<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR96218_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tegemoetkoming kosten kinderopvang</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heiloo</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-02-02</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heiloo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Uitkijkpost, 01-12-2004</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegemoetkoming kosten kinderopvang gemeente Heiloo</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0017017&amp;artikel=25">Wet kinderopvang, art. 25</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-10-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-12-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>09-4222</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Kinderopvang tegemoetkoming kosten</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening tegemoetkoming kosten kinderopvang</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="a."><al><vet>het college</vet>: het college van burgemeester en
                                        wethouders;</al></li><li nr="b."><al><vet>de wet</vet>: de Wet kinderopvang. </al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>VASTSTELLING NOODZAAK VAN KINDEROPVANG OP GROND VAN SOCIAAL-MEDISCHE
                            INDICATIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een aanvraag tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op
                                grond van een sociaal-medische indicatie als bedoeld in artikel 23
                                van de wet bevat in ieder geval de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing: naam van de partner en, indien dit
                                        een ander adres is dan het adres van de ouder: het adres van
                                        de partner;</al></li><li nr="c."><al>naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de
                                        aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                        besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een
                                door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                ondertekend door de partner.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het
                                college stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het besluit tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op
                                grond van een sociaal- medische indicatie bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de geldigheidsduur van de indicatie;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van de kinderopvang die noodzakelijk wordt geacht.
                                    </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college weigert de noodzaak van kinderopvang op grond van een
                                sociaal-medische indicatie vast te stellen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de ouder en de partner reeds een tegemoetkoming in de kosten
                                        van kinderopvang ontvangt of kan ontvangen; of</al></li><li nr="b."><al>de ouder of de partner niet behoort tot de personen als
                                        bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel k of 1 van de
                                        wet. </al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>AANVRAAG VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                                bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>naam, adres en sofi-nummer van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing: naam en sofi-nummer van de partner
                                        en, indien dit een ander adres is dan het adres van de
                                        ouder: het adres van de partner;</al></li><li nr="c."><al>naam, geboortedatum en sofi-nummer van het kind of de
                                        kinderen waarop de aangevraagde tegemoetkoming betrekking
                                        heeft;</al></li><li nr="d."><al>een offerte of contract van het kindercentrum of
                                        gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen waarin in
                                        ieder geval wordt aangegeven: het aantal uren kinderopvang
                                        per kind, de kostprijs per uur en de aanvangsdatum van de
                                        opvang;</al></li><li nr="e."><al>gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt dat
                                        de ouder behoort tot de groep personen als bedoeld in
                                        artikel 22 van de wet;</al></li><li nr="f."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                        besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een
                                door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                ondertekend door de partner.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>VERLENING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen vier weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het
                                stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college weigert de tegemoetkoming indien de ouder niet behoort
                                tot de personen als bedoeld in artikel 22 van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop de
                                aanvraag voor de tegemoetkoming door het college in ontvangst is
                                genomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de
                                tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de
                                kinderopvang zal plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van een
                                kalenderiaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan het college de tegemoetkoming
                                voor een andere periode verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang dat door de ouder is aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verleent het college bij een ouder
                                als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid,
                                onderdeel a, van de wet de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang dat naar zijn oordeel redelijkerwijs noodzakelijk is
                                voor de combinatie van arbeid c.q. studie en zorg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten van
                                kinderopvang bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de vaststelling tot welke van de gemeentelijke doelgroepen
                                        de ouder behoort;</al></li><li nr="b."><al>de naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop
                                        de tegemoetkoming betrekking heeft;</al></li><li nr="c."><al>de naam en adres van het kindercentrum of gastouderbureau
                                        waar de kinderopvang plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>de periode en de omvang van de kinderopvang per tijdvak
                                        waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend;</al></li><li nr="e."><al>de wijze waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt
                                        bepaald en het bedrag dat op basis hiervan wordt
                                        verleend;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald;</al></li><li nr="g."><al>de verplichtingen van de ouder. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in maandelijkse
                                termijnen uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze van
                                bevoorschofting.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>VASTSTELLING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ouder verstrekt binnen vier weken na afloop van de periode
                                waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht
                                van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college stelt de tegemoetkoming binnen acht weken na ontvangst
                                van het overzicht van de kosten vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen vier
                                weken betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>VERPLICHTINGEN VAN DE OUDER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ouder of de partner doet het college onmiddellijk na het bekend
                                worden daarvan uit eigen beweging schriftelijk mededeling van
                                inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van
                                een lagere tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ouder of partner verstrekt desgevraagd aan het college, binnen
                                een door het college te stellen redelijke termijn, alle gegevens en
                                inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de
                                hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college is bevoegd om nadere regels te stellen met betrekking
                                tot de uitvoering van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onder toepassing van artikel 25 van de Tijdelijke referendumwet
                                treedt deze verordening in werking drie dagen na haar
                                bekendmaking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening tegemoetkoming
                                kosten kinderopvang gemeente Heiloo.</al></lid></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld door de raad der gemeente Heiloo in zijn openbare
                        vergadering van 4 oktober 2004.</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>Nieuwe Toelichting</titel></kop><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al>In de aanhef van de verordening naast artikel 25 van de Wet kinderopvang ook
                    artikel 149 van de Gemeentewet als grondslag voor de verordening opnemen. Op
                    deze wijze wordt voorkomen dat de verordening niet in werking kan treden omdat
                    artikel 25 Wk nog niet in werking is getreden op het moment dat de gemeenteraad
                    de verordening vaststelt. Burgers kunnen dan toch tijdig aanvragen indienen,
                    waardoor gemeenten in staat zijn om tijdig besluiten te nemen op deze aanvragen.
