<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR96012_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening materiële financiële gelijkstelling onderwijs gemeente Landerd 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Landerd</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-04-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Landerd</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Arena, 08-04-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening materiële financiële gelijkstelling onderwijs gemeente Landerd 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het primair onderwijs, art. 140 en art. 141</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de expertisecentra, art. 135 en art. 135</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 96g en art. 96h</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden, art. XII, XV en XVII</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 5</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-03-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-04-23</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>-1.851.107</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordennig materiële financiële gelijkstelling onderwijs gemeente Landerd 2004. De Verordening materiële financiële gelijkstelling onderwijs gemeente Landerd 2004 is ingetrokken.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening materiële financiële gelijkstelling onderwijs gemeente
            Landerd 2011.</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Landerd;</al><al>Gelezen het voorstel van het college van 1 februari 2011;</al><al>Gelet op artikel 140 /141 van de Wet op het primair onderwijs , artikel
                        134 /135 van de Wet op de expertisecentra en artikel 96g /96h van de Wet
                        op het voortgezet onderwijs;</al><al>Gelet op de artikelen XIII , XV en XVII van de Wet dualisering
                        gemeentelijke medebewindsbevoegdheden;</al><al>Gelet op artikel 5 van de Gemeentewet ;</al><al>Gelet op hoofdstuk 4 van de Algemene wet bestuursrecht ;</al><al>Besluit vast te stellen de verordening ‘Verordening financiële materiële
                        gelijkstelling onderwijs gemeente Landerd 2011.</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepaling.</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Landerd;</al></li><li nr="b."><al>schoolbestuur: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                                    primair onderwijs , de Wet op de expertisecentra en de Wet op
                                    het voortgezet onderwijs bekostigde in de gemeente gelegen
                                    openbare of bijzondere school, of, voorzover in deze verordening
                                    is bepaald, van een nevenvestiging waarvan de hoofdvestiging is
                                    gelegen in een andere gemeente;</al></li><li nr="c."><al>school: school voor basisonderwijs, school voor (voortgezet)
                                    speciaal onderwijs;</al><lijst><li nr="-"><al>school voor basisonderwijs: een basisschool of een
                                            speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in
                                            artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school
                                            voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal en
                                            voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1
                                            van de Wet op de expertisecentra, een instelling voor
                                            speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                            artikel 8 van de Wet op de expertisecentra en een school
                                            voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                            artikel 1 van de Wet op de expertisecentra ;</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>nevenvestiging: deel van een school dat door de minister
                                    ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs ,
                                    artikel 76a of artikel 76b van de Wet op de expertisecentra ,
                                    artikel X van de wet van 31 mei 1995 (Stb. 319) of artikel 75
                                    van de Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in
                                    aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="e."><al>voorziening: een voorziening zoals opgenomen in de bijlage
                                    Voorzieningen van deze verordening;</al></li><li nr="f."><al>aanvullende voorziening: een door het college vastgestelde
                                    nieuwe voorziening waarmee de verordening tijdelijk wordt
                                    aangevuld;</al></li><li nr="g."><al>indieningsdatum: uiterste moment zoals opgenomen in de bijlage
                                    Voorzieningen van deze verordening, waarvoor een aanvraag voor
                                    een voorziening voor het eerste daaropvolgende tijdvak moet zijn
                                    ingediend;</al></li><li nr="h."><al>toekenningscriteria: de omstandigheden zoals opgenomen in de
                                    bijlage Voorzieningen van deze verordening, waaronder een
                                    schoolbestuur in aanmerking komt voor een voorziening of een
                                    aanvullende voorziening;</al></li><li nr="i."><al>tijdvak: periode zoals opgenomen in de bijlage Voorzieningen van
                                    deze verordening, waarvoor een voorziening wordt toegekend;</al></li><li nr="j."><al>subsidieplafond: een bedrag zoals bedoeld in artikel 4:22 van de
                                    wet , dat beschikbaar is voor een voorziening, of een
                                    aanvullende voorziening;</al></li><li nr="k."><al>feitelijke beschikbaarstelling: de beschikking van het college
                                    waarbij een voorziening of aanvullende voorziening in natura
                                    beschikbaar wordt gesteld;</al></li><li nr="l."><al>subsidievaststelling: een beschikking zoals bedoeld in artikel
                                    4:42 van de wet ;</al></li><li nr="m."><al>wet: de Algemene wet bestuursrecht .</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Subsidieplafond en verdelingsregels.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad kan voor een voorziening een subsidieplafond vaststellen.
                                Hierbij bepaalt de raad hoe het beschikbare bedrag wordt
                                verdeeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad kan voor een voorziening het gestelde in het eerste lid
                                overdragen aan het college. Het college neemt daarbij de
                                gemeentebegroting in acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college maakt het subsidieplafond en de wijze van verdeling van
                                het beschikbare bedrag, uiterlijk zes weken voor de indieningsdatum
                                aan de schoolbesturen bekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanvullende voorziening.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de verordening tijdelijk wordt aangevuld
                                met een voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de toekenningscriteria vast waaronder aanspraak
                                bestaat op de aanvullende voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Jaarlijks overzicht.</titel></kop><al>Jaarlijks voor 1 juli zendt het college aan de schoolbesturen een
                            overzicht van de op basis van deze verordening toegekende voorzieningen.
                            Het overzicht omvat de periode van 1 juni van het voorafgaande jaar tot
                            en met 31 mei van het jaar van toezending.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Procedures.</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvraag voorzieningen; weigeringsgronden.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Toevoegen, wijzigen en intrekken.</titel></kop><al>Een wijziging van de verordening die leidt tot het toevoegen,
                                wijzigen of intrekken van een voorziening, wordt uiterlijk zes weken
                                voor de indieningsdatum bekendgemaakt door het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indiening aanvraag.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het schoolbestuur dat een voorziening voor het eerste
                                        daaropvolgend tijdvak wenst, dient voor de indieningsdatum
                                        een aanvraag in bij het college. De indieningsdatum is niet
                                        van toepassing indien voor de voorziening is bepaald dat een
                                        indieningsdatum niet is voorgeschreven. Indien de aanvraag
                                        niet voor de indieningsdatum is ingediend, besluit het
                                        college om de aanvraag niet te behandelen.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag vermeldt:</al><lijst><li nr="o"><al>a. naam en adres van het schoolbestuur;</al></li><li nr="o"><al>b. de dagtekening;</al></li><li nr="o"><al>c. de gewenste voorziening;</al></li><li nr="o"><al>d. de naam van de school en de onderwijssoort indien
                                                de voorziening is bestemd voor een school;</al></li><li nr="o"><al>e. een motivering dat wordt voldaan aan de
                                                toekenningscriteria.</al></li></lijst></li></lijst><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens deelt het college dit
                                schriftelijk mee aan het schoolbestuur. Daarbij krijgt het
                                schoolbestuur de gelegenheid om binnen drie weken na de datum van
                                verzending van de mededeling de gegevens schriftelijk aan te vullen.
                                Indien het schoolbestuur de ontbrekende gegevens niet binnen deze
                                termijn verstrekt, beslist het college de aanvraag niet te
                                behandelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Beslissingstermijn.</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het college besluit binnen twaalf weken na de indieningsdatum
                                    op een aanvraag. Indien ten aanzien van een voorziening geen
                                    indieningsdatum is voorgeschreven, beslist het college binnen
                                    twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan de termijn van twaalf weken met vier weken
                                    verlengen. Bij verlenging wordt uiterlijk twee weken voor het
                                    einde van de termijn van twaalf weken hiervan door het college
                                    schriftelijk mededeling gedaan aan het schoolbestuur. Hierbij
                                    geeft het college de reden voor de verlenging aan.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het college stelt binnen twee weken na de datum van de
                                    beschikking op de aanvraag het schoolbestuur hiervan
                                    schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Weigeringsgronden.</titel></kop><al>Het college weigert de voorziening in ieder geval indien:</al><lijst><li nr="·"><al>a. de gewenste voorziening geen voorziening is in de zin van
                                        deze verordening;</al></li><li nr="·"><al>b. niet is voldaan aan één van de toekenningscriteria;</al></li><li nr="·"><al>c. door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou
                                        worden overschreden.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Aanvraag aanvullende voorzieningen; weigeringsgronden.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Indiening aanvraag.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het schoolbestuur dat een aanvullende voorziening wenst, dient
                                    een aanvraag in bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de aanvraag is artikel 6, tweede en derde lid, van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Beslissingstermijn.</titel></kop><al>Het college besluit binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag
                                of binnen vier weken na de verstrekking van de aanvullende gegevens.
                                Binnen twee weken na de datum van de beschikking stelt het college
                                het schoolbestuur hiervan schriftelijk in kennis.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Weigeringsgronden.</titel></kop><al>Het college weigert de aanvullende voorziening in ieder geval
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevraagde voorziening geen aanvullende voorziening zoals
                                        bedoeld in artikel 3 is;</al></li><li nr="b."><al>niet is voldaan aan een van de toekenningscriteria.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Toekenning; uitvoering beschikking subsidieverlening, intrekking
                                of wijziging; verbod vervreemding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud beschikking tot toekenning; betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De beschikking van het college tot toekenning van een
                                    voorziening of een aanvullende voorziening kan inhouden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>feitelijke beschikbaarstelling van de voorziening; of</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een subsidieverlening of</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een subsidievaststelling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beschikking bevat:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het tijdvak en het doel waarvoor de voorziening is
                                    toegekend;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de wijze waarop het schoolbestuur de voorziening dient uit te
                                    voeren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beschikking tot subsidieverlening of subsidievaststelling
                                    bevat voorts:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het bedrag van de subsidie of, indien de beschikking tot
                                    subsidieverlening het bedrag niet vermeldt, het bedrag waarop de
                                    subsidie ten hoogste wordt vastgesteld;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het bedrag van het voorschot of de wijze van vaststelling
                                    daarvan indien de beschikking tot subsidieverlening bepaalt dat
                                    het college een voorschot verleent;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de bepaling dat de wet van toepassing is en voorzover van belang
                                    welke afzonderlijke bepalingen of afwijkingen hierop van kracht
                                    zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De betaling van het subsidiebedrag vindt binnen zes weken na de
                                    subsidievaststelling plaats.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Uitvoering beschikking tot subsidieverlening.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na een beschikking tot subsidieverlening dient het schoolbestuur
                                    uiterlijk acht weken na afloop van het tijdvak waarvoor de
                                    voorziening is toegekend een aanvraag tot subsidievaststelling
                                    in. Het college stelt de subsidie ambtshalve vast indien de
                                    aanvraag achterwege blijft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de aanvraag toont het schoolbestuur aan dat de aan de
                                    subsidieverlening verbonden verplichtingen als genoemd in
                                    artikel 12 zijn nagekomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het schoolbestuur niet of niet voldoende aantoont dat de
                                    verplichtingen zijn nagekomen, deelt het college dit
                                    schriftelijk mee aan het schoolbestuur. Hierbij geven zij aan op
                                    welke onderdelen het schoolbestuur aanvullende informatie moet
                                    verschaffen. Daarbij krijgt het schoolbestuur de gelegenheid om
                                    binnen drie weken na ontvangst van de mededeling de gevraagde
                                    informatie schriftelijk te verschaffen. Indien het schoolbestuur
                                    de gevraagde informatie niet binnen deze termijn verstrekt,
                                    stelt het college de subsidie ambtshalve vast.)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Subsidievaststelling volgend op verlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist binnen acht weken na de indiening van de
                                    aanvraag als bedoeld in artikel.. of binnen acht weken na de
                                    verstrekking van de aanvullende informatie. Binnen twee weken na
                                    de datum van de beschikking stelt het college het schoolbestuur
                                    hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college betaalt het subsidiebedrag onder verrekening van de
                                    betaalde voorschotten, overeenkomstig de subsidievaststelling.
