<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>96108_5</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening gemeente Almere 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Almere</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-23</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad Almere, nr. 4, 14-01-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening gemeente Almere 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-10-03</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging en vervallen artikelen i.v.m. actualisering, toevoeging artikel 2:43a</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RV-87/2014</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 1:1 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 1:2 Beslistermijn</al><al>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</al><al>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</al><al>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</al><al>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</al><al>Artikel 1:7 Termijnen</al><al>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</al><al>Artikel 1:9 Lex Silencio Positivo</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</al><al>Artikel 2:2 Verstoring van de openbare orde</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Betoging</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:4 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte
                                stukken of </al><al> afbeeldingen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:5 Muziek en vermakelijkheden (waaronder
                                straatmuzikant)</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:6 Het plaatsen van voorwerpen of stoffen op of aan een
                                openbare plaats</al><al>Artikel 2:7 Hinderlijke beplanting</al><al>Artikel 2:8 Gladheidbestrijding en andere overlast op de weg</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Evenementen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:9 Begripsbepaling evenement</al><al>Artikel 2:10 Evenementenvergunning en –melding</al><al>Artikel 2:11 Ordeverstoring</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Betaald Voetbal</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:12 Meldingsplicht</al><al>Artikel 2:13 Verboden voetbalwedstrijd</al><al>Artikel 2:14 Verwijdering supporters</al><al>Artikel 2:15 Omgevingsverbod</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:16 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 2:17 Terrasvergunning</al><al>Artikel 2:18 Sluitingstijden openbare inrichtingen</al><al>Artikel 2:19 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</al><al>Artikel 2:20 Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting</al><al>Artikel 2:21 Ordeverstoring</al><al>Artikel 2:22 Het college als bevoegd bestuursorgaan</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8a</nr><titel>Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:22a Begripsbepalingen</al><al>Artikel 2:22b Regulering paracommerciele rechtspersonen</al><al>Artikel 2:22c Verbod verstrekking sterke drank</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8b</nr><titel>Bepalingen over het verstrekken van alcoholvrije dranken</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:22d Begripsbepalingen</al><al>Artikel 2:22e Vergunning alcoholvrij bedrijf</al><al>Artikel 2:22f Nadere regels</al><al>Artikel 2:22g Vereisten vergunning alcoholvrij bedrijf</al><al>Artikel 2:22h Weigeren en intrekken van de vergunning</al><al>Artikel 2:22i Wijziging leidinggevende</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Grow-, Head-, Smartshops</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:23 t/m Artikel 2:37 is vervallen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10</nr><titel>Nachtverblijf, kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:38 Begripsbepaling</al><al>Artikel 2:39 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</al><al>Artikel 2:40 Aanwijzing kampeerplaatsen</al><al>Artikel 2:41 Verschaffing gegevens nachtregister</al><al>Artikel 2:42 Slapen op of aan de weg</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>11</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:43 Betreden gesloten woning of lokaal</al><al>Artikel 2:43a Sluiting van voor het publiek openstaande
                                gebouwen</al><al>Artikel 2:44 Plakken en kladden</al><al>Artikel 2:45 Vervoer plakgereedschap e.d</al><al>Artikel 2:46 Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor
                                winkeldiefstal</al><al>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</al><al>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik</al><al>Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen</al><al>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                ruimten</al><al>Artikel 2:51 Mosquito</al><al>Artikel 2:52 Neerzetten van fietsen e.d.</al><al>Artikel 2:53 Bespieden van personen</al><al>Artikel 2:54 Loslopende honden</al><al>Artikel 2:55 Verontreiniging door honden</al><al>Artikel 2:56 Gevaarlijke honden</al><al>Artikel 2:57 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>12</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:58 Begripsbepaling</al><al>Artikel 2:59 Verplichtingen met betrekking tot het
                                verkoopregister</al><al>Artikel 2:60 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het
                                Wetboek van strafrecht</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>13</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:61 Drugshandel op straat</al><al>Artikel 2:62 Hinderlijk gebruik softdrugs</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>14</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:63 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 2:64 Bezigen van vuurwerk</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>15</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare
                                plaatsen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:65 Veiligheidsrisicogebieden</al><al>Artikel 2:66 Cameratoezicht op openbare plaatsen</al><al>Artikel 2:67 Verblijfsontzegging</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>16</nr><titel>Messen en schietwapens</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:68 Schietwapens</al><al>Artikel 2:69 Messen en andere voorwerpen als steekwapen</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 3:1 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</al><al>Artikel 3:3 Nadere regels</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 3:4 Seksinrichtingen</al><al>Artikel 3:5 Eisen exploitant en leidinggevende</al><al>Artikel 3:6 Sluitingstijden</al><al>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                sluiting</al><al>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                leidinggevende</al><al>Artikel 3:9 Straatprostitutie</al><al>Artikel 3:10 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Beslissingstermijn; weigeringsgronden, etc.</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 3:11 Beslissingstermijn</al><al>Artikel 3:12 Weigeringsgronden</al><al>Artikel 3:13 Intrekkingsgronden</al><al>Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie</al><al>Artikel 3:15 Wijziging beheer</al><al>Artikel 3:16 Zoeken van contact, verrichten van handelingen van
                                seksuele aard</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Geluidhinder en verlichting</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 4:1 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</al><al>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</al><al>Artikel 4:4 Onversterkte muziek</al><al>Artikel 4:5 Overige geluidhinder</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 4:6 Straatvegen</al><al>Artikel 4:7 Natuurlijke behoefte doen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 4:8 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 5:1 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</al><al>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</al><al>Artikel 5:4 Voertuigwrakken</al><al>Artikel 5:5 Parkeren van aanhangwagens, caravans en dergelijke</al><al>Artikel 5:6 Parkeren van grote voertuigen</al><al>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</al><al>Artikel 5:8 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Collecteren</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 5:9 Inzameling van geld of goederen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Venten</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 5:10 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 5:11 Ventverbod</al><al>Artikel 5:12 Vrijheid van meningsuiting</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 5:13 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 5:14 Standplaats</al><al>Artikel 5:15 Afbakeningsbepaling</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Snuffelmarkten</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 5:16 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 5:17 Organiseren van een snuffelmarkt</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 5:18 Voorwerpen op, in of boven openbaar water</al><al>Artikel 5:19 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</al><al>Artikel 5:20 Aanwijzingen ligplaats</al><al>Artikel 5:21 Verbod innemen ligplaats</al><al>Artikel 5:22 Reddingsmiddelen</al><al>Artikel 5:23 Veiligheid op het water</al><al>Artikel 5:24 Kite-surfen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Terreinrijden</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 5:25 Crossterreinen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 5:26 Verbod vuur te stoken</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 6:1 Strafbepaling</al><al>Artikel 6:2 Toezichthouders</al><al>Artikel 6:3 Binnentreden woningen</al><al>Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</al><al>Artikel 6:5 Overgangsbepaling</al><al>Artikel 6:6 Citeertitel</al><al></al><al></al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1 </nr><titel>Wijzigingen van de Algemene plaatselijke verordening 2011</titel></kop><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente Almere;</al></li><li nr="b."><al>Openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare
                                        manifestaties daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="c."><al>weg: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of
                                        paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers
                                        en de tot die wegen behorende paden en bermen of
                                        zijkanten;</al></li><li nr="d."><al>openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of
                                        op een andere wijze toegankelijk zijn;</al></li><li nr="e."><al>bebouwde kom: het gebied waarvan de grenzen zijn vastgesteld
                                        ingevolge artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994.</al></li><li nr="f."><al>rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft
                                        krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.</al></li><li nr="g."><al>bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de
                                        Bouwverordening 2012.</al></li><li nr="h."><al>gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
                                        c, van de Woningwet;</al></li><li nr="i."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1,
                                        eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="j."><al>handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                        diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel
                                        belang te dienen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                    vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van
                                    ontvangst van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste zes weken
                                    verlengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De termijn genoemd in het eerste en het tweede lid geldt niet
                                    indien bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
                                </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>[vervallen]</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                    ingediend minder dan acht weken voor het tijdstip waarop de
                                    aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                    bevoegde bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te
                                    behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen
                                    vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde
                                    termijn worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor het indienen van een aanvraag voor een vergunning,
                                    ontheffing of melding kan door het bevoegde bestuursorgaan een
                                    aanvraagformulier worden vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en
                                    beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen
                                    strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen
                                    in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                    verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na
                                    te komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of
                                krachtens deze verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of
                                gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige
                                        gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                        inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of
                                        vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege
                                        het belang of de belangen ter bescherming waarvan de
                                        vergunning of ontheffing is vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                        voorschriften en beperkingen niet zijn of worden
                                        nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                        gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het
                                        ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke
                                        termijn;</al></li><li nr="e."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij
                                de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de
                                vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde
                                bestuursorgaan dan wel het bevoegd gezag worden geweigerd in het
                                belang van: </al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:9 Lex Silencio Positivo</nr></kop><al>Vervallen</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een
                                    samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag
                                    aanleiding te geven tot ongeregeldheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die op een openbare plaats:</al><lijst><li nr="1."><al>aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden
                                            ontstaan of dreigen te ontstaan;</al></li><li nr="2."><al>aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot
                                            toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of
                                            dreigen te ontstaan;</al></li><li nr="3."><al>zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;
                                        </al></li></lijst><al>is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te
                                    vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                    verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare
                                    plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het
                                    belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                    wanordelijkheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op
                                    betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                    levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare
                                    manifestaties.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Verstoring van de openbare orde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan de weg op enigerlei wijze de orde te
                                    verstoren, personen lastig te vallen of te vechten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424 of
                                    426 bis van het Wetboek van Strafrecht. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden op of aan de weg een voorwerp of stof, kennelijk
                                    meegebracht om de orde te verstoren, bij zich te hebben.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Betoging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                    betoging te houden als bedoeld in de Wet openbare manifestaties,
                                    geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur
                                    voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis geven
                                    aan de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kennisgeving bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                            tijdstip van aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de
                                            plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voorzover van toepassing, de wijze van
                                            samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen
                                            om een regelmatig verloop te bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs
                                    waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op
                                    een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een
                                    algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan
                                    uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip
                                    voorafgaande werkdag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het
                                    eerste lid, genoemde termijn verkorten en een mondelinge
                                    kennisgeving in behandeling nemen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>3.</nr><titel>VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                                    of afbeeldingen of proefmonsters</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken, afbeeldingen of
                                    proefmonsters onder het publiek te verspreiden en/of te laten
                                    verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college
                                    aangewezen openbare plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                                    dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of aan
                                    huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en
                                    afbeeldingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr><titel>Muziek en vermakelijkheden (waaronder straatmuzikant)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden, zonder vergunning van de burgemeester op
                                    openbare plaatsen muziek te maken of een vertoning of een
                                    vermakelijkheid te geven of te houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet openbare
                                    manifestaties, het Wetboek van Strafrecht of indien artikel 2:10
                                    van deze verordening van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:6</nr><titel>Het plaatsen van voorwerpen of stoffen op of aan een openbare
                                    plaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare plaats<vet></vet>anders te
                                    gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie
                                    daarvan.<vet></vet></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een vergunning verlenen van het verbod in het
                                    eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het
                                    in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een
                                    activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder
                                    j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning als
                                    bedoeld in het tweede lid of het derde lid worden geweigerd
                                    indien:</al><al></al><lijst><li nr="a."><al>het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar
                                            oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
                                            doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een
                                            belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en
                                            onderhoud van de weg;</al></li></lijst><al> weg;</al><lijst><li nr="b."><al>het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen
                                            van welstand. </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van
                                            overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen
                                            onroerende zaak.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>e vneenementen als bedoeld in artikel 2:9;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al> standplaatsen als bedoeld in artikel 5:14;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al> terrassen als bedoeld in artikel 2:17;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al> overige gevallen waarin krachtens een wettelijke
                                            regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is
                                            verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden
                                    geopenbaard.</al><lijst><li nr="a."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                            situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer
                                            rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de
                                            Wegenverkeerswet, of de Verordening voor de fysieke
                                            leefomgeving Flevoland;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al> De weigeringsgrond van het vierde lid, onder a, is niet
                                            van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door
                                            artikel 5 van de Wegenverkeerswet. </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al> De weigeringsgrond van het vierde lid, onder b, is niet
                                            van toepassing op bouwwerken. </al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>De weigeringsgrond van het vierde lid, onder c, is niet
                                            van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door
                                            de Wet milieubeheer </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college kan categorieën voorwerpen en/of openbare plaatsen
                                    aanwijzen waarvoor het verbod van het eerste lid van dit artikel
                                    niet van toepassing is. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Op de vergunning is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7</nr><titel>Hinderlijke beplanting</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht
                                wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar
                                oplevert.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:8</nr><titel>Gladheidbestrijding en andere overlast op de weg</titel></kop><al>Het is verboden een toegang tot een woning, een vaartuig, een gebouw
                                of een gedeelte daarvan, alsmede het voetpad of trottoir dat direct
                                grenst aan een woning, een vaartuig, een gebouw of een gedeelte
                                daarvan, voorwerpen of stoffen te plaatsen te werpen of te hebben,
                                handelingen te verrichten of na te laten, waardoor overlast of
                                gevaar wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt die de
                                toegankelijkheid kan belemmeren.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6.</nr><titel>Evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:9</nr><titel>Begripsbepaling evenement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor
                                    publiek toegankelijke</al><al> verrichting van vermaak, met uitzondering van: </al><lijst><li nr="a."><al>bioscoopvoorstellingen;</al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h,
                                            van de Gemeentewet;</al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="d."><al>het in een inrichting in de zin van de Drank- en
                                            Horecawet gelegenheid geven tot dansen;</al></li><li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in
                                            de Wet openbare manifestaties;</al></li><li nr="f."><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2:5 en 5:16 van deze
                                            verordening;</al></li><li nr="g."><al>reguliere voorstellingen in theateraccommodaties;</al></li><li nr="h."><al>reguliere sportactiviteiten in en op
                                            sportaccommodaties;</al></li><li nr="i."><al>betaald voetbalwedstrijden als bedoeld in artikel
                                            2:12.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een evenement wordt in ieder geval verstaan voor het
                                    publiek toegankelijke verrichtingen van vermaak op het gebied
                                    van kunst, ontwikkeling, ontspanning, sport of vermaak alsmede
                                    herdenkingsplechtigheden, tentoonstellingen, optochten,
                                    kermissen, circussen, filmopnamen, feesten, braderieën,
                                    etc..</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10</nr><titel>Evenementenvergunning en -melding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    evenement teorganiseren. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen vergunning is vereist voor eendaagse evenementen,
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100
                                            personen;</al></li><li nr="b."><al>het evenement tussen 07.00 uur en 22.00 uur plaats
                                            vindt;</al></li><li nr="c."><al>het evenement niet plaatsvindt op een rijbaan van een
                                            doorgaande weg of anderszins een belemmering vormt voor
                                            het verkeer of de hulpverleningsdiensten;</al></li><li nr="d."><al>de organisator tenminste 2 weken voorafgaande aan het
                                            evenement daarvan melding heeft gedaan aan de
                                            burgemeester op een daartoe vastgesteld
                                            meldingsformulier ;</al></li><li nr="e."><al>slechts kleine objecten worden geplaatst met een
                                            oppervlakte van minder dan 25m2 per object, voor zover
                                            het plaatsen van deze objecten zich niet verzetten tegen
                                            de in artikel 1:8 genoemde belangen; en</al></li><li nr="f."><al>geen sprake is van een commercieel evenement.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan besluiten het organiseren van een evenement
                                    als bedoeld in hettweede lid te verbieden, indien daardoor de
                                    openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het
                                    milieu in gevaar komt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op door de
                                    burgemeester aangewezen categorieën evenementen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan ten aanzien van de in het eerste, tweede en
                                    vierde lid bedoelde evenementen nadere regels stellen ter
                                    bescherming van de in artikel 1:8 genoemde belangen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing opeen
                                    wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin wordt voorzien
                                    door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Op de vergunning is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:11 Ordeverstoring</label></kop><lid><lidnr></lidnr><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7.</nr><titel>betaald voetbal</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:12</nr><titel>Meldingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De organisator van een voetbalwedstrijd in het kader van het
                                    betaald voetbal is verplicht, tenminste vier weken voor de
                                    vastgestelde speeldatum van de wedstrijd, daarvan schriftelijk
                                    kennis te geven aan de burgemeester. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een kennisgeving, gelet op het tijdstip waarop de
                                    speeldatum wordt vastgesteld, niet vier weken tevoren kan worden
                                    gedaan, dient de organisator van de na de vaststelling van de
                                    speeldatum hiervan onmiddellijk de burgemeester schriftelijk in
                                    kennis te stellen, maar in ieder geval één week voor de
                                    speeldatum.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester stelt een formulier vast voor het doen van de in
                                    het eerste lid bedoelde kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kennisgeving bedoeld in het eerste lid kan meerdere
                                    wedstrijden betreffen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan met betrekking tot een voetbalwedstrijd aan
                                    de organisator voorschriften opleggen in het belang van de
                                    openbare orde en veiligheid.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De burgemeester kan het doen spelen van een voetbalwedstrijd
                                    verbieden:</al><lijst><li nr="a."><al>Uit vrees voor het ontstaan van ernstige verstoring van
                                            de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>Indien de krachtens het vijfde lid opgelegde
                                            voorschriften niet worden nageleefd;</al></li><li nr="c."><al>Indien geen of niet tijdig schriftelijke kennisgeving is
                                            gedaan als bedoeld in het eerste lid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:13</nr><titel>Verboden voetbalwedstrijd</titel></kop><al>Het is de organisator van een voetbalwedstrijd ingevolge artikel
                                2:12, eerste lid, verboden, deze te doen plaatsvinden, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de kennisgeving aan de burgemeester minder dan vier weken
                                        tevoren is gedaan, danwel minder dan één week als bedoeld in
                                        het tweede lid van artikel 2:12;</al></li><li nr="b."><al>in strijd wordt gehandeld met de ingevolge artikel 2:12,
                                        vijfde lid, gegeven voorschriften;</al></li><li nr="c."><al> wordt afgeweken van de bij de kennisgeving verstrekte
                                        gegevens wat betreft het tijdstip, de plaats en de
                                        voorgestelde maatregelen ter voorkoming van
                                        wanordelijkheden;</al></li><li nr="d."><al>de burgemeester de wedstrijd heeft verboden. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:14</nr><titel>Verwijdering supporters</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Personen, die zich door kleding, uitrusting of gedragingen
                                    manifesteren als voetbalsupporter en in<vet></vet>het bezit zijn van
                                    een geldig toegangsbewijs voor de te bezoeken wedstrijd zijn
                                    verplicht om, indien sprake is van verstoring van de openbare
                                    orde of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, hun weg naar
                                    het stadion te vervolgen zodra ze de gemeente bereiken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Al degenen die behoren tot de supportersaanhang van een
                                    bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding,
                                    uitrusting, gedraging of anderszins kenbaar maken zijn verplicht
                                    om, indien sprake is van verstoring van de openbare orde of
                                    ernstige vrees bestaat voor het ontstaan daarvan, direct na
                                    afloop van de wedstrijd te vertrekken uit de gemeente of zich te
                                    begeven in een door de politie aan te geven route en
                                    richting.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Personen, die zich door kleding, uitrusting of gedragingen
                                    manifesteren als voetbalsupporter en niet in het bezit zijn van
                                    een geldig toegangsbewijs voor de wedstrijd en op een of andere
                                    wijze de openbare orde verstoren of ernstig dreigen te verstoren
                                    dan wel racistisch gedrag vertonen of racistische uitlatingen
                                    doen, zijn verplicht zich op eerste aanzegging van de politie
                                    buiten de gemeentegrenzen te begeven of in een door de politie
                                    aan te geven route en richting.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:15</nr><titel>Omgevingsverbod</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan een persoon schriftelijk het verbod
                                        opleggen zich op te houden in de omgeving van het stadion
                                        vanaf 2 uur voor het vastgestelde begin tot 2 uur na afloop
                                        van de voetbalwedstrijden van de organisator.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan overgaan tot het opleggen van het in het
                                        vorige lid bedoelde verbod nadat vast is komen te staan dat
                                        de persoon de openbare orde in de omgeving van het stadion
                                        in ernstige mate heeft verstoord op een dag dat een
                                        wedstrijd van de organisator werd gespeeld. </al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8.</nr><titel>Toezicht op OPENBARE INRICHTINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:16</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke,
                                        besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof
                                        zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken
                                        worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe
                                        consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een openbare
                                        inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel,
                                        restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek,
                                        buurthuis of clubhuis. Onder een openbare inrichting wordt
                                        tevens verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en
                                        andere aanhorigheden.</al></li><li nr="b."><al>terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare
                                        inrichting liggend deel hiervan waar sta- of zitgelegenheid
                                        kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen
                                        worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen
                                        worden bereid of verstrekt.</al></li><li nr="c."><al>houder: degene die een openbare inrichting exploiteert of
                                        daarin feitelijk leiding heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:17</nr><titel>Terrasvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een terras
                                    bij een openbare inrichting in te richten en in gebruik te nemen
                                    en te houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, kan de vergunning
                                    worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg
                                            dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg
                                            of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;</al></li><li nr="b."><al>indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het
                                            doelmatig beheer en onderhoud van de weg. </al></li><li nr="c."><al>indien het gebruik afbreuk doet aan andere publieke
                                            functies van de openbare ruimte, inclusief de
                                            bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van artikel 1:5 is de terrasvergunning
                                    objectgebonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan openbare plaatsen aanwijzen waarvoor het
                                    verbod van het eerste lid van dit artikel niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de vergunning is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:18</nr><titel>Sluitingstijden openbare inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Openbare inrichtingen zijn gesloten van maandag tot en met
                                    zondag tussen 00.00 en 06.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend
                                    te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na
                                    sluitingstijd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van de
                                    sluitingstijd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van de in het eerste lid gestelde sluitingstijden,
                                    kan de burgemeester in het belang van de openbare orde of het
                                    woon- en leefklimaat andere sluitingstijden vaststellen voor één
                                    of meer openbare inrichtingen, categorieën van openbare
                                    inrichtingen of voor de tot de openbare inrichtingen behorende
                                    terrassen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan bij openbaar bekend te maken besluit bepalen
                                    dat het verbod in het eerste lid niet geldt voor één of meer in
                                    dat besluit aangewezen gedeelten van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19</nr><titel>Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van
                                    bijzondere omstandigheden voor één of meer openbare inrichtingen
                                    en/of een daartoe behorend terras tijdelijk andere dan krachtens
                                    2:18, eerste lid geldende sluitingstijden vaststellen of
                                    tijdelijk sluiting bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin
                                    artikel 13b van de Opiumwet voorziet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:20</nr><titel>Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting</titel></kop><al>Het is bezoekers van een openbare inrichting verboden gedurende de
                                tijd dat dit bedrijf bij of krachtens het bepaalde in artikel 2:18
                                of ingevolge een op grond van artikel 2:19 genomen besluit gesloten
                                dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:21</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden in een openbare inrichting de orde te
                                verstoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een openbare inrichting geen inrichting is in de zin van
                                artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester maar het
                                college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing van artikel
                                2:16 tot en met 2:20. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>8a.</nr><titel>BIJZONDERE BEPALINGEN OVER HORECABEDRIJVEN ALS BEDOELD IN DE DRANK- EN HORECAWET</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel </label><nr>2:22a </nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al> alcoholhoudende drank,</al></li><li nr="-"><al>horecabedrijf,</al></li><li nr="-"><al>horecalokaliteit</al></li><li nr="-"><al>inrichting,</al></li><li nr="-"><al>paracommerciele rechtspersoon,</al></li><li nr="-"><al>sterke drank,</al></li><li nr="-"><al>slijtersbedrijf en</al></li><li nr="-"><al>zwak-alcoholhoudende drank,</al></li></lijst><al> dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22b</nr><titel>Regulering paracommerciele rechtspersonen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een paracommerciele rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende
                                    drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en
                                    bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet
                                    rechtstreeks bij de activiteiten van desbetreffende
                                    paracommerciele rechtspersonen betrokken zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een paracommerciele rechtspersoon kan, onverminderd het bepaalde
                                    in artikel 2:18 van deze verordening, alcoholhoudende drank
                                    uitsluitend verstrekken op maandag tot en met zondag van 13:00
                                    uur tot maximaal 1 uur na beeindiging van de activiteiten die
                                    passen binnen de statutaire doelomschrijving van de
                                    desbetreffende paracommerciele rechtspersoon.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid, kan een
                                    paracommerciele rechtspersoon tijdens bijeenkomsten van
                                    persoonlijke aard of bijeenkomsten die gericht zijn op personen
                                    die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de
                                    desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn, alcoholhoudende
                                    drank verstrekken tijdens ten hoogste 6 bijeenkomsten per
                                    jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een paracommerciele rechtspersoon doet uiterlijk twee weken voor
                                    een bijeenkomst als bedoeld in het derde lid melding hiervan aan
                                    de burgemeester.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22c</nr><titel>Verbod verstrekking sterke drank</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank
                                    voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een inrichting of in
                                    een onderdeel van een inrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin uitsluitend of in hoodzaak geringe eetwaren,
                                            zoals belegde broodjes, patat frites of andere snacks en
                                            ijs worden verkocht;</al></li><li nr="b."><al>waarin uitsluitend of in hoofdzaak onderwijs wordt
                                            gegeven;</al></li><li nr="c."><al>die uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij
                                            jeugdorganisaties of -instellingen;</al></li><li nr="d."><al>die uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij
                                            sportorganisaties of -instellingen;</al></li><li nr="e."><al>die in gebruik is als wachtruimte voor passagiers van
                                            een openbaar vervoersbedrijf</al></li><li nr="f."><al>die uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij
                                            kerkelijke instellingen of -organisaties tijdens
                                            bijeenkomsten die gericht zijn op jongeren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                    lid gestelde verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>8b.</nr><titel>BEPALINGEN OVER HET VERSTREKKEN VAN ALCOHOLVRIJE DRANKEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel  </label><nr>2:22d</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>Alcoholvrij bedrijf: de openbare inrichting waarin
                                        alcoholvrije drank voor gebruik ter plaatse wordt
                                        verstrekt.</al></li><li nr="-"><al>Alcoholvrije drank: de drank die bij een temperatuur van
                                        twintig graden Celsius voor minder dan een half
                                        volumeprocent uit alcohol bestaat.</al></li><li nr="-"><al>Leidinggevende:</al><lijst><li nr="a."><al>De natuurlijke persoon of de bestuurders van een
                                                rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens
                                                rekening en risico het alcoholvrij bedrijf wordt
                                                uitgeoefend;</al></li><li nr="b."><al>De natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft
                                                aan een onderneming, waarin het alcoholvrij bedrijf
                                                wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="c."><al>De natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding
                                                geeft aan de uitoefening van het alcoholvrij
                                                bedrijf.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel  </label><nr>2:22e</nr><titel>Vergunning alcoholvrij bedrijf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester het
                                    alcoholvrij bedrijf uit te oefenen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing in situaties waarin wordt
                                    voorzien door de Drank- en Horecawet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel  </label><nr>2:22f</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>De burgemeester kan nadere regels stellen die strekken tot
                                bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning voor het alcoholvrij bedrijf is vereist.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22g</nr><titel>Vereisten vergunning alcoholvrij bedrijf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het verkrijgen van een vergunning voor het alcoholvrij
                                    bedrijf moet een leidinggevende:</al><lijst><li nr="a."><al>de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt;</al></li><li nr="b."><al>een verklaring omtrent het gedrag overleggen die
                                            maximaal drie maanden voor de datum, waarop de
                                            vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven;</al></li><li nr="c."><al>niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het alcoholvrij bedrijf moet voldoen aan de in artikel 2:22f
                                    gestelde nadere regels.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22h</nr><titel>Weigeren en intrekken van de vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, weigert de
                                    burgemeester een vergunning indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet wordt voldaan aan de in artikel 2:22f gestelde
                                            nadere regels en artikel 2:22g gestelde vereisten;</al></li><li nr="b."><al>redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke
                                            toestand niet met het in de aanvraag vermelde in
                                            overeenstemming zal zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een
                                    vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn
                                    oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in
                                    de omgeving van het alcoholvrije bedrijf of de openbare orde op
                                    ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6, trekt de burgemeester
                                    een vergunning in indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet langer voldaan wordt aan de in artikel 2:22f
                                            gestelde nadere regels en artikel 2:22 g gestelde
                                            vereisten;</al></li><li nr="b."><al>zich in de inrichting feiten hebben voorgedaan, die de
                                            vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de
                                            vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde,
                                            veiligheid of zedelijkheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan een vergunning intrekken indien
                                    redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand
                                    niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal
                                    zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel  </label><nr>2:22i</nr><titel>Wijziging leidinggevende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een leidinggevende als genoemd in artikel 2:22d, onder a, meldt
                                    aan de burgemeester zijn wens een persoon als leidinggevende te
                                    laten bijschrijven of door te halen op de aan hem verleende
                                    vergunning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De melding als genoemd in het eerte lid geldt als aanvraag tot
                                    wijziging van de vergunning.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid aangemelde nieuwe leidinggevende mag
                                    werkzaam zijn in het alcoholvrij bedrijf waarvoor de vergunning
                                    is verleend, mits de ontvangst van die melding is bevestigd,
                                    zolang nog niet op die aanvraag is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in artikel 2:22h, eerste lid, is van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>9.</nr><titel>GROW-, HEAD-, SMARTSHOPS </titel></kop><structuurtekst><al><vet>is vervallen</vet></al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>10.</nr><titel>NACHTVERBLIJF, KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:38</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>inrichting: elke al dan niet besloten ruimte
                                                  waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij
                                                  bedrijfsmatig was of anders dan om niet, de
                                                  mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
                                                  kamperen wordt verschaft.</al></li><li nr="b."><al>kampeermiddel: een onderkomen of een voertuig
                                                  waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen
                                                  in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a,
                                                  van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is
                                                  vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel
                                                  gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor
                                                  recreatief nachtverblijf.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:39</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de
                                    beheersverordening, exploitatieplan of een
                                    voorbereidingsbesluit</al><al> is bestemd of mede bestemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                    eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod van het
                                    eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 van deze verordening
                                    kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bescherming van natuur en landschap;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van een stadsgezicht</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:40 Aanwijzing kampeerplaatsen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 2:39, eerste lid, is niet van toepassing
                                    op door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van
                                    de gronden, genoemd in de artikelen 1:8 en 2:39, lid 4, van deze
                                    verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:41 Verschaffing gegevens nachtregister</label></kop><lid><lidnr></lidnr><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de
                                    kampeerder, is verplicht de exploitant of feitelijk
                                    leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid
                                    naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats,
                                    betrekking, dag van aankomst en de dag van vertrek te
                                    verstrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:42 Slapen op of aan de weg</label></kop><lid><lidnr></lidnr><al>Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te
                                    gebruiken.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>11.</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 2:43 Betreden gesloten woning of lokaal</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                    gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                    gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal,
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het
                                    publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te
                                    betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier
                                    aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden
                                    noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:43a Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of
                                    een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van
                                    de Gemeentewet in het belang van de openbare orde, veiligheid,
                                    gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is
                                    van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of
                                    gedeeltelijk sluiten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene Wet
                                    bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het
                                    bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven,
                                    waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of
                                    nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de
                                    burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden
                                    feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn
                                    oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling
                                    van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal
                                    plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden
                                    om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het
                                    tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te
                                    laten verblijven.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting
                                    openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven
                                    wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als
                                    bezoeker te verblijven. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt
                                    voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label> Artikel 2:44 Plakken en kladden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen
                                    of te bekladden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                            aanduiding aan te </al><al> plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te
                                            brengen of te laten aanbrengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een
                                            afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te
                                            doen aanbrengen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                    gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
                                </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                    toestemming is verplicht die aan een
                                    opsporingsambtenaar/toezichthouder op diens eerste vordering
                                    terstond ter inzage af te geven. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:45 Vervoer plakgereedschap e.d.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij
                                    zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer,
                                    kleur of verfstof of verfgereedschap.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen
                                    of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
                                    handelingen als verboden in artikel 2:44.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:46 Vervoer van inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                    vervoeren of bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen
                                    niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de
                                    toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig
                                    sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van
                                    braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te
                                    voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden op de weg in de nabijheid van winkels te
                                    vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk
                                    toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te
                                    vergemakkelijken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in derde lid gestelde verbod is niet van toepassing indien
                                    redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde
                                    voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde
                                    handelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats:</al><lijst><li nr="a."><al>te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument,
                                            overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid,
                                            voertuig, hekheining of andere afsluiting,
                                            verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd
                                            straatmeubilair;</al></li><li nr="b."><al>zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers
                                            of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen
                                            woningen onnodig overlast of hinder berokkent.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht
                                    of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben
                                    bereikt verboden op een openbare plaats, of op het openbaar
                                    water, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken
                                    flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij
                                    zich te hebben indien dit gepaard gaat met gedragingen die de
                                    openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten, of
                                    anderszins overlast veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben
                                    bereikt verboden op een openbare plaats, of op het openbaar
                                    water, die deel uitmaakt van een door de burgemeester aangewezen
                                    gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken
                                    flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij
                                    zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan de werking van het verbod in het tweede lid
                                    beperken tot bepaalde dagen en uren. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als
                                            bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;</al></li><li nr="b."><al>de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld
                                            onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel
                                            35 van de Drank- en Horecawet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                            houden;</al></li><li nr="b."><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of
                                            een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                    appartements- gebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                    gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich
                                    zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk
                                    gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten</label></kop><lid><lidnr></lidnr><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel en op voor anderen
                                    hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                    toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te
                                    gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is
                                    bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen:
                                    portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar
                                    vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:51 Mosquito</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder een mosquito verstaan: een apparaat
                                    dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge
                                    pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden
                                    van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 4:5 kan de burgemeester
                                    in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare
                                    plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige
                                    overlast door jongeren op die plaats.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt
                                    op de plaats waar deze is aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat
                                    overlast redelijkerwijs valt te verwachten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste
                                    12 maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een
                                    periode van ten hoogste 12 maanden verlengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:52 Neerzetten van fietsen, bromfietsen e.d.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan een openbare plaats een fiets, een
                                    bromfiets of een gelijksoortig voertuig te plaatsen of te laten
                                    staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een
                                    gebouw dan wel in de ingang van een portiek, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van
                                            één of meer gebruikers van dat gebouw of dat portiek,
                                            of;</al></li><li nr="b."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een fiets, een bromfiets of een gelijksoortig
                                    voertuig op zodanige wijze op een voetpad of trottoir te
                                    plaatsen of te laten staan, dat de doorgang daardoor wordt
                                    belemmerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden op door het college in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd
                                    buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten
                                    staan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen
                                    of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde
                                    periode onafgebroken te laten staan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden op de door de burgemeester aangewezen uren en
                                    plaatsen zich met een fiets, bromfiets of een gelijksoortig
                                    voertuig te bevinden op een terrein waar een evenement,
                                    bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:53 Bespieden van personen</label><label></label></kop><lid><lidnr></lidnr><al>Vervallen<cursief></cursief><cursief></cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:54 Loslopende honden </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen: </al><lijst><li nr="a."><al>binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond
                                            fysiek aangelijnd is;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                            zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                            speelweide of op een andere door het college aangewezen
                                            plaats; </al></li><li nr="c."><al>op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of
                                            een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk
                                            doet kennen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid, onder a, is niet van toepassing op
                                    door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b zijn niet van
                                    toepassing op de eigenaar of houder van een hond zich vanwege
                                    zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden of als een
                                    eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd
                                    opleidt tot geleidehond. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:55 Verontreiniging door honden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen
                                    dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:</al><lijst><li nr="a."><al>op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede
                                            bestemd voor verkeer van</al><al> voetgangers;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                            zodanig ingerichte</al><al> kinderspeelplaats, zandbak of speelweide;</al></li><li nr="c."><al>op een andere door het college aangewezen plaats.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in
                                    het eerste lid, onder a niet van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het in artikel 6:1 van deze verordening
                                    gestelde, is er geen sprake van een overtreding van het in het
                                    eerste lid gestelde indien de eigenaar of houder van de hond er
                                    zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden
                                    verwijderd</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:56 Gevaarlijke honden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college een hond in verband met zijn gedrag
                                    gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van
                                    die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod
                                    opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare
                                    plaats of op het terrein van een ander.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is
                                    de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte,
                                    gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht
                                    is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:</al><lijst><li nr="a."><al>vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of
                                            van beide stoffen;</al></li><li nr="b."><al>door middel van een stevige leren riem zodanig rond de
                                            hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van
                                            de mens niet mogelijk is; en</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de
                                            afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van
                                            de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf
                                            aanwezig zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2:54, eerste lid onder c,
                                    dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn
                                    van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek
                                    identificatienummer door middel van een microchip die met een
                                    chipreader afleesbaar is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:57 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</label></kop><lid><lidnr></lidnr><al>Vervallen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:57</nr><titel>Hinder door dieren</titel></kop><al>Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer
                                de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een
                                omwonende of overigens voor de omgeving hinder veroorzaakt.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>12.</nr><titel>BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:58</nr><titel>Bedelarij</titel></kop><al>Het is verboden in door het college aangewezen openbare plaatsen of
                                in een voor publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere
                                zaken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:59 Begripsbepaling</label></kop><lid><lidnr></lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar
                                    als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur
                                    op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:60 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                    gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere
                                    wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de
                                    burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij
                                    onverwijld:</al><lijst><li nr="a."><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                            goed;</al></li><li nr="b."><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen -
                                            voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van
                                            het goed;</al></li><li nr="d."><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht
                                            van het goed.</al></li><li nr="e."><al>[vervallen]</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze
                                    verplichtingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:61 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht</label></kop><lid><lidnr></lidnr><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is
                                    verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis
                                            te stellen:</al><lijst><li nr="1."><al>dat hij het beroep van handelaar uitoefent met
                                                  vermelding van zijn woonadres en het adres van de
                                                  bij zijn onderneming behorende vestiging;</al></li><li nr="2."><al>van een verandering van de onder a, sub 1e,
                                                  bedoelde adressen;</al></li><li nr="3."><al>als hij het beroep van handelaar niet langer
                                                  uitoefent;</al></li><li nr="4."><al>dat hij enig goed kan verkrijgen dat
                                                  redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of
                                                  voor de rechthebbende verloren is gegaan;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of
                                            register ter inzage te geven;</al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te
                                            hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming
                                            duidelijk zichtbaar zijn;</al></li><li nr="d."><al>een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste zeven
                                            dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed
                                            verkregen is.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>13.</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 2:62 Drugshandel op straat</label></kop><lid><lidnr></lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of
                                    aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen
                                    en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of
                                    daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel
                                    om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of
                                    daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te
                                    leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te
                                    zijn of daarin te bemiddelen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel 2:63 Hinderlijk gebruik softdrugs</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een door de burgemeester aangewezen openbare
                                    plaats softdrugs te gebruiken of openlijk voorhanden te
                                    hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder softdrugs wordt verstaan: de middelen, genoemd in lijst
                                    II, behorende bij de Opiumwet.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>14.</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 2:64 Begripsbepalingen</label></kop><lid><lidnr></lidnr><lijst><li nr=""><al>In deze afdeling wordt verstaan onder
                                            consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het
                                            Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met
                                            betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk
                                            (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:65 Bezigen van vuurwerk</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het
                                    college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                    overlast aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te
                                    bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van
                                    toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429,
                                    aanhef onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>15.</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 2:66 Veiligheidsrisicogebieden</label></kop><lid><lidnr></lidnr><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de
                                    Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de
                                    aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het
                                    ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen
                                    voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende
                                    erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:67 Cameratoezicht op openbare plaatsen</label></kop><lid><lidnr></lidnr><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de
                                    Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor
                                    een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare
                                    plaats.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:68 Verblijfsontzegging </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is degenen aan wie dit door of namens de burgemeester in het
                                    belang van de openbare orde schriftelijk is bekendgemaakt,
                                    verboden zich gedurende een in de bekendmaking genoemd tijdvak
                                    van ten hoogste acht weken te bevinden op of aan door de
                                    burgemeester aangewezen wegen en plaatsen gedurende de uren
                                    daarbij genoemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester beperkt het in het eerste lid genoemde verbod
                                    indien dat in verband met persoonlijke omstandigheden van
                                    betrokkene noodzakelijk is.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>16.</nr><titel>Messen en schietwapens</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 2:69 Schietwapens</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester, op of aan
                                    de weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats,
                                    schietwapens bij zich te hebben;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet:</al><lijst><li nr=""><al></al></li><li nr="a."><al>indien de Wet wapens en munitie van toepassing is;</al></li><li nr="b."><al>indien de schietwapens zodanig zijn verpakt dat ze niet
                                            voor onmiddellijk gebruik kunnen worden aangewend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:70 Messen en andere voorwerpen als steekwapen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door de burgemeester aangewezen wegen, met
                                    inbegrip van daarvan gelegen, voor het publiek toegankelijke
                                    gebouwen, messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen
                                    worden gebruikt bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod geldt niet voor wapens, behorende tot de categorieën
                                    I, II, III, IV van de Wet wapens en munitie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden
                                    gebruikt en die zodanig zijn ingepakt dat deze niet voor
                                    dadelijk gebruik kunnen worden aangewend. </al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Escortbedrijven, sekswinkels, straatprostitutie e.d.</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling 1. Begripsbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3:1 Begripsbepalingen</label></kop><lid><lidnr></lidnr><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot
                                                  het verrichten van seksuele handelingen met een
                                                  ander tegen vergoeding;</al></li><li nr="b."><al>prostituee: degene die zich beschikbaar stelt
                                                  tot het verrichten van seksuele handelingen met
                                                  een ander tegen vergoeding;</al></li><li nr="c."><al>seksinrichting: de voor het publiek
                                                  toegankelijke, besloten ruimte waarin
                                                  bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                                  bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden
                                                  verricht, of vertoningen van erotisch
                                                  pornografische aard plaatsvinden. Onder een
                                                  seksinrichting worden in elk geval verstaan: een
                                                  seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een
                                                  parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder
                                                  tevens begrepen een erotische massage- salon, al
                                                  dan niet in combinatie met elkaar;</al></li><li nr="d."><al>escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van
                                                  personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in
                                                  een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie
                                                  aanbiedt die op een andere plaats dan in de
                                                  bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen
                                                  of rechtspersoon of rechtspersonen die een
                                                  seksinrichting of escortbedrijf exploiteert en de
                                                  tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of
                                                  rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of
                                                  personen;</al></li><li nr="f."><al>leidinggevende:</al><lijst><li nr="1."><al>de natuurlijke persoon of de bestuurders van
                                                  een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor
                                                  wiens rekening en risico de inrichting wordt
                                                  geexploiteerd;</al></li><li nr="2."><al>de natuurlijke persoon, die algemene leiding
                                                  geeft aan de exploitatie van de inrichting;</al></li><li nr="3."><al>de natuurlijke persoon, die onmiddellijke
                                                  leiding geeft aan de exploitatie van de
                                                  inrichting;</al></li></lijst></li><li nr="g."><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een
                                                  seksinrichting, met uitzondering van:</al><lijst><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de leidinggevende;</al></li><li nr="3."><al>de prostituee;</al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting
                                                  werkzaam is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond
                                                  van artikel 6:2;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de
                                                  seksinrichting wegens dringende redenen
                                                  noodzakelijk is.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van
                                de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3:12 genoemde belangen, kan het
                                bevoegde bestuursorgaan over de uitoefening van de bevoegdheden in
                                dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Escortbedrijven, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                    exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegde
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de aanvraag om vergunning wordt in ieder geval overlegd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de persoonsgegevens van de exploitant zoals bepaald onder
                                    artikel 3:1, sub f;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de persoonsgegevens van de leidinggevende zoals bepaald onder
                                    artikel 3;1, sub g;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de plaatselijke en kadastrale ligging door middel van een
                                    situatietekening met een schaal van tenminste 1:100;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>een plattegrond van de seksinrichting door middel van een
                                    tekening met een schaal van tenminste 1:100;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot
                                    het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) is
                                        <onderstreept>niet</onderstreept> van toepassing op dit
                                    artikel.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>Eisen exploitant en leidinggevende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant en de leidinggevende:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke
                                    macht of de voogdij;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>heeft de leeftijd van 21 jaar bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en
                                    de leidinggevende niet:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht
                                    in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van
                                    artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking
                                    gesteld;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een
                                    onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de
                                    rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen
                                    Bonaire, Saba en Sint Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten,
                                    dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor
                                    naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis
                                    ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van
                                    Strafvordering is toegelaten;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke
                                    uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                    geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als
                                    bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van
                                    Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de
                                    Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid
                                    vreemdelingen;</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met
                                    249, 252, 250a (oud), 273f, 300 tot en met 303, 416, 417,
                                    417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van
                                    Strafrecht;</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto
                                    artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet
                                    1994;</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op
                                    de kansspelen;</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                    gesteld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74,
                                    tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76,
                                    derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
                                    tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                    straf.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum
                                    van beslissing op de aanvraag van de vergunning;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de
                                    datum van de intrekking van deze vergunning.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De exploitant of de leidinggevende is binnen de laatste vijf
                                    jaar geen exploitant of leidinggevende geweest van een
                                    seksinrichting of escortbedrijf die voor tenminste een maand
                                    door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de
                                    vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken,
                                    tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben en daarin</al><al> bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 00.00 uur
                                    en 06.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift
                                    als bedoeld in artikel 1:4 voor een afzonderlijke seksinrichting
                                    andere sluitingstijden vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                    bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                    eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste
                                    lid, gesloten dient te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet
                                    voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door
                                    de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:7</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 3:12, tweede lid, genoemde belangen
                                    of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk
                                    kan het bevoegde bestuursorgaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede
                                    lid, geldende sluitingsuren vaststellen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de
                                    gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het
                                    eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig
                                    artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:8</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    leidinggevende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning
                                    vermelde exploitant of leidinggevende in de seksinrichting of
                                    sekswinkel aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant en de leidinggevende zien er voortdurend op toe te
                                    zien dat in de seksinrichting:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de
                                    feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden),
                                    XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX
                                    (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede
                                    Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet
                                    wapens en munitie; en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met
                                    het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                    Vreemdelingenwet bepaalde.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:9</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden op of aan de weg als prostituee te trachten
                                    door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze de
                                    aandacht van passanten op zich te vestigen, uit te nodigen dan
                                    wel aan te lokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                    verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                    onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:10</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
                                </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin
                                    of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                    geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                    erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan
                                    te bieden of aan te brengen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende
                                            heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen,
                                            aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving in gevaar brengt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegde
                                            bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving gestelde regels.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                    opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                    wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                    gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr status="officieel">3.</nr><titel status="officieel">BESLISSINGSTERMIJN; WEIGERINGSGRONDEN,
                                ETC</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">3:11</nr><titel status="officieel">Beslissingstermijn</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                    vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, binnen twaalf
                                    weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                    twaalf weken verdagen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">3:12</nr><titel status="officieel">Weigeringsgronden seksinrichting</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien:</al></lid><lid><lidnr status="officieel">a.</lidnr><al>de exploitant of de leidinggevende niet voldoet aan de in
                                    artikel 3:5 gestelde eisen;</al></lid><lid><lidnr status="officieel">b.</lidnr><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een
                                    provinciaal inpassingsplan of rijksinpassingsplan als bedoeld in
                                    de wet ruimtelijke ordening en krachtens die plannen gestelde
                                    nadere eisen, dan wel in strijd is met een op grond van de Wet
                                    ruimtelijke ordening vastgestelde en in werking getreden
                                    beheersverordening, voorbereidingsbesluit of
                                    projectbesluit;</al></lid><lid><lidnr status="officieel">c.</lidnr><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd
                                    met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij
                                    of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
                                    bepaalde.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde escortbedrijven
                                    kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning
                                    bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, worden geweigerd in het
                                    belang van:</al></lid><lid><lidnr status="officieel"></lidnr><lijst><li nr="a."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel"></lidnr><lijst><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van aantasting van het woon-
                                            en leefklimaat;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel"></lidnr><lijst><li nr="c."><al>de veiligheid van personen of goederen;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel"></lidnr><lijst><li nr="d."><al>de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel"></lidnr><lijst><li nr="e."><al>de gezondheid of zedelijkheid; of</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel"></lidnr><lijst><li nr="f."><al>de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">3:13</nr><titel status="officieel">Intrekkingsgronden</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan het bevoegde
                                    bestuursorgaan de vergunning intrekken, indien:</al></lid><lid><lidnr status="officieel"></lidnr><lijst><li nr="a."><al>aannemelijk is, dat een leidinggevende van de
                                            seksinrichting of het escortbedrijf betrokken is, of hem
                                            ernstige nalatigheid kan worden verweten bij
                                            activiteiten in of vanuit de seksinrichting, het
                                            escortbedrijf of de sekswinkel die een gevaar opleveren
                                            voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor
                                            het woon- of leefklimaat in de omgeving van deze
                                            inrichting;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel"></lidnr><lijst><li nr="b."><al>een leidinggevende van de seksinrichting of het
                                            escortbedrijf toestaat dan wel gedoogt, dat in zijn
                                            inrichting strafbare feiten worden gepleegd;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel"></lidnr><lijst><li nr="c."><al>een leidinggevende van de seksinrichting of het
                                            escortbedrijf zich schuldig maakt aan discriminatie naar
                                            ras, geslacht of seksuele geaardheid;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel"></lidnr><lijst><li nr="d."><al>zich in of vanuit de seksinrichting of het escortbedrijf
                                            anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees
                                            wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting
                                            gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een
                                            bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de
                                            omgeving van de inrichting;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel"></lidnr><lijst><li nr="e."><al>is gehandeld in strijd met het bij of krachtens artikel
                                            3:8 bepaalde;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel"></lidnr><lijst><li nr="f."><al>een niet daarin vermelde persoon leidinggevende is
                                            geworden met betrekking tot de inrichting, waarop de
                                            vergunning betrekking heeft.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">3:14</nr><titel status="officieel">Beëindiging exploitatie</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra ingevolge artikel 3:4 op de
                                    vergunningvermelde exploitant, de exploitatie van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Binnen één week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                    geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegde
                                    bestuursorgaan.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">3:15</nr><titel status="officieel">Wijziging beheer</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien een leidinggevende als bedoeld in artikel 3:1, onder g,
                                    het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk
                                    heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na
                                    de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan
                                    het bevoegde bestuursorgaan. </al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe
                                    leidinggevende, indien het bevoegde bestuursorgaan op aanvraag
                                    van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning
                                    overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het
                                    bepaalde in artikel 3:12 is van overeenkomstige toepassing.
                                </al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel 3:16 Zoeken van contact, verrichten van handelingen van seksuele aard</label></kop><lid><lidnr status="officieel"></lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats: </al><lijst><li nr="a."><al>zich op te houden met het kennelijk doel gericht contact
                                            te zoeken tot het aldaar, of in de directe omgeving
                                            daarvan, verrichten van handelingen van seksuele
                                            aard;</al></li><li nr="b."><al>al dan niet met een ander of anderen handelingen te
                                            verrichten van seksuele aard.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Geluidhinder en verlichting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 4:1 Begripsbepalingen</label></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                    milieubeheer;</al></li><li nr="b."><al>inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het
                                    Besluit;</al></li><li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                    bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                    drijft;</al></li><li nr="d."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één
                                    of een klein aantal inrichtingen is verbonden;</al></li><li nr="e."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden
                                    is aan één of een klein aantal inrichtingen;</al></li><li nr="f."><al>geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van
                                    artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                    geluidgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende
                                    bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="g."><al>geluidgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1
                                    van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige
                                    terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de
                                    betreffende inrichting;</al></li><li nr="h."><al>onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is
                                    versterkt.</al></li><li nr="i."><al>langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT): gemiddelde van
                                    de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid,
                                    gemeten in de loop van een bepaalde periode en vastgesteld en
                                    beoordeeld overeenkomstig de “Handleiding Meten en Rekenen
                                    Industrielawaai”, uitgave 1999.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                    van het Besluit en artikel 4:4 van deze verordening gelden niet
                                    voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                                    festiviteiten in de daarbij aangewezen gebieden gedurende de
                                    daarbij aangewezen dagen en dagdelen.</al></li><li nr="2."><al>De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
                                    sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148,
                                    eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college
                                    per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten in de
                                    daarbij aangewezen gebieden gedurende de daarbij aangewezen
                                    dagen en dagdelen.</al></li><li nr="3."><al>Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het
                                    begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                    redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond
                                    als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid
                                    aanwijzen.</al></li><li nr="5."><al>Tijdens een collectieve festiviteit mag het langtijdgemiddelde
                                    beoordelingsniveau (LAr,LT) als gevolg van de inrichting,
                                    gemeten invallend op de gevel van geluidgevoelige gebouwen, niet
                                    meer bedragen dan 60 dB(A). Toeslagen voor de aard van het
                                    geluid of de bedrijfsduurcorrectieterm blijven hierbij
                                    achterwege.</al></li><li nr="6."><al>Tijdens een collectieve festiviteit mag het langtijdgemiddelde
                                    beoordelingsniveau (LAr,LT) als gevolg van de inrichting,
                                    gemeten binnen in- of aanpandige woningen van derden, niet meer
                                    bedragen dan 50 dB(A). Toeslagen voor de aard van het geluid of
                                    de bedrijfsduurcorrectieterm blijven hierbij achterwege.</al></li><li nr="7."><al>De geluidswaarde bedoeld in het vijfde en zesde lid is inclusief
                                    onversterkte muziek.</al></li><li nr="8."><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore
                                    brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld
                                    in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel
                                    4:4 van deze verordening - uiterlijk om 01.00 uur te worden
                                    beëindigd.</al></li><li nr="9."><al>De geluidsnorm als bedoeld in het vijfde en zesde lid geldt voor
                                    het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de
                                    buitenruimte.</al></li><li nr="10."><al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en
                                    deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van
                                    personen of goederen.</al></li><li nr="11."><al>Het college kan afwijken van het in lid 8 genoemde
                                    tijdstip.</al></li><li nr="12."><al>Voor het ten gehore brengen van muziek in de buitenruimte van de
                                    inrichting zijn de nadere regels als bedoeld in artikel 2:10,
                                    lid 4 van deze verordening van toepassing voor zover het betreft
                                    de geluidsnorm, de tijden waarop muziek ten gehore mag worden
                                    gebracht en de frequentie van deze festiviteit.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 6 incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                    geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                    het Besluit en artikel 4:4 van deze verordening niet van
                                    toepassing zijn mits de houder van de inrichting ten minste twee
                                    weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in
                                    kennis heeft gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 6
                                    incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer
                                    aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel
                                    4.113 lid 1 van het Besluit niet van toepassing is mits de
                                    houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang
                                    van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.
                                </al></li><li nr="3."><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                                    kennisgeving.</al></li><li nr="4."><al>De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is
                                    ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.</al></li><li nr="5."><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                    incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                    was, terstond toestaat.</al></li><li nr="6."><al>Tijdens een incidentele festiviteit mag het langtijdgemiddelde
                                    beoordelingsniveau (LAr,LT) als gevolg van de inrichting,
                                    gemeten invallend op de gevel van gevoelige gebouwen, niet meer
                                    bedragen dan 60 dB(A). Toeslagen voor de aard van het geluid of
                                    de bedrijfsduurcorrectieterm blijven hierbij achterwege.</al></li><li nr="7."><al>Tijdens een incidentele festiviteit mag het langtijdgemiddelde
                                    beoordelingsniveau (LAr,LT) als gevolg van de inrichting,
                                    gemeten binnen in- of aanpandige woningen van derden, niet meer
                                    bedragen dan 50 dB(A). Toeslagen voor de aard van het geluid of
                                    de bedrijfsduurcorrectieterm blijven hierbij achterwege.</al></li><li nr="8."><al>De geluidswaarde als bedoeld in het zesde en zevende lid is
                                    inclusief onversterkte muziek. </al></li><li nr="9."><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore
                                    brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld
                                    in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel
                                    4:4 van deze verordening - uiterlijk om 01.00 uur beëindigd.
                                </al></li><li nr="10."><al>De geluidsnorm als bedoeld in het zesde en zevende lid geldt
                                    voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de
                                    buitenruimte.</al></li><li nr="11."><al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en
                                    deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van
                                    personen of goederen.</al></li><li nr="12."><al>Het college kan afwijken van het in lid 9 genoemde
                                    tijdstip.</al></li><li nr="13."><al>Voor het ten gehore brengen van muziek in de buitenruimte van de
                                    inrichting zijn de nadere regels als bedoeld in artikel 2:10,
                                    lid 4 van deze verordening van toepassing voor zover het betreft
                                    de geluidsnorm, de tijden waarop muziek ten gehore mag worden
                                    gebracht en de frequentie van deze festiviteit.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4:4 Onversterkte muziek</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals
                                    bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van
                                    het Besluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel
                                    van toepassing, met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of
                                            aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de
                                            gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming
                                            geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen
                                            uitvoeren van geluidsmetingen;</al></li><li nr="b."><al>de in de tabel aangegeven waarden op de gevel gelden ook
                                            bij gevoelige terreinen op de grens van het
                                            terrein;</al></li><li nr="c."><al>de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor
                                            zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige
                                            ruimten en verblijfsruimten;</al></li><li nr="d."><al>bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in
                                            de tabel wordt geen bedrijfsduurcorrectie
                                            toegepast.</al></li><li nr="e."><al>Tabel</al></li></lijst></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="35*"></colspec><colspec colname="col2" colwidth="21*"></colspec><colspec colname="col3" colwidth="23*"></colspec><colspec colname="col4" colwidth="21*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>7.00 – 19.00 uur</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>19.00 – 23.00 uur</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>23.00 – 7.00 uur</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>45 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>40 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>35 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>30 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>25 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>70 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>65 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>60 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>55 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>45 dB(A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="2."><al>Voor de duur van 4 uur in de week is onversterkte muziek,
                                    vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals onder andere
                                    orkesten, harmonie- en fanfaregezelschap-pen, in een inrichting
                                    gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde
                                    geluidsniveaus in het eerste lid. Indien versterkte elementen
                                    worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele
                                    samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van
                                    toepassing.</al></li><li nr="3."><al>Het eerste lid geldt niet indien artikel 4:2 of artikel 4:3 van
                                    deze verordening van toepassing is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4:5 Overige geluidhinder</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of
                                geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten
                                dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt
                                veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college, dan wel de burgemeester indien het veroorzaken van
                                geluidhinder verband houdt met een evenement, kan van het verbod
                                ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien
                                door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare
                                manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale
                                milieuverordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                    wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve fictieve beschikking
                                bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 4:6 Straatvegen</label></kop><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden
                            van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een
                            voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een
                            daarbij aangeduide tijdsperiode.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4:7 Natuurlijke behoefte doen</label></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom en op een openbare plaats zijn
                            natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 4:8 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde gezag op of
                                    aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren
                                    door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding in
                                    welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.</al></li><li nr="2."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen
                                            met welstand;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de verkeersveiligheid;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van
                                            overlast voor gebruikers van het in de nabijheid gelegen
                                            onroerend goed.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De weigeringsgrond van het tweede lid, onder a, geldt niet voor
                                    bouwwerken.</al></li><li nr="4."><al>De weigeringsgrond van het tweede lid, onder c, geldt niet
                                    voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    de Wet milieubeheer.</al></li><li nr="5."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                    college aangewezen soorten handelsreclame of objecten waarop
                                    handelsreclame wordt aangebracht.</al></li></lijst></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 5:1 Begripsbepalingen</label></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van
                                    het Reglement verkeersregelsen verkeerstekens (RVV 1990) met
                                    uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens
                                    en rolstoelen;</al></li><li nr="b."><al>parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het
                                    Reglement verkeersregelsen verkeerstekens ( RVV 1990). </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede
                                    verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                            lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                            personen tegen betaling.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                    gerekend:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
                                            worden verricht die in totaal niet meer dan een uur
                                            vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en
                                            gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; </al></li><li nr="b."><al>voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde
                                            lid bedoelde</al><al> persoon. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: </al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd,
                                    op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 50
                                    meter met als middelpunt een van deze voertuigen; </al><lijst><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></li><li nr="5."><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een door het college aangewezen weg een
                                    voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te
                                    bieden of te verhandelen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen</al></li><li nr="3."><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:4 Voertuigwrakken</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende
                                    staat van onderhoud of tevens in een kennelijk verwaarloosde
                                    toestand verkeert op de weg of op een parkeergelegenheid te
                                    plaatsen of te parkeren.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:5 Parkeren van aanhangwagens, caravans en dergelijke</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins
                                    voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt zoals een
                                    caravan, een kampeerwagen, een aanhangwagen, een keetwagen of
                                    ander dergelijk voertuig langer dan op drie achtereenvolgende
                                    dagen zonder wezenlijke tijdsonderbreking te plaatsen of te
                                    hebben op de weg binnen de bebouwde kom;</al><al> verdeling van beschikbare parkeerruimte.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan plaatsen of tijden aanwijzen waar,
                                    respectievelijk gedurende welke tijd</al><al> het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing is.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></li><li nr="4."><al>De in het derde lid bedoelde ontheffing kan worden geweigerd met
                                    het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.</al></li><li nr="5."><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:6 Parkeren van grote voertuigen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter langer dan twee achtereenvolgende uren te parkeren op
                                    de weg.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid omschreven verbod geldt niet gedurende de
                                    tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het uitvoeren van
                                    werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter
                                    plaatse noodzakelijk is.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op de in
                                    artikel 5:5 bedoelde voertuigen.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan wegen of weggedeelten aanwijzen waar het
                                    bepaalde in het eerste lid niet geldt.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></li><li nr="6."><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                    van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel
                                    om daarmee handelsreclame te maken. </al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel 5:8 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen
                                    of te laten staan in een park of plantsoen of een van
                                    gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>op de weg;</al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden
                                            door of vanwege de overheid;</al></li><li nr="c."><al>op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen
                                            op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="4."><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>2.</nr><titel>Collecteren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 5:9 Inzameling van geld of goederen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                    inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                    intekenlijst aan te bieden.</al></li><li nr="2."><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan:
                                    het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                    geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                    diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
                                    kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                    geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
                                    bestemd.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor een inzameling
                                    die:</al><lijst><li nr="a."><al>in besloten kring gehouden wordt;</al></li><li nr="b."><al>is opgenomen in het collecterooster van het Centraal
                                            Bureau Fondsenwerving</al></li><li nr="c."><al>wordt gehouden door een vereniging met haar statutaire
                                            zetel in de gemeente Almere en de inzameling slechts in
                                            één van de stadsdelen wordt gehouden.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Op de vergunning is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                                    toepassing.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Venten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 5:10 Begripsbepalingen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                    uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen
                                    of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een
                                    openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis;</al></li><li nr="2."><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het aan huis afleveren van goederen door of vanwege
                                            degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als
                                            bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;</al></li><li nr="b."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen als bedoeld in het eerste lid op jaarmarkten en
                                            markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h,
                                            van de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in
                                            artikel 5:15;</al></li><li nr="c."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen op een standplaats als bedoeld in artikel
                                            5:13.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:11 Ventverbod</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid,de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                                    komt.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te
                                    venten:</al><lijst><li nr="a."><al>op zondagen of daarmee gelijk te stellen feestdagen en
                                            maandag tot en met zaterdag tussen 22.00 uur en 09.00
                                            uur;</al></li><li nr="b."><al>binnen 200 meter van een standplaats als bedoeld in
                                            artikel 5:13 van deze verordening, een winkel of andere
                                            verkoopgelegenheid waarin of waaruit hoofdzakelijk
                                            soortgelijke artikelen worden verkocht, het marktterrein
                                            tijdens de aangewezen marktdagen of een evenement als
                                            bedoeld in artikel 2:9 van deze verordening.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan ten aanzien van het gestelde in het eerste lid
                                    nadere regels stellen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:12 Vrijheid van meningsuiting</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het verbod van artikel 5:11 geldt niet voor venten met gedrukte
                                    of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden
                                    geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het
                                    eerste lid beperken door een verbod in te stellen:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan door het college aangewezen openbare plaatsen,
                                            of</al></li><li nr="b."><al>voor bepaalde dagen en uren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod van het
                                    tweede lid.</al></li><li nr="4."><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 5:13 Begripsbepalingen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een
                                    vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats
                                    te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het
                                    anderszins aanbieden van goederen en diensten, gebruikmakend van
                                    fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.</al></li><li nr="2."><al>Onder standplaats wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld
                                            in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                                            Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel
                                            2:9.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:14 Standplaats</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    standplaats in te nemen, te laten innemen of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                    worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van
                                            redelijke welstand;</al></li><li nr="b."><al>indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                            gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs
                                            te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning
                                            voor een standplaats voor het verkopen van goederen een
                                            redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse
                                            in gevaar komt. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Op de vergunning is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                                    toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:15 Afbakeningsbepaling</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het verbod van artikel 5:14, eerste lid is niet van toepassing
                                    op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de
                                    Waterwet of de Verordening voor de fysieke leefomgeving
                                    Flevoland.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde van artikel 5:14, tweede lid, onder a, geldt niet
                                    voor bouwwerken</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>5.</nr><titel>SNUFFELMARKTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 5:16 Begripsbepalingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een
                                voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands
                                en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden
                                aangeboden vanaf een standplaats. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><lijst><li nr=""><al>Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:</al></li><li nr="a."><al>een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste
                                        lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; </al></li><li nr="b."><al>een evenement als bedoeld in artikel 2:9.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:17 Organiseren van een snuffelmarkt</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    snuffelmarkt te organiseren.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel
                                    nagenoeg geheel en</al><al> voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de
                                    Winkeltijdenwet. </al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, weigert de
                                    burgemeester de vergunning wegens strijd met een geldend
                                    bestemmingsplan, een provinciaal inpassingsplan of
                                    rijksinpassingsplan als bedoeld in de Wet ruimtelijke
                                    ordening.</al></li><li nr="4."><al>Op de vergunning is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                                    toepassing.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6.</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 5:18 Voorwerpen op, in of boven openbaar water</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven
                                    openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien
                                    dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van
                                    bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het
                                    openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan,
                                    dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en
                                    onderhoud van het openbaar water.</al></li><li nr="2."><al>Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander
                                    voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar
                                    water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een
                                    melding aan het college op een daartoe vastgesteld
                                    formulier.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de
                                    Waterwet, de Scheepvaartverkeerswet, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, Verordening voor de fysieke leefomgeving
                                    Flevoland, de Telecommunicatiewet of een verordening
                                    ondergrondse infrastructuren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:19 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te
                                hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te
                                stellen op het openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op door het
                                college aangewezen gedeelten van openbaar water. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van
                                een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op krachtens het tweede
                                lid aangewezen gedeelten van openbaar water: </al><al>a.nadere regels stellen in het belang van de openbare orde,
                                volksgezondheid, veiligheid,</al><al> milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; </al><al>b.beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Waterwet, het
                                Binnenvaartpolitiereglement, de Verordening voor de fysieke
                                leefomgeving Flevoland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:20 Aanwijzingen ligplaats</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig
                                    aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of
                                    gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van
                                    de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of
                                    vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het
                                    innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te
                                    volgen.</al></li><li nr="3."><al>Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties
                                    waarin</al><al>wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de
                                    Waterwet, de Verordening voor de fysieke leefomgeving
                                    Flevoland.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:21 Verbod innemen ligplaats</label></kop><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te
                            stellen in strijd met het krachtens het artikel 5:20, tweede lid
                            bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:22 Reddingsmiddelen</label></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe
                            bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan
                            wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:23 Veiligheid op het water</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                    openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat
                                    het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan
                                    ondervinden.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de
                                    Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:24 Kite-surfen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is in verband met de veiligheid verboden zich op een plank
                                    te laten voortrekken met behulp van een vlieger op het openbaar
                                    water. </al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op door
                                    het college aangewezen wateren.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid bepaalde is voorts niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door
                                    hetBinnenvaartpolitiereglement.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7.</nr><titel>Terreinrijden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 5:25 Crossterreinen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde met een
                                    motorvoertuig, als bedoeld in artikel 1, onder z, van het
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, en een
                                    bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van de
                                    Wegenverkeerswet 1994, een recreatieve rit of een wedstrijd dan
                                    wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of
                                    proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te
                                    nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het
                                    kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van
                                    toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik
                                    van deze terreinen: </al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                            aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere
                                            milieuwaarden; </al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de
                                            in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van
                                            het publiek. </al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit
                                    geluidproductie sportmotoren.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>8.</nr><titel>VERBOD VUUR TE STOKEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 5:26 Verbod vuur te stoken</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                    anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de
                                    omgeving, is het verbod niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                            dergelijke;</al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien
                                            geen afvalstoffen worden verbrand;</al></li><li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd ter bescherming van flora en fauna.</al></li><li nr="5."><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door artikel 429, aanhef onder 1 en 3, van het Wetboek
                                    van strafrecht of de Provinciale milieuverordening.</al></li><li nr="6."><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing.</al></li></lijst></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 6:1 Strafbepaling</label></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde, en van
                            de voorschriften en beperkingen die zijn verbonden aan de op grond van
                            deze verordening verleende vergunningen of ontheffingen, wordt gestraft
                            met een geldboete van de tweede categorie of met hechtenis van ten
                            hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6:2 Toezichthouders</label></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de bij besluit van het college of de
                            burgemeester, elk voor zover het hun bevoegdheid betreft, aan te wijzen
                            personen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6:3 Binnentreden woningen</label></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6:4 Inwerkingtreding </label></kop><lijst><li nr=""><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag
                                    nabekendmaking.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6:5 Overgangsbepaling</label></kop><lid><lidnr></lidnr><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6;4,
                                eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van
                                deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige
                                besluiten kent, gelden als de besluiten genomen krachtens deze
                                verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6:6 Citeertitel</label></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening
                            gemeente Almere 2011.</al><al></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Almere 13 januari 2011,</al><al></al><al>De raad voornoemd,</al><al></al><al>De griffier De voorzitter,</al><al></al><al></al><al></al><al></al><al>J.D. Pruim A. Jorritsma-Lebbink</al><al><vet></vet></al><al><vet></vet><vet></vet></al><al><vet></vet></al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting APV 2011 Gemeente Almere </vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Inhoudsopgave Blz.</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen </vet>6<vet></vet></al><al></al><al>Artikel 1:1 Begripsbepalingen 6</al><al>Artikel 1:2 Beslistermijn 8</al><al>Artikel 1:3 Indiening aanvraag 9</al><al>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 9</al><al>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 10</al><al>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 11</al><al>Artikel 1:7 Termijnen 11</al><al>Artikel 1:8 Weigeringsgronden 12</al><al>Artikel 1:9 Lex Silencio Positivo 13</al><al></al><al><vet>Hoofdstuk 2 Openbare orde </vet>14<vet></vet></al><al><vet></vet></al><al><cursief>Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden </cursief>14</al><al>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 14</al><al>Artikel 2:2 Verstoring van de openbare orde 15</al><al></al><al><cursief>Afdeling 2 Betoging </cursief>15</al><al>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 15</al><al></al><al><cursief>Afdeling 3 Verspreiden van gedrukte stukken </cursief>19</al><al>Artikel 2:4 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                            of</al><al> Afbeeldingen of proefmonsters 19</al><al></al><al><cursief>Afdeling 4 Vertoningen e.d. op de weg </cursief>21</al><al>Artikel 2:5 Muziek en vermakelijkheden (waaronder straatmuzikant)
                            21</al><al></al><al><cursief>Afdeling 5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg </cursief>
                            21</al><al>Artikel 2:6 Het plaatsen van voorwerpen of stoffen op of aan een
                            openbare plaats 21</al><al>Artikel 2:7 Hinderlijke beplanting 26</al><al>Artikel 2:8 Gladheidbestrijding en andere overlast op de weg 26</al><al></al><al><cursief>Afdeling 6 Evenementen</cursief> 26</al><al> Artikel 2:9 Begripsbepaling evenement 26</al><al>Artikel 2:10 Evenementenvergunning en –melding 28</al><al>Artikel 2:11 Ordeverstoring 35</al><al></al><al><cursief>Afdeling 7 Betaald Voetbal</cursief> 36</al><al> Artikel 2:12 Meldingsplicht 36</al><al>Artikel 2:13 Verboden voetbalwedstrijd 36</al><al>Artikel 2:14 Verwijdering supporters 36</al><al>Artikel 2:15 Omgevingsverbod 36</al><al></al><al><cursief>Afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen</cursief> 36</al><al> Artikel 2:16 Begripsbepalingen 37</al><al>Artikel 2:17 Terrasvergunning 37</al><al>Artikel 2:18 Sluitingstijden openbare inrichtingen 37</al><al>Artikel 2:19 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 38</al><al>Artikel 2:20 Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting 40</al><al>Artikel 2:21 Ordeverstoring 40</al><al>Artikel 2:22 Het college als bevoegd bestuursorgaan 40</al><al></al><al><cursief>Afdeling 8a bijzondere bepalingen over horecabedrijven als
                                bedoeld in de Drank- en40 Horecawet</cursief></al><al>Artikel 2:22a Begripsbepalingen 41</al><al>Artikel 2:22b Regulering paracommerciële rechtspersonen 42</al><al>Artikel 2:22c Verbod sterke drank 42</al><al></al><al><cursief>Afdeling 8b Bepalingen over het verstrekken van alcoholvrije
                                dranken 42</cursief></al><al>Artikel 2:22d Begripsbepalingen 43</al><al>Artikel 2:22e Vergunning alcoholvrij bedrijf 43</al><al>Artikel 2:22f Nadere regels 43</al><al>Artikel 2:22g Vereisten vergunning alcoholvrij bedrijf 43</al><al>Artikel 2:22h Weigeren en intrekken van de vergunning 43</al><al>Artikel 2:22i Wijziging leidinggevende 44</al><al></al><al><cursief>Afdeling 9 Grow-, Head-, Smartshops</cursief> 44</al><al>is vervallen</al><al></al><al></al><al><cursief>Afdeling 10 Nachtverblijf, kamperen buiten kampeerterreinen
                            </cursief>46</al><al>Artikel 2:38 Begripsbepaling 46</al><al>Artikel 2:39 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 46</al><al>Artikel 2:40 Aanwijzing kampeerplaatsen 46</al><al>Artikel 2:41 Verschaffing gegevens nachtregister 46</al><al>Artikel 2:42 Slapen op of aan de weg 47</al><al></al><al><cursief>Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
                            </cursief>47</al><al>Artikel 2:43 Betreden gesloten woning of lokaal 47</al><al>Artikel 2:43a Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen 47</al><al>Artikel 2:44 Plakken en kladden 47</al><al>Artikel 2:45 Vervoer plakgereedschap e.d. 50</al><al>Artikel 2:46 Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor
                            winkeldiefstal 50</al><al>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 50</al><al>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 51</al><al>Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 52</al><al>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
                            52</al><al>Artikel 2:51 Mosquito 52</al><al>Artikel 2:52 Neerzetten van fietsen e.d. 53</al><al>Artikel 2:53 Bespieden van personen 54</al><al>Artikel 2:54 Loslopende honden 54</al><al>Artikel 2:55 Verontreiniging door honden 55</al><al>Artikel 2:56 Gevaarlijke honden 55</al><al>Artikel 2:57 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 56</al><al>Artikel 2:58 Bedelarij 56</al><al></al><al><cursief>Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
                            </cursief>57</al><al>Artikel 2:59 Begripsbepaling 57</al><al>Artikel 2:60 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
                            58</al><al>Artikel 2:61 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek
                            van </al><al> Strafrecht 58</al><al></al><al><cursief>Afdeling 13 Drugsoverlast</cursief> 59</al><al>Artikel 2:62 Drugshandel op straat 59</al><al>Artikel 2:63 Hinderlijk gebruik softdrugs 59<cursief></cursief></al><al></al><al><cursief>Afdeling 14 Vuurwerk </cursief> 60</al><al>Artikel 2:64 Begripsbepalingen 60</al><al>Artikel 2:65 Bezigen van vuurwerk 61</al><al></al><al><cursief>Afdeling 15 Veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op
                                openbare plaatsen </cursief>61</al><al>Artikel 2:66 Veiligheidsrisicogebieden 61</al><al>Artikel 2:67 Cameratoezicht op openbare plaatsen 62</al><al>Artikel 2:68 Verblijfsontzegging 65</al><al></al><al><cursief>Afdeling 16 Messen en schietwapens </cursief>66</al><al>Artikel 2:69 Schietwapens 66</al><al>Artikel 2:70 Messen en andere voorwerpen als steekwapen 66</al><al></al><al></al><al><vet>Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
                            </vet>67</al><al><vet></vet></al><al><cursief>Afdeling 1 Begripsbepalingen </cursief>67</al><al>Artikel 3:1 Begripsbepalingen 67<cursief></cursief></al><al>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan 69</al><al>Artikel 3:3 Nadere regels 70</al><al></al><al><cursief>Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke </cursief>70</al><al>Artikel 3:4 Seksinrichtingen 70</al><al>Artikel 3:5 Eisen exploitant en leidinggevende 71</al><al>Artikel 3:6 Sluitingstijden 72</al><al>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting
                            73</al><al>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                            leidinggevende 74</al><al>Artikel 3:9 Straatprostitutie 75</al><al>Artikel 3:10 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                            erotisch-pornografische </al><al> goederen, afbeeldingen en dergelijke 76</al><al></al><al><cursief>Afdeling 3 Beslissingstermijn; weigeringsgronden, etc.
