<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR95957_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente De Bilt 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">De Bilt</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">De Bilt</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Biltbuis 13-04-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente De Bilt 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het primair onderwijs, art. 102</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de expertisecentra, art. 100</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 76</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden, artt. XIII, XV en XVII</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet artt. 147 en 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-03-31</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-04-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>rv 15-02-2011</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Met inwerkingtreding van deze regeling komt de 'Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente De Bilt 2009' te vervallen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING VOORZIENINGEN HUISVESTING ONDERWIJS GEMEENTE DE BILT 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Nr. </vet></al><al>De raad van de gemeente De Bilt,</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        ……inzake de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs De Bilt
                        2011;</al><al>gezien het gevoerde op overeenstemming gericht overleg met
                        vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen van de niet door de
                        gemeente in stand gehouden scholen in de gemeente;</al><al>gelet op het bepaalde in de artikelen 102 Wpo,100 Wec ,76 Wvo en 147 en 149
                        Gemeentewet;</al><al>overwegende dat de actualisering van de Verordening voorzieningen
                        huisvesting onderwijs wenselijk is maar tevens gevorderd wordt door de
                        wetgeving;</al><al>Besluit vast te stellen de bijgaande “ Verordening voorzieningen huisvesting
                        onderwijs gemeente De Bilt 2011” ( inclusief de bijlagen I t/m V);</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al><vet>Begripsbepalingen</vet></al><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><al>a minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;</al><al>b bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair
                            onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet
                            onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school, die geheel of
                            gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het
                            grondgebied van de gemeente;</al><al>c school: school voor basisonderwijs, school voor (voortgezet) speciaal
                            onderwijs en school voor voortgezet onderwijs;</al><al>d _ school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale school
                            voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair
                            onderwijs; </al><al>– school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school voor
                            speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal
                            onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, een
                            instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                            artikel 8 van de Wet op de expertisecentra en een school voor voortgezet
                            speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                            expertisecentra; </al><al> – school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap voor
                            voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar
                            algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en
                            voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 1,2 en 5 van de Wet op het
                            voortgezet onderwijs;</al><al>e nevenvestiging: deel van een school dat door de minister ingevolge
                            artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 76a of artikel
                            76b van de Wet op het expertisecentra of artikel 75 van de Wet op het
                            voortgezet onderwijsvoor bekostiging in aanmerking is
                            gebracht;</al><al>f voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in
                            artikel 2 van deze verordening;</al><al>g programma<vet>:</vet> het programma als bedoeld in artikel 13 van deze
                            verordening;</al><al>h overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de vaststelling
                            van het programma ingewilligde aanvragen als bedoeld in artikel 14 van
                            deze verordening;</al><al>i aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor bekostiging van een
                            voorziening of voorbekostiging van bouwvoorbereiding van een
                            voorziening als bedoeld in artikel 26 van deze verordening heeft
                            ingediend;</al><al>j aanvraag: verzoek om bekostiging van een voorziening of om bekostiging
                            van bouwvoorbereiding;</al><al>k voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                            huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in
                            bijlage II van deze verordening, 15 jaren of langer noodzakelijk
                            is;</al><al>l voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                            huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in
                            bijlage II van deze verordening, niet langer dan 15 jaren noodzakelijk
                            is;</al><al>m permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp en de
                            aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaren als
                            volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al><al>n noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en
                            de aard van de constructie en materialen ten minste 15 jaren als
                            volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al><al>o gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs in
                            lichamelijke oefening;</al><al>padvies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over de
                            vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van richting
                            en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in artikel 95 van de Wet op
                            het primair onderwijs, artikel 93 van de Wet op de expertisecentra,
                            artikel 76f van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al>q verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde
                            onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke
                            of recreatieve doeleinden. </al><al>r gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet op
                            het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de expertisecentra,
                            artikel 76u van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al>s beslissing gedeputeerde staten: de beslissing van gedeputeerde staten
                            in een geschil als bedoeld in artikel 110, tweede lid van de Wet op het
                            primair onderwijs, artikel 108, tweede lid van de Wet op de
                            expertisecentra, artikel 76u, tweede lid van de Wet op het voortgezet
                            onderwijs;</al><al>t eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in artikel 110
                            van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de
                            expertisecentra, artikel 76u van de Wet op het voortgezet
                            onderwijs.</al><al>u woonkern: het grondgebied behorende tot de woonkernen Maartensdijk,
                            Groenekan, Hollandsche Rading , Westbroek, De Bilt en Bilthoven.</al><al>v buitenleerling: een leerling die niet staat ingeschreven in de
                            gemeentelijke basisadministratie van de gemeente De Bilt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al><vet>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</vet></al><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al><al>a de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
                            bestaande uit:</al><al> 1<sup>o</sup> nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor
                            rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel nieuwbouw ter gehele
                            of gedeeltelijke vervanging van een gebouw waarin een school is
                            gehuisvest, al dan niet op dezelfde locatie;</al><al> 2<sup>o</sup> uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                            gehuisvest;</al><al> 3<sup>o</sup> gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand
                            gebouw ten behoeve van de huisvesting van een school;</al><al> 4<sup>o</sup> verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten
                            behoeve van de huisvesting van een school;</al><al> 5<sup>o</sup> terrein voor zover nodig voor de realisering van een
                            onder a sub 1<sup>o</sup> tot en met 4<sup>o</sup> omschreven
                            voorziening;</al><al> 6<sup>o</sup> inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en
                            hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder voor bekostiging van rijks-
                            of gemeentewege in aanmerking is gebracht;</al><al> 7<sup>o</sup> inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder
                            voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is
                            gebracht;</al><al> 8<sup>o</sup> medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een
                            gebouw dat al bij een andere school in gebruik is en medegebruik van een
                            gymnastiekruimte; </al><al>b aanpassingen aan gebouwen van een school voor basisonderwijs, een
                            school voor (voortgezet) speciaal onderwijs en een school voor
                            voortgezet onderwijs, bestaande uit één of meer activiteiten zoals
                            onderscheiden in bijlage I onder 1.9 en 2.9 en 3.11;</al><al>c onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs en een
                            school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bestaande uit één of meer
                            activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I onder 1.10 en 2.10;</al><al>d herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een gebouw
                            veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten
                            gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade
                            onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of
                            wanprestatie;</al><al>e herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                            onderwijsleerpakket of leer- en hulpmiddelen en meubilair ingeval van
                            bijzondere omstandigheden;</al><al>fhuur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een
                            bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs ten behoeve van
                            het onderwijs in lichamelijke oefening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Maximale huisvestingscapaciteit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In overleg met het bevoegd gezag wordt door het college per school
                                de maximale huisvestingscapaciteit bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op het moment dat de maximale huisvestingscapaciteit is bereikt
                                vindt uitbreiding slechts plaats door medegebruik als bepaald in
                                bijlage I, paragraaf 1.8. onder c.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op het moment dat de maximale huisvestingscapaciteit is bereikt
                                wordt door de school een wachtlijst gehanteerd. Op die wachtlijst
                                hebben leerlingen die woonachtig zijn in de gemeente De Bilt
                                voorrang boven buitenleerlingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al><vet>Bouwvoorbereiding voorzieningen</vet></al><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a, lid 1,
                            2 en 3 kan een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van
                            bouwvoorbereiding. Hierop is het bepaalde in hoofdstuk 4 van
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al><vet>Vaststelling vergoeding voorzieningen</vet></al><al>1 Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of bij
                            toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel
                            4,wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de
                            vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde bedragen en
                            bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per geval. </al><al>2 De genormeerde bekostigingsbedragen worden vastgesteld met
                            inachtneming van het bepaalde in bijlage IV, deel A, en is van
                            toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a, lid 1,
                            2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8,onder b (voor zover het betreft onderwijskundige
                            vernieuwing), onder c en artikel 4. De bedragen vinden hun vertaling in
                            respectievelijk het Integraal huisvestingsplan en de meerjarige
                            onderhoudsplannen. Op het moment dat tussen het bevoegd gezag van de
                            school en het college overeenstemming bestaat over het bestek én
                            desondanks de feitelijke kosten hoger zijn dan de genormeerde
                            vergoedingsbedragen komen de meerkosten ten laste van de reserve
                            onderwijshuisvesting. </al><al>3 De bekostiging op basis van feitelijke kosten is van toepassing op de
                            voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder b ( met uitzondering van
                            onderwijskundige vernieuwing), d, e en f.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al><vet>Informatieverstrekking</vet></al><al>1 Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die noodzakelijk
                            zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze verordening.</al><al>2 Het college kan nadere regels stellen aan de
                            gegevensverstrekking.</al><al>3 Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een door het
                            college vastgesteld formulier.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al><vet>Indiening aanvraag</vet></al><al>1 Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma
                                wordt voor 1 december voorafgaand aan het jaar van vaststelling van
                                het betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij het
                                college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college
                                vastgesteld aanvraagformulier.</al><al>2 Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste lid,
                                neemt het college niet in behandeling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al><vet>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag;
                                niet</vet></al><al><vet> behandelen onvolledige aanvraag</vet></al><al>1 De aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><al> a de naam en het adres van de aanvrager;</al><al> b de dagtekening;</al><al> c de naam van de school en, voor zover van toepassing, het gebouw
                                ten behoeve waarvan de voorziening is bestemd;</al><al> d welke voorziening wordt aangevraagd;</al><al> e de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste
                                voorziening; </al><al> f de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening.</al><al>2 In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de
                                aanvraag vergezeld van:</al><al> a de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet
                                worden gerealiseerd, indien het een voorziening betreft als bedoeld
                                in artikel 2, onder a, onderdelen 1<sup>o</sup> tot en met
                                4<sup>o</sup>;</al><al> b een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt, indien het
                                een voorziening betreft bestaande uit: 1: nieuwbouw voor de gehele
                                of gedeeltelijke vervanging van een gebouw; 2: onderhoud aan een
                                gebouw van een school voor basisonderwijs of van een school voor
                                (voortgezet) speciaal onderwijs, of; 3: herstel van een
                                constructiefout. Bij de rapportage wordt gebruik gemaakt van het
                                door het college vastgesteld formulier "Bouwkundige opname".</al><al> c een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering van de
                                voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft op een voorziening
                                waarop het gestelde in artikel 5, derde lid, laatste volzin van
                                toepassing is;</al><al>d een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting,
                                indien de aanvraag volgt op een toekenning van een vergoeding van de
                                kosten van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 28.</al><al>3 Het college stelt de aanvrager voor 15 december schriftelijk op de
                                hoogte van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in het eerste of
                                tweede lid. De aanvrager wordt tot 15 januari in de gelegenheid
                                gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. Indien de vereiste
                                gegevens niet vóór 15 januari zijn verstrekt, neemt het college de
                                aanvraag niet in behandeling.</al><al>4 Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                betrekking heeft op een voorziening voor een school, waarvan de
                                beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het aantal
                                leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van 1
                                oktober van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 7 valt, dan
                                zendt de aanvrager het college onverwijld een afschrift van de
                                jaarlijkse opgave aan de minister van het aantal leerlingen dat op
                                de wettelijke teldatum staat ingeschreven op de betrokken school.
                                Indien het college het afschrift niet binnen een week na de
                                wettelijke teldatum heeft ontvangen, deelt het college dit
                                schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de
                                gelegenheid gesteld het afschrift binnen drie dagen na de datum van
                                ontvangst van de mededeling in te dienen bij het college. Indien het
                                afschrift niet binnen de termijn zoals bedoeld in de vorige volzin
                                is verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in
                                behandeling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><al><vet>Opgave ingediende aanvragen</vet></al><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van
                                de ingevolge artikel 7 en artikel 26 ingediende aanvragen en geeft
                                daarbij aan welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden
                                genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                                overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al><vet>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                begroting</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader
                                        toe te lichten.</al></li><li nr="2"><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de
                                        aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde in
                                        artikel 5, derde lid, laatste volzin van toepassing is en
                                        het college van oordeel is dat de door de aanvrager
                                        overlegde kostenbegroting dient te worden aangepast. Het
                                        college geeft in het voorstel tot vaststelling van het
                                        bedrag, het programma en het overzicht als bedoeld in
                                        paragraaf 2.3, onder vermelding van de redenen, aan wanneer
                                        er in het overleg geen overeenstemming is bereikt over de
                                        hoogte van het geraamde bedrag. Het college geeft in dit
                                        voorstel tevens de hoogte van het geraamde bedrag aan,
                                        waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan bij
                                        de toepassing van het gestelde in paragraaf 2.3. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><al><vet>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</vet></al><al>1 Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt,
                                worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid
                                gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat voorstel
                                naar voren te brengen.</al><al>2 Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats
                                voor15 september. De bevoegde gezagsorganen worden
                                tenminste twee weken voor de door het college vastgestelde datum
                                schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en
                                de voorgenomen inhoud van het voorstel.</al><al>3 De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als
                                bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid bedoelde
                                datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het
                                college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan in kennis. </al><al>4 Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de
                                tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en van
                                de reactie van het college op deze zienswijzen.</al><al>5 Een bevoegd gezag of college dat advies wenst van de Onderwijsraad
                                over het voorstel met betrekking tot de voorgenomen inhoud van het
                                programma, in relatie tot de vrijheid van inrichting, maakt dit
                                kenbaar tijdens het overleg als bedoeld in het eerste lid. Dit
                                gebeurt aan de hand van een schriftelijk gemotiveerde omschrijving
                                van de onderwerpen waarover het advies van de Onderwijsraad wordt
                                verwacht. Hierbij wordt tevens het verband aangegeven tussen deze
                                onderwerpen en de vrijheid van richting en de vrijheid van
                                inrichting.</al><al>6 De bevoegde gezagsorganen en het college worden tijdens het
                                overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te
                                brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het
                                schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren gebrachte
                                zienswijzen maken deel uit van het verslag van het overleg als
                                bedoelt in het vierde lid.</al><al>7 Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies
                                bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de Onderwijsraad
                                alle stukken ontvangt die nodig zijn voor de beoordeling van het
                                verzoek, waaronder het schriftelijk verslag van het overleg.</al><al>8 Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
                                bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk opvolgen
                                van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot één of meer
                                inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het
                                programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het college bij
                                de toezending van het afschrift van het advies uitgenodigd voor een
                                nader overleg. </al><al> In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader bestuurlijk
                                overleg over het advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het
                                college geeft dit aan bij de toezending van het afschrift van het
                                advies van de Onderwijsraad. </al><al>9 Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen twee
                                weken plaats na toezending van het advies van de Onderwijsraad aan
                                de bevoegde gezagsorganen. Het college maakt van dit overleg een
                                verslag en voegt dit toe aan het verslag als bedoelt in het vierde
                                lid.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststelling bedrag, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><al><vet>Tijdstip vaststelling</vet></al><al>1Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding
                                van een aangevraagde voorziening.</al><al>Dit bekostigingsplafond wordt gesplitst in afzonderlijke bedragen
                                per voorziening, te weten bedragen voor onderhoud,
                                renovatie/verbouwing, nieuwbouw of onderwijskundige ontwikkelingen. </al><lijst><li nr="2"><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op
                                        uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de datum
                                        genoemd in artikel 7 valt.</al></li><li nr="3"><al>Indien ten tijde van de vaststelling van de
                                        gemeentebegroting het bedrag, het programma en het overzicht
                                        nog niet kunnen worden vastgesteld, dan vindt de
                                        vaststelling van het bedrag, het programma en het overzicht
                                        plaats op uiterlijk 31 december van het jaar volgend op de
                                        datum genoemd in artikel 7.</al></li></lijst><al>4 Indien de uiterste datum als genoemd in het tweede en het derde
                                lid voor de vaststelling van het bedrag, het programma en het
                                overzicht wordt overschreden, worden de aangevraagde en in
                                behandeling genomen voorzieningen geacht voor bekostiging in
                                aanmerking te zijn gebracht. Voor de hoogte van de bekostiging is
                                dan het gestelde in artikel 5 in samenhang met bijlage IV bepalend.
                                De uitvoering van de voorziening geschiedt dan volgens het bepaalde
                                in paragraaf 2.4.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr></kop><al><vet>Inhoud programma</vet></al><al>1 De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het
                                jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden
                                gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat geen
                                van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra
                                en Wet op het voortgezet onderwijsopgenomen
                                weigeringsgronden van toepassing is, in aanmerking voor plaatsing op
                                het programma. Daarbij past het college de regels toe met betrekking
                                tot:</al><al> a de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al><al> b de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al><al> c de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als bedoeld in
                                bijlage III.</al><al> Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking komende
                                voorzieningen neemt het college, aan de hand van de urgentiecriteria
                                als bedoeld in bijlage V, uitsluitend voorzieningen op in het
                                programma voor zover het bedrag of de deelbedragen als bedoeld in
                                artikel 12, eerste lid, toereikend zijn. </al><al>2 Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 11, kan het
                                college de raad verzoeken bij de vaststelling van het programma
                                afwijken van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V. </al><al>3 Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen wordt,
                                voor zover van toepassing, door het college aangegeven:</al><al> a het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV, deel A voor de
                                betreffende voorziening beschikbaar wordt gesteld;</al><al> b het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de voorziening
                                als bedoeld in artikel 5, derde lid, laatste volzin;</al><al> c de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inhoud overzicht</titel></kop><al>1 Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op
                                het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma zijn
                                opgenomen.</al><al>2 Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het programma
                                zijn opgenomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Bekendmaking besluiten vaststelling
                                    bekostigingsplafond,</titel></kop><al><vet> programma en overzicht </vet></al><al>1 De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt binnen
                                twee weken na de datum van vaststelling door toezending door het
                                college van de besluiten aan de aanvragers. Tegelijkertijd met de
                                bekendmaking doet het college schriftelijk mededeling over de
                                besluiten aan de overige bevoegde gezagsorganen.</al><al>2 De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd
                                met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoering programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr></kop><al><vet>Overleg wijze van uitvoering</vet></al><al>1 Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt het
                                college in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering van
                                de op het programma geplaatste voorziening. In dit overleg wordt
                                alle informatie verstrekt die nodig is voor de uitvoering van de
                                voorziening. Daarbij worden, voor zover van toepassing, afspraken
                                gemaakt over:</al><al> a het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs,
                                de Wet op de Expertisecentra en de Wet op het voortgezet
                                onderwijs;</al><al> b het tijdstip van indiening van het bouwplan en de begroting door
                                de aanvrager;</al><al> c een andere wijze van uitvoering van het besluit met inachtneming
                                van het beschikbaar te stellen bedrag; </al><al> d de wijze waarop het college toepassing geeft aan de toetsing van
                                het bouwplan en de begroting, alsmede aan de toetsing in verband met
                                wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden als
                                bedoeld in artikel 17;</al><al> e de controle op en het afleggen van verantwoording over de
                                besteding van de beschikbaar te stellen middelen;</al><al> f de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt met als uitgangspunt
                                dat op opdrachten onder het Europese drempelbedrag de richtlijnen
                                zoals vastgelegd in het Besluit overheidsaanbestedingen van
                                toepassing zijn.</al><al>2 De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg niet
                                tot overeenstemming heeft geleid, legt het college schriftelijk vast
                                in een verslag, dat het binnen <cursief>vier weken </cursief>na
                                afloop van het overleg ter kennis van de aanvrager brengt. Indien de
                                aanvrager schriftelijk instemt met het verslag of binnen
                                    <cursief>twee weken </cursief>na ontvangst nog niet schriftelijk
                                heeft gereageerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud van het
                                vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen overeenstemming
                                te zijn bereikt.</al><al>3 Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 17,
                                vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de
                                overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een
                                beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan
                                nemen. Het bepaalde in artikel 18 is daarbij van overeenkomstige
                                toepassing.</al><al>4 Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het
                                derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat het
                                verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de aanvrager.
