grond van artikel 40 van de Woningwet
                        bouwvergunningplichtig zijn. Recente jurisprudentie heeft bepaald dat alle
                        antennes voor de telefonie bouwvergunningplichtig zijn.</al><al>Jurisprudentie Volgens een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van
                        de Raad van State van 5 april 2001 (nummers 2000031 91/1, 200003317/1,
                        200003335/1) zijn antenne-installaties niet op te vatten als
                        bouwvergunningvrije bouwwerken als bedoeld in artikel 43, lid 1, sub e van
                        de Woningwet. De ABRS kwam tot dit oordeel vanwege het feit dat ook de
                        techniekkast onderdeel uitmaakt van de installatie en het feit dat geen
                        aanknopingspunten bestaan voor een ruime interpretatie van het begrip
                        ‘antenne’ als bedoeld in artikel 43, lid 1, sub e van de Woningwet.</al><al>Bovenstaande jurisprudentie is deels achterhaald. Dit blijkt uit de
                        voorgenomen wijziging van de Woningwet en het Besluit op de ruimtelijke
                        ordening. Het volgende komt uit deze voorgenomen wijziging naar voren:-
                        antennes hoger dan 40 meter blijven bouwvergunningplichtig; -
                        antenne-installaties met een hoogte tussen de 5 en 40 meter zullen in het
                        lichte bouwvergunningstelsel vallen en worden opgenomen in artikel 20 van
                        het Bro, wat wil zeggen dat deze bouwwerken met gebruikmaking van de
                        vrijstelling als bedoeld in artikel 19 lid 3 WRO door het college van
                        Burgemeester en Wethouders worden toegestaan; - antennes met een maximale
                        hoogte van 5 meter en antennes hebben geen bouwvergunning nodig indien aan
                        de voorwaarden van het door de rijksoverheid, de VNG, en de providers
                        opgestelde convenant wordt voldaan. Ook antennes voor het C2000 netwerk zijn
                        vergunningvrij.</al><al>De nieuwe Woningwet wordt op 1 januari 2003 rechtsgeldig. Bij Algemene
                        Maatregel van Bestuur van 13 juli 2002 is besloten dat het derde punt inzake
                        vergunningvrije antennes met ingang van 15 augustus 2002 in werking is
                        getreden.</al><al>2.2 Monumentenwet 1988Het plaatsen van antennes is weliswaar noodzakelijk,
                        maar mag niet ten koste gaan van monumenten en cultuurhistorische waarden.
                        Op grond van artikel 11 van de Monumentenwet is daarom vergunning
                        noodzakelijk voor het plaatsen en/of uitbreiden van een antenne op, in, aan
                        en bij een monument. Binnen de gemeente Urk wordt een dergelijke vergunning
                        doorgaans geweigerd.Het rijk heeft een aantal gebieden aangewezen als
                        beschermd dorps- of stadsgezicht. Deze gebieden kennen geen
                        bouwvergunningvrje antennes. Antennes in deze gebieden dienen gemeld te
                        worden bij de gemeente. Daarna voert de gemeente een toets uit om de antenne
                        naar behoren in te passen in de omgeving.</al><al>2.3 MilieuvergunningVoor zendmasten is alleen een milieuvergunning nodig als
                        het vermogen meer dan 4 kW bedraagt. Dat zal hooguit het geval zijn bij
                        grote zendmasten voor bijvoorbeeld omroepzenders. In de praktijk zal het
                        niet zo vaak voorkomen dat een aanbieder een milieuvergunning moet hebben.
                        Het vermogen van de zendmasten is over het algemeen laag. De huidige GSM
                        zendmasten hebben vermogens van 5 tot circa 100 Watt. De zendvermogens zijn
                        overigens naar behoefte in te stellen.In incidentele gevallen is wel een
                        milieuvergunning nodig, als voorzieningen worden aangebracht die zelf tot
                        een milieuvergunningplicht leiden.</al><al>2.4 TelecommunicatiewetAntennes maken gebruik van frequentieruimte. Voor het
                        gebruik van deze frequentieruimte is een vergunning nodig, tenzij deze
                        frequenties voor algemeen gebruik zijn vrijgegeven. Deze vergunningen worden
                        afgegeven door de minister van Verkeer &amp; Waterstaat.</al><al>Verder regelt de telecommunicatiewet dat antenne-opstelpunten moeten worden
                        gedeeld (site-sharing). Artikel 3.11 van genoemde wet regelt dat providers
                        van elkaars opstelpunten gebruik mogen maken, tenzij dat op technische
                        bezwaren stuit. De derde partij (bijvoorbeeld eigenaar van een gebouw of
                        grond) moet natuurlijk wel toestemming verlenen.</al><al>2.5 Convenant Op 11 juni 2002 is door eerdergenoemde partijen een convenant
                        ondertekend. Het convenant heeft tot doel invulling te geven aan het
                        Nationaal Antennebeleid. Daarnaast worden de voorwaarden vastgelegd die
                        gesteld worden aan de plaatsing van vergunningvrije antenne-installaties,
                        Genoemde voorwaarden hebben in ieder geval betrekking op:- de optimale
                        samenwerking tussen providers; - het opstellen van een plaatsingsplan en de
                        samenwerking op dit gebied met de gemeenten; - de visuele inpasbaarheid van
                        vergunningvrije antennes (welstandsnota); - het instemmingsrecht van
                        bewoners bij plaatsing van een vergunningvrije antenne, met bijbehorende
                        procedure; - de blootstellinglimieten van vergunningvrije
                        antenne-installaties.</al><al>In de bijlage van deze notitie is een tekening opgenomen waarop de
                        belangrijkste plaatsingsvoorwaarden zijn gevisualiseerd. Voorwaarden die
                        betrekking hebben op visuele inpasbaarheid dienen te worden vastgelegd in de
                        welstandsnota.</al><al>2.6 Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) Op
                        grond van artikel 10 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten
                        van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient het recht om
                        informatie te verstrekken, te ontvangen en uit te wisselen te worden
                        gegarandeerd. In een arrest van 26 februari 1999 heeft de Hoge Raad
                        geconcludeerd dat dit artikel ook van toepassing is op telecommunicatie. Het
                        is dus op basis van het EVRM niet toegestaan om de mogelkheden tot
                        telecommunicatie via een bestemmingsplan of via een weigering om
                        vrijstellingen ex artikel 19 WRO te verlenen volledig te weren. Artikel 10
                        EVRM reikt echter niet zo ver dat iedere antenne-installatie of mast op elke
                        willekeurige plek moet worden toegestaan. Het staat namelijk niet vast of de
                        mobiele netwerken onder de werking van dit artikel vallen, nu traditioneel
                        telefoonverkeer via het vaste net op geen enkele wijze wordt beperkt. De
                        vergelijking met de introductie van de kabeltelevisie, enkele decennia
                        geleden, waarbij destijds ook enige commotie ontstond over het al dan niet
                        moeten verwijderen van de televisieantennes van de daken, kan hierbij ter
                        illustratie worden aangehaald. De mogelijkheid van telecommunicatie is en
                        blijft immers dus gehandhaafd, ook al zou door de weigering van een
                        gemeentebestuur om medewerking te verlenen aan het plaatsen van een aantal
                        antenne-installaties een mobiel netwerk geen volledige dekking kunnen
                        bieden. Verder betekent het tegengaan van een aantal antenne-installaties
                        niet dat mobiele communicatie onmogelijk wordt gemaakt als er op andere
                        plekken wél medewerking wordt verleend aan het plaatsen ervan. Hoogstens
                        wordt daardoor deze vorm van telecommunicatie niet vanaf iedere willekeurige
                        plek mogelijk. Uit de jurisprudentie rond artikel 10 EVRM blkt dat
                        beperkingen van het in dat artikel genoemde recht mogelijk zijn zolang er
                        geen sprake is van een algemeen verbod. Beperkingen ter bescherming van de
                        belangen van omwonenden, het milieu of welstandsbelangen zijn in bepaalde
                        gevallen toegestaan.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>1</nr><titel>Inhoudsopgave</titel></kop><structuurtekst><al>INHOUDSOPGAVE 1 AANLEIDING 31.1 PLANOLOGISCHE ONTHEFFING 3 1.2
                            BELEIDSKADER 4 1.3 DOEL BELEIDSREGELS 41.4 BELANGENAFWEGING 51.5
                            VERPLICHTE PLANOLOGISCHE AFWIJKING? 51.6 VOORBEREIDINGSPROCEDURE 51.7
                            ONTHEFFING VAN RECHTSWEGE 61.8 JURIDISCH KADER 61.9 PLANSCHADE 61.10
                            BELEIDSREGELS GEMANDATEERD 71.11 WERKGROEP 71.12 WEIGERINGSGRONDEN 71.13
                            INSPRAAK 71.14 BEKENDMAKING 7</al><al>2 BELEIDSREGELS 9 3 BIJLAGE 1¹ 13 Bouwen vergunningsvrij, artikel 3 van
                            bijlage II van het Bor</al><al>4 BIJLAGE 2¹ 14“Buitenplanse” afwijkingen, artikel 4 van bijlage II van
                            het Bor</al><al>5 BIJLAGE 3¹ 15Uitzonderingen, artikel 5 van bijlage II van het Bor</al><al>6 BIJLAGE 4 16 Beleidsregel werken aan huis gemeente Urk 2008”</al><al>7 BIJLAGE 5 20Beleidsnotitie GSM-Antennes gemeente Urk </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Aanleiding</titel></kop><structuurtekst><al>1. AanleidingOp 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Hierdoor zijn een
                            aanzienlijk aantal bepalingen in de Woningwet en de Wet ruimtelijke
                            ordening (hierna: Wro) gewijzigd. De ontheffingen die in de Wro waren
                            opgenomen gelden vanaf 1 oktober 2010 niet meer.</al><al>In artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo is bepaald
                            dat de omgevingsvergunning voor planologische gebruiksactiviteiten die
                            in strijd zijn met de geldende planologische regelgeving ondanks die
                            strijdigheid kan worden verleend voor de bij algemene maatregel van
                            bestuur aangewezen gevallen.</al><al>Deze algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht
                            (hierna: Bor). In artikel 4 van bijlage II van het Bor zijn de
                            categorieën van gevallen aangewezen die voor de toepassing van artikel
                            2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo, in aanmerking
                            komen.</al><al>Het gaat hier om een voortzetting van de zogenoemde “kruimellijst” van
                            gevallen van beperkte planologische betekenis welke op grond van artikel
                            3.23 van de Wro was opgenomen in artikel 4.1.1 van het Besluit
                            ruimtelijke ordening (hierna: Bro).</al><al>Deze ontheffingsmogelijkheid voor planologische kruimelgevallen was de
                            opvolger van de vrijstelling op basis van artikel 19, derde lid, Wet op
                            de Ruimtelijke Ordening in combinatie met artikel 20 van het Besluit op
                            de ruimtelijke ordening 1985. Door het College zijn op 5 juli 2001
                            dergelijke beleidsregels vastgesteld.</al><al>Gebleken is dat er veelvuldig een beroep wordt gedaan op deze
                            ontheffingsmogelijkheden.</al><al>Over het algemeen wordt deze ontheffing in samenhang met een vergunning
                            voor het bouwen verleend dan wel geweigerd. In een aantal gevallen is er
                            slechts sprake van een ontheffing voor een gebruik in afwijking van een
                            bestemmingsplan. Voor enkele gevallen als bedoeld onder artikel 4.1.1,
                            eerste lid van het Bro is in 2008 de beleidsregel “werken aan huis”
                            vastgesteld.</al><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo is ook een nieuw fenomeen ingevoerd
                            namelijk het omgevingsvergunningvrij bouwen gecombineerd met een
                            planologische ontheffing voor strijdig gebruik. Artikel 3 van bijlage II
                            van het Bor beschrijft de bouwactiviteiten waarvoor geen
                            omgevingsvergunning vereist is. Anders dan bij de gecombineerde
                            aanwijzingen van activiteiten uit artikel 2 van bijlage II van het Bor,
                            waarbij helemaal geen omgevingsvergunning vereist is voor genoemde
                            bouwactiviteiten en planologisch gebruik “in ruime zin”.</al><al>Concreet betekent deze regeling dat voor de in artikel 3 van bijlage II
                            van het Bor genoemde gevallen de omgevingsvergunningplicht alleen
                            bestaat voor het planologisch strijdige gebruik “in ruime zin”. Daarom
                            zal het ontheffingenbeleid dan ook uitgebreid worden met de
                            ontheffingenmogelijkheden voor alleen het gebruik. Voor de
                            woonbestemming wordt primair de eerder genoemde beleidsregel “werken aan
                            huis” als toetsingskader gebruikt. </al></structuurtekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.1</nr><titel>Planologische ontheffing</titel></kop><structuurtekst><al>1.1 Planologische ontheffingIn principe moeten verzoeken welke niet
                                voldoen aan het bestemmingsplan worden geweigerd. Voordat een
                                weigering tot stand komt, moet echter telkens worden beoordeeld of
                                er sprake is van een uitzonderingssituatie waarvoor het redelijk is
                                om ontheffing te verlenen.Volgens artikel 2.10, tweede lid, van de
                                Wabo wordt een aanvraag voor de activiteit “bouwen” als bedoeld in
                                artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo tevens aangemerkt als
                                een aanvraag voor een”planologisch strijdig gebruik”als bedoeld in
                                artikel 2.1, eerste lid,</al><al/><al>3onder c, van de Wabo en wordt de vergunning slechts geweigerd
                                indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet
                                mogelijk is.</al><al>Daartoe dient in eerste instantie te worden onderzocht of het
                                initiatief met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen
                                regels inzage afwijking gerealiseerd kan worden. Indien dit niet het
                                geval is, biedt artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de
                                Wabo, de mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning
                                voor gebruik die afwijkt van het bestemmingsplan, maar alleen voor
                                gevallen die bij algemene maatregel van bestuur (hierna:Amvb) zijn
                                aangewezen.</al><al>Zoals eerder genoemd gaat het hierbij veelal om situaties die
                                afwijken van een bestemmingsplan en geen grote inbreuk vormen op de
                                bedoeling van het bestemmingsplan.</al><al>Ten behoeve van elke afzonderlijke aanvraag, die niet in
                                overeenstemming is met een bestemmingsplan, dient dan ook te worden
                                bepaald of ontheffing op grond van artikel 2.12 van de Wabo kan
                                worden verleend. In dit verband is het om meerdere redenen goed,
                                beleid vast te stellen aan de hand waarvan kan worden beoordeeld in
                                welke gevallen medewerking door middel van een ontheffing van het
                                bestemmingsplan wenselijk is. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.2</nr><titel>Beleidskader</titel></kop><structuurtekst><al>1.2 BeleidskaderZolang de bestemmingsplannen nog niet geactualiseerd
                                zijn, kan een aanvraag om omgevingsvergunning voor bouwen worden
                                getoetst aan het bestemmingsplan en de onderhavige beleidsregels.