                    Het risico voor gemeenten bij deze handelwijze is beperkt, omdat de materiele
                    normen voor de aanspraken op een tegemoetkoming in de wet kinderopvang zijn
                    vastgelegd. Mochten de artikelen 22, 23 of 24 niet tijdig in werking treden dan
                    kan de gemeente dergelijke aanvragen afwijzen omdat er geen recht bestaat op een
                    tegemoetkoming.</al><al>Indien artikel 25 van de wet kinderopvang reeds in werking is getreden op het
                    moment dat de gemeenteraad een besluit neemt over de verordening kan in principe
                    artikel 149 van de gemeentewet uit de aanhef worden weggelaten.</al><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>De begripsbepalingen in artikel 1 en 2 van de Wet kinderopvang zijn ook van
                    toepassing op deze verordening. Alleen de in deze artikelen niet gedefinieerde
                    begrippen zijn aangevuld.</al><al><vet>Artikel 2 Te verstrekken gegevens</vet></al><al>Een aanvraag voor de toekenning van een sociaal-medische indicatie moet worden
                    ingediend bij het college. In de procedure gaat de aanvraag voor de toekenning
                    van een sociaal-medische indicatie vooraf aan de aanvraag voor een
                    tegemoetkoming, maar in de praktijk zullen de aanvragen vaak gelijktijdig worden
                    ingediend. Ook de besluiten over de toekenning van een sociaal-medische
                    indicatie en de verlening van een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                    kunnen in één beschikking worden opgenomen. Wel moet de juiste volgorde in acht
                    worden genomen: eerst het besluit over de aanwezigheid van een sociaal-medische
                    indicatie en vervolgens het besluit over de verstrekking van een
                    tegemoetkoming.</al><al><vet>Artikel 3 Beslistermijn</vet></al><al>Bij het bepalen van de beslistermijn dient rekening te worden gehouden met de
                    tijd die gemoeid is met het uitbrengen van advies door een ‘onafhankelijke
                    organisatie die beschikt over adequate deskundigheid’ (artikel 23, derde lid,
                    Wet kinderopvang). In de praktijk zal de gemeente bij de GGD advies vragen. Om
                    de doorlooptijd van de adviesaanvraag te bespoedigen, zal de gemeente ‘harde’
                    afspraken met de GGD maken over de termijn waarbinnen adviezen worden
                    uitgebracht.</al><al><vet>Artikel 4 Inhoud van de beschikking</vet></al><al>Het besluit is een beschikking in de zin van titel 4.1 van de Awb. Dit betekent
                    dat tegen het besluit bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld.
                    Als de noodzaak van kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie
                    wordt vastgesteld, wordt in de beschikking aangegeven hoeveel uren kinderopvang
                    noodzakelijk wordt geacht. Het besluit over de noodzakelijke omvang van de
                    kinderopvang vomit de grondslag voor de aanvraag voor een tegemoetkoming van de
                    gemeente. Bovendien moet in het besluit de geldigheidsduur van de indicatie
                    worden vermeld. Deze verplichting staat in het vierde lid van artikel 23 Wet
                    kinderopvang. Het kan gaan om een geldigheidsduur voor een beperkte termijn,
                    maar ook om een geldigheidsduur voor onbepaalde tijd. In het indicatieadvies zal
                    hierover ook een uitspraak moeten worden gedaan.Het college neemt het besluit op
                    basis van het uitgebrachte indicatieadvies. Dit advies is niet bindend. Dit
                    betekent dat het college van dat advies kan afwijken. Als het college een
                    beschikking geeft die afwijkt van het uitgebrachte advies, zal het college de
                    redenen voor de afwijking in de beschikking moeten motiveren (artikel 4:20 Awb).