                            </cursief>75</al><al>Artikel 3:11 Beslissingstermijn 75</al><al>Artikel 3:12 Weigeringsgronden 76</al><al>Artikel 3:13 Intrekkingsgronden 78</al><al>Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie 78</al><al>Artikel 3:15 Wijziging beheer 79</al><al>Artikel 3:16 Zoeken van contact, verrichten van handelingen van seksuele
                            aard 79</al><al></al><al><vet>Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg
                                voor het </vet></al><al><vet> uiterlijk aanzien van de gemeente </vet>80</al><al><vet></vet></al><al><cursief>Afdeling 1 Geluidhinder en verlichting </cursief> 80</al><al>Artikel 4:1 Begripsbepalingen 80</al><al>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 81</al><al>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten 81</al><al>Artikel 4:4 Onversterkte muziek 82</al><al>Artikel 4:5 Overige geluidhinder 83</al><al></al><al><cursief>Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging </cursief>
                            84</al><al>Artikel 4:6 Straatvegen 84</al><al>Artikel 4:7 Natuurlijke behoefte doen 85</al><al></al><al><cursief>Afdeling 3 Maatregelen tegen ontsiering </cursief>85</al><al><cursief></cursief></al><al>Artikel 4:8 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 85</al><al></al><al><vet>Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der
                                gemeente </vet>87</al><al><vet></vet></al><al><cursief>Afdeling 1 Parkeerexcessen </cursief> 87</al><al>Artikel 5:1 Begripsbepalingen 89</al><al>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 90</al><al>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen 91</al><al>Artikel 5:4 Voertuigwrakken 91</al><al>Artikel 5:5 Parkeren van aanhangwagens, caravans en dergelijke 92</al><al>Artikel 5:6 Parkeren van grote voertuigen 92</al><al>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen 93</al><al>Artikel 5:8 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 94</al><al></al><al><cursief>Afdeling 2 Collecteren </cursief>95</al><al>Artikel 5:9 Inzameling van geld of goederen 95</al><al></al><al><cursief>Afdeling 3 Venten </cursief>100</al><al>Artikel 5:10 Begripsbepalingen 100</al><al>Artikel 5:11 Ventverbod 101</al><al>Artikel 5:12 Vrijheid van meningsuiting 102</al><al></al><al><cursief>Afdeling 4 Standplaatsen </cursief>103</al><al>Artikel 5:13 Begripsbepalingen 103</al><al>Artikel 5:14 Standplaats 103</al><al>Artikel 5:15 Afbakeningsbepaling 107</al><al></al><al><cursief>Afdeling 5 Snuffelmarkten </cursief> 108</al><al>Artikel 5:16 Begripsbepalingen 108</al><al>Artikel 5:17 Organiseren van een snuffelmarkt 108</al><al></al><al><cursief>Afdeling 6 Openbaar water </cursief>109</al><al>Artikel 5:18 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 109</al><al>Artikel 5:19 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen 110</al><al>Artikel 5:20 Aanwijzingen ligplaats 113</al><al>Artikel 5:21 Verbod innemen ligplaats 113</al><al>Artikel 5:22 Reddingsmiddelen 113</al><al>Artikel 5:23 Veiligheid op het water 113</al><al>Artikel 5:24 Kite-surfen 113</al><al></al><al><cursief>Afdeling 7 Terreinrijden </cursief>113</al><al>Artikel 5:25 Crossterreinen 113</al><al></al><al><cursief>Afdeling 8 Verbod vuur te stoken </cursief>116</al><al>Artikel 5:26 Verbod vuur te stoken 116</al><al></al><al><vet>Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen </vet>118</al><al><vet></vet></al><al>Artikel 6:1 Strafbepaling 122</al><al>Artikel 6:2 Toezichthouders 124</al><al>Artikel 6:3 Binnentreden woningen 127</al><al>Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening
                            130</al><al>Artikel 6:5 Overgangsbepaling 130</al><al>Artikel 6:6 Citeertitel 130</al><al><vet> Toelichting APV 2011 Gemeente Almere</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 1:1 Begripsbepalingen</vet></al><al><vet></vet></al><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                            gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil
                            zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening
                            betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities
                            opgenomen. Over de in artikel 1:1 opgenomen definities kan het volgende
                            worden opgemerkt.</al><al><vet></vet></al><al><vet>b. Een openbare plaats</vet></al><al>Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom). Artikel
                            1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een
                            plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het
                            publiek. Deze definitie kent dus twee criteria. Ten eerste moet de
                            plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de memorie van
                            toelichting zeggen “dat in beginsel een ieder vrij is om er te komen, te
                            vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet
                            door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de
                            plaats "open staat" betekent verder dat geen sprake is van een
                            meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een
                            toegangsprijs voor het betreden van de plaats”.Op grond hiervan zijn
                            bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea,
                            ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal van het
                            gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”.Het tweede
                            criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op
                            bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door
                            de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens
                            de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare
                            plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende
                            zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de
                            rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de memorie van
                            toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16).Voorbeelden van
                            openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn:
                            openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke
                            gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van
                            stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en
                            recreatieplassen. Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats”
                            ook een aantal “besloten plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid,
                            Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, WOM expliciet
                            aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw
                            of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet
                            (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr. 6).<vet></vet></al><al></al><al><vet>c. Weg</vet></al><al>Een aantal van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben
                            betrekking op (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. In artikel 1:1
                            is de “weg” omschreven conform de definitie in de Wegenverkeerswet 1994
                            . Dat verschilt aanzienlijk van de oude omschrijving van de Apv, waar
                            praktisch iedere publiek toegankelijke ruimte onder het begrip “weg”
                            viel. Daarop is kritiek gekomen, met name omdat het begrip “weg” op die
                            manier wel erg ver af kwam te staan van wat het normale spraakgebruik
                            daaronder verstaat. In de aanwijzingen voor de decentrale regelgeving is
                            juist aangegeven dat het normale spraakgebruik zoveel mogelijk moet
                            worden gevolgd.. Bij die artikelen waarvan het duidelijk de bedoeling is
                            dat er zaken worden geregeld die zich niet alleen op of aan de weg
                            afspelen, is gekozen voor de omschrijving “openbare plaats”.</al><al></al><al><cursief>Op of aan de weg</cursief></al><al>Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op
                            (verboden) </al><al>gedragingen op of aan de weg. De term “aan de weg” duidt begripsmatig op
                            een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen
                            bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg
                            zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of
                            afspeelt. Ook treinstations vallen buiten het bereik van de APV. Artikel
                            27 van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer
                            regelen het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om
                            stations.</al><al></al><al><vet>d. Openbaar water </vet></al><al>Een “openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is
                            ieder </al><al>water, dat open staat voor het publiek. “Openbaar” is hier dus synoniem
                            aan “feitelijk voor het publiek toegankelijk.</al><al></al><al><vet>e. Bebouwde kom</vet></al><al>De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is (of kan)
                            beperkt (zijn) tot de bebouwde kom. Voor het begrip bebouwde kom is
                            aangesloten bij artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994.</al><al></al><al><vet>f. Rechthebbende</vet></al><al>Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.</al><al></al><al><vet>g. Bouwwerk </vet></al><al>Verwezen wordt naar de bouwverordening waarin het bouwwerk als volgt is
                            gedefinieerd: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal
                            of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij
                            met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of
                            op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”. </al><al><vet></vet></al><al><vet>h. Gebouw</vet></al><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet:
                            “elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of
                            gedeeltelijke met wanden omsloten ruimte vormt”.</al><al><vet></vet></al><al><vet>i. Bevoegd gezag</vet></al><al>In dit artikel is met de term “bevoegd gezag” aangehaakt bij de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De Wabo kan ook van
                            toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de
                            publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van
                            roerende zaken (artikel 2:6). De ontheffing voor het opslaan van
                            roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k
                            van de Wabo.</al><al></al><al>De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en
                            doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één
                            procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste
                            gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar
                            het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantel
                            gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het
                            college van burgemeester en wethouders, maar bij het college van
                            gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd
                            gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is
                            tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. </al><al></al><al>Daarnaast komt in de Apv op verschillende plaatsen de term “bevoegd
                            bestuursorgaan” voor.</al><al>Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het college van burgemeester en
                            wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen
                            verandering.</al><al></al><al><vet>j. Handelsreclame</vet></al><al>In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid
                            van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel
                            woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van
                            belang in verband met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat
                            zich volgens jurisprudentie verzet tegen een vergunningstelsel voor de
                            verspreiding van gedrukte stukken etc.. Aan een vergunningstelsel voor
                            handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het
                            begrip “reclame” dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare
                            aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot
                            “handelsreclame” heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering
                            slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime
                            zins des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar
                            is zij niet van toepassing op reclamevoor ideële doeleinden. Dit
                            betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt.
                            Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en
                            artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten
                            zich echter niet tegen een vergunningstelsel</al><al></al><al></al><al><vet>Artikel 1:2 Beslistermijn</vet></al><al><vet></vet></al><al>Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk
                            voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking
                            gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie
                            een goede beslistermijn is. Wij hebben de beslistermijn vastgesteld op
                            acht weken (eerste lid). Dit is gelijk aan de maximumtermijn die in
                            artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, wordt gesteld. Tijdig beslissen is
                            een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen
                            zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde
                            aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden
                            ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn
                            biedt dan uitkomst. Deze termijn hebben we in Almere gelijkgesteld met
                            de verlengingstermijn van de WABO (Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht). Reden daarvan is dat APV vergunningen deel uit kunnen
                            maken van de WABO of zijn “aangehaakt” aan de WABO. Indien de aanvrager
                            meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar
                            en beroep gaan.</al><al>De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan
                            overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het
                            opslaan van roerende zaken (artikel 2:6). De ontheffing voor het opslaan
                            van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en
                            k van de Wabo.</al><al></al><al>De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning of ontheffing
                            die onder de Wabo valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht
                            (Mor). De algemene indieningsvereisten staan in artikel 1.3 Mor, dat
                            luidt als volgt:</al><al>Artikel 1.3 Indieningsvereisten bij iedere aanvraag.</al><al>1. In de aanvraag vermeldt de aanvrager:</al><al>a.de naam, het adres en de woonplaats van de aanvrager, alsmede het
                            elektronisch adres van de aanvrager, indien de aanvraag met een
                            elektronisch formulier wordt ingediend;</al><al>b.het adres, de kadastrale aanduiding dan wel de ligging van het
                            project;</al><al>c.een omschrijving van de aard en omvang van het project;</al><al>d.een omschrijving van de aard en omvang van de gevolgen van het project
                            voor de fysieke leefomgeving, voor zover die gevolgen relevant zijn voor
                            de beoordeling van de aanvraag;</al><al>e.indien de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: zijn naam,
                            adres en woonplaats, alsmede het elektronisch adres van de gemachtigde,
                            indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend; </al><al>f.indien het project wordt uitgevoerd door een ander dan de aanvrager:
                            zijn naam, adres en woonplaats. </al><al>2.De aanvrager voorziet de aanvraag van een aanduiding van de locatie
                            van de aangevraagde activiteit of activiteiten. Deze aanduiding
                            geschiedt met behulp van een situatietekening, kaart, foto’s of andere
                            geschikte middelen.</al><al>3. De aanvrager doet bij de aanvraag een gespecificeerde opgave van de
                            kosten van de te verrichten werkzaamheden. </al><al></al><al><cursief>Dienstenrichtlijn</cursief></al><al><cursief></cursief></al><al>Op vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de
                            Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag
                            binnen een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De
                            acht weken termijn van artikel 1:2 voldoet daaraan.</al><al>Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de
                            beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd,
                            indien dit gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het onderwerp.
                            Dit houdt in dat voor verlenging een stevige motivering is vereist met
                            gebruikmaking van dit criterium. </al><al></al><al><cursief>Ontvangstbevestiging</cursief></al><al><cursief></cursief></al><al>Indien de Dienstenrichtlijn van toepassing is, wordt op grond van
                            artikel 13, vijfde lid de ontvangst van elke vergunningaanvraag zo snel
                            mogelijk bevestigd. De ontvangstbevestiging moet de volgende informatie
                            bevatten: de beslistermijn, de beschikbare rechtsmiddelen en indien van
                            toepassing de vermelding dat bij het uitblijven van een antwoord binnen
                            de gespecificeerde termijn de vergunning geacht wordt te zijn verleend.
                            Het gaat hier om toepassing van de lex silencio. Een bevoegde instantie
                            bevestigt eveneens de ontvangst van een melding die een </al><al>dienstverrichter krachtens wettelijk voorschrift bij een bevoegde
                            instantie dient te verrichten, indien door het doen van die melding en
                            een bij wettelijk voorschrift bepaald tijdsverloop een voorwaarde wordt
                            vervuld voor toegang tot of de uitoefening van een dienst.</al><al></al><al><cursief>Opschorting van de termijn</cursief></al><al><cursief></cursief></al><al>Op grond van de Dienstenrichtlijn gaat de termijn pas in op het tijdstip
                            waarop alle documenten zijn ingediend. Artikel 13, zesde lid bepaalt dat
                            wanneer een aanvraag onvolledig is, de aanvrager zo snel mogelijk wordt
                            meegedeeld dat hij aanvullende documenten moet verstrekken, en, in
                            voorkomend geval, welke gevolgen dit heeft voor de in artikel 13, derde
                            lid, bedoelde termijn. Hiermee wordt bedoeld dat moet worden meegedeeld
                            dat de termijn pas aanvangt als de gevraagde documenten zijn ontvangen.
                            Deze regeling wijkt af van die van artikel 4:15 Awb : de termijn voor
                            het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag
                            waarop het </al><al>bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager uitnodigt de aanvraag
                            aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor
                            gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Als de aanvraag is aangevuld,
                            loopt de termijn weer verder door.</al><al></al><al><vet>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</vet></al><al><vet></vet></al><al>In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om
                            een vergunning tot het laatste moment wachten. In Almere wordt een
                            termijn van acht weken aangehouden. Deze termijn sluit aan bij de
                            beslistermijn. De bewoordingen van het onderhavige artikel (“kan”) laten
                            uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten behandeling
                            hoeft te worden gelaten. Voor vergunningen die niet binnen acht weken
                            kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid geschapen
                            om af te wijken van deze termijn. Wel moet het bevoegde bestuursorgaan
                            een aanwijzingsbesluit hebben genomen ten aanzien van deze
                            vergunningen.</al><al>Als een aanvraag veel te vroeg wordt gedaan en dan nog niet kan worden
                            beoordeeld, volstaat een gemotiveerde mededeling daarvan aan de
                            aanvrager.</al><al></al><al><cursief>Herhaalde aanvraag (artikel 4:6 Awb)</cursief></al><al><cursief></cursief></al><al>Als er lange tijd is verstreken tussen beide aanvragen kan het
                            praktischer zijn </al><al>om de aanvraag opnieuw inhoudelijk te behandelen in plaats van een
                            discussie te </al><al>voeren over de vraag of het wel of niet om een herhaalde aanvraag gaat.
                            Zie ABRvS 3 mei 2006, JB 2006/186. Daar was meer dan tien jaar verlopen
                            tussen beide aanvragen, en de Afdeling oordeelde dat er geen sprake was
                            van een herhaalde aanvraag, omdat één aanvraag was gebaseerd op de Wet
                            openbaarheid van bestuur, en de andere op de Archiefwet.</al><al></al><al><vet>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</vet></al><al></al><al>In literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de
                            bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is
                            in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of
                            ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan. Toch
                            verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid aanbeveling deze
                            bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Daarbij moet ook - ten
                            overvloede - worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend mogen
                            strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste
                            van vergunning of ontheffing is gesteld. Niet-nakoming van voorschriften
                            die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren
                            voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing
                            van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze
                            intrekkingsbevoegdheid vastgelegd. De vraag of bij niet-nakoming van
                            vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in
                            het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het tweede lid van
                            artikel 1:4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als
                            verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen. Uiteraard is
                            bestuursdwang niet mogelijk, wanneer alleen voorschriften zijn
                            overtreden, die slechts beogen het toezicht op de naleving van de
                            vergunning of ontheffing te vergemakkelijken, maar geen verband houden
                            met de bescherming van het belang of de belangen met het oog waarop de
                            vergunning of ontheffing is vereist.</al><al></al><al><cursief>Dienstenrichtlijn</cursief></al><al><cursief></cursief></al><al>Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels
                            gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde
                            instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze
                            uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om
                            een dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van
                            algemeen belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar
                            bekendgemaakt; transparant en toegankelijk. Ook de voorschriften en
                            beperkingen die aan de vergunning worden verbonden, dienen hieraan te
                            voldoen. Zie voor wat onder dwingende reden van algemeen belang en
                            evenredigheid wordt verstaan: de algemene toelichting en het commentaar
                            onder artikel 1:8. Op grond van het vijfde lid van artikel 10 wordt de
                            vergunning pas verleend nadat na een passend onderzoek is vastgesteld
                            dat aan de vergunningvoorwaarden is voldaan. Het derde lid zegt, dat de
                            vergunningvoorwaarden voor een nieuwe vestiging gelijkwaardige, of
                            gezien hun doel in wezen vergelijkbare, eisen en controles waaraan de
                            dienstverrichter al in een andere of dezelfde lidstaat onderworpen is,
                            niet mogen overlappen. In de in deze model-APV opgenomen algemene
                            strafbepaling (artikel 6:1) wordt overtreding van het bij of krachtens
                            deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor staat ook straf
                            op het overtreden van aan een vergunning of </al><al>ontheffing verbonden voorschriften.</al><al></al><al><vet>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of
                            ontheffing</vet></al><al><vet></vet></al><al>Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is
                            verleend vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens
                            persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs
                            van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel
                            niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt of dit
                            uit de aard van de vergunning voortvloeit. Een voorbeeld van een
                            persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3
                            van de Drank- en Horecawet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen van
                            een vergunning de nodige diploma’s moeten zijn gehaald. Een persoonlijke
                            vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke
                            karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om
                            vergunning het aantal te verlenen vergunningen meestal verre overtreft.
                            Het zou onredelijk zijn als een standplaatsvergunning zonder meer kan
                            worden overgedragen aan een andere terwijl een groot aantal aanvragers
                            op de wachtlijst staat.</al><al>Als een vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn
                            rechtsopvolger geldt, is het verstandig een voorschrift op te nemen dat
                            de houder van de vergunning of ontheffing verplicht binnen twee weken
                            schriftelijk te melden dat hij zijn vergunning heeft overgedragen, met
                            vermelding van de naam en het adres van de nieuwe houder van de
                            vergunning of ontheffing.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Volgens art. 1:10 APV is de vergunning of ontheffing persoonsgebonden
                            tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Ingevolge
                            art. 1:11, aanhef en onder e APV kan de vergunning of ontheffing worden
                            gewijzigd indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt. De
                            Afdeling is van oordeel dat art. 1:11 aanhef en onder e APV niet afdoet
                            aan het persoonsgebonden karakter van de vergunning. Van een
                            zelfstandige bepaling die het persoonsgebonden karakter van de
                            exploitatievergunning voor een coffeeshop kan opheffen is geen sprake,
                            gelet op de aard van de vergunning en op de strekking van het in de APV
                            neergelegde vergunningstelsel. De burgemeester was derhalve niet zonder
                            meer gehouden zijn </al><al>medewerking te verlenen aan een verzoek tot overdracht van een
                            vergunning aan een derde. ABRS 23-11-1999, LJN-nr. AA5058, GS 2000, 7112
                            , 6.</al><al></al><al><vet>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of
                                ontheffing</vet></al><al><vet></vet></al><al>De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben
                            een facultatief karakter (“kan”). Het hangt van de omstandigheden af of
                            tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere
                            niet-nakoming van vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de
                            vergunning. Met name het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel
                            beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking. Als het
                            bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of
                            te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen
                            hun bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb).</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Gelet op art. 1:6 APV in samenhang gelezen met art. 2.1.4.1, tweede lid
                            (oud), APV was de burgemeester in het onderhavige geval bevoegd de
                            vergunning in te trekken. Intrekking van een vergunning vereist een
                            zorgvuldige voorbereiding. Als specifieke kennis bij het bestuursorgaan
                            ontbreekt, moet advies worden ingewonnen. Zes werkdagen zijn daarvoor
                            voldoende. ABRS 11-06-2003, 200205273/1, JG 03.0125, met noot M.
                            Geertsema. (artikel 2.1.4.1 (oud) is nu opgenomen in de artikelen 2.2.1
                            (oud) en 2.2.2 (oud)).</al><al></al><al><vet>Artikel 1:7 Termijnen</vet></al><al></al><al>Het streven naar lastenvermindering voor burger en overheid en toetsing
                            aan de Europese Dienstenrichtlijn hebben ertoe geleid in artikel 1:7 te
                            bepalen dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd
                            geldt. Artikel 11 van de Dienstenrichtlijn stelt dat vergunningen geen
                            beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: a. de vergunning automatisch
                            wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling
                            van de voorwaarden; b. het aantal </al><al>beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van
                            algemeen belang; c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een
                            dwingende reden van algemeen belang. Over punt b. dat onder meer op
                            wachtlijsten ziet, schrijft de Dienstenrichtlijn: “Wanneer het aantal
                            beschikbare vergunningen voor een activiteit beperkt is wegens een
                            schaarste aan natuurlijke hulpbronnen of technische mogelijkheden, moet
                            een selectieprocedure worden vastgesteld om uit verscheidene gegadigden
                            te kiezen, teneinde via de werking van de vrije markt de kwaliteit en
                            voorwaarden </al><al>van het dienstenaanbod voor de gebruikers te verbeteren. Deze procedure
                            moet transparant en onpartijdig zijn en de verleende vergunning mag niet
                            buitensporig lang geldig zijn, automatisch worden verlengd of enig
                            voordeel toekennen aan de dienstverrichter wiens vergunning net is komen
                            te vervallen. In het bijzonder moet de geldigheidsduur zodanig worden
                            vastgesteld dat de vrije mededinging niet in grote mate wordt belemmerd
                            of beperkt dan nodig is met het oog op de </al><al>afschrijvingen van de investeringen en een billijke vergoeding van het
                            geïnvesteerde kapitaal. (PB L 376/36, nr. 62)”. Als gemeenten een
                            vergunning voor bepaalde tijd verlenen, moeten zij beargumenteren waarom
                            deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan. Sommige
                            vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde
                            tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een
                            standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.
                            Zie voor de betekenis van “een dwingende reden van algemeen belang” bij
                            de toelichting onder artikel 1:8. Artikel 1:6 bepaalt dat bij gewijzigde
                            omstandigheden de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken. Het
                            ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor onbepaalde duur
                            blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde
                            omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook </al><al>daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en
                            proportionaliteitseis. Bij geringe wijziging van omstandigheden die geen
                            gevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de vergunning niet worden
                            gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak daarvoor ontbreekt.</al><al></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</vet></al><al><vet></vet></al><al>Vergunningstelsels zijn in de APV als volgt geformuleerd: een
                            verbodsbepaling om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens
                            vergunning. In het kader van deregulering en vermindering van
                            administratieve lasten is kritisch naar de weigeringsgronden gekeken. Er
                            is bij de vaststelling van de APV 2011 ter bevordering van de
                            systematiek en duidelijkheid van de APV ervoor gekozen om in Hoofdstuk I
                            algemene weigeringsgronden te benoemen. In de afzonderlijke
                            vergunningstelsels zijn de betreffende artikel(led)en vervallen. Alleen
                            als er voor een vergunning andere weigeringsgronden gelden dan de in
                            artikel 1:8 genoemde, worden die in het betreffende artikel
                            genoemd.</al><al></al><al><cursief>Vergunningen </cursief></al><al>Tegelijkertijd met de deregulering van de vergunningstelsels van de APV
                            2011 zijn deze gescreend aan de Europese Dienstenrichtlijn. Dit heeft de
                            VNG uitgevoerd bij de totstandkoming van de model APV. Het gaat daarbij
                            om de volgende stelsels: de evenementenvergunning, vergunning voor een
                            seksinrichting, standplaatsvergunning en de vergunning voor een
                            snuffelmarkt.</al><al></al><al><cursief>Vestiging of tijdelijke overschrijding</cursief></al><al>Bij het screenen van de model-APV van de VNG aan de Dienstenrichtlijn is
                            het volgende in ogenschouw genomen. In theorie bestaan er drie
                            verschillende regimes: voor de ‘vestiger’, de ‘tijdelijke
                            grensoverschrijder’ en de Nederlandse dienstverrichter.</al><al>De richtlijn staat toe dat er onderscheid wordt gemaakt tussen deze drie
                            categorieën. Het is in theorie mogelijk dat de overheid aan een
                            Nederlandse dienstverlener zwaardere eisen stelt dan aan een
                            buitenlandse ’tijdelijke grensoverschrijder’, maar dit is in de praktijk
                            en vanuit het oogpunt van rechtsgelijkheid niet wenselijk.</al><al>Geacht wordt dat het op dezelfde gronden evenmin gewenst is een
                            onderscheid aan te brengen tussen verschillende soorten van
                            dienstverleners (tijdelijke grensoverschrijders, vestigers en dus ook
                            Nederlandse dienstverleners). Anders zou de dienstverlener die zich
                            vanuit een andere lidstaat hier vestigt een bevoorrechte positie hebben
                            ten opzichte van degene die de grens overschrijdt om zijn diensten aan
                            te bieden, of beide dienstverleners ten opzichte van de eigen
                            onderdanen.</al><al>Alleen in het geval van prostitutie is daarop een uitzondering gemaakt.
                            Zie daarvoor de toelichting bij hoofdstuk 3. Niet alleen de eis van het
                            hebben van een vergunning geldt voor hen gelijkelijk, maar ook de
                            gronden om een vergunning te weigeren zijn voor de drie categorieën
                            aanvragers dezelfde. Daarom zijn de weigeringsgronden algemeen
                            geformuleerd zodat ze gelden voor interne én internationale
                            verhoudingen. Er is aangesloten bij het lichtste regime van de richtlijn
                            (artikel 16): de openbare orde, de openbare veiligheid, de
                            volksgezondheid en het milieu.</al><al>De richtlijn geldt <vet>niet</vet> voor het verkopen van goederen. Dit
                            is immers geen dienst. Bij standplaatsvergunningen kan er echter zowel
                            sprake zijn van een vergunning voor een standplaats voor het verkopen
                            van goederen als voor het verlenen van diensten. Ook in dit geval zou
                            rechtsongelijkheid kunnen ontstaan doordat de verkoper niet, maar de
                            dienstverlener wel onder de richtlijn valt. Daarom is in de APV geen
                            onderscheid gemaakt tussen verkoop en dienstverlening voor wat betreft
                            de weigeringsgronden.</al><al>Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als
                            zodanig voor in de richtlijn. De vraag waar deze dan wel onder vallen
                            kan als volgt worden beantwoord:</al><al></al><al><cursief>Overlast</cursief></al><al>Vanouds is de APV een openbare orde en overlastverordening. Het begrip
                            ‘overlast’ komt in het EG-recht bij de toetsing van uitzonderingen op
                            het vrije verkeer niet voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over
                            overlast. Het milieubegrip omvat echter alle soorten van overlast die
                            gerelateerd zijn aan de omgeving/het milieu. Te denken valt aan
                            geluidsoverlast, geurhinder, overlast veroorzaakt door stof, afval e.d.
                            Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt eveneens onder bescherming van
                            het milieu of zelfs gezondheid.</al><al></al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Verkeersveiligheid</cursief></al><al>De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van
                            algemeen belang als bedoeld in artikel 9 van de Dienstenrichtlijn. Maar
                            ook is er sprake van een belang dat te scharen valt onder de
                            volksgezondheid, als het voorkomen van verkeersslachtoffers het te
                            beschermen belang betreft.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Veiligheid van personen en gezondheid</cursief></al><al>Deze gronden waarop voorheen een evenementenvergunning kon worden
                            geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer
                            (gezondheid) kunnen als een belang van volksgezondheid worden
                            aangemerkt.</al><al></al><al><cursief>Zedelijkheid</cursief></al><al>Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip openbare orde, zoals dit
                            wordt uitgelegd in overweging 41. Te denken valt aan de bescherming van
                            de menselijke waardigheid of in het geval van dierenmishandeling
                            (bijvoorbeeld gansslaan, palingtrekken of zwijntjetik) aan het belang
                            van dierenwelzijn. Ook andere dwingende redenen dan de openbare orde
                            kunnen een ‘zedelijkheidsaspect’ hebben. </al><al><cursief>Voorzieningenniveau bij standplaatsen</cursief></al><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau
                            in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare ordebelang
                            aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd
                            worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de
                            vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie
                            van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het
                            reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk
                            belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling
                            slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het
                            voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in
                            gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren
                            dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de
                            plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar
                            komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.</al><al>De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor
                            standplaatsvergunningen waar (mede) diensten worden verleend niet toe,
                            omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane,
                            belemmering voor het vrije verkeer van diensten. Het blijft echter nog
                            wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren bij een standplaats
                            voor het verkopen van goederen (zie artikel 5:14, tweede lid, onder b).
                            Daarop is de richtlijn immers niet van toepassing.</al><al></al><al><cursief>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</cursief></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de
                            aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te
                            vinden alvorens tot vergunningverlening kan worden overgegaan. Artikel
                            9, tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om desgevraagd bij
                            een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000,
                            een document te overleggen waaruit het rechtmatige verblijf blijkt.
                            Artikel 8.3, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000) bepaalt
                            dat een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft op grond van
                            artikel 8 van de Vw 2000 geen aanspraak kan maken op de toekenning van
                            vergunningen en ontheffingen door bestuursorganen van o.m. gemeenten ,
                            voor zover die betrekking hebben op standplaatsen, markten, venten,
                            collecteren, evenementen of beroepsmatige dan wel bedrijfsmatige
                            activiteiten.<vet></vet></al><al></al><al><vet>Artikel 1:9 Lex Silencio Positivo (vervallen)</vet></al><al>Omwille van de duidelijkheid zijn bij de derde wijziging van de APV de
                            LSP bepalingen ondergebracht bij alle vergunningen en ontheffingen. Bij
                            alle vergunningen en ontheffingen is een extra bepaling opgenomen met
                            betrekking tot de LSP. Aangegeven is of de LSP wel of niet van
                            toepassing is. </al><al>De LSP vloeit voort uit de Europese dienstenrichtlijn en is landelijk
                            geborgd in de Algemene wet bestuursrecht in paragraaf 4.1.3.3. De LSP
                            houdt in dat er een positieve fictieve beschikking wordt gegeven bij het
                            niet tijdig beslissen op een aanvraag. Op een aantal artikelen is de LSP
                            niet van toepassing verklaard. Als er dwingende redenen van algemeen
                            belang voor zijn, biedt de wetgeving de mogelijkheid om de LSP niet toe
                            te passen. Zo zijn onder andere de evenementenvergunningen en
                            vergunningen voor een seksinrichting uitgezonderd van de LSP.</al><al></al><al><vet>HOOFDSTUK 2. OPENBARE ORDE</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>AFDELING 1. BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN</vet></al><al><vet></vet></al><al>In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het
                            gebruik </al><al>als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden en de
                            openbare </al><al>orde op andere openbare plaatsen te waarborgen. De diverse functies van
                            de openbare ruimte, onder andere voor demonstraties, optochten en
                            feesten, vraagt om een scheiding dan wel regulering van het
                            gebruik.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 WvSr: “Hij die
                            opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk
                            verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan
                            gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing,
                            gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete
                            van de tweede categorie.”</al><al>Zie hierover de in het commentaar bij het tweede lid genoemde
                            jurisprudentie. Onder omstandigheden is het denkbaar dat een
                            samenscholing het karakter heeft van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op
                            de Wet openbare manifestaties moeten dit soort samenscholingen van de
                            werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het vijfde lid is dit
                            dan ook gebeurd.</al><al></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In het tweede lid wordt aan de burger de verplichting opgelegd om zich
                            op bevel van een politieambtenaar te verwijderen van een openbare plaats
                            bij (dreigende) ongeregeldheden.</al><al>De bevoegdheid van de politie om bevelen te geven volgt uit artikel 2
                            Politiewet. Artikel 2:1, tweede lid van de APV bevat het geven van een
                            bevel in een concreet geval. </al><al>Ook in het proces verbaal en de tenlastelegging moet het niet opvolgen
                            van het politiebevel worden vervolgd op grond van overtreding van
                            artikel 2:1 jo. het desbetreffende strafartikel van de gemeentelijke APV
                            (artikel 6:1 van de APV).</al><al>Naast de politiebevelen ex artikel 2:1 APV blijven uiteraard ook de
                            bevelen van de burgemeester in het kader van diens
                            openbare-ordebevoegdheden mogelijk. Bevelen van de burgemeester,
                            bijvoorbeeld op grond van de Gemeentewet, of aanwijzingen in het kader
                            van de Wet Openbare Manifestaties die de politie in mandaat uitvoert en
                            die niet worden opgevolgd, kunnen nog steeds strafbaar worden gesteld op
                            grond van artikel 184, eerste lid Wetboek van Strafrecht.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Oordeel van de politie is element van gemeentelijke strafbepaling. HR 12
                            02 1940, NJ 140, 622, AB 1940, p. 744, Gst. 1940, p. 125 (Haags
                            tippelverbod). Zie ook: HR 02 06 1903, W. 7938, Gst., 2715 (APV
                            Amsterdam); HR 20 01 1936, NJ 1936, 343, Gst. 1936, p. 90, AB 1936, p.
                            558 (APV Amsterdam); HR 03 06 1969, NJ 1969, 411, AB 1970, p. 17, OB
                            1971, XIV.3, nr. 30391, NG 1970, p. 616 m.nt. H.R.G. Veldkamp (APV
                            Amsterdam) en HR 17 03 1970, NJ 1970, 331, OB 1971, X.4, nr. 31108, NG
                            1971, p. 292 (APV Arnhem). </al><al>Van een volksoploop ex artikel 186 WvSr is sprake als een menigte zich
                            verzamelt. De openbare orde hoeft niet te worden verstoord. HR
                            26-02-1991, NJ 1991, 512 en HR 14-01-1992, NJ 1992, 380.</al><al>Relatie tussen APV bepaling en artikel 184 en 186 WvSr. Aanvulling van
                            de gemeentelijke wetgever erkend. HR 02 06 1903, W. 7938 (APV Amsterdam)
                            en HR 25 06 1963, NJ 1964, 239 m.nt. B.V.A. Röling
                            (samenscholingsarrest).</al><al>HR 29-01-2008, NJ 2008, 206, LJN BB4108: Voor een bevel of vordering
                            ‘krachtens wettelijk voorschrift’ gedaan als bedoeld in art. 184, eerste
                            lid, Sr is vereist dat het betreffende voorschrift uitdrukkelijk inhoudt
                            dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het geven van een bevel of
                            het doen van een vordering. Art. 2 Politiewet 1993 bevat een algemene
                            taakomschrijving voor de politie en kan niet worden aangemerkt als een
                            wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen
                            worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van art. 184, eerste
                            lid, Sr moet worden voldaan. Art. 2 Politiewet 1993 kan wel worden
                            aangemerkt als een wettelijk voorschrift ter uitvoering waarvan de in
                            art. 184 Sr bedoelde ambtenaren handelingen kunnen ondernemen waarvan
                            het beletten, belemmeren of verijdelen overtreding van art. 184, eerste
                            lid, Sr kan opleveren.</al><al>LJN BM9992, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 juni 2010: Nu art. 7 APV
                            Tilburg niet uitdrukkelijk bepaalt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd
                            is tot het doen van een vordering als bedoeld in art. 184 Sr, wordt de
                            verdachte vrijgesproken van de ten laste gelegde overtreding van art.
                            184 Sr.</al><al>LJN BO4382, Gerechtshof Leeuwarden, 16 november 2010: Aan verdachte is
                            onder 2 ten laste gelegd dat hij opzettelijk een bevel of vordering
                            krachtens artikel 2.3.1.7. en/of 2.1.1.1. van de Algemene Plaatselijke
                            Verordening van de gemeente [gemeente] (hierna: APV), in elk geval
                            krachtens enig wettelijk voorschrift, niet heeft opgevolgd. Het in
                            artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr)
                            beschreven misdrijf vereist een krachtens wettelijk voorschrift gedane
                            vordering. Een dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de
                            betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering. Het
                            hof overweegt dat de artikelen 2.3.1.7. en 2.1.1.1. van de APV niet
                            uitdrukkelijk een dergelijke bevoegdheid bevatten. Derhalve zijn deze
                            artikelen geen "wettelijk voorschrift" in de zin van artikel 184, eerste
                            lid, Sr. Voorts kan ook artikel 2 van de Politiewet 1993 niet worden
                            aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of
                            bevelen kunnen worden gegeven, waaraan op straffe van overtreding van
                            artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht moet worden
                            voldaan.<vet></vet></al><al></al><al><vet>Artikel 2:2 Verstoring van de openbare orde</vet></al><al></al><al>Het betreft hier een zogenaamd kapstopkartikel dat derhalve in algemene
                            bewoordingen is gesteld. De vermelde artikelen uit het Wetboek van
                            Strafrecht betreffen meer bijzondere vormen van baldadigheid. Dit
                            artikel geeft de politie een handvat om bij (dreigende) ordeverstoring
                            anders dan bedoeld in artikel 424 en 426 bis Wetboek van Strafrecht op
                            te treden.</al><al><vet></vet></al><al><vet>AFDELING 2. BETOGING </vet></al><al></al><al><vet>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</vet></al><al></al><al>Dit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare
                            manifestaties (WOM). In artikel 1 van de Wet openbare manifestaties
                            wordt in het eerste lid “openbare plaats” gedefinieerd als: een plaats
                            die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. In
                            het tweede lid is bepaald dat daaronder niet is begrepen: een gebouw of
                            besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet
                            (een kerk, moskee, synagoge of een ander gebouw dat met name wordt
                            gebruikt voor godsdienstige of levensbeschouwelijke doelen).Uit de
                            artikelen 3 en 4 WOM volgt dat de gemeenteraad moet bepalen of, en zo
                            ja, voor welke activiteiten een kennisgeving is vereist en daarbij
                            enkele procedurebepalingen moet vaststellen. Artikel 5 WOM kent de
                            burgemeester de bevoegdheid toe om naar aanleiding van een kennisgeving
                            voorschriften en beperkingen te stellen of een verbod te geven; artikel
                            6 WOM kent hem een aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 WOM
                            bepaalt dat hij bevoegd is aan de organisatoren van de desbetreffende
                            activiteit de opdracht te geven deze te beëindigen en uiteen te gaan.
                            Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare
                            plaatsen kent artikel 8 WOM de burgemeester o.a. de bevoegdheid toe
                            opdracht te geven deze te beëindigen.</al><al></al><al><cursief>Uitgangspunten Wet openbare manifestaties</cursief></al><al>De WOM beoogt een eenvormige regeling te geven voor de activiteiten die
                            onder de bescherming van de artikelen 6 en 9 Grondwet vallen. Het gaat
                            daarbij om betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden
                            van godsdienst of levensovertuiging voorzover die op openbare plaatsen
                            gehouden worden. De WOM heeft betrekking op collectieve uitingen. Van
                            een collectieve uiting kan volgens de regering al sprake zijn wanneer
                            daaraan meer dan twee personen deelnemen (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5,
                            p. 8).Individuele uitingsvormen zijn buiten de regeling gebleven. Zowel
                            artikel 6 als artikel 9 Grondwet maken het mogelijk ook deze onder de
                            WOM te brengen, maar de wetgever acht dat niet nodig. Overigens vallen
                            individuele uitingen wel onder de bescherming van artikel 7 Grondwet.
                            Het eerste lid van artikel 7 verbiedt expliciet een voorafgaand verlof
                            ten aanzien van schriftelijke uitingen, ook als die uitingen
                            godsdienstig of levensbeschouwelijk van aard zijn. Niet-schriftelijke
                            uitingen van gedachten of </al><al>gevoelens worden beschermd krachtens het derde lid van artikel 7
                            Grondwet. De inhoud mag niet aan voorafgaand verlof onderworpen zijn,
                            maar de vorm waarin zij geopenbaard worden wel. De wetgever heeft de
                            bevoegdheid tot beperking van de onderhavige grondrechten aan de
                            gemeenten opgedragen. Argumenten hiervoor zijn: de regeling van onder
                            andere de betoging houdt nauw verband met de plaatselijke openbare orde.
                            De gemeenten hebben hiermee in de loop der jaren waardevolle ervaringen
                            opgedaan. De memorie van toelichting geeft een opsomming van de
                            bevoegdheden die de WOM aan gemeenteraden en burgemeesters toekent (TK
                            1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 5/6):</al><lijst><li nr="1."><al>de bevoegdheid tot het creëren van een kennisgevingstelsel voor
                                    betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van
                                    godsdienst of levensovertuiging op openbare plaatsen. De wet
                                    laat een zekere variatie toe ten aanzien van kwesties als: voor
                                    welke activiteiten is een kennisgeving vereist; aan welke
                                    vereisten moet een kennisgeving voldoen; welke voorschriften en
                                    beperkingen kunnen opgelegd worden; </al></li><li nr="2."><al>de bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen; </al></li><li nr="3."><al>de bevoegdheid in het uiterste geval de betreffende activiteit
                                    te doen beëindigen.</al></li></lijst><al></al><al>Een aantal onderwerpen is daarentegen geheel of gedeeltelijk aan de
                            plaatselijke regelgeving onttrokken. De reden is dat enerzijds de
                            Grondwet zich tegen een dergelijke regeling verzet en dat anderzijds de
                            rechtsgelijkheid een uniforme regeling van de centrale wetgever
                            rechtvaardigt. Het gaat met name om de volgende onderwerpen (TK
                            1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 6): </al><al>het aanwijzen van de gronden waarop beperking van de onderhavige
                            grondrechten door gemeentelijke organen is toegestaan (artikelen 2 en 8
                            WOM); </al><al>een verbod van voorafgaand toezicht op de inhoud van uitingen die
                            tijdens eerder genoemde activiteiten zullen worden gedaan (artikelen 3,
                            vierde lid, 4, derde lid, en 5, derde lid); </al><al>de bescherming van het functioneren van buitenlandse
                            vertegenwoordigingen en bepaalde andere instellingen die een bijzondere
                            volkenrechtelijke bescherming genieten, voorzover deze bescherming
                            verder dient te reiken dan “de bestrijding of voorkoming van
                            wanordelijkheden”(artikel 9 WOM); </al><al>de strafbaarstelling van overtreding van een aantal bij de WOM gegeven
                            normen (artikel 11 WOM) en de strafbaarstelling van verhindering en
                            verstoring van geoorloofde openbare manifestaties (wijziging van de
                            artikelen 143-146 Wetboek van Strafrecht, onder artikel 11 WOM); </al><al>de bescherming van de zondagsrust, voorzover deze bescherming verder
                            dient te reiken dan “de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden”
                            (wijziging van de artikelen 3, 5 en 5a en 8 Zondagswet, onder artikel
                            III WOM). </al><al></al><al>Voor op vaste tijdstippen regelmatig terugkerende godsdienstige of
                            levensbeschouwelijke bijeenkomsten op openbare plaatsen, uitgaande van
                            een kerkgenootschap en zelfstandig onderdeel daarvan of een genootschap
                            op geestelijke grondslag is, gelet op artikel 3, derde lid, WOM een
                            eenmalige kennisgeving voldoende. De gemeenteraad heeft twee
                            mogelijkheden; of deze bijeenkomsten ongeregeld laten of een eenmalige
                            kennisgeving voorschrijven.</al><al>Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare
                            plaatsen kent </al><al>de WOM uitsluitend repressieve bevoegdheden toe aan de burgemeester
                            (artikel 8 </al><al>WOM). Voor deze activiteiten is geen voorafgaande kennisgeving
                            vereist.</al><al></al><al><cursief>Openbare en andere dan openbare plaatsen</cursief></al><al>De reden dat in de WOM voor openbare en andere dan openbare plaatsen
                            verschillende regimes zijn opgenomen is dat, volgens de wetgever,
                            regulering van manifestaties op andere dan openbare plaatsen niet zozeer
                            nodig is. Een terughoudende opstelling van de overheid is op zijn
                            plaats. Daarnaast maakt de redactie van artikel 6 Grondwet dit
                            onderscheid noodzakelijk. Delegatie van de beperkingsbevoegdheid heeft
                            de grondwetgever uitsluitend mogelijk gemaakt ten aanzien van belijdenis
                            van godsdienst of levensovertuiging “buiten gebouwen en besloten
                            plaatsen”. De regering geeft de voorkeur aan een functionele
                            omschrijving bij de afbakening van het begrip openbare plaats, niet-
                            openbare plaats of besloten plaats, waarin de bestemming of de wijze van
                            gebruik van een plaats bepalend is, en niet een enkel uiterlijk
                            kenteken, zoals het al dan niet afgescheiden zijn van de plaats (TK
                            1985-1986, 19 427, nr.3, p. 16).</al><al></al><al>Wat is nu de betekenis van de begrippen “openbare en andere dan openbare
                            plaatsen”?</al><al></al><al>Artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk
                            een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het
                            publiek. Deze definitie kent dus twee criteria.</al><al>Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens
                            de memorie van toelichting zeggen “dat in beginsel een ieder vrij is om
                            er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op
                            die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag
                            zijn (...). Dat de plaats "open staat" betekent verder dat geen sprake
                            is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing
                            van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”.</al><al></al><al>Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen,
                            restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook
                            de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”. </al><al>Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn
                            gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het
                            karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een
                            besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende
                            bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer
                            de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die
                            bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus
                            de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16).</al><al></al><al>Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid,
                            WOM zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij
                            toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van
                            stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en
                            recreatieplassen. Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats”
                            ook een aantal “besloten Plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid,
                            Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, WOM expliciet
                            aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw
                            of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet
                            (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr. 6).</al><al></al><al><cursief>Betoging</cursief></al><al>Wanneer kan van een betoging worden gesproken? Blijkens de
                            jurisprudentie van de </al><al>Hoge Raad kan sprake zijn van een betoging als: </al><al>een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet
                            in beweging, en; </al><al>de groep er op uit is een mening uit te dragen. </al><al></al><al>De memorie van toelichting bij de WOM geeft aan dat het bij de betoging
                            gaat om het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen
                            op politiek of maatschappelijk gebied (TK 1986-1987, 19 427, nr. 3, p.
                            8). Er worden dus drie eisen gesteld: meningsuiting (openbaren van
                            gedachten en gevoelens), openheid en groepsverband. Het gezamenlijk
                            optreden moet ook gericht zijn op het uitdragen van een mening. Een
                            betoging is niet noodzakelijkerwijs een optocht en een optocht is niet
                            perse een betoging. Een betoging kan een optocht zijn (HR 30-05-1967, NJ
                            1968, 5). De Hoge Raad acht voor het aanwezig zijn van een betoging geen
                            “menigte” nodig. Acht personen worden al voldoende geacht om van een
                            betoging te kunnen spreken (HR 11-05- 1976, NJ 1976, 540). Bij de
                            parlementaire behandeling van artikel 9 Grondwet is “betoging”
                            omschreven als “het middel om, het liefst met zoveel mogelijk mensen, in
                            het openbaar uiting te geven aan gevoelens en wensen op maatschappelijk
                            en politiek gebied”. Alleen een vreedzame betoging kan aanspraak maken
                            op grondwettelijke bescherming. Het aspect van de meningsuiting moet
                            voorop staan. Als onder het mom van een betoging activiteiten worden
                            ontplooid die strijdig zijn met onze rechtsorde, zal de vraag moeten
                            worden beoordeeld of er nog wel sprake is van een betoging in de zin van
                            het grondwettelijk erkende recht (TK 1975-1976, </al><al>13872, nr. 4, p. 95-96). Bij de parlementaire behandeling van artikel 9
                            heeft de regering er op gewezen dat de door haar gegeven karakterisering
                            van het begrip “betoging” meebrengt dat acties, waarvan de hoedanigheid
                            van gemeenschappelijke meningsuiting op de achtergrond is geraakt en die
                            het karakter hebben van dwangmaatregelen jegens de overheid of jegens
                            derden, geen betogingen in de zin van het voorgestelde artikel 9 zijn.
                            Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij blokkades van wegen en
                            waterwegen (TK 1976-1977, 13872, nr. 7, p. 33). </al><al>Een optocht die niet primair het karakter heeft van een
                            gemeenschappelijke meningsuiting, zoals Sinterklaas- en
                            carnavalsoptochten en bloemencorso’s, is geen manifestatie in de zin van
                            artikel 1, eerste lid, onder a WOM (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 8).
                            Zo’n optocht kan, als die opiniërende elementen bevat, wel onder de
                            bescherming van artikel 7, derde lid, Grondwet vallen.</al><al></al><al><cursief>Onwettig en intolerant gedrag tegenover een
                            betoging</cursief></al><al>Het recht van betoging kan niet zonder meer beperkt worden. In de
                            jurisprudentie over het onwettig of intolerant gedrag van derden
                            tegenover de deelnemers aan een betoging, is uitgemaakt dat een
                            beperking van het recht tot betoging moet zijn gelegen in zwaarwegende
                            omstandigheden.</al><al></al><al><cursief>Klokgelui en oproepen tot gebed</cursief></al><al>Artikel 10 WOM stelt dat de gemeenteraad bevoegd is terzake regels te
                            stellen </al><al>met betrekking tot duur en geluidsniveau. De strekking van artikel 10
                            WOM is niet om een beperkingsbevoegdheid op het grondrecht vrijheid van
                            godsdienst of levensovertuiging te creëren, maar om het recht tot
                            klokluiden en oproepen tot gebed buiten twijfel te stellen en </al><al>daarnaast de autonome bevoegdheid van gemeentebesturen om in het kader
                            van de </al><al>beperking van geluidsoverlast regelend op te treden onverlet te laten.
                            Gemeentelijke regels die klokgelui en oproepen tot gebed in het kader
                            van geluidsoverlast beperken zijn dus geen medebewind, maar autonome
                            bepalingen. Artikel 10 WOM vertoont een zekere overlap met artikel 4:5
                            van de APV 2010 (overige geluidhinder). Zie de toelichting bij dat
                            artikel.</al><al></al><al><cursief>Gemeentelijke bevoegdheden</cursief></al><al>Los van zijn bevoegdheden krachtens de WOM, blijft de burgemeester
                            bevoegd tot optreden krachtens de artikelen 175 en 176 Gemeentewet. De
                            memorie van toelichting bij de WOM geeft dit aan en ook de minister
                            belicht tijdens de Kamerbehandeling deze bevoegdheid nadrukkelijk. Deze
                            twee artikelen zijn echter slechts beperkt toepasbaar. Er mag namelijk
                            pas gebruik van gemaakt worden wanneer er sprake is van ernstige vrees
                            voor verstoring van de openbare orde of als er daadwerkelijk sprake is
                            van ernstige verstoring van de openbare orde. In die gevallen kan de
                            burgemeester krachtens artikel 175 de nodige bevelen of krachtens
                            artikel 176 Gemeentewet een noodverordening uitvaardigen. De vraag rijst
                            of de burgemeester met behulp van deze noodbevoegdheden grondrechten,
                            zoals in dit geval het betogingsrecht, mag beperken.</al><al>De regering heeft tijdens de behandeling van de herziene Grondwet
                            namelijk gesteld dat de clausule “behoudens ieders verantwoordelijkheid
                            volgens de wet” inhoudt dat alleen de formele wetgever zonder
                            delegatiemogelijkheid bevoegd is tot het beperken van grondrechten en
                            dat de formele wet zelf de omvang van de grondrechtbepaling moet
                            aangeven. In artikel 175 Gemeentewet is thans expliciet opgenomen dat de
                            burgemeester bij het geven van noodbevelen kan afwijken van andere dan
                            bij de Grondwet gestelde voorschriften. Het verbod van delegatie zou een
                            obstakel kunnen zijn voor de burgemeester om krachtens artikel 176
                            Gemeentewet een grondrecht te beperken door middel van een
                            noodverordening. Volgens de Hoge Raad voegt het voorschrift op grond van
                            artikel 176 Gemeentewet zich in als bestanddeel in de omschrijving van
                            de overtreding tegen het openbaar gezag van artikel 443 Sr. en het is
                            “dus de wet (in formele zin), die in die noodtoestand de zeer tijdelijke
                            onderbreking van de uitoefening van het grondrecht gedoogt”, HR
                            28-11-1950, NJ 1951, 137 (Tilburgse APV).</al><al>Bij betogingen waarbij ernstige vrees voor verstoring van de openbare
                            orde bestaat of de verstoring daadwerkelijk plaatsvindt, kan de
                            burgemeester derhalve bevelen, zoals bedoeld in artikel 175 of de
                            noodverordening zoals bedoeld in artikel 176 Gemeentewet uitvaardigen.
                            Dit zou in het uiterste geval zelfs een verbod tot het houden van een
                            betoging kunnen inhouden. Op de strekking en reikwijdte van artikel 175
                            en 176 Gemeentewet is tijdens de parlementaire behandeling en in de
                            literatuur uitgebreid ingegaan. Door de staatssecretaris is tijdens de
                            mondelinge behandeling van dit wetsontwerp in de Eerste Kamer opgemerkt:
                            “De gevallen waarin de noodbevoegdheden van de burgemeester kunnen
                            worden toegepast, staan in een logisch verband met de gronden krachtens
                            welke grondrechten als hier aan de orde mogen worden beperkt. De
                            burgemeester heeft dus in de noodsituaties, bedoeld in de artikelen 175
                            en 176, grondwettelijk de bevoegdheid om grondrechtbeperkende bevelen te
                            geven ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer
                            of ter bestrijding of voorkoming van </al><al>Wanordelijkheden”. Verder wordt aangegeven dat ook uit de
                            toepassingshistorie van de artikelen 219 en 220 van de oude gemeentewet
                            volgt dat de noodbevoegdheden passen in het kader </al><al>van de beperkingsregelingen van grondrechten.</al><al></al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de Algemene Termijnenwet van
                            overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke
                            verordeningen, tenzij in de verordening anders is bepaald. Het vierde
                            lid bevat zo’n afwijkende bepaling, die voorkomt dat afhandeling op
                            zaterdag of zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een werkdag
                            na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over
                            enige uren voor beoordeling en besluitvorming te beschikken.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>De door verzoekers verwachte ordeverstoringen, het wellicht voorvallen
                            van </al><al>strafbare feiten en de omstandigheid dat de demonstratieve optocht van
                            het COC </al><al>ook de bisschop als stuitend zou voorkomen, bieden geen grond tot
                            beperking van </al><al>de vrijheid van meningsuiting. Vz.ARRS 11-04-1979, Arob editie 1986, nr.
                            122 m.nt. De M. Het doel van de optocht kan de burgemeester geen grond
                            opleveren voor weigering van de vergunning. Wnd. Vz.ARRS, 23-11-1979, NG
                            1980, p. S 59, OB 1980, III.2.2.7, nr. 41197 en Gst. 1980, 6602 m.nt.
                            J.M. Kan (demonstratie Den Haag).</al><al>Onwettig gedrag van derden tegenover de deelnemers, zware belasting van
                            het </al><al>politiekorps en ernstige hindering van het verkeer zijn onvoldoende
                            zwaarwegende </al><al>omstandigheden om het betogingrecht te beperken. Vz.ARRS 27-05-1982, AB
                            1983, 62, m.nt. JHvV, tB/S XI, nr. 55, m. nt. tB/S, (Idem
                            demonstratieverbod Afcent, Wnd.Vz.ARRS, 30-05-1983, AB 1984, 85, P.J.
                            Boon, Arob editie 1986, 78, m. nt. MCB.) De omstandigheid dat een
                            bepaalde demonstratie bij het publiek irritaties opwekt of
                            tegendemonstraties uitlokt, is onvoldoende basis om de demonstratie op
                            grond van de WOM te verbieden. Slechts wanneer er gegronde vrees bestaat
                            voor ernstige ongeregeldheden die niet kunnen worden voorkomen of
                            bestreden door middel van door de overheid te treffen maatregelen, kan
                            er grond bestaan een demonstratie </al><al>te verbieden. Wnd.Vz.ARRS 21-03-1989, KG 1989, 158. Een betoging mag
                            slechts in dwingende situaties preventief worden verboden. Zo’n
                            beperking van het recht van demonstratie kan in beginsel niet gelegen
                            zijn in de overweging dat onwettige gedragingen van derden tegenover
                            deelnemers aan een betoging de verstoring van de openbare orde tot
                            gevolg zullen hebben. Pres. Rb Maastricht 22 maart 2001, JG 01.0198. In
                            gelijke zin: Voorzieningenrechter Rb.Rotterdam 24-01-2002, JG 02.0040
                            ,en: de uitoefening van een grondrecht mag aanleiding zijn tot een
                            grotere inspanning dan bij evenementen als een risicowedstrijd van een
                            voetbalclub. Het gaat hier om de waarborging van de uitoefening van een
                            grondrecht. De WOM is niet van toepassing op een persconferentie in een
                            woonhuis. ARRS 30-12-1993, JG 94.0160, Gst. 1994, 6983, 4 m.nt. HH,
                            AB1994, 242 m.nt. RMvM. De actie ter blokkering van het vliegverkeer
                            d.m.v. het oplaten van ballonen door de Vereniging Milieudefensie is een
                            betoging wegens de gemeenschappelijke meningsuiting. Pres. Rb Haarlem
                            25-10-1996, Gst. 1996, 7044, 4 m.nt. EB, JB 1996, 266 m.nt. REdW.</al><al></al><al><vet>AFDELING 3. VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN</vet></al><al><cursief></cursief></al><al><vet>Artikel 2:4 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte
                                stukken of afbeeldingen of proefmonsters</vet></al><al><vet></vet></al><al>Folderen, flyeren en het uitdelen van gratis proefmonsters is
                            toegestaan, behoudens op of aan door het college aangewezen wegen of
                            gedeelten daarvan. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het verbod
                            voor die wegen nog weer te beperken tot nader aan te geven dagen en
                            uren, waarbij het vierde lid het college de bevoegdheid geeft voor het
                            dan nog resterende verbod een ontheffing te verlenen. Van de in het
                            eerste lid toegekende bevoegdheid mag het college niet zodanig gebruik
                            maken dat er “geen gebruik van enige betekenis” overblijft. </al><al>Artikel 2:4 heeft onder andere betrekking op het grondrecht waarmee de
                            gemeentelijke wetgever het meest wordt geconfronteerd, namelijk de
                            vrijheid van meningsuiting. Dit grondrecht is geformuleerd in artikel 19
                            IV, artikel 10 EVRM en artikel 7 van de Grondwet.</al><al>Artikel 7 Grondwet luidt als volgt:</al><al>Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of
                            gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de
                            wet. </al><al>De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand
                            toezicht op de inhoud van een radio of televisie uitzending. </al><al>Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de
                            voorafgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof
                            nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid
                            volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen, toegankelijk voor
                            personen jonger dan zestien jaar, regelen ter bescherming van de goede
                            zeden. </al><al>De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van
                            handelsreclame. </al><al></al><al>De drukpersvrijheid is in het eerste lid van artikel 7 van de Grondwet
                            als een zelfstandige bepaling opgenomen en vormt een lex specialis ten
                            opzichte van het derde lid. De tekst van het eerste lid is letterlijk
                            gelijk aan die van artikel 7 van de oude Grondwet, waarmee beoogd is de
                            bestaande jurisprudentie op dat punt intact te laten. De constante
                            jurisprudentie op artikel 7 van de oude Grondwet kan als volgt worden
                            samengevat.</al><al></al><al><cursief>Daklozenkrant</cursief></al><al>De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond
                            van artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan
                            een vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2:6Als
                            verkoop plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt,
                            dan kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan. Het verdient
                            aanbeveling om te overleggen met de koepelorganisaties die de daklozen
                            vertegenwoordigt. Immers niet iedereen kan een straatkrant verkopen. De
                            verkopers moeten in het bezit zijn van een identiteitsbewijs van de
                            koelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen dat ze officiële
                            straatkantverkopers zijn.</al><al></al><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>Het verspreiden van gedrukte stukken valt niet onder de Wabo, ook niet
                            als daar een element van handelsreclame zit.</al><al></al><al><cursief>Uitdelen van proefmonsters</cursief></al><al>Doorgaans levert het uitdelen van proefmonsters geen problemen op. Vaak
                            wordt voor deze activiteit een incidentele standplaatsvergunning op
                            grond van artikel 5:14 van de APV verleend. Voor die gevallen waarbij
                            geen standplaats ingenomen wordt en gratis proefmonsters op straat
                            uitgedeeld worden, is dit zonder vergunning mogelijk. Indien zich echter
                            situaties voordoen waarbij de openbare orde wordt verstoord, kunnen
                            openbare plaatsen worden aangewezen waar het niet is toegestaan om te
                            proefmonsters uit te delen. Ook kan het uitdelen van proefmonsters
                            beperkt worden in bepaalde uren of dagen. </al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>I. Het in artikel 7, lid 1 van de Grondwet beschermde recht om zonder
                            voorafgaand verlof gedachten en gevoelens door de drukpers te openbaren
                            impliceert het recht om de inhoud van geschreven of gedrukte stukken of
                            afbeeldingen, waarin gedachten en gevoelens zijn geopenbaard, zonder
                            voorafgaand verlof door verspreiding of door enig ander middel in het
                            openbaar aan het publiek bekend te maken. 07 11 1892, W. 6259
                            (ventverbod ‘s </al><al>Gravenhage); HR 28 11 1950, NJ 1951, 137 en 138 m.nt. W.P.J. Pompe, OB
                            1951, </al><al>IX.1, nr. 8326, NG 1951, p. 123, AB 1951, 437 en 443 (APV Tilburg en APV </al><al>Sittard) en Gst. 22 1 1981, NG 1981, Gst. 1982, 6692,2 m.nt. J.M. Kan,
                            OB </al><al>1981, III.2.2.7, nr. 42609 (reclameverordening ‘s Gravenhage). </al><al>II. Elk middel tot bekendmaking dat naast andere middelen zelfstandige
                            betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde
                            behoefte kan voorzien, valt onder de bescherming van artikel 7. Dit
                            betekent dat de bekendmaking van gedachten en gevoelens met behulp van
                            middelen, die in het maatschappelijk verkeer dezelfde functie vervullen
                            als geschriften in eigenlijke zin, is begrepen in de in artikel 7
                            erkende vrijheid van drukpers. </al><al>III. De gemeentelijke wetgever mag niet beperkend optreden jegens de
                            inhoud van gedrukte stukken e.d., maar is krachtens artikel 149
                            Gemeentewet wel bevoegd het in het openbaar bekend maken (“verspreiden”)
                            van gedrukte stukken e.d. aan beperkingen te onderwerpen in het belang
                            van de openbare orde, zedelijkheid en gezondheid en van andere zaken
                            betreffende de huishouding der gemeente.</al><al></al><al>Daarbij geldt dat: </al><al>een vergunningenstelsel (voorafgaand verlof) voor het gebruik van een
                            bepaald middel van bekendmaking dat naast andere middelen zelfstandige
                            betekenis heeft, niet is geoorloofd;</al><al>een algemeen verbod tot zodanig gebruik evenmin is toegestaan; </al><al>een (naar tijd, plaats en wijze) beperkt verbod mogelijk is, mits: </al><al>a. die beperking geen betrekking heeft op de inhoud van de gedrukte
                            stukken, doch gesteld is in het belang van de openbare orde e.d.; </al><al>b. gebruik “van enige betekenis” overblijft; anders komt de beperking in
                            feite neer op een algemeen verbod, HR 17 03 1953, NJ 1953, 389 m.nt.
                            B.V.A. Röling, OB 1953, IX.1, nr. 10867, NG 1953, p. 264, AB 1953, p.
                            587 (Wachttorenarrest); ARRS 28-04-1981, Gst. 1981, 6686 m.nt. J.M. Kan,
                            OB 1982, nr. 43849, III.2.2.7 (APV Nijmegen). </al><al></al><al><vet>AFDELING 4. VERTONING E.D. OP DE WEG </vet></al><al><cursief></cursief></al><al><vet>Artikel 2:5 Muziek en vermakelijkheden (waaronder
                                straatmuzikanten)</vet></al><al><vet></vet></al><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid tot regeling van de activiteiten van
                            straatmuzikanten. Bij de derde wijziging van de APV 2011 is de
                            vrijstelling voor straatmuzikanten die geen gebruik maken van
                            geluidsversterking geschrapt. In de praktijk is gebleken dat muzikanten
                            zich niet altijd houden aan het voorschrift dat zij zich elke half uur
                            moeten verplaatsen. Verder bleek dat het aantal straat muzikanten toenam
                            en overlast veroorzaakt bij geldautomaten van parkeergarages. Overlast
                            bestond uit o.a. het opdringerig bedelen. Met het schrappen van de
                            vrijstellingsbepaling geldt er een vergunningplicht voor alle
                            straatmuzikanten en is er zicht op het aantal vergunninghouders en op de
                            locaties waar zij hun plek mogen innemen. Verder kan een vergunning
                            worden ingetrokken op het moment dat zij zich niet aan de voorschriften
                            houden. Ook kan worden voorkomen dat bijvoorbeeld de toegang tot winkels
                            wordt belemmerd wanneer zich rond een muziekgroep een groot aantal
                            omstanders heeft gevormd. Dit probleem zal zich overigens met name
                            gedurende de zomermaanden voordoen. </al><al><vet></vet></al><al><vet>AFDELING 5. BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEG </vet></al><al><cursief></cursief></al><al><vet>Artikel 2:6 Het plaatsen van voorwerpen of stoffen op of aan een
                                openbare plaats</vet></al><al></al><al>Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op
                            situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen
                            zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van
                            reclameborden, uitstallingen voor winkels of containers.</al><al></al><al><cursief>Deregulering</cursief></al><al>In het kader van de deregulering en de vermindering van administratieve
                            lasten is bekeken of de vergunningplicht in dit artikel kan vervallen.
                            Dat is een discussie met vele kanten, en voor diverse oplossingen valt
                            iets te zeggen. In Almere is ervoor gekozen om het vergunningstelsel in
                            stand te houden met een aantal uitzonderingen. Zo zijn bijvoorbeeld
                            uitstallingen/objecten vrijgesteld indien deze binnen bepaalde
                            afmetingen blijven. Verder is ervoor gekozen om het college de
                            bevoegdheid te geven om categorieën voorwerpen en/of openbare plaatsen
                            aan te laten wijzen waarbij de vergunningplicht niet geldt (lid 7). </al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De oude tekst “overeenkomstig de bestemming” gewijzigd in
                            “overeenkomstig de publieke functie”. Dit is gedaan, omdat het woord
                            “bestemming” verwarring teweeg bracht. Het gaat er namelijk niet om welk
                            bestemmingsplan ter plaatse geldt, maar om welke functie de weg of het
                            weggedeelte heeft. </al><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Aan dit artikel liggen als motieven ten grondslag: de
                            verkeersveiligheid, de welstand en het gevaar of de hinder die de
                            stoffen of voorwerpen voor personen of goederen kunnen opleveren. Het
                            artikel beperkt zich niet tot het plaatsen, aanbrengen, of hebben van
                            stoffen of voorwerpen op de weg, maar strekt zich tevens uit tot stoffen
                            of voorwerpen aan of boven de weg. Het van gemeentewege plaatsen van
                            voorwerpen of stoffen op of aan de weg die een relatie hebben met deze
                            publieke functie vallen buiten het bereik van deze bepaling. Het gaat
                            hierbij om de straatverlichting, hekwerk, paaltjes, speelvoorzieningen
                            op daartoe bestemde plekken, etc.. </al><al></al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Hier is naast de genoemde algemeen geldende weigeringsgronden een
                            verbijzondering opgenomen: de vergunning kan worden geweigerd als het
                            gevraagde problemen, hinder of schade zou opleveren voor de weg of het
                            gebruik ervan, maar ook als niet wordt voldaan aan de redelijke eisen
                            van welstand.</al><al><cursief>Vijfde lid, onder a</cursief></al><al>Indien een evenement wordt gehouden, waartoe vergunning is verleend op
                            basis van artikel 2:10, dan hoeft geen vergunning te worden verleend op
                            basis van artikel 2:6. Het derde lid, onder a, coördineert het voorkomen
                            van een samenloop van beide vergunningen. In het kader van een
                            vergunning voor een evenement kan immers ook de verkeersveiligheid
                            worden gewaarborgd. Dit laat echter onverlet dat voor het plaatsen van
                            aankondigingsborden voor het evenement wel een vergunning op basis van
                            artikel 2:6 is vereist. Dit omdat deze borden in de regel niet op het
                            evenemententerrein zijn geplaatst, maar op diverse locaties in de
                            gemeente.</al><al><cursief>Vijfde, onder b</cursief></al><al>Het vierde lid, onder b, maakt een uitzondering voor standplaatsen
                            waarop artikel 5:14 van toepassing is.</al><al></al><al><cursief>Vijfde lid, onder c</cursief></al><al>Het in artikel 2:6 bedoelde verbod gebruik van de weg geldt niet voor
                            terrassen behorend bij een horecabedrijf, waarvoor door de burgemeester
                            vergunning is verleend op grond van artikel 2:17. Zo’n terras maakt deel
                            uit van dat bedrijf. Daarom is in het derde lid, onder c een
                            afbakeningsbepaling opgenomen. In het geval een terras niet behoort bij
                            een voor het publiek openstaand gebouw of een horecabedrijf en het
                            terras is gelegen op de weg of een weggedeelte kunnen alleen de in
                            artikel 2:6 bedoelde eisen worden gesteld en is het college het bevoegd
                            gezag.</al><al></al><al><cursief>Zevende lid</cursief></al><al>Op grond van het zevende lid kan het college voorwerpen of stoffen
                            vrijstellen van een vergunningplicht. In Almere heeft het college o.a.
                            uitstallingen, reclameborden bij winkels onder bepaalde voorwaarden
                            vrijgesteld, maar ook containers en geveltuinen. Zie daarvoor het
                            aanwijzingsbesluit uitstallingen, reclameborden, speeltoestellen en
                            ander objecten.</al><al></al><al></al><al><cursief>Het plaatsen van voorwerpen op de weg</cursief></al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Inboedels</cursief></al><al>Het plaatsen van inboedels op de weg gebeurt dikwijls in het kader van
                            de ontruiming van woningen. Het is echter in strijd met artikel 2:6. In
                            de VNG ledenbrief, kenmerk 97/39, wordt ingegaan op het toepassen van
                            bestuurswang ten aanzien van op de weg geplaatste zaken. Ook het
                            preventief optreden tegen dergelijke overtredingen wordt in deze
                            ledenbrief behandeld. Bij Nieuwsbrief 1360 van 12 november 2001
                            concludeerde de VNG naar aanleiding van de hoger </al><al>beroepuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 7 november 2001
                            (zie ook onder jurisprudentie), dat met deze uitspraak het advies van de
                            ledenbrief van 20 maart 1997 wordt gehandhaafd om met preventieve
                            bestuursdwang op te treden tegen de in strijd met artikel 2.1.5.1. (oud)
                            van de model-APV op de weg geplaatste zaken. De verhuurder kan daartoe
                            worden aangeschreven en op hem kunnen de kosten van de toepassing van
                            bestuursdwang worden verhaald.</al><al></al><al><cursief>Containers</cursief></al><al>Over het plaatsen van containers kan nog opgemerkt worden dat het
                            Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond , Water en Wegenbouw
                            en de Verkeerstechniek (CROW) in 1998 richtlijnen heeft uitgebracht,
                            getiteld Markering onverlichte obstakels. Deze richtlijnen gaan in op
                            het uniform plaatsen en markeren van verplaatsbare onverlichte obstakels
                            (waaronder vuil en opslagcontainers), inclusief mogelijke regelgeving
                            met bijbehorende handhavings- en </al><al>controlemogelijkheden. </al><al></al><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>Het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie,
                            als bedoeld in dit artikel, kan onder de Wabo vallen, namelijk wanneer
                            dit gebruik bestaat uit de opslag van roerende zaken. Dat zal
                            bijvoorbeeld het geval zijn als op of aan de weg een container wordt
                            geplaatst voor de tijdelijke opslag van puin of bouwmaterialen tijdens
                            een verbouwing. In andere gevallen zal het niet altijd op het eerste
                            gezicht duidelijk zijn of het gaat om opslag van roerende zaken als
                            bedoeld in de Wabo. Het onderscheidend criterium is dat het plaatsen van
                            zaken op de weg bij opslag een tijdelijk karakter heeft: het is de
                            bedoeling dat de opgeslagen zaken ooit ergens anders een al dan niet
                            definitieve bestemming krijgen en aldaar een functie gaan vervullen. Als
                            dat aan de orde is valt die activiteit dan onder artikel 2.2, eerste lid
                            onder j of onder k van de Wabo. Een ontheffing wordt op grond van
                            artikel 2.2, eerste lid, laatste zinsdeel, van de Wabo aangemerkt als
                            een omgevingsgvergunning. Daarom is een nieuw tweede lid ingevoegd,
                            waarin staat dat het bevoegd gezag (ingevolge de definitie in artikel 1
                            is dat dus het bestuursorgaan als bedoeld in de Wabo) in een dergelijk
                            geval een omgevingsvergunning verleent.<cursief></cursief></al><al>Daarnaast blijft het eerste lid gehandhaafd, waarin staat dat het
                            bevoegde bestuursorgaan (i.c. het college of de burgemeester) vergunning
                            kan verlenen voor gebruik van de weg dat niet valt onder de Wabo,
                            namelijk wanneer het gaat om objecten die bedoeld zijn om ter plaatse
                            blijvend te functioneren (bijvoorbeeld plaatsen van bloembakken,
                            straatmeubilair, terrassen en dergelijke). Het is niet ondenkbaar dat
                            bij een en hetzelfde project – bijvoorbeeld een grootscheepse
                            restauratie van monumentale panden – zowel de vergunning van het bevoegd
                            bestuursorgaan (eerste lid) als de omgevingsvergunning (tweede lid)
                            nodig is, waarbij dan de situatie kan ontstaan dat er twee bevoegde
                            gezagen zijn. In Almere wordt dit in het kader van de Wet Samenhangende
                            besluiten nader gecoördineerd door degene die procesverantwoordelijke is
                            voor het WABO proces. </al><al><cursief>Jurisprudentie uitstallingen</cursief></al><al>Weigering van een uitstalvergunning voor handelswaar is niet alleen
                            gehandhaafd op de onder b genoemde weigeringsgrond (welstand), maar ook
                            op de onder a opgenomen weigeringsgrond (de uitstallingen staan ook in
                            de weg). De Afdeling ziet voorts geen grond voor het oordeel dat de
                            plaatsing van dit artikel in het hoofdstuk dat betrekking heeft op
                            openbare orde, in de weg staat aan het opnemen van de onder b genoemde
                            weigeringsgrond. Niet valt in te zien dat een zekere beoordeling van het
                            uiterlijk aanzien van een uitstalling niet in het belang van de
                            bescherming van de openbare orde kan worden geacht. ARRS 07-10-1996,
                            Gst. 1997, 7050, 5 m.nt. HH. Beleid dat inhoudt dat vergunningen voor
                            uitstallingen in het kernwinkelgebied worden geweigerd is redelijk, mede
                            gelet op de hoge voetgangersstroom en een onder consumenten gehouden
                            enquête. ABRS 11-05-1998, JU 982110 (VNG-databank). Hetzelfde geldt voor
                            een beleid dat inhoudt dat objecten niet meer dan 40 cm uit de voorgevel
                            mogen worden geplaatst, welk beleid wordt ondersteund met een
                            welstandsadvies. ABRS 01-10-1998, JU 981188 (VNG-databank).In de notitie
                            Uitstallingenbeleid Binnenstad heeft het college vermeld: alleen de
                            uitstalling van bloemen, planten, groenten en fruit wordt toegestaan.
                            Daarmee is bij nadere invulling van het begrip openbare orde een
                            onderscheid gemaakt naar de soort van de uitgestalde waren. De Rechtbank
                            is van oordeel dat hiermee een wezenlijk ander onderscheid wordt
                            gehanteerd dan welke volgt uit een zekere beoordeling van het uiterlijk
                            aanzien van de uitstalling. Dit onderscheid is niet in het belang van de
                            bescherming van de openbare orde in de zin van artikel 2.1.5.1. Voor
                            zover de uitstallingen van eisers niet aan de nieuwe maatvoering
                            voldoen, gelet op de straten/plaatsen waar de winkels van eisers
                            gevestigd zijn een wijziging (in plaats van een intrekking) van de
                            verleende vergunning in de rede had gelegen, met name wat betreft de
                            maatvoering en de plaats van de uitstalling, waarbij voorts de uitkomst
                            van een individuele toetsing vanuit een oogpunt van welstand mogelijk
                            tot nadere voorwaarden aanleiding had kunnen geven.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie evenementen</cursief></al><al>Vergunning voor luchtkussenpark onder de voorwaarden dat het mag bestaan
                            uit drie luchtkussens, een ballenbak, een aantal bankjes, een
                            verkooppunt voor frisdranken en een deugdelijke omheining. Geen
                            bouwwerken, Woningwet niet van toepassing. Indien er een meldingsplicht
                            bestaat op grond van de Wet milieubeheer, is de APV niet van toepassing.
                            Ingeval de APV wel van toepassing is, heeft het college in redelijkheid
                            tot het verlenen van de vergunning kunnen komen. Nu het seizoen al is
                            begonnen, is er groot belang bij continuering. ABRS </al><al>23-06-2000, JU 001042 (VNG-databank).Organisatie van circus op plein met
                            parkeerbestemming. Pres. Rb Leeuwarden 06-09-2001, LJN-nr. AD3917: er
                            doen zich geen weigeringsgronden voor op grond van artikel 2.1.5.1 en
                            2.2.2 APV. Ook strijdigheid met het bestemmingsplan biedt geen grondslag
                            voor weigering vergunning.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie terrassen</cursief></al><al>Een terras is een bij een voor het publiek openstaand gebouw behorend
                            erf in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet. Ingevolge het eerste
                            lid van dit artikel is de burgemeester onder meer belast met het
                            toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                            behorende erven. Ingevolge het derde lid van dit artikel is de
                            burgemeester belast met de uitvoering van de verordeningen voor zover
                            deze betrekking hebben op dat toezicht. De burgemeester “en niet het </al><al>College” is dus bevoegd om terrasvergunningen te verlenen. ABRS
                            05-06-2002, JG 02.0018, m.nt. M. Geertsema . In dezelfde zin: ABRS
                            13-11-2002 (Nijmegen), nr. 200202419, LJN-nr. AF0269, JG 03.0022 m.nt.
                            A.L. van Esveld.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie Reclame</cursief></al><al>Zie voor jurisprudentie over handelsreclame voorts in het commentaar
                            onder artikel 4:8. De reclameverordening bevatte het verbod om zonder
                            vergunning van het college reclameborden te plaatsen, die vanaf de weg
                            of een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar zijn. De
                            vergunning kon worden geweigerd in het belang van welstand of
                            verkeersveiligheid. Het college heeft een maximum van 123 locaties voor
                            driehoeksborden aangewezen. Het stellen van beleidsregels was op grond
                            van de Reclameverordening verplicht, maar het college had nagelaten deze
                            op te stellen, zodat niet duidelijk was welke procedure werd gevolgd bij
                            de verdeling van de schaarse locaties. De Afdeling oordeelt allereerst:
                            Anders dan art. 7 lid 1 Gw beschermt art. 10 EVRM ook uitingen met een
                            commercieel karakter. De inmenging in het recht van vrije meningsuiting
                            is echter voorzien bij de wet conform het tweede lid van art. 10.
                            Aangezien het stelsel in de Reclameverordening er voorts toe strekt
                            reclame-uitingen te reguleren in het belang van de openbare veiligheid,
                            het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, alsmede de
                            bescherming van de rechten van anderen, is er van strijd met art. 10
                            EVRM geen sprake. Vervolgens: Aan het college kan niet de bevoegdheid
                            worden ontzegd om een maximum te stellen aan het aantal locaties waar
                            driehoeksborden kunnen worden geplaatst. Dit maximum zal moeten worden
                            gerechtvaardigd uit hoofde van bescherming van de in de
                            Reclameverordening genoemde belangen. Het college heeft dit nagelaten.
                            Nu het maximum aantal aangewezen locaties het uitgangspunt vormde voor
                            de bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde afwijzing van het verzoek
                            van appellante en niet kan worden nagegaan of dit uitgangspunt rechtens
                            houdbaar is, moet worden geoordeeld dat de beslissing op bezwaar niet
                            kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering,
                            zodat deze voor vernietiging in aanmerking komt. ABRS 20-04-2005, nr.
                            200407498, AB 2005, 180 m.nt. A. Tollenaar; GS 2005, 7236, 140 m.nt.