                                Indien de aanvraag niet past binnen het bestemmingsplan, maar wel
                                voldoet aan deze beleidsregel, kan medewerking worden verleend. De
                                beleidsregel voor woningen heeft in bestaande woongebieden de
                                structuur van een bestemmingsplanregel. Deze kan worden beschouwd
                                als voorloper op de regels zoals die komende jaren in de
                                geactualiseerde bestemmingsplannen wordt opgenomen. Deze regeling
                                vormt het algemene en uniforme toetsingskader in de afweging om wel
                                of geen omgevingsvergunning te verlenen voor planologisch strijdig
                                gebruik als bedoeld in artikel 4 van bijlage II van het Bor. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.3</nr><titel>Doel beleidsregels</titel></kop><structuurtekst><al>1.3 Doel beleidsregelsZoals eerder is aangegeven zijn de op 5 juli
                                2001 vastgestelde beleidsregels zeer regelmatig toegepast. Het gaat
                                daarbij om zowel positieve als negatieve besluiten dan wel
                                adviezen.Doordat beleid opgesteld is over de toepassing van deze
                                afwijkingsbevoegdheid, is de samenhang van de te maken afwegingen
                                vergroot. Hiermee is ook de rechtszekerheid voor burgers verbeterd.
                                Zowel de aanvrager van de ontheffing als derden-belanghebbenden
                                kunnen op basis van deze beleidsregels beoordelen of een verzoek in
                                principe voor een ontheffing van het bestemmingsplan in aanmerking
                                komt. Het beleid vormt een belangrijke aanvulling op de interne
                                procedures, die gericht zijn op het maken van een zo zorgvuldig
                                mogelijke belangenafweging. Een voordeel van de beleidsregels is dat
                                op een snellere en eenvoudigere wijze de interne ambtelijke
                                beoordeling over het al of niet verlenen van een ontheffing kan
                                plaatsvinden. Bovendien kan de beslissing over een
                                ontheffingsverzoek worden gemotiveerd met een verwijzing naar deze
                                beleidsregels, hetgeen een vermindering van bestuurslasten betekent
                                en willekeur zoveel mogelijk uitsluiten. Ook bij de voorlichting
                                spelen deze beleidsregels een belangrijke rol. Immers er kan vooraf
                                een goede inschatting gemaakt worden of een gewenst bouwwerk of
                                gebruik een reële kans van slagen heeft. Bij een negatief besluit
                                kan -volgens vaste jurisprudentie- kortheidshalve verwezen worden
                                naar de beleidsregels onder aanvulling dat er geen bijzondere
                                omstandigheden zijn aangevoerd waarom er van de beleidsregels
                                afgeweken dient te worden. Bovendien kan met deze beleidsregels,
                                zolang nog niet alle bestemmingsplannen in de gemeente Urk zijn
                                geactualiseerd een grote mate van uniformiteit worden bereikt voor
                                wat betreft de bouw- en gebruiksmogelijkheden in de verschillende
                                wijken en kernen van Urk.</al><al>4De actualisering van de Urker bestemmingsplannen is reeds
                                voortvarend ter hand genomen. In de geactualiseerde
                                bestemmingsplannen worden de huidige planologische inzichten, zoals
                                in deze beleidsregels neergelegd, opgenomen. Uitgangspunt is om
                                uiterlijk op 1 juli 2013 over een volledig actueel
                                bestemmingsplannenbestand te beschikken. In wijken waar het
                                bestemmingsplan pas over enige jaren wordt herzien, kan door
                                toepassing te geven aan de ontheffingsmogelijkheid uit artikel 2.12,
                                eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo medewerking worden
                                verleend aan activiteiten die volgens de nieuwe bestemmingsplannen
                                zonder meer zijn toegelaten. Hetzelfde geldt voor artikel 3 van
                                bijlage II van het Bor en beleidsregel “werken aan huis”. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.4</nr><titel>Belangenafweging</titel></kop><structuurtekst><al>1.4 BelangenafwegingVoor de goede orde wordt benadrukt dat het
                                verlenen van een ontheffing een bevoegdheid is en geen verplichting.
                                Burgemeester en wethouders beschikken dan ook over een ruime mate
                                van beleidsvrijheid bij hun beslissing om al dan niet van deze
                                bevoegdheid gebruik te maken. Hieraan voorafgaand dient een
                                belangenafweging plaats te vinden. Het belang van de aanvrager dient
                                te worden afgewogen tegen belangen van derden. Het belang van de
                                aanvrager ligt voor de hand. Zijn of haar woongenot dan wel
                                gebruiksgenot zal toenemen. Daartegenover staan de belangen van
                                derden. Zij kunnen in hun belangen worden geschaad (derving
                                woongenot, vermindering privacy, verminderde daglichttoetreding,
                                waardevermindering eigendommen, belemmering uitzicht en eventuele
                                privaatrechtelijke belangen). In elk concreet geval zullen deze
                                belangen tegenover elkaar dienen te worden afgewogen. Het maken van
                                aanspraak op beleidsregels houdt dan ook niet in dat verzoeken
                                altijd zullen worden gehonoreerd. Voor de wijken die zijn aangewezen
                                als beschermd dorpsgezicht en de als karakteristiek (Nota
                                Belverdere) aangewezen percelen, geldt als extra afwegingskader dat
                                het bouwplan moet passen binnen de cultuurhistorische samenhang in
                                de omgeving. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.5</nr><titel>Verplichte planologische afwijking?</titel></kop><structuurtekst><al>1.5 Verplichte planologische afwijking?In artikel 2.10, tweede lid,
                                van de Wabo staat “wordt de vergunning slechts geweigerd als
                                vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 Wabo niet
                                mogelijk is”. Met het oog op deze dwingende redactie bestaat thans
                                de indruk dat hierdoor een recht bestaat op een afwijking van het
                                bestemmingsplan op grond van het bepaalde in artikel 4 van bijlage
                                II van het Bor als er geen beleid over de toepasbaarheid van artikel
                                4 van bijlage II van het Bor is. Mede gelet hierop is het van belang
                                om dit beleid zo spoedig mogelijk vast te stellen. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.6</nr><titel>Voorbereidingsprocedure</titel></kop><structuurtekst><al>1.6 VoorbereidingsprocedureDe Wabo onderscheidt twee
                                voorbereidingsprocedures: de reguliere en de uitgebreide.Regel bij
                                het bepalen van de te volgen procedure (regulier of uitgebreid) is
                                dat de regulierevoorbereidingsprocedure wordt gevolgd, tenzij anders
                                is bepaald. In artikel 3.10 Wabo staatexpliciet aangegeven wanneer
                                de uitgebreide voorbereidingsprocedure moet wordengevolgd. Artikel
                                2.12 lid 1 sub a onder 2 van de Wabo (de zogenoemde kruimellijst
                                gevallen) worden niet in artikel 3.10 Wabo genoemd hetgeen betekent
                                dat deze planologische afwijkingsmogelijkheden onder de reguliere
                                voorbereidingsprocedure vallen.</al><al>Een groot verschil tussen de reguliere en de uitgebreide
                                voorbereidingsprocedure is dat bij de uitgebreide, de 'uniforme
                                openbare voorbereidingsprocedure' (afdeling 3.4 Algemene
                                wetbestuursrecht) moet worden gevolgd. Omdat de binnenplanse
                                ontheffingenen de kruimelgevallen met de komst van de Wabo onder de
                                reguliere voorbereidingsprocedure vallen, volgen deze dus niet meer
                                de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Voor deze afwijkingen
                                van het bestemmingsplan is dit dus compleet anders dan nu het geval
                                is; de ontwerpbesluiten worden dus niet (meer) ter inzage gelegd en
                                er is geen sprake meer van een zienswijze- procedure. In bijzondere
                                gevallen kan het college besluiten het ontwerpbesluit wel te
                                publiceren. Daarnaast is het zo dat een reguliere procedure voor een
                                omgevingsvergunning binnen 8 weken (eventueel plus eenverlenging van
                                6 weken) moet worden doorlopen. Als de wettelijke termijn wordt
                                overschreden, dan ontstaat er een van rechtswege verleende
                                vergunning. Bij vergunningaanvragen voor zaken die in strijd zijn
                                met het bestemmingsplan ligt de grens voor het ontstaan van een van
                                rechtswege verleende vergunning dus bij de maximale mogelijkheden
                                die de kruimellijst biedt (artikel 4 bijlage II van de Bor). </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.7</nr><titel>Ontheffing van rechtswege</titel></kop><structuurtekst><al>1.7 Ontheffing van rechtswegeOverschrijding van de beslistermijn in
                                de reguliere voorbereidingsprocedure leidt volgens artikel 3.9,
                                derde lid, van de Wabo tot een verlening van de vergunning van
                                rechtswege (inclusief ontheffing). Vóór de invoering van de Wabo kon
                                er geen vergunning die afwijkt van een bestemmingsplan van
                                rechtswege ontstaan.Deze korte periode om op een afwijking te
                                beslissen, nodigt des te meer uit om beleidsregels voor
                                afwijkingenbeleid te hebben. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.8</nr><titel>Juridisch kader</titel></kop><structuurtekst><al>1.8 Juridisch kaderZoals in de aanleiding al vermeld, zijn deze
                                nieuwe beleidsregels gebaseerd op de Wabo die op 1 oktober 2010 in
                                werking is getreden. De bevoegdheid om af te wijken van een
                                bestemmingsplan bij de zogenaamde planologische kruimelgevallen
                                vloeit voort uit artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de
                                Wabo¸ juncto artikel 3 en 4 van bijlage II van het Bor. In deze
                                artikelen worden alle gevallen limitatief (uitputtend) opgesomd
                                waarin het college gebruik kan maken van de in artikel 2.12 genoemde
                                bevoegdheid.</al><al>Voor de duidelijkheid: de regelingen in artikel 3 en 4 van bijlage
                                II van het Bor hebben geen betrekking op vergunningvrije bouwwerken
                                als bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van de Wabo. Deze bouwwerken kunnen
                                zonder enige vergunning en zonder toetsing aan het bestemmingsplan
                                worden gebouwd. Er is hierbij dan ook geen sprake van een afwijking.