                    De motiveringverplichting geldt vooral voor het geval waarin een positief advies
                    wordt gegeven en het college een afwijzend besluit neemt.</al><al><vet>Artikel 5 Weigeringsgronden</vet></al><al>Dit artikel bevat twee weigeringsgronden. De weigeringsgrond onder a geeft aan
                    dat een gemeentelijke tegemoetkoming op grond van een sociaal-medische indicatie
                    een vangnetvoorziening is. Alleen ouders die niet op grond van een andere
                    bepaling in de Wet kinderopvang aanspraak kunnen doen op een tegemoetkoming in
                    de kosten van kinderopvang, kunnen aanspraak doen op een tegemoetkoming in de
                    kosten van kinderopvang wegens een sociaal-medische noodzaak. De weigeringsgrond
                    onder b spreekt voor zich.</al><al><vet>Artikel 6 Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</vet></al><al>De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college (artikel 26
                    Wet kinderopvang). Het moet dan gaan om het college van de gemeente waar de
                    ouder woont (artikel 22, derde lid, Wet kinderopvang). De aanvraag moet
                    schriftelijk gebeuren (artikel 4:1 Awb). Omdat een tegemoetkoming voor de duur
                    van een kalenderjaar wordt verstrekt (artikel 4.4) moet deze elk jaar opnieuw
                    worden aangevraagd.Een verhoging van de tegemoetkoming in verband met een
                    verhoging van het aantal uren of dagdelen kinderopvang, zal ook moeten worden
                    aangevraagd. Een verlaging van de tegemoetkoming in verband een vermindering van
                    de omvang van de kinderopvang hoeft niet te worden aangevraagd. De ouder moet
                    hiervan wel onmiddellijk mededeling doen aan het college (artikel 28, derde lid,
                    Wet kinderopvang en artikel 16, eerste lid).</al><al>Onderdeel d van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag een offerte of
                    contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat
                    verzorgen moet worden gevoegd. Dit betekent dat de aanvraag voor een
                    tegemoetkoming pas bij de gemeente kan worden ingediend als de ouder over een
                    offerte of contract beschikt. Op basis van de offerte of het contract kan de
                    gemeente de hoogte van de tegemoetkoming vaststellen. Het kindercentrum of
                    gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen, moet ingeschreven staan in
                    een gemeentelijk register (artikel 5, eerst lid, Wet kinderopvang).Onderdeel e
                    van het eerste lid bepaalt dat b de aanvraag gegevens of een verwijzing naar
                    gegevens wordt gevoegd waaruit blijkt dat de ouder behoort tot een gemeentelijke
                    doelgroep. In een aantal gevallen kan de ouder volstaan met een verwijzing naar
                    die gegevens omdat de gemeente over de gegevens beschikt:</al><lijst><li nr="a."><al>de ouder of partner ontvangt een uitkering in het kader van de WWB,
                            IOAW/IOAZ of Anw én maakt gebruik van een voorziening gericht op
                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>de ouder is een niet-uitkeringsgerechtigde (NUG-er), is als werkzoekende
                            geregistreerd bij het CWI én maakt gebruik van een voorziening gericht
                            op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>de ouder is een nieuwkomer die een inburgeringsprogramma volgt;</al></li><li nr="d."><al>het college heeft een sociaal-medische indicatie vastgesteld. </al></li></lijst><al>In andere gevallen zal de ouder de volgende gegevens aan de gemeente moeten
                    verstrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>De ouder of partner ontvangt een uitkering op grond van de Wet
                            inkomensvoorziening kunstenaars - Indien de uitkering wordt verkregen in
                            een andere gemeente, naam van deze gemeente.</al></li><li nr="b."><al>De ouder heeft de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt, volgt scholing
                            of een opleiding en ontvangt algemene bijstand op grond van de WWB of
                            kan zo’n uitkering ontvangen - Bewijs van inschrijving school of
                            opleidingsinstituut.</al></li><li nr="c."><al>De ouder of diens partner zijn ingeschreven school of bij een school of
                            instelling als bedoeld in paragraaf 2.2 of 2.4 van de Wet tegemoetkoming
                            onderwijsbijdragen of in de artikelen 2.8 tot en met 2.11 van de Wet
                            Studiefinanciering 2000 - Bewijs van inschrijving school of
                            opleidingsinstituut. </al></li></lijst><al>In het derde lid wordt bepaald dat indien de aanvrager een partner heeft, deze
                    partner de aanvraag mede ondertekent. Deze bepaling is volledigheidshalve in de
                    verordening opgenomen. De verplichting is reeds neergelegd in artikel 26, derde
                    lid, Wet kinderopvang.</al><al><vet>Artikel 7 Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</vet></al><al>De termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen over de aanvraag van
                    een tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen voor een tegemoetkoming. Deze