                            D.E. Bunschoten. Aangenomen mag worden dat een te beperkend beleid met
                            betrekking tot reclameconstructies op grond van artikel 2.1.5.1 niet als
                            redelijk kan worden gekwalificeerd, nog daargelaten of dit in
                            overeenstemming is met artikel 10 EVRM (Pres. Rb Zwolle 29-10-1997, KG
                            1997, 389). Immers, dit kan betekenen dat er in feite geen mogelijkheid
                            van enige betekenis tot gebruik van het middel van verspreiding en
                            bekendmaking zou overblijven Volgens de President kunnen wel
                            beleidscriteria in de vorm van restricties voor wat betreft het aantal
                            vergunningen (al dan niet per aanvrager per jaar), en de locatie en duur
                            van elke vergunning worden gesteld (Pres. Rb Zwolle 26-9-1997, KG 1997,
                            338). Dit beleid kan worden onderbouwd met behulp van een politierapport
                            of welstandsadvies.</al><al>Over driehoeksreclameborden ten behoeve van een Rasti Rostelli-show,
                            oordeelde de Pres. Rb ‘s-Hertogenbosch 23-09-1999, KG 1999, 299 dat bij
                            elke aanvraag om vergunningverlening een individuele en concrete
                            beoordeling nodig is, ongeacht het gevoerde beleid. Geen acht is
                            geslagen op de borden als zodanig en de plaats van opstelling. Geen
                            strijd met redelijke eisen van welstand. Aanvrager dient te worden
                            behandeld als ware hij in het bezit van een vergunning.</al><al>Driehoeksreclameborden. Het standpunt van het college dat artikel
                            2.1.5.1. alleen van toepassing is als ook de Woningwet van toepassing
                            is, wordt niet gehonoreerd. Pres. Rb Haarlem 27-10-1997, Gst. 1998,
                            7069, 3 m.nt. EB, KG 1997, 388.</al><al>Weigering van vergunning voor het maken van reclame voor een
                            voetbalwedstrijd, aangezien deze reclame-uiting ontsierend is voor de
                            omgeving. Het betreft Commerciële reclame; artikel 7 Grondwet, artikel
                            10 EVRM en artikel 19 IVBPR niet van toepassing. Artikel 10 EVRM en 19
                            IVBPR zijn alleen in het geding als de verspreiding van reclame (en
                            uiteraard andere meningsuitingen) zo zeer aan banden zou worden gelegd
                            dat de vrijheid reclame te maken zelf zou worden aangetast. ABRS
                            23-12-1994, JG 09.0207, AB 1995, 163. APV-bepaling biedt geen ruimte
                            voor de weigering van een vergunning voor reclameborden op basis van
                            beleid volgens welk toestemming voor reclameborden uitsluitend wordt
                            verleend voor plaatselijke, niet-commerciële evenementen. Artikel
                            2.1.5.1. kent een aantal limitatieve weigeringsgronden. De aard van de
                            reclame, commercieel of niet-commercieel, valt daar niet onder. Pres. Rb
                            Breda </al><al>9-11-1994, JG 95.0137, KG 1995, 20. Zie ook Pres. Rb Zwolle 26-9-1997 en
                            29-10-1997, resp. KG 1997, 338 en 389. Een soortgelijke uitspraak
                            betreft Pres. Rb “s Hertogenbosch 12-11-1998, KG 1999, 23. Weigering van
                            vergunning voor reclameborden, aangezien het geen reclame voor een zeer
                            bijzonder evenement betreft. Aard van een evenement is geen
                            weigeringsgrond in de zin van artikel 2.1.5.1. Vz.ARRS 27-08-1993, JG
                            94.0054. Door het verlenen van ontheffingen voor de duur van een jaar
                            heeft het college duidelijk gemaakt dat het beleid ten aanzien van
                            reclameborden en verkooprekken gewijzigd kan worden. Het in het geheel
                            niet bieden van ruimte voor het verlenen van een ontheffing verdraagt
                            zich niet met de APV. Vz.ABRS 03-01-1994, JG 94.0212.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie afvalcontainers</cursief></al><al>Plaatsing van een bedrijfsafvalcontainer op de openbare weg is in strijd
                            met de bestemming. Bovendien komt het doelmatig en veilig gebruik van de
                            weg in het geding. ARRS 30-12-1993, JG 94.0213, Gst. 1994, 6995, 5 m.nt.
                            HH. Afvalcontainers kunnen echter bouwwerken in de zin van de Woningwet
                            zijn waarvoor een bouwvergunning is vereist. Dit hangt af van de
                            constructie, omvang van de constructie en de plaatsgebondenheid. Artikel
                            8.2 APV, welk artikel vergelijkbaar is met 2.1.5.1, blijft buiten
                            toepassing. ABRS 29-01-1998, Gst.1998, 7054, 5 m.nt. JT en MenR 1998, 54
                            m.nt. H.A.M.G.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:7 Hinderlijke beplanting</vet></al><al><vet></vet></al><al>Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de
                            verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van
                            zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeente
                            wet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te
                            snoeien. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:8 Gladheidbestrijding en andere overlast op de
                            weg</vet></al><al><vet></vet></al><al>Op grond van artikel 16 van de Wegenwet en artikel 160 van de
                            Gemeentewet heeft de gemeente de verplichting om de openbare wegen in
                            een goede en veilige staat te onderhouden. Daarbij hoort ook het
                            bestrijden van de gladheid. Artikel 2:8 legt de verplichting op aan
                            hoofdbewoner(s)/gebruiker(s) van een woning etc… om geen overlast of
                            gevaar te veroorzaken die de toegankelijkheid van die woning kan
                            belemmeren. Hiertoe behoort ook dat hij/zij het voetpad voor de woning
                            bij gladheid begaanbaar moet houden. </al><al>In 1994 heeft de rechtbank in Amsterdam de volgende uitspraak gedaan
                            (1994-158). “van bewoners of gebruikers kan niet worden gevraagd bij
                            aanhoudende sneeuwval het trottoir sneeuwvrij te houden. Één of tweemaal
                            per dag vegen of strooien is in het algemeen voldoende”. Het gaat er dan
                            ook om dat de gladheid afdoende wordt bestreden. Overigens wordt
                            verwacht dat bewoners dit normaliter al doen. Met deze bepaling wordt
                            een beroep gedaan op de morele plicht van de bewoners van Almere om het
                            eigen straatje schoon te houden bij gladheid.</al><al>Verder heeft de gemeente Almere een gladheidbestrijdingsplan
                            vastgesteld. Naast een strooiplan staat daarin ook aangegeven dat de
                            gemeente zout beschikbaar stelt voor de bewoners voor het bestrijden van
                            de gladheid voor hun deur. Daarbij moet worden opgemerkt dat als de
                            gemeente door omstandigheden geen zout beschikbaar heeft, de bewoner
                            zijn stoep wel afdoende sneeuw- en ijsvrij moet houden.</al><al></al><al><vet>AFDELING 6. EVENEMENTEN</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 2:9 Begripsbepaling evenement</vet></al><al><vet></vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In artikel 2:9 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten
                            aanzien van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een
                            algemeen geldend criterium (“namelijk elke voor publiek toegankelijke
                            verrichting van vermaak”) wordt vervolgens een aantal evenementen
                            opgesomd dat niet onder de werking van de bepalingen valt. Hierover kan
                            worden opgemerkt dat onder lid 1, onder d, andere, meer incidenteel
                            plaatsvindende activiteiten dan het gelegenheid geven tot dansen (bijv.
                            het optreden van een band, een houseparty, of een kooigevecht) wel als
                            evenement kunnen worden aangemerkt. Zie Lbr 92/78. </al><al></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al><cursief>Herdenkingsplechtigheid</cursief></al><al>Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek
                            toegankelijk is, maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan
                            worden aangemerkt, wordt ze als evenement genoemd.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Optochten</cursief></al><al>Het houden van optochten, zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten,
                            Bloemencorso’s enz, die niet opgevat kunnen worden als een middel tot
                            het uiten van een mening of gedachten of gevoelens, valt niet onder de
                            bescherming van de Grondwet, het Europees verdrag tot bescherming van de
                            rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of andere
                            internationale verdragen die de vrijheid van meningsuiting waarborgen.
                            Evenmin is hierop de Wet openbare manifestaties (Wom) van
                            toepassing.</al><al></al><al><cursief>Besloten feesten</cursief></al><al>Besloten feesten vallen niet onder de reikwijdte van de
                            evenementenbepaling omdat deze activiteit niet een voor het publiek
                            toegankelijke verrichting van vermaak is. Bijvoorbeeld bij het houden
                            van een bedrijfsfeest waar aan de hand van uitnodigingslijsten publiek
                            aanwezig is, is er geen sprake van een voor het publiek toegankelijke
                            verrichting van vermaak. Maar wanneer een feest een “besloten” karakter
                            heeft en er publiekelijk kaarten worden verkocht en/of reclame wordt
                            gemaakt, is er sprake van een evenement. De gemeente kan bij feesten
                            waarvoor geen vergunning nodig is, optreden wanneer deze bijvoorbeeld
                            worden georganiseerd in ruimten strijdig met het bestemmingsplan. Zie de
                            uitspraak met betrekking tot het verplicht handhavend optreden bij
                            schuurfeesten. ABRS 02-04-1999, Gst. 1999, 7103 m.nt. P.J.H.). Ook in
                            het kader van de Wegenverkeerswet 1994 kan worden opgetreden in geval
                            van parkeer- en verkeersoverlast. Feesten die gehouden worden in
                            horecagelegenheden en niet behoren tot de normale bedrijfsvoering
                            (bijvoorbeeld een optreden van een bekende disc-jockey of een optreden
                            van een bekende band) zijn op grond van artikel 2.2.2 (oud)
                            vergunningplichtig. ABRS 11-01-2006, LJN-nr. AU9388
                            (Ghostship/Ghosthouse).</al><al></al><al>Wanneer een feest al dan niet besloten “op of aan de weg” plaats vindt,
                            is dit een vergunningplichtige activiteit omdat het plaats vindt op
                            doorgaans voor publiek toegankelijk gebied. Het feit dat het feest
                            besloten is, dus niet voor publiek toegankelijk, doet daar niets aan af.
                            Optreden van muziekkorpsen, muziekbandjes, etc. die voor iedereen
                            toegankelijk zijn (zowel in een inrichting als in de buitenlucht) vallen
                            onder de vergunningplicht van artikel 2:9.</al><al></al><al>Voorschriften met betrekking tot geluid in een inrichting zijn opgenomen
                            in het Activiteitenbesluit milieubeheer. De artikelen 4:2 en 4:3 van de
                            APV geven het college de bevoegdheid om ontheffing te verlenen voor
                            geluidshinder in een inrichting. Voorschriften met betrekking tot geluid
                            buiten een inrichting kunnen op grond van artikel 4:5 van de APV in de
                            vergunning worden opgenomen.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Wedstrijd op of aan de weg</cursief></al><al>Voor wedstrijden op of aan de weg is een vergunning van de burgemeester
                            vereist, </al><al>krachtens het bepaalde in het tweede lid, van artikel 2:9. </al><al>Wedstrijden met voertuigen op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste
                            lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) zijn op
                            grond van artikel 10, eerste lid, WVW 1994 verboden. Het eerste lid van
                            artikel 148 WVW 1994 bepaalt echter dat van dat verbod ontheffing kan
                            worden verleend. Het verlenen van die ontheffing geschiedt:</al><al>voor wegen onder beheer van het Rijk, door de minister van Verkeer en
                            Waterstaat;</al><al>voor andere wegen, door gedeputeerde staten; in afwijking hiervan wordt
                            de ontheffing verleend door het college, indien de wegen waarvoor de
                            ontheffing wordt gevraagd, alle gelegen zijn binnen een gemeente.
                            Artikel 1, onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
                            1990 geeft aan wat onder voertuigen moet worden verstaan: fietsen,
                            bromfietsen, invalidenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens.</al><al></al><al>Aan de ontheffing kan het college voorschriften verbinden om binnen
                            redelijke grenzen een veilig verloop van de wedstrijd te waarborgen. Op
                            basis van de WVW 1994 mogen ook milieumotieven een rol spelen bij het
                            reguleren van het verkeer. In artikel 2, tweede en derde lid, WVW 1994
                            worden onder meer de volgende motieven worden genoemd:</al><al>het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast,
                            hinder of schade;</al><al>het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting
                            van het karakter of van de functie van objecten of gebieden; </al><al>het bevorderen van een doelmatig of zuinig energiegebruik. </al><al></al><al>Wanneer een wedstrijd onder auspiciën van een sportbond plaatsvindt, zal
                            deze sportbond in veel gevallen zelf reglementen hebben opgesteld die de
                            organisator van de wedstrijd moet naleven. Het niet naleven kan
                            tuchtrechtelijke gevolgen voor de organisator hebben, bijvoorbeeld uit
                            de bond gezet worden. De veiligheidseisen die de sportbonden stellen,
                            zijn veelal voldoende om een veilig verloop van de wedstrijd mogelijk te
                            maken. Het college kan deze voorschriften van de sportbonden ook een
                            publiekrechtelijk karakter geven door ze als voorschriften in de
                            vergunning op te nemen. Als de organisator deze voorschriften vervolgens
                            niet naleeft en de sportbond zelf ook niet ingrijpt, kan uiteindelijk
                            via een administratiefrechtelijke sanctie het houden van die wedstrijd
                            alsnog verboden worden. Indien een wedstrijd wordt gehouden met
                            voertuigen op wegen als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994 dan is -
                            naast artikel 10 juncto artikel 148 Wegenverkeerswet 1994 - artikel 2:10
                            van toepassing. De evenementenbepaling is </al><al>namelijk van een geheel andere orde dan de wedstrijdbepalingen uit de
                            Wegenverkeerswetgeving. De burgemeester kan op grond van andere
                            motieven, zoals openbare orde, veiligheid in het algemeen en
                            zedelijkheid en gezondheid, weigeren medewerking te verlenen aan het
                            evenement, in casu de wedstrijd op de openbare weg. In die zin is de
                            evenementenbepaling aanvullend op de wedstrijdbepalingen uit de
                            Wegenverkeerswetgeving. Vindt echter een wedstrijd met een motorvoertuig
                            of bromfiets plaats op een terrein dat niet behoort tot een weg als hier
                            bedoeld, dan moet daarvoor een vergunning verkregen zijn van de </al><al>burgemeester op grond van artikel 2:10. Op grond van de artikel 2:10
                            geldt voor andere wedstrijden op of aan de weg eveneens een
                            vergunningplicht. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld
                            “vossenjachten”, droppings e.d.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:10 Evenementenvergunning en –melding</vet></al><al><vet></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Evenementen vervullen een belangrijke functie in de gemeenten. Er worden
                            verschillende evenementen georganiseerd, grootschalig, met uitstraling
                            voor bijv. de hele stad, middelgroot of kleinschalig, bijvoorbeeld
                            beperkt tot de eigen straat. Voor een goed verloop van een evenement
                            moeten verschillende belangen worden afgewogen en duidelijke afspraken
                            met de organisator worden gemaakt. Het evenementenbeleid en de afspraken
                            die daaromtrent zijn gemaakt, zijn opgenomen in het “handboek
                            evenementen Almere”. Een geactualiseerde uitgave hiervan is omstreeks
                            mei 2010 gereed.</al><al></al><al>Naast de meldingsplicht voor kleine evenementen (zie tweede lid) is ook
                            een vergunningplicht van toepassing voor die evenementen die niet onder
                            de meldingplicht vallen. Controle van dit soort evenementen achteraf kan
                            niet volstaan wegens mogelijk gevaar voor de openbare orde,
                            overlastsituaties, verkeersveiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid
                            e.d. Ook de organisator is bij een vergunningstelsel gebaat, omdat hij
                            met de gemeente kan onderhandelen om goede afspraken te maken. Zo krijgt
                            hij op het evenement toegesneden voorwaarden.</al><al></al><al>Volgens de Europese Dienstenrichtlijn is in beginsel een
                            vergunningstelsel geoorloofd. De lidstaten mogen de toegang tot de
                            uitoefening van een dienstenactiviteit niet afhankelijk stellen van een
                            vergunning tenzij: 1. de vergunning niet discriminatoir is, 2. het
                            vergunningstelsel gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen
                            belang (noodzaakvereiste), en 3. het nagestreefde doel niet door een
                            minder beperkende maatregel kan worden bereikt, met name omdat controle
                            achteraf te laat zou komen om werkelijk doeltreffend te zijn
                            (proportionaliteitsvereiste).</al><al></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Bij het beoordelen van een aanvraag wordt beoordeeld of kan worden
                            voldaan aan de indieningsvereisten van de aanvraag. Dit gebeurt aan de
                            hand van de weigeringsgronden van artikel 1:8. wordt hieraan niet
                            voldaan, kan de vergunning geweigerd worden.</al><al></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al><cursief>Klein evenement</cursief></al><al>Voor het organiseren van kleine evenementen zoals de barbecue en/of
                            straatfeest is in het kader van de vermindering van administratieve
                            lasten voor de burger gekozen voor een meldingsplicht. Een klein
                            evenement valt onder het begrip evenement, maar onder voorwaarden is er
                            geen vergunning vereist. In het tweede lid is een klein evenement daarom
                            gedefinieerd. Het moet gaan om kleinschalige activiteiten die niet
                            langer duren dan één dag en die zich in de openbare ruimte </al><al>afspelen met als doel vermaak en ontspanning te bieden.</al><al></al><al>Voor het houden van eendaagse evenementen is impliciet lawaai
                            toegestaan. Er is voor gekozen dat het tussen 22.00 uur en 07.00 uur
                            stil moet zijn. Muziek omvat zowel onversterkte als versterkte muziek
                            omdat beide vormen van geluid onaanvaardbare hinder kunnen veroorzaken
                            voor buurtbewoners.</al><al></al><al>De organisator stelt de burgemeester tenminste binnen twee weken
                            voorafgaand aan het </al><al>evenement in kennis van het evenement. De gemeente heeft er belang bij
                            om tijdig </al><al>op de hoogte te zijn van een initiatief dat zich afspeelt in de
                            buitenlucht. De gemeente moet hierbij zelf overwegen welke termijn
                            redelijk is. Doorgaans worden meldingen binnen één week afgedaan. Deze
                            laatste norm is te beschouwen als servicenorm.</al><al></al><al>De Drank- en Horecawet bepaalt dat er geen vergunning of ontheffing
                            nodig is als: a. er een besloten feest wordt gehouden, waar b. geen
                            entree wordt gevraagd en waar c. gratis alcohol wordt geschonken. Er
                            moet dan wel voldaan worden alle drie vereisten, Wanneer er sprake is
                            van het vragen en betalen van een vaste bijdrage impliceert dit dat er
                            sprake is van het anders dan om niet verstrekken van alcoholische drank
                            (artikel 1 jo. 3 Drank en Horecawet, Uitspraak Hoge Raad van 10 februari
                            1987, N.J. 1987, nr. 836). In laatstgenoemde geval kan de burgemeester
                            op grond van artikel 35 van de Drank- en Horecawet voor het eendaagse
                            evenement een ontheffing verlenen. Bij toepasselijkheid van de
                            Dienstenrichtlijn is het een vereiste om de meldingplichtige een
                            ontvangstbevestiging te sturen. Daarin wordt vermeld dat het evenement
                            mag plaats vinden, indien de burgemeester niet binnen een bepaalde
                            termijn reageert.</al><al></al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Er kan aanleiding zijn om het organiseren van een klein evenement te
                            verbieden. Dit is alleen mogelijk, als de openbare orde, de openbare
                            veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. De criteria
                            van de Dienstenrichtlijn zijn namelijk van toepassing op een melding,
                            omdat de Dienstenrichtlijn een melding beschouwt als een
                            vergunning.</al><al></al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Naast het vergunningstelsel en de meldingsmogelijkheid, heeft de
                            burgmeester in het vierde lid de mogelijkheid om categorieën evenementen
                            geheel vrij te stellen. Aan de hand van een aanwijzingsbesluit of via
                            nadere regels kunnen voorwaarden gesteld worden aan deze evenementen.
                            Zodoende kunnen de belangen in het kader van de openbare orde, de
                            openbare veiligheid, de volksgezondheid en de bescherming van het milieu
                            voldoende worden beschermd.</al><al>Met het vrijstellen van bepaalde evenementen wordt een bijdrage geleverd
                            aan de vermindering van administratieve lastendruk.</al><al></al><al><cursief>Rol van de burgemeester en de raad</cursief></al><al>De bevoegdheid van de burgemeester in het kader van het toezicht op
                            evenementen stoelt op artikel 174 Gemeentewet. In het derde lid van dit
                            artikel is aangegeven dat de burgemeester belast is met de uitvoering
                            van verordeningen voorzover deze betrekking hebben op het toezicht op de
                            openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek
                            openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Het begrip “toezicht”
                            is ruimer dan alleen de handhaving van de openbare orde. Het gaat hier
                            ook om de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de burger
                            in incidentele gevallen en op bepaalde plaatsen. Indien de burgemeester
                            de uitvoering van zijn toezichthoudende taak wil overlaten aan
                            ambtenaren dan kunnen deze bevoegdheden worden gemandateerd
                            overeenkomstig afdeling 10.1.1. Awb.</al><al>Het is ook de bevoegdheid van de burgemeester het beleid ten aanzien van
                            voorschriften met betrekking tot de evenementenvergunning vast te
                            stellen. Wanneer de burgemeester voornemens is een evenement te
                            verbieden, is het zaak dat dit van een goede motivering is voorzien. De
                            raad is sinds de dualisering niet langer bevoegd om beleidsregels vast
                            te </al><al>stellen. Dit neemt niet weg dat de raad de burgemeester kan aanspreken
                            op zijn beleid bij de uitoefening van zijn bestuursbevoegdheden
                            (artikelen 169 en 180 </al><al>Gemeentewet). </al><al></al><al><cursief>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</cursief></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de
                            aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te
                            vinden alvorens tot vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9,
                            tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om desgevraagd bij
                            een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000,
                            een document te overleggen waaruit het rechtmatige verblijf blijkt. </al><al></al><al><cursief>Aansprakelijkheid Vergunninghouder/organisator.</cursief></al><al>Voorop staat dat de vergunninghouder of de organisator zelf, of degene
                            die bijvoorbeeld tijdens een evenement een gevaar in het leven roept dat
                            zich vervolgens verwezenlijkt, primair aansprakelijk kan worden gesteld
                            voor daardoor veroorzaakte schade. Het arrest Vermeulen/Lekkerkerker (HR
                            10 maart 1972, NJ 1972, 278) is van overeenkomstige toepassing op de
                            houder van de evenementenvergunning. De Hoge Raad oordeelt in dat arrest
                            dat het feit dat een Hinderwetvergunning (nu: Wet milieubeheer) is
                            verleend, nog niet betekent dat eigenaren van naburige erven schade en
                            hinder, welke zij in het algemeen niet behoeven te dulden, wel zouden
                            moeten verdragen van een vergunninghouder. Een dergelijke vergunning
                            vrijwaart de vergunninghouder volgens de Hoge Raad dan ook niet voor
                            zijn aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, ook niet als door de
                            desbetreffende eigenaar tegen verlening van de vergunning tevoren
                            bezwaren zijn ingebracht, maar deze bezwaren zijn verworpen.</al><al></al><al><cursief>Toezicht houden</cursief></al><al>Mr. V.H. Affourtit gaat in het tijdschrift “Risicobewust” onder andere
                            in op de aansprakelijkheid voor toezichtsfalen (Aansprakelijkheid van
                            gemeenten bij evenementen, Tijdschrift Risicobewust, nr. 4, november
                            2003). Kort samengevat komt zijn artikel op het volgende neer.</al><al>Voor het houden van toezicht op evenementen bestaan op zichzelf geen
                            heldere regels bij overtreding waarvan de aansprakelijkheid eenvoudig
                            kan worden vastgesteld. De grondslag voor aansprakelijkheid moet dan ook
                            worden gezocht in artikel 6:162 BW en de door het zogenaamde
                            Kelderluikarrest (HR 5 november 1965, NJ 1966, 136) ingevulde
                            ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. Op basis daarvan is een afweging nodig
                            van de mate van waarschijnlijkheid waarmee niet-inachtneming van de
                            vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de hoe
                            grootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst die de
                            gevolgen daarvan kunnen hebben, en de mate van bezwaarlijkheid van te
                            nemen veiligheidsmaatregelen. Door dit laatste criterium komt de
                            toezichthouder een zekere “beleidsvrijheid” toe. Dit betekent dat niet
                            van hem gevergd kan worden dat hij op alles waarop hij toezicht
                            uitoefent ook daadwerkelijk steeds toeziet, omdat zijn middelen beperkt
                            zijn. Het gaat er om dat de door de toezichthouder gemaakte keuzes
                            redelijk zijn.</al><al></al><al></al><al>Affourtit trekt de volgende conclusies:</al><al>Als een op deugdelijke wijze totstandgekomen vergunning eenmaal is
                            verleend, bestaat geen verplichting tot het houden van algemeen toezicht
                            (HR 22 juni 2001, Gst. 2001, 7146, 2, Boeddha). Het nalaten om een
                            dergelijk toezicht te houden, zal dan ook niet snel tot
                            aansprakelijkheid leiden. Indien echter een geringe overtreding van een
                            vergunningvoorschrift zeer ernstige schade zou kunnen veroorzaken, ligt
                            een algemene controleplicht voor de hand. </al><al>Als er concrete aanwijzingen bestaan van een op handen zijnde
                            wetschending, zoals het handelen zonder vergunning of het handelen in
                            afwijking van de vergunningvoorschriften, heeft het bestuursorgaan een
                            verplichting tot ingrijpen. Indien er sterke aanwijzingen zijn die bij
                            het bestuursorgaan het vermoeden van niet naleving (moeten) doen rijzen,
                            is actief toezicht en eventueel ingrijpen met gebruikmaking van
                            bestaande bevoegdheden vereist. Niets doen is dan spoedig een
                            onrechtmatig nalaten. </al><al></al><al>Als een overheidslichaam concreet wordt gewaarschuwd voor (dreigende)
                            schade, is het in ieder geval gehouden hiernaar een onderzoek in te
                            stellen (HR 8 januari 1999, NJ 1999, 319, Waterschap
                            West-Friesland/Kaagman). Indien de gemeente aansprakelijk wordt gehouden
                            in verband met het niet voldoende houden van toezicht, zal vaak tevens
                            de vergunninghouder of de </al><al>derde-schadeveroorzaker kunnen worden aangesproken. De in rechte
                            aangesproken gemeente kan een van beide of allebei in vrijwaring
                            oproepen of de schade in een aparte procedure (afhankelijk van de
                            omstandigheden geheel of gedeeltelijk) op hem/hen verhalen.</al><al></al><al><cursief>Voorschriften</cursief></al><al>De burgemeester is bevoegd voorschriften te verbinden aan het houden van
                            een evenement. Voor de toelaatbaarheid van de voorschriften geldt een
                            aantal voorwaarden:</al><lijst><li nr="1."><al>De voorschriften mogen niet in strijd zijn met enige wettelijke
                                    regeling. </al></li><li nr="2."><al>De voorschriften moeten redelijkerwijs nodig zijn in verband met
                                    het voorkomen van aantasting van de openbare orde, openbare
                                    veiligheid en volksgezondheid, zie de artikelen 1:4 en 1:8.
                                </al></li><li nr="3."><al>De voorschriften mogen niet in strijd komen met enig beginsel
                                    van behoorlijk bestuur. </al></li></lijst><al></al><al>Het is volgens de Afdeling bestuursrechtspraak aanvaardbaar dat de
                            burgemeester aan een evenementenvergunning alsnog nadere voorschriften
                            stelt en zich niet hoeft te beperken tot de voorschriften die
                            voortvloeien uit de aanvraag, of de voorschriften waarmee de aanvrager
                            instemt. ABRS 28-04-2004, inzake Rockbitch, LJN-nr AO8495.</al><al>Niet nakoming van voorschriften die aan de vergunning verbonden zijn kan
                            grond opleveren voor intrekking van de vergunning dan wel voor
                            toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is de
                            intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</al><al></al><al><cursief>Privaatrechtelijke voorschriften</cursief></al><al>Het opnemen van privaatrechtelijke voorschriften in een vergunning is
                            niet mogelijk omdat een vergunning eenzijdig van karakter is. Dergelijke
                            voorschiften zouden niet kunnen worden afdwongen. Bovendien kan een
                            vergunning niet worden geweigerd indien de aanvrager niet voldoet aan de
                            privaatrechtelijke vereisten.</al><al></al><al><cursief>Entreeheffing</cursief></al><al>Hennekes gaat in zijn opstel (Gst. 1998, 7076, p. 281-288) in op de
                            vraag of het heffen van entreegeld voor het bezoeken van een evenement
                            al dan niet geoorloofd is. Hij concludeert dat voor entree de
                            organisator met de bezoeker overeenkomt om tegen betaling van een
                            bepaald bedrag het door de organisator geboden evenement te mogen
                            bezoeken. Het is dus de organisator die bepaalt of er entree geheven
                            wordt en zo ja, hoe hoog dat entreegeld zal zijn.</al><al></al><al><cursief>Evenementen en bestemmingsplan</cursief></al><al>Een vergunning voor een evenement kan niet geweigerd worden omdat het in
                            strijd is met een bestemmingsplan. Een aanvraag voor een
                            evenementenvergunning moet worden beoordeeld aan de hand van de belangen
                            die zijn opgenomen in de weigeringsgronden. Andersoortige belangen
                            kunnen geen zelfstandige weigeringsgrond opleveren, ABRS 29-03-2003,
                            LJN-nr. AF8028. Dus is strijd met het bestemmingsplan geen
                            weigeringsgrond in de zin van de APV. De Afdeling bestuursrechtspraak
                            heeft echter met betrekking tot het houden van terugkerende, meerdaagse
                            evenementen geoordeeld dat bij evenementen die naar omvang, duur en
                            uitstraling een planologische relevantie hebben die in strijd is met het
                            bestemmingsplan, handhavend moet worden opgetreden. Een uitzondering
                            vormen evenementen die eenmalig plaatsvinden of in elk geval niet
                            regelmatig worden herhaald. Artikel 17 WRO, bedoeld als planologische
                            vrijstelling voor tijdelijke activiteiten, kan hierop worden toegepast.
                            Evenementen die geen of slechts geringe planologische relevantie hebben,
                            kunnen eveneens gewoon plaatsvinden. Daarvoor is geen planologische
                            vrijstelling vereist. Voor deze evenementen is wel een
                            evenementenvergunning vereist op grond van de APV en eventuele andere
                            toestemmingen of ontheffingen voor muziek/geluidhinder, brandveiligheid
                            enz. Het is daarom van belang dat gemeenten naast de vergunningverlening
                            erop toezien dat de bestemmingsplannen voorzien in de te houden
                            evenementen. ABRS 13-04-2005, LJN-nr. AT3708 (Schuttersfeest Diepenheim,
                            Hof van Twente), Gst. 2005, 7229, m.nt. Teunissen; Rb Leeuwarden
                            27-07-2005, LJN-nr. AU0442 (Veenhoopfestival Smallingerland).</al><al></al><al><cursief>Evenementen op de openbare weg</cursief></al><al>Hennekens heeft in Gst, 1998, 7076, p. 281-288 een opstel geschreven met
                            als titel Evenementen op de openbare weg. Hij gaat uitgebreid in op de
                            verhouding tussen het normale gebruik van een openbare weg en het
                            gebruik daarvan voor het houden van een evenement. Eerst worden enkele
                            opmerkingen gemaakt over de evenementenvergunning als grondslag voor het
                            besluit om een (gemeentelijke) openbare weg af te sluiten voor het
                            houden van een evenement. Hierna wordt de vraag beantwoord wie bevoegd
                            is om tot een dergelijke wegafsluiting te besluiten en wat de gevolgen
                            daarvan zijn. Daarbij wordt o.a. aandacht besteed aan de openbaarheid
                            van de weg en de regeling van wegafsluitingen in en krachtens de
                            Wegenverkeerswet 1994.</al><al></al><al><cursief>Evenementen op het water</cursief></al><al>Indien bij een evenement onderdelen van de activiteiten op het water
                            plaatsvinden of indien de uitstraling van de activiteiten op het water
                            voor de openbare weg groot zijn moet de vergunningverlener bij de
                            waterbeheerder advies inwinnen over de voorwaarden waaronder een
                            evenement nautisch gezien verantwoord doorgang kan vinden. Er dient
                            bijvoorbeeld nagegaan te worden of afsluiting van waterwegen nodig zijn
                            of dat er borden geplaatst moeten worden. Het is ook verstandig om bij
                            het waterschap na te gaan of er in de Waterschapswet bepalingen zijn
                            opgenomen inzake het houden van evenementen op het water. De
                            vergunningverlener vraagt daarnaast advies aan de waterpolitie over de
                            openbare orde en veiligheid. Voor partyboten moet de organisator in
                            ieder geval een evenementenvergunning aanvragen bij de gemeente waar het
                            schip aanlegt om de passagiers aan boord te laten gaan en tevens een
                            vergunning bij de gemeente waar het schip eindigt om de passagiers van
                            boord te laten. Voorts ook overal waar het schip tussentijds
                            aanlegt.</al><al></al><al><cursief>Handhaving op het water</cursief></al><al>Voor de handhaving wordt onderscheid gemaakt tussen orde op het water en
                            de openbare orde. In beide gevallen kan de politie handhavend optreden,
                            bijvoorbeeld bij geluidsoverlast of openbaar dronkenschap.De regels over
                            de orde op het water en de openbare orde worden vastgelegd in de APV,
                            het Binnenvaartpolitiereglement, een provinciale waterverordening, en de </al><al>Scheepsvaartverkeerswet.</al><al></al><al><cursief>Evenementen met dieren</cursief></al><al>In opdracht van de dierenbescherming heeft SGBO, het onderzoeks- en
                            adviesbureau </al><al>van de VNG, een rapport opgesteld waarin een overzicht wordt gegeven van
                            de wet- </al><al>en regelgeving op het gebied van dierenwelzijn en de daaruit
                            voortvloeiende </al><al>verplichtingen en bevoegdheden voor provincies en gemeenten (SGBO,
                            “Dierwelzijn </al><al>in provincie en gemeente, het juridisch kader”, 2003). Het volgende is
                            aan dit </al><al>rapport ontleend. De discussie over de aanvaarbaarheid van evenementen
                            met dieren splitst zich toe op twee soorten evenementen:</al><al>circussen waar dieren optreden; </al><al>folkloristische evenementen en wedstrijden met dieren, zoals zwijntje
                            tikken of gansslaan. </al><al></al><al>Gemeenten zijn bij de besluitvorming over het toelaten van evenementen
                            met dieren gebonden aan een juridisch kader dat wordt gevormd door de
                            evenementenregeling in de APV en de voorschriften in de Gezondheids- en
                            welzijnswet voor dieren (GWWD). Hoewel dierwelzijn in de APV geen aparte
                            weigeringsgrond is, kan uit diverse rechterlijke uitspraken worden
                            afgeleid dat gemeenten de mogelijkheid hebben om evenementen met dieren
                            (mede) te beoordelen op dierwelzijnsaspecten. Gemeenten kunnen in de
                            volgende twee situaties een vergunning voor het </al><al>organiseren van evenementen met dieren weigeren:</al><al>als er sprake is van dierenmishandeling (in dat geval kan er een beroep
                            worden gedaan op het openbare-ordemotief); </al><al>als de dieren op een weinig respectvolle wijze worden behandeld (in die
                            situatie vormt het zedelijkheidsmotief de weigeringsgrond). </al><al></al><al>Een uittreksel waarin de belangrijkste juridische instrumenten en
                            mogelijkheden worden besproken vindt u terug op het VNG-net
                            (www.vng.nl/juridsche zaken/APV/publicaties).</al><al></al><al><cursief>Evenementen en Vuurwerk</cursief></al><al>Bij evenementen wordt regelmatig (professioneel) vuurwerk afgestoken.
                            Het bedrijf dat de ontbranding verzorgt moet bij de provincie een
                            vergunning aanvragen.</al><al>Op grond van het Vuurwerkbesluit stelt de provincie onder meer regels
                            over de opslag van het vuurwerk en de afstand bij het afsteken tot het
                            publiek. De politie stemt met de ontbrander de vervoersroute af. De
                            provincie neemt contact op met de gemeente voor de door de gemeente af
                            te geven verklaring van geen bezwaar. De gemeente kan hier aanvullende
                            regels stellen in het kader van de openbare orde en veiligheid. In
                            Almere wordt naast de ontheffing van de provincie een
                            evenementenvergunning afgegeven. Daarin worden voorschriften gesteld met
                            betrekking tot openbare orde en veiligheid en ten aanzien van eventuele
                            verkeersveiligheid en (muziek)geluid. </al><al></al><al><cursief>Lasershows</cursief></al><al>Steeds vaker worden grote buitenluchtevenementen omlijst door
                            spectaculaire lasershows al dan niet begeleid door muziek. Krachtige
                            lasers produceren teksten of figuren in de lucht of op wolken. Deze
                            lasershows zijn spectaculair om te zien maar kunnen ook tot op grote
                            afstand invloed hebben op vliegtuigoperaties. Dit laatste is niet zonder
                            risico’s. Voor het geven van een vergunning voor een lasershow moet
                            daarom goedkeuring van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, divisie
                            Luchtvaart worden verkregen.</al><al>Gemeenten die toestemming geven voor lasershows dienen vooraf aan het
                            afgeven </al><al>van de vergunning contact op te nemen met de Inspectie Verkeer en
                            Waterstaat, </al><al>divisie Luchtvaart (de Inspectie). Zij beoordeelt of een lasershow kan
                            worden </al><al>toegestaan en onder welke voorwaarden. Bij de beoordeling kijkt de
                            Inspectie naar de voorgestelde locatie van een show, het type gebruikte
                            laser en een aantal andere gegevens. Dit zijn de parameters die dienen
                            als invoergegevens voor een computerprogramma waarmee wordt bepaald of
                            de ligging van de showlocatie ten opzichte van een luchthaven zodanig is
                            dat de veiligheid gewaarborgd kan worden. Rondom ieder luchthaven
                            bevinden zich een drietal concentrisch gelegen gebieden waarbij op
                            grotere afstand van een luchthaven de energiebundels van een lasershow
                            steeds krachtiger mogen zijn. Soms kan het nodig zijn om voorwaarden te
                            stellen in andere gevallen hoeven geen beperkingen opgelegd te worden.
                            Indien nodig worden luchtvarenden en andere organisaties zoals de
                            luchtverkeersleiding speciaal door de Inspectie </al><al>geïnformeerd. Gemeenten die het verzoek krijgen een vergunning af te
                            geven voor een </al><al>laserevenement kunnen contact op nemen met de divisie Luchtvaart. De
                            unit Infrastructuur en de unit Handhaving van de divisie zijn
                            verantwoordelijk voor de vergunningverlening en het toezicht met
                            betrekking tot luchthavens en het luchtruim en zijn het aanspreekpunt.
                            Informatie vindt u op het VNG-net (www.vng.nl/juridische
                            zaken/APV/publicaties). Meer informatie 023 - 566 31 88 (Divisie
                            luchtvaart unit infrastructuur).</al><al></al><al><cursief>Kermissen</cursief></al><al>De beoordeling van de veiligheid van installaties, die vallen onder het
                            Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen, behoort op grond van
                            dat besluit tot de verantwoordelijkheid van de regionale Inspectie
                            Gezondheidsbescherming van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid van
                            het ministerie van VWS. De toetsing van de “veiligheid van personen of
                            goederen” door de burgemeester zal zich daarom meer richten op de
                            veiligheid van personen of goederen op en rond het evenemententerrein,
                            de plaats van de attracties ten opzichte van elkaar, etc. </al><al></al><al><cursief>Overige regelgeving</cursief></al><al>Voor het houden van evenementen zijn ook andere regels dan die van de
                            APV van toepassing. Die regels stellen vanuit andere motieven eisen aan
                            het houden van evenementen. De aanvrager van een evenementenvergunning
                            moet zo nodig ook aan andere wettelijke vereisten voldoen, zoals:
                            Vreemdelingenwet 2000 , Winkeltijdenwet, Warenwet, Wet milieubeheer,
                            Drank- en Horecawet, Woningwet. </al><al></al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Het in het vooruitzicht stellen van een beloning in de vorm van prijzen
                            e.d. maakt de activiteit tot een wedstrijd. Rb Maastricht 15-02-1977, VR
                            1977, 91.Een limitatieve omschrijving van het begrip “evenement” kan in
                            de praktijk tot problemen aanleiding geven. ARRS 12-08-1985, Gst. 1986,
                            6805, 4.Het door geblinddoekte personen proberen om in aanwezigheid van
                            publiek met een sabel de hals van een van tevoren gedode gans af te
                            slaan (zgn. gansslaan) is een vertoning in de zin van artikel 39, lid 1
                            APV Eijsden. Dit artikel is opgenomen in hoofdstuk III betreffende de
                            openbare orde. Bij de afweging van belangen met betrekking tot de
                            vergunningverlening moet derhalve in ieder geval het belang van de
                            openbare orde worden betrokken. In casu gegronde reden voor vrees voor
                            verstoring van de openbare orde, in aanmerking genomen de emoties </al><al>rond het evenement en de escalatie daarvan. ABRS 26-08-1987, AB 1988,
                            263.Het weigeren van een vergunning ten behoeve van het houden van
                            evangelisatie activiteiten op het Museumplein in Ede is toegestaan
                            wegens verstoring van de openbare orde en veiligheid. Vz.ARRS
                            06-08-1991, AB 1992, 53 m.nt. PJB, AA 1992, 10 m.nt. P.W.C. Akkermans,
                            JG 92.0003 m.nt. L.J.J. Rogier.</al><al>Braderie is geen jaarmarkt of gewone markt. Vz. ARRS 27-05-1992, JG
                            93.0002. Motorcrosswedstrijden op zondag. Trainingswedstrijden voor
                            13.00 uur. Schending </al><al>van de zondagsrust? Pres. Rb Utrecht 06-06-1995, JG 95.0316 m.nt. A.B.
                            Engberts, </al><al>KG 1995, 292.Vergunning voor houden van festivals. Ruime uitleg begrip
                            “openbare orde”. Pres. </al><al>Rb Groningen 11-08-1995, Gst. 1996, 7030, 3 m.nt HH. Het toekennen van
                            de bevoegdheid tot het verlenen van een evenementenvergunning aan de
                            burgemeester is niet in strijd met artikel 162 van de Gemeentewet. De
                            Afdeling oordeelt dat een dergelijke bevoegdheidstoekenning in lijn is
                            met het bepaalde in artikel 174 Gemeentewet. Een stelsel waarbij voor
                            een evenement een naar tijd en plaats bepaalde algemene
                            evenementenvergunning wordt afgegeven aan een organisator, die binnen de
                            in de vergunning aangegeven grenzen en voor de in de vergunning al
                            opgenomen activiteiten op privaatrechtelijke grondslag zonder bemoeienis
                            van de burgemeester overeenkomsten sluit, waarmee verder invulling wordt
                            gegeven aan het evenement, is toegestaan. “Koninginnenacht Den Haag”
                            ABRS 11-03-1999, H01.98.1109, JG 99.0129 m.nt. M. Geertsema.Gebruik
                            perceel voor evenementen, o.a. schuurfeesten in strijd met de
                            bestemming. Dat evenementen elk slechts een of een enkele maal per jaar
                            worden georganiseerd, doet daar niet aan af. Slechts in bijzondere
                            omstandigheden afzien van handhavend optreden (op verzoek van
                            belanghebbende). ABRS 02-04-1999, Gst. 1999, 7103, 4 m.nt.
                            P.J.H.Ingevolge artikel 174 van de Gemeentewet is de burgemeester - en
                            niet het college - bevoegd om geluidsvoorschriften op te nemen in de
                            evenementenvergunning. ABRS 13-12-1999, JG 00.0055 m.nt. M. Geertsema,
                            Gst. 2000, 7116, 3 m.nt. HH. Kooigevecht is niet een sportwedstrijd maar
                            een evenement. Weigering vergunning op grond van veiligheid van personen
                            en de goede zeden. Pres. Rb ‘s </al><al>Hertogenbosch 14-02-1997, KG 1997, 106. In hoger beroep: Het is primair
                            aan de burgemeester om invulling te geven aan het begrip zedelijkheid
                            als bedoeld in de APV. Weigering op grond van zedelijkheid is
                            toegestaan. Geen sprake van gevaar voor veiligheid van personen. ABRS
                            25-08-2000, AB 2001, 337, JG 00.0205 m.nt. G.H.M. van der Horst, Gst.
                            2000, 7131, 3 m.nt. HH, JB 2000, 273.Met het oog op de bescherming van
                            het belang van de openbare orde en veiligheid </al><al>kan de evenementenvergunning worden ingetrokken, omdat de organisatie
                            van het evenement onjuiste dan wel onvoldoende gegevens heeft verstrekt
                            ter verkrijging van de vergunning en omdat het evenement niet zal worden
                            georganiseerd volgens oorspronkelijke plannen. Rb. Groningen 21-01-2001,
                            LJN-nr. AB1828. Burgemeester heeft in redelijkheid kunnen weigeren om
                            permanente verklaring van geen bezwaar te verlenen voor ballonopstijging
                            van ander terrein dan </al><al>gemeentelijk evenemententerrein, nu het andere terrein niet voldoet aan
                            minimale afstandseisen in Besluit inrichting en gebruik niet aangewezen
                            luchtvaartterreinen. ABRS 11-07-2001, rolnr. 200003393/1. Organisatie
                            van circus op plein met parkeerbestemming. er doen zich geen </al><al>weigeringsgronden voor op grond van artikel 2.1.5.1 (oud) en 2.2.2
                            (oud)APV. Ook strijdigheid met het bestemmingsplan biedt geen grondslag
                            voor weigering vergunning. Pres. Rb Leeuwarden 06-09-2001, LJN-nr.
                            AD3917.Terechte intrekking van een evenementenvergunning voor houden van
                            dansfestival wegens gevaar voor openbare orde en/of veiligheid.
                            Ontbreken van deskundigheid op het gebied van organiseren van evenement
                            doet niet af aan verwijtbaarheid van organisator. Kosten behoren tot
                            normaal te achten risicosfeer van organisator van evenement. ABRS
                            16-01-2002, rolnr. 200101384/1.Burgemeester heeft terecht vergunning
                            geweigerd voor vechtsportevenement wegens strijd met de zedelijkheid.
                            Hij heeft zijn beoordelingsvrijheid niet overschreden. In casu is er
                            geen sprake van een regulier maatschappelijk aanvaarde vechtsport. Rb
                            Amsterdam 21-02-2003, AWB 03/1235/VEROR 031008.Vechtsportevenement is
                            een evenement in de zin van de APV en vormt niet zonder </al><al>meer een inbreuk op de openbare orde en zedelijkheid. Rb Amsterdam
                            13-3-2003, LJN-nr. AF6101. Aanvraag om evenementenvergunning moet worden
                            beoordeeld aan de hand van de </al><al>belangen die zijn opgenomen in de weigeringsgronden van de APV-bepaling. </al><al>Andersoortige belangen kunnen geen zelfstandige weigeringsgrond
                            opleveren, ABRS 29-04-2003, LJN-nr. AF8028.Intrekken van een vergunning
                            vereist een zorgvuldige voorbereiding, Als </al><al>specifieke kennis bij het bestuursorgaan ontbreekt, moet advies worden
                            ingewonnen met betrekking tot MKZ-besmetting. Zes werkdagen zijn
                            daarvoor voldoende. ABRS 11-6-2003, LJN-nr. AF9809. Voor wat betreft het
                            opnemen van voorschriften in de evenementenvergunning met </al><al>betrekking tot professionele beveiligingsbeambten, oordeelde de Afdeling
                            dat de burgemeester van Tubbergen voldoende had gemotiveerd waarom hij
                            professionele begeleiding van het Pinksterfeest nodig achtte. ABRS
                            07-04-2004, LJN-nr. AO7140. De burgemeester kon nadere voorschriften aan
                            de door hem alsnog verleende vergunning verbinden. ABRS 28-04-2004,
                            LJN-nr. AO8495. Burgemeester heeft terecht evenementenvergunning voor
                            meerdaags festival </al><al>geweigerd wegens ontbreken van politiecapaciteit voor een extra dag. Hij
                            heeft in dit kader grote beleidsvrijheid. Rb Haarlem 06-05-2004, LJN-nr.
                            AO9076. Het gebruik van de grond voor het houden van het schuttersfeest
                            houdt strijdigheid met het bestemmingsplan in die niet is toegestaan,
                            althans niet zonder een passende planologische vrijstelling. Het feest
                            heeft naar omvang, duur en uitstraling een planologische relevantie.
                            ABRS 13-04-2005, LJN-nr. AT3708, Gst. 2005, 7229, m.nt. Teunissen.
                            (Schuttersfeest Diepenheim, Hof van </al><al>Twente). Zie ook: Rb. Leeuwarden 27-07-2005, LJN-nr. AU0442
                            (Veenhoopfestival </al><al>Smallingerland).Aanwezigheid van hoger aantal bezoekers dan 25.000 bij
                            evenement zal leiden tot concrete, zich direct aandienende, de
                            veiligheid of gezondheid bedreigende situatie. Burgemeester was derhalve
                            bevoegd verbod uit te vaardigen. ABRS 04-05-2005, LJN-nr. AT5100. De
                            burgemeester heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het dat het feest
                            vanwege de grootschaligheid, de muziekstijl, het soort publiek dat er
                            komt, en de sluitingstijd - drie uur na de toegestane sluitingstijd -
                            niet tot de normale bedrijfsvoering van de inrichting behoort. Daarbij
                            is in aanmerking genomen dat het feest niet door de exploitanten van de
                            inrichting, maar door een derde is georganiseerd en de exploitanten er
                            geen blijk van hebben gegeven dat zij op de </al><al>hoogte waren van hetgeen precies zou plaatsvinden in hun inrichting.
                            Voorts is daarbij in aanmerking genomen dat volgens de burgemeester de
                            ervaring heeft geleerd dat dit soort houseparty’s vaak gepaard gaat met
                            grootschalig drugsgebruik, met alle risico’s van dien, en dat extra
                            politie-inzet nodig is om de openbare orde te handhaven, terwijl dit
                            niet het geval is bij een reguliere avond in “The Royce”. Onder deze
                            omstandigheden heeft de burgemeester zich niet </al><al>ten onrechte op het standpunt gesteld dat “Ghosthouse” een evenement in
                            de zin van artikel 2.2.1 (oud) van de Apv is, waarvoor ingevolge artikel
                            2.2.2 (oud), eerste lid, van de Apv een vergunning nodig is.Er zijn
                            voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het gevaar bestond dat
                            het feest “Ghosthouse” zou worden gehouden zonder de daarvoor benodigde
                            vergunning en dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid
                            overtreding van artikel 2.2.2 (oud), eerste lid, van de Apv zou
                            plaatsvinden. De burgemeester was dan ook bevoegd de last onder dwangsom
                            op te leggen. Gelet op de omstandigheden van dit geval, waaronder het
                            korte tijdsbestek waarbinnen de burgemeester moest handelen aangezien
                            tevoren met het gemeentebestuur geen enkel overleg was gevoerd en de
                            burgemeester pas op de dag waarop het feest was gepland vernam dat het
                            in “The Royce” zou worden gehouden, alsmede de ervaring dat een feest
                            als dit een grote inzet van de politie vergt, welke inzet binnen het
                            korte tijdsbestek moeilijk zo niet onmogelijk te realiseren was, heeft
                            de burgemeester in redelijkheid kunnen oordelen dat het opleggen van de
                            last onder dwangsom hier aangewezen was. ABRS 11-01-2006, LJN-nr.
                            AU9388.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:11 Ordeverstoring</vet></al><al><vet></vet></al><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren,
                            dat zich </al><al>in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><al></al><al><vet>AFDELING 7. BETAALD VOETBAL</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:12 Meldingsplicht</vet></al><al><onderstreept></onderstreept></al><al>Dit artikel regelt de manier en het tijdstip waarop de organisator van
                            een betaald voetbalwedstrijd daarvan kennis moet geven aan de
                            burgemeester. Het voordeel van een meldingsplicht boven een
                            vergunningsplicht is dat een meldingsplicht voor zowel de organisator
                            als voor de gemeente minder omslachtig is. Lid 5 geeft de burgemeester
                            de bevoegdheid om met betrekking tot een voetbal wedstrijd aan de
                            organisator voorschriften op te leggen indien zij dat noodzakelijk vindt
                            in verband met de openbare orde. In lid 6 worden drie redenen opgenoemd
                            die voor de burgemeester aanleiding kunnen zijn om een voetbal wedstrijd
                            te verbieden. Uit het voorgaande blijkt dat, ondanks het feit dat wordt
                            voorgesteld om voor een betaald voetbal wedstrijd geen vergunning
                            verplicht te stellen, de burgemeester diverse mogelijkheden heeft om
                            voorschriften op te leggen en om, in het uiterste geval, een
                            voetbalwedstrijd te verbieden. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:13 Verboden voetbalwedstrijd</vet></al><al></al><al>Het artikel verbiedt de organisator van een voetbalwedstrijd om deze te
                            laten plaatsvinden indien:</al><al>niet tijdig is kennisgegeven van de voetbalwedstrijd;</al><al>hij zich niet aan de voorschriften houdt die door de burgemeester zijn
                            gegeven;</al><al>wordt afgeweken van gegevens die hij aan de burgemeester heeft verstrekt
                            bij de kennisgeving of ;</al><al>indien de burgemeester de wedstrijd heeft verboden. </al><al></al><al>Mocht de organisator de wedstrijd desondanks laten plaatsvinden dan is
                            hij op grond van dit artikel in overtreding en kan er eventueel een
                            proces-verbaal worden opgemaakt en door justitie een boete worden
                            opgelegd.</al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><vet>Artikel 2:14 Verwijdering supporters</vet></al><al><onderstreept></onderstreept></al><al>Dit artikel geeft de politie de bevoegdheid om (groepen)
                            voetbalsupporters die niet in het bezit zijn van toegangbewijzen of die
                            er mogelijk op uit zijn om de orde te verstoren weg te sturen uit de
                            gemeente. Te denken valt hierbij aan bussen met supporters die niet in
                            het bezit zijn van toegangskaarten of groepen supporters die in het
                            (uitgaans)centrum rondhangen.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:15 Omgevingsverbod</vet></al><al></al><al>Dit artikel geeft de burgemeester de mogelijkheid om personen die een
                            zwaarder delict hebben begaan of notoire voetbalvandalen of recidivisten
                            een verbod op te leggen om gedurende een bepaalde periode ,vanaf 2 uur
                            voor het vastgestelde begin tot 2 uur na afloop van de vastgestelde
                            voetbalwedstrijd in de omgeving van het stadion te komen. Volgens het
                            landelijk kader voetbalvandalisme is dit stadionomgevingsverbod een
                            dermate goed instrument dat zij de opname van het artikel in de APV min
                            of meer verplicht stelt. </al><al></al><al><vet>AFDELING 8. TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al><vet></vet></al><al>In Almere is geen exploitatiestelsel van toepassing op horecabedrijven.
                            Handhaving op openbare orde en veiligheid en overlast moet aangepakt
                            worden met de ter beschikking staande regelgeving (o.a. Drank- en
                            Horecawet en de sluitingsbepaling in de APV). Voor alcoholvrije
                            bedrijven zoals lunchroos en coffeeshops, is de Drank- en
                            Horecaverordening van toepassing. Op basis van deze verordening kunnen
                            deze inrichtingen ook aan de Wet BIBOB worden getoetst.</al><al></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:16 Begripsbepalingen</vet></al><al><vet></vet></al><al>In plaats van de term “horecabedrijf” wordt nu de term “openbare
                            inrichting” gebruikt. Dit voor de duidelijkheid. In de Drank- en
                            Horecawet wordt namelijk met “horecabedrijf” alleen gedoeld op bedrijven
                            waar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt
                            verstrekt voor gebruik ter plaatse, de zogenaamde “natte horeca”. De
                            bepalingen in de APV betreffen juist ook de bedrijven waar geen
                            alcoholhoudende drank wordt verstrekt, de zogenaamde “droge horeca”:
                            tearooms, lunchrooms en dergelijke, maar ook coffeeshops.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:17 Terrasvergunning</vet></al><al></al><al>Deze bepaling bepaalt dat de burgemeester bij een vergunningaanvraag
                            voor een of meer bij de inrichting behorende terrassen, gelet op de
                            openbare orde ter plaatse, tevens over de ingebruikneming van de
                            openbare weg beslist. De terrasvergunning is gebonden aan het object en
                            hoeft dus niet te worden gewijzigd bij wisseling van ondernemers. Het
                            tweede lid onder c, is bij de derde wijziging van nieuw in de APV 2011
                            toegevoegd. Een vergunning kan geweigerd worden als het gebruik van het
                            terras afbreuk doet aan andere publieke functies van de openbare ruimte
                            inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan. In Almere
                            geldt het uitgangspunt dat de inrichting van een terras een
                            verantwoordelijkheid van de ondernemer is. Echter, als er objecten
                            worden geplaatst die afbreuk doen aan het uiterlijk aanzien van een
                            straat of plein moet kunnen worden ingegrepen. Op basis van deze
                            bepaling kan de burgemeester de vergunning dan weigeren. Hierover wordt
                            opgemerkt dat de bepaling uitsluitend wordt gebruikt als
                            excessenregeling. Dit kan b.v. als het meubilair er verwaarloosd
                            uitziet. In lid 4 is opgenomen dat de burgemeester openbare plaatsen kan
                            aanwijzen waarvoor de vergunningplicht niet geldt. Aan het
                            aanwijzingsbesluit zullen dan nadere regels zijn verbonden. Dat kan per
                            gebied, al naar gelang de situatie, verschillen. Gebieden die kunnen
                            worden aangewezen zijn bijvoorbeeld de gebieden waarin de maximale
                            oppervlakten van de terrassen in kaart zijn gebracht. Gehandhaafd kan
                            worden als de nadere regels niet worden nageleefd. Op grond van artikel
                            2:18 van de APV kan het terras tijdelijk worden gesloten of kunnen er
                            andere sluitingstijden worden vastgesteld als de openbare orde verstoord
                            wordt.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:18 Sluitingstijden openbare inrichtingen</vet></al><al></al><al>Artikel 2:18 voorziet in een sluitingsregeling. Zonder ontheffing moet
                            een horecabedrijf iedere dag gesloten zijn tussen 00.00 uur en 06.00
                            uur. In lid 4 heeft de burgemeester de mogelijkheid om gebieden aan te
                            wijzen waarop het verbod van het eerste lid niet geldt. De aangewezen
                            gebieden zijn gelegen in het centrumgebied.</al><al><vet></vet></al><al>Grondslag voor de in de APV opgenomen sluitingsbepalingen is artikel 149
                            Gemeentewet. De gemeenteraad kan verplichte sluitingstijden voor
                            openbare inrichtingen vaststellen in het belang van de openbare orde. De
                            sluitingsbepalingen betreffen de gedeelten van de inrichting, waarin de
                            eigenlijke horecawerkzaamheden worden uitgeoefend: een op het trottoir
                            gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich boven de
                            inrichting bevindende woning van de exploitant niet. Ook sportkantines,
                            sociëteiten, clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als inrichting
                            aan te merken. Het besloten karakter van een horecabedrijf kan de
                            veronderstelling wekken dat de in de APV opgenomen sluitingstijden niet
                            van toepassing zijn op dat bedrijf: immers, volgens de jurisprudentie
                            kan een gemeentelijke verordening geen activiteiten betreffen die elk
                            karakter van openbaarheid missen. Dit kan echter niet worden gezegd van
                            activiteiten die een weerslag hebben op een openbaar belang, waarvan ook
                            sprake is bij besloten horecabedrijven. De sluitingsuurbepaling ziet
                            niet op activiteiten binnen het bedrijf, maar op de (nadelige) invloed
                            die daarvan uitgaat op de omgeving: bijvoorbeeld in de vorm van overlast
                            van komende en gaande bezoekers (het aan en afrijden van auto's, het
                            slaan met portieren, claxonneren, menselijk stemgeluid e.d.). In het
                            vierde lid heeft de burgemeester de mogelijkheid om de sluitingstijden
                            voor één of meer openbare inrichtingen of voor bepaalde categorieën
                            openbare inrichtingen te beperken of te verruimen. Dit kan voor een
                            tijdelijke periode, maar ook kunnen de sluitingstijden permanent
                            ingevoerd worden. Indien er sprake is van dat laatste wordt aanbevolen
                            om een openings- of sluitingstijdenbeleid op te stellen. </al><al></al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Uitvoering</cursief><cursief></cursief></al><al>Het onderscheid tussen regelgeving en uitvoering heeft in het kader van
                            de sluitingsuren van inrichtingen aanleiding gegeven tot veel
                            jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State. In de
                            uitspraak van 2 september 1983, AB 1984, 245 m.nt. JHvdV (Oploo, Sint
                            Anthonis en Ledeacker) stond de vraag centraal of de burgemeester
                            bevoegd was een permanente ontheffing te verlenen van het verbod uit de
                            APV. De Afdeling heeft over de bevoegdheidsafbakening tussen de raad en
                            burgemeester aangegeven dat de gemeenteraad in het APV artikel in het
                            geheel geen grenzen stelt aan de ontheffingsbevoegdheid van de
                            burgemeester. Noch uit de tekst van het APV artikel, noch anderszins
                            blijkt dat de ontheffing bijvoorbeeld slechts in bijzondere
                            omstandigheden of in incidentele gevallen door de burgemeester mag
                            worden verleend. De visie van verweerder dat hij zich op het terrein van
                            de gemeentelijke wetgever zou bewegen, zou naar het oordeel van de
                            Afdeling slechts opgaan indien hij aan alle inrichtingen in de gemeente
                            onbeperkt ontheffing van het in het desbetreffende APV-artikel vervatte
                            verbod zou verlenen. In dat geval zou verweerder immers de door de
                            gemeenteraad vastgestelde sluitingsuren als vermeld in artikel 56
                            (2.3.1.4), eerste lid, APV in feite ter zijde stellen. De Afdeling kan
                            daarom niet inzien waarom de burgemeester de bevoegdheid zou missen het
                            verzoek om ontheffing in te willigen.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:19 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke
                            sluiting</vet></al><al></al><al><cursief>Eerste lid</cursief><cursief></cursief></al><al>Artikel 174 van de Gemeentewet vormt de grondslag voor de bevoegdheid om
                            een of meer horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te
                            leggen of tijdelijk te sluiten. Aanleiding voor tijdelijke afwijking of
                            sluiting moet zijn gelegen in het belang van de openbare orde,
                            veiligheid of gezondheid, of in bijzondere omstandigheden (zoals, al dan
                            niet lokale, feestdagen). Het betreft een algemene bevoegdheid die zich
                            niet alleen kan uitstrekken tot een maar ook tot meer of zelfs tot alle
                            in de gemeente aanwezige horecabedrijven. Wel beperkt de bevoegdheid
                            zich tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden of tot
                            tijdelijke sluiting.<cursief></cursief></al><al></al><al><cursief>Tweede lid</cursief><cursief></cursief></al><al>Hoewel de wetgever er bij de invoering van de Wet “Damocles” (artikel
                            13b van de Opiumwet dat op 21 april 1999 in werking is getreden) vanuit
                            is gegaan dat gemeentelijke regelingen (overlast- of
                            exploitatieverordeningen) hun geldigheid behouden omdat het onderwerp
                            van de gemeentelijke regeling een ander is, lijkt het raadzaam door
                            middel van het bepaalde in het tweede lid buiten twijfel te stellen dat
                            niet in dezelfde situaties kan worden opgetreden als waarvoor artikel
                            13b Opiumwet is bedoeld. Voor meer informatie zie de uitgave van het
                            Steun- en informatiepunt drugs en veiligheid (SIDV) onder de titel “De
                            wet “Damocles”, bestuursdwangbevoegdheid in artikel 13b Opiumwet”
                            (VNG-uitgeverij, Den Haag 1999).</al><al>Zie voor meer informatie en jurisprudentie ook de website van het SIDV
                                <extref doc="http://www.sidv.nl/">www.sidv.nl</extref> .</al><al></al><al>Op 13 juli 2002 is de Wet Victor in werking getreden (Staatsblad 2002,
                            348). Deze wet houdt in dat het college de bevoegdheid krijgt om de
                            eigenaar van een pand dat is gesloten op grond van de APV, artikel 13b
                            Opiumwet of artikel 174a Gemeentewet aan te schrijven om het pand in
                            gebruik te geven aan een andere persoon of instelling, dan wel om
                            verbeteringen aan te brengen. Als de verstoring van de openbare orde of
                            de verkoop van drugs niet langdurig achterwege blijft, kan in het
                            uiterste geval zelfs overgegaan worden tot onteigening.</al><al>In de Wet Victor is ook bepaald dat sluitingen op grond van artikel 13b
                            Opiumwet en artikel 174a Gemeentewet moeten worden ingeschreven in de
                            openbare registers. Conform artikel 3:16 BW. Merkwaardig genoeg geldt
                            deze inschrijvingsplicht niet voor de sluitingen op grond van de
                            APV.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief><cursief></cursief></al><al>Artikel 174 van de Gemeentewet geeft aan de burgemeester reeds een
                            sluitingsbevoegdheid. Wenselijk om ook in de APV een sluitingsbepaling
                            op te nemen. ARRS 15 06 1984, AB 1985, 96 m.nt. JHvdV.</al><al>Sluitingsmaatregel heeft geen punitief karakter en is niet onevenredig
                            zwaar. ABRS 23 05 1995, AB 1995, 475 m.nt. LJJR.</al><al>Sluitingsbevel zonder tijdsbepaling voldoet niet aan artikel 221
                            gemeentewet (oud). Vz. 26-08-1992, AB 1993, 104, JG 93.0116 , en ABRS
                            05-07-1996, JG 96.0266.</al><al>Terechte sluiting voor onbepaalde tijd van coffeeshop die het
                            nuloptiebeleid overtreedt. Vz.ABRS 05-091997, Gst. 1998, 7069, 4 m.nt.
                            HH.</al><al>Terechte sluiting van horecagelegenheid voor de duur van een jaar wegens
                            handel in harddrugs. Vz.ABRS 22-04-1998, K01.97.0213 (ongepubliceerd).
                            Persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant daarbij (bij handel in
                            harddrugs) is niet van belang. ABRS 29-04-1997, R03.93.4839, JU 982015
                            (VNG-databank), ABRS 27-06-1997, R03.93.5408, JU 98201 (VNG-databank),
                            en ABRS 04-07-2001, AB 2001, 6 m.nt. JGB/AES. Terechte sluiting van twee
                            horeca-inrichtingen en intrekking van de exploitatievergunningen wegens
                            smokkel van illegalen. Aantasting van de openbare orde. Pres. Rb
                            Rotterdam 5 september 1997, JG 97.0209.</al><al>Bij uitoefening sluitingsbevoegdheid hoeft burgemeester geen strikte
                            strafrechtelijke bewijsregels in acht te nemen. ABRS 06-021997, JG
                            97.0075. Sluiting is geen “criminal charge” als bedoeld in artikel 6
                            EVRM. Inzage in geanonimiseerde getuigenverklaringen en politierapporten
                            is dan ook niet strijdig met het “fair trial”-beginsel. ABRS 11-061998,
                            AB 1998, 297 m.nt. FM. In bestuursrechtelijk geding moeten wel de
                            juistheid van de feiten en zorgvuldigheid van het besluit kunnen worden
                            getoetst. Pres. Rb Breda, 27 januari 1998, JG 98.0096.</al><al></al><al>Terechte sluiting van een discotheek op grond van artikel 2.3.1.5 van de
                            APV van Zaanstad, nu is gebleken dat de situatie rond het gebruik van
                            partydrugs uit een oogpunt van te beschermen gezondheidsbelangen
                            onbeheersbaar is. Pres. Rb Haarlem 16 november 2001, LJN-nr.
                            AD5792.</al><al>Het (tijdelijk) sluiten van een horecabedrijf enkele weken nadat een
                            overtreding van de sluitingsuren heeft plaatsgehad, is geen reparatoire
                            maatregel maar een punitieve sanctie, waar de waarborgen van artikel 6
                            van het EVRM op zien. Rb. Den Haag 10-05-2005, LJN-nr. AT6239, JG
                            05.00105 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Het intrekken van de horecavergunning (voor een bedrijf dat geen alcohol
                            verkoopt) vanwege het feit dat de aanvrager niet voldoet aan eisen ten
                            aanzien van zedelijk gedrag, is geen punitieve sanctie en daarom niet in
                            strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van
                            de mens en de fundamentele vrijheden. ABRS 11-05-2005, LJN-nr. AT5345,
                            JG 05.0094 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Aan het jarenlang niet optreden van het college tegen het verboden
                            gebruik kan niet het</al><al>gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat het college niet meer tot
                            handhaving zou overgaan. Het accepteren van verplichte meldingen op
                            grond van de algemeen plaatselijke verordening voor incidentele feesten
                            is daartoe onvoldoende. ABRS 28-10-2004, LJN-nr. AR5063, JG 05.0008
                            m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Openlijke geweldpleging vóór het café niet voldoende grond voor sluiting
                            café. LJN-nr. AR6321, JG 05.0036 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Geen geabstraheerde overlast als gevolg van schietincident. Vz Rb
                            Utrecht 11-03-2005, LJN-nr. AS9918, JG 05.0060 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Bij een beslissing van de burgemeester om een horeca-inrichting te
                            sluiten toetst de rechter terughoudend. ABRS 09-02-2005, LJN-nr. AS5485,
                            JG 05.0048, m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Het niet voorkomen van overlast in de omgeving van een coffeeshop reden
                            voor tijdelijke sluiting. LJN-nr. AR2177, JG 04.0163 m.nt. A.L.
                            Esveld.</al><al>De aanwezigheid van cocaïne leidt tot onmiddellijke sluiting en het
                            schrappen van de gedooglijst van een coffeeshop. LJN-nr. AR8730, JG
                            05.0033 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Eén pistoolschot is nog geen reden tot sluiting LJN-nr. AR6323, JG
                            05.0049 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Aantreffen van harddrugs leidt tot onmiddellijke sluiting van
                            coffeeshop. Persoonlijke verwijtbaarheid speelt geen rol. LJN-nr.
                            AT3727, JG 05.0081 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Onder verkoop van drugs moet het totaal aan handelingen worden verstaan
                            dat rechtstreeks tot de overdracht van het verkochte leidt.
                            Handhavingprotocol alcoholvrije inrichtingen kan worden gebruikt, ook al
                            betreft het in casu niet een alcoholvrije inrichting. Persoonlijke
                            verwijtbaarheid speelt geen rol. LJN-nr. AT4607, JG 05.0082 m.nt. A.L.
                            Esveld.</al><al>Schietincident bij overval is reden voor tijdelijk sluiting. Is een
                            reparatoire maatregel, gericht op herstel van de openbare orde, waarbij
                            de persoon van de coffeeshophouder geen rol speelt. LJN-nr. AT5655, JG
                            05.juli/augustus m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Sluiting woning voor de duur van één jaar op grond van 174a Gemeentewet
                            wegens overlast. LJN-nr. AT6163, JG 05.0095, m.nt. A.L. Esveld.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:20 Aanwezigheid in gesloten openbare
                            inrichting</vet></al><al></al><al>Sluitingsbepalingen richten zich tot exploitant. Artikel 2:20 richt zich
                            daarentegen tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting. Als die zich
                            met goedvinden van de exploitant in de inrichting bevindt in de tijd dat
                            de inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij artikel 2:20. Als hij
                            geen toestemming van de exploitant heeft en de niet weggaat als de
                            exploitant dat vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van
                            Strafrecht (lokaalvredebreuk).</al><al></al><al><vet>Artikel 2:21 Ordeverstoring</vet></al><al><vet></vet></al><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te
                            verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:22 Het college als bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al></al><al>Het begrip “openbare inrichting” als omschreven in artikel 2:16 ziet ook
                            op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals
                            besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174
                            van de Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college
                            het bevoegde bestuursorgaan. De tekst is in overeenstemming gebracht met
                            die van artikel 174 van de Gemeentewet.</al><al></al><al><vet>AFDELING 8a BIJZONDERE BEPALINGEN OVER HORECABEDRIJVEN ALS BEDOELD
                                IN DE DRANK- EN HORECAWET</vet></al><al><vet></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al></al><al><cursief>Inleiding</cursief></al><al>De bepalingen in deze afdeling betreffen medebewindbepalingen die zijn
                            gebaseerd op de artikelen 4 en 25a van de Drank- en Horecawet (hierna:
                            de wet). Hoewel de Algemene plaatselijke verordening gemeente Almere
                            2011 (APV 2011) voor het overgrote deel uit autonome bepalingen bestaat,
                            is er voor gekozen om deze medebewindbepalingen daarin op te nemen omdat
                            dit vanuit praktisch oogpunt een logische stap is. Immers, de APV 2011
                            regelt al aanverwante zaken zoals de sluitingstijden, terrasvergunningen
                            en dergelijke. De paracommerciële bepalingen zijn ook in de model APV
                            van VNG opgenomen.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Oneerlijke mededinging</cursief></al><al>Op basis van artikel 4 van de wet moeten bij gemeentelijke verordening
                            regels gesteld worden met betrekking tot de paracommerciële
                            horecabedrijven ter voorkoming van oneerlijke mededinging. Uit de
                            memorie van toelichting (Kamerstukken II 2008/09, 32 022, nr. 3, blz.
                            10) blijkt dat de regering ervan uitgaat dat de gemeenten de belangrijke
                            maatschappelijke functie van de verschillende paracommerciële
                            instellingen in acht zullen nemen en geen onnodige beperkingen zullen
                            opleggen daar waar de mededinging niet in het geding is en er geen
                            sprake is van onverantwoorde verstrekking van alcohol, hoofdzakelijk aan
                            jongeren.</al><al>Concreet komt het er op neer dat de gemeentelijke uitwerking moet leiden
                            tot regels die op z’n minst in enige mate bijdragen aan het voorkomen
                            van oneerlijke mededinging. Of in bepaalde gevallen sprake zal zijn van
                            oneerlijke mededinging is sterk afhankelijk van de lokale situatie. Bij
                            de aanzienlijke ruimte die dit uitgangspunt biedt zal de gemeentelijke
                            uitwerking verder overeenkomstig de algemene beginselen van behoorlijk
                            bestuur plaats moeten vinden. Er is dus aanzienlijke ruimte voor een
                            afweging van belangen, die enerzijds niet tot het volledig uitbannen van
                            oneerlijke mededinging hoeft te leiden en anderzijds niet tot het
                            volledig ongemoeid laten van oneerlijke mededinging mag leiden. In
                            Almere zijn zowel Koninklijke Horeca Nederland, afdeling Almere als
                            paracommerciële instellingen betrokken geweest bij de totstandkoming van
                            de regels. Ook is de mogelijkheid geboden tot het indienen van een
                            zienswijze op de conceptregels.</al><al>Uitgangspunt bij de totstandkoming van de regels zijn de huidige
                            voorschriften die gelden voor paracommerciële inrichtingen. Uit de
                            gevoerde gesprekken is gebleken dat voorkomen moet worden dat
                            paracommerciële inrichtingen gaan functioneren als reguliere commerciële
                            horecabedrijven. Voor het organiseren van enkele bijeenkomsten van
                            persoonlijke aard is geen bezwaar. Echter, een paracommerciële
                            instelling of vereniging moet er wel kritisch op zijn welke
                            bijeenkomsten zij al dan niet toestaan. Het instellen van een maximum in
                            de verordening is daarom aanbevolen. Op die manier kan een
                            paracommerciële instelling of vereniging prioriteiten stellen welke
                            bijeenkomsten zij al dan niet toestaan. In een beleidsregel is
                            vervolgens aangegeven welke bijeenkomsten wel en welke niet onder de
                            bijeenkomsten van persoonlijke aard worden gebracht.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Verplichte en niet verplichte bepalingen</cursief></al><al>Een regeling op grond van artikel 4 van de wet, in deze verordening
                            uitgewerkt in artikel 2:22b, is verplicht. Dat geldt niet voor artikel
                            2:22c, die gebaseerd is op artikel 25a, van de wet. Deze bepaling heeft
                            niet als doel het tegengaan van oneerlijke mededinging, maar het
                            tegengaan van onverantwoorde verstrekking van alcohol, hoofdzakelijk aan
                            jongeren.</al><al><vet></vet></al><al><vet>2:22a Begripsbepalingen</vet></al><al></al><al>De begripsbepalingen uit de Drank- en Horecawet (hierna: de wet) werken
                            door in de op deze wet gebaseerde regelgeving. Ter verduidelijking is
                            een uitdrukkelijke verwijzing opgenomen, waaruit tevens blijkt dat deze
                            begripsomschrijvingen enkel voor afdeling 8A gelden. Het gaat om de
                            volgende begripsomschrijvingen.</al><al>Alcoholhoudende drank: de drank die bij een temperatuur van twintig
                            graden Celsius voor meer dan een half volumeprocent uit alcohol
                            bestaat.</al><al>Horecabedrijf: de activiteit in ieder geval bestaande uit het
                            bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende
                            drank voor gebruik ter plaatse. In afdeling 8 van de APV 2011 (toezicht
                            op openbare inrichtingen) wordt de term horecabedrijf niet gebruikt,
                            maar de term openbare inrichting. Uit de definitie van artikel 2:16 van
                            de APV 2011 blijkt dat onder openbare inrichtingen niet alleen
                            horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet vallen, maar ook
                            bedrijven waar alleen alcoholvrije drank wordt geschonken, of rookwaar
                            voor gebruik ter plaatse wordt versterkt (coffeeshops), of
                            zwakalcoholhoudende drank om mee te nemen wordt verkocht (snackbars en
                            dergelijke). Op de horecabedrijven in de zin van de Drank- en Horecawet
                            is dus zowel afdeling 8 als afdeling 8A van de APV 2011 van
                            toepassing.</al><al>Horecalokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit,
                            onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt
                            uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van
                            alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse.</al><al>Inrichting: de lokaliteiten waarin het slijterbedrijf of het
                            horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen voor
                            zover die terrassen in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van
                            alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, welke lokaliteiten al
                            dan niet onderdeel uitmaken van een andere besloten ruimte. </al><al>Paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon niet zijnde een
                            naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte
                            aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve,
                            sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of
                            godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een
                            horecabedrijf. </al><al>Sterke drank: de drank, die bij een temperatuur van twintig graden
                            Celsius voor vijftien of meer volumeprocenten uit alcohol bestaat, met
                            uitzondering van wijn.</al><al>Slijterbedrijf: de activiteit bestaande uit het bedrijfsmatig of anders
                            dan om niet aan particulieren verstrekken van sterke drank voor gebruik
                            elders dan ter plaatse, al dan niet gepaard gaande met het bedrijfsmatig
                            of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van
                            zwakalcoholhoudende- en alcoholvrije drank voor gebruik elders dan ter
                            plaatse of met het bedrijfsmatig verrichten van bij algemene maatregel
                            van bestuur aangewezen andere handelingen.</al><al>Zwakalcoholhoudende drank: alcoholhoudende drank, met uitzondering van
                            sterke drank.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:22b Regulering paracommerciële rechtspersonen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Artikel 4 van de wet verplicht gemeenten ter voorkoming van oneerlijke
                            mededinging regels te stellen waaraan paracommerciële rechtspersonen
                            zich moeten houden wanneer zij alcoholhoudende drank verstrekken. Op
                            grond van artikel 4, eerste lid en derde lid, onder a, van de wet moet
                            geregeld worden gedurende welke tijden in de betrokken inrichting
                            alcoholhoudende drank mag worden verstrekt. Met andere woorden, de
                            schenktijden voor alcoholhoudende dranken moeten geregeld worden. Op
                            grond van artikel 4, eerste lid en derde lid, onder b en c, van de wet
                            moeten regels gesteld worden met betrekking tot door paracommerciële
                            rechtspersonen in de inrichting te houden bijeenkomsten van persoonlijke
                            aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet
                            rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon
                            betrokken zijn. Uiteraard alleen voor zover er tijdens deze
                            bijeenkomsten alcoholhoudende drank wordt verstrekt door de
                            paracommerciële rechtspersoon. Zoals in het algemene deel van deze
                            toelichting is aangegeven betekent dit dat de gemeentelijke uitwerking
                            moet leiden tot regels die op z’n minst in enige mate bijdragen aan het
                            voorkomen van oneerlijke mededinging. Gekozen is om één duidelijke
                            bepaling voor het verstrekken van alcoholhoudende drank op te nemen voor
                            alle paracommerciële instellingen. De optie om de schenktijden te
                            differentiëren naar de verschillenden soorten van paracommerciële
                            instelling zoals sport, cultuur, studenten, kerkgenootschappen en
                            buurthuizen, maakt de bepaling onduidelijk en ook is er binnen iedere
                            soort van paracommerciële instelling wel weer een differentiatie te
                            maken. De paracommerciële instellingen kunnen bovenop de regel van de
                            verordening zelf de schenktijden verscherpen en opnemen in hun
                            bestuursreglement, afhankelijk van de tijdstippen waarop veel jeugd
                            aanwezig is. Dit zal ook worden gestimuleerd.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:22c Verbod verstrekking sterke drank</vet></al><al></al><al>Deze bepaling is een uitwerking van artikel 25a van de wet. Het verbiedt
                            de verstrekking van sterke drank in inrichtingen die beschikken over
                            nader aangegeven aard. In Almere is aangesloten op de bepaling die in de
                            Drank- en Horecaverordening 2002 was opgenomen. Deze verordening is
                            ingetrokken en de daarin opgenomen bepalingen zijn geactualiseerd in de
                            2<sup>de</sup> wijziging van de APV 2011. Het verbod betreft de
                            verstrekking van sterk alcoholhoudende drank in inrichtingen waar
                            jongeren komen en waar de drankverstrekking geen hoofdactiviteit
                            betreft. In het tweede lid is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen.