                            </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.9</nr><titel>Planschade</titel></kop><structuurtekst><al>1.9 PlanschadeAls het planologische regiem op een perceel wijzigt –
                                bijvoorbeeld door een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig
                                gebruik te verlenen – dan kan daar schade door ontstaan. Omliggende
                                percelen kunnen minder waard worden door bijvoorbeeld een afname van
                                het woongenot. Eigenaren van omliggende percelen kunnen een aanvraag
                                indienen bij de gemeente voor een tegemoetkoming in de schade.Onder
                                de Wro komt een deel van de schade in aanmerking voor vergoeding. De
                                wetgever gaat er van uit dat een deel van de schade valt onder het
                                normaal maatschappelijk risico. Lid zijn van de samenleving en het
                                deelnemen aan het maatschappelijk leven, draagt in zich dat men de
                                lusten en de lasten daarvan aanvaardt. In principe moet een burger
                                nadeel als gevolg van een ontwikkeling in de samenleving dan ook
                                zelf dragen. Dat geldt ook voor overheidsbesluiten. Het is moeilijk
                                aan te geven wat het normaal maatschappelijk risico precies is.
                                Daarom heeft de wetgever een forfaitaire benadering gekozen. De wet
                                bepaalt dat minimaal 2% van het inkomen of waarde niet in aanmerking
                                komt voor vergoeding. In concrete gevallen kan bepaald worden dat
                                meer dan 2% (tot 100%) van de waarde tot het normaal maatschappelijk
                                risico behoort.Voordat de gemeente een omgevingsvergunning verleent
                                voor planologisch strijdig gebruik, dient zij op basis van Grex een
                                planschadeovereenkomst. In de planschadeovereenkomst verplicht de
                                aanvrager van een dergelijke omgevingsvergunning zich om – eventueel
                                – uit te betalen schade aan de gemeente te vergoeden. In de periode
                                dat de eerder genoemde beleidsregels vastgesteld op 5 juli 2001
                                toegepast zijn, is geen planschadeverzoek ingediend dan wel
                                planschadevergoeding toegekend. Daarom wordt voor
                                omgevingsvergunningen voor planologisch strijdig gebruik die voldoen
                                aan het onderhavige beleid, geen planschadeovereenkomst gesloten.
                            </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.10</nr><titel>Beleidsregels gemandateerd</titel></kop><structuurtekst><al>1.10 Beleidsregels gemandateerdIn principe worden alle verzoeken die
                                passen binnen de beleidsregels afgedaan door de manager van de
                                Publiekszaken. Verzoeken die in strijd zijn met de beleidsregels
                                kunnen uitsluitend worden gehonoreerd indien daar besluit van het
                                College ten grondslag ligt. Verder wordt gebruik gemaakt van de
                                mogelijkheid die artikel 3.9, tweede lid, van de Wabo biedt om de
                                termijn van 8 weken (waarbinnen moet worden beslist op de aanvraag
                                om een omgevingsvergunning) eenmaal met ten hoogste zes weken te
                                verlengen. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.11</nr><titel>Werkgroep</titel></kop><structuurtekst><al>1.11 Werkgroep Een aanvraag om de omgevingsvergunning die in strijd
                                is met de geldende planologische regelgeving wordt besproken binnen
                                de werkgroep bestaande uit een juridisch beleidsmedewerker
                                publiekszaken, een beleidsmedewerker ontwikkeling en advies en een
                                beleidsmedewerker bouw- en woningtoezicht. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.12</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><structuurtekst><al>1.12 Weigeringsgronden Het voldoen aan de beleidsregels uit deze
                                nota is geen garantie dat ook daadwerkelijk een afwijking toegestaan
                                wordt. In deze nota zijn een aantal beleidsuitgangspunten
                                geformuleerd die tot doel hebben om bij een concreet verzoek om
                                afwijking (al dan niet in combinatie met een bouwaanvraag) een
                                afwegingskader te bieden waarmee snel een oordeel over de
                                wenselijkheid en aanvaardbaarheid van medewerking kan worden
                                gegeven. In artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht staat het
                                volgende “Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel,
                                tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die
                                wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot
                                de met de beleidsregel te dienen doelen.” Daarbij mag het echter
                                niet zo zijn dat dit voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou
                                hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in
                                verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Er kunnen
                                altijd bijzondere omstandigheden zijn die bij toepassing van het
                                vastgestelde beleid in een concreet geval tot onevenredige hardheid
                                kunnen leiden. Soms kan dit op voorhand duidelijk zijn, maar soms
                                kan dit ook pas blijken in de bezwarenprocedure (dus nadat de
                                afwijking verleend is). In zijn algemeenheid valt niet aan te geven
                                wanneer sprake is van onevenredig nadeel. Dit zal van geval tot
                                geval moeten worden beoordeeld. Voorkomen dient te worden dat de in
                                het beleid neergelegde uitgangspunten als een recht worden
                                toegepast. Aan ieder ontheffingsbesluit gaat een zorgvuldige
                                belangenafweging vooraf die in een concreet geval, zelfs als het
                                verzoek past binnen de in dit beleid opgenomen randvoorwaarden, tot
                                weigering van het ontheffingsverzoek kan leiden.Elk beleid kan
                                onvoorziene neveneffecten hebben. Met een beroep op de
                                hardheidsclausule kunnen onvoorziene onaanvaardbare gevolgen van
                                beleidsregels worden voorkomen.Indien de hardheidsclausule wordt
                                toegepast of in afwijking van de in het ontheffingenbeleid opgenomen
                                criteria geen medewerking aan een verzoek wordt verleend, wordt
                                zowel het verzoek als de voorgenomen beleidswijziging aan het
                                college voorgelegd. In het ontheffingsbesluit wordt gemotiveerd
                                aangegeven waarom in een specifiek geval wordt afgeweken van het
                                ontheffingenbeleid. Met een verwijzing naar de motivering in het
                                ontheffingenbeleid kan eventuele (ongewenste) precedentwerking
                                worden voorkomen. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.13</nr><titel>Inspraak</titel></kop><structuurtekst><al>1.12 Weigeringsgronden Het voldoen aan de beleidsregels uit deze
                                nota is geen garantie dat ook daadwerkelijk een afwijking toegestaan
                                wordt. In deze nota zijn een aantal beleidsuitgangspunten
                                geformuleerd die tot doel hebben om bij een concreet verzoek om
                                afwijking (al dan niet in combinatie met een bouwaanvraag) een
                                afwegingskader te bieden waarmee snel een oordeel over de
                                wenselijkheid en aanvaardbaarheid van medewerking kan worden
                                gegeven. In artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht staat het
                                volgende “Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel,
                                tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die
                                wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot
                                de met de beleidsregel te dienen doelen.” Daarbij mag het echter
                                niet zo zijn dat dit voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou
                                hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in
                                verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Er kunnen
                                altijd bijzondere omstandigheden zijn die bij toepassing van het
                                vastgestelde beleid in een concreet geval tot onevenredige hardheid
                                kunnen leiden. Soms kan dit op voorhand duidelijk zijn, maar soms
                                kan dit ook pas blijken in de bezwarenprocedure (dus nadat de
                                afwijking verleend is). In zijn algemeenheid valt niet aan te geven
                                wanneer sprake is van onevenredig nadeel. Dit zal van geval tot
                                geval moeten worden beoordeeld. Voorkomen dient te worden dat de in
                                het beleid neergelegde uitgangspunten als een recht worden
                                toegepast. Aan ieder ontheffingsbesluit gaat een zorgvuldige
                                belangenafweging vooraf die in een concreet geval, zelfs als het
                                verzoek past binnen de in dit beleid opgenomen randvoorwaarden, tot
                                weigering van het ontheffingsverzoek kan leiden.Elk beleid kan
                                onvoorziene neveneffecten hebben. Met een beroep op de
                                hardheidsclausule kunnen onvoorziene onaanvaardbare gevolgen van
                                beleidsregels worden voorkomen.Indien de hardheidsclausule wordt
                                toegepast of in afwijking van de in het ontheffingenbeleid opgenomen
                                criteria geen medewerking aan een verzoek wordt verleend, wordt
                                zowel het verzoek als de voorgenomen beleidswijziging aan het
                                college voorgelegd. In het ontheffingsbesluit wordt gemotiveerd
                                aangegeven waarom in een specifiek geval wordt afgeweken van het
                                ontheffingenbeleid. Met een verwijzing naar de motivering in het
                                ontheffingenbeleid kan eventuele (ongewenste) precedentwerking
                                worden voorkomen. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.14</nr><titel>Bekendmaking</titel></kop><structuurtekst><al>1.14 BekendmakingVoor het vaststellen van voornoemde beleidsregel
                                zijn burgemeester en wethouders hetbevoegde orgaan. Door het enkel
                                vaststellen van een beleidsregel treedt deze nog niet inwerking.