                    termijn geldt niet alleen voor nieuwe aanvragen, maar ook voor aanvragen die
                    betrekking hebben op een voortzetting van een tegemoetkoming en voor aanvragen
                    voor een hogere tegemoetkoming in verband met uitbreiding van de omvang van de
                    kinderopvang. Gekozen is voor een beslistermijn van ten hoogste vier weken die
                    eventueel met vier weken kan worden verlengd.</al><al>De beslistermijn van vier weken heeft ook gevolgen voor de datum waarbinnen
                    aanvragen voor een voortgezette tegemoetkoming moeten worden aangevraagd. Om er
                    zeker van te zijn dat de tegemoetkoming na 1 januari kan worden voortgezet,
                    zullen ouders hun aanvraag minimaal vier weken vr 1 januari bij de gemeente
                    moeten indienen.</al><al>Het feit dat het college een termijn van vier weken heeft om te beslissen over
                    een aanvraag voor een tegemoetkoming, wil uiteraard niet zeggen dat het college
                    deze termijn ook in alle gevallen moet benutten. De gemeente streeft ernaar de
                    behandelingstermijn van aanvragen zo kort mogelijk te houden en met name
                    aanvragen waar spoed mee geboden is direct af te handelen. Door middel van
                    mandatering van de beslissingsbevoegdheid wordt de besluitvorming versneld.</al><al><vet>Artikel 8 Weigeringsgrond</vet></al><al>Naast de weigeringsgrond in dit artikel kent de Awb ook een aantal gronden om de
                    subsidieverlening te weigeren. Ook deze weigeringsgronden zijn van toepassing.
                    Artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening kan worden geweigerd indien een
                    gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet zal voldoen aan de verplichtingen verbonden aan de
                            subsidie;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording
                            zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden
                            uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de
                            subsidie van belang zijn. </al></li></lijst><al>Het tweede lid van artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening voorts in ieder
                    geval kan worden geweigerd indien de aanvrager:</al><lijst><li nr="a."><al>in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                            verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste
                            beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of</al></li><li nr="b."><al>failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of
                            ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
                            toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is
                            ingediend. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 9 Ingangsdatum van de tegemoetkoming</vet></al><al>Dit artikel bepaalt de ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming. Er
                    zijn twee ingangsdata mogelijk:</al><lijst><li nr="1."><al>De datum waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente in
                            ontvangst is genomen (eerste lid). In deze situatie zal de ouder op het
                            moment dat hij zijn aanvraag indient reeds kinderopvang hebben.</al></li><li nr="2."><al>De datum waarop de kinderopvang van start gaat. Het tweede lid bepaalt
                            dat er alleen een tegemoetkoming wordt verleend als er kinderopvang
                            plaatsvindt. </al></li></lijst><al>Dit artikel bepaalt dat er geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor de kosten
                    van kinderopvang die plaatsvindt voordat een aanvraag voor een tegemoetkoming
                    bij de gemeente is ingediend. Een aanvraag wordt door de gemeente in ontvangst
                    genomen wanneer deze voldoet aan de vormvereisten van artikel 4.1 en 4.2 Awb.
                    Dit betekent dat een aanvraag:</al><lijst><li nr="a."><al>schriftelijk moet worden ingediend;</al></li><li nr="b."><al>moet zijn ondertekend;</al></li><li nr="c."><al>de naam en het adres van aanvrager dient te bevatten;</al></li><li nr="d."><al>een aanduiding moet geven van de voorziening die wordt gevraagd. </al></li></lijst><al>De ingangsdatum van de tegemoetkoming heeft betrekking op het moment waarop de
                    aanspraak op een tegemoetkoming ontstaat. De uitbetaling van de tegemoetkoming
                    vindt pas plaats vanaf het moment dat het besluit tot verlening van de
                    tegemoetkoming is genomen. De betaling vindt dan met terugwerkende kracht plaats
                    tot de datum waarop de aanvraag in ontvangst is genomen.De ingangsdatum van
                    verstrekking van de tegemoetkoming is ook van toepassing op aanvragen voor
                    uitbreiding van het aantal uren kinderopvang. De verhoogde tegemoetkoming wordt
                    verstrekt vanaf het moment dat de aanvraag daarvoor door het college in
                    ontvangst is genomen.</al><al><vet>Artikel 10 De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend </vet></al><al>De tegemoetkoming wordt in principe voor een heel kalenderjaar verleend. Voor
                    aanvragen die in de loop van een jaar worden toegekend, geldt dat de
                    tegemoetkoming wordt verstrekt tot en met 31 december van het betreffende jaar.