                                    De betaling vindt binnen zes weken na de subsidievaststelling
                                    plaats.)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Intrekken of wijzigen beschikking; terugvordering</titel></kop><al>Ten aanzien van het beleid tot intrekking, wijziging, stopzetting of
                                verlaging van de afgegeven subsidiebeschikking dan wel
                                terugvordering van gegeven subsidie is titel 4:2 van de wet van
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Intrekken of wijzigen beschikking tot
                                    subsidieverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zolang de subsidie niet is vastgesteld, kan het college een
                                    beschikking tot subsidieverlening intrekken of ten nadele van
                                    het schoolbestuur wijzigen, indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het bepaalde in artikel 13, eerste lid, onder b en c van
                                    toepassing is;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de voorziening niet of niet geheel heeft plaatsgevonden, of zal
                                    plaatsvinden;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het schoolbestuur onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                    verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens
                                    tot een andere beschikking zou hebben geleid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip
                                    van toekenning van de voorziening, tenzij bij de intrekking of
                                    wijziging anders is bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Verbod tot vervreemding</titel></kop><al>Vervreemding door het schoolbestuur van op basis van deze
                                verordening toegekende voorzieningen, is niet toegestaan zonder
                                toestemming van het college tenzij sprake is van een overdracht van
                                voorzieningen aan een ander schoolbestuur als gevolg van
                                samenvoeging van het betreffende schoolbestuur met een ander
                                schoolbestuur. </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Slotbepalingen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Informatieverstrekking.</titel></kop><al>Het schoolbestuur verstrekt op verzoek van het college nadere gegevens
                            die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                            verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Beslissing van het college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet.</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van de verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verordening kan worden aangehaald als: Verordening materiële
                                    financiële gelijkstelling onderwijs gemeente Landerd 2011.</al></li><li nr="2."><al>De verordening treedt in werking met ingang van 1 april
                                    2011.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 24 maart 2011. </ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.A.G. Huijs W.C. Doorn-van der Houwen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><tussenkop>Bijlage A. Vervoer naar gymnastiekaccommodatie. </tussenkop><tussenkop>I Aanduiding van de voorziening.</tussenkop><al>Jaarlijkse tegemoetkoming in de kosten van vervoer in verband met het
                    gymnastiekonderwijs. </al><tussenkop>II Datum van indiening. </tussenkop><al>Jaarlijks vóór 1 februari. </al><tussenkop>III Tijdvak waarvoor voorziening wordt toegekend.</tussenkop><al>Schooljaar. </al><tussenkop>IV Toekenningscriteria op grond waarvan een schoolbestuur in aanmerking
                    komt voor een voorziening</tussenkop><al> IVA Scholen voor basisonderwijs</al><al>IVB De voorziening staat niet open voor een nevenvestiging van een
                    hoofdvestiging in een andere gemeente.</al><al>IVC De afstand van de school tot de gymnastiekaccommodatie is in ieder geval
                    groter dan 1 kilometer (hemelsbreed gemeten).</al><tussenkop>V Wijze van toekenning met eventueel daarbij behorende
                    berekeningseenheid.</tussenkop><al>-De toekenning voor het vervoer ten behoeve van het gymnastiekonderwijs
                    geschiedt voor de leerlingen van basisschool ’t Oventje te Zeeland.</al><tussenkop>VI Subsidieplafond.</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>Er is geen sprake van een subsidieplafond. De vaststelling van de ter
                            beschikking te stellen vervoersvoorziening wordt opgedragen aan
                            burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="-"><al>De gemeente stelt de vervoervoorziening beschikbaar aan basisschool ’t
                            Oventje, waarbij de kosten van het vervoer voor rekening van de gemeente
                            worden genomen; de gemeente is de bevoegde partij tot het voeren van de
                            onderhandelingen met de vervoersbedrijven. </al></li></lijst><tussenkop>Toelichting:</tussenkop><al>In de gemeente Landerd is een vervoersvoorziening getroffen voor het
                    gymnastiekvervoer voor de leerlingen van basisschool ’t Oventje te Zeeland. De
                    overige basisscholen in de gemeente Landerd zijn zodanig gelegen dat zij (thans)
                    niet voor een vervoersvergoeding voor het gymnastiekonderwijs in aanmerking
                    komen. <vet>Toelichting Verordening materiële financiële gelijkstelling
                        onderwijs gemeente Landerd </vet><vet>2011’</vet><vet>. </vet></al><tussenkop>1 Algemene toelichting</tussenkop><tussenkop>1.1 Inleiding</tussenkop><al>Met de verordening hebben gemeenten een instrument in handen om een gericht
                    aanvullend (financieel) beleid te voeren, met betrekking tot de personele en
                    materiele voorzieningen voor zowel het openbaar als het bijzonder onderwijs,
                    zonder dat daarop het automatisme van de overschrijdingsregeling van toepassing
                    is. De VNG heeft hiervoor een modelverordening gemaakt.</al><al>In deze algemene toelichting wordt ingegaan op de aanleiding en achtergronden
                    van de Modelverordening materiële financiële gelijkstelling onderwijs. Er wordt
                    kort ingegaan op de ontstaansgeschiedenis van de financiële gelijkstelling.
                    Vervolgens worden de belangrijkste onderdelen hiervan besproken omdat de
                    verordening met inachtnerning van dit wettelijk kader moet worden vastgesteld en
                    uitgevoerd. Hierna wordt nadrukkelijk ingegaan op de vraag: hoe op lokaal niveau
                    een evenwicht te vinden tussen regelgeving en praktische uitvoerbaarheid? Een
                    evenwicht tussen enerzijds de onvermijdelijke regulering die de totstandbrenging
                    en uitvoering van de verordening met zich brengt en anderzijds het voorkomen van
                    overbodige bestuurslasten en daarmee gepaard gaande bureaucratie voor zowel
                    gemeenten als schoolbesturen.</al><al>Tot slot wordt ingegaan op de modelverordening, waarbij in meer algemene zin een
                    aantal aspecten de revue passeert, die relevant is geweest voor de uiteindelijke
                    inhoud en opzet van de modelverordening. Hierbij is ook de relatie met de
                    Algemene wet bestuursrecht van belang. Meer gedetailleerde informatie over de
                    modelverordening is opgenomen in de artikelsgewijze toelichting (onderdeel
                    2).</al><tussenkop>1.2 Voorgeschiedenis</tussenkop><al>De wortels van de huidige overschrijdingsregeling liggen bij de
                    onderwijspacificatie van 1917. De financiële gelijkstelling vormde hiervan het
                    sluitstuk en kreeg concreet vorm in de Lager-onderwijswet 1920. Sindsdien is de
                    essentie van de regeling hetzelfde gebleven: wanneer de gemeente meer besteedt
                    aan het openbaar onderwijs dan zij aan rijksvergoeding ontvangt, dan dient het
                    meerdere automatisch te worden doorbetaald aan het bijzonder onderwijs in de
                    gemeente.</al><al>De regeling van materiële financiële gelijkstelling kent echter nog een extra
                    nuance, namelijk dat de extra gemeentelijke uitgaven voor een bepaald doel komen
                    alleen terecht bij die openbare en bijzondere scholen die daar, gezien de
                    omstandigheden, behoefte aan hebben.</al><tussenkop>1.3 Financiële gelijkstelling: de belangrijkste elementen</tussenkop><tussenkop>1.3.1 Verhouding tot de overschrijdingsregeling</tussenkop><al>Centraal element in de regelgeving is dat gemeenten de mogelijkheid hebben om op
                    basis van een verordening voor nader te omschrijven voorzieningen extra
                    gemeentelijke middelen, boven op de rijksvergoeding, beschikbaar te stellen aan
                    het onderwijs (artikel 140 en 141 WPO, artikel 134 en 135 WEC en artikel 96g en
                    96h WVO). Deze extra middelen vallen niet onder de werking van de
                    overschrijdingsregeling. Voor de goede orde: de reguliere uitgaven en inkomsten
                    voor de personele en materiële voorzieningen vallen onder de
                    overschrijdingsregeling. De verordening financiële gelijkstelling leidt er dus
                    niet toe dat, wat betreft deze reguliere uitgaven en inkomsten, de
                    overschrijdingsregeling als zodanig (geheel) terzijde wordt geschoven.</al><al>Het gegeven dat een gemeente in het kader van de lopende exploitatie van de
                    openbare scholen niet toekomt met de rijksvergoeding, is onvoldoende grond om
                    via de verordening een dergelijk tekort voor deze scholen te dekken. De
                    verordening bepaalt welke voorzieningen ter beschikking kunnen worden gesteld en
                    op grond van welke omstandigheden scholen hiervoor in aanmerking kunnen komen.
                    Zowel openbare als bijzondere scholen kunnen dan in gelijke mate aanspraak maken
                    op de in de verordening opgenomen voorzieningen.</al><al>Het komt er dus op neer dat de hoofdregel is dat aanvullende, gemeentelijke
                    uitgaven voor materiële en personele voorzieningen ter dekking van
                    exploitatietekorten van gemeentelijke scholen onder het automatisme van de
                    formele financiële gelijkstelling vallen. Door middel van de verordening kan,
                    met inachtneming van het wettelijk kader, voor bepaalde uitgaven deze hoofdregel
                    buiten werking worden gesteld.</al><tussenkop>1.3.2 Verordening voor aanvullende uitgaven: verplicht of
                    facultatief?</tussenkop><al>In de regelgeving wordt onderscheid gemaakt tussen:</al><lijst><li nr="·"><al>1. de situatie waarin de gemeente geen openbare school in stand houdt;
                            en</al></li><li nr="·"><al>2. de situatie waarin de gemeente een openbare school in stand houdt
                            (college van burgemeester en wethouders) of functionele
                            bestuurscommissie is van het openbaar onderwijs.</al></li></lijst><al>Ad 1 De gemeente houdt geen openbare school in stand</al><al>In deze situatie kan het zowel gaan om een gemeente zonder openbaar onderwijs
                    als een gemeente waarin het openbaar onderwijs vermogensrechtelijk op afstand is
                    gezet. De wetgeving spreekt daarom ook van `niet door de gemeente in stand
                    gehouden scholen'. Niet door de gemeente in stand gehouden scholen betreffen
                    volgens de onderwijswetgeving vanzelfsprekend de bijzondere scholen, maar ook de
                    openbare scholen die vermogensrechtelijk zijn verzelfstandigd. Bij dit laatste
                    gaat het om openbare scholen die worden bestuurd door middel van een
                    gemeenschappelijke regeling, door een openbare rechtspersoon of door een
                    privaatrechtelijke rechtspersoon voor het openbaar onderwijs (de
                    stichting).</al><al>Gemeenten die geen openbaar onderwijs in stand houden en die aanvullende
                    personele of materiële voorzieningen willen toekennen aan de niet door de
                    gemeente in stand gehouden scholen moeten dit doen op basis van een verordening
                    financiële gelijkstelling (artikel 140 WPO; artikel 134 WEC; artikel 96g
                    WVO).</al><al>Ad 2 De gemeente houdt wel een openbare school in stand</al><al>In het geval de gemeente zelf openbaar onderwijs in stand houdt (met als bevoegd
                    gezag het college van burgemeester en wethouders of een bestuurscommissie ex
                    artikel 83 Gemeentewet) en de gemeente bovenop de rijksvergoeding uitgaven wil
                    doen, heeft de gemeente feitelijk een tweetal mogelijkheden tot haar
                    beschikking:</al><lijst><li nr="·"><al>1. Wanneer de gemeente gericht uitgaven wil doen voor het door haar in
                            stand gehouden openbaar onderwijs en voor de niet door de gemeente in
                            stand gehouden scholen, dan kan de gemeente daartoe een verordening
                            vaststellen (artikel 141 WPO; artikel 135 WEC; artikel 96h WVO). Op
                            basis van deze verordening kunnen uitgaven worden gedaan voor bepaalde
                            voorzieningen waarop scholen een beroep kunnen doen. Op
                            beschikbaarstelling van deze voorzieningen is niet de formele, maar de
                            materiële financiële gelijkstelling van toepassing.</al></li><li nr="·"><al>2. De gemeente ziet af van het vaststellen van een verordening. Het
                            gevolg hiervan is dat het niet mogelijk is om rechtstreeks uitgaven te
                            doen voor de niet door de gemeente in stand gehouden scholen. Eventuele
                            gemeentelijke meeruitgaven voor de exploitatie van het door de gemeente
                            in stand gehouden openbaar onderwijs blijven meetellen voor de
                            toepassing van de overschrijdingsregeling.</al></li></lijst><al>Op het moment dat dus gerichte uitgaven worden gedaan op basis van de
                    verordening kan een niet door de gemeente in stand gehouden school, die in
                    dezelfde omstandigheid verkeert, aanspraak maken op dezelfde voorziening.