                                Voor inwerkingtreding van een besluit, waaronder een beleidsregel
                                mede wordtbegrepen, is het nodig dat het wordt bekendgemaakt
                                (artikel 3:40 Awb). De bekendmaking van besluiten is geregeld in
                                afdeling 3.6 van de Awb. Voor besluiten die, net als beleidsregels,
                                niet tot een of enkele belanghebbenden zijn gericht, maar zich
                                richten tot een ruimere kring adressanten, geschiedt bekendmaking
                                door middel van kennisgeving van het besluit of van de zakelijke
                                inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag,-
                                nieuws-, of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze
                                (artikel 3:42 Awb). Zoals gebruikelijk zal de bekendmaking
                                plaatsvinden in Het Urkerland. </al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Beleidsregels</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>BegripsbepalingBij de toepassing van deze beleidsregels worden de
                            begripsbepalingen zoals deze in de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht, Besluit omgevingsrecht, het Bouwbesluit, de
                            Bouwverordening en de van toepassing zijnde bestemmingsplannen van de
                            gemeente Urk zijn geregeld, gehanteerd. Slechts de volgende begrippen
                            behoeven in dit verband een nadere aanduiding.1. aan- en uitbouw: een
                            aan een hoofdgebouw verbonden bouwwerk, dat rechtstreeks vanuit dat
                            hoofdgebouw toegankelijk is en dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt
                            is aan het hoofdgebouw. 2. bijgebouw:een niet voor bewoning bestemd
                            vrijstaand gebouw, dat een gebruikseenheid vormt met en dienstbaar is
                            aan een hoofdgebouw; 3. hoekpand: een pand als beëindiging van een
                            bouwblok (geen vrijstaande villa) waarvan niet alleen de vóór- en of
                            achtergevel, maar ook (minstens) één van de zijgevels naar de openbare
                            weg/ruimte gericht is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Wijze van meten</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze beleidsregels wordt als gemeten en berekend
                            conform artikel 1 van bijlage II van het Bor.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor een bijbehorende bouwwerk</titel></kop><al>Een bijbehorend bouwwerk bij een woonhuis is mogelijk met dien verstande
                            dat,1. deze tenminste 3 meter achter (het verlengde van) de voorgevel
                            van de woning, en op voor wonen bestemde gronden is gelegen; 2. de
                            oppervlakte niet meer dan 150 m² bedraagt en het aansluitend terrein
                            voor niet meer dan 50% wordt bebouwd; 3. op gronden die gelegen zijn
                            buiten het bouwperceel mogen geen gebouwen worden gebouwd; 4. de
                            goothoogte van een uitbreiding en/of bijgebouw mag niet meer bedragen
                            dan 3,50 meter; 5. ten aanzien van een carport geldt, in afwijking van
                            het bepaalde onder 1, een afstand van ten minste 1 meter achter (het
                            verlengde van) de voorgevel van de woning;6. deze beleidsregels zijn
                            niet van toepassing op het realiseren van verblijven voor</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Criteria voor erkers</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2 is het mogelijk erkers aan de
                            voor- en/of zijgevel te realiseren, met dien verstande dat:1. aan de
                            zijgevel de maximale diepte van de erker 2 meter bedraagt en de afstand
                            tussen de gevel van de erker en de zijperceelsgrens minimaal 2 meter
                            bedraagt;2. aan de voorgevel de maximale diepte van de erker 1 meter
                            bedraagt en afstand tussen de voorzijde van de erker en de perceelsgrens
                            minimaal 1 meter bedraagt;3. de goot- en bouwhoogte van de erker
                            bedraagt maximaal 3,50 meter;4. de erker niet breder is dan 60% van de
                            breedte van de gevel waartoe hij behoort. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Criteria voor balkons, bordessen en ingangspartijen</titel></kop><al>De naar de weg gekeerde bebouwingsgrens mag, tot maximaal 1 meter,
                            worden overschreden door balkons, bordessen en ingangspartijen mits niet
                            breder dan 60% van de gevel waartoe hij behoort en de vrije hoogte vanaf
                            de weg gemeten minimaal 2,50 meter bedraagt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Criteria voor een bouwwerk ten behoeve van een infrastructurele
                                of openbare voorziening</titel></kop><al>Ten aanzien van deze bouwwerken geldt hetgeen in artikel 4 van bijlage
                            II van het Bor is bepaald. Gestreefd dient te worden naar een integratie
                            van nutsvoorzieningen in de bestaandebebouwing dan wel opname in de
                            nieuwe bebouwing. Indien dit onevenredig bezwarend is voor de aanvrager
                            dan is vrijstaand bebouwing toegestaan. Artikel 2, onderdeel 18 sub a
                            vanbijlage II van het Bor biedt echter voldoende mogelijkheden, zodat de
                            ontheffingterughoudend verleend zal worden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Criteria voor een bouwwerk geen gebouw zijnde</titel></kop><al>Ten aanzien van erf- en terrein afscheidingen gelden de volgende
                            regels:1. vanaf 3 meter achter de voorgevel, of in het verlengde
                            hiervan, mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 2 meter;2. voor het
                            overige geldt een bouwhoogte van 1 meter. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Criteria voor een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige
                                uitbreiding van een gebouw</titel></kop><al>Voor zover het gaat om dakkapel/dakopbouw die niet vallen onder het
                            bepaalde in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Bor wordt
                            aansluiting gezocht bij hetgeen is bepaald in de door de raad
                            vastgestelde Welstandsnota. De dakkapel/dakopbouw voldoet aan redelijke
                            eisen van welstand naar het oordeel van de
                            welstands/monumentencommissie, waarbij in geval van eerdere precedenten
                            op naburige gebouwen, hiermee zorgvuldig rekening wordt gehouden.Een
                            dakopbouw is uitsluitend mogelijk op het hoofdgebouw. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Criteria voor een antenne-installatie</titel></kop><al>Er wordt alleen van bestemmingsplan afgeweken, als de
                            antenne-installaties voldoet aan de beleidsnota “beleidsnotitie antennes
                            gemeente Urk”.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Criteria voor het gebruik van bouwwerken</titel></kop><al>Wijziging in het gebruik van bouwwerken wordt toegestaan tot een maximum
                            van 1500 m² mits:- de omgevingskwaliteit (onder andere milieubelasting),
                            bereikbaarheid en parkeerdrukniet verslechtert en;- geen strijdigheid
                            met geldend beleid zoals onder andere vastgelegd in visies,plannen en
                            nota’s ontstaat;- ontheffing kan tevens worden verleend voor inpandige
                            bouwactiviteiten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Criteria voor het gebruik van recreatiewoningen voor
                                bewoning</titel></kop><al>De ontheffing wordt uitsluitend verleend aan de aanvrager en diens met
                            name genoemdemeerderjarige huisgenoten die sinds 31 oktober 2003
                            onafgebroken hebben gewoond. De ontheffing is persoonsgebonden, niet
                            overdraagbaar en vervalt bij verhuizing of overlijden zodra deze
                            personen de bewoning hebben beëindigd. Uitzonderingen op deze
                            beleidsregel zijn niet mogelijk. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Snippergroen</titel></kop><al>Gronden die zijn aangekocht als snippergroen worden voor hetgeen bepaald
                            in artikel 3, sub 2, van deze beleidsregels geacht te behoren tot het
                            aansluitend terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Algemene criteria</titel></kop><al>1. Het verlenen van ontheffing mag niet leiden tot een onevenredige
                            aantasting van:- belangen van derden;- de gebruiksmogelijkheden van de
                            aangrenzende gronden;- het straat- en bebouwingsbeeld;- de
                            milieusituatie;- de woonsituatie;- de sociale veiligheid;- de
                            verkeersveiligheid.2. Een bouwplan wordt geacht passen te zijn in het
                            straat- en bebouwingsbeeld indien er sprake is van: - goede verhouding
                            tussen bouwmassa en open ruimte;- goede hoogte-/breedteverhouding tussen
                            bebouwing onderling;- samenhang in bouwvorm/architectonisch beeld tussen
                            bebouwing die ruimtelijk op elkaar georiënteerd is;- voor zover als
                            beschermd dorpsgezicht of als karakteristiek aangewezen:
                            cultuurhistorische samenhang in de omgeving;- een gunstig
                            welstandsadvies. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Afwijking in bijzondere gevallen (hardheidsclausule)</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders handelen overeenkomstig deze beleidsregels,
                            tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die
                            wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de
                            met de beleidsregel te dienen doelen. In bijzondere gevallen kunnen
                            burgemeester en wethouders gemotiveerd afwijken van het beleid zoals
                            geformuleerd in de artikelen 2 tot en met 13 van deze
                            beleidsregels.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Cumulatie van ontheffingen</titel></kop><al>1. Indien in een onderdeel van artikel 3 en 4 van bijlage II van het Bor
                            of in een beleidsregel een maximum is gesteld (bijvoorbeeld voor wat
                            betreft oppervlakte aan bijgebouwen) is toepassing van dit onderdeel of
                            deze beleidsregel in zijn geheel of in delen mogelijk tot eenmaal het
                            maximum;2. in het geval van het toepassen van verschillende onderdelen
                            van artikel 3 en 4 van bijlage II van het Bor op het zelfde bouwperceel
                            is er geen sprake van cumulatie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2011. Met de
                            inwerkingtreding van deze regels vervallen de beleidsregels welke zijn
                            vastgesteld op 5 juli 2001.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels voor
                            “buitenplanse” afwijkingen van een bestemmingsplan”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Categorieën gevallen waarin voor bouwactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist.</label><nr>1</nr></kop><al>Artikel 3Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1,
                    eerste lid, onder a, van de wet is niet vereist, indien deze activiteit
                    betrekking heeft op:1. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in
                    achtererfgebied, mits niet hoger dan 5 m; 2. een op de grond staand bouwwerk ten
                    behoeve van recreatief nachtverblijf, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
                    a. niet hoger dan 5 m, en b. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; 3. een dakkapel
                    in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak,
                    mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. redelijke eisen van welstand zijn
                    niet van toepassing; b. voorzien van een plat dak, c. gemeten vanaf de voet van
                    de dakkapel niet hoger dan 1,75 m, d. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1
                    m boven de dakvoet, e. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok, en f.