                            Hiermee wordt uiterst zorgvuldig mee omgegaan. Ontheffing wordt
                            uitsluitend verleend als er geen jongeren bij activiteiten betrokken
                            zijn en als er een strikt alcoholmatigingsbeleid wordt gevoerd door
                            betreffende inrichting.<vet></vet></al><al></al><al><vet>AFDELING 8b BEPALINGEN OVER HET VERSTREKKEN VAN ALCOHOLVRIJE
                                DRANKEN</vet></al><al><vet></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al><vet></vet></al><al>Afdeling 8b betreft een actualisering van de bepalingen van de Drank- en
                            Horecaverordening 2002. De Drank- en Horecaverordening 2002 komt hiermee
                            te vervallen. De nieuwe bepalingen die in de APV 2011 zijn opgenomen
                            sluiten aan bij de Drank- en Horecawet. Zo is, net als bij de Drank- en
                            Horecawet, de meldingplicht voor het aanmelden van een nieuwe
                            leidinggevende ingevoerd.</al><al>Verder is een verklaring omtrent gedrag verplicht. </al><al>Afdeling 8b is van toepassing op openbare inrichtingen waarin
                            bedrijfsmatig of in omvang als zij bedrijfsmatig was, alcoholvrije
                            dranken voor gebruik ter plaatse worden verstrekt. Inrichtingen die
                            vallen onder de Drank- en Horecawet vallen hier niet onder.</al><al>Voorbeelden van inrichtingen die er wel onder vallen zijn: lunchrooms,
                            thee- en koffiehuizen, snackbars en cafetaria’s en coffeeshops.</al><al>Alcoholvrije bedrijven worden getoetst aan de Wet BIBOB. Deze bedrijven
                            zijn in de beleidsregels BIBOB horeca, etc. aangemerkt voor de BIBOB
                            toetsing. Dit houdt in dat bij vergunningaanvragen de bedrijfsgegevens
                            en de financiering van het bedrijf aangeleverd moeten worden. Naast de
                            weigerings- en intrekkingsgronden van de APV 2011, heeft de gemeente op
                            grond van de wet BIBOB extra weigerings- en intrekkingsgronden.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:22d Begripsbepalingen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Bij de begripsbepalingen is aangesloten bij de bepaling van de openbare
                            inrichting van artikel 2:16 van deze verordening. Met het
                            leidinggevendebegrip is aangesloten bij de Drank- en Horecawet. De
                            daarbij horende toelichting is ook van toepassing op deze bepaling.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:22e vergunning alcoholvrij bedrijf</vet></al><al><vet></vet></al><al>In deze bepaling is de vergunningplicht voor alcoholvrije bedrijven
                            opgenomen. Verder is een uitzondering opgenomen voor bedrijven of
                            activiteiten die vallen onder de Drank- en Horecawet. Voor de
                            aanvraagprocedure geldt de algemene behandelingstermijn van de APV 2011.
                            Deze vergunning richt zich met name op de openbare orde. Een Lex
                            Silencio Positivo is dan ook niet wenselijk om deze dwingende reden van
                            algemeen belang. Ook kan door het vergunningstelsel de vergunninghouder
                            worden getoetst op een crimineel verleden (BIBOB), waardoor het risico
                            op criminele activiteiten in deze voor fraude gevoelige sector kan
                            worden beperkt. Dit is eveneens een door het Hof van Justitie erkende
                            dwingende reden van algemeen belang. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene
                            wet bestuursrecht wordt dus niet van toepassing verklaard.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:22f nadere regels</vet></al><al><vet></vet></al><al>De burgemeester is bevoegd om nadere regels te stellen die strekken tot
                            de belangen van het horecabedrijf. Een nadere regel is het verder
                            invullen van een verordening. Een eenmaal gestelde nadere regel maakt
                            als het ware deel uit van de verordening, daarom wordt de nadere regel
                            ook aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift. Dit wordt
                            doorgaans gedaan als de verordening, zoals de APV 2011, zelf algemeen is
                            gehouden, maar er behoefte kan ontstaan aan concretere invulling. Nadere
                            regels kunnen onder andere inrichtingseisen of nadere eisen bevatten
                            voor een leidinggevende.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:22g vereisten vergunning alcoholvrij bedrijf</vet></al><al><vet></vet></al><al>Een leidinggevende moet minimaal 18 jaar zijn. Bij de aanvraag moet een
                            verklaring omtrent gedrag overgelegd worden. Het opvragen van gegevens
                            bij justitiële documentatie is hiermee niet meer nodig. Ondanks het feit
                            dat een verklaring omtrent gedrag wordt aangeleverd kan het zijn dat de
                            leidinggevende van slecht levensgedrag is. Dit onderzoek vindt plaats in
                            de politieregisters. In het kader van de openbare orde kunnen gegevens
                            op grond van de Wet politiegegevens worden opgevraagd. Het oordeel om te
                            komen dat sprake is van slecht levensgedrag is ter vrije beoordeling van
                            de burgemeester. Vanzelfsprekend moet gemotiveerd worden waarom sprake
                            is van slecht levensgedrag. Verder moet voldaan worden aan de nadere
                            regels als deze gesteld zijn. Wordt niet voldaan aan deze vereisten dan
                            wordt een vergunning geweigerd.</al><al></al><al><vet> Artikel 2:22h weigeren en intrekken van een vergunning</vet></al><al><vet></vet></al><al>Naast de algemene in artikel 1:6 en artikel 1:8 aangegeven intrekkings-
                            en weigeringsgronden zijn er extra intrekkings- en weigeringsgronden
                            toegevoegd in deze bepaling. Er moet naast de eisen in de verordening
                            ook worden voldaan aan de nadere regels als deze gesteld zijn. Wanneer
                            redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet in
                            overeenstemming is met het in de aanvraag vermelde wordt de vergunning
                            ook geweigerd of kan de vergunning worden ingetrokken. Uit informatie
                            moet blijken dat er een redelijk vermoeden blijkt dat de situatie niet
                            overeenstemt met hetgeen in de aanvraag of in de vergunning is
                            aangegeven. Voorafgaande aan een weigering of intrekking gaat een
                            voornemen uit. Als er meer spoed bij is kan de aanvrager ook telefonisch
                            of mondeling gehoord worden. Een vergunning wordt ingetrokken wanneer
                            zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees
                            wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou
                            opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. Hierbij is
                            het niet van belang of het aan de vergunninghouder te wijten is, wat
                            zich in de inrichting heeft plaatsgevonden. Verder kunnen de feiten ook
                            buiten de inrichting hebben plaatsgevonden. Wel moet er een causaal
                            verband worden aangetoond met hetgeen heeft plaatsgevonden en de
                            uitoefening van het bedrijf. Het intrekken van de vergunning gaat vaak
                            samen met het uitoefenen van bestuursdwang op grond van hoofdstuk 5 van
                            de Algemene wet bestuursrecht. Dit instrument kan gebruikt worden als de
                            vergunninghouder na de intrekking niet zelf zijn bedrijf sluit.</al><al>Naast deze gronden bestaat er nog de mogelijkheid om het bedrijf op
                            grond van artikel 2:19 van de APV 2011 tijdelijk te sluiten. Bij
                            drugsgerelateerde delicten kan bestuursdwang worden uitgeoefend op grond
                            van artikel 13b van de Opiumwet.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:22i wijziging leidinggevende </vet></al><al><vet></vet></al><al>Met de meldingsplicht voor het aanmelden van een nieuwe leidinggevende
                            op de vergunning is aangesloten bij de nieuwe Drank- en Horecawet die
                            per 1 januari 2013 in werking is getreden. Een leidinggevende hoeft
                            inschrijving op de vergunning (lid 3) niet af te wachten. Hij/zij kan na
                            melding bij de burgemeester aan de slag zodra de ontvangstbevestiging
                            ontvangen is. De mogelijkheid te onderzoeken of een aangemelde
                            leidinggevende voldoet aan de vereisen blijft onverkort bestaan.</al><al></al><al><vet>AFDELING 9. GROW-, HEAD- , SMARTSHOPS is vervallen</vet></al><al></al><al><vet>AFDELING 10. NACHTVERBLIJF, KAMPEREN BUITEN
                            KAMPEERTERREINEN</vet></al><al><vet></vet></al><al><cursief>Algemene toelichting</cursief></al><al>In verband met de afschaffing van de Wet op de Openluchtrecreatie (WOR)
                            met ingang van 1 januari 2008 wordt geadviseerd in de APV drie artikelen
                            op te nemen. Dit ter voorkoming van ongewenste situaties. In november
                            2005 hebben wij u reeds op de hoogte gesteld van de intrekking van de
                            WOR en de consequenties hiervan. Dit is gebeurd bij Ledenbrief lbr.
                            05/128 </al><al>Kenmerk FEI/U200515836 d.d. 8 december 2005 en door toezending van de
                            VNG-publicatie in de groene reeks nummer 129 “Het kampeerbeleid na de
                            Wet op de Openluchtrecreatie. Handreiking voor bestuurders en
                            ambtenaren”.In genoemde publicatie hebben wij een voorstel gedaan. De
                            uiteindelijke tekst voor deze afdeling in de model-APV is gedaan bij
                            ledenbrief Lbr.07/125.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:38 Begripsbepaling</vet></al><al><vet></vet></al><al><cursief>Inrichting</cursief></al><al>Het begrip “inrichting” als hier omschreven sluit aan bij artikel 438
                            Wetboek van Strafrecht, dat ziet op het als beroep verschaffen van
                            nachtverblijf aan personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte
                            beschikbaar stellen van een terrein voor het houden van nachtverblijf of
                            het plaatsen van kampeermiddelen e.d. (tweede lid). Bij het begrip
                            kampeermiddel gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen,
                            kampeerwagen en caravan.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:39 Recreatief nachtverblijf buiten
                            kampeerterreinen</vet></al><al></al><al>Zie de algemene toelichting bij deze afdeling en de VNG-publicatie in de
                            groene </al><al>reeks nummer 129 “Het kampeerbeleid na de Wet op de Openluchtrecreatie. </al><al>Handreiking voor bestuurders en ambtenaren”.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:40 Aanwijzing kampeerplaatsen</vet></al><al></al><al>Zie de algemene toelichting bij deze afdeling en de VNG-publicatie in de
                            groene </al><al>reeks nummer 129 “Het kampeerbeleid na de Wet op de Openluchtrecreatie. </al><al>Handreiking voor bestuurders en ambtenaren”.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:41 Verschaffing gegevens nachtregister</vet></al><al></al><al>Artikel 2:41 komt de exploitant van een inrichting tegemoet. Degene die
                            in de inrichting de nacht doorbrengt, is op grond van deze bepaling
                            verplicht de voor registratie vereiste gegevens volledig en naar
                            waarheid aan de exploitant te verstrekken.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Artikel 438 Wetboek van Strafrecht kan bij plaatselijke verordening
                            worden </al><al>aangevuld. HR 10 4 1979, NJ 1979, 442.</al><al><vet></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:42 Slapen op of aan de weg</vet></al><al></al><al>Dit artikel ziet op het slapen in de openlucht zonder gebruik van
                            kampeermiddelen als bedoeld in artikel 2:39 van deze APV. Voorzover er
                            sprake is van illegaal kamperen kan ook worden teruggevallen op dit
                            artikel (gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke
                            functie) of de vigerende bestemmingsplanbepalingen. De bepaling is niet
                            bedoeld voor bestuurders die op een parkeerplaats even een dutje doen in
                            de auto. </al><al></al><al><vet>AFDELING 11. MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 2:43 Betreden gesloten woning of lokaal </vet></al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd
                            tot sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt.
                            Aangezien dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de
                            sluiting regelt, verdient het aanbeveling dit in de APV te regelen. Het
                            is aan te raden om voor de gevallen waarin de woning niet is verzegeld
                            of de verzegeling reeds verbroken deze strafbepaling op te nemen, waarin
                            een sanctie wordt gesteld op overtreding van het verbod.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het tweede lid van artikel 2:43 is gebaseerd op de bevoegdheid van de
                            burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van
                            bestuursdwang als in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij
                            behorende erven drugs als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet
                            worden verkocht, afgeleverd, verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. Zie
                            verder onder toelichting eerste lid. </al><al>Met de laatste wijziging van de Opiumwet is het ook mogelijk om op te
                            treden tegen drugshandel vanuit woningen en niet voor het publiek
                            toegankelijke lokalen. In 2007 is het tweede lid daarop aangepast
                            (ledenbrief Lbr.07/125).</al><al></al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal
                            moeten betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel
                            2:43 toegevoegd. Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg
                            absoluut zijn.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Veel jurisprudentie over sluiting van drugspanden of voor publiek
                            toegankelijke lokalen staat op de website van het Steun- en
                            Informatiepunt Drugs en Veiligheid (SIDV): www.sidv.nl .</al><al></al><al><vet>Artikel 2:43a Sluiting van voor het publiek openstaande
                                gebouwen</vet></al><al><vet></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief><vet><cursief></cursief></vet></al><al>Artikel 174 van de Gemeentewet geeft de burgemeester de mogelijkheid
                            over te gaan tot sluiting indien sprake is van een ordeverstoring die
                            concreet voorzienbaar is en een actuele dreiging vormt voor de ordelijke
                            gang van zaken, waartegen onmiddellijk moet worden opgetreden. De
                            sluiting kan dan slechts van korte duur zijn.</al><al>Soms is een langere sluiting wenselijk en ontbreekt het de burgemeester
                            de bevoegdheid tot langere sluiting op grond van artikel 174
                            Gemeentewet. Het voorgestelde artikel voorziet hierin. Met deze
                            sluitingsmogelijkheid heeft de burgemeester ook een extra instrument bij
                            de aanpak van bijvoorbeeld heling. De burgemeester kan met behulp van
                            artikel 2:43a gericht optreden tegen bijvoorbeeld winkeliers die
                            overlast (blijven) veroorzaken. De burgemeester zal onder andere tot het
                            oordeel kunnen komen dat sluiting noodzakelijk is indien een van de
                            volgende situaties zich voordoet:</al><al></al><lijst><li nr="a."><al>indien aannemelijk is, dat in of vanuit het voor het publiek
                                    openstaand gebouw activiteiten plaatsvinden, die een gevaar
                                    opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor
                                    het woon- of leefklimaat in de omgeving van het voor het publiek
                                    openstaand gebouw;</al></li><li nr="b."><al>indien in of vanuit het voor het publiek openstaand gebouw
                                    strafbare feiten worden gepleegd, die een gevaar opleveren voor
                                    de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of
                                    leefklimaat in de omgeving van het voor het publiek openstaand
                                    gebouw;</al></li><li nr="c."><al>indien zich in of vanuit het voor het publiek openstaand gebouw
                                    anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat
                                    het geopend blijven van het voor het publiek openstaand gebouw
                                    gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt
                                    voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het voor
                                    publiek openstaand gebouw.</al><al></al></li></lijst><al>Op grond van dit artikel is de burgemeester bevoegd om voor het publiek
                            openstaande gebouwen en de daarbij behorende erven voor langere duur te
                            sluiten. De sluitingsbepaling laat een zekere beoordelingsmarge. Het
                            ligt niet in de rede gebruik te maken van een zware maatregel als
                            sluiting indien er sprake is van een marginale overtreding van de
                            voorschriften. Een sluiting moet voldoen aan de eisen van subsidiariteit
                            en proportionaliteit.</al><al></al><al><cursief>Eerste lid</cursief><vet><cursief></cursief></vet></al><al>Bij voor publiek openstaande gebouwen kan men denken aan openbare
                            gedeelten van winkels, bedrijven voor handelsdoeleinden, belwinkels,
                            avondkappers, uitzendbureaus, bioscopen, musea, theaters. Ook cafés,
                            disco's, hotels, restaurants, seksinrichtingen, coffeeshops en
                            horecaboten vallen hieronder, maar zover de mogelijkheid tot sluiting
                            daarvan elders is geregeld, is dit artikel op deze gebouwen niet van
                            toepassing (zie ook de toelichting in het zesde lid).</al><al></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Sluiting op grond van dit artikel zal veelal ook ten doel hebben de gang
                            van bezoekers te doorbreken. Bekendmaking is dan noodzaak.</al><al></al><al><cursief>Zesde lid</cursief><vet><cursief></cursief></vet></al><al>Dit artikel geldt niet voor de sluiting van seksinrichtingen en openbare
                            inrichtingen zoals bedoeld in artikel 2:16 van de APV 2011. Daarvoor
                            gelden afzonderlijke regels. Met dit artikel kan tevens niet in dezelfde
                            situaties opgetreden worden als waarvoor artikel 13b Opiumwet is
                            bedoeld. De burgemeester is op grond van artikel 13b Opiumwet bevoegd
                            tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of
                            lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende
                            erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd
                            of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Als sprake is van
                            drugs(handel) kunnen gebouwen dus worden gesloten op grond van artikel
                            13b Opiumwet.</al><al>Seksinrichtingen kunnen worden gesloten op grond van hoofdstuk 3 van de
                            APV 2011. Openbare inrichtingen kunnen worden gesloten op grond van de
                            artikel 2:19 van de APV 2011. <cursief></cursief></al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Criminaliteit die openbare orde, veiligheid, gezondheid of
                                zedelijkheid aantast</cursief></al><al>De volgende criminele activiteiten zullen in ieder geval worden
                            aangemerkt als aantasting van de openbare orde, veiligheid, gezondheid
                            of zedelijkheid, wanneer zij in of vanuit een voor publiek toegankelijk
                            gebouw plaatsvinden: heling, zedendelicten, geweldsincidenten,
                            aantreffen vuurwapens, handel in vuurwapens, arbeidsuitbuiting.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Zware overlast</cursief><vet><cursief></cursief></vet></al><al>De sluitingsbevoegdheid kan ook worden toegepast in gevallen van zware
                            overlast. Daarvan is sprake bij aanhoudende ontoelaatbare overlast.
                            Voorbeelden van ontoelaatbare overlast zijn onder andere het hard
                            dichtslaan van portieren, geschreeuw of gelal, toeteren, wegscheurende
                            gemotoriseerde voertuigen, geruzie, licht handgemeen (duwen, trekken
                            e.d.), het ledigen van maag- of blaasinhoud in de omgeving van het
                            gebouw of bedrijf. De overlast moet aanhoudend zijn en te herleiden tot
                            het betreffende gebouw of bedrijf.</al><al>Er moet onderscheid gemaakt worden met de effecten die redelijkerwijs
                            van een voor publiek openstaand gebouw moeten worden verwacht, zoals het
                            geluid van het op normale wijze komen en gaan van bezoekers, al dan niet
                            met gebruik maken van (gemotoriseerde) vervoermiddelen. Nog afgezien van
                            het feit dat met de aanwezigheid van bepaalde bedrijven in planologisch
                            opzicht rekening gehouden dient te worden, kunnen op dit punt te treffen
                            maatregelen worden opgenomen in een nadere eis op grond van de
                            milieuregelgeving (Activiteitenbesluit wet milieubeheer). Dit geldt ook
                            voor geluidsoverlast veroorzaakt door muziek.</al><al></al><al>Bij meldingen van zware overlast is het van belang een zo goed mogelijk
                            feitelijk beeld te hebben van de situatie en de gebeurtenissen. In geval
                            van (klachten over) zware overlast moet het volgende in ieder geval
                            duidelijk zijn:</al><lijst><li nr="."><al>er moet sprake zijn van effecten op de woon- en leefomgeving die
                                    – gelet op de situering van het gebouw of bedrijf en het
                                    karakter van de omgeving – inderdaad als ontoelaatbaar moeten
                                    worden gekwalificeerd;</al></li><li nr="."><al>de overlast moet aanhoudend zijn. Het gaat hier niet om
                                    incidentele gevallen van overlast;</al></li><li nr="."><al>de overlast moet te herleiden zijn tot het gebouw of bedrijf
                                    waarop de klachten betrekking hebben en;</al></li><li nr="."><al>het moet gaan om 'objectiveerbare' overlast, dat wil zeggen dat
                                    gemiddeld genomen ieder weldenkend mens dit als overlast zou
                                    beschouwen. Het gaat dus niet puur om de subjectieve beleving
                                    van een enkel individu.</al></li></lijst><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Algemene beginselen van behoorlijk
                                bestuur</cursief><vet><cursief></cursief></vet></al><al>Naast de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit moet ook
                            voldaan zijn aan de beginselen van behoorlijk bestuur. De meeste van
                            deze beginselen zijn neergelegd in de Algemene wet bestuursrecht
                            (hierna: Awb). Zo mag een bestuursorgaan bijvoorbeeld geen misbruik
                            maken van een aan hem toegekende bevoegdheid (verbod op “détournement de
                            pouvoir”). Ook geldt het gelijkheidsbeginsel. Gelijke gevallen moeten
                            gelijk worden behandeld.</al><al></al><al><cursief>Zienswijze</cursief><vet><cursief></cursief></vet></al><al>De Algemene wet bestuursrecht is van toepassing. Dit betekent dat een
                            belanghebbende (lees: ondernemer) in de gelegenheid wordt gesteld zijn
                            of haar zienswijze weer te geven voordat de burgemeester zijn besluit
                            neemt (artikel 4:8 Awb). In een aantal gevallen kan het horen achterwege
                            blijven, bijvoorbeeld vanwege de vereiste spoed (4:11 Awb) of indien
                            sprake is van het nemen van maatregelen ter onmiddellijke handhaving van
                            de openbare orde.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Duur van de sluiting:
                                stappenplan</cursief><vet><cursief></cursief></vet></al><al>De burgemeester kan een gebouw voor een bepaalde duur of gedeeltelijk
                            sluiten. In het kader van de handhaving zal in het handhavingsplan, dat
                            door de burgemeester vastgesteld wordt, aansluiting worden gezocht bij
                            het handhavingsplannen van het damocles- en coffeeshopbeleid en het
                            horeca sanctiebeleid, daar waar sprake is van soortgelijke strafbare
                            feiten. Ook is het integraal handhavingsbeleid van de gemeente Almere
                            van toepassing bij de sluiting van dit soort panden. Het uitgangspunt
                            van dit beleid is het twee stappenplan. Mits er geen sprake is van een
                            spoedeisend belang wordt eerst een voornemen van de sluiting kenbaar
                            gemaakt aan de belanghebbende. De belanghebbende kan hierop een
                            zienswijze geven, waarna een definitief besluit volgt. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:44 Plakken en kladden</vet></al><al></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term
                            “bekladden” ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om
                            meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10
                            EVRM en artikel 19 IVBPR.</al><al></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden
                            aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens
                            dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op
                            die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien.</al><al></al><al><cursief>Vrijheid van meningsuiting</cursief></al><al>Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk
                            worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden
                            of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld.
                            Artikel 2:44 maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin
                            neergelegde verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking
                            van het gebruik van dit middel van bekendmaking meebrengt, voorzover
                            door dat gebruik een anders recht wordt geschonden. De eis dat “plakken”
                            slechts is toegestaan indien dit </al><al>geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de
                            gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van
                            dat aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in
                            artikel 7 van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een
                            onroerende zaak toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in
                            haar privaatrechtelijke hoedanigheid. Artikel 2:44 verdraagt zich ook
                            met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR, aangezien de beperking in de
                            uitoefening van het recht op vrije meningsuiting dat uit de toepassing
                            van artikel 2:44 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt als nodig in
                            een democratische samenleving ter bescherming van de openbare orde. Een
                            voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende
                            plakplaatsen. Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden
                            aanwijzen en daarvoor nadere regels stellen. Doet de gemeente dit niet,
                            dan is er volgens jurisprudentie wel sprake van strijd met artikel 7,
                            van de Grondwet en artikel </al><al>10 EVRM. Men volgt in het algemeen de norm van 1 plakbord of -zuil op de
                            10.000 inwoners. Zie daarover: M. Geertsema in de noot onder ABRS
                            05-06-2002 in JG 02.0221 .</al><al></al><al><cursief>Doen plakken of doen aanbrengen</cursief></al><al>Bij de herziening van 2004 is het verbod van het tweede lid, onder a, in
                            die zin uitgebreid dat nu ook het “doen” plakken of het op andere wijze
                            “doen”aanbrengen van aanplakbiljetten onder de verbodsbepaling valt. Dit
                            vanwege de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van
                            State. Onder “doen” aanplakken verstaat de Afdeling het geven van
                            opdracht om te plakken of een actieve bemoeienis daarmee hebben. In die
                            gevallen kan de gemeente dus met succes handhaven. Onder actieve
                            bemoeienis wordt door de Afdeling niet verstaan: door het enkele </al><al>verstrekken van aanplakbiljetten anderen in de gelegenheid stellen om
                            deze aan te brengen; het alleen maar niet tegengaan van het aanplakken;
                            het op internet plaatsen van posters die men voor eigen gebruik kan
                            uitprinten, terwijl onder dat eigen gebruik mede wordt verstaan het
                            hangen van posters in de stad. Men moet bij de handhaving de
                            opdrachtgever wel een redelijke termijn gunnen om bij de door haar
                            ingeschakelde plakbedrijven te achterhalen waar de betreffende posters
                            geplakt waren en de verwijdering van die posters te bewerkstelligen.
                            Naast de bestuurlijke mogelijkheden tot handhaving en kostenverhaal, kan
                            de rechthebbende zijn kosten op de opdrachtgever ook verhalen met
                            inschakeling van de burgerlijke rechter.</al><al></al><al><cursief></cursief></al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Uit het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 1989, NJ 1990, 222,
                            blijkt dat pas wanneer op grond van de algemene ervaringsregelen
                            aannemelijk is geworden dat rechthebbenden op zodanige schaal zouden
                            weigeren in te stemmen met aanplakking dat in feite geen mogelijkheid
                            tot gebruik van enige betekenis van dit middel tot verspreiding aanwezig
                            is, van de gemeenten een min of meer voorwaardenscheppend beleid
                            gevraagd wordt zodat aan het criterium “dat gebruik van enige betekenis
                            moet overblijven”, ook feitelijk inhoud kan worden gegeven. Het hangt af
                            van “bijzondere plaatselijke omstandigheden” of er nog gesproken kan
                            worden van gebruik van enige betekenis. Deze zullen dan ook onderzocht
                            moeten worden, aldus de Hoge Raad in een uitspraak van 26 januari 1993,
                            NJ 1993, 534. Verzoek om vergunning voor het aanbrengen van borden aan
                            lantaarnpalen ten behoeve van het plakken van affiches is terecht
                            opgevat als verzoek om toestemming van de gemeente als eigenares van de
                            lantaarnpalen. Betreft een privaatrechtelijke aangelegenheid. ARRS 30 12
                            1993, JG 94.0194 m.nt. J.M. van </al><al>den Bosch van Os, AB 1994, 578 m.nt RMvM. Een projectie van een
                            lichtreclame is te beschouwen als een andere wijze van aanbrengen dan
                            aanplakken van een afbeelding of aanduiding als bedoeld in de APV.
                            Vz.ARRS 13 12 1992, JG 93.0261 , Gst. 1993, 6965, 3 m.nt EB.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie: Vrijheid van meningsuiting</cursief></al><al>In APV opgenomen plakverbod is onverbindend wegens strijd met artikel 7,
                            lid 1, Grondwet (vrijheid van meningsuiting). Derhalve is geen
                            vervolging mogelijk terzake van “wild plakken”. Er waren geen voldoende
                            vrije plakplaatsen in de stadsdelen. Gemeente is verplicht deze te
                            scheppen. Rb. Amsterdam 07-10-1993.Over een bepaling in de APV Amsterdam
                            met ongeveer gelijkluidende inhoud als artikel 2:44 oordeelde de Hoge
                            Raad dat “niet aannemelijk is geworden dat ten gevolge van het (...)
                            verbod geen mogelijkheid van enige betekenis tot gebruik </al><al>van het onderhavige middel van verspreiding en bekendmaking zou
                            overblijven”. De bepaling is niet in strijd met artikel 10, tweede lid,
                            EVRM, aangezien deze “prescribed by law” is en “necessary in a
                            democratic society (...) for the prevention of disorder” en “protection
                            of the (...) rights of others”. HR 01-4-1997, NJ 1997, 457. Plakverbod
                            van artikel 2.4.2 model-APV is niet in strijd met artikel 7 Grondwet
                            noch met artikel 10 EVRM. ABRS 05-06-2002, LJN-nr. AE3657, JG 02.0169
                            m.nt. M. Geertsema, JB 2002, 221 m.nt. J. van der Velde, AB 2002, 361
                            m.nt. J.G. Brouwer en A.E. Schilder.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie: Doen plakken of doen aanbrengen</cursief></al><al>Betreft artikel 122 van de APV Utrecht, waarin ook het “doen” plakken
                            was opgenomen. Het college heeft ten onrechte een last onder dwangsom
                            opgelegd tot voorkoming van herhaling van illegaal plakken van
                            reclamemateriaal en tot het verwijderd houden van illegaal plakken. Het
                            is een te ruime uitleg om “doen” aanbrengen zo uit te leggen dat dit
                            mede inhoudt het niet tegengaan dat van Radio 538 afkomstig
                            reclamemateriaal wordt aangeplakt. Er is geen sprake van opdracht of een
                            actieve bemoeienis van Radio 538. ABRS 18-09-2002, LJN-nr. AE7789, JB
                            2002, 329, Gst. 7181, 42 m.nt. M.M. Dolman en Kistenkas. Last onder
                            dwangsom om herhaling van (illegaal) plakken te voorkomen en illegaal
                            plakwerk verwijderd te houden. Uitleg van het begrip “doen aanbrengen”
                            als bedoeld in artikel 122, van de APV Utrecht. Als betrokkene een derde
                            of derden opdracht heeft gegeven tot het aanbrengen van aanplakbiljetten
                            of anderszins </al><al>actieve bemoeienis heeft gehad met het aanplakken, is deze
                            verantwoordelijk voor het aanbrengen van aanplakbiljetten. Het door het
                            enkele verstrekken van aanplakbiljetten anderen in de gelegenheid
                            stellen om deze aan te brengen, is onvoldoende. ABRS 15-01-2003,
                            200203589/1, LJN-nr. AF2902. Aanschrijving bestuursdwang om binnen 24
                            uur aanplakbiljetten te verwijderen. De vraag is of Loesje als
                            “doen-plakker” in de zin van de APV verantwoordelijk kan worden
                            gehouden. Dit is niet het geval nu Loesje geen actieve bemoeienis heeft
                            gehad met het aanbrengen van de posters. Loesje heeft de Loesje-posters
                            slechts op internet geplaatst, waarbij is aangegeven dat een ieder de
                            posters voor eigen gebruik vrij kan uitprinten en dat onder eigen
                            gebruik onder meer wordt verstaan het hangen van posters in de stad.
                            Bovendien bevat de internetsite een disclaimer waarin erop wordt gewezen
                            dat posters alleen mogen worden geplakt op plaatsen waar dit is
                            toegestaan en verwezen is naar de toepasselijke APV. Rb. Den Haag
                            08-07-2004, LJN-nr. AQ5977. Aanschrijving bestuursdwang om binnen 24 uur
                            na de telefonische inkennisstelling al het aangeplakte te verwijderen.
                            Exacte locaties waren ten tijde van de bestuursdwang niet bekend.
                            Opplakken van de posters waren aan een plakbedrijf uitbesteed. De
                            Afdeling acht de termijn, waarbinnen appellante bij de door haar
                            ingeschakelde plakbedrijven moest zien te achterhalen waar de
                            betreffende posters geplakt waren en de verwijdering van die posters
                            moest bewerkstelligen te kort. ABRS 11-08-2004, 200400185/1, LJN-nr.
                            AQ6624.Podium had de verspreiding van affiches uit handen gegeven aan
                            een derde met uitdrukkelijke opdracht dat op legale wijze te doen.
                            Toepasselijkheid van artikel 6:171 BW dat voor Podium een
                            risico-aansprakelijkheid vestigt voor onrechtmatig handelen door derden,
                            met wie geen dienstverband bestaat maar die ingeschakeld worden voor
                            werkzaamheden ter uitoefening van haar bedrijf, zonder dat het voor de
                            gemeente duidelijk gescheiden activiteiten waren. In casu achtte de
                            Kantonrechter het illegaal plakken aan een activiteit van Podium te
                            wijten. De kosten die de gemeente heeft gemaakt voor de verwijdering van
                            illegaal geplakte posters op gemeente-eigendommen kan zij verhalen op
                            Podium. Rb. Zwolle, sector kanton 16-12-2003, LJN-nr. AF6147, JG 04.0025
                            m.nt. E.H.J. de Bruin.Appellant heeft posters doen plakken. Hij is
                            verantwoordelijk voor het gedrag van het bedrijf waaraan hij opdracht
                            heeft gegeven posters te plakken, ook als dat bedrijf tegen zijn
                            instructies in zou hebben gehandeld (door op niet toegestane plaatsen te
                            plakken). Dat appellant het bedrijf heeft opgedragen uitsluitend op
                            toegestane locaties te plakken disculpeert hem niet. Gesteld is immers
                            niet dat hij goede grond had om te mogen vertrouwen dat dit bedrijf zich
                            zou houden aan die opdracht. Hof Amsterdam 23-12-2004, 1774/03, LJN-nr.
                            AS5302.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:45 Vervoer plakgereedschap e.d.</vet></al><al><vet></vet></al><al>Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel
                            opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid regelt een
                            rechtvaardigingsgrond voor die gevallen dat de in het eerste lid
                            genoemde stoffen en voorwerpen niet waren bestemd om te plakken of te
                            kladden. Het bepaalde in het tweede lid strijdt niet met het in artikel
                            6, tweede lid, EVRM neergelegde beginsel, dat een verdachte tegen wie
                            een strafvervolging aanhangig is, niet is gehouden zijn onschuld te
                            bewijzen en dat, voordat zijn schuld op wettige wijze is vastgesteld,
                            waarbij hem de gelegenheid is geboden zich te verdedigen, de rechter hem
                            niet als schuldig mag aanmerken.</al><al>Deze bepaling maakt geen inbreuk op enige bepaling van het Wetboek van
                            Strafvordering en is evenmin in strijd met enige andere wetsbepaling
                            noch met enig tot de algemene rechtsbeginselen te rekenen beginsel van
                            strafprocesrecht. Bij de voorgestelde redactie is het de
                            opsporingsambtenaar en het OM mogelijk gemaakt aan de hand van de
                            omstandigheden of verkregen indrukken na te gaan of er al dan niet
                            sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:46 Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor
                                winkeldiefstal</vet></al><al></al><al>Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met
                            braak </al><al>te bemoeilijken. De verbodsbepaling heeft ook betrekking op het
                            vervoeren van geprepareerde tassen dan wel andere voorwerpen op de weg
                            of inde nabijheid van winkels. Teneinde de private belangen van de
                            ingezetenen te beschermen, is in lid 4 opgenomen dat dit verbod niet
                            geldt indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de desbetreffende
                            burger geen intentie heeft om winkeldiefstal te gaan plegen.</al><al>Overigens kan deze bepaling alleen tot succes leiden als daartegenover
                            ook inspanningen van andere partijen, waaronder ondernemers, staan. Deze
                            bepaling moet dan ook bezien worden in samenhang met andere maatregelen.
                            Hiertoe kunnen bijvoorbeeld in het kader van het integrale
                            veiligheidsplan, afspraken worden gemaakt met politie en Openbaar
                            Ministerie.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Een verbodsbepaling inzake het vervoer van inbrekerswerktuigen kan
                            strekken tot </al><al>bescherming van de openbare orde als bedoeld in artikel 149 Gemeentewet.
                            HR 07 </al><al>06 1977, NJ 1978, 483 (APV Wassenaar). HR 28-02-1989, NJ 1989. 687 (APV </al><al>Nijmegen)</al><al></al><al><vet>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Op basis van artikel 2:47 (en artikel 2:49) kan tegen vormen van
                            onnodige hinder of overlast worden opgetreden.</al><al></al><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt “straatschenderij”
                            strafbaar, terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de
                            openbare weg met straf bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk
                            burengerucht strafbaar. Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als
                            baldadigheid. De omschrijving is echter strakker dan wat men in het
                            taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart.</al><al>Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor een ieder
                            verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt
                            veroorzaakt of kan worden veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg
                            wordt gehinderd of kan worden gehinderd. De strekking van het begrip
                            publieke ruimte in artikel 2:47 gaat verder dan het begrip weg als
                            bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, (zie daarvoor de toelichting op
                            artikel 1.1). Voorzover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op de weg,
                            als omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is artikel
                            2:47 niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een
                            hogere regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>De gemeentelijke wetgever is bevoegd tot aanvulling van de artikel 424
                            en 426bis WvSr. HR 26 02 1957, NJ 1957, 253 (APV Eindhoven).</al><al></al><al><vet>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik</vet></al><al><vet></vet></al><al>In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door de
                            burgemeester aan te wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of
                            aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben.
                            Dit verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een
                            horecabedrijf, of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond
                            van artikel 35 van de Drank en Horecawet toestemming is verleend om op
                            de plaats waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te
                            verstrekken. Verder kan op grond van het eerste lid in de gehele
                            gemeente worden opgetreden tegen hinderlijk drankgebruik indien dit
                            gepaard gaat met de verstoring van de openbare orde of de aantasting van
                            het woon- en leefklimaat. Indien hiervan sprake is moet dit wel goed
                            gemotiveerd worden.</al><al></al><al><cursief>Omvang gebied</cursief></al><al>Bij de aanwijzing moet er een duidelijk omschreven gebied aangewezen
                            worden. Het kan bijvoorbeeld gaan om het uitgaansgebied in het centrum
                            of een park of plein waar regelmatig </al><al>overlast veroorzaakt wordt. Het is niet mogelijk het grondgebied van de
                            hele gemeente aan te wijzen. Er moet namelijk wel een concrete
                            aanleiding te zijn waarom een bepaald gebied </al><al>aangewezen wordt. Een gebied kan worden aangewezen als gerechtvaardigde
                            vrees bestaat voor aantasting van de openbare orde, of de openbare orde
                            is al aangetast. Als dat geldt voor het hele grondgebied van de gemeente
                            is het stadium van hinderlijk drankgebruik allang gepasseerd, en heeft
                            de burgemeester zijn noodbevoegdheden uit de Gemeentewet nodig.
                            Daarnaast zou de burgemeester bij een algemeen verbod elk alcoholgebruik
                            op de openbare weg, ook van goedwillende personen, verbieden. Daarmee
                            zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in
                            strijd met artikel 3:4, van de Awb. Dit geldt ook voor een verbod om
                            onaangebroken flesjes en blikjes bij zich te hebben, waar met enige
                            regelmaat naar wordt gevraagd. Het gaat de autonome verordenende
                            bevoegdheid van de gemeente te boven om te bepalen dat het verboden is
                            ongeopende flesjes alcoholhoudende drank bij zich te dragen. Het is
                            mogelijk dat een verschuiving in het gedrag van de personen in de
                            richting van buiten het aangewezen gebied gelegen delen van de gemeente
                            zal plaatsvinden. In de meeste gevallen zal dit echter niet erg
                            waarschijnlijk zijn, omdat mag worden aangenomen dat de aangewezen
                            plaatsen door hun aantrekkelijke karakter mede bepalend voor het
                            verschijnsel zijn. Als er toch verplaatsing optreedt, kan de
                            burgemeester alsnog ook voor die nieuwe pleisterplaatsen een
                            aanwijzingsbesluit nemen.</al><al></al><al><cursief>Verstoring openbare orde</cursief></al><al>Bij daadwerkelijke verstoring van de openbare orde kunnen op grond van
                            artikel 2 en 12 van de Politiewet bevelen tot verwijdering worden
                            gegeven. Niet naleving daarvan is strafbaar op grond van artikel 184 van
                            het Wetboek van Strafrecht. Soms (als bijvoorbeeld wordt geconstateerd
                            dat flesjes worden stukgegooid) zal optreden mogelijk zijn aan de hand
                            van artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht (baldadigheid). De
                            hantering van deze wetsbepalingen is in de </al><al>praktijk echter niet eenvoudig. Er bestaat daarom behoefte aan dit
                            artikel, waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de “voorfase” -
                            dus het bier drinken op bepaalde plaatsen - mogelijk wordt.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen</vet></al><al></al><al>Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:47
                            (Hinderlijk gedrag op of aan de weg).</al><al></al><al><vet>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                ruimten</vet></al><al></al><al>Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het
                            publiek toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en
                            wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze
                            bepaling wordt het woord “ruimte” gebruikt ter onderscheiding van het in
                            de APV voorkomende begrip “weg”. Om een indicatie te geven bij het
                            beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek toegankelijke
                            ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van </al><al>voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd. Desgewenst kan deze reeks
                            van voorbeelden met andere worden uitgebreid. Het ordeverstorende
                            element ten slotte wordt door de zinsnede “zonder redelijk doel of op
                            voor anderen hinderlijke wijze” in de bepaling tot uitdrukking
                            gebracht.</al><al>Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van
                            het Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven
                            (in een woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik),
                            slechts kan worden opgetreden indien er sprake is van een handelen van
                            de rechthebbende. De politie kan niet zonder tussenkomst van de
                            rechthebbende optreden. In het belang van de handhaving van de openbare
                            orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of </al><al>ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in
                            andere soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk
                            kan ingrijpen, mede om de eigendommen van derden te beschermen. In de
                            circulaire van de VNG van 4 april 1977, OB 1977, IX.0, nr. 38112, wordt
                            ingegaan op deze modelbepaling.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Artikel 138 Sr. vereist een handeling van een rechthebbende, HR 12 06
                            1951, NJ </al><al>1951, 618 Reglement NS, inhoudende een verbod om zich op enig gedeelte
                            van het station </al><al>onbehoorlijk te gedragen, is noch in strijd met artikel 1 Wetboek van
                            Strafrecht noch met artikel 7 van de Europese conventie voor de rechten
                            van de mens (ECRM), HR 02 04 1985, NJ 1985, 796 (Algemeen reglement
                            vervoer NS). De (min of meer gelijkluidende) bepaling in de APV
                            Amsterdam is verbindend, omdat de norm voldoende is geconcretiseerd, HR
                            01-09-1998 NJ 1999, 61 (APV Amsterdam).</al><al></al><al><vet>Artikel 2:51 Mosquito</vet></al><al><vet></vet></al><al>Een “mosquito” is een apparaatje dat een hinderlijke hoge pieptoon
                            veroorzaakt die alleen voor jongeren tot een leeftijd van ongeveer 25
                            jaar hoorbaar is. Dit apparaat wordt in meer dan honderd Nederlandse
                            gemeenten gebruikt ter bestrijding van overlast door hangjongeren.</al><al></al><al>Het gebruik van de mosquito is effectief, maar omstreden. Hoewel uit
                            onderzoek van onder meer TNO blijkt dat de mosquito bij normaal gebruik
                            geen gezondheidsschade oplevert, wordt met het aanbrengen ervan in ieder
                            geval de bewegingsvrijheid van jongeren beperkt, die wordt beschermd
                            door artikel 2, vierde protocol Europees Verdrag voor de rechten van de
                            Mens (EVRM). Voor een uitvoeriger schets van de mensenrechtelijke en
                            verdragsrechtelijke bezwaren verwijzen wij naar de notitie “Handreiking
                            gebruik mosquito door gemeenten” die als bijlage is toegevoegd bij de
                            ledenbrief van de VNG nr. 10/070 d.d. 17 juni 2010.</al><al></al><al><cursief>APV-artikel </cursief></al><al>Mede vanwege de omstreden status van de mosquito verdient het de
                            voorkeur om een apart artikel in de APV op te nemen, en dat niet, zoals
                            ook wel gebeurt, de gemeente zichzelf een ontheffing verleent van het
                            artikel “overige geluidshinder” dat in de meeste APV’s is opgenomen. Om
                            die reden is de bepaling ook in de APV van Almere opgenomen.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Zorgvuldige voorbereiding essentieel</cursief></al><al>Vanwege de mogelijke bezwaren die aan het gebruik van een mosquito
                            kleven, is grote zorgvuldigheid bij de voorbereiding en uitvoering van
                            het besluit om mosquito’s aan te brengen van belang. De mosquito is een
                            ultimum remedium dat alleen wordt gebruikt als andere manieren om de
                            overlast te bestrijden zijn geprobeerd, maar geen resultaat hebben
                            gehad.</al><al>In het voorgestelde APV-artikel zijn verder de volgende waarborgen
                            opgenomen:</al><lijst><li nr="1."><al>Bekendmaken aanwezigheid: met borden kan worden bekendgemaakt
                                    dat ergens een mosquito is aangebracht. Zo worden toevallige
                                    passanten op de hoogte gebracht en mogelijk wordt een preventief
                                    effect bereikt.</al></li><li nr="2."><al>Niet vaker geluid dan nodig: met de huidige techniek hoeft een
                                    mosquito niet 24 uur per dag aan te staan. Dat kan worden
                                    beperkt tot die momenten dat gezien de ervaring van het verleden
                                    overlast kan worden verwacht.</al></li><li nr="3."><al>Beperkte periode: een mosquito wordt niet “voor altijd”
                                    aangebracht maar per definitie voor een beperkte periode.
                                    Gedacht kan worden aan een periode van maximaal 12 maanden.
                                    Iedere verlenging is een bewust besluit op basis van een
                                    evaluatie van de overlast.</al></li></lijst><al></al><al>Ook moet bij de voorbereiding van een besluit om een mosquito aan te
                            brengen met een aantal zaken rekening worden gehouden. Een mosquito moet
                            bijvoorbeeld niet wordt aangebracht op plaatsen waar hinder kan ontstaan
                            voor mensen die daar langere tijd noodgedwongen verblijven, zoals bij
                            woningen, kantoren, scholen, of wachtruimten. Ook moet rekening worden
                            gehouden met de Wet openbare manifestaties (WOM): een mosquito mag geen
                            hinder opleveren voor openbare bijeenkomsten als bedoeld in de WOM. Ook
                            de Zondagswet is van belang: een mosquito mag geen hinder opleveren voor
                            een godsdienstoefening.</al><al></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:52 Neerzetten van fietsen e.d.</vet></al><al></al><al>Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld,
                            steeds met een wisselende bedoeling: de instandhouding van het
                            plantsoen, het tegengaan van diefstal of verkeersbelangen. In dit
                            artikel gaat het om de voorkoming van overlast. Het neerzetten van
                            fietsen en bromfietsen tegen panden welke niet door de eigenaren van die
                            voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen hinder of
                            schade kunnen teweegbrengen, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel
                            2:51 eerste en tweede lid geeft de mogelijkheid hiertegen in voorkomende
                            gevallen op te treden. </al><al>Het derde lid heeft te maken met de regulering van overlast van foutief
                            geplaatste (brom)fietsen.</al><al>In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en
                            bromfietsen die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen
                            worden geplaatst. Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich
                            grote concentraties van gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals
                            bijvoorbeeld bij stations, winkelcentra en dergelijke. Voorop staat dat
                            dan wel voldoende stallingmogelijkheden ter plekke aanwezig zijn.</al><al>Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in
                            het derde lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om
                            plaatsen aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen neer te zetten
                            buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan wel deze daar te
                            laten staan. De belangen die het college hierbij onder meer in
                            overweging kan nemen zijn: de bescherming van het uiterlijk aanzien van
                            de gemeente, de voorkoming of opheffing van overlast of de voorkoming
                            van schade aan de openbare gezondheid. Bij het laatste motief kan worden
                            gedacht aan het voorkomen van mogelijke verwondingen aan voetgangers die
                            zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg moeten banen. Na
                            aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een
                            foutief geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden
                            moet worden aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen
                            worden verwijderd. Het feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te
                            worden als toepassing van bestuursdwang. Alvorens deze vorm van
                            bestuursdwang te effectueren is het verstandig aan het publiek bekend te
                            maken, bijvoorbeeld door mededeling in het gemeenteblad, de plaatselijke
                            krant of een huis-aan-huisblad, met affiches en dergelijke, dat onjuist
                            geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Tevens is het
                            raadzaam aan te geven waar de verwijderde fietsen weer kunnen worden
                            opgehaald en hoe hoog de kosten zijn die vergoed moeten worden.</al><al></al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al>De Raad van State heeft de laatste jaren meerdere uitspraken gedaan over
                            het verwijderen van fietsen die buiten de daartoe bestemde
                            fietsenstallingen zijn geplaatst. Verwezen wordt naar de uitspraken van
                            5 februari 2005 (nr. 200406067/1), 24 oktober 2007 (nr. 200702300/1), 6
                            februari 2008 (nr. 200703327/1) en 12 mei 2010 (nr. 200908219/1/H3).Uit
                            deze jurisprudentie kan ten aanzien van het verwijderen van foutief
                            geplaatste fietsen de volgende lijn worden afgeleid:</al><al>Er moet feitelijk sprake zijn van een gevaarlijke of hinderlijke
                            situatie die het direct of na een beperkte tijd (begunstigingstermijn)
                            verwijderen van deze fietsen rechtvaardigt.</al><al>Per geval zal moeten worden bezien of een (korte) begunstigingstermijn
                            wel of niet aan de orde is. Bijvoorbeeld geen begunstigingstermijn bij
                            gevaarlijke situaties, maar wel bij hinderlijke situaties.</al><al>Er moeten in de buurt voldoende stallingplaatsen voor fietsen aanwezig
                            zijn.</al><al>In verband met bewijsvoering is het verstandig om een of meerdere foto’s
                            te maken van de foutief geplaatste fiets, voordat deze wordt
                            verwijderd.</al><al>Het besluit tot toepassing van bestuursdwang moet direct bij het ophalen
                            van de verwijderde en opgeslagen fiets of zo snel mogelijk daarna worden
                            overhandigd c.q. worden toegestuurd aan de eigenaar van de fiets.</al><al>Degene die het besluit tot toepassing van bestuursdwang overhandigt moet
                            hiertoe gemandateerd zijn door het college van burgemeester en
                            wethouders.</al><al>Indien een fiets buiten de fietsklemmen, maar binnen de omheining van
                            een fietsenstalling wordt geplaatst zonder dat dit tot een gevaarlijke
                            situatie aanleiding geeft, kan niet tot onmiddellijke verwijdering van
                            deze fiets worden overgegaan. In zo’n geval zal eerst het besluit tot
                            bestuursdwang op schrift moeten worden gesteld.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:53 Bespieden van personen (Vervallen)</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 2:54 Loslopende honden</vet></al><al></al><al>Aan dit artikel ligt in het algemeen het motief van de voorkoming en
                            bestrijding van overlast ten grondslag. In het bijzonder heeft dit
                            artikel de volgende bedoelingen:</al><al>de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in
                            gevaar kan worden gebracht;</al><al>het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden;</al><al>het voorkomen van hinder voor voetgangers;</al><al>het bestrijden van verontreiniging (bij voorbeeld van speelweiden,
                            zandbakken, e.d.);</al><al>het tegengaan van verspreiding van de besmettelijke veeziekte
                            abortus‑Bang;</al><al>het voorkomen van schade en dierenleed, welke worden veroorzaakt doordat
                            loslopende honden andere dieren naar het leven staan.</al><al></al><al>Het derde lid bevat een aantal categorieën waarop het verbod niet van
                            toepassing is. </al><al>Een algemeen verbod tot loslopen van honden op de weg betreffende de
                            openbare orde, blijft binnen de grenzen van het belang van de gemeente
                            als bedoeld in artikel 149 van de Gemeentewet. Als in strijd met het in
                            dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden aangetroffen,
                            bieden de artikelen 125 e.v. van de Gemeentewet (bestuursdwang) de
                            mogelijkheid deze honden gevangen te nemen en over te dragen aan een
                            door burgemeester en wethouders aangewezen asiel. Ook artikel 4 van de
                            Wet op de dierenbescherming kan worden toegepast. Het eerste lid van dit
                            artikel geeft ambtenaren van de politie de bevoegdheid honden en katten
                            op te vangen die ‘s nachts elders dan op het erf van de eigenaar of
                            houder zonder toezicht worden aangetroffen. Het tweede lid van artikel 4
                            bepaalt dat het hoofd van politie de eigenaar of houder moet berichten
                            van een en ander en hem gelegenheid moet geven om het dier gedurende
                            veertien dagen na de datum van het bericht op te halen. Het ter plaatse
                            doden van loslopende honden en katten is geregeld in artikel 4, eerste
                            lid, onder b, van de Wet op de dierenbescherming.</al><al>De mogelijkheid van het ter plaatse doden van loslopende honden en
                            katten wordt in twee opzichten beperkt:</al><al>De hond of de kat moet een onmiddellijk gevaar vormen voor zich op erven
                            of in het veld bevindende dieren, waarvan de instandhouding gewenst is. </al><al>Geen ander middel ter afwering van het gevaar mag ten dienste staan. </al><al>De bevoegdheid komt slechts toe aan de bezoldigde ambtenaren van politie
                            en de door de minister van justitie aangewezen onbezoldigde ambtenaren
                            van politie. </al><al>Het Burgerlijk Wetboek geeft in boek 5 een regeling voor gevonden
                            dieren. De vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring
                            geven. De gemeente moet op basis van artikel 5:8 BW vervolgens ten
                            minste twee weken de verzorging van het dier op zich te nemen. In de
                            praktijk wordt hieraan meestal vorm gegeven door het dier onder te
                            brengen bij een dierenasiel, waarbij de gemeente de kosten voor het
                            verblijf, de voeding en de verzorging betaalt. Na twee weken is </al><al>de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of weg te geven. Als deze
                            mogelijkheden zijn uitgesloten dan kan de burgemeester het dier laten
                            afmaken. De termijn van twee weken kan worden bekort als de kosten voor
                            de verzorging onevenredig hoog zullen zijn of als het afmaken van het
                            dier om geneeskundige redenen is vereist. Deze regeling geldt alleen
                            voor gevonden dieren. Wanneer de eigenaar het dier niet is verloren,
                            bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier slechts even verwijderd is
                            van eigenaar of erf, is er geen sprake van een “gevonden dier”.</al><al>Beide genoemde regelingen over het doden van dieren zijn uitputtend
                            bedoeld. De gemeentelijke wetgever mag derhalve het doden van loslopende
                            honden in het geheel niet regelen.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Aanwijzing hondenuitlaatzone. Betrokkenen zijn belanghebbenden, gelet op
                            de geringe afstand tussen de woningen en de uitlaatzone. Vz. ABRS
                            13-12-1996, JG 97.0050.Het college dient het onaangelijnd zijn van de
                            hond te gedogen in verband met de functie van de hond als signaal- of
                            dovengeleidehond. Vz. ARRS 20-07-1993, JG 94.0055 , AB 1994, 454.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:55 Verontreiniging door honden</vet></al><al><vet></vet></al><al>Straatverontreiniging door honden kan, naast de overlast die erdoor
                            ontstaat, grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook wordt via
                            hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven
                            liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid. Vandaar
                            dat het op een aantal plekken verboden is om de hond zijn behoefte te
                            laten doen.</al><al>De strafbaarheid op deze locaties wordt echter opgeheven als de
                            uitwerpselen direct worden verwijderd. Overtreding van het
                            verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot de zogenaamde
                            verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de
                            politie.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Aanwijzing hondenuitlaatzone. Betrokkenen zijn belanghebbenden, gelet op
                            de geringe afstand tussen de woningen en de uitlaatzone. Vz.ABRS 13 12
                            1996, JG 97.0050.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:56 Gevaarlijke honden</vet></al><al><vet></vet></al><al>Dit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een
                            (bijt)incident met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig
                            is om strafrechtelijk op te treden (wat er doorgaans op neer komt dat de
                            hond in beslag wordt genomen en een gedragstest ondergaat om te bekijken
                            of de hond geresocialiseerd kan worden of helaas moet inslapen), de
                            eigenaar te verplichten de hond te muilkorven en/of kort aan te lijnen.
                            Sinds de intrekking van de Regeling agressieve dieren is er in
                            landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer gegeven, vandaar
                            dat er hier een definitie is opgenomen.<vet></vet></al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Aanschrijving tot muilkorving van gevaarlijke honden. Politierapport en
                            vonnis kantonrechter voldoende aanleiding voor standpunt dat honden
                            gevaarlijk zijn en de te treffen maatregelen. ARRS 05 02 1991, Gst.
                            1991, 6932, 13 m.nt. CG. Gevecht tussen niet-gemuilkorfde
                            pitbullterriërs en een andere hond, waarbij een hond is overleden en een
                            omwonende is aangevallen. De burgemeester heeft in redelijkheid het
                            zwaarste gewicht kunnen toekennen aan de bescherming van de veiligheid
                            van mens en dier in de gemeente en besloten tot het doden van de </al><al>pitbulls op grond van artikel 74 Gezondheids- en welzijnswet. Vz.CBB
                            24-5-1993, AB 1993, 460.</al><al>Een soortgelijke casus is te vinden in Pres. Rb Zwolle 3-3-1995, JG
                            95.0307, Gst. 1996, 7028 m.nt. HH. Artikel 74 Gezondheids- en
                            welzijnswet voor dieren is een speciale bevoegdheid ten opzichte van
                            artikel 172 Gemeentewet. Muilkorfgebod op grond van de APV voor
                            Argentijnse Dog na bijtincident met dodelijke afloop voor andere hond.
                            Het college heeft bij het opleggen van een dergelijke maatregel een
                            ruime mate van beoordelingsvrijheid. Niet onevenredig. Vz.ABRS
                            22-05-2001, KG 2001,179, JG 01.0139 m.nt. M. Geertsema.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:57 Hinder door dieren</vet></al><al></al><al>Door de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet
                            Milieubeheer” op te nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer
                            direct vastgelegd. Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand
                            dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade
                            voor de openbare gezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden
                            afgewogen. Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden op de Flora en
                            Faunawet, waarin regels worden gegevens ter bescherming van dieren.
                            Daarnaast is het mogelijk om bij excessen op te treden in individuele
                            gevallen.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Houden van duiven hinderlijk binnen de bebouwde kom. Beroep op het
                            gelijkheidsbeginsel faalt. ARRS 28 02 1990, JG 91.0031. Aanschrijving
                            tot verplaatsing van een hok van een haan die geluidsoverlast
                            veroorzaakt. Nader onderzoek van het college verlangd. ARRS 26 02-1991,
                            Gst. </al><al>1991, 6962, 3 m.nt. JMK, JG 91.0382 m.nt. L.J.J. Rogier. Aanschrijving
                            verwijdering pluimvee in verband met overlast omwonenden. Vz.ARRS 02 06
                            1991, JG 92.0007 , AB 1991, 686 m.nt. JHvdV. Aanschrijving tot
                            verwijdering van kraaiende haan terecht. De door het college gehanteerde
                            methode van geluidmeting is niet onredelijk. ARRS 09 04 1992, JG 92.0401
                            , GO 1992, 3, GO 1994, 2 m.nt. L.F.D, AB 1992, 583 m.nt RMvM, TMR 1994,
                            9 m.nt. RJdH. Overlast van een papegaai. Onvoldoende onderzoek naar de
                            klacht. ARRS 22 12 1993, JG 93.0137 m.nt. A.B. Engberts.Aanschrijving
                            tot verwijdering overlastgevende hanen en kippen. Relatie Hinderwet en
                            Hinderbesluit. ABRS 31 08 1995, JG 96.0005, MenR 1996, 60. Aanschrijving
                            tot verwijdering paard in verband met overlast omwonenden terecht.
                            Klachten van omwonenden, onderzoek van bouw- en woningtoezicht en
                            proces-verbaal van politie geeft voldoende feitelijke onderbouwing. ABRS
                            03-07-1999, JG 99.0003 m.nt. W.A.G. Hillenaar. Artikel 2.4.20 (oud, nu
                            2:60) en 2.4.24 (oud, nu 2:64, bijen) kunnen in sommige situaties beide
                            worden toegepast. Artikel 2.4.24 (oud) fungeert niet als lexspecialis
                            ten opzichte van artikel 2.4.20 (oud). ABRS 02-06-1997, JG 99.0005 </al><al>m.nt. W.A.G. Hillenaar. Zonder aanwijzing van het college kan artikel
                            2.4.20 geen grondslag bieden voor de toepassing van bestuursdwang. ABRS
                            17-10-2001, JG 02.0025, art. 2-4-20-, art. </al><al>4-1-7b- m.nt. M. Geertsema. Het houden van hinderlijke of schadelijke
                            dieren (artikel 2.4.20 oud). </al><al>Geluidhinder door dieren (zie voorbeeldbepaling 4:5b model-APV).
                            Ernstige geluidsoverlast door kikkers in een poel. Het schoonhouden en
                            wellicht bijvullen van een kikkerpoel zal de aanwezigheid van kikkers
                            mogelijk bevorderen, maar dit is onvoldoende om te concluderen dat de
                            buurman kikkers houdt (op grond van artikel 2.4.20 oud) en er de zorg
                            voor heeft. Bij de besluitvorming is terecht rekening gehouden met het
                            feit dat de eiser in het buitengebied woont en het gekwaak van kikkers
                            tot gebiedseigen geluiden moet worden gerekend. Rb. ´s Hertogenbosch,
                            nr.AWB 99/6873 GEMWT, LJN-nr. AD4783.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:58 Bedelarij </vet></al><al></al><al>Hoofdzakelijk in de stadscentra wordt soms overlast ondervonden van
                            bedelaars. Deze gedragen zich soms agressief en hinderlijk door
                            passanten aan te klampen, te intimideren, de weg te versperren of te
                            volgen. Hierdoor komt de openbare orde in het geding.</al><al>Omdat in 2000 de strafbaarstelling van bedelarij uit het Wetboek van
                            Strafrecht (voormalig artikel 432) is verdwenen, kan de politie
                            hiertegen niet of nauwelijks meer optreden. Bij de opheffing van de
                            strafbaarstelling heeft de wetgever echter expliciet de mogelijkheid
                            opengehouden om op basis van de gemeentelijke autonomie zo nodig een
                            regeling terzake van bedelarij in het leven te roepen, indien dit gedrag
                            de openbare orde verstoort of dreigt te verstoren. Op grond van dit
                            artikel kan het college gebieden aanwijzen waar een bedelverbod geldt.
                            Wanneer er naar het oordeel van het college een overlastgevende situatie
                            in een bepaald gebied ontstaat, kan het college dus een verbod
                            instellen.</al><al>Overigens valt het spelen van straatmuziek en vervolgens vragen om een
                            geldelijke bijdrage aan toehoorders en passanten niet onder dit
                            bedelverbod, maar onder de regeling van artikel 2:5. Ook de verkoop van
                            daklozenkranten valt niet onder dit verbod. Deze kan immers niet
                            verbonden worden aan een vergunning vanwege strijd met de vrijheid van
                            meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet.</al><al><vet></vet></al><al><vet>AFDELING 12. BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN
                                GOEDEREN</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:59 Begripsbepaling</vet></al><al></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>De bestuurlijke aanpak van heling binnen de gemeente kan een belangrijke
                            aanvulling vormen op het politioneel strafrechtelijk optreden. Het
                            Wetboek van strafrecht (WvSr.). bevat enkele bepalingen die de
                            bestrijding van heling op het oog hebben. Dat zijn artikel 416, 417,
                            417bis, 417ter, 437, 437bis, 437ter en 437quater. Het binnentreden bij
                            handelaren is - ook zonder dat een strafbaar feit wordt vermoed - te
                            allen tijde mogelijk op basis van artikel 552 van het Wetboek van
                            Strafvordering (WvSv). De in artikel 141 WvSv genoemde
                            opsporingsambtenaren hebben om controle uit te oefenen vrije toegang tot
                            alle vestigingen en andere plaatsen waarvan redelijkerwijs kan worden
                            vermoed dat zij door een handelaar worden gebruikt. Indien deze plaatsen
                            als woning zijn aan te merken, moet het bepaalde in de Algemene wet op
                            het binnentreden in acht worden genomen. De politie kan voorwerpen in
                            beslag nemen.</al><al>Op grond van artikel 142 WvSv kunnen toezichthouders als buitengewone
                            opsporingsambtenaren optreden. Zie daarover meer in de toelichting bij
                            hoofdstuk 6. Gelet op het karakter van de voorschriften inzake de heling
                            is overigens voor buitengewone opsporingsambtenaren, naast de algemene
                            opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 WvSv, bij de controle op
                            de naleving van voorschriften inzake de helingbestrijding in het
                            algemeen geen plaats. De in artikel 552 WvSv neergelegde
                            binnentredingsbevoegdheid is dan ook alleen verleend aan de algemene
                            opsporingsambtenaren.Voor de handhaving van de helingbepaling zal er op
                            moeten worden toegezien dat bekend is, welke handelaren zich in de
                            gemeente hebben gevestigd. Aan de verplichting ex artikel 437ter, tweede
                            lid, WvSr om zich schriftelijk aan te melden bij de burgemeester of de
                            door deze aangewezen ambtenaar wordt in de huidige praktijk door veel
                            handelaren niet voldaan. In dat geval zal de burgemeester gebruik moeten
                            maken van de mogelijkheid de hem door artikelen 437 e.v. WvSr toegekende
                            taken op te dragen aan door hem aan te wijzen ambtenaren. Door
                            capaciteitsproblemen bij de politie zal het doorgaans niet mogelijk zijn
                            alle handelaren aan een regelmatige controle te onderwerpen. De controle
                            zal zich moeten toespitsen op die branches waarin relatief veel gestolen
                            goederen </al><al>worden verhandeld en waarin relatief veel notoire helers voorkomen (de
                            antiek, (brom)fiets en autohandel). Ten behoeve van de andere branches
                            zou het college dan vrijstelling kunnen </al><al>verlenen van de in de gemeentelijke helingvoorschriften opgenomen
                            registratieverplichtingen.</al><al></al><al><cursief>Handelaar</cursief></al><al>Voor de omschrijving van het begrip “handelaar” verwijst artikel 437,
                            eerste lid, Wetboek van Strafrecht naar de Algemene Maatregel van
                            Bestuur op grond van dit artikel (Uitvoeringsbesluit ex artikel 437,
                            eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, KB 06-01-1992). Artikel 1
                            van dit besluit noemt als handelaren: opkopers en handelaren in
                            gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen,
                            uurwerken, kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen, bromfietsen, fietsen,
                            foto, film, radio, en videoapparatuur en apparatuur voor automatische
                            registratie. Onder </al><al>“handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen” worden tevens
                            handelaren in antiek en curiosa verstaan. Daarom hoeven zij niet apart
                            te worden vermeld.</al><al></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:60 Verplichtingen met betrekking tot het
                                verkoopregister</vet></al><al></al><al>De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het
                            verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van
                            artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Artikel 437, eerste lid, onder a,
                            WvSr verplicht de handelaar tot het aantekening houden van het verwerven
                            dan wel voor handen hebben van alle gebruikte en ongeregelde goederen.
                            In de Memorie van Toelichting wordt gezegd dat de administratieplicht
                            alleen zinvol is als het om dit soort goederen gaat, omdat dan de kans
                            bestaat dat zij van misdrijf afkomstig zijn. In artikel 2 van
                            eerdergenoemde AMvB worden regels gegeven betreffende de wijze van
                            aantekening houden. Zo is bepaald dat de registerplichtige handelaar een
                            doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register
                            houdt en daarin onverwijld de vereiste gegevens vermeldt: het zogenaamde
                            verkoopregister. Bij het opstellen van regels met betrekking tot het
                            verkoopregister is aansluiting gezocht bij de terminologie van de
                            formulering van het </al><al>inkoopregister, welke overigens is geregeld bij wet en AMvB. Net als bij
                            het inkoopregister verdient het aanbeveling om de handelingen die leiden
                            tot het opstellen van een verkoopregister algemeen te omschrijven. Net
                            als het inkoopregister moet het verkoopregister doorlopend zijn. Een
                            doorlopend register is een register waarin de aantekeningen waarvoor het
                            is bestemd achtereenvolgens naar tijdsorden worden ingeschreven, met
                            uitsluiting van de mogelijkheid van latere inschrijvingen. Een register
                            waarin een aantal bladzijden ontbreekt, is geen doorlopend register. Het
                            register mag geen onregelmatigheden en hiaten vertonen en moet
                            chronologisch zijn. In het eerste lid is een algemene verplichting
                            opgenomen om een verkoopregister </al><al>bij te houden (“alle” goederen). Aangezien het meestal zal gaan om
                            bepaalde </al><al>goederen als fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een
                            vrijstellingsbepaling toegevoegd.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:61 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het
                                Wetboek van </vet></al><al><vet>Strafrecht</vet></al><al></al><al>Deze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437ter, eerste lid, Wetboek
                            van Strafrecht (WvSr), bevat voorschriften die in het algemeen het
                            gevaar voor heling beogen te voorkomen.</al><al><cursief>Onder a</cursief></al><al><cursief>Ten eerste</cursief></al><al>Artikel 437ter, tweede lid, van het WvSr legt de handelaar de
                            verplichting op de burgemeester of door hem aangewezen ambtenaren
                            tevoren schriftelijk in kennis te stellen als hij van het opkopen een
                            beroep of gewoonte maakt. De wetgever heeft afgezien van een regeling om
                            de uitoefening van het opkoperbedrijf aan een voorafgaande toelating
                            door het gemeentebestuur te binden. De aanmeldingsplicht is in onderdeel
                            a, sub 1e, nader uitgewerkt.</al><al><cursief>Ten tweede en derde</cursief></al><al>Als er zich wijzigingen in het adres of beroep van de handelaar
                            voordoen, dient de burgemeester hiervan in kennis te worden gesteld. De
                            politie kan hierdoor de registratie van de handelaren up to date
                            houden.</al><al><cursief>Ten vierde</cursief></al><al>Hier spelen onder meer de omstandigheden waaronder het goed aan de
                            handelaar wordt aangeboden en diens wetenschap zelf een rol. De inhoud
                            van deze bepaling ligt dicht tegen die van artikel 437bis, eerste lid,
                            van het WvSr aan. Hier is het echter de ondernemer die het initiatief
                            moet nemen. Deze bepaling kan niet in strijd worden geacht met artikel
                            160 en 161 WvSv.</al><al></al><al><cursief>Onder b</cursief></al><al>In artikel 437, eerste lid, onder c, van het WvSr wordt aan de daartoe
                            aangewezen ambtenaar de bevoegdheid gegeven om inzage te hebben in het
                            inkoopregister. De bevoegdheid tot inzage in het verkoopregister is niet
                            aangegeven in het WvSr, zodat een regeling in de APV noodzakelijk is.
                            Door de bevoegdheid tot inzage van het verkoopregister bij de daartoe
                            aangewezen ambtenaar te leggen, kan deze ambtenaar zowel het inkoop als
                            het verkoopregister inzien.</al><al></al><al><cursief>Onder d</cursief></al><al>Bij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling
                            betreffende </al><al>de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet ontbreken.
                            Artikel 2:58, </al><al>onder d, voorziet hierin. De bepaling sluit nauw aan op hetgeen bepaald
                            in artikel 437, eerste lid, onder d en f, WvSr. Daar is de handelaar
                            etc. die in strijd met een schriftelijke last van de </al><al>burgemeester (of een vanwege hem gegeven last) bepaalde goederen
                            vervreemdt, of niet in bewaring geeft, of die niet voldoet aan de
                            daarbij gegeven aanwijzingen, strafbaar gesteld. In onderdeel d is
                            gekozen voor een termijn van zeven dagen. Deze termijn was drie dagen.
                            Door de politie werd die termijn als knelpunt ervaren. In het kader van
                            de bestrijding van woninginbraak moet goed nagegaan kunnen worden of het
                            goed een gestolen goed is. Een langere bewaartermijn is daarom
                            wenselijk. Om enerzijds de bedrijfsvoering van de handelaren niet al te
                            zeer te belemmeren en anderzijds de politie in de gelegenheid te stellen
                            om goed onderzoek te doen is de termijn naar zeven dagen gebracht.</al><al></al><al><vet>AFDELING 13. DRUGSOVERLAST</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:62 Drugshandel op straat</vet></al><al><vet></vet></al><al><cursief>Afbakening met de Opiumwet</cursief></al><al>Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage
                            “onverminderd het bepaalde in de Opiumwet” opgenomen. De Opiumwet is een
                            strafrechtelijk instrument waarin onder meer de verbodsbepalingen staan
                            van middelen die worden genoemd op lijst I (“harddrugs”) en II
                            (“softdrugs”) die behoren bij deze wet. Zo wordt verboden deze middelen
                            te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te
                            verstrekken, te vervoeren en aanwezig te hebben. In de Opiumwet wordt
                            geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel op
                            straat. Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk in de APV
                            een artikel op te </al><al>nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van
                            strafbare </al><al>feiten tot doel heeft.</al><al></al><al><cursief>Drugshandel op straat </cursief></al><al>Artikel 2:62 is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. De
                            straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare
                            orde. Om daartegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een
                            bepaling op te nemen, die tot doel heeft het voorkomen van de aantasting
                            van de openbare orde en van strafbare feiten. In praktijk gaat het met
                            name om harddrugs. In dit artikel zijn zowel de aanbieders als
                            ontvangers en bemiddelaars (“drugsrunners”) strafbaar gesteld. Het
                            “kennelijk doel” kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete
                            omstandigheden zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen
                            van transacties enz.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Doel van het Amsterdamse verbod op drugshandel op of aan de openbare weg
                            in de APV is het voorkomen van een aantasting van de openbare orde en
                            strafbare feiten. De bepaling heeft derhalve betrekking op andere
                            gedragingen dan strafbaar gesteld in de Opiumwet. HR 17-11-1992, NJ
                            1993, 409, JG 94.0005 m.nt. A.B. Engberts.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:63 Hinderlijk gebruik softdrugs </vet></al><al>De Opiumwet stelt het bezit van en de handel in drugs strafbaar, maar
                            het gebruik van drugs is niet strafbaar. Drugsgebruik in de openbare
                            ruimte kan wel overlast met zich meebrengen. Door de invoering van het
                            rookverbod zou deze vorm van overlast kunnen toenemen. Om vanuit het
                            overlastperspectief te kunnen optreden is deze bepaling in de APV
                            opgenomen. De burgemeester kan, indien de overlast op bepaalde plaatsen
                            een structurele vormen aanneemt, een aanwijzingsbesluit nemen waarop het
                            verbod in werking treedt. </al><al><vet></vet></al><al><cursief>Lokaal blowverbod toegestaan</cursief></al><al>Gemeenten mogen op grond van een Algemene Plaatselijke Verordening
                            blowen op straat in bepaalde gebieden verbieden, stelt het gerechtshof
                            in Den Haag.</al><al></al><al><cursief>Onveiligheidsgevoelens </cursief></al><al>Volgens het hof maakt de plaatselijke verordening het mogelijk om blowen
                            te verbieden, als dit gevoelens van onveiligheid bij het publiek
                            oproept. Dan wordt het namelijk een kwestie van openbare orde,
                            concludeert het gerechtshof in Den Haag ((ECLI:NL:GHDHA:2014:205,
                            6-2-2014).</al><al><vet></vet></al><al><vet>AFDELING 14. VUURWERK</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:64 Begripsbepalingen</vet></al><al></al><al>Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en bezigen van
                            consumentenvuurwerk rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op
                            het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking
                            tot consumenten- en professioneel vuurwerk (verder te noemen
                            Vuurwerkbesluit). Het Vuurwerkbesluit is op 1 maart 2002 (grotendeels)
                            in werking getreden.</al><al>Het Vuurwerkbesluit strekt tot integrale herziening van het
                            Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen waarbij zowel de
                            regelgeving voor consumentenvuurwerk als die voor professioneel vuurwerk
                            in één nieuwe algemene maatregel van bestuur wordt geïntegreerd. Het
                            Vuurwerkbesluit beoogt de gehele keten van het invoeren dan wel
                            vervaardigen of assembleren, verhandelen, uitvoeren, opslaan, bewerken
                            en afsteken van vuurwerk te reguleren, met inbegrip van bepaalde
                            vervoershandelingen met vuurwerk. De regels ten aanzien van het vervoer
                            van vuurwerk zijn gesteld ter uitwerking van artikel 3 van de Wet
                            vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs).</al><al>Het Vuurwerkbesluit kent dus regels voor zowel consumentenvuurwerk als
                            professioneel vuurwerk. De regels inzake professioneel vuurwerk zijn
                            voor deze afdeling niet relevant.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Definitie consumentenvuurwerk</cursief></al><al>Voor de omschrijving van het begrip “consumentenvuurwerk” is aansluiting
                            gezocht bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit.
                            Consumentenvuurwerk wordt in het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd:
                            “vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik” (artikel 1.1.1. lid
                            1). Consumentenvuurwerk dient te voldoen aan wel omschreven product
                            veiligheidseisen, zoals uitgewerkt in de Regeling Nadere eisen aan
                            vuurwerk (Stcrt. 243, 1997). Als consumentenvuurwerk wordt in ieder
                            geval aangemerkt vuurwerk dat bestemd is voor particulier gebruik -
                            aldus artikel 1.1.2 van het Vuurwerkbesluit - indien: </al><al>het tot ontbranding wordt gebracht door een particulier;</al><al> het te koop wordt aangeboden of ter beschikking wordt gesteld aan,
                            gekocht of besteld door een particulier; </al><al>het aangetroffen wordt bij een particulier; </al><al>het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht of voorhanden
                            wordt gehouden met het oogmerk het aan particulieren ter beschikking te
                            stellen of;</al><al>het is voorzien van de aanduiding: Geschikt voor particulier gebruik. </al><al></al><al>Het Vuurwerkbesluit is ingevolge artikel 1.1.3 niet van toepassing
                            op:</al><al>vuurwerk waarvoor regels zijn gesteld bij het Warenwetbesluit Speelgoed,
                            zoals klappertjes voor speelgoedpistolen;</al><al>vuurwerk dat bij de Nederlandse krijgsmacht, bij de krijgsmacht van een
                            bondgenootschappelijke mogendheid of bij de politie in gebruik of beheer
                            is; </al><al>vuurwerk dat in het kader van internationaal vervoer per zeeschip of
                            vliegtuig binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht en niet in
                            Nederland wordt gelost of rechtstreeks wordt overgeladen naar een ander
                            zeeschip onderscheidenlijk vliegtuig. </al><al></al><al><cursief>Fop- en schertsvuurwerk</cursief></al><al>Fop- en schertsvuurwerk is een aparte groep consumentenvuurwerk, genoemd
                            in bijlage 1 van de Regeling Nadere eisen aan vuurwerk. Het gaat hierbij
                            onder meer om boobytraps, sterretjes, knalbonbons, confettibommen,
                            trektouwtjes, Bengaalse lucifers en Bengaalse handfakkels. Aan al deze
                            voorwerpen worden eisen gesteld aan de lading. De lading van fop- en
                            schertsvuurwerk is (veel) kleiner dan de lading van overig
                            consumentenvuurwerk. De voorschriften opgenomen in bijlage 1 van het
                            Vuurwerkbesluit zijn niet van toepassing, indien er binnen de inrichting
                            niet meer dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk aanwezig is. Op grond van
                            artikel 2.3.7 van het Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het
                            hele jaar door verkrijgbaar en kan het ook gedurende het hele jaar
                            worden afgestoken. Uniforme regels verkoop en afsteken
                            consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling. Het Vuurwerkbesluit kent
                            voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de
                            jaarwisseling een aantal uniforme regels:</al><al>een verbod om consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan een
                            particulier (artikel 2.3.2 lid 1); </al><al>dit verbod geldt niet op 29, 30 en 31 december met dien verstande dat
                            als een van deze dagen een zondag is het verbod eveneens op die zondag
                            geldt, in welk geval het verbod om vuurwerk ter beschikking te stellen
                            dan niet geldt op 28 december (artikel 2.3.2 lid 2); </al><al>een verbod per levering meer dan tien kilogram consumentenvuurwerk aan
                            een particulier ter beschikking te stellen (artikel 2.3.3); </al><al>een verbod om consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter
                            beschikking te stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte die
                            voldoet aan de in bijlage 1 gestelde voorschriften en de door het
                            bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.2.3 gestelde nadere eisen
                            (artikel 2.3.4); </al><al>een verbod om consumentenvuurwerk bedrijfsmatig ter beschikking te
                            stellen aan personen die jonger zijn dan zestien jaar (artikel 2.3.5); </al><al>een verbod vuurwerk tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan
                            tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 2.00 uur van het daarop
                            volgende jaar (artikel 2.3.6). </al><al></al><al><vet>Artikel 2:65 Bezigen van vuurwerk</vet></al><al></al><al>In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om
                            consumentenvuurwerk af te steken op een ander tijdstip dan tussen 31
                            december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar.