                    Materiële of personele uitgaven voor het openbaar onderwijs die daarentegen niet
                    zijn gebaseerd op een in het kader van de verordening toegekende voorziening,
                    tellen mee voor de overschrijdingsregeling.</al><al>Een eventuele overschrijdingsuitkering is voor een niet door de gemeente in
                    stand gehouden school een vrij te besteden bedrag. Dit in tegenstelling tot de
                    aanvullende uitkering die een school op basis van de verordening ontvangt. Deze
                    moet besteed worden aan de voorziening waarvoor het beschikbaar is gesteld
                    (artikel 148 WPO, 143 WEC en 99 WVO). Dit garandeert het gerichte karakter van
                    de aanvullende gemeentelijke uitgaven.</al><tussenkop>1.3.3 Positie vermogensrechtelijk verzelfstandigd openbaar
                    onderwijs</tussenkop><al>Veel gemeenten buigen zich over de vraag of het bestuur van het openbaar
                    onderwijs op afstand moet worden gezet, en zo ja, op welke wijze. Bij de
                    overwegingen die daarbij een rol spelen wordt ook nadrukkelijk betrokken wat de
                    mogelijke consequenties hiervan zijn in relatie tot de toepassing van de
                    financiële gelijkstelling.</al><al>Indien een openbare school wordt ondergebracht in een vermogensrechtelijk van de
                    gemeente gescheiden bestuursvorm - het openbaar lichaam van een
                    gemeenschappelijke regeling, de openbare rechtspersoon of de stichting - dan
                    wordt deze school voor de toepassing van de financiële gelijkstelling
                    gelijkgeschakeld met het bijzonder onderwijs (zie vorige paragraaf onder 1). Dit
                    betekent dat deze scholen alleen op basis van de verordening materiële
                    financiële gelijkstelling nog in aanmerking kunnen komen voor een aanvullende
                    bijdrage van de gemeente. Dit geldt derhalve ook voor de bijdragen van de
                    gemeenten die buiten de overschrijdingsregeling vallen, zoals de uitgaven voor
                    administratie, bestuur en beheer.</al><al>Aanvullende gemeentelijke financiering op andere basis is niet mogelijk
                    aangezien in artikel 6 van de WPO, artikel 6 van de WEC en artikel 77 van de WVO
                    is aangegeven dat de gemeente geen uitgaven voor het bijzonder onderwijs mag
                    doen anders dan krachtens de wet. Dit betekent bijvoorbeeld dat
                    vermogensrechtelijk gescheiden openbare scholen de kosten van administratie,
                    bestuur en beheer dienen te betalen uit de rijksvergoeding. De gemeente kan
                    slechts aanvullend financieren op basis van de verordening materiële financiële
                    gelijkstelling, maar zal dan ook dezelfde faciliteiten moeten bieden aan het
                    bijzonder onderwijs, indien dat in gelijke omstandigheden verkeert. Indien de
                    rijksbekostiging van de materiële instandhouding en het personeel van het
                    openbaar onderwijs nog wel via de gemeente loopt - bij integraal bestuur en de
                    commissie ex artikel 83 van de Gemeentewet - geldt deze beperking niet. Deze
                    kunnen, naast een bijdrage op grond van een verordening, ook rechtstreeks in
                    aanmerking komen voor extra financiële middelen van de gemeente. Op deze extra
                    uitgaven ten opzichte van de rijksbekostiging is dan wel de
                    overschrijdingsregeling van toepassing. Dit betekent dus ook dat eventuele
                    aanvullende gemeentelijke uitgaven voor Administratie, Beheer en Bestuur (ABB)
                    in dat geval niet behoeven te worden meegenomen. Deze vallen immers buiten het
                    bereik van de wettelijke overschrijdingsregeling.</al><tussenkop>1.3.4 Kenmerken van Voorzieningen, gelijke behandeling</tussenkop><al>Voorzieningen zijn aanvullende uitgaven voor het onderwijs welke niet door de
                    rijksvergoeding worden gedekt en de exploitatie in materiële of personele zin
                    betreffen. Het kan gaan om een goed, een dienst, financiën of een personele
                    voorziening. Uit de wetgeving volgt dat bij het opnemen van een voorziening in
                    de verordening, geen onderscheid mag worden gemaakt tussen openbaar en bijzonder
                    onderwijs en voorzien moet worden in een behandeling naar dezelfde maatstaf. Dit
                    betekent dat een voorziening niet het vooropgezette oogmerk mag hebben om alleen
                    ten goede te komen aan het openbaar of bijzonder onderwijs. Verder betekent het
                    dat de bepaalde omstandigheden waaronder de voorziening wordt toegekend, zo veel
                    mogelijk moeten worden geconcretiseerd. Dit geldt met name voor voorzieningen
                    die niet voor alle scholen bedoeld zijn. Vage omschrijvingen op basis waarvan
                    scholen wel of niet in aanmerking komen voor een voorziening werkt onenigheid
                    (bezwaar- en beroepsprocedures) in de hand over de toepassing van de
                    regeling</al><al>In de verordening dienen voor de desbetreffende situaties de criteria
                    geformuleerd te zijn op grond waarvan schoolbesturen in aanmerking kunnen komen
                    voor toekenning van een voorziening. Voor die situaties kunnen dan
                    schoolbesturen die aan de criteria voldoen in aanmerking komen voor toekenning
                    van de voorziening door de gemeente.</al><al>Samenvattend zijn de kenmerken van een voorziening:</al><lijst><li nr="·"><al>1. het gaat om een goed, een dienst, personeel of financiële middelen
                            voor een concrete activiteit;</al></li><li nr="·"><al>2. de omstandigheden waaronder een voorziening wordt toegekend zijn (zo
                            concreet mogelijk) geformuleerd;</al></li><li nr="·"><al>3. hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen openbaar en bijzonder
                            onderwijs;</al></li><li nr="·"><al>4. bepaalde objectieve maatstaven die gelijkelijk worden toegepast
                            (toekenningscriteria) zijn geformuleerd.</al></li></lijst><al>Een voorbeeld</al><al>De omstandigheid dat een openbare, gemeentelijke school is gehuisvest in een
                    monument, leidt tot aanwijsbare extra uitgaven voor het regulier onderhoud (denk
                    bijvoorbeeld aan Rietveldscholen). Met regulier onderhoud worden die
                    onderhoudsactiviteiten bedoeld waarvoor een vergoedingscomponent is opgenomen in
                    de rijksvergoeding materiële instandhouding, welke direct wordt uitgekeerd aan
                    het bestuur van de school. Het gaat daarbij om zaken zoals het binnen- en
                    buitenschilderwerk en het onderhoud aan de binnenkant van het schoolgebouw
                    (vervanging inrichting e.d.). Dergelijke uitgaven voor het gemeentelijk
                    onderwijs vallen onder de overschrijdingsregeling.</al><al>In dit voorbeeld wil de gemeente gezien de specifieke omstandigheden waarin de
                    school verkeert, deze extra uitgaven boven de rijksvergoeding buiten de
                    overschrijdingsregeling houden. Hiertoe wordt de voorziening `extra regulier
                    onderhoud scholen gehuisvest in een monument' opgenomen in de verordening
                    materiële financiële gelijkstelling. Toekenningscriteria voor de voorziening
                    zouden hierbij kunnen zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>- het gebouw is ingeschreven in her monumentenregister in de zin van
                            artikel 6 van de Monumentenwet of beschikt over een aanwijzing als
                            beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35 van de
                            Monumentenwet;</al></li><li nr="·"><al>- uit de onderhoudsplanning van het gebouw blijkt dat andere en duurdere
                            activiteiten noodzakelijk zijn om het gebouw in stand te houden dan
                            waarmee in de genormeerde rijksvergoeding voor het onderhoud rekening
                            wordt gehouden.</al></li></lijst><al>Gemeentelijke en niet-gemeentelijke scholen waarop dit van toepassing is kunnen
                    vervolgens in aanmerking komen voor een aanvullende gemeentelijke vergoeding
                    voor regulier onderhoud. De vergoeding wordt bijvoorbeeld uitgedrukt in een vast
                    bedrag per m2 vloeroppervlakte van het betrokken schoolmonument (de gelijke
                    bekostigingsmaatstaf). Hiermee wordt bereikt dat de gemeentelijke gelden
                    uiteindelijk terecht komen bij de scholen die in een specifieke, vergelijkbare
                    omstandigheid verkeren. Deze scholen moeten de gelden vervolgens besteden aan
                    het onderhoud. De gemeentelijke en niet-gemeentelijke scholen die niet
                    gehuisvest zijn in een monument, komen via de verordening noch via de
                    overschrijdingsregeling in aanmerking voor aanvullende uitkeringen voor het
                    regulier onderhoud.</al><tussenkop>1.4 De bestaande praktijk en de verordening</tussenkop><al>In het oorspronkelijke wetsvoorstel financiële gelijkstelling was voorzien in
                    een mogelijkheid om aanvullende gemeentelijke uitgaven voor het primair en
                    voortgezet onderwijs (zowel openbaar als bijzonder) op basis van afspraken
                    tussen gemeente en schoolbesturen buiten de reikwijdte van de
                    overschrijdingsregeling te plaatsen. Een dergelijke overeenkomst zou een
                    alternatief vormen voor de gemeentelijke verordening. Uit oogpunt van
                    flexibiliteit, maar ook gezien de op lokaal niveau al sinds jaar en dag
                    bestaande afspraken over vormen van aanvullend gemeentelijk beleid die buiten
                    beschouwing blijven bij de toepassing van de overschrijdingsregeling, sluit de
                    mogelijkheid van onderlinge afspraken goed aan op de bestaande bestuurspraktijk.
                    De wetgever heeft echter uiteindelijk de mogelijkheid van dergelijke afspraken
                    niet opgenomen in de wet. Uit oogpunt van rechtszekerheid hecht de wetgever er
                    aan dat het aanvullend gemeentelijk beleid voor personele en materiële
                    voorzieningen in het onderwijs zijn grondslag vindt in de verordening of de
                    overschrijdingsregeling.</al><al>Voorbeelden aanvullend beleid</al><al>Zoals gezegd doen gemeenten al sinds jaar en dag op directe of indirecte wijze
                    aanvullende uitgaven voor zowel gemeentelijke als niet-gemeentelijke scholen.
                    Het schoolzwemmen in het basisonderwijs, het vervoer van leerlingen naar
                    gymnastieklokalen, schoollogopedische diensten, museumbezoek, diensten van
                    openbare bibliotheek, natuurlessen via de kinderboerderijen: het is slechts een
                    greep uit de vele activiteiten die op lokaal niveau plaatsvinden. De
                    activiteiten worden doorgaans door de gemeente `in natura' beschikbaar gesteld
                    aan de scholen. Zo wordt de openbare bibliotheek gesubsidieerd door de gemeente,
                    waaronder ook de activiteiten die worden verricht voor het onderwijs. In de
                    exploitatiesubsidie van het zwembad of het gemeentelijk museum is al rekening
                    gehouden met de kosten van het zwemonderwijs of museumbezoek van scholen.</al><al>De kosten worden soms expliciet zichtbaar gemaakt op de functie `onderwijs
                    algemeen' van de gemeentebegroting, maar ook wel verdisconteerd in de
                    begrotingspost waarin de subsidie van de instelling die de activiteiten
                    verzorgt, is verantwoord. In de praktijk wordt het door alle betrokken
                    schoolbesturen als vanzelfsprekend ervaren dat dergelijke gemeentelijke uitgaven
                    niet worden meegenomen bij de uitvoering van de overschrijdingsregeling.</al><al>Vermijden overbodige regulering</al><al>De vraag waar gemeenten en schoolbesturen voor staan in het overleg over de
                    eventuele totstandkoming van een verordening, is of men het wenselijk en
                    noodzakelijk vindt activiteiten die niet direct te plaatsen zijn onder de in
                    paragraaf 1.6.1 en 1.6.2 genoemde mogelijkheden, in een verordening onder te
                    brengen. Tegen de achtergrond van de grote verscheidenheid van het bestaande
                    lokale beleid kan de verordening namelijk leiden tot een aanmerkelijke
                    juridificering en daarmee bureaucratisering van de verhouding tussen de lokale
                    overheid en de schoolbesturen. Dit kan zowel voor de schoolbesturen (het
                    voorbereiden en indienen van aanvragen, voeren van overleg etc.) als de gemeente
                    (toepassen van de verordening) leiden tot forse bestuurslasten. In het lokale
                    onderwijsoverleg zullen betrokken partijen hierin een middenweg moeten zien te
                    vinden die ertoe leidt dat de verordening ook in praktische zin hanteerbaar is.