                    zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; 4. een sport- of
                    speeltoestel anders dan voor uitsluitend particulier gebruik, mits wordt voldaan
                    aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 4 m, en b. uitsluitend functionerend
                    met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; 5. een
                    zwembad, whirlpool, jacuzzi of vijver op het erf bij een woning of woongebouw,
                    mits deze niet van een overkapping is voorzien; 6. een bouwwerk, geen gebouw
                    zijnde, in achtererfgebied ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering, voor
                    zover het betreft: a. een voeder- of mestsilo, of b. een ander bouwwerk niet
                    hoger dan 2 m; 7. een verandering van een bouwwerk, mits wordt voldaan aan de
                    volgende eisen: a. geen verandering van de draagconstructie, b. geen verandering
                    van de brandcompartimentering of subbrandcompartimentering, c. geen uitbreiding
                    van de bebouwde oppervlakte, en d. geen uitbreiding van het bouwvolume. </al></bijlage><bijlage><kop><label>Categorieën gevallen waarin voor planlogische gebruiksactiviteiten een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet kan worden verleend.</label><nr>2</nr></kop><al>Artikel 4Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van
                    artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan
                    of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:1. een bijbehorend
                    bouwwerk: a. binnen de bebouwde kom, b. buiten de bebouwde kom, mits wordt
                    voldaan aan de volgende eisen: 1°. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een
                    kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch
                    bedrijf, 2°. de oppervlakte niet meer dan 150 m2, en 3°. het bouwen niet tot
                    gevolg heeft dat het aansluitend terrein voor meer dan 50% wordt bebouwd dan wel
                    dat de oppervlakte die op grond van het bestemmingsplan of de beheersverordening
                    voor bebouwing in aanmerking komt voor meer dan 50% wordt overschreden; 2. een
                    gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld
                    in artikel 2, onderdeel 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel
                    genoemd eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 5 m,
                    en b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²; 3. een bouwwerk, geen gebouw zijnde,
                    mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 10 m, en b. de
                    oppervlakte niet meer dan 50 m²; 4. een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige
                    uitbreiding van een gebouw; 5. een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40
                    m; 6. een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als
                    bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998; 7. een
                    installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt
                    geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel
                    5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen
                    eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat
                    ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van
                    dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen; 8. het
                    gebruiken van gronden of bouwwerken ten behoeve van evenementen met een maximum
                    van drie per jaar en een duur van ten hoogste vijftien dagen per evenement, het
                    opbouwen en afbreken van voorzieningen ten behoeve van het evenement hieronder
                    begrepen; 9. het gebruiken van bouwwerken, al dan niet in samenhang met
                    inpandige bouwactiviteiten, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. binnen
                    de bebouwde kom, en b. de oppervlakte niet meer dan 1500 m²; 10. het gebruiken
                    van een recreatiewoning voor bewoning, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
                    a. de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een
                    bestaande woning gestelde eisen; b. de bewoning niet in strijd is met de bij of
                    krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en
                    veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de
                    Reconstructiewet concentratiegebieden, c. de bewoner op 31 oktober 2003 de
                    recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken
                    bewoont, en d. de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was.</al><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijzondere bepalingen</label><nr>3</nr></kop><al>Artikel 51. Bij de toepassing van de artikelen 2, 3 en 4 blijft het aantal
                    woningen gelijk. 2. De artikelen 2 en 3 zijn niet van toepassing op een
                    activiteit die plaatsvindt in, aan, op of bij een bouwwerk dat in strijd met
                    artikel 2.1 van de wet is gebouwd of wordt gebruikt. 3. Artikel 2, met
                    uitzondering van de onderdelen 1 en 2, en artikel 3 zijn evenmin van toepassing
                    op een activiteit die plaatsvindt: a. in, aan, op of bij een beschermd monument
                    als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Monumentenwet 1988, een monument
                    waarop artikel 5 van die wet van toepassing is, een krachtens een provinciale of
                    gemeentelijke verordening aangewezen monument dan wel een monument waarop,
                    voordat het is aangewezen, een zodanige verordening van overeenkomstige
                    toepassing is, of b. in een beschermd stads- of dorpsgezicht en kan leiden tot
                    andere dan uitsluitend inpandige veranderingen. 4. Artikel 2, onderdeel 3, is
                    evenmin van toepassing op een activiteit die plaatsvindt in: a. een in het
                    bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen veiligheidszone, getypeerd
                    als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een inrichting voor
                    activiteiten met ontplofbare stoffen; b. een ander gebied waarin die activiteit
                    op grond van het bestemmingsplan of de beheersverordening niet is toegestaan
                    vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als
                    gevolg van de aanwezigheid van een inrichting, transportroute of buisleiding dan
                    wel vanwege de ligging in een belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud
                    van een buisleiding. 5. Artikel 3, onderdelen 1 en 2, is evenmin van toepassing
                    voor zover voor het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft krachtens het
                    bestemmingsplan regels gelden die met toepassing van artikel 40 van de
                    Monumentenwet 1988 in het belang van de archeologische monumentenzorg zijn
                    gesteld, tenzij de oppervlakte van het bouwwerk minder dan 50 m2 bedraagt. 6.
                    Artikel 3, onderdeel 7, is evenmin van toepassing op een activiteit die tevens
                    een activiteit is als bedoeld in artikel 2 of 3, onderdelen 1 tot en met 6, maar
                    niet voldoet aan de in die artikelen ten aanzien van die activiteit gestelde
                    eisen. </al><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Beleidsregel werken aan huis gemeente Urk 2008</label><nr>4</nr></kop><al>Inleiding Uit door de raad vastgestelde bestemmingsplannen blijkt de wens, dat
                    het onder omstandigheden mogelijk moet zijn om in een woning een aan huis
                    verbonden beroep of een aan huisverbonden bedrijf uit te mogen oefenen. In het
                    verleden is regelmatig vrijstelling verleend van de bepalingen van het
                    betreffende bestemmingsplan voor dergelijke activiteiten. Aanvragen werden in
                    dit kader ad hoc beoordeeld. Als aanvulling op deze werkwijze zijn in 2004
                    beleidsregels vastgesteld. Aanvragen werden beoordeeld aan de hand van de
                    beleidsregels. Deze regels zijn in 2007 geactualiseerd.</al><al>Nieuwe Wet ruimtelijke ordening Inmiddels is op 1juli 2008 de nieuwe Wet
                    ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden. Deze wet vervangt de Wet
                    op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Het rechtsfiguur “vrijstelling” is
                    vervallen. Daarvoor is o.a. in de plaats getreden het instrument “ontheffing”.
                    Door het bestuursorgaan kan nu eventueel worden verleend: een “binnenplanse
                    ontheffing” (voorheen: ex artikel 15 WRO), een “buitenplanse ontheffing”
                    (voorheen: artikel 19, lid 3 WRO) of een “tijdelijke ontheffing” (voorheen:
                    artikel 17 WRO).</al><al>Dit heeft als gevolg, dat de beleidsregels voor werken aan huis aangepast zullen
                    moeten worden aan deze terminologie. Aanvragen die zijn ingekomen vóór 1juli
                    2008 worden afgedaan onder het regime van de “oude” beleidsregels. Er is
                    overigens geen reden om over te gaan tot inhoudelijke aanpassing c.q. aanpassing
                    van de ruimtelijke uitgangspunten. Het betreft puur een formele aangelegenheid.
                    De beleidsregel kan als ruimtelijke onderbouwing worden gebruikt in geval van
                    verlening van ontheffing dan wel de weigering om medewerking te verlenen aan een
                    aanvraag. De regel dient tenslotte gepubliceerd te worden in Het Urkerland
                    (inwerkingtreding).</al><al>Onderscheid beroep en bedrijf Gewoonlijk wordt bij “vrije beroepen” gedacht aan
                    de medische- en paramedische beroepen van arts, tandarts, fysiotherapeut en
                    dierenarts, alsmede aan de juridisch-administratieve beroepen van notaris,
                    advocaat en procureur, accountant en makelaar (of daaraan gelijk te stellen
                    beroepen). Veelal worden deze aan huis gebonden beroepen in een zogenaamde
                    praktijkruimte -dit is een aangepast gedeelte- uitgeoefend, waarbij het woonhuis
                    in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of
                    uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. In de
                    bestemmingsplanpraktijk is de volgende definitie gangbaar voor huisverbonden
                    beroep/vrij beroep:</al><al>“Een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief,
                    juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee
                    gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij
                    behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kunnen worden
                    uitgeoefend”.</al><al>De praktijk leert echter dat woningen niet alleen voor de uitoefening van de
                    traditionele vrije beroepen worden aangewend, maar ook in toenemende mate voor
                    een bonte verzameling van andere bedrijfsmatige activiteiten. Hierbij kan worden
                    gedacht aan: opticiens, verzekeringsadviseurs, verzekeringsagenten, kap-,
                    schoonheid- en massagesalons, nagelstudios, uitzend-, reclame- en allerhande
                    advies- en servicebureaus, verkoop en verhuur van video- en speelfilms, kleine
                    winkeltjes (o.a. in 2e hands kinderkleding) en hondentrimsalons. De opsomming is
                    niet uitputtend. Geregeld manifesteren zich nieuwe vormen van afwijkend gebruik
                    van woningen. In het algemeen is daarbij sprake van een of andere vorm van
                    dienstverlening al dan niet in combinatie met detailhandel, Soms ook gaat het
                    enkel om detailhandel, wat al dan niet gewenst is.</al><al>Voor aan huis verbonden bedrijf is de volgende definitie in de rechtspraak
                    gangbaar:</al><al>16“Het bedrijfsmatig verlenen van diensten of het uitoefenen van ambachtelijke
                    bedrijvigheid door middel van handwerk, waarvan de omvang in een woning met
                    behorende gebouwen past en de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin in
                    overwegende mate blijft behouden”.</al><al>A Geen ontheffing van het bestemmingsplan nodig Voor sommige zogenaamde Vrije
                    beroepen (medisch beroepen, architect, advocaat en notaris) heeft de afdeling
                    Bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaald, dat deze zonder vrijstelling
                    passen in een burgerwoning als het bestemmingsplan het niet verbied of
                    reguleert, het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie behoudt en het
                    gebruik een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie
                    in overeenstemming is. De (introductie van de) ontheffing zal naar verwachting
                    weinig invloed hebben op deze ruimtelijke inhoudelijke uitgangspunten. De
                    randvoorwaarden die verderop genoemd worden zijn een verdere uitkristallisering
                    van de criteria van de Afdeling bestuursrechtspraak. Voorgesteld wordt om te
                    bepalen, dat een vrij beroep welke voldoet aan de genoemde randvoorwaarden als
                    passend te zien in een burgerwoning, tenzij het bestemmingsplan dit gebruik
                    expliciet verbiedt dan wel reguleert.</al><al>B Wel ontheffing van het bestemmingsplan nodig Een kleinschalige bedrijfsmatige
                    aan huis gebonden activiteit is een bedrijvigheid die door zijn beperkte omvang
                    in een gebouw met een woonfunctie of een aangebouwd bijgebouw mag worden
                    uitgeoefend en waarvoor ontheffing van het bestemmingsplan kan worden verleend.
                    Inmiddels is op basis van jurisprudentie vrij duidelijk geworden, welke
                    activiteiten aangemerkt kunnen worden als een bedrijf aan huis en welke niet.
                    Deze categorie dijt nog immer uit met nieuwe soorten bedrijfsmatige activiteiten
                    die het licht zien.</al><al>Uitgangspunten</al><al>Artikel 1 Gebied waarop de beleidsregel van toepassing is De beleidsregel is van
                    toepassing op alle percelen in de gemeente Urk waar krachtens vigerende
                    bestemmingen een woonfunctie aan toegekend is en waar bovendien sprake is van
                    een zelfstandige woning.</al><al>Artikel 2 Voorschriften Aan huisgebonden beroepen en (kleinschalige)
                    bedrijfsmatige activiteiten zijn in overeenstemming met de woonfunctie en mogen
                    geen ernstige hinder voor het woonmilieu opleveren c.q. geen afbreuk doen aan
                    het woonkarakter van de buurt. Hiertoe gelden de volgende voorwaarden en
                    bepalingen: 1. De woning moet blijven voldoen aan het Bouwbesluit en de
                    Bouwverordening. 2. Het gebruik past qua aard, omvang en ruimtelijke uitstraling
                    -naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders- in de
                    woonomgeving en mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en
                    leefklimaat. 3. Het beroep/bedrijf mag uitsluitend worden uitgeoefend in de
                    woning (hoofdgebouw) en niet in een vrijstaand, afzonderlijk gelegen gebouw dat
                    geen deel uitmaakt van het hoofdgebouw.4. Het beroep/bedrijf dient door in ieder
                    geval één bewoner van de woning te worden uitgeoefend. Er mogen maximaal twee
                    werkplekken zijn.5. Afhankelijk van de grootte en indeling mag van de begane
                    grondvloeroppervlakte ten hoogste 30% worden gebruikt met een maximum van 45
                    m².6. Het beroep/bedrijf mag uitsluitend worden uitgeoefend indien geen
                    vergunningen/of meldingsplicht op grond van de Wet milieubeheer en/of andere
                    milieuwetgeving van toepassing is. Dit betekent dat het activiteiten betreft die
                    passen binnen categorie 1 van de VNG-uitgave “Bedrijven en milieuzonering”. 7.
                    Verkoop van bedrijfsgerelateerde detailhandelsproducten aan bezoekers is
                    toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit, mits deze beperkt is tot maximaal
                    10% van de totale bedrijfsomzet.</al><al/><al>178. Vormen van horeca en auto-, motor- en bromfietsreparatie zijn niet
                    toegestaan Evenmin als een vorm van kapsalon. 9. Er dienen op het eigen terrein
                    of in de directe omgeving voldoende parkeerplaatsen voor bezoekers aanwezig te
                    zijn. Indien dit niet het geval is, dan doet de aanvrager een financiële
                    bijdrage per parkeerplaats in het gemeentelijke parkeerfonds.10.
