<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr owms-version="3.5" cvdr-version="1.0" xp_0:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns:xp_0="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:xsi="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/"><meta><owmskern><dcterms:identifier>95367_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Drenthe</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-05-20</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:alternative>Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer</dcterms:alternative><dcterms:license>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:license><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-10-05</dcterms:issued><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Provinciewet">Provinciewet, </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inrichting%20landelijk%20gebied">Wet Inrichting landelijk gebied, </dcterms:source><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal blad, 2010, 41</dcterms:isFormatOf></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-11-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. x, y-z</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>201001172</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al><intref doc="93006">Programma van Eisen Kwaliteitshandboek natuurbeheeer ten behoeve van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer</intref></al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De volgende onderdelen van deze regeling werken terug tot 1 januari 2010 </al><al>¿ artikel 1.6, tweede lid, onderdeel a</al><al>¿ artikel 1.11</al><al>¿ artikel 3.2</al><al>¿ artikel 4.1.1.2</al><al>¿ artikel 4.1.1.5, derde lid</al><al>¿ artikel 4.1.1.6, eerste lid, onderdeel c</al><al>¿ artikel 4.1.1.10, derde lid</al><al>¿ artikel 4.1.2.2, onderdeel a</al><al>¿ artikel 4.1.2.3, onderdeel d</al><al>¿ artikel 4.1.1.6, eerste lid, onderdeel c</al><al>¿ artikel 4.1.2.1, eerste lid, onderdeel a, onder i</al><al>¿ artikel 4.2.6, onderdeel a</al><al>¿ artikel 5.1.1.2</al><al>¿ artikel 5.1.3.3, eerste lid, onderdeel b</al><al>¿ artikel 7.3</al><al>¿ artikel 10.2</al><al>¿ artikel 12.9, tweede lid, onderdeel c</al><al>¿ bijlage 3, onderdeel B.1, Agrarische beheerpakketten A01.01.01 tot en met A01.01.06</al><al>¿ bijlage 7, onderdeel B en C</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Inhoud en Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Indeling </titel></kop><structuurtekst><al>Subsidieverordening natuur en landschapsbeheer:</al><al>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</al><al>Hoofdstuk 2 Natuurbeheerplan</al><al>Hoofdstuk 3 Natuurbeheer</al><al>Hoofdstuk 4 Agrarisch natuurbeheer</al><al>Paragraaf 4.1 Subsidie agrarisch natuurbeheer</al><al>Afdeling 4.1.1 Algemene bepalingen inzake subsidie agrarisch natuurbeheer</al><al>Afdeling 4.1.2 Bijzondere bepalingen inzake collectief agrarisch natuurbeheer</al><al>Paragraaf 4.2 Probleemgebiedensubsidie</al><al>Hoofdstuk 5 Landschapsbeheer</al><al>Afdeling 5.1.1 Algemene bepalingen inzake subsidie landschapsbeheer</al><al>Afdeling 5.1.2 Subsidie landschapsbeheer binnen natuurterreinen</al><al>Afdeling 5.1.3 Subsidie landschapsbeheer buiten natuurterreinen</al><al>Hoofdstuk 6 Subsidie organisatiekosten</al><al>Hoofdstuk 7 Wijziging en intrekking</al><al>Hoofdstuk 8 Certificering</al><al>Paragraaf 8.1 Certificering</al><al>Paragraaf 8.2 Vervallen</al><al>Hoofdstuk 9 Collectief beheerplan</al><al>Hoofdstuk 10 Verlaging jaarvergoeding en subsidies</al><al>Hoofdstuk 11 Controle</al><al>Hoofdstuk 12 Overgangs- en slotbepalingen</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel></titel></kop></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1.1 (begripsbepalingen) </titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>a. agrarisch beheerpakket: in bijlage 3, onderdeel B, beschreven pakket, bestaande uit instapeisen,</al><al>beheereisen en, voorzover in het betreffende agrarische beheerpakket opgenomen,</al><al>administratieve of aanvullende verplichtingen;</al><al>b. agrarisch beheertype: in bijlage 3, onderdeel A, tweede kolom, opgenomen beschrijving van een</al><al>groep agrarische beheerpakketten die eenzelfde doel hebben;</al><al>c. agrarische natuurvereniging: rechtspersoon die zich krachtens haar statuten richt op de</al><al>ondersteuning en stimulering van agrarisch natuurbeheer;</al><al>d. begunstigde: potentiële subsidieontvanger;</al><al>e. beheereenheid: aaneengesloten oppervlakte landbouwgrond waarop een agrarisch beheerpakket</al><al>wordt of gaat worden uitgevoerd;</al><al>f. beheerjaar: periode van 365 dagen, dan wel van 366 dagen indien binnen die periode de datum</al><al>29 februari valt;</al><al>g. beheerpakket landschap: in bijlage 6, onderdeel B, beschreven pakket, bestaande uit instap- en</al><al>beheereisen;</al><al>h. collectief agrarisch natuurbeheer: agrarisch natuurbeheer waarover op grond van artikel 2.1,</al><al>vierde lid, in het natuurbeheerplan nadere voorschriften zijn opgenomen;</al><al>i. collectief beheerplan: plan inzake de coördinatie en afstemming van collectief agrarisch</al><al>natuurbeheer, opgesteld door een gebiedscoördinator;</al><al>j. gebiedscoördinator: rechtspersoon die collectief agrarisch natuurbeheer coördineert en beschikt</al><al>over een geldig certificaat coördinatie agrarisch natuurbeheer, afgegeven overeenkomstig</al><al>paragraaf 8.1;</al><al>k. gecertificeerde begunstigde: begunstigde als bedoeld in de artikelen 3.3, eerste lid, of 5.1.2.1,</al><al>eerste lid, die beschikt over een overeenkomstig paragraaf 8.1 afgegeven geldig certificaat</al><al>natuurbeheer of certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer;</al><al>l. landbouwactiviteit: activiteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van Verordening (EG) nr.</al><al>73/2009 van de Raad van de Europese Unie van 19 januari 2009 tot vaststelling van</al><al>gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan</al><al>landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van</al><al>bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005,</al><al>(EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003</al><al>(PbEU L 30);</al><al>m. landbouwer: natuurlijke persoon of rechtspersoon die, dan wel een samenwerkingsverband van</al><al>natuurlijke personen of rechtspersonen dat, een landbouwactiviteit uitoefent;</al><al>n. landbouwgrond: binnen de provincie gelegen stuk grond waarop een landbouwactiviteit wordt</al><al>uitgevoerd, niet zijnde gronden als bedoeld in onderdeel t of andere gronden met als hoofdfunctie</al><al>natuur;</al><al>o. landschapsbeheertype: in bijlage 6, onderdeel A.1, eerste kolom, of onderdeel A.2, eerste kolom,</al><al>opgenomen beschrijving van een groep landschapselementen;</al><al>p. landschapselement: in bijlage 6, onderdelen A.1 of A.2, opgenomen onderdeel van het landschap;</al><al>q. minister: de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;</al><al>r. natuurbeheerplan: plan als bedoeld in artikel 2.1;</al><al>s. natuurbeheertype: in bijlage 1, tweede kolom, opgenomen soort natuur zoals nader beschreven in</al><al>de Index Natuur en Landschap;</al><al>t. natuurterrein: binnen de provincie gelegen grond met als hoofdfunctie natuur, die ingevolge artikel</al><al>2.1, tweede lid, onderdeel a, is begrensd, alsmede gronden waarvoor een subsidie</al><al>functieverandering is verstrekt als bedoeld in de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en</al><al>landschap;</al><al>u. peildatum: 15 mei;</al><al>v. plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013: Nederlands plattelandsontwikkelingsprogramma</al><al>als bedoeld in artikel 15 van Verordening (EG) nr. 1698/2005;</al><al>w. probleemgebied: gebied met een natuurlijke handicap als bedoeld in artikel 36, onderdeel a, onder</al><al>ii, van Verordening (EG) nr. 1698/2005, dat als zodanig is aangemerkt in het</al><al>plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013;</al><al>x. probleemgebiedensubsidie: subsidie voor de uitoefening van landbouwactiviteiten op</al><al>landbouwgrond in een probleemgebied;</al><al>y. recreatiepakket: in bijlage 2 beschreven pakket bestaande uit verplichtingen inzake het mogelijk</al><al>maken van recreatief gebruik van natuurterreinen;</al><al>z. subsidie agrarisch natuurbeheer: subsidie voor het uitvoeren van een agrarisch beheerpakket op</al><al>landbouwgrond;</al><al>aa. subsidie landschapsbeheer: subsidie als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, eventueel</al><al>vermeerderd met een vergoeding voor de monitoring van de kwaliteit van binnen een natuurterrein</al><al>gelegen landschapselementen voor zover het een subsidie als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste</al><al>lid, onderdeel a, betreft;</al><al>bb. subsidie natuurbeheer: subsidie voor het instandhouden van een op een natuurterrein aanwezig</al><al>natuurbeheertype, eventueel vermeerderd met een vergoeding voor de instandhouding van het</al><al>recreatiepakket op dat natuurterrein, de monitoring van de kwaliteit van het op dat natuurterrein</al><al>aanwezige natuurbeheertype en de toeslag of toeslagen, bedoeld in artikel 3.8, tweede lid,</al><al>onderdelen a en b;</al><al>cc. subsidie organisatiekosten: subsidie voor de organisatie van activiteiten die zijn gericht op de</al><al>ondersteuning en stimulering van agrarisch natuurbeheer<vet>;</vet></al><al>dd. Verordening (EG) nr. 1698/2005: Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van de Europese</al><al>Unie van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling in het Europees</al><al>Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PbEU L 277);</al><al>ee. Verordening (EG) nr. 1974/2006: Verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Europese Commissie</al><al>van 15 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr.</al><al>1698/2005 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees</al><al>Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PbEU L 368);</al><al>ff. Verordening (EG) nr. 1975/2006: Verordening (EG) nr. 1975/2006 van de Europese Commissie</al><al>van 7 december 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van</al><al>de Raad met betrekking tot de toepassing van controleprocedures en van de randvoorwaarden in</al><al>het kader van de steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling (PbEU L 368).</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.2 (verhouding provinciaal subsidiekader)</titel></kop><al>Op subsidies die worden verstrekt op grond van deze verordening is de Algemene</al><al>subsidieverordening Drenthe 2007 niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.3 (subsidieplafond en openstelling) </titel></kop><al>1. Op grond van deze verordening kan uitsluitend subsidie worden verstrekt als Gedeputeerde</al><al>Staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag hebben opengesteld door vaststelling van</al><al>een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag.</al><al>2. Gedeputeerde Staten kunnen verschillende subsidieplafonds vaststellen voor de verschillende</al><al>subsidies, toeslagen, natuurbeheertypen, agrarische beheertypen, landschapsbeheertypen,</al><al>agrarische beheerpakketten, beheerpakketten landschap, categorieën van begunstigden of</al><al>gebieden.</al><al>3. Onverminderd het tweede lid stellen Gedeputeerde Staten in elk geval een afzonderlijk</al><al>subsidieplafond vast ten behoeve van aanvragen tot verlening van een subsidie agrarisch</al><al>natuurbeheer in het kader van collectief agrarisch natuurbeheer.</al><al>4. Gedeputeerde Staten maken uiterlijk zes weken voor aanvang van de openstellingsperiode een</al><al>besluit als bedoeld in dit artikel bekend in het Provinciaal Blad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.4 (rangschikking: volgorde van ontvangst) </titel></kop><al>1. Gedeputeerde Staten rangschikken aanvragen tot subsidieverlening die in eenzelfde</al><al>openstellingsperiode zijn ingediend per subsidieplafond in volgorde van ontvangst, waarbij</al><al>aanvragen met dezelfde ontvangstdatum worden gerangschikt door loting voor zover op die</al><al>datum het subsidieplafond wordt overschreden.</al><al>2. Volgens de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, komt de hoogst gerangschikte aanvraag het</al><al>eerst voor subsidie in aanmerking.</al><al>3. Als een aanvraag naar het oordeel van Gedeputeerde Staten onvolledig is, wordt de aanvraag</al><al>voor de toepassing van het eerste lid geacht te zijn ontvangen op de datum die wordt bepaald</al><al>door de datum waarop de onvolledige aanvraag is ingediend te vermeerderen met de periode,</al><al>gelegen tussen de dag dat de begunstigde op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet</al><al>bestuursrecht op de hoogte is gesteld van de onvolledigheid van de aanvraag en de dag waarop</al><al>Gedeputeerde Staten de ontbrekende gegevens en bescheiden hebben ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.5 (indiening aanvraag) </titel></kop><al>1. Aanvragen tot subsidieverlening, wijziging of intrekking van een subsidieverlening,</al><al>subsidievaststelling, ontheffing van subsidieverplichtingen, voorschotverlening of goedkeuring</al><al>worden ingediend met gebruikmaking van een daartoe door of vanwege Gedeputeerde Staten</al><al>vastgesteld formulier.</al><al>2. Door of namens Gedeputeerde Staten kan een aanvraagformulier worden vastgesteld ten</al><al>behoeve van aanvragen tot certificering als bedoeld in artikel 8.1.1, eerste lid.</al><al>3. Gedeputeerde Staten kunnen:</al><al>a. nadere eisen stellen aan de elektronische indiening van een aanvraag als bedoeld in het</al><al>eerste lid;</al><al>b. nadere technische specificaties vaststellen waaraan de kaarten moeten voldoen die</al><al>overeenkomstig de onderhavige verordening bij de aanvraag gevoegd dienen te worden.</al><al>4. Als een aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde, gaat de aanvraag vergezeld van een</al><al>bewijs van machtiging.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.6 (beslistermijn) </titel></kop><al>1. Gedeputeerde Staten beslissen binnen tien weken op een aanvraag. De beslissing kan éénmaal</al><al>met ten hoogste tien weken worden verdaagd.</al><al>2. In afwijking van het eerste lid beslissen Gedeputeerde Staten:</al><al>a. binnen tien weken na afloop van een kalender- onderscheidenlijk beheerjaar op</al><al>aanvragen als bedoeld in de artikelen 4.1.1.6, tweede lid, 4.1.2.4, 4.2.4, 5.1.3.3, tweede</al><al>lid, en 7.3, waarbij de beslissing éénmaal met ten hoogste tien weken kan worden</al><al>verdaagd;</al><al>b. uiterlijk op 15 maart op aanvragen als bedoeld in artikel 9.1;</al><al>c. niet eerder op aanvragen als bedoeld in artikel 8.1.1 dan de dag waarop de begunstigde</al><al>voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 8.1.3.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.7 (bewaren subsidiedocumenten) </titel></kop><al>Een ontvanger van een subsidie bewaart alle documenten inzake een door hem op grond van deze</al><al>verordening verstrekte subsidie gedurende een periode van ten minste vijf jaar nadat de betreffende</al><al>subsidie geheel is vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.8 (minimale hoogte subsidie)</titel></kop><al>1. Geen subsidie wordt toegekend als het jaarlijks te betalen voorschot dat op grond van de</al><al>betreffende aanvraag zou kunnen worden verstrekt minder dan €200,- bedraagt.</al><al>2. Het eerste lid is niet van toepassing op probleemgebiedensubsidies.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.9 (uitsluitingen begunstigden)</titel></kop><al>1. Een subsidie ingevolge deze verordening wordt niet verstrekt aan:</al><al>a. publiekrechtelijke rechtspersonen;</al><al>b. rechtspersonen die waterwinning als doelstelling hebben;</al><al>c. privaatrechtelijke rechtspersonen die kennelijk zijn opgericht ten behoeve van het beheer</al><al>van grond of water, waarvan de eigendom geheel of gedeeltelijk berust bij de</al><al>rechtspersonen, bedoeld in de onderdelen a en b;</al><al>d. begunstigden ter voldoening aan verplichtingen die op grond van enig ander wettelijk</al><al>voorschrift zijn voorgeschreven.</al><al>2. Een subsidie natuurbeheer ingevolge deze verordening wordt niet verstrekt aan begunstigden die</al><al>het natuurterrein, anders dan als gevolg van een inrichtingsplan als bedoeld in de Wet inrichting</al><al>landelijk gebied, hebben verkregen van een gemeente, een samenwerkingsverband als bedoeld</al><al>in de Wet gemeenschappelijke regelingen waaraan in meerderheid gemeenten deelnemen, het</al><al>Rijksvastgoed- en ontwikkelbedrijf van het ministerie van Financiën, een waterschap of een</al><al>waterleidingsmaatschappij.</al><al>3. In afwijking van het eerste en tweede lid, en behoudens het bepaalde in het vierde en vijfde lid,</al><al>kan een subsidie natuurbeheer ingevolge deze verordening worden verstrekt aan gemeenten,</al><al>samenwerkingsverbanden als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen waaraan in</al><al>meerderheid gemeenten deelnemen, of begunstigden als bedoeld in het tweede lid, voor zover dit</al><al>in overeenstemming is met de kaart, bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, en de toepasselijke</al><al>bepalingen van de onderhavige verordening.</al><al>4. Gemeenten en samenwerkingsverbanden als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen</al><al>waaraan in meerderheid gemeenten deelnemen komen slechts in aanmerking voor een subsidie</al><al>natuurbeheer voor zover dezen voor het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd:</al><al>a. subsidie ontvangen op basis van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de minister</al><al>of de Subsidieregeling natuurbeheer Drenthe, waarbij</al><al>b. de periode waarvoor de in onderdeel a bedoelde subsidie wordt verstrekt op of na 31</al><al>december 2010 eindigt, én</al><al>c. de subsidie natuurbeheer die op grond van de onderhavige verordening kan worden</al><al>verstrekt niet later ingaat dan 1 januari van het kalenderjaar, volgend op het jaar waarin</al><al>de in onderdeel a bedoelde subsidie eindigt.</al><al>5. Een subsidie natuurbeheer die aan begunstigden als bedoeld in het vierde lid wordt verstrekt kan</al><al>niet vermeerderd worden met de in artikel 1.1, onderdeel bb, bedoelde vergoeding voor de</al><al>instandhouding van het recreatiepakket.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.10 (anti-cumulatie) </titel></kop><al>Als voor de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd subsidie is verstrekt door Gedeputeerde</al><al>Staten op grond van een andere regeling of door andere overheden, waardoor het totaal aan subsidie</al><al>voor de betreffende activiteit meer bedraagt dan:</al><al>a. de werkelijke kosten die de activiteiten met zich brengen;</al><al>b. de maximale vergoeding die op grond van Europese voorschriften mag worden gegeven, of</al><al>c. de maximale vergoeding die op grond van het plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013</al><al>mag worden gegeven,</al><al>wordt de subsidie op grond van deze verordening zoveel lager verstrekt als noodzakelijk is om</al><al>betaling boven de werkelijke kosten dan wel de hiervoor bedoelde maxima te voorkomen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.11 (communautaire richtsnoeren voor staatssteun) </titel></kop><al>1. Subsidies als bedoeld in:</al><al>a. hoofdstuk 3;</al><al>b. paragraaf 4.1, voor zover de subsidie wordt verstrekt voor de uitvoering van één of</al><al>meerdere agrarische beheerpakketten als bedoeld in bijlage 3, onderdeel B.2;</al><al>c. afdeling 5.1.2;</al><al>d. afdeling 5.1.3, voor zover de subsidie wordt verstrekt voor de uitvoering van één of</al><al>meerdere beheerpakketten landschap als bedoeld in bijlage 6, onderdeel B.2, en</al><al>e. hoofdstuk 6</al><al>worden slechts verstrekt voor zover die verstrekking geschiedt in overeenstemming met punt 16,</al><al>vierde alinea, van de Communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de</al><al>bosbouwsector 2007-2013 (Pb 2006/C 319/01).</al><al>2. Aanvragen voor subsidies als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en d, kunnen niet worden</al><al>ingediend na 31 oktober 2013.</al><al>3. Aanvragen voor subsidies als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, c en e, kunnen niet worden</al><al>ingediend na 31 oktober 2017.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Natuurbeheerplan en Hoofdstuk 3 Natuurbeheer</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk 2 Natuurbeheerplan</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.1 (natuurbeheerplan)</titel></kop><al>1. Gedeputeerde Staten stellen een natuurbeheerplan vast.</al><al>2. In het natuurbeheerplan is in elk geval een kaart met een topografische ondergrond van ten</al><al>hoogste 1:10.000 opgenomen, waarop is aangeduid:</al><al>a. voor welke natuurterreinen een subsidie natuurbeheer kan worden verstrekt en welk</al><al>natuurbeheertype op deze natuurterreinen in stand kan worden gehouden;</al><al>b. voor welke landbouwgronden een subsidie agrarisch natuurbeheer kan worden verstrekt en</al><al>tot welke agrarische beheertypen het op die landbouwgrond uit te voeren agrarische</al><al>beheerpakket dient te behoren;</al><al>c. voor welke landschapsbeheertypen, landschapselementen of beheerpakketten landschap op</al><al>welke lokatie een subsidie landschapsbeheer kan worden verstrekt, met dien verstande dat</al><al>ten aanzien van beheerpakketten landschap ook gebieden aangeduid kunnen worden</al><al>waarbinnen een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1., eerste lid,</al><al>onderdeel b, kan worden verstrekt;</al><al>d. voor welke landbouwgronden een probleemgebiedensubsidie kan worden verstrekt;</al><al>3. In het natuurbeheerplan kan tevens worden bepaald:</al><al>a. voor welke natuurterreinen, aangewezen overeenkomstig het tweede lid, onderdeel a,</al><al>subsidieontvangers om de in artikel 3.6, vierde lid, onderdeel a, genoemde reden zijn</al><al>vrijgesteld van de verplichting, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel f;</al><al>b. voor welke natuurterreinen de toeslagen, bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, kunnen worden</al><al>verstrekt;</al><al>c. voor welke landbouwgronden of andere gronden met het oog op natuurontwikkeling</al><al>verwerving als bedoeld in paragraaf 2.3 van de Regeling inrichting landelijk gebied van de</al><al>minister:</al><al>i. uitsluitend wordt nagestreefd ten behoeve van Staatsbosbeheer of instellingen als</al><al>bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Regeling subsidies particuliere</al><al>terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties van de minister, zoals dat artikel</al><al>tot 1 januari 2008 luidde;</al><al>ii. uitsluitend of mede wordt nagestreefd ten behoeve van anderen dan de instellingen of</al><al>organisaties, bedoeld onder i.</al><al>d. voor welke landbouwgronden een probleemgebiedensubsidie als bedoeld in artikel 4.2.10 kan</al><al>worden verstrekt.</al><al>4. In het natuurbeheerplan kan in het kader van collectief agrarisch natuurbeheer tevens worden</al><al>bepaald:</al><al>a. dat voor het uitvoeren van één of meerdere agrarische beheerpakketten binnen een in het</al><al>natuurbeheerplan begrensd gebied alleen subsidie kan worden verstrekt als binnen dat</al><al>gebied voor ten minste een bepaald aantal hectares subsidie voor die agrarische</al><al>beheerpakketten wordt verstrekt;</al><al>b. welke agrarische beheerpakketten binnen het op grond van onderdeel a vastgestelde gebied</al><al>moeten voorkomen en in welke verhouding die verschillende agrarische beheerpakketten</al><al>aanwezig moeten zijn.</al><al>5. In gebieden die door Gedeputeerde Staten op basis van het vierde lid zijn begrensd kunnen geen</al><al>aanvragen worden ingediend voor het uitvoeren van de overeenkomstig dat lid aangewezen</al><al>agrarische beheerpakketten op landbouwgronden voor zover die landbouwgronden niet zijn</al><al>opgenomen in de aanvraag, bedoeld in artikel 9.1.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk 3 Natuurbeheer</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.1 (grondslag subsidie)</titel></kop><al>1. Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag een subsidie natuurbeheer verstrekken.</al><al>2. Gedeputeerde Staten kunnen een subsidie natuurbeheer verhogen met een vergoeding voor:</al><al>a. de instandhouding van het recreatiepakket op een natuurterrein;</al><al>b. de monitoring van de kwaliteit van het op een natuurterrein aanwezige natuurbeheertype.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2 (duur subsidie)</titel></kop><al>Een subsidie natuurbeheer wordt verstrekt voor een periode van zes aaneengesloten kalenderjaren,</al><al>of zoveel langer als op grond van artikel 12.4 vereist is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.3 (begunstigden)</titel></kop><al>1. Een subsidie natuurbeheer kan worden verstrekt aan:</al><al>a. een natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij aanvang van de periode waarvoor subsidie</al><al>wordt verstrekt zeggenschap heeft over het te voeren beheer van het natuurterrein waarvoor</al><al>subsidie wordt aangevraagd, krachtens:</al><al>i. eigendom;</al><al>ii. erfpacht;</al><al>iii. recht van beklemming;</al><al>iv. artikel 45 van de Wet inrichting landelijk gebied, of</al><al>v. een plan van tijdelijk gebruik als bedoeld in artikel 189 van de Landinrichtingswet</al><al>zoals die wet tot 1 januari 2007 gold,</al><al>en voorts gedurende de zes aaneengesloten kalenderjaren waarvoor de subsidie wordt</al><al>verleend ten minste op de peildatum van ieder kalenderjaar die zeggenschap heeft;</al><al>b. rechtspersoonlijkheid bezittende samenwerkingsverbanden van natuurlijke personen of</al><al>rechtspersonen als bedoeld in onderdeel a.</al><al>2. Als een in het eerste lid, onderdeel a, onder i. tot en met v. bedoelde titel is belast met of is</al><al>afgeleid van een ander recht, kan slechts subsidie worden verstrekt voor zover dat andere recht</al><al>geen afbreuk doet aan de zeggenschap over het te voeren beheer van het natuurterrein.</al><al>3. In afwijking van het eerste lid kan het onderdeel van de subsidie natuurbeheer dat ziet op de</al><al>monitoring van de kwaliteit van een op een natuurterrein aanwezig natuurbeheertype alleen</al><al>worden verstrekt aan gecertificeerde begunstigden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.4 (aanvraag subsidie)</titel></kop><al>1. Een aanvraag tot verlening van een subsidie natuurbeheer gaat vergezeld van één of meerdere</al><al>kaarten met een topografische ondergrond, waarop per natuurbeheertype:</al><al>a. de grenzen van de natuurterreinen waarvoor subsidie wordt aangevraagd zijn aangegeven, én</al><al>b. die natuurterreinen zijn genummerd, waarbij met één nummer één aaneengesloten</al><al>natuurterrein wordt aangeduid.</al><al>2. Als een aanvraag tot verlening van een subsidie natuurbeheer tevens een aanvraag tot</al><al>subsidieverlening ten behoeve van de uitvoering van het recreatiepakket omvat, en de begrenzing</al><al>van het natuurterrein waarop dat pakket wordt uitgevoerd afwijkt van de begrenzing van het</al><al>natuurterrein waarvoor ingevolge het eerste lid subsidie wordt aangevraagd, zijn op de in het</al><al>eerste lid bedoelde kaart tevens deze afwijkende grenzen aangegeven.</al><al>3. In afwijking van het eerste en tweede lid gaat een aanvraag tot verlening van een subsidie</al><al>natuurbeheer van een gecertificeerde begunstigde vergezeld van:</al><al>a. een lijst van oppervlaktes per natuurbeheertype waarvoor de subsidie wordt</al><al>aangevraagd;</al><al>b. de totale oppervlakte waarvoor de gecertificeerde begunstigde een vergoeding wil ontvangen</al><al>voor de uitvoering van het recreatiepakket;</al><al>c. een lijst van oppervlaktes per natuurbeheertype waarvoor de gecertificeerde begunstigde een</al><al>vergoeding wil ontvangen voor het verrichten van activiteiten op het gebied van monitoring</al><al>van de kwaliteit van het op dat natuurterrein aanwezige natuurbeheertype, én</al><al>d. één of meerdere elektronische kaarten met een topografische ondergrond, met daarop de</al><al>buitengrenzen van de natuurterreinen waarvoor in het kader van de subsidie natuurbeheer</al><al>een vergoeding wordt aangevraagd ten behoeve van:</al><al>i. de instandhouding van één of meerdere natuurbeheertypen, én</al><al>ii. het uitvoeren van het recreatiepakket.</al><al>4. De oppervlaktes, bedoeld in het derde lid, onderdelen b en c, kunnen niet groter zijn dan de som</al><al>van de oppervlaktes, bedoeld in het derde lid, onderdeel a.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.5 (voorwaarden voor deelname)</titel></kop><al>1. Een subsidie natuurbeheer kan worden verstrekt:</al><al>a. als het natuurbeheerplan, zoals dat zes weken voor de openstelling van de betreffende</al><al>subsidie gold, voorziet in de verstrekking van de betreffende subsidie voor het betreffende</al><al>natuurterrein, én</al><al>b. voor zover de begunstigde in het jaar voorafgaande aan de aanvraag tot subsidieverlening</al><al>niet met opzet:</al><al>i. een onjuiste aanvraag op grond van de onderhavige verordening heeft ingediend</al><al>ter verkrijging van een subsidie natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer</al><al>als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a;</al><al>ii. een onjuiste aanvraag heeft ingediend ter verkrijging van een subsidie op grond</al><al>van de Subsidieregeling natuurbeheer Drenthe of de equivalente Subsidieregeling</al><al>natuurbeheer van een andere provincie, óf</al><al>iii. de subsidieverplichtingen heeft geschonden die zijn verbonden aan de onder i. en</al><al>ii. bedoelde subsidies.</al><al>2. Een subsidie natuurbeheer wordt niet verstrekt voor een op een natuurterrein aanwezig</al><al>natuurbeheertype als ten aanzien van dat natuurterrein nog verplichtingen van toepassing zijn op</al><al>grond van:</al><al>a. de Subsidieregeling natuurbeheer Drenthe;</al><al>b. de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de minister;</al><al>c. de Regeling stimulering bosuitbreiding op landbouwgronden, of</al><al>d. de Beschikking ter zake van het uit productie nemen van bouwland.