                    Zo verdient het aanbeveling om (bestaand) aanvullend gemeentelijk beleid waarvan
                    alle betrokkenen het vanzelfsprekend vinden dat deze buiten de werking van de
                    overschrijdingsregeling vallen, ook buiten de reikwijdte van de verordening te
                    houden.</al><al>De volgende aandachtspunten kunnen hierbij partijen van dienst zijn:</al><al>* directe of indirecte subsidiering</al><al>Daar waar de gemeente financiële middelen beschikbaar stelt aan scholen voor de
                    realisering van een voorziening en het dus eigenlijk gaat om een directe
                    verstrekking van een subsidie voor een bepaalde onderwijsactiviteit, is de
                    verordening de aangewezen weg. De verordening regelt de aanspraak en procedure
                    voor het verkrijgen van de subsidie, alsmede de verantwoording die het
                    schoolbestuur over de besteding hiervan moet afleggen. Bij veel vormen van
                    indirecte subsidiëring kunnen scholen voor een voorziening terecht bij een door
                    de gemeente voor die voorziening gesubsidieerde instelling (bijvoorbeeld de
                    gemeente betaalt het `museumkaartje' voor scholen). Indien deze voorziening voor
                    de scholen gelijkelijk openstaat, verdient het nadrukkelijk overweging om op
                    lokaal niveau of te spreken om de voorziening buiten de reikwijdte van de
                    verordening te laten.</al><al>* aard van de voorziening/ uitgave</al><al>Daar waar het gaat om aanvullende uitgaven voor voorzieningen die bij
                    afwezigheid van de verordening zonder twijfel vallen onder de werking van de
                    overschrijdingsregeling, is de verordening het aangewezen middel. Een gemeente
                    die bijvoorbeeld extra onderhoudskosten die aangemerkt worden als kosten voor de
                    materiële instandhouding (preventief onderhoud, schilderwerk, onderhoud
                    binnenzijde schoolgebouw; extra tuinonderhoud) aan een gemeentelijke school die
                    gehuisvest is in een rijksmonument, buiten de overschrijding wil houden, kan dit
                    alleen maar met behulp van de verordening doen.</al><al>* van wie gaat het initiatief uit?</al><al>Voor voorzieningen waarbij een schoolbestuur bij de gemeente moet aangeven of
                    men daaraan behoefte heeft, gegeven de omstandigheden waarin de school verkeert,
                    werkt de verordening verhelderend (de omstandigheden waaronder men in aanmerking
                    kan maken voor een voorziening worden namelijk concreet aangegeven). Wil
                    daarentegen de gemeente een voorziening ten laste van de gemeentebegroting
                    beschikbaar stellen aan alle scholen (naar gelijke maatstaf en los van
                    omstandigheden waarin de scholen verkeren) dan kan de verordening door
                    betrokkenen als een te zwaar instrument worden gezien.</al><al>Een voorbeeld van zo'n voorziening is een door de gemeenten in het kader van het
                    lokaal sportbeleid georganiseerde en bekostigde schoolsportdag. Alle scholen
                    worden in de gelegenheid gesteld om daaraan deel te nemen. De functie van de
                    verordening wordt dan beperkt om via de formele aanvraagprocedure te kunnen
                    inventariseren welke scholen wel of geen aanspraak willen maken op de
                    voorziening. In een dergelijke situatie heeft de verordening alleen een
                    duidelijke meerwaarde indien de met de voorziening gemoeide gemeentelijke
                    uitgaven, uitgaven betreffen die zonder de verordening zouden vallen onder de
                    werking van de overschrijdingsregeling.</al><tussenkop>1.5 Deregulering en beperking bestuurs- en uitvoeringslasten</tussenkop><al>Ter voorkoming van overbodige regelgeving en de hiermee samenhangende bestuurs-
                    en uitvoeringslasten voor schoolbesturen en gemeenten kan `gedoseerd' worden
                    omgegaan met de modelverordening. Hiertoe zijn de volgende mogelijkheden
                    denkbaar waarvan de toepassing overigens per gemeente kan verschillen:</al><lijst><li nr="a."><al>In het model is ervoor gekozen om niet de figuur van subsidieverlening
                            op te nemen, maar alleen te werken met de mogelijkheden van feitelijke
                            beschikbaarstelling van voorzieningen en van subsidievaststelling. Dit
                            verdient aanbeveling indien de meerwaarde van de figuur van
                            subsidieverlening (zie onder 2 `Artikelsgewijze toelichting' bij artikel
                            12 en volgende) op lokaal niveau niet aan de orde is, gezien de aard van
                            de voorzieningen die worden toegekend op basis van de verordening.</al></li><li nr="b."><al>Het `onderbrengen' van de verordening materiële financiële
                            gelijkstelling onder de gemeentelijke algemene subsidieverordening (ASV)
                            voor zover deze aanwezig is. De algemene bepalingen uit de ASV zouden
                            van toepassing kunnen worden verklaard op de financiële gelijkstelling;
                            voor de specifieke elementen van de gelijkstelling (formuleren van
                            voorzieningen e.d.) kan een apart hoofdstuk aan de ASV worden
                            toegevoegd.</al></li><li nr="c."><al>Terughoudend beleid ten opzichte van het opnemen van voorzieningen in de
                            verordening, en daarmee de omvang van de bijlage, wanneer de
                            overlegpartners op lokaal niveau hieraan op basis van de in de vorige
                            paragraaf vermelde aandachtspunten, geen behoefte hebben. Bijvoorbeeld
                            bij bestaand gemeentelijk aanvullend beleid dat door betrokkenen
                            (gemeente en schoolbesturen) altijd al als niet-overschrijdingsgevoelig
                            is beschouwd (zoals de subsidiering van schoolzwemmen voor alle
                            basisscholen). Zoals aangegeven is overeenstemming daarover tussen
                            schoolbesturen en gemeente nadrukkelijk gewenst.</al></li><li nr="d."><al>Indien subsidies voor meerdere jaren beschikbaar worden gesteld verdient
                            het overweging om dit ook tot uitdrukking te brengen in het tijdvak
                            waarvoor de subsidie wordt toegekend. Hierdoor wordt voorkomen dat
                            subsidies steeds jaarlijks op basis van de verordening moeten worden
                            aangevraagd en beoordeeld.</al></li></lijst><tussenkop>1.6 Reikwijdte verordening</tussenkop><al>De verordening materiële financiële gelijkstelling is niet de enige mogelijkheid
                    voor het doen van extra gemeentelijke materiële en personele uitgaven die buiten
                    de werkingssfeer van de overschrijdingsregeling vallen. Om de verordening in het
                    juiste juridisch perspectief te plaatsen, volgt hier een overzicht van de andere
                    direct uit de onderwijswetgeving voortkomende mogelijkheden.</al><tussenkop>1.6.1 Mogelijkheden binnen kader overschrijdingsregeling</tussenkop><al>Binnen de regelgeving over de overschrijdingsregeling gelden enkele bepalingen
                    op basis waarvan bepaalde gemeentelijke uitgaven voor gemeentelijke scholen
                    buiten beschouwing blijven bij de vaststelling van de overschrijdingsbedragen.
                    Het gaat daarbij om het volgende:</al><lijst><li nr="·"><al>- Uitgaven en ontvangsten voor de exploitatie van gemeentelijke scholen
                            waarvan de wetgever bepaalt dat deze buiten beschouwing worden gelaten
                            bij de toepassing van de overschrijdingsregeling (kosten voor
                            administratie, beheer en bestuur en voor gymnastiekonderwijs; zie
                            bijvoorbeeld artikel 144, derde lid WPO).</al></li><li nr="·"><al>- Exploitatie-uitgaven voor gemeentelijke scholen die worden gedekt door
                            ontvangsten van gelden die door derden beschikbaar zijn gesteld
                            (bijvoorbeeld sponsorgelden; gekweekte rente op reserves; zie
                            bijvoorbeeld artikel 144, vierde lid WPO).</al></li><li nr="·"><al>- De gemeenteraad kan in overeenstemming met een of meer schoolbesturen
                            van niet-gemeentelijke scholen besluiten dat bepaalde materiële of
                            personele uitgaven die de gemeente doet voor gemeentelijke scholen
                            (zoals bekostiging van extra personeel) voor de scholen van de
                            betreffende besturen buiten beschouwing blijven bij de toepassing van de
                            overschrijdingsregeling (zie bijvoorbeeld artikel 142, vierde lid WPO).
                            Voor de goede orde: bij een dergelijke overeenstemming worden dus geen
                            middelen ter beschikking gesteld aan de betreffende schoolbesturen.</al></li></lijst><tussenkop>1.6.2 'Lex specialis'</tussenkop><al>In de WPO, WEC en WVO geldt een specifieke regeling voor het handelen van de
                    lokale overheid in het kader van de decentralisatie van het Rijk aan de
                    gemeenten van de verantwoordelijkheid voor onderwijshuisvesting (de zogenaamde
                    lex specialis).</al><al>De uitgaven en ontvangsten voor de voorzieningen in de onderwijshuisvesting
                    blijven buiten beschouwing bij de toepassing van de overschrijdingsregeling en
                    evenzo vallen deze niet onder de reikwijdte van de verordening financiële
                    gelijkstelling. Hierop zijn afzonderlijke wettelijke bepalingen van toepassing
                    (lex specialis) waarbij overigens ook het beginsel van de gelijke behandeling
                    opgeld doet.</al><tussenkop>1.7 De modelverordening</tussenkop><al>Zoals gezegd hebben gemeenten de mogelijkheid om via een verordening gericht
                    aanvullend (financieel) beleid te voeren voor zowel het openbaar als het
                    bijzonder onderwijs binnen de gemeente. De essentie van de verordening is dat
                    wordt aangegeven welke voorzieningen deel uitmaken van de verordening, hoe
                    voorzieningen kunnen worden aangevraagd en in welke vorm en onder welke
                    voorwaarden de voorzieningen ter beschikking kunnen worden gesteld. Met het oog
                    op de financiële beheersbaarheid is het daarbij zaak om de voorzieningen zelf en
                    de condities waaronder aanspraak wordt gemaakt op de voorziening, zo helder
                    mogelijk te formuleren. Onder deze condities kan ook een budgettaire
                    randvoorwaarde (werken met een subsidieplafond) vallen.</al><al>Bij de toepassing van de verordening mag geen onderscheid worden gemaakt tussen
                    openbaar en bijzonder onderwijs en wordt voorzien in een behandeling van scholen
                    naar dezelfde maatstaf. Dit laatste wil zeggen dat de gemeente scholen die in
                    dezelfde omstandigheden verkeren ook gelijk zal moeten behandeld.</al><tussenkop>1.7.1 De structuur</tussenkop><al>Qua structuur en vormgeving van de modelverordening is aangesloten bij de opzet
                    van de VNG-modelverordening voorzieningen huisvesting onderwijs, in die zin dat
                    de modelverordening financiële gelijkstelling is opgebouwd uit een `romptekst'
                    en een bijlage `voorzieningen'. Voor deze verordening is, mede gezien het
                    gegeven dat de voorzieningen per gemeente zullen verschillen (zowel qua inhoud,
                    aantal, als toekenningscriteria), het hanteren van een bijlage een bij uitstek
                    geschikt middel om met deze diversiteit op lokaal niveau om te gaan.</al><al>In de romp van de verordening zijn opgenomen: de competentieverdeling tussen de
                    gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders; de
                    aanvraagprocedure, de procedures rond beoordeling van en besluitvorming over de
                    aanvragen, de uitvoering van toegekende voorzieningen en de verantwoording
                    daarover.</al><al>In de Bijlage `voorzieningen' worden in concreto de voorzieningen aangegeven en
                    uitgewerkt die de schoolbesturen kunnen aanvragen. Hiertoe is een stramien
                    aangegeven aan de hand waarvan de gemeente een voorziening formuleert.</al><al>De omvang van de bijlage `voorzieningen' varieert vanzelfsprekend per gemeente
                    en hangt samen met het aantal door de gemeente gericht aanvullend bekostigde
                    activiteiten voor het onderwijs in de personele en materiële sfeer.</al><al>Voor de volledigheid: de romp en de bijlagen vormen juridisch één geheel. Een
                    wijziging van een voorziening in de bijlage is dus aan te merken als een besluit
                    tot wijziging van de verordening.</al><tussenkop>1.7.2 Positie van nevenvestigingen</tussenkop><al>Een gemeente kan (onderdelen) van het aanvullend beleid via de verordening ook
                    van toepassing verklaren op de in de gemeente gesitueerde nevenvestigingen met
                    een hoofdvestiging in een andere gemeente (artikel 140 zesde lid WPO, 134, zesde
                    lid WEC en 96g, zesde lid WVO). In het omgekeerde geval moet een gemeente die
                    een bepaalde voorziening ter beschikking stelt aan een aantal scholen en een van
                    die scholen is een hoofdvestiging met een nevenvestiging in een andere gemeente,
                    de voorziening ook ter beschikking stellen voor deze nevenvestiging (uiteraard
                    alleen voor zover de nevenvestiging voldoet aan de criteria om in aanmerking te
                    komen voor de desbetreffende voorziening).</al><al>In het genoemde stramien van de bijlage `voorzieningen' (onderdeel 1W) wordt
                    expliciet gevraagd of de gemeente voor een bepaalde voorziening gebruik wenst te
                    maken van deze `kan-bepaling'. Nevenvestigingen van een in de gemeente gelegen
                    hoofdvestiging vallen onder de reikwijdte van de verordening van de gemeente van
                    hoofdvestiging. Dit geldt ook wanneer de nevenvestiging niet op het grondgebied
                    is gesitueerd van de gemeente van de hoofdvestiging.</al><al>Een voorbeeld</al><al>Een gemeente stelt in het kader van de inbraakpreventie aan scholen met een hoog
                    inbraakpercentage een alarminstallatie ter beschikking. De gemeente kan
                    besluiten om deze voorziening ook open te stellen voor een nevenvestiging binnen
                    de gemeente die een hoofdvestiging heeft die buiten de gemeente is gelegen. De
                    gemeente</al><al>Afstemming tussen gemeenten</al><al>Het kan voorkomen dat een nevenvestiging waarvan de hoofdvestiging in een andere
                    gemeente ligt, dezelfde voorziening kan aanvragen bij twee gemeenten. Een
                    `dubbele' toekenning is dan te veel van het goede. De gemeente van
                    hoofdvestiging en de gemeente van nevenvestiging doen er verstandig aan hun
                    verordening onderling af te stemmen op dergelijke situaties. De voor de hand
                    liggende oplossing is dan dat de gemeente van nevenvestiging ten aanzien van
                    deze nevenvestiging geen gebruik maakt van de hiervoor genoemde
                    `kan-bepaling'.</al><tussenkop>1.8 Samenhang met Algemene wet bestuursrecht (subsidietitel)</tussenkop><tussenkop>1.8.1 Begrip subsidiering</tussenkop><al>Bij de opzet van de modelverordening is aangesloten op de bepalingen uit Titel
                    4.2 Subsidies. De verordening plaatst de gemeente immers in een subsidiërende
                    rol ten opzichte van onderwijsinstellingen. In de verordening is bewust gekozen
                    voor de termen `subsidie en subsidiering' en niet voor bekostiging. Hiermee
                    wordt tot uitdrukking gebracht dat het bij de verordening gaat om aanvullend