                    Reclame-uitingen zijn niet toegestaan, behalve hetgeen op grond van de
                    gemeentelijke Algemene Plaatselijke Verordening en Welstandsnota mogelijk is.11.
                    De ontheffing heeft een geldigheidsduur van 5 jaar.</al><al>Artikel 3 Uitvoering Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om
                    met inachtneming van artikel 2 lid 2 te bepalen of een activiteit valt te
                    verenigen met de woonfunctie.</al><al>Artikel 4 Citeertitel De beleidsregel kan worden aangehaald als “Beleidsregel
                    werken aan huis gemeente Urk 2008”.</al><al>Artikel 5 Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de
                    eerste dag na die van de bekendmaking.</al><al>Urk, 31 JUL 2008</al><al>Burgemeester en wethouders voornoemd,</al><al>De secretaris, De burgemeester, M. Bogerd J. Kroon</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al>18BIJLAGE Voorbeeldlijst van huisgebonden beroepen en bedrijven Huisgebonden
                    beroepen Uitoefening van (para)medische beroepen, waaronder -individuele
                    praktijk voor huisarts, psychiater, psycholoog, fysiotherapie of bewegingsleer,
                    voedingsleer, mondhygiëne, tandheelkunde, logopedie, dierenarts, yoga enz.</al><al>Advies- en ontwerpbureaus, waaronder -reclame ontwerp -grafisch ontwerp
                    -architect</al><al>(Zakelijke) dienstverlening, waaronder -notaris -advocaat -accountant
                    -assurantie-/verzekeringsbemiddeling -exploitatie en handel in onroerende
                    zaken</al><al>Kleinschalige bedrijfsmatige (huisgebonden activiteiten), waaronder -kleding
                    makerij -(maat)kledingmakerij en kledingverstelbedrijf</al><al>Kantoorfunctie ten behoeve van bedrijvigheid die elders wordt uitgeoefend,
                    zoals: -schoonmaakbedrijf -schoorsteenveegbedrijf -glazenwasserij, maar ook ten
                    behoeve van bijvoorbeeld een groothandelsbedrijf</al><al>In ieder geval zijn auto- en motorreparatiebedrijven uitgezonderd
                    Reparatiebedrijfjes ten behoeve van particulieren, zoals:
                    -schoen-/lederwarenreparatiebedrijf -uurwerkreparatiebedrijf -goud- en
                    zilverwerkreparatiebedrijf -reparatie van kleine (elektrische) gebruiksgoederen
                    reparatie van muziekinstrumenten -lijstenmakerij</al><al>Onderwijsactiviteiten, zoals: -autorijschool -naaicursus -computercursus</al><al>Overige dienstverlening, zoals: -schoonheidsalon -zonnestudio -nagelstudio
                    -massagesalon (niet erotisch) -hondentrimsalon -pedicure</al><al>In ieder geval zijn kapsalons, prostitutie en seksinrichtingen uitgezonderd</al><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Beleidsnotitie GSM-antennes gemeente Urk</label><nr>5</nr></kop><al>Inhoudsopgave</al><al>INHOUDSOPGAVE 21 INLEIDING 3 1.1 HET NATIONAAL ANTENNEBELEID 3 1.2 HUIDIGE STAND
                    VAN ZAKEN 4 1.3 BELEIDSLIJN GEMEENTE URK 4 2 JURIDISCH KADER 5 2.1 WONINGWET 5
                    2.2 MONUMENTENWET 1988 5 2.3 MILIEUVERGUNNING 5 2.4 TELECOMMUNICATIEWET 6 2.5
                    CONVENANT 6 2.6 EUROPEES VERDRAG TER BESCHERMING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS
                    (EVRM) 6 2.7 UITVOERINGSMOGELIJKHEDEN 7</al><al>3 OVERIGE AANDACHTSPUNTEN IN DE BELEIDSVORMING 83.1 HORIZONVERVUILING 8 3.2
                    WELSTAND 8 3.3 GEZONDHEID 8 3.4 SITE-SHARING 8</al><al>4 STEDENBOUWKUNDIGE TOETSINGSCRITERIA 9 4.1 DEELGEBIEDEN 9 4.2 VOORWAARDEN VOOR
                    PLAATSING VERGUNNINGVRIJE ANTENNES 10 4.3 FLEXIBILITEITBEPALINGEN 11BIJLAGEN
                    12</al><al>1 Inleiding</al><al>Een aantal jaren geleden heeft de rijksoverheid vijf licenties geveild voor
                    mobiele telefonie in Nederland. Bij het verkrijgen van de licentie zat destijds
                    de plicht om zo snel mogelijk een landelijke dekking te realiseren. Los van deze
                    verplichting hebben de vijf providers¹ behoefte een netwerk op te bouwen en uit
                    te breiden om tegemoet te komen aan de wensen van het groeiend aantal gebruikers
                    van mobiele telefonie. De betreffende installaties die voor deze mobiele vorm
                    van telefoneren noodzakelijk zijn kunnen zowel in masten als op gebouwen worden
                    geplaatst. De behoefte aan zendinstallaties wordt in de nabije toekomst alleen
                    maar groter. Dit laatste met name als direct gevolg van de UMTS-frequenties die
                    in het jaar 2000 zijn geveild.Voor Nederland heeft een inventariserend
                    onderzoek² plaatsgevonden naar de antennebehoefte in de periode tussen 2000 tot
                    en met 2005. In dit onderzoeksrapport is de behoefte aan nieuwe opstelpunten
                    voor GSM, UMTS, digitale communicatie, omroepnetwerken en digitale radio en
                    televisie weergegeven. Hieruit blijkt dat met name de mobiele telecommunicatie
                    (CSM en UMTS) de komende jaren grote aantallen antennes gaat vragen. Inmiddels
                    is begonnen met de plaatsing van ruim 600 middelhoge antennes en enkele
                    duizenden lagere antennes om tijdig voldoende vermogen te realiseren voor
                    landelijke dekking ten behoeve van het UMTS-netwerk. Dit laatste netwerk vraagt
                    een verdere verdichting van het huidige ‘antennewoud’.</al><al>UMTS, Universal Mobile Telecommunications System, is één van de derde generatie
                    mobiele telecommunicatiesystemen die het mogelijk maakt om naast spraak een
                    veelheid aan datacommunicatietoepassingen mobiel toegankelijk te maken. Hierbij
                    moet worden gedacht aan internettoegang, E-mail, fax, electronic commerce,
                    videotelefonie en amusementsdiensten als muziek en video. De eerste
                    UMTS-netwerken zijn in gebruik genomen. Rond 2005 zou een wereldwijde dekking,
                    inclusief de integratie met satellieten, mogelijk moeten zijn.</al><al>1.1 Het Nationaal Antennebeleid</al><al>Het kabinet onderkent de toenemende maatschappelijke behoefte aan netwerken voor
                    draadloze communicatie. Daarnaast weet het kabinet dat zich problemen voordoen
                    met het plaatsen van nieuwe antennes voor draadloze netwerken. Op 8 december
                    2000 heeft het kabinet, in verband met het voorgaande, de nota ‘Nationaal
                    Antennebeleid’ vastgesteld.</al><al>De doelstelling van het Nationaal Antennebeleid is om binnen duidelijke kaders
                    van volksgezondheid, leefmilieu en veiligheid voldoende ruimte voor
                    antenne-opstelpunten te stimuleren en faciliteren. Uitgangspunt van het
                    Nationaal Antennebeleid is dat er een win- win-situatie ontstaat, waarbij recht
                    wordt gedaan aan de verschillende belangen van zowel:</al><al>1. de rijksoverheid (het stimuleren en faciliteren van antenne-opstelpunten
                    binnen duidelijke kaders); 2. de providers (economische belangen);3. en de
                    semi-overheden (de zorgvuldige politieke en bestuurlijke procedures met
                    betrekking tot de kwaliteit van de leefomgeving).</al><al>Het Nationaal Antennebeleid richt zich primair op de volgende groepen:1. de
                    burgers, die enerzijds gebruik willen maken van de nieuwe mogelijkheden van
                    draadloze communicatie, maar anderzijds de zekerheid moeten hebben dat hun
                    gezondheid, leefmilieu en veiligheid daarmee niet in het geding komen;1 KPN,
                    Vodafone, 02, Dutchtone en BEN.2 ‘Antennebehoefte in Nederland in de komende
                    vijf jaar’, juni2000, versie 3.2, Columbi Consulting. 32. de mede-overheden
                    (gemeenten en provincies), die de primaire zorg dragen voor het beschermen van
                    de gezondheid, het leefmilieu en de veiligheid van de burgers op hun
                    grondgebied; 3. de exploitanten van antennes voor draadloze netwerken (de
                    ‘providers’), die op een zorgvuldige manier aan de wensen van hun
                    netwerkgebruikers moeten voldoen, zodat de gezondheid, het leefmilieu en de
                    veiligheid op geen enkele wijze in gevaar kunnen komen.</al><al>1.2 Huidige stand van zakenIn de gemeente Urk is inmiddels een aantal antennes
                    geplaatst. Het gaat dan met name om de vergunningsvrije antennes tot vijf meter
                    die her en der op gebouwen zijn geplaatst. Daarnaast staat op de gemeentewerf
                    aan het Noorderzand een mast met een vijftal providers. Recent is begonnen met
                    het plaatsen van een C2000 mast (BiZa, Communicatie hulpdiensten) nabij het
                    zwembad. Hierbij is afgesproken dat maximaal twee telecom providers gebruik
                    mogen maken van deze mast.Op dit moment wordt gewerkt aan een plaatsingsplan dat
                    is aangevraagd door 02. De gemeente heeft hierom verzocht teneinde een goed
                    inzicht te krijgen in de huidige situatie en in de te verwachten aanvragen in de
                    komende jaren. Wanneer het plan klaar is zal dit zowel intern als met de
                    providers worden besproken voordat het plan definitief wordt. De reden van het
                    plaatsingsplan is een bouwaanvraag die genoemde provider heeft ingediend. De
                    aanvraag betreft het bouwen van een 37½ meter hoge mast bij internetbedrijf Mach
                    6 op industrieterrein Kamperhoek. Door het toenemende gebruik hebben alle
                    providers meer opstellingen nodig. Enkele providers hebben al een tweede
                    opstelling op Urk, terwijl de andere providers hier aan toe zijn. In het
                    plaatsingsplan komt hierover meer duidelijkheid en kan een betere afweging
                    gemaakt worden met betrekking op de aanvraag van O2.</al><al>1.3 Beleidslijn gemeente UrkMede-overheden, in het bijzonder gemeenten, hebben
                    een primaire verantwoordelijkheid voor een zorgvuldige plaatsing van antennes op
                    hun grondgebied. De gemeente dient bij verzoeken tot het plaatsen van antennes
                    alle betrokken belangen af te wegen bij de verlening van bouwvergunningen,
                    milieuvergunningen of vrijstellingen van het bestemmingsplan. Tegelijk moet de
                    gemeente antwoord kunnen geven op vragen van de bevolking, over de wijze waarop
                    met het plaatsen van antennes wordt omgegaan.</al><al>De gemeentelijke beleidslijn voor zendinstallaties (die voor u ligt) is
                    opgesteld om wildgroei van masten te voorkomen. Het centrale uitgangspunt is dat
                    antennemasten (inclusief zenden ontvangstapparatuur) door hun hoogte en
                    verschijningsvorm van grote invloed zijn op de omgeving. In stedelijk gebied
                    zijn antennemasten in het algemeen goed inpasbaar, maar in het landelijk gebied
                    zijn plaatsingsmogelijkheden niet of nauwelijks aanwezig. Plaatsing leidt er
                    vaak toe dat wordt ingeleverd op de kwaliteit van het landschap
                    (horizonvervuiling). Om de kwaliteiten van dorp en buitengebied van de gemeente
                    Urk te behouden, zijn ruimtelijke randvoorwaarden noodzakelijk. Deze
                    randvoorwaarden zijn ook van belang bij:</al><al>- de integrale beoordeling van een verzoek tot vrijstelling van het