                    Dit betekent dat een ouder elk jaar voor 1 januari opnieuw een aanvraag voor een
                    tegemoetkoming bij de gemeente zal moeten indienen.</al><al>Het college kan de tegemoetkoming voor een andere periode vaststellen. Het
                    college zal in ieder geval de tegemoetkoming voor een bepaalde periode
                    vaststellen wanneer de aanvrager een reïntegratietraject volgt waarvan de duur
                    bij het college bekend is. Ook als bekend is wanneer het kind naar de
                    basisschool gaat of de basisschool verlaat wordt de tegemoetkoming voor bepaalde
                    tijd vastgesteld. Door de periode van verstrekking van de tegemoetkoming te
                    koppelen aan de duur van het reïntegratietraject (of een andere vorm van
                    arbeid), hoeft de ouder geen actie te ondernemen om de verstrekking van de
                    tegemoetkoming stop te zetten of hoeft de gemeente geen eventueel ten onrechte
                    uitgekeerde bedragen terug te vorderen.</al><al><vet>Artikel 11 Omvang van de kinderopvang</vet></al><al>De Wet kinderopvang regelt uitsluitend de aanspraak van ouders op een
                    tegemoetkoming van de gemeente voor de kosten van kinderopvang en niet de omvang
                    van die aanspraak. Wanneer een ouder op basis van de criteria die de wet geeft
                    tot een gemeentelijke doelgroep behoort heeft deze recht op een gemeentelijke
                    tegemoetkoming. De wet stelt geen beperkingen aan het aantal uren kinderopvang
                    waarvoor de tegemoetkoming wordt verstrekt. Dit past in het systeem van de wet
                    waarin de ouder zélf bepaalt hoeveel kinderopvang hij nodig heeft in verband met
                    de combinatie van arbeid en zorg.</al><al>Voor bepaalde gemeentelijke doelgroepen is de eigen bijdrage in de kosten van
                    kinderopvang nihil. Voor deze groepen wordt de inkomensafhankelijke eigen
                    bijdrage door de gemeente gecompenseerd (het zogeheten ‘Koa-kopje’, zie artikel
                    24, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, Wet kinderopvang). Bij
                    deze ouders zet de hoogte van de eigen bijdrage dan ook geen rem op de vraag
                    naar kinderopvang. Dat in tegenstelling tot ouders die wél een
                    (inkomensafhankelijke) eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang moeten
                    betalen en de hoogte van die bijdrage zullen laten meewegen in hun vraag naar
                    kinderopvang.Om de kosten voor de gemeente te kunnen beheersen, is deze bepaling
                    in de verordening opgenomen die de aanspraak op een tegemoetkoming enigszins
                    beperkt. Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om bij de groep ouders die
                    geen eigen bijdrage betalen, per geval te beoordelen hoeveel kinderopvang de
                    ouder redelijkerwijs nodig heeft om de arbeid die hij verricht te kunnen
                    combineren met zorgtaken. Bij het bepalen van de omvang van de kinderopvang die
                    redelijkerwijs nodig is om arbeid en zorg te combineren, zal het college
                    rekening houden met omstandigheden als een handicap of chronische ziekte van de
                    ouder(s) of een beperking die de huiselijke situatie meebrengt voor de goede en
                    gezonde ontwikkeling van het kind. Daamaast zal het college rekening houden met
                    de daadwerkelijke reistijd woon-werkverkeer en met benodigde studie-uren
                    gerelateerd aan (de zwaarte van) de opleiding. Hiervoor kan de gemeente
                    gebruikmaken van informatie van het opleidingsinstituut. In tegenstelling tot
                    kinderopvang op grond van sociaal-medische indicatie op grond van artikel 23 Wet
                    kinderopvang, hoeft voor deze beoordeling geen advies te worden
                    aangevraagd.</al><al><vet>Artikel 12 Inhoud van de beschikking</vet></al><al>Onderdeel e bepaalt dat in de beschikking wordt aangeven hoe het bedrag van de
                    tegemoetkoming wordt vastgesteld. In de beschikking moet onder andere de wijze
                    van uitbetaling van de tegemoetkoming worden vermeld (onderdeel 0. Artikel 13
                    bepaalt dat de uitbetaling plaatsvindt in de vorm van maandelijkse voorschotten.
                    Onderdeel g schrijft voor dat in de beschikking de verplichtingen van de ouder
                    worden opgenomen. Daarbij moet aan de volgende verplichtingen worden
                    gedacht:</al><lijst><li nr="a."><al>de verplichting om binnen vier weken na afloop van de totale periode
                            waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht te
                            verstrekken van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze
                            periode;</al></li><li nr="b."><al>de informatieplicht die is opgenomen in artikel 28, eerste tot en met
                            derde lid, Wet kinderopvang. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 13 De bevoorschotting van de tegemoetkoming</vet></al><al>De subsidieverstrekking vindt plaats in de vorm van maandelijkse voorschotten.