                            Het afsteken van consumentenvuurwerk wordt op dit tijdstip toelaatbaar
                            geacht vanwege de koppeling van het vuurwerkgebruik aan de
                            feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding daarvan in de
                            Nederlandse volkscultuur. Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op
                            oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen zijn waar het afsteken van
                            consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar moet worden geacht
                            (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met rieten
                            daken, in winkelstraten, bij dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het
                            college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van
                            consumentenvuurwerk altijd verboden is. Het tweede lid maakt het
                            mogelijk om op te treden tegen het bezigen van consumentenvuurwerk in
                            bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of een
                            volksverzameling.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Voorlopige voorziening. Verbod om vuurwerk op oudejaarsdag tussen 10.00
                            en 22.00 </al><al>uur af te steken in de directe nabijheid van een verkooppunt op een </al><al>bedrijventerrein. Publiek aangekondigde sierdemonstraties, aanzuigende
                            werking </al><al>van de voorgenomen demonstraties op het daarin geïnteresseerde publiek,
                            directe </al><al>nabijheid van een grootschalige vuurwerkopslagplaats, gespannen sfeer
                            tussen </al><al>verzoekers en van omliggende bedrijven, waaronder een verkooppunt van </al><al>brandstoffen, feit van algemene bekendheid dat verkoop van vuurwerk
                            leidt tot </al><al>het afsteken van een deel daarvan in de nabijheid van dat verkooppunt. </al><al>Afsteekverbod kan in rechte stand houden. Rb. Leeuwarden 27-12-2001,
                            01/1133 </al><al>GEMWT, LJN-nr. AD7648.</al><al></al><al><vet>AFDELING 15. VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN EN CAMERATOEZICHT OP
                                OPENBARE PLAATSEN</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:66 Veiligheidsrisicogebieden</vet></al><al></al><al>Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester
                            bij verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen,
                            waarin de officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd
                            worden in artikel 50, 51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen.
                            Het gaat om de controlebevoegdheden om binnen het aangewezen
                            gebied:</al><lijst><li nr="1."><al>vervoermiddelen te onderzoeken; </al></li><li nr="2."><al>een ieders kleding te onderzoeken; </al></li><li nr="3."><al>te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden
                                    geopend. </al></li></lijst><al></al><al>De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of
                            omstandigheden blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare
                            orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees voor het ontstaan
                            daarvan. De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor
                            een bepaalde duur die niet langer is en voor een gebied dat niet groter
                            is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde.
                            Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover in de
                            lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de korpschef.
                            Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde:</al><al>feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring
                            van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees
                            voor het ontstaan daarvan;</al><al>zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang
                            en het individuele belang van de burgers (privacy); </al><al>subsidiariteit en proportionaliteit; </al><al>breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van
                            leefbaarheid en veiligheid. </al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>ABRvS 09-11-2005, 200503854/1, LJN-nr. AU5839. De direct betrokkene
                            (regelmatige bezoekster van het veiligheidsrisicogebied) is
                            belanghebbende bij het besluit van de burgemeester tot het aanwijzen van
                            een veiligheidsrisicogebied op grond van artikel 151b Gemeentewet.
                            Rechtbank Alkmaar heeft op 28 juni 2004, LJN-nr. AP5618, onterecht
                            geconcludeerd dat er geen rechtstreeks belang is bij het
                            aanwijzingsbesluit (het aanwijzen van een veiligheidsrisicogebied). De
                            aanwijzing van de burgemeester markeert de ruimte waarbinnen van de
                            bevoegdheden gebruik mag worden gemaakt. Dat tot daadwerkelijk
                            uitoefening van de bevoegdheden pas kan worden overgegaan nadat de
                            officier van justitie daartoe een bevel heeft gegeven, doet er niet aan
                            af dat de betrokkene door het aanwijzingsbesluit rechtstreeks in zijn
                            belang is getroffen. Hof Amsterdam 23-09-2005, AB 2006, 30 m.nt. J.G.
                            Brouwer en A.E. Schilder. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:67 Cameratoezicht op openbare plaatsen</vet></al><al>Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de
                            burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren
                            van cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving
                            van de openbare orde. De gemeenteraad kan daarbij bepalen tot welke
                            openbare plaatsen de bevoegdheid zich uitstrekt en voor welke duur de
                            plaatsing van camera’s ten hoogste mag geschieden. Volgens de wetgever
                            is hierdoor de toekenning van de bevoegdheid tot het plaatsen van
                            camera’s met democratische waarborgen omkleed. De gemeenteraad kan de
                            bevoegdheid van de burgemeester inperken. De volgende varianten zijn
                            bijvoorbeeld denkbaar:</al><al>De gemeenteraad besluit expliciet/impliciet om binnen de gemeente geen
                            cameratoezicht toe te passen. </al><al>De gemeenteraad bepaalt bij verordening dat de burgemeester mag
                            besluiten tot het toepassen van cameratoezicht op specifieke plaatsen,
                            bijvoorbeeld in de binnenstad, en geeft daarbij aan voor welke duur de
                            plaatsing van camera’s ten hoogste mag geschieden.</al><al>De gemeenteraad verleent bij verordening zonder beperkingen de
                            bevoegdheid aan de burgemeester tot plaatsing van camera’s ten behoeve
                            van de handhaving van de openbare orde op openbare plaatsen. </al><al>In Almere heeft de raad voor de laatste optie gekozen.</al><al></al><al>Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een
                            openbare plaats is een besluit van algemene strekking waartegen op grond
                            van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor belanghebbenden bezwaar en
                            beroep openstaat. Het kan voorkomen dat beelden worden gemaakt van
                            personen die een pand binnengaan of verlaten. De eigenaren van
                            dergelijke panden zijn aan te merken als belanghebbenden in de zin van
                            de Awb, evenals bijvoorbeeld degenen die in zo’n pand werken of wonen
                            (huurders) of anderszins regelmatige bezoekers van zo’n pand zijn.</al><al></al><al><cursief>Doel van het cameratoezicht</cursief></al><al>Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet mag
                            uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit
                            begrip omvat ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare
                            feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke
                            samenleving. Dit hoofddoel laat onverlet dat deze vorm van
                            cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt artikel 151c lid 7
                            Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen beelden te gebruiken voor de
                            opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarnaast mogen camera’s
                            worden gebruikt om de politie en andere hulpdiensten efficiënter en </al><al>effectiever in te zetten. De preventieve werking van cameratoezicht
                            vergroot bovendien hun veiligheid.</al><al></al><al><cursief>Openbare plaats</cursief></al><al>De invulling van het begrip openbare plaats uit artikel 151c Gemeentewet
                            is ontleend aan de wetsgeschiedenis van de Wet openbare manifestaties
                            (Wom). Op grond van die wet omvat het begrip openbare plaats, zeer in
                            het algemeen, de plaatsen “waar men komt en gaat”. In eerste instantie
                            gaat het hierbij om “de straat” of “de weg” in de ruime zin des woords,
                            ofwel de wegen die voor een ieder vrij toegankelijk zijn. Maar het
                            begrip omvat nog een aantal andere plaatsen die een met de weg
                            vergelijkbare functie vervullen en daarom als het “verlengde” van de weg
                            kunnen worden aangemerkt. In de wetsgeschiedenis staan als voorbeelden
                            vermeld: openbare plantsoenen, speelweiden, parken en de voor eenieder
                            vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, winkelgalerijen,
                            stationshallen en vliegvelden. Artikel 2 Wom bevat twee criteria om vast
                            te stellen of er sprake is van een openbare plaats:</al><lijst><li nr="1."><al>Vereist is dat de plaats “openstaat voor het publiek”. Dat wil
                                    zeggen volgens de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427,
                                    nr. 3, p. 16) zeggen dat een ieder vrij is om er te komen, te
                                    vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die
                                    plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden
                                    mag zijn”. Dat de plaats “openstaat” betekent voorts dat geen
                                    beletselen in de vorm van een meldingsplicht, de eis van een
                                    voorafgaand verlof of de heffing van een toegangsprijs gelden
                                    voor het betreden van de plaats. Op grond van het vorenstaande
                                    kunnen bijvoorbeeld stadions, postkantoren, gemeentehuizen,
                                    parkeerterreinen, musea, warenhuizen, ziekenhuizen en kerken
                                    niet als “openbare plaatsen” worden aangemerkt. </al></li><li nr="2."><al>Het open staan van de plaats dient te zijn gebaseerd op
                                    bestemming of op vast gebruik. Deze bestemming kan blijken uit
                                    een besluit van de gerechtigde of uit de bedoeling die spreekt
                                    uit de inrichting van de plaats. Een openbare plaats krachtens
                                    vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd
                                    wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende
                                    deze feitelijke toestand gedoogt, aldus de memorie van
                                    toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16). </al></li><li nr="3."><al>Een incidentele openstelling van een plaats door de
                                    rechthebbende maakt de plaats nog niet tot een openbare plaats
                                    in de zin van de Wom. </al></li></lijst><al></al><al>In de Wom zijn kerken en andere gebouwen, die door de rechthebbende zijn
                            bestemd voor de belijdenis van een geloofsovertuiging, uitgesloten van
                            het begrip openbare plaats. Dit betekent dat het ook krachtens artikel
                            151c Gemeentewet niet is toegestaan toezichtcamera’s te plaatsen in
                            kerken, moskeeën en dergelijke. Evenmin is het toegestaan om, in het
                            kader van dit artikel, </al><al>Toezichtcamera’s te richten op de ingang van dergelijke gebouwen. Indien
                            echter beelden worden gemaakt van een openbare plaats (een straat of
                            plein) waaraan bijvoorbeeld een kerk is gelegen, is het wel toegestaan
                            dat het exterieur van die kerk in beeld komt.</al><al></al><al><cursief>Particulier eigendom</cursief></al><al>Bepaalde openbare plaatsen zijn in particulier eigendom. Voorbeelden
                            hiervan zijn de vrijelijk voor publiek toegankelijke gedeelten van
                            stationsterreinen, stationshallen en sommige winkelpassages. De
                            onderhavige regeling geldt indien gemeenten in het desbetreffende gebied
                            cameratoezicht willen toepassen in het belang van de handhaving van de
                            openbare orde.</al><al>Gemeenten kunnen bij openbare plaatsen die in particulier eigendom zijn,
                            zoals bedrijfsterreinen, voor de handhaving van de openbare orde gebruik
                            maken van particuliere camera’s en/of het cameratoezicht samen met
                            particulieren uitvoeren. Deze samenwerking moet dan wel voldoen aan de
                            voorwaarden uit artikel 151c Gemeentewet.</al><al></al><al><cursief>Vaste camera’s</cursief></al><al>Artikel 151c lid 1 Gemeentewet heeft betrekking op het langdurig
                            plaatsen van vaste camera’s op openbare plaatsen voor de handhaving van
                            de openbare orde. Met het begrip vast (statisch) wordt bedoeld dat de
                            camera’s nagelvast zijn bevestigd. Dit bevestigen gebeurt veelal door
                            montage aan de gevels of dakranden van gebouwen of op daarvoor
                            geplaatste palen. Met het begrip vast (statisch) wordt niet bedoeld dat
                            camera’s een vast ingekaderd beeld weergegeven. Het gebruik van de
                            camera’s kan dynamisch zijn, dat wil zeggen dat de observatiehoek en de
                            grote van de observatiehoek op afstand kan worden ingesteld
                            (pendelen/in- en uitzoomen). Evenmin is er een beperking voor
                            interactieve toepassingen, zoals het gebruik van noodknoppen en de
                            mogelijkheid om vanuit de centrale burgers op hun gedrag toe te
                            spreken.</al><al>De wetgever heeft dit onderwerp uitputtend bij formele wet geregeld.
                            Uitsluitend op de wijze omschreven in artikel 151c Gemeentewet kan
                            worden besloten tot langdurige plaatsing van vaste camera’s ten behoeve
                            van de handhaving van de openbare orde. Ander gebruik van camera’s ten
                            behoeve van de openbare orde en veiligheid dan het hiervoor bedoelde
                            statische en langdurige gebruik, wordt door de regeling onverlet
                            gelaten. Hierbij moet men met name denken aan kortstondig en/of mobiel
                            cameragebruik bij evenementen, rellen en grootschalige ordeverstoringen.
                            In die gevallen, waarbij steeds een concrete aanleiding bestaat, kan de
                            bevoegdheid tot cameragebruik worden ontleend aan artikel 2 van de
                            Politiewet 1993.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Proportionaliteit en subsidiariteit</cursief></al><al>Het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen moet noodzakelijk
                            zijn voor de handhaving van de openbare orde. Het cameratoezicht moet
                            evenredig zijn in relatie tot het doel (proportionaliteit) en er moet
                            worden bezien of dit doel, i.c. de handhaving van de openbare orde, niet
                            op een minder ingrijpende wijze kan worden geëffectueerd
                            (subsidiariteit). De eisen van proportionaliteit en subsidiariteit
                            verlangen dat periodiek moet worden beoordeeld of de doelstelling(en),
                            die aan het plaatsen van de camera’s ten grondslag hebben gelegen, zijn
                            gerealiseerd en of er nog langer een noodzaak bestaat voor
                            cameratoezicht. Daarom geldt op grond van artikel 151c lid 1 Gemeentewet
                            dat de plaatsing van camera’s geschiedt voor een bepaalde duur. Na het
                            verstrijken van deze termijn kan het cameratoezicht, bij gebleken
                            noodzaak, worden verlengd. Het ligt daarom voor de hand om de duur van
                            plaatsing te koppelen aan een evaluatie.</al><al></al><al><cursief>Kenbaarheid</cursief></al><al>In artikel 151c lid 4 Gemeentewet is vastgelegd dat het gebruik van
                            camera’s kenbaar moet zijn. Burgers moeten in elk geval in kennis worden
                            gesteld van de mogelijkheid dat zij op beelden kunnen voorkomen zodra
                            zij het gebied betreden dat valt binnen het bereik van de camera’s. Aan
                            het kenbaarheidsvereiste moet niet alleen worden voldaan als er beelden
                            worden vastgelegd, maar ook als sprake is van monitoring en er dus geen
                            opnames worden gemaakt. Door het goed zichtbaar plaatsen van borden,
                            waarop wordt aangeven dat in het betrokken gebied met camera’s wordt
                            gewerkt, kan het publiek op deze mogelijkheid worden geattendeerd.
                            Overigens houdt het kenbaarheidsvereiste niet in dat camera’s altijd
                            zichtbaar moeten zijn of dat de burgers op de hoogte moeten worden
                            gesteld van de precieze opnametijden. In artikel 441b van het Wetboek
                            van Strafrecht is de niet-kenbare toepassing van cameratoezicht op voor
                            het publiek toegankelijke plaatsen strafbaar gesteld! De straf kan een
                            hechtenis van ten hoogste twee maanden inhouden of een geldboete van €
                            4.500,-.</al><al></al><al><cursief>Overgangstermijn</cursief></al><al>Lopende cameraprojecten moeten worden aangepast aan het nieuwe
                            wettelijke kader. </al><al>De wetgever heeft voor bestaande projecten een overgangstermijn
                            vastgesteld van één jaar. Deze overgangstermijn gaat lopen op het
                            tijdstip van inwerkingtreding van de wet. Om onder de werking van de
                            overgangstermijn te vallen, dienen de camera’s op het moment van
                            inwerkingtreding van artikel 151c Gemeentewet reeds geplaatst te zijn.
                            Dat heeft consequenties voor:</al><lijst><li nr="1."><al>de uitvoering conform de regeling; </al></li><li nr="2."><al>het formaliseren van de wettelijke grondslag voor
                                    cameratoezicht. </al></li></lijst><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Besluit cameratoezicht op openbare plaatsen</cursief></al><al>Op grond van artikel 151c lid 8 Gemeentewet worden nadere regels gesteld
                            om de goede uitvoering van het cameratoezicht te waarborgen. Deze regels
                            hebben betrekking op:</al><al>de vaste camera’s en andere technische hulpmiddelen benodigd voor het
                            toezicht, bedoeld in het eerste lid, en de wijze waarop deze
                            hulpmiddelen worden aangebracht; </al><al>de personen belast met of anderszins direct betrokken bij de uitvoering
                            van het toezicht; </al><al>de ruimten waarin de waarneming of verwerking van door het toezicht
                            vastgelegde beelden plaatsvindt. </al><al></al><al>In het Ontwerpbesluit cameratoezicht op openbare plaatsen wordt een
                            certificatieregeling in het leven geroepen. Het toetsingskader zijn de
                            beoordelingsrichtlijnen van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en
                            Veiligheid (CCV). Er bestaat een richtlijn voor het ontwerp van het
                            camerasysteem en een richtlijn voor de toezichtcentrale. Door
                            certificering wordt de kwaliteit, en daarmee de betrouwbaarheid van het
                            cameratoezicht gewaarborgd. De beoordelingsrichtlijnen zijn verkrijgbaar
                            op: <extref doc="http://www.hetccv.nl/">www.hetccv.nl</extref>. Voor
                            nadere informatie over de invoering van cameratoezicht in de zin van
                            artikel 151c Gemeentewet wordt verwezen naar de handreiking
                            cameratoezicht van het CCV. Deze bevat naast een uiteenzetting van het
                            wettelijk kader ook meer praktische informatie om op een zorgvuldige,
                            weloverwogen wijze (al dan niet) </al><al>over te gaan tot cameratoezicht. De handreiking is eveneens te vinden op
                                <extref doc="http://www.hetccv.nl/">www.hetccv.nl</extref>.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:68 Verblijfsontzegging</vet></al><al></al><al>Ofschoon de juridische basis voor het opleggen van de
                            verblijfsontzegging door de burgemeester in dit artikel berust op de
                            autonome verordeningsbevoegdheid van de raad als bedoeld in artikel 149
                            Gemeentewet kan deze bepaling niet los worden gezien van artikel 172,
                            derde lid van de Gemeentewet. In dit artikel is bepaald dat de
                            burgemeester bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees
                            daarvan bevoegd is de bevelen te geven die noodzakelijk zijn te achten
                            voor de handhaving van de openbare orde. Dit wordt wel aangeduid als de
                            “lichte bevelsbevoegdheid”, te onderscheiden van de bevoegdheid van de
                            burgemeester op grond van de artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet tot
                            het uitvaardigen van een noodbevelen of noodvoorschriften. In een
                            situatie als bedoeld in artikel 172 van de Gemeentewet behoeft er nog
                            geen wettelijk voorschrift te zijn geschonden en behoeft er geen
                            noodsituatie te dreigen, terwijl er toch sprake is van een situatie die
                            uit een oogpunt van openbare orde en rust in de lokale samenleving
                            ongewenst is en waartegen moet worden opgetreden. De artikelen 172 en
                            175 van de Gemeentewet zijn aanvankelijk veelvuldig in steden als
                            Amsterdam en Rotterdam toegepast voor het opleggen van
                            verblijfsontzeggingen. Als het gaat om voorzienbare min of meer
                            structurele vormen van overlast dan wordt echter blijkens de
                            jurisprudentie in verband met de eisen van rechtszekerheid en
                            legitimiteit een autonome door de gemeenteraad vastgestelde verordening
                            noodzakelijk geacht. Het opleggen van verblijfsontzeggingen is niet in
                            strijd met de Grondwet of met enig internationaal verdrag, mits is
                            voldaan aan een drietal voorwaarden. De voorwaarden luiden als
                            volgt:</al><lijst><li nr="1."><al>de verblijfsontzegging is gebaseerd op een autonome
                                    verordening;</al></li></lijst><al>de beperking van de bewegingsvrijheid is in het licht van het
                            aangevoerde belang noodzakelijk in een democratische rechtsorde;</al><al>de beperking weegt met het oog op het aangevoerde en gerechtvaardigde
                            belang op tegen de eisen die een democratische samenleving stelt. </al><al></al><al>Dit laatste wil zeggen dat er niet alleen een zwaarwegend belang van
                            derden aanwezig moet zijn, maar ook moet de maatregel inhoudende de
                            beperking van de bewegingsvrijheid in de juiste verhouding staan tot de
                            ernst van de overlast. Voor de uitvaardiging van een verblijfsontzegging
                            is ook vereist dat betrokkene de openbare orde verstoort door specifiek
                            strafbaar gestelde gedragingen. (bijv. orde verstoren door vechten,
                            hinderlijk gedrag, openlijke geweldpleging) De strafbare gedragingen
                            betreffen zowel APV bepalingen als geweldsdelicten van aan andere
                            openbare orde gerelateerde delicten. </al><al>Met het oog op toepassing van artikel 2:66 moeten beleidsregels worden
                            ontwikkeld. Een verblijfsontzegging is immers een zware, de
                            bewegingsvrijheid beperkende maatregel waarvoor goede gronden aanwezig
                            moeten zijn en waarbij een zorgvuldige afweging moet plaatsvinden.
                            Verder moeten, ten behoeve van het mandaat aan de politie om namens de
                            burgemeester verblijfsontzeggingen bekend te kunnen maken (het geven van
                            een verblijfsontzegging), gebruiksinstructies worden opgesteld.</al><al></al><al>Het tweede lid geeft de mogelijkheid in verband met persoonlijke
                            omstandigheden het werkingsgebied van het bevel te beperken en hiervan
                            bijvoorbeeld uit te zonder het zich bevinden in het betreffende gebied
                            met een middel van openbaar vervoer of indien betrokkene woont en/of
                            werkt in het gebied dit gebied zodanig aan te passen dat betrokkene een
                            aanlooproute heeft naar en van zijn woning of werklocatie. Deze aspecten
                            lenen zich in het bijzonder om te worden opgenomen in de
                            mandaatinstructie van de burgemeester.</al><al></al><al><vet>AFDELING 16. MESSEN EN SCHIETWAPENS</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:69 Schietwapens</vet></al><al></al><al>De Wet Wapens en Munitie (WWM) regelt onder meer het vervoer, voorhanden
                            hebben en dragen van (schiet)wapens. Onder de huidige tekst van de WWM
                            is het echter mogelijk dat met de in artikel 2:67 bedoelde schietwapens
                            (bijvoorbeeld luchtbuks en hand- of kruisboog) vrij over straat wordt
                            gelopen. Pas op het moment dat (kan worden aangetoond dat) daarvan
                            dreiging uitgaat treedt de WWM ten aanzien van deze wapens in werking.
                            De WWM is op dergelijke wapens namelijk slechts van toepassing indien
                            "gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder zij worden
                            aangetroffen redelijkerwijs kan worden aangeno­men dat zij voor geen
                            ander doel zijn bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen of te
                            dreigen (...)". Dit valt echter zeer moeilijk te bewijzen. Onder "bij
                            zich hebben " wordt o.a. verstaan: vervoeren, dragen of ook gebruiken. </al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:70 Messen en andere voorwerpen als steekwapens</vet></al><al><vet></vet></al><al>Begin 2007 is er door de politie Almere over het jaar 2006 een analyse
                            opgesteld van wapengebruik in Almere. Ook is er door de politie
                            onderzoek gedaan naar het aantal openbare orde incidenten in Almere Stad
                            Centrum (Stadshart) over de periode 2004 tot en met 2006. Naar
                            aanleiding van dit onderzoek heeft de gemeenteraad op 6 september 2007
                            besloten een artikel betreffende een messenverbod op te nemen in de
                            APV.<vet></vet></al><al>Het messenverbod raakt aan de mogelijkheden die de Wet wapens en munitie
                            (WWM) biedt. De WWM verbiedt het voor onmiddellijk gebruik (openlijk)
                            voorhanden hebben van steekwapens. Het gaat hierbij o.a. om messen met
                            twee snijkanten, stiletto’s, valmessen, vlindermessen en werpmessen. In
                            aanvulling op deze wet is een messenverbod in de APV mogelijk. Hiermee
                            wordt het mogelijk voor de politie om <onderstreept>alle</onderstreept>
                            messen die tijdens een controle worden aangetroffen in beslag te nemen.
                            Hiermee wordt een duidelijk signaal afgegeven: Het bij je dragen van
                            steekwapens op de openbare weg wordt in Almere niet getolereerd. Voor de
                            politie is dit een goede aanvulling op bestaande instrumenten. Onder de
                            Wet wapens en munitie vallen namelijk niet alle messen en komt het soms
                            voor dat in beslag genomen messen op een later tijdstip teruggeven
                            moeten worden. Dit is niet in lijn met de veiligheidsambities van Almere
                            en kan een averechts effect hebben. Wij kiezen nadrukkelijk niet voor
                            een algeheel messenverbod voor geheel Almere. Ten eerste geeft
                            verwoording van het voorgestelde artikel juist de mogelijkheid in de
                            toekomst op bepaalde wegen een messenverbod in te stellen. Dit beoogt de
                            handhaving van de openbare orde en veiligheid op plaatsen waar ernstige
                            verstoringen van de openbare orde hebben plaatsgevonden. Het
                            messenverbod kan dan tevens worden gekoppeld aan een
                            veiligheidsrisicogebied waar preventief gefouilleerd mag worden. Ten
                            tweede vanwege de onmogelijkheid van adequate handhaving van een
                            dergelijk verbod. Ten derde beschikken politie en justitie met de WWM
                            over voldoende middelen om tegen het
                                <onderstreept>openlijk</onderstreept> in bezit hebben van
                            steekwapens op de openbare weg en in de voor het publiek toegankelijke
                            plaatsen op te treden. <vet></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>HOOFDSTUK 3, SEKSINRICHTINGEN, ESCORTBEDRIJVEN, STRAATPROSTITUTIE
                                E.D.</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al><vet></vet></al><al><cursief></cursief><cursief>Verordenende bevoegdheid van gemeenten
                            </cursief></al><al>Volgens artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht is het exploiteren
                            van prostitutie niet langer in algemene zin, maar nog slechts in
                            bepaalde omstandigheden strafbaar. Over de vormen van exploitatie van
                            prostitutie die niet langer strafbaar zijn, is geen nadere formele
                            wetgeving vastgesteld. De enige manier om de exploitatie van prostitutie
                            te reguleren is dus via de APV. De gemeentelijke bevoegdheid om bij
                            verordening regels te stellen, heeft daardoor een autonoom karakter: bij
                            gebrek aan nadere formele regelgeving, zijn gemeenten immers niet
                            verplicht om ter uitvoering daarvan bij (medebewinds-)verordening regels
                            vast te stellen. Hoewel autonoom, de </al><al>verordenende bevoegdheid mag uitsluitend worden aangewend “ter regeling
                            en bestuur inzake de huishouding van de gemeente”: blijkens artikel 108,
                            eerste lid, van de Gemeentewet moeten gemeenten zich daarbij namelijk
                            beperken tot de behartiging van belangen die zijn aan te merken als
                            gemeentelijke belangen. Dit hoofdstuk van de APV is niet uitsluitend
                            gebaseerd op artikel 149 </al><al>Gemeentewet, maar - voorzover het betrekking heeft op prostitutie -
                            tevens op artikel 151a Gemeentewet. Bij artikel 19, derde lid, van de
                            Grondwet kan de vrije keuze van arbeid worden </al><al>onderscheiden van de uitoefening daarvan. Ter waarborging van een
                            maatschappelijk verantwoorde arbeidsuitoefening leggen tal van
                            vergunningsvoorschriften daaraan beperkingen op (in het belang van
                            kwaliteitsbewaking, de bescherming van de cliënt, de bescherming van de </al><al>werknemer tegen gevaar en exploitatie, de bescherming van de omgeving
                            tegen gevaar en overlast en dergelijke). Deze vergunningsvoorschriften
                            hebben niet als motief het beperken van de vrijheid van arbeidskeuze en
                            dienen dan ook niet te worden beschouwd als beperking daarvan.
                            Desalniettemin mogen deze vergunningsvoorschriften - ook al liggen
                            daaraan andere motieven ten grondslag - niet zo ver strekken dat de
                            vrije arbeidskeuze daardoor impliciet illusoir </al><al>wordt. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat gemeenten,
                            bijvoorbeeld aan het beroep van bordeelhoud(st)er of van prostituee,
                            beperkingen mogen opleggen ter “regeling en bestuur van de gemeentelijke
                            huishouding”: in het belang van de openbare orde, de openbare
                            veiligheid, de volksgezondheid of het milieu.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>De omstandigheid dat de prostituees in afwachting van een beslissing op
                            de aanvraag rechtmatig in Nederland verblijven maakt niet dat zij in dat
                            stadium aan de zogenoemde Associatieovereenkomsten aanspraak kunnen
                            ontlenen om arbeid als zelfstandige te mogen verrichten. LJN-nr. AO3839,
                            JG 04.0112 m.nt. A.L. Esveld. </al><al>In een nota opgenomen ruimtelijke relevante criteria zijn voldoende voor
                            de onderbouwing van gebruiksbepalingen behorend bij een bestemmingsplan
                            die het </al><al>gebruik als bordeel beperken. Een erotische massagesalon is een
                            seksinrichting en kan worden aangemerkt als een prostitutiebedrijf.
                            LJN-nr. AQ8750, JG 04.0150 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Voor betaalde tantramassage is vergunning op grond van de APV nodig,
                            onverlet de planologische vrijstelling voor een schoonheidsinstituut.
                            LJN-nr. AT4882, JG 05.0079 m.nt. A.L. Esveld.</al><al></al><al><vet>AFDELING 1. BEGRIPSBEPALINGEN</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 3:1 Begripsbepalingen</vet></al><al><vet></vet></al><al><cursief>Prostitutie en prostituee(onder a en b)</cursief></al><al>Deze omschrijving van het begrip “prostitutie” is afgeleid van de
                            definitie in artikel 273f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
                            Om onder andere taalkundige redenen zijn de termen “derde” en “betaling”
                            uit de definitie in het Wetboek van Strafrecht in deze definitie
                            vervangen door respectievelijk “ander” en “vergoeding”.</al><al></al><al><cursief>Seksinrichting (onder c)</cursief></al><al>Het begrip seksinrichting is het centrale begrip voor deze verordening.
                            Seksinrichtingen zijn er in verschillende varianten. Daarom is in deze
                            definitie bewust gekozen voor een algemene omschrijving. Die
                            omschrijving sluit aan bij het spraakgebruik en in diverse rechterlijke
                            uitspraken gehanteerde definities (zie onder andere: Pres. Rb Amsterdam
                            24 januari 1997; Awb 96/12338 GEMWT; niet gepubliceerd).
                            “Seksinrichting” als hier omschreven zijn inrichtingen waarin op </al><al>bedrijfsmatige wijze seksuele diensten worden verleend, dan wel waarin
                            deze diensten in een zodanige omvang en met een zodanige frequentie
                            worden aangeboden dat die als bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt.
                            Deze constructie (alsof het bedrijfsmatig was) komt ook voor in de Wet
                            milieubeheer. In de definitie is gekozen voor de term “besloten ruimte”,
                            omdat dit meer omvat dan het begrip “gebouw”. Onder besloten ruimte
                            worden ook begrepen een vaar- of een voertuig. Het bijvoeglijk naamwoord
                            “besloten” duidt erop dat de ruimte zich niet in de open lucht bevindt.
                            Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of gedeeltelijk door wanden
                            omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking voor het publiek
                            toegankelijk is. Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen zijn in
                            deze omschrijving uitdrukkelijk genoemd. Dit om iedere discussie over de
                            vraag of dit type inrichting als seksinrichting dient te worden
                            aangemerkt, te voorkomen. Dit zijn: (raam)prostitutiebedrijven,
                            erotische-massagesalons, seksbioscopen, seksautomatenhallen,
                            sekstheaters of parenclubs. Sommige van deze begrippen behoeven wellicht
                            nadere toelichting. Onder een prostitutiebedrijf worden niet alleen
                            bordelen en clubs begrepen, maar ook andere ruimten waarin prostitutie
                            plaatsvindt, zoals zogenaamde prostitutiehotels die speciaal aan
                            prostituees voor korte tijd kamers verhuren. Onder
                            raamprostitutiebedrijf dient te worden verstaan een inrichting met een
                            of meer ramen van waarachter de prostituee tracht de aandacht van
                            passanten op zich te vestigen. Een seksbioscoop is een inrichting waarin
                            hoofdzakelijk vertoningen van erotisch-pornografische aard </al><al>worden gegeven door middel van audiovisuele apparatuur. Dit is in
                            afwijking van een seksautomatenhal, waarin dergelijke vertoningen van
                            erotisch-pornografische aard worden gegeven door middel van automaten en
                            van een sekstheater, waarin deze vertoningen anders dan door middel van
                            audiovisuele apparatuur of automaten - met andere woorden “live” -
                            worden gepresenteerd. Voor zowel de seksbioscoop, de seksautomatenhal
                            als het sekstheater geldt dat daarin hoofdzakelijk voorstellingen van
                            erotisch-pornografische aard worden gegeven. Een café</al><al>bijvoorbeeld, waarin incidenteel een striptease-optreden plaatsvindt,
                            dient derhalve niet als “sekstheater” te worden aangemerkt. Zo’n
                            optreden moet echter worden beschouwd als een evenement (een “voor
                            publiek toegankelijke verrichting van vermaak”), waarvoor volgens
                            artikel 2:9 vergunning van de burgemeester vereist is.</al><al></al><al><cursief>Escortbedrijf (onder d)</cursief></al><al>Een escortbedrijf is een bedrijf dat - meestal telefonisch - bemiddelt
                            tussen klanten en prostituees. De prostituee bezoekt de klant, of gaat
                            met de klant naar een andere plaats. Een escortbedrijf is geen
                            inrichting. Het kan een kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale,
                            een mobiele telefoon of een website op Internet. De plaats van de
                            bedrijfsruimte is bepalend voor de </al><al>vergunningplicht. Een escortbedrijf biedt de services actief aan door
                            middel van advertenties en andere reclame-uitingen. Uiteraard kan er ook
                            sprake zijn van een combinatie van een seksinrichting en een
                            escortservice.</al><al></al><al><cursief>Sekswinkel</cursief></al><al>De omschrijving van het begrip “sekswinkel” is ontleend aan de
                            Winkeltijdenwet. Ook in deze begripsomschrijving is bepaald dat
                            hoofdzakelijk van verkoop van goederen in casu van
                            erotisch-pornografische aard sprake moet zijn. Zonder die aanduiding
                            zouden immers vele tijdschriftenwinkels als sekswinkel moeten worden
                            aangemerkt. Op de openingstijden van sekswinkels is het regime van de
                            Winkeltijdenwet van toepassing. Een sekswinkel is geen ”seksinrichting”
                            als hierboven omschreven. Voor het uitoefenen van een sekswinkel zijn de
                            bestemmingsplanbepalingen van toepassing. Indien onverhoopt blijkt dat
                            onwenselijke goederen of afbeeldingen worden tentoongesteld kan
                            daartegen worden opgetreden op grond van artikel 3:10 van deze APV.</al><al></al><al><cursief>Bezoeker (onder g)</cursief></al><al>Het behoeft geen betoog dat, tegen de achtergrond van de bij of
                            krachtens de </al><al>artikelen 3:6 of 3:7 vastgestelde sluitingsuren, niet alle in de
                            inrichting </al><al>aanwezige personen als “bezoeker” moeten worden aangemerkt. Van het
                            begrip “bezoeker” zijn behalve de exploitant(en), de beheerder(s), de
                            prostituees en de personeelsleden van de exploitant, tevens
                            toezichthouders en opsporingsambtenaren uitgezonderd, alsmede andere
                            personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen
                            noodzakelijk is (hierbij valt te denken aan personen die de inrichting
                            moeten kunnen betreden voor het leveren van </al><al>goederen, of voor het uitvoeren van reparatie- of
                            onderhoudswerkzaamheden).</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Een bordeel is een voor publiek openstaand gebouw als bedoeld in artikel
                            174 lid </al><al>1, van de Gemeentewet. Een bordeel past niet in de functie
                            woonbebouwing. LJN-nr. AE5853, JG. 03.0062, m. nt. A.L. Esveld.
                            Prostitutiebedrijf is een voor publiek openstaand gebouw. Strijd met het
                            bestemmingsplan als weigeringgrond aanvaard. Exploitatie van het
                            prostitutiebedrijf past niet in het bestaand woonklimaat. LJN-nr.
                            AH9858, JG 03.0194 m. nt. A.L. Esveld. Parenclub in woning niet
                            toegestaan wegens strijd met bestemmingsplan. LJN-nr. AE6669, JG 03.0024
                            m. nt. A.L. Esveld. Een parenclub met erotisch café levert niet meer
                            overlast op dan een relaxbedrijf met horeca. Bestemmingsplan als
                            weigeringgrond in de APV aanvaard. LJN-nr.AF9857, JG 04.0111 , m.nt.
                            A.L. Esveld. In een nota opgenomen ruimtelijke relevante criteria zijn
                            voldoende voor de onderbouwing van gebruiksbepalingen behorend bij een
                            bestemmingsplan die het gebruik als bordeel beperken. Een erotische
                            massagesalon is een seksinrichting en kan worden aangemerkt als een
                            prostitutiebedrijf. LJN-nr. AQ8750, JG 04.0150, m.nt. A.L. Esveld.</al><al></al><al>Voor betaalde tantramassage is vergunning op grond van de APV nodig,
                            onverlet de </al><al>planologische vrijstelling voor een schoonheidsinstituut. LJN-nr.
                            AT4882, JG 05.0079 m.nt. A.L. Esveld.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al></al><al>De artikelen 160 en 174 van de Gemeentewet maken deze
                            bevoegdheidsafbakening noodzakelijk. Volgens artikel 160 is het college
                            belast met de uitvoering van raadsbesluiten (waaronder autonome
                            verordeningen als deze) tenzij bij of krachtens de wet de burgemeester
                            daarmee is belast. Dit laatste doet zich hier voor: artikel 174 belast
                            de burgemeester namelijk met “het toezicht op de openbare samenkomsten
                            en vermakelijkheden, alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen
                            en daarbij behorende erven” (eerste lid) en met “de uitvoering van
                            verordeningen voorzover deze betrekking hebben op het in het eerste lid
                            bedoelde toezicht” (derde lid). In veruit de meeste gevallen dient de
                            burgemeester derhalve te worden aangemerkt </al><al>als het bevoegde bestuursorgaan. Zijn bevoegdheid betreft namelijk de
                            voor het publiek openstaande gebouwen en de openbare samenkomsten en
                            vermakelijkheden. In de definitie van seksinrichtingen is echter het
                            ruimere begrip “ruimte” opgenomen. Dat betekent dat het college bevoegd
                            is als het gaat om met name de vaar- en voertuigen. Ook is het college
                            bevoegd als het gaat om escortbedrijven. Het gebruik van de openbare
                            weg, waarbij in dit verband met name gedacht moet worden aan de
                            aanwijzing van tippelzones, is een bevoegdheid van het college. Om deze
                            afbakening - waar aan de orde - niet steeds opnieuw volledig te moeten
                            weergeven, is in hoofdstuk 3 het begrip “bevoegd bestuursorgaan”
                            gehanteerd en is dat in artikel 3:2 eenmalig gedefinieerd. Van de
                            specifieke aard van de seksinrichting is afhankelijk wie in een concreet </al><al>geval bevoegd is: het college of de burgemeester. Aangezien van
                            onbevoegd genomen besluiten vernietiging in de rede ligt, moet deze
                            vraag met zorgvuldigheid worden beantwoord. Op grond van artikel 168,
                            eerste lid, van de Gemeentewet kan het college een of meer van zijn
                            bevoegdheden opdragen aan een of meer van zijn leden. Het gaat hierbij
                            om mandaat: de opgedragen bevoegdheid wordt uitgeoefend uit naam en
                            onder verantwoordelijkheid van het college (tweede lid), dat daarover
                            bovendien aanwijzingen kan geven (derde lid). Om de uitvoering van het
                            gemeentelijk prostitutiebeleid zoveel mogelijk te stroomlijnen, zou het
                            college zijn bevoegdheid terzake kunnen mandateren aan de burgemeester.
                            Dit doet er niet aan af dat goed moet worden bezien, of een concreet te
                            nemen besluit een besluit van de burgemeester zelf of van het college
                            is.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Blijkens ARRS 27 augustus 1993 moet een raamprostitutiebedrijf worden
                            beschouwd als een voor publiek openstaand gebouw als bedoeld in artikel
                            174, eerste lid, van de Gemeentewet, ten aanzien waarvan mitsdien de
                            burgemeester exclusief bevoegd is, JG 94.0053. Een bordeel is een voor
                            publiek openstaand gebouw als bedoeld in artikel 174 lid 1, van de
                            Gemeentewet. Een bordeel past niet in de functie woonbebouwing. LJN-nr.
                            AE5853, JG. 03.0062, m. nt. A.L. Esveld.</al><al>Ook (reguliere) bestuursrechtelijke bevoegdheden ter handhaving van de
                            openbare orde behoren exclusief toe aan de burgemeester. LJ-nr. AR3854,
                            JG 05.0004 m.nt. A.L. Esveld.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:3 Nadere regels</vet></al><al></al><al>Vergunningsvoorschriften die voor de exploitatie van alle (of bepaalde
                            categorieën van) seksinrichtingen zouden moeten gelden, kunnen krachtens
                            dit artikel door het college worden vastgesteld als algemeen verbindende
                            voorschriften. Artikel 3:3 ziet dus op delegatie van regelgevende
                            bevoegdheid als bedoeld in artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet.
                            Vanzelfsprekend zijn de regels over de bekendmaking van algemeen
                            verbindende voorschriften hierbij van overeenkomstige toepassing. Ook
                            kan het bevoegde bestuursorgaan zelf (nogmaals: meestal de burgemeester)
                            over zijn bevoegdheid beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel
                            4:81 van de Awb. Evenals algemeen verbindende voorschriften nopen
                            beleidsregels het bevoegd bestuursorgaan eveneens tot het volgen van een
                            vaste gedragslijn bij het toepassen van de desbetreffende bevoegdheid,
                            zij het niet onder alle omstandigheden: gelet op artikel 4:84 van de Awb
                            moet het bevoegd bestuursorgaan namelijk handelen overeenkomstig de
                            beleidsregel “tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou
                            hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in
                            verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen”. </al><al>Indien het wenselijk wordt geacht om een bevoegdheid als regel op een
                            bepaalde wijze toe te passen, maar in bijzondere gevallen anders te
                            kunnen besluiten, ligt het dus in de rede daarover geen “nadere
                            regel”maar een beleidsregel vast te stellen.</al><al></al><al><vet>AFDELING 2. SEKSINRICHTINGEN, ESCORTBEDRIJVEN, STRAATPROSTITUTIE,
                                E.D.</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 3:4 Seksinrichtingen</vet></al><al><vet></vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Zoals uiteengezet in de Algemene toelichting hoofdstuk 3 onder 2, is er
                            hier voor gekozen de exploitatie van seksinrichtingen en escortbedrijven
                            te reguleren door middel van de vergunningfiguur. Uit het eerste lid
                            vloeit een voor de hele gemeente geldende vergunningplicht voort. Het
                            wijzigen van de seksinrichting valt eveneens onder de vergunningplicht.
                            Met het wijzigen wordt bedoeld een wijziging van welke aard dan ook.
                            Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan verandering van bouwkundige
                            aard, het aantal exploitanten, de wijze van exploitatie en de naam van
                            een of meerdere exploitanten. Dit is om te voorkomen dat de vergunning
                            uit de pas loopt met de feitelijke situatie.. </al><al>Ook kan, om de exploitatie van seksinrichtingen te reguleren vanuit het
                            belang van openbare orde enz. ervoor worden gekozen het aantal
                            vergunningen dat kan worden verleend aan een maximum te binden. In
                            Almere is dit maximum in het prostitutiebeleid vastgelegd.</al><al>In een vergunningvoorschrift ten behoeve van een prostitutiebedrijf kan
                            uiteraard ook het aantal werkzame prostituees worden gemaximeerd,
                            waardoor de splitsing van ramen of werkruimten - in het verleden kwam
                            dit met name voor bij raamprostitutie - kan worden voorkomen (ARRS
                            29-08-1989; Gst. 6901, 6 en JG 90.0003 . Zie verder de toelichting bij
                            artikel 3:12, tweede lid, onder a.</al><al></al><al>In deze bepaling is ervoor gekozen om escortbedrijven aan dezelfde
                            vergunningplicht als seksinrichtingen te onderwerpen. Hierdoor wordt een
                            eenduidige systematiek gehanteerd. De vergunning zal echter veel minder
                            omvattend (kunnen) zijn, omdat de activiteiten van een escortbedrijf nu
                            eenmaal niet in een inrichting plaatsvinden. De toetsing van de
                            vergunningaanvraag zal zich derhalve veelal beperken tot de toetsing van
                            de antecedenten van de exploitant en beheerder.</al><al></al><al><cursief>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</cursief></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de
                            aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te
                            vinden alvorens tot vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9,
                            tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om desgevraagd bij
                            een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000,
                            een document te overleggen waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. Zie
                            voor overige informatie over dit onderwerp onder het kopje Vreemdelingen
                            onder de Algemene toelichting.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De ruime strekking van de in het eerste lid genoemde vergunningplicht
                            laat vanzelfsprekend onverlet, dat het bevoegd bestuursorgaan zich aan
                            de hand van een ingediende vergunningaanvraag een oordeel moet (kunnen)
                            vormen over alle rechtstreeks bij het te nemen besluit betrokken
                            belangen (artikel 3:4 van de Awb). Indiening en inontvangstneming van
                            een aanvraag staan dus nadrukkelijk in het teken van het vergaren van
                            alle kennis over relevante feiten en betrokken belangen, die nodig is om
                            tot een zorgvuldige afweging te kunnen komen.</al><al>In het tweede lid is bepaald dat in de aanvraag ten minste moet zijn
                            vermeld wat de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf is en wie
                            de exploitant en de beheerder zijn. Voor de beoordeling van de
                            vergunningaanvraag en voor de ingevolge artikel 1:4 op te leggen
                            vergunningsvoorschriften of beperkingen is de aard van de seksinrichting
                            relevant. Het is van belang te weten of het om bijvoorbeeld een
                            prostitutiebedrijf of een sekstheater gaat, of een combinatie. Door wie
                            de inrichting zal worden geëxploiteerd en beheerd is relevant, omdat
                            deze personen niet van slecht levensgedrag mogen zijn en dienen te
                            voldoen aan de eisen van zedelijk gedrag, zoals gesteld in artikel 3:5.
                            De vergunningverlening is bovendien persoonsgebonden en niet
                            overdraagbaar. Dit blijkt uit artikel 1:5. Blijkens artikel 4:5, eerste
                            lid, van de Awb kan het niet-overleggen van de in het tweede lid
                            genoemde gegevens voor het bevoegd bestuursorgaan aanleiding zijn om -
                            mits gelegenheid tot aanvulling is geboden - de aanvraag niet te
                            behandelen. Het kan van meer gegevens wenselijk zijn om ze te kunnen
                            hanteren als behandelingsvereiste als hier bedoeld; daartoe kan het
                            tweede lid worden </al><al>uitgebreid. Ook kan - door het bevoegd bestuursorgaan - een nadere regel
                            (als bedoeld in </al><al>artikel 3:3) worden vastgesteld. </al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Parenclub in woning niet toegestaan wegens strijd met bestemmingsplan.
                            LJN-nr. AE6669, JG 03.0024 ,m. nt. A.L. Esveld. Bouwvergunning mag op
                            grond van planologische uitstraling niet worden geweigerd (bestemming
                            prostitutie), de exploitatie van raambordelen is daartegen uit een </al><al>oogpunt van verkeersveiligheid niet toegestaan. LJN-nr. AK4053, JG
                            03.0195 m. </al><al>nt. A.L. Esveld. Planologische voorwaarden voor de vestiging van
                            bordelen toegestaan, ook al </al><al>zouden deze de vestiging van een prostitutiebedrijf op een bepaalde
                            plaats feitelijk onmogelijk maken. LJN-nr. AN9215, JG 04.0077 m. nt.
                            A.L. Esveld</al><al></al><al><vet>Artikel 3:5 Eisen exploitant en leidinggevende</vet></al><al></al><al>De opheffing van het algemeen bordeelverbod is onder meer gericht op het
                            “decriminaliseren” van de niet langer strafbare vormen van (exploitatie
                            van) prostitutie. Daarom is het, ook volgens de wetgever, van belang dat
                            bij de besluitvorming over een aanvraag om vergunning voor het
                            exploiteren van een seksinrichting rekening gehouden kan worden met de
                            antecedenten van de daarbij betrokken personen: de exploitant en de
                            beheerder(s). Aan het orgaan dat bevoegd is (meestal de burgemeester)
                            vergunningen als bedoeld in dit hoofdstuk af te geven, kunnen gegevens
                            uit de justitiële documentatieregisters worden verstrekt over personen
                            die als exploitant of leidinggevende zijn vermeld in een aanvraag .
                            (artikel 13 van het Besluit justitiële gegevens). In artikel 3:5. wordt
                            zo veel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en worden nagenoeg
                            dezelfde eisen gesteld als in artikel 4 het Besluit eisen zedelijk
                            gedrag Drank- en Horecawet. Dit heeft als voordeel dat voor
                            seksinrichtingen waarvoor tevens een vergunning krachtens de Drank- en
                            Horecawet is vereist een antecedentenonderzoek kan worden verricht.
                            Belangrijker nog dan dit procedurele argument is het feit dat
                            inhoudelijk min of meer dezelfde belangen wegen bij de
                            antecedentenbeoordeling. In aanvulling op het Besluit eisen zedelijk
                            gedrag Drank- en Horeca zijn in deze bepaling zedendelicten en
                            mishandeling uit het Wetboek van Strafrecht en overtredingen van de
                            Vreemdelingenwet en de Wav opgenomen. De toevoeging van bepalingen over
                            misdrijven tegen de zeden en mishandeling dienen ter bescherming van de
                            prostituees. De relevantie van de </al><al>opname van de Vreemdelingenwet en de Wav is gelegen in de bestrijding
                            van de mensenhandel.</al><al>Net als in de Drank- en Horecawet kan de aanduiding “in enig opzicht
                            slecht levensgedrag” in het eerste lid onder b. méér omvatten dan wat
                            gesteld is in de navolgende leden. Anders gezegd: lid 2 tot en met 5
                            geven aan wanneer in elk geval sprake is van “in enig opzicht slecht
                            levensgedrag”. Dat het niet als een limitatieve opsomming dient te
                            worden opgevat blijkt uit het gebruik van het woord “naast” aan het
                            begin van het tweede lid. Bij de beoordeling van deze
                            zedelijkheidseisen, de verkregen gegevens uit de justitiële documentatie
                            en de toetsing ervan aan het besluit, kan worden aangesloten bij de
                            daarover reeds bestaande jurisprudentie.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>“In enig opzicht van slecht levensgedrag” ex artikel 3:5, eerste lid,
                            onder b omvat meer dan de “onherroepelijke veroordeling” ex tweede lid,
                            onder b van de model-APV. LJN-nr. AO6071 JG 04.0076 m.nt. A.L. Esveld.
                            De algemene norm, neergelegd in artikel 3:5, eerste lid, aanhef en onder
                            b, van de APV, dat de exploitant en de beheerder niet in enig opzicht
                            van slecht levensgedrag zijn, houdt als zodanig geen beperking in van de
                            vrijheid van arbeidskeuze als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de
                            Grondwet, aangezien niet gebleken is dat de beperking verder strekt dan
                            noodzakelijk kan worden geacht voor het met de norm beoogde doel, te
                            weten een maatschappelijk verantwoorde beroepsuitoefening. Wel dient er
                            bij de uitleg van de bepaling van de APV van uit te worden gegaan dat
                            geen sprake is van slecht levensgedrag indien het tegenwerpen van de
                            bepaling in het concrete geval leidt tot een onevenredig zware beperking
                            van de vrijheid van arbeidskeuze. ABRS 28-02-2007 (Uden), 200603367/1,
                            LJN-nr. AZ9519.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:6 Sluitingstijden</vet></al><al></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De in het eerste lid opgenomen sluitingsbepaling is gegrond op artikel
                            149 van de Gemeentewet. De raad kan verplichte sluitingstijden voor
                            openbare (waaronder seks)inrichtingen vaststellen ter bescherming van de
                            openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de
                            bescherming van het milieu. Deze bevoegdheid houdt evenzeer in dat een
                            afwijkende sluitingsplicht kan worden vastgesteld voor de zondag.
                            Sommigen concluderen uit artikel 7 van de Zondagswet dat de gemeenteraad
                            niet bevoegd is een speciaal voor de zondag geldende </al><al>sluitingsregeling vast te stellen. Volgens HR 22-07-1960, AB 1961, p.
                            15, belet dit artikel de raad echter niet om voor de zondag een
                            afwijkende regeling te treffen voor het sluitingsuur van openbare
                            inrichtingen als deze, mits de grond voor de afwijking van de voor de
                            andere dagen geldende regeling niet is gelegen in het bijzondere
                            karakter van de zondag. Volgens de Hoge Raad beoogt de Zondagswet naar
                            haar strekking niet de gemeentelijke wetgever te beperken in </al><al>zijn bevoegdheid om ter afwering van verstoring van de openbare orde
                            voorzieningen te treffen.</al><al>De in het eerste lid opgenomen sluitingsbepaling maakt onderscheid
                            tussen werkdagen en het weekeinde. Uiteraard kan worden gekozen voor een
                            ander (of geen) onderscheid, zoals ook - door aanpassing van het eerste
                            lid, of in de vorm van een nadere regel als bedoeld in artikel 3:3 -
                            voor verschillende typen seksinrichtingen een verschillend
                            sluitingstijdenregime kan worden vastgesteld. De hier opgenomen
                            sluitingsurenregeling (want van toepassing op het begrip </al><al>“seksinrichting”) heeft geen betrekking op sekswinkels. Zoals vermeld in
                            de toelichting bij artikel 3:1, onder e, is op sekswinkels het regime
                            van de Winkeltijdenwet van toepassing.</al><al></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in
                            artikel 1:4 voor een of meer afzonderlijke seksinrichtingen andere
                            sluitingstijden vaststellen. Volgens het tweede lid kan daartoe een
                            voorschrift worden verbonden aan de vergunning die aan de exploitant van
                            de betrokken inrichting(en) zal worden verleend. Zo’
                            vergunningvoorschrift is er een als bedoeld in artikel 1.4 en moet
                            mitsdien strekken ter bescherming van het belang of de belangen in </al><al>verband waarmee de vergunning vereist is. ver de uitoefening van deze
                            bevoegdheid kan het bevoegd bestuursorgaan desgewenst beleidsregels
                            vaststellen als bedoeld in artikel 4:81, eerste lid, van de Awb. Daarin
                            kan bijvoorbeeld worden vastgelegd dat, bij het beantwoorden van de
                            vraag of voor een afzonderlijke inrichting bij vergunningvoorschrift
                            afwijkende sluitingstijden zullen worden vastgesteld, per categorie
                            seksinrichting als regel een bepaald beleid wordt gehanteerd. Van het
                            voor die categorie geldende beleid kan het bevoegd bestuursorgaan in een
                            concreet geval (gemotiveerd) afwijken, indien het dat noodzakelijk acht
                            in het belang van </al><al>bijvoorbeeld de openbare orde, de woon- en leefomgeving en
                            dergelijke.</al><al></al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Anders dan de sluitingsbepalingen van het eerste en tweede lid, richt
                            het derde lid zich tot de bezoeker van een seksinrichting. Indien een
                            bezoeker met toestemming van de exploitant of beheerder in de inrichting
                            aanwezig is gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn, handelt
                            hij in strijd met het derde lid. Indien een bezoeker echter zonder
                            toestemming van de exploitant of de leidinggevende aanwezig is en zich
                            niet op diens eerste vordering verwijdert, handelt hij in strijd met
                            artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk).
                            Laatstgenoemde bepaling staat aan het opnemen van het derde lid niet in
                            de weg: artikel 138 ziet toe op de bescherming van de aan de eigendom
                            verbonden rechten; het derde lid van artikel 3:6 strekt tot handhaving
                            van een publiekrechtelijke regeling.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Blijkens Vz.AGRS 24-01-1985, WO RvS 1985, G9, kan aan de
                            Hinderwetvergunning een sluitingsuur worden verbonden ter voorkoming van
                            hinder voor de omgeving, bijvoorbeeld door komende en gaande bezoekers.
                            Hierop is nader ingegaan in AGRS 0802-1991, ABkort 1991, 281, waarin is
                            vermeld dat bij verlening van een hinderwetvergunning aan een inrichting
                            waarbij van de bezoekers hinder te duchten is, een voorschrift
                            betreffende het sluitingsuur ter voorkoming of beperking van die
                            (geluid)hinder niet kan worden gemist, en dat een </al><al>hinderwetvergunning waarin zo’n voorschrift ontbreekt zich niet
                            verdraagt met </al><al>artikel 17 van de Hinderwet. Blijkens de Kroonjurisprudentie mag daarbij
                            slechts rekening worden gehouden met “normale” hinder in de nabije
                            omgeving van de inrichting. Alleen die overlast is volgens de Kroon te
                            beschouwen als hinder in de zin van de Hinderwet (thans: de Wet
                            milieubeheer), een van de belangen die deze wet beoogt te beschermen.
                            Excessieve hinder door gedrag van bezoekers en overlast die zich
                            afspeelt een of meer straten van de inrichting vandaan, vallen volgens
                            de Kroon niet onder de wetsterm “hinder”. Aan een gemeentelijke
                            verordening die een algemene sluitingsuurregeling bevat ter voorkoming
                            of beperking van excessieve en verder verwijderde overlast, ligt dan een
                            ander motief ten grondslag dan aan de Wet milieubeheer. Dit gaat op voor
                            artikel 3.2.3 (oud), dat niet is toegespitst op de specifieke situatie
                            in en rond seksinrichtingen, maar dat zich richt op de nadelige invloed
                            van de aanwezigheid van zulke inrichtingen als zodanig op de openbare
                            orde en de woon- en leefomgeving ter plaatse (daartoe ARRS 31-12-1986,
                            AB 1987, 326).</al><al></al><al><vet>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                sluiting</vet></al><al></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Ten opzichte van artikel 3:6 (bij of krachtens welke bepaling kan worden
                            voorgeschreven wat voor seksinrichtingen het “reguliere”
                            sluitingstijdenregime is) biedt artikel 3:7 de mogelijkheid om daarvan
                            al dan niet tijdelijk af te wijken. Volgens het eerste lid kan die
                            afwijking inhouden dat:</al><lijst><li nr="1."><al>voor (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk andere
                                    sluitingstijden worden vastgesteld dan de bij of krachtens
                                    artikel 3:6 gestelde;</al></li><li nr="2."><al>van (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk de -
                                    algehele of gedeeltelijke - sluiting wordt bevolen. </al></li></lijst><al></al><al>De sluitingsbevoegdheid is in de praktijk meermalen toegepast in
                            gevallen waarin openbare inrichtingen het decor vormden voor allerlei
                            vormen van criminaliteit.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>De burgemeester ontleent reeds een sluitingsbevoegdheid aan artikel 174
                            van de Gemeentewet. De noot bij ARRS 15-06-1984, AB 1985, 96, maakt
                            duidelijk, waarom het gewenst kan zijn toch een sluitingsbepaling in de
                            APV op te nemen: De beschikking laat voorts zien dat de rechtstreeks uit
                            artikel 221 gemeentewet (oud) voortvloeiende taak tot daadwerkelijke
                            handhaving van de openbare orde de actuele situatie tot onderwerp heeft
                            en dat hier alleen het nemen van concrete </al><al>maatregelen op korte tijd aan de orde is. </al><al>In een sluitingsbevel rechtstreeks gebaseerd op artikel 174 van de
                            Gemeentewet dient altijd de termijn van de sluiting te zijn opgenomen.
                            Blijkens Vz.ARRS 26-08-1992, AB 1993, 104; JG 93.0116 , en ABRS
                            05071996, JG 96.0266, voldoet een sluitingsbevel zonder tijdsbepaling
                            niet aan de aard en het doel van artikel 221 gemeentewet (oud). Indien
                            gesloten wordt op basis van dit artikel in de APV kan de sluiting niet
                            alleen van langere duur zijn dan wanneer gesloten wordt op basis van
                            artikel 174 Gemeentewet, maar lijkt in analogie met uitspraken ten
                            aanzien van de sluiting van coffeeshops - onder omstandigheden - ook
                            sluiting voor onbepaalde tijd mogelijk. Daarvan kan met name sprake zijn
                            als de vestiging van de seksinrichting zonder meer in strijd is - en zal
                            zijn - met het lokaal beleid. Zie ter vergelijk: Vz.ABRS 05-09-1997;
                            Gst. 7069, 4, waarin een coffeeshop voor onbepaalde tijd wordt gesloten
                            wegens strijdigheid met het geldende nulbeleid. Een sluiting voor
                            onbepaalde tijd staat de opheffing ervan op een later tijdstip niet in
                            de weg. Advies van bureau Bibob is oorzaak sluiting bordeel. LJN-nr:
                            AT2983, JG 05.0061 m. nt. A.L. Esveld.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                leidinggevende</vet></al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Om effectiever te kunnen op treden tegen schijnbeheer, is in het eerste
                            lid niet slechts een gebod (een verplichting tot aanwezigheid), maar een
                            verbod opgenomen. De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is van
                            belang in verband met het door hem uit te oefenen toezicht, zoals
                            verwoord in het tweede lid.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Dit artikel schept voor de exploitant(en) en de leidinggevende een
                            algemene verplichting tot het uitoefenen van toezicht ter handhaving van
                            de orde in de inrichting. Daarbij zullen zij zich in ieder geval, maar
                            niet uitsluitend, moeten richten op het voorkomen en tegengaan van
                            onvrijwillige prostitutie, prostitutie door minderjarigen of illegalen,
                            drugs- of wapenhandel, heling, </al><al>geweldsdelicten en dergelijke. In de jurisprudentie is al eerder
                            uitgemaakt dat de exploitant - uiteraard binnen redelijke grenzen -
                            verantwoordelijk is voor de gang van zaken in de inrichting. Dat wordt
                            door deze toezichtverplichting, die ook geldt voor de leidinggevende,
                            nog eens onderstreept. </al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Bepaalde strafbare feiten in de inrichting vormen een (ernstige)
                            verstoring van de openbare orde. Als niet de overtreding van dit
                            artikel, maar de ordeverstoring de grondslag vormt om bijvoorbeeld tot
                            sluiting over te gaan, speelt de persoonlijke verwijtbaarheid van de
                            exploitant in de beoordeling van de vraag of zich een situatie voordoet
                            die tot sluiting noopt, in het geheel geen rol. Ook de omstandigheid dat
                            de exploitant is vrijgesproken door de strafrechter doet dan niet ter
                            zake (ABRS 30-07-1996, AB 1996, 471). </al><al>Aan de vergunning was het volgende voorschrift verbonden: 1. de
                            vergunninghouder is verplicht dagelijks een nauwkeurige registratie bij
                            te houden van de naam, leeftijd, nationaliteit, adres en woonplaats van
                            de bij hem/haar werkzame prostituees; 2. deze registratie dient in de
                            seksinrichting aanwezig te zijn; 3. dienaangaande moeten kopieën van
                            paspoorten of andere wettige identiteitspapieren bij deze administratie
                            bewaard worden; 4. de registratie moet zeven jaar bewaard worden. De
                            Afdeling constateert dat hoofdstuk 3 van de </al><al>APV “Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.” moet worden
                            aangemerkt als een verordening als bedoeld in artikel 151a, eerste lid,
                            van de Gemeentewet. Het voorschrift mist niet iedere wettelijke
                            grondslag. In rechte moet van de geldigheid van dat voorschrift worden
                            uitgegaan. De burgemeester is bevoegd tot handhaving. ABRS 24-1-2007
                            (Eindhoven), 200603030, LJN-nr. AZ6851</al><al></al><al><vet>Artikel 3:9 Straatprostitutie</vet></al><al></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Volgens het eerste lid is straatprostitutie verboden. In het belang van
                            de openbare orde moet voorkomen worden dat op de openbare weg getippeld
                            wordt.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al>Het tweede lid geeft - ter handhaving van het verbod daarop -
                            politieambtenaren de bevoegdheid een bevel tot onmiddellijke
                            verwijdering te geven. De plicht om aan zo’n bevel onmiddellijk gevolg
                            te geven vloeit voort uit artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht,
                            evenals de sanctie op niet-naleving.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Uit HR 09-01-1973, NJ 1973, 134, alsmede uit de conclusie van
                            advocaat-generaal Remmelink voor HR 08-05-1979, NJ 1979, 554, kan worden
                            opgemaakt dat artikel 3.2.6 (oud) niet in strijd komt met artikel 239
                            van het Wetboek van Strafrecht (dat toeziet op de schennis van de
                            eerbaarheid). Voor wat betreft de bevoegdheid om in de APV
                            tippelverboden op te nemen en </al><al>tippelzones aan te wijzen (en in te richten), kan worden gewezen op HR
                            23-10-1990, NJ 1991, 542, Gst. 6926, 4: de APV-bepaling van de gemeente
                            Groningen waarin het personen van wie redelijkerwijs kan worden
                            aangenomen dat die zich aan prostitutie overgeven wordt verboden om post
                            te vatten of zich heen en weer te bewegen op door het college aangewezen
                            wegen of openbare plaatsen, werd door de HR niet in strijd geacht met
                            artikel 12 IVBPR (vrijheid van </al><al>beweging). Over een vergelijkbare APV-bepaling in Heerlen, waar
                            burgemeester en wethouder de gehele gemeente hadden aangewezen voor de
                            gelding van dit verbod, werd door de HR 06-11-1990, NJ 1991, 218, Gst.
                            6918, 8, geoordeeld dat van strijdigheid met artikel 1 van de Grondwet
                            evenmin sprake was. Het verbod treft weliswaar uitsluitend prostituees;
                            dit gebeurt echter niet in verband met persoonskenmerken, maar vanwege
                            hun activiteiten. </al><al></al><al><vet>Artikel 3:10 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                erotisch-pornografische </vet></al><al><vet>goederen, afbeeldingen en dergelijke</vet></al><al></al><al>Dit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer
                            een verbod, maar slechts voorzover het bevoegd bestuursorgaan
                            daaromtrent nader heeft besloten. Hoewel denkbaar is dat deze bepaling
                            in de praktijk vooral zal worden toegepast ten aanzien van sekswinkels,
                            richt zij zich op het tentoonstellen en dergelijke als zodanig; zij kan
                            dus bijvoorbeeld ook betrekking hebben op erotisch-pornografische foto’s
                            of afbeeldingen aangebracht aan sekstheaters, bedoeld om de aandacht van
                            het publiek te vestigen op de daarin plaatsvindende voorstellingen. </al><al></al><al><vet>AFDELING 3. BESLISSINGSTERMIJN; WEIGERINGSGRONDEN, ETC.</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 3:11 Beslissingstermijn</vet></al><al><vet></vet></al><al>Volgens artikel 4:13, eerste lid, van de Awb moet een beschikking worden
                            gegeven binnen de termijn die daarvoor bij wettelijk voorschrift is
                            bepaald (of, bij gebreke daarvan, binnen een redelijke termijn). Dat
                            wettelijk voorschrift is in casu artikel 1:2, eerste lid, waarin is
                            bepaald dat het bevoegd bestuursorgaan op een aanvraag om vergunning of
                            ontheffing moet beslissen binnen acht weken na de datum van ontvangst,
                            welke beslissing voor ten hoogste acht weken kan worden verdaagd (tweede
                            lid). De voorbereiding van een besluit op een vergunning van een
                            seksinrichting vergt meer tijd. Daarom is ervoor gekozen om een
                            behandeltermijn van 12 weken op te nemen.</al><al></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 3:12 Weigeringsgronden</vet></al><al></al><al><cursief>Eerste lid, onder b: bestemmingsplan</cursief></al><al>Net zoals in de praktijk van de vergunningverlening op basis van
                            afdeling 2.3, zal ook hier regelmatig voor kunnen komen dat er geen
                            sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in het tweede lid, maar
                            dat het geldende bestemmingsplan vestiging van een seksinrichting,
                            escortbedrijf of sekswinkel ter plaatse niet toelaat. Het is in dat
                            geval lastig en onduidelijk als er vergunning wordt verleend, maar
                            tegelijkertijd moet worden uitgelegd dat daar geen gebruik van </al><al>kan worden gemaakt. </al><al></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al><cursief>Europese Dienstenrichtlijn</cursief></al><al>De Europese Dienstenrichtlijn is van toepassing op seksinrichtingen. Het
                            drijven van een dergelijke onderneming is immers het verrichten van een
                            dienst aan de klant. De Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel
                            a. niet discriminatoir, b. noodzakelijk en c. proportioneel is. In bijna
                            alle gevallen gaat het om vestiging van een seksinrichting waarvoor
                            artikel 9 van de richtlijn de bovengenoemde criteria geeft. Onder
                            noodzakelijkheid wordt in artikel 9 verstaan een dwingende reden van
                            algemeen belang. Dit begrip omvat onder andere de volgende gronden:
                            openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, als bedoeld in de
                            artikelen 46 en 55 van het Verdrag; handhaving van de maatschappelijke
                            orde; doelstellingen van het sociaal beleid; bescherming van afnemers
                            van diensten; bescherming van werknemers; voorkoming van fraude; </al><al>bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, verkeersveiligheid.
                            Zie verder overweging 40 van de richtlijn. Het gaat hier om de
                            zogenaamde “rule of reason” . Mocht het in een enkel geval niet gaan om
                            een vestiging, maar om een ondernemer die de grens overschrijdt om zijn
                            diensten te verrichten, dan is niet artikel 9, maar artikel 16 van
                            toepassing dat uitsluitend de criteria openbare orde, openbare
                            veiligheid, volksgezondheid en milieu als grondslag voor een </al><al>vergunningstelsel kent. Zie verder het commentaar bij artikel 1:8. </al><al>Proportionaliteit: voor de beantwoording van de vraag of een algemene
                            regel niet volstaat voor de regeling van de horeca zijn wij van mening
                            dat een algemene regel hier niet aan de orde is vanwege het
                            persoonsgebonden aspect van de vergunning. Alleen door middel van
                            vergunningvoorwaarden te stellen aan de ondernemer kan men “het maatpak”
                            leveren. Dit geldt ook voor de Bibob-toets. Het confectiepak voldoet
                            hier niet. </al><al>Vestiging: Op grond van overweging 37 van de richtlijn is er
                            overeenkomstig de rechtspraak van het HvJ sprake van vestiging, als er
                            een daadwerkelijke uitoefening van een economische activiteit voor
                            onbepaalde tijd vanuit een duurzame vestiging wordt verricht. Aan die
                            eis kan ook zijn voldaan als een onderneming voor een bepaalde tijd
                            wordt opgericht of als er een gebouw wordt gehuurd van waaruit de
                            ondernemer zijn activiteiten onderneemt. </al><al>Wij hebben gemeend dat de weigeringsgronden onder de rule of reason
                            vallen. Wel moeten de begrippen worden geïnterpreteerd binnen de
                            bandbreedte van de rule of reason. Andere weigeringsgronden zijn niet
                            geoorloofd. Uiteraard dient gemotiveerd te worden van welke
                            weigeringsgrond sprake is en waarom.</al><al></al><al><cursief>Tweede lid: openbare orde als weigeringsgrond (artikel
                                1:8)</cursief></al><al>De weigeringsgrond “openbare orde” is hier niet apart genoemd, omdat
                            deze al is vermeld bij de algemene weigeringsgronden van artikel 1:8 van
                            deze APV.</al><al>De bescherming van de openbare orde en de woon- en leefomgeving kan
                            onder meer aanleiding zijn om het aantal seksinrichtingen waarvoor
                            vergunning kan worden verleend aan een maximum te binden. Indien het
                            maximumaantal vergunningen is verleend, kan vergunning voor een nieuwe
                            seksinrichting worden geweigerd om te voorkomen dat de openbare orde ter
                            plaatse door de vestiging van een nieuw bedrijf verder wordt verstoord.
                            Onder meer ARRS 18-02-1999, JG 99.0168 m.nt. W.A.G. Hillenaar,
                            22-05-1987, AB 1988, 240, en 08-01-1988, AB1988, 417 maken duidelijk dat
                            de rechter op zichzelf aannemelijk acht dat aantasting van de woon- en
                            leefomgeving wordt veroorzaakt door de cumulatieve effecten van een
                            aantal inrichtingen (in casu bordelen) in de gemeente en dat dit aantal
                            kan worden gemaximeerd. Wel moet bij een </al><al>“boventallig” vergunningaanvraag worden aangetoond of aannemelijk
                            gemaakt dat de aanwezigheid of de wijze van exploitatie van de betrokken
                            inrichting de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloedt.
                            Om in dat geval voldoende gemotiveerd vergunning te weigeren kan dus
                            niet worden volstaan met het gegeven dat het maximumaantal te verlenen
                            vergunningen is bereikt maar moet ook worden aangegeven dat er in casu
                            niets is gebleken van bijzondere omstandigheden die ertoe zouden nopen
                            om - in afwijking van dat beleid - toch </al><al>vergunning te verlenen. </al><al></al><al><cursief>Tweede lid, onder b: woon- en leefomgeving</cursief></al><al>Het belang van de openbare orde en dat van de woon- en leefomgeving zijn
                            nauw met elkaar verweven. Waar een maximumbeleid kan worden geacht te
                            zijn ontleend aan het belang van de openbare orde, kan een
                            concentratiebeleid worden beschouwd als met name gericht op de
                            bescherming van de woon- en leefomgeving in bepaalde delen van de
                            gemeente. Gelet op eerdergenoemde verwevenheid, wordt een maximumbeleid
                            en een concentratiebeleid veelal ter onderlinge versterking in
                            combinatie toegepast. </al><al></al><al><cursief>Tweede lid, onder c: Veiligheid personen of
                            goederen</cursief></al><al>Bij de exploitatie van openbare (en daarmee seks)inrichtingen, is het
                            van groot belang de brandveiligheid te kunnen waarborgen. Voor wat
                            betreft de inrichtingen die zijn aan te merken als bouwwerk in de zin
                            van de Woningwet: </al><lijst><li nr="1."><al>is het Bouwbesluit daarop van toepassing met het oog op de
                                    brandveiligheid van de inrichting zelf; en;</al></li><li nr="2."><al>biedt de gemeentelijke bouwverordening daarvoor de grondslag
                                    voorzover het gaat om het gebruik van de inrichting. </al></li></lijst><al>Gaat het om inrichtingen die niet zijn aan te merken als bouwwerk in de
                            zin van de Woningwet (bijvoorbeeld vaartuigen), dan wordt het gebruik
                            van de inrichting bestreken door de brandbeveiligingsverordening.</al><al></al><al><cursief>Tweede lid, onder d: verkeersvrijheid of
                            -veiligheid</cursief></al><al>Het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid valt onder de noemer
                            openbare veiligheid en zal doorgaans vooral aan de orde zijn bij straat-
                            en raamprostitutie. Daarbij vindt de werving van klanten immers plaats
                            op of aan de openbare weg, alwaar sprake is van soms aanzienlijke
                            aantallen voetgangers en motorvoertuigen. </al><al></al><al><cursief>Tweede lid onder e: gezondheid of zedelijkheid</cursief></al><al>Tot de belangen die deel uitmaken van de gemeentelijke huishouding,
                            behoort ook dat van de (volks)gezondheid. Daarnaast hebben de gemeenten,
                            met als uitvoerende instantie de GGD, ook een aantal wettelijke taken
                            met betrekking tot de ontwikkeling en uitvoering van
                            volksgezondheidbeleid. </al><al><cursief></cursief></al><al>Voor wat betreft de bescherming van de zedelijkheid wordt wel eens
                            gesteld dat gemeenten hierbij geen verordenende bevoegdheid zou toekomen
                            nu daarover door de formele wetgever strafbepalingen zijn vastgesteld,
                            te weten de artikelen 239, 240, 240a en 240b van het Wetboek van
                            Strafrecht. De (aanvullende) regelgevende bevoegdheid die gemeenten op
                            dit punt reeds toekwam wordt door deze bepalingen echter ongemoeid
                            gelaten. De daarover bestaande jurisprudentie blijft derhalve actueel.
                            Zo werd de vraag of een APV-bepaling die de exploitatie van een
                            sekswinkel aan een vergunning onderwierp in strijd was met de artikelen
                            240 en 451bis van het Wetboek van Strafrecht, in HR 05-06-1979, NJ
                            1979,553, ontkennend beantwoord. Ook al kunnen ter bescherming van de
                            zedelijkheid dus ook bij gemeentelijke verordening
                            vergunningsvoorschriften worden vastgesteld, het zedelijkheidsmotief zal
                            bij de regulering van de commerciële exploitatie van prostitutie
                            doorgaans niet vooropstaan. Denkbaar is bijvoorbeeld dat op basis van
                            het zedelijkheidsmotief in de vergunningvoorschriften een
                            minimumleeftijdsgrens voor bezoekers wordt gesteld van bijvoorbeeld 16
                            of 18 jaar</al><al></al><al><cursief>Tweede lid, onder g: arbeidsomstandigheden</cursief></al><al>Volgens de MvT betreft de bescherming en verbetering van de positie van
                            de prostituee, die als gezegd één van de hoofddoelstellingen van de
                            wetswijziging is, onder meer de arbeidsomstandigheden in
                            prostitutiebedrijven. Door opheffing van het algemeen bordeelverbod is
                            de Arbeidsomstandighedenwet (Stb. 1990, 94) van toepassing op delen van
                            de prostitutiebranche, te weten waar sprake is van een arbeidsverhouding
                            als bedoeld in de wet.</al><al>Tot slot nog een enkele opmerking over de arbeidsovereenkomst en de
                            arbeidsvoorwaarden. Al onder artikel 250bis van het Wetboek van
                            Strafrecht kwam het voor dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst
                            tussen prostituee en exploitant. In de literatuur werd betwijfeld of een
                            dergelijke overeenkomst in strijd met de openbare orde of de goede zeden
                            kwam of, nu artikel 250bis zich richtte tot de exploitant, in strijd met
                            de wet kon worden geacht. Met de </al><al>opheffing van het algemeen bordeelverbod heeft deze discussie aan belang </al><al>verloren. Van verordeningsbepalingen over arbeidsvoorwaarden van
                            prostituees moet worden </al><al>aangenomen dat die te zeer treden in het particuliere belang van de
                            prostituee en de exploitant, en de grenzen van de huishouding (de
                            regelgevende bevoegdheid) van de gemeente te buiten gaan. Blijkens de
                            MvT stelt ook de wetgever zich op het standpunt dat “de centrale noch de
                            lokale overheid het tot haar taak dient te rekenen om binnen de grenzen
                            van vrijheid en zelfbepaling nadere regels te stellen over de
                            rechtsverhouding tussen exploitant en prostituee”.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Een brief aan alle exploitanten van seksinrichtingen inzake
                            handhavingsbeleid is geen schriftelijke waarschuwing die normaliter
                            overeenkomstig het handhavingsbeleid wordt verstuurd. Er is sprake van
                            een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht als prostituees loon
                            krijgen uitbetaald volgens een door de bordeelhouder vastgesteld tarief.