                    gemeentelijk beleid (discretionaire bevoegdheid). De lokale overheid is niet
                    verantwoordelijk voor de bekostiging van het onderwijs. Deze
                    verantwoordelijkheid ligt bij het Rijk.</al><tussenkop>1.8.2 Toepassing subsidietitel Awb</tussenkop><al>Uit oogpunt van harmonisatie en inzichtelijkheid heeft het voorkeur de Awb
                    regelgeving over subsidies ook toe te passen op het gemeentelijk handelen in het
                    kader van de verordening materiële financiële gelijkstelling. Daarbij speelt dat
                    de subsidietitel uit de Awb ten opzichte van de verordening als hogere
                    regelgeving geldt. De gemeente is in het algemeen niet bevoegd te handelen in
                    strijd met hogere regelgeving. Het wettelijk kader in de onderwijswetgeving
                    biedt ook geen basis voor afwijking van het Awb-kader. Dit, gevoegd bij de
                    bepaling in de Awb dat de subsidietitel van overeenkomstige toepassing is op de
                    bekostiging van het onderwijs (artikel 4:21, vierde lid), leidt tot de conclusie
                    dat de subsidietitel Awb een verplichtend karakter heeft voor de gemeentelijke
                    subsidiering op grond van de verordening materiële financiële
                    gelijkstelling.</al><tussenkop>1.8.3 Subsidies en wachtgeld</tussenkop><al>Wanneer een voorziening in de verordening betrekking heeft op de
                    beschikbaarstelling of subsidiering van personele uitgaven is het van belang om
                    terdege rekening te houden met het vraagstuk van eventueel hiermee samenhangende
                    wachtgeldverplichtingen.</al><al>Hierbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen:</al><lijst><li nr="·"><al>a. de situatie waarin de gemeente de aanstelling van personeel door een
                            schoolbestuur subsidieert, en</al></li><li nr="·"><al>b. de situatie waarin de gemeente fungeert als werkgever van een aantal
                            personen die activiteiten ten behoeve van het onderwijs verrichten.</al></li></lijst><al>Ad a Uitgangspunt is dat gemeenten verplicht zijn om wachtgeldkosten te
                    subsidiëren, wanneer zij zichzelf daartoe hebben verplicht, bijvoorbeeld in de
                    subsidieverordening of meer specifiek in de subsidiebeschikking. Wanneer deze
                    zelf opgelegde verplichtingen ontbreken zijn er geen specifieke regels aan te
                    wijzen op basis waarvan de gemeenten anderszins zouden kunnen worden gedwongen
                    wachtgeld te subsidiëren. Wel is het vanzelfsprekend dat gemeenten te allen
                    tijde de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen, zeker bij
                    verlaging of beëindiging van gemeentelijke subsidies ten gevolge waarvan
                    wachtgeldkosten (kunnen) ontstaan.</al><al>Met name dient gewezen te worden op het zorgvuldigheidsbeginsel. Dit
                    zorgvuldigheidsbeginsel is aan de orde indien de subsidieverstrekker zich de
                    gevolgen van zijn besluit onvoldoende aantrekt en de gesubsidieerde teweinig
                    tijd heeft om zich voor tebereiden op de gewijzigde omstandigheden.</al><al>De aankondiging voor een beleidswijziging moet dus op een dusdanig tijdstip zijn
                    gedaan dat de instelling voldoende tijd heeft gehad om zich op de gewijzigde
                    omstandigheden voor tebereiden.</al><al>Ad b Op het moment dat de gemeente personen `inkoopt' ten behoeve van het
                    onderwijs, treedt de gemeente op als overheid, derhalve publiekrechtelijk en
                    niet privaatrechtelijk. Dit betekent dat bij vermindering of stopzetting de op
                    deze personen van kracht zijnde wachtgeldartikelen van toepassing zijn.</al><tussenkop>1.8.4 Voorzieningen in natura</tussenkop><al>Hiervoor is aangegeven dat de gemeente een voorziening ook feitelijk beschikbaar
                    kan stellen, zoals scholen die voor zwemonderwijs terecht kunnen in het door de
                    gemeente gesubsidieerde zwembad of de feitelijke beschikbaarstelling van een of
                    meer computers aan scholen. Dergelijke voorzieningen vallen niet onder het
                    subsidiebegrip van de Awb, omdat er dan sprake moet zijn van een verstrekking
                    van financiële middelen aan het schoolbestuur ter uitvoering van bepaalde
                    activiteiten. In de modelverordening is - uit oogpunt van inzichtelijkheid - een
                    besluit tot feitelijke beschikbaarstelling onderworpen aan dezelfde
                    uitvoeringsbepalingen die van kracht zijn op een subsidiebeschikking. Dit
                    uiteraard voor zover dit relevant is voor de feitelijke
                    beschikbaarstelling.</al><al>Bij de toekenning van voorzieningen in natura dient in de gaten to worden
                    gehouden dat de grondwettelijke verankerde vrijheid van richting en inrichting
                    wordt gerespecteerd. Zo zou bijvoorbeeld een op basis van de verordening aan
                    alle scholen geboden mogelijkheid om een bepaalde onderwijsmethode gesubsidieerd
                    te krijgen, hiermee op gespannen voet staan. Schoolbesturen die op basis van de
                    grondwettelijke inrichtingsvrijheid opteren voor een andere methode zouden dan
                    achtergesteld worden bij scholen die daarvoor wel kiezen. Dit staat vervolgens
                    ook op gespannen voet met een van de uitgangspunten van de verordening, te weten
                    `geen onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs'. Aangezien tegen de
                    verordening, waarvan de voorzieningen deel van uitmaken, beroep kan worden
                    ingesteld bij de rechtbank (zie bijvoorbeeld artikel 140, vijfde lid WPO) dient
                    een gemeente in voorkomende gevallen hiermee zorgvuldig om te gaan. Overleg met
                    de betrokken schoolbesturen is daarvan een onmisbaar bestanddeel.</al><tussenkop>1.9 Rechtsbescherming en overleg met het lokale scholenveld</tussenkop><al>Ten aanzien van de lokale regelgeving en uitvoering van de financiële
                    gelijkstelling is geen verplicht op overeenstemming gericht overleg
                    voorgeschreven tussen gemeente en schoolbesturen. Dit laat onverlet dat het
                    nadrukkelijk aanbeveling verdient om over de eventuele vaststelling van de
                    verordening en over voorstellen met betrekking tot het op basis van de
                    verordening openstellen of wijzigingen van voorzieningen, overleg te voeren met
                    alle betrokken schoolbesturen. Dergelijke onderwerpen zouden kunnen worden
                    ingebracht in het gestructureerde overleg over het lokaal onderwijsbeleid. De
                    inbreng van het scholenveld kan vervolgens worden meegewogen bij de
                    uiteindelijke afweging door de raad.</al><al>Het overleg met het scholenveld over een eventuele verordening met de daarbij
                    behorende voorzieningen is ook van belang in verband met de mogelijkheid voor
                    schoolbesturen om tegen de verordening als zodanig beroep in te stellen bij de
                    rechtbank. Bij een eventuele toetsing zal de rechter ook betrekken of de
                    verordening op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Hiertoe behoort ook de
                    wijze waarop direct belanghebbenden (de schoolbesturen) bij de totstandkoming
                    zijn betrokken.</al><tussenkop>2 Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Aanhef</tussenkop><al>In de aanhef wordt aangegeven op welke bepaling uit de wet deze verordening is
                    gebaseerd. Indien de gemeente zelf geen openbare school in stand houdt of als
                    openbare scholen ontbreken, en de gemeente wenst aanvullend eigen beleid te
                    voeren, is de wettelijke grondslag van de verordening artikel 140 van de WPO,
                    artikel 134 van de WEC en artikel 96g van de WVO (voor zover de betreffende
                    onderwijssoorten binnen de gemeente aanwezig zijn). In dit geval moet de
                    gemeente de verordening vaststellen.</al><al>Indien de gemeente wel openbaar onderwijs in stand houdt (integraal bestuur of
                    een bestuurscommissie ex artikel 83 van de Gemeentewet) is de grondslag geregeld
                    in artikel 141 van de WPO, artikel 135 van de WEC en artikel 96h van de WVO
                    (voor zover de betreffende onderwijssoorten binnen de gemeente aanwezig zijn).
                    In dit geval kan de gemeente een verordening vaststellen.</al><al>Voor een nadere toelichting wanneer de verordening verplicht of facultatief is,
                    zie paragraaf 1.3.2.</al><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepaling</tussenkop><al>b Schoolbestuur</al><al>De begripsbepaling van het schoolbestuur omvat twee delen:</al><lijst><li nr="·"><al>1. schoolbestuur van een in de gemeente gelegen school (openbaar en
                            bijzonder); Het begrip schoolbestuur omvat zowel het schoolbestuur van
                            het openbaar als bijzonder onderwijs dat een in de gemeente gelegen
                            school in stand houdt. Het schoolbestuur van de openbare school (al of
                            niet door de gemeente in stand gehouden) dient dus ook op basis van de
                            verordening aanvragen in te dienen.</al></li><li nr="·"><al>2. schoolbestuur van een nevenvestiging waarvan de hoofdvestiging; is
                            gelegen in een andere gemeente; De wet stelt dat nevenvestigingen voor
                            de toepassing van de verordening vallen onder de verordening van de
                            gemeente van hoofdvestiging (zie bijvoorbeeld artikel 140, zesde lid van
                            de WPO). Dit betekent dat het schoolbestuur van een nevenvestiging die
                            zich bevindt in de gemeente X, maar waarvan de hoofdvestiging is gelegen
                            in de gemeente Y, in beginsel altijd voorzieningen kan aanvragen voor de
                            nevenvestiging op basis van de verordening van de gemeente Y.</al></li></lijst><al>De gemeenteraad kan besluiten dat in de gemeente gelegen nevenvestigingen van
                    scholen waarvan de hoofdvestiging is gelegen in een andere gemeente, in
                    aanmerking komen voor één of meer voorzieningen die via de verordening worden
                    opengesteld. Dit betekent dat het schoolbestuur van de nevenvestiging ook in
                    gemeente X voor één of meerdere voorzieningen een aanvraag op basis van de
                    verordening van de gemeente X kan indienen. De raad kan per voorziening bepalen
                    of de voorziening openstaat voor nevenvestigingen van een hoofdvestiging die
                    zich bevindt in een andere gemeente. De raad heeft de mogelijkheid om dit in de
                    bijlage per voorziening aan te geven.</al><al>d Voorziening</al><al>De voorzieningen die op grond van deze verordening kunnen worden aangevraagd,
                    zijn opgenomen in de bijlage bij deze verordening. In de bijlage wordt een
                    bepaald stramien gehanteerd aan de hand waarvan het begrip voorziening kan
                    worden ingevuld. Het stramien kan worden gezien als een `checklist' voor het
                    formuleren van voorzieningen en bestaat uit:</al><lijst><li nr="·"><al>I aanduiding van de voorziening;</al></li><li nr="·"><al>II indieningsdatum;</al></li><li nr="·"><al>III tijdvak waarvoor de voorziening wordt toegekend;</al></li><li nr="·"><al>IV toekenningseriteria;</al></li><li nr="·"><al>V wijze van toekenning;</al></li><li nr="·"><al>VI subsidieplafond.</al></li></lijst><al>Uit de beschrijving van een voorziening in de bijlage kan een schoolbestuur dus
                    opmaken of het in beginsel in aanmerking komt voor een bepaalde voorziening en
                    zo ja, op welke wijze de bekostiging vervolgens plaatsvindt.</al><al>De verordening is zo geredigeerd dat het college (behoudens de weigeringsgronden
                    in de verordening zelf) op basis van de omschrijving van de voorziening bepaalt
                    of een schoolbestuur al of niet in aanmerking komt voor een voorziening. De
                    omschrijving van de omstandigheid kan dus ook elementen bevatten als
                    levensvatbaarheid van de school; een bepaling dat een nevenvestiging van een in
                    een andere gemeente gelegen school in aanmerking kan komen voor de voorziening
                    of dat de voorziening alleen openstaat voor hoofdgebouwen, of juist alleen voor
                    dislocaties etc.</al><al>e Aanvullende voorziening</al><al>De wet biedt de mogelijkheid dat de raad besluit dat het college de verordening
                    tijdelijk kunnen aanvullen met nieuwe voorzieningen (zie b.v. artikel 140,
                    vierde lid van de WPO). Binnen de modelverordening wordt het college deze
                    mogelijkheid geboden.</al><al>f Indieningsdatum</al><al>De indieningsdatum die voor een voorziening geldt, is opgenomen bij de
                    omschrijving van de voorziening in de bijlage. De indieningsdatum zal mede
                    afhankelijk zijn van het tijdvak waarvoor de voorziening wordt toegekend. Het
                    merendeel van de voorzieningen is gekoppeld aan het tijdvak `schooljaar'. Voor
                    het tijdvak zal de aanvraagprocedure moeten zijn afgerond. Een indieningsdatum
                    van 1 februari zal voor de meeste voorzieningen een adequate datum zijn. Met 1
                    februari wordt ruimte gegeven om de aanvraagprocedure af te handelen voor het
                    begin van het schooljaar en wordt tevens voorzien in de mogelijkheid om aan te
                    sluiten bij de gemeentelijke begrotingscyclus (zie verder de toelichting bij
                    artikel 5).</al><al>g Toekenningscriteria</al><al>In de bijlage bij deze verordening worden als onderdeel van een voorziening de
                    omstandigheden geformuleerd op basis waarvan bevoegde gezagsorganen in
                    aanmerking kunnen komen voor toekenning van een voorziening. De omstandigheid
                    waarin de school moet verkeren, is beschreven aan de hand van
                    toekenningscriteria. Indien een schoolbestuur niet verkeert in de benoemde
                    omstandigheid oftewel niet voldoet aan de toekenningscriteria voor een
                    specifieke voorziening, komt het schoolbestuur niet in aanmerking voor de
                    aangevraagde voorziening.</al><al>h Tijdvak</al><al>Het tijdvak is de periode waarvoor de voorziening wordt toegekend. De
                    voorzieningen hebben in het algemeen te maken met activiteiten die een relatie
                    hebben met het onderwijsproces waardoor de koppeling met het schooljaar voor de
                    hand ligt. Het tijdvak zal dan één of meerdere schooljaren omvatten.</al><al>Voor sommige voorzieningen kan het echter wenselijk zijn om niet het schooljaar,
                    maar kalenderjaar als uitgangspunt te nemen. Deze mogelijkheid wordt geboden
                    door in de verordening niet een vast tijdvak op te nemen, maar per voorziening
                    het tijdvak vast te stellen. Het stramien van de bijlage biedt hiertoe de
                    mogelijkheid. Bij de betreffende voorziening in de bijlage dient te worden
                    aangegeven voor welk tijdvak de voorziening wordt toegekend. De indieningsdatum
                    kan vervolgens op het tijdvak worden afgestemd.</al><al>i Subsidieplafond</al><al>Een toekenning van een voorziening in de vorm van financiële middelen, is een
                    subsidie. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht bestaat de mogelijkheid om
                    voor subsidies een subsidieplafond in te stellen. Dit instrument wordt in de
                    verordening opgenomen om de beheersbaarheid van de uitgaven te bevorderen.</al><al>j Feitelijke beschikbaarstelling</al><al>Een voorziening kan in beginsel op twee wijzen ter beschikking worden gesteld.