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.6 (subsidieverplichtingen)</titel></kop><al>1. Een ontvanger van een subsidie natuurbeheer:</al><al>a. draagt er zorg voor dat alle beheeractiviteiten worden verricht die noodzakelijk zijn voor</al><al>de instandhouding van het op het natuurterrein aanwezige natuurbeheertype, en dat geen</al><al>handelingen worden verricht of gedoogd die afbreuk doen aan de instandhouding</al><al>daarvan;</al><al>b. draagt er zorg voor dat, voorzover voor het natuurterrein of deel daarvan subsidie wordt</al><al>verstrekt voor de uitvoering van het recreatiepakket, wordt voldaan aan bijlage 2;</al><al>c. draagt er zorg voor dat, voor zover de toeslag, bedoeld in artikel 3.8, tweede lid,</al><al>onderdeel b, wordt verstrekt, wordt voldaan aan bijlage 7, onderdeel A;</al><al>d. draagt er zorg voor dat, voor zover subsidie wordt verstrekt voor de monitoring van de</al><al>kwaliteit van een op een natuurterrein aanwezig natuurbeheertype, deze monitoring wordt</al><al>verricht overeenkomstig door Gedeputeerde Staten nader vast te stellen voorschriften;</al><al>e. draagt er zorg voor dat door of vanwege Gedeputeerde Staten</al><al>monitoringswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd op het natuurterrein waarvoor</al><al>subsidie wordt verstrekt;</al><al>f. draagt er zorg voor dat het natuurterrein ten minste 358 dagen per jaar kosteloos wordt</al><al>opengesteld en toegankelijk blijft;</al><al>g. draagt er zorg voor dat op verzoek van Gedeputeerde Staten inzage wordt gegeven in het</al><al>uitgevoerde dan wel uit te voeren beheer ten behoeve van de instandhouding van het op</al><al>het natuurterrein aanwezige natuurbeheertype;</al><al>h. meldt aan Gedeputeerde Staten de omstandigheden als gevolg waarvan hij redelijkerwijs</al><al>niet kan voldoen aan één of meerdere subsidieverplichtingen, en doet dit binnen tien</al><al>werkdagen nadat hij redelijkerwijs op de hoogte kan zijn van die omstandigheden;</al><al>i. meldt aan Gedeputeerde Staten de datum waarop weer aan de subsidieverplichtingen</al><al>kan worden voldaan, en doet dit binnen tien werkdagen na de betreffende datum, én</al><al>j. draagt er zorg voor dat een toezichthouder als bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene</al><al>wet bestuursrecht niet wordt verhinderd toezicht te houden op de naleving van de</al><al>subsidieverplichtingen.</al><al>2. In afwijking van het eerste lid, onderdelen h en i, kan een subsidieontvanger die tevens</al><al>gecertificeerde begunstigde is, éénmaal per kalenderjaar maar uiterlijk op 31 oktober bij</al><al>Gedeputeerde Staten melden ten aanzien van welke natuurterreinen niet voldaan wordt aan één</al><al>of meerdere subsidieverplichtingen.</al><al>3. Een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel b, dat het beheer laat</al><al>uitvoeren door één of meerdere natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in artikel 3.3,</al><al>eerste lid, onderdeel a, komt gedurende de zes kalenderjaren met elk van deze natuurlijke</al><al>personen of rechtspersonen, voor zover deze op de peildatum van één of meerdere van die</al><al>kalenderjaren de zeggenschap hebben over het beheer, schriftelijk overeen dat:</al><al>a. de natuurlijke persoon of rechtspersoon de verplichtingen naleeft als bedoeld in het eerste</al><al>lid, onderdelen a tot en met c, e tot en met g en j;</al><al>b. de subsidieontvanger aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon een vergoeding betaalt</al><al>voor de door hem of haar nageleefde verplichtingen als bedoeld in het eerste lid,</al><al>onderdelen a tot en met c en f;</al><al>c. de natuurlijke persoon of rechtspersoon garant staat voor het terugbetalen van de in</al><al>onderdeel b bedoelde vergoeding, als Gedeputeerde Staten de subsidie lager vaststellen</al><al>of geheel of gedeeltelijk wijzigen dan wel intrekken.</al><al>4. Als:</al><al>a. gehele of gedeeltelijke sluiting van het natuurterrein noodzakelijk is ter voldoening aan de</al><al>bij of krachtens de Flora- en faunawet gestelde regels voor soortenbescherming of de</al><al>krachtens de artikelen 10, 10a, 19, 19a en 21 van de Natuurbeschermingswet 1998 voor</al><al>beschermde natuurmonumenten of Natura-2000-gebieden vastgestelde</al><al>instandhoudingsdoelstellingen en toegangsbeperkingen;</al><al>b. het natuurterrein door buiten de macht van de subsidieontvanger gelegen oorzaken</al><al>blijvend geheel of gedeeltelijk niet bereikbaar of naar zijn aard niet begaanbaar is, óf</al><al>c. sluiting van ten hoogste één hectare van het natuurterrein wenselijk is vanwege de</al><al>bescherming van de persoonlijke levenssfeer,</al><al>is de ontvanger van een subsidie natuurbeheer voor dat betreffende gedeelte van het</al><al>natuurterrein vrijgesteld van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f.</al><al>5. Een ontvanger van een subsidie natuurbeheer, niet zijnde een subsidieontvanger die</al><al>tevens gecertificeerde begunstigde is, stelt Gedeputeerde Staten binnen tien werkdagen na een</al><al>sluiting op grond van het vierde lid daarvan op de hoogte. Deze verplichting geldt niet voor zover</al><al>het een natuurterrein betreft dat in het natuurbeheerplan is aangewezen overeenkomstig artikel</al><al>2.1, derde lid, onderdeel a.</al><al>6. Een ontvanger van een subsidie natuurbeheer kan een aanvraag indienen tot ontheffing van de</al><al>verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, als hij daarvan om andere redenen dan</al><al>genoemd in het vierde lid wenst te worden ontheven.</al><al>7. Een melding als bedoeld in het vijfde lid en een aanvraag als bedoeld in het zesde lid gaat</al><al>vergezeld van een kaart met een topografische ondergrond waarop het niet-opengestelde deel</al><al>van het natuurterrein is aangegeven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.7 (hoogte subsidie)</titel></kop><al>1. Een subsidie natuurbeheer bestaat uit de som van zes jaarvergoedingen, elk behorend bij één</al><al>van de zes kalenderjaren waarvoor de subsidie wordt verstrekt.</al><al>2. Een jaarvergoeding is het product van het tarief zoals dat voor het eerste kalenderjaar van de in</al><al>artikel 3.2 bedoelde periode op grond van artikel 3.8, eerste lid, onderdeel a, voor het</al><al>desbetreffende natuurbeheertype is vastgesteld, en het aantal hectares waarvoor voor dat</al><al>betreffende natuurbeheertype subsidie wordt verstrekt, eventueel vermeerderd met:</al><al>a. het product van het tarief zoals dat voor het eerste kalenderjaar van de in artikel 3.2</al><al>bedoelde periode op grond van artikel 3.8, eerste lid, onderdeel b, voor het</al><al>recreatiepakket is vastgesteld, en het aantal hectares waarop dat pakket wordt</al><al>uitgevoerd;</al><al>b. het product van het tarief, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onderdeel c, en het aantal</al><al>hectares waarop in het kader van de subsidie natuurbeheer monitoringswerkzaamheden</al><al>worden uitgevoerd, én</al><al>c. het product van het tarief, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onderdeel d, en het aantal</al><al>hectares waarvoor de toeslagen, bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, onderdelen a en b,</al><al>worden verstrekt.</al><al>3. Na afloop van elk van de eerste vijf kalenderjaren:</al><al>a. beslissen Gedeputeerde Staten binnen tien weken ambtshalve omtrent de hoogte van de</al><al>jaarvergoeding die bij het betreffende kalenderjaar behoort, waarbij die beslissing</al><al>éénmaal met ten hoogste tien weken verdaagd kan worden, én</al><al>b. keren zij de aldus bepaalde jaarvergoeding, binnen zes weken nadat de in onderdeel a</al><al>bedoelde beslissing op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, als voorschot uit</al><al>aan:</al><al>i. de natuurlijke persoon of rechtspersoon die op de peildatum van het kalenderjaar</al><al>waarop de jaarvergoeding betrekking heeft, beschikt over een in artikel 3.3, eerste</al><al>lid, onder i. tot en met v. bedoelde titel, een en ander gelezen in samenhang met</al><al>de artikelen 3.3, tweede lid, en 7.3, eerste lid, óf</al><al>ii. het in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel b, bedoelde samenwerkingsverband, indien</al><al>de aanvraag tot subsidieverlening door dat samenwerkingsverband is ingediend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.8 (hoogte tarief per kalenderjaar)</titel></kop><al>1. Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks voor met ingang van het komende kalenderjaar te verlenen</al><al>subsidies natuurbeheer vast:</al><al>a. de tarieven voor de verschillende natuurbeheertypen, uitgedrukt in een bedrag per</al><al>hectare;</al><al>b. het tarief voor het recreatiepakket, uitgedrukt in een bedrag per hectare;</al><al>c. de tarieven voor de monitoring van de kwaliteit van de verschillende natuurbeheertypen,</al><al>uitgedrukt in een bedrag per hectare, én</al><al>d. de tarieven voor de toeslagen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, uitgedrukt in</al><al>een bedrag per hectare.</al><al>2. Gedeputeerde Staten kunnen een subsidie natuurbeheer:</al><al>a. verhogen met een toeslag voor de instandhouding van een natuurbeheertype op een</al><al>natuurterrein dat enkel varend kan worden bereikt;</al><al>b. op aanvraag verhogen met een toeslag als ten behoeve van de instandhouding van een</al><al>op een natuurterrein aanwezig natuurbeheertype gebruik wordt gemaakt van</al><al>schaapskuddes, mits die aanvraag gelijktijdig wordt ingediend met de aanvraag tot</al><al>verlening van een subsidie natuurbeheer voor de instandhouding van het hiervoor</al><al>bedoelde natuurbeheertype op het hiervoor bedoelde natuurterrein.</al><al>3. De toeslagen, bedoeld in het tweede lid, kunnen slechts worden verstrekt voor zover</al><al>Gedeputeerde Staten dit overeenkomstig artikel 2.1, derde lid, onderdeel b, in het</al><al>natuurbeheerplan hebben bepaald;</al><al>4. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk zes weken voorafgaande aan de</al><al>openstellingsperiode mededeling gedaan door plaatsing in het Provinciaal Blad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.9 (beschikking tot subsidieverlening)</titel></kop><al>Een beschikking tot verlening van een subsidie natuurbeheer vermeldt in elk geval:</al><al>a. het natuurbeheertype waarvoor subsidie wordt verleend;</al><al>b. de hoogte van de subsidie;</al><al>c. dat Gedeputeerde Staten gedurende de periode waarvoor de subsidie wordt verstrekt een</al><al>nadere uitwerking kunnen geven van de in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel a, bedoelde</al><al>beheeractiviteiten die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van het natuurbeheertype,</al><al>en in voorkomend geval</al><al>d. of een toeslag wordt verstrekt als bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, onderdelen a en b.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.10 (ambtshalve vaststellen)</titel></kop><al>1. Gedeputeerde Staten stellen binnen tien weken na afloop van de zes aaneengesloten</al><al>kalenderjaren waarvoor de subsidie natuurbeheer is verstrekt, die subsidie ambtshalve vast.</al><al>2. De vaststelling, bedoeld in het eerste lid, kan éénmaal met ten hoogste tien weken worden</al><al>verdaagd.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4 Agrarisch natuurbeheer</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk 4 Agrarisch natuurbeheer</titel></kop><artikel><kop><titel>Paragraaf 4.1 Subsidie agrarisch natuurbeheer</titel></kop><al></al><al></al></artikel><artikel><kop><titel>Afdeling 4.1.1 Algemene bepalingen inzake subsidie agrarisch natuurbeheer</titel></kop><al></al><al></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.1.1 (grondslag subsidie)</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag een subsidie agrarisch natuurbeheer verstrekken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.1.2 (duur subsidie)</titel></kop><al>Een subsidie agrarisch natuurbeheer wordt verstrekt voor een periode van zes aaneengesloten</al><al>beheerjaren, of zoveel langer als op grond van artikel 12.4 vereist is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.1.3 (begunstigden)</titel></kop><al>1. Een subsidie agrarisch natuurbeheer kan worden verstrekt aan een landbouwer die de</al><al>landbouwgrond waarvoor subsidie wordt aangevraagd bij aanvang van de subsidie beheert</al><al>krachtens een zakelijk recht of een persoonlijk recht, en voorts gedurende de zes aaneengesloten</al><al>beheerjaren waarvoor de subsidie wordt verleend ten minste op de peildatum van ieder</al><al>beheerjaar die landbouwgrond beheert krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.</al><al>2. Als een in het eerste lid bedoeld zakelijk of persoonlijk recht is belast met of is afgeleid van een</al><al>ander recht, kan slechts subsidie worden verstrekt voor zover dat andere recht geen afbreuk doet</al><al>aan de mogelijkheid het beheer uit te voeren.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.1.4 (aanvraag subsidie)</titel></kop><al>Een aanvraag tot verlening van een subsidie agrarisch natuurbeheer gaat vergezeld van een kaart</al><al>met een topografische ondergrond waarop de grenzen van de beheereenheden waarvoor subsidie</al><al>wordt aangevraagd én een nummering van die beheereenheden zijn aangegeven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.1.5 (voorwaarden voor deelname)</titel></kop><al>1. Een subsidie agrarisch natuurbeheer kan worden verstrekt:</al><al>a. als het natuurbeheerplan, zoals dat zes weken voor de openstelling van de mogelijkheid</al><al>tot het doen van een aanvraag voor de betreffende subsidie gold, voorziet in de</al><al>verstrekking van de betreffende subsidie voor de betreffende landbouwgrond;</al><al>b. als is voldaan aan de instapeisen die gelden voor het agrarisch beheerpakket waarvoor</al><al>de subsidie wordt aangevraagd, én</al><al>c. voor zover de begunstigde in het jaar voorafgaande aan de aanvraag tot</al><al>subsidieverlening niet met opzet:</al><al>i. een onjuiste aanvraag op grond van de onderhavige verordening heeft ingediend</al><al>ter verkrijging van een subsidie agrarisch natuurbeheer of een subsidie</al><al>landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b;</al><al>ii. een onjuiste aanvraag heeft ingediend ter verkrijging van een subsidie op grond</al><al>van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Drenthe of de equivalente</al><al>Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van een andere provincie, óf</al><al>iii. de subsidieverplichtingen heeft geschonden die zijn verbonden aan de onder i. en</al><al>ii. bedoelde subsidies.</al><al>2. Een subsidie agrarisch natuurbeheer wordt niet verstrekt voor landbouwgrond waarop nog</al><al>verplichtingen van toepassing zijn op grond van:</al><al>a. de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Drenthe;</al><al>b. de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de minister;</al><al>c. de Regeling stimulering bosuitbreiding op landbouwgronden, of</al><al>d. de Beschikking ter zake van het uit productie nemen van bouwland.</al><al>3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, kan een subsidie agrarisch natuurbeheer</al><al>worden verstrekt voor de uitvoering van een agrarisch beheerpakket, opgenomen in bijlage 3,</al><al>onderdeel B.1, onder de aanduiding:</al><al>a. A01.01.01 tot en met A01.01.06, indien op de betreffende beheereenheid reeds een</al><al>beheerspakket in stand wordt gehouden als bedoeld in:</al><al>i. de bijlagen 28c tot en met 28f van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer</al><al>Drenthe, zoals die bijlagen tot 1 januari 2008 luidden, of</al><al>ii. bijlage 28c van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Drenthe, zoals die</al><al>bijlage tussen 1 januari 2008 en 1 januari 2010 luidde;</al><al>b. A01.03.01, indien op de betreffende beheereenheid reeds een beheerspakket in stand</al><al>wordt gehouden als bedoeld in de bijlagen 16 tot en met 18 van de Subsidieregeling</al><al>agrarisch natuurbeheer Drenthe, zoals die bijlagen tot 1 januari 2010 luidden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.1.6 (subsidieverplichtingen)</titel></kop><al>1. Een ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer:</al><al>a. draagt er zorg voor dat wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen die behoren</al><al>bij het agrarische beheerpakket waarvoor subsidie wordt verstrekt;</al><al>b. draagt er zorg voor dat, voor zover de toeslag, bedoeld in artikel 4.1.1.8, tweede lid, wordt</al><al>verstrekt, wordt voldaan aan bijlage 7, onderdeel B;</al><al>c. draagt er zorg voor dat op de landbouwgrond waarvoor subsidie wordt verstrekt en op zijn</al><al>gehele bedrijf wordt voldaan aan de voorschriften, opgenomen in:</al><al>i. artikel 3 van en de bijlagen 1 en 2 bij de Regeling GLB-inkomenssteun 2006, én</al><al>ii. bijlage 2 van de Beleidsregels verlagen subsidie POP2;</al><al>d. draagt er zorg voor dat door of vanwege Gedeputeerde Staten</al><al>monitoringswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd op de landbouwgrond waarvoor</al><al>subsidie wordt verstrekt;</al><al>e. meldt aan Gedeputeerde Staten de omstandigheden als gevolg waarvan hij redelijkerwijs</al><al>niet kan voldoen aan één of meerdere subsidieverplichtingen, en doet dit binnen tien</al><al>werkdagen nadat hij redelijkerwijs op de hoogte kan zijn van die omstandigheden;</al><al>f. meldt aan Gedeputeerde Staten de datum waarop weer aan de subsidieverplichtingen</al><al>kan worden voldaan, en doet dit binnen tien werkdagen na de betreffende datum, én</al><al>g. draagt er zorg voor dat een toezichthouder als bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene</al><al>wet bestuursrecht niet wordt verhinderd toezicht te houden op de naleving van de</al><al>subsidieverplichtingen.</al><al>2. Een ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer dient uiterlijk op de peildatum van ieder</al><al>beheerjaar, middels een door Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier, bij</al><al>Gedeputeerde Staten een aanvraag in tot betaling van de jaarvergoeding voor dat beheerjaar,</al><al>waarbij de artikelen 7 en 8 van verordening (EG) nr. 1975/2006:</al><al>a. van toepassing zijn voor zover subsidie wordt verstrekt voor de agrarische</al><al>beheerpakketten, opgenomen in bijlage 3, onderdeel B.1, en</al><al>b. van overeenkomstige toepassing zijn voor zover subsidie wordt verstrekt voor de</al><al>agrarische beheerpakketten, opgenomen in bijlage 3, onderdeel B.2.</al><al>3. In een geval als bedoeld in artikel 7.3, tweede lid, rust de in het tweede lid van het onderhavige</al><al>artikel bedoelde verplichting op die derde voor zover deze het beheer heeft overgenomen.</al><al>4. De in het tweede lid bedoelde aanvraag hoeft niet ingediend te worden voor zover het de toeslag,</al><al>bedoeld in artikel 4.1.1.8, tweede lid, betreft.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.1.7 (hoogte subsidie)</titel></kop><al>1. Een subsidie agrarisch natuurbeheer bestaat uit de som van zes jaarvergoedingen, elk</al><al>behorend bij één van de zes beheerjaren waarvoor de subsidie wordt verstrekt.</al><al>2. Een jaarvergoeding is het product van het op grond van artikel 4.1.1.8, eerste lid, onderdeel a,</al><al>voor het desbetreffende beheerjaar en agrarisch beheerpakket vastgestelde tarief, en het aantal</al><al>hectares waarvoor voor het betreffende agrarische beheerpakket subsidie wordt verstrekt,</al><al>eventueel vermeerderd met het product van het van toepassing zijnde tarief, bedoeld in artikel</al><al>4.1.1.8, eerste lid, onderdeel b, en het aantal hectares waarvoor de toeslag, bedoeld in artikel</al><al>4.1.1.8, tweede lid, wordt verstrekt.</al><al>3. Na afloop van elk van de eerste vijf beheerjaren:</al><al>a. beslissen Gedeputeerde Staten binnen de in artikel 1.6, tweede lid, onderdeel a,</al><al>genoemde termijn omtrent de hoogte van de jaarvergoeding die bij het betreffende</al><al>beheerjaar behoort, én</al><al>b. keren zij de aldus bepaalde jaarvergoeding, binnen zes weken nadat de in onderdeel a</al><al>bedoelde beslissing op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, als voorschot uit aan</al><al>de landbouwer die op de peildatum van het beheerjaar waarop de jaarvergoeding</al><al>betrekking heeft, beschikt over het in artikel 4.1.1.3 bedoelde zakelijk of persoonlijk recht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.1.8 (hoogte tarief per beheerjaar)</titel></kop><al>1. Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks voor reeds verleende of voor met ingang van het komende</al><al>beheerjaar te verlenen subsidies agrarisch natuurbeheer vast:</al><al>a. de tarieven voor de verschillende agrarische beheerpakketten of varianten daarvan,</al><al>uitgedrukt in een bedrag per hectare;</al><al>b. de tarieven voor de toeslag, bedoeld in het tweede lid, uitgedrukt in een bedrag per</al><al>hectare, waarbij Gedeputeerde Staten verschillende tarieven kunnen vaststellen voor het</al><al>uitrijden van ruige stalmest op landbouwgronden die enkel varend kunnen worden bereikt</al><al>en het uitrijden van ruige stalmest op andere landbouwgronden.</al><al>2. Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag een toeslag verstrekken voor het uitrijden van ruige</al><al>stalmest, mits die aanvraag gelijktijdig wordt ingediend met de aanvraag tot verlening van een</al><al>subsidie agrarisch natuurbeheer voor de uitvoering van één of meerdere agrarische</al><al>beheerpakketten, bedoeld in bijlage 7, onderdeel B, onder 1.</al><al>3. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk zes weken voorafgaande aan de</al><al>openstellingsperiode of een nieuw beheerjaar mededeling gedaan door plaatsing in het</al><al>Provinciaal Blad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.1.9 (beschikking tot subsidieverlening)</titel></kop><al>Een beschikking tot verlening van een subsidie agrarisch natuurbeheer vermeldt in elk geval:</al><al>a. het agrarische beheerpakket waarvoor subsidie wordt verleend;</al><al>b. of een toeslag wordt verstrekt als bedoeld in artikel 4.1.1.8, tweede lid;</al><al>c. de hoogte van de jaarvergoeding die behoort bij het eerste beheerjaar;</al><al>d. de wijze waarop de tarieven en in voorkomend geval de toeslag, bedoeld in artikel 4.1.1.8,</al><al>tweede lid, voor het tweede tot en met zesde beheerjaar worden berekend;</al><al>e. of een subsidie wordt verstrekt in het kader van de uitvoering van het</al><al>Plattelandsontwikkelingsprogramma en of die subsidie gedeeltelijk wordt gefinancierd met</al><al>Europese middelen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.1.10 (ambtshalve vaststelling)</titel></kop><al>1. Gedeputeerde Staten stellen binnen tien weken na afloop van de zes aaneengesloten</al><al>beheerjaren waarvoor de subsidie agrarisch natuurbeheer is verstrekt, die subsidie ambtshalve</al><al>vast.</al><al>2. De vaststelling, bedoeld in het eerste lid, kan éénmaal met ten hoogste tien weken worden</al><al>verdaagd.</al><al>3. De vaststelling, bedoeld in het eerste lid, omvat tevens de beslissing op de aanvraag, bedoeld in</al><al>artikel 4.1.1.6, tweede lid, voor zover die aanvraag betrekking heeft op het zesde en laatste</al><al>beheerjaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Afdeling 4.1.2 Bijzondere bepalingen inzake collectief agrarisch natuurbeheer</titel></kop><al></al><al></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.2.1 (subsidieaanvraag collectief agrarisch natuurbeheer)</titel></kop><al>1. Een begunstigde die een aanvraag tot verlening van een subsidie agrarisch natuurbeheer in het</al><al>kader van collectief agrarisch natuurbeheer indient, geeft in die aanvraag per gebied, bedoeld in</al><al>artikel 2.1, vierde lid, onderdeel a, waar hij wenst deel te nemen aan collectief agrarisch</al><al>natuurbeheer, aan:</al><al>a. de minimum- onderscheidenlijk maximumoppervlakte waarop hij gedurende de periode,</al><al>bedoeld in artikel 4.1.1.2, voornemens is één of meerdere agrarische beheerpakketten in</al><al>het kader van collectief agrarisch natuurbeheer uit te voeren, waarbij:</al><al>i. de minimumoppervlakte niet kleiner kan zijn dan de minimumoppervlakte van het</al><al>betreffende agrarische beheerpakket, én</al><al>ii. de maximumoppervlakte niet groter kan zijn dan de totale oppervlakte van de</al><al>landbouwgronden die tot zijn bedrijf behoren en die zijn gelegen binnen het in de</al><al>aanhef van dit lid bedoelde gebied.</al><al>b. binnen welk gebied de in onderdeel a bedoelde oppervlaktes zijn gelegen.</al><al>2. Artikel 4.1.1.4 is niet van toepassing op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.2.2 (aanvullende subsidieverplichting)</titel></kop><al>Onverminderd artikel 4.1.1.6 is een ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer in het kader</al><al>van collectief agrarisch natuurbeheer gehouden:</al><al>a. elk beheerjaar het beheer uit te voeren overeenkomstig het door Gedeputeerde Staten</al><al>vastgestelde collectief beheerplan zoals dat 14 dagen vóór de datum waarop in het</al><al>desbetreffende beheerjaar de in artikel 4.1.1.6, tweede lid, bedoelde aanvraag op zijn</al><al>vroegst kan worden ingediend, luidt;</al><al>b. de gebiedscoördinator tijdig op de hoogte te stellen van wijzigingen en intrekkingen als</al><al>bedoeld in de artikelen 7.1 tot en met 7.6 en 7.8, tweede lid, voor zover deze relevant zijn</al><al>voor het collectief beheerplan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.2.3 (beschikking tot subsidieverlening)</titel></kop><al>Een beschikking tot verlening van een subsidie agrarisch natuurbeheer in het kader van collectief</al><al>agrarisch natuurbeheer vermeldt in elk geval:</al><al>a. per gebied, bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, onderdeel a, de minimale en maximale</al><al>oppervlakte waarvoor subsidie wordt respectievelijk kan worden verleend;</al><al>b. of een toeslag wordt verstrekt als bedoeld in artikel 4.1.1.8, tweede lid;</al><al>c. de wijze waarop de tarieven en in voorkomend geval de toeslag, bedoeld in artikel 4.1.1.8,</al><al>tweede lid, worden berekend;</al><al>d. dat de subsidieontvanger elk beheerjaar gehouden is het beheer uit te voeren</al><al>overeenkomstig het in artikel 9.2 bedoelde collectief beheerplan zoals dat 14 dagen vóór</al><al>de datum waarop in het desbetreffende beheerjaar de in artikel 4.1.1.6, tweede lid,</al><al>bedoelde aanvraag op zijn vroegst kan worden ingediend, luidt;</al><al>e. of een subsidie wordt verstrekt in het kader van de uitvoering van het</al><al>Plattelandsontwikkelingsprogramma en of die subsidie gedeeltelijk wordt gefinancierd met</al><al>Europese middelen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.2.4 (aanvullende toeslag collectief agrarisch natuurbeheer)</titel></kop><al>1. Gedeputeerde Staten kunnen in een beheerjaar op aanvraag een aanvullende toeslag als bedoeld</al><al>in bijlage 7, onderdeel C, subonderdelen 1 en 2 verstrekken aan landbouwers die in het</al><al>betreffende beheerjaar deelnemen aan collectief agrarisch natuurbeheer voor zover voldaan wordt</al><al>aan de in het betreffende subonderdeel van die bijlage opgenomen voorschriften;</al><al>2. Aanvragen als bedoeld in het eerste lid worden namens de betreffende landbouwer ingediend</al><al>door de in het gebied waarin de betreffende beheereenheid is gelegen werkzame</al><al>gebiedscoördinator, en gaan vergezeld van een door hem opgesteld advies met betrekking tot de</al><al>noodzaak tot het verstrekken van de toeslag en de hoogte daarvan, waarbij tevens door de</al><al>gebiedscoördinator wordt verklaard dat hij, in elk geval op het moment van indienen van de</al><al>betreffende aanvraag, heeft vastgesteld dat de landbouwer voldoet aan de aan de toeslag</al><al>verbonden eisen.</al><al>3. Op aanvragen als bedoeld in het eerste lid is artikel 1.3, eerste lid, niet van toepassing voor</al><al>zover dat artikel bepaalt dat aanvragen slechts kunnen worden ingediend als Gedeputeerde</al><al>Staten een openstellingsperiode hebben vastgesteld voor de indiening van aanvragen, met dien</al><al>verstande dat een in het eerste lid van het onderhavige artikel bedoelde aanvraag niet eerder kan</al><al>worden ingediend dan na afloop van de periode waarin in dat beheerjaar aan de aan het</al><al>betreffende agrarische beheerpakket verbonden beheereisen dient te worden voldaan indien niet</al><al>om de toeslag zou zijn verzocht.</al><al>4. Artikel 1.6, tweede lid, onderdeel a, is van toepassing en de artikelen 1.4 en 1.5, met uitzondering</al><al>van het tweede lid van dat artikel, zijn van overeenkomstige toepassing.</al><al>5. Gedeputeerde Staten keren de toeslag overeenkomstig artikel 4.1.1.7, derde lid, onderdeel b,</al><al>tegelijkertijd uit met de in dat onderdeel bedoelde jaarvergoeding.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.2.5 (toepasselijkheid afdeling 4.1.1)</titel></kop><al>De bepalingen van afdeling 4.1.1 zijn van overeenkomstige toepassing voor zover uit de bepalingen</al><al>van de onderhavige afdeling niet anders voortvloeit.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 4.2 Probleemgebiedensubsidie</titel></kop><al></al><al></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.1 (grondslag subsidie)</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag een probleemgebiedensubsidie verstrekken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.2 (duur subsidie)</titel></kop><al>Een probleemgebiedensubsidie wordt verstrekt voor een kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.3 (begunstigde)</titel></kop><al>1. Een probleemgebiedensubsidie kan worden verstrekt aan een landbouwer die de</al><al>landbouwgrond waarvoor subsidie wordt aangevraagd op de peildatum van een kalenderjaar</al><al>beheert krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.</al><al>2. Als een in het eerste lid bedoeld zakelijk of persoonlijk recht is belast met of is afgeleid van een</al><al>ander recht, kan slechts subsidie worden verstrekt voor zover dat andere recht geen afbreuk doet</al><al>aan de mogelijkheid het beheer uit te voeren.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.4 (aanvraag subsidie)</titel></kop><al>Een aanvraag tot vaststelling en tevens uitbetaling van een probleemgebiedensubsidie wordt uiterlijk</al><al>op de peildatum van het betreffende kalenderjaar ingediend middels een door Gedeputeerde Staten</al><al>vastgesteld aanvraagformulier, waarbij de artikelen 7 en 8 van Verordening (EG) nr. 1975/2006 van</al><al>toepassing zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.5 (voorwaarden voor deelname)</titel></kop><al>1. Een probleemgebiedensubsidie kan worden verstrekt als:</al><al>a. het natuurbeheerplan zoals dat zes weken voor de openstelling van de mogelijkheid tot</al><al>het doen van een aanvraag voor de betreffende subsidie gold, voorziet in de verstrekking</al><al>van de probleemgebiedensubsidie op de betreffende landbouwgrond;</al><al>b. de landbouwgrond een aaneengesloten oppervlakte heeft van ten minste 0,5 hectare;</al><al>c. voor zover de begunstigde voor de landbouwgrond waarvoor een</al><al>probleemgebiedensubsidie is aangevraagd, tevens een subsidie agrarisch natuurbeheer</al><al>op grond van de onderhavige verordening, of een subsidie voor de instandhouding van</al><al>een beheerspakket, bedoeld in de bijlagen 6 tot en met 28f van de Subsidieregeling</al><al>agrarisch natuurbeheer Drenthe, ontvangt, én</al><al>d. voor zover de begunstigde in het jaar voorafgaande aan de aanvraag tot</al><al>subsidieverstrekking niet met opzet:</al><al>i. een onjuiste aanvraag heeft ingediend ter verkrijging van een</al><al>probleemgebiedensubsidie op grond van de onderhavige verordening, de</al><al>Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Drenthe of de equivalente</al><al>Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van een andere provincie, óf</al><al>ii. de subsidieverplichtingen heeft geschonden die zijn verbonden aan de onder i.</al><al>bedoelde subsidies.</al><al>2. Een probleemgebiedensubsidie wordt niet verstrekt voor landbouwgrond waarvoor een</al><al>vergelijkbare subsidie wordt ontvangen op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer</al><al>van de minister zoals die regeling tot 1 januari 2007 gold.