                            LJN-nr. AF5723, JG 03.0127, m.nt. A.L. Esveld. Prostitutiebedrijf is een
                            voor publiek openstaand gebouw. Strijd met het </al><al>bestemmingsplan als weigeringgrond aanvaard. Exploitatie van het
                            prostitutiebedrijf past niet in het bestaand woonklimaat. LJN-nr.
                            AH9858, JG 03.0194, m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Parenclub in woning niet toegestaan wegens strijd met bestemmingsplan.
                            LJN-nr. </al><al>AE6669, JG 03.0024 m.nt. A.L. Esveld. In een nota opgenomen ruimtelijke
                            relevante criteria zijn voldoende voor de onderbouwing van
                            gebruiksbepalingen behorend bij een bestemmingsplan die het gebruik als
                            bordeel beperken. Een erotische massagesalon is een seksinrichting en
                            kan worden aangemerkt als een prostitutiebedrijf. LJN-nr. AQ8750, JG
                            04.0150, m.nt. A.L. Esveld.Een bordeel is een voor publiek openstaand
                            gebouw als bedoeld in artikel 174 lid </al><al>1, van de Gemeentewet. Een bordeel past niet in de functie
                            woonbebouwing. LJN-nr. AE5853, JG. 03.0062, m. nt. A.L. Esveld.
                            Planologische voorwaarden voor de vestiging van bordelen toegestaan, ook
                            al zouden deze de vestiging van een prostitutiebedrijf op een bepaalde
                            plaats </al><al>feitelijk onmogelijk maken. LJN-nr. AN9215, JG 04.0077 m.nt. A.L.
                            Esveld. Bouwvergunning mag op grond van planologische uitstraling niet
                            worden geweigerd (bestemming prostitutie), de exploitatie van
                            raambordelen is daartegen uit een oogpunt van verkeersveiligheid niet
                            toegestaan. LJN-nr. AK4053, JG 03.0195 m.nt. A.L. Esveld. Weigering van
                            een vergunning voor een horeca-inrichting op grond van het feit dat het
                            bestemmingsplan een seksinrichting niet toestaat? ABRS 03-11-2004,
                            LJN-nr. AR5047, JG 05.0006 m.nt. A.L. Esveld.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:13 Intrekkingsgronden</vet></al><al><vet></vet></al><al>Naast de algemene intrekkingsgronden van artikel 1:6 is, in het belang
                            van de openbare orde, ook een aantal specifieke intrekkingsgronden
                            opgenomen.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie</vet></al><al><vet></vet></al><al><cursief>Eerste en tweede lid</cursief></al><al>Dit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf
                            heeft beëindigd of heeft overgedaan aan een rechtsopvolger. Onder
                            beëindiging wordt tevens verstaan wijziging van de naam van de
                            exploitant of van een of meerdere namen van de exploitanten. Een nieuwe
                            vergunning moet dan worden aangevraagd. In het eerste lid is bepaald dat
                            de vergunning bij feitelijke beëindiging van de exploitatie van
                            rechtswege komt te vervallen. Het bevoegd bestuursorgaan heeft er belang
                            bij een actueel overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente actieve
                            exploitanten; in verband daarmee is in het tweede lid bepaald, dat </al><al>binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie daarvan
                            moet </al><al>worden kennisgegeven.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:15 Wijziging beheer</vet></al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het bevoegd bestuursorgaan heeft er belang bij eveneens een actueel
                            overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente actieve leidinggevende;
                            in verband daarmee is in het eerste lid bepaald dat, indien een of meer
                            leidinggevenden van een inrichting hun werkzaamheden feitelijk hebben
                            beëindigd, de exploitant daarvan binnen een week na die feitelijke
                            beëindiging moet kennisgeven. Anders dan bij beëindiging van de
                            exploitatie, leidt het vertrek van een leidinggevende niet tot het van
                            rechtswege vervallen van de vergunning: denkbaar is immers dat het
                            beheer in de inrichting in handen is van meer personen of dat het beheer
                            in handen komt van de exploitant zelf.</al><al></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Denkbaar is ook dat de exploitant de plaats van de vertrokken
                            leidinggevende wenst te laten innemen door een of meer andere personen.
                            Het tweede lid verlangt in dat geval dat de exploitant het bevoegd
                            bestuursorgaan verzoekt om, zoals is voorgeschreven in artikel 3:4,
                            tweede lid, onder b, de nieuwe leidinggevende te vermelden in de aan hem
                            verleende vergunning. Daarbij dient ten aanzien van de nieuwe
                            leidinggevende een antecedentenonderzoek plaats te vinden. Eventueel
                            bestaat ook nog de mogelijkheid om een BIBOB toets uit te voeren. In de
                            beleidslijn van Almere staat aangegeven dat deze mogelijkheid bestaat
                            indien uit informatie van derden blijkt dat er feiten of omstandigheden
                            zijn die dit rechtvaardigen. </al><al></al><al><vet>Artikel 3:16 Zoeken van contact, verrichten van handelingen van
                                seksuele aard. </vet></al><al><vet></vet></al><al>Deze bepaling is opgenomen teneinde hinderlijke en aanstootgevende
                            gedrag tegen te gaan. Zowel in een voorstadium als in een heterdaad
                            situatie kan worden opgetreden tegen het gericht zoeken naar bedoelde
                            contacten of het verrichten van seksuele handelingen in het openbaar. </al><al>Het artikel maakt het voor de politie mogelijk op een eenvoudige wijze
                            over te gaan tot het opmaken van proces-verbaal. Justitie kan makkelijk
                            een boete opleggen. De verdachte(n) blijven de mogelijkheid houden om
                            hun zaak voor te leggen ter toetsing aan een rechter. Hoewel de
                            overlastproblematiek zich vooral voordoet in het gebied op of rond het
                            Zilverstrand, het Almeerderstrand en de IJmeerdijk is het bepaalde in
                            artikel 3:16 van toepassing op het gehele grondgebied van Almere. Het
                            wordt niet uitgesloten geacht dat als de politie extra aandacht gaat
                            besteden aan deze overlastproblematiek er een zekere verspreiding gaat
                            ontstaan. Door het artikel voor het gehele gemeente van kracht te laten
                            zijn, kan er bij verspreiding naar andere gebieden ook direct opgetreden
                            worden.</al><al></al><al><vet>HOOFDSTUK 4. BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN
                                ZORG</vet><vet>VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>AFDELING 1. GELUIDHINDER EN VERLICHTING</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 4:1 Begripsbepalingen</vet></al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Besluit</cursief></al><al>Het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, hierna
                            aangeduid als Besluit, biedt de mogelijkheid om in de gemeentelijke
                            verordening voorwaarden te stellen aan festiviteiten ter voorkoming of
                            beperking van geluidhinder. Het Besluit wordt vaak aangeduid als
                            Activiteitenbesluit.<cursief></cursief></al><al></al><al><cursief>Inrichting</cursief></al><al>Op grond van de Wet milieubeheer moeten inrichtingen die nadelige
                            gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken ofwel over een
                            milieuvergunning beschikken, of voldoen aan een algemene maatregel van
                            bestuur (AMvB), welke artikelen met betrekking tot de bescherming van
                            het milieu bevat. </al><al></al><al></al><al><vet>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</vet></al><al><vet></vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid genoemde geluidsnormen
                            niet gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21,
                            eerste lid, onder a, van het Besluit. Evenals in het oude besluit
                            voorziet dit artikel van het Besluit erin dat op deze dagen overmatige
                            geluidhinder zo veel mogelijk moet worden voorkomen: De voorschriften
                            gelden niet “voor zover de naleving van deze voorschriften
                            redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. Voorbeelden van </al><al>collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele-, sport- en
                            recreatieve manifestaties.</al><al>In artikel 4:2 is de uitvoering van de regeling neergelegd bij het
                            college. Er hoeft dus niet jaarlijks een raadsbesluit te worden genomen
                            om te bepalen welke feesten als collectieve festiviteiten worden
                            aangewezen. Het verdient aanbeveling dat het college jaarlijks “in
                            samenspraak met het plaatselijke bedrijfsleven” vaststelt op welke data
                            de betreffende voorschriften uit het Besluit niet van toepassing zijn.
                            Voor de collectieve dagen is geen begrenzing voor het aantal dagen
                            opgenomen. Vaak zal er toch behoefte zijn om vooraf een bepaald maximum
                            aantal festiviteiten vast te stellen. Dit maximum zou door het college
                            kunnen worden vastgelegd in een beleidsregel. Als de gemeenteraad dit
                            zelf wenst te bepalen, dan dient het maximum te worden vastgelegd in de
                            verordening zelf. In Almere is niet gekozen voor het laatste. De
                            mogelijkheid voor het opnemen van een beleidsregel kan worden uitgevoerd
                            op het moment dat er structurele problemen spelen.</al><al></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Volgens artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit moet de verlichting
                            bij sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn
                            uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt
                            uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet
                            gelden bij collectieve festiviteiten staat in artikel 4.113, tweede lid,
                            onder a, van het Besluit. Dit voorschrift is met name bedoeld voor
                            sportverenigingen die buiten de reguliere en recreatieve wedstrijden en
                            trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. Een voorbeeld
                            van een collectieve festiviteit is een sportieve manifestatie waar
                            meerdere sportverenigingen aan mee doen. Ook hier verdient het
                            aanbeveling het college “in samenspraak met de plaatselijke
                            sportverenigingen” vast te laten stellen op welke data de betreffende
                            beperkingen niet van toepassing zijn. In het Besluit wordt net als voor
                            de festiviteiten als bedoeld in het eerste lid </al><al>geen maximum gesteld voor het aantal collectieve festiviteiten.
                            Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum
                            verwezen naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Vijfde tot en met het achtste lid</cursief></al><al>In tegenstelling tot het oude besluit biedt dit Besluit gemeenten de
                            mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening
                            voorwaarden te stellen aan de collectieve festiviteiten en activiteiten.
                            De basis voor deze bevoegdheid staat in het tweede lid van artikel 2.21,
                            onderdeel a. Hierin wordt wel duidelijk gesteld dat het moet gaan om
                            voorwaarden ter voorkoming van geluidhinder. Voor de verlichting bij
                            sportbeoefening is deze mogelijkheid niet </al><al>in het Besluit opgenomen.</al><al>De voorwaarden kunnen gaan over bijvoorbeeld beperking van het
                            geluidsniveau, het bepalen van het eindtijdstip of gedragsvoorschriften.
                            De keuze om bepaalde </al><al>voorschriften wel of juist niet op te nemen in de APV is afhankelijk van
                            de lokale situatie en bestuurlijke prioriteiten. Wanneer er veel
                            (horeca- of andere) inrichtingen dicht bij geluidgevoelige bestemmingen
                            zoals woonwijken liggen kan het wenselijk zijn om beperkende voorwaarden
                            op te nemen. Anderzijds kan ook gekozen worden om bedrijven meer
                            geluidsruimte te geven en (net als onder het Besluit horeca-, sport- en
                            recreatie-inrichtingen milieubeheer) geen </al><al>voorwaarden in de APV op te nemen. Daarbij is het wel zo dat voortaan de
                            regeling voor collectieve festiviteiten geldt voor alle type A- en
                            B-inrichtingen onder het Besluit en niet alleen voor horeca-, sport- en
                            recreatie-inrichtingen.</al><al>Een andere mogelijkheid is, als woningen op grotere afstand van de
                            inrichtingen liggen, een geluidsnorm op een vaste, kortere afstand van
                            de inrichtingen op te nemen. In Almere zijn geluidnormen opgenomen voor
                            geluidsgevoelige gebouwen en voor woningen van derden.</al><al>In het zevende lid wordt gesproken over onversterkte muziek. In Almere
                            zijn ook geluidnormen gesteld ten aanzien onversterkte muziek (zie
                            artikel 4:4).</al><al>De reguliere geluidsnormen gelden niet bij festiviteiten, waardoor
                            bedrijven dan meer geluid mogen produceren. Om de omgeving enige
                            bescherming te bieden en geluidniveaus van </al><al>onversterkte muziek bij festiviteiten te begrenzen is onversterkte
                            muziek meegenomen in de geluidsnorm. </al><al>In het achtste lid is een eindtijdstip voor muziekgeluid vastgesteld om
                            te voorkomen dat feesten bij bedrijven zonder wettelijke sluitingstijden
                            (theoretisch) de hele nacht door kunnen gaan.</al><al>In het twaalfde lid wordt voor muziek in de buitenruimte van de
                            inrichting verwezen naar de nadere regels die zijn opgesteld in het
                            kader van evenementen.</al><al></al><al><vet>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</vet></al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal incidentele
                            festiviteiten voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat
                            in de artikelen 2.21 en 4.113 van het Besluit. Volgens artikel 2.21,
                            eerste lid, onderdeel b kan de gemeenteraad bij verordening het aantal
                            dagen of dagdelen aanwijzen waarop individuele inrichtingen voor
                            incidentele festiviteiten vrijstelling kunnen verkrijgen van de
                            geluidsnormen. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan
                            één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld
                            een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een
                            personeels- of straatfeest of een “vroege vogels”-toernooi. In het
                            Besluit is bepaald dat het maximum aantal dagen waarvoor de
                            geluidsnormen niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar
                            betreft. In Almere is het maximum bepaald op 6 keer. De regeling geldt
                            nu ook voor festiviteiten bij alle andere type A- en B-inrichtingen die
                            onder het Besluit </al><al>vallen. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook detailhandel, kantoren,
                            opslag- en transportbedrijven en metaalelektro-bedrijven een beroep op
                            deze regeling kunnen doen. De enige uitzonderingen waarvoor de regeling
                            niet geldt, zijn de type C-inrichtingen (d.w.z. inrichtingen die
                            vergunningplichtig blijven of vallen onder Besluit landbouw of Besluit
                            glastuinbouw).</al><al></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Volgens artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit moet bij inrichtingen
                            de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur
                            en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend
                            of onderhoud wordt uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel
                            4.113 kan hiervan worden afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld als
                            sportverenigingen buiten de reguliere competities en recreatieve
                            wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie
                            bij het houden van een veteranentoernooi of een “Vroege
                            Vogels”-toernooi. Volgens het Besluit is het maximum aantal dagen
                            waarvoor de beperkingen voor de verlichting niet gelden maximaal 12
                            dagen of dagdelen per jaar. Kortheidshalve wordt voor de verdere
                            toelichting over dit maximum verwezen naar de bovenstaande toelichting
                            bij het eerste lid.</al><al>Volgens de toelichting bij het Besluit blijft ook bij gebruik van
                            artikel 4.113 tweede lid de algemene zorgplicht met betrekking tot
                            lichthinder en duisterte voor de sportinrichtingen gelden, al is enige
                            mate van hinder is bij incidentele activiteiten aanvaardbaar. De
                            beoordeling of sprake is van onaanvaardbare lichthinder in geval van de
                            viering van een festiviteit is aan het bevoegd gezag.</al><al></al><al><cursief>Zesde tot en met het tiende lid</cursief></al><al>In tegenstelling tot het oude besluit Besluit horeca-. sport en
                            recreatie-inrichtingen biedt het Besluit gemeenten de mogelijkheid om in
                            of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de
                            incidentele festiviteiten. De basis voor deze bevoegdheid staat in het
                            tweede lid van artikel 2.21, onderdeel b. Voor de algemene toelichting
                            over de mogelijkheid om voorwaarden te stellen bij festiviteiten en de
                            toelichting bij het zesde tot en met het tiende lid wordt kortheidshalve
                            verwezen naar bovenstaande toelichting bij artikel 4:2 APV, vijfde tot
                            en met het achtste lid. Net als bij de collectieve festiviteiten geldt
                            de regeling voor incidentele </al><al>festiviteiten voor alle type A- en B-inrichtingen onder het Besluit in
                            plaats van alleen voor horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen zoals
                            onder het oude besluit. In het tiende en elfde lid wordt de mogelijkheid
                            om muziekgeluid te produceren bij een festiviteit beperkt tot binnen de
                            gebouwen van de inrichting. Gebouwen hebben over het algemeen een
                            bepaalde geluiddempende werking. Op het buitenterrein zijn minder
                            mogelijkheden voor het beperken van geluidemissies. Daarbij is het zo
                            dat de regeling niet langer alleen geldt voor horeca, sport- en
                            recreatie-inrichtingen maar ook voor alle andere type A- en
                            B-inrichtingen, wat met name een belasting kan geven voor woningen met
                            diverse bedrijven in de omgeving die op verschillende momenten
                            festiviteiten organiseren. Voor muziekgeluid op buitenpodia of het
                            buitenterrein van horecagelegenheden bij </al><al>evenementen, kan dit in de evenementenvergunning worden geregeld. Voor
                            de volledigheid is hiervoor een bepaling opgenomen in het dertiende lid.
                            Daarin wordt voor muziek in de buitenruimte verwezen naar de nadere
                            regels rondom evenementen. In het handboek evenementen van de gemeente
                            Almere worden hieromtrent nadere regels gesteld.</al><al></al><al><vet>Artikel 4:4 Onversterkte muziek</vet></al><al><cursief></cursief></al><al>Dit artikel sluit aan op de artikelen 2.17, 2.18 en 2.20 van het
                            Besluit. Het artikel is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit
                            inrichtingen en niet buiten inrichtingen. Of er sprake is van een
                            inrichting, wordt bepaald door de Wet milieubeheer. In het Besluit is
                            onversterkte muziek uitgezonderd van de algemene geluidsniveaus.
                            Gemeenten hebben, in artikel 2.18, eerste lid, onder f juncto vijfde
                            lid, van het Besluit, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor
                            onversterkte muziek regels op te nemen in de Algemene Plaatselijke
                            Verordening. Door het feit dat de hinderbeleving van onversterkte muziek
                            zeker niet lager is dan die van versterkte muziek, dient deze op gelijke
                            wijze te worden beschermd. De geluidwaarden kunnen door de gemeenten
                            zelf worden bepaald. Voorlopig is aangesloten bij de geluidsnormen van
                            de model APV. </al><al></al><al>Om vooral amateurgezelschappen in niet professionele oefenruimtes de
                            kans te geven tot het hobbymatig beoefenen van onversterkte muziek, is
                            voor hen in lid 2 een mogelijkheid gecreëerd om een aantal uur in de
                            week uitgezonderd te zijn van de geluidsniveaus. In artikel 2 wordt
                            gesproken over “oefenen”. Op deze manier worden festiviteiten en
                            optredens voor publiek uitgesloten. Er is sprake van oefenen als men
                            muziek maakt zonder dat er publiek aanwezig is.</al><al>De genoemde geluidsniveaus in het eerste lid onder tabel e zijn niet van
                            toepassing op;</al><al>het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst
                            of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of
                            levensbeschouwelijke bijeenkomsten en uitvaart- of
                            herdenkingsplechtigheden, alsmede geluid in verband met het houden van
                            deze bijeenkomsten of plechtigheden; </al><al>het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens
                            het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en
                            zonsondergang op militaire inrichtingen; </al><al>het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire
                            muziekcorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum
                            van twee uren per week op militaire inrichtingen. </al><al></al><al><vet>Artikel 4:5 Overige geluidhinder</vet></al><al><cursief></cursief></al><al>Door in het eerste lid de zinsnede “een inrichting in de zin van de Wet
                            milieubeheer of het Besluit” op te nemen wordt de afbakening direct
                            vastgelegd. Een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer heeft ofwel
                            een milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen)
                            ofwel zijn algemene regels op grond van het Besluit van toepassing. In
                            deze algemene regels zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen. </al><al>In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet Geluidhinder, Wet
                            openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit een afbakeningsdiscussie
                            opleveren. Daarom is gekozen om deze wetten afzonderlijk te benoemen in
                            lid 3. </al><al>De provinciale milieuverordening is toegevoegd in dit lid. In een
                            provinciale milieuverordening kunnen namelijk zogenaamde
                            milieubeschermingsgebieden worden aangewezen, waaronder stiltegebieden.
                            Voor deze stiltegebieden kunnen bij provinciale milieuverordening regels
                            over het voorkomen en beperken van geluidhinder worden gesteld,
                            waaronder verbodsbepalingen. De provinciale milieuverordening gaat in
                            dit geval voor de gemeentelijke verordening. </al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van
                            artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van
                            rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, AMVB of een
                            provinciale verordening wordt voorzien. De term “onderwerp” in artikel
                            122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde
                            motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere
                            regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het derde lid
                            sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder het
                            kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</al><al></al><al>Artikel 4:5 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de
                            andere regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan:</al><al>een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een
                            kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.; </al><al>het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of
                            muziek maken of mededelingen doen;</al><al>het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; </al><al>het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen; </al><al>het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers
                            en heistellingen;</al><al>het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz., enz. </al><al>overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat. </al><al></al><al>Verder kunnen onder artikel 4:5 vormen van geluidhinder vallen,
                            veroorzaakt door het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend
                            bespelen van muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische
                            apparatuur, het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz.
                            Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende
                            criteria of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van
                            geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging.
                            In beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal
                            daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke
                            tijden er sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden
                            genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van
                            (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. Het
                            college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met </al><al>voorschriften. Bedacht moet worden bedacht dat klachten over vormen van
                            geluidhinder nogal eens een minder goede verstandhouding tussen buren of
                            omwonenden als achtergrond hebben. Normale handelingen worden dan eerder
                            als (geluid)hinderlijk ervaren, terwijl men minder geneigd is aan een
                            afdoende oplossing mede te werken.</al><al></al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Jurisprudentie op grond van het Besluit bestaat nog niet. Onderstaande
                            is gebaseerd op het oude Besluit horeca-, sport- en
                            recreatie-inrichtingen milieubeheer. Weigering ontheffing om voor
                            onbepaalde tijd eens in de twee weken op dinsdag- of donderdagavond van
                            19.00 tot 21.30 uur luide hardrockmuziek af te spelen op eigen
                            muziekinstallatie, blijft in hoger beroep in stand. Het opnemen van
                            geluidsnormen in de verordening is een zaak van de gemeentelijke
                            wetgever. ABRS 16-12-2002, 200202622/1, LJN-nr. AE8977. Voorlopige
                            voorziening, Vergunning onder voorschriften wordt verleend voor het
                            houden van een besloten buurtfeest voor ongeveer 25 personen. Omvang en
                            karakter van het buurtfeest zijn - naar voorlopig oordeel - dusdanig te
                            achten dat daarvan in redelijkheid geen geluidhinder als bedoeld in
                            artikel 4.1.5 (oud) van </al><al>de APV valt te verwachten. Rb Zutphen 05-07-2002, 02/972 VEROR 58,
                            LJN-nr. AE5178. Verlening ontheffing, onder voorschriften, voor het ten
                            gehore brengen van carillonmuziek. Vier keer per dag twee minuten en
                            wekelijks op woensdag- of zaterdagmiddag maximaal 45 minuten. De norm
                            van 75 dB(A) ter plaatse van woningen is niet voldoende onderbouwd. Het
                            uitgangspunt dat het carillon in het winkelgebied moet worden gehoord
                            geeft geen, althans onvoldoende blijk dat de belangen van de appellant,
                            die tussen de toren en het winkelgebied woont, bij de besluitvorming in
                            voldoende mate zijn afgewogen. ABRS 12-12-2001, 200102118/1, LJN-nr.
                            AE0239. Het houden van hinderlijke of schadelijke dieren (artikel 2.4.20
                            (oud)) juncto artikel 4.1.5.1 (oud). Geluidhinder door dieren (zie
                            voorbeeldbepaling 4.1.5b (oud) model-APV). Ernstige geluidsoverlast door
                            kikkers in een poel. Het schoonhouden en wellicht bijvullen van een
                            kikkerpoel zal de aanwezigheid van kikkers mogelijk bevorderen, maar dit
                            is onvoldoende om te concluderen dat de buurman kikkers houdt (op grond
                            van artikel 2.4.20 (oud)) en er de zorg voor heeft (op grond van artikel
                            4.1.5.1 (oud) van de desbetreffende verordening). Rb ‘s Hertogenbosch,
                            AWB 99/6873 GEMWT, LJN-nr. AD4783. Weigering ontheffing voor
                            geluidversterking bij geloofsverkondiging. Grote zorgvuldigheid bij
                            uitoefening grondrecht. Vz. ARRS 17-8-1990, AB, 1991, 44 m.nt.P.J. Boon,
                            GS, 1991 6913, 3 m.nt. E. Brederveld, JG 91.0144 , BF 1991, 4
                            m.nt.J.M.H. de Vet-tacken. Het aan- of afslaan van een c.v. installatie
                            is niet aan te merken als het verrichten van een handeling in de zin van
                            het APV-artikel. ABRS 3 6 1996, JG 97.0148 . Zie ook Lbr. 97/144.
                            Vergunningverlening voor het ten gehore brengen van mechanische muziek
                            in winkelstraten. Overlast voor omwonenden. ABRS 10-3-1995, JG 95.0206
                            m.nt. A.B. Engberts. Ontheffing van verbod tot veroorzaken geluidhinder
                            in verband met spelen op trompet. ABRS 7-6-1994, JG 94.0290.
                            Geluidsvergunning voor feesttent, waarin met ontheffing van burgemeester
                            alcohol wordt geschonken, is gelijk te stellen aan geluidsvergunning
                            voor horeca-inrichting. Vz. ARRS, JG 92.0395 m.nt. L.J.J. Rogier, GS,
                            1992, 6945, 4 m.nt. H.Ph.J.A.M. Hennekens. Weigering vergunning voor
                            rijden met geluidswagen, Wnd. Vz. ARRS 2-11-1990, GS, 1992, 6937, 6
                            m.nt. E. Brederveld. Vrijheid van godsdienst. Klokgelui Tilburgse
                            pastoor. De rechtbank oordeelde dat de gemeente niet kon optreden op
                            grond van de APV nu de kerk in kwestie een inrichting was in de zin van
                            de Wet Milieubeheer, en daarmee niet onder de werking van het APV
                            artikel viel. Als de gemeenteraad had willen optreden, had ze over de
                            duur en het volume van het klokgelui nadere regels kunnen stellen op
                            grond van artikel 10 WOM. Rb. Breda 26 november 2007. LJN BB8689.</al><al></al><al><vet>AFDELING 2. BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING</vet></al><al><cursief></cursief></al><al><vet>Artikel 4:6 Straatvegen</vet></al><al></al><al>Dit artikel bevat een verkeersbeperkende bepaling. Blijkens de
                            jurisprudentie van de Hoge Raad is de gemeenteraad op basis van artikel
                            149 van de Gemeentewet bevoegd tot het treffen van regelen die andere
                            belangen dan verkeersbelangen beogen te dienen, tenzij deze regels
                            ondanks het afwijkende motief zo diep en zo algemeen ingrijpen in het
                            normale verkeer op wegen dat het stelsel van de Wegenverkeerswet 1994
                            wordt doorkruist. Zie HR 21 juni 1966, NJ 1966, 417, met noot W.F. Prins
                            (bromfietsenverbod Sneek) en HR 23 december 1980, NJ 1981, 171, met noot
                            Th.W. van Veen (rijverbod Schiermonnikoog). </al><al></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 4:7 Natuurlijke behoefte doen</vet></al><al></al><al>Deze bepaling wordt veel gebruikt ten het wildplassen met name rondom
                            horecagebieden.</al><al></al><al><vet>AFDELING 3. MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 4:8 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</vet></al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Vanwege de vereenvoudiging van vergunningen en de vermindering van
                            administratieve lasten is in 2007 het oude artikel D.4.1. van de APV
                            ingrijpend herzien. Dat houdt in dat een aanwijzingsbesluit is opgenomen
                            voor die reclame die niet onder het verbod valt of vrij is van de
                            vergunningplicht. Voor de gevallen die buiten het aanwijzingsbesluit
                            vallen, blijft een vergunningsmogelijkheid bestaan. Uitgangspunt is
                            echter om zoveel mogelijk reclame uitingen onder het aanwijzingsbesluit
                            te laten vallen. Overigens zal voor het merendeel van de te plaatsen
                            reclames een bouwvergunning nodig zijn op grond van de WABO. De
                            betreffende aanvraag wordt dan onder andere getoetst aan de
                            welstandsnota. In dat geval vervalt deze toetsingsgrond in de APV.
                            Handelsreclame die als bouwwerk aangemerkt worden, worden voor het
                            overige wel getoetst aan de APV gronden. Het is mogelijk dat diverse
                            vormen van handelsreclame vrijgesteld zijn op grond van vijfde lid.</al><al>Handelsreclame is gedefinieerd in artikel 1:1, aanhef en onder j, van de
                            APV als: elke openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee
                            kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Onroerende
                            zaken zijn volgens het artikel 3:3, eerste lid, van het Burgerlijk
                            Wetboek onder meer de grond, de met de grond verenigde beplantingen en
                            de gebouwen en werken die </al><al>duurzaam met de grond zijn verenigd.</al><al></al><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>Op een ontheffingstelsel voor handelsreclame aan gebouwen is de Wabo van
                            toepassing.</al><al></al><al><cursief>Reclame en de vrijheid van meningsuiting</cursief></al><al>In het begrip handelsreclame ligt besloten dat het in artikel 4:8 gaat
                            om niet-ideële reclame, waarbij geen gedachten of gevoelens worden
                            geopenbaard. Zie ook de toelichting bij artikel 1:1, aanhef en onder i
                            (handelsreclame). Volgens vaste jurisprudentie behoren reclame-uitingen
                            in de commerciële sfeer niet tot het eigenlijke gebied van de vrijheid
                            van meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. Artikel 4:8
                            is daarom niet in strijd met artikel 7 van de Grondwet. In artikel 7,
                            vierde lid, van de Grondwet wordt de handelsreclame met zo veel woorden
                            van de vrijheid van drukpers uitgezonderd.</al><al>De volgende vraag is of artikel 4:8 ook in overeenstemming is met de
                            artikelen 10 EVRM en 19 IVBP. De bescherming van het recht op vrije
                            meningsuiting strekt zich in deze artikelen mede uit tot reclame. Deze
                            vraag kan bevestigend worden beantwoord. Allereerst is het de vraag of
                            artikel 10 EVRM überhaupt wel toeziet op zuivere handelsreclame.
                            Weliswaar heeft de Hoge Raad dit in algemene zin gesteld in een
                            uitspraak van 13 februari 1987 (NJ 1987, 899), het Europese Hof heeft
                            zich hierover nog niet eenduidig uitgesproken (zie onder andere EHRM 24
                            februari 1994, NJ 1994, 518). Wel mag er op grond van arresten van het
                            Europese Hof vanuit worden gegaan dat de bescherming ten aanzien van
                            commerciële reclame minder ver gaat dan de bescherming </al><al></al><al>ten aanzien van andere uitingen gelet op de strekking van het verdrag.
                            Echter, ook indien er vanuit wordt gegaan dat alle handelsreclame onder
                            artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR valt, zijn beperkingen mogelijk
                            zolang deze voorzien zijn bij wet. Naar algemeen wordt aangenomen worden
                            hieronder ook gemeentelijke verordeningen verstaan. Daarnaast dienen de
                            beperkingen noodzakelijk te zijn in een democratische samenleving ter
                            bescherming van de in de artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBP genoemde
                            belangen. Hieronder vallen onder andere het voorkomen van
                            wanordelijkheden en de bescherming van rechten van derden. De
                            rechtspraak lijkt deze visie te bevestigen. In een uitspraak van 23
                            december 1994 stelt de ABRS in een zaak waarin een driehoeksreclamebord
                            wordt geweigerd dat artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBP alleen in het
                            geding zijn als de verspreiding van reclame zo zeer aan banden zou zijn
                            gelegd dat de vrijheid om reclame te maken zelf zou worden aangetast (JG
                            95.0207, AB 1995, 163). Ook is in een uitspraak van de Hoge Raad over
                            een aanplakverbod zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende
                            bepaald dat dit niet in strijd is met artikel 10 EVRM en 19 IVBP
                            aangezien het verbod bij wet is voorzien en noodzakelijk in een
                            democratische samenleving ter voorkoming van wanordelijkheden en ter
                            bescherming van rechten van derden (HR 1 april 1997, NJ 1997, 457).</al><al>Het voorgaande betekent dat zolang niet in een absoluut verbod, te
                            absolute beperkingen of restrictief beleid is voorzien en er een
                            duidelijke noodzaak voor de beperkingen bestaat, zodanig dat er
                            feitelijk een mogelijkheid van enige betekenis van het middel van
                            bekendmaking overblijft, beperkingen mogelijk blijven.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Wanneer sprake is van een bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                            van de Woningwet, is de Woningwet van toepassing en geldt mitsdien,
                            gezien het bepaalde in arikel 4.7.2, derde lid, van de APV, het in het
                            eerste lid van dit artikel gestelde verbod niet. Nu in dit geval de
                            Woningwet van toepassing is, heeft het college zich terecht op het
                            standpunt gesteld dat naast de door hen verleende bouwvergunning voor de
                            oprichting van de reclamezuil niet ook een reclamevergunning als bedoeld
                            in artikel 4.7.2 van de APV is vereist. Zij hebben dan ook terecht het
                            verzoek om toepassing van bestuursdwang ten aanzien van de dubbelzijdige
                            lichtreclamezuil afgewezen. ABRS 13-11-2002, GS, 2003, 7180, 34 m.nt.
                            J.Teunissen. Het college heeft ten onrechte niet getoetst aan het
                            bepaalde in het derde lid. Niet is gebleken dat zij hebben beoordeeld of
                            in dit geval de Woningwet een bouwvergunning voor de betreffende
                            reclame-objecten voorschrijft. Het standpunt van het college dat in dit
                            geval geen sprake is van overlappende regelgeving nu de APV een
                            specifiek welstandsdoel nastreeft ten opzichte van de Woningwet, doet
                            hier niet aan af. Anders dan het college meent, is het welstandstoezicht
                            in het </al><al>kader van de Woningwet niet beperkt tot toetsing van bouwkundige
                            elementen. ABRS 04-12-2002, GS, 2003, 7180, 35 m.nt. J. Teunissen. In
                            een recente uitspraak, waar het ging over de aanvraag voor een
                            reclamevergunning voor een halfronde tijdschriftenzuil, overwoog de
                            Afdeling als volgt. De achtergrond van de in artikel 4.7.2, derde lid
                            (oud), van de model-APV vervatte uitzondering is dat, ingeval de
                            Woningwet van toepassing is, is gewaarborgd dat reeds bij de toepassing
                            van die wet een voldoende beoordeling van welstandsaspecten plaatsvindt.
                            In casu was er sprake van het plaatsen dan wel veranderen van een
                            bouwwerk in de zin van de Woningwet. Appellante had in plaats van een
                            reclamevergunning een bouwvergunning moeten aanvragen. ABRS 02-06-2004,
                            200400083/2, LJN-nr. AP0370.</al><al></al><al><vet></vet></al><al><vet>HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER
                                GEMEENTE</vet></al><al></al><al><vet>AFDELING 1. Parkeerexcessen</vet></al><al><vet></vet></al><al><cursief>Algemene toelichting</cursief></al><al>1<cursief>. Bevoegdheid tot regeling van parkeerexcessen</cursief></al><al>Sinds de inwerkingtreding van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kunnen
                            verkeersbesluiten, behalve ten behoeve van de verkeersveiligheid en de
                            vrijheid van het verkeer, ook worden genomen ter bescherming van de
                            zogenaamde milieubelangen. Hierbij moet worden gedacht aan maatregelen
                            ter voorkoming of beperking van overlast, hinder of schade dan wel
                            aantasting van het karakter of de functie van objecten of gebieden ten
                            gevolge van het verkeer (zie art. 2, tweede lid WVW 1994). Op initiatief
                            van de VNG heeft de Tweede Kamer door middel van een amendement een
                            nieuw artikel 2a in de Invoeringswet WVW 1994 ingevoegd. Dit artikel
                            luidt als volgt: “Provincies, gemeenten en waterschappen behouden hun
                            bevoegdheid om bij verordening regels vast te stellen ten aanzien van
                            het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor zover die regels niet in
                            strijd zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels en voor
                            zover verkeerstekens krachtens deze wet zich daar niet toe lenen”.</al><al></al><al>Hierbij werd met name gedacht aan de regeling van parkeerexcessen, zoals
                            ook blijkt uit de toelichting bij dit amendement. Artikel 2a WVW 1994
                            geeft derhalve aan dat gemeenten bevoegdheid zijn om
                            parkeerexcessenbepalingen vast te stellen. De grondslag voor dergelijke
                            bepalingen is overigens gewoon artikel 149 Gemeentewet.</al><al></al><al><cursief>2. Begrip “parkeerexces”</cursief></al><al>In de Wegenverkeerswetgeving wordt nergens aangegeven wat het begrip
                            “parkeerexces” precies inhoudt. Degene die tot taak heeft hieromtrent
                            verbodsbepalingen te formuleren, zal evenwel tevoren dienen te weten wat
                            dit begrip omvat. Mede omdat ook dit aspect van het verkeer aan een
                            voortschrijdende ontwikkeling onderhevig is, is van het begrip
                            “parkeerexces” bezwaarlijk een voldoende concrete definitie te geven.
                            Blijkens de jurisprudentie kan onder het begrip “parkeerexces” ieder
                            excessief parkeren op de weg worden begrepen, dus:</al><al>zowel wanneer het parkeren op de weg betreft dat met het oog op de
                            verdeling van de beschikbare parkeerruimte jegens andere weggebruikers,
                            die gelegenheid om te parkeren behoeven, buitensporig is en uit dien
                            hoofde niet toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief; eigenlijke
                            aanvulling). </al><al>In deze omschrijving ligt besloten, dat het gebruik van de weg als
                            parkeerplaats op zich zelf niet ongeoorloofd is te achten, maar wel dat
                            de aard van het voertuig, het met het parkeren beoogde doel of het
                            aantal te parkeren voertuigen relatief gezien een te grote ruimte opeist
                            in vergelijking met de behoefte aan parkeerruimte van anderen; </al><al>alsook wanneer het gaat om parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om
                            andere motieven, zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde
                            of veiligheid en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                            gemeente, voorkoming van uitzichtbelemmering en stankoverlast
                            (oneigenlijke aanvulling). </al><al></al><al>Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt op te maken dat in de eerste
                            plaats van een parkeerexces sprake is als het gaat om excessief gebruik
                            van de weg, strijdig met de bestemming die de weg heeft. Wegen zijn - zo
                            lijkt de zienswijze van dit rechtscollege in het kort te kunnen worden
                            weergegeven - in de eerste plaats bestemd om zich daarover te kunnen
                            verplaatsen en daarop tijdelijk een voertuig te kunnen laten staan. Ten
                            aanzien van bepaalde (categorieën van) voertuigen, die de weg in strijd
                            met deze bestemming gebruiken, is het bestuur gerechtigd strengere eisen
                            te stellen en scherpere grenzen te trekken. Daarbij mag het niet te diep
                            ingrijpen in het “normale” verkeer, en dus ook niet in het “normale”
                            parkeren. In het “normale” verkeer voorziet de geldende wettelijke
                            verkeersregeling exclusief, aldus de mening van de Hoge Raad, NG 1974,
                            blz. S88 m.nt. jhr. J.J.M.M. van Rijckevorsel. Voorts is volgens de Hoge
                            Raad sprake van een parkeerexces ingeval het parkeren op de weg gepaard
                            gaat met ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente, beneming
                            van uitzicht, stankoverlast of gevaar voor de veiligheid van personen.
                            Al deze vormen van excessief, hinderlijk en ontsierend gebruik van de
                            weg kunnen door de gemeentelijke wetgever aan regels worden gebonden.
                            Zie bij voorbeeld de beide Dordtse arresten van de Hoge Raad, HR 15 juni
                            1971, NJ 1971, 432, m.nt. W.F. Prins, VR 1972, nr. 32, m.nt. A. Herstel,
                            OB 1972, XIV.1.2.2, nr. 32566 en 25 april 1972, NJ 1972, 296, m.nt. W.F.
                            Prins, VR 1972, nr. 113, m.nt. A. Herstel, OB 1972, XIV. 1.2.2, nr.
                            32567, NG 1972 blz. S 75, m.nt. J.H. van dcr Veen.</al><al></al><al><cursief>3. Plaatsing en rubricering
                            parkeerexcesbepalingen</cursief></al><al>Gezien de ruime uitleg van het begrip “parkeerexces” is het niet nodig
                            om een onderscheid te maken tussen twee soorten van excessief gebruik
                            van de weg: gevallen die excessief zijn op grond van een verkeersmotief
                            en die als “parkeerexcessen” moeten worden gekwalificeerd en gevallen
                            waarin een ander motief aan het stellen van regels (in hoofdzaak) ten
                            grondslag ligt. Er bestaat geen noodzaak deze soorten in aparte
                            verordeningen onder te brengen, een parkeerexcessenverordening
                            respectievelijk de algemene plaatselijke verordening.</al><al></al><al>In afdeling 5.1 “parkeerexcessen” is ook een aantal onderwerpen
                            opgenomen, welke niet kan worden aangeduid als “parkeerexcessen in
                            eigenlijke zin”, waarvan gesproken kan worden als het gaat om
                            gedragingen op de weg in de zin van de WVW 1994. Daar deze voorschriften
                            door het publiek wel als zodanig (zullen) worden ervaren geven wij er de
                            voorkeur aan ook deze onderwerpen in deze paragraaf te regelen. Je kunt
                            hierbij denken aan een onderwerp als het “aantasten van
                            groenvoorzieningen”.</al><al></al><al><cursief>4. Beperking tot gedragingen op de weg?</cursief></al><al>Bij parkeerexcessen “in eigenlijke zin” gaat het om gedragingen op de
                            weg in de zin van de WVW 1994. Onder weg verstaat de APV ingevolge
                            artikel 1:1 hetzelfde als de WVW 1994 daaronder verstaat. In artikel 1,
                            eerste lid onder b, van de WVW 1994 wordt het begrip wegen als volgt
                            omschreven “alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden
                            met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die
                            wegen behorende paden en bermen of zijkanten”. Ter wille van de
                            overzichtelijkheid zijn de bepalingen betreffende parkeerexcessen zoveel
                            mogelijk in een afdeling samengevoegd. De bedoelde gedragingen zullen
                            door het publiek </al><al>immers alle als parkeerexces worden ervaren. Voor in de
                            begripsbepalingen van artikel 5:1 opgenomen definities van “voertuig” en
                            “parkeren” is aansluiting gezocht bij de in de </al><al>wegenverkeerswetgeving voor deze begrippen gebruikte definities. Uit de
                            verschillende bepalingen blijkt dan, of zij al dan niet slechts
                            betrekking hebben op gedragingen op de weg (in de zin van de WVW
                            1994).</al><al></al><al><cursief>5. Vervangende parkeergelegenheid</cursief></al><al>Complementair aan de vaststelling van parkeerexcesbepalingen zal voor
                            bepaalde </al><al>categorieën voertuigen - in het bijzonder voor vrachtwagens - de
                            aanwezigheid van vervangende parkeergelegenheid moeten worden bezien.
                            Uitgangspunt dient te zijn dat de desbetreffende ondernemingen in
                            principe zelf hiervoor behoren te zorgen. De indruk bestaat, dat er (met
                            name buiten de werkuren) in diverse gevallen op de bedrijfsterreinen
                            toch voldoende parkeergelegenheid voor de eigen vrachtwagens is of kan
                            worden gecreëerd. In beginsel is het niet onredelijk te achten, dat de
                            chauffeurs die op enige afstand van hun bedrijven wonen, hun
                            vrachtwagens ‘s avonds en in het weekeinde niet meer voor de woning,
                            maar bij voorbeeld op het eigen bedrijfsterrein parkeren en dat zij
                            zich, evenals andere forensen, met “normale” vervoermiddelen begeven van
                            het bedrijf naar de woning en omgekeerd. Bij onderscheidene bedrijven
                            ontbreekt evenwel de hiervoor benodigde ruimte. Verder zijn de kosten,
                            verbonden aan het creëren van eigen parkeergelegenheid, dermate hoog,
                            dat er de voorkeur aan gegeven zal worden het parkeren van die
                            vrachtwagens, waarvoor het bestaande eigen terrein geen plaats biedt, te
                            doen geschieden op openbare wegen en terreinen. Om aan de zich hier
                            voordoende praktische bezwaren tegemoet te komen, zou de overheid het
                            parkeren kunnen blijven toelaten (of wellicht zelfs parkeergelegenheid
                            kunnen scheppen) op parkeerterreinen en op die wegen waar het parkeren
                            van vrachtwagens op weinig of geen bezwaren stuit. Hoewel er niet a </al><al>priori van een plicht van de gemeentelijke overheid tot aanleg van
                            vervangende parkeergelegenheid kan worden gesproken, mag er anderzijds
                            van worden uitgegaan dat naleving van de hier bedoelde verbodsbepalingen
                            met des te meer reden gevergd kan worden, wanneer de belanghebbende een
                            andere parkeerplaats als alternatief ter beschikking staat. In het
                            bijzonder kan zulks het geval zijn ten aanzien van exploitanten van
                            bestaande bedrijven, aan wie onder omstandigheden bezwaarlijk een
                            ontheffing kan worden onthouden, wanneer een redelijk te realiseren
                            alternatief voor hen ontbreekt. Voor het geval van gemeentewege tot
                            aanleg van een parkeerplaats wordt overgegaan, zal er wellicht van het
                            gemeentebestuur een zekere waarborg worden verwacht dat voertuigen op
                            een dergelijk parkeerterrein veilig kunnen worden </al><al>gestald. In het algemeen kan niet worden gesteld, dat de gemeentelijke
                            overheid een dergelijk verlangen dient te honoreren. Immers,
                            parkeerterreinen hebben, zo zij al onder toezicht staan, dit toezicht
                            zelden ook ‘s nachts; bovendien is de toezichthouder in het algemeen
                            niet aansprakelijk voor aan de gestalde voertuigen door derden
                            toegebrachte schade. Ten slotte zij erop gewezen dat een eventueel door
                            de gemeente aan te leggen parkeerterrein voor vrachtwagens zal moeten
                            passen binnen een planologisch kader (bestemmingsplan). Parkeerplaatsen
                            zouden kunnen worden aangeduid met een bord model E4 van bijlage 1 van
                            het RVV 1990. De aanduiding van parkeerplaatsen voor vrachtwagens in het
                            kader van de voorkoming van parkeerexcessen moet gebeuren op basis van
                            de betreffende bepalingen uit de APV en niet op basis van verkeersborden
                            die gebaseerd zijn op de wegenverkeerswetgeving. In Almere is een aantal
                            parkeerterreinen aangewezen waar grote voertuigen kunnen parkeren (zie
                            verder artikel 5:6 APV)</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State bevestigt dat een
                            gemeentelijke </al><al>parkeerexcessenregeling niet strijdig is met de Wegenverkeerswet (oud)
                            en haar uitvoeringsregelingen, zoals het RVV (oud). ARRS 3-12-1992, JG
                            93.0120.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:1 Begripsbepalingen</vet></al><al></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder “weg” verstaan hetgeen
                            artikel 1:1 van deze verordening daaronder verstaat. Concreet gaat het
                            om alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met
                            inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen
                            behorende paden en bermen of zijkanten. De artikelen 5:2, 5:3, 5:4, 5:5,
                            eerste lid, 5:6, eerste lid en 5:7 hebben derhalve slechts op “echte”
                            parkeerexcessen betrekking. De andere artikelen in deze afdeling
                            strekken zich ook uit tot gedragingen buiten de weg in de zin van de WVW
                            1994. </al><al></al><al><cursief>Onder a</cursief></al><al>Om te voorkomen dat over de inhoud van het begrip “voertuigen”
                            onzekerheid zal bestaan, is een definitie van dit begrip opgenomen. Tot
                            uitgangspunt is genomen de definitie van “voertuigen” die in artikel 1,
                            onder al, van het RVV 1990 wordt gegeven. Voertuigen in de zin van dit
                            artikel zijn: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen,
                            motorvoertuigen, trams en wagens. In tegenstelling tot artikel 5.1.1
                            (oud) is in 2008 de omschrijving positief geformuleerd en wordt </al><al>direct aangesloten bij het RVV 1990. Voor kleine voertuigen, zoals
                            kruiwagens, </al><al>kinderwagens, rolstoelen e.d. is een uitzondering gemaakt, omdat anders
                            sommige bepalingen een te ruime strekking zouden krijgen. Fietsen,
                            bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen vallen ook onder de definitie van
                            voertuigen. Ook deze kunnen immers parkeerexcessen veroorzaken en worden
                            daarom als voertuig beschouwd.</al><al></al><al><cursief>Onder b</cursief></al><al>De omschrijving van het begrip “parkeren” is dezelfde als de
                            omschrijving in artikel 1, onder ac, van het RVV 1990. Dit
                            artikelonderdeel verstaat onder parkeren: het laten stilstaan van een
                            voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt
                            wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het
                            onmiddellijk laden of lossen van goederen. Het oude </al><al>artikel 5.1.1, onder c gaf deze definitie letterlijk weer. Verwijzing
                            naar de definitie is wetstechnisch te verkiezen omdat bij wijziging van
                            de definitie in het RVV de definitie in de APV niet behoeft te worden
                            herzien. De gegeven definitie bewerkstelligt dat enkele vormen van doen
                            of laten staan </al><al>van voertuigen, die moeten worden ontzien, buiten de werking van de
                            voorgestelde verbodsbepalingen blijven. Het onmiddellijk in- en
                            uitstappen van personen en het onmiddellijk laden en lossen van goederen
                            zijn dan immers activiteiten die door deze bepalingen niet worden
                            bestreken. Evenmin zullen deze bepalingen van toepassing kunnen zijn ten
                            aanzien van voertuigen die bij een garagebedrijf stilstaan om benzine te
                            tanken; in dit geval is er geen sprake van parkeren. </al><al>Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van afdeling 5.1. van de
                            APV zich ook tot niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij
                            een voertuig (de eigenaar, huurder, opdrachtgever etc.) zodat de
                            zinsnede “het laten stilstaan” een iets ruimere strekking heeft dan in
                            de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk is. Die ruimere strekking maakt
                            het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden bij het voertuig (dan de
                            bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving van de
                            (parkeer)verboden in deze afdeling.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</vet></al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Regelmatig kwam de vraag naar voren of rijschoolhouders en taxibedrijven
                            die in </al><al>de uitoefening van hun (neven)bedrijf drie of meer auto’s op de weg
                            parkeren ook </al><al>onder het verbod van het eerste lid van dit artikel vallen. De Afdeling
                            rechtspraak van de Raad van State heeft omtrent deze vraag beslist dat
                            het bij elkaar parkeren van drie of meer taxi’s door een exploitant van
                            een taxibedrijf niet valt onder de werking van deze bepaling, ARRS
                            28-9-1984, nr. R03.83.7524 (APV Schijndel). De rijschoolhouder die een
                            aantal voertuigen bij elkaar </al><al>parkeert, viel volgens deze uitspraak eveneens niet onder de werking van
                            dit artikel.</al><al>Aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en
                            taxiondernemers excessieve vormen kan aannemen, is in het eerste lid
                            daarom expliciet bepaald dat onder “verhuren”, zoals in het eerste lid
                            bedoeld, mede wordt verstaan het gebruiken van voertuigen voor het geven
                            van rijlessen of voor het vervoeren van personen tegen betaling. Aldus
                            kan ook tegen excessief gebruik van de weg door rijschoolhouders en
                            taxiondernemers worden opgetreden.</al><al></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Onder a is het woord “vergen” gebezigd in plaats van “duren” ten einde
                            twijfel over de vraag of met een bepaalde herstel- of
                            onderhoudswerkzaamheid meer dan een uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit
                            te sluiten. Bij het gebruik van de term “vergen” beschikt men over een
                            meer objectieve maatstaf. </al><al></al><al><cursief>Derde lid, onder a</cursief></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren
                            en exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg
                            voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hun toebehoren
                            of zijn toevertrouwd. Het gaat hier om situaties waarin het gebruik van
                            parkeerruimte op buitensporige wijze plaats heeft en uit dien hoofde
                            niet toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief). Bij het opstellen
                            van deze bepaling is er naar gestreefd de delictomschrijving zoveel
                            mogelijk vrij te houden van elementen waarvan de bewijslevering </al><al>moeilijkheden kan opleveren. Niettemin kan met name het bewijs dat
                            betrokkene “zijn bedrijf of nevenbedrijf dan wel een gewoonte” van de
                            hier bedoelde activiteiten maakt, alsook dat de desbetreffende
                            voertuigen “hem toebehoren of zijn toevertrouwd”, onder omstandigheden
                            problemen opleveren. De woorden “drie of meer voertuigen” zijn gekozen
                            om de bewijslast niet onevenredig zwaar te doen zijn. Doordat het verbod
                            slechts betrekking heeft op het parkeren dat in het kader van
                            (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt, blijft het normaal parkeren van
                            de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(‘s) van de exploitant en
                            eventueel van zijn gezinsleden mogelijk. (Zie het eerste lid, onder b).
                            Deze bepaling heeft slechts betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen,
                            dat wil zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg (in de zin van
                            de WVW 1994). Het zou uiteraard te ver gaan deze bepaling ook te laten
                            gelden voor gedragingen </al><al>buiten de weg.</al><al></al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Derde lid, onder b</cursief></al><al>Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen in
                            het kader van de uitoefening van een (neven)bedrijf, geven veelal
                            klachten inzake geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in
                            mindere mate wordt geklaagd over de als gevolg van deze activiteiten
                            verminderde parkeergelegenheid. </al><al></al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Het verlenen van een ontheffing ingevolge dit lid zal in het algemeen op
                            zijn plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen,
                            redelijkerwijs moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere
                            mogelijkheden ten dienste staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde
                            auto’s op de weg te parkeren. Te denken is hierbij aan het geval dat de
                            exploitant van een reeds lang bestaand bedrijf in de feitelijke
                            onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de nabijheid van zijn
                            bedrijf stallingsruimte te creëren c.q. daarover op andere wijze de
                            beschikking te krijgen. Aan de ontheffing kunnen uiteraard voorschriften
                            worden verbonden, onder meer omtrent de plaats waar en de tijd gedurende
                            welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg
                            mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen
                            dat ter plaatse door de houder van de ontheffing mag worden geparkeerd. </al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>De Afdeling rechtspraak keurde zelfs de weigering van de gemeente
                            Binnenmaas om ontheffing te verlenen voor het parkeren van meer dan twee
                            auto’s bij elkaar goed. Het feit dat het bedrijf ter plaatse was
                            toegestaan deed daaraan niet af. Het behoud van het beperkte aantal
                            parkeerplaatsen in de omgeving van het bedrijf woog zwaarder. ARRS
                            16-8-1988, AB 1989, 373.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op
                            de openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen
                            echt probleem. Van aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving
                            is niet of nauwelijks sprake, de overlast voor de omwonenden blijft
                            beperkt en het gebruik van de beschikbare parkeerruimte kan niet
                            excessief genoemd worden.</al><al>Anders ligt het wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk
                            aangeboden worden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast,
                            brengt het voor de omwonenden aanzienlijke overlast met zich mee. Een
                            dergelijke uitstalling van voertuigen trekt immers kooplustigen aan. Ook
                            wordt er een aanmerkelijk beslag op de beschikbare parkeerruimte gelegd. </al><al></al><al><cursief>Derde lid Lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking
                                bij niet tijdig beslissen).</cursief></al><al>Dit artikel dient om te kunnen optreden tegen geïmproviseerde kleine
                            automarkten op de openbare weg. Gezien de overlast die daarmee gepaard
                            kan gaan is het niet wenselijk om hier een lex silencio positivo toe te
                            passen.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:4 Voertuigwrakken</vet></al><al></al><al>Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren
                            gedurende zekere tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren
                            door het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet
                            gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig op de weg zet, geeft een
                            achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of bromfiets, in de
                            eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in het
                            straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende
                            kinderen en voor de weggebruikers. Het op de weg plaatsen of hebben van
                            een wrak is dus primair om die reden excessief. Daarnaast kan echter ook
                            het zo juist genoemde verkeersmotief een rol spelen bij het uitvaardigen
                            van dit verbod. Ofschoon een wrak vaak niet meer zal kunnen worden
                            beschouwd als voertuig in de zin van de wegenverkeerswetgeving, is de
                            onderhavige bepaling gezien haar strekking en het verband met de andere
                            bepalingen wel als parkeerexcesbepaling aan te merken. De onderhavige
                            bepaling heeft betrekking op het plaatsen en hebben van wrakken op de
                            weg (in de zin van de WVW 1994). Het verbod in dit artikel richt zich op
                            degene die het voertuigwrak op de weg plaatst of heeft. Dat is op zich
                            al een ruimere kring van subjecten dan alleen de bestuurder; ook andere
                            belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze bepaling.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:5 Parkeren van aanhangwagens, caravans e.d.</vet></al><al></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben
                            van voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen
                            in ieder geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens,
                            magazijnwagens, keetwagens e.d. op de weg. In deze bepaling zijn de
                            woorden “parkeren” gewijzigd in “te plaatsen of te hebben” om de
                            handhaving van deze bepaling eenvoudiger te maken. Met het steeds een
                            paar meter verplaatsen van een caravan, aanhangwagentje e.d. op de
                            openbare weg wordt overtreding van deze bepaling niet langer meer
                            voorkomen. Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan
                            verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle
                            soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks” worden
                            gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen. Het
                            excessieve van het hier bedoelde parkeren is in de eerste plaats gelegen
                            in het buitensporige gebruik van parkeerruimte dat daarmee gepaard gaat.
                            Daarnaast is dat het ontsieren van het uiterlijk aanzien van de
                            gemeente. Het plaatsen of hebben gedurende ten hoogste drie
                            (achtereenvolgende) dagen wordt niet verboden, opdat de betrokkene de
                            gelegenheid zal hebben zijn kampeerwagen, caravan of camper voor een te
                            ondernemen reis gereed te maken, respectievelijk na de reis op te
                            ruimen. Ook met betrekking tot deze gevallen zou het voorzien in
                            vervangende parkeergelegenheid, waar dit soort voertuigen kan worden
                            gestald, overwogen kunnen worden. Verwezen wordt naar hetgeen hierover
                            in de algemene toelichting is gesteld. Gezien de veelal toenemende
                            parkeerdruk op de openbare weg - vaak juist ook in woonwijken - is
                            ervoor gekozen dit van toepassing te verklaren voor de gehele bebouwde
                            kom van Almere. </al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State stelde de gemeente
                            Beverwijk in het gelijk enerzijds in de aanwijzing van een weg waar
                            parkeren van een kampeerwagen langer dan 48 uur niet is toegestaan en
                            anderzijds in de weigering hiervan ontheffing te verlenen. De
                            verkeersveiligheid en het aanbod van parkeerruimte waren in het geding.
                            ARRS 11-3-1993, AB 1993, 553.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
                            van State geeft aan dat het college </al><al>van zijn bevoegdheid om voor een bepaalde locatie te bepalen dat er niet
                            met een kampeerwagen e.d. mag worden geparkeerd (zoals in art. 5.1.5,
                            eerste lid, onder b (oud) bedoeld), slechts gebruik kan maken voor zover
                            het gaat om een locatie die geen “weg”is in de zin van de
                            wegenverkeerswetgeving. Binnenplein is weg in de zin van de WVW en valt
                            daarmee niet onder “aangewezen plaats” uit de APV-bepaling. ABRS
                            18-4-1997, JG 97.0210 m.nt. A.B. Engberts.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:6 Parkeren van grote voertuigen</vet></al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In gemeentelijke kring wordt het meer en meer als noodzakelijk ervaren
                            dat het parkeren van grote voertuigen - in het bijzonder vrachtwagens -
                            op wegen in de stadscentra en in de woonwijken zoveel mogelijk wordt
                            tegengegaan. Maatschappelijk gezien is er een tendens waarneembaar dat
                            dit parkeren wordt ervaren als misbruik van de weg. De gevaren en
                            inconveniënten die deze parkeergedragingen kunnen opleveren, zijn
                            velerlei: onvoldoende opvallen bij schemer en duisternis van geparkeerde
                            vrachtwagens, onvoldoende zichtbaarheid </al><al>van tussen of achter deze voertuigen spelende kinderen, buitensporige
                            inbeslagneming van de schaarse parkeerruimte, belemmering van het
                            uitzicht vanuit de woning, afbreuk aan het uiterlijk aanzien der
                            gemeente enz. Op den duur zal het parkeren van grote voertuigen dan ook
                            niet meer dienen te geschieden op wegen binnen de bebouwde kom, althans
                            niet op die wegen binnen de </al><al>bebouwde kom, welke gelegen zijn in het centrum of in de woonwijken. Uit
                            de jurisprudentie kan worden opgemaakt, dat ook volgens de Hoge Raad het
                            parkeren van vrachtwagens in woonwijken enz., bezien tegen de
                            achtergrond van de recente verkeersomstandigheden en maatschappelijke
                            inzichten, niet (meer) redelijkerwijze als “normaal” verkeer kan worden
                            beschouwd. Artikel 5:8 bevat regels waarmee het parkeren van grote
                            voertuigen, voor zover dit </al><al>excessief is, kan worden tegengegaan. Zie voorts ook de algemene
                            toelichting onder punt 5 Vervangende parkeergelegenheid.</al><al>Artikel 5:6 bevat regels waarmee het parkeren van grote voertuigen, voor
                            zover dit excessief is, kan worden tegengegaan. In het kader van het
                            derde lid zijn in Almere een aantal bedrijventerreinen en enkele
                            parkeerterreinen - waar een dergelijk parkeren niet nadelig is -
                            aangewezen. </al><al></al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Het college heeft de bevoegdheid ter zake van het in het eerste lid
                            omschreven </al><al>verbod een ontheffing te verlenen. Aldus kan worden voorkomen dat de
                            werking van deze verboden zou leiden tot een onevenredige aantasting van
                            bedrijfsbelangen. Verzoeken om ontheffing zullen van geval tot geval
                            moeten worden bekeken. Omstandigheden welke in beginsel door alle
                            bedrijven - ongeacht de aard - kunnen worden aangevoerd, rechtvaardigen
                            op zich nog geen ontheffing. Van de mogelijkheid tot het verlenen van
                            ontheffing zal onder meer gebruik </al><al>dienen te worden gemaakt voor chauffeurs die een schriftelijke medische
                            verklaring overleggen, waaruit blijkt dat betrokkene niet van een
                            speciaal daartoe aangewezen parkeerterrein gebruik kan maken en ook
                            vaststaat dat betrokkene zonder ontheffing in moeilijkheden zou komen. </al><al>Aan een ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden
                            betreffende </al><al>de tijd en de plaats waarop deze zal gelden.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>De instelling van een parkeerverbod voor grote voertuigen dient of te
                            gebeuren op basis van de APV of op basis van een verkeersbesluit
                            (Wegenverkeerswetgeving). Een combinatie hiervan is niet mogelijk. Zie
                            Vz. AGRS 27-4-1993 (B03.93.0018), JU 941157 (VNG-databank).</al><al>Ontheffingenbeleid van gemeenten Grave en Stad Delden, waarbij geen
                            ontheffingen worden verleend voor het parkeren van grote voertuigen in
                            een woonbuurt, wordt door de Voorzitter van de ARRS als niet onredelijk
                            aangemerkt. Vz. ARRS 18-12-1992,S03.92.4266, JU 931114 (VNG-databank) en
                            Vz. ARRS 16-9-1993,S03.93.3369, JU 941013 (VNG-databank). De weigering
                            een ontheffing te verlenen voor het parkeren van een groot voertuig
                            wordt vernietigd, omdat er geen sprake is van een hoge parkeerdruk ter
                            plaatse, zoals werd aangevoerd. ARRS 4-5-1993, JG 93.0353 .Bij een
                            verzoek om bestuursdwang in geval van het parkeren van een groot
                            voertuig, waarbij het uiterlijk aanzien in het geding is, dient het
                            college een goede belangenafweging </al><al>te maken tussen enerzijds de redelijke eisen van welstand en anderzijds
                            de belangen van de eigenaar van het voertuig. De belangenafweging acht
                            de Afdeling rechtspraak niet onredelijk. ARRS 3-6-1991, JG 92.0301.
                            Wanneer (nagenoeg) de gehele bebouwde kom wordt aangewezen als gebied
                            waar geen vrachtwagens mogen worden geparkeerd, dient het college zich
                            ervan te </al><al>vergewissen dat geschikte alternatieve parkeergelegenheid aanwezig is,
                            waarbij ook rekening moet worden gehouden met de veiligheid van de
                            geparkeerde vrachtwagens. ABRS 15-5-2001, nr. 200002098/1.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</vet></al><al></al><al>Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf
                            reclame maken door een of meer voertuigen, voorzien van
                            reclameopschriften, op de weg te parkeren. Hierbij staat het maken van
                            reclame voorop. Als handelsreclame in de zin van dit artikel wordt niet
                            gezien de vermelding op een voertuig van de naam van het bedrijf waarbij
                            het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van de goederen of
                            diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen worden
                            immers niet primair gebruikt “met het kennelijke doel om daarmee </al><al>handelsreclame te maken”, maar vooral als vervoersmiddel. Het excessieve
                            is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan parkeerruimte
                            en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg
                            zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede
                            plaats kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan
                            van ontsiering </al><al>van het uiterlijk aanzien van de gemeente. In deze bepaling gaat het om
                            een “eigenlijk” parkeerexces, hetwelk veronderstelt dat de gedraging
                            plaatsvindt op een weg (in de zin van de WVW 1994). Het hebben van
                            handelsreclame op of aan onroerend goed op een vanaf de weg zichtbare
                            plaats is geregeld in artikel 4:8 van deze APV. Het in dit artikel
                            omschreven verbod is beperkt tot het maken van handelsreclame
                            (commerciële reclame). Uit de jurisprudentie en uit artikel 7, vierde
                            lid, van de Grondwet blijkt, dat de gemeentelijke wetgever in ieder
                            geval het maken van handelsreclame aan beperkingen mag onderwerpen. Voor
                            wat betreft de relatie met </al><al>artikel 10 EVRM en 19 IVBP zij verwezen naar de toelichting bij artikel
                            4:8. Onder omstandigheden mag hij, blijkens bedoelde jurisprudentie, ook
                            het maken van reclame, waardoor gedachten of gevoelens worden
                            geopenbaard (artikel 7 Grondwet) of een mening wordt geuit (artikel 10
                            EVRM) aan beperkingen onderwerpen. Men spreekt wel van “ideële reclame”.
                            De wenselijkheid en mogelijkheid hiervan dienen plaatselijk te worden
                            bezien. Het hier geregelde verbod luidt algemeen: voor het gehele
                            grondgebied van de gemeente (behoudens de ontheffingsmogelijkheid van
                            het tweede lid). Het staat de gemeenten echter vanzelfsprekend vrij de
                            werking van het verbod - naar plaats of tijd - afhankelijk te stellen
                            van het oordeel van het college. Zoals opgemerkt in de toelichting op
                            artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip “parkeren” zo uitgelegd, dat
                            het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van
                            een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het
                            voertuig.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak acht het beleid van het college van
                            Zierikzee geen ontheffingen te verlenen voor het parkeren van
                            reclamevoertuigen binnen de bebouwde kom en de daaropvolgende
                            bestuursdwangaanschrijving aanvaardbaar. De bescherming van het
                            uiterlijk aanzien (beschermd stadsgezicht) speelt een belangrijke rol.
                            ABRS 1-8-1994, JG 95.0245.</al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak meent dat het college van Groningen
                            terecht een </al><al>dwangsomaanschrijving heeft doen uitgaan tegen een voor een winkel
                            geplaatste riksja, waarmee handelsreclame werd gemaakt. Voor de
                            toepassing van deze bepaling is de aanwezigheid van een
                            verkeersgevaarlijke situatie niet vereist. ABRS 5-12-2001, nr.
                            200103426/1.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:8 Aantasting groenvoorzieningen door
                            voertuigen</vet></al><al></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken,
                            openbare beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het
                            parkeren van voertuigen. Met de onderhavige bepaling wordt beoogd
                            beschadiging van groenstroken e.d., die het uiterlijk aanzien van de
                            gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het groen beter aan zijn
                            bestemming te doen beantwoorden. Aangezien deze bepaling zich
                            uitsluitend richt tegen een “oneigenlijk” parkeerexces - dat wil zeggen
                            tegen een gedraging welke buiten de “weg” (in de zin van de
                            wegenverkeerswetgeving) plaatsvindt, behoeft voor strijd met de
                            bepalingen van de wegenverkeerswetgeving niet te worden gevreesd. Om
                            deze reden bestaat er geen bezwaar tegen dat in deze bepaling ook het
                            rijden over openbare beplantingen enz. wordt verboden.</al><al>Doorgaans zal een groenstrook geen deel uitmaken van de weg. Bermen
                            maken wel deel uit van de “wegen” in de zin van artikel 1 van de WVW
                            1994. Aangezien de berm rechtens deel uitmaakt van de weg, gelden de op
                            de desbetreffende weg betrekking hebbende verkeersvoorschriften eveneens
                            voor de berm, zoals parkeerverboden e.d. Artikel 10 van het RVV 1990
                            bepaalt dat auto’s, motoren e.d. op de rijbaan en op andere weggedeelten
                            - met uitzondering van het </al><al>trottoir, het voetpad, het fietspad of het ruiterpad - mogen worden
                            geparkeerd. Onder deze andere weggedeelten waar wel geparkeerd mag
                            worden vallen ook de bermen van een weg. Indien in een bepaald geval het
                            parkeren in een berm als ongewenst moet worden aangemerkt, kan een
                            parkeerverbod voor die berm worden ingesteld. Dit kan door plaatsing van
                            het bord E1 van Bijlage 1 van het RVV 1990 met een onderbord, waarop
                            staat dat het parkeerverbod alleen geldt voor de berm. Het is tevens
                            mogelijk dat het parkeren op de rijbaan niet wenselijk is, </al><al>bijvoorbeeld uit oogpunt van de verkeersveiligheid, maar dat het
                            parkeren in de </al><al>berm wel kan worden toegestaan. Ook in dit geval is plaatsing van het
                            genoemde </al><al>bord E1 noodzakelijk, maar nu met een onderbord waarop staat dat
                            parkeren in de </al><al>berm wel is toegestaan. Omdat de wegenverkeerswetgeving onder “wegen”
                            ook de bermen begrijpt, is het in artikel 5:8 vervatte verbod beperkt
                            tot groenstroken. </al><al>Bewust is hier gekozen voor de bestanddelen “doen of laten staan” in
                            plaats van “parkeren”, omdat ook het tot stilstand brengen van een auto
                            in een plantsoen beschadiging van het groen en vermindering van de
                            aantrekkelijkheid veroorzaakt. Opgemerkt mag nog worden dat gedragingen
                            als de onderhavige in sommige gevallen ook zaakbeschadiging in de zin
                            van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht met zich mee
                            brengen.</al><al>Zie voorts HR 27 oktober 1930, NJ 1931, blz. 62, waarbij een bepaling in
                            de APV van Assen, volgens welke het in de kom van de gemeente verboden
                            was zich te bevinden op de van gemeentewege aangelegde grasperken,
                            verbindend werd geacht. De bewering dat de gemeentelijke wetgever niet
                            bevoegd zou zijn naast het algemene verbod van artikel 461, Wetboek van
                            Strafrecht bedoelde verbodsbepaling uit te vaardigen, ging niet op. Deze
                            APV-bepaling had naar het oordeel van de Hoge Raad kennelijk ten doel
                            “maatregelen te nemen tegen beschadiging van Stadsbosch en door de
                            gemeente aangelegde grasperken, derhalve zorg voor de instandhouding van
                            gemeentelijk terrein, zijnde een onderwerp dat de huishouding van de
                            gemeente betreft”. Indien het in artikel 5.1.10 (oud) bedoelde voertuig
                            een door een </al><al>woonwagenbewoner bewoonde woonwagen is, zal het college deze niet met
                            toepassing </al><al>van bestuursdwang op grond van artikel 61 Woonwagenwet uit de gemeente
                            kunnen doen verwijderen dan nadat hiervoor door gedeputeerde staten
                            toestemming is verleend als bedoeld in dat artikel en nadat een
                            waarschuwing op grond van het vierde lid van dat artikel is
                            uitgevaardigd. Zie Wnd. Vz. ARRS 24 juni 1983, nr. RO3.83.3806/S 5980
                            (Oosterhout).</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Bij de onder b bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen, in
                            gebruik bij de politie of de brandweer, als ook bij de gemeentelijke
                            plantsoenendienst. Campings vallen onder terreinen als bedoeld onder
                            c.</al><al></al><al><cursief>Vierde lid Lex silencio positivo (positieve fictieve
                                beschikking bij niet tijdig beslissen)</cursief></al><al>Gezien het belang dat hier aan de orde is: het voorkomen van schade aan
                            groenvoorzieningen, lijkt het niet bijzonder wenselijk om hier een lex
                            silencio positivo toe te passen. Daarvan is dan ook afgezien.</al><al></al><al><vet>AFDELING 2. COLLECTEREN</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:9 Inzameling van geld of goederen</vet></al><al></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In het kader van de vermindering van regelgeving en de vereenvoudiging
                            van vergunningen is gekeken of de inzamelingsvergunning gehandhaafd
                            dient te worden of dat er andere mogelijkheden zijn variërend van
                            afschaffen van de vergunning tot een algemene regel.</al><al></al><al><cursief>Achtergrond</cursief></al><al>Van oudsher wordt in Nederland op ruime schaal een beroep gedaan op de
                            liefdadigheidszin van het publiek door middel van collecten,
                            inschrijvingen, verkoop van steunbonnetjes enz. Doorgaans gaan
                            inzamelingsacties uit van volkomen betrouwbare instellingen. Incidenteel
                            komt het voor dat bij de inzamelaar niet de charitatieve doelstelling
                            voorop staat maar een ander (commercieel) belang. Hierbij wordt bij de
                            burger de indruk gewekt dat de opbrengst naar het goede doel gaat
                            terwijl dit voor maar een klein deel het geval is. Buiten de sfeer van
                            het strafrecht ligt het bestrijden van ongewenste praktijken primair op
                            de weg van de gemeenten die het vergunningenbeleid voor inzamelingen in
                            handen hebben. Dit is destijds verwoord in de Memorie van Toelichting
                            (MvT) bij het wetsontwerp tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht
                            met een </al><al>bepaling omtrent telefonische colportage voor een goed doel (Kamerstuk
                            15678, Stb. 1982,12). Bijlage bij dit kamerstuk was het rapport van de
                            Werkgroep misbruik bij charitatieve acties. Deze interdepartementale
                            werkgroep werd in 1976 ingesteld naar aanleiding van kamervragen met als
                            opdracht te rapporteren op welke wijzen zich bij charitatieve acties
                            misbruik kan voordoen en of en in hoeverre dit kan worden bestreden. In
                            de MvT wordt het volgende opgemerkt: “Ook de overheid heeft een taak om
                            het misbruik dat in sommige gevallen van de betere gevoelens van de
                            mensen en van hun goedgeefsheid wordt gemaakt te bestrijden. Niet alleen
                            is dit nodig ter </al><al>bescherming van het publiek, maar ook ter bescherming van de bonafide
                            charitatieve instellingen, die voor de financiering van hun activiteiten
                            in meerdere of mindere mate zijn aangewezen op de offerzin van het
                            publiek. Het rapport stelt vast, dat in de jurisprudentie in het
                            algemeen wordt aangenomen dat de gemeentelijke wetgever regelend mag
                            optreden ten aanzien van zowel het venten als het collecteren in de
                            gemeente. De gemeentelijke wetgever dient in zijn regeling van het
                            venten echter wel een uitzondering te maken voor het venten met gedrukte
                            stukken, daar hij anders in strijd komt met artikel 7 van de
                            Grondwet”.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Huidige ontwikkelingen</cursief></al><al>Inmiddels zijn we dertig jaar verder. De vraag is of in de huidige
                            maatschappij nog steeds behoefte is aan een beschermende overheid zowel
                            in het kader van het toezicht op bonafide instellingen als van de
                            beperking van het aantal inzamelingen met het oog op het voorkomen van
                            overlast voor burgers. Er zijn verschillende redenen om deze rol van de
                            overheid voort te zetten. </al><al>De manieren waarop wordt ingezameld zijn steeds indringender geworden:
                            via de post (direct mail), de telefoon, het aanspreken op straat (direct
                            dialogue), door shows op tv (het Glazen Huis) en concerten (Live Aid, )
                            direct of indirect aangesproken.</al><al>De goede doelen-branche is steeds verder is geprofessionaliseerd; denk
                            aan de professionele (commerciële) en wervingsbedrijven. Deze sales- en
                            marketingbedrijven zijn gericht op het werven van klanten (leden of
                            donateurs) voor hun opdrachtgevers.</al><al>Er zijn daarnaast nog steeds kwetsbare groepen in de samenleving die
                            enige bescherming nodig hebben. Niet voor niets wordt regelmatig
                            aangegeven dat het bij bezoek aan de deur, voor wat voor reden dan ook,
                            verstandig is een legitimatie te vragen.</al><al></al><al>Voornoemde argumenten zijn redenen om de inzamelingsvergunning niet te
                            schrappen uit de APV. Wel vindt een dereguleringsslag hierin plaats. Het
                            verbod geldt namelijk niet voor de instellingen die voorkomen op het
                            collecterooster, voor collectes die in besloten kring plaatsvinden en
                            voor collectes die door verenigingen uit Almere worden gehouden in één
                            van de stadsdelen. Niet is gebleken dat dergelijke kleine collectes
                            problemen veroorzaken en de grote collectes voor de voeten lopen.</al><al>Voor overige collectes geldt een vergunningplicht. Deze vergunning wordt
                            voor bepaalde tijd afgegeven in collectevrije periode. Het verlenen van
                            deze incidentele vergunningen is maatwerk. Een toets of een instelling
                            in het bezit is van een keurmerk of een verklaring van geen bezwaar van
                            het CBF (Centraal Bureau Fondsenwerving) ligt hierbij in de rede. De
                            weigeringgronden van artikel 1:8 van de APV zijn van toepassing op de
                            inzamelingsvergunning.</al><al></al><al><cursief>Direct dialogue</cursief></al><al>Direct dialogue is een fondsenwervingmethode waarbij mensen worden
                            aangesproken en gevraagd om donateur of lid te worden van een instelling
                            voor een goed doel en waarbij een intekenlijst wordt aangeboden. Het
                            publiek geeft een machtiging af. Het is een wervingmethode die de
                            laatste jaren snel populair is geworden.</al><al>Tot voor kort voor was de meest voorkomende vorm van direct dialogue
                            inzameling op plekken met veel lopend publiek, bijvoorbeeld in het
                            winkelgebied of bij stations. Tegenwoordig wordt deze vorm van inzamelen
                            ook huis-aan-huis toegepast. Dit maakt de vergunningverlening complexer.