                    Dit betekent dat het totale bedrag van de tegemoetkoming waarop de aanvrager
                    recht heeft, wordt gedeeld in twaalf gelijke delen (indien de aanvraag het
                    gehele kalenderjaar betreft), tenzU er sprake is van tegemoetkoming voor
                    bepaalde tijd.</al><al>De gemeente betaalt de tegemoetkoming uit aan de ouder. De ouder kan, al dan
                    niet op verzoek van het kindercentrum of het gastouderbureau, de gemeente
                    machtigen om de betalingen rechtstreeks aan dat kindercentrum of gastouderbureau
                    te doen. Deze machtiging verandert juridisch gezien niets aan de verhouding
                    tussen de gemeente en de ouder. Ook al wordt het bedrag gestort op de rekening
                    van het kindercentrum of gastouderbureau, er blijft sprake van een betaling van
                    de tegemoetkoming van gemeente aan de ouder.</al><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om nadere voorschriften te
                    stellen over de wijze van bevoorschotting van de tegemoetkoming. Zo kan het
                    college bepalen dat er alleen een voorschot wordt betaald op basis van een
                    factuur van het kindercentrum of gastouderbureau. Het college zou zon
                    voorschrift kunnen stellen wanneer er twijfels bestaan of een ouder
                    daadwerkelijk gebruik zal maken van kinderopvang.Uitwerking van het bepaalde in
                    dit artikel zal plaatsvinden in door het college op te stellen
                    uitvoeringsvoorschriften.</al><al><vet>Artikel 14 Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</vet></al><al>Op grond van artikel 4:47, onderdeel a, Awb kan het college een subsidie (dus
                    ook een tegemoetkoming) ambtshalve vaststellen. Ambtshalve vaststellen houdt in
                    dat het college op eigen initiatief de tegemoetkomingen vaststelt. De ouders
                    hoeven geen aanvraag tot het vaststellen van de tegemoetkoming bij het college
                    in te dienen.</al><al>De ouders zijn wel verplicht om binnen vier weken na afloop van de periode
                    waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht van de
                    feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode te verstrekken. Als een
                    tegemoetkoming voor een kalenderjaar is verleend, dient het overzicht van de
                    kosten uiterlijk vier weken na 31 december bij het college te worden ingediend.
                    Het overzicht van de kosten kan zowel een apart jaaroverzicht zijn dat door het
                    kindercentrum of gastouderbureau wordt opgesteld of een verzameling van
                    maandoverzichten. Het college heeft vervolgens acht weken de tijd om de
                    tegemoetkoming vast te stellen. In deze periode kan de gemeente een onderzoek
                    doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door gegevens van de ouders te
                    controleren en eventueel inlichtingen bij de houders van een kindcentrum of
                    gastouderbureau op te vragen.</al><al>In het besluit tot het vaststellen van de tegemoetkoming wordt bepaald wat
                    precies het bedrag is waar de ouder die de tegemoetkoming heeft aangevraagd
                    recht op heeft. De berekeningswijze die is opgenomen in de beschikking tot
                    verlening van de tegemoetkoming geldt als het uitgangspunt voor het vaststellen
                    van de tegemoetkoming. Dit betekent dat de tegemoetkoming wordt vastgesteld op
                    basis van het aantal uren kinderopvang dat in de beschikking tot verlening van
                    de tegemoetkoming is vastgelegd. Dat is het maximum aantal uren. In de
                    beschikking tot vaststelling van de tegemoetkoming kan wel worden uitgegaan van
                    een lager aantal uren, maar niet van een hoger aantal.</al><al>Als de aanvrager de gegevens niet verstrekt, kan het college de tegemoetkoming
                    op een lager bedrag vaststellen. Lager vaststellen kan ook betekenen op nul
                    vaststellen. Het college heeft deze bevoegdheid op grond van artikel 4:46,
                    tweede en derde lid, Awb. Op grond van het tweede lid kan de subsidie lager
                    worden vastgesteld indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben
                            plaatsgevonden;</al></li><li nr="b."><al>de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de verplichtingen verbonden
                            aan de subsidie;</al></li><li nr="c."><al>de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en
                            de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                            beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid,
                            of</al></li><li nr="d."><al>de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit
                            wist of behoorde te weten. </al></li></lijst><al>Het derde lid van artikel 4:46 Awb luidt: “Voor zover het bedrag van de subsidie
                    afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is
                    verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden
                    beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen”.</al><al><vet>Artikel 15 Verrekening met de voorschotten</vet></al><al>Dit artikel regelt de uitbetaling door de gemeente van het nog te betalen deel