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.6 (subsidieverplichtingen)</titel></kop><al>Een ontvanger van een probleemgebiedensubsidie:</al><al>a. draagt er zorg voor dat gedurende het gehele kalenderjaar op de landbouwgrond</al><al>waarvoor de subsidie wordt verstrekt en op zijn gehele bedrijf wordt voldaan aan de</al><al>voorschriften, opgenomen in artikel 3 van en de bijlagen 1 en 2 bij de Regeling GLBinkomenssteun</al><al>2006;</al><al>b. zet zijn landbouwactiviteiten gedurende ten minste vijf jaar voort, te rekenen vanaf de</al><al>eerste betaling die hij ontvangt in het kader van het Plattelandsontwikkelingsprogramma</al><al>2007-2013 voor het uitoefenen van een landbouwactiviteit in een probleemgebied;</al><al>c. draagt er zorg voor dat geen werkzaamheden worden verricht die een wijziging tot gevolg</al><al>hebben van de topografische kavel- en perceelsstructuur, het microreliëf, de</al><al>bodemstructuur of het bodemprofiel;</al><al>d. draagt er zorg voor dat geen werkzaamheden worden verricht die een wijziging tot gevolg</al><al>hebben van de begreppeling of de detailontwatering, of leiden tot verlaging van de</al><al>grondwaterstand dan wel slootwaterpeilen;</al><al>e. meldt aan Gedeputeerde Staten de omstandigheden als gevolg waarvan redelijkerwijs</al><al>niet kan worden voldaan aan één of meerdere subsidieverplichtingen, en doet dit binnen</al><al>tien werkdagen nadat hij redelijkerwijs op de hoogte kan zijn van die omstandigheden;</al><al>f. meldt aan Gedeputeerde Staten de datum waarop weer aan de subsidieverplichtingen</al><al>kan worden voldaan, en doet dit binnen tien werkdagen na de betreffende datum, én</al><al>g. draagt er zorg voor dat een toezichthouder als bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene</al><al>wet bestuursrecht niet wordt verhinderd toezicht te houden op de naleving van de</al><al>subsidieverplichtingen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.7 (hoogte subsidie)</titel></kop><al>Een probleemgebiedensubsidie bestaat uit het product van het op grond van artikel 4.2.8, eerste lid,</al><al>voor het desbetreffende kalenderjaar vastgestelde tarief, en het aantal hectares waarvoor de subsidie</al><al>wordt verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.8 (hoogte tarief per kalenderjaar)</titel></kop><al>1. Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks voor met ingang van het komende kalenderjaar te</al><al>verstrekken probleemgebiedensubsidies het tarief per hectare vast.</al><al>2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk zes weken voorafgaande aan de</al><al>openstellingsperiode mededeling gedaan door plaatsing in het Provinciaal Blad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.9 (subsidievaststelling)</titel></kop><al>1. Gedeputeerde Staten stellen binnen tien weken na afloop van het kalenderjaar de</al><al>probleemgebiedensubsidie vast.</al><al>2. De vaststelling, bedoeld in het eerste lid, kan éénmaal met ten hoogste tien weken worden</al><al>verdaagd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.10 (ontkoppelde probleemgebiedensubsidie)</titel></kop><al>1. Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag een probleemgebiedensubsidie verstrekken voor</al><al>landbouwgrond die is gelegen in een probleemgebied, waarbij het, in afwijking van artikel 4.2.5,</al><al>eerste lid, onderdeel c, niet vereist is dat de begunstigde voor die landbouwgrond tevens een</al><al>subsidie agrarisch natuurbeheer of een subsidie voor de instandhouding van een beheerspakket</al><al>als bedoeld in die bepaling ontvangt.</al><al>2. Een probleemgebiedensubsidie als bedoeld in het eerste lid kan slechts worden verstrekt als aan</al><al>de begunstigde in het betreffende kalenderjaar voor de desbetreffende landbouwgrond niet reeds</al><al>een probleemgebiedensubsidie als bedoeld in artikel 4.2.5 wordt verstrekt.</al><al>3. De bepalingen van deze paragraaf zijn, met uitzondering van artikel 4.2.5, eerste lid, onderdeel c,</al><al>van overeenkomstige toepassing op een probleemgebiedensubsidie als bedoeld in het eerste lid.</al><al>4. Gedeputeerde Staten kunnen nadere voorwaarden verbinden aan een</al><al>probleemgebiedensubsidie als bedoeld in het eerste lid.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5 Landschapsbeheer</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk 5 Landschapsbeheer</titel></kop><artikel><kop><titel>Afdeling 5.1.1 Algemene bepalingen inzake subsidies landschapsbeheer</titel></kop><al></al><al></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.1.1 (grondslag subsidie)</titel></kop><al>1. Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag een subsidie landschapsbeheer verstrekken:</al><al>a. voor de instandhouding van een op een natuurterrein gelegen landschapselement</al><al>zoals opgenomen in bijlage 6, onderdelen A.1 of A.2, door begunstigden als bedoeld in</al><al>artikel 5.1.2.1;</al><al>b. voor de uitvoering van een beheerpakket landschap ten behoeve van een</al><al>landschapselement zoals opgenomen in bijlage 6, onderdelen B.1 of B.2, door</al><al>begunstigden als bedoeld in artikel 5.1.3.1, mits het beheerpakket landschap niet wordt</al><al>uitgevoerd ten behoeve van een op een natuurterrein gelegen landschapselement.</al><al>2. Gedeputeerde Staten kunnen een in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde subsidie natuurbeheer</al><al>verhogen met een vergoeding voor de monitoring van de kwaliteit van binnen een natuurterrein</al><al>gelegen landschapselementen.</al><al>3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat een</al><al>subsidie landschapsbeheer als bedoeld in dat onderdeel, voor bepaalde, in bijlage 6, onderdelen</al><al>A.1 of A.2, opgenomen landschapselementen slechts verstrekt kan worden aan gecertificeerde</al><al>begunstigden, of juist niet verstrekt kunnen worden aan dergelijke begunstigden.</al></artikel><artikel><kop><titel></titel></kop><al></al><al></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.1.2 (duur subsidie)</titel></kop><al>Een subsidie landschapsbeheer wordt verstrekt voor de duur van zes aaneengesloten kalenderjaren,</al><al>of zoveel langer als op grond van artikel 12.4 vereist is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.1.3 (voorwaarden voor deelname)</titel></kop><al>1. Een subsidie landschapsbeheer kan worden verstrekt als:</al><al>a. het natuurbeheerplan, zoals dat zes weken voor de openstelling van de mogelijkheid tot</al><al>het doen van een aanvraag voor de betreffende subsidie gold, voorziet in de verstrekking</al><al>van de betreffende subsidie, én</al><al>b. is voldaan aan de instapeisen die behoren bij het betreffende landschapselement</al><al>onderscheidenlijk beheerpakket landschap.</al><al>2. Een subsidie landschapsbeheer wordt niet verstrekt als de in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel</al><al>a onderscheidenlijk onderdeel b, bedoelde begunstigde in het jaar voorafgaande aan de aanvraag</al><al>tot subsidieverlening met opzet:</al><al>a. een onjuiste aanvraag op grond van de onderhavige verordening heeft ingediend ter</al><al>verkrijging van een subsidie natuurbeheer, een subsidie agrarisch natuurbeheer of een</al><al>subsidie landschapsbeheer;</al><al>b. een onjuiste aanvraag heeft ingediend ter verkrijging van een subsidie op grond van de</al><al>Subsidieregeling natuurbeheer Drenthe of de equivalente Subsidieregeling natuurbeheer</al><al>van een andere provincie;</al><al>c. een onjuiste aanvraag heeft ingediend ter verkrijging van een subsidie op grond van de</al><al>Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Drenthe of de equivalente Subsidieregeling</al><al>agrarisch natuurbeheer van een andere provincie, óf</al><al>d. de subsidieverplichtingen heeft geschonden die zijn verbonden aan de in de onderdelen a</al><al>tot en met c bedoelde subsidies.</al><al>3. Een subsidie landschapsbeheer wordt evenmin verstrekt voor een landschapselement als bedoeld</al><al>in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, of voor het uitvoeren van een beheerpakket landschap</al><al>als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, ten behoeve van een in dat onderdeel</al><al>bedoeld landschapselement:</al><al>a. waarop nog verplichtingen van toepassing zijn op grond van:</al><al>i. de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Drenthe;</al><al>ii. de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de minister;</al><al>iii. de Subsidieregeling natuurbeheer Drenthe;</al><al>iv. de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de minister;</al><al>v. de Regeling stimulering bosuitbreiding op landbouwgronden, of</al><al>vi. de Beschikking terzake het uit productie nemen van bouwland.</al><al>b. voor zover dat is gelegen op een erf.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.1.4 (subsidieverplichtingen die de subsidieperiode overschrijden)</titel></kop><al>Als ten behoeve van de instandhouding van een landschapselement of voor het uitvoeren van een</al><al>beheerpakket landschap verplichtingen zijn opgenomen met betrekking tot de cyclus van knippen,</al><al>scheren, snoeien dan wel af- of terugzetten, behoren die verplichtingen slechts tot de</al><al>subsidieverplichtingen indien dat knippen, scheren, snoeien dan wel af- of terugzetten op basis van de</al><al>betreffende cyclus valt binnen de periode waarvoor die subsidie wordt verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Afdeling 5.1.2 Subsidie landschapsbeheer binnen natuurterreinen</titel></kop><al></al><al></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2.1 (begunstigden)</titel></kop><al>1. Een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, kan worden</al><al>verstrekt aan:</al><al>a. een natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij aanvang van de periode waarvoor</al><al>subsidie wordt verstrekt zeggenschap heeft over het te voeren beheer van een op een</al><al>natuurterrein gelegen landschapselement waarvoor subsidie wordt aangevraagd, krachtens:</al><al>i. eigendom;</al><al>ii. erfpacht;</al><al>iii. recht van beklemming;</al><al>iv. artikel 45 van de Wet inrichting landelijk gebied, of</al><al>v. een plan van tijdelijk gebruik als bedoeld in artikel 189 van de Landinrichtingswet</al><al>zoals die wet tot 1 januari 2007 gold,</al><al>en voorts gedurende de zes aaneengesloten kalenderjaren waarvoor de subsidie wordt</al><al>verleend ten minste op de peildatum van ieder kalenderjaar die zeggenschap heeft;</al><al>b. rechtspersoonlijkheid bezittende samenwerkingsverbanden van natuurlijke personen of</al><al>rechtspersonen als bedoeld in onderdeel a.</al><al>2. Als een in het eerste lid, onderdeel a, onder i. tot en met v. bedoelde titel is belast met of is</al><al>afgeleid van een ander recht, kan slechts een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel</al><al>5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, worden verstrekt voor zover dat andere recht geen afbreuk doet</al><al>aan de zeggenschap over het te voeren beheer van het landschapselement.</al><al>3. In afwijking van het eerste lid kan het onderdeel van de subsidie landschapsbeheer dat ziet op</al><al>de monitoring van de kwaliteit van binnen een natuurterrein gelegen landschapselementen alleen</al><al>worden verstrekt aan gecertificeerde begunstigden.</al></artikel><artikel><kop><titel> Artikel 5.1.2.2 (aanvraag subsidie)</titel></kop><al>1. Een aanvraag tot verlening van een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1,</al><al>eerste lid, onderdeel a, gaat vergezeld van een kaart met een topografische ondergrond, waarop</al><al>de landschapselementen waarvoor subsidie wordt gevraagd en een nummering van die</al><al>landschapselementen zijn aangegeven.</al><al>2. In afwijking van het eerste lid gaat een aanvraag van een gecertificeerde begunstigde tot</al><al>verlening van een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel</al><al>a, vergezeld van:</al><al>a. een lijst van oppervlaktes, meters of aantallen per landschapselement waarvoor de</al><al>subsidie wordt aangevraagd;</al><al>b. één of meerdere elektronische kaarten met een topografische ondergrond, met daarop de</al><al>buitengrenzen van de natuurterreinen waarop de landschapselementen zijn gelegen</al><al>waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, én</al><al>c. een lijst van oppervlaktes, onderscheidenlijk meters of stuks, per landschapselement</al><al>waarvoor de gecertificeerde begunstigde een vergoeding wil ontvangen voor het</al><al>verrichten van activiteiten op het gebied van monitoring van de kwaliteit van binnen een</al><al>natuurterrein gelegen landschapselementen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2.3 (subsidieverplichtingen)</titel></kop><al>1. Een ontvanger van een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid,</al><al>onderdeel a:</al><al>a. draagt er zorg voor dat het op het natuurterrein aanwezige landschapselement in stand</al><al>wordt gehouden door te voldoen aan de beheereisen zoals die in bijlage 6, onderdelen</al><al>B.1 of B.2, zijn opgenomen bij het equivalente beheerpakket landschap, en dat geen</al><al>handelingen worden verricht of gedoogd die afbreuk doen aan de instandhouding van het</al><al>betreffende landschapselement;</al><al>b. draagt er zorg voor dat, voor zover subsidie wordt verstrekt voor de monitoring van de</al><al>kwaliteit van binnen een natuurterrein gelegen landschapselementen, deze monitoring</al><al>wordt verricht overeenkomstig door Gedeputeerde Staten nader vast te stellen</al><al>voorschriften;</al><al>c. draagt er zorg voor dat door of vanwege Gedeputeerde Staten</al><al>monitoringswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd met betrekking tot het op het</al><al>natuurterrein gelegen landschapselement waarvoor de subsidie wordt verstrekt;</al><al>d. draagt er zorg voor dat op verzoek van Gedeputeerde Staten inzage wordt gegeven in het</al><al>uitgevoerde dan wel uit te voeren beheer ten behoeve van de instandhouding van het op</al><al>het natuurterrein aanwezige landschapselement;</al><al>e. meldt aan Gedeputeerde Staten de omstandigheden als gevolg waarvan hij redelijkerwijs</al><al>niet kan voldoen aan één of meerdere subsidieverplichtingen, en doet dit binnen tien</al><al>werkdagen nadat hij redelijkerwijs op de hoogte kan zijn van die omstandigheden;</al><al>f. meldt aan Gedeputeerde Staten de datum waarop weer aan de subsidieverplichtingen</al><al>kan worden voldaan, en doet dit binnen tien werkdagen na de betreffende datum, én</al><al>g. draagt er zorg voor dat een toezichthouder als bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene</al><al>wet bestuursrecht niet wordt verhinderd toezicht te houden op de naleving van de</al><al>subsidieverplichtingen.</al><al>2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, hoeft een gecertificeerde begunstigde niet te voldoen</al><al>aan de in dat onderdeel bedoelde beheereisen, maar draagt hij er zorg voor dat alle</al><al>beheeractiviteiten worden verricht die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van het op het</al><al>natuurterrein aanwezige landschapselement, en dat geen handelingen worden verricht en</al><al>gedoogd die afbreuk doen aan de instandhouding daarvan.</al><al>3. In afwijking van het eerste lid, onderdelen e en f, kan een ontvanger van een subsidie</al><al>landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, die tevens gecertificeerde</al><al>begunstigde is, éénmaal per kalenderjaar maar uiterlijk op 31 oktober bij Gedeputeerde Staten</al><al>melden ten aanzien van welke landschapselementen niet voldaan wordt aan één of meerdere</al><al>subsidieverplichtingen.</al><al>4. Een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 5.1.2.1, eerste lid, onderdeel b, dat het beheer</al><al>laat uitvoeren door één of meerdere natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in artikel</al><al>5.1.2.1, eerste lid, onderdeel a, komt gedurende de zes kalenderjaren met elk van deze natuurlijke</al><al>personen of rechtspersonen, voor zover deze op de peildatum van één of meerdere van die</al><al>kalenderjaren de zeggenschap hebben over het beheer, schriftelijk overeen dat:</al><al>a. de natuurlijke persoon of rechtspersoon de verplichtingen naleeft als bedoeld in:</al><al>i. het eerste lid, onderdelen a, c, d en g, óf</al><al>ii. het eerste lid, onderdelen c, d en g, en het tweede lid indien het</al><al>samenwerkingsverband tevens een gecertificeerde begunstigde is;</al><al>b. de subsidieontvanger aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon een vergoeding betaalt</al><al>voor de door hem of haar nageleefde verplichtingen als bedoeld in:</al><al>i. het eerste lid, onderdeel a, óf</al><al>ii. het tweede lid indien het samenwerkingsverband tevens een gecertificeerde</al><al>begunstigde is;</al><al>c. de natuurlijke persoon of rechtspersoon garant staat voor het terugbetalen van de in</al><al>onderdeel b bedoelde vergoeding, als Gedeputeerde Staten de subsidie lager vaststellen</al><al>of geheel of gedeeltelijk wijzigen dan wel intrekken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2.4 (hoogte subsidie)</titel></kop><al>1. Een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, bedraagt de</al><al>som van zes jaarvergoedingen, elk behorend bij één van de zes kalenderjaren waarvoor de</al><al>subsidie wordt verstrekt.</al><al>2. Een jaarvergoeding is het product van het tarief zoals dat voor het eerste kalenderjaar van de in</al><al>artikel 5.1.1.2 bedoelde periode op grond van artikel 5.1.2.5, eerste lid, onderdeel a, voor het</al><al>desbetreffende landschapselement is vastgesteld, en het aantal hectares, meters of stuks</al><al>waarvoor voor dat betreffende landschapselement subsidie wordt verstrekt, eventueel</al><al>vermeerderd met het product van het tarief, bedoeld in artikel 5.1.2.5, eerste lid, onderdeel b, en</al><al>het aantal hectares, meters of stuks waarop in het kader van de subsidie landschapsbeheer</al><al>monitoringswerkzaamheden worden uitgevoerd.</al><al>3. Na afloop van elk van de eerste vijf kalenderjaren:</al><al>a. beslissen Gedeputeerde Staten binnen tien weken ambtshalve omtrent de hoogte van de</al><al>jaarvergoeding die bij het betreffende kalenderjaar behoort, waarbij die beslissing</al><al>éénmaal met ten hoogste tien weken verdaagd kan worden, én</al><al>b. keren zij de aldus bepaalde jaarvergoeding, binnen zes weken nadat de in onderdeel a</al><al>bedoelde beslissing op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, als voorschot uit</al><al>aan:</al><al>i. de natuurlijke persoon of rechtspersoon die op de peildatum van het kalenderjaar</al><al>waarop de jaarvergoeding betrekking heeft, beschikt over een in artikel 5.1.2.1,</al><al>eerste lid, onder i. tot en met v. bedoelde titel, een en ander gelezen in</al><al>samenhang met de artikelen 5.1.2.1, tweede lid, en 7.3, eerste lid, óf</al><al>ii. het in artikel 5.1.2.1, eerste lid, onderdeel b, bedoelde samenwerkingsverband,</al><al>indien de aanvraag tot subsidieverlening door dat samenwerkingsverband is</al><al>ingediend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2.5 (hoogte tarief per kalenderjaar)</titel></kop><al>1. Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks voor met ingang van het komende kalenderjaar te</al><al>verlenen subsidies landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, vast:</al><al>a. de tarieven voor de verschillende landschapselementen als bedoeld in artikel 5.1.1.1,</al><al>eerste lid, onderdeel a, uitgedrukt in een bedrag per hectare, meter of stuks;</al><al>b. de tarieven voor de monitoring van de kwaliteit van de verschillende binnen een</al><al>natuurterrein gelegen landschapselementen, uitgedrukt in een bedrag per hectare, meter</al><al>of stuks.</al><al>2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk zes weken voorafgaande aan de</al><al>openstellingsperiode mededeling gedaan door plaatsing in het Provinciaal Blad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2.6 (beschikking tot subsidieverlening)</titel></kop><al>Een beschikking tot verlening van een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste</al><al>lid, onderdeel a, vermeldt in elk geval:</al><al>a. het landschapselement waarvoor subsidie wordt verleend;</al><al>b. de hoogte van de subsidie, én</al><al>c. dat Gedeputeerde Staten gedurende de periode waarvoor de subsidie wordt verstrekt een</al><al>nadere uitwerking kunnen geven van de in artikel 5.1.2.3 bedoelde beheeractiviteiten die</al><al>noodzakelijk zijn voor de instandhouding van het landschapselement.</al><al>Artikel 5.1.2.7 <cursief>(ambtshalve vaststellen)</cursief></al><al>1. Gedeputeerde Staten stellen binnen tien weken na afloop van de zes aaneengesloten</al><al>kalenderjaren waarvoor de subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid,</al><al>onderdeel a, is verstrekt, die subsidie ambtshalve vast.</al><al>2. De vaststelling, bedoeld in het eerste lid, kan éénmaal met ten hoogste tien weken worden</al><al>verdaagd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Afdeling 5.1.3 Subsidie landschapsbeheer buiten natuurterreinen</titel></kop><al></al><al></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.3.1 (begunstigden)</titel></kop><al>1. Een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, kan worden</al><al>verstrekt aan een landbouwer die het landschapselement ten behoeve waarvan hij het</al><al>beheerpakket landschap uitvoert of zal uitvoeren bij aanvang van de subsidie beheert krachtens</al><al>een zakelijk recht of een persoonlijk recht, en voorts gedurende de zes aaneengesloten</al><al>kalenderjaren waarvoor de subsidie wordt verleend ten minste op de peildatum van ieder</al><al>kalenderjaar dat landschapselement beheert krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.</al><al>2. Als een in het eerste lid bedoeld zakelijk of persoonlijk recht is belast met of is afgeleid van een</al><al>ander recht, kan slechts een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid,</al><al>onderdeel b, worden verstrekt voor zover dat andere recht geen afbreuk doet aan de mogelijkheid</al><al>het beheer uit te voeren.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.3.2 (aanvraag subsidie)</titel></kop><al>Een aanvraag tot verlening van een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste</al><al>lid, onderdeel b, gaat vergezeld van een kaart met een topografische ondergrond, waarop de</al><al>landschapselementen ten behoeve waarvan het beheerpakket landschap wordt uitgevoerd en een</al><al>nummering van die landschapselementen zijn aangegeven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.3.3 (subsidieverplichtingen)</titel></kop><al>1. Een ontvanger van een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid,</al><al>onderdeel b:</al><al>a. draagt er zorg voor dat wordt voldaan aan de beheereisen die behoren bij het</al><al>beheerpakket landschap waarvoor de subsidie wordt verstrekt, en dat geen handelingen</al><al>worden verricht of gedoogd die daaraan afbreuk doen;</al><al>b. draagt er zorg voor dat ten aanzien van het landschapselement ten behoeve waarvan het</al><al>beheerpakket landschap wordt uitgevoerd en op zijn gehele bedrijf wordt voldaan aan de</al><al>voorschriften, opgenomen in:</al><al>i. artikel 3 van en de bijlagen 1 en 2 bij de Regeling GLB-inkomenssteun 2006, én</al><al>ii. bijlage 2 van de Beleidsregels verlagen subsidie POP2;</al><al>c. draagt er zorg voor dat door of vanwege Gedeputeerde Staten</al><al>monitoringswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd met betrekking tot het</al><al>landschapselement ten behoeve waarvan het beheerpakket landschap wordt uitgevoerd;</al><al>d. meldt aan Gedeputeerde Staten de omstandigheden als gevolg waarvan hij redelijkerwijs</al><al>niet kan voldoen aan één of meerdere subsidieverplichtingen, en doet dit binnen tien</al><al>werkdagen nadat hij redelijkerwijs op de hoogte kan zijn van die omstandigheden;</al><al>e. meldt aan Gedeputeerde Staten de datum waarop weer aan de subsidieverplichtingen</al><al>kan worden voldaan, en doet dit binnen tien werkdagen na de betreffende datum, én</al><al>f. draagt er zorg voor dat een toezichthouder als bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene</al><al>wet bestuursrecht niet wordt verhinderd toezicht te houden op de naleving van de</al><al>subsidieverplichtingen.</al><al>2. Een ontvanger van een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid,</al><al>onderdeel b, dient uiterlijk op de peildatum van ieder kalenderjaar, middels een door</al><al>Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier, bij Gedeputeerde Staten een aanvraag in tot</al><al>betaling van de jaarvergoeding voor dat kalenderjaar, waarbij de artikelen 7 en 8 van verordening</al><al>(EG) nr. 1975/2006 van overeenkomstige toepassing zijn.</al><al>3. In een geval als bedoeld in artikel 7.3, tweede lid, rust de in het tweede lid van het onderhavige</al><al>artikel bedoelde verplichting op die derde voor zover deze het beheer heeft overgenomen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.3.4 (hoogte subsidie)</titel></kop><al>1. Een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, bedraagt de</al><al>som van zes jaarvergoedingen, elk behorend bij één van de zes kalenderjaren waarvoor de</al><al>subsidie wordt verstrekt.</al><al>2. Een jaarvergoeding is het product van het tarief zoals dat voor het eerste kalenderjaar van de in</al><al>artikel 5.1.1.2 bedoelde periode op grond van artikel 5.1.3.5, eerste lid, voor het desbetreffende</al><al>beheerpakket landschap is vastgesteld, en het aantal hectares, meters of stuks waarvoor voor dat</al><al>betreffende beheerpakket landschap subsidie wordt verstrekt.</al><al>3. Na afloop van elk van de eerste vijf kalenderjaren:</al><al>a. beslissen Gedeputeerde Staten binnen de in artikel 1.6, tweede lid, onderdeel a,</al><al>genoemde termijn omtrent de hoogte van de jaarvergoeding die bij het betreffende</al><al>kalenderjaar behoort, én</al><al>b. keren zij de aldus bepaalde jaarvergoeding, binnen zes weken nadat de in onderdeel a</al><al>bedoelde beslissing op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, als voorschot uit aan</al><al>de landbouwer die op de peildatum van het kalenderjaar waarop de jaarvergoeding</al><al>betrekking heeft, beschikt over het in artikel 5.1.3.1 bedoelde zakelijk of persoonlijk recht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.3.5 (hoogte tarief per kalenderjaar)</titel></kop><al>1. Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks voor met ingang van het komende kalenderjaar te verlenen</al><al>subsidies landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, de tarieven voor</al><al>de verschillende beheerpakketten landschap vast, uitgedrukt in een bedrag per hectare, meter of</al><al>stuk.</al><al>2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk zes weken voorafgaande aan de</al><al>openstellingsperiode mededeling gedaan door plaatsing in het Provinciaal Blad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.3.6 (beschikking tot subsidieverlening)</titel></kop><al>Een beschikking tot verlening van een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste</al><al>lid, onderdeel b, vermeldt in elk geval:</al><al>a. het beheerpakket landschap waarvoor subsidie wordt verleend, én</al><al>b. de hoogte van de subsidie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.3.7 (ambtshalve vaststelling)</titel></kop><al>1. Gedeputeerde Staten stellen binnen tien weken na afloop van de zes aaneengesloten</al><al>kalenderjaren waarvoor de subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid,</al><al>onderdeel b, is verstrekt, die subsidie ambtshalve vast.</al><al>2. De vaststelling, bedoeld in het eerste lid, kan éénmaal met ten hoogste tien weken worden</al><al>verdaagd.</al><al>3. De vaststelling, bedoeld in het eerste lid, omvat ook de beslissing op de aanvraag, bedoeld in</al><al>artikel 5.1.3.3, tweede lid, voor zover die aanvraag betrekking heeft op het zesde en laatste</al><al>kalenderjaar.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 6 Subsidie organisatiekosten</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk 6 Subsidie organisatiekosten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6.1 (grondslag subsidie)</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag een subsidie organisatiekosten verstrekken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.2 (duur subsidie)</titel></kop><al>Een subsidie organisatiekosten wordt verstrekt voor een periode van maximaal zes aaneengesloten</al><al>kalenderjaren.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.3 (begunstigden)</titel></kop><al>Een subsidie organisatiekosten kan worden verstrekt aan een agrarische natuurvereniging.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.4 (aanvraag subsidie) </titel></kop><al>1. Een aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend uiterlijk 31 oktober direct voorafgaand aan het</al><al>eerste kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.</al><al>2. Een aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van:</al><al>a. een beschrijving van het gebied waar de agrarische natuurvereniging agrarisch</al><al>natuurbeheer ondersteunt en stimuleert;</al><al>b. een activiteitenplan, gericht op het ondersteunen en stimuleren van agrarisch</al><al>natuurbeheer, waarin ten minste voor de periode waarvoor subsidie wordt aangevraagd</al><al>per kalenderjaar staat beschreven voor welke activiteiten subsidie wordt aangevraagd, én</al><al>c. een begroting, waarin uitgesplitst per kalenderjaar de verwachte uitgaven en inkomsten</al><al>staan beschreven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.5 (subsidieverplichtingen)</titel></kop><al>De ontvanger van een subsidie organisatiekosten voert de activiteiten ten behoeve waarvan subsidie</al><al>wordt verstrekt uit conform het activiteitenplan en de daarbij behorende begroting, bedoeld in artikel</al><al>6.4, tweede lid, onderdelen b en c, voor zover deze door Gedeputeerde Staten zijn goedgekeurd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.6 (subsidiabele kosten)</titel></kop><al>1. Als subsidiabele kosten komen in aanmerking de noodzakelijke kosten voor de organisatie van</al><al>activiteiten, gericht op:</al><al>a. kennisbevordering, kwaliteitsborging en professionalisering van agrarisch natuurbeheer;</al><al>b. werving en aanvraagbegeleiding van landbouwers;</al><al>c. promotie, draagvlak en samenwerking in een gebied;</al><al>d. monitoring en toezicht ten behoeve van de ecologische sturing in het gebied.</al><al>2. Subsidie wordt niet verstrekt voor activiteiten waarvoor reeds een subsidie wordt verstrekt op</al><al>grond van:</al><al>a. hoofdstuk 8 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Drenthe of</al><al>b. hoofdstuk 8 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de minister.</al><al>3. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels vaststellen met betrekking tot de kosten en</al><al>activiteiten, bedoeld in het eerste lid, die voor vergoeding in aanmerking komen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.7 (hoogte subsidie)</titel></kop><al>Een subsidie organisatiekosten bedraagt hetzij:</al><al>a. ten hoogste 100 procent van de werkelijk gemaakte subsidiabele kosten, hetzij</al><al>b. een door Gedeputeerde Staten te bepalen maximumbedrag,</al><al>waarbij de genoten inkomsten op de aldus bepaalde bedragen in mindering worden gebracht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.8 (aanvraag tot voorschotverlening) </titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen ten hoogste éénmaal per kalenderjaar op aanvraag een voorschot</al><al>verlenen, waarbij dat voorschot ten hoogste 80% bedraagt van de subsidiabele kosten zoals die voor</al><al>dat kalenderjaar in de door Gedeputeerde Staten goedgekeurde begroting zijn opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.9 (beschikking tot subsidieverlening) </titel></kop><al>Een beschikking tot verlening van een subsidie organisatiekosten vermeldt in elk geval:</al><al>a. de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend;</al><al>b. de periode waarvoor subsidie wordt verleend, én</al><al>c. de maximale hoogte van de subsidie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.10 (aanvraag tot subsidievaststelling)</titel></kop><al>1. Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag de subsidie organisatiekosten jaarlijks vaststellen</al><al>voor dat gedeelte dat ziet op de in het voorgaande kalenderjaar gemaakte subsidiabele kosten.</al><al>2. Een aanvraag tot subsidievaststelling als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk acht weken na</al><al>afloop van het in dat lid bedoelde kalenderjaar ingediend.</al><al>3. Als een subsidieontvanger geen of slechts gedeeltelijk aanvragen als bedoeld in het eerste lid</al><al>heeft ingediend, wordt door hem uiterlijk acht weken na afloop van de periode waarvoor de</al><al>subsidie is verleend een aanvraag tot subsidievaststelling ingediend voor de periode waarover</al><al>nog geen subsidievaststelling heeft plaatsgevonden.</al><al>4. Een aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een overzicht van de gemaakte</al><al>subsidiabele kosten, de betalingsbewijzen daarvan, de daadwerkelijk genoten inkomsten en een</al><al>verslag van de uitgevoerde activiteiten.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 7 Wijziging en intrekking</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk 7 Wijziging en intrekking</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7.1 (overmacht)</titel></kop><al>1. Een ontvanger van een subsidie natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in</al><al>artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, kan, indien sprake is van overmacht of uitzonderlijke</al><al>omstandigheden, een aanvraag indienen tot wijziging of intrekking van de betreffende beschikking</al><al>tot subsidieverlening vanaf het moment dat de overmacht zich voordoet of de uitzonderlijke</al><al>omstandigheden zich voordoen.</al><al>2. Een ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer, probleemgebiedensubsidie of subsidie</al><al>landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, kan, als sprake is van</al><al>overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van Verordening</al><al>(EG) nr. 1974/2006, een aanvraag indienen tot wijziging of intrekking van de betreffende</al><al>beschikking tot subsidieverlening vanaf het moment dat de overmacht zich voordoet of de</al><al>uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen.</al><al>3. Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag als bedoeld in het eerste en tweede lid honoreren en</al><al>de betreffende subsidie naar evenredigheid vaststellen, als de overmacht of uitzonderlijke</al><al>omstandigheden van dien aard is, respectievelijk zijn, dat het doel van de betreffende subsidie</al><al>niet of niet meer kan worden behaald.</al><al>4. In afwijking van het derde lid kunnen Gedeputeerde Staten een aanvraag als bedoeld in het</al><al>eerste en tweede lid afwijzen en de betreffende subsidie ongewijzigd voortzetten als de overmacht</al><al>of uitzonderlijke omstandigheden van dien aard is, respectievelijk zijn, dat het doel van de</al><al>betreffende subsidie alsnog kan worden behaald en de ontvanger van de betreffende subsidie</al><al>zich ertoe bereid heeft verklaard de subsidieverplichtingen weer na te zullen leven zodra de</al><al>overmacht is, respectievelijk de uitzonderlijke omstandigheden zijn, geëindigd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.2 (overlijden subsidieontvanger)</titel></kop><al>1. Als een ontvanger van een subsidie natuurbeheer, een subsidie agrarisch natuurbeheer of een</al><al>subsidie landschapsbeheer overlijdt, kan diens rechtsopvolger onder algemene titel binnen 24</al><al>weken na het overlijden een aanvraag indienen tot wijziging van de betreffende beschikking tot</al><al>subsidieverlening, inhoudende de overname van de rechten en verplichtingen die zijn verbonden</al><al>aan de desbetreffende subsidie voor de resterende periode waarvoor zij wordt verstrekt.</al><al>2. Gedeputeerde Staten trekken de beschikking tot subsidieverlening met ingang van de datum van</al><al>het overlijden in en stellen de subsidie ambtshalve naar evenredigheid vast als er binnen de in het</al><al>eerste lid genoemde termijn geen aanvraag als bedoeld in dat lid is ingediend.</al><al>3. Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot subsidieverlening overeenkomstig het eerste lid</al><al>wijzigen als de rechtsopvolger aangemerkt kan worden als begunstigde voor de betreffende</al><al>subsidie, tenzij de oorspronkelijke subsidieontvanger een gecertificeerde begunstigde was en de</al><al>rechtsopvolger dit niet is.</al><al>4. Gedeputeerde Staten kunnen, in afwijking van de artikelen 3.7, 3.10, 4.1.1.7, 4.1.1.10, 4.1.2.4,</al><al>4.2.9, 5.1.2.4, 5.1.2.7, 5.1.3.4 en 5.1.3.7, de verstrekking dan wel betaling van een jaarvergoeding</al><al>of de vaststelling van een subsidie opschorten tot vier weken na de dag waarop de termijn,</al><al>genoemd in het eerste lid, is verstreken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.3 (overdracht aan andere beheerder)</titel></kop><al>1. Als een ontvanger van een subsidie natuurbeheer of subsidie landschapsbeheer als bedoeld in</al><al>artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, de zeggenschap over het beheer overdraagt aan een</al><al>derde, waardoor hij op de peildatum van een kalenderjaar niet kan worden aangemerkt als</al><al>begunstigde, dan kan hij tezamen met die derde een aanvraag indienen tot wijziging van de</al><al>betreffende beschikking tot subsidieverlening, inhoudende de gehele of gedeeltelijke overname</al><al>door die derde van de rechten en verplichtingen die zijn verbonden aan de desbetreffende</al><al>subsidie voor de resterende periode waarvoor zij wordt verstrekt.</al><al>2. Als een ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als</al><al>bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, het beheer overdraagt aan een derde, waardoor</al><al>hij op de peildatum van een beheerjaar respectievelijk kalenderjaar niet kan worden aangemerkt</al><al>als begunstigde, dan kan hij tezamen met die derde een aanvraag indienen tot wijziging van de</al><al>betreffende beschikking tot subsidieverlening, inhoudende de gehele of gedeeltelijke overname</al><al>door die derde van de rechten en verplichtingen die zijn verbonden aan de desbetreffende</al><al>subsidie voor de resterende periode waarvoor zij wordt verstrekt.</al><al>3. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk 15 augustus van het betreffende</al><al>kalenderjaar gedaan.</al><al>4. Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt uiterlijk op de peildatum van het betreffende</al><al>beheerjaar respectievelijk kalenderjaar gedaan.</al><al>5. Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot subsidieverlening overeenkomstig het eerste of</al><al>tweede lid wijzigen als de derde aangemerkt kan worden als begunstigde voor de betreffende</al><al>subsidie, tenzij de oorspronkelijke subsidieontvanger een gecertificeerde begunstigde was en de</al><al>derde dit niet is.</al><al>6. Onverminderd het vijfde lid honoreren Gedeputeerde Staten een aanvraag als bedoeld in het</al><al>eerste lid niet met betrekking tot het gedeelte van een subsidie natuurbeheer dat ziet op de</al><al>toeslag, bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, onderdeel b, voor zover de derde niet in staat is de aan</al><al>die toeslag verbonden verplichtingen na te leven, maar stellen zij ambtshalve het betreffende deel</al><al>van de subsidie naar evenredigheid vast.</al><al>7. Onverminderd het vijfde lid honoreren Gedeputeerde Staten, indien er sprake is van een</al><al>gedeeltelijke overdracht van een natuurterrein, een landschapselement, een beheereenheid of</al><al>een beheerpakket landschap, een aanvraag als bedoeld in het eerste of tweede lid slechts indien</al><al>zowel het overgedragen deel als het resterende deel voldoen aan de eisen van het</al><al>desbetreffende natuurbeheertype, onderscheidenlijk de instapeisen van het desbetreffende</al><al>landschapbeheertype, agrarisch beheerpakket of beheerpakket landschap.</al><al>8. Een wijziging van een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in het vijfde lid treedt in</al><al>werking met ingang van het kalenderjaar respectievelijk beheerjaar waarin de derde op de</al><al>peildatum als begunstigde aangemerkt kan worden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.4 (overdracht aan Staatsbosbeheer, TBO of BBL)</titel></kop><al>1. Een ontvanger van een subsidie natuurbeheer, een subsidie agrarisch natuurbeheer of een</al><al>subsidie landschapsbeheer kan, als hij de zeggenschap over het beheer of het beheer geheel of</al><al>gedeeltelijk overdraagt aan Staatsbosbeheer, het Bureau beheer landbouwgronden of een</al><al>instelling als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, van de Regeling subsidies particuliere</al><al>terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties zoals dat artikel tot 1 januari 2008 luidde, een</al><al>aanvraag indienen tot gehele of gedeeltelijke intrekking van de beschikking tot subsidieverlening</al><al>en de naar evenredigheid gehele of gedeeltelijke voortijdige vaststelling van die subsidie.</al><al>2. Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot subsidieverlening inzake agrarisch</al><al>natuurbeheer of landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, naar</al><al>aanleiding van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid met ingang van de datum van</al><al>overdracht slechts geheel of gedeeltelijk intrekken en naar evenredigheid vaststellen, als voldaan</al><al>is aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 44, tweede lid, onderdeel c, van Verordening (EG) nr.</al><al>1974/2006.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.5 (wijziging subsidie ivm vergroting areaal)</titel></kop><al>1. Een ontvanger van een subsidie natuurbeheer, een subsidie agrarisch natuurbeheer of een</al><al>subsidie landschapsbeheer kan éénmaal per kalenderjaar onderscheidenlijk beheerjaar een</al><al>aanvraag indienen tot wijziging van de beschikking tot subsidieverlening met ingang van het</al><al>volgend kalenderjaar of beheerjaar, gericht op de vergroting van het areaal waarvoor subsidie</al><al>wordt verstrekt.</al><al>2. Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot verlening van een subsidie natuurbeheer naar</al><al>aanleiding van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wijzigen als die wijziging leidt tot een</al><al>verhoging van de jaarvergoeding van ten minste €50,- per kalenderjaar. De artikelen 1.3, eerste</al><al>lid, 3.3, 3.4 en 3.5 zijn van overeenkomstige toepassing.</al><al>3. Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot verlening van een subsidie agrarisch</al><al>natuurbeheer naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wijzigen als:</al><al>a. de vergroting niet meer dan twee hectare bedraagt en evenmin meer dan 10% van het</al><al>areaal landbouwgrond waarvoor de aanvrager al subsidie ontvangt, én</al><al>b. de wijziging leidt tot een verhoging van de jaarbetaling van ten minste €50,- per</al><al>beheerjaar.</al><al>De artikelen 1.3, eerste lid, 4.1.1.3, 4.1.1.4 en 4.1.1.5 zijn van overeenkomstige toepassing, met</al><al>uitzondering van de in de agrarische beheerpakketten opgenomen eis ten aanzien van de</al><al>minimale oppervlakte van de beheereenheid voor zover het areaal landbouwgrond waarop de</al><al>aanvraag tot wijziging ziet grenst aan landbouwgrond waarvoor de aanvrager al subsidie ontvangt,</al><al>én op de beide aldus aanééngrenzende arealen eenzelfde agrarisch beheerpakket zal worden</al><al>uitgevoerd.</al><al>4. Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot verlening van een subsidie landschapsbeheer</al><al>als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, naar aanleiding van een aanvraag als</al><al>bedoeld in het eerste lid wijzigen als die wijziging leidt tot een verhoging van de jaarvergoeding</al><al>van ten minste €50,- per kalenderjaar. De artikelen 1.3, eerste lid, 5.1.1.3, 5.1.2.1, en 5.1.2.2 zijn</al><al>van overeenkomstige toepassing.</al><al>5. Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot subsidieverlening inzake landschapsbeheer als</al><al>bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in</al><al>het eerste lid wijzigen als:</al><al>a. de vergroting niet meer dan twee hectare bedraagt en evenmin meer dan 10% bedraagt</al><al>van het aantal hectares, meters of stuks waarvoor de aanvrager al subsidie ontvangt, én</al><al>b. de wijziging leidt tot een verhoging van de jaarvergoeding van ten minste €50,- per</al><al>kalenderjaar.</al><al>De artikelen 1.3, eerste lid, 5.1.1.3, 5.1.3.1 en 5.1.3.2 zijn van overeenkomstige toepassing, met</al><al>uitzondering van de in de beheerpakketten landschap opgenomen eis ten aanzien van de</al><al>minimale oppervlakte van het landschapselement voor zover het beheerpakket landschap waarop</al><al>de aanvraag tot wijziging ziet betrekking heeft op een landschapselement dat grenst aan een</al><al>landschapselement waarvoor de aanvrager al subsidie ontvangt, én dat ten behoeve van de beide</al><al>aldus aanééngrenzende landschapselementen eenzelfde beheerpakket landschap zal worden</al><al>uitgevoerd.</al><al>6. Als een in het eerste lid bedoelde aanvraag betrekking heeft op het vergroten van het areaal</al><al>waarvoor een subsidie agrarisch natuurbeheer in het kader van collectief agrarisch wordt</al><al>verstrekt:</al><al>a. is het derde lid, onderdeel a, niet van toepassing en artikel 4.1.1.4 niet van</al><al>overeenkomstige toepassing;</al><al>b. is er slechts sprake van een aanvraag als bedoeld in het onderhavige artikel voor zover</al><al>de extra oppervlakte de maximale oppervlakte, bedoeld in artikel 4.1.2.3, onderdeel a,</al><al>voor het betreffende gebied overschrijdt.</al><al>7. In afwijking van de artikelen 3.7, tweede lid, 5.1.2.4, tweede lid en 5.1.3.5, eerste lid wordt, indien</al><al>Gedeputeerde Staten de beschikking tot subsidieverlening op grond van een in het eerste lid van</al><al>het onderhavige artikel bedoelde aanvraag wijzigen, de uit die wijziging voortvloeiende verhoging</al><al>van de subsidie en jaarvergoedingen gebaseerd op de tarieven die golden in het kalenderrespectievelijk</al><al>beheerjaar waarin de aanvraag is ingediend zoals die luidde vóórdat voor het eerst</al><al>een aanvraag tot wijziging van de betreffende beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in het</al><al>eerste lid is ingediend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.6 (wijziging subsidie ivm verkleining)</titel></kop><al>1. Een ontvanger van een subsidie natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in</al><al>artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, kan een aanvraag tot gehele of gedeeltelijke intrekking van</al><al>de beschikking tot subsidieverlening en de naar evenredigheid gehele of gedeeltelijke voortijdige</al><al>vaststelling van die subsidie indienen met het oog op de verkleining van het areaal waarvoor de</al><al>subsidie wordt verstrekt, als die verkleining het gevolg is van de realisatie van een werk van</al><al>algemene nutte.</al><al>2. Een ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer, een probleemgebiedensubsidie of een</al><al>subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, kan een</al><al>aanvraag tot gehele of gedeeltelijke intrekking van de beschikking tot subsidieverlening en de</al><al>naar evenredigheid gehele of gedeeltelijke voortijdige vaststelling van die subsidie indienen, als hij</al><al>als gevolg van omstandigheden als bedoeld in artikel 45, vierde lid, van Verordening (EG) nr.</al><al>1974/2006 de subsidieverplichtingen niet langer kan nakomen.</al><al>3. Gedeputeerde Staten trekken de desbetreffende subsidie voor het betreffende deel in en stellen</al><al>haar naar evenredigheid vast als voldaan is aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste</al><al>onderscheidenlijk tweede lid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.7 (beëindiging subsidie natuurbeheer ivm wijziging natuurbeheertype)</titel></kop><al>1. Een ontvanger van een subsidie natuurbeheer kan een aanvraag indienen tot gehele of</al><al>gedeeltelijke intrekking van de beschikking tot subsidieverlening en de naar evenredigheid gehele</al><al>of gedeeltelijke voortijdige vaststelling van die subsidie, als hij op het natuurterrein of deel daarvan</al><al>waarvoor hij de subsidie ontvangt, maatregelen treft die zijn gericht op een wijziging van het op</al><al>dat natuurterrein in stand te houden natuurbeheertype.</al><al>2. Gedeputeerde Staten kunnen de beschikking tot subsidieverlening naar aanleiding van een</al><al>aanvraag als bedoeld in het eerste lid intrekken vanaf het moment dat de maatregelen, bedoeld in</al><al>het eerste lid, van start gaan, en de subsidie naar evenredigheid geheel of gedeeltelijk vaststellen,</al><al>als:</al><al>a. de wijziging van het natuurbeheertype op grond van het natuurbeheerplan is toegestaan;</al><al>b. de wijziging van het natuurbeheertype gericht is op een versterkte bescherming van de</al><al>natuur, én</al><al>c. de subsidieontvanger schriftelijk verklaart ten minste zes jaar na afronding van de</al><al>inrichtingsmaatregelen, bedoeld in artikel 11 van de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls</al><al>natuur en landschap, beheer gericht op de instandhouding van het gewijzigde</al><al>natuurbeheertype te blijven voeren. Deze verplichting vervalt voor zover hij voor die</al><al>gewijzigde instandhouding een subsidie natuurbeheer op grond van de onderhavige</al><al>verordening heeft aangevraagd en ontvangt. De hiervóór bedoelde subsidieaanvraag</al><al>wordt ingediend in de eerstvolgende openstellingsperiode na het indienen van de</al><al>aanvraag tot subsidievaststelling, bedoeld in artikel 14c van de Subsidieregeling</al><al>kwaliteitsimpuls natuur en landschap.</al><al>3. Indien een subsidieontvanger subsidie ontvangt op grond van een aanvraag als bedoeld in het</al><al>tweede lid, onderdeel c, tweede volzin, en de beschikking tot subsidieverlening wordt ingetrokken</al><al>omdat de subsidieontvanger toerekenbaar niet voldaan heeft aan de subsidieverplichtingen, dan</al><al>is voor de resterende periode de in het tweede lid, onderdeel c, eerste volzin, bedoelde</al><al>instandhoudingsplicht weer van toepassing tot de termijn van zes jaar na afronding van de</al><al>inrichtingsmaatregelen is verstreken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.8 (wijziging baseline)</titel></kop><al>1. Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot verlening van een subsidie agrarisch</al><al>natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid,</al><al>onderdeel b, wijzigen als dit ingevolge artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1974/2006 noodzakelijk</al><al>is.</al><al>2. Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot verlening van een subsidie agrarisch</al><al>natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid,</al><al>onderdeel b, intrekken met ingang van het moment waarop zich de situatie als bedoeld in artikel</al><al>46 van Verordening (EG) nr. 1974/2006 voordoet en de subsidie naar evenredigheid ambtshalve</al><al>vaststellen als de subsidieontvanger een wijziging ingevolge het eerste lid niet aanvaardt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.9 (wijziging activiteiten organisatiekosten )</titel></kop><al>1. Een ontvanger van een subsidie organisatiekosten kan jaarlijks een aanvraag indienen tot</al><al>wijziging van de beschikking tot subsidieverlening.</al><al>2. De aanvraag tot wijziging van een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in het eerste lid</al><al>wordt ingediend uiterlijk op 31 oktober voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor de wijziging</al><al>wordt aangevraagd.</al><al>3. De aanvraag tot wijziging van een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in het eerste lid</al><al>gaat vergezeld van:</al><al>a. een onderbouwing van de wijziging;</al><al>b. een gewijzigd activiteitenplan, én</al><al>c. een gewijzigde begroting.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 8 Certificering en subsidie certificeringskosten</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk 8 Certificering</titel></kop><artikel><kop><titel>Paragraaf 8.1 Certificering</titel></kop><al></al><al></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.1 (bevoegdheid tot certificering)</titel></kop><al>1. Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag afgeven:</al><al>a. een certificaat natuurbeheer;</al><al>b. een certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer;</al><al>c. een certificaat coördinatie agrarisch natuurbeheer.</al><al>2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend bij de in artikel 8.1.7 bedoelde</al><al>stichting, met dien verstande dat een dergelijke aanvraag niet vóór 15 november 2010 ingediend</al><al>kan worden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.2 (wie kunnen worden gecertificeerd)</titel></kop><al>1. Voor een certificaat natuurbeheer komen in aanmerking begunstigden als bedoeld in de artikelen</al><al>3.3, eerste lid, onderdeel a, en 5.1.2.1, eerste lid, onderdeel a.</al><al>2. Voor een certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer komen in aanmerking begunstigden als</al><al>bedoeld in de artikelen 3.3, eerste lid, onderdeel b, en 5.1.2.1, eerste lid, onderdeel b.</al><al>3. Voor een certificaat coördinatie agrarisch natuurbeheer komen in aanmerking rechtspersonen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.3 (certificeringsvoorwaarden)</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen een in artikel 8.1.1, eerste lid, bedoeld certificaat afgeven als is voldaan</al><al>aan de voorwaarden, opgenomen in het corresponderende onderdeel van het Programma van Eisen</al><al>Kwaliteitshandboek Natuurbeheer, zoals dat door Gedeputeerde Staten is vastgesteld en</al><al>gepubliceerd in het Provinciaal Blad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.4 (aan certificering verbonden verplichtingen)</titel></kop><al>Een houder van een in artikel 8.1.1, eerste lid, bedoeld certificaat:</al><al>a. draagt er zorg voor dat hij blijft voldoen aan de certificeringsvoorwaarden die behoren bij</al><al>het aan hem afgegeven certificaat;</al><al>b. draagt er zorg voor dat door of vanwege Gedeputeerde Staten audits kunnen worden</al><al>uitgevoerd in het kader van de naleving van de certificeringsvoorwaarden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.5 (schorsing en intrekking certificaat)</titel></kop><al>1. Gedeputeerde Staten kunnen het certificaat voor een door hen te bepalen termijn schorsen als de</al><al>houder van het certificaat niet voldoet aan één of meerdere certificeringsvoorwaarden.</al><al>2. Gedeputeerde Staten kunnen het certificaat intrekken als:</al><al>a. na afloop van de schorsingstermijn, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de houder van het</al><al>certificaat nog steeds niet voldoet aan de betreffende certificeringsvoorwaarde;</al><al>b. blijkt dat binnen een periode van 52 weken na afloop van de schorsingstermijn, bedoeld in</al><al>het eerste lid, de houder van het certificaat opnieuw niet voldoet aan de betreffende</al><al>certificeringsvoorwaarde;</al><al>c. de houder van het certificaat opzettelijk een onjuiste aanvraag heeft ingediend ter</al><al>verkrijging van een subsidie, bedoeld in de artikelen 3.1, 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a,</al><al>of 6.1, of willens en wetens heeft meegewerkt aan het indienen van een onjuiste aanvraag</al><al>ter verkrijging door een landbouwer van een in artikel 4.1.2.4 bedoelde toeslag.</al><al>3. De certificering wordt niet geschorst of ingetrokken als het niet voldoen aan de betreffende</al><al>certificeringsvoorwaarde het gevolg is van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.6 (rechtsgevolgen intrekken certificaat)</titel></kop><al>1. Als Gedeputeerde Staten een certificaat natuurbeheer of een certificaat samenwerkingsverband</al><al>natuurbeheer intrekken dat is afgegeven aan:</al><al>a. een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die, respectievelijk</al><al>b. een samenwerkingsverband dat,</al><al>een subsidie natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste</al><al>lid, onderdeel a, ontvangt, wordt met ingang van de datum van intrekking van het certificaat de</al><al>beschikking dan wel de beschikkingen tot verlening van die subsidie of subsidies ingetrokken,</al><al>waarbij die subsidie of subsidies naar evenredigheid worden vastgesteld.</al><al>2. Het bepaalde in het eerste lid vindt geen toepassing als de voormalig gecertificeerde begunstigde</al><al>binnen acht weken na de datum van intrekking van het certificaat verzoekt de betreffende</al><al>subsidieverlening met ingang van die datum te wijzigen in een subsidieverlening op basis van de</al><al>rechten en plichten zoals die voor niet-gecertificeerde begunstigden gelden.</al><al>3. Als Gedeputeerde Staten een certificaat coördinatie agrarisch natuurbeheer intrekken, draagt de</al><al>voormalig gebiedscoördinator zijn werkzaamheden en de daarop betrekking hebbende stukken in</al><al>goede orde over aan een door Gedeputeerde Staten aangewezen gebiedscoördinator of</al><al>ambtenaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.7 (mandaat Stichting)</titel></kop><al>1. Besluiten tot het afgeven, schorsen of intrekken van een in artikel 8.1.1, eerste lid, bedoeld</al><al>certificaat worden namens Gedeputeerde Staten genomen door het bestuur van de Stichting</al><al>Certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer.</al><al>2. In afwijking van artikel 11.1 wordt het toezicht op de naleving van de aan het betreffende</al><al>certificaat verbonden certificeringsvoorwaarden namens Gedeputeerde Staten uitgeoefend door</al><al>het bestuur van de Stichting Certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 8.2 </titel></kop><al></al><al></al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 9 Collectief beheerplan</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk 9 Collectief beheerplan</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9.1 (aanvraag vaststelling collectief beheerplan of wijziging daarvan)</titel></kop><al>Een gebiedscoördinator kan bij Gedeputeerde Staten een aanvraag indienen tot vaststelling van:</al><al>a. een collectief beheerplan;</al><al>b. een wijziging van een op grond van artikel 9.2 vastgesteld collectief beheerplan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.2 (goedkeuring collectief beheerplan of wijziging daarvan)</titel></kop><al>1. Gedeputeerde Staten kunnen een collectief beheerplan dan wel een wijziging van een op grond</al><al>van dit artikel vastgesteld collectief beheerplan vaststellen als:</al><al>a. de aanvraag tot vaststelling is ingediend door een gebiedscoördinator die het beheer in</al><al>het betreffende gebied coördineert;</al><al>b. de aanvraag tot vaststelling uiterlijk op 15 december voorafgaand aan een beheerjaar is</al><al>ingediend;</al><al>c. het collectief beheerplan dan wel de wijziging van een op grond van dit artikel vastgesteld</al><al>collectief beheerplan past binnen het natuurbeheerplan zoals dat zes weken vóór</al><al>indiening van de in artikel 9.1 bedoelde aanvraag geldt, én</al><al>d. het collectief beheerplan dan wel de wijziging van een op grond van dit artikel vastgesteld</al><al>collectief beheerplan voldoet aan de eisen, bedoeld in bijlage 5, onderdeel A</al><al>respectievelijk onderdeel B.</al><al>2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan een aanvraag als bedoeld in het eerste lid tot</al><al>uiterlijk 1 februari van een beheerjaar worden aangepast, voor zover in die aangepaste aanvraag</al><al>in vergelijking tot de in het eerste lid bedoelde aanvraag:</al><al>a. geen nieuwe begunstigden zijn opgenomen, tenzij:</al><al>i. het een geval van overdracht van een subsidie agrarisch natuurbeheer</al><al>als bedoeld in artikel 7.3, tweede lid, betreft, én</al><al>ii. de overgedragen subsidie agrarisch natuurbeheer werd verstrekt in het kader</al><al>van collectief agrarisch natuurbeheer;</al><al>b. geen vergrotingen van het areaal als bedoeld in artikel 7.5, derde lid, zijn opgenomen</al><al>die de maximale oppervlakte, bedoeld in artikel 4.1.2.3, onderdeel a, overstijgen.</al><al>3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid dient een aanpassing als bedoeld in dat lid in</al><al>overeenstemming te zijn met de eisen, bedoeld in bijlage 5, onderdeel A respectievelijk onderdeel</al><al>B.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 10 Verlaging jaarvergoeding en subsidies en Hoofdstuk 11 Controle</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk 10 Verlaging jaarvergoeding en subsidies</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10.1 (niet-naleving subsidieverplichtingen)</titel></kop><al>1. Als een ontvanger van een subsidie natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld</al><al>in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, niet voldoet aan de aan de betreffende subsidie</al><al>verbonden verplichtingen, verlagen Gedeputeerde Staten de jaarvergoeding, bedoeld in de</al><al>artikelen 3.7, tweede lid en 5.1.2.4, tweede lid.</al><al>2. Als een ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer, een aanvullende toeslag als bedoeld</al><al>in artikel 4.1.2.4, eerste lid, een probleemgebiedensubsidie of een subsidie landschapsbeheer als</al><al>bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, niet voldoet aan de aan de betreffende subsidie</al><al>of toeslag verbonden verplichtingen, niet zijnde de in artikel 10.2 bedoelde verplichtingen,</al><al>verlagen Gedeputeerde Staten:</al><al>a. de jaarvergoeding, bedoeld in de artikelen 4.1.1.7, tweede lid, en 5.1.3.4, tweede lid;</al><al>b. de aanvullende toeslag, bedoeld in artikel 4.1.2.4, eerste lid;</al><al>c. het bedrag dat ingevolge artikel 4.2.9 wordt vastgesteld,</al><al>overeenkomstig:</al><al>i. artikel 16 van Verordening (EG) nr. 1975/2006 indien de omvang van het</al><al>uitgevoerde agrarisch beheerpakket, het uitgevoerde beheerpakket landschap of</al><al>de oppervlakte van de landbouwgrond waarop wordt voldaan aan de</al><al>voorwaarden die zijn verbonden aan een de toeslag, bedoeld in artikel 4.1.2.4,</al><al>eerste lid, of een probleemgebiedensubsidie, kleiner is dan de omvang waarvoor</al><al>die subsidie of toeslag is verleend;</al><al>ii. artikel 18 van Verordening 1975/2006 en, voor zover ruimte resteert voor de</al><al>toepassing daarvan, de Beleidsregels verlagen subsidie POP2, indien de nietnaleving</al><al>een andere verplichting betreft als bedoeld onder i. of in artikel 10.2,</al><al>voor zover het een in de aanhef bedoelde subsidie betreft die gedeeltelijk wordt gefinancierd met</al><al>Europese middelen.