                                Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de uitvoering van de
                                voorziening geen aanvang zal nemen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                    bekostiging;</titel></kop><al><vet> toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                                </vet></al><al><vet> omstandigheden; overlegging offertes </vet></al><al>1Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 16, derde lid is
                                bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht, dient
                                de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte afspraken, de
                                bouwplannen, de desbetreffende begroting en een aanduiding van het
                                tijdstip waarop de bekostiging een aanvang dient te nemen, ter
                                instemming in bij het college.</al><al>2 Binnen zes weken na ontvangst van de stukken beslist het college
                                over de instemming met de bouwplannen, de desbetreffende begroting
                                en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt. Het college
                                kan, onder mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn
                                verlengen met drie weken. Indien niet binnen deze termijn is
                                besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend met de
                                bouwplannen en de begroting en vangt de bekostiging aan op het door
                                de aanvrager aangegeven tijdstip.</al><al> Het college deelt de beslissing over het bouwplan, de
                                desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een
                                aanvang neemt, binnen twee weken na de datum van de beslissing
                                schriftelijk mee aan de aanvrager.</al><al>3 Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het college
                                eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de school
                                verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten tijde van
                                de vaststelling van het programma, al dan niet ingrijpend zijn
                                gewijzigd.</al><al>Bij een naar oordeel van het college ingrijpende wijziging van de
                                feiten en omstandigheden komt de voorziening alsnog niet voor
                                bekostiging in aanmerking.</al><al>4 De instemming met de bouwplannen, de instemming met de begroting,
                                de toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens de wet gestelde
                                voorschriften en de toetsing of er sprake is van nieuwe feiten en
                                omstandigheden kunnen achterwege blijven, als dat naar het oordeel
                                van het college niet noodzakelijk is gezien de inhoud van de in het
                                programma opgenomen voorziening. Het college doet hiervan mededeling
                                aan de aanvrager in het overleg als bedoeld in artikel 16.</al><al>5 De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van een
                                voorziening als bedoeld in artikel 5, derde lid, laatste
                                volzin.</al><al> De beslissing van het college als bedoeld in het tweede lid betreft
                                dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan. Daarbij zijn de
                                genoemde termijnen in het tweede lid van overeenkomstige toepassing. </al><al>6 Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als bedoeld
                                in artikel 5, derde lid, laatste volzin heeft ingestemd, overlegt de
                                aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte afspraken als
                                bedoeld in artikel 16, tweede lid, aan het college de aan de
                                aanvrager uitgebrachte offertes voor de uitvoering van de
                                voorziening. Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van
                                de offertes over het bedrag dat definitief beschikbaar wordt gesteld
                                voor de uitvoering van de voorziening en over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee
                                weken na de datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in kennis
                                gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de
                                offerte met de laagste prijsstelling bepalend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 17, tweede
                                lid of artikel 17, zesde lid, over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling
                                van de gelden in termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling van
                                de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig tijdstip dat de
                                aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen voortkomend
                                uit de realisering van de op het programma geplaatste voorziening.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><al>1 De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien de
                                aanvrager niet vóór 1 oktober van het jaar volgend op de
                                vaststelling van het programma een bouwopdracht is verleend, dan wel
                                een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst heeft gesloten en een
                                afschrift hiervan niet voor 15 oktoberdaaropvolgend aan
                                het college is gezonden. De in de eerste volzin bedoelde
                                bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van het
                                werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen,
                                waarbinnen het werk wordt opgeleverd. </al><al> De in de eerste volzin bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk.
                                Een huur- of erfpachtovereenkomst vermeldt de datum van
                                inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeenkomst. Een
                                koopovereenkomst vermeldt de datum van aankoop.</al><al>2 De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding
                                van de termijn als bedoeld in het eerste lid veroorzaakt wordt door
                                bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te
                                rekenen en de aanvrager voor 1 september een schriftelijk
                                gemotiveerd verzoek tot verlenging van de termijn, als bedoeld in
                                het eerste lid, bij het college heeft ingediend. </al><al>3 Het college beslist voor 15 september op het verzoek tot
                                verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd,
                                wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als
                                bedoeld in het eerste lid wordt verlengd.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr></kop><al><vet>Indiening aanvraag</vet></al><al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                kan worden ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt
                                van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr></kop><al><vet>Inhoud aanvraag</vet></al><al>1 De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in
                                artikel 8, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager de
                                volgende gegevens te verstrekken:</al><al> a een nadere aanduiding van de omstandigheden die de voorziening in
                                de huisvesting spoedeisend maken;</al><al> b de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet kon worden
                                aangevraagd in het kader van een nog vast te stellen programma;</al><al> c een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering indien het
                                een voorziening betreft als bedoeld in artikel 5, derde lid, laatste
                                volzin.</al><al>2 Indien naar het oordeel van het college één of meer gegevens als
                                bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken na
                                datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld aan de
                                aanvrager. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld de
                                ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de
                                mededeling in te dienen bij het college. Indien de aanvrager de
                                vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin
                                bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de aanvraag
                                niet te behandelen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr></kop><al><vet>Tijdstip beslissing</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de
                                        aanvraag of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens
                                        zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee
                                        weken na de datum van de beslissing wordt de aanvrager
                                        hiervan schriftelijk in kennis gesteld door het
                                        college.</al></li><li nr="2."><al>Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden
                                        gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en
                                        noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de
                                        beschikking wel tegemoet kan worden
                                                gezien<vet><cursief>.</cursief></vet></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr></kop><al><vet>Inhoud beslissing</vet></al><al>1 De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college
                                heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op de
                                voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen van de
                                in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet
                                op het voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van
                                toepassing is. Bij deze vaststelling past het college regels toe met
                                betrekking tot:</al><al> a de beoordelingscriteria als bedoelt in bijlage I;</al><al> b de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al><al> c de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in bijlage
                                III.</al><al>2 De beslissing van het college kan een
                                gedeelte van de gewenste voorziening dan wel een andere dan de
                                gevraagde voorziening omvatten. </al><al> 3 het college vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het
                                bepaalde in bijlage IV, deel A voor de toegewezen voorziening
                                beschikbaar wordt gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is indien
                                het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 5, derde lid. Bij
                                de beschikking stelt het college vast voor welke datum een
                                bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, en voor welke datum een
                                afschrift daarvan aan het college moet zijn toegezonden. Binnen vier
                                maanden na de datum van de beschikking door het college moet een
                                bouwopdracht zijn verleend, dan wel een koop-, huur-, of
                                erfpachtovereenkomst zijn gesloten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr></kop><al><vet>Uitvoering beslissing</vet></al><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 22, eerste
                                lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo
                                spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                uitvoering.</al><al>Het bepaalde in de artikelen 16, 17 en 18 is daarbij overeenkomstig
                                van toepassing, met dien verstande dat in plaats van de termijn,
                                genoemd in artikel 17, tweede lid, eerste volzin, een termijn van
                                drie weken geldt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr></kop><al><vet>Vervallen aanspraak bekostiging</vet></al><al>1 Indien niet voor de in artikel 23, derde lid bedoelde tijdstippen
                                een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift daarvan is
                                gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op bekostiging. Ten
                                aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan wel koop-, huur- of
                                erfpachtovereenkomst is het bepaalde in artikel 19, eerste lid van
                                overeenkomstige toepassing.</al><al>2 De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding
                                van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden, die
                                niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen, en de aanvrager uiterlijk
                                vier weken voor het verstrijken van deze datum een schriftelijk
                                gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging
                                van de termijn.</al><al>3 Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging
                                op totdat het college op het verzoek beslist. Indien het college het
                                verzoek inwilligt, noemt het college een nieuwe datum waarop de
                                aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het college het verzoek
                                afwijst, geldt de datum van beslissing op het verzoek als
                                vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet voor de
                                oorspronkelijke vervaldatum kan
                                    vallen<vet><cursief>.</cursief></vet></al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3A</nr><titel>Aanvragen buitengewone procedure.</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3a.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25a</nr></kop><al><vet>Indienen aanvraag</vet></al><al>Een aanvraag om bekostiging van een voorziening in de huisvesting,
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                kan worden ingediend bij het college.</al><al>De aanvraag kan op elk willekeurig moment van het jaar worden
                                ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25b</nr></kop><al><vet>Inhoud aanvraag</vet></al><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in
                                artikel 8, eerste lid. In aanvulling</al><al>daarop dient de aanvrager de volgende gegevens te verstrekken:</al><lijst><li nr="1."><al> een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
                                        voorziening in de huisvesting buitengewoon maken, waarbij
                                        aandacht besteed dient te worden aan de drie
                                        toetsingscriteria: - langer uitstel belemmert de voortgang
                                        van het onderwijs; - was onvoorzienbaar; - is niet door een
                                        planning te voorkomen.</al></li><li nr="2."><al> een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering
                                        indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 5,
                                        derde lid.</al></li></lijst><al>Indien naar het oordeel van het college één of meer gegevens als
                                bedoeld in het eerste lid ontbreken,</al><al>wordt dit binnen een maand na datum van indiening van de aanvraag
                                schriftelijk medegedeeld aan</al><al>de aanvrager. De aanvrager heeft de gelegenheid de ontbrekende
                                gegevens binnen twee weken na</al><al>ontvangst van de mededeling in te dienen bij het college. Totdat de
                                ontbrekende stukken zijn </al><al>ontvangen, kan de aanvraag niet in behandeling worden genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3a.2</nr><titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25c</nr></kop><al><vet>Advisering op aanvraag</vet></al><al>Het advies van de aanvraag wordt zo spoedig mogelijk na completering
                                voorgelegd aan de leden van de werkgroep voorbereiding
                                huisvestingsprogramma. Deze doet de advisering in principe
                                telefonisch af. Vervolgens wordt de aanvraag, voorzien van het
                                advies van eerder genoemde werkgroep in de eerstvolgende vergadering
                                van het Bestuurlijk Overleg Onderling Gebundeld(BOOG) behandeld. </al><al>Deze adviseert op haar beurt zo spoedig mogelijk het college en de
                                raad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25d</nr></kop><al><vet>Inhoud beslissing</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De aangevraagde voorziening wordt door het college
                                        toegewezen, indien het college heeft vastgesteld dat het
                                        treffen van de voorziening aan de volgende drie criteria
                                        voldoet: - langer uitstel belemmert de voortgang van het
                                        onderwijs; - was onvoorzienbaar; - is niet door een planning
                                        te voorkomen en geen van de in de wet opgenomen
                                        weigeringsgronden van toepassing is. Bij deze vaststelling
                                        past het college de regels toe met betrekking tot: . de
                                        beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I; . de
                                        prognosecriteria als bedoeld in bijlage II; . de oppervlakte
                                        en indeling van gebouwen als bedoeld in bijlage III.</al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de raad
                                        eveneens het beschikbaar gestelde krediet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25e</nr></kop><al><vet>Uitvoering beslissing</vet></al><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 25d,
                                waarbij bekostiging is toegewezen, treedt het college zo spoedig
                                mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                uitvoering.</al><al>In het overleg wordt vastgesteld voor welke datum een bouwopdracht
                                moet zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst
                                moet zijn gesloten en voor welke datum een afschrift daarvan aan het
                                college moet zijn gezonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25f</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><al>Indien niet voor de in artikel 23, derde lid bedoelde tijdstippen
                                een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift daarvan is
                                gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op bekostiging. Ten
                                aanzien van de inhoud van de bouwopdracht, dan wel koop-, huur- of
                                erfpachtovereenkomst is het vastgestelde in artikel 19, eerste lid
                                van overeenkomstige toepassing.</al><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding
                                van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden, die
                                niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager uiterlijk
                                vier weken voor het verstrijken van deze datum een schriftelijk
                                gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging
                                van deze termijn. Het college beslist binnen drie weken na ontvangst
                                van het verzoek. Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt
                                aangegeven tot welke datum de termijn wordt verlengd. </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Bekostiging bouwvoorbereiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><al>1 Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor
                            plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening als bedoeld in artikel 2, kan daaraan voorafgaand een
                            aanvraag voor bekostiging van de bouwvoorbereiding indienen bij het
                            college. Het betreft de voorbereiding voorafgaand aan het moment van
                            aanbesteding van die voorziening. </al><al>2 De aanvraag wordt gedaan voor 1 december twee jaar voorafgaand aan het
                            jaar waarin de bekostiging wordt gewenst. Hierbij wordt gebruik gemaakt
                            van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.</al><al>3 De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:</al><al> a de naam en het adres van de aanvrager;</al><al> b de dagtekening;</al><al> c de naam van de school ten behoeve waarvan de bekostiging wordt
                            gewenst;</al><al> d de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de gewenste locatie
                            van de voorziening;</al><al> e het gewenste tijdstip van realisering van de voorziening;</al><al> f een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de vervanging
                            blijkt, indien het nieuwbouw betreft ter vervanging van een bestaand
                            gebouw. Bij de rapportage wordt gebruik gemaakt van het door het college
                            vastgestelde formulier 'Bouwkundige opname'; </al><al> g een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid, indien de
                            bekostiging bouwvoorbereiding is aangemerkt als een voorziening bedoelt
                            in artikel 5, derde lid.. </al><al>4 Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde
                            lid, deelt het college dit voor 15 december schriftelijk mee aan de
                            aanvrager en stelt hem in de gelegenheid om voor 15 januari de gegevens
                            aan te vullen. Het gestelde in artikel 8, derde lid is daarbij van
                            overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr></kop><al><vet>Toelichting en overleg aanvraag</vet></al><al>1 Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het
                            overleg over de begroting, als bedoeld in het vorige artikel, is het
                            bepaalde in artikel 10 van overeenkomstige toepassing.</al><al>2 Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor
                            bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met de
                            aanvrager. Dit overleg vindt plaats tezamen met het overleg als bedoeld
                            in artikel 11, eerste lid. Artikel 11, tweede, derde en vierde lid, zijn
                            daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr></kop><al><vet>Beschikking op aanvraag</vet></al><al>1 Het college neemt voor het tijdstip, als bedoeld in artikel 12, tweede
                            lid, een beslissing op de aanvraag.</al><al>2 De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:</al><al> a er voldoende middelen voor bekostiging van bouwvoorbereiding
                            beschikbaar zijn;</al><al> b de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende vaststaat;</al><al> c er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het gewenste jaar
                            van uitvoering voor bekostiging in aanmerking kan worden gebracht. </al><al>3 Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot welk
                            bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het bedrag kan in
                            termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld, echter steeds op
                            een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn financiële verplichtingen
                            jegens derden die hij heeft ingeschakeld bij de bouwvoorbereiding, kan
                            voldoen. De aanvrager en het college maken afspraken over de
                            daadwerkelijke beschikbaarstelling van het bedrag. </al><al>4 Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                            aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing van
                            de voorziening op enig toekomstig programma. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr></kop><al><vet>Vervallen aanspraak bekostiging</vet></al><al>De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de
                            aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar
                            waarin het besluit is genomen, daadwerkelijk is gestart met de
                            bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie heeft
                            verstrekt aan het college waaruit dit blijkt. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.1</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr></kop><al><vet>Aanduiding omstandigheden</vet></al><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien:</al><al>a er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een
                                school berekend volgens het gestelde in bijlage III, delen A en B en
                                het bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in artikel
                                7, 20 of 25a voor medegebruik of uitbreiding heeft ingediend;</al><al>b het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een andere
                                huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door medegebruik aan de
                                behoefte aan huisvesting kan worden voorzien;</al><al>c er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een
                                andere school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en
                                beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de voor die school of
                                instelling gangbare berekeningswijze;</al><al>d er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een school;</al><al>e er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een school.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr></kop><al><vet>Omschrijving leegstand</vet></al><al>1 Er is sprake van leegstand in een lesgebouw:</al><al> a wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                basisonderwijsof voor (voortgezet) speciaal onderwijs,
                                indien uit de vergelijking van het aantal vierkante meters
                                bruto-vloeroppervlakte zoals berekend op basis van bijlage III, deel
                                B en de capaciteit van het gebouw in vierkante meters
                                bruto-vloeroppervlakte zoals vastgesteld op basis van bijlage III,
                                deel A, blijkt dat er ten minste een aantal vierkante meters
                                bruto-vloeroppervlakte ter grootte van de in bijlage III, deel C
                                genoemde drempelwaarde niet nodig is voor de daar gevestigde school
                                of scholen;</al><al>b wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                voortgezet onderwijs, indien uit de vergelijking van de
                                ruimtebehoefte zoals berekend op basis van bijlage III, deel B en de
                                capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld op basis van bijlage
                                III, deel A blijkt dat er een overschot is aan vierkante meters
                                bruto-vloeroppervlakte tenzij het bevoegd gezag op basis van het
                                lesrooster of de lesroosters voor het lopende of eerstkomende
                                schooljaar aantoont dat er binnen het overschot aan vierkante meters
                                bruto-vloeroppervlakte geen sprake is van onderbenutting van de
                                onderwijsruimten. </al><al>2 Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:</al><al> a wanneer het een gebouw betreft dat wordt gebruikt door een of
                                meer scholen voor basisonderwijs of voor ( voortgezet) speciaal
                                onderwijs, indien de som van het aantal klokuren gebruik dat door
                                het college wordt vergoed minder is dan 40 klokuren;</al><al>b wanneer het een gebouw betreft van een school voor
                                voortgezet onderwijs, indien uit de berekening op basis van bijlage
                                III, deel B blijkt dat benutting van het gebouw lager is dan 40
                                lesuren, tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de
                                lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat
                                dit niet het geval is;</al><al> c wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door één of
                                meer scholen voor basisonderwijs<cursief>, </cursief>voor
                                (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs, indien de
                                som van de berekeningswijzen genoemd onder a en b een aantal
                                klokuren lager dan 40 oplevert.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr></kop><al><vet>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</vet></al><al>1 Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw
                                waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik
                                heeft gegeven aan een andere school of scholen ten behoeve van het
                                onderwijs aan die school of scholen. </al><al>2 Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het
                                gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de aan
                                die scholen reeds ter beschikking staande huisvestingscapaciteit. </al><al>3 Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet wordt:</al><al> a als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in gebruik is
                                bij een school van hetzelfde bevoegd gezag, tenzij uit oogpunt van
                                doelmatigheid het vorderen van leegstand in een ander gebouw een
                                betere oplossing biedt;</al><al> b vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin een school
                                van dezelfde richting is gehuisvest en</al><al> c vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het dichtst
                                gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten behoeve waarvan de
                                vordering plaatsvindt. </al><al>4 Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde
                                gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de in
                                het derde lid opgenomen volgorde afwijken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr></kop><al><vet>Overleg en mededeling</vet></al><al>1 Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering van
                                leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het college
                                daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de leegstand
                                gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is
                                bestemd. Dit overleg maakt deel uit van het overleg als bedoeld in
                                artikel 11.</al><al>2 Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als bedoeld
                                in artikel 12, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze
                                mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg
                                te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben. </al><al>3 Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering in
                                het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 20, voert het
                                college daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd gezag
                                waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de
                                huisvesting is bestemd. </al><al>4 Binnen een week van het overleg als bedoeld in het vorige lid,
                                doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan het
                                bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling kan
                                worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft
                                geen bezwaar tegen de vordering te hebben.</al><al>5 De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in de
                                tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:</al><al> a de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve waarvan
                                wordt gevorderd;</al><al> b een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve waarvan
                                gevorderd wordt of, indien het betreft het onderwijs in lichamelijke
                                oefening, het aantal klokuren dat gevorderd wordt;</al><al> c een aanduiding van het gebouw waarop de vordering betrekking
                                heeft;</al><al> d een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat gevorderd
                                wordt;</al><al> e de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum van het
                                medegebruik. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr></kop><al><vet>Vergoeding</vet></al><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg een vergoeding voor het medegebruik vast. Als het overleg
                                niet tot overeenstemming leidt wordt deze vergoeding gebaseerd op
                                het bedrag dat voor elke groep bij meer dan zes groepen door het
                                ministerie van OCW beschikbaar wordt gesteld binnen de
                                groepsafhankelijke programma’s van eisen, zoals jaarlijks
                                gepubliceerd door het ministerie van OCW.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.2</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr></kop><al><vet>Aanduiding omstandigheden</vet></al><al>Het college kan overgaan tot vordering indien:</al><al>a er sprake is van leegstand van een lesgebouw of een
                                gymnastiekruimte zoals bedoeld in artikel 31;</al><al>b er sprake is van onderbenutting van een sportveld van een school
                                voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het lesrooster van de school
                                of scholen die dat sportveld voor het onderwijs gebruiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><al>1 Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg met
                                het bevoegd gezag. </al><al>2 In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><al> a voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;</al><al> b of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al><al> c welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te voorkomen dat
                                het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het
                                medegebruik ondervindt;</al><al> d wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag een
                                redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al><al> e de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een aanvang kan
                                nemen.</al><al>3 Binnen vier weken na afloop van het overleg, als bedoel in het
                                eerste lid, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                vordering tot medegebruik aan het bevoegd gezag. Indien het overleg
                                heeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling in ieder geval die
                                afspraken. Voorzover het overleg niet tot overeenstemming heeft
                                geleid, bevat de mededeling de beslissing van het college over deze
                                punten. Indien het bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen
                                bezwaar te hebben tegen de vordering, kan van de schriftelijke
                                mededeling als hier bedoeld worden afgezien.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr></kop><al><vet>Toestemming college</vet></al><al>1 Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt het