                    bestemmingsplan ten gunste van een zendinstallatie; - de beoordeling van de
                    legalisatiemogelijkheden van tijdelijk geplaatste installaties; - de
                    voorbereiding van nieuwe bestemmingsplannen (in nieuwe plannen kunnen locaties
                    expliciet worden aangewezen); - motivering van een besluit tot het al dan niet
                    verlenen van een vrijstelling c.q. het al dan niet gedogen van een illegaal
                    geplaatste installatie.</al><al>2 Juridisch kaderDit hoofdstuk handelt over de juridische aspecten die bij het
                    plaatsen van een antenne komen kijken. Naast een beschrijving van de relevante
                    wetgeving en het convenant wordt aandacht besteed aan de
                    uitvoeringsmogelijkheden van het gemeentelijk antennebeleid.</al><al>2.1 WoningwetAntenne-installaties zijn onderworpen aan het regime van de
                    Woningwet. Dat betekent dat ze op grond van artikel 40 van de Woningwet
                    bouwvergunningplichtig zijn. Recente jurisprudentie heeft bepaald dat alle
                    antennes voor de telefonie bouwvergunningplichtig zijn.</al><al>Jurisprudentie Volgens een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de
                    Raad van State van 5 april 2001 (nummers 2000031 91/1, 200003317/1, 200003335/1)
                    zijn antenne-installaties niet op te vatten als bouwvergunningvrije bouwwerken
                    als bedoeld in artikel 43, lid 1, sub e van de Woningwet. De ABRS kwam tot dit
                    oordeel vanwege het feit dat ook de techniekkast onderdeel uitmaakt van de
                    installatie en het feit dat geen aanknopingspunten bestaan voor een ruime
                    interpretatie van het begrip ‘antenne’ als bedoeld in artikel 43, lid 1, sub e
                    van de Woningwet.</al><al>Bovenstaande jurisprudentie is deels achterhaald. Dit blijkt uit de voorgenomen
                    wijziging van de Woningwet en het Besluit op de ruimtelijke ordening. Het
                    volgende komt uit deze voorgenomen wijziging naar voren:- antennes hoger dan 40
                    meter blijven bouwvergunningplichtig; - antenne-installaties met een hoogte
                    tussen de 5 en 40 meter zullen in het lichte bouwvergunningstelsel vallen en
                    worden opgenomen in artikel 20 van het Bro, wat wil zeggen dat deze bouwwerken
                    met gebruikmaking van de vrijstelling als bedoeld in artikel 19 lid 3 WRO door
                    het college van Burgemeester en Wethouders worden toegestaan; - antennes met een
                    maximale hoogte van 5 meter en antennes hebben geen bouwvergunning nodig indien
                    aan de voorwaarden van het door de rijksoverheid, de VNG, en de providers
                    opgestelde convenant wordt voldaan. Ook antennes voor het C2000 netwerk zijn
                    vergunningvrij.</al><al>De nieuwe Woningwet wordt op 1 januari 2003 rechtsgeldig. Bij Algemene Maatregel
                    van Bestuur van 13 juli 2002 is besloten dat het derde punt inzake
                    vergunningvrije antennes met ingang van 15 augustus 2002 in werking is
                    getreden.</al><al>2.2 Monumentenwet 1988Het plaatsen van antennes is weliswaar noodzakelijk, maar
                    mag niet ten koste gaan van monumenten en cultuurhistorische waarden. Op grond
                    van artikel 11 van de Monumentenwet is daarom vergunning noodzakelijk voor het
                    plaatsen en/of uitbreiden van een antenne op, in, aan en bij een monument.
                    Binnen de gemeente Urk wordt een dergelijke vergunning doorgaans geweigerd.Het
                    rijk heeft een aantal gebieden aangewezen als beschermd dorps- of stadsgezicht.
                    Deze gebieden kennen geen bouwvergunningvrje antennes. Antennes in deze gebieden
                    dienen gemeld te worden bij de gemeente. Daarna voert de gemeente een toets uit
                    om de antenne naar behoren in te passen in de omgeving.</al><al>2.3 MilieuvergunningVoor zendmasten is alleen een milieuvergunning nodig als het
                    vermogen meer dan 4 kW bedraagt. Dat zal hooguit het geval zijn bij grote
                    zendmasten voor bijvoorbeeld omroepzenders. In de praktijk zal het niet zo vaak
                    voorkomen dat een aanbieder een milieuvergunning moet hebben. Het vermogen van
                    de zendmasten is over het algemeen laag. De huidige GSM zendmasten hebben
                    vermogens van 5 tot circa 100 Watt. De zendvermogens zijn overigens naar
                    behoefte in te stellen.In incidentele gevallen is wel een milieuvergunning
                    nodig, als voorzieningen worden aangebracht die zelf tot een
                    milieuvergunningplicht leiden.</al><al>2.4 TelecommunicatiewetAntennes maken gebruik van frequentieruimte. Voor het
                    gebruik van deze frequentieruimte is een vergunning nodig, tenzij deze
                    frequenties voor algemeen gebruik zijn vrijgegeven. Deze vergunningen worden
                    afgegeven door de minister van Verkeer &amp; Waterstaat.</al><al>Verder regelt de telecommunicatiewet dat antenne-opstelpunten moeten worden
                    gedeeld (site-sharing). Artikel 3.11 van genoemde wet regelt dat providers van
                    elkaars opstelpunten gebruik mogen maken, tenzij dat op technische bezwaren
                    stuit. De derde partij (bijvoorbeeld eigenaar van een gebouw of grond) moet
                    natuurlijk wel toestemming verlenen.</al><al>2.5 Convenant Op 11 juni 2002 is door eerdergenoemde partijen een convenant
                    ondertekend. Het convenant heeft tot doel invulling te geven aan het Nationaal
                    Antennebeleid. Daarnaast worden de voorwaarden vastgelegd die gesteld worden aan
                    de plaatsing van vergunningvrije antenne-installaties, Genoemde voorwaarden
                    hebben in ieder geval betrekking op:- de optimale samenwerking tussen providers;
                    - het opstellen van een plaatsingsplan en de samenwerking op dit gebied met de
                    gemeenten; - de visuele inpasbaarheid van vergunningvrije antennes
                    (welstandsnota); - het instemmingsrecht van bewoners bij plaatsing van een
                    vergunningvrije antenne, met bijbehorende procedure; - de blootstellinglimieten
                    van vergunningvrije antenne-installaties.</al><al>In de bijlage van deze notitie is een tekening opgenomen waarop de belangrijkste
                    plaatsingsvoorwaarden zijn gevisualiseerd. Voorwaarden die betrekking hebben op
                    visuele inpasbaarheid dienen te worden vastgelegd in de welstandsnota.</al><al>2.6 Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) Op grond
                    van artikel 10 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de
                    Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient het recht om informatie te
                    verstrekken, te ontvangen en uit te wisselen te worden gegarandeerd. In een
                    arrest van 26 februari 1999 heeft de Hoge Raad geconcludeerd dat dit artikel ook
                    van toepassing is op telecommunicatie. Het is dus op basis van het EVRM niet
                    toegestaan om de mogelkheden tot telecommunicatie via een bestemmingsplan of via
                    een weigering om vrijstellingen ex artikel 19 WRO te verlenen volledig te weren.
                    Artikel 10 EVRM reikt echter niet zo ver dat iedere antenne-installatie of mast
                    op elke willekeurige plek moet worden toegestaan. Het staat namelijk niet vast
                    of de mobiele netwerken onder de werking van dit artikel vallen, nu traditioneel
                    telefoonverkeer via het vaste net op geen enkele wijze wordt beperkt. De
                    vergelijking met de introductie van de kabeltelevisie, enkele decennia geleden,
                    waarbij destijds ook enige commotie ontstond over het al dan niet moeten
                    verwijderen van de televisieantennes van de daken, kan hierbij ter illustratie
                    worden aangehaald. De mogelijkheid van telecommunicatie is en blijft immers dus
                    gehandhaafd, ook al zou door de weigering van een gemeentebestuur om medewerking
                    te verlenen aan het plaatsen van een aantal antenne-installaties een mobiel
                    netwerk geen volledige dekking kunnen bieden. Verder betekent het tegengaan van
                    een aantal antenne-installaties niet dat mobiele communicatie onmogelijk wordt
                    gemaakt als er op andere plekken wél medewerking wordt verleend aan het plaatsen
                    ervan. Hoogstens wordt daardoor deze vorm van telecommunicatie niet vanaf iedere
                    willekeurige plek mogelijk. Uit de jurisprudentie rond artikel 10 EVRM blkt dat
                    beperkingen van het in dat artikel genoemde recht mogelijk zijn zolang er geen
                    sprake is van een algemeen verbod. Beperkingen ter bescherming van de belangen
                    van omwonenden, het milieu of welstandsbelangen zijn in bepaalde gevallen
                    toegestaan.</al><al>2.6 UitvoeringsmogelijkhedenHet relatief nieuwe fenomeen van zendinstallaties is
                    op Urk binnen geen enkel bestemmingsplan mogelijk gemaakt. Via een
                    parapluregeling voor de vigerende bestemmingsplannen of een artikel 19 WRO
                    vrijstelling zal gevolg kunnen worden gegeven aan de ontstane behoefte. Omdat de
                    behoefte aan zendinstallaties alleen maar toeneemt en voortijdig niet te bepalen
                    is waar deze installaties benodigd zijn (en daarom een flexibel afwegingskader
                    gewenst is) wordt beleid vastgesteld dat als basis kan dienen voor het
                    behandelen van artikel 19 WRO vrijstellingsaanvragen. Dit beleid moet zorgdragen
                    voor een stedenbouwkundig en maatschappelijk verantwoorde inpassing van
                    GSM-installaties binnen de gemeente Urk. Beleid is over het algemeen sneller bij
                    te stellen dan een bestemmingsplan, zodat relatief snel ingespeeld kan worden op
                    ontwikkelingen. Via een parapluregeling is dit niet het geval en heeft de
                    gemeente minder directe invloed.2 Overige aandachtspunten in de
                    beleidsvormingDit hoofdstuk handelt over zaken die in directe relatie staan met
                    het antennebeleid van de gemeente Urk.</al><al>3.1 HorizonvervuilingHet grootste dilemma rond de plaatsing van
                    antenne-installaties zit hem in de tamelijk grote onzekerheid over de behoefte
                    aan dit soort voorzieningen op de langere termijn. Nu is het duidelijk dat een
                    groot aantal antenne-installaties en masten nodig zijn om in de explosieve vraag
                    (C2000 en UMTS) te kunnen voorzien. Verwacht wordt dat zich de komende jaren nog
                    een groei van deze bouwwerken zal voordoen. Om te voorkomen dat de
                    antenne-installaties op langere termijn door velen als storend worden ervaren is
                    het verstandig een aantal stedenbouwkundige richtlijnen af te spreken. Een goede
                    balans tussen de steden- bouwkundige kwaliteit en een kwalitatief goed dekkend