</al><al>3. De in het tweede lid, onder i. en ii. genoemde artikelen en beleidsregels zijn van overeenkomstige</al><al>toepassing op subsidies als bedoeld in de aanhef van het tweede lid die niet geheel of gedeeltelijk</al><al>worden gefinancierd met Europese middelen.</al><al>4. Bij de toepassing van het tweede lid, aanhef en onder i, wordt door Gedeputeerde Staten rekening</al><al>gehouden met het bepaalde in artikel 66 van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 van de</al><al>minister, zoals dat artikel vanaf 1 januari 2010 luidt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10.2 (niet-naleving randvoorwaarden)</titel></kop><al>1. Gedeputeerde Staten verlagen:</al><al>a. de jaarvergoeding, bedoeld in de artikelen 4.1.1.7, tweede lid, en 5.1.3.4, tweede lid;</al><al>b. de aanvullende toeslag, bedoeld in artikel 4.1.2.4, eerste lid;</al><al>c. het bedrag dat ingevolge artikel 4.2.9 wordt vastgesteld,</al><al>overeenkomstig artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1975/2006 en, voor zover ruimte resteert voor</al><al>de toepassing daarvan, de Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB, als de ontvanger</al><al>van een subsidie agrarisch natuurbeheer, een aanvullende toeslag als bedoeld in artikel 4.1.2.4,</al><al>eerste lid, een probleemgebiedensubsidie of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel</al><al>5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, in dat beheerjaar of kalenderjaar niet voldoet aan de</al><al>verplichtingen, bedoeld in respectievelijk artikel 4.1.1.6, eerste lid, onderdeel c, bijlage 7,</al><al>onderdeel C, subonderdeel 1 dan wel 2, artikel 4.2.6, onderdeel a, of artikel 5.1.3.3, eerste lid,</al><al>onderdeel b.</al><al>2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een subsidie agrarisch natuurbeheer, een</al><al>probleemgebiedensubsidie of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste</al><al>lid, onderdeel b, die niet gedeeltelijk worden gefinancierd met Europese middelen, voor zover niet</al><al>is voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 4.1.1.6, eerste lid, onderdeel c, respectievelijk</al><al>artikel 4.2.6, onderdeel a, of artikel 5.1.3.3, eerste lid, onderdeel b.</al><al>Artikel 10.3 (<cursief>niet-nalevingen en overdracht</cursief>)</al><al>1. Als een subsidie natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1,</al><al>eerste lid, onderdeel a, overeenkomstig artikel 7.3, eerste lid, is overgedragen aan een derde,</al><al>wordt de jaarvergoeding die wordt uitgekeerd aan die derde ook verlaagd als aan de verplichting</al><al>niet is voldaan door de oorspronkelijke subsidieontvanger.</al><al>2. Als een subsidie agrarisch natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in</al><al>artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, overeenkomstig artikel 7.3, tweede lid, is overgedragen aan</al><al>een derde, wordt de jaarvergoeding die wordt uitgekeerd aan die derde ook verlaagd als aan de</al><al>verplichting niet is voldaan door de oorspronkelijke subsidieontvanger.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10.4 (gevallen van overmacht en onvoorziene omstandigheden) </titel></kop><al></al><al></al></artikel><artikel><kop><titel></titel></kop><al></al><al></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10.5 (gevolgen niet-nalevingen voor de subsidievaststelling)</titel></kop><al>Bij de vaststelling van de subsidies, bedoeld in de artikelen 10.1 en 10.2, houden Gedeputeerde</al><al>Staten rekening met verlagingen die ingevolge die artikelen zijn opgelegd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk 11 Controle</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11.1 (toezicht op naleving subsidieverplichtingen)</titel></kop><al>1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn de</al><al>bij besluit van Gedeputeerde Staten aangewezen ambtenaren belast.</al><al>2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in het</al><al>Provinciaal Blad.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 12 Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk 12 Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12.1 (intrekken PSN en PSAN)</titel></kop><al>1. De Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Drenthe en de hoofdstukken 5 en 6 van de</al><al>Subsidieregeling natuurbeheer Drenthe worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2010.</al><al>2. De Subsidieregeling natuurbeheer Drenthe wordt, voor zover in het eerste lid niet anders is</al><al>bepaald, ingetrokken op een nader door Gedeputeerde Staten te bepalen tijdstip.</al><al>3. Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in het</al><al>Provinciaal Blad.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Artikel 12.2 (uitdienen onder bestaande voorwaarden)</titel></kop><structuurtekst><al>1. Bestaande aanspraken en verplichtingen op grond van de Subsidieregeling agrarisch</al><al>natuurbeheer Drenthe en de Subsidieregeling natuurbeheer Drenthe blijven in stand.</al><al>2. Op subsidieaanvragen ingediend op grond van de regelingen, genoemd in het eerste lid, blijft het</al><al>recht van toepassing zoals dat gold voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze verordening.</al><al>3. Het eerste en het tweede lid zijn slechts van toepassing voor zover de beschikking tot</al><al>subsidieverlening op grond van de in die leden genoemde regelingen niet overeenkomstig artikel</al><al>12.3 is gewijzigd.</al><al>4. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid van het onderhavige artikel respectievelijk artikel 34,</al><al>tweede lid, van de Regeling inrichting landelijk gebied van de minister, is artikel 66 van de</al><al>Regeling GLB-inkomenssteun van de minister van overeenkomstige toepassing voor zover</al><al>subsidie wordt verstrekt voor de instandhouding van één of meerdere beheerspakketten zoals</al><al>opgenomen in:</al><al>a. de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Drenthe, respectievelijk</al><al>b. de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de minister, voor zover de uit die regeling</al><al>voortvloeiende verplichtingen op grond van artikel 4 van de Regeling inrichting landelijk</al><al>gebied van de minister door Gedeputeerde Staten zijn overgenomen.</al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 12.3 (vrijwillig overstappen mogelijk)</titel></kop><al>1. Een ontvanger van één of meerdere subsidies op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer</al><al>Drenthe of de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de minister kan bij Gedeputeerde Staten</al><al>een aanvraag indienen tot omzetting van die subsidies in één subsidie op basis van de</al><al>onderhavige verordening, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:</al><al>a. de aanvraag heeft betrekking op alle beheerseenheden die in hun geheel binnen de</al><al>provincie liggen en waarvoor subsidie wordt ontvangen op grond van de in de aanhef van</al><al>dit lid genoemde regelingen;</al><al>b. voor het basis-, plus- of landschapspakket bestaat een equivalent natuurbeheertype</al><al>onderscheidenlijk landschapselement als bedoeld in de onderhavige verordening;</al><al>c. de omzetting is in overeenstemming met het natuurbeheerplan en de overige</al><al>voorwaarden van de onderhavige verordening;</al><al>d. de aanvraag wordt ingediend in de openstellingsperiode voor het begrotingsjaar 2011, én</al><al>e. de omzetting geschiedt voor een geheel nieuwe periode als bedoeld in artikel 3.2</al><al>onderscheidenlijk artikel 5.1.1.2, waarbij die periode slechts kan ingaan op 1 januari 2011.</al><al>2. Indien subsidie wordt verstrekt aan anderen dan beheerders zoals bedoeld in de artikelen 5 en 6</al><al>van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de minister of artikel 5 van de Subsidieregeling</al><al>natuurbeheer Drenthe, kan de ontvanger van de subsidie slechts een aanvraag als bedoeld in het</al><al>eerste lid indienen voor zover:</al><al>a. hij aangemerkt kan worden als samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 3.3, eerste</al><al>lid, onderdeel b, of artikel 5.1.2.1, eerste lid, onderdeel b;</al><al>b. hij dit schriftelijk is overeengekomen met de betreffende beheerder, én,</al><al>c. in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, de aanvraag betrekking heeft op alle</al><al>beheerseenheden van de in onderdeel b van het onderhavige lid bedoelde beheerder die</al><al>in hun geheel binnen de provincie liggen en waarvoor subsidie wordt ontvangen op grond</al><al>van de in de aanhef van het eerste lid genoemde regelingen.</al><al>3. Een beheerder als bedoeld in het tweede lid kan voor de door hem beheerde beheerseenheden</al><al>een aanvraag als bedoeld in het eerste lid indienen, mits:</al><al>a. hij dit schriftelijk is overeengekomen met de ontvanger van de betreffende subsidie, én</al><al>b. onverminderd de verdere voorwaarden in het eerste lid, de aanvraag betrekking heeft op</al><al>al zijn beheerseenheden die in hun geheel binnen de provincie liggen en waarvoor</al><al>subsidie wordt verleend op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de</al><al>minister of de Subsidieregeling natuurbeheer Drenthe.</al><al>4. Indien een subsidieontvanger als bedoeld in het eerste tot en met derde lid een in het eerste lid</al><al>bedoelde aanvraag indient voor een in de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de minister of</al><al>de Subsidieregeling natuurbeheer Drenthe opgenomen landschapselement dat wordt beschermd</al><al>door een raster als bedoeld in bijlage 56 van die regelingen, dan dient dat raster eveneens in de in</al><al>het eerste lid bedoelde aanvraag te worden opgenomen.</al><al>5. Een ontvanger van een subsidie op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer</al><al>Drenthe kan bij Gedeputeerde Staten een aanvraag indienen tot wijziging van die beschikking tot</al><al>subsidieverlening, inhoudende het voor de resterende looptijd van de beschikking tot</al><al>subsidieverlening vervangen van de rechten en verplichtingen die behoren bij de betreffende</al><al>subsidie door de rechten en verplichtingen die, op grond van de onderhavige verordening,</al><al>behoren bij een subsidie agrarisch natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in</al><al>artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b.</al><al>6. Indien een subsidieontvanger als bedoeld in het vijfde lid een in dat lid bedoelde aanvraag indient</al><al>voor een in de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Drenthe opgenomen landschapselement</al><al>dat wordt beschermd door een raster als bedoeld in bijlage 46 van die regeling, dan dient dat</al><al>raster eveneens in de in het vijfde lid bedoelde aanvraag te worden opgenomen.</al><al>7. Gedeputeerde Staten kunnen de beschikking tot subsidieverlening naar aanleiding van een</al><al>aanvraag als bedoeld in het vijfde lid met ingang van 1 januari 2012 wijzigen als:</al><al>a. de beheerseenheden in hun geheel binnen de provincie liggen;</al><al>b. de wijziging in overeenstemming is met het natuurbeheerplan en bijlage 8, alsmede de</al><al>overige voorwaarden van de onderhavige verordening, én</al><al>c. de aanvraag wordt ingediend in de openstellingsperiode voor het begrotingsjaar 2012.</al><al>8. In afwijking van het eerste respectievelijk vijfde lid:</al><al>a. kunnen beheerders als bedoeld in artikel 21 van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000</al><al>van de minister, artikel 18 van de Subsidieregeling natuurbeheer Drenthe respectievelijk</al><al>artikel 24 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Drenthe geen aanvragen als</al><al>bedoeld in het eerste respectievelijk vijfde lid indienen;</al><al>b. kan, indien subsidie wordt verstrekt aan anderen dan beheerders zoals bedoeld in artikel</al><al>5 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Drenthe, niet de ontvanger van de</al><al>betreffende subsidie, maar de in die bepaling bedoelde beheerders, elk voor de door hem</al><al>beheerde beheerseenheden, de in het vijfde lid van het onderhavige artikel bedoelde</al><al>aanvraag indienen, mits:</al><al>i. zij dit schriftelijk overeenkomen met de ontvanger van de betreffende subsidie, én</al><al>ii. onverminderd de verdere voorwaarden in het zevende lid, de aanvraag betrekking</al><al>heeft op al zijn beheerseenheden die in hun geheel binnen de provincie liggen en</al><al>waarvoor subsidie wordt verleend op grond van de Subsidieregeling agrarisch</al><al>natuurbeheer Drenthe.</al><al>9. Gedeputeerde Staten kunnen in een besluit als bedoeld in artikel 1.3 opnemen dat de omzetting</al><al>dan wel wijziging van de beschikking tot subsidieverlening zoals bedoeld in het onderhavige</al><al>artikel voor bepaalde basis-, plus-, beheers- of landschapspakketten, categorieën van</al><al>begunstigden of gebieden is uitgesloten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.4 (langere subsidieperiode)</titel></kop><al>Als een begunstigde na de einddatum van een subsidie op grond van:</al><al>a. de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Drenthe;</al><al>b. de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de minister;</al><al>c. de Subsidieregeling natuurbeheer Drenthe;</al><al>d. de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de minister;</al><al>een subsidie natuurbeheer, een subsidie agrarisch natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer</al><al>wenst te ontvangen, kunnen Gedeputeerde Staten de betreffende subsidie slechts verstrekken als:</al><al>i. in afwijking van de artikelen 3.2, 4.1.1.2 en 5.1.1.2, de begunstigde zich ertoe</al><al>verbindt de aan de subsidie natuurbeheer, de subsidie agrarisch natuurbeheer of de</al><al>subsidie landschapsbeheer verbonden verplichtingen eveneens te zullen naleven</al><al>gedurende de periode, gelegen tussen de einddatum van de subsidie op grond van de</al><al>hiervoor genoemde regelingen en de datum waarop de subsidie natuurbeheer, de subsidie</al><al>agrarisch natuurbeheer of de subsidie landschapsbeheer zou zijn ingegaan indien geen</al><al>verlenging van die periode zou hebben plaatsgevonden;</al><al>ii. het beheer dat op grond van de onderhavige verordening gevoerd wordt een voortzetting is</al><al>van het beheer dat gevoerd werd op grond van de hiervoor genoemde regelingen, tenzij die</al><al>regelingen geen soortgelijk beheer kennen, én</al><al>iii. de aanvraag zo spoedig als op grond van de onderhavige verordening mogelijk is, wordt</al><al>ingediend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.5 (niet-gecertificeerden tot 1 januari 2013)</titel></kop><al>1. Een begunstigde als bedoeld in de artikelen 3.3, eerste lid, of 5.1.2.1, eerste lid, die een aanvraag</al><al>indient voor een subsidie natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel</al><al>5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, wordt aangemerkt als ware hij gecertificeerd begunstigde, mits hij</al><al>uiterlijk 1 januari 2011 een aanvraag tot certificering bij Gedeputeerde Staten heeft ingediend. Het</al><al>aanmerken van de begunstigde als ware hij gecertificeerd begunstigde eindigt op de datum dat</al><al>Gedeputeerde Staten hebben besloten op de aanvraag tot certificering, doch uiterlijk op 1 januari</al><al>2013.</al><al>2. Een rechtspersoon die een aanvraag indient tot vaststelling van een collectief beheerplan wordt</al><al>aangemerkt als ware hij gebiedscoördinator, mits hij uiterlijk 1 januari 2011 een aanvraag tot</al><al>certificering bij Gedeputeerde Staten heeft ingediend. Het aanmerken van de rechtspersoon als</al><al>ware hij gebiedscoördinator eindigt op de datum dat Gedeputeerde Staten hebben besloten op de</al><al>aanvraag tot certificering, doch uiterlijk op 1 januari 2013.</al><al>3. Artikel 8.1.6, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing indien Gedeputeerde</al><al>Staten de in het eerste lid van het onderhavige artikel bedoelde aanvraag tot certificering afwijzen,</al><al>met dien verstande dat het in het tweede lid van artikel 8.1.6 bedoelde verzoek, in afwijking van</al><al>de tekst van dat onderdeel, uiterlijk binnen acht weken na de afwijzing van de aanvraag wordt</al><al>ingediend.</al><al>4. Artikel 8.1.6, derde lid, is van overeenkomstige toepassing indien Gedeputeerde Staten de in het</al><al>tweede lid van het onderhavige artikel bedoelde aanvraag tot certificering afwijzen.</al><al>5. Als er in een gebied geen gebiedscoördinator of een rechtspersoon als bedoeld in het tweede lid</al><al>beschikbaar is, kan tot en met 31 december 2013 een daartoe door Gedeputeerde Staten</al><al>aangewezen ambtenaar optreden als gebiedscoördinator.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.6 (afwijkende beslistermijn op aanvragen 2010)</titel></kop><al>In afwijking van artikel 1.6, eerste lid, beslissen Gedeputeerde Staten binnen 20 weken op een</al><al>aanvraag als die aanvraag binnen één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening is</al><al>ontvangen, waarbij de beslissing éénmaal met ten hoogste tien weken kan worden verdaagd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.7 (afwijkende termijn bekendmaking openstellingsbesluit 2010)</titel></kop><al>In afwijking van de termijn, genoemd in artikel 1.3, vierde lid, maken Gedeputeerde Staten ten</al><al>behoeve van het begrotingsjaar 2010 een besluit als bedoeld in dat artikel uiterlijk op 14 november</al><al>2009 bekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.8 (goedkeuring Europese Commissie)</titel></kop><al>1. Subsidies of voorschotten daarop worden verstrekt onder het voorbehoud van goedkeuring van de</al><al>Commissie van de Europese Gemeenschappen.</al><al>2. De beslissing tot verstrekking van een subsidie of een voorschot daarop kan worden ingetrokken</al><al>of gewijzigd ter verkrijging van de goedkeuring van de Commissie van de Europese</al><al>Gemeenschappen voor de onderhavige verordening, of wegens het uitblijven daarvan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.9 (inwerkingtreding)</titel></kop><al>1. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2010.</al><al>2. In afwijking van het eerste lid treden de volgende onderdelen pas op een nader door</al><al>Gedeputeerde Staten te bepalen tijdstip in werking:</al><al>a. de artikelen 1.9, tweede lid, 5.1.1.1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 12.2 voor zover dat</al><al>artikel verwijst naar de Subsidieregeling natuurbeheer Drenthe of op grond van die</al><al>regeling ingediende aanvragen, en 12.3;</al><al>b. de hoofdstukken 3 en 6;</al><al>c. afdeling 5.1.2.</al><al>3. Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in het</al><al>Provinciaal Blad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.10 (citeertitel)</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Bijlage 1 Beheertypen natuur</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Bijlage 1: Beheertypen natuur</vet></al><table><title>Beheertypen natuur</title><tgroup cols="2"><colspec colnum="2" colname="C2"></colspec><colspec colnum="1" colname="C1"></colspec><colspec colnum="0" colname="C0"></colspec><thead><row><entry><al>Natuurtype </al></entry><entry><al>Natuurbeheertype </al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>N01 Grootschalige, dynamische natuur</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>N01.01 Zee en wad</al><al>N01.02 Duin- en kwelderlandschap</al><al>N01.03 Rivier- en moeraslandschap</al><al>N01.04 Zand- en kalklandschap</al></entry></row><row><entry namest="C1" nameend="C2"><al>N02 Rivieren</al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>N02.01 Rivier</al></entry></row><row><entry namest="C1" nameend="C2"><al>N03 Beken en bronnen</al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>N03.01 Beek en Bron</al></entry></row><row><entry namest="C1" nameend="C2"><al>N04 Stilstaande wateren</al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>N04.01 Kranswierwater</al><al>N04.02 Zoete Plas</al><al>N04.03 Brak water</al><al>N04.04 Afgesloten zeearm</al></entry></row><row><entry namest="C1" nameend="C2"><al>N05 Moerassen</al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>N05.01 moeras</al><al>N05.02 Gemaaid rietland</al></entry></row><row><entry namest="C1" nameend="C2"><al>N06 Voedselarme venen en vochtige heiden</al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>N06.01 Veenmosrietland en moerasheide</al><al>N06.02 Trilveen</al><al>N06.03 Hoogveen</al><al>N06.04 Vochtige heide</al><al>N06.05 Zwakgebufferd ven</al><al>N06.06 Zuur ven of hoogveenven</al></entry></row><row><entry namest="C1" nameend="C2"><al>N07 Droge heiden</al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>N07.01 Droge heide</al><al>N07.02 Zandverstuiving</al></entry></row><row><entry namest="C1" nameend="C2"><al>N08 Open duinen</al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>N08.01 Strand en embryonaal duin</al><al>N08.02 Open duin</al><al>N08.03 Vochtige duinvallei</al><al>N08.04 Duinheide</al></entry></row><row><entry namest="C1" nameend="C2"><al>N09 Schorren of kwelders</al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>N09.01 Schor of kwelder</al></entry></row><row><entry namest="C1" nameend="C2"><al>N10 Vochtige schraalgraslanden</al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>N10.01 Nat schraalland</al><al>N10.02 Vochtig schraalland</al></entry></row><row><entry namest="C1" nameend="C2"><al>N11 Droge schraalgraslanden</al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>N11.01 Droog schraalland</al></entry></row><row><entry namest="C1" nameend="C2"><al>N12 Rijke graslanden en akkers</al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>N12.01 Bloemdijk</al><al>N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland</al><al>N12.03 Glanshaverhooiland</al><al>N12.04 Zilt- en overstromingsgrasland</al><al>N12.05 Kruiden- en faunarijke akker</al><al>N12.06 Ruigteveld</al></entry></row><row><entry namest="C1" nameend="C2"><al>N13 Vogelgraslanden</al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>N13.01 Vochtig weidevogelgrasland</al><al>N13.02 Wintergastenweide</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><title>Beheertypen natuur</title><tgroup cols="2"><colspec colnum="2" colname="C2"></colspec><colspec colnum="1" colname="C1"></colspec><colspec colnum="0" colname="C0"></colspec><thead><row><entry><al>Natuurtype</al></entry><entry><al>Natuurbeheertype</al></entry></row></thead><tbody><row><entry namest="C1" nameend="C2"><al>N14 Vochtige bossen</al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos</al><al>N14.02 Hoog- en laagveenbos</al><al>N14.03 Haagbeuken- en essenbos</al></entry></row><row><entry namest="C1" nameend="C2"><al>N15 Droge bossen</al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>N15.01 Duinbos</al><al>N15.02 Dennen-, eiken-, en beukenbos</al></entry></row><row><entry namest="C1" nameend="C2"><al>N16 Bossen met productiefunctie</al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>N16.01 Droog bos met productie</al><al>N16.02 Vochtig bos met productie</al></entry></row><row><entry namest="C1" nameend="C2"><al>N17 Cultuurhistorische bossen</al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>N17.01 Vochtig hakhout en middenbos</al><al>N17.02 Droog hakhout</al><al>N17.03 Park- en stinzenbos</al><al>N17.04 Eendenkooi</al></entry></row></tbody></tgroup></table></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Bijlage 2 Recreatiepakket</titel></kop><structuurtekst><al>Bijlage 2 Recreatiepakket</al><al>Voorschriften recreatiepakket (artikel 3.6, eerste lid, onderdeel b):</al><al>1. Het natuurterrein is niet ingevolge het natuurbeheerplan of artikel 3.6, vierde lid, vrijgesteld van de</al><al>openstellingsplicht.</al><al>2. Voor openstelling van het natuurterrein is geen ontheffing verkregen als bedoeld in artikel 3.6,</al><al>zesde lid.</al><al>3. Het natuurterrein is voldoende toegankelijk en bevat voldoende wegen, vaarwegen en paden, die</al><al>recreatief gebruik mogelijk maken.</al><al>4. De ontvanger van de subsidie onderhoudt de onder punt 3 genoemde wegen, vaarwegen en</al><al>paden.</al><al>5. De ontvanger van de subsidie verleent - indien van toepassing - medewerking aan de aanleg,</al><al>markering en het beheer van doorgaande routes voor wandelen en fietsen in het kader van de</al><al>lange afstandwandelpaden (LAW's) en landelijke fietsroutes (LF).</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Bijlage 3 Agrarisch natuurbeheer</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Bijlage 3: Agrarisch natuurbeheer</vet></al><al><vet>Onderdeel A:</vet></al><al>Agrarisch natuurtype en bijbehorend agrarische beheertypen:</al><table><title>Tabel</title><tgroup cols="2"><colspec colnum="2" colname="C2"></colspec><colspec colnum="1" colname="C1"></colspec><colspec colnum="0" colname="C0"></colspec><thead><row><entry><al><vet>Agrarisch natuurtype </vet></al></entry><entry><al><vet>Agrarisch beheertype</vet></al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>A01 Agrarische Faunagebieden</al></entry><entry><al>A01.01 Weidevogelgebied</al><al>A01.02 Akkerfaunagebied</al><al>A01.03 Ganzenfourageergebied</al></entry></row><row><entry><al>A02 Agrarische floragebieden</al></entry><entry><al>A02.01 Botanisch waardevol grasland</al><al>A02.02 Botanisch waardevol akkerland</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Onderdeel B</vet></al><al><vet>Onderdeel B.1. Agrarische beheertypen en bijbehorende agrarische beheerpakketten die zijn</vet></al><al><vet>toegestaan in de gebieden zoals aangewezen in het plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-</vet></al><al><vet>2013 in</vet><vet>het kader van maatregel 214 van het plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013</vet></al><table><title>Tabel</title><tgroup cols="2"><colspec colnum="2" colname="C2"></colspec><colspec colnum="1" colname="C1"></colspec><colspec colnum="0" colname="C0"></colspec><thead><row><entry><al>Agrarische beheertypenA01.01.01</al></entry><entry><al>Agrarische beheerpakketten </al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>A01.01 Weidevogelgebied</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>A01.01.01 Weidevogelgrasland met rustperiode</al><al>A01.01.02 Weidevogelgrasland met voorweiden</al><al>A01.01.03 Plas-dras</al><al>A01.01.04 Landbouwgrond met legselbeheer</al><al>A01.01.05 Kruidenrijk weidevogelgrasland</al><al>A01.01.06 Extensief beweid weidevogelgrasland</al></entry></row><row><entry><al>A01.02 Akkerfaunagebied</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>A01.02.01 Bouwland met broedende akkervogels</al><al>A01.02.02 Bouwland met doortrekkende en</al><al>overwinterende akkervogels</al><al>A01.02.03 Bouwland voor hamsters</al></entry></row><row><entry><al>A01.03 Ganzenfoerageergebied</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>A01.03.01 Overwinterende ganzen</al></entry></row><row><entry><al>A02.01 Botanisch waardevol grasland</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>A02.01.01 Botanisch weiland</al><al>A02.01.02 Botanisch hooiland</al><al>A02.01.03 Botanische weide- of hooilandrand</al><al>A02.01.04 Botanisch bronbeheer</al></entry></row><row><entry><al>A02.02 Botanisch waardevol akkerland</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>A02.02.01 Akker met waardevolle flora</al><al>A02.02.02 Chemie en kunstmestvrij land</al><al>A02.02.03 Akkerflora randen</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Beschrijving agrarische beheerpakketten</vet></al><al>Agrarisch beheerpakket A01.01.01: Weidevogelgrasland met rustperiode</al><al>Instapeisen:</al><al>1. De beheereenheid bestaat uit grasland.</al><al>2. De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</al><al>3. Cumulatie met alle beheerpakketten uitgesloten, uitgezonderd A01.03.01 en de beheerspakketten</al><al>uit de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Drenthe, bedoeld in artikel 4.1.1.5, derde lid,</al><al>onderdeel a, van de onderhavige verordening.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Er wordt een rustperiode in acht genomen. De lengte van de rustperioden staat hieronder</al><al>gedefinieerd.</al><al>2. In de rustperiode is de beheereenheid niet beweid, gemaaid, gerold, gesleept, gescheurd,</al><al>gefreesd, (her)ingezaaid, doorgezaaid of bemest. In deze periode is het gebruik van chemische</al><al>bestrijdingsmiddelen niet toegestaan.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Varianten</cursief>:</al><al>A01.01.01a De rustperiode loopt van 1 april tot 1 juni;</al><al>A01.01.01b De rustperiode loopt van 1 april tot 8 juni;</al><al>A01.01.01c De rustperiode loopt van 1 april tot 15 juni;</al><al>A01.01.01d De rustperiode loopt van 1 april tot 22 juni;</al><al>A01.01.01e De rustperiode loopt van 1 april tot 1 juli;</al><al>A01.01.01f De rustperiode loopt van 1 april tot 15 juli;</al><al>A01.01.01g De rustperiode loopt van 1 april tot 1 augustus.</al><al>Agrarisch beheerpakket A01.01.02: Weidevogelgrasland met voorweiden</al><al>Instapeisen:</al><al>1. De beheereenheid bestaat uit grasland.</al><al>2. De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</al><al>3. Cumulatie met alle beheerpakketten uitgesloten, uitgezonderd A01.03.01 en de beheerspakketten</al><al>uit de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Drenthe, bedoeld in artikel 4.1.1.5, derde lid,</al><al>onderdeel a, van de onderhavige verordening.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Er wordt een rustperiode in acht genomen. De lengte van de rustperiode staat hieronder</al><al>gedefinieerd.</al><al>2. In de rustperiode is de beheereenheid niet beweid, gemaaid, gerold, gesleept, gescheurd,</al><al>gefreesd, (her)ingezaaid, doorgezaaid of bemest. In deze periode is het gebruik van chemische</al><al>bestrijdingsmiddelen niet toegestaan.</al><al>3. Het grasland wordt vóór de rustperiode niet gemaaid.</al><al><cursief>Varianten</cursief>:</al><al>A01.01.02a De rustperiode loopt van 1 mei tot 15 juni;</al><al>A01.01.02b De rustperiode loopt van 8 mei tot 22 juni.</al><al>Agrarisch beheerpakket A01.01.03: Plas-dras</al><al>Instapeisen:</al><al>1. De beheereenheid bestaat uit grasland.</al><al>2. De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</al><al>3. Cumulatie met alle beheerpakketten uitgesloten, uitgezonderd A01.03.01 en de beheerspakketten</al><al>uit de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Drenthe, bedoeld in artikel 4.1.1.5, derde lid,</al><al>onderdeel a, van de onderhavige verordening.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. De beheereenheid is jaarlijks geïnundeerd. De inundatieperiode staat hieronder gedefinieerd.</al><al>2. In de inundatieperiode staat op tenminste 60% van de beheereenheid het waterpeil ten minste 5 en</al><al>ten hoogste 20 cm boven het maaiveld.</al><al><cursief>Varianten</cursief>:</al><al>A01.01.03a De inundatieperiode loopt van 15 februari tot 15 april;</al><al>A01.01.03b De inundatieperiode loopt van 15 februari tot 15 mei;</al><al>A01.01.03c De inundatieperiode loopt van 15 februari tot 15 juni;</al><al>A01.01.03d De inundatieperiode loopt van 15 februari tot 1 augustus.</al><al>Agrarisch beheerpakket A01.01.04: Landbouwgrond met legselbeheer.</al><al>Instapeisen:</al><al>1. De beheereenheid bestaat uit grasland of bouwland.