                    Ten eerste kan de voorziening in natura ter beschikking worden gesteld. In de
                    verordening wordt in dit verband de term `feitelijke beschikbaarstelling'
                    gehanteerd. Ten tweede kan de voorziening in de vorm van financiële middelen ter
                    beschikking worden gesteld. Het gaat dan om een subsidievaststelling.</al><al>k Subsidievaststelling</al><al>Bij het beschikbaar stellen van financiële middelen gaat het altijd om een
                    subsidie waarop, hoofdstuk 4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing
                    is. Met de subsidievaststelling ontstaat een definitieve aanspraak op de
                    subsidie. De subsidie kan direct na een aanvraag van een schoolbestuur worden
                    vastgesteld.</al><tussenkop>Artikel 2 Subsidieplafond en verdelingsregels</tussenkop><al>Eerste lid</al><al>Met het oog op de beheersbaarheid van de uitgaven kan de gemeenteraad bepalen
                    dat een subsidieplafond wordt vastgesteld voor bepaalde voorzieningen. De raad
                    dient expliciet in de bijlage op te nemen of per voorziening een subsidieplafond
                    wordt gehanteerd en wat de hoogte van het plafond is.</al><al>Het subsidieplafond per voorziening dient ertoe om te voorkomen dat bij veel
                    aanvragen voor een bepaalde voorziening, de beschikbare begroting voor de
                    voorziening in zijn totaliteit wordt overschreden. Door toepassing van een
                    subsidieplafond kan de raad er ook expliciet voor kiezen om een ter beschikking
                    te stellen bedrag lager te stellen dan feitelijk noodzakelijk is voor het
                    realiseren van een voorziening. De bekostiging van de voorziening kan dan worden
                    opgevat als een tegemoetkoming in de kosten of een stimuleringsmaatregel.</al><al>Indien de raad bepaalt dat voor een voorziening een subsidieplafond geldt,
                    dienen ook verdelingsregels te worden opgesteld. In de toelichting op de bijlage
                    wordt ingegaan op de mogelijke verdelingsregels.</al><al>Tweede lid</al><al>Om niet jaarlijks de verordening te moeten wijzigen omdat alleen de hoogte van
                    het subsidieplafond verandert, kan de raad ervoor kiezen om het college de
                    hoogte het subsidieplafond te laten vaststellen. De raad kan ook de wijze van
                    verdelen opdragen aan het college. Indien de raad het vaststellen van het
                    subsidieplafond en de verdeling voor een specifieke voorziening opdraagt aan het
                    college, dient de bijlage bij de betreffende voorziening dit te bepalen.</al><al>Derde lid</al><al>Schoolbesturen dienen tijdig op de hoogte te zijn onder welke voorwaarden
                    voorzieningen kunnen worden aangevraagd. Met deze bepaling zijn schoolbesturen
                    zes weken voor de indieningsdatum op de hoogte welke subsidieplafonds en
                    verdelingsregels worden gehanteerd. Deze bepaling volgt ook uit de Algemene wet
                    bestuursrecht waarin wordt bepaald dat het subsidieplafond wordt bekendgemaakt
                    voor de aanvang van het tijdvak waarvoor het is vastgesteld.</al><tussenkop>Artikel 3 Aanvullende voorzieningen</tussenkop><al>Eerste lid</al><al>In dit artikel wordt invulling gegeven aan de mogelijkheid die de wet biedt aan
                    het college om deze verordening tijdelijk aan te vullen met een of meerdere
                    voorzieningen (art. 140, vierde lid WPO of art. 134, vierde lid WEC en art. 96g,
                    vierde lid WVO of art. 96h, vierde lid WVO).</al><al>De wet zelf bepaalt vervolgens dat de gemeenteraad binnen 12 weken na het
                    besluit van het college om de verordening tijdelijk aan te vullen, beslist over
                    de bekrachtiging ervan. Indien de gemeenteraad niet binnen 12 weken beslist,
                    wordt de aanvulling gelijkgesteld met een aanvulling die is bekrachtigd. Een
                    afwijzing door de gemeenteraad van een dergelijke aanvulling, heeft geen
                    gevolgen voor aanvragen waarop reeds is beslist of die reeds zijn ingediend en
                    die voorzieningen betreffen waarop de aanvulling betrekking heeft. Op het moment
                    dat bekrachtiging door de raad heeft plaatsgevonden of de termijn van 12 weken
                    is verstreken, wordt de aanvullende voorziening opgenomen in de bijlage bij de
                    verordening.</al><al>Naast vorenstaande procedure bepaalt de wet dat de aanvulling binnen een week na
                    het besluit van het college om de verordening tijdelijk aan te vullen, aan de
                    bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen
                    moet worden gezonden.</al><al>Een aanvulling zoals bedoeld in artikel 3 is doorgaans bedoeld om in geval van
                    calamiteiten snel een voorziening open te kunnen stellen. Vanwege de
                    spoedeisendheid is er ten aanzien van deze voorziening geen indieningstermijn
                    opgenomen. Nadat de gemeenteraad de voorziening heeft bekrachtigd of nadat de
                    termijn van 12 weken is verstreken en de voorziening van rechtswege is
                    bekrachtigd, kan de voorziening alleen nog worden aangevraagd via de reguliere
                    aanvraagprocedure ex artikel 6. Immers, de aanvullende voorziening is na
                    bekrachtiging door de raad (of nadat de termijn van 12 weken is verstreken) een
                    reguliere voorziening geworden.</al><al>Het college kan, vanwege een spoedeisend belang, ook op verzoek van één of meer
                    van de bevoegde gezagsorganen besluiten om de verordening aan te vullen met een
                    voorziening. Een verplichting is dit echter niet. Het gaat om aanvullend
                    gemeentelijk beleid. Een schoolbestuur kan dus niet afdwingen dat het college de
                    verordening tijdelijk aanvult met een voorziening.</al><al> Tweede lid</al><al>Het tweede lid stelt dat het college dient aan te geven onder welke
                    omstandigheden schoolbesturen in aanmerking kunnen komen voor de voorziening.
                    Het ligt voor de hand dat hierbij het stramien van de bijlage wordt gevolgd. Op
                    deze wijze kan, indien de raad de voorziening bekrachtigt, op relatief
                    eenvoudige wijze de voorziening worden ingepast in de verordening.</al><tussenkop>Artikel 4 Jaarlijks overzicht</tussenkop><al>De wet stelt dat het college verplicht is om jaarlijks een overzicht bekend te
                    maken van de op grond van de verordening toegekende voorzieningen. Dit moet
                    gebeuren in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
                    huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. In de verordening is
                    ervoor gekozen om de bevoegde gezagsorganen die vallen onder de reikwijdte van
                    deze verordening, rechtstreeks te informeren over de op grond van de verordening
                    toegekende voorzieningen. Hiermee wordt een praktische invulling gegeven aan de
                    mogelijkheid om via ‘een andere geschikte wijze' het overzicht te
                    publiceren.</al><al>In de praktijk kan dit erop neer komen dat in het kader van het reguliere
                    overleg tussen de gemeente en de schoolbesturen een dergelijk overzicht wordt
                    toegezonden.</al><al>Het college dient een overzicht te geven van voorzieningen die in de afgelopen
                    12 maanden zijn toegekend. Dit overzicht bevat:</al><lijst><li nr="·"><al>- de ‘reguliere' voorzieningen die zijn toegekend voor het eerste
                            daaropvolgende tijdvak (waarover immers in de periode van 1 juni van het
                            voorafgaande jaar tot en met 31 mei van het jaar van toezending, is
                            beslist);</al></li><li nr="·"><al>- eventuele aanvullende voorzieningen waarover in het afgelopen jaar is
                            beslist.</al><al>Artikel 5 Toevoegen, wijzigen en intrekken</al><al>Op het moment dat de raad voor de eerste keer de verordening vaststelt,
                            wordt tegelijkertijd in de bijlage bij de verordening een aantal
                            voorzieningen opgenomen. De raad kan ten allen tijde de verordening
                            wijzigen. Om richting schoolbesturen tijdig duidelijk te maken welke
                            voorzieningen onder welke condities kunnen worden aangevraagd, is
                            bepaald dat zes weken voor de indieningsdatum wijzigingen van de
                            verordening (die leiden tot een wijziging met betrekking tot de
                            voorzieningen) moeten worden bekendgemaakt.</al><al>Deze bepaling impliceert ook dat op het moment dat de raad aanvullende
                            voorzieningen bekrachtigt en opneemt in de bijlage (en daarmee een
                            wijziging van de verordening doorvoert), dit binnen zes weken voor de
                            indieningsdatum moet worden bekendgemaakt. Indien een voorziening wordt
                            toegevoegd, gewijzigd of ingetrokken, wordt feitelijk daarmee de bijlage
                            bij de verordening aangepast waar de voorziening wordt genoemd.
                            Aangezien de bijlage en de verordening zelf juridisch bezien een geheel
                            vormen, dient een wijziging van de bijlage altijd opgevat te worden als
                            een wijziging van de verordening.</al><al>Op basis van artikel 139 van de Gemeentewet dienen verordeningen bekend
                            te worden gemaakt voordat deze rechtskracht verkrijgen. Dit artikel
                            specificeert deze algemene bepaling in die zin dat de bekendmaking is
                            gekoppeld aan de indieningsdatum. Hiermee wordt bereikt dat voorafgaand
                            aan de aanvraagprocedure voor schoolbesturen duidelijk is welke
                            voorzieningen onder welke voorwaarden kunnen worden aangevraagd. Indien
                            voor een voorziening is bepaald dat een indieningsdatum niet
                            noodzakelijk is en de raad wijzigt deze voorziening (of voegt een
                            dergelijke voorziening toe), moet deze op basis van artikel 139 van de
                            Gemeentewet bekend worden gemaakt voordat de wijzigingen rechtskracht
                            verkrijgen.</al><al>Koppeling met gemeentelijke begrotingscyclus</al><al>De procedure van toevoegen, wijzigen of intrekken van een voorziening
                            kan worden gekoppeld aan het tijdstip van de behandeling van de
                            gemeentebegroting. Er zijn drie verschillende scenario's denkbaar:</al><lijst><li nr="·"><al>1. Tijdens de voorbereiding van de begroting worden gelijktijdig
                                    voorstellen ontwikkeld voor aanpassing van de verordening. De
                                    besluitvorming kan dan gelijktijdig met de begrotingsbehandeling
                                    plaatsvinden. Het college van burgemeester en wethouders kan
                                    daartoe een uitgewerkt voorstel (conform het stramien zoals dat
                                    wordt gehanteerd in de bijlage) indienen bij de raad waarna
                                    besluitvorming kan plaatsvinden.</al></li><li nr="·"><al>2. Tijdens de begrotingsbehandeling wordt door de raad of door
                                    burgemeester en wethouders kenbaar gemaakt dat een wijziging van
                                    de verordening wenselijk is. In het algemeen lijkt het niet
                                    mogelijk dat de verordening tijdens dezelfde raadsvergadering
                                    nog wordt gewijzigd. In de regel zal dan in de eerstvolgende
                                    raadsvergadering de verordening worden gewijzigd. Om
                                    schoolbesturen tijdig de mogelijkheid te bieden om aanvragen
                                    voor te bereiden en in te dienen, is bepaald dat uiterlijk zes
                                    weken voor de indieningsdatum de wijziging van de verordening
                                    wordt bekendgemaakt. De uiterste datum van bekendmaking van een
                                    wijziging zal in de regel medio december zijn (uitgaande van een
                                    indieningsdaturn van 1 februari).</al></li><li nr="·"><al>3. Hoewel de algemene lijn is dat een wijziging van de
                                    verordening wordt behandeld in het kader van de
                                    gemeentebegroting waardoor de financiële consequenties van het
                                    eigen gemeentelijk beleid voor het onderwijs nadrukkelijk worden
                                    betrokken bij de afweging door de raad, wordt dit niet
                                    voorgeschreven. De raad kan ten allen tijde besluiten tot het
                                    wijzigen van de verordening. Wel dient de bepaling in acht te
                                    worden genomen dat zes weken voor de indieningsdaturn, de
                                    wijziging moet zijn bekendgemaakt.</al></li></lijst><al>De raad kan op het moment dat de voorziening wordt gewijzigd of
                            toegevoegd, bepalen dat een andere indieningsdatum wordt gehanteerd,
                            eventueel alleen voor het eerste jaar. De andere datum wordt dan
                            opgenomen in de bijlage bij de betreffende voorziening.</al><al>Het intrekken van een voorziening verdient extra aandacht. Het intrekken
                            van een voorziening moet ‘tijdig' worden bekendgemaakt. Afhankelijk van
                            bijvoorbeeld de duur van de subsidie, de bedragen en de consequenties
                            voor schoolbesturen dient een redelijke termijn te worden gehanteerd.