                            Duidelijk is dat voor de huis-aan-huiswerving rekening gehouden dient te
                            worden met het collecterooster. De vergunning voor huis-aan-huis direct
                            dialogue kan dan ook alleen verleend worden voor de vrije perioden,
                            waarin ook ruimte dient te zijn voor lokale instellingen.</al><al>Organisaties die gebruik maken van direct dialogue, willen graag
                            meerdere malen per jaar, gedurende enkele dagen leden werven. Een
                            systeem van vergunningverlening zoals aan de huis-aan-huiscollecten ten
                            grondslag ligt (één keer per jaar één week) voldoet niet aan deze
                            behoefte. Duidelijk is ook dat er een verschil is tussen huis-aan-huis
                            collecteren en inzamelingen op straat. Een groot aantal
                            huis-aan-huiscollecten geeft eerder dan een groot aantal straatcollecten
                            aanleiding tot afkeer en wrevel onder de bevolking (AR 02-12-1983, Gst.
                            1984, 6763, 3).</al><al></al><al>Er is een mogelijkheid om voordirect dialogue-activiteiten beleidsregels
                            vast te stellen. Daarin kan aangegeven worden hoeveel instellingen op
                            een zelfde dag een inzamelingsvergunning krijgen voor straatwerving,
                            waarbij ook gekeken kan worden naar het aantal wervers dat per
                            instelling ingezet mag worden. Ook kan worden bepaald op welke plaatsen
                            gebruik kan worden gemaakt van de vergunning. Afgewogen dient te worden
                            welke plekken het meest wenselijk zijn vanuit de belangen van de
                            wervende instelling en welke plekken geschikt zijn in het kader van
                            verkeersveiligheid, openbare orde en overlast. De in artikel 1:8
                            opgenomen weigeringgronden geven de gemeente de mogelijkheid aan de hand
                            van daar genoemde criteria een maximumstelsel te hanteren.</al><al>Er bestaat een Gedragscode brancheorganisatie van de Vereniging Direct
                            Dialogue Donateurswervers Nederland. In deze gedragscode zijn regels
                            opgenomen voor het werven van leden en donateurs door middel van
                            persoonlijke gesprekken. Enkele van die regels zijn: de dienstverleners
                            en hun medewerkers zullen zich aan landelijke en lokale regelgeving
                            houden (o.a. de APV), geen gebruik maken van een intimiderende of
                            agressieve werkwijze, de wervers hebben altijd een identificatie bij
                            zich en zijn goed getraind en geïnformeerd.</al><al></al><al><cursief>Direct dialogue in relatie tot venten</cursief></al><al>Het komt de laatste tijd regelmatig voor dat gemeenten benaderd worden
                            door marketing- en salesorganisaties die een vergunning aanvragen om
                            huis-aan-huis klanten te werven voor hun opdrachtgevers. Een
                            opdrachtgever kan een charitatieve instelling zijn waarvoor leden worden
                            geworven door middel van een intekenlijst, maar ook een bedrijf dat
                            producten verkoopt. Bijvoorbeeld een energie- of telefonieleverancier
                            werft huis-aan-huis klanten waarbij aan de deur een contract wordt
                            ondertekend. De vergunningen die mogelijk op deze activiteiten van
                            toepassing zijn, zijn de inzamelingsvergunning (art 5:13 APV) en de
                            ventvergunning (art. 5:14 e.v. APV). Wat betreft de
                            inzamelingsvergunning is het verwarrend dat het niet het charitatieve
                            doel zelf is dat de vergunning aanvraagt, maar de commerciële
                            organisatie in opdracht van een goed doel. Voor de hand ligt dat aan
                            deze instelling bij het verlenen van de inzamelingsvergunning dezelfde
                            voorwaarden worden opgelegd als aan een charitatieve instelling, dus ook
                            het terugkoppelen van wat ingezameld is (hoeveel machtigingen en voor
                            welk bedrag).</al><al></al><al>Bij venten ziet de vergunningplicht zowel op het aanbieden van goederen
                            als het aanbieden van diensten. Het werven van klanten voor
                            energieleveranciers valt onder het aanbieden van diensten. Doel is
                            immers om via deze methode een contract af te sluiten voor de levering
                            van een dienst. Een andere vorm van venten is het op straat of
                            huis-aan-huis verkopen van producten als een hotelbon of bon voor
                            vakantiepark.</al><al></al><al><cursief>Gemeentelijk beleid met betrekking tot de verlening van de
                                inzamelingsvergunningen</cursief></al><al>Het gemeentelijk beleid inzake de verlening van inzamelingsvergunningen
                            heeft twee uitgangspunten: de inzameling geschiedt door bonafide te
                            achten instellingen en in het kader van overlast wordt het aantal
                            collecten beperkt en gelijkmatig over het jaar verdeeld. Desgewenst
                            wordt een onderscheid gemaakt tussen inzamelingen huis-aan-huis en op
                            straat.</al><al>De collecten van landelijke instellingen, voorkomende op het
                            collecterooster krijgen een doorlopende vergunning. De gemeente volgt
                            hierbij het CBF en de Stichting Collecteplan. Instellingen die niet op
                            dit collecterooster voorkomen en een vergunning vragen voor een vrije
                            periode of voor werving op straat dienen door de gemeente beoordeeld te
                            worden. Bij de beoordeling van de aanvragen worden in de praktijk onder
                            meer de volgende criteria gehanteerd (indien van toepassing):</al><al>- de instelling moet als bonafide zijn aan te merken (advies inwinnen
                            bij CBF);</al><al>- de instelling moet specifiek plaatselijke kenmerken bezitten;
                            en/of</al><al>- de voorgenomen actie is geen duplicering van andere al “gevestigde”
                            inzamelingen ten bate van een identiek doel, met name dat van
                            instellingen vermeld op het collecteplan; en/of</al><al>- de opbrengst van de voorgenomen collecte moet worden besteed ten
                            behoeve van personen of instellingen buiten de kring van collecterende
                            instellingen; en/of</al><al>- de aanvragende instelling mag geen (controversiële) politieke
                            doeleinden nastreven;</al><al>- controle van de begroting op besteding van de gelden;</al><al>- tellen onder toezicht van een notaris;</al><al>- betalingsbewijs achteraf (dat het geld daadwerkelijk is overgemaakt
                            aan doel);</al><al>- gesloten bus, legitimatie inzamelaars etc.;</al><al>- onderschrijven Gedragscode brancheorganisatie van de Vereniging Direct
                            Dialogue Donateurswervers Nederland.</al><al></al><al><cursief>Dierenrechtenactivisme en
                            dierenrechtenextremisme</cursief></al><al>In het voorjaar van 2009 heeft er een Algemeen Overleg in de Tweede
                            Kamer plaatsgevonden waarbij de inzamelingsvergunning ter sprake kwam.
                            Aanleiding voor het AO vormt een rapport van de AIVD
                            Dierenrechtenextremisme in Nederland gefragmenteerd maar groeiende. In
                            dit rapport wordt het volgende opgemerkt: “Zeer regelmatig wordt er
                            gecollecteerd in bijvoorbeeld winkelcentra, waarbij getracht wordt de
                            goedgeefsheid van het publiek te bevorderen door het vertonen van
                            shockerende foto’s”.</al><al>In het AO hebben Kamerleden aan de minister gevraagd of het voorkomt dat
                            gecollecteerd wordt door organisaties die illegale activiteiten plegen.
                            De minister heeft toegezegd in overleg met de VNG na te gaan hoe
                            gemeenten omgaan met de vergunning verlening voor collecten en welke
                            criteria daarbij gehanteerd worden.</al><al>Zowel het CBF als de VNG herkennen het beeld dat de AIVD in haar rapport
                            schetst niet. Wij vermoeden dat deze collectes vooral plaatsvinden
                            zonder vergunning. Het is daarmee allereerst een handhavingstaak.</al><al>In het geval er wel een vergunning wordt aangevraagd zal dit
                            waarschijnlijk een incidentele vergunning betreffen. In de paragraaf
                            hierboven is aangegeven welke criteria de gemeente kan hanteren bij het
                            verlenen van een incidentele vergunning.</al><al>Van belang is dat altijd contact wordt opgenomen met het CBF. Zij kunnen
                            aangeven of deze organisatie een keurmerk of certificaat heeft. Ook kan
                            worden aangegeven of de organisatie recent ook in andere gemeenten een
                            aanvraag voor een inzamelingsvergunning heeft ingediend. Indien bij het
                            CBF wordt gemeld dat zich problemen voordoen met dergelijke organisaties
                            kan het CBF besluiten om daar bekendheid aan te geven door bijvoorbeeld
                            een waarschuwing te plaatsen op de website van het CBF.</al><al></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Voor het houden van een openbare inzameling is een vergunning van het
                            college nodig. Het artikel ziet op de welbekende inzamelingen van geld
                            middels collectebussen, maar ook op inzamelingen met gebruik van
                            intekenlijsten en de inzameling van goederen. Dit laatste komt
                            bijvoorbeeld voor als burgers gevraagd wordt een bijdrage te leveren aan
                            een voedselpakket. Dit kan middels een gift in geld maar ook door
                            (vooraf bepaalde) producten te kopen en vervolgens te doneren. Voor de
                            openbaarheid van de inzameling is het voldoende dat deze op of aan de
                            openbare weg dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats
                            plaatsvindt. De bepaling ziet zowel op het collecteren voor een ideëel
                            als voor een commercieel doel. Deze bepaling ziet formeel ook op
                            inzamelen met collectebussen die op de toonbank van winkels geplaatst
                            zijn. Meestal betreft het hier een collectebus die voor langere tijd
                            geplaatst wordt. Hoewel dit formeel vergunningplichtig is, wordt hier in
                            de praktijk soepel mee omgegaan. Het heeft nog nooit tot klachten van
                            hetzij burgers hetzij organisaties op het collecterooster geleid.</al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) dient bij
                            vreemdelingen die willen collecteren voor een commercieel doel bij de
                            aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te
                            vinden voordat tot vergunningverlening kan worden overgegaan. Zie voor
                            overige informatie over dit onderwerp onder het kopje Vreemdelingen
                            onder de Algemene toelichting.</al><al></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In het tweede lid is aangegeven dat ook een vergunning vereist is,
                            indien bij een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden
                            aangeboden. Het komt veelvuldig voor dat het collecteren plaatsvindt
                            onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken, zoals
                            prentbriefkaarten, mapjes briefpapier e.d., waarbij de opbrengst een
                            charitatieve bestemming heeft.</al><al></al><al><cursief>Briefkaartenacties</cursief></al><al>Bij briefkaartenacties worden briefkaarten huis-aan-huis te koop
                            aangeboden. </al><al>Deze activiteit komt tot stand op initiatief van commerciële
                            organisaties waarbij de naam van een goed doel wordt gebezigd. Er wordt
                            gebruikt gemaakt van studenten bij de verkoop. Een klein deel van de
                            opbrengst komt ten goede aan het goede doel, de rest van de opbrengst
                            aan de initiatiefnemers van de commerciële instelling. Het is verwarrend
                            dat erkende goede doelen (CBF-keur) meewerken aan dergelijke acties. Het
                            CBF dringt er bij de door haar erkende goede doelen dan ook op aan om
                            goed toezicht te houden op de verkoopactiviteiten en de informatie </al><al>die daarbij vertrekt wordt. Vanwege klachten over deze activiteiten die
                            zowel bij het CBF als bij de goede doelen zijn binnengekomen, is door
                            verschillende instellingen met een goed doel besloten te stoppen met
                            deze activiteiten.</al><al></al><al><cursief>Vrijheid van meningsuiting</cursief></al><al>De vraag rijst of deze wijze van collecteren valt onder de bescherming
                            van artikel 7, eerste lid, van de Grondwet (recht op vrije
                            meningsuiting). Dit is niet het geval. In vaste rechtspraak is een
                            scheiding aangebracht tussen het collecteren enerzijds en het daarbij
                            aanbieden van gedrukte stukken anderzijds (HR 26-05-1987, 106, Vz ARRS
                            16-08-1979, AB 1979, 297 en 18-10-1979, OB 180, nr. 41340, rubriek
                            III.2.2.7). Ook een beroep op artikel 10 van het EVRM en artikel </al><al>19 van het IVBPR heeft de verbindendheid van een dergelijke bepaling
                            niet aangetast.</al><al>In het tweede lid van artikel 5:9 zijn de beide handelingen - het
                            collecteren en het daarbij aanbieden van geschreven of gedrukte stukken
                            - bewust van elkaar gescheiden. Volgens dit tweede lid is uitsluitend
                            het houden van openbare inzamelingen van een vergunning afhankelijk,
                            niet het daarbij aanbieden of verspreiden van geschreven of gedrukte
                            stukken. Dit houdt dus in dat als een aanvraag om een
                            inzamelingsvergunning wordt geweigerd waarbij de aanvrager van </al><al>plan was om bij de geldinzameling gedrukte stukken aan te bieden, dan
                            blijft het recht om deze stukken aan te bieden zonder meer bestaan.
                            Daarbij maakt het bijzondere element “... indien daarbij te kennen wordt
                            gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele
                            voor een liefdadig of een ideëel doel is bestemd” nog eens duidelijk,
                            dat het gaat om een regeling van het collecteren en niet om een regeling
                            van het venten of colporteren met gedrukte stukken. Huis-aan-huisverkoop
                            van briefkaarten e.d. waarbij te kennen wordt gegeven dat dit geheel of
                            gedeeltelijk plaatsvindt ten behoeve van het goede doel is op basis van
                            het bovenstaande dan ook een vergunningplichtige activiteit. De
                            uitspraak van de Hoge Raad van 21 maart 2000, NJ 2000, 482 waar door
                            commerciële kaartverkooporganisaties nog wel eens naar verwezen wordt,
                            doetdaar niet aan af. Bij deze kaartverkoopacties is het voornaamste
                            doel het inzamelen van geld (veelal deels ten behoeve van het goede
                            doel).</al><al></al><al><cursief>Venten/colporteren (met gedrukte stukken) of inzamelen (onder
                                gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken)</cursief></al><al>Het collecteren onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken moet
                            onderscheiden worden van het venten of colporteren met gedrukte stukken.
                            Venten of colporteren met gedrukte stukken valt onder de werking van
                            artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Het venten of colporteren beoogt
                            vooral het dekken van de kosten van verspreiding (het drukken en
                            redigeren daaronder begrepen) van gedrukte stukken. Het aanvaarden van
                            geld is dus duidelijk dienstbaar aan de </al><al>verspreiding. Van venten of colporteren met gedrukte stukken is sprake,
                            wanneer </al><al>voor deze stukken een reële contraprestatie in de vorm van een vast
                            bedrag wordt gevraagd. Denk hierbij aan de verkoop van abonnementen op
                            kranten of tijdschriften. Verkrijgt men een of ander drukwerk door een
                            willekeurig bedrag of een weliswaar vast, maar niet meer als reële
                            contraprestatie aan te merken, bedrag aan geld in een bus te werpen of
                            te overhandigen als bijdrage voor een duidelijk kenbaar liefdadig of
                            ideëel doel, dan is er in onze opvatting sprake </al><al>van een collecte. De gedrukte stukken worden daarbij slechts ter
                            ondersteuning van die actie uitgereikt en zijn niet elementair voor het
                            verschijnsel collecte. Bij strafrechtelijk optreden tegen dit soort,
                            zonder vergunning gehouden inzamelingen zal ten laste gelegd en bewezen
                            moeten worden, dat te kennen is gegeven of de indruk is gewekt dat de
                            opbrengst geheel of gedeeltelijk is bestemd voor een ideëel doel.</al><al></al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>In het derde lid van artikel 5:9 is een uitzondering op de
                            vergunningplicht voor de instellingen die voorkomen op het
                            collecterooster, voor collectes die in besloten kring plaatsvinden en
                            voor collectes die door verenigingen uit Almere worden gehouden in één
                            van de stadsdelen. Niet is gebleken dat dergelijke kleine collectes
                            problemen veroorzaken en de grote collectes voor de voeten lopen. Wel
                            moeten collectanten van deze verenigingen zich kunnen legitimeren, zodat
                            duidelijk is namens welke vereniging zij de collecte houden. Indien wel
                            problemen worden veroorzaakt kan deze bepaling eventueel worden aanpast
                            bij een volgende wijziging. </al><al>De uitdrukking “in besloten kring” doelt op gevallen waarin tussen de
                            inzamelende instelling en de </al><al>persoon tot wie zij zich richt een bepaalde kerkelijke, maatschappelijke
                            of verenigingsband bestaat, welke binding de achtergrond vormt van de
                            actie. Het begrip “besloten kring” veronderstelt een nauwere band dan
                            alleen het gemeenschappelijk lidmaatschap. Men zal moeten aangeven dat
                            er ook een zekere gemeenschappelijke bekendheid is. Dit zal niet het
                            geval zijn, indien de band tussen aanbieder en cliënt uitsluitend wordt
                            gevonden in het gemeenschappelijk lidmaatschap van een grote organisatie
                            als een vak- of een omroepvereniging. Ditzelfde geldt voor het behoren
                            tot een zelfde kerkgenootschap. Wordt de actie echter gevoerd binnen een
                            bepaalde kerkelijke gemeente of wijk, of door een plaatselijke afdeling
                            van een landelijke vereniging, dan zal weer wel sprake kunnen zijn van
                            een besloten kring.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Noch een APV-vergunning inzake het inzamelen van geld en goed, noch een
                            vergunning voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen en/of
                            groot huisvuil is vereist. Inzameling van kleding is geen inzameling van
                            huisvuil. Inzamelen bij een centraal inzamelpunt is geen inzameling aan
                            de weg of aan huis. Vz. ARRS 19-01-1993, JG 93.0355 , Gst. 1994, 6983, 3
                            m.nt. EB.Het beleid van het college dat - conform het advies van het
                            Centraal Archief van het Inzamelingswezen - sedert 1985 aan landelijk
                            opererende instellingen die in de zgn. vrije periode collecteren, de
                            voorwaarde wordt gesteld tot het binnen twee jaar overleggen van een
                            financiÃ«le verantwoording, in de vorm van een jaarverslag met een
                            accountantsverklaring, is niet onredelijk. ARRS 28-02-1989, AB 1989,
                            251. Een groot aantal huis-aan-huiscollecten kan eerder dan een groot
                            aantal straatcollecten aanleiding geven tot afkeer en wrevel onder de
                            bevolking. ARRS </al><al>02-12-1983, Gst. 1984, 6763, 3, m.nt. J.M. Kan. Een inzameling is
                            openbaar als deze aan de openbare weg of van daaraf zichtbaar dan wel op
                            een andere voor het publiek toegankelijke plaats plaatsvindt. HR
                            31-10-1938, NJ 1939, 235. Het te koop aanbieden van bonnetjes op zich
                            zelf en zonder dat is aangegeven tot welk doel de opbrengst van de
                            verkoop strekt, is nog niet aan te merken als het houden van een
                            openbare inzameling. HR 07-11-1932, W. 1933, 12584.</al><al>Het zich tot verschillende personen wenden om een geldelijke bijdrage,
                            levert het houden van een inzameling van geld op, ook indien op die
                            verzoeken slechts één gift is ontvangen. HR 21-03-1927, NJ 1927.De
                            collectevergunning geldt voor liefdadige en commerciële inzamelingen. </al><al>Daarnaast rechtvaardigt de ABRS het door de gemeente gelegde verband
                            tussen inzamelingsvergunningen voor textiel en het afvalstoffenbeleid,
                            JG 00.0187 .</al><al></al><al><vet>AFDELING 3. VENTEN</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:10 Begripsbepalingen</vet></al><al></al><al>Onder venten met goederen wordt verstaan: de uitoefening van kleinhandel
                            waarbij goederen of diensten aan willekeurige voorbijgangers worden
                            aangeboden dan wel het huis aan huis aanbieden van goederen of diensten.
                            Bij venten is het van belang dat de venter in beweging is, tenzij hij
                            klanten bedient. De venter biedt zijn waren voortdurend aan vanaf een
                            andere plaats. Het tijdelijk stilstaan in afwachting van klanten is geen
                            venten. HR 26-03-1974, NJ 1974, 239. </al><al>Het onderscheid tussen venten en collecteren is het volgende. Van venten
                            of colporteren is sprake wanneer voor deze goederen een reële
                            contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt gevraagd. In
                            principe worden bij collecteren geen goederen aangeboden, maar gaat het
                            om het inzamelen van geld en goederen. Verkrijgt men een drukwerk of
                            ander goed door een willekeurig bedrag of een weliswaar vast, maar niet
                            meer als reële contraprestatie aan te merken, bedrag aan geld in een bus
                            te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een duidelijk </al><al>kenbaar liefdadig of ideëel doel, dan is sprake van een collecte. De
                            goederen worden daarbij slechts ter ondersteuning van die actie
                            uitgereikt. Bij strafrechtelijk optreden tegen dit soort zonder
                            vergunning gehouden inzamelingen zal ten laste gelegd en bewezen moeten
                            worden dat te kennen is gegeven of de indruk is gewekt dat de opbrengst
                            geheel of gedeeltelijk is bestemd voor een ideëel doel. </al><al>Het onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats,
                            betreft de periode gedurende welke goederen vanaf dezelfde plaats op
                            straat worden aangeboden aan willekeurige voorbijgangers. Onder het
                            innemen van een standplaats wordt verstaan het te koop aanbieden van
                            goederen vanaf eenzelfde plaats, gebruikmakend van fysieke hulpmiddelen
                            als een kraam of een aanhangwagen, in de openbare ruimte. Het tien
                            minuten standplaats innemen vereist een standplaatsvergunning en geen
                            ventvergunning, HR 26-03-1974, NJ 1974, 239. Venten en standplaatsen
                            sluiten elkaar dus uit.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:11 Ventverbod</vet></al><al></al><al>Het is verboden te venten als de openbare orde wordt verstoord, de
                            openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komen.
                            De terminologie sluit aan bij de Europese Dienstenrichtlijn. Hieronder
                            vallen de aloude motieven van overlast (in de meeste gevallen) en
                            verkeersveiligheid. Zie voor nadere uitleg de toelichting onder artikel
                            1:8. Tot het afschaffen van het vergunningstelsel is besloten, omdat
                            venten over het algemeen geen overlast e.d. oplevert. Volgens de
                            Dienstenrichtlijn is een vergunning alleen proportioneel als een
                            controle achteraf onvoldoende is.</al><al></al><al>De uitgangspunten van de Dienstenrichtlijn op grond van het EG-verdrag
                            gelden overigens in het geval van venten ook voor het verkopen van
                            goederen. Volgens het Hof van Justitie kunnen beperkingen gesteld worden
                            aan de vrijheid van venten indien sprake is van een dwingende reden van
                            algemeen belang. Op grond van artikel 16 van de Dienstenrichtlijn mogen
                            er eisen worden gesteld aan dienstverleners die tijdelijk in Nederland
                            hun diensten aanbieden in het belang van de openbare orde en veiligheid.
                            Zie voor de argumentatie waarom gekozen is voor deze regeling de
                            toelichting bij artikel 1:8.</al><al></al><al>In welke gevallen sprake is van gevaar voor de in het artikel genoemde
                            motieven kunnen nadere regels gesteld worden op grond van het gestelde
                            in het derde lid. Deze nadere regels moeten bekend gemaakt worden. Ook
                            nadere regels moeten voldoen aan criteria van de Dienstenrichtlijn.
                            Immers volgens artikel 4, van de Richtlijn vallen onder de definitie van
                            eisen die gesteld kunnen worden: elke verplichting, verbodsbepaling,
                            voorwaarde of beperking uit hoofde van de wettelijke en
                            bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten.</al><al></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het tweede lid is ingevoegd om te voorkomen dat burgers op zondag of in
                            de late avonduren en nacht worden lastig gevallen door venters. Hierbij
                            wordt opgemerkt dat in Almere ventvergunningen zijn verleend aan o.a.
                            ijscowagens, waarbij wel toestemming is verleend om op zondag te venten.
                            Deze vergunningen vallen onder de overgangsbepaling van artikel 6:5 en
                            blijven gewoon van toepassing. Voor de nieuwe gevallen gelden de
                            bepalingen in de nieuwe APV.</al><al></al><al><cursief>Redelijk verzorgingsniveau</cursief></al><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau
                            in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang
                            aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd
                            worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de
                            vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie
                            van de Afdeling </al><al>bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                            concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de
                            gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één
                            uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor
                            de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een
                            gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden
                            aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke
                            winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als door
                            een venter dezelfde goederen aangeboden worden. De Dienstenrichtlijn
                            staat deze weigeringsgrond voor venters die (mede) diensten verlenen
                            niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet
                            toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft
                            echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren voor het
                            verkopen van goederen. De Dienstenrichtlijn is </al><al>hierop immers niet van toepassing.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:12 Vrijheid van meningsuiting</vet></al><al></al><al>Artikel 7 Grondwet bepaalt dat geen vergunning mag worden geëist voor de
                            gebruikmaking van een zelfstandig middel van bekendmaking. In de
                            jurisprudentie is het aanbieden van of venten met gedrukte stukken als
                            een zelfstandig middel van bekendmaking aangemerkt. Een afzonderlijk
                            probleem is het beoordelen of er in een concrete situatie sprake is van
                            de uitoefening van “een zelfstandig middel van bekendmaking” in de zin
                            van artikel 7 van de Grondwet of dat er </al><al>sprake is van het te koop aanbieden van drukwerk, waarbij geen gedachten
                            of gevoelens worden geopenbaard. Het verspreiden van handelsreclame
                            wordt niet tot de vrijheid van drukpers gerekend, zie artikel 7, vierde
                            lid van de Grondwet. Ook het trekken van een grens tussen het aanbieden
                            van gedrukte stukken in het kader van de vrijheid van drukpers en het
                            verkopen van gedrukte stukken is in de praktijk dikwijls moeilijk vast
                            te stellen. Zo is in de jaren tachtig in een </al><al>groot aantal gemeenten het verzoek gedaan tot het venten met
                            prentbriefkaarten. De firma die in deze gemeenten haar prentbriefkaarten
                            in het kader van een commerciële protestactie wilde verkopen was van
                            mening dat het gedrukte stukken betrof die, gelet op artikel 7 Grondwet,
                            zonder ventvergunning verkocht mogen worden. Hoewel bij de verkoop van
                            deze kaarten gesuggereerd werd dat de opbrengst voor een goed doel
                            bestemd was, bleek de opbrengst geheel ten goede te komen aan de
                            verkoper van de prentbriefkaarten. Optreden tegen de verkoper op grond
                            van overtreding van een APV-bepaling waarin een ventverbod wordt </al><al>vastgelegd, is in een dergelijk geval echter niet mogelijk. In een geval
                            van verkoop van posters met reproducties van aquarellen en afbeeldingen
                            van foto’s al dan niet voorzien van teksten, is bepaald dat deze voor
                            geen andere uitleg vatbaar zijn dan dat zij een bepaalde uiting van
                            kunst </al><al>bevatten of ludiek van aard zijn. Bezwaarlijk kan van zulke gedrukte
                            stukken gezegd worden dat zij geen gedachten of gevoelens openbaren als
                            bedoeld in art. 7, eerste lid, van de Grondwet.</al><al>Het stellen van beperkingen aan het venten met gedrukte stukken is onder
                            de volgende criteria toegestaan: de beperking mag geen betrekking hebben
                            op de inhoud van de gedrukte stukken en er dient gebruik van enige
                            betekenis te resteren; de beperking mag niet resulteren in een algeheel
                            verbod. Een constructie, waarbij aan een (beperkt) verbod de
                            mogelijkheid tot het verlenen van een ontheffing is verbonden, is
                            volgens de jurisprudentie wel toelaatbaar. De beperking van de verkoop
                            van drukwerk waarop een mededeling staat is, gelet op artikel 7 van de
                            Grondwet, niet mogelijk voor zover het betreft de inhoud van het
                            drukwerk. Artikel 7 van de Grondwet beschermt immers “iedere
                            openbaarmaking van een - meer of minder weloverwogen - gedachte of een
                            gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit”(Kb
                            5 juni </al><al>1986, Stb. 339). Wel kan de verkoop van drukwerk in het belang van de
                            openbare orde en veiligheid naar tijd en plaats worden ingeperkt.</al><al></al><al><cursief>Daklozenkrant</cursief></al><al>De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond
                            van artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan
                            een vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2:4 van de
                            APV. Als verkoop plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een
                            supermarkt, dan kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan. Het
                            verdient aanbeveling om te overleggen met de koepelorganisaties die de
                            daklozen vertegenwoordigt. Immers niet iedereen kan een straatkrant
                            verkopen. De verkopers moeten in het bezit zijn van een
                            identiteitsbewijs van de koelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen dat
                            ze officiële straatkantverkopers zijn.</al><al></al><al><cursief>Vierde lid Lex silencio positivo</cursief></al><al>Er is voor gekozen een lex silencio positivo op te nemen. De vrijheid
                            van meningsuiting is een zaak van belang, en het zou niet wenselijk zijn
                            als de overheid hier door niet te beslissen de zaak in het onzekere zou
                            laten.</al><al></al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Strafrechtelijk verleden staat in de weg aan het verlenen van
                            ventvergunning. Geen uitzondering op het beleid gezien de aard van de
                            gepleegde feiten en de veelvuldige veroordelingen. ARRS 26-07-1993, AB
                            1994, 2 m.nt. LJJR. Zie ook Vz. ARRS 20-10-89, JG 90.0181 . Relatie
                            Colportagewet en ventverbod uit de APV. Colportagewet niet uitputtend
                            bedoeld. HR 20-10-1992, JG 93.0258 , NJ 1993, 155, Gst.1993, 6972, 5
                            m.nt. EB. Verkoopactiviteiten vanuit rijdende winkel is
                            vergunningplichtig op grond van de APV. De regeling in de APV is niet in
                            strijd met de Vestigingswet Bedrijven 1954 (inmiddels ingetrokken). Aan
                            toetsing van de APV-bepaling aan artikel 30 van het EG-verdrag komt de
                            afdeling niet toe. ABRS 27-11-1998, Gst.1999, 7090, 4 m.nt. HH. Het
                            aanbieden van goederen in een rijdende winkelwagen kan aan regels worden
                            gebonden ten behoeve van de handhaving van de openbare orde. Er is
                            sprake van venten. ARRS 15-06-1984, Gst. 1984, 6789, 4 m.nt. J.C.
                            Schroot. Van venten is sprake als de venter zijn waren voortdurend vanaf
                            een andere plaats aanbiedt, tenzij hij zijn clientèle aan het bedienen
                            is. Er geldt een verbod tot het aanbieden vanaf een vaste plaats. Het
                            tijdelijk stilstaan in </al><al>afwachting van klanten is in strijd met de verleende ventvergunning. HR </al><al>26-03-1974, NJ 1974, 239. Venten met gedrukte of geschreven stukken
                            wordt aangemerkt als een zelfstandig middel van verspreiding. HR
                            17-03-1953, NJ 1953, 389, Wachttorenarrest en HR </al><al>20-06-1950, NJ 1950, 619. Terechte weigering van ventvergunning. Het
                            reguleren van de ambulante handel is een zaak die tot de gemeentelijke
                            huishouding behoort. Pres. Rb. Assen </al><al>31-10-1996, JG 97.0078 Wanneer ondanks verleende ventvergunning
                            feitelijk vanaf een standplaats wordt gehandeld, dient een aanschrijving
                            te worden gebaseerd op artikel 5.2.3 en niet (mede) op artikel 5.2.2.
                            Gelet op het bepaalde in artikel 5.2.2 lid 2 onder d. (oud) en artikel
                            5.2.3 (oud) sluiten venten en het innemen van een standplaats elkaar
                            uit, zodat deze artikelen niet naast elkaar aan de aanschrijving ten
                            grondslag kunnen worden gelegd. ABRS 23-03-1998, AB 1998,- 277. Venten
                            met posters valt onder de vrijheid van meningsuiting. Posters zijn een </al><al>bepaalde uiting van kunst of ludiek van aard. Er kan daarom niet gezegd
                            worden dat de posters geen gedachten of gevoelens openbaren. HR
                            21-03-2000, NJ 2000, 482.</al><al></al><al><vet>AFDELING 4: STANDPLAATSEN</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:13 Begripsbepalingen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Artikel 5:13 bevat een begripsomschrijving en voorziet voorts in
                            uitzonderingen. Het hebben van een standplaats ziet op het te koop
                            aanbieden van goederen vanaf een vaste plaats. Dit is dan ook het
                            onderscheidend criterium ten opzichte van het venten met goederen. Bij
                            het venten met goederen wordt er immers vanuit gegaan dat de venter
                            voortdurend zijn goederen vanaf een andere plaats in de openbare ruimte
                            aanbiedt. Met andere woorden: de venter is ambulant, de
                            standplaatshouder niet.</al><al></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het tweede lid bepaalt dat de definitie van het eerste lid niet bevat
                            het innemen van een standplaats op een door de gemeente ingestelde markt
                            op basis van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                            Gemeentewet. Degene die op een door de gemeente ingestelde markt een
                            standplaats wil innemen zal zich moeten houden aan de regels die voor de
                            markt gelden. Deze zijn in veel gemeenten in een marktverordening
                            neergelegd. Een afbakening met de snuffelmarkt is niet nodig, omdat
                            snuffelmarkten in gebouwen plaats vinden en standplaatsen </al><al>worden ingenomen in de open lucht. Voor het innemen van een standplaats
                            op een bepaald evenement is geen vergunning krachtens afdeling 5.4
                            nodig. Op het evenement zijn de artikelen 2:8 en 2:9 van toepassing,
                            waarbij de bepalingen met betrekking tot het innemen van een </al><al>standplaats niet van toepassing zijn.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:14 Standplaats</vet></al><al></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Wij achten een vergunning voor het hebben van een standplaats, hoe
                            eenvoudig ook, noodzakelijk en evenredig. De vergunning dient om te
                            voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord en overlast wordt
                            tegengegaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast,
                            stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval. De vergunning
                            is persoonsgebonden (artikel 1:6).</al><al></al><al><cursief>Vergunning voor onbepaalde tijd</cursief></al><al>Een vergunning wordt in beginsel voor onbepaalde tijd verleend (artikel
                            1:7). Indien de gemeente de vergunning met het oog op de verdeling van
                            standplaatsen aan een termijn wil verbinden, dan is het zaak te
                            motiveren waarom dit noodzakelijk is in het belang van onder meer de
                            openbare orde, overlast en de verkeersveiligheid en milieu. Zie voor
                            nadere toelichting bij de artikelen 1:7.</al><al>Dit is mogelijk via beleidsregels.</al><al></al><al><cursief>Vrijheid van meningsuiting</cursief></al><al>Een uitzondering wordt gemaakt op het verbod op de straathandel voor
                            zover het betreft het uitstallen van stukken waarin gedachten en
                            gevoelens worden geopenbaard (artikel 7 Grondwet). Voor het aanbieden
                            van gedrukte stukken als zodanig kan geen vergunning worden geëist. Het
                            wordt gezien als een zelfstandig middel van verspreiding. Wel is een
                            vergunning noodzakelijk indien vanaf een standplaats gedrukte stukken
                            worden aangeboden. Deze vergunning is niet vereist vanwege het feit dat
                            gedrukte stukken worden aangeboden, maar vanwege het feit dat een
                            standplaats wordt ingenomen. Dus het gaat hier om een
                            standplaatsvergunning.</al><al></al><al><cursief>Tweede lid Weigeringsgronden</cursief></al><al>De generieke weigeringsgronden worden genoemd in artikel 1:8. Nadere
                            uitleg daarvan vindt men in de toelichting bij dat artikel. De
                            weigeringsgrond in de model APV omtrent het bestemmingsplan is in deze
                            APV niet opgenomen. In de bestemmingsplannen van Almere wordt niets
                            geregeld over standplaatsen. Ten behoeve van de dienstverlening aan de
                            aanvrager en de effectiviteit van de procedure is het op dit moment niet
                            aan de orde om hierop te toetsen. </al><al></al><al><cursief>Tweede lid, onder a Redelijke eisen van welstand</cursief></al><al>De weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer
                            standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het
                            straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet
                            alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het
                            aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles
                            gewaarborgd. Het college bepaalt zelfstandig de inhoud van deze
                            weigeringsgrond. Het is niet noodzakelijk, maar wel verstandig om bij
                            voorbeeld de welstandscommissie om advies te vragen.</al><al></al><al><cursief>Tweede lid onder b Redelijk verzorgingsniveau</cursief></al><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau
                            in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang
                            aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd
                            worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de
                            vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie
                            van de Afdeling </al><al>bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                            concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de
                            gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één
                            uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor
                            de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een
                            gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden
                            aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke
                            winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf
                            een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden. De
                            Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsen die
                            (mede) diensten verlenen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een
                            economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van
                            diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te
                            hanteren voor het verkopen van goederen. De Dienstenrichtlijn is daarop
                            immers niet van toepassing.</al><al></al><al><cursief>Maximumstelsel</cursief></al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald, dat
                            het in het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te
                            verlenen vergunningen aan een maximum te binden. Het aantal te verlenen
                            vergunningen kan worden beperkt tot een van tevoren vastgesteld maximum
                            als de openbare orde in gevaar wordt gebracht. Wel dient te worden
                            aangetoond of aannemelijk gemaakt dat van zo'n gevaar in concreto
                            daadwerkelijk sprake is. De Europese Dienstenrichtlijn komt wat dit
                            betreft overeen met de bestaande lijn in de Nederlandse rechtspraak: een
                            maximumstelsel mag. Wel geldt op grond van artikel 9 jo artikel 10 dat
                            er een transparante en non-discriminatoire op objectieve gronden
                            gebaseerde verdeling/toekenning van vergunningen moet zijn. Het aantal
                            vergunningen moet vastgesteld worden voordat tot uitvoering van het
                            beleid wordt overgegaan. De locaties waar een standplaats mag worden
                            ingenomen moeten zo zorgvuldig mogelijk worden geselecteerd. Het totaal
                            aantal aangewezen standplaatsen tezamen levert het maximum aantal af te
                            geven standplaatsvergunningen op. Het laten opmaken van een
                            politierapport met betrekking tot de mogelijkheden tot het innemen van
                            een standplaats op de verschillende locaties kan een verdere
                            onderbouwing leveren van het vastgestelde maximum aantal
                            standplaatsvergunningen. In dit politierapport kan worden aangegeven
                            welke gevolgen het innemen van standplaatsen zal hebben voor de
                            verkeersveiligheid en de handhaving van de openbare orde. Het innemen
                            van een standplaats kan verder worden geordend door tijdstippen aan te
                            wijzen wanneer een standplaats mag worden ingenomen. Een verdeling naar
                            dagen van de week en eventueel naar dagdelen kan een nadere invulling
                            geven aan het maximum aantal standplaatsvergunningen. Een dergelijk
                            beleid kan zowel voor de gehele gemeente als voor nader aan te geven
                            gedeelten van de gemeente van kracht zijn. Een verdere verfijning van
                            het maximum aantal standplaatsvergunningen kan worden </al><al>bereikt door een onderverdeling naar een aantal branches in te stellen.
                            Per branche kan dan een maximum aantal af te geven vergunningen worden
                            bepaald. Opgemerkt moet worden, dat een dergelijk maximum aantal
                            vergunningen slechts door de rechter wordt toegelaten indien het aantal
                            aanvragen per branche het totaal aantal af te geven vergunningen
                            overtreft. Indien voor een branche niet het maximum aantal vergunningen
                            wordt afgegeven, acht de rechter geen noodzaak tot handhaving van dit
                            stelsel aanwezig. Bij het vaststellen van een maximum aantal
                            vergunningen, eventueel uitgesplitst naar plaats, tijdstip of branche,
                            moet rekening gehouden worden met het aantal reeds afgegeven
                            vergunningen. Indien het totaal aantal aanvragen om een
                            standplaatsvergunning het totaal aantal af te geven vergunningen
                            overtreft kan het college een wachtlijst opstellen. De aanvragen worden
                            dan geregistreerd in volgorde van binnenkomst. Indien een
                            standplaatshouder te kennen geeft zijn standplaats niet meer in te
                            zullen nemen, kan deze vergunning aan de eerste op de wachtlijst
                            toegekend worden. Ten slotte moet opgemerkt worden dat iedere aanvraag
                            tot het innemen van een standplaats afzonderlijk beoordeeld moet worden.
                            Aan de hand van de in de APV vastgestelde weigeringsgronden en het aan
                            de hand hiervan geformuleerde beleid moet een afweging plaatsvinden of
                            de aangevraagde standplaatsvergunning verstrekt kan worden. Men houde
                            ook de eis van de Dienstenrichtlijn voor ogen dat een wachtlijst noch
                            direct noch indirect discriminatoir mag zijn.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Beleidsregels</cursief></al><al>Aan de hand van de motieven, genoemd in artikel 1:8, kan het college
                            beleidsregels vaststellen, waarin wordt aangegeven wanneer wel of niet
                            tot het afgeven van een standplaatsvergunning wordt overgegaan. Het
                            vaststellen van een dergelijk beleid, waarin objectieve, algemeen
                            bekendgemaakte criteria worden aangegeven, die bij de beoordeling van
                            een vergunningaanvraag worden gehanteerd, is blijkens de jurisprudentie
                            toegestaan. Wel moet worden opgemerkt dat te voeren beleid niet mag
                            leiden tot een beslissing omtrent een aangevraagde vergunning die niet
                            kan worden herleid op één van de in artikel 1:8 genoemde </al><al>weigeringsgronden. Rb Utrecht 23-12-1998, KG 1999, 78. Ook beleidsregels
                            zijn volgens artikel 4, van de Dienstenrichtlijn onderworpen aan
                            dwingende reden van algemeen belang: de openbare orde, de openbare
                            veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. Bij het hanteren van deze
                            weigeringsgronden kan een verdeling gerealiseerd worden van het aantal
                            standplaatsen, waarbij de af te geven vergunningen zodanig over de week
                            verspreid worden, dat een concentratie van de in te nemen standplaatsen
                            wordt tegengegaan. De weigeringsgronden kunnen ook gebruikt worden
                            wanneer veel belangstelling voor dezelfde locatie ontstaat. Een aantal
                            standplaatsen op één plek doet ook de kans op feitelijke marktvorming
                            ontstaan. Ook is het mogelijk om specifieke standplaatsen op bepaalde
                            locaties te weren. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan bakkramen die in
                            verband met stankoverlast of brandgevaarlijkheid niet in de directe
                            nabijheid van gebouwen gewenst zijn.</al><al><cursief>Inhoud standplaatsenbeleid</cursief></al><al>De motieven waarop een beleid met betrekking tot het innemen van
                            standplaatsen berust, mogen niet strijdig zijn met de
                            bevoegdheidsgrondslag om ordenend op te treden. Het beleid dat door het
                            college wordt vastgesteld ter uitvoering van de APV-bepalingen mag niet
                            de wettelijke grondslag (art. 149 Gemeentewet) van deze APV-bepalingen
                            overschrijden. De zaken die het college in het standplaatsenbeleid kan
                            vastleggen betreffen:</al><al>de vaststelling van het maximum aantal af te geven
                            standplaatsvergunningen; </al><al>de vaststelling van het aantal af te geven standplaatsvergunningen per
                            branche. de aanwijzing van locaties waar standplaatsen mogen worden
                            ingenomen; </al><al>de aanwijzing van tijdstippen waarop standplaatsen mogen worden
                            ingenomen. </al><al></al><al>De vaststelling van het aantal af te geven vergunningen wordt bepaald
                            aan de hand van een feitelijke invulling van de verschillende in artikel
                            1:8 genoemde weigeringsgronden. Nadat aan de hand van ieder motief
                            afzonderlijk is bepaald op welke plaats in de gemeente een standplaats
                            kan worden ingenomen, valt aan de hand van het totaalbeeld dat hieruit
                            resulteert, aan te geven wat het maximum aantal af te geven
                            standplaatsvergunningen is. Aan de hand van ieder motief afzonderlijk is
                            een aantal plaatsen aan te duiden waar een standplaats ingenomen </al><al>kan worden. Nadat een overzicht van het aantal mogelijk in te nemen
                            standplaatsen en het maximumaantal standplaatsvergunningen is
                            vastgesteld, kan het college een beleid vaststellen ten aanzien van de
                            handhaving en het toezicht en de wijze waarop gehandeld wordt als het
                            maximum aantal vergunningen reeds is afgegeven. Het betreft hier dan een
                            wachtlijstensysteem dat van toepassing is wanneer het aantal aanvragen
                            het maximum aantal af te geven standplaatsvergunningen
                            overschrijdt.</al><al></al><al><cursief>Vergunningsvoorschriften</cursief></al><al>Aan de standplaatsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden.
                            Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels
                            gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde
                            instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze
                            uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om
                            een dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van
                            algemeen belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar
                            bekendgemaakt; transparant en toegankelijk. Zie ook artikel 1:4 en de
                            toelichting bij dit artikel. Voorschriften die aan een vergunning
                            gesteld kunnen worden betreffen:</al><al>het vervallen van de standplaats indien gedurende een bepaalde periode
                            geen standplaats is ingenomen; </al><al>de soort goederen of diensten die mogen worden aangeboden. Hierbij moet
                            men wel het oog houden op een goede verdeling van de te verkopen
                            goederen voor de consument. Anders zou er oneerlijke concurrentie kunnen
                            zijn; </al><al>de grootte van de standplaats; </al><al>de ruimte waarbinnen de waren uitgestald mogen worden; </al><al>het uiterlijk aanzien van de standplaats; </al><al>tijden van opbouw en ontruiming van de standplaats; </al><al>eisen met betrekking tot de (brand)veiligheid; </al><al>opruimen van rommel en schoon achterlaten van de locatie. </al><al></al><al><cursief>Overige regelgeving</cursief></al><al>Op het drijven van straathandel zijn ook andere regels dan de regels van
                            de APV van toepassing. Deze regels stellen vanuit andere motieven eisen
                            aan de straathandel</al><al></al><al><cursief>Winkeltijdenwet</cursief></al><al>De Winkeltijdenwet regelt een aantal zaken met betrekking tot de
                            openingstijden van winkels en het leveren van goederen aan
                            particulieren. De bepalingen uit de Winkeltijdenwet gelden ook voor de
                            verkoop van goederen vanaf een standplaats. Het toezicht op de naleving
                            van de bepalingen van de Winkeltijdenwet geschiedt door de Economische
                            Controledienst. Voor sommige categorieën geldt ook een vrijstelling
                            volgens het Vrijstellingenbesluit van de Winkeltijdenwet.</al><al></al><al><cursief>Warenwet</cursief></al><al>Op het drijven van handel in waren zoals bedoeld in artikel 1 van de
                            Warenwet (eetwaren, waaronder tevens worden begrepen kauwpreparaten,
                            andere dan van tabak, en drinkwaren, alsmede andere roerende zaken) zijn
                            de bepalingen uit de Warenwet van toepassing. De Warenwet stelt regels
                            met betrekking tot de goede hoedanigheid en aanduiding van waren.
                            Daarnaast stelt de Warenwet regels met betrekking tot de hygiëne en
                            degelijkheid van producten. Met betrekking tot het toezicht op de
                            naleving van de bepalingen van de Warenwet is een afzonderlijk regime
                            van toepassing. De voorschriften die uit de Warenwet voortvloeien gelden
                            naast de voorschriften die door het college gesteld kunnen worden op
                            basis van een standplaatsvergunning.</al><al></al><al><cursief>Wet milieubeheer</cursief></al><al>In de Wet milieubeheer wordt een regeling getroffen ten aanzien van
                            inrichtingen die hinder of overlast kunnen veroorzaken voor de omgeving.
                            Deze bepalingen gelden ook voor een standplaatshouder, voor zover zijn
                            verkoopplek als “inrichting” kan worden aangemerkt. Van belang is de
                            regelgeving die geldt voor bijvoorbeeld patatverkopers, die voor wat
                            betreft de frituurinrichting aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen.
                            Ook van belang is de Afvalstoffenverordening.</al><al></al><al><cursief>Gebruik van de openbare weg</cursief></al><al>Voor het innemen van een standplaats op de openbare weg is een
                            vergunning vereist. In veel gevallen zal de gemeente de eigenaar of
                            rechthebbende van de openbare weg zijn. Op grond hiervan kan de gemeente
                            van degene die op de openbare weg met vergunning een standplaats inneemt
                            een vergoeding bedingen voor het gebruik van het deel van de openbare
                            weg. De grondslag voor het bedingen van een dergelijke vergoeding kan
                            gegeven worden in een retributieverordening of in een huurovereenkomst.
                            In een retributieverordening kan afhankelijk van het formaat en de
                            locatie van de standplaats een bepaald bedrag worden vastgesteld.</al><al>Voor wat betreft de huurovereenkomst kan worden opgemerkt dat een beleid
                            kan worden vastgesteld met betrekking tot de plaats en de grootte van de
                            standplaats. Per in te nemen locatie kan een vaste prijs worden
                            berekend. De huurprijs en andere voorwaarden die in een huurovereenkomst
                            worden bedongen mogen geen belemmering vormen voor het innemen van een
                            standplaats. Uit jurisprudentie is gebleken dat het bedingen van een
                            hoge huurprijs voor het gebruik van de openbare weg niet zover kan gaan
                            dat een feitelijke belemmering ontstaat voor het innemen van een
                            standplaats waarvoor een vergunning is verleend, zie Vz. ARRS
                            12-04-1991, JG 91.0369 . Met betrekking tot de keuze tussen het
                            vaststellen van een retributieverordening en het aangaan van een
                            huurovereenkomst moet opgemerkt worden dat een dergelijke keuze
                            consequent gehanteerd dient te worden. (Zie hierover de algemene
                            leerstukken met betrekking tot de tweewegenleer).</al><al></al><al><vet>Artikel 5:15 Afbakeningsbepaling</vet></al><al></al><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van
                            artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van
                            rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, AMvB of een
                            provinciale verordening wordt voorzien. De term “onderwerp” in artikel
                            122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde
                            motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere
                            regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het tweede lid
                            sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder het
                            kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting. In het eerste
                            lid vindt afbakening plaats met de Wet beheer rijkswaterstaatswerken en
                            het Provinciaal wegenreglement, het tweede lid ziet op </al><al>afbakening met de Woningwet.</al><al></al><al><vet></vet></al><al><vet>AFDELING 5: SNUFFELMARKTEN</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:16 Begripsbepalingen</vet></al><al></al><al><cursief>Begripsbepaling</cursief></al><al>Evenals bij venten en standplaatsen wordt in deze afdeling begonnen met
                            een begripsbepaling van de snuffelmarkt in artikel 5:16. De laatste tijd
                            komt het in steeds meer plaatsen voor dat particulieren markten
                            organiseren in grote (doorgaans leegstaande) gebouwen. Hoofdzakelijk
                            worden daar “ongeregelde” zaken verkocht. Bij “ongeregelde” zaken kan
                            met name worden </al><al>gedacht aan incourante goederen, dat wil zeggen goederen, die in de
                            regel niet meer langs normale handelskanalen het publiek bereiken, zoals
                            bij voorbeeld beschadigde artikelen, artikelen die uit de mode zijn,
                            restanten en zaken van een te liquideren onderneming.</al><al></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Van de snuffelmarkt te onderscheiden zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>De weekmarkt in de zin van artikel 160, eerste lid, aanhef en
                                    onder h, van de Gemeentewet.</al></li></lijst><al>Het begrip “markt” is niet nader omschreven in de Gemeentewet. In de
                            regel worden op een weekmarkt “geregelde” waren verkocht, dat wil
                            zeggen: geen tweedehands goederen. Indien de te verwachten concentratie
                            van een aantal standplaatsen zo hoog is, dat het uiterlijk de
                            karakteristieken van een markt krijgt, mag niet meer worden volstaan met
                            het verlenen van standplaatsvergunningen, maar dient het college een
                            besluit te nemen over het instellen van een markt. De weekmarkt wordt in
                            de meeste gemeenten gereguleerd door een marktverordening. De VNG heeft
                            een model marktverordening uitgebracht. </al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>De jaarmarkt in de zin van artikel 160, eerste lid, aanhef en
                                onder h, van de Gemeentewet. </cursief></al><al>Ook het begrip “jaarmarkt” wordt niet nader gedefinieerd in de
                            Gemeentewet. Bij een jaarmarkt moet gedacht worden aan een jaarlijks
                            terugkerende traditie. Zo wordt in sommige gemeenten al sinds jaar en
                            dag een veemarkt op een vast tijdstip, bijvoorbeeld op tweede paasdag,
                            gehouden. Het college dient voor dit type markt een instellingsbesluit
                            te nemen. Verder zal de raad voor een </al><al>dergelijke markt ook een aparte regeling moeten vaststellen, die
                            eventueel geïntegreerd kan worden in de APV of in de marktverordening. </al><al></al><lijst><li nr="1."><al>Evenement: de zogenaamde snuffelmarkten worden gehouden in een
                                    gebouw of plaats. Indien het betreft braderieën, vrijmarkten op
                                    Koninginnedag of vlooienmarkten in de openbare ruimte, is deze
                                    paragraaf niet van toepassing, maar is er sprake van een
                                    evenement, dat al dan niet vergunningplichtig is op grond van
                                    artikel 2:10. </al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 5:17 Organiseren van een snuffelmarkt</vet></al><al></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>De aard van de goederen en de omstandigheden rondom een snuffelmarkt
                            kunnen een uitstralende werking hebben buiten het gebouw. Het houden van
                            een snuffelmarkt is dan ook verboden als de openbare orde dreigt te
                            worden aangetast en overlast (milieu in de zin van de Dienstenrichtlijn)
                            te verwachten is. In het belang van deze motieven is de vergunningplicht
                            gehandhaafd. In deze toelichting is als alternatief een stelsel gegeven
                            met een meldingsplicht. Als een snuffelmarkt incidenteel in een gemeente
                            gehouden wordt, kan met een meldingsplicht worden volstaan. Gaat het
                            echter om grote snuffelmarkten die regelmatig gehouden worden met gevaar
                            voor aantasting van de openbare orde en overlast, dan doet de gemeente
                            er verstandig aan om een vergunningstelsel te hebben. Er is dan voldaan
                            aan het noodzaak- en proportionaliteitsvereiste. Op grond van dezelfde
                            motieven kan het aantal snuffelmarkten worden beperkt.</al><al></al><al><cursief>De Europese Dienstenrichtlijn</cursief></al><al>De richtlijn is van toepassing op zowel het vergunningstelsel als het
                            meldingsstelsel voor een snuffelmarkt. Het artikel richt zich immers tot
                            de organisator en deze is een dienstverlener in de zin van de richtlijn.
                            Voorts komt het voor dat er diensten worden aangeboden op de
                            standplaatsen, bijvoorbeeld schoenpoetsers, nagelverzorging, kappers
                            e.d.</al><al></al><al><cursief>Weigeringsgronden</cursief></al><al>De weigeringsgronden voor een snuffelmarktvergunning zijn de generieke
                            zoals genoemd in artikel 1:8. Zie ook de toelichting bij artikel
                            1:8.</al><al></al><al><cursief>Bestemmingsplan</cursief></al><al>Als het organiseren van een snuffelmarkt niet in overeenstemming is met
                            het geldende bestemmingsplan, wordt deze weigeringsgrond ingeroepen voor
                            die gevallen waarin de snuffelmarkt frequent plaats vindt. Wordt de
                            snuffelmarkt incidenteel georganiseerd, dan wordt het organiseren ervan
                            niet verboden op deze grond. Strijd met het bestemmingsplan kan
                            bijvoorbeeld voorkomen als een gebouw een agrarische of
                            industriebestemming heeft.</al><al></al><al><cursief>Winkeltijdenwet</cursief></al><al>De Winkeltijdenwet is op het houden van een vrije markt van toepassing
                            als de markt een bedrijfsmatig karakter heeft. Dit is afhankelijk van de
                            aard van de op de markt ontplooide activiteiten, of er geregelde of
                            ongeregelde goederen worden verkocht en de frequentie waarmee de markt
                            gehouden wordt.</al><al></al><al><cursief>Lid 4 Lex silencio positivo</cursief></al><al>Het organiseren van een snuffelmarkt zoal in deze bepaling genoemd kan
                            worden vergeleken met de procedure van een aanvraag om een
                            evenementenvergunning zoals bedoeld in artikel 2:10 van deze APV. In het
                            kader van de openbare orde zijn er dwingende redenen van algemeen belang
                            om de LSP niet van toepassing te verklaren. Onderwerpen die goed
                            geregeld moeten zijn en tijd vergen zijn de brandveiligheid in panden
                            waar snuffelmarkten gehouden worden en de overlast voor de omgeving moet
                            tevens worden voorkomen. Denk hierbij aan de parkeerdruk. Ten behoeve
                            van het parkeren en verkeersbegeleiding moet een gedegen plan worden
                            ingediend. Een dergelijk plan moet goed beoordeeld worden. </al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Snuffelmarktbepaling is niet van toepassing op een Oranje Vrijmarkt.
                            Vrijmarkt is categorie sui generis. Pres.Rb. Alkmaar, 12-04-1995, Gst.
                            1995, 7018, 3 m.nt. EB. Zie ook de uitspraak over de Zwarte Markt te
                            Beverwijk Vz. ARRS 30-03-1983, Gst. 1983, 6763, 8 m.</al><al></al><al><vet>AFDELING 6. OPENBAAR WATER</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:18 Voorwerpen op, in of boven openbaar water</vet></al><al><vet></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Het beheer van het openbaar (vaar)water is in Nederland aan diverse
                            overheden opgedragen. Zo is voor het beheer van de belangrijkste
                            rivieren en rijkskanalen de centrale overheid verantwoordelijk. Het
                            beheer van de overige wateren is verdeeld tussen de provincies,
                            gemeenten en waterschappen c.a. De centrale wetgever heeft voor het
                            gebruik van het openbaar vaarwater diverse regelingen vastgesteld.
                            Daarbij is een splitsing aangebracht tussen regelingen </al><al>die uitsluitend van toepassing zijn op de bij het rijk in beheer zijnde
                            vaarwateren en regelingen die voor het gebruik van alle openbare
                            vaarwateren gelden.</al><al></al><al><cursief>Binnenschepenwet en Scheepvaartverkeerswet</cursief></al><al>De centrale overheid heeft namelijk ook regelingen vastgesteld die voor
                            het gebruik van alle openbare vaarwateren gelden. De belangrijkste zijn
                            de Binnenschepenwet en de Scheepvaartverkeerswet. Met de
                            Scheepvaartverkeerswet (SVW) is de Binnenaanvaringswet ingetrokken.
                            Artikel 43 SVW bepaalt dat krachtens de Binnenaanvaringswet gestelde
                            regels </al><al>worden geacht te zijn gesteld krachtens de Scheepvaartverkeerswet. De
                            verkeersreglementering is te vinden in het Binnenvaartpolitiereglement
                            (BPR). Artikel 42 SVW bevat de bevoegdheid van besturen van provincies,
                            gemeenten, waterschappen en havenschappen tot het stellen van regels ten
                            aanzien van onderwerpen waarin de SVW voorziet, voor zover die regels
                            niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze wet gestelde
                            regels.</al><al></al><al><cursief>Besluit administratieve bepalingen
                            scheepvaartverkeer</cursief></al><al>In het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer (BABS) is
                            het college bevoegd tot het treffen van verkeersmaatregelen ten behoeve
                            van de scheepvaart op de onder hun beheer staande vaarwegen. Voorheen
                            vond deze bevoegdheid zijn grondslag in hoofdstuk 5 van het BPR. Het BPR
                            geeft regels en verkeerstekens t.a.v. snelle motorboten in het algemeen
                            en waterscooters in het bijzonder. De APV mag niet op basis van
                            hetzelfde motief als de bovenstaande regelgeving aanvullingen geven. De
                            artikelen van de APV hebben dan ook een ander motief.</al><al></al><al><cursief>Deregulering</cursief></al><al>In dit artikel is een vergunning vervangen door een breed gestelde
                            algemene regel. Daarmee legt de overheid nadrukkelijk een deel van de
                            verantwoordelijkheid bij de burger. In eerste instantie moet deze zelf
                            de afweging maken of een steiger of een meerpaal gevaar of hinder
                            oplevert voor het vaarverkeer, of een probleem voor het beheer en
                            onderhoud. Omdat het hierbij gaat om permanent bedoelde zaken, is aan
                            dit artikel wel een meldingsplicht verbonden. Op die manier kan de
                            gemeente vooraf toetsen en met de melder overleggen of bijvoorbeeld het
                            onderhoud van de oevers niet in het geding is. Zo kan worden voorkomen
                            dat een al geplaatst object weer moet worden verwijderd, met alle
                            financiële gevolgen van dien. </al><al></al><al><vet>Artikel 5:19 Ligplaats woonschepen en overige
                            vaartuigen.</vet></al><al></al><al><cursief>Algemeen verbod is niet toegestaan</cursief></al><al>Artikel 31, tweede lid, van de Wet op Woonwagens en Woonschepen bepaalde
                            dat de gemeenteraad bevoegd is regels te stellen onder andere
                            betreffende de plaats die woonschepen mogen innemen bij verblijf binnen
                            de gemeente. Uit jurisprudentie bleek dat in beginsel in iedere gemeente
                            met openbaar water mogelijk moet zijn om met een woonschip ligplaats in
                            te nemen. Op 1 maart 1999 is de Wet op Woonwagens en Woonschepen
                            ingetrokken. De jurisprudentie is echter opgenomen in de
                            Huisvestingswet. Artikel 88 bepaalt namelijk dat de gemeenteraad geen
                            regels stelt die leiden tot een algeheel verbod van het in gebruik nemen
                            of geven van een woonschip op een ligplaats. Een algemeen verbod komt in
                            strijd met bovengenoemde wet. Een verbod met een ontheffingen- of
                            vergunningenstelsel is wel toegestaan.</al><al>In Almere is een aantal locaties aangewezen waar het mogelijk is een
                            ligplaats in te nemen. </al><al></al><al>Het derde lid, onder a, van artikel 5:19 biedt het college de
                            mogelijkheid om nadere regels te stellen aan het innemen, hebben of
                            beschikbaar stellen van een ligplaats (delegatie van regelgeving door de
                            raad op grond van artikel 156 Gemeentewet). Via deze algemeen werkende
                            voorschriften is het mogelijk om bijvoorbeeld aan woonschepen die een
                            vaste ligplaats willen innemen of hebben, eisen te stellen met
                            betrekking tot de afvoer van het afvalwater, de drinkwatervoorziening
                            etc. Zelfs zou aansluiting op de riolering, het drinkwater- en
                            elektriciteitsnet voorgeschreven kunnen worden, indien de mogelijkheden
                            daartoe redelijkerwijs aanwezig zijn.</al><al>Het bepaalde in dit lid vormt voor woonschepen een handzaam alternatief
                            van de bouwverordening. Deze verplicht namelijk dat bouwwerken, zijnde
                            een woning, over een deugdelijke afvalwaterafvoer dienen te beschikken
                            en in beginsel aangesloten moeten zijn op het drinkwater- en
                            elektriciteitsnet. Woonschepen die eveneens als woning gebruikt worden,
                            vallen vanwege het feit dat het geen bouwwerken zijn, niet onder de
                            werking van de bouwverordening. Ook kunnen krachtens dit lid
                            “welstandseisen” aan woonschepen worden gesteld.</al><al>Krachtens het derde lid, onder b, van artikel 5:19 heeft het college ook
                            de mogelijkheid om een differentiatie naar soort en aantal vaartuigen
                            aan te brengen. Zo kunnen aparte ligplaatsen voor woonschepen en
                            ligplaatsen voor uitsluitend pleziervaartuigen aangewezen worden.
                            Bovendien kan het aantal gelimiteerd worden. In het geval de gemeente
                            eigenaar is van een openbaar water, is het ook mogelijk dat de gemeente
                            in het kader van de exploitatie van die ligplaatsen huur- of
                            verhuurovereenkomsten afsluit. Zo wees het college van Eindhoven vijf
                            ligplaatsen aan voor woonschepen onder de bepaling dat de exploitatie
                            van die ligplaatsen zal geschieden door middel van overeenkomsten van
                            huur en verhuur. De rechtbank sauveerde dit beleid en bepaalde dat “de
                            gemeente Eindhoven als eigenaresse van het Eindhovens kanaal niet het
                            recht kan worden ontzegd privaatrechtelijk op te treden tegen haar niet
                            welgevallig gebruik van haar eigendom, behoudens voor zover dat een
                            gebruik is dat overeenstemt met of voortvloeit uit de publieke
                            bestemming van bedoeld kanaal als vaarweg”. Het innemen van een
                            ligplaats door een woonboot werd niet aangemerkt als een zodanig
                            gebruik, Rb Den Bosch 3-12-1984, KG 1985, 17.</al><al></al><al><cursief>Pleziervaartuigen</cursief></al><al>Uit artikel 5:19 volgt bovendien dat ook het innemen van een ligplaats
                            met een </al><al>“pleziervaartuig” slechts toegestaan is op die plaatsen door het college
                            krachtens het tweede lid zijn aangewezen. Ook hier kan het aantal
                            vaartuigen dat ligplaats mag innemen gelimiteerd worden.</al><al></al><al><cursief>Verordening fysieke leefomgeving Flevoland, Wet
                                milieubeheer</cursief></al><al>Maakt het college van zijn bevoegdheid krachtens het tweede lid geen
                            gebruik om gedeelten van openbaar water aan te wijzen waar het
                            toegestaan is aan te leggen dan kunnen aan de locatie voor het innemen,
                            hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats uitsluitend nog
                            beperkingen opgelegd worden krachtens de verordening fysieke
                            leefomgeving Flevoland dan wel krachtens de Wet milieubeheer wanneer
                            bijvoorbeeld het beschikbaar stellen van een ligplaats zodanig gebeurt
                            dat er sprake is van een milieuvergunningplichtige inrichting. </al><al>Heeft het college daarentegen wel gedeelten van openbaar water
                            aangewezen dan mag slechts ligplaats ingenomen of beschikbaar gesteld
                            worden op de aangewezen gedeelten en kunnen er daarnaast eventueel nog
                            andere beperkende factoren worden gesteld vanuit de Verordening fysieke
                            leefomgeving Flevoland of de Wet milieubeheer. Daar waar een Provinciale
                            verordening van kracht is, kan het motief landschapsbescherming niet
                            meer door het college ten grondslag gelegd worden aan de aanwijzing van
                            ligplaatsen als bedoeld in het tweede lid of het stellen van nadere
                            regels (dat wil zeggen algemene voorschriften) als bedoeld in het tweede </al><al>lid. In het vierde lid is de werking van deze bepaling ook uitgezonderd
                            voor die gevallen waarin de Wet milieubeheer van toepassing is. Veel
                            jachthavens zullen namelijk aangemerkt kunnen worden als
                            milieuvergunningplichtige inrichtingen. Door de inwerkingtreding van
                            artikel 13 van de Hinderwet op 1 november 1981 kan een
                            hinderwetvergunning ook geweigerd worden wegens aantasting van
                            natuurwetenschappelijke, landschappelijke, ecologische en recreatieve
                            waarden. </al><al>Deze situatie is niet veranderd na inwerkingtreding van de Wet
                            milieubeheer.</al><al></al><al><cursief>Huisvestingswet</cursief></al><al>Om niet in strijd te komen met artikel 88 van de Huisvestingswet mag een
                            verbod niet de gehele gemeente omvatten. Er moet een mogelijkheid zijn
                            om met een woonschip binnen de gemeente een ligplaats in te nemen.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>De wetgever gaat uit van een in beginsel bestaand recht om met een
                            woonschip te verblijven in de gemeente waar men tijdelijk wenst te
                            wonen, met deze beperking dat de gemeenten voor de plaats van verblijf
                            binnen hun grondgebied voorschriften mochten vaststellen. Lagere
                            wetgevers hebben de vrijheid bepalingen vast te stellen welke de
                            vrijheid tot het kiezen van een plaats van </al><al>verblijf inperken, doch deze bepalingen mogen niet zover gaan dat zij
                            het hierboven bedoelde recht van woonschipbewoners om in een bepaalde
                            gemeente verblijfplaats te kiezen geheel ondermijnen en aldus generlei
                            ruimte laten voor de toepassing van de wet. HR 2-4-1971, NJ 1971, 271.
                            Een algemeen verbod met ontheffingsmogelijkheid om ligplaats in te nemen
                            met een </al><al>woonschip, is aanvaardbaar omdat het stelselmatig weigeren van een
                            ontheffing in strijd is met de wet. ABRS 18-11-1997, JG 98.0033 m.nt. W.
                            Vos. Overtreding van verbod in APV om ligplaats met vaartuig in te nemen
                            op door B en W aangewezen gedeelte van openbaar water. APV-bepaling
                            betreft huishouding van gemeente. Aanvullende verordenende bevoegdheid
                            van gemeentebesturen ten opzichte van scheepvaartwetgeving. HR
                            28-6-1994, Gst. 1994 6996, 3 m.nt. EB. De regeling in de APV met
                            betrekking tot het innemen van een ligplaats met een vaartuig heeft een
                            ruimere strekking dan de Provinciale Landschapsverordening, namelijk ook
                            onder andere de orde en veiligheid op het water. ARRS, 7-7-1981, OB </al><al>1982, III.2.2.7, nr. 43852, APV Aalsmeer en Rechtbank Utrecht, 3 april
                            1997, AWB </al><al>97/670 VV, APV Loenen. Een Gemeentelijke woonschepenregeling is
                            toelaatbaar omdat hieraan andere motieven ten grondslag liggen dan aan
                            de provinciale landschapsverordening. Gemeentelijke regeling geldt als
                            sturingsinstrument ter regulering van hoeveelheid woonschepen, hun
                            afmetingen en hun onderlinge situering, terwijl de provinciale
                            verordening uitdrukkelijk ziet op de bescherming van natuur en
                            landschap. Pres. Rb. Utrecht 3-4-1997, JG 98.0009 m.nt. W. Vos; KG 1997,
                            276. Bestuursdwangaanschrijving tot verwijdering van woonschip van
                            zonder vergunning ingenomen ligplaats in haven. Verbod in APV geldt
                            slechts voor door het college </al><al>aangewezen gedeelten van openbaar (vaar)water. Toevoeging van
                            vergunningstelsel </al><al>aan verbodsbepaling betreft wijziging van algemeen verbindend
                            voorschrift. ABRS </al><al>6-6-1994, Gst (1995) 7001, 4 m.nt. HH. Bestuursdwangaanschrijving tegen
                            en weigering vergunning voor hotelboot die enige tijd is gedoogd.
                            APV-bepaling niet in strijd met </al><al>Binnenvaartpolitiereglement. Toetsing ex nunc. ARRS 20-8-1992, JG
                            93.0004. Sanering ligplaats voor woonschepen, die niet werden benoemd in
                            het terzake genomen besluit. Overgangssituatie. ABRS 31-10-1994, JG
                            95.0199. Bestuursdwangaanschrijving tegen het ligplaats innemen met een
                            woonschip op een niet aangewezen gedeelte van een openbaar water.
                            Legalisatie is niet mogelijk en beroep op gelijkheidsbeginsel gaat niet
                            op. ABRS 7-12-2000, JG 01.0039 m.nt. W. </al><al>Vos. De afwijzing van een verzoek om maatregelen te treffen teneinde een
                            onbezette ligplaats met een woonschip te kunnen innemen moet worden
                            aangemerkt als een weigering om feitelijke handelingen te verrichten.
                            Deze weigering is niet op enig rechtsgevolg gericht en het bezwaar
                            hiertegen is terecht niet ontvankelijk verklaard. Het college heeft
                            daarnaast in redelijkheid kunnen besluiten een verzoek om aanwijzing van
                            een andere ligplaats af te wijzen. Aan het college komt ter zake van
                            aanwijzingen van ligplaatsen krachtens artikel 5.3.2 APV een ruime mate
                            van beleidsvrijheid toe. ABRS 9-3-2001, Gst. (2001) 7143, 2 m.nt. HH.
                            Mededeling dat ligplaatsen van woonschepen niet (meer) gebonden zijn aan
                            objecten, maar aan personen, is een voor bezwaar en beroep vatbaar
                            besluit in de zin van artikel 1 :3 Awb. ABRS 1-8-2001, JB (2001)
                            248.</al><al>Een algeheel verbod om met een woonschip in een gemeente te verblijven
                            is in strijd met artikel 88 van de Huisvestingswet. Er kan zich echter
                            in een bepaalde gemeente de situatie voordoen dat er geen plaatsen in
                            openbaar water geschikt zijn om te worden bestemd of aangewezen om door
                            een woonschip te worden ingenomen. Met artikel 88 van de Huisvestingswet
                            is dan ook niet beoogd om iedere gemeente de verplichting op te leggen
                            nieuwe ligplaatsen te creëren, teneinde aan tenminste één woonschip
                            plaatst te kunnen bieden op haar grondgebied. ABRS 7-11-2001 nr.
                            200100971/1.Het betreft de afbakeningsbepaling van artikel 5.3.2, derde
                            lid, van de APV. Appellant betoogde dat het verbod van het eerste lid
                            van dat artikel (om met een vaartuig ligplaats in te nemen op openbaar
                            water) niet geldt, omdat het in het derde lid genoemde
                            Binnenvaartpolitiereglement (BPR) van toepassing is. De Afdeling zegt
                            daarover: “met name uit de woorden “voor zover” blijkt dat het antwoord
                            op de vraag of het in het eerste lid vervatte verbod geldt, afhankelijk
                            is van de reikwijdte van het BPR. “En verderop: “Aan artikel 5.3.2 van
                            de APV, dat is geplaatst in hoofdstuk 5, met het opschrift “andere
                            onderwerpen huishouding gemeente” liggen (ook) andere motieven ten
                            grondslag zoals hiervoor weergegeven. De omstandigheid dat in het
                            voorliggende geval de belangen ter bescherming waarvan het BPR is
                            vastgesteld zich niet verzetten tegen het afmeren van een vaartuig op de
                            door appellant verlangde locatie laat de uit artikel van de APV
                            blijkende wenselijkheid tot ordening van het innemen van ligplaats uit
                            een oogpunt van openbare orde, volksgezondheid etc. onverlet. Het in het
                            eerste lid van artikel 5.3.2. van de APV vervatte verbod behoudt dan ook
                            in het </al><al>voorliggende geval in zoverre betekenis”. De Afdeling erkent hier dus de
                            aanvullende werking van de APV, ook als hogere regelgeving van
                            toepassing is. ABRS 28-04-2004, LJN-nr. AO8510, De Gemeentestem 2004,
                            7210, 109 m.nt. J.M.H.F. Teunissen. De rechtbank heeft met juistheid
                            overwogen dat het enkele feit dat een milieuvergunning is verleend niet
                            betekent dat artikel 5.3.2, derde lid, van de APV van toepassing is.
                            Niet is gebleken dat in het kader van de verleende milieuvergunning het
                            door de APV gediende belang van ordening van het innemen van ligplaatsen
                            met vaartuigen uit een oogpunt van openbare orde is meegewogen of dat
                            belang als gevolg van de verleende milieuvergunning rechtens geen
                            relevantie meer zou hebben. De milieuvergunning kent geen bepalingen
                            omtrent het innemen van ligplaatsen. De desbetreffende bepaling van de
                            APV voorziet niet in een door de Wet milieubeheer geregeld onderwerp. De
                            Afdeling deelt dan ook de conclusie van de rechtbank dat de verlening
                            van de milieuvergunning niet afdoet aan het in de APV vervatte verbod
                            met een vaartuig ligplaats in te nemen. ABRS </al><al>17 november 2004, 200308597/1, LJN-nr. AR5815, JB 2005/17.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:20 Aanwijzingen ligplaats</vet></al><al></al><al>Naast de regels die krachtens artikel 5:19, derde lid, kunnen worden
                            uitgevaardigd kan het wenselijk zijn, gelet op de omstandigheden, om aan
                            een individuele booteigenaar nog nadere aanwijzingen te geven. Dit
                            artikel biedt daarvoor de grondslag. Het ligt voor de hand deze
                            aanwijzingen in de vorm van een schriftelijke beschikking te gieten. </al><al></al><al><vet>Artikel 5:21 Verbod innemen ligplaats</vet></al><al></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:22 Reddingsmiddelen</vet></al><al></al><al>Om te waarborgen dat deze middelen aanwezig zijn en gebruikt kunnen
                            worden voor het redden van personen is andersoortig gebruik of het voor
                            gebruik onklaar maken van reddingsmiddelen strafbaar gesteld.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:23 Veiligheid op het water</vet></al><al></al><al>Het Binnenvaartpolitiereglement bepaalt aan welke verkeersregels de
                            schippers van vaartuigen zich hebben te houden. Zij is dus uitsluitend
                            gericht op de gebruikers van vaartuigen en niet op de overige gebruikers
                            van het openbaar water. Artikel 5:23 betekent dan ook een eigenlijke
                            aanvulling op deze twee reglementen door in algemene zin, vergelijkbaar
                            met de redactie van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994, hinder of
                            gevaarlijk gedrag van de overige gebruikers te </al><al>verbieden.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:24 Kitesurfen</vet></al><al></al><al>Op grond van het Binnenvaart Politie reglement is het verboden om
                            buitendijks te kitesurfen. Dit reglement geldt echt niet voor
                            binnendijkse wateren. Om die reden is deze bepaling opgenomen. Het is
                            dus verboden om te kitesurfen op alle binnendijkse wateren, tenzij het
                            college wateren heft aangewezen waar dit mogelijk is. Op dit moment mag
                            in Almere uitsluitend worden gekitesurfd op de Noorderplassen.</al><al></al><al><vet>AFDELING 7. TERREINRIJDEN</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:25 Crossterreinen</vet></al><al></al><al>Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met
                            auto’s, motoren, bromfietsen e.d. al dan niet met een wedstrijdkarakter
                            zijn verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt
                            mede een rol in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de
                            zin van de wegenverkeerswetgeving plaatsvinden.</al><al></al><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van
                            artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van
                            rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, AMvB of een
                            provinciale verordening wordt voorzien. De term “onderwerp” in artikel
                            122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde
                            motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere
                            regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het vierde lid
                            sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><al></al><al><cursief>1. Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en APV</cursief></al><al>Alvorens in te gaan op de vraag welke regelingen van toepassing kunnen
                            zijn op het crossen op daarvoor - al dan niet legaal - ingerichte
                            terreinen, willen wij eerst enige kanttekeningen plaatsen bij een
                            verkeersrechtelijk aspect in verband met de leeftijd van de crossers.
                            Ingevolge artikel 110, tweede lid, van de WVW 1994 jo. artikel 5 van het
                            Reglement rijbewijzen mogen bromfietsen slechts worden bestuurd door
                            personen die de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt. Het
                            verkeersrechtelijk regime is echter niet van toepassing, wanneer de
                            bedoelde activiteiten zich afspelen op een terrein dat niet kan worden
                            aangemerkt als een weg die feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat
                            in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Op de vraag wanneer sprake is
                            van een zodanige weg wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1:1
                            van de APV. Zoals daar bleek, gaat het erom of een weg feitelijk voor
                            het openbaar verkeer gesloten is. Auto- of motorsportactiviteit, crossen
                            e.d. met wedstrijdkarakter op de weg in de zin van de WVW 1994</al><al>Indien een auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. op de weg, als
                            bedoeld in de WVW 1994, plaats vindt en een wedstrijdkarakter heeft, is
                            artikel 10 van de WVW 1994 van toepassing. Het eerste lid van deze
                            bepaling zegt dat het verboden is op een weg een wedstrijd met
                            voertuigen te houden of daaraan deel te nemen. Dit verbod richt zich dus
                            zowel tot de organisator van de wedstrijd als tot de deelnemers aan de
                            wedstrijd. In de toelichting op artikel 2:10. van de APV </al><al>inzake het houden van een feest of wedstrijd, wordt nader op het regime
                            van de WVW 1994 ten aanzien van wedstrijden op de weg ingegaan. Auto- of
                            motorsportactiviteit, crossen e.d. met wedstrijdkarakter op andere wegen
                            dan bedoeld in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. Vindt een wedstrijd
                            met voertuigen plaats op andere plaatsen, dan op de weg in de zin van de
                            WVW 1994, dan kan artikel 5:25 van toepassing zijn. Artikel 5:25 ziet op
                            het gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in het
                            Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in het kader
                            van een wedstrijd op speciaal daarvoor aangewezen terreinen door het
                            college. Kenmerkend voor het wedstrijdkarakter is dat er een beloning in
                            de vorm van prijzen, medailles of iets dergelijks in het vooruitzicht
                            worden gesteld. Indien artikel 5:25 van toepassing is, is een vergunning
                            op basis van artikel 2:10. niet meer aan de orde. Zie verder de
                            toelichting op artikel 2:10. Auto- of motorsportactiviteit zonder
                            wedstrijdkarakter op de weg. Voor het organiseren van evenementen in het
                            algemeen zijn in principe de bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 2
                            “Toezicht op evenementen” van de APV van toepassing (art. 2:9 e.v.). De
                            burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid,
                            zedelijkheid of gezondheid voorschriften geven omtrent het houden van
                            zo’n evenement dan wel het evenement geheel verbieden. Deze bepalingen
                            zijn ook van toepassing op auto- en motorsportevenementen, die </al><al>geen wedstrijdkarakter hebben, zoals toertochten, oldtimerritten
                            e.d.</al><al></al><al><cursief>2. Wet milieubeheer en APV</cursief></al><al>Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen e.d.