                    van de tegemoetkoming. Als de gemeente een ouder een hoger bedrag heeft
                    uitgekeerd dan waarop deze recht heeft, kan de gemeente het te veel betaalde
                    bedrag terugvorderen. Terugvordering is geregeld in artikel 38 Wet kinderopvang
                    (zie ook de toelichting bij artikel 16).</al><al><vet>Artikel 16 Inlichtingenplicht</vet></al><al>Deze verplichtingen staan in ongeveer dezelfde bewoordingen ook in artikel 28,
                    eerste tot en met derde lid Wet kinderopvang. Volledigheidshalve wordt deze
                    verplichting hier herhaald. Het vierde lid van artikel 28 bevat de
                    inlichtingenplicht voor houders van een kindercentrum of gastouderbureau. Deze
                    bepaling luidt: “De houder verstrekt desgevraagd aan het college van
                    burgemeester en wethouders alle gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak
                    van een ouder op de tegemoetkoming van belang zijn”.</al><al>Er kunnen twee vormen van schending van de inlichtingenplicht worden
                    onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>het betreffende kind maakt geen gebruik van kinderopvang;</al></li><li nr="2."><al>er wordt wel gebruik maakt van kinderopvang, maar de ouder heeft geen
                            recht op een tegemoetkoming (hij behoort niet tot gemeentelijke
                            doelgroep). </al></li></lijst><al>Als een ouder de inlichtingenplicht schendt en als gevolg hiervan ten onrechte
                    een tegemoetkoming heeft ontvangen of een te hoog bedrag, kan het college de
                    beschikking tot het verlenen of tot het vaststellen van de tegemoetkoming
                    intrekken of wijzigen en het te veel betaalde bedrag terugvorderen. Ook is
                    mogelijk om in aanvulling hierop een bestuurlijke boete aan de betreffende ouder
                    op te leggen. Hieronder wordt op de twee maatregelen nader ingegaan.</al><al><vet>Intrekken van de beschikking en terugvorderen van de tegemoetkoming
                    </vet>In de Awb is geregeld op welke gronden een subsidie (een tegemoetkoming in
                    de terminologie van de Wet kinderopvang) kan worden ingetrokken en
                    teruggevorderd. Daarbij moeten twee situaties worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>a. de situatie waarin de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld en</al></li><li nr="b."><al>b. de situatie waarin de tegemoetkoming wel is vastgesteld. </al></li></lijst><al><cursief>Ad a. de tegemoetkoming is nog niet vastgesteld: intrekken of wijzigen
                        van de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming (adikel 4:48
                        Awb)</cursief>Zolang de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld kan het
                    college de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming intrekken of ten
                    nadele van de ontvanger van de tegemoetkoming wijzigen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor de tegemoetkoming is verleend niet of niet
                            geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden
                            verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige gegevens
                            heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
                            een andere beschikking op de aanvraag tot verlening van de
                            tegemoetkoming zou hebben geleid;</al></li><li nr="d."><al>de verlening van de tegemoetkoming anderszins onjuist was en de
                            ontvanger dit wist of behoorde te weten. </al></li></lijst><al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de
                    subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is
                    bepaald.</al><al><cursief>Opschorten van de bevoorschotting (artikel 4:56 Awb)</cursief>Het
                    college hoeft niet te wachten met het treffen van een maatregel totdat het
                    besluit tot verlening van de tegemoetkoming is ingetrokken of gewijzigd. Het
                    college kan al eerder besluiten de betaling van de tegemoetkoming op te
                    schorten. Op grond van artikel 4:56 Awb kan het college de verplichting tot
                    betaling van een voorschot opschorten met ingang van de dag waarop het college
                    aan de ouder schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond
                    bestaat om de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming in te trekken
                    &amp; te wijzigen. Deze opschorting duurt tot en met de dag waarop de
                    beschikking omtrent de intrekking of wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop
                    sedert de kennisgeving van het ernstige vermoeden dertien weken zijn
                    verstreken.</al><al><cursief>Ad b. de tegemoetkoming is wel vastgesteld: intrekken of wijzigen van
                        de beschikking tot subsidievaststelling (artikel 4:49 Abw)</cursief>Ook als
                    de tegemoetkoming is vastgesteld, is het college in bepaalde gevallen bevoegd de
                    beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming in te trekken of ten
                    nadele van de ontvanger van de tegemoetkoming te wijzigen. Het gaat om de