                                toestemming voor de verhuur aan het college.</al><al>2 Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat een
                                aanduiding van de huurder en de bestemming van de te verhuren
                                ruimte. </al><al>3 Het college verleent geen toestemming indien:</al><al> a de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met
                                bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair onderwijs, Wet op
                                de expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al> b de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een school.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr></kop><al><vet>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</vet></al><al>1 Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft
                            voor de huisvesting van een school wordt het gebruik ervan zo spoedig
                            mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum genoemd in de door het
                            college en het bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte of de datum
                            zoals vastgesteld door gedeputeerde staten bij de beslissing inzake een
                            geschil over de totstandkoming van een gezamenlijke akte. </al><al>2 Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van
                            achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het eerste
                            lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag behoort,
                            wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaats vindt, een staat van
                            onderhoud opgemaakt. </al><al>3 De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college na
                            overleg met het bevoegd gezag. </al><al>4 Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                            gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk
                            deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt uitgevoerd of
                            welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald wordt. Indien het
                            overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen partijen vast welke
                            handelwijze gevolgd wordt. </al><al>5 Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit
                            naar het oordeel van het college niet nodig is. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                            onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr></kop><al><vet>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                inroostering</vet></al><al><vet> gebruik </vet></al><lijst><li nr="1"><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs of een
                                    school voor ( voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks
                                    voor 1 april voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave
                                    van de voor dat schooljaar voor de school gewenste
                                    onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de
                                    volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt
                                            in een aantal klokuren;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of –ruimten waarin
                                            het gebruik wordt gewenst;</al></li><li nr="c."><al>de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een
                                            schoolweek wordt gewenst.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                    gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd
                                    als een aanvraag in de zin van artikel 20, met dien verstande
                                    dat op de afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde
                                    in dit artikel van toepassing is.</al></li><li nr="3"><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 mei voorafgaande aan het
                                    daarop volgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven
                                    een voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door
                                    scholen voor basisonderwijs en ( voortgezet) speciaal onderwijs
                                    van de op het grondgebied van de gemeente gelegen
                                    gymnastiekruimten. Hiertoe wordt het gewenste onderwijsgebruik
                                    afgezet tegen de beschikbare capaciteit van de
                                    gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een capaciteit
                                    van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte.</al></li></lijst><al>4 Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                            inroostering het volgende in acht: </al><al> a de afstanden in relatie tot de omvang van het onderwijsgebruik van
                            een gymnastiekruimte, zoals opgenomen in bijlage I, deel B;</al><al> b het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden
                            school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte wordt voor de
                            betreffende school het eerste ingeroosterd voor die
                            gymnastiekruimte;</al><al> c het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                            ingeroosterd in één gymnastiekruimte. </al><al>5 Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor basisonderwijs
                            en (voortgezet) speciaal onderwijs de volgende gegevens:</al><al> a het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in een
                            gymnastiekruimte;</al><al> b de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden gedurende
                            welke het onderwijsgebruik plaatsvindt;</al><al> c een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                            gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één gymnastiekruimte
                            plaatsvindt;</al><al> d voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het aantal
                            klokuren dat ingevolge de beleidsregel bekostiging gymnastiekruimte voor
                            basisonderwijs en ( voortgezet) speciaal onderwijs voor bekostiging door
                            de gemeente in aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel klokuren voor
                            rekening komen van het bevoegd gezag van de school.</al><al> Het college neemt het aantal klokuren als bedoeld in dit lid onder d
                            slechts op in het voorstel tot inroostering voor zover daarvoor nog
                            capaciteit beschikbaar is, nadat rekening is gehouden met het totale
                            klokuurgebruik dat voor bekostiging door de gemeente in aanmerking
                            komt.</al><al>6 Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee weken
                            na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen voor
                            basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. De bevoegde
                            gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd voor een overleg over het
                            voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen twee weken na toezending van
                            het voorstel. In het overleg worden de vertegenwoordigers van de
                            bevoegde gezagsorganen in de gelegenheid gesteld te reageren op het
                            voorstel tot inroostering.</al><al>7 Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen stelt
                            het college voor 15 juni volgend op de genoemde datum in het tweede lid,
                            de definitieve inroostering vast van het gebruik van de gymnastiekruimte
                            voor het volgende schooljaar. Indien het college daarbij afwijkt van een
                            of meer in het overleg als bedoeld in het vijfde lid naar voren
                            gebrachte reacties, dan wordt dit gemotiveerd.</al><al>8 Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen de
                            betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke mededeling van het
                            college over de inroostering in de beschikbare gymnastiekruimten van de
                            onder hun bevoegd gezag staande school of scholen voor het volgende
                            schooljaar. Deze mededeling is te beschouwen als een beslissing in de
                            zin van artikel 23 en, indien van toepassing, een beslissing in de zin
                            van artikel 33, vierde lid. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek
                            van prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr></kop><al><vet>Citeertitel; inwerkingtreding</vet></al><lijst><li nr="1"><al> De verordening kan worden aangehaald als: “Verordening
                                    voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente De Bilt 2011.”</al></li><li nr="2"><al> Deze verordening treedt, onder gelijktijdige intrekking van de
                                    'Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente De
                                    Bilt 2009', in werking op de eerste dag na de dag van
                                    bekendmaking.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 31 maart 2011,</ondertekening><ondertekening>de raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><al>BIJLAGE I</al><al>bij</al><al>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente De Bilt 2011</al><al>CRITERIA VOOR BEOORDELING VAN AANGEVRAAGDE VOORZIENINGEN</al><tussenkop>Bijlage I Criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen</tussenkop><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                    voorwaarden waaronder – behoudens de financiële toets – de voorziening voor
                    bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen vallen uiteen in twee delen:</al><al>– deel A: lesgebouwen;</al><al>– deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening.</al><tussenkop>DEEL A Lesgebouwen</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2,1.9 c en 1.9 g worden niet
                    noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd
                    gezag en ter beoordeling van het college.</al><al>1.1<vet>Nieuwbouw</vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt;</al><al>b1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                    voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                    jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>b2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                    voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren
                    deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 1000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><tussenkop>1.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><al>a het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                    zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk
                    resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging);</al><al>b1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn) en
                    dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                    jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>b2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor
                    tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                    leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 1000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><al>a vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter beoordeling
                    van het college;</al><al>b vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                    herschikkingsoperatie;</al><al>c vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                    noodzakelijk is. </al><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><tussenkop>1.3 Uitbreiding</tussenkop><tussenkop>1.3.1 Uitbreiding algemeen</tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><al>a het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig zijn, dat
                    de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III, deel B, de
                    capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met
                    tenminste de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde overschrijdt, en</al><al>b1 het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien aaneengesloten jaren voor een voor
                    blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kan (kunnen) worden
                    verwacht of</al><al>b2 het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vier aaneengesloten jaren voor een voor
                    tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kan (kunnen) worden
                    verwacht of</al><al>b3 het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont,
                    dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier aaneengesloten jaren
                    binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest en</al><al>c het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 1000 meter
                    hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te realiseren. </al><tussenkop>1.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een speellokaal </tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al><al>a het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar worden
                    toegelaten;</al><al>b het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal blijven bestaan
                    en </al><al>c het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl</al><al>d medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300 meter
                    hemelsbreed niet mogelijk is en</al><al>e evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, de
                    mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil tussen de
                    feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de genormeerde bruto oppervlakte, zoals
                    is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, inpandig een speellokaal te
                    maken.</al><tussenkop>1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a1 het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt of</al><al>a2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking
                    komt, terwijl</al><al>b1 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen
                    kunnen worden verwacht of</al><al>b2 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor
                    tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen
                    kunnen worden verwacht en</al><al>c er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik
                    een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al><al>d er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig is of
                    op korte termijn beschikbaar komt en</al><al>e de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding,
                    zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van
                    vervangende bouw of uitbreiding.</al><tussenkop>1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</tussenkop><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><al>a er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                    tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is, waarin
                    beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan 2000
                    meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl</al><al>b er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik
                    een passende huisvesting voor de school te realiseren en</al><al>c de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van een
                    nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en dezelfde
                    tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al><tussenkop>1.6 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><tussenkop>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</tussenkop><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt
                    uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in de
                    huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school en voor zo'n uitbreiding voor 1 januari
                    2009 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</al><al>De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een
                    speellokaal blijkt uit het feit dat een school voor speciaal basisonderwijs
                    uitgebreid wordt met een speellokaal.</al><tussenkop>1.8 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                    leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt.</al><al>Het medegebruik is alleen van toepassing binnen de eigen woonkern en op maximaal
                    één locatie.</al><tussenkop>1.9 Aanpassing</tussenkop><al>De voorziening aanpassing bestaat uit:</al><al>a wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet
                    geschikt is voor het basisonderwijs, gelet op de eisen gesteld in bijlage III,
                    delen A en D;</al><al>b een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten of om,
                    afgezien van een speellokaal, een gebouw van een speciale school voor
                    basisonderwijs geschikt te maken voor kinderen jonger dan zes jaar;</al><al>c creëren speellokaal binnen het gebouw van een school voor speciaal
                    basisonderwijs;</al><al>d voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                    regelgeving;</al><al>e vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties; en</al><al>f het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het aanbrengen
                    van een traplift bij</al><al> meerlaagse schoolgebouwen.</al><al>g onderwijskundige vernieuwingen, </al><al>h.verwijderen van asbesthoudend materiaal, mits dit gevaar oplevert voor de
                    volksgezondheid.</al><tussenkop>Ad a </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor
                    een school voor basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks
                    ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al><tussenkop>Ad b</tussenkop><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een schoolgebouw te kunnen
                    afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het aantal groepen
                    leerlingen het gebruik van een gebouw kan of moet worden beëindigd omdat binnen
                    een of meer andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende ruimte aanwezig
                    is, terwijl deze niet zijn ingericht voor het onderwijs aan vier- en vijfjarigen
                    of zes- tot twaalfjarigen.</al><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing in een gebouw van een speciale school
                    voor basisonderwijs blijkt uit het feit dat 12 kinderen jonger dan zes jaar
                    worden toegelaten tot de school, terwijl het gebouw niet geschikt is voor het
                    onderwijs aan leerlingen jonger dan zes jaar.</al><tussenkop>Ad c</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de speciale school voor
                    basisonderwijs niet beschikt over een speellokaal en er geen ruimte groter dan
                    56 m<sup>2</sup> aanwezig is en er bovendien geen medegebruik van een
                    speellokaal van een school binnen 300 meter mogelijk is. </al><al>Daarnaast is de noodzaak afhankelijk van het feit dat tot de school minimaal 12
                    kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten. Indien het inpandig creëren van
                    een speellokaal meer kost dan een uitbreiding, zulks ter beoordeling van het
                    college, op grond van bijlage IV, deel A, wordt beslist alsof uitbreiding de
                    gevraagde voorziening is.</al><tussenkop>Ad d</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte termijn moet
                    worden opgeheven.</al><tussenkop>Ad e</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><tussenkop>Ad f </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                    gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                    voorziening noodzakelijk is. Voor zover het betreft het aanbrengen van een
                    traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische
                    maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan
                    worden gevolgd, respectievelijk kan worden gegeven.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><tussenkop>Ad g</tussenkop><al>De noodzaak van deze aanpassing blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanpassing nog niet eerder is toegekend,en</al></li><li nr="b."><al>bij de bouw van het gebouw geen rekening is gehouden met
                            onderwijskundige vernieuwingen,en</al></li><li nr="c."><al>het een permanent gebouw betreft , en</al></li><li nr="d."><al>het om een bouwkundige aanpassing gaat.</al></li></lijst><tussenkop>Ad h</tussenkop><al>De noodzaak voor de sanering moet blijken uit rapportage,opgesteld door een
                    bedrijf dat gecertificeerd is om een onderzoek te verrichten dat voldoet aan BRL
                    5052 en waarin wordt aangegeven dat het asbesthoudend materiaal op korte termijn
                    dient te worden verwijderd.</al><al>Ook kunnen kosten worden vergoed die gelieerd zijn aan het verwijderen van het
                    asbesthoudende materiaal, dit ter beoordeling van het college. Hierbij kan
                    gedacht worden aan kosten tijdelijke huisvesting en herstelwerkzaamheden. </al><tussenkop>1.10 Onderhoud</tussenkop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="-"><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenberging c.q dak buitenberging.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen rijwielstalling c.q rijwielstaanders.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen brandtrap.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen erfscheiding.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen binnenkozijnen en –deuren inclusief hang- en sluitwerk.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenkozijnen en –deuren inclusief hang- en sluitwerk.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen voor centrale
                            verwarming.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen boeiborden.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan tenminste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder b , terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat. Noodzakelijk
                    onderhoud aan:</al><lijst><li nr="-"><al>permanente gebouwen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis
                            van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II,
                            het gebouw nog tenminste vier jaar voor de school nodig is en</al></li><li nr="-"><al>noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een
                            prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw
                            nog ten minste vier jaar voor de school nodig is en voor de aanwezige
                            leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van medegebruik elders.</al></li></lijst><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><tussenkop>1.11 Herstel van constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><tussenkop>1.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder 2.2, 2.3.1 en 2.3.2 worden niet noodzakelijk
                    geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. De voorziening genoemd
                    onder 2.3.2 wordt niet noodzakelijk geacht voor nevenvestigingen. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd
                    gezag en ter beoordeling van burgemeester en wethouders.</al><al>2.1<vet>Nieuwbouw</vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor het
                    eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;</al><al>b1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                    voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                    jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>b2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                    voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren
                    deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>2.2<vet>Vervangende bouw</vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><al>a het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                    zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk
                    resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de verlenging van de
                    levensduur);</al><al>b1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn) en
                    dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                    jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>b2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor
                    tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen
                    kunnen worden verwacht en</al><al>c het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><al>a vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter beoordeling
                    van het college;</al><al>b vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                    herschikkingsoperatie;</al><al>c vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                    noodzakelijk is.</al><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><tussenkop>2.3 Uitbreiding</tussenkop><al>2.3.1<vet>Uitbreiding algemeen</vet></al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><al>a het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig zijn, dat
                    de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III, deel B, de
                    capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met
                    tenminste de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde overschrijdt, en</al><al>b1 het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien aaneengesloten jaren voor een voor
                    blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kunnen worden verwacht
                    of</al><al>b2 het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vier aaneengesloten jaren voor een voor
                    tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kunnen worden verwacht
                    of</al><al>b3 het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont,
                    dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier aaneengesloten jaren
                    binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest en</al><al>c het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 1000 meter
                    hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>2.3.2<vet>Uitbreiding met een speellokaal</vet></al><al>De noodzaak van uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al><al>a het feit dat aan de school of afdeling kinderen jonger dan zes jaar worden
                    toegelaten;</al><al>b het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal blijven bestaan
                    en</al><al>c het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl</al><al>d medegebruik van een speellokaal, gymnastiekruimte of lokaal voor motorische
                    therapie binnen 300 meter hemelsbreed niet mogelijk is en,</al><al>e evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, de
                    mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil tussen de
                    feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de genormeerde bruto oppervlakte, zoals
                    is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, geheel of gedeeltelijk inpandig
                    een speellokaal te maken.</al><tussenkop>2.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a1 het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor het
                    eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of</al><al>a2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking
                    komt, terwijl</al><al>b1 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen
                    kunnen worden verwacht of</al><al>b2 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor
                    tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen
                    kunnen worden verwacht en</al><al>c er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik
                    een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al><al>d er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig is of
                    op korte termijn beschikbaar komt en</al><al>e de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding,
                    zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van
                    vervangende bouw of uitbreiding.</al><al>2.5<vet>Verplaatsing bestaande noodlokalen</vet></al><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><al>a er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                    tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is, waarin
                    beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan 2000
                    meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl</al><al>b er binnen een afstand van 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om
                    door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren en</al><al>c de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor een
                    nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en dezelfde
                    tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al><tussenkop>2.6 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D. </al><tussenkop>2.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</tussenkop><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt
                    uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in de
                    huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school en voor zo'n uitbreiding voor januari 2009
                    nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden. De noodzaak voor eerste
                    inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een speellokaal blijkt uit
                    het feit dat de school uitgebreid wordt met een speellokaal.</al><tussenkop>2.8 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er tenminste zoveel
                    leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt.</al><tussenkop>2.9 Aanpassing</tussenkop><al>De voorziening aanpassing bestaat uit:</al><al>a wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet
                    geschikt is voor het (voortgezet) speciaal onderwijs gelet op de eisen als
                    gesteld in bijlage III, delen A en D;</al><al>b verbouwing om een dislocatie te kunnen afstoten;</al><al>c verbouwing van een dislocatie tot hoofdgebouw;</al><al>d functieverandering van vaklokalen als gevolg van de keuze voor een ander vak
                    (alleen voortgezet speciaal onderwijs);</al><al>e voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en regelgeving; </al><al>f vervangen van een oliegestookte verwarmingsinstallatie; en</al><al>g het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het aanbrengen
                    van een traplift bij</al><al> meerlaagse schoolgebouwen.</al><al>h.het verwijderen van asbesthoudend materiaal, mits dit gevaar oplevert voor de
                    volksgezondheid.</al><tussenkop>Ad a</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor
                    het (voortgezet) speciaal onderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten,
                    zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al><al>De noodzaak voor deze activiteit kan ook aanwezig zijn indien een gebouw in
                    gebruik wordt genomen door een andere onderwijssoort. De voorzieningen die dan
                    noodzakelijk zijn, zijn de specifieke voorzieningen voor die onderwijssoort, die
                    nog niet in het gebouw aanwezig zijn.</al><tussenkop>Ad b</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat het aantal leerlingen
                    zodanig terugloopt dat het gebruik van een gebouw moet worden beëindigd omdat
                    binnen het (hoofd)gebouw voldoende ruimte aanwezig is, terwijl dit gebouw niet
                    is ingericht voor het desbetreffende onderwijs.</al><tussenkop>Ad c</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit de aanwezigheid van meer dan 60
                    leerlingen SO of meer dan 42 leerlingen VSO, terwijl volgens de prognose als
                    vereist volgens bijlage II deze leerlingen ten minste vijftien jaren aanwezig
                    zullen zijn en de dislocatie voor vijftien jaren of meer – gelet op de
                    bouwkundige staat – als hoofdgebouw kan dienen. </al><tussenkop>Ad d</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de keuze voor een ander
                    vak op het schoolwerkplan door de onderwijsinspecteur is goedgekeurd.</al><tussenkop>Ad e </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte termijn moet
                    worden opgeheven.</al><tussenkop>Ad f </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><tussenkop>Ad g</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                    gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                    voorziening noodzakelijk is. Voor zover het betreft het aanbrengen van een
                    traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische
                    maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan
                    worden gevolgd, respectievelijk gegeven.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><tussenkop>Ad h</tussenkop><al>De noodzaak voor de sanering moet blijken uit rapportage,opgesteld door een
                    bedrijf dat gecertificeerd is om een onderzoek te verrichten dat voldoet aan BRL
                    5052 en waarin wordt aangegeven dat het asbesthoudend materiaal op korte termijn
                    dient te worden verwijderd.</al><al>Ook kunnen kosten worden vergoed die gelieerd zijn aan het verwijderen van het
                    asbesthoudende materiaal, dit ter beoordeling van het college. Hierbij kan
                    gedacht worden aan kosten tijdelijke huisvesting en herstelwerkzaamheden. </al><tussenkop>2.10 Onderhoud</tussenkop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="-"><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenberging c.q dak buitenberging.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen rijwielstalling c.q rijwielstaanders.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen brandtrap.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen erfscheiding.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen binnenkozijnen en –deuren inclusief hang- en sluitwerk.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenkozijnen en –deuren inclusief hang- en sluitwerk.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen voor centrale
                            verwarming.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen boeiborden.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan tenminste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder b, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat. </al><al>Noodzakelijk onderhoud aan:</al><lijst><li nr="-"><al>permanente gebouwen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis
                            van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II,
                            het gebouw nog tenminste vier jaar voor de school nodig is en</al></li><li nr="-"><al>noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een
                            prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw
                            nog ten minste vier jaar voor de schoolnodig is en voor de aanwezige
                            leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van medegebruik elders.</al></li></lijst><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><tussenkop>2.11 Herstel van constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><tussenkop>2.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder 3.2 en 3.3 worden niet noodzakelijk geacht voor
                    dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden is
                    dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van
                    het college.</al><tussenkop>3.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt;</al><al>b1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                    voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                    jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>b2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                    voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren
                    deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 1000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><tussenkop>3.2 Vervangende bouw </tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit het feit dat:</al><al>a voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige
                    opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, in zo’n slechte/matige