                    mobiel netwerk is van groot belang voor de leefbaarheid in de gemeente Urk.</al><al>3.2 WelstandOp grond van het bepaalde in artikel 12 van de Woningwet dient elke
                    aanvraag om bouwvergunning te voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Deze
                    eis geldt dus ook voor antenne-installaties en masten. In principe wordt elke
                    aanvraag aan de welstandscommissie voorgelegd. De voorwaarden die aan een
                    bouwaanvraag gesteld worden (m.b.t. visuele inpasbaarheid) zijn opgenomen in de
                    welstandsnota.</al><al>3.3 GezondheidDe afgelopen jaren is het gebruik van mobiele telefoons zodanig
                    toegenomen dat de toenmalige minister van VROM aan de gezondheidsraad heeft
                    gevraagd een advies uit te brengen over de gezondheidsrisico’s van
                    elektromagnetische velden door antennes. Op 9 maart 2000 is door de
                    gezondheidsraad een adviescommissie ingesteld die regelmatig advies gaat
                    uitbrengen over dit onderwerp. De belangrijkste conclusie van de commissie luidt
                    als volgt:de kans dat zich in woon- en werkruimtes onder basisstations
                    gezondheidsproblemen voordoen als gevolg van blootstelling aan
                    elektromagnetische velden, acht de commissie verwaarloosbaar klein.Mede op grond
                    van dit onderzoek is aangetoond dat gezondheidsrisico geen reden meer is om een
                    vergunning te weigeren. De gemeente Urk hecht waarde aan voorlichting hierover,
                    zodat eventuele angst onder de bevolking voortijdig kan worden weggenomen.</al><al>3.4 Site-sharingIn het vorige hoofdstuk is aangegeven dat providers zoveel
                    mogelijk dienen samen te werken als het gaat om antenne opstelpunten. De
                    gemeente Urk staat volledig achter dit beleid en zal (in overleg met de
                    providers en de bouwers van het C2000-netwerk) zorg dragen voor optimale
                    site-sharing.</al><al>3 Stedenbouwkundige toetsingscriteria</al><al>Het plaatsen van antennes is in vele gevallen een noodzakelijk kwaad. Het weren
                    van deze, op visueel gebied, kwalitatief laagwaardige inrichtingselementen is
                    vaak geen optie. Wel kan paal en perk worden gesteld aan de manier waarop
                    dergelijke antennes worden ingepast in het landschap. Hiervoor zijn
                    stedenbouwkundige toetsingscriteria nodig. Deze criteria kunnen per deelgebied
                    verschillen, omdat een antenne-installatie op bijvoorbeeld een industrieterrein
                    minder gevoelig ligt dan in een woonwijk. Dit hoofdstuk geeft per deelgebied de
                    opgestelde toetsingscriteria weer.</al><al>4.1 DeelgebiedenDe gemeente Urk is onderverdeeld in vijf deelgebieden. Op de
                    kaart in de bijlage zijn deze gebieden aangegeven. Enkele gebieden lenen zich
                    wat betreft karakter, inrichting en uitstraling bij uitstek voor het plaatsen
                    van antennes. De overige gebieden zijn in het geheel niet of in mindere mate
                    geschikt. Om deze reden gelden per deelgebied verschillende stedenbouwkundige
                    voorwaarden. Binnen genoemde deelgebieden wordt onderscheid gemaakt tussen
                    dakzendinstallaties en masten. De gemeente Urk heeft de volgende deelgebieden
                    aangewezen:1. Wonen 2. Oude dorp 3. Havens 4. Industrie 5. Buitengebied</al><al>Wonen Voor dit deelgebied geldt eenvoudig dat de bebouwde kom kan worden
                    aangemerkt. Uitzondering van het oude dorp en de werkgebieden als bedoeld onder
                    2,3 en 4. Uit de praktijk blijkt dat vooral de woongebieden gevoelig liggen. Het
                    plaatsen van een antenne- installatie wordt hier meer dan elders negatief
                    ervaren. De uitstraling van de installaties zijn een verstoring van het
                    woongenot voor omwonenden. Dit geld met name voor zendinstallaties in masten. Om
                    deze reden worden masten uit dit deelgebied geweerd. Dakzendinstallaties zijn,
                    met name vanaf hoge gebouwen, minder storend en onder de volgende voorwaarden
                    toegestaan:- uitsluitend op gebouwen met een minimale hoogte van 15 meter;-
                    maximaal drie zendinstallaties per gebouw; - voor zover mogelijk clustering
                    centraal op het dak; - plaatsing op monumenten en in beschermde dorpsgezichten
                    niet toegestaan.</al><al>Oude dorpDit deelgebied is het oude eiland Urk, zoals dit vanuit de historie
                    bewaard is gebleven. Het gaat om een gebied met een historische sfeer. De
                    gevoeligheid ligt hier nog hoger dan bij normale woongebieden. Hoge gebouwen
                    zijn, op de vuurtoren en enkele (kerk)torens na, niet aanwezig, De genoemde hoge
                    gebouwen die wel in het oude dorp staan zijn van historische aard. Verder is bij
                    het rijk een aanvraag gedaan voor de status van beschermd stads- en dorpsgezicht
                    voor dit gebied. Deze aanvraag betreft het gehele gebied inclusief de woningen
                    die binnen het palenscherm staan. Mogelijkheden voor dakzendinstallaties zijn
                    daarom uitgesloten, terwijl masten al helemaal niet passen. De gemeente Urk
                    staat om deze redenen een algehele wering van antennes voor in dit deelgebied.
                    Zelfs vergunningvrije antennes zijn in dit gebied licht bouwvergunningplichtig
                    en worden als zodanig ter discussie gesteld.</al><al>Havens Dit deelgebied omvat een viertal havens van de gemeente Urk. Het gaat om
                    de Westhaven, de Oosthaven, de Nieuwe haven en de Werkhaven. Daarbij wordt de
                    grens over land gevormd door de West- en Oosthavenkade en de Klifweg.</al><al>Het havengebied kent raakvlakken met industrie, wat betreft inrichting en
                    beleving van de ruimte, Dit geldt overigens met name voor de Werkhaven. Voor de
                    overige havens geldt dat zij het gezicht bepalen van het karakteristieke Oude
                    Dorp vanaf het water. Plaatsing van antennes roept daarom de nodige weerstand
                    op. Het plaatsen van masten levert een te groot contrast met het nabij gelegen
                    ‘open water’.De karakteristieke havens van Urk komen dan ook niet in aanmerking
                    voor het plaatsen van antenne-installaties. Voor de werkhaven geldt overigens
                    dat scheepswerf Metz onder deelgebied IV (zie bijlage 2) valt. Dit houdt in dat
                    hier wel antennes mogelijk zijn.</al><al>Industrie Dit deelgebied omvat de industrieterreinen en de sportparken. Hier
                    gaat het om de zogenaamde ‘grijze gebieden’, waar leefbaarheid en genot in
                    mindere mate een rol spelen. In deze gebieden is ook voor zendmasten een plaats.
                    Dit wil niet zeggen dat de gemeente Urk hier zonder slag of stoot masten
                    plaatst. Een mast plaatsen is alleen dan toegestaan wanneer plaatsing op hoge
                    gebouwen niet mogelijk is. Plaatsing aan de rand van het gebied dient vermeden
                    te worden. Daarnaast hebben masten met een tralieconstructie de voorkeur boven
                    de dichte masten. Visueel is de transparantie van de traliemasten minder storend
                    dan de massieve dichte exemplaren. In dit deelgebied gelden de volgende
                    voorwaarden:Dakzendinstallaties:- uitsluitend op gebouwen met een minimale
                    hoogte van 9 meter; - voor zover mogelijk clustering centraal op het dak; -
                    plaatsing op monumenten is niet toegestaan.</al><al>Masten:- maximale hoogte van 25 meter (30 meter wanneer aangetoond wordt dat een
                    grotere hoogte noodzakelijk is als gevolg van site-sharing); - bij voorkeur bij
                    bestaande bebouwing; </al><al>Buitengebied Alle gebieden die niet onder de overige categorieën vallen zijn in
                    dit deelgebied bijeen gebracht. In de praktijk komt het neer op het landelijk
                    gebied en de natuurgebieden van de gemeente Urk. Deze gebieden kennen bepaalde
                    landschappelijke kwaliteiten, zoals openheid en natuurbeleving. Realisering van
                    antenne-installaties levert een zodanige inbreuk op deze landschappelijke
                    kwaliteiten op dat dit niet gewenst is. Met name masten worden in dit deelgebied
                    niet toegestaan, terwijl voor dakzendinstallaties stringente voorwaarden
                    gelden:</al><al>- uitsluitend op gebouwen met een minimale hoogte van 17 meter; - maximaal twee
                    zendinstallaties per gebouw; - voor zover mogelijk clustering centraal op het
                    dak; - plaatsing op monumenten is niet toegestaan.</al><al>4.2 Voorwaarden voor plaatsing vergunningvrije antennesIn paragraaf 2.1 wordt
                    gesproken over plaatsing van vergunningvrije antennes indien aan de voorwaarden
                    van het convenant wordt voldaan. In principe geldt dit voor alle deelgebieden.
                    Wel hecht de gemeente Urk waarde aan inpassing van deze antennes in het
                    landschap. In paragraaf 2.5 is aangeduid dat deze criteria opgenomen worden in
                    de welstandsnota. Het gaat dan om de kleurstelling van de techniekkast,
                    bedrading en gevelantenne, Deze criteria worden aan de providers meegedeeld.Voor
                    het tweede deelgebied, het oude dorp, gelden aangepaste regels. Het gaat hier
                    namelijk om een deelgebied waarvoor de status van beschermd dorpsgezicht is
                    aangevraagd bu de rijksoverheid. Dit houdt in dat de in paragraaf 2.1 bedoelde
                    vergunningvrije antennes in dit deelgebied licht vergunningplichtig worden.</al><al>4.3 FlexibiliteitbepalingenIn dit hoofdstuk van deze beleidsnotitie zijn de
                    criteria opgenomen die alle partijen binden. De gemeente Urk staat haar eigen
                    beleid voor en wil dit handhaven, terwijl de providers aan de voorwaarden moeten
                    voldoen om hun antennes te mogen plaatsen. In voorkomende gevallen kan het zijn
                    dat de gemeente medewerking wil verlenen aan een aanvraag, terwijl de
                    beleidsregels deze medewerking niet toestaan. Burgemeester en Wethouders zijn
                    daarom vrij om in voorkomend geval gemotiveerd af te wijken van de in deze
                    beleidsnotitie opgenomen voorwaarden.</al><al>BijlagenBijlage 1: Schema plaatsingsvoorwaarden vergunningvrije antennes.
                    Bijlage 2: Kaart deelgebieden Urk</al><al>Bouwvergunningvrij onder de volgende voorwaarden:□ Antennes tot maximaal 5 m
                    boven dakrand□ Techniekkasten maximaal 2 mᶟ en 1 m afstand tot dakrand□ De
                    minimale horizontale afstand (x) tussen mast en dakrand berekenen volgens:
                    x=18/gebouwhoogte□ Minimale hoogte gebouw 9 m□ Minimale afstand tussen kabelgoot
                    en voorgevel is 1 m□ Vragen? Bel 0900-ANTENNE of mail naar</al><al><plaatje><illustratie id="if7a730bb-55b4-4098-bbe4-b41b46fa1333" naam="i34971if7a730bb-55b4-4098-bbe4-b41b46fa1333.png" breedte="11cm" schaal="1" uitlijning="start" kleur="ja" type="foto" alt="794px" hoogte="15.5cm"/></plaatje></al></bijlage></regeling></body></cvdr>