</al><al>2. De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</al><al>3. Cumulatie met alle beheerpakketten uitgesloten, uitgezonderd A01.03.01 en de beheerspakketten</al><al>uit de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Drenthe, bedoeld in artikel 4.1.1.5, derde lid,</al><al>onderdeel a, van de onderhavige verordening.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. De beheereenheid wordt tijdens het broedseizoen een of enkele malen afgezocht op aanwezige</al><al>legsels; de legsels worden gemarkeerd en, indien de beheereenheid wordt beweid, van</al><al>deugdelijke legselbeschermers voorzien.</al><al>2. Indien een perceel grasland wordt gemaaid of anderszins bewerkt, wordt een enclave van</al><al>tenminste 50m2 om de aanwezige nesten gevrijwaard van alle landbouwkundige</al><al>werkzaamheden.</al><al>3. Indien een perceel bouwland wordt bewerkt, worden de nesten ontzien bij de werkzaamheden.</al><al><cursief>Varianten</cursief>:</al><al>A01.01.04a1 Legselbeheer op grasland met 35 broedparen per hectare;</al><al>A01.01.04a2 Legselbeheer op grasland met 50 broedparen per hectare;</al><al>A01.01.04a3 Legselbeheer op grasland met 75 broedparen per hectare;</al><al>A01.01.04a4 Legselbeheer op grasland met 100 broedparen per hectare;</al><al>A01.01.04b Legselbeheer op bouwland.</al><al>Agrarisch beheerpakket A01.01.05: Kruidenrijk weidevogelgrasland</al><al>Instapeisen:</al><al>1. De beheereenheid bestaat uit grasland.</al><al>2. De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</al><al>3. Cumulatie met alle beheerpakketten uitgesloten, uitgezonderd A01.03.01 en de beheerspakketten</al><al>uit de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Drenthe, bedoeld in artikel 4.1.1.5, derde lid,</al><al>onderdeel a, van de onderhavige verordening.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is slechts toegestaan voor pleksgewijze bestrijding</al><al>van akkerdistel, ridderzuring en brandnetel.</al><al>2. Uitsluitend bemesting met vaste mest toegestaan buiten de rustperiode.</al><al>3. Er wordt een rustperiode in acht genomen van 1 april tot 15 juni.</al><al>4. In de rustperiode is de beheereenheid niet beweid, gemaaid, gerold, gesleept, of bemest. In deze</al><al>periode is het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen niet toegestaan.</al><al>5. Het gewas wordt jaarlijks voor 1 augustus afgevoerd door middel van maaien en afvoeren.</al><al>Tweede keer maaien en afvoeren is toegestaan.</al><al>6. Het grasland mag niet worden gescheurd, gefreesd of heringezaaid.</al><al>Agrarisch beheerpakket A01.01.06: Extensief beweid weidevogelgrasland</al><al>Instapeisen:</al><al>1. De beheereenheid bestaat uit grasland.</al><al>2. De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</al><al>3. Cumulatie met alle beheerpakketten uitgesloten, uitgezonderd A01.03.01 en de beheerspakketten</al><al>uit de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Drenthe, bedoeld in artikel 4.1.1.5, derde lid,</al><al>onderdeel a, van de onderhavige verordening.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Beweiding is verplicht tot 15 juni met minimaal 1 en maximaal 1,5 GVE/ha.</al><al>2. Tussen 1 april en 15 juni is de beheereenheid niet gemaaid, gerold, gesleept, gescheurd,</al><al>gefreesd, (her)ingezaaid, doorgezaaid of bemest. In deze periode is het gebruik van chemische</al><al>bestrijdingsmiddelen niet toegestaan.</al><al>Agrarisch beheerpakket A01.02.01: Bouwland met broedende akkervogels</al><al>Instapeisen:</al><al>1. De beheereenheid bestaat uit bouwland.</al><al>2. De beheereenheid is minimaal 9 meter breed, tenzij in de onderstaande varianten anders wordt</al><al>bepaald, en heeft een minimumoppervlakte van 0,3 ha.</al><al>3. In het jaar voorafgaand aan het contract moet u op bedrijfsniveau minimaal 4 verschillende</al><al>gewassen telen, waaronder graan. Braakliggende grond beschouwen we als een gewas.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Tussen 1 mei en het moment van grondbewerking moet op de beheereenheid één van de</al><al>volgende gewassen aanwezig zijn: grassen, granen (niet zijnde maïs of graanstoppel), kruiden of</al><al>een mengsel van deze. Onder het moment van grondbewerking wordt verstaan de periode</al><al>waarin de in de betreffende variant beschreven handelingen uitgevoerd mogen worden.</al><al>2. Het gewas wordt ingezaaid, waarbij in het natuurbeheerplan wordt bepaald welke zaaimengsels</al><al>en welke zaaidichtheden gebruikt mogen worden. Voor variant A01.02.01b geldt dat het gewas</al><al>ook door spontane ontwikkeling aanwezig mag zijn.</al><al>3. 20-70% van de beheereenheid dient jaarlijks ten minste twee maal te worden gemaaid tussen 1</al><al>maart en 15 september. Delen die opnieuw zijn ingezaaid hoeven in hetzelfde voorjaar niet te</al><al>worden gemaaid. Het maaien mag niet gebeuren door klepelen. Het beheer wordt strooksgewijs</al><al>uitgevoerd volgens onderstaande varianten. Het toegestane maairegime wordt verder</al><al>gedifferentieerd in het natuurbeheerplan.</al><al>4. Mechanische en chemische onkruidbestrijding zijn niet toegestaan, met uitzondering van</al><al>pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, haagwinde, heermoes of kleefkruid.</al><al>5. De beheereenheid mag niet worden beweid of bemest.</al><al>6. Daar waar ploegen is toegestaan, mag ook een andere diepe grondbewerking worden toegepast.</al><al><cursief>Varianten</cursief>:</al><al>A01.02.01a Jaarlijks dient 20-50% van de beheereenheid opnieuw tussen 1 september en 15 april</al><al>worden geploegd en opnieuw ingezaaid met een in het natuurbeheerplan voorgeschreven</al><al>zaaimengsel. De beheereenheid mag niet als wendakker gebruikt</al><al>worden.</al><al>A01.02.01b Jaarlijks dient 20-50% van de beheereenheid opnieuw tussen 1 september en 15 april te</al><al>worden geploegd. Tussen 1 maart en 15 april mag nog een grondbewerking worden</al><al>uitgevoerd. De beheereenheid mag niet als wendakker gebruikt worden.</al><al>A01.02.01c In het derde of vierde jaar dient de gehele beheereenheid tussen 1 september en 15 april</al><al>te worden geploegd en opnieuw ingezaaid met een in het natuurbeheerplan</al><al>voorgeschreven zaaimengsel. Roulatie binnen het bedrijfsoppervlak is op dat moment</al><al>mogelijk. De beheereenheid mag niet als wendakker gebruikt worden. Van de verplichting</al><al>om in het derde of vierde jaar te ploegen en opnieuw in te zaaien kan worden afgeweken</al><al>als dit is opgenomen in het goedgekeurde collectief beheerplan.</al><al>A01.02.01d De beheereenheid is minimaal 12 meter breed. Tussen 15 april en 31 augustus mag</al><al>maximaal 10% van de oppervlakte van de beheereenheid bedekt zijn met rijsporen.</al><al>Tussen 1 september en 15 april mag maximaal 30% van de oppervlakte van de</al><al>beheereenheid bedekt zijn met rijsporen. In het derde of vierde jaar dient tussen 1</al><al>september en 15 april over de gehele beheereenheid een diepe grondbewerking plaats te</al><al>vinden en dient deze opnieuw te worden ingezaaid met een in het natuurbeheerplan</al><al>voorgeschreven zaaimengsel. Roulatie binnen het bedrijfsoppervlak is op dat moment</al><al>mogelijk.</al><al>Agrarisch beheerpakket A01.02.02: Bouwland met doortrekkende en overwinterende akkervogels</al><al>Instapeisen:</al><al>1. De beheereenheid bestaat uit bouwland.</al><al>2. De beheereenheid is minimaal 9 meter breed en heeft een minimale oppervlakte van 0,3 ha en</al><al>een maximale oppervlakte van 2 ha.</al><al>3. Roulatie binnen het bedrijfsoppervlak is mogelijk.</al><al>4. In het jaar voorafgaand aan het contract moet u op bedrijfsniveau minimaal 4 verschillende</al><al>gewassen telen, waaronder graan. Braakliggende grond beschouwen we als een gewas.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Op de beheereenheid moet tussen 1 mei en 15 maart een graanmengsel staan van tenminste</al><al>50% zomertarwe, aangevuld met rogge, haver of een zaadragend gewas niet zijnde graan of</al><al>maïs. De beheereenheid mag niet worden geoogst.</al><al>2. De beheereenheid dient jaarlijks tussen 16 maart en 30 april te worden ingezaaid met een</al><al>gangbare zaaidichtheid.</al><al>3. Mechanische en chemische onkruidbestrijding zijn niet toegestaan, met uitzondering van</al><al>pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, haagwinde, heermoes of kleefkruid.</al><al>A01.02.02a Bouwland met doortrekkende en overwinterende akkervogels op kleigrond;</al><al>A01.02.02b Bouwland met doortrekkende en overwinterende akkervogels op zandgrond;</al><al>Agrarisch beheerpakket A01.02.03: Bouwland voor hamsters</al><al>Instapeisen:</al><al>1. De beheereenheid bestaat uit bouwland.</al><al>2. In het jaar voorafgaand aan het contract moet u op bedrijfsniveau minimaal 4 verschillende</al><al>gewassen telen waaronder graan.</al><al>3. Voor de variant Bouwland voor hamsters geldt: de beheereenheid is ten minste 0,3 ha groot.</al><al>4. Voor de variant Opvangstrook voor hamsters geldt: de beheereenheid is minimaal 15 meter breed</al><al>en minimaal 100 meter lang.</al><al><cursief>Varianten</cursief></al><al>A01.02.03a Bouwland voor hamsters.</al><al>1. Grondbewerking mag niet dieper dan 25 cm plaatsvinden.</al><al>2. Op de beheereenheid wordt in overleg met de gebiedscoördinator één van de volgende</al><al>gewassen geteeld: luzerne, graan (niet zijnde maïs), bladrammenas of een combinatie van</al><al>deze gewassen.</al><al>3. Luzerne wordt jaarlijks tussen 20 april en 20 juni gemaaid en afgevoerd.</al><al>4. Graan wordt niet geoogst.</al><al>5. De beheereenheid wordt jaarlijks in februari geklepeld. Buiten deze periode is bij overlast van</al><al>de bruine rat klepelen toegestaan in overleg met de gebiedscoördinator.</al><al>A01.02.03b Opvangstrook voor hamsters.</al><al>1. Grondbewerking mag niet dieper dan 25 cm plaatsvinden.</al><al>2. De beheereenheid bestaat van augustus tot en met januari uit volgroeid graan (niet zijnde</al><al>maïs). Bij overlast van de bruine rat is klepelen toegestaan in overleg met de</al><al>gebiedscoördinator.</al><al>Agrarisch beheerpakket A01.03.01: Overwinterende ganzen</al><al>Instapeisen:</al><al>1. De beheereenheid bestaat uit grasland of bouwland.</al><al>2. De beheereenheid heeft een oppervlakte van minimaal 0,5 hectare en maakt onderdeel uit van</al><al>een verzameling beheereenheden binnen één foerageergebied.</al><al>3. Cumulatie met alle beheerpakketten uitgesloten, uitgezonderd A01.01.01 tot en met A01.01.06.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Het is niet toegestaan binnen de periode van 1 oktober tot 1 april handelingen te verrichten of toe</al><al>te laten die de foerageerfunctie van het gebied voor ganzen en/of smienten negatief beïnvloeden.</al><al>2. Onderhoud van sloten, walkanten en drainagesystemen is toegestaan van 1 oktober tot 1 februari.</al><al>3. Overig beheer wordt uitgevoerd op basis van één van de vier onderstaande varianten.</al><al><cursief>Varianten</cursief>:</al><al>A01.03.01a Ganzen op grasland.</al><al>1. Op 1 november moet een grassnede aanwezig zijn met een voederwaarde van minimaal 500</al><al>kVEM/ha.</al><al>2. Maaien of bloten om te lang gras te voorkomen is toegestaan van 27 oktober tot 1 november.</al><al>3. Beweiding met melkvee is toegestaan tot 15 november, waarbij na 15 november minimaal 500</al><al>kVEM/ha beschikbaar moet blijven.</al><al>4. Beweiding (uitgezonderd melkvee) is vanaf 1 november tot 1 februari toegestaan met</al><al>maximaal 0,45 GVE/ha.</al><al>A01.03.01b Ganzen op bouwland.</al><al>1. Voor 15 november moet één van de gewassen; winterkoolzaad, wintertarwe, wintergerst,</al><al>Rogge of graszaad zijn ingezaaid.</al><al>2. Het gewas onder 1 wordt tot 1 april in stand gehouden.</al><al>3. Het is niet toegestaan de beheereenheid te beweiden en/of te maaien.</al><al>A01.03.01c Ganzen op vroege groenbemester.</al><al>1. Een groenbemester is vóór 1 oktober ingezaaid met één van de gewassen; Italiaans raaigras,</al><al>Engels raaigras, Snijrogge, of met een mengsel van deze gewassen.</al><al>2. De groenbemester wordt tot 1 februari in stand gehouden.</al><al>3. Het is niet toegestaan de beheereenheid te beweiden en/of te maaien.</al><al>A01.03.01d Ganzen op late groenbemester.</al><al>1. Een groenbemester is vóór 1 november ingezaaid met één van de gewassen; Italiaans</al><al>raaigras, Engels raaigras, Snijrogge, of met een mengsel van deze gewassen.</al><al>2. De groenbemester wordt tot 1 april in stand gehouden.</al><al>3. Het is niet toegestaan de beheereenheid te beweiden en/of te maaien.</al><al>Agrarisch beheerpakket A02.01.01: Botanisch weiland</al><al>Instapeisen:</al><al>1. De beheereenheid bestaat uit grasland.</al><al>2. De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</al><al>3. Cumulatie met alle beheerpakketten uitgesloten.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is slechts toegestaan voor pleksgewijze bestrijding</al><al>van akkerdistel, ridderzuring en brandnetel.</al><al>2. De beheereenheid wordt niet bemest en er wordt geen bagger opgebracht.</al><al>3. Standweiden is het gehele jaar toegestaan met max. 2 GVE per hectare. Van 1 oktober tot 1</al><al>maart is onbeperkt weiden toegestaan.</al><al>4. Het grasland mag niet worden gescheurd, gefreesd of heringezaaid.</al><al>Agrarisch beheerpakket A02.01.02: Botanisch hooiland</al><al>Instapeisen:</al><al>1. De beheereenheid bestaat uit grasland.</al><al>2. De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</al><al>3. Cumulatie met alle beheerpakketten is uitgesloten.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is slechts toegestaan voor pleksgewijze bestrijding</al><al>van akkerdistel, ridderzuring en brandnetel.</al><al>2. De beheereenheid wordt niet bemest en er wordt geen bagger opgebracht.</al><al>3. Beweiding is uitsluitend toegestaan in de periode van 1 augustus tot 1 maart.</al><al>4. Het gewas wordt jaarlijks minimaal éénmaal gemaaid en afgevoerd.</al><al>5. Het grasland mag niet worden gescheurd, gefreesd of heringezaaid.</al><al>Agrarisch beheerpakket A02.01.03: Botanische weide- of hooilandrand</al><al>Instapeisen:</al><al>1. De beheereenheid bestaat uit grasland.</al><al>2. De beheereenheid heeft een minimale (rand)breedte van 2 meter.</al><al>3. Cumulatie met alle beheerpakketten is uitgesloten.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is slechts toegestaan voor pleksgewijze bestrijding</al><al>van akkerdistel, ridderzuring en brandnetel.</al><al>2. De beheereenheid wordt niet bemest en er wordt geen bagger opgebracht.</al><al>3. Het grasland mag niet worden geklepeld, gescheurd, gefreesd of heringezaaid.</al><al>4. Voor botanische weiderand geldt: beweiding is toegestaan.</al><al>5. Voor botanische hooilandrand geldt: beweiding is niet toegestaan.</al><al><cursief>Varianten</cursief>:</al><al>A02.01.03a Botanische weiderand</al><al>A02.01.03b Botanische hooilandrand</al><al>Agrarisch beheerpakket A02.01.04: Botanisch bronbeheer</al><al>Instapeisen:</al><al>1. De beheereenheid bestaat uit grasland.</al><al>2. De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</al><al>3. Cumulatie met alle beheerpakketten is uitgesloten.</al><al>4. De beheereenheid is gelegen in een brongebied.</al><al>5. De beheereenheid staat niet in verbinding met open water, behalve bij natuurlijke afwatering.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is niet toegestaan.</al><al>2. De beheereenheid wordt niet bemest en er wordt geen bagger opgebracht.</al><al>3. Beweiding is uitsluitend toegestaan in de periode van 1 augustus tot 1 maart.</al><al>4. Het gewas wordt jaarlijks minimaal éénmaal gemaaid en afgevoerd.</al><al>5. Het grasland mag niet worden gescheurd, gefreesd of heringezaaid.</al><al>6. Bron vrijwaren van beschadiging door vee.</al><al>7. Geen kunstmatig waterbeheer.</al><al>Agrarisch beheerpakket A02.02.01: Akker met waardevolle flora.</al><al>Instapeisen:</al><al>1. De beheereenheid bestaat uit bouwland.</al><al>2. De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</al><al>3. Cumulatie met alle beheerpakketten is uitgesloten.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Verbouwing van maïs is in het geheel niet toegestaan.</al><al>2. In de jaren waarin graan wordt verbouwd, vindt geen bemesting met kunstmest plaats.</al><al>3. In de jaren waarin graan wordt verbouwd, vindt er in de beheereenheid geen mechanische</al><al>onkruidbestrijding plaats vanaf het zaaien (bij zomergraan) of vanaf 1 april (bij wintergraan) tot de</al><al>oogst en is het gebruik van chemische onkruidbestrijdingsmiddelen en insecticiden niet</al><al>toegestaan, met uitzondering van pleksgewijze bestrijding van haarden met akkerdistel,</al><al>ridderzuring, kleefkruid of haagwinde.</al><al>4. Overig beheer wordt uitgevoerd op basis van één van de drie onderstaande varianten.</al><al><cursief>Varianten</cursief>:</al><al>A02.02.01a Drie van de zes jaar graan: In tenminste drie van de zes jaren van de beheerperiode</al><al>wordt graan verbouwd.</al><al>A02.02.01b Vier van de zes jaar graan: In tenminste vier van de zes jaren van de beheerperiode wordt</al><al>graan verbouwd.</al><al>A02.02.01c Vijf van de zes jaar graan: In tenminste vijf van de zes jaren van de beheerperiode wordt</al><al>graan verbouwd.</al><al>Agrarisch beheerpakket A02.02.02: Chemie en kunstmestvrij land</al><al>Instapeisen voor het beheerpakket:</al><al>1. De beheereenheid bestaat uit bouwland.</al><al>2. De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</al><al>3. Cumulatie met alle beheerpakketten is uitgesloten.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. In tenminste drie van de zes jaren van de beheerperiode wordt graan, met uitzondering van maïs,</al><al>verbouwd.</al><al>2. Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen en kunstmest is niet toegestaan.</al><al>3. Overig beheer wordt uitgevoerd op basis van één van de drie onderstaande varianten.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Varianten</cursief>:</al><al>A02.02.02a Drie van de zes jaar graan: In tenminste drie van de zes jaren van de beheerperiode</al><al>wordt graan verbouwd.</al><al>A02.02.02b Vier van de zes jaar graan: In tenminste vier van de zes jaren van de beheerperiode</al><al>wordt graan verbouwd.</al><al>A02.02.02c Vijf van de zes jaar graan: In tenminste vijf van de zes jaren van de beheerperiode wordt</al><al>graan verbouwd.</al><al>Agrarisch beheerpakket A02.02.03: Akkerflora randen</al><al>Instapeisen voor het beheerpakket:</al><al>1. De beheereenheid is in gebruik als bouwland.</al><al>2. De beheereenheid heeft een oppervlakte van minimaal 0,3 ha.</al><al>3. Cumulatie met alle beheerpakketten is uitgesloten.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Op de beheereenheid wordt in de beheerperiode graan, met uitzondering van maïs, verbouwd.</al><al>2. In de beheereenheid vindt geen mechanische onkruidbestrijding plaats vanaf het zaaien (bij</al><al>zomergraan) of vanaf 1 april (bij wintergraan) tot de oogst en is het gebruik van chemische</al><al>onkruidbestrijdingsmiddelen niet toegestaan, met uitzondering van pleksgewijze bestrijding van</al><al>haarden met akkerdistel, ridderzuring of kleefkruid.</al><al>3. Bemesting en beweiding van de beheereenheid is niet toegestaan.</al><al>4. De beheereenheid mag niet als wendakker gebruikt worden.</al><al><vet>Onderdeel B.2. Agrarische beheertypen en bijbehorende regionale agrarische beheerpakketten</vet></al><table><title>Tabel</title><tgroup cols="2"><colspec colnum="2" colname="C2"></colspec><colspec colnum="1" colname="C1"></colspec><colspec colnum="0" colname="C0"></colspec><thead><row><entry><al>Agrarische beheertypen</al></entry><entry><al>Agrarische beheerpakketten (regionaal)</al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>A01.01 Weidevogelgebied</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al>A01.02 Akkerfaunagebied</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al>A01.03 Ganzenfoerageergebied</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>A01.03.02 Opvang overzomerende Grauwe</al><al>ganzen Maasplassen.</al></entry></row><row><entry><al>A01.04 Insectenrijke graslanden</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>A01.04.01 Insectenrijk graslandperceelsbeheer</al><al>Roerdal</al><al>A01.04.02 Insectenrijke graslandranden Roerdal</al></entry></row><row><entry><al>A01.05 Bever foerageergebied</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>A01.05.01 Foerageerrand bever</al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al>A02.01 Botanisch waardevol grasland</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al>A02.02 Botanisch waardevol akkerland</al></entry><entry><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Beschrijving regionale agrarische beheerpakketten</vet></al><al>Agrarisch beheerpakket A01.03.02: Opvang overzomerende Grauwe ganzen Maasplassen.</al><al>Instapeisen:</al><al>1. De beheereenheid is een perceel grond, welk minimaal 0,5 hectare groot is en gelegen binnen de</al><al>begrenzing van de aangegeven zoekgebieden in het beheerplan voor de overzomerende Grauwe</al><al>gans in Limburg.</al><al>2. De beheereenheid bestaat uit bemest grasland.</al><al>3. Er dient op de beheereenheid in het foerageerseizoen te allen tijde aantrekkelijk gras voor ganzen</al><al>aanwezig te zijn. Onder aantrekkelijk gras wordt verstaan; gras met een lengte van 5 tot 15 cm. Er</al><al>dient op geen enkele plaats binnen het foerageergebied gras met een lengte van meer dan 30 cm</al><al>aanwezig te zijn, tenzij dit niet volgens de goede landbouwpraktijk voorkomen kan worden.</al><al>4. Op de beheereenheid mogen geen ganzen verjaagd worden. Overige dieren die schade</al><al>veroorzaken mogen wel ver- en bejaagd worden, mits de ganzen niet verstoord worden. Het</al><al>uitgangspunt is zoveel mogelijk ganzen op de beheereenheid te krijgen en te behouden.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. De beheereenheid dient 3 keer per jaar gemaaid of gebloot te worden. Dit dient niet volvelds te</al><al>worden gedaan om altijd kwalitatief, voldoende gras aan te kunnen bieden.</al><al>2. Overige werkzaamheden die de graskwaliteit verbeteren, maar het foerageren op korte termijn</al><al>belemmeren, dienen in gedeeltes uitgevoerd te worden. (vb: slepen van grasland, bemesten,</al><al>bloten, oogsten). Onder normale weersomstandigheden dient te allen tijden geschikt gras</al><al>aanwezig te zijn.</al><al>3. Indien de grasgroei het toelaat kan er geweid worden. Het vee mag niet langer dan 4 weken op</al><al>een perceel lopen. Het totale perceel mag ingedeeld worden in kleinere percelen om de dieren te</al><al>laten omweiden. Hierbij dient de beweiding in dienst van het beheerdoel te staan. Om ganzen niet</al><al>te verstoren dient de beweiding van 1 juli tot en met 30 september plaats te vinden met maximaal</al><al>4 GVE per hectare op enig moment. Dit geldt op perceelsniveau.</al><al>4. Indien er een maaisnede wordt geoogst of dat de graasdieren omgeweid worden dient het te</al><al>maaien perceel of het perceel waarin het vee wordt omgeweid getaxeerd te worden. De schade</al><al>zal middels de graslandhoogtemeter opgenomen worden.</al><al>5. Onkruiden dienen pleksgewijs bestreden te worden.</al><al>6. Het perceel wordt minimaal een keer per jaar met drijfmest bemest.</al><al>7. Het perceel wordt minimaal een keer per jaar met kunstmest bemest.</al><al>8. Indien er op plekken minder smakelijke grassen voorkomen of door vertrapping het gras</al><al>verdwenen is, dienen deze plekken doorgezaaid te worden zodat er weer aantrekkelijk eiwitrijk</al><al>gras ontstaat.</al><al>Administratieve verplichtingen:</al><al>1. Ondernemers houden op perceelsniveau een grasland logboek bij, dit wordt aangeleverd door de</al><al>projectleider en wordt maandelijks teruggestuurd naar de projectleider.</al><al>Aanvullende verplichtingen</al><al>1. Elk jaar vindt er een evaluatie plaats of de doelen zijn gehaald en kunnen de broed- en</al><al>opgroeilocaties anders ingedeeld worden.</al><al>2. Op of aanmerkingen vanuit de projectleider worden opgevolgd.</al><al>3. De percelen worden ter beschikking gesteld aan alle activiteiten die aan het project gerelateerd</al><al>zijn (bijvoorbeeld tellingen, taxaties en beoordelingen).</al><al><cursief>Varianten:</cursief></al><al>A01.03.02a.Lb Opvang overzomerende grauwe ganzen Maasplassen; 1-10 stuks/ha</al><al>A01.03.02b.Lb Opvang overzomerende grauwe ganzen Maasplassen; 10-20 stuks/ha</al><al>A01.03.02c.Lb Opvang overzomerende grauwe ganzen Maasplassen; 20-30 stuks/ha</al><al>A01.03.02d.Lb Opvang overzomerende grauwe ganzen Maasplassen; 30 en meer stuks/ha</al><al>Agrarisch beheerpakket A01.04.01: Insectenrijk graslandperceelsbeheer Roerdal</al><al>Instapeisen:</al><al>1. De beheereenheid is een perceel grasland van minimaal 0,5 hectare groot.</al><al>2. Het grasland of de strook is gelegen in het leefgebied Donker Pimpernelblauwtje zoals</al><al>weergegeven in het Beschermingsplan Donker pimpernelblauwtje Roerdal (Boeren, J., 2005).</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Deze graslanden worden jaarlijks grotendeels gefaseerd gemaaid waarbij het maaisel wordt</al><al>afgevoerd. Er blijft ook een deel ongemaaid. Bemesting vindt alleen plaats met stalmest of kalk.</al><al>2. Beweiding is toegestaan overeenkomstig de gekozen variant.</al><al><cursief>Varianten:</cursief></al><al>A01.04.01a.Lb Insectenrijk graslandperceelsbeheer Roerdal: Basis</al><al>1. Jaarlijks maaien in de periode van 15 september tot 1 januari.</al><al>2. 25 % van de vegetatie niet maaien en in de winter laten overstaan.</al><al>3. Gehele perceel nogmaals maaien tussen 1 mei en 1 juni. Maaisel steeds afvoeren.</al><al>A01.04.01b.Lb Insectenrijk graslandperceelsbeheer Roerdal: Plus</al><al>1. Gefaseerd maaien: ieder jaar wordt 50% van het perceel gemaaid in de periode tussen 15</al><al>september tot 1 januari. Het maaisel wordt afgevoerd. Het volgende jaar wordt de andere 50%</al><al>gemaaid en afgevoerd, eveneens in de periode 15 september tot 1 januari.</al><al>2. Bemesting mag alleen plaatsvinden met ruige stalmest, uitgezonderd pluimveemest, of met kalk.</al><al>3. Bodembewerking zoals freezen, ploegen, etc. is niet toegestaan. Het perceel bestaat uit blijvend</al><al>grasland: dus ook niet scheuren en herinzaaien.</al><al>4. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen is niet toegestaan met uitzondering van pleksgewijze</al><al>onkruidbestrijding van jacobskruiskruid, brandnetel, akkerdistel, ridderzuring, haagwinde of</al><al>kleefkruid.</al><al>5. Nabeweiding is toegestaan in de periode 15 september - 1 januari met maximaal 3 GVE. In het</al><al>overig deel van het jaar wordt niet beweid, in verband met het behoud van typische</al><al>hooilandplanten.</al><al>Agrarisch beheerpakket A01.04.02: Insectenrijke graslandranden Roerdal</al><al>Instapeisen:</al><al>1. De beheereenheid is een strook grasland van minimaal 50 meter lang en tussen de 2 en 5 meter</al><al>breed gelegen langs een wegberm, watergang of houtsingel.</al><al>2. Het grasland of de strook is gelegen in het leefgebied Donker Pimpernelblauwtje zoals</al><al>weergegeven in het Beschermingsplan Donker pimpernelblauwtje Roerdal (Boeren, J., 2005).</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Minimaal één keer per jaar maaien en afvoeren, waarbij circa 50 % van de strook niet gemaaid</al><al>wordt. Dit niet gemaaide deel mag elk jaar anders zijn.</al><al>2. Maaien vindt plaats in de periode van 15 september tot 1 januari.</al><al>3. Bemesting mag alleen plaatsvinden met ruige stalmest, uitgezonderd pluimveemest, of met kalk.</al><al>4. Bodembewerking zoals freezen, ploegen, etc. is niet toegestaan. De strook bestaat uit blijvend</al><al>grasland: dus ook niet scheuren en herinzaaien.</al><al>5. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen is niet toegestaan met uitzondering van pleksgewijze</al><al>onkruidbestrijding van jacobskruiskruid, brandnetel, akkerdistel, ridderzuring, haagwinde of</al><al>kleefkruid.</al><al>6. Beweiding is niet toegestaan in de als insectenstrook beheerde perceelsrand, de rest van het</al><al>perceel mag wel beweid worden.</al><al><cursief>Varianten:</cursief></al><al>A01.04.02.Lb Insectenrijke graslandranden Roerdal</al><al>Agrarisch beheerpakket A01.05.01: Foerageerrand Bever</al><al>Instapeisen:</al><al>1. De foerageerrand heeft een minimale breedte van 10 meter, en een maximale breedte van 20</al><al>meter (gemeten vanaf de waterloop landinwaarts) met een minimale lengte van 50 meter</al><al>2. De foerageerrand grenst aan een waterloop waar recentelijk het voorkomen van een of meerdere</al><al>Bevers is aangetoond of bestaat uit potentieel leefgebied voor deze soort. Deze leefgebieden</al><al>staan beschreven in het Stimuleringsplan.</al><al>3. De foerageerrand grenst aan gras- of akkerland.</al><al>4. De foerageerrand bestaat na 6 jaar uit een ruige of moerassige vegetatie. Verspreide opslag van</al><al>struiken en jonge bomen is gewenst omdat dit in de winter stapelvoedsel voor de bever is.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Het tegengaan van bosvorming door eenmaal per zes jaar de grootste bomen te kappen.</al><al>2. Bij afsluiten van de overeenkomst ook een vrijstelling van de Boswet aanvragen van de meldingsen</al><al>herplantplicht bij de Dienst Regelingen.</al><al><cursief>Varianten:</cursief></al><al>A01.05.01.Lb Foerageerrand Bever</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Bijlage 6 Landschap</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Bijlage 6 Landschap</vet></al><al><vet>Onderdeel A.1 Landschapsbeheertypen en bijbehorende landschapselementen waarvan de</vet></al><al><vet>instandhouding is toegestaan binnen natuurterreinen, waarbij landschapselementen waarvan</vet></al><al><vet>de alfanumerieke aanduiding eindigt op de cijfers "00" slechts door gecertificeerde</vet></al><al><vet>begunstigden kunnen worden aangevraagd.