                    conditie zijn dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren
                    (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging);</al><al>b1 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen
                    kunnen worden verwacht of</al><al>b2 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren dit aantal leerlingen
                    kan worden verwacht en</al><al>c het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><al>a vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter beoordeling
                    van het college;</al><al>b vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                    herschikkingsoperatie;</al><al>c vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                    noodzakelijk is.</al><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw gesloopt wordt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><tussenkop>3.3 Uitbreiding</tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><al>a het feit dat er meer te huisvesten leerlingen aanwezig zijn dan de met tien
                    procent verhoogde capaciteit van het gebouw of de gebouwen, vastgesteld volgens
                    de regels in bijlage III, deel A – voor de aanwezige capaciteit en bijlage III,
                    deel B – voor de ruimtebehoefte –, aangeeft en de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voor
                    een voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding of gedurende ten minste vier
                    jaren voor uitbreiding met een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening deze
                    aantallen leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>b het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><tussenkop>3.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a1 het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt of</al><al>a2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking
                    komt, terwijl</al><al>b1 de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                    een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze
                    groepen leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>b2 de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                    een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                    groepen leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik
                    een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al><al>d er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig is of
                    op korte termijn beschikbaar komt en</al><al>e de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding,
                    zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van
                    vervangende bouw of uitbreiding.</al><tussenkop>3.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</tussenkop><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><al>a er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                    tijdelijke behoefte aan huisvesting van ten minste vier jaren is, waarin
                    beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van 2000 meter
                    hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl</al><al>b er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik
                    een passende huisvesting voor de school te realiseren en</al><al>c de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor een
                    nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en dezelfde
                    tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al><tussenkop>3.6 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><tussenkop>3.7 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</tussenkop><al>Aanspraak op eerste inrichting van leer- en hulpmiddelen en meubilair bestaat
                    wanneer er sprake is van toekenning van een voorziening in de huisvesting en
                    daarbij sprake is van uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de
                    school.</al><al>Tevens bestaat aanspraak op een tegemoetkoming in de eerste inrichting leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair indien door middel van een inpandige aanpassing een
                    andere ruimtesoort wordt gecreëerd.</al><al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra leer- en hulpmiddelen
                    en meubilair, indien het aantal leerlingen na de fusie groter is dan het totaal
                    aantal leerlingen van de afzonderlijke aan de fusie deelnemende scholen. </al><tussenkop>3.8 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat de school een aantal
                    leerlingen heeft waarvoor binnen de bestaande huisvesting geen capaciteit is. De
                    capaciteit wordt bepaald op de wijze zoals beschreven is bij 3.3.a.</al><tussenkop>3.9 Herstel van constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><tussenkop>3.10 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, leer- en hulpmiddelen
                    en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><tussenkop>3.11 Verwijderen van asbesthoudend materiaal, mits dit gevaar oplevert
                    voor de volksgezondheid.</tussenkop><al>De noodzaak voor de sanering moet blijken uit rapportage,opgesteld door een
                    bedrijf dat gecertificeerd is om een onderzoek te verrichten dat voldoet aan BRL
                    5052 en waarin wordt aangegeven dat het asbesthoudend materiaal op korte termijn
                    dient te worden verwijderd.</al><al>Ook kunnen kosten worden vergoed die gelieerd zijn aan het verwijderen van het
                    asbesthoudende materiaal, dit ter beoordeling van het college. Hierbij kan
                    gedacht worden aan kosten tijdelijke huisvesting en herstelwerkzaamheden. </al><al>DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening</al><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>1.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt en</al><al>b het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik
                    van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van
                    ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel
                    van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor
                    het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig
                    (zullen) zijn.</al><tussenkop>1.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><al>a het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                    zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk
                    resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de levensduurverlenging)
                    en</al><al>b het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik
                    van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van
                    ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel
                    van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor
                    het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig
                    (zullen) zijn.</al><tussenkop>1.3 Uitbreiding</tussenkop><al>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit:</al><al>a het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                    m<sup>2</sup> en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor
                    belemmerd wordt en</al><al>b het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik
                    van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van
                    ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel
                    van binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor
                    het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig
                    (zullen) zijn.</al><tussenkop>1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a1 het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                    aanmerking brengt of</al><al>a2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde bij 1.2
                    onder a, in aanmerking komt en</al><al>b het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik
                    van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van
                    ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel
                    van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door het college
                    vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en</al><al>d de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding,
                    zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van
                    vervangende bouw.</al><tussenkop>1.5 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><tussenkop>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><al>a het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school
                    is of wordt goedgekeurd en </al><al>b het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder eerste
                    inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><tussenkop>1.7 Eerste inrichting meubilair</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><al>a het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school
                    is of wordt goedgekeurd en </al><al>b het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder eerste
                    inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><al>a het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte voor de
                    desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en </al><al>b het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder (een
                    deel van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt.</al><tussenkop>1.8 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                    vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats is.</al><tussenkop>1.9 Aanpassing</tussenkop><al>De aanpassingen bestaan uit:</al><al>1 het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                    ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                    mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al><al>2 het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                    ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                    mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al><al>3 wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet
                    geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in bijlage III,
                    delen A en D;</al><al>4 voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;</al><al>5 vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al><tussenkop>Ad 1 </tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.</al><tussenkop>Ad 2</tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><tussenkop>Ad 3</tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende
                    gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4,
                    noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                    gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke
                    kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al><tussenkop>Ad 4 </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil
                    op korte termijn moet worden opgeheven.</al><tussenkop>Ad 5</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><tussenkop>1.10 Onderhoud</tussenkop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="-"><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenberging c.q dak buitenberging.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen rijwielstalling c.q rijwielstaanders.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen brandtrap.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen erfscheiding.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen binnenkozijnen en –deuren inclusief hang- en sluitwerk.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenkozijnen en –deuren inclusief hang- en sluitwerk.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen voor centrale
                            verwarming.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen boeiborden.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan tenminste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder b, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat. Noodzakelijk
                    onderhoud aan:</al><lijst><li nr="-"><al>permanente gebouwen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis
                            van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II,
                            het gebouw nog tenminste vier jaar voor de school nodig is en</al></li><li nr="-"><al>noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een
                            prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw
                            nog ten minste vier jaar voor de schoolnodig is en voor de aanwezige
                            leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van medegebruik elders.</al></li></lijst><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><tussenkop>1.11 Herstel constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><tussenkop>1.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><tussenkop>2.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor het
                    eerst voor bekostiging in aanmerking brengt en</al><al>b het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km hemelsbreed bij
                    noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs,
                    3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen speciaal
                    onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3
                    groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten
                    dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                    en</al><al>c het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor
                    het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig
                    (zullen) zijn.</al><tussenkop>2.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><al>a het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                    zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder d, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk
                    resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de levensduurverlenging)
                    en</al><al>b het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km hemelsbreed bij
                    noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs,
                    3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen speciaal
                    onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3
                    groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten
                    dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                    en</al><al>c het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor
                    het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig
                    (zullen) zijn.</al><tussenkop>2.3 Uitbreiding</tussenkop><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit:</al><al>a het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                    m<sup>2 </sup>en daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte
                    belemmerd wordt en</al><al>b het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km hemelsbreed bij
                    noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs,
                    3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen speciaal
                    onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3
                    groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten
                    dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                    en</al><al>c het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor
                    het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig
                    (zullen) zijn.</al><tussenkop>2.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a1 het feit dat de minister de school of nevenvestiging voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt of</al><al>a2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde in 2.2
                    onder a, in aanmerking komt en</al><al>b het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km hemelsbreed bij
                    noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs,
                    3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen speciaal
                    onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3
                    groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten
                    dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                    en</al><al>c het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door het college
                    vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en</al><al>d de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding,
                    zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van
                    vervangende bouw.</al><tussenkop>2.5 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><tussenkop>2.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><al>a het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school
                    of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en </al><al>b het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder eerste
                    onderwijsleerpakket is verstrekt.</al><tussenkop>2.7 Eerste inrichting meubilair</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><al>a het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school
                    of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en </al><al>b het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder eerste
                    inrichting meubilair is verstrekt.</al><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><al>a het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte voor de
                    desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en </al><al>b het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder het
                    specifiek noodzakelijk meubilair is verstrekt.</al><tussenkop>2.8 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                    getoetste aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    huidig in gebruik zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is.</al><tussenkop>2.9 Aanpassing</tussenkop><al>De aanpassingen bestaan uit:</al><al>1 het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                    ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                    mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al><al>2 het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                    ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                    mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al><al>3 wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet
                    geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in bijlage III,
                    delen A en D;</al><al>4 voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;</al><al>5 vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al><tussenkop>Ad 1 </tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.</al><tussenkop>Ad 2 </tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><tussenkop>Ad 3 </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                    gymnastiekruimten voor het (voortgezet) speciaal onderwijs, terwijl deze wel
                    tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken
                    zijn.</al><tussenkop>Ad 4 </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil
                    op korte termijn moet worden opgeheven.</al><tussenkop>Ad 5 </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><tussenkop>2.10 Onderhoud</tussenkop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="-"><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenberging c.q dak buitenberging.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen rijwielstalling c.q rijwielstaanders.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen brandtrap.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen erfscheiding.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen binnenkozijnen en –deuren inclusief hang- en sluitwerk.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenkozijnen en –deuren inclusief hang- en sluitwerk.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen voor centrale
                            verwarming.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen boeiborden.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan tenminste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder b, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat. Noodzakelijk
                    onderhoud aan:</al><lijst><li nr="-"><al>permanente gebouwen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis
                            van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II,
                            het gebouw nog tenminste vier jaar voor de school nodig is en</al></li><li nr="-"><al>noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een
                            prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw
                            nog ten minste vier jaar voor de school nodig is en voor de aanwezige
                            leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van medegebruik elders.</al></li></lijst><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><tussenkop>2.11 Herstel constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><tussenkop>2.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><tussenkop>3.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt en</al><al>b het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed gebruik te
                    maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                    beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor het
                    gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig (zullen) zijn.</al><tussenkop>3.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><al>a het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                    zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk
                    resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de levensduurverlenging)
                    en</al><al>b het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed gebruik te
                    maken van één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                    beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor het
                    gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al><tussenkop>3.3 Uitbreiding</tussenkop><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit:</al><al>a het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                    m<sup>2 </sup>en daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte
                    belemmerd wordt en</al><al>b het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed gebruik te
                    maken van één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                    beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor het
                    gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al><tussenkop>3.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a1 het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                    aanmerking brengt of</al><al>a2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde bij 3.2
                    onder a, in aanmerking komt en</al><al>b het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed gebruik te
                    maken van één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                    beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor het
                    gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn en</al><al>d het feit dat de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                    verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de
                    kosten van vervangende bouw.</al><tussenkop>3.5 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><tussenkop>3.6 Eerste inrichting voor bewegingsonderwijs</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting voor bewegingsonderwijs blijkt uit:</al><al>a het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school
                    is of wordt goedgekeurd en </al><al>b het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder eerste
                    inrichting voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><tussenkop>3.7 Medegebruik</tussenkop><tussenkop>3.7.1 Medegebruik gymnastiekruimte</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik van een gymnastiekruimte blijkt uit het feit dat
                    klokuren gymnastiek noodzakelijk zijn waarvoor binnen de momenteel in gebruik
                    zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is.</al><tussenkop>3.7.2 Huur van een sportterrein</tussenkop><al>De noodzaak van huur van een sportveld blijkt uit:</al><al>a het feit dat het lesrooster buitensport vermeldt, terwijl het bevoegd gezag
                    niet beschikt over een eigen sportveld en</al><al>b er geen mogelijkheden zijn tot gebruik van een sportveld van een ander bevoegd
                    gezag.</al><tussenkop>3.8 Herstel constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. Voor constructiefouten aan de binnenzijde blijft het bedrag per
                    leerling, zoals opgenomen in het Besluit tot vaststelling van het drempelbedrag,
                    bedoeld in artikel 76c, eerste lid, onder b2, van de Wet op het voortgezet
                    onderwijs voor rekening van het bevoegd gezag.</al><tussenkop>3.9 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al></bijlage><bijlage><tussenkop>BIJLAGE II</tussenkop><al>bij</al><al>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente De Bilt 2011</al><tussenkop>CRITERIA VOOR OPSTELLING EN TOETSING VAN LEERLINGPROGNOSES</tussenkop><tussenkop>Bijlage II Criteria voor opstelling en toetsing van
                    leerlingprognoses</tussenkop><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25,
                    derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaren
                    te starten met het gewenste jaar van bekostiging. </al><al>In bijlage I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van
                    welke prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat
                    voor (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is,
                    terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om
                    het gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een
                    korte-termijnprognose.</al><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de
                    school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met:</al><al>a het voedingsgebied of de voedingsgebieden;</al><al>b de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al><al>c de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele uitbreiding
                    van het voedingsgebied;</al><al>d de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking als
                    gevolg van migratie, sterfte en geboorte;</al><al>e de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                    woningvoorraad;</al><al>f de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de school
                    en</al><al>g het onderwijs dat wordt gegeven.</al><al>De prognose is niet meer dan twee jaar oud.</al><al>De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode
                    van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de
                    indiening van de aanvraag.</al><al>Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van
                    de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een
                    basisschool wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van
                    het voedingsgebied op wijkniveau. Voor een speciale school voor basisonderwijs,
                    het (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs kan, indien het
                    voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een
                    opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend. Bij
                    aanlevering van een prognose dienen de relevante gegevens en berekeningen over
                    de analyse- en prognoseperiode op papier te zijn afgedrukt.</al><al>Bij deze levering worden in elk geval de gebruikte programmatuur en de
                    aannames/assumpties met betrekking tot het gestelde onder d tot en met g, waarop
                    de prognose is gebaseerd, aangegeven en onderbouwd.</al><al>Het college is bevoegd onderscheiden naar onderwijssoort nadere regels te
                    stellen betreffende de criteria waaraan een prognose moet voldoen. Voorafgaand
                    aan de vaststelling door het college vormen de nadere regels onderwerp van
                    overleg aangaande het lokaal onderwijsbeleid als bedoeld in artikel 2, tweede
                    lid onder b van de ‘Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid De Bilt’</al><al>In de gemeente De Bilt bestaat er tussen de gezamenlijke schoolbesturen
                    overeenstemming over de toepassing en het resultaat (inclusief de jaarlijkse
                    bijstelling) van de prognosemethodiek (OOGO d.d. 21 maart 2002). Indien met
                    ervaringscijfers kan worden onderbouwd dat de afbuigingstendens die qua
                    systematiek in de laatste jaren van de prognosetermijn zit, minder, dan wel niet
                    van toepassing zal zijn, kan het college bij de planning afwijken van de
                    getallen zoals die in de prognose worden genoemd.</al></bijlage><bijlage><tussenkop>BIJLAGE III</tussenkop><al>bij</al><al>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente De Bilt 2011</al><tussenkop>CRITERIA VOOR OPPERVLAKTE EN INDELING</tussenkop><tussenkop>Bijlage III Criteria voor oppervlakte en indeling</tussenkop><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen:</al><al>– deel A: de bepaling van de capaciteit;</al><al>– deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte;</al><al>– deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning;</al><al>– deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen.</al><al> Deel E: berekening oppervlakte normvergoeding Onderwijskundige vernieuwing</al><tussenkop>DEEL A De bepaling van de capaciteit</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande
                    methodiek vastgesteld.</al><al>Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten
                    tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit,
                    indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van
                    culturele, maatschappelijke (waaronder kinderopvang) of recreatieve
                    doeleinden.</al><tussenkop>1.1 Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de T en
                    B-dislocaties met een permanente of tijdelijke bouwaard)</tussenkop><al>De bruto vloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de
                    bvo zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de ‘Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het
                    primair onderwijs’.</al><tussenkop>basisschool</tussenkop><al>De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het aantal
                    bruto vloeroppervlak van het gebouw <sup>1</sup>. <cursief>[noot
                        </cursief><cursief><sup>1</sup></cursief><cursief>: De capaciteit van het
                        gebouw met een permanente bouwaard en de capaciteit van de tijdelijke
                        bouwaard worden afzonderlijk vastgesteld].</cursief></al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het
                    oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                    schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van
                    een fictief bruto vloeroppervlak als grondslag voor de capaciteitsbepaling.</al><tussenkop>1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke
                    bouwaard</tussenkop><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen geldt het
                    gestelde onder 1.1.</al><tussenkop>1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</tussenkop><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.</al><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een
                    school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer dislocaties,
                    wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals
                    deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie van Onderwijs,
                    Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld,
                    doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt
                    vastgesteld. Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en
                    bouwkundige staat het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school
                    te dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw. </al><al>Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de
                    dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.</al><al>Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van de overblijvende
                    school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij de fusie betrokken
                    scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de gefuseerde scholen, gelet
                    op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij als dislocatie een plaats
                    in de rangorde zoals hiervoor omschreven. </al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist.</al><tussenkop>1.4 Terrein</tussenkop><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. </al><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al><tussenkop>1.5 Inventaris</tussenkop><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle scholen voor
                    (speciaal) basisonderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende
                    onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto vloeroppervlakte van de school is de
                    basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris.</al><tussenkop>1.6 Gymnastiekruimten</tussenkop><tussenkop>1.6.1 Gymnastiekruimte</tussenkop><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt 40
                    klokuren.</al><tussenkop>1.6.2 Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><tussenkop>1.6.3 Inventaris</tussenkop><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.</al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan in
                    overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering
                    van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien de hierdoor
                    beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van onderwijskundige,
                    culturele, maatschappelijke (waaronder kinderopvang) of recreatieve
                    doeleinden.</al><tussenkop>2.1 Hoofdgebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard </tussenkop><al>De bruto vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de
                    BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de ‘Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het
                    primair onderwijs’.</al><al>De capaciteit van een gebouw voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt
                    vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte van het gebouw. De capaciteit van het
                    gebouw met een permanente bouwaard en de capaciteit van de tijdelijke bouwaard
                    worden afzonderlijk vastgesteld.</al><al>Indien een speellokaal aanwezig is èn de school voldoet aan de voorwaarden zoals
                    vermeld in bijlage I, deel A, paragraaf 2.3.2 sub a. en sub b, wordt op de bruto
                    vloeroppervlakte 90 m<sup>2</sup> in mindering gebracht.</al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al>Indien er sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het
                    oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                    schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van
                    een fictief bruto vloeroppervlakte als grondslag voor de
                    capaciteitsbepaling.</al><tussenkop>2.2 Dislocaties of nevenvestigingen, gebouwen met een permanente of een
                    tijdelijke bouwaard </tussenkop><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor scholen voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs geldt het gestelde onder 2.1.</al><tussenkop>2.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</tussenkop><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.</al><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw en een of
                    meerdere dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is
                    de rangorde zoals deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het
                    ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw
                    moet worden vastgesteld, omdat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt
                    de rangorde als volgt vastgesteld.</al><al>Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de
                    dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijk bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit. </al><al>Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige
                    staat, het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te dienen.