                            buiten de weg moet onderscheid worden gemaakt tussen speciaal daarvoor
                            ingerichte terreinen, zoals circuits, en overige terreinen, zoals
                            natuurgebieden, parken, plantsoenen of andere voor recreatief gebruik
                            beschikbare terreinen. De eerst bedoelde terreinen vallen doorgaans
                            onder de Wet milieubeheer; voor de overige terreinen kan een gemeente
                            zelf regels stellen, zoals in artikel 5:25.</al><al></al><al><cursief>Wet milieubeheer</cursief></al><al>De speciaal voor auto- en motorsport ingerichte terreinen vallen onder
                            de werking van de Wet milieubeheer en het Inrichtingen- en
                            vergunningenbesluit milieubeheer.In bepaalde gevallen moet een
                            motor(sport)terrein worden aangemerkt als een inrichting in de zin van
                            de Wet milieubeheer. In het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
                            milieubeheer worden de inrichtingen opgesomd waarvoor krachtens artikel
                            8.1 van de Wet milieubeheer een vergunning vereist is. De regeling
                            betreffende de motorterreinen is opgenomen in categorie 19 van het
                            besluit. In categorie 19.1, onder g, worden genoemd: inrichtingen of
                            terreinen, geen openbare weg zijnde, waar gelegenheid wordt geboden tot
                            het gebruiken van: bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde
                            voer- of vaartuigen in wedstrijdverband ter voorbereiding van
                            wedstrijden of voor recreatieve doeleinden. In de nota van toelichting
                            bij het besluit blijkt dat uit de omschrijving </al><al>“gelegenheid bieden” is af te leiden dat elke inrichting of elk terrein,
                            dat in enigerlei vorm is ingericht om de genoemde activiteiten mogelijk
                            te maken, onder dit besluit valt. Vervolgens vermeldt de nota van
                            toelichting dat enige accommodatie evenwel nodig zal zijn voordat kan
                            worden vastgesteld of sprake is van een dergelijke inrichting,
                            bijvoorbeeld in de vorm van een begrenzing. Indien elke, al dan niet
                            beoogde, begrenzing van de plaats waar de genoemde activiteiten zich
                            afspelen ontbreekt, zal bezwaarlijk van een inrichting kunnen worden
                            gesproken </al><al>(bijvoorbeeld wanneer een aantal liefhebbers van modelvaartuigen
                            regelmatig met </al><al>elkaar hun bootjes laat varen op een grote plas of waterweg). Op grond
                            van artikel 8.2 van de Wet milieubeheer is het college bevoegd om op een
                            aanvraag voor vergunning voor een motorterrein als bedoeld in categorie
                            19 te beslissen. Voor zover de terreinen, geen openbare weg zijnde,
                            echter bestemd of ingericht zijn voor het in wedstrijdverband, ter
                            voorbereiding van </al><al>wedstrijden of voor recreatieve doeleinden rijden met gemotoriseerde
                            voertuigen, en de terreinen daartoe acht uren per week of meer zijn
                            opengesteld, wordt de vergunning niet afgegeven door het college, maar
                            door gedeputeerde staten (categorie 19.2). Bij de vergunningverlening
                            wordt rekening gehouden met de motieven van de Wet milieubeheer, zijnde
                            de gevolgen voor het milieu of de bescherming van het milieu.</al><al></al><al><cursief>APV</cursief></al><al>De regeling in de APV is van belang voor die terreinen die niet genoemd
                            zijn in categorie 19.1, onder g, van het Inrichtingen- en
                            vergunningenbesluit milieubeheer, bijvoorbeeld een terrein dat niet is
                            ingericht voor motorwedstrijden en -activiteiten en terreinen die
                            hiervoor slechts eenmalig of zeer incidenteel worden gebruikt. In een
                            gemeentelijke regeling met betrekking tot dit soort motorterreinen zal
                            de werkingssfeer ten opzichte van de Wet milieubeheer in ieder geval
                            moeten zijn afgebakend. Bij een aanwijzingsbesluit kunnen alleen regels
                            worden gesteld ter bescherming van de belangen die dit voorschrift
                            dient. Behalve het belang van de openbare orde zijn dat milieubelangen
                            en het belang van de veiligheid van het publiek of de deelnemers. In de
                            in het tweede lid genoemde regels kan bepaald worden dat op het terrein
                            slechts gecrost mag worden op bepaalde dagen en uren, en wel alleen door
                            leden van de vereniging; dat de vereniging zich gedraagt volgens de
                            aanwijzingen van KNAC, KNMV en MON; dat zij haar leden voldoende
                            verzekert tegen ongevallen c.q. aansprakelijkheid voor schade als gevolg
                            van ongevallen en - eventueel - dat de crossers ten minste een bepaalde
                            leeftijd moeten hebben c.q. dat de vereniging er - ter voorkoming van
                            ongelukken - zorg voor draagt dat toezicht door </al><al>volwassenen wordt uitgeoefend indien van dat terrein gebruik wordt
                            gemaakt.</al><al></al><al><cursief>3. Zondagswet</cursief></al><al>Krachtens artikel 3, eerste lid, van de Zondagswet is het verboden op
                            zondag zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken, dat op een afstand
                            van meer dan 200 m van het punt van verwekking hoorbaar is. Volgens het
                            tweede lid van dit artikel is de burgemeester bevoegd van dit verbod
                            voor de tijd na 13.00 uur ontheffing te verlenen. De training
                            voorafgaand aan de motorcrosswedstrijd kan als deze voor publiek
                            toegankelijk is, reeds aangemerkt worden als een openbare
                            vermakelijkheid als bedoeld in artikel 4 van de Zondagswet.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>4. Wet op de Ruimtelijke Ordening en APV</cursief></al><al>Een terrein dat men wil gaan gebruiken als motorcrossterrein zal in de
                            meeste gevallen gelegen zijn in een gebied met de bestemming “agrarisch
                            gebied” of “natuurgebied”. De vraag is dan of voor het gebruik van het
                            desbetreffende terrein als motorcrossterrein vrijstelling kan worden
                            verleend van het gebruikvoorschrift. Indien aannemelijk is dat het
                            gebruik van een terrein ten behoeve van het motorcrossen zal leiden tot
                            een onomkeerbare wijziging van de bestemming van dit terrein, dan zal
                            dit gebruik enkel worden toegestaan na een
                            bestemmingsplanwijziging.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>5. privaatrechtelijk optreden</cursief></al><al>Verschillende gemeenten zijn er toe overgegaan een aan de gemeente in
                            eigendom toebehorend terrein aan te wijzen waarop de motorcrossport
                            beoefend kan worden. Veelal geschiedt dit om de overlast die wordt
                            ondervonden als gevolg van het crossen in natuur- en bosgebieden te
                            beperken. Indien van gemeentewege een terrein ter beschikking wordt
                            gesteld voor het crossen, rijst de vraag naar de eventuele
                            civielrechtelijke aansprakelijkheid van de gemeente voor ongevallen en
                            andere schade. Daarbij gaan wij ervan uit dat het crossterrein niet een
                            weg is in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Is daarvan wel sprake,
                            dan is het - behoudens ontheffing; zie de artikelen 10 en 148 WVW 1994 -
                            eenvoudigweg verboden aldaar te “crossen”. Civielrechtelijk brengt het
                            feit dat een terrein met goedvinden van de gemeente als crossterrein
                            wordt gebruikt, voor haar de verplichting mee ervoor te zorgen dat geen
                            gevaarlijke situaties te creëren zijn. Het ligt op de weg van de
                            gemeente om het terrein aan te passen aan het doel waartoe het dient. In
                            het kader van de regels die het college kan stellen op basis van het
                            tweede </al><al>lid van artikel 5:25 kunnen bijvoorbeeld leeftijdsgrenzen worden gesteld
                            aan de gebruikers van het terrein of eisen als aangegeven in artikel 110
                            van de WVW 1994 jo artikel 5 van het Reglement rijbewijzen. Uitsluiting
                            van aansprakelijkheid voor schade (ongevallen e.d.) kan de gemeente
                            zoveel mogelijk beperken; bijvoorbeeld door een bord te plaatsen bij de
                            ingang van het terrein waarop zijn aangegeven de voorwaarden waaronder
                            van het terrein gebruik mag worden gemaakt (onder andere de
                            waarschuwing, dat gebruikers van het terrein dit voor eigen risico
                            gebruiken en de mededeling, dat de gemeente aansprakelijkheid afwijst
                            voor ongevallen en andere schade als gevolg van crossen). Het plaatsen
                            van een dergelijk bord wil overigens niet zeggen dat de gemeente
                            gevrijwaard is van aansprakelijkheid. Er is overigens nog een
                            privaatrechtelijke mogelijkheid waardoor de gemeente aan haar
                            zorgverplichting kan voldoen, namelijk door het sluiten van een
                            gebruiks- of huurovereenkomst met de plaatselijke vereniging. De
                            gemeente moet zich dan wel realiseren dat het desbetreffende terrein dan
                            ook alleen ter beschikking wordt gesteld ten behoeve van het crossen
                            door leden van die vereniging.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Wanneer in het kader van een evenement, zoals bedoeld in de artikel
                            2.2.1 (oud) en 2.2.2 (oud) van de model-APV, op een crossterrein, zoals
                            in deze bepaling bedoeld, motor(sport)activiteiten worden gehouden zijn
                            er meerdere bevoegde organen in het spel. Goed onderscheid moet worden
                            gemaakt tussen enerzijds het evenement, waarvoor de burgemeester het
                            bevoegd gezag is om een vergunning te verlenen en anderzijds de
                            motor(sport)activiteiten, waarvoor het college het bevoegd gezag is.
                            ARRS 3-6-1994, JG 95.0055 m.nt. A.B. Engberts, AB 1994, 602 </al><al>m.nt. RMvM, Gst. 1995, 7006, 4 m.nt. EB. Motorcrosswedstrijden op
                            zondag. Trainingswedstrijden voor 13.00 uur. In casu geen schending van
                            de zondagsrust, omdat het motorcrossterrein 4 km buiten de bebouwde kom
                            ligt. Pres. Rb. Utrecht 6-6-1995, JG 95.0316 m.nt. A.B. Engberts, KG
                            1995, 292.</al><al></al><al><vet>AFDELING 8. VERBOD VUUR TE STOKEN</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:26 Verbod vuur te stoken</vet></al><al><vet></vet></al><al>Benadrukt wordt dat voor het verbranden van afvalstoffen buiten
                            inrichtingen altijd een ontheffing nodig is op grond van artikel 10.63,
                            tweede lid, Wet milieubeheer. Het college kan een ontheffing verlenen,
                            indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet
                            verzet. Met andere woorden, het college kan een ontheffing weigeren op
                            grond van milieuhygiënische argumenten. Bij het verbranden van
                            afvalstoffen zijn echter vaak openbare orde- en veiligheidsaspecten van
                            belang. Artikel 10.63, tweede lid, van de Wet milieubeheer biedt geen
                            mogelijkheid om de ontheffing te weigeren, indien de openbare orde en
                            veiligheid in het geding is. Bovendien kunnen de voorschriften verbonden
                            aan een dergelijke ontheffing alleen dienen ter bescherming van het
                            belang van het milieu.</al><al>Voor artikel 5:26 APV betekent dit concreet het volgende. Artikel 5:26,
                            tweede lid, APV biedt de mogelijkheid om - naast de ontheffing op grond
                            van de Wet milieubeheer - een ontheffing te verlenen, waarin de aspecten
                            van openbare orde en veiligheid worden geregeld. Er ligt dus een ander
                            motief ten grondslag aan de APV dan aan de Wet milieubeheer. Tevens
                            wordt het college de mogelijkheid geboden om aan deze ontheffing
                            voorschriften te verbinden die het belang van de openbare orde en
                            veiligheid beogen te beschermen. De weigeringsgronden worden genoemd in
                            derde lid. Kan de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                            milieubeheer en de </al><al>ontheffing op grond van artikel 5:26, tweede lid, APV worden
                            gecombineerd </al><al>tot één te verlenen ontheffing? Er is een aantal redenen om dit niet te
                            doen. In de eerste plaats zijn de gronden waarop het besluit wordt
                            genomen, gebaseerd op twee verschillende </al><al>wettelijke regelingen. Het gaat dus om twee verschillende
                            afwegingskaders. Indien beide afwegingskaders in één ontheffing wordt
                            verwerkt, is de vraag in hoeverre een dergelijk besluit juridisch stand
                            houdt. Bovendien wordt, indien bezwaar of beroep wordt ingesteld tegen
                            het ene besluit, het bezwaar daarmee impliciet eveneens gericht tegen
                            het andere besluit. Tenslotte is ook de strafbaarstelling verschillend.
                            Overtreding van de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid,
                            Wet milieubeheer wordt strafbaar gesteld in de Wet op de economische
                            delicten (Wed), terwijl overtreding van artikel 5:26 strafbaar wordt
                            gesteld op grond van artikel 154 Gemeentewet. Het verschil in wettelijke
                            grondslag (Wet milieubeheer versus Gemeentewet), het </al><al>verschil in toetsingskader (milieu versus openbare orde) en het verschil
                            in strafbaarstelling (Wet op de economische delicten versus Gemeentewet)
                            pleit ervoor om een systeem van twee separate ontheffingen te hanteren.
                            Dit neemt niet weg dat gemeenten de aanvraag voor beide ontheffingen
                            kunnen coördineren. Het blijven echter wel twee afzonderlijke besluiten.
                            Indien de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                            milieubeheer wordt geweigerd, wat betekent dit voor de ontheffing op
                            grond van artikel 5:26 APV? Indien de ontheffing op grond van artikel
                            10.63, tweede lid, Wet milieubeheer wordt geweigerd, is er geen ruimte
                            meer voor een ontheffing op grond van artikel 5:26 APV. Dit volgt uit
                            het systeem van de wet. Een ontheffing op grond van artikel 5:26 APV kan
                            in dit geval namelijk nooit worden verleend wegens strijd met de Wet
                            milieubeheer. De aanvraag voor een ontheffing op grond van artikel 5:26
                            APV hoeft daarom niet in behandeling te worden genomen. De grondslag
                            hiervoor is artikel 4:5 Awb.</al><al></al><al><cursief>Uitzonderingen artikel 5:26 APV</cursief></al><al>In het tweede lid is een aantal uitzonderingen opgenomen op het verbod
                            in het eerste lid. Hierbij zijn de volgende punten van belang. In de
                            eerste plaats valt verlichting door middel van kaarsen, fakkels,
                            sfeervuren “waarbij geen afvalstoffen worden verbrand -, zoals
                            terrashaarden en vuurkorven of vuur voor koken, bakken en braden niet
                            onder het nieuwe regiem van de Wet milieubeheer. Er is immers geen
                            sprake van het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen. </al><al>Vervolgens mag er geen sprake zijn van gevaar, overlast of hinder voor
                            de omgeving. Vooral binnen de bebouwde kom kunnen klachten ontstaan over
                            overlast of hinder door met name terrashaarden en vuurkorven. De laatste
                            zinsnede van het tweede lid biedt dus een handvat om handhavend op te
                            treden. De uitzonderingen betreffen een aanvulling op hogere
                            regelgeving. Lid 1 regelt namelijk het aanleggen, stoken of hebben van
                            vuur, maar in de genoemde uitzonderingsgevallen is geen sprake van het
                            verbranden van afvalstoffen. De gemeentelijke wetgever regelt dus een
                            bepaalde materie (verbranden) vanuit eenzelfde motief (namelijk een
                            milieumotief: het voorkomen van overlast of hinder) als de hogere
                            regelgever, maar beperkt zich daarbij tot gedragingen die niet of nog
                            niet worden bestreken door de hogere regelgeving (namelijk het
                            verbranden van niet-afvalstoffen buiten inrichtingen).</al><al></al><al><cursief>Inrichtingen</cursief></al><al>Normaal gesproken is de afbakening tussen de Wet milieubeheer en de APV </al><al>helder, indien er sprake is van een inrichting in de zin van de Wet
                            milieubeheer. Daar waar de Wet milieubeheer of hierop gebaseerde regels
                            of voorschriften in een onderwerp voorzien, is geen ruimte voor de APV.
                            Het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer en het Besluit
                            Akkerbouwbedrijven milieubeheer, zogenaamde 8.40 AMvB’s, vormen hierop
                            een uitzondering. In deze besluiten wordt namelijk voor het onderwerp
                            verbranden van afvalstoffen binnen </al><al>inrichtingen uitdrukkelijk verwezen naar een gemeentelijke
                            verordening.</al><al>Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer</al><al></al><al>Voorschrift 4.1 Afvalstoffen mogen niet binnen de inrichting worden
                            verbrand, behoudens voor zover ingevolge een gemeentelijke verordening
                            verbranden van uit de inrichting afkomstige afvalstoffen is
                            toegestaan.</al><al></al><al><cursief>Binnen of buiten inrichting?</cursief></al><al>Ten slotte nog de discussie of er nu sprake is van binnen of buiten een </al><al>inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Artikel 1, eerste lid,
                            onder a, Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer spreekt over een
                            inrichting die deel uitmaakt van een bedrijf dat uitsluitend of in
                            hoofdzaak is bestemd voor het verbouwen van akkerbouw- of
                            tuinbouwproducten op of in de open grond. In de toelichting op dit
                            besluit wordt aangegeven dat </al><al>akkerland en de grond alwaar de volle grondstuinbouw plaatsvindt in het
                            algemeen niet tot de inrichting wordt gerekend. De Afdeling
                            bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een uitspraak van 16
                            januari 1997 (E03.94.0230, Tiel) de uitspraak gedaan dat dit voor
                            fruitteeltbedrijven tevens inhoudt dat de boomgaarden niet tot de
                            inrichting dienen te worden gerekend. Eerder sprak de Afdeling
                            bestuursrechtspraak van de Raad van State zich uit over </al><al>de vraag of een weiland wel of geen inrichting is. Een weiland is geen </al><al>inrichting, zolang het niet intensief gebruikt wordt (1 december 1995, </al><al>E03.94.0495, AB 1996, 128).Indien het verbranden van afvalstoffen op een
                            weiland of akkerland plaatsvindt, kan worden verdedigd dat er sprake is
                            van het verbranden van afvalstoffen buiten </al><al>inrichtingen en zijn de artikelen 10.2, eerste lid, Wet milieubeheer en
                            artikel </al><al>10.63, tweede lid, Wet milieubeheer en artikel 5:26 van de APV om deze </al><al>reden van toepassing.</al><al></al><al><vet>HOOFDSTUK 6 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</vet></al><al></al><al><cursief>Algemene toelichting</cursief></al><al>Gelet op het belang van effectieve handhaving van de APV-voorschriften
                            en de vraag van gemeenten naar meer informatie op dit punt (zoals bleek
                            uit de enquête van SGBO in 2001), is hier een algemene introductie
                            opgenomen over bestuurlijk toezicht, bestuursrechtelijke en
                            strafrechtelijke handhaving.</al><al></al><al><cursief>Handhaving algemeen</cursief></al><al>Handhaving is elke handeling die erop gericht is de naleving door
                            anderen van rechtsregels te bevorderen. De belangrijkste redenen voor
                            een goede handhaving zijn in het kort: Door een goede handhaving zal de
                            overheid uiteindelijk in steeds grotere mate het door haar beoogde doel
                            bereiken. Door handhaving kan de achteruitgang van de kwaliteit van de
                            samenleving worden tegengegaan. De rechtszekerheid en de gelijke
                            behandeling van burgers dienen te worden gewaarborgd. Dit kan door een
                            goed handhavingsbeleid te voeren. De relatie van rechtszekerheid en
                            rechtsgelijkheid met handhaving wordt verder uitgediept. De
                            geloofwaardigheid, betrouwbaarheid en integriteit van bestuurders zullen
                            het ambtelijk en </al><al>maatschappelijk draagvlak vergroten. Handhaving kan zowel
                            strafrechtelijk als bestuursrechtelijk zijn. Hoofdstuk 5 van de Algemene
                            wet bestuursrecht (Awb) bevat een opsomming van de aan het
                            bestuursorgaan toekomende dwangmiddelen en de regels die bij de
                            toepassing van </al><al>de dwangmiddelen in acht genomen moeten worden. Hierna worden deze
                            dwangmiddelen </al><al>en regels toegelicht. Ook is er een korte introductie tot de
                            strafrechtelijke </al><al>handhaving opgenomen.</al><al></al><al><cursief>Toezicht</cursief></al><al>In veel wetten worden, ter handhaving van de regelgeving, aan bepaalde
                            ambtenaren toezichtbevoegdheden toegekend. Zij mogen plaatsen betreden,
                            inlichtingen en inzage van stukken vorderen, monsters nemen en
                            vervoermiddelen zoeken. Dit handhavingstoezicht, ook wel controle
                            genoemd, wordt beheerst door het bestuursrecht. De algemene regels zijn
                            opgenomen in afdeling 5.2 van de Awb. In bijzondere wetten kunnen echter
                            beperkingen worden aangebracht op de in de algemene regels gegeven
                            bevoegdheden (bijvoorbeeld: artikel 45, derde lid van de Wet wapens en
                            munitie in vergelijking met artikel 5:18 van de Awb. Toezicht vindt
                            plaats in een stadium waarin (nog) geen sprake is van een redelijk
                            vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd. In het strafrecht ligt
                            dit anders. Om tot opsporing te komen moet er in beginsel wel sprake
                            zijn van een vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd. Bepaalde </al><al>opsporingsbevoegdheden vereisen zelfs een ontdekking op heterdaad. Om
                            goed toezicht uit te kunnen oefenen moet een toezichthouder beschikken
                            over de nodige bevoegdheden. Voor het uitoefenen van toezicht is vaak
                            medewerking benodigd van de toezicht gestelde. In artikel 5:20, eerste
                            lid, van de Awb is de verplichting van een ieder opgenomen om aan een
                            toezichthouder alle medewerking te verlenen die hij redelijkerwijs kan
                            vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Uiteraard zijn er
                            uitzonderingen op de medewerkingsplicht. In het tweede lid van artikel
                            5:20 is opgenomen dat geheimhouders, zoals de arts en de advocaat, niet
                            hoeven mee te werken. Maar ook de verdachte hoeft niet mee te werken.
                            Volgens de regering geldt de plicht namelijk niet na het moment waarop
                            de overheid jegens de betrokkene een handeling heeft verricht waaraan
                            deze in redelijkheid de gevolgtrekking heeft kunnen verbinden dat tegen
                            hem </al><al>strafvervolging wordt ingesteld. “Vanaf dat moment is er sprake van
                            “criminal charge” in de zin van artikel 6 Europees Verdrag van de
                            Rechten van de Mens en kan de betrokkene een beroep doen op het
                            zwijgrecht.” </al><al>Het bovenstaande kan in de praktijk voor verwarring zorgen. Het komt
                            voor dat er toezichthouders zijn met opsporingsbevoegdheden. Degene die
                            onder toezicht staat moet dus goed weten welke “pet” de ambtenaar
                            opheeft. In het geval van toezicht moet een ieder meewerken. Zodra er
                            echter sprake is van opsporing, kan er een beroep op zwijgrecht worden
                            gedaan. Iemand kan immers niet worden verplicht om aan zijn eigen
                            veroordeling mee te werken.</al><al>Toezichthouders worden meestal belast met het toezicht op de naleving
                            van de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens de wet of
                            verordening op grond waarvan zij als toezichthouder zijn aangewezen. Zo
                            worden in artikel 100 Woningwet de ambtenaren bouw- en woningtoezicht
                            aangewezen als toezichthouders op het gebied van de Woningwet. Met deze
                            aanwijzing moeten zij niet alleen toezicht houden op de naleving van de
                            bepalingen in de Woningwet zelf, maar ook </al><al>op de naleving van hetgeen krachtens wettelijk voorschrift anderszins is
                            bepaald. Te denken valt hierbij aan de voorschriften bij een
                            bouwvergunning.</al><al></al><al><cursief>Strafrechtelijke handhaving</cursief></al><al>Het strafrecht en het bestuursrecht worden elk op een geheel eigen wijze
                            genormeerd. In artikel 1:6 van de Awb is bepaald dat de Awb niet van
                            toepassing is op de opsporing en vervolging van strafbare feiten noch op
                            de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Het handelen van </al><al>strafrechtelijke organen wordt genormeerd door de regels van het Wetboek
                            van Strafrecht en door de diverse bijzondere wetten, waarin de geldende
                            materiële normen zijn verwoord en waarin soms ook van de algemene
                            strafvordering afwijkende strafprocessuele bevoegdheden zijn opgenomen,
                            en het Wetboek van Strafvordering, dat algemene regels van
                            strafprocesrecht bevat, bevoegdheden in het leven roept en de grenzen
                            van de bevoegdheden bepaalt. Op grond van artikel 2 van de Politiewet
                            1993 heeft de politie tot taak te zorgen voor de daadwerkelijke
                            handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze
                            behoeven. Op grond van deze algemene politietaak, alsmede op grond van
                            de last die in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van
                            Strafvordering aan de aldaar genoemde ambtenaren wordt gegeven om
                            strafbare feiten op te sporen, kunnen opsporingsambtenaren onderzoek
                            doen. Een opsomming </al><al>van de daarbij te hanteren methoden ontbreekt. Algemene
                            opsporingsmethoden zijn niet in het Wetboek van Strafvordering geregeld.
                            Er zijn wel bijzondere opsporingsbevoegdheden geregeld. Dit zijn
                            observatie, infiltratie, de pseudo-koop of pseudo-dienstverlening, het
                            stelselmatig inwinnen van informatie, het onderzoek doen in een besloten
                            plaats zonder toestemming van de </al><al>rechthebbende, het opnemen van vertrouwelijke communicatie, het
                            onderzoek van telecommunicatie en het stelselmatig volgen of waarnemen.
                            Opsporingsambtenaren kunnen, naast dat zij bevoegd zijn
                            opsporingshandelingen te verrichten, ook bevoegd zijn tot het uitoefenen
                            van controlebevoegdheden die in bijzondere wetten worden toegekend. Op
                            grond van artikel 160 Wegenverkeerswet bijvoorbeeld kan een ambtenaar de
                            bestuurder van een voertuig vorderen zijn voertuig te doen stilhouden,
                            terwijl het vijfde lid van het artikel bepaalt dat </al><al>de bestuurder op eerste vordering van de opsporingsambtenaar verplicht
                            is medewerking te verlenen aan een ademonderzoek. Als een bevoegde
                            ambtenaar van deze bevoegdheid gebruikmaakt en de ademtest wijst een te
                            hoog alcoholpromillage uit, dan is er een verdenking ontstaan en gaat
                            controle over in opsporing. In het bestuursrecht worden de sancties
                            opgelegd door een bestuursorgaan. De rechter speelt in het bestuursrecht
                            pas een rol indien een belanghebbende, na bezwaar of administratief
                            beroep, beroep instelt bij de rechter. De rechter </al><al>speelt in het strafrecht een centrale rol. Sancties in het strafrecht
                            worden opgelegd door de rechter.</al><al></al><al><cursief>Bestuursdwang, dwangsom en gedogen</cursief></al><al>De Gemeentewet kent in artikel 125 aan het gemeentebestuur een algemene
                            bevoegdheid toe tot het uitoefenen van bestuursdwang.In artikel 5:21 van
                            de Awb is bestuursdwang als volgt gedefinieerd: het door feitelijk
                            handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in
                            strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde
                            verplichtingen </al><al>is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten. Het feitelijk handelen omvat
                            onder meer: het doen wegnemen, ontruimen, beletten, in de vorige
                            toestand herstellen of het treffen van maatregelen om verdere nadelige
                            gevolgen van een overtreding te voorkomen. Het uitoefenen van
                            bestuursdwang is dus zuiver gericht op het feitelijk in overeenstemming
                            brengen met de bestuursrechtelijke voorschriften van een onwettige
                            situatie. Dit heeft dus een herstellende werking en heet daarom
                            “reparatoire sanctie”. Onder overtreding van een voorschrift wordt ook
                            verstaan het niet nakomen van voorschriften die aan een vergunning zijn
                            verbonden, zoals bijvoorbeeld geluidsvoorschriften bij een
                            milieuvergunning. In artikel 5:32 van de Awb is aangegeven dat een
                            bestuursorgaan dat bevoegd is om bestuursdwang toe te passen, ook
                            bevoegd is om een dwangsom op te leggen. Het opleggen van een dwangsom
                            is een middel om de overtreder door het opleggen van een last om te
                            betalen, te bewegen de overtreding te beëindigen. Bijna vanzelfsprekend
                            hoort hier de vraag bij welk instrument het geschiktst is om aan de
                            geconstateerde overtreding een einde te maken. Deze vraag zal steeds
                            beantwoord moeten worden aan de hand van feiten, de omstandigheden en de
                            belangen die aan de orde zijn. De wet laat zich hier niet over uit. Wel
                            is in artikel 5:36 van de Awb opgenomen dat een dwangsom niet mag worden
                            opgelegd zolang een reeds genomen beslissing tot toepassing van
                            bestuursdwang niet is ingetrokken. Met andere woorden: een combinatie
                            van bestuursdwang met last dwangsom is niet mogelijk. De eerste stap in
                            een handhavingscyclus zal zijn dat een overtreding plaatsvindt dan wel
                            gaat plaatsvinden. Dat betekent dat er een onderzoek moet worden gedaan.
                            Met behulp van de toezichtsbevoegdheden wordt de situatie onderzocht.
                            Hiervan zal de ambtenaar een rapport van bevindingen moeten opmaken. Het
                            is belangrijk </al><al>dat een dergelijk rapport van foto’s of ander bewijsmateriaal wordt
                            voorzien. Bij de voorbereiding van een besluit moet immers worden
                            voldaan aan het zorgvuldigheidsbeginsel. Het kan een keuze zijn van het
                            bestuursorgaan om niet over te gaan tot handhaven. De met de wet
                            strijdige situatie wordt dan gedoogd. Is een bestuursorgaan op de hoogte
                            van de overtreding, maar wordt er geen actie nomen, dan is er sprake van
                            passief gedogen. Het toepassen van bestuursdwang is een bevoegdheid,
                            geen absolute verplichting. Een gemeente heeft dus de mogelijkheid om
                            het belang van de handhaving door middel van bestuursdwang af te wegen
                            tegen andere belangen, zoals de mogelijkheid om een andere
                            bestuursrechtelijke sanctie in te zetten of over te gaan tot het
                            gedogen. Deze vrijheid is echter betrekkelijk. Uit jurisprudentie blijkt
                            dat er een beginselplicht tot handhaving bestaat. Bijvoorbeeld: ABRS 22
                            maart 2001, BR2001/778, Dwangsom Camping Nunspeet. Enkel in geval van
                            bijzondere omstandigheden kan van handhavend optreden worden afgezien.
                            Het is goed dit te beseffen. Indien er namelijk een veelheid aan
                            regelgeving binnen een gemeente bestaat, en de gemeente wordt op
                            handhaving van die regels aangesproken, is zij in beginsel dus verplicht
                            hier gevolg aan te geven. De handhaafbaarheid speelt dus een grote rol
                            bij het opstellen van regels.</al><al></al><al><cursief>Bestuurlijk instrumentarium gemeenten</cursief></al><al>Gemeenten hebben in het kader van toezicht en handhaving een aantal
                            bestuursrechtelijke instrumenten ter beschikking. Voor de
                            bestuursrechtelijke instrumenten waarover gemeenten beschikken geldt een
                            scheiding in sancties die erop zijn gericht de ontstane situatie in de
                            gewenste situatie te herstellen (herstelsancties) en sancties die
                            primair zijn bedoeld om bestraffend op te treden (punitieve
                            sancties).</al><al>Bij de herstelsancties gaat het om de last onder bestuursdwang [is voor
                            gemeenten geregeld in artikel 125 Gemeentewet juncto artikel 5.21 Awb]
                            en de last onder dwangsom [artikel 5:31d Awb]. Deze sancties kunnen
                            alleen worden ingezet in situaties waarin herstel daadwerkelijk mogelijk
                            is, zoals het terugbrengen van een bouwwerk in de oorspronkelijke staat.
                            Het intrekken van een begunstigend besluit (vergunning, ontheffing,
                            subsidie) is een voorbeeld van een herstelsanctie die vaak gevoeld wordt
                            als een punitieve sanctie. De meeste normen uit de APV die
                            verloederingsfeiten en onveiligheidsgevoelens van burgers moeten
                            tegengaan lenen zich niet voor handhaving via dwangsom of bestuursdwang.
                            Of het herstel is feitelijk niet mogelijk (denk aan geluidsoverlast), óf
                            het herstel zélf, dan wel de controle daarop, leveren problemen op (denk
                            aan een last onder dwangsom tot het niet meer voortijdig plaatsen van
                            vuilniszakken op straat, die wekelijks gecontroleerd zou moeten
                            worden).</al><al>Op 14 januari 2009 zijn de Wet bestuurlijke boete overlast in de
                            openbare ruimte (BBOOR) en het bijbehorende Besluit (AMvB) in werking
                            getreden. De BBOOR is neergelegd in de artikelen 154b en verder van de
                            Gemeentewet. De wet geeft gemeenten een zelfstandige bevoegdheid om op
                            te treden tegen veel voorkomende en overlastveroorzakende, lichte
                            overtredingen van de APV en de Afvalstoffenverordening (Asv). Het is een
                            punitieve sanctie.</al><al>Het betreft een zelfstandige bevoegdheid waarbij de raad bij verordening
                            kan bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd voor
                            overtreding van voorschriften uit de APV die strafbaar zijn gesteld en
                            die niet bij AMvB zijn uitgezonderd. Ook overtreding van voorschriften
                            uit de Afvalstoffenverordening die strafbaar zijn gesteld en die zijn
                            genoemd in de AMVB kunnen bestuurlijk worden beboet. Heeft een gemeente
                            de bestuurlijke boete ingevoerd dan kan zij te allen tijde besluiten de
                            bestuurlijke boete weer af te schaffen. Een besluit van de raad tot
                            intrekking van het besluit tot invoering van de bestuurlijke boete
                            treedt echter niet eerder in werking dan na twaalf maanden na de
                            bekendmaking van het intrekkingsbesluit.</al><al>De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete wordt
                            uitgeoefend of door het college, of door de burgemeester, namelijk
                            indien de toepassing van dit middel dient tot handhaving van regels die
                            de burgemeester uitvoert.</al><al>Tegen de boeteoplegging kan conform de rechtsgang van de Awb bezwaar
                            worden gemaakt en beroep worden ingesteld. De boete dient door een
                            bestuurlijk toezichthouder in dienst van de gemeente te worden opgelegd,
                            die tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is. Mandateren van deze
                            bevoegdheid aan particuliere toezichthouders is niet toegestaan. Veel
                            overtredingen in het publieke domein worden gepleegd door daders van wie
                            de identiteit niet bekend is. Om een voorziening te treffen voor deze
                            zogenaamde “anonieme daderproblematiek” wordt gekozen voor aansluiting
                            bij het wetsvoorstel Wet op de uitgebreide identificatieplicht:
                            toezichthouders in het publiek domein krijgen de bevoegdheid de
                            identificatie van de betrokkene te vorderen. De eis dat de
                            toezichthouder tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is,
                            complementeert het geheel aan bevoegdheden om de bestuurlijke boete te
                            effectueren. Mocht niet voldaan worden aan het verzoek van de
                            toezichthouder om inzage te verlenen in het identiteitsbewijs, dan kan
                            de toezichthouder optreden als buitengewoon opsporingsambtenaar en
                            hiervan een proces-verbaal opmaken.</al><al>De opbrengsten van de boeten komen toe aan de gemeenten. Gemeenten zijn
                            zelf verantwoordelijk voor de incasso en de registratie van opgelegde
                            boeten (daarbij kunnen ze eventueel externen, zoals het Centraal
                            Justitieel Incassobureau, inschakelen).</al><al>In gemeenten waar gekozen wordt voor invoering van de bestuurlijke boete
                            krijgt het gemeentebestuur voor wat betreft de aanpak van de kleine
                            ergernissen het primaat bij de handhaving in de publieke ruimte en neemt
                            de rol van de politie hierbij af. Daarbij zal de lijn zijn dat waar
                            gekozen is voor bestuurlijke beboeting, de politie niet meer
                            stelselmatig aandacht besteedt aan kleine ergernissen en het bestuur een
                            24-uurs beschikbaarheid van de bestuurlijke toezichthouders waarborgt.
                            De politie blijft wel bevoegd om, waar nodig, strafrechtelijk op te
                            treden tegen de overtreding van de APV-normen.<cursief></cursief></al><al></al><al>Na de voor- en nadelen van beide instrumenten zorgvuldig tegen elkaar
                            afgewogen te hebben, is de gemeente Almere eind 2009 tot de conclusie
                            gekomen dat invoering van de bestuurlijke strafbeschikking vanuit het
                            oogpunt van eenduidigheid, efficiëntie en financiële overwegingen de
                            voorkeur heeft boven invoering van de bestuurlijke boete: </al><lijst><li nr="1."><al>Eenduidigheid</al></li></lijst><al>Naast gemeenten hebben ook de politie en het OM op grond van de Wet
                            OM-afdoening de mogelijkheid gekregen om (buitengerechtelijke)
                            strafbeschikkingen uit te vaardigen. De gemeente Almere vindt het vanuit
                            het oogpunt van eenduidigheid belangrijk dat bij de aanpak van
                            overlastfeiten hetzelfde rechtsregime wordt gehanteerd. Het OM, de
                            politie en de gemeente komen met de strafbeschikking onder één regime te
                            werken. Dat is zowel voor burgers als uitvoerende handhavers een
                            herkenbare werkwijze. </al><lijst><li nr="1."><al>Efficiëntie</al></li></lijst><al>Bij invoering van de bestuurlijke boete dient de gemeente een backoffice
                            in te richten die zich met de inning en invordering van boetes en de
                            behandeling van bezwaar en beroep bezighoudt. Bij invoering van de
                            strafbeschikking kan de gemeente taken overlaten aan het CJIB dat al een
                            efficiënt proces voor inning en invordering heeft ingericht en aan het
                            OM dat verzetszaken afhandelt. </al><al></al><lijst><li nr="1."><al>Financieel</al></li></lijst><al>Bij de bestuurlijke boete dienen de gemeenten investeringen te doen voor
                            inrichting van een backoffice. Bij de bestuurlijke strafbeschikking
                            hoeft de gemeente zelf weinig investeringen te doen. Daarnaast maakt de
                            gemeente aanspraak op een vergoeding van € 40,- per uitgeschreven
                            bestuurlijke strafbeschikking. Sinds 1 januari 2010 maken de
                            buitengewoon opsporingsambtenaren van de gemeente van de bestuurlijke
                            strafbeschikking gebruik.</al><al></al><al><cursief>Strafrechtelijk instrumentarium gemeente.</cursief></al><al>Op 7 juli 2006 is de wet OM-afdoening van kracht geworden. Hiertoe zijn
                            de Wetboeken van Strafvordering en Strafrecht gewijzigd. Vanaf 2009
                            hebben gemeenten gefaseerd de mogelijkheid gekregen OM
                            strafbeschikkingen uit te vaardigen.</al><al>Het gaat hierbij om zogeheten bestuurlijke strafbeschikkingen waarmee
                            aan personen die overtredingen begaan een geldboete kan worden opgelegd.
                            De te bestraffen overtredingen staan vermeld in de OM- beleidsregels
                            voor de (bestuurlijke)strafbeschikking overlast en zien op lichte (aan
                            de APV en afvalstoffenverordening gerelateerde) overlastfeiten Zij komen
                            in feite overeen met de te beboete feiten op grond van de wet
                            bestuurlijke boete overlast.</al><al>Het ministerie van Justitie kent in overleg met het Openbaar Ministerie
                            deze strafbeschikkingsbevoegdheid toe. Artikel 257b van het WvSv is op
                            dit moment de grondslag voor de gemeentelijke bevoegdheid om (middels
                            een boa) een bestuurlijke strafbeschikking uit te vaardigen. Van de
                            bevoegdheid kan gebruik worden gemaakt onder toezicht van en volgens
                            richtlijnen vastgesteld door het College van procureurs-generaal
                            (OM).</al><al>Indien is gekozen voor het instrument van de bestuurlijke
                            strafbeschikking biedt artikel 576a Sv een grondslag om geldbedragen die
                            uit de tenuitvoerlegging van bestuurlijke strafbeschikkingen zijn
                            verkregen deels ten goede te laten komen aan het handhavende
                            bestuursorgaan. De opbrengst van de strafbeschikking gaat naar het Rijk,
                            maar gemeenten ontvangen een vergoeding per uitgeschreven proces-verbaal
                            voor overlast. Op dit moment bedraagt deze vergoeding 40 euro.</al><al>Omdat op de strafbeschikking het strafrecht van toepassing is kan een
                            belanghebbende hiertegen geen bezwaar en beroepsprocedure bij de
                            bstuursrechter voeren. Men zal in verzet kunnen gaan bij het OM en
                            uiteindelijk in bij hoger of cassatie kunnengaan.<cursief></cursief></al><al></al><al><vet>Artikel 6.1 Strafbepaling</vet></al><al><vet></vet></al><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op
                            overtreding van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet
                            zwaarder zijn dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of een
                            geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de
                            rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht
                            (WvSr) zijn de maxima van de zes boetecategorieën opgenomen. Het maximum
                            van een boete van de eerste categorie bedraagt euro 225 en van de tweede
                            categorie euro 2250. Het is overigens uiteindelijk de </al><al>strafrechter die de soort en de maat van de straf in een concreet geval
                            bepaalt, tot de grens van de door de gemeenteraad gekozen
                            boetecategorie. Hierbij dient de rechter op grond van artikel 24 WvSr
                            rekening te houden met de draagkracht van de verdachte. Het algemeen
                            geldende minimum van de geldboete bedraagt euro 2 (artikel 23, tweede
                            lid, WvSr).De Gemeentewet heeft aan de gemeenteraad de keuze gelaten op
                            overtreding van verordeningen geldboete te stellen van de eerste of de
                            tweede categorie. De gemeenteraad heeft daarbij de ruimte om binnen de
                            verordening onderscheid te maken naar bepalingen waar bij overtreding
                            een straf van de eerste dan wel van de tweede categorie op staat. In
                            Almere is ervoor gekozen om één strafmaat te hanteren. </al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Strafbaarheid rechtspersonen</cursief></al><al>Op grond van artikel 91 jo. artikel 51 WvSr. vallen ook rechtspersonen
                            onder de </al><al>werking van gemeentelijke strafbepalingen. Bij veroordeling van een
                            rechtspersoon kan de rechter een geldboete opleggen tot ten hoogste het
                            bedrag van de naasthogere categorie “indien de voor het feit bepaalde
                            boetecategorie geen passende bestraffing toelaat”(artikel 23, zevende en
                            achtste lid WvSr). Dat betekent dat voor overtredingen van de APV door
                            een rechtspersoon de rechter de mogelijkheid heeft een boete van de
                            derde categorie op te leggen (€ 4500,-). </al><al></al><al><cursief>Medebewindsvoorschriften</cursief></al><al>In bijzondere wetten wordt aan gemeenten vaak de bevoegdheid gegeven of
                            de verplichting opgelegd om nadere voorschriften vast te stellen. Ook de
                            strafbaarstelling van de overtreding van deze gemeentelijke
                            voorschriften is veelal in deze wetten opgenomen. De opsomming in het
                            eerste en tweede lid van dit artikel bevatten dan ook geen in deze
                            verordening opgenomen voorschriften, op overtreding waarvan straf is
                            bedreigd in de bijzondere wet. Deze voorschriften zijn de onder onderin
                            afdeling 2.5 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
                            opgenomen artikelen met uitzondering van artikel 2.5.6. Overtreding van
                            deze voorschriften is strafbaar gesteld in de artikelen 437 en 437ter
                            van het WvSr (boete van de tweede respectievelijk derde categorie).</al><al></al><al><cursief>Hechtenis?</cursief></al><al>Het zal zelden voorkomen dat voor overtreding van een APV-bepaling
                            hechtenis wordt opgelegd, zeker nu ernaar gestreefd wordt de korte
                            vrijheidsstraf nog meer terug te dringen “ten gunste” van de geldboete.
                            Toch is in dit artikel de mogelijkheid van hechtenis opgenomen omdat
                            niet bij voorbaat kan worden uitgesloten dat in bepaalde
                            (uitzonderings)gevallen (bijvoorbeeld in het geval van recidive) de
                            rechter behoefte heeft aan de mogelijkheid tot oplegging van een
                            vrijheidsstraf. </al><al></al><al><cursief>Strafbaarstelling niet-naleving nadere regels en
                                vergunningsvoorschriften</cursief></al><al>Niet alleen de overtreding van in de verordening opgenomen bepalingen
                            wordt in dit artikel met straf bedreigd. In een aantal bepalingen wordt
                            aan het college de bevoegdheid gedelegeerd nadere regels te stellen. Ook
                            de overtreding hiervan levert een strafbaar feit op. Dit geldt ook voor
                            de overtreding van krachtens artikel 1.4 van de APV gegeven beperkingen
                            en voorschriften bij een vergunning of een ontheffing. Formeel levert
                            dit laatste een overtreding van artikel 1.4, tweede lid, op. Hierin is
                            de verplichting opgenomen dat degene aan wie krachtens de APV een </al><al>vergunning of ontheffing is verleend, verplicht is de daaraan verbonden
                            voorschriften en beperkingen na te komen.</al><al></al><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg (artikel 2:6) kan neerkomen
                            op het opslaan van roerende zaken als bedoeld in artikel 2.2 onder j en
                            k van de Wabo, bijvoorbeeld als het gaat om de opslag van puin of
                            bouwmaterialen in containers. Een vergunning daarvoor valt dan onder de
                            Wabo en wordt aangemerkt als een omgevingsvergunning. Artikel 2.3 van de
                            Wabo verbiedt het handelen in strijd met een voorschrift van een
                            omgevingsvergunning op grond van artikel 2:6 van de Apv.</al><al></al><al>Via artikel 5.4 van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht is de Wet economische delicten van toepassing op handelen
                            zonder of in strijd met beide vergunningen. De strafbepalingen van de
                            APV zijn er dus niet op van toepassing. </al><al></al><al>N.B: artikel 6:1 van de APV zelf verandert als gevolg van de Wabo niet,
                            want daarin staan geen artikelen genoemd die onder de strafbepalingen
                            vallen; de gemeenteraden moeten dat zelf invullen. </al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Aanvullingen op de artikelen 424 (baldadigheid op of aan de weg) en art.
                            426 WvSr (belemmering van een ander in zijn vrijheid van beweging op de
                            weg, zich opdringen aan een ander, hinderlijk volgen) door gemeentelijke
                            voorschriften (artikel 2.4.7 tot en met 2.4.10) zijn toelaatbaar (HR 26
                            februari 1957, NJ 1957, 253 (APV Eindhoven). Het staat de gemeentelijke
                            wetgever vrij aanvullende regelen te geven tot het tegengaan van
                            hinderlijke geluiden. Artikel 4.1.7 APV is een toegestane aanvulling op
                            artikel 431 WvSr (rumoer of burengerucht waardoor de nachtrust kan
                            worden verstoord) (HR 26 oktober 1954, NJ 1954, 779 (APV
                            Amsterdam).</al><al><vet>Artikel 6.2 Toezichthouders</vet></al><al><vet></vet></al><al>In dit artikel worden de toezichthouders aangewezen overeenkomstig
                            modelbepaling 90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving
                            (Adr). De basis voor deze bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van
                            de Awb. In dit hoofdstuk zijn algemene regels gegeven voor de
                            bestuursrechtelijke handhaving van algemeen geldende rechtsregels en
                            individueel geldende voorschriften. Afdeling 1 van dit hoofdstuk geeft
                            regels voor het toezicht. Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren
                            hun aanwijzing aan het Wetboek van Strafvordering ontlenen is een nadere
                            regeling in de APV niet (meer) nodig. </al><al></al><al><cursief>Aanwijzen toezichthouders</cursief></al><al>Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift
                            belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde
                            bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb). De
                            aanwijzing van toezichthouders kan derhalve in de APV plaatsvinden. Een
                            deel van de toezichthouders wordt in de APV zelf aangewezen (dit is
                            noodzakelijk indien een toezichthouder tevens opsporingsbevoegdheden
                            dient te krijgen. Zie de toelichting hierna onder opsporingsambtenaren).
                            Hiernaast kunnen toezichthouders door het college dan wel de
                            burgemeester worden aangewezen.</al><al>Politieambtenaren zijn alleen te beschouwen als toezichthouders
                            voorzover zij bij of krachtens een bijzondere wet als zodanig zijn
                            aangewezen. Artikel 2 van de Politiewet, dat een algemene omschrijving
                            van de politietaak bevat, kan niet worden beschouwd als een wettelijk
                            voorschrift in de zin van het artikel.</al><al>Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden
                            aangewezen. Bij een individuele aanwijzing worden personen met toezicht
                            belast door hen met name te noemen of door aanduiding van hun functie.
                            Bij een categorale aanwijzing wordt in het aanwijzingsbesluit veelal de
                            dienst genoemd waartoe de met toezicht belaste personen behoren. Een
                            toezichthouder dient zich, indien gevraagd, te kunnen legitimeren
                            (artikel 5:12 Awb). Het legitimatiebewijs wordt uitgegeven door het
                            bestuursorgaan onder verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder
                            werkzaam is. Het in artikel 5:12, derde lid, van de Awb genoemde model
                            van het legitimatiebewijs is vastgesteld bij de Regeling model
                            legitimatiebewijs toezichthouders Awb (Stcrt. 2000, 131). Deze regeling
                            bevat geen echt model, maar een opsomming van alle elementen die in
                            ieder geval op het legitimatiebewijs moeten zijn opgenomen en een
                            voorbeeld </al><al>van een legitimatiebewijs.</al><al></al><al><cursief>Het evenredigheidsbeginsel</cursief></al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd. Een
                            toezichthouder mag zijn bevoegdheid slechts uitoefenen voorzover dit
                            redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                            toezichthouder kan derhalve niet te allen tijde gebruik maken van alle
                            bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden
                            toegekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de
                            vervulling van zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend
                            hiervoor is de aard van het voorschrift op de naleving waarvan een </al><al>toezichthouder moet toezien.</al><al></al><al><cursief>Bevoegdheden toezichthouder</cursief></al><al>In de artikelen 5:15 tot en met 5:19 Awb worden bevoegdheden aan
                            toezichthouders toegekend. In artikel 5:14 is de mogelijkheid opgenomen
                            om aan een toezichthouder minder bevoegdheden toe te kennen. Zo is op
                            voorhand vaak al duidelijk welke bevoegdheden voor het uitoefenen van
                            toezicht niet relevant zijn of per definitie onevenredig. Op basis van
                            artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te betreden
                            met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                            ‘Plaats” is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                            (bedrijfs)terreinen, maar ook (bedrijfs)gebouwen. Dat de Awb een
                            uitzondering maakt voor het betreden van een woning zonder toestemming
                            van de bewoner vloeit voort uit het in artikel 12 van de Grondwet
                            vastgelegde “huisrecht”. Op grond hiervan is voor het binnentreden van
                            woningen zonder toestemming van de bewoner steeds een grondslag in een
                            bijzondere wet vereist. Voor de handhaving van gemeentelijke
                            verordeningen is de basis voor het binnentreden zonder toestemming van
                            de bewoner gelegd in artikel 149a van de Gemeentewet. Op grond van dit
                            artikel kan aan toezichthouders deze bevoegdheid worden toegekend,
                            indien het gaat om het toezicht op de naleving van bij verordening
                            gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde
                            of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van
                            personen. In artikel 6.3 van de APV wordt deze bevoegdheid aan
                            toezichthouders toegekend. In de Algemene wet op het binnentreden (Awbi)
                            zijn de vormvoorschriften gegeven die bij het binnentreden van een
                            woning in acht genomen moeten worden. In de toelichting op artikel 6.3 </al><al>van de APV zal nader op de Awbi worden ingegaan. De bevoegdheid tot het
                            betreden van plaatsen houdt niet tevens in de bevoegdheid tot het
                            doorzoeken van die plaatsen. De Awb geeft toezichthouders dus niet de
                            bevoegdheid om willekeurig kasten, laden en andere bergplaatsen te
                            openen. In gevallen waarin die bevoegdheid niettemin noodzakelijk is,
                            dient deze te worden </al><al>verschaft door de bijzondere wetgever. Artikel 5:16 Awb geeft de
                            toezichthouder de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen. Op grond van
                            artikel 5:20 Awb is een ieder ook verplicht deze inlichtingen te
                            verstrekken, behoudens een aantal uitzonderingen dat terug te voeren is
                            op het beroepsgeheim. In de artikelen 5:17 tot en met 5:19 Awb worden
                            aan toezichthouders de </al><al>bevoegdheden verleend om inzage te vorderen van zakelijke gegevens en
                            bescheiden en om zaken en vervoermiddelen te onderzoeken.</al><al></al><al><cursief>Bijzondere wetten</cursief></al><al>Bijzondere wetten die de raad bevoegd verklaren of verplichten tot het
                            maken van verordeningen, kunnen op het punt van de aanwijzing van
                            toezichthoudende ambtenaren een eigen regeling bevatten. Die aanwijzing
                            heeft doorgaans tot gevolg dat de aangewezen ambtenaar bepaalde
                            (toezicht)bevoegdheden krijgt. Zo heeft de aanwijzing als bedoeld in
                            artikel 18.4, derde lid, van de Wet milieubeheer (Wm) tot gevolg dat de
                            aangewezen ambtenaar de bevoegdheid van artikel 18.5 van de Wm het
                            binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner met
                            betrekking tot gevaarlijke afvalstoffen verkrijgt. Ook in artikel 100
                            van de Woningwet is aan toezichthouders de bevoegdheid toegekend om een
                            woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoners. In
                            bijzondere wetten kan van de bepalingen van de Awb worden afgeweken. Zo
                            hebben toezichthouders in het kader van de Wet op de Ruimtelijke
                            Ordening op </al><al>grond van artikel 69 van deze wet slechts toegang tot terreinen tussen
                            zonsopgang en zonsondergang.”Terreinen” is daarbij een beperkter begrip
                            dan “plaatsen” van artikel 5:15 Awb. Zo vallen alle gebouwen - dus ook
                            bedrijfsgebouwen - hier buiten.</al><al></al><al><cursief>Toezicht en opsporing</cursief></al><al>De meeste bepalingen van de APV bevatten ge- en verboden. Op de naleving
                            hiervan dient te worden toegezien en bij overtreding dient te worden
                            opgetreden. Dit kan op twee manieren gebeuren: bestuursrechtelijk - door
                            onder andere het toepassen van bestuursdwang dan wel het opleggen van
                            een dwangsom - en strafrechtelijk. Voor beide vormen van handhaving
                            dienen personen te worden aangewezen met toezichthoudende
                            respectievelijk opsporingsbevoegdheden. Alleen voor de aanwijzing van de
                            toezichthouders is een bepaling opgenomen in de APV. De
                            opsporingsambtenaren worden aangewezen in de artikelen 141 en 142 van
                            het Wetboek van Strafvordering (WvSv). Het onderscheid tussen toezicht
                            en opsporing is van belang, aangezien er een onderscheid bestaat, zowel
                            naar inhoud als naar de voorwaarden waaronder zij op grond van de wet
                            kunnen worden uitgeoefend. Het kenmerkende onderscheid tussen beide is
                            dat bij toezicht op de naleving geen sprake hoeft te zijn van enig </al><al>vermoeden van overtreding van een wettelijk voorschrift en bij opsporing
                            wel. Ook zonder dat vermoeden heeft het bestuur de taak na te gaan of
                            bijvoorbeeld de voorschriften van een vergunning in acht worden genomen.
                            Indien mocht blijken dat in strijd met het voorschrift wordt gehandeld,
                            hoeft dit ook niet automatisch te leiden tot een strafrechtelijke
                            vervolging. Het hanteren van bestuursrechtelijke middelen zoals het
                            intrekken van de vergunning of het </al><al>toepassen van bestuursdwang vormen in veel gevallen een meer passende
                            reactie. Ook al is de uitoefening van het toezicht niet gebonden aan het
                            bestaan van vermoeden dat een wettelijk voorschrift is overtreden, toch
                            kan hiervan wel blijken bij het toezicht. Op dat moment wordt de vraag
                            naar de verhouding tussen de toezichthoudende en opsporingsbevoegdheden
                            van belang, in het bijzonder wanneer beide bevoegdheden in dezelfde
                            persoon zijn verenigd. Beide bevoegdheden kunnen naast elkaar worden
                            toegepast, zolang gezorgd wordt dat de bevoegdheden die samenhangen met
                            het toezicht en de bevoegdheden die samenhangen met de opsporing worden
                            gebruikt waarvoor ze zijn toegekend. Op het moment dat toezicht overgaat
                            in opsporing is het derhalve zaak er voor te zorgen dat de waarborgen
                            die aan de verdachte toekomen in het kader van de opsporing in acht
                            worden genomen.</al><al>De voornaamste verschillen tussen toezicht en opsporing zijn de
                            volgende.</al><al>Toezicht heeft betrekking op de naleving van de voorschriften die tot
                            burgers en bedrijven zijn gericht en heeft vaak preventieve werking.
                            Opsporing dient gericht te zijn op strafrechtelijke afdoening. </al><al>Toezicht is een bestuurlijke activiteit en wordt derhalve genormeerd
                            door de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De opsporing wordt geregeld in
                            het WvSv. </al><al></al><al><cursief>Opsporingsambtenaren</cursief></al><al>In de artikelen 141 en 142 WvSv worden de met de opsporing van strafbare
                            feiten belaste ambtenaren genoemd. De in artikel 141 genoemde ambtenaren
                            hebben een opsporingsbevoegdheid die in principe voor alle strafbare
                            feiten geldt (algemene opsporingsbevoegdheid). Dit geldt onder andere
                            voor de ambtenaren van de regiopolitie. Artikel 142 betreft de
                            buitengewone opsporingsambtenaren die in de regel een
                            opsporingsbevoegdheid hebben voor een beperkt aantal strafbare feiten
                            (beperkte opsporingsbevoegdheid).</al><al>Op basis van artikel 142, lid 1, onder c, WvSv hebben de volgende - voor
                            de APV </al><al>relevante - personen opsporingsbevoegdheid:</al><al>personen die bij bijzondere wetten met de opsporing van de daarin
                            bedoelde strafbare feiten worden belast en </al><al>personen die bij verordening zijn belast met het toezicht op de naleving
                            van die verordening, een en ander voorzover het die feiten betreft en
                            die personen zijn beëdigd. </al><al></al><al>Tot de eerste groep behoren bijvoorbeeld ambtenaren van bouw- en
                            woningtoezicht. De grondslag van de opsporingsbevoegdheid ligt in de
                            Woningwet. De tweede groep betreft de toezichthouders die in de
                            gemeentelijke verordeningen als zodanig worden aangewezen. De aanwijzing
                            dient in de APV te geschieden aangezien artikel 142, eerste lid, sub c,
                            WvSv geen delegatie van de aanwijzingsbevoegdheid toestaat. Tot deze
                            groep behoren bijvoorbeeld milieu en parkeerwachters, belast met het
                            toezicht op de desbetreffende autonome bepalingen in de APV. Aangezien
                            buitengewone opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het WvSv ontlenen,
                            is een nadere regeling in de APV niet mogelijk. De aanwijzing als
                            toezichthouders in de APV is de grondslag voor de aanwijzing als
                            buitengewoon opsporingsambtenaar. De opsporingsbevoegdheid van de
                            buitengewone opsporingsambtenaren beperkt zich tot die zaken waarvoor
                            zij toezichthouder zijn. De personen die op grond van dit artikel worden
                            aangewezen, dienen op grond van het Besluit buitengewoon
                            opsporingsambtenaar aan de volgende </al><al>voorwaarden te voldoen:</al><al>1. zij dienen te voldoen aan de eisen van vakbekwaamheid en
                            betrouwbaarheid; </al><al>2. zij dienen te zijn beëdigd door het College van Procureurs Generaal
                            (volgens art. 18, eerste lid, van het Besluit buitengewoon
                            opsporingsambtenaar). </al><al></al><al>De akte van beëdiging bevat een aantal gegevens met betrekking tot de
                            buitengewoon opsporingsambtenaar, waaronder in ieder geval de feiten tot
                            de opsporing waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt. De akte wordt op
                            naam van de desbetreffende ambtenaar gesteld en na de beëdiging aan hem
                            uitgereikt. De akte wordt voor vijf jaar afgegeven. Hierna kan hij
                            worden verlengd, mits de ambtenaar nog voldoet aan de eisen van
                            vakbekwaamheid en betrouwbaarheid.</al><al><cursief>Gemeentelijke verordeningen en opsporing</cursief></al><al>Aan opsporingsambtenaren kan op grond van artikel 149a van de
                            Gemeentewet, met inachtneming van de Awbi, de bevoegdheid tot het
                            binnentreden van woningen worden verleend (zie verder de toelichting bij
                            artikel 6.3). Hun overige opsporingsbevoegdheden ontlenen zij aan het
                            WvSv. De gemeenteraad heeft hiernaast niet de bevoegdheid om andere
                            opsporingsbevoegdheden te creëren. Ingevolge artikel 1 WvSv mag bij
                            gemeentelijke verordening geen regeling worden gegeven omtrent de
                            opsporing of het bewijs van de in die verordening strafbaar gestelde
                            feiten. Ook in een aantal bijzondere wetten worden opsporingsambtenaren
                            aangewezen. Dit is met name van belang voor de, in deze verordening
                            opgenomen, medebewindsvoorschriften. Een speciale regeling geldt voor de
                            op de artikelen </al><al>437 en 437ter van het WvSr gebaseerde en in afdeling 2.5 bepalingen ter
                            bestrijding van heling van goederen opgenomen bepalingen. De in de
                            artikelen 551 en 552 van het WvSv geregelde opsporings- en
                            toezichtbevoegdheden komen reeds toe aan de algemene
                            opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 WvSv. Gezien de
                            bijzondere materie is het in het algemeen niet zinvol om ook nog eens
                            buitengewone opsporingsambtenaren aan te wijzen.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 6.3 Binnentreden woningen</vet></al><al></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Het is soms noodzakelijk dat personen die belast zijn met het toezicht
                            op de naleving dan wel de opsporing van overtredingen van de APV
                            bepaalde plaatsen kunnen betreden. In artikel 5:15 van de Awb is deze
                            bevoegdheid aan toezichthouders reeds toegekend voor alle plaatsen met
                            uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoners. De woning
                            geniet extra bescherming op basis van artikel 12 van de Grondwet, dat
                            het zogenaamde “huisrecht” regelt. Het betreden van de woning zonder
                            toestemming van de bewoner is daarom met veel waarborgen omkleed. Op het
                            betreden van een woning met toestemming van de bewoner zijn deze
                            waarborgen niet van toepassing, al gelden daar wel, zij het wat
                            beperktere, vormvoorschriften van de Awbi (zie de toelichting , Algemene
                            wet op het binnentreden (Awbi), a. vormvoorschriften). </al><al>De bevoegdheid voor het binnentreden zonder toestemming van de bewoner
                            kent drie </al><al>elementen: </al><al>de bevoegdheid tot binnentreden dient bij of krachtens de wet te zijn
                            verleend; </al><al>de personen aan wie de bevoegdheid is verleend dienen bij of krachtens
                            de wet te worden aangewezen; </al><al>er dienen bepaalde vormvoorschriften in acht te worden genomen. </al><al></al><al>Zowel het verlenen van de bevoegdheid tot het binnentreden als het
                            aanwijzen van de personen die mogen binnentreden dient bij of krachtens
                            de wet te gebeuren. In vele wetten zijn dan ook
                            binnentredingsbevoegdheden opgenomen, zoals in artikel 100 van de
                            Woningwet. Deze bevoegdheden zijn vooral toegekend aan ambtenaren of
                            personen die belast zijn met een opsporings- of toezichthoudende taak in
                            het kader van de wetshandhaving. Voorts bestaan bevoegdheden tot
                            binnentreden voor de uitvoering van rechterlijke taken en bevelen, de
                            uitoefening van bestuursdwang, de handhaving van de openbare orde, ter
                            bescherming van de </al><al>volksgezondheid en ter uitvoering van noodwetgeving. Artikel 149a van de
                            Gemeentewet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij verordening
                            personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder
                            toestemming van de bewoner. Het moet dan gaan om personen die belast
                            zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van de overtreding
                            van bij verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving
                            van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de
                            gezondheid van personen. In artikel 6.3 is gebruikgemaakt van deze
                            bevoegdheid. Voor een aantal bepalingen in de APV wordt de bevoegdheid
                            om een woning </al><al>zonder toestemming van de bewoner te betreden rechtstreeks ontleend aan
                            een bijzondere wet. Het betreft de volgende artikelen.</al><al> a. artikel 2:3 APV inzake betogingen, dat steunt op artikel 4 van de
                            Wet </al><al> openbare manifestaties (WOM). In artikel 8 van de WOM wordt de
                            bevoegdheid tot </al><al> het binnentreden van woningen en andere plaatsen geregeld. </al><al> b. de artikelen 2:56 tot en met 2:58 APV, de op de artikelen 437 en
                            437ter van </al><al> het WvSr gebaseerde gemeentelijke helingsvoorschriften. Artikel 552 van
                            het </al><al> WvSv bepaalt dat de in artikel 141 bedoelde opsporingsambtenaren (dus
                            niet de </al><al> buitengewone opsporingsambtenaren) toegang tot elke plaats hebben
                            waarvan </al><al> redelijkerwijs vermoed kan worden dat zij door een van de daar genoemde </al><al> ondernemers worden gebruikt; dit geldt zowel voor toezicht als
                            opsporing. </al><al></al><al><cursief>Algemene wet op het binnentreden (Awbi)</cursief></al><al><cursief>a. Vormvoorschriften</cursief></al><al>In de Awbi zijn de vormvoorschriften opgenomen die een persoon die een
                            woning </al><al>wil betreden in acht moet nemen. Hij dient:</al><al>zich te legitimeren (artikel 1 Awbi); </al><al>mededeling te doen van het doel van het binnentreden (artikel 1 Awbi); </al><al>te beschikken over een schriftelijke machtiging (artikel 2 Awbi); </al><al>verslag te maken van het binnentreden (artikel 10 Awbi). </al><al></al><al>De in artikel 1 opgenomen voorschriften gelden voor iedere
                            binnentreding, dus ook indien dit gebeurt met toestemming van de
                            bewoner. De artikelen 2 tot en met 11 van de Awbi gelden alleen als
                            zonder toestemming van de bewoner wordt binnengetreden. Degene die
                            binnentreedt, dient te beschikken over een machtiging. In deze
                            machtiging is aangegeven in welke woning binnengetreden kan worden. De
                            Awbi gaat daarbij in beginsel uit van een machtiging voor een woning. Zo
                            nodig kunnen in de machtiging echter maximaal drie andere afzonderlijk
                            te noemen woningen worden opgenomen. De minister van Justitie heeft een
                            model voor de machtiging vastgesteld (opgenomen in de circulaire van het
                            Ministerie van Justitie, 15 augustus 1994, 452425/294). In artikel 3 van
                            de Awbi wordt aangegeven wie een machtiging tot binnentreden </al><al>kunnen afgeven: de procureur-generaal bij het gerechtshof, de officier
                            van justitie en de hulpofficier van justitie hebben een algemene
                            bevoegdheid hiertoe gekregen. Hiernaast kan ook de burgemeester bevoegd
                            zijn machtigingen te verlenen. Dit is het geval indien het binnentreden
                            in de woning in een ander doel is gelegen dan in het kader van
                            strafvordering (bijvoorbeeld bij </al><al>woningontruimingen). In artikel 5:27 van de Awb is voor het binnentreden
                            zonder toestemming van de bewoner bij de uitoefening van bestuursdwang
                            een andere regeling opgenomen. De bevoegdheid tot het afgeven van de
                            machtiging is daar met uitsluiting van de in de Awbi genoemde
                            functionarissen bij hetzelfde bestuursorgaan gelegd dat de bestuursdwang
                            toepast. Dit betekent dat een college dat bestuursdwang wil uitoefenen,
                            ook de eventueel benodigde machtiging moet afgeven. Van het binnentreden
                            dient na afloop een verslag opgemaakt te worden (artikel 10 Awbi). Een
                            voorbeeldverslag is opgenomen in de circulaire van het ministerie van
                            Justitie van 15 augustus 1994, 452425/294.</al><al></al><al><cursief>b. Bevoegdheden</cursief></al><al>In de Awbi wordt aan de binnentreder een aantal algemene bevoegdheden
                            toegekend. </al><al>Degene die bevoegd is een woning zonder toestemming van de bewoner
                            binnen te treden, kan zich daarbij door anderen doen vergezellen
                            (artikel 8, tweede lid, Awbi). Dit is slechts toegestaan voorzover dit
                            voor het doel waartoe wordt binnengetreden vereist is en de machtiging
                            dit uitdrukkelijk bepaalt. Deze personen hoeven zelf niet te beschikken
                            over een machtiging. Het aantal en de hoedanigheid van de vergezellende
                            personen moeten in het verslag worden vermeld; de namen van deze
                            personen hoeven niet vermeld te worden. Dat anderen de binnentreder
                            kunnen vergezellen kan noodzakelijk zijn in het belang van de veiligheid
                            van de binnentreder, maar ook indien de nodige werkzaamheden door mensen
                            met een bepaalde vakbekwaamheid moeten worden uitgevoerd. Artikel 9 van
                            de Awbi bepaalt dat de binnentredende ambtenaar zich de toegang kan
                            verschaffen indien hij de woning of een deel daarvan afgesloten vindt.
                            Dit geldt ook indien de bewoner wel thuis is, maar zijn medewerking niet
                            wil verlenen. Hierbij kan degene die wil binnentreden zo nodig de hulp
                            van de sterke </al><al>arm inroepen.</al><al></al><al><cursief>c. Het begrip ”woning”</cursief></al><al>Het huisrecht strekt tot bescherming van het ongestoorde gebruik van de
                            woning. Het begrip woning omvat de ruimten die tot exclusief verblijf
                            voor een persoon of voor een beperkt aantal in een gemeenschappelijke
                            huishouding levende personen ingericht en bestemd zijn. Door het
                            huisrecht wordt dus niet de eigendom of de huur van een woning
                            beschermd. Of een ruimte een woning is, wordt niet zonder meer bepaald
                            door uiterlijke kenmerken zoals de bouw en de aanwezigheid van een bed
                            en ander huisraad, maar ook door de daaraan werkelijk gegeven
                            bestemming. Woning is derhalve een ruim begrip, ook een woonboot,
                            stacaravan, tent en keet. kunnen hieronder worden verstaan. Zelfs een
                            hotelkamer kan onder het begrip woning vallen. Een bepaalde ruimte kan
                            ook uit meer woningen bestaan. De verschillende kamers in een woongroep
                            gelden bijvoorbeeld als aparte woningen. Dit geldt ook voor een binnen
                            een woning gelegen kamer van een kamerbewoner.</al><al></al><al><cursief>d. Spoedeisende situaties</cursief></al><al>Artikel 2, derde lid van de Awbi voorziet in de bevoegdheid om in
                            uitzonderlijke omstandigheden zonder machtiging en zonder toestemming de
                            woning binnen te treden. Dit is bijvoorbeeld het geval in situaties
                            waarbij ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen
                            of goederen dreigt, zoals bij de ontdekking op heterdaad van een
                            geweldsdelict in een woning of de </al><al>aanwezigheid in een woning van een bewapend persoon die van zijn wapen
                            gebruik zou kunnen maken. De politieambtenaar die geen machtiging op zak
                            heeft en die terstond moet optreden, is dan voor het binnentreden niet
                            op toestemming van de bewoner aangewezen en is bevoegd om zonder
                            toestemming binnen te treden. Men kan ook denken aan gevallen waarin de
                            belangen van de bewoner ernstig worden aangetast. Hierbij kan worden
                            gedacht aan ontdekking op heterdaad van een inbraak in de woning. Indien
                            de opsporingsambtenaar de bewoner, bijvoorbeeld als gevolg van diens
                            afwezigheid, niet om toestemming tot binnentreden kan vragen, </al><al>is hij bevoegd om ter bescherming van diens belangen zonder machtiging
                            binnen te treden. Onder deze omstandigheden bestaat er dus steeds de
                            noodzaak om terstond op te treden en is binnentreden zonder toestemming
                            en zonder machtiging gerechtvaardigd. Op het binnentreden van een woning
                            zonder toestemming van de bewoner, blijft ook bij spoedeisende gevallen
                            de Awbi zo veel mogelijk van toepassing. Het spoedeisende karakter van
                            de situatie is derhalve voornamelijk van invloed op het hebben van een
                            machtiging. Dat betekent dat deze bevoegdheid slechts kan worden
                            uitgeoefend door personen die bij of krachtens de wet bevoegd zijn
                            verklaard zonder toestemming van de bewoner binnen te treden. Van het
                            binnentreden zal een verslag moeten worden gemaakt.</al><al></al><al><cursief>e. Mandaat is niet geoorloofd</cursief></al><al>De bevoegdheid machtigingen om binnen te treden af te geven, kan niet
                            worden gemandateerd. De machtiging voor het binnentreden in een woning
                            zonder toestemming vormt de basis voor het plegen van een inbreuk op de
                            grondwettelijke vrijheden van de bewoner. Op grond van artikel 10:3,
                            eerste lid, van de Awb is mandaatverlening geoorloofd, tenzij bij
                            wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid
                            zich daartegen verzet. Gezien de zwaarte van deze inbreuk is hier sprake
                            van een bevoegdheid waarvan de aard zich tegen mandaatverlening verzet
                            (zie de parlementaire behandeling van de Awbi).</al><al></al><al><cursief>f. De strafrechtelijke sanctie</cursief></al><al>Een ambtenaar die zonder dat hij de bevoegdheid daartoe heeft of zonder
                            dat hij de vormvoorschriften in acht neemt, een woning, lokaal of erf
                            betreedt, dient zich op vordering van de rechthebbende direct te
                            verwijderen. Het niet opvolgen van deze vordering levert het
                            ambtsmisdrijf van artikel 370 WvS. op.</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>De tijdelijke afwezigheid van de bewoner, bijvoorbeeld wegens vakantie
                            of opname in een ziekenhuis, leidt er niet toe dat de ruimte het
                            karakter van woning verliest (HR 4 januari 1972, NJ 1972, 121). Met een
                            woning verbonden ruimten die in het geheel niet voor bewoning zijn
                            bestemd en die van buitenaf via een eigen ingang kunnen worden betreden
                            - bijvoorbeeld een praktijkruimte of een winkel - vallen niet de
                            bescherming van het huisrecht. de bescherming van de woning vallen
                            voorts niet de trappen en portalen die tot een woning en andere
                            lokaliteiten toegang geven (HR 16 december 1907, W 8633), dus ook - zo
                            mag worden aangenomen - niet de gemeenschappelijke trappen en portalen
                            in een flatgebouw.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 6.4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude
                                verordeningen</vet></al><al><vet></vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In het eerste lid van artikel 6.4 wordt geen tijdstip vermeld waarop de
                            oude verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum
                            waarop de nieuwe verordening in werking treedt, is de datum waarop de
                            oude verordening vervalt.</al><al></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Op de inwerkingtreding van verordeningen is de regeling van artikel 142
                            van de Gemeentewet van toepassing. Deze houdt in dat alle verordeningen
                            in werking treden op de achtste dag na bekendmaking, tenzij een ander
                            tijdstip daarvoor is aangewezen. </al><al></al><al>De APV is een besluit van het gemeentebestuur op overtreding waarvan
                            straf is gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde wijze
                            bekendgemaakt als alle overige besluiten van het gemeentebestuur die
                            algemeen verbindende voorschriften inhouden (artikel 139 Gemeentewet).
                            Van belang is dat de gemeente gehouden is dit besluit mee te delen aan
                            het parket van het arrondissement waarin de gemeente is gelegen (artikel
                            143 Gemeentewet. In verband met artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht
                            is het uiteraard niet mogelijk aan de bepalingen van een
                            strafverordening terugwerkende kracht te verlenen.</al><al></al><al><vet>Artikel 6.5 Overgangsbepaling</vet></al><al></al><al>Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande
                            vergunningen, </al><al>ontheffingen, enz. al dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de
                            inwerkingtreding van deze verordening. De overgangsbepaling zoals deze
                            nu luidt, is een verregaande vereenvoudiging van de bepaling in de APV
                            2005. Het betreft in dit artikel besluiten, genomen krachtens de
                            verordening bedoeld in artikel 6:4, eerste lid. De besluiten waar het om
                            gaat zijn vergunningen, ontheffingen, voorschriften en beperkingen als
                            bedoeld in artikel 1:4, nadere regels, beleidsregels en
                            aanwijzingbesluiten. Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de
                            oude verordening, wordt volgens de Algemene wet bestuursrecht beslist
                            overeenkomstig de nieuwe verordening </al><al>(toetsing ex nunc). Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten
                            genomen onder het oude recht, wordt eveneens besloten krachtens deze
                            verordening met dien verstande dat de </al><al>bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude
                            recht </al><al>zou hebben gehad. (verbod van reformatio in peius). Op aanvragen om een
                            besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens de Algemene
                            wet bestuursrecht beslist overeenkomstig de nieuwe verordening (toetsing
                            ex nunc).</al><al>Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude
                            recht, wordt eveneens besloten krachtens deze verordening met dien
                            verstande dat de bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan
                            hij onder het oude recht zou hebben gehad. (verbod van reformatio in
                            peius).</al><al></al><al><vet>Artikel 6.6 Citeertitel</vet></al><al></al><al>Deze bepaling is geformuleerd overeenkomstig de modelbepaling 108, derde
                            lid, </al><al>van de Adr (aanwijzingen voor decentrale regelgeving).</al><al></al><al><vet>Inwerkingtreding</vet></al><al>Deze wijzigingen treden in werking op de achtste dag na de bekendmaking,
                            met uitzondering van het vervallen van afdeling 9 "Grow-, head-,
                            smartshops" (artikelen 2:23 tot en met 2:36). Deze afdeling komt te
                            vervallen op 1 maart 2015 of zoveel later als de nieuwe bepalingen in de
                            Opiumwet omtrent strafbaarstelling van alle handelingen die illegale
                            hennepteelt voorbereiden en bevorderen in werking treden. </al><al></al><al></al><al></al><al></al><al></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>