                    volgende gevallen:</al><lijst><li nr="a."><al>er is sprake van feiten of omstandigheden waarvan het college bij de
                            vaststelling van de tegemoetkoming redelijkerwijs niet op de hoogte kon
                            zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming lager dan overeenkomstig de
                            verlening van de tegemoetkoming zou zijn vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al>de vaststelling van de tegemoetkoming was onjuist en de ontvanger van de
                            tegemoetkoming wist dit of behoorde dit te weten;</al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming heeft na de vaststelling van de
                            tegemoetkoming niet voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden
                            verplichtingen. </al></li></lijst><al>De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de
                    ontvanger worden gewijzigd, indien vijf jaren zijn verstreken sinds de dag
                    waarop zij is bekendgemaakt.</al><al><cursief>Terugvordering (artikel 38 Wet kinderopvang)</cursief>Indien de
                    beschikking tot het verlenen of het vaststellen van de tegemoetkoming is
                    ingetrokken of ten nadele van de ouder is gewijzigd, kan de gemeente het reeds
                    betaalde bedrag van de ouder terugvorderen.In artikel 38 Wet kinderopvang worden
                    de bepalingen in de Wet werk en bijstand (VVWB) over de terugvordering van
                    bijstand van overeenkomstige toepassing verklaard op het terugvorderen van een
                    tegemoetkoming. Dit betekent bijvoorbeeld dat het bedrag dat wordt
                    teruggevorderd kan worden verrekend met de tegemoetkoming die aan de ouder wordt
                    verstrekt. In het besluit tot terugvordering moet de wijze waarop zal worden
                    teruggevorderd worden vermeld (artikel 60, eerste lid WWB).</al><al><vet>De bestuurlijke boete</vet>Naast het intrekken en terugvorderen van de
                    tegemoetkoming kan het college in bepaalde gevallen ook een bestuurlijke boete
                    opleggen. De bestuurlijke boete is geregeld in hoofdstuk 5 van de Wet
                    kinderopvang. Een bestuurlijke boete is een bestuurlijke sanctie, inhoudende een
                    onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom, die gericht is op
                    bestraffing van de overtreder (artikel 1 • eerste lid, onderdeel t, Wet
                    kinderopvang). Het betreffende bedrag komt toe aan de gemeente (artikel 72,
                    vierde lid Wet kinderopvang).</al><al>Het college kan een bestuurlijke boete opleggen indien een ouder zijn
                    inlichtingenplicht niet nakomt. Het gaat daarbij om het schenden van de volgende
                    verplichtingen:</al><lijst><li nr="a."><al>het desgevraagd verstrekken aan het college van alle gegevens en
                            inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de
                            hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn (artikel
                            28, eerste lid, Wet kinderopvang);</al></li><li nr="b."><al>het verstrekken van die inlichtingen en gegevens binnen een door het
                            college te stellen redelijke termijn (artikel 28, tweede lid, Wet
                            kinderopvang);</al></li><li nr="c."><al>het onmiddellijk na het bekend worden daarvan verstrekken aan het
                            college van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de
                            vaststelling van een lagere tegemoetkoming (artikel 28, derde lid, Wet
                            kinderopvang). </al></li></lijst><al>De hoogte van de bestuurlijke boete bedraagt maximaal €2269 (artikel 72, eerste
                    lid, onderdeel c, Wet kinderopvang) Bij het vaststellen van de hoogte van de
                    bestuurlijke boete zal het college maatwerk moeten leveren. Artikel 72, tweede
                    lid, Wet kinderopvang bepaalt dat de hoogte van de boete wordt afgestemd op
                        <cursief>de ernst van de overtreding, de mate waarin de overtreding de ouder
                        verweten kan worden en de omstandigheden waarin die persoon
                            <cursief>verkeert</cursief></cursief>. Van het opleggen van een
                    bestuurlijke boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt.</al><al>In de Wet kinderopvang is geregeld in welke gevallen het college géén
                    bestuurlijke boete mag opleggen. Dit is het geval in de volgende situaties:</al><lijst><li nr="a."><al>de overtreder is overleden;</al></li><li nr="b."><al>de overtreder is wegens dezelfde gedraging reeds eerder een bestuurlijke
                            boete is hem een kennisgeving gedaan dat een bestuurlijke boete zal
                            worden opgelegd. In deze gevallen kan het college aangifte doen bij het
                            Openbaar Ministerie;</al></li><li nr="c."><al>er is vijf jaren verstreken nadat de overtreding heeft plaatsgevonden.
                        </al></li></lijst><al>De procedure van het opleggen van een bestuurlijke boete is geregeld in de
                    artikelen 77 en met 84 van de Wet kinderopvang.</al><al><vet>Artikel 17 Nadere regels</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al><vet>Artikel 18 en 19</vet></al><al>Deze bepalingen spreken voor zich. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>