                            Als variant zou het zelfs wenselijk kunnen zijn om een afbouwregeling te
                            treffen, in die zin dat in de loop van een aantal jaren steeds minder
                            subsidie ter beschikking wordt gesteld.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 6 Indiening aanvraag</tussenkop><al>Eerste lid</al><al>Een schoolbestuur dat een voorziening wenst, kan deze voorziening aanvragen bij
                    het college. Dit moet geschieden voor de indieningsdatum zoals die is
                    geformuleerd in de bijlage bij de gewenste voorziening. Voorzieningen worden in
                    het algemeen toegekend voor schooljaren. Om voor het schooljaar de
                    aanvraagprocedure te hebben afgerond, lijkt een indieningsdatum van omstreeks 1
                    februari voor de hand te liggen. De keuze voor deze indieningsdatum is gebaseerd
                    op drie overwegingen:</al><al>1. 1. Financiële beheersbaarheid</al><al>In samenhang met artikel 5, waarin is bepaald dat de toevoeging, wijziging en
                    intrekking van voorzieningen zes weken voorafgaand aan 1 februari moet worden
                    bekendgemaakt, kan de procedure voor het vaststellen van de voorzieningen sporen
                    met het tijdstip van behandeling van de gemeentebegroting. Hiermee wordt beoogd
                    dat bij het openstellen van voorzieningen door de gemeenteraad expliciet de
                    financiële consequenties van het opnemen van een voorziening worden betrokken.
                    Medio december is hiermee duidelijk welke voorzieningen voor het volgende
                    schooljaar kunnen worden aangevraagd. Na bekendmaking van een eventueel
                    subsidieplafond door het college kan vervolgens de aanvraagprocedure
                    starten.</al><al>2. 2. Subsidieplafond</al><al>De gemeenteraad heeft de bevoegdheid om per voorziening te bepalen dat een
                    subsidieplafond geldt. Nadat de voorzieningen bekendgemaakt zijn en het
                    subsidieplafond is vastgesteld door het college kunnen aanvragen voor
                    voorzieningen worden ingediend. Voor voorzieningen waarvoor een subsidieplafond
                    geldt, is het noodzakelijk dat een moment van beoordeling wordt gehanteerd. Het
                    wettelijke vereiste `gelijke maatstaf' impliceert immers dat scholen in gelijke
                    omstandigheden gelijk worden behandeld. Op een moment moet het college
                    beoordelen of alle aanvragen gezamenlijk een overschrijding van het
                    subsidieplafond opleveren.</al><al>3.3 Koppeling schooljaar</al><al>De voorzieningen die op basis van deze verordening kunnen worden aangevraagd,
                    zijn in het algemeen gekoppeld aan activiteiten voor het onderwijsproces
                    waardoor een koppeling met het schooljaar voor de hand ligt. De
                    aanvraagprocedure is zo vormgegeven dat de raad eerst de voorzieningen
                    vaststelt, dat de procedure van aanvragen en beoordelen doorlopen kan worden en
                    dat voor het begin van het schooljaar duidelijk is welke voorzieningen zijn
                    toegekend.</al><al>De indieningsdatum is een fatale datum. Hiervoor is gekozen om te voorkomen dat
                    bij hantering van een subsidieplafond de verdeling van het budget over alle
                    bevoegde gezagsorganen, niet plaats kan vinden omdat een van de aanvragen nog
                    moet worden ingediend.</al><al>Desgewenst kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat bevoegde gezagsorganen
                    die een aanvraag wensen in te dienen, gebruik moeten maken van een
                    standaardformulier. Een dergelijk standaardformulier zou opgebouwd kunnen worden
                    aan de hand van de gegevens die het schoolbestuur moet overleggen bij de
                    aanvraag.</al><al>Tweede lid</al><al>Bij de aanvraag dient een aantal gegevens dat noodzakelijk is voor de
                    beoordeling van de aanvraag te worden bijgevoegd. De bepaling is opgebouwd uit
                    een opsomming van enkele gegevens die bij elke aanvraag moet worden vermeld. Uit
                    de omschrijving van de voorziening in de bijlage kan namelijk worden opgemaakt
                    welke toekenningscriteria gelden en daarmee welke additionele gegevens
                    noodzakelijk zijn om te beoordelen of een schoolbestuur in de omstandigheid
                    verkeert dat het aanspraak kan maken op een voorziening.</al><al>Indien de voorziening wordt gevraagd voor de school als zodanig, wordt gevraagd
                    naar de naam van de school en de schoolsoort. Indien de voorziening ter
                    beschikking wordt gesteld aan het schoolbestuur als zodanig is dit niet
                    noodzakelijk. Als bijvoorbeeld de gemeente schoolbesturen aanvullend wenst te
                    faciliteren voor het voorbereiden en voeren van het overleg in het kader van het
                    lokaal onderwijsbeleid, kan volstaan worden met het vermelden van de naam en het
                    adres van het schoolbestuur, de dagtekening, de voorziening die wordt gevraagd
                    en een gemotiveerde onderbouwing dat wordt voldaan aan de toekenningscriteria
                    bij de gevraagde voorziening.</al><al>Derde lid</al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) schrijft voor dat het bestuursorgaan,
                    voordat kan worden overgegaan om de aanvraag buiten behandeling te laten, het
                    schoolbestuur de mogelijkheid moet bieden om de aanvraag binnen een redelijke
                    termijn te completeren. In dit lid is een termijn van drie weken opgenomen.
                    Indien het schoolbestuur geen gebruik maakt van deze termijn, of nog onvoldoende
                    informatie geeft, voorziet de verordening er in dat het college de
                    desbetreffende aanvraag buiten behandeling laat.</al><al>De Algemene wet bestuursrecht bepaalt bovendien dat een besluit van het college
                    om de aanvraag niet te behandelen aan de aanvrager moet worden bekend gemaakt.
                    De bekendmaking vindt plaats binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of
                    nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken (vgl. art. 4:5, lid
                    4 Awb).</al><tussenkop>Artikel 7 Beslissingstermijn</tussenkop><al>Eerste lid</al><al>Nadat aanvragen voor een of meerdere voorzieningen voor de indieningsdatum zijn
                    ingediend, beschikt het college binnen 12 weken op de aanvraag. Het college
                    heeft dus in beginsel drie maanden om op aanvragen te beschikken. De termijn is
                    zo gekozen dat binnen deze termijn de verzoeken die onvolledig zijn nog kunnen
                    worden gecompleteerd (ingevolge artikel 6, derde lid, dient het schoolbestuur
                    binnen drie weken de aanvraag te completeren). De completering moet dus binnen
                    de 12 weken plaatsvinden. Dit is ook noodzakelijk omdat over alle aanvragen voor
                    een voorziening op een moment moet worden beslist door het college in verband
                    met een eventueel subsidieplafond. Op dit moment moet namelijk worden beoordeeld
                    of de gezamenlijke aanvragen het subsidieplafond overschrijden.</al><al>Tevens wordt in dit lid bepaald dat in die gevallen waarin geen indieningsdatum
                    wordt gehanteerd, de termijn waarbinnen het college een beschikking moet afgeven
                    op 12 weken na ontvangst van de aanvraag wordt gesteld.</al><al>Tweede lid</al><al>Indien het college dit noodzakelijk acht kan de termijn van 12 weken, met vier
                    weken worden verlengd. Dit moet gemotiveerd worden medegedeeld aan de betrokken
                    schoolbesturen.</al><tussenkop>Artikel 8 Weigeringsgronden</tussenkop><al>In dit artikel zijn de weigeringsgronden opgenomen die het college in ieder
                    geval in acht neemt bij het afgeven van een beschikking op een aanvraag om in
                    aanmerking te komen voor een voorziening.</al><al>In weigeringsgrond genoemd in onderdeel a (`de gewenste voorziening is geen
                    voorziening in de zin van deze verordening') komt tot uitdrukking dat de
                    voorzieningen die in de verordening zijn opgenomen uitdrukkelijk limitatief
                    zijn.</al><al>Daarnaast dienen aanvragen te worden getoetst aan de toekenningscriteria zoals
                    deze per voorziening zijn vastgesteld. De bijlage bij de verordening bevat de
                    voorzieningen en een omschrijving van de omstandigheid waaronder een
                    schoolbestuur in aanmerking komt voor de voorziening. Indien een aanvraag van
                    een schoolbestuur tot toekenning van een voorziening niet voldoet aan één of
                    meerdere van de toekenningscriteria, dient de gewenste voorziening te worden
                    geweigerd.</al><al>In onderdeel c is de mogelijkheid opgenomen om een voorziening te weigeren als
                    de subsidie die is gemoeid met het ter beschikking stellen van de voorziening,
                    is uitgeput.</al><tussenkop>Artikel 9 Indiening aanvraag</tussenkop><al>Eerste lid</al><al>Dit lid voorziet in de mogelijkheid dat een schoolbestuur een aanvullende
                    voorziening kan aanvragen. Vanwege het spoedeisende karakter van deze
                    voorzieningen is niet gekozen voor een bepaalde indieningstermijn. Op het moment
                    dat een aanvullende voorziening is bekrachtigd door de gemeenteraad (of indien
                    de gemeenteraad niet binnen 12 weken beslist), is de aanvullende voorziening een
                    reguliere voorziening in de zin van de verordening en kan deze voorziening
                    alleen nog maar op basis van artikel 6 worden aangevraagd.</al><al>Tweede lid</al><al>Zie toelichting artikel 6, tweede en derde lid.</al><tussenkop>Artikel 10 Beslissingstermijn</tussenkop><al>Dit artikel volgt grotendeels het stramien van de besluitvormingsprocedure ten
                    aanzien van de reguliere voorzieningen (artikel 7). Wel zijn de termijnen
                    ingekort omdat het in het algemeen zal gaan om spoedeisende voorzieningen in
                    geval van calamiteiten.</al><al>Bepaald is dat het college binnen vier weken beschikt op een aanvraag dan wel
                    binnen vier weken nadat aanvullende gegevens zijn verstrekt door het
                    schoolbestuur. Binnen twee weken na de datum van de beschikking dient het
                    schoolbestuur schriftelijk op de hoogte te worden gebracht van de beschikking
                    van burgemeester en wethouders.</al><tussenkop>Artikel 11 Weigeringsgronden</tussenkop><al>In dit artikel zijn de weigeringsgronden opgenomen die het college in ieder
                    geval in acht neemt bij het afgeven van een beschikking op een aanvraag om in
                    aanmerking te komen voor een aanvullende voorziening.</al><tussenkop>Artikel 12 Inhoud beschikking tot toekenning; betaling</tussenkop><al>Eerste lid</al><al>In beginsel kan op twee wijzen een voorziening ter beschikking worden gesteld:
                    in `natura' of `financiële middelen' die het schoolbestuur vervolgens moet
                    aanwenden voor de realisatie van de toegekende voorziening. Indien financiële
                    middelen ter beschikking worden gesteld, gaat het altijd om een subsidie in de
                    zin van de Awb.</al><al>Bij het ter beschikking stellen van subsidies, kunnen twee lijnen worden
                    gevolgd. Het bestuursorgaan kan meteen overgaan tot het vaststellen van een
                    subsidie. Dit is de lijn die in de modelverordening wordt gehanteerd. Het
                    schoolbestuur aan wie de voorziening wordt toegekend, krijgt hiermee een
                    definitieve aanspraak op de subsidie.</al><al>Indien de gemeente de vaststelling van een subsidie voor een voorziening vooraf
                    wil laten gaan door een beschikking tot subsidieverlening dan moet op grond van
                    de Awb de figuur van subsidieverlening in de verordening worden verankerd. Het
                    college maakt dan gebruik van de mogelijkheid om eerst een voorwaardelijke
                    aanspraak op een subsidie open te stellen (de subsidieverlening) en pas later
                    definitief de hoogte van de subsidie vast te stellen (de
                    subsidievaststelling).</al><al>Voor de meeste voorzieningen ligt een directe vaststelling van de subsidie voor
                    de hand (waarmee een aanzienlijke vermindering van de bestuurslasten wordt
                    bewerkstelligd). Het direct vaststellen van de subsidie ligt voor de hand bij
                    relatief eenvoudige voorzieningen waarvan het subsidiebedrag vooraf kan worden
                    bepaald en voor voorzieningen waarvoor een subsidieplafond geldt. Immers, bij