                    Dit is in de regel het grootste gebouw.</al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist.</al><tussenkop>2.4 Terrein</tussenkop><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. </al><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al><tussenkop>2.5 Inventaris</tussenkop><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle scholen voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende
                    onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto vloeroppervlakte van de school is de
                    basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris.</al><tussenkop>2.6 Gymnastiekruimten</tussenkop><tussenkop>2.6.1 Gymnastiekruimte</tussenkop><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het (voortgezet) speciaal onderwijs
                    bedraagt 40 klokuren.</al><tussenkop>2.6.2 Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><tussenkop>2.6.3 Inventaris</tussenkop><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                    vastgelegd in gegevens over:</al><al>– de bruto vloeroppervlakte van gebouwen;</al><al>– het aantal specifieke ruimten;</al><al>– het aantal werkplaatsen;</al><al>– het aantal gymnastieklokalen.</al><al>Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten
                    tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit,
                    indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van
                    culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al><tussenkop>3.1 Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een permanente of
                    een tijdelijke bouwaard</tussenkop><al>De bruto vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de
                    BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-2 de ‘Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de BVO van de schoolgebouwen in het voortgezet
                    onderwijs’.</al><al>Naast de bruto vloeroppervlakte zal het gegeven ‘aantal gymnastieklokalen’
                    moeten worden vastgelegd, evenals het gegeven ‘aantal specifieke ruimten en
                    werkplaatsen’ indien en voor zover deze noodzakelijk zijn in het kader van
                    aanvragen betreffende uitbreiding dan wel medegebruik. Bij het gegeven ‘aantal
                    specifieke ruimten en werkplaatsen’ moeten de ruimtesoorten worden onderscheiden
                    zoals deze binnen het ruimtebehoeftemodel zijn opgenomen. Indien een deel van
                    een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen, wordt dit deel niet
                    tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                    geregistreerd.</al><tussenkop>3.2 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</tussenkop><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een
                    voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (of nevenvestiging) en
                    een of meer dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit
                    is de rangorde zoals vastgelegd in de Basisregistratie Huisvesting van het
                    ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw
                    moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt
                    de rangorde als volgt vastgesteld.</al><al>Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de
                    dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.</al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist.</al><tussenkop>3.3 Terrein</tussenkop><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen
                    van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van
                    de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><tussenkop>3.4 Inventaris</tussenkop><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 1997 alle instellingen
                    voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van een inventaris. De bruto
                    vloeroppervlakte algemene ruimten en het aantal specifieke ruimten en
                    werkplaatsen als zodanig zijn de basis voor de vaststelling van de omvang van de
                    aanwezige inventaris.</al><tussenkop>3.5 Gymnastiekruimten</tussenkop><tussenkop>3.5.1 Gymnastiekruimte</tussenkop><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het voortgezet onderwijs bedraagt 40
                    uur.</al><tussenkop>3.5.2 Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><tussenkop>3.5.3 Inventaris</tussenkop><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.</al><tussenkop>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>1.1 Lesgebouwen</tussenkop><tussenkop>Basisschool</tussenkop><al>Voor een basisschool is het aantal leerlingen en de gewichtsom bepalend voor de
                    huisvestingsbehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt
                    uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                    nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo'n nevenvestiging wordt voor de
                    ruimtebehoefte berekening beschouwd als een afzonderlijke school. </al><al>De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimte behoefte en een toeslag in
                    verband met de gewichtensom. </al><al>De basisruimte behoefte van een basisschool wordt berekend met de formule:</al><al>B= 200 + 5,03 * L, waarbij</al><al>B= basisruimte behoefte in m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte, rekenkundig
                    afgerond op hele vierkante meters.</al><al>, en</al><al>L= het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking </al><al> heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al>T= 1,40 * G, waarbij</al><al>T= toeslag in m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele
                    vierkante meter en</al><al>G= gecorrigeerde gewichtensom.</al><al>De gecorrigeerde gewichtensom wordt als volgt bepaald:</al><lijst><li nr="§"><al>bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (=de optelling van alle
                            gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al></li><li nr="§"><al>verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een bedrag ter grootte van
                            6,0 % van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom
                            niet kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op
                            een geheel getal;</al></li><li nr="§"><al>als aldus verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80% van het aantal
                            ingeschreven leerlingen, wordt de gewichtensom vastgesteld op 80% van
                            het aantal ingeschreven leerlingen. </al></li></lijst><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal groepen bepalend voor
                    de ruimtebehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt uitgevoerd
                    voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een
                    eigen vestigingsnummer.</al><al>Zo'n nevenvestiging wordt voor de ruimtebehoefte berekening beschouwd als een
                    afzonderlijke school.</al><al>De ruimtebehoefte van een speciale school voor basisonderwijs wordt berekend met
                    de formule:</al><al>R= 250 + 7,35 * L, waarbij</al><al>R= ruimtebehoefte in m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond
                    op hele vierkante meters, en</al><al>L= het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90
                    m<sup>2.</sup></al><tussenkop>1.2 Gymnastiekruimten</tussenkop><tussenkop>Basisschool</tussenkop><al>Voor een basisschool is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal klokuren
                    gymnastiek. Het aantal gymgroepen is afhankelijk van het aantal
                    formatieplaatsen, zoals bepaald in de modelbeleidsregel voor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. Per
                    gymgroep 6-12 jarigen wordt uitgegaan van maximaal 1,5 klokuur gymnastiek.</al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    voor een basisschool, wordt het aantal gymgroepen bepaald door het aantal
                    leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk schooljaar waarop de prognose,
                    als bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn
                    ingeschreven.</al><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal gymgroepen bepalend
                    voor het aantal klokuren gymnastiek. Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6
                    jaar wordt uitgegaan van maximaal 3,75 klokuur gymnastiek indien de school niet
                    de beschikking heeft over een speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van 6
                    jaar en ouder wordt uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek.</al><al>Het aantal gymgroepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de
                    'N-factor'. De 'N-factor' is bepalend voor de groepsgrootte. De 'N-factor' voor
                    een speciale school voor basisonderwijs is 15. Het verkregen getal wordt alleen
                    naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan 5. In het
                    andere geval wordt het getal naar beneden afgerond.</al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe gymaccommodatie
                    voor een speciale school voor basisonderwijs, wordt het aantal gymgroepen
                    bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage II.</al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><tussenkop>2.1 Lesgebouwen</tussenkop><al>Voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs is de
                    onderwijssoort, de categorie (speciaal of voortgezet speciaal), het type
                    vestiging en het aantal leerlingen bepalend voor de huisvestingsbehoefte.</al><al>De ruimtebehoefte van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt
                    berekend met de formule:</al><al>R=V+f*L, waarbij</al><al>R= ruimtebehoefte in m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond
                    op hele vierkante meters, en</al><al>V= vaste voet in m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte. Voor hoofdvestigingen
                    voor alle onderwijssoorten 370 m<sup>2</sup></al><al> behalve vor VSO-ZMLK. Voor VSO-ZMLK is de vaste voet 250 m<sup>2</sup>. Voor
                    nevenvestigingen is de </al><al> vaste voet niet van toepassing, en</al><al>f= factor (m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte per leerling) volgens
                    onderstaande tabel, en </al><al>L= het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking</al><al> op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>De tabel geeft een overzicht van f (m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte per
                    leerling), per onderwijssoort.</al><al>Tabel 1:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="74*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="13*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="13*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>SO</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>VSO</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>§Slechthorende kinderen (SH)</al><al>§Kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens
                                        behoren tot dove of slechthorende kinderen (ES)</al><al>§Visueel gehandicapten (VISG)</al><al>§Langdurig Zieke kinderen (LZ)</al><al>§Zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK)</al><al>§Kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten
                                        (PI)</al></entry><entry colname="col2"><al>8,8</al></entry><entry colname="col3"><al>12,2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>§Dove kinderen (DO)</al><al>§Lichamelijke gehandicapten kinderen (LG)</al><al>§Meervoudig gehandicapten kinderen (MG)*</al></entry><entry colname="col2"><al>13,8</al></entry><entry colname="col3"><al>15,5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>§Zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK)</al></entry><entry colname="col2"><al>8,8</al></entry><entry colname="col3"><al>9,2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>* tenzij bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
                    de N-factor anders dan 7 is vastgesteld. Voor SO-MG met N = 2 geldt 56,75, voor
                    VSO-MG met N = 2 geldt 57,5, voor SO-MG met N = 3 geldt 56,75 en voor VSO-MG met
                    N = 3 geldt 57,5.</al><al>Voor een school met zowel SO als VSO binnen een onderwijssoort, is de vaste voet
                    slechts eenmaal van toepassing.</al><al>Voor een school met meer onderwijssoorten is voor elk van de schoolsoorten de
                    vaste voet van toepassing.</al><al>De bepaling van de ruimtebehoefte van een SOVSO-school of een SO-school waaraan
                    een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de verschillende
                    onderwijssoorten afzonderlijk plaats, waarna de afzonderlijk vastgestelde
                    ruimtebehoeften worden gesommeerd.</al><al>Toekenning van een eventueel speellokaal geeft een additionele ruimtebehoefte
                    van 90 m<sup>2</sup>.</al><tussenkop>2.2 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>Het aantal gymgroepen is bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Het
                    aantal gymgroepen wordt bepaald op basis van de modelbeleidsregel voor
                    bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                    onderwijs: per gymgroep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt uitgegaan van
                    maximaal 3,75 klokuur gymnastiek indien de school of nevenvestiging niet de
                    beschikking heeft over een speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van 6 jaar
                    en ouder wordt uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek.</al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    wordt het aantal groepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in
                    bijlage II. De bepaling van het aantal groepen van een SOVSO-school of een
                    SO-school waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de
                    verschillende schooltypen afzonderlijk plaats.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><tussenkop>3.1 Lesgebouwen</tussenkop><al>Voor een school voor voortgezet onderwijs wordt met behulp van het
                    Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte bepaald. Het totale ruimtebeslag van
                    een instelling voor voortgezet onderwijs is een optelling van twee componenten,
                    te weten: </al><al>1 een leerlinggebonden component;</al><al>2 een vaste voet.</al><tussenkop>ad 1 Een leerlinggebonden component</tussenkop><al>Deze wordt bepaald door aan de hand van in tabel 2.a Berekening van de
                    leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs, opgenomen bruto
                    vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen. De
                    leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs, leerweg of
                    sector die de leerling volgt.</al><tussenkop>ad 2 Een vaste voet</tussenkop><al>De vaste voet wordt bepaald aan de hand van in tabel 2.b Berekening van de vaste
                    voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet onderwijs,
                    opgenomen bruto- vloeroppervlakten per instelling of sector. De vaste voet is
                    afhankelijk van de aard van de vestiging en van het onderwijsaanbod binnen de
                    beroepsgerichte leerweg.</al><al>Vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de
                    bijbehorende normoppervlakten en verhoging met de vaste voet per instelling en,
                    indien van toepassing, een vaste voet per sector geeft, uitgedrukt in bruto
                    vierkante meters, de totale ruimtebehoefte van de instelling.</al><al>Het RBM voorziet in een normering voor praktijkonderwijs. </al><al>Het RBM voorziet niet in een afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch
                    didactisch centrum (OPDC). Het OPDC levert diensten ter ondersteuning van
                    leerlingen op de scholen die het samenwerkingsverband zijn aangegaan. </al><al>De leerlingen die gebruikmaken van de diensten van het OPDC zijn derhalve in
                    alle gevallen ingeschreven bij reguliere scholen voor voortgezet onderwijs. </al><al>Voor een onderbouwing van de in tabel 2.a en 2.b opgenomen
                    bruto-normoppervlakten wordt verwezen naar de toelichting van deze bijlage.
                    Indien noodzakelijk voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op
                    basis van deze onderbouwing de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw
                    voor voortgezet onderwijs worden bepaald.</al><al>Tabel 2.a Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet
                    onderwijs</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="42*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="17*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="27*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="14*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Leerweg</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Ruimtetype</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>BVO/ll</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaren 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 6,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 6,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 7,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 5,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al> 5,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al> 8,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 4,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>12,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 5,95</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al> 0,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 5,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al> 2,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al> 3,06</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 5,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al> 2,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 4,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al> 4,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 4,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al> 5,53</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw Landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 5,94</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al> 0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 5,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al> 2,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 5,03</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al> 4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 4,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al> 7,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>legenda TLW theoretische leerweg</al><al> LWOO leerwegondersteunend onderwijs</al><al> GLW gemengde leerweg</al><al> BLW beroepsgerichte leerweg</al><al>Tabel 2.b Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de
                    ruimtebehoefte voortgezet onderwijs</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="55*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="26*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Ruimtetype</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>vaste voet</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdvestiging</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>980</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>550</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-techniek BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>299</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-economie BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>196</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-zorg/welzijn BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>168</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>117</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>306</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda BLW beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al>De vaste voet per instelling is 980 m<sup>² </sup>bruto vloeroppervlakte (BVO)
                    welke wordt toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een
                    nevenvestiging die op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt
                    voor aanvullende bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt een
                    aanvullende vaste voet van 550 m<sup>²</sup> BVO. De vaste voet voor een
                    hoofdvestiging of nevenvestiging met spreidingsnoodzaak is niet van toepassing
                    op een zelfstandige school voor praktijkonderwijs. Indien van toepassing worden
                    vaste voeten behorende bij die sectoren waar de beroepsgerichte leerweg wordt
                    aangeboden toegekend op de vestiging waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt
                    aangeboden. Tevens geldt een vaste voet voor die vestiging waar
                    praktijkonderwijs aanwezig is.</al><tussenkop>3.2 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>De in onderstaande tabel 3 ‘Berekening van de ruimtebehoefte
                    gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs’ vermelde bruto vloeroppervlakten
                    vormen de grondslag voor de bepaling van de omvang van de voorzieningen in de
                    huisvesting ten behoeve van gymnastiekonderwijs.</al><al>Tabel 3 Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet
                    onderwijs</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="64*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="14*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Leer-weg</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>BVO/ll</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>1,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>1,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>legenda TLW theoretische leerweg</al><al> LWOO leerwegondersteunend onderwijs</al><al> GLW gemengde leerweg</al><al> BLW beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><tussenkop>DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning</tussenkop><al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is
                    noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële
                    consequenties vast te stellen.</al><tussenkop>1 School voor (speciaal) basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>1.1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><lijst><li nr="§"><al>nieuwbouw, dan wel</al></li><li nr="§"><al>vervangende nieuwbouw</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                    noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter bruto vloeroppervlak
                    wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen
                    van de ruimtebehoefte'.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven genoemde
                    ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als hierboven ruimtebehoefte
                    tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven bestaan.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><lijst><li nr="§"><al>uitbreiding, dan wel,</al></li><li nr="§"><al>uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel</al></li><li nr="§"><al>ingebruikneming dan wel</al></li><li nr="§"><al>medegebruik</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                    beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage.</al><al>Het verschil moet tenminste bedragen:</al><lijst><li nr="§"><al>55 m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte voor een voor blijvend gebruik
                            bestemde voorziening basisonderwijs;</al></li><li nr="§"><al>40 m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte voor een voor tijdelijke gebruik
                            bestemde voorziening basisonderwijs;</al></li><li nr="§"><al>50 m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte voor een blijvend of tijdelijk
                            gebruik bestemde voorziening voor een school voor speciaal
                            basisonderwijs.</al></li></lijst><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                    genoemde verschil gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het hierboven genoemde
                    verschil tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan.</al><al>Voor een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt de bruto vloeroppervlakte
                    van een speellokaal 90 m<sup>2</sup> bvo.</al><tussenkop>1.2 Overig voor blijvend gebruik dan wel tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van
                    het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om
                    het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet
                    gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage
                    III, deel D.</al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
                    aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf
                    van het onderwijsleerpakket, en meubilair wordt bepaald door de omvang in
                    m<sup>2 </sup>bruto vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening
                    (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening onderhoud wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><tussenkop>1.3 Gymnastiekruimten </tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in onderdeel D
                    van deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de
                    beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel
                    uitbreiding (bijlage I).</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs,
                    dan wel voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is
                    bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><tussenkop>2.1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw, dan wel</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                    noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter bruto vloeroppervlak
                    wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen
                    van de ruimtebehoefte'.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven genoemde
                    ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven
                    ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening: </al><lijst><li nr="-"><al>uitbreiding, dan wel</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel</al></li><li nr="-"><al>ingebruikneming dan wel</al></li><li nr="-"><al>medegebruik</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                    beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage. Het verschil moet tenminste 50 m<sup>2</sup> bruto
                    vloeroppervlakte bedragen.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                    genoemde verschil gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het hierboven genoemde
                    verschil tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan.</al><al>Voor een school voor speciaal onderwijs bedraagt de omvang van een speellokaal
                    90 m<sup>2</sup> bvo.</al><tussenkop>2.2 Overig voor blijvend gebruik dan wel tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, terrein, dan wel uitbreiding
                    van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijk terreinoppervlakte
                    om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de
                    wet gestelde eisen zoals gesteld ten aanzien van de terreinoppervlakte en het
                    gestelde in bijlage II, deel D.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, eerste aanschaf van het
                    onderwijsleerpakket en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van
                    het onderwijsleerpakket en meubilair, wordt bepaald door de omvang in
                    m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening
                    (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding..</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening aanpassing wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor
                    het onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, onderhoud wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening, herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw,
                    onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn
                    voor de voortgang van het onderwijs.</al><tussenkop>2.3 Gymnastiekruimten </tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald door de minimumnormen bij realisering zoals aangegeven in onderdeel D
                    van deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de
                    beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel
                    uitbreiding (bijlage I).</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs,
                    dan wel voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan voor wie de gymnastiekruimte oorspronkelijk is
                    bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><tussenkop>3.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                    aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk
                    is. De hieruit voortkomende ruimtebehoefte wordt bepaald aan de hand van het
                    ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting van deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw of
                    uitbreiding door middel van ingebruikneming wordt bepaald door het verschil
                    tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor
                    huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en de huisvesting die
                    aanwezig is. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste
                    vijftien jaar noodzakelijk is. </al><al>De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: 'wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor
                    het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het
                    overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt
                    gegeven in de vorm van in te roosteren lessen. </al><tussenkop>3.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal
                    leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien
                    jaar noodzakelijk is.De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het
                    ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt
                    bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal
                    leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien
                    jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare huisvesting. Het verschil is minimaal 100 m<sup>²</sup> bruto
                    vloeroppervlakte. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het
                    ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste
                    vier jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent
                    verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt
                    bepaald met het ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze
                    bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor
                    het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het
                    overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt
                    gegeven in de vorm van in te roosteren lessen. </al><al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de huisvesting
                    verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor
                    huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is
                    en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De
                    ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: 'wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte'.</al><tussenkop>3.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen </tussenkop><al>De omvang van de voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de
                    minimaal noodzakelijk oppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                    inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de
                    terreinoppervlakte. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van
                    leer-en hulpmiddelen en meubilair, is gekoppeld aan de omvang van de toegekende
                    voorziening in de huisvesting.</al><al>De omvang van de tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair als er sprake is van een inpandige aanpassing waarbij algemene of
                    specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke en/of werkplaatsruimte bedraagt
                    het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte
                    en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><tussenkop>3.4 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de
                    toelichting bij deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen,
                    waarvoor gymnastiekruimte langer dan vijftien jaar noodzakelijk is (te bepalen
                    met behulp van het ruimtebehoeftemodel) en de gymnastiekruimte die aanwezig
                    is.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is
                    bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening medegebruik gymnastiekruimte wordt
                    uitgedrukt in lestijden. Het aantal lestijden gymnastiek wordt bepaald met
                    behulp van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van
                    het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x
                    m<sup>²</sup> bvo gym): 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een
                    aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m<sup>²</sup> bvo gym):
                    322.</al><al>Hierop wordt het aantal in eigen accommodatie te verzorgen lessen in mindering
                    gebracht (zie Deel A, paragraaf 3.5.1).</al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening huur sportterrein bedraagt ten hoogste
                    acht weken per kalenderjaar. </al><al>Het aantal lestijden waarvoor vergoeding wordt gegeven wordt bepaald aan de hand
                    van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van het
                    ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) /
                    460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd:
                    (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) / 322. Hierop wordt het aantal in eigen
                    accommodatie te verzorgen lessen in mindering gebracht ( zie deel A, paragraaf
                    3.5.1.) </al><tussenkop>DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen </tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><al>– minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3
                    m<sup>²</sup>/ll met een minimum van 300 m<sup>²</sup> netto, vanaf 200
                    leerlingen kan worden volstaan met 600 m<sup>²</sup> netto;</al><al>– minimumoppervlakte leslokaal: 42 m<sup>²</sup> netto;</al><al>-voor het speciaal basisonderwijs geldt een minimum netto oppervlakte van 84
                    m<sup>2 </sup>voor een speellokaal.</al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><al>– minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3
                    m<sup>²</sup>/ll met een minimum van 300 m<sup>²</sup> netto, vanaf 200
                    leerlingen kan worden volstaan met 600 m<sup>²</sup> netto;</al><al>– een speellokaal heeft een minimum netto oppervlakte van 84
                    m<sup>² </sup>;.</al><al>– minimum oppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m<sup>²</sup> netto.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>Minimum afmetingen, uitgedrukt in netto m<sup>²</sup>:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="46*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="54*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>theorielokaal:</al></entry><entry colname="col2"><al>42 m<sup>²</sup></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>theorievaklokaal:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m<sup>²</sup></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal natuurkunde:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m<sup>²</sup></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal biologie:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m<sup>²</sup></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal scheikunde:</al></entry><entry colname="col2"><al>60 m<sup>²</sup></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal handvaardigheid:</al></entry><entry colname="col2"><al>60 m<sup>²</sup></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal overig:</al></entry><entry colname="col2"><al>80 m<sup>²</sup></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>specifiek vaklokaal lassen:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m<sup>²</sup></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>specifiek vaklokaal meten:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m<sup>²</sup></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>werkplaats: </al></entry><entry colname="col2"><al>115 m<sup>²</sup></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>restaurant:</al></entry><entry colname="col2"><al>80 m<sup>²</sup></al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>4 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>– De oefenruimte is minimaal 252 m<sup>²</sup> netto.</al><al>– De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m.</al><al> Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een
                    was-/douchegelegenheid.</al><tussenkop>DEEL E Berekening oppervlakte normvergoeding Onderwijskundige
                    vernieuwing</tussenkop><al>1.<vet>School voor basisonderwijs</vet></al><al>Een basisschool krijgt een bedrag voor aanpassing als gevolg van
                    onderwijskundige vernieuwingen , in de vorm van een normbedrag, dat gebaseerd is
                    op de verschiloppervlakte.</al><al>Om te bepalen hoe groot het normbedrag is dat de school ontvangt, wordt het
                    aantal groepen waarvoor een permanente huisvestingsbehoefte bestaat als
                    uitgangspunt genomen, met als maximum het aantal groepen van de school waarvoor
                    de school over permanente huisvesting beschikt. Met dit bedrag wordt het
                    schoolbestuur geacht het gebouw aan te passen en/of uit te breiden ten behoeve
                    van de onderwijskundige vernieuwingen. </al><al>De werkelijke bruto-oppervlakte van het schoolgebouw wordt bepaald aan de hand
                    van de “meetinstructie” (zie bijlage III, onderdeel III-1 van de Verordening
                    voorzieningen huisvesting onderwijs). Voor het bepalen van de noodzakelijk
                    huisvesting geldt:</al><al>G= (A+B+C)/179</al><al>G = de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal groepen;</al><al>A = het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op 1 oktober voorafgaande
                    aan elk jaar vermenigvuldigd met 9;</al><al>B = het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op 1 oktober voorafgaande aan
                    elk jaar vermenigvuldigd met 6,17;</al><al>C = 280 minus (het totaal aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk
                    jaar vermenigvuldigd met 2,06). Indien de uitkomst van deze berekening negatief
                    is, wordt de factor C op 0 bepaald.</al><al><onderstreept>Minimum-brutovloeroppervlakte: oud en nieuw
                    </onderstreept>(basisonderwijs – gebouwen met een permanente bouwaard)</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="20*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="40*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="40*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Permanente gebouwen voor een permanente bouwaard</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aantal groepen leerlingen </al></entry><entry colname="col2"><al>Minimale bvo (excl. m2 bvo voor onderwijskundige
                                        vernieuwing)</al></entry><entry colname="col3"><al>Minimale bvo (incl. m2 bvo voor onderwijskundige
                                        vernieuwing)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>315</al></entry><entry colname="col3"><al>350</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>420</al></entry><entry colname="col3"><al>465</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>525</al></entry><entry colname="col3"><al>580</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>720</al></entry><entry colname="col3"><al>785</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>825</al></entry><entry colname="col3"><al>900</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>930</al></entry><entry colname="col3"><al>1.015</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>1.035</al></entry><entry colname="col3"><al>1.130</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>1.140</al></entry><entry colname="col3"><al>1.245</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>1.245</al></entry><entry colname="col3"><al>1.360</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>1.350</al></entry><entry colname="col3"><al>1.475</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>1.455</al></entry><entry colname="col3"><al>1.590</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>1.560</al></entry><entry colname="col3"><al>1.705</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>En vervolgens te verhogen met 105 m2 ten behoeve van één
                                        groep leerlingen</al></entry><entry colname="col3"><al>En vervolgens te verhogen met 115 m2 ten behoeve van één
                                        groep leerlingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Indien het gebouw beschikt over een tweede speellokaal,
                                        wordt de minimale bvo verhoogd met 90 m2.</al></entry><entry colname="col3"><al>Indien het gebouw beschikt over een tweede speellokaal,
                                        wordt de minimale bvo verhoogd met 90 m2.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>III-1 Overzicht ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto
                    vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs’</tussenkop><al>De vaststelling van de bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw geschiedt
                    voor basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs volgen NEN 2580, met de
                    volgende aantekeningen:</al><lijst><li nr="§"><al>de in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van
                            buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte
                            gerekend;</al></li><li nr="§"><al>de oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige
                            gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw;</al></li><li nr="§"><al>bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in- of aanpandige gelegen
                            gymnastieklokalen wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend tot het hart
                            van de scheidingsconstructie.</al></li></lijst><tussenkop>III-2 Overzicht ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto
                    vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs’</tussenkop><al>Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor
                    situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het
                    ministerie van OCenW.</al><al>De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakte van
                    alle tot het gebouw behorende ‘beloopbare’ binnenruimten. De bruto
                    vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de
                    opgaande buitenconstructies, die de ruimten omhullen.</al><al>Tot de bruto oppervlakte behoort eveneens:</al><al>– de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk
                    vloerniveau;</al><al>– de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter dan 0,5
                    m<sup>²</sup>.</al><al>Uitzonderingen:</al><al>– De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen omsloten
                    ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend, ongeacht de
                    vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft luifels, dakoverstekken,
                    de ruimte onder op kolommen staande verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet
                    overdekt) en dergelijke.</al><al>– Open brand- of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij de
                    bepaling van de bruto oppervlakte niet meegerekend.</al><al>– Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend.</al></bijlage><bijlage><tussenkop>BIJLAGE IV</tussenkop><al>bij</al><al>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente De Bilt 2011</al><tussenkop>FINANCIËLE NORMERING</tussenkop><tussenkop>Bijlage IV Financiële normering </tussenkop><al>In onderstaande normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding is
                    tevens een vergoeding voor bouwvoorbereiding opgenomen. Deze vergoeding omvat 8%
                    (bij projecten tot een bruto-vloeroppervlakte van 2500m²) respectievelijk 5%
                    (bij grotere projecten) van het aangegeven normbedrag. Bij de uiteindelijke
                    genormeerde vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening voor
                    (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding wordt de toegekende genormeerde
                    vergoeding voor de kosten van de bouwvoorbereiding in mindering gebracht. Alle
                    in deze bijlage genoemde bedragen zijn incl. BTW.</al><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen voor het jaar 2010 zijn aangepast
                    conform de systematiek en prijsbijstelling en indexering die is opgenomen in
                    hoofdstuk 4, Indexering.</al><al><vet>1 </vet><vet> School voor basisonderwijs </vet>In dit hoofdstuk zijn
                    genormeerde bedragen opgenomen voor: </al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw (paragraaf 1.1);</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding (paragraaf 1.2);</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3);</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf
                            1.4);</al></li><li nr="-"><al>aanpassing (paragraaf 1.5) en</al></li><li nr="-"><al>gymnastiek (paragraaf 1.6).</al></li></lijst><al><vet>1.1 </vet><vet> Nieuwbouw (permanente bouwaard) </vet>De financiële
                    normering voor nieuwbouw valt uiteen in een viertal kostencomponenten, te weten: </al><lijst><li nr="-"><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="-"><al>bouwkosten;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                            bouw;</al></li><li nr="-"><al>alleen voor speciale school voor basisonderwijs; toeslag voor een
                            speellokaal.</al></li></lijst><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een
                    gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen
                    in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard).
                        <cursief>Kosten voor terreinen: </cursief>Er is geen genormeerd
                    bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de gemeente het bouwrijpe
                    terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het juridisch
                    eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te worden
                    aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve van het
                    programma. Ook bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan het,
                    ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten,
                    wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de
                    bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente
                    gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de minimaal benodigde
                    oppervlakte van het terrein wordt verwezen naar bijlage III, deel D. </al><al>In geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude gebouw)
                    behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor
                    terreinen. <cursief>Bouwkosten:</cursief> De bouwkosten omvatten de bouwkosten
                    van het gebouw, alsmede aanleg en inrichting van het schoolterrein. De
                    vergoeding bestaat uit een vast bedrag en een bedrag per groep, waarin
                    inbegrepen een aantal m<sup>2</sup> en een bedrag per m<sup>2</sup> voor de
                    overige m<sup>2</sup>.bvo. </al><al>Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven bruto
                    vloeroppervlakte worden gerealiseerd. </al><al> De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="81*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 350
                                        m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 736.297,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.260,01</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="81*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 670
                                        m<sup>2</sup> bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                                        speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.193.024,30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m<sup>2 </sup>bvo, waarin niet begrepen een
                                        eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.319,40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m<sup>2</sup>
                                        bvo)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 113.196,52</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                    bouw op dezelfde plaats:</tussenkop><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het
                    desbetreffende terrein daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te
                    verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie.</al><al>De genormeerde vergoeding voor deze kosten, zoals hieronder opgenomen, is
                    gebaseerd op een vast bedrag per m<sup>2</sup> bvo, afhankelijk van het type
                    huisvesting dat gesloopt dient te worden.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="80*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw per m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 51,08</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw per m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 35,05</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>1.2 </vet><vet> Uitbreiding (permanente bouwaard) </vet>Voor
                    uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1035 m2 bruto
                    vloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij grotere
                    uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor
                    nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 1.1). <cursief>Kosten voor terrein:
                    </cursief>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen.
                    Indien uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de
                    kosten voor het terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw
                    (paragraaf 1.1). <cursief>Bouwkosten:</cursief>De bouwkosten omvatten
                    de bouwkosten van het gebouw, alsmede extra aanleg en inrichting van een deel
                    van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag
                    per m<sup>2</sup>. Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III
                    aangegeven bruto vloeroppervlakte worden gerealiseerd. </al><al> De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="80*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m<sup>2</sup> bvo of
                                        groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 107.823,50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 60 tot 115 m<sup>2</sup>
                                        bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 71.882,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.436,32</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="80*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m<sup>2</sup> bvo of
                                        groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 110.881,83</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 105
                                        m<sup>2</sup></al></entry><entry colname="col2"><al>€ 73.921,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m<sup>2</sup> bvo, waarin
                                        niet begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.464,95</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                        m<sup>2</sup> bvo) in combinatie met uitbreiding van de
                                        school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 129.269,24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                        m<sup>2</sup> bvo) zonder gelijktijdige uitbreiding van de
                                        school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 237.669,28</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                    bouw op dezelfde plaats:</tussenkop><al>Hiervoor gelden dezelfde bedragen als nieuwbouw (permanente bouwaard). <vet>1.3
                        </vet><vet> Tijdelijke voorziening </vet>De hierna genoemde bedragen
                    zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve van voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen enerzijds
                    nieuwbouw als hoofdlocatie of uitbreiding van een permanente locatie en
                    anderzijds uitbreiding van een voorziening. Daarnaast wordt ingegaan op
                    realisering van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor
                    tijdelijk gebruik bestemd gebouw. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan
                    dat een tijdelijke voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden
                    gerealiseerd. Is dit niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van
                    terrein dezelfde procedure als bij de nieuwbouw (paragraaf 1.1).
                        <cursief>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatie:
                    </cursief>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per
                    m<sup>2</sup>. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor
                    paalfundering, de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen alsmede
                    eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="80*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m<sup>2</sup> bvo of
                                        groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 41.930,87</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m<sup>2</sup>
                                        bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 27.953,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.030,44</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen:
                    </cursief>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per
                    m<sup>2</sup>. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor
                    paalfundering en de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="80*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m<sup>2</sup> bvo of
                                        groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 23.569,74</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m<sup>2</sup>
                                        bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 15.713,15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.079,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen:
                    </cursief>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw
                    ook worden gehuurd. In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een
                    noodlokaal en huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op
                    basis van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke
                    kosten) </al><al><vet>1.4 </vet><vet> Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair
                        </vet><cursief>Basisschool:</cursief>Het bedrag voor eerste
                    inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen bestaat uit een basisbedrag
                    en een bedrag per m<sup>2</sup>. </al><al>De hierna opgenomen bedragen zijn investeringsbedragen per school met een
                    gegeven aantal m<sup>2</sup>. Bij uitbreiding wordt het uit te keren bedrag
                    bepaald aan de hand van het verschil tussen de investeringsbedragen van de
                    school met en zonder uitbreiding. De vergoeding voor een basisschool wordt
                    bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 34.311,60</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het basisbedrag voor elke m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 120,03</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Speciale school voor basisonderwijs: </cursief>De vergoeding
                    voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de
                    volgende bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 72.796,90</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende groep</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 124,18</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een
                    speellokaal van een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt € 6.643,04.
                        <vet>1.5 </vet><vet> Aanpassing </vet>Alle aanpassingen, met
                    uitzondering van de onderwijskundige vernieuwing ten behoeve van het
                    basisonderwijs, worden vergoed op basis van werkelijke kosten </al><al>De vergoeding voor onderwijskundige vernieuwing van een basisschool bedraagt €
                    1.400,00 per vierkante meter bruto- vloeroppervlakte ( prijspeil 1 januari
                    2003).Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd. Het aantal vierkante meters dat
                    voor vergoeding in aanmerking komt wordt bepaald aan de hand van Bijlage III,
                    onderdeel E.</al><al>Bij onderdimensionering van het schoolgebouw wordt 100% van de normvergoeding
                    beschikbaar gesteld en bij overdimensionering 50%.</al><al>Onder overdimensionering wordt de situatie begrepen dat het schoolgebouw te
                    groot is voor het aantal leerlingen dat gehuisvest dient te worden.. </al><tussenkop>1.6 Gymnastiek Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding </tussenkop><tussenkop>Nieuwbouw:</tussenkop><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal voor zowel
                    een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs met een bruto
                    vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 774.034,26 (op het schoolterrein)
                    respectievelijk € 789.690,58 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat
                    tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein.
                    De grondkosten zijn hierin niet begrepen. Indien paalfundering noodzakelijk is,
                    wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. </al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 15.568,86</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21.462,48</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 30.143,12</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Uitbreiding:</cursief>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte
                    wordt in eerste instantie aangesloten bij de vergoeding voor nieuwbouw van een
                    gymnastiekzaal met een bruto vloeroppervlakte van 455 m2. Bij kleine
                    gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van 140 m2 of
                    minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m2. </al><al> Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen voor zowel een
                    basisschool als een speciale school voor basisonderwijs er als volgt uit: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 179.837,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 218.616,96</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt
                    een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt
                    bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="41*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="30*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>112-120m2</al></entry><entry colname="col3"><al>121-150m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 6.969,91</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 8.715,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 12.072,28</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 15.086,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 19.736,85</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 24.671,06</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>OLP/meubilair: </cursief>De vergoeding voor de eerste
                    inrichting met OLP/meubilair voor een gymnastiekzaal bedraagt voor zowel een
                    basisschool als een speciale school voor basisonderwijs € 45.966,89.</al><al><vet>2 </vet><vet> School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </vet> In
                    dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor: </al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw (paragraaf 2.1);</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding (paragraaf 2.2);</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 2.3);</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf 2.4)
                            en</al></li><li nr="-"><al>gymnastiek (paragraaf 2.5).</al></li></lijst><al><vet>2.1 </vet><vet> Nieuwbouw (permanente bouwaard) </vet>De financiële
                    normering valt uiteen in een zestal kostencomponenten, te weten: </al><lijst><li nr="-"><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="-"><al>bouwkosten;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor paalfundering;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het aanbrengen van een liftinstallatie;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor sloopkosten, herstel van terreinen en verhuiskosten bij
                            vervangende bouw.</al></li></lijst><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een
                    gebouw ter vervanging van een ander gebouw en in het geval van nieuwbouw van een
                    nevenvestiging, gelden de bedragen zoals opgenomen in de financiële normering
                    voor uitbreiding (permanente bouwaard). <cursief>Kosten voor terreinen:
                    </cursief>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen,
                    aangezien de gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop)
                    stelt en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een
                    terrein dient te worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden
                    gemaakt ten behoeve van het programma. Bij het beschikbaar stellen van
                    gemeentelijke terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen
                    de gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen
                    zichtbaar te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het terrein wordt
                    aangesloten bij de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van
                    terreinen. Voor de bepaling van de minimale omvang van het terrein wordt
                    verwezen naar bijlage III, deel D. </al><al>In geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude gebouw)
                    behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor
                    terreinen. <cursief>Bouwkosten: </cursief>De bouwkosten omvatten de
                    bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en inrichting van het schoolterrein. </al><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag waarin inbegrepen een aantal
                    m<sup>2</sup> en een bedrag per m<sup>2</sup> voor de overige m<sup>2</sup> bvo.
                    Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven bruto
                    vloeroppervlakte worden gerealiseerd. </al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="77*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 677
                                        m<sup>2 </sup>bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                                        speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.148.092,97</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m<sup>2</sup> bvo, waarin niet begrepen een
                                        eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.311,58</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m<sup>2</sup>
                                        bvo)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 113.196,52</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toeslag voor liftinstallatie:</tussenkop><al>Indien bij nieuwbouw van een school een liftinstallatie wordt aangebracht geldt
                    het volgende vergoedingsbedrag.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="77*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Lift, inclusief aanbrengen schacht</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 111.260,40</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw op
                    dezelfde plaats:</al><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het
                    desbetreffende terrein daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te
                    verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie.</al><al>De genormeerde vergoeding voor deze kosten, zoals hieronder opgenomen, is
                    gebaseerd op een vast bedrag per m<sup>2</sup> bvo, afhankelijk van het type
                    huisvesting dat gesloopt dient te worden.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="77*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw per m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 58,59</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw per m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 29,31</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>2.2 </vet><vet> Uitbreiding (permanente bouwaard) </vet>Voor
                    uitbreiding van de huisvesting in een permanente bouwaard tot 1000 m2 bruto
                    vloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij grotere
                    uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor
                    nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 2.1). Dit geldt ook voor de nieuwbouw
                    van een nevenvestiging. <cursief>Kosten voor terreinen: </cursief>Er
                    is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding van
                    het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het
                    terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 2.1).
                        <cursief>Bouwkosten:</cursief>De bouwkosten omvatten de bouwkosten
                    van het gebouw, alsmede aanleg en inrichting van een deel van het schoolterrein.
                    De vergoeding bestaat uit een startbedrag, een bedrag per m<sup>2</sup>. Met
                    deze vergoedingsbedragen kan de in bijlage III aangegeven bruto vloeroppervlakte
                    worden gerealiseerd. </al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="77*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 96 m<sup>2</sup> bvo of
                                        groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 100.426,04</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 96 m<sup>2</sup>
                                        bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 66.950,70</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m<sup>2</sup> bvo, waarin
                                        niet begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.467,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                        m<sup>2</sup> bvo) in combinatie met uitbreiding van de
                                        school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 113.196,52</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                        m<sup>2</sup> bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van de
                                        school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 237.669,28</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toeslag liftinstallatie</al><al>Indien bij uitbreiding van het gebouw tevens een liftinstallatie wordt
                    aangebracht kan aanspraak worden gemaakt op de volgende vergoeding:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="77*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Lift, incl. aanbrengen schacht</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 133.732,98</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                        bouw op dezelfde plaats</cursief>:Voor deze toeslag
                    gelden dezelfde voorwaarden en bedragen als bij nieuwbouw (permanente
                    bouwaard).</al><al><vet>2.3 Tijdelijke voorziening </vet>De hierna genoemde bedragen zijn
                    afgestemd op de investeringslasten ten behoeve van voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid gemaakt in enerzijds nieuwbouw
                    als hoofdlocatie of uitbreiding van een permanente locatie en anderzijds
                    uitbreiding van een bestaande tijdelijk voorziening. Daarnaast wordt ingegaan op
                    realisering van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor
                    tijdelijke gebruik bestemde voorziening. Wat betreft grondkosten wordt ervan
                    uitgegaan dat een tijdelijke voorziening in principe op het aanwezige terrein
                    kan worden gerealiseerd. Is dit niet het geval dan geldt voor de
                    beschikbaarstelling van terrein dezelfde procedure als bij nieuwbouw (paragraaf
                    2.1). <cursief>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                        hoofdlocatie</cursief><cursief>:</cursief> De vergoeding bestaat uit een
                    startbedrag en een bedrag per m<sup>2</sup>. In deze bedragen zijn begrepen de
                    bouwkosten, de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen alsmede
                    eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen.</al><al>De vergoeding voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt bepaald
                    op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="77*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m<sup>2</sup> bvo of
                                        groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 43.948,12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m<sup>2</sup>
                                        bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 29.698,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.009,60</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen
                    alsmede voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen kan een aparte toeslag
                    worden gegeven. Voor de bedragen wordt verwezen naar de toeslag bij nieuwbouw
                    (paragraaf 2.1).</al><tussenkop>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen:</tussenkop><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m<sup>2</sup>. Deze
                    bedragen zijn begrepen de bouwkosten en de toeslag voor herstel en inrichting
                    van terreinen.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="77*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m<sup>2</sup> bvo of
                                        groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 23.898,76</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m<sup>2</sup>
                                        bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 15.932,50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.067,42</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen
                    alsmede voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen kan een aparte toeslag
                    worden gegeven. Voor de bedragen wordt verwezen naar de toeslag bij nieuwbouw
                    (paragraaf 2.1).</al><tussenkop>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen:</tussenkop><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd.
                    In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al><al><vet>2.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair </vet>Het
                    bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen bestaat
                    uit en basisbedrag en een bedrag per m<sup>2</sup>. De hierna opgenomen bedragen
                    zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m<sup>2</sup>. Bij
                    uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil
                    tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="36*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="43*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col3"><al>Naast het basisbedrag voor elke m<sup>2 </sup> bvo</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 122.655,83</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 214,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-sh</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 111.423,05</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 277,48</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 103.827,20</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 137,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 147.351,47</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 263,35</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-lz</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 93.964,31</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 129,76</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-lg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 110.622,44</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 252,96</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 92.504,91</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 110,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 90.293,68</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 126,54</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 91.091,86</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 137,42</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 112.005,27</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 112,25</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een
                    speellokaal bedraagt € 6.643,04. <vet>2.5 Gymnastiek </vet><vet>Bouwkosten
                        nieuwbouw/uitbreiding </vet><cursief>Nieuwbouw:</cursief></al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 774.034,26 (op het schoolterrein)
                    en € 789.690,58 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat tevens de
                    kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein. De
                    grondkosten zijn hierin niet begrepen. Voor LG-scholen en MG-scholen met een LG-
                    of MLK/ZMLK-component is er een toeslag van 50 m2 (grotere entree en kleed- en
                    doucheruimte). Met deze toeslag is een bedrag gemoeid van </al><al>€ 77.646,93. Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven.
                    Indien extra ruimte voor LG en MG-scholen van 50 m2 beschikbaar is gesteld,
                    geldt een hogere toeslag (tussen haakjes vermeld). </al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="41*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="30*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 15.568,86</al></entry><entry colname="col3"><al>(€ 19.630,11)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21.462,48</al></entry><entry colname="col3"><al>(€ 27.186,18)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 30.143,12</al></entry><entry colname="col3"><al>(€ 39.125,48)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Uitbreiding:</cursief>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte
                    wordt in eerste instantie aangesloten bij de vergoeding voor nieuwbouw van een
                    gymnastiekzaal met een bruto vloeroppervlakte van 455 m2. Bij kleine
                    gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van 140 m2 of
                    minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m2. </al><al>Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen er als volgt uit: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="65*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="35*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 179.837,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 218.616,96</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is,
                    wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. </al><al> De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="41*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="30*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>112-120m2</al></entry><entry colname="col3"><al>121-150m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 6.969,21</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 8.715,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 12.072,28</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 15.086,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 19.736,85</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 24.671,06</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>OLP/meubilair: </cursief>De vergoeding voor de eerste
                    inrichting met OLP/meubilair voor een gymnastiekzaal voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs ziet er als volgt uit: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="59*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="41*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Schoolsoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Bedrag </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 36.655,81</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 36.440,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 44.117,05</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 48.325,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 34.662,27</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 34.662,27</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 34.590,94</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 42.974,73</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 44.096,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 52.459,93</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 53.818,86</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 42.353,75</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 42.353,75</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 37.808,62</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 44.503,59</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 47.707,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 54.439,83</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 55.283,73</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 45.963,73</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 45.963,73</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 38.237,651</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs </vet>De financiële normering voor
                    het voortgezet onderwijs is onderverdeeld in: </al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw/uitbreiding (paragraaf 3.1);</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke voorzieningen (paragraaf 3.2);</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair (paragraaf 3.3);
                            en</al></li><li nr="-"><al>gymnastiek (paragraaf 3.4).</al></li></lijst><al><vet>3.1 Nieuwbouw en uitbreiding </vet>Er bestaat geen onderscheid in de
                    normbedragen tussen nieuwbouw en uitbreiding. Bij uitbreiding vindt veelal ook
                    aanpassing van het bestaande gebouw plaats (zie voor de vaststelling van het
                    bedrag voor de component 'aanpassing' deel B). </al><al>De financiële normering voor nieuwbouw en uitbreiding valt uiteen in een tweetal
                    kostencomponenten: </al><lijst><li nr="-"><al>kosten van terreinen;</al></li><li nr="-"><al>bouwkosten.</al></li></lijst><al><cursief>Kosten van terreinen: </cursief>Er is geen genormeerd bedrag
                    per vierkante meter opgenomen, aangezien de gemeente het terrein om niet
                    beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het juridisch eigendom overdraagt
                    aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te worden aangekocht zullen de
                    kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve van het programma. Bij het
                    beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan het, ten behoeve van de
                    interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de
                    kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de bepaling van de kosten voor
                    het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente gangbare wijze van
                    waardevaststelling van terreinen. <cursief>Bouwkosten:
                    </cursief>Bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief
                    fundering op staal, alsmede de aanleg en inrichting van het schoolterrein. In
                    het bedrag voor de vaste normkosten wordt een tweetal vergoedingen
                    onderscheiden, te weten een vergoeding voor de ruimte afhankelijke kosten en een
                    vergoeding voor de sectie afhankelijke kosten. De ruimte afhankelijke kosten
                    bestaan uit bedragen per m2 bruto vloeroppervlak voor de afzonderlijke
                    ruimtesoorten van een schoolgebouw. De indeling van deze bedragen geschiedt aan
                    de hand van de hoofdindeling van de ruimtelijke normering naar type ruimte zoals
                    opgenomen in Bijlage III, deel B. De sectie afhankelijke kosten bestaan voor
                    projecten vanaf 460 m2 bruto vloeroppervlak uit een vast bedrag per
                    huisvestingsvoorziening, alsmede een vast bedrag per sectie. Voor kleinere
                    projecten worden geen sectie afhankelijke kosten per project toegekend. Deze
                    kosten zijn namelijk opgenomen in de bedragen voor de ruimte afhankelijke kosten
                    per m2 bruto vloeroppervlakte. De bedragen zijn opgenomen in de tabel op de
                    volgende bladzijde met vaste bedragen per m2 bruto vloeroppervlakte en vaste
                    bedragen per voorziening. Voor de berekening van de vergoeding voor de ruimte
                    afhankelijke kosten worden de benodigde aantallen m2 per type ruimte van de
                    goedgekeurde huisvestingsvoorziening, berekend op basis van Bijlage III, Deel C,
                    vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per ruimtesoort. Berekening van de
                    vergoeding voor de sectie afhankelijke kosten geschiedt door optelling van de
                    algemene vaste voet en de vaste voet voor de algemene sectie of de
                    werkplaatssectie, dan wel beide, afhankelijk van de secties waaruit de op basis
                    van Bijlage III goedgekeurde huisvestingsvoorziening bestaat. De vergoeding voor
                    de ruimte afhankelijke kosten en de vergoeding voor de sectie afhankelijke
                    kosten vormen tezamen de totale vergoeding voor de vaste normkosten. </al><al> Bedragen voor ruimte afhankelijke kosten per bruto m2 (in euro) </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="46*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="15*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="21*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>&lt;460m2</al></entry><entry colname="col3"><al>460&lt;2500m2</al></entry><entry colname="col4"><al>&gt;=2500m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>1.900,78</al></entry><entry colname="col3"><al>1.128,05</al></entry><entry colname="col4"><al>1.101,03</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>1.856,51</al></entry><entry colname="col3"><al>1.501,77</al></entry><entry colname="col4"><al>1.501,77</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry colname="col2"><al>2.254,37</al></entry><entry colname="col3"><al>1.899,63</al></entry><entry colname="col4"><al>1.899,63</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Specifieke ruimte: </al><lijst><li nr="-"><al>(uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                            gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie;</al></li><li nr="-"><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                            etaleren.</al></li></lijst><al>Werkplaatsen: </al><lijst><li nr="-"><al>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                            elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal,
                            voertuigentechniek;</al></li><li nr="-"><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li><li nr="-"><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</al></li><li nr="-"><al>landbouw: groen-praktijk;</al></li></lijst><al>De overige ruimte is algemene ruimte. Bedragen voor de sectie afhankelijke
                    kosten per voorziening (in euro) </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="47*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="30*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>&lt; 460 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 460 &lt; 2500 m2</al></entry><entry colname="col3"><al>&gt;= 2500 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet algemeen</al></entry><entry colname="col2"><al>119.934,92</al></entry><entry colname="col3"><al>119.934,92</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet algemene sectie</al></entry><entry colname="col2"><al>235.423,19</al></entry><entry colname="col3"><al>328.704,64</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet werkplaatssectie</al></entry><entry colname="col2"><al>43.530,53</al></entry><entry colname="col3"><al>43.530,53</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Tot de werkplaatssectie behoren de volgende werkplaatsen: bouwtechniek,
                    machinale houtbewerking, consumptieve techniek, meten, elektrotechniek,
                    grafische techniek, installatietechniek, lasserij, mechanische techniek en
                    motorvoertuigentechniek. De specifieke en algemene ruimten behoren tot de
                    algemene sectie. De overige theorie-, theorievak- en (specifieke) vaklokalen en
                    tevens de directie- en nevenruimten behoren tot de categorie algemeen. </al><tussenkop>Aanvullende normkosten</tussenkop><al>Bij de onderbouwing van het bedrag voor de vaste normkosten is uitgegaan van een
                    standaardlocatie. Echter, als gevolg van plaatselijke omstandigheden kunnen
                    extra kosten optreden. Voor een beperkt aantal omstandigheden wordt een
                    aanvullend bedrag beschikbaar gesteld. Dit beperkt zich tot een tweetal
                    aspecten, te weten fundering en bemaling. In de hiervoor genoemde
                    vergoedingsbedragen is uitgegaan van fundering op staal. In veel gevallen zal
                    echter paalfundering noodzakelijk zijn. Het criterium voor toekenning van een
                    bedrag voor (paal)fundering is het op te stellen sonderingsrapport. De
                    vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte en de omvang van de bouw
                    in bruto vloeroppervlakte (A). </al><al>De vergoeding kan worden berekend aan de hand van de volgende formules:
                    Nieuwbouw en uitbreiding &lt; 1000 m2 </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="58*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="24*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1 tot 15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.496,26</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 18,35</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15 tot 20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.722,22</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 31,03</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 20 meter of langer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4.155,73</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 55,53</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Uitbreiding &gt;= 1000 m2 </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="58*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="24*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1 tot 15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4.269,57</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 6,43</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15 tot 20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 5.568,96</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 16,67</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 20 meter of langer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 8.456,92</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 33,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Om in aanmerking te komen voor een aanvullende bedrag voor bemaling is de
                    grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter onder
                    het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m2
                    goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt € 11,91 per m2
                    terrein. <vet>3.2 Tijdelijke voorziening </vet>Het vergoedingsbedrag voor
                    een tijdelijke voorziening in het voortgezet onderwijs is gebaseerd op een
                    vergoedingsformule, afhankelijk van het type voorziening. </al><al>De volgende typen van tijdelijke voorzieningen worden onderscheiden: </al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen;</al></li><li nr="-"><al>huur van tijdelijke lokalen.</al></li></lijst><al><cursief>Nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen </cursief>Het bedrag
                    voor de huisvestingskosten van nieuwbouw en uitbreiding met tijdelijke lokalen
                    wordt vastgesteld aan de hand van de volgende formule: </al><al> € 604,85* A + € 41.584,33 </al><al>A = het toegekende aantal m2 bruto vloeroppervlakte aan tijdelijke huisvesting.
                    Voor de berekening van A wordt verwezen naar bijlage III, deel C. Alle directe
                    en indirecte kosten gemoeid met de realisatie van de voorziening moeten worden
                    bestreden uit het ter beschikking gestelde bedrag. Tot die kosten behoren onder
                    meer het aansluiten van de tijdelijke huisvestingsvoorziening op
                    nutsvoorzieningen, de leges en het geschikt maken van het terrein inclusief
                    fundering voor de te plaatsen tijdelijke huisvestingsvoorziening. <cursief>Huur
                        van tijdelijke lokalen </cursief>Naast aankoop kan een voor
                    tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd. In principe zijn er twee
                    typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur van een bestaand gebouw.
                    Beide soorten huur worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B:
                    vergoeding op basis van feitelijke kosten). <vet>3.3 Eerste inrichting leer- en
                        hulpmiddelen en meubilair </vet>De toekenning van een vergoeding voor
                    eerste inrichting met inventaris (leer- en hulpmiddelen en meubilair) is
                    gekoppeld aan de huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw (niet zijnde vervangende
                    nieuwbouw), uitbreiding en ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming ter
                    vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet eerder
                    van overheidswege is bekostigd. Indien bij uitbreiding wordt verwezen naar
                    medegebruik is toekenning van inventaris slechts van toepassing indien
                    inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte ontbreekt dan wel niet
                    geschikt is. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het type ruimte dat
                    wordt gerealiseerd. Door het verschil te bepalen tussen de aanwezige bruto
                    vloeroppervlakte per ruimtetype en het te realiseren bruto vloeroppervlakte per
                    ruimtetype wordt de hoogte van de vergoeding bepaald aan de hand van de in
                    onderstaande tabel genoemde bedragen. </al><al> Normbedragen inventaris per ruimtetype (in euro) </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="26*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="59*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="15*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Algemene ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>139,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Specifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>(Uiterlijke) verzorging/mode en commercie</al></entry><entry colname="col3"><al>326,19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Handel/verkoop/administratie</al></entry><entry colname="col3"><al>199,54</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col3"><al>267,91</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>Techniek algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>342,21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Consumptief</al></entry><entry colname="col3"><al>662,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Grafische techniek</al></entry><entry colname="col3"><al>1.267,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Landbouw</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Specifieke ruimte: </al><lijst><li nr="-"><al>(uiterlijke)verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                            gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie;</al></li><li nr="-"><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                            etaleren;</al></li><li nr="-"><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken</al></li></lijst><al>Werkplaatsen: </al><lijst><li nr="-"><al>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                            elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal,
                            voertuigentechniek;</al></li><li nr="-"><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li><li nr="-"><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</al></li><li nr="-"><al>landbouw: groen-praktijk;</al></li><li nr="-"><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken.</al></li></lijst><al>De overige ruimte is algemene ruimte. <vet>3.4 Gymnastiek voortgezet onderwijs
                        </vet><cursief>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding </cursief>De
                    vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een bruto
                    vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 746.345,83 (op het schoolterrein)
                    respectievelijk </al><al>€ 761.441,11 (op afzonderlijk terrein). De vergoeding voor de bouwkosten van een
                    gymnastiekzaal omvat alle schaal- en ruimteafhankelijke kosten, alsmede kosten
                    voor de inrichting van het terrein. De kosten voor de aankoop van grond zijn
                    hierin niet begrepen. Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag
                    gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="66*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 15.011,92</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 20.694,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 29.064,82</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Medegebruik/huur van een niet-eigen lokaal </cursief>Naast
                    gymnastiek in een eigen ruimte van de school is er tevens gymnastiek mogelijk in
                    een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik van een
                    gymnastiekaccommodatie van een andere school, de gemeente of een commerciële
                    exploitant. Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie is de school voor
                    voortgezet onderwijs de volgende vergoeding verschuldigd: </al><lijst><li nr="a."><al>Indien de gymnastiekruimte van een andere school voor voortgezet
                            onderwijs wordt gebruikt, wordt het variabele en het vaste deel van het
                            klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Voor de
                            hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele
                            deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</al><al> Indien de gymnastiekruimte van een school voor primair onderwijs wordt
                            gebruikt, wordt in ieder geval het variabele deel van het klokuurbedrag
                            vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Als de gebruiksduur van de
                            gymnastiekruimte vanwege het medegebruik door de VO-school boven de 26
                            klokuren uitkomt, dient de VO-school voor het aantal uren dat boven de
                            26 klokuren ligt ook het vaste deel van het klokuurbedrag te vergoeden.
                        </al></li><li nr="b."><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, is de
                            school voor voortgezet onderwijs de gemeente een bedrag aan
                            exploitatiekosten verschuldigd voor het aantal lesuren gebruik. Voor de
                            hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele
                            deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</al></li><li nr="c."><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt
                            gebruikt, betaalt de school voor voortgezet onderwijs de huurprijs
                            (stichtingskosten en materiële instandhouding). De gemeente betaalt aan
                            de school een stichtingskostenvergoeding als onderdeel van de huur. De
                            hoogte van deze stichtingskostenvergoeding bedraagt het verschil tussen
                            huurbedrag en het vaste en variabele deel van het klokuurbedrag voor het
                            aantal uren gebruik. Voor de hoogte van het klokuurbedrag wordt
                            aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in
                            het primair onderwijs.</al></li></lijst><al>Voor de hoogte van het vaste deel van het klokuurbedrag onder a, b en c wordt
                    het vaste bedrag, zoals genoemd in de beleidsregel voor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs <cursief>en (voortgezet) speciaal onderwijs
                    </cursief>onderdeel 'Vergoeding per klokuur', gedeeld door 26. Vermenigvuldiging
                    van het op deze wijze verkregen bedrag met het aantal uren resulteert in het
                    totale vaste deel van de klokuurvergoeding dat een school voor voortgezet
                    onderwijs moet vergoeden. <cursief>Huur sportvelden
                    </cursief>Gedurende maximaal 8 weken per jaar kan een school aanspraak
                    maken op een vergoeding van de huur van een sportveld. De vergoeding voor deze
                    kosten bedraagt € 18,49 per klokuur. <cursief>Eerste inrichting leer- en
                        hulpmiddelen/meubilair </cursief>In geval van nieuwbouw (als
                    eerste voorziening), uitbreiding en ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming
                    ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet
                    eerder van overheidswege is bekostigd, bestaat aanspraak op vergoeding voor
                    eerste inrichting met leer- en hulpmiddelen/meubilair. Bij de voorzieningen
                    vervangende nieuwbouw en medegebruik bestaat geen aanspraak op eerste inrichting
                    met leer- en hulpmiddelen/meubilair. De vergoeding, afhankelijk van het type
                    toegekende gymnastiekaccommodatie wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="23*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Meubilair</al></entry><entry colname="col3"><al>L.h.m</al></entry><entry colname="col4"><al>Totaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Eerste lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>956,84</al></entry><entry colname="col3"><al>57.058,38</al></entry><entry colname="col4"><al>58.016,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tweede lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>956,84</al></entry><entry colname="col3"><al>44.509,87</al></entry><entry colname="col4"><al>45.466,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Derde lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>956,84</al></entry><entry colname="col3"><al>19.350,81</al></entry><entry colname="col4"><al>20.307,65</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 1</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>12.601,24</al></entry><entry colname="col4"><al>12.601,24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 2</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>1.454,65</al></entry><entry colname="col4"><al>1.454,65</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>4 Indexering </vet>De in deze bijlage genoemde normbedragen zijn
                    afgeleid van het prijspeil van 1 juli 1996. Jaarlijks worden door het college de
                    werkelijke prijsontwikkeling in het afgelopen jaar en de verwachte
                    prijsontwikkeling ten behoeve van het vaststellen van de hoogte van de
                    vergoeding in het jaar van uitvoering van het programma bekendgemaakt. </al><al><vet>Werkelijke prijsontwikkeling </vet>Jaarlijks worden de normbedragen
                    aangepast aan de werkelijke prijsontwikkeling tot 1 juli van het lopende jaar.
                    Om te voorkomen dat elk jaar alle tabellen aangepast zouden moeten worden, wordt
                    jaarlijks na 1 juli het prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt. </al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als prijsbijstellingscijfer
                    aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer 'Nieuwbouwwoningen;
                    outputindex 2000=100 (inclusief BTW)', gepubliceerd in de 'Maandstatistiek
                    bouwnijverheid' van het CBS over het tweede kwartaal van het lopende jaar en het
                    tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar. Voor de voorzieningen
                    onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en de
                    klokuurvergoeding gymnastiek wordt als prijsbijstellingscijfer aangehouden het
                    verschil tussen het CBS-indexcijfer 'Consumentenindex van alle huishoudens’
                    (NR-reeks), gepubliceerd in de 'Maandstatistiek van de prijzen' van het CBS over
                    de maand juli van het lopende jaar en de maand juli van het daaraan voorafgaande
                    jaar. Indien de CBS-ondexcijfers “Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000 = 100”
                    over het tweede kwartaal van het lopend jaar niet (tijdig) beschikbaar zijn,
                    worden de CBS-cijfers over het eerste kwartaal van het lopende én het tweede
                    kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar gehanteerd.</al><al><vet>Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programma </vet>Naast
                    de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het programma wordt
                    vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken van het werkelijk
                    prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma. Dit is noodzakelijk om
                    de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het programma en het moment van
                    vergoeding vast te stellen. </al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als prijsindexcijfer het
                    MEV-cijfer (Macro-economische verkenningen) 'bruto investeringen door bedrijven
                    in woningen', zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september. Voor de
                    voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en
                    de klokuurvergoeding gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het MEV-cijfer
                    'prijsmutatie van de netto-materiële overheidsconsumptie', zoals bekendgemaakt
                    op de derde dinsdag in september. </al><al><vet>5</vet>. <vet>Europese aanbesteding </vet>Voor opdrachten die
                    vallen onder de Europese aanbesteding geldt de richtlijn van de Europese Unie
                    (2004/18/EG) met daarin de volgende bedragen:</al><al>a.193.000 euro excl. BTW voor leveringen en diensten</al><al>b. 4.845.000 euro excl. BTW voor werken.</al></bijlage><bijlage><al>BIJLAGE V</al><al>bij</al><al>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente De Bilt 2011</al><tussenkop>CRITERIA VOOR DE URGENTIE VAN DE AANGEVRAAGDE VOORZIENINGEN</tussenkop><tussenkop>Bijlage V Criteria voor de urgentie van de aangevraagde
                    voorzieningen</tussenkop><tussenkop>1 Volgorde van hoofdprioriteiten</tussenkop><al>Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de
                    criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter
                    samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in volgorde van
                    prioriteit.</al><al>Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit:</al><lijst><li nr="1."><al>voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage
                            III op te heffen;</al></li><li nr="2."><al>voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven
                            i.c. onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs </al></li><li nr="3."><al>voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet
                            gestelde verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor zover deze geen
                            capaciteitsuitbreiding inhouden;</al></li><li nr="4."><al>voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige
                            inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te
                            passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs.</al></li></lijst><tussenkop>Ad 1</tussenkop><al>Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere
                    voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en het
                    inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van
                    toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook vergroting
                    van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening bijvoorbeeld door
                    nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze hoofdprioriteit. Vervangende
                    bouw en ingebruikneming van een gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen
                    vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan
                    capaciteit op te heffen.</al><tussenkop>Ad 2</tussenkop><al>Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een ander
                    gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud in het primair
                    onderwijs, herstel van constructiefouten, herstel of vervanging van schade in
                    bijzondere omstandigheden en de aanpassing ‘vervanging van een oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie’ in het primair onderwijs vormen de tweede
                    hoofdprioriteit.</al><tussenkop>Ad 3</tussenkop><al>Aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs met uitzondering van het
                    (deels) inpandig creëren van lesruimten en vervanging van een oliegestookte
                    verwarming vallen onder </al><al>hoofdprioriteit 3. </al><tussenkop>Ad 4</tussenkop><al>Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen van nieuwe
                    onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de
                    activiteiten van aanpassingen van meer algemene aard en herstel of vervanging
                    van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet spoedeisend is.</al><tussenkop>2 Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de
                    subprioriteiten</tussenkop><al>Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit de
                    nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten, namelijk de
                    hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit bepaald afhankelijk van de functie
                    die een ruimte heeft. Indien meerdere voorzieningen voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking komen, worden de subprioriteiten steeds per voorziening
                    opnieuw toegepast.</al><al>Onder <cursief>lesruimten</cursief> vallen: theorielokalen/leslokalen,
                    vaklokalen/speellokalen en gymnastiekruimten. </al><al>Onder <cursief>niet-lesruimten</cursief> vallen: kabinetten, personeelsruimten
                    en overige nevenruimten binnen het gebouw.</al><al>Onder het begrip <cursief>overige ruimte</cursief> vallen: bergingen,
                    fietsenstallingen en voorzieningen aan het terrein.</al><tussenkop>2.1 Binnen de hoofdprioriteit ‘voorzieningen om capaciteitstekorten als
                    bepaald op basis van bijlage III op te heffen’ komt voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking: </tussenkop><al>a als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                    kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                    schoolgebouwen;</al><al>b vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                    kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van
                    schoolgebouwen en</al><al>c vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                    kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft.</al><tussenkop>2.2 Binnen de hoofdprioriteit ‘voorzieningen noodzakelijk om een adequaat
                    onderhoudsniveau te handhaven’ komt voor plaatsing op het programma in
                    aanmerking: </tussenkop><al>a als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het bouwkundige
                    rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua
                    kwaliteit wordt toegekend;</al><al>b vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal waarbij volgens het
                    bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score
                    qua kwaliteit wordt toegekend;</al><al>c vervolgens die voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte
                    waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder
                    c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al><al>d vervolgens die voorziening aan een niet-lesruimte waarbij volgens het
                    bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score
                    qua kwaliteit wordt toegekend;</al><al>e vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het
                    bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score
                    qua kwaliteit wordt toegekend.</al><tussenkop>2.3 Binnen de hoofdprioriteit ‘voorzieningen noodzakelijk om te voldoen
                    aan bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen waaronder aanpassingen voor
                    zover deze geen capaciteitsuitbreiding betreffen’ komt voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking: </tussenkop><al>a als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan de wet- en
                    regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld
                    in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;</al><al>b vervolgens de voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat niet voldoet aan
                    de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport
                    zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; </al><al>c vervolgens de voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte dat
                    niet voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie
                    volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; </al><al>d vervolgens de voorziening aan een niet-lesruimte die niet voldoet aan de wet-
                    en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals
                    bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; en</al><al>e vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet voldoet aan de wet-
                    en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals
                    bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is.</al><tussenkop>2.4 Binnen de hoofdprioriteit ‘voorzieningen die wenselijk zijn als
                    gevolg van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige </tussenkop><tussenkop> aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het
                    onderwijs’ komt voor plaatsing op het programma in aanmerking: </tussenkop><al>a als eerste de voorziening aanpassing als gevolg van onderwijskundige
                    vernieuwingen aan een gebouw dat aangepast wordt waarbij het aantal groepen
                    leerlingen het hoogst is;</al><al>b vervolgens eerste de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij het
                    percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt het
                    hoogst is;</al><al>c vervolgens de voorziening voor vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimten
                    waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid
                    geldt het hoogst is;</al><al>d vervolgens de voorziening aan niet-lesruimte die als lesruimte in gebruik
                    wordt genomen waarbij het percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig
                    beleid geldt het hoogst is;</al><al>e vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere omstandigheden,
                    waarbij de ernst van de schade het hoogst is; en</al><al>f vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer algemene aard,
                    waarbij de ouderdom van het niet aangepaste gebouw het hoogst is.</al></bijlage><bijlage><al>INHOUDSOPGAVE VERORDENING VOORZIENINGEN HUISVESTING ONDERWIJS DE BILT 2011</al><al>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN blz. 4 </al><al>Artikel 1 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 2 Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</al><al>Artikel 3 Maximale huisvestingscapaciteit</al><al>Artikel 4 Bouwvoorbereiding voorzieningen</al><al>Artikel 5 Vaststelling vergoeding voorzieningen</al><al>Artikel 6 Informatieverstrekking</al><al>HOOFDSTUK 2 PROGRAMMA EN OVERZICHT blz. 7</al><al><vet>Paragraaf 2.1 Aanvragen programma</vet></al><al>Artikel 7 Indiening aanvraag</al><al>Artikel 8 Inhoud aanvraag; gelegenheid tot het aanvullen aanvraag;</al><al> niet behandelen onvolledige aanvraag</al><al>Artikel 9 Opgave indiende aanvragen</al><al><vet>Paragraaf 2.2. Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                        overzicht</vet></al><al>Artikel 10 Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting</al><al>Artikel 11 Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</al><al><vet>Paragraaf 2.3 Vaststelling bedrag, programma en overzicht</vet></al><al>Artikel 12 Tijdstip vaststelling</al><al>Artikel 13 Inhoud programma</al><al>Artikel 14 Inhoud overzicht</al><al>Artikel 15 Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond, </al><al> programma en overzicht </al><al><vet>Paragraaf 2.4 Uitvoering programma</vet></al><al>Artikel 16 Overleg wijze van uitvoering</al><al>Artikel 17 Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                    bekostiging;</al><al> toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden;</al><al> overlegging offertes</al><al>Artikel 18 Aanvang bekostiging</al><al>Artikel 19 Vervallen aanspraak op bekostiging</al><al>HOOFDSTUK 3 AANVRAGEN MET EEN SPOEDEISEND KARAKTER blz. 12</al><al><vet>Paragraaf 3.1 Aanvraag</vet></al><al>Artikel 20 Indiening aanvraag</al><al>Artikel 21 Inhoud aanvraag</al><al><vet>Paragraaf 3.2 Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</vet></al><al>Artikel 22 Tijdstip beslissing</al><al>Artikel 23 Inhoud beslissing</al><al>Artikel 24 Uitvoering beslissing</al><al>Artikel 25 Vervallen aanspraak bekostiging</al><al>HOOFDSTUK 3A AANVRAGEN BUITENGEWONE PROCEDURE blz. 13</al><al><vet>Paragraaf 3a.1 Aanvraag</vet></al><al>Artikel 25a Indiening aanvraag</al><al>Artikel 25b Inhoud aanvraag</al><al><vet>Paragraaf 3a.2 Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</vet></al><al>Artikel 25c Tijdstip beslissing</al><al>Artikel 25d Inhoud beslissing</al><al>Artikel 25e Uitvoering beslissing</al><al>Artikel 25f Vervallen aanspraak bekostiging</al><al>HOOFDSTUK 4 BEKOSTIGING BOUWVOORBEREIDING blz. 15</al><al>Artikel 26 Aanvraag</al><al>Artikel 27 Toelichting en overleg aanvraag</al><al>Artikel 28 Beschikking op aanvraag</al><al>Artikel 29 Vervallen aanspraak bekostiging</al><al>HOOFDSTUK 5 MEDEGEBRUIK EN VERHUUR blz. 16</al><al><vet>Paragraaf 5.1 Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</vet></al><al>Artikel 30 Aanduiding omstandigheden</al><al>Artikel 31 Omschrijving leegstand</al><al>Artikel 32 Nalaten vordering; volgorde van vorderen</al><al>Artikel 33 Overleg en mededeling</al><al>Artikel 34 Vergoeding</al><al><vet>Paragraaf 5.2 Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke</vet></al><al><cursief> of recreatieve doeleinden</cursief></al><al>Artikel 35 Aanduiding omstandigheden</al><al>Artikel 36 Overleg en mededeling</al><al><vet>Paragraaf 5.3 Verhuur</vet></al><al>Artikel 37 Toestemming college</al><al>HOOFDSTUK 6 EINDE GEBRUIK GEBOUWEN EN TERREINEN blz. 18</al><al>Artikel 38 Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</al><al>HOOFDSTUK 7 GEBRUIK EN BEKOSTIGING GYMNASTIEKRUIMTE VOOR BASIS</al><al> EN (VOORTGEZET) SPECIAAL ONDERWIJS blz. 19</al><al>Artikel 39 Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;</al><al> inroostering gebruik</al><al>HOOFDSTUK 8 SLOTBEPALINGEN blz. 20</al><al>Artikel 40 Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                    voorziet</al><al>Artikel 41 Indexering</al><al>Artikel 42 Citeertitel; inwerkingtreding</al><al> BIJLAGE I CRITERIA VOOR BEOORDELING VAN AANGEVRAAGDE VOORZIENINGEN</al><al>BIJLAGE II CRITERIA VOOR OPSTELLING EN TOETSING VAN LEERLINGPROGNOSES</al><al>BIJLAGE III CRITERIA VOOR OPPERVLAKTE EN INDELING</al><al>BIJLAGE IV FINANCIELE NORMERING</al><al>BIJLAGE V CRITERIA VOOR URGENTIE VAN AANGEVRAAGDE VOORZIENINGEN</al></bijlage></regeling></body></cvdr>