</vet></al><table><title>Tabel</title><tgroup cols="2"><colspec colnum="2" colname="C2"></colspec><colspec colnum="1" colname="C1"></colspec><colspec colnum="0" colname="C0"></colspec><thead><row><entry><al>Landschapsbeheertype </al></entry><entry><al>Landschapselement</al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>L01 Groenblauwe Landschapselementen</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al>L01.01 Poel en kleine historisch water</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.01.00 Poel en kleine historisch water - gemiddeld</al><al>L01.01.01a Oppervlakte poel &lt; 175 m2</al><al>L01.01.01b Oppervlakte poel &gt; 175 m2</al></entry></row><row><entry><al>L01.02 Houtwal en houtsingel</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.02.00 Houtwal en houtsingel - gemiddeld</al><al>L01.02.01 Houtsingel en houtwal</al><al>L01.02.02 Hoge houtwal</al><al>L01.02.03 Holle weg en graft</al></entry></row><row><entry><al>L01.03 Elzensingel</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.03.00 Elzensingel - gemiddeld</al><al>L01.03.01a Bedekking elzensingel 30-50%</al><al>L01.03.01b Bedekking elzensingel 50%-75%</al><al>L01.03.01c Bedekking elzensingel &gt; 75%</al></entry></row><row><entry><al>L01.04 Bossingel en bosje</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.04.01 Bossingel en bosje</al></entry></row><row><entry><al>L01.05 Knip- of scheerheg</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.05.00 Knip- of scheerheg - gemiddeld</al><al>L01.05.01a Heg jaarlijks scheren of knippen</al><al>L01.05.01b Heg eenmaal per 2-3 jaar scheren of knippen</al></entry></row><row><entry><al>L01.06 Struweelhaag</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.06.00 Struweelhaag - gemiddeld</al><al>L01.06.01a Struweelhaag snoeicyclus 5-7 jaar</al><al>L01.06.01b Struweelhaag snoeicyclus &gt; 12 jaar</al></entry></row><row><entry><al>L01.07 Laan</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.07.00 Laan - gemiddeld</al><al>L01.07.01a Laan stamdiameter bomen &lt; 20 cm</al><al>L01.07.01b Laan stamdiameter bomen 20-60 cm</al><al>L01.07.01c Laan stamdiameter bomen &gt; 60 cm</al></entry></row><row><entry><al>L01.08 Knotboom</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.08.00 Knotboom - gemiddeld</al><al>L01.08.01a Knotboom stamdiameter &lt; 20 cm</al><al>L01.08.01b Knotboom stamdiameter 20-60 cm</al><al>L01.08.01c Knotboom stamdiameter &gt; 60 cm</al></entry></row><row><entry><al>L01.09 Hoogstamboomgaard</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.09.01 Hoogstamboomgaard</al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al><vet>L03 Aardwerken</vet></al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al>L03.01 Aardwerk en groeve</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L03.01.00 Aardwerk en groeve</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Beschrijving landschapsbeheertypen</vet></al><al>Landschapsbeheertype L01.01 : Poel en klein historisch water</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Zowel een poel als een klein historisch water is doorgaans een geïsoleerd stilstaand water dat</al><al>gevoed wordt door grond- en/of regenwater. Een poel mag in verbinding staan met sloten of</al><al>greppels wanneer sprake is van een natuurlijke eenheid die vrij afwatert. Veenputten mogen in</al><al>verbinding staan met het slotenstelsel in het gebied.</al><al>2. Het element heeft een oppervlakte van minimaal 0,5 en maximaal 50 are.</al><al>3. In Zuid-Limburg heeft een voortplantingspoel voor amfibieën een oppervlakte van minimaal 0,2</al><al>are.</al><al>4. Vijvers die een onderdeel zijn van een park of tuin, of daarin aangelegd worden, vallen niet onder</al><al>dit landschapsbeheertype.</al><al>5. Wateren die onder de natuurbeheertypen N06.05 Zwakgebufferd ven of N06.06 Zuur ven of</al><al>Hoogveenven vallen horen niet tot dit landschapsbeheertype.</al><al>6. Sloten behoren niet tot dit beheertype.</al><al>Algemene beheerverplichting <cursief>(let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2)</cursief>:</al><al>De historische of natuurlijke contouren/vormen worden behouden. Dit is bijvoorbeeld belangrijk bij</al><al>oude elementen zoals pingoruïnes waarvan de randzones archeologisch belangrijk kunnen zijn.</al><al>Hierbij gaat het dan om de walachtige structuur rondom de plas. Maar het geldt ook bij de visvijvers.</al><al>Dit landschapsbeheertype wordt periodiek opgeschoond om voldoende open water te behouden.</al><al><cursief>Landschapselementen</cursief></al><al>L01.01.00 Poel en klein historisch water - gemiddeld</al><al>L01.01.01a Poel en klein historisch water &lt; 175 m2</al><al>L01.01.01b Poel en klein historisch water &gt; 175 m2</al><al>Landschapsbeheertype L01.02: Houtwal en houtsingel</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Een houtwal of houtsingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement, al</al><al>dan niet groeiend op een aarden wal, met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en/of</al><al>struiken. De begroeiing wordt als hakhout beheerd.</al><al>2. De houtwal of houtsingel is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed.</al><al>3. Elzensingels bestaande uit een enkele rij horen niet tot dit landschapsbeheertype, maar tot het</al><al>landschapsbeheertype L01.03 Elzensingel.</al><al>4. Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit landschapsbeheertype.</al><al>Algemene beheerverplichting <cursief>(let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2)</cursief>:</al><al>Houtwallen en houtsingels worden periodiek afgezet in een cyclus van éénmaal per 6-25 jaar, met</al><al>uitzondering van eventueel aanwezige overstaanders. Bij houtwallen wordt tevens het wallichaam in</al><al>stand gehouden en indien nodig hersteld.</al><al><cursief>Landschapselementen</cursief></al><al>L01.02.00 Houtsingel en houtwal - gemiddeld</al><al>L01.02.01 Houtsingel en houtwal</al><al>L01.02.02 Hoge houtwal</al><al>L01.02.03 Holle weg en graft</al><al>Landschapsbeheertype L01.03: Elzensingel</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Een elzensingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten éénrijig landschapselement dat</al><al>grotendeels bestaat uit Zwarte els en als hakhout wordt beheerd.</al><al>2. Een elzensingel is minimaal 25 meter lang.</al><al>3. Losse bomenrijen horen niet tot dit landschapsbeheertype, maar tot het landschapsbeheertype</al><al>L01.13 Bomenrij en solitaire boom.</al><al>4. Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit landschapsbeheertype.</al><al>Algemene beheerverplichting <cursief>(let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2)</cursief>:</al><al>Elzensingels worden periodiek afgezet in een cyclus van éénmaal per 6-21 jaar.</al><al><cursief>Landschapselementen</cursief></al><al>L01.03.00 Elzensingel - gemiddeld</al><al>L01.03.01a Elzensingel bedekking 30-50%</al><al>L01.03.01b Elzensingel bedekking 50%-75%</al><al>L01.03.01c Elzensingel bedekking &gt; 75%</al><al>Landschapsbeheertype L01.04: Bossingel en bosje</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Een bossingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement met een</al><al>opgaande begroeiing van inheemse bomen en struiken.</al><al>2. Een bossingel is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed.</al><al>3. Een bosje is een vrijliggend vlakvormig en aaneengesloten landschapselement met een opgaande</al><al>begroeiing van inheemse bomen en struiken.</al><al>4. Een bosje is minimaal 2,0 are en maximaal 1 hectare groot.</al><al>Algemene beheerverplichting <cursief>(let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2)</cursief>:</al><al>Bossingels en bosjes worden in de tijd onregelmatig periodiek gedund of gesnoeid.</al><al><cursief>Landschapselementen</cursief></al><al>L01.04.01 Bossingel en bosje</al><al>Landschapsbeheertype L01.05: Knip- of scheerheg</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Een knip- of scheerheg is een vrijliggend lijnvormig landschapselement, met een aaneengesloten</al><al>begroeiing van inheemse bomen en/of struiken, dat wordt geknipt of geschoren.</al><al>2. Een knip- of scheerheg is minimaal 25 meter lang.</al><al>3. Een knip- of scheerheg kan periodiek gevlochten worden.</al><al>4. Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit landschapsbeheertype.</al><al>Algemene beheerverplichting <cursief>(let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2)</cursief>:</al><al>Een knip- of scheerheg wordt jaarlijks of minimaal eenmaal per 3 jaar geknipt of geschoren.</al><al>Snoeimateriaal mag blijven liggen voor zover dat het element of de ondergroei niet schaadt.</al><al><cursief>Landschapselementen</cursief></al><al>L01.05.00 Knip- en scheerheg - gemiddeld</al><al>L01.05.01a Knip- en scheerheg jaarlijkse cyclus</al><al>L01.05.01b Knip- en scheerheg 2-3 jaarlijkse cyclus</al><al>Landschapsbeheertype L01.06: Struweelhaag</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Een struweelhaag is een vrijliggend lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten</al><al>opgaande begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige, struiken.</al><al>2. Een struweelhaag is minimaal 25 meter lang.</al><al>3. Hagen die minimaal eenmaal per 3 jaar worden gesnoeid horen tot het landschapsbeheertype</al><al>L01.05 Knip- of scheerheg.</al><al>4. Struweelhagen kunnen periodiek gevlochten worden.</al><al>Algemene beheerverplichting <cursief>(let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2)</cursief>:</al><al>Een struweelhaag wordt periodiek gesnoeid of afgezet in een cyclus van éénmaal per 6-25 jaar.</al><al><cursief>Landschapselementen</cursief></al><al>L01.06.00 Struweelhaag - gemiddeld</al><al>L01.06.01a Struweelhaag snoeicyclus 5-7 jaar</al><al>L01.06.01b Struweelhaag snoeicyclus &gt; 12 jaar</al><al>Landschapsbeheertype L01.07: Laan</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Een laan is een weg of pad, die aan beide zijden met een of meerdere rijen bomen is beplant en is</al><al>bedoeld en aangelegd als laan.</al><al>2. Bij een laan gaat het meestal om bomen van dezelfde soort en leeftijd en er is sprake van een</al><al>herkenbaar en regelmatig plantverband.</al><al>3. Onder dit landschapsbeheertype vallen ook dijken met een weg, bovenop de kruin van de dijk, die</al><al>aan beide zijden met bomen is beplant.</al><al>4. Een laan is minimaal 50 meter lang.</al><al>5. Losse bomenrijen horen niet tot dit landschapsbeheertype, maar tot het landschapsbeheertype</al><al>L01.13 Bomenrij en solitaire boom.</al><al>Algemene beheerverplichting <cursief>(let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2)</cursief>:</al><al>Laanbeheer is een intensieve beheervorm. Systematische boomcontrole is nodig om de veiligheid van</al><al>de laan te garanderen. Opsnoeien van de bomen behoort tot het reguliere onderhoud.</al><al>Beginnen bomen in de laan uit te vallen, kan op een gegeven moment gekozen worden voor</al><al>verjonging van een laan. Dit betekent het opnieuw inplanten van het laantracé met bomen van</al><al>dezelfde soort en leeftijd, op regelmatige afstand van elkaar. Het kan in bosgebieden nodig zijn de</al><al>jonge aanplant te beschermen tegen vraat en vrij te stellen om voldoende licht toe te laten.</al><al><cursief>Landschapselementen</cursief></al><al>L01.07.00 Laan - gemiddeld</al><al>L01.07.01a Laan stamdiameter &lt; 20 cm</al><al>L01.07.01b Laan stamdiameter 20-60 cm</al><al>L01.07.01c Laan stamdiameter &gt; 60 cm</al><al>De diameter van de stammen wordt op 1,0 meter boven het maaiveld gemeten en element wordt als</al><al>geheel in een van de diameterklassen ingedeeld op basis van de gemiddelde diameter van de bomen</al><al>van het element.</al><al>Landschapsbeheertype L01.08: Knotboom</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Een knotboom is een inheemse loofboom, waarvan de stam periodiek op een hoogte van</al><al>minimaal 1,0 meter boven maaiveld wordt afgezet (geknot).</al><al>2. Knotbomen worden aangetroffen als solitaire boom, in rijen of in kleine groepen. Een kleine groep</al><al>bestaat uit maximaal 20 bomen.</al><al>3. Vlakvormige elementen met knotbomen, behoudens kleine groepen, horen niet tot dit</al><al>landschapsbeheertype.</al><al>Algemene beheerverplichting <cursief>(let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2)</cursief>:</al><al>Een knotboom wordt periodiek geknot. Knoteiken worden geknot in een cyclus van éénmaal per 7-15</al><al>jaar. Bij knotessen en knotelzen vindt het knotten plaats in een cyclus van éénmaal per 5-8 jaar en</al><al>knotwilgen en knotpopulieren worden gemiddeld éénmaal in de vier jaar geknot.</al><al><cursief>Landschapselementen</cursief></al><al>L01.08.00 Knotboom - gemiddeld</al><al>L01.08.01a Knotboom stamdiameter &lt; 20 cm</al><al>L01.08.01b Knotboom stamdiameter 20-60 cm</al><al>L01.08.01c Knotboom stamdiameter &gt; 60 cm</al><al>De diameter van de stammen wordt op 1,0 meter boven het maaiveld gemeten en als het element uit</al><al>meerdere knotbomen bestaat wordt het element als geheel in een van de diameterklassen ingedeeld</al><al>op basis van de gemiddelde diameter van de bomen van het element</al><al>Landschapsbeheertype L01.09: Hoogstamboomgaard</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Een hoogstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 1,50</al><al>meter hoog en waarvan de onderbegroeiing bestaat uit een grasachtige vegetatie.</al><al>2. Een hoogstamboomgaard bestaat uit minimaal 10 fruitbomen en heeft een dichtheid van minimaal</al><al>50 en maximaal 150 bomen per hectare.</al><al>3. Maximaal 10% van de fruitbomen bestaat uit walnoten.</al><al>4. Een hoogstamboomgaard is vaak in een cluster geplant en duidelijk afgescheiden van de</al><al>omgeving.</al><al>Algemene beheerverplichting <cursief>(let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2)</cursief>:</al><al>Hoogstamfruitbomen worden periodiek gesnoeid en bij beweiding moet beschadiging van de bomen</al><al>door vee voorkomen worden.</al><al><cursief>Landschapselementen</cursief></al><al>L01.09.01 Hoogstamboomgaard</al><al>Landschapsbeheertype L03.01: Aardwerk en groeve</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Alle landschapselementen die op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) staan, zoals</al><al>bijvoorbeeld motte's, grafheuvels en vlietbergen vallen buiten dit landschapsbeheertype maar</al><al>vallen onder het type archeologisch waardevol terrein.</al><al>2. Alleen landschapselementen dia als zodanig worden beheerd vallen onder dit</al><al>landschapsbeheertype.</al><al>3. Elementen die al onder een ander landschapsbeheertypen kunnen worden gerekend vallen buiten</al><al>dit landschapsbeheertype.</al><al>Algemene beheerverplichting <cursief>(let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2)</cursief>:</al><al>De kern van het beheer is dat het landschapselement in de huidige toestand blijft.</al><al><cursief>Landschapselement</cursief></al><al>L03.01.00 Aardwerk en groeve</al><al><vet>Onderdeel A.2 Provinciale landschapsbeheertypen en bijbehorende regionale</vet></al><al><vet>landschapselementen waarvan de instandhouding is toegestaan binnen natuurterreinen,</vet></al><al><vet>waarbij landschapselementen waarvan de alfanumerieke aanduiding eindigt op de cijfers "00"</vet></al><al><vet>slechts door gecertificeerde begunstigden kunnen worden aangevraagd.</vet></al><table><title>Tabel</title><tgroup cols="2"><colspec colnum="2" colname="C2"></colspec><colspec colnum="1" colname="C1"></colspec><colspec colnum="0" colname="C0"></colspec><thead><row><entry><al>Landschapsbeheertype</al></entry><entry><al>Landschapselement (regionaal)</al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>L01 Groenblauwe Landschapselementen</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al>L01.09. Hoogstamboomgaard</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.09. Hoogstamboomgaard</al></entry></row><row><entry><al>L01.13. Bomenrij en solitaire boom</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.13.03 Leibomen bij historische boerderijen</al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al>L03 Aardwerken</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al>L03.01 Aardwerk en groeve</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L03.01.02 Schurvelingen en zandwallen op Goeree</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Beschrijving regionale landschapselementen</vet></al><al>Landschapselement L01.09.02: Halfstamboomgaard bij historische boerderijen</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Halfstamboomgaarden hebben een minimale stamhoogte die lager is 1,5m.</al><al>2. Een halfhoogstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 0,6</al><al>meter hoog en waarvan de onderbegroeiing bestaat uit een grazige vegetatie.</al><al>3. Een halfhoogstamboomgaard bestaat uit minimaal 10 bomen en heeft een dichtheid van minimaal</al><al>75 en maximaal 150 fruitbomen per hectare.</al><al>4. Maximaal 10% van de bomen bestaat uit walnoten.</al><al>5. Een halfhoogstamboomgaard is vaak in een cluster geplant en duidelijk afgescheiden van de</al><al>omgeving.</al><al>6. De halfstamboomgaard behoort bij een historische boerderij of ander gebouw dat vermeld staat op</al><al>een locale of landelijke monumentenlijst of de boomgaard is vermeld op www.kich.nl of op een</al><al>provinciale cultuurhistorische waardenkaart.</al><al>Algemene beheerverplichting (<cursief>let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2</cursief>):</al><al>Halfhoogstamfruitbomen worden periodiek gesnoeid en bij beweiding moet beschadiging van de</al><al>bomen door vee voorkomen worden.</al><al><cursief>Landschapselement</cursief></al><al>L01.09.02.ZH Halfstamboomgaard bij historische boerderijen</al><al>Landschapselement L01.13.03: Leibomen bij historische boerderijen</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Uitsluitend leibomen bij historische boerderijen komen in aanmerking. Dit zijn boerderijen die</al><al>voorkomen op de Rijks- of gemeentelijke monumentenlijst dan wel terug te vinden zijn op de MIPlijst</al><al>(Monumenten Inventarisatie Project) (zie www.kich.nl).</al><al>Algemene beheerverplichting (<cursief>let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2</cursief>):</al><al>Het beheer is gericht op het behoud van de specifieke vorm van de leibomen.</al><al><cursief>Landschapselement</cursief></al><al>L01.13.03.ZH Leibomen bij historische boerderijen</al><al>Landschapsbeheertype L03.01.02: Schurvelingen en zandwallen op Goeree</al><al>Instapeisen:</al><al>Globaal kunnen drie typen zandwallen worden onderscheiden:</al><al>- zandwallen volledig begroeit met kruiden en grassen;</al><al>- zandwallen met kruiden en grassen en een licht boom of struiklaag;</al><al>- zandwallen begroeid met een zware boomlaag, braamstruweel of struiklaag;</al><al>Uitsluitend de schurvelingen en zandwallen op de Kop van Goeree vallen onder dit</al><al>landschapsbeheertype.</al><al>Algemene beheerverplichting (<cursief>let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2</cursief>):</al><al>1. Om verruiging te voorkomen worden de delen met grassen en kruiden jaarlijks gefaseerd</al><al>gemaaid. Het maaisel wordt afgevoerd.</al><al>2. Maaiwerkzaamheden worden uitgevoerd in de maanden augustus-december.</al><al>3. Bomen en struiken moeten met regelmaat worden opgesnoeid.</al><al>4. Schade door betreding door vee moet worden voorkomen met een raster.</al><al>5. Greppels die naast de zandwallen en schurvelingen zijn gelegen moeten regelmatig worden</al><al>geschoond.</al><al>6. Er mag geen snoeihout worden verbrand in, of in de directe omgeving van het element en als</al><al>snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.</al><al>7. Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan.</al><al><cursief>Landschapselement</cursief></al><al>L03.01.02.ZH Schurvelingen en zandwallen op Goeree</al><al><vet>Onderdeel B</vet></al><al><vet>Onderdeel B.1. Landschapselementen en bijbehorende beheerpakketten landschap die zijn</vet></al><al><vet>toegestaan in de gebieden zoals aangewezen in het plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-</vet></al><al><vet>2013 in</vet><vet> het kader van maatregel 214 van het plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013</vet></al><table><title>Tabel</title><tgroup cols="2"><colspec colnum="2" colname="C2"></colspec><colspec colnum="1" colname="C1"></colspec><colspec colnum="0" colname="C0"></colspec><thead><row><entry><al>Landschapselement</al></entry><entry><al>Beheerpakket landschap</al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>L01 Groenblauwe Landschapselementen</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al>L01.01 Poel en kleine historisch water</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.01.01a Oppervlakte poel &lt; 175 m2</al><al>L01.01.01b Oppervlakte poel &gt; 175 m2</al></entry></row><row><entry><al>L01.02 Houtwal en houtsingel</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.02.01 Houtsingel en houtwal</al><al>L01.02.02 Hoge houtwal</al><al>L01.02.03 Holle weg en graft</al></entry></row><row><entry><al>L01.03 Elzensingel</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.03.01a Bedekking elzensingel 30-50%</al><al>L01.03.01b Bedekking elzensingel 50%-75%</al><al>L01.03.01c Bedekking elzensingel &gt; 75%</al></entry></row><row><entry><al>L01.04 Bossingel en bosje</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.04.01 Bossingel en bosje</al></entry></row><row><entry><al>L01.05 Knip- of scheerheg</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.05.01a Heg jaarlijks scheren of knippen</al><al>L01.05.01b Heg eenmaal per 2-3 jaar scheren of knippen</al></entry></row><row><entry><al>L01.06 Struweelhaag</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.06.01a Struweelhaag snoeicyclus 5-7 jaar</al><al>L01.06.01b Struweelhaag snoeicyclus &gt; 12 jaar</al></entry></row><row><entry><al>L01.07 Laan</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.07.01a Laan stamdiameter bomen &lt; 20 cm</al><al>L01.07.01b Laan stamdiameter bomen 20-60 cm</al><al>L01.07.01c Laan stamdiameter bomen &gt; 60 cm</al></entry></row><row><entry><al>L01.08 Knotboom</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.08.01a Knotboom stamdiameter &lt; 20 cm</al><al>L01.08.01b Knotboom stamdiameter 20-60 cm</al><al>L01.08.01c Knotboom stamdiameter &gt; 60 cm</al></entry></row><row><entry><al>L01.09 Hoogstamboomgaard</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.09.01 Hoogstamboomgaard</al></entry></row><row><entry><al>L01.10 Struweelrand</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.10.01 Struweelrand</al></entry></row><row><entry><al>L01.11 Hakhoutbosje</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.11.01a Hakhoutbosje met dominantie langzaamgroeiende</al><al>soorten (zomereik, wintereik, berk, haagbeuk)</al><al>L01.11.01b Hakhoutbosje met dominantie snelgroeiende</al><al>soorten (zwarte els en/of gewone es)</al></entry></row><row><entry><al>L01.12 Griendje</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.12.01 Griendje</al></entry></row><row><entry><al>L01.13 Bomenrij en solitaire boom</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.13.01a Bomenrij stamdiameter &lt; 20 cm</al><al>L01.13.01b Bomenrij stamdiameter 20-60 cm</al><al>L01.13.01c Bomenrij stamdiameter &gt; 60 cm</al><al>L01.13.02a Solitaire boom stamdiameter &lt; 20 cm</al><al>L01.13.02b Solitaire boom stamdiameter 20-60 cm</al><al>L01.13.02c Solitaire boom stamdiameter &gt; 60 cm</al></entry></row><row><entry><al>L01.14 Rietzoom en klein rietperceel</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.14.01a Smalle rietzoom (&lt; 5 meter)</al><al>L01.14.01b Brede rietzoom (&gt; 5 meter) en klein rietperceel</al></entry></row><row><entry><al>L01.15 Natuurvriendelijke oever</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.15.01 Natuurvriendelijke oever</al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al>L04 Recreatieve landschapselementen</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al>L04.01 Wandelpad over boerenland</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L04.01.01 Wandelpad over boerenland</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Beschrijving landschapselementen</vet></al><al>Landschapselement L01.01: Poel en klein historisch water</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Zowel een poel als een klein historisch water is doorgaans een geïsoleerd stilstaand water dat</al><al>gevoed wordt door grond- en/of regenwater. Een poel mag in verbinding staan met sloten of</al><al>greppels wanneer sprake is van een natuurlijke eenheid die vrij afwatert. Veenputten mogen in</al><al>verbinding staan met het slotenstelsel in het gebied.</al><al>2. Het landschapselement heeft een oppervlakte van minimaal 0,5 en maximaal 50 are.</al><al>3. In Zuid-Limburg heeft een voortplantingspoel voor amfibieën een oppervlakte van minimaal 0,2</al><al>are.</al><al>4. Vijvers die een onderdeel zijn van een park of tuin, of daarin aangelegd worden, vallen niet onder</al><al>dit landschapselement.</al><al>5. Wateren die onder de natuurbeheertypen N06.05 Zwakgebufferd ven of N06.06 Zuur ven of</al><al>Hoogveenven vallen horen niet tot dit landschapselement.</al><al>6. Sloten behoren niet tot dit landschapselement.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Minimaal 50% van het natte oppervlakte van de poel bestaat in de lente uit open water. Incidenteel</al><al>mag het element in de zomerperiode droogvallen. Voor behoud van voldoende open water wordt het</al><al>element periodiek opgeschoond.</al><al>2. Minimaal 75% van de oppervlakte van de oever is begroeid met een gras- of ruigtekruidenvegetatie.</al><al>Vertrapping van de oevers bij het gebruik van het element als veedrenkpoel wordt voorkomen door</al><al>extensieve beweiding van het perceel waarin de poel is gelegen en/of door het geheel of</al><al>gedeeltelijk uitrasteren van de poel.</al><al>3. Maximaal 25% van de oppervlakte van de oever is begroeid met inheemse bomen en/of struiken;</al><al>4. Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen in het element gebruikt worden en als</al><al>op het perceel waarop het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen</al><al>worden gebruikt, vindt dat gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen</al><al>schade oploopt.</al><al>5. Als op het perceel waarop het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen</al><al>worden gebruikt, vindt dat gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen</al><al>schade oploopt.</al><al>6. Er mogen geen vissen of andere dieren (zoals eenden en ganzen) worden uitgezet of gekweekt;</al><al>7. Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.</al><al>8. Maai- en schoningswerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 1 september en 15</al><al>oktober.</al><al><cursief>Beheerpakketten landschap</cursief></al><al>L01.01.01a Poel en klein historisch water &lt; 175 m2</al><al>L01.01.01b Poel en klein historisch water &gt; 175 m2</al><al>Landschapselement L01.02: Houtwal en houtsingel</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Een houtwal of houtsingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement, al</al><al>dan niet groeiend op een aarden wal, met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en/of</al><al>struiken. De begroeiing wordt als hakhout beheerd.</al><al>2. De houtwal of houtsingel is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed.</al><al>3. Elzensingels bestaande uit een enkele rij horen niet tot dit landschapselement, maar tot het</al><al>landschapselement L01.03 Elzensingel.</al><al>4. Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit landschapselement.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Tenminste 75% van de oppervlakte van het element wordt als hakhout beheerd en periodiek</al><al>afgezet.</al><al>2. Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei</al><al>en/of de stoven niet schaadt.</al><al>3. Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element en als</al><al>snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.</al><al>4. Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten</al><al>(Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een</al><al>stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden en als op het perceel waarop</al><al>het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen worden gebruikt, vindt dat</al><al>gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen schade oploopt.</al><al>5. Het wallichaam wordt in stand gehouden als het element daarvan is voorzien.</al><al>6. Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.</al><al>7. Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.</al><al>8. Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart.</al><al>Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid.</al><al><cursief>Beheerpakketten landschap</cursief></al><al>L01.02.01 Houtsingel en houtwal</al><al>1. Het element wordt periodiek afgezet in een cyclus van éénmaal per 6-15 jaar.</al><al>2. De diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 15 cm op</al><al>1,0 meter boven de hakhoutstoof.</al><al>L01.02.02 Hoge houtwal</al><al>1. Het element wordt periodiek afgezet in een cyclus van éénmaal per 21-25 jaar. Tussentijds</al><al>kan het element gedund worden.</al><al>2. De diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 25 cm op</al><al>1,0 meter boven de hakhoutstoof.</al><al>3. Het wallichaam is minimaal 0,8 meter hoog en de kruidachtige vegetatie van de steile</al><al>walkanten wordt gemaaid.</al><al>4. Aan de voet van het wallichaam ligt een greppel die in stand wordt gehouden.</al><al>L01.02.03 Holle weg en graft</al><al>1. Het element is gelegen op het talud van een holle weg of graft in Zuid-Limburg.</al><al>2. Het element wordt periodiek afgezet in een cyclus van minimaal éénmaal per 15 jaar.</al><al>3. De diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 15 cm op</al><al>1,0 meter boven de hakhoutstoof.</al><al>Landschapselement L01.03: Elzensingel</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Een elzensingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten éénrijig landschapselement dat</al><al>grotendeels bestaat uit Zwarte els en als hakhout wordt beheerd.</al><al>2. Een elzensingel is minimaal 25 meter lang.</al><al>3. Losse bomenrijen horen niet tot dit landschapselement, maar tot het landschapselement L01.13</al><al>Bomenrij en solitaire boom.</al><al>4. Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit landschapselement.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. 75% van lengte van het element wordt als hakhout beheerd.</al><al>2. Het hakhout wordt periodiek afgezet in een cyclus van éénmaal per 6-21 jaar;</al><al>3. De diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 25 cm op 1,0</al><al>meter boven de hakhoutstoof.</al><al>4. Het snoeihout mag niet in het element verwerkt worden.</al><al><cursief>5. </cursief>Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element en als</al><al>snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.</al><al>6. Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten</al><al>(Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een</al><al>stobbenbehandeling, en meststoffen in het landschapselement gebruikt worden en als op het</al><al>perceel waarop het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen worden</al><al>gebruikt, vindt dat gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen schade</al><al>oploopt.</al><al>7. Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.</al><al>8. Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.</al><al>9. Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart.</al><al>Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid.</al><al><cursief>Beheerpakketten landschap</cursief></al><al>L01.03.01a Elzensingel bedekking 30-50%</al><al>L01.03.01b Elzensingel bedekking 50%-75%</al><al>L01.03.01c Elzensingel bedekking &gt; 75%</al><al>Landschapselement L01.04: Bossingel en bosje</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Een bossingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement met een</al><al>opgaande begroeiing van inheemse bomen en struiken.</al><al>2. Een bossingel is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed.</al><al>3. Een bosje is een vrijliggend vlakvormig en aaneengesloten landschapselement met een opgaande</al><al>begroeiing van inheemse bomen en struiken.</al><al>4. Een bosje is minimaal 2,0 are en maximaal 1 hectare groot.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Het element wordt als bos met hoog opgaande bomen beheerd.</al><al>2. Het element wordt periodiek gedund en overhangende takken kunnen het gehele jaar worden</al><al>gesnoeid.</al><al>3. Randen van het element kunnen als hakhout beheerd worden.</al><al>4. Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei</al><al>en/of de stoven niet schaadt.</al><al>5. Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element, en als</al><al>snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.</al><al>6. Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten</al><al>(Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een</al><al>stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden en als op het perceel waarop</al><al>het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen worden gebruikt, vindt dat</al><al>gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen schade oploopt.</al><al>7. Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.</al><al>8. Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.</al><al>9. Het dunnen van het element wordt alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart.</al><al><cursief>Beheerpakket landschap</cursief></al><al>L01.04.01 Bossingel en bosje</al><al>Landschapselement L01.05: Knip- of scheerheg</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Een knip- of scheerheg is een vrijliggend lijnvormig landschapselement, met een aaneengesloten</al><al>begroeiing van inheemse bomen en/of struiken, dat wordt geknipt of geschoren.</al><al>2. Een knip- of scheerheg is minimaal 25 meter lang.</al><al>3. Een knip- of scheerheg kan periodiek gevlochten worden.</al><al>4. Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit landschapselement.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Snoeimateriaal mag blijven liggen voor zover dat het element of de ondergroei niet schaadt;</al><al>2. Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element, en als</al><al>snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.</al><al>3. Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten</al><al>(Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een</al><al>stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden en als op het perceel waarop</al><al>het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen worden gebruikt, vindt dat</al><al>gebruik op een zodanige wijze plaats dat het lelement daardoor geen schade oploopt.</al><al>4. Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.</al><al>5. Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juni en 15 maart.</al><al><cursief>Beheerpakketten landschap</cursief></al><al>L01.05.01a Knip- en scheerheg jaarlijkse cyclus</al><al>1. De heg wordt éénnmaal per jaar geknipt of geschoren . Na het knippen/scheren heeft de heg</al><al>een hoogte van minimaal 0,8 meter.</al><al>L01.05.01b Knip- en scheerheg 2-3 jaarlijkse cyclus</al><al>1. De heg bestaat voor meer dan 50% uit meidoorn en wordt om de 2-3 jaar geknipt of</al><al>geschoren. Na het knippen/scheren heeft de heg een hoogte van minimaal 1,0 meter en een</al><al>breedte van minimaal 0,8 meter.</al><al>Landschapselement L01.06: Struweelhaag</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Een struweelhaag is een vrijliggend lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten</al><al>opgaande begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige, struiken.</al><al>2. Een struweelhaag is minimaal 25 meter lang.</al><al>3. Hagen die minimaal eenmaal per 3 jaar worden gesnoeid horen tot het landschapselement L01.05</al><al>Knip- of scheerheg.</al><al>4. Struweelhagen kunnen periodiek gevlochten worden.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Het snoeien kan gecombineerd worden met het vlechten van de haag.</al><al>2. Het snoeihout mag niet in het element verwerkt worden.</al><al><cursief>3. </cursief>Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element, en als</al><al>snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.</al><al>4. Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten</al><al>(Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een</al><al>stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden en als op het perceel waarop</al><al>het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen worden gebruikt, vindt dat</al><al>gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen schade oploopt.</al><al>5. Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.</al><al>6. Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.</al><al>7. Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart.</al><al>Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid.</al><al>8. Indien snoeiwerkzaamheden machinaal worden uitgevoerd, wordt geen klepelmaaier gebruikt.</al><al><cursief>Beheerpakketten landschap</cursief></al><al>L01.06.01a Struweelhaag snoeicyclus 5-7 jaar</al><al>1. Het element kan vrij uitgroeien en wordt periodiek in een cyclus van éénmaal per 5 - 7 jaar</al><al>aan drie zijden gesnoeid. Na het snoeien heeft de haag een hoogte van minimaal 1,0 meter</al><al>en een breedte van minimaal 0,8 meter.</al><al>2. Afzetten gebeurt op 20 centimeter boven de bestaande poest (stoof of knot).</al><al>L01.06.01b Struweelhaag snoeicyclus &gt; 12 jaar</al><al>1. Het element kan vrij uitgroeien en wordt periodiek in een cyclus van éénmaal per 12 - 25 jaar</al><al>afgezet.</al><al>2. Afzetten gebeurt op 20 centimeter boven de bestaande poest (stoof of knot).</al><al>Landschapselement L01.07: Laan</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Een laan is een weg of pad, die aan beide zijden met een of meerdere rijen bomen is beplant en is</al><al>bedoeld en aangelegd als laan.</al><al>2. Bij een laan gaat het meestal om bomen van dezelfde soort en leeftijd en er is sprake van een</al><al>herkenbaar en regelmatig plantverband.</al><al>3. Onder dit landschapselement vallen ook dijken met een weg, bovenop de kruin van de dijk, die</al><al>aan beide zijden met bomen is beplant.</al><al>4. Een laan is minimaal 50 meter lang.</al><al>5. Losse bomenrijen horen niet tot dit landschapselement, maar tot het landschapselement L01.13</al><al>Bomenrij en solitaire boom.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. De bomen worden periodiek gesnoeid.</al><al><cursief>2. </cursief>Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element. Evenmin</al><al>mag versnipperd hout verwerkt worden in het element.</al><al>3. Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten</al><al>(Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een</al><al>stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden en als op het perceel waarop</al><al>het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen worden gebruikt, vindt dat</al><al>gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen schade oploopt;</al><al>4. Als op het perceel waarop het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen</al><al>worden gebruikt, vindt dat gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen</al><al>schade oploopt. Ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en</al><al>Ratelpopulier) in het element mogen middels een stobbenbehandeling bestreden worden.</al><al>5. De bomen mogen niet beschadigd worden door vee.</al><al>6. Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.</al><al>7. Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juli en 15 maart.</al><al><cursief>Beheerpakketten landschap</cursief></al><al>L01.07.01a Laan stamdiameter &lt; 20 cm</al><al>L01.07.01b Laan stamdiameter 20-60 cm</al><al>L01.07.01c Laan stamdiameter &gt; 60 cm</al><al>De diameter van de stammen wordt op 1,0 meter boven het maaiveld gemeten en element wordt als</al><al>geheel in een van de diameterklassen ingedeeld op basis van de gemiddelde diameter van de bomen</al><al>van het element.</al><al>Landschapselement L01.08: Knotboom</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Een knotboom is een inheemse loofboom, waarvan de stam periodiek op een hoogte van</al><al>minimaal 1,0 meter boven maaiveld wordt afgezet (geknot).</al><al>2. Knotbomen worden aangetroffen als solitaire boom, in rijen of in kleine groepen. Een kleine groep</al><al>bestaat uit maximaal 20 bomen.</al><al>3. Vlakvormige landschapselementen met knotbomen, behoudens kleine groepen, horen niet tot dit</al><al>landschapselement, maar kunnen mogelijk gerangschikt worden onder het landschapselement</al><al>L01.11 Hakhoutbosje of L01.12 Griendje, mits voldaan wordt aan de eisen van die</al><al>landschapselementen.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Knotwilgen, -elzen, -essen en -populieren -worden in een cyclus van éénmaal per 3-8 jaar geknot.</al><al>Knoteiken en -haagbeuken worden geknot in een cyclus van minimaal eenmaal per 15 jaar.</al><al>2. Er mag geen snoeihout verbrandt worden in de directe omgeving van de knotboom.</al><al>3. Als op het perceel waarop het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen</al><al>worden gebruikt, vindt dat gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen</al><al>schade oploopt. Ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en</al><al>Ratelpopulier) in het element mogen middels een stobbenbehandeling bestreden worden.</al><al>4. De boom mag niet beschadigd worden door vee.</al><al>5. Knotwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart.</al><al><cursief>Beheerpakketten landschap</cursief></al><al>L01.08.01a Knotboom stamdiameter &lt; 20 cm</al><al>L01.08.01b Knotboom stamdiameter 20-60 cm</al><al>L01.08.01c Knotboom stamdiameter &gt; 60 cm</al><al>De diameter van de stammen wordt op 1,0 meter boven het maaiveld gemeten en als het element uit</al><al>meerdere knotbomen bestaat wordt het element als geheel in een van de diameterklassen ingedeeld</al><al>op basis van de gemiddelde diameter van de bomen van het element.</al><al>Landschapselement L01.09: Hoogstamboomgaard</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Een hoogstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 1,50</al><al>meter hoog en waarvan de onderbegroeiing bestaat uit een grazige vegetatie.</al><al>2. Een hoogstamboomgaard bestaat uit minimaal 10 fruitbomen en heeft een dichtheid van minimaal</al><al>50 en maximaal 150 bomen per hectare.</al><al>3. Maximaal 10% van de fruitbomen bestaat uit walnoten.</al><al>4. Een hoogstamboomgaard is vaak in een cluster geplant en duidelijk afgescheiden van de</al><al>omgeving.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Indien het appel of peer betreft wordt de boom tenminste éénmaal per 2 jaar gesnoeid. Andere</al><al>soorten enkel vormsnoei indien nodig.</al><al>2. De grasvegetatie wordt jaarlijks gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd of de grasvegetatie</al><al>wordt beweid.</al><al>3. Er mag geen snoeihout verbrand worden in de directe omgeving van de bomen of versnipperd hout</al><al>verwerkt worden in de boomgaard.</al><al>4. Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten</al><al>(Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een</al><al>stobbenbehandeling, en de pleksgewijze bestrijding van Akkerdistel, Ridderzuring en Brandnetel in</al><al>het element gebruikt worden.</al><al>5. De hoogstamfruitboom mag niet beschadigd worden door vee. Jonge bomen zijn voorzien van een</al><al>boomkorf.</al><al>6. Bemesten en bekalken van de boomgaard is toegestaan. Bij bemesten van de boomgaard worden</al><al>de fruitbomen en wortels niet beschadigd.</al><al>7. Snoeiwerkzaamheden kunnen gedurende het gehele jaar worden verricht.</al><al><cursief>Beheerpakket landschap</cursief></al><al>L01.09.01 Hoogstamboomgaard</al><al>Landschapselement L01.10: Struweelrand</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Een struweelrand is een aaneengesloten rand met een mozaïek van struweel (bramen en/of</al><al>andere inheemse bomen of struiken) en een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en</al><al>kruiden die zich spontaan kan ontwikkelen.</al><al>2. De rand is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed.</al><al>3. Maximaal 50% van de oppervlakte van de rand wordt ingenomen door inheemse bomen en/of</al><al>struiken.</al><al>4. De struweelrand kan langs een bosrand of een ander landschapselement liggen maar ook vrij in</al><al>het veld, bijvoorbeeld langs een perceelsrand.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Periodiek wordt de begroeiing gemaaid en afgezet.</al><al>2. 50% van de oppervlakte van de rand bestaande uit een kruidachtige begroeiing van inheemse</al><al>grassen en kruiden mag periodiek gemaaid worden met een cyclus van maximaal éénmaal per 5</al><al>jaar. Het maaisel wordt afgevoerd.</al><al>3. Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei</al><al>en/of de stoven niet schaadt.</al><al>4. Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element, en als</al><al>snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.</al><al>5. Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten</al><al>(Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een</al><al>stobbenbehandeling en de pleksgewijze bestrijding van Akkerdistel, Ridderzuring en Brandnetel, en</al><al>meststoffen in het element gebruikt worden. Als op het perceel waarop het element is gelegen</al><al>gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen worden gebruikt, vindt dat gebruik op een</al><al>zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen schade oploopt.</al><al>6. Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.</al><al>7. Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.</al><al>8. Maaiwerkzaamheden worden uitgevoerd tussen 15 juli en 15 maart en het afzetten van struweel</al><al>wordt alleen verricht in de periode tussen 1 november en 15 maart.</al><al><cursief>Beheerpakket landschap</cursief></al><al>L01.10.01 Struweelrand</al><al>Landschapselement L01.11: Hakhoutbosje</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Een hakhoutbosje is een vrijliggend vlakvormig landschapselement, met inheemse bomen en/of</al><al>struiken dat als hakhout wordt beheerd.</al><al>2. Een hakhoutbosje is minimaal 1,0 are en maximaal 1,0 hectare groot.</al><al>3. Kleine vrijliggende bosjes zonder hakhoutbeheer of met enkel hakhoutbeheer aan de randen horen</al><al>tot het landschapselement L01.04 Bossingel en Bosje.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Minimaal 80% van de oppervlakte van het bosje wordt als hakhout beheerd.</al><al>2. Het element wordt periodiek afgezet in een cyclus van éénmaal per 6 - 25 jaar.</al><al>3. De diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 20 cm op 1,0</al><al>meter boven de hakhoutstoof.</al><al>4. Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei</al><al>en/of de stoven niet schaadt.</al><al>5. Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element, en als</al><al>snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.</al><al>6. Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten</al><al>(Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een</al><al>stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden en als op het perceel waarop</al><al>het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen worden gebruikt, vindt dat</al><al>gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen schade oploopt.</al><al>7. Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.</al><al>8. Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.</al><al>9. Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart.</al><al>Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid.</al><al><cursief>Beheerpakketten landschap</cursief></al><al>L01.11.01a Hakhoutbosje met dominantie van langzaamgroeiende boomsoorten (zomereik, wintereik,</al><al>berk, haagbeuk).</al><al>L01.11.01b Hakhoutbosje met dominantie van snelgroeiende boomsoorten (zwarte els, gewone es).</al><al>Landschapselement L01.12: Griendje</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Een griendje is een vrijliggend vlakvormig landschapselement met inheemse wilgensoorten dat als</al><al>hakhout wordt beheerd.</al><al>2. Het griendje is minimaal 1,0 are en maximaal 1,0 hectare groot.</al><al>3. Grienden die machinaal gemaaid worden behoren niet tot dit landschapselement.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Het element bestaat uit inheemse wilgensoorten en wordt geheel als hakhout beheerd en afgezet</al><al>in een cyclus van tenminste éénmaal per 5 jaar.</al><al>2. Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei</al><al>en/of de stoven niet schaadt.</al><al>3. Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element, en als</al><al>snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.</al><al>4. Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten</al><al>(Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een</al><al>stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden en als op het perceel waarop</al><al>het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen worden gebruikt, vindt dat</al><al>gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen schade oploopt.</al><al>5. Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.</al><al>6. Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.</al><al>7. Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart.</al><al>Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid.</al><al><cursief>Beheerpakket landschap</cursief></al><al>L01.12.01 Griendje</al><al>Landschapselement L01.13: Bomenrij en solitaire boom</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Een bomenrij of een solitaire boom is een vrijliggend landschapselement van inheemse loofbomen</al><al>dat niet kan worden gerangschikt onder andere landschapselementen van dit onderdeel van</al><al>bijlage 6.</al><al>2. Bedoeld worden solitaire bomen of bomen in een groep of rij staande op of langs landbouwgrond.</al><al>3. Bomen die een onderdeel vormen van een ander landschapselement of deel uitmaken van een</al><al>bomenrij als bedoeld in dit landschapselement kunnen niet als solitaire boom of verzameling van</al><al>solitaire bomen aangevraagd worden.</al><al>4. De bomenrij is minimaal 50 meter lang en bestaat uit minimaal 8 bomen per 100 meter. Het</al><al>maximaal aantal bomen in een rij wordt bepaald door het aantal bomen dat binnen de lengte van</al><al>de rij op natuurlijke wijze kan uitgroeien tot volwaardige bomen.</al><al>5. Een solitaire boom staat qua omvang gelijk aan 16 vierkante meter bomenrij.</al><al>6. Vlakvormige boomweides behoren niet tot dit landschapselement.</al><al>7. Solitaire knotbomen of een rij knotbomen behoren tot het landschapselement L01.08 Knotboom.</al><al>8. Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit landschapselement.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. De bomen worden periodiek gesnoeid. Jonge bomen gemiddeld eenmaal per 5 jaar en oudere</al><al>bomen gemiddeld eenmaal per 10 jaar. Bij oudere bomen kan het snoeien zich beperken tot het</al><al>verwijderen van dood hout.</al><al>2. Na het snoeien beslaat de blijvende kroon altijd minimaal tweederde deel beslaat van de totale</al><al>lengte van de boom.</al><al>3. Er mag geen snoeihout verbrand worden in de directe omgeving van het element of versnipperd</al><al>hout verwerkt worden in het element.</al><al>4. Als op het perceel waarop het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen</al><al>worden gebruikt, vindt dat gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen</al><al>schade oploopt. Ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en</al><al>Ratelpopulier) in het element mogen middels een stobbenbehandeling bestreden worden.</al><al>5. De bomen mogen niet beschadigd worden door vee. Jonge bomen in een weiland (boomdijk) zijn</al><al>voorzien van een boomkorf en solitaire bomen in een weiland zijn uitgerasterd.</al><al>6. Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juli en 15 maart.</al><al><cursief>Beheerpakketten landschap</cursief></al><al>L01.13.01a Bomenrij stamdiameter &lt; 20 cm</al><al>L01.13.01b Bomenrij stamdiameter 20-60 cm</al><al>L01.13.01c Bomenrij stamdiameter &gt; 60 cm</al><al>L01.13.02a Solitaire boom stamdiameter &lt; 20 cm</al><al>L01.13.02b Solitaire boom stamdiameter 20-60 cm</al><al>L01.13.02c Solitaire boom stamdiameter &gt; 60 cm</al><al>De diameter van de stammen wordt op 1,0 meter boven het maaiveld gemeten en als het element uit</al><al>meerdere bomen bestaat wordt het element als geheel in een van de diameterklassen ingedeeld op</al><al>basis van de gemiddelde diameter van de bomen van het element.</al><al>Landschapselement L01.14: Rietzoom en klein rietperceel</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Een rietzoom bevindt zich langs een waterloop en bestaat uit riet-, biezen en/of zeggevegetaties</al><al>met een dominantie van riet (bedekking riet &gt; 50%).</al><al>2. De rietzoom heeft een breedte van minimaal 2 meter en is minimaal 25 meter lang.</al><al>3. Een klein rietperceel is een vlakvormig element met een vegetatie die overwegend uit riet bestaat.</al><al>De maaibare oppervlakte van een klein rietperceel is maximaal 0,5 ha.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Maximaal 20% van de oppervlakte van het element bestaat uit struweel.</al><al>2. Het element wordt periodiek gemaaid in een cyclus van éénmaal per 2-4 jaar en het maaisel wordt</al><al>afgevoerd.</al><al>3. Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen in het element gebruikt worden en als</al><al>op het perceel waarop het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen</al><al>worden gebruikt, vindt dat gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen</al><al>schade oploopt.</al><al>4. Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.</al><al>5. Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.</al><al>6. Maaiwerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 1 oktober en 1 maart.</al><al><cursief>Beheerpakketten landschap</cursief></al><al>L01.14.01a Smalle rietzoom (2- 5 meter)</al><al>L01.14.01b Brede rietzoom (&gt; 5 meter) en klein rietperceel</al><al>Landschapselement L01.15: Natuurvriendelijke oever</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Een natuurvriendelijke oever is een aaneengesloten oever langs een bestaande waterloop, in de</al><al>vorm van een plas- of drasberm of flauw talud (flauw talud minimaal 1: 3).</al><al>2. De oever heeft een breedte van minimaal 3 en maximaal 10 meter en is minimaal 25 meter lang.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Het element wordt periodiek gemaaid in een cyclus van minimaal éénmaal per 2 jaar en maximaal</al><al>éénmaal per jaar. Het maaisel wordt afgevoerd.</al><al>2. Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen in het element gebruikt worden en als</al><al>op het perceel waarop het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen</al><al>worden gebruikt, vindt dat gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen</al><al>schade oploopt.</al><al>3. Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.</al><al>4. Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.</al><al>5. Maaiwerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 15 juli en 1 maart.</al><al><cursief>Beheerpakket landschap</cursief></al><al>L01.15.01 Natuurvriendelijke oever</al><al>Landschapselement L04.01: Wandelpad over boerenland</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Een wandelpad over boerenland bestaat in beginsel uit een onverhard pad. Kleine gedeelten</al><al>verhard pad over particuliere gronden kunnen meegenomen worden als dit noodzakelijk is voor de</al><al>wandelpadenstructuur.</al><al>2. Het wandelpad heeft een breedte van maximaal 3 meter.</al><al>3. De paden zijn duidelijk gemarkeerd en zijn geschikt voor wandelaars met een normale conditie.</al><al>4. Het wandelpad vormt een onderdeel van een doorgaande en/of openbare wandelstructuur.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Het wandelpad wordt zodanig beheerd dat een goede begaanbaarheid gewaarborgd is.</al><al>2. De voorzieningen die een onderdeel vormen van het wandelpad zoals bruggetjes, klaphekjes e.d.</al><al>worden in goede staat van onderhoud gehouden.</al><al>3. Het wandelpad is opengesteld van zonsopgang tot zonsondergang en jaarrond toegankelijk.</al><al><cursief>Beheerpakket landschap</cursief></al><al>L04.01.01 Wandelpad over boerenland</al><al><vet>Onderdeel B.2. Landschapselementen en bijbehorende regionale beheerpakketten landschap</vet></al><table><title>Tabel</title><tgroup cols="2"><colspec colnum="2" colname="C2"></colspec><colspec colnum="1" colname="C1"></colspec><colspec colnum="0" colname="C0"></colspec><thead><row><entry><al>Landschapselement</al></entry><entry><al>Beheerpakket landschap</al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>L01 Groenblauwe Landschapselementen</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al>L01.09. Hoogstamboomgaard</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.09.02 Halfstamboomgaard bij historische boerderijen</al></entry></row><row><entry><al>L01.13. Bomenrij en solitaire boom</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L01.13.03 Leibomen bij historische boerderijen</al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al>L03 Aardwerken</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al>L03.01 Aardwerk en groeve</al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al>L03.01.02 Schurvelingen en zandwallen op Goeree</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Landschapselement L01.09.02: Halfstamboomgaard bij historische boerderijen</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Halfstamboomgaarden hebben een minimale stamhoogte die lager is 1,5m.</al><al>2. Een halfhoogstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 0,6</al><al>meter hoog en waarvan de onderbegroeiing bestaat uit een grazige vegetatie.</al><al>3. Een halfhoogstamboomgaard bestaat uit minimaal 10 bomen en heeft een dichtheid van minimaal</al><al>75 en maximaal 150 fruitbomen per hectare.</al><al>4. Maximaal 10% van de bomen bestaat uit walnoten.</al><al>5. Een halfhoogstamboomgaard is vaak in een cluster geplant en duidelijk afgescheiden van de</al><al>omgeving.</al><al>6. De halfstamboomgaard behoort bij een historische boerderij of ander gebouw welke vermeld staat</al><al>op een locale of landelijke monumentenlijst of de boomgaard is vermeld op www.kich.nl of op een</al><al>provinciale cultuurhistorische waardenkaart.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Halfhoogstamfruitbomen worden periodiek gesnoeid en bij beweiding moet beschadiging van de</al><al>bomen door vee voorkomen worden.</al><al><cursief>Beheerpakket landschap</cursief></al><al>L01.09.02.ZH Halfhoogstamboomgaard bij historische boerderijen</al><al>Landschapselement L01.13.03: Leibomen bij historische boerderijen</al><al>Instapeisen:</al><al>1. Uitsluitend leibomen bij historische boerderijen komen in aanmerking. Dit zijn boerderijen die</al><al>voorkomen op de Rijks- of gemeentelijke monumentenlijst dan wel terug te vinden zijn op de MIPlijst</al><al>(Monumenten Inventarisatie Project) (zie www.kich.nl).</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Het beheer is gericht op het behoud van de specifieke vorm van de leibomen.</al><al><cursief>Beheerpakket landschap</cursief></al><al>L01.13.03.ZH Leibomen bij historische boerderijen</al><al>Landschapselement L03.01.02: Schurvelingen en zandwallen op Goeree</al><al>Instapeisen:</al><al>Globaal kunnen drie typen zandwallen worden onderscheiden:</al><al>- zandwallen volledig begroeit met kruiden en grassen;</al><al>- zandwallen met kruiden en grassen en een licht boom of struiklaag;</al><al>- zandwallen begroeid met een zware boomlaag, braamstruweel of struiklaag;</al><al>Uitsluitend de schurvelingen en zandwallen op de Kop van Goeree vallen onder dit</al><al>landschapselement.</al><al>Beheereisen:</al><al>1. Om verruiging te voorkomen worden de delen met grassen en kruiden jaarlijks gefaseerd</al><al>gemaaid. Het maaisel wordt afgevoerd.</al><al>2. Maaiwerkzaamheden worden uitgevoerd in de maanden augustus-december.</al><al>3. Bomen en struiken moeten met regelmaat worden opgesnoeid.</al><al>4. Schade door betreding door vee moet worden voorkomen met een raster.</al><al>5. Greppels die naast de zandwallen en schurvelingen zijn gelegen moeten regelmatig worden</al><al>geschoond.</al><al>6. Er mag geen snoeihout worden verbrand in, of in de directe omgeving van het element en als</al><al>snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.</al><al>7. Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan.</al><al><cursief>Beheerpakket landschap</cursief></al><al>L03.01.02.ZH Schurvelingen en zandwallen op Goeree</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Bijlage 8 Overstaptabel SAN DRenthe</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Bijlage 8 Overstaptabel SAN Drenthe</vet></al><al>De beheers- en landschapspakketten van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Drenthe, opgenomen in de linkerkolom van de onderstaande tabel, kunnen op grond van artikel 12.3, vijfde lid, van de onderhavige verordening worden gewijzigd in de agrarische beheerpakketten onderscheidenlijk beheerpakketten landschap, opgenomen in de rechterkolom van de onderstaande tabel:</al><table><title>Overstaptabel SAN Drenthe</title><tgroup cols="2"><colspec colnum="2" colname="C2"></colspec><colspec colnum="1" colname="C1"></colspec><colspec colnum="0" colname="C0"></colspec><thead><row><entry><al>Linkerkolom</al></entry><entry><al>Rechterkolom</al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>44: Poel 75-175m²</al></entry><entry><al>L01.01.01a: Poel en klein historisch water &lt;</al><al>175m²</al></entry></row><row><entry><al>44: Poel &gt; 175m²</al></entry><entry><al>L01.01.01b: Poel en klein historisch water &gt;</al><al>175m²</al></entry></row><row><entry><al>45: Rietzoom en klein rietperceel (rijland)</al></entry><entry><al>L01.14.01a: Smalle rietzoom (2-5m)</al></entry></row><row><entry><al>45: Rietzoom en klein rietperceel (vaarland) </al></entry><entry><al>L01.14.01b: Brede rietzoom (&gt; 5m) en klein</al><al>rietperceel</al></entry></row><row><entry><al>46: Raster</al></entry><entry><al>Subsidie zit verdisconteerd in de verschillende</al><al>beheerpakketten landschap</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><title>Subsidie</title><tgroup cols="2"><colspec colnum="2" colname="C2"></colspec><colspec colnum="1" colname="C1"></colspec><colspec colnum="0" colname="C0"></colspec><thead><row><entry><al>Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Drenthe </al></entry><entry><al>Subsidieverordening natuur- en Landschapsbeheer </al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al></al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Beheerspakket (bijlagenummer/pakketnaam)</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Agrarisch beheerpakket</cursief></al><al><cursief>(aanduiding/pakketnaam)</cursief></al></entry></row><row><entry><al>6: Ontwikkeling kruidenrijk grasland</al></entry><entry><al>A02.01.02: Botanisch hooiland</al></entry></row><row><entry><al>7: Instandhouding kruidenrijk grasland </al></entry><entry><al>A02.01.02: Botanisch hooiland</al></entry></row><row><entry><al>8: Bont hooiland </al></entry><entry><al>A02.01.02: Botanisch hooiland</al></entry></row><row><entry><al>9: Bonte hooiweide </al></entry><entry><al>A02.01.02: Botanisch hooiland</al><al>A01.01.05: Kruidenrijk weidevogelgrasland</al></entry></row><row><entry><al>10: Kruidenrijk weiland </al></entry><entry><al>A02.01.01: Botanisch weiland</al><al>A01.01.05: Kruidenrijk weidevogelgraslan</al></entry></row><row><entry><al>11: Bont