                    een subsidieplafond is de hoogte van de subsidie bekend bij de toekenning.</al><al>Het hanteren van het systeem van verlening voorafgaand aan de vaststelling ligt
                    voor de hand bij voorzieningen waarbij het om relatief grote bedragen gaat
                    (bijvoorbeeld personeel) en bij voorzieningen waarbij de hoogte van het
                    subsidiebedrag bij de toekenning nog niet vaststaat (bijvoorbeeld indien in de
                    periode tussen verlening en vaststelling nog activiteiten moeten worden
                    uitgevoerd waarvan de hoogte van de subsidie afhankelijk is).</al><al>Tweede lid</al><al>De beschikking tot toekenning van een voorziening dient in ieder geval een
                    aantal elementen te bevatten.</al><al>De beschikking bevat de periode waarvoor de voorziening is toegekend, een
                    omschrijving van de wijze waarop het schoolbestuur uitvoering dient te geven aan
                    de voorziening en een omschrijving van het doel waarvoor de voorziening ter
                    beschikking is gesteld. De wijze van uitvoering kan meer of minder gedetailleerd
                    zijn. De wijze van uitvoering is een verplichting waaraan het schoolbestuur moet
                    voldoen. Indien het schoolbestuur niet aan deze verplichtingen voldoet, kan de
                    voorziening geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd op grond van artikel
                    13.</al><al>Derde lid</al><al>Hier is bepaald dat beschikkingen tot subsidievaststelling een aantal extra
                    gegevens dienen te bevatten.</al><al>Ten eerste dient het bedrag van de subsidie te worden aangegeven. Deze bepaling
                    volgt uit de Awb. De middelen die worden toegekend zijn doeluitkeringen. Het
                    college mag dan ook verlangen dat het schoolbestuur aangeeft dat de toegekende
                    middelen zijn besteed aan het doel waarvoor ze zijn bestemd. In de beschikking
                    kan dan ook worden verwoord op welke wijze het schoolbestuur verantwoording
                    dient af te leggen over de besteding van middelen.</al><al>Afhankelijk van de toegekende voorziening kan de rekening en verantwoording meer
                    en minder zwaar worden opgezet. Bij een voorziening `computer' kan een
                    aankoopbon volstaan, bij de voorziening `vakleerkracht' kunnen bijvoorbeeld
                    caso-overzichten en een verantwoording dat de leerkracht daadwerkelijk voor het
                    betreffende vak is ingezet worden overlegd.</al><al>Daarnaast kan de beschikking aangeven dat de Awb van toepassing is en welke
                    eventuele afwijkingen er van kracht zijn.</al><al>Aanvullende bepalingen in verband met subsidieverlening</al><al>Indien een gemeente gebruik wenst te maken van het systeem van verlening
                    voorafgaand aan de vaststelling dienen de volgende voorbeeldbepalingen in de
                    verordening te worden opgenomen (cursief gedrukte bepalingen):</al><al>Paragraaf 2.3 Toekenning; (*uitvoering beschikking subsidieverlening) intrekking
                    of wijziging; verbod vervreemding</al><al>Artikel 12 Inhoud beschikking tot toekenning; betaling</al><lijst><li nr="·"><al>1. De beschikking van het college tot toekenning van een voorziening of
                            een aanvullende voorziening kan inhouden: </al><lijst><li nr="o"><al>a. feitelijke beschikbaarstelling van de voorziening;</al></li><li nr="o"><al>of (* een subsidieverlening of)</al></li><li nr="o"><al>b. een subsidievaststelling.</al></li></lijst></li><li nr="·"><al>2. De beschikking bevat: </al><lijst><li nr="o"><al>a. het tijdvak en het doel waarvoor de voorziening is
                                    toegekend;</al></li><li nr="o"><al>b. de wijze waarop het schoolbestuur de voorziening dient uit te
                                    voeren.</al></li></lijst></li><li nr="·"><al>3. De beschikking tot (*subsidieverlening of) subsidievaststelling bevat
                            voorts: </al><lijst><li nr="o"><al>a. het bedrag van de subsidie (* of indien de beschikking tot
                                    subsidieverlening het bedrag niet vermeldt, het bedrag waarop de
                                    subsidie ten hoogste wordt vastgesteld);</al></li><li nr="o"><al>(* het bedrag van het voorschot of de wijze van vaststelling
                                    daarvan indien de beschikking tot subsidieverlening bepaalt dat
                                    het college een voorschot verleent;)</al></li></lijst></li><li nr="·"><al>4. 4. etc.</al></li></lijst><al>Toelichting:Een beschikking tot subsidieverlening hoeft niet het subsidiebedrag
                    te bevatten. Indien de beschikking niet het bedrag vermeldt, dient het maximaal
                    toe te kennen bedrag te worden vermeld.</al><al>Het college kan na een beschikking tot subsidieverlening, voorschotten verlenen.
                    Indien het college dit wenst, dient in de beschikking tot subsidieverlening te
                    worden vermeld dat er sprake is van bevoorschotting en dient tevens de hoogte
                    van het voorschot, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald, bekend
                    gemaakt te worden. Het ligt voor de hand dat de termijnen van bevoorschotting
                    aansluiten bij eventuele betalingsverplichtingen van het schoolbestuur.</al><al>* Artikel Uitvoering beschikking tot subsidieverlening</al><lijst><li nr="1."><al>Na een beschikking tot subsidieverlening dient het schoolbestuur
                            uiterlijk acht weken na afloop van het tijdvak waarvoor de voorziening
                            is toegekend een aanvraag tot subsidievaststelling in. Het college stelt
                            de subsidie ambtshalve vast indien de aanvraag achterwege blijft.</al></li><li nr="2."><al>Bij de aanvraag toont het schoolbestuur aan dat de aan de
                            subsidieverlening verbonden verplichtingen als genoemd in artikel 12
                            zijn nagekomen.</al></li><li nr="3."><al>Indien het schoolbestuur niet of niet voldoende aantoont dat de
                            verplichtingen zijn nagekomen, deelt het college dit schriftelijk mee
                            aan het schoolbestuur. Hierbij geven zij aan op welke onderdelen het
                            schoolbestuur aanvullende informatie moet verschaffen. Daarbij krijgt
                            het schoolbestuur de gelegenheid om binnen drie weken na ontvangst van
                            de mededeling de gevraagde informatie schriftelijk te verschaffen.
                            Indien het schoolbestuur de gevraagde informatie niet binnen deze
                            termijn verstrekt, stelt het college de subsidie ambtshalve vast.</al></li></lijst><al>Toelichting:Nadat een schoolbestuur een beschikking tot subsidieverlening heeft
                    ontvangen, kan de beschikking tot uitvoering worden gebracht. Met het aanvragen
                    van de subsidievaststelling vraagt het schoolbestuur van de school om de
                    aanspraak tot vergoeding om te zetten in een definitieve vaststelling van het
                    bedrag. Op deze wijze wordt door het schoolbestuur van de school aangegeven dat
                    voldaan is aan de verplichtingen zoals deze zijn geformuleerd door het college
                    en wordt rekening en verantwoording afgelegd. Het college kan deze rekening en
                    verantwoording toetsen alvorens over te gaan tot de definitieve
                    subsidievaststelling.</al><al>Eerste en tweede lid</al><al>Het schoolbestuur dient uiterlijk acht weken na afloop van het tijdvak waarvoor
                    de voorziening is toegekend een aanvraag tot subsidievaststelling in te dienen.
                    Dit lid is zo geredigeerd dat het schoolbestuur ook lopende het tijdvak, als de
                    voorziening reeds is gerealiseerd, een aanvraag tot subsidievaststelling in kan
                    dienen.</al><al>Het initiatief van de aanvraag ligt bij het schoolbestuur. Hoewel het gebruik
                    van de term aanvraag doet vermoeden dat het gaat om een aanmerkelijke
                    bestuurslast, komt de aanvraag feitelijk neer op het afleggen van verantwoording
                    door het schoolbestuur aan het college. Het gaat nadrukkelijk niet om een
                    aanvraag zoals bepaald in artikel 6, eerste lid.</al><al>Afhankelijk van de soort voorziening kan de verantwoording meer of minder zwaar
                    warden aangekleed. De wijze van verantwoording volgt uit de beschikking van het
                    college tot subsidieverlening.</al><al>Indien het schoolbestuur een dergelijke aanvraag niet, of niet op tijd indient,
                    kan het college de subsidie ambtshalve vaststellen. Het college kan onder
                    omstandigheden de subsidie (ambtshalve) vaststellen op nul euro. Bijvoorbeeld
                    indien het schoolbestuur geen rekening en verantwoording aflegt en het de
                    voorziening ook niet heeft gerealiseerd. De beschikking tot ambtshalve
                    vaststelling van de subsidie vormt dan vervolgens de basis van waaruit een
                    mogelijke terugvordering van betaalde voorschotten kan plaatsvinden.</al><al>Derde lid</al><al>Dit lid voorziet in een procedure als bij de aanvraag blijkt dat een of meer
                    gegevens ontbreken (vgl. artikel 6, derde lid).</al><al>Indien het schoolbestuur de ontbrekende gegevens niet binnen de gestelde termijn
                    verstrekt, wordt de subsidie wederom ambtshalve vastgesteld (vgl. het eerste
                    lid).</al><al>* Artikel Subsidievaststelling volgend op verlening</al><lijst><li nr="1."><al>Het college beslist binnen acht weken na de indiening van de aanvraag
                            als bedoeld in artikel.. of binnen acht weken na de verstrekking van de
                            aanvullende informatie. Binnen twee weken na de datum van de beschikking
                            stelt het college het schoolbestuur hiervan schriftelijk in kennis.</al></li><li nr="2."><al>Het college betaalt het subsidiebedrag onder verrekening van de betaalde
                            voorschotten, overeenkomstig de subsidievaststelling. De betaling vindt
                            binnen zes weken na de subsidievaststelling plaats.</al></li></lijst><al>Toelichting:</al><al>Eerste lid</al><al>In dit lid wordt de termijn aangegeven die burgemeester en wethouders in acht
                    dienen to nemen bij het beschikken op de aanvraag tot subsidievaststelling.</al><al>Het schoolbestuur dient binnen twee weken na de datum van de beschikking
                    schriftelijk hiervan in kennis te worden gesteld.</al><al>Tweede lid</al><al>Het tweede lid bevat de basis voor de uitbetaling van het subsidiebedrag waarbij
                    een verrekening van het subsidiebedrag met een eventueel betaald voorschot
                    mogelijk is.</al><al>Het subsidiebedrag wordt binnen zes weken na de subsidievaststelling betaald.
                    Aangezien het handelt om een redelijk eenvoudige financiële transactie (immers,
                    het proces van rekening en verantwoording is afgerond) kan een termijn van zes
                    weken volstaan.</al><tussenkop>Artikel 13 Intrekken of wijzigen beschikking; terugvordering</tussenkop><al>In dit artikel wordt kortheidshalve verwezen naar de Awb: deze kent een
                    uitgebreide subsidietitel. In het kader van deregulering is het wenselijk de Awb
                    rechtstreeks toe te passen.</al><tussenkop>Artikel 14 Terugvordering</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop>Artikel 15 Verbod tot vervreemding</tussenkop><al>Met dit artikel wordt voorkomen dat bepaalde aan een schoolbestuur toegekende
                    voorzieningen worden vervreemd door het schoolbestuur zonder dat toestemming van
                    het college is verkregen. Uitzondering wordt gemaakt voor een
                    bestuursoverdracht. Bij een bestuursoverdracht vindt formeel ook een
                    vervreemding van de voorzieningen plaats. Hiervoor is echter geen toestemming
                    van het college noodzakelijk.</al><tussenkop>Artikel 16 Informatieverstrekking</tussenkop><al>In deze bepaling is voorzien in de mogelijkheid dat het college nog nadere
                    gegevens aan het schoolbestuur kan vragen. Weliswaar voorziet de verordening in
                    een procedure voor die situatie dat een aantal gegevens ontbreekt bij de
                    aanvraag; er kan echter ook een situatie ontstaan waarin het college om een
                    nadere toelichting vraagt van hetgeen bij de aanvraag aan gegevens is
                    bijgevoegd. Ook is het mogelijk dat het college tijdens de uitvoering nadere
                    gegevens wenselijk acht, bijvoorbeeld indien het college toepassing wil geven
                    aan de mogelijkheid om de (toekenning van een) voorziening in te trekken of te
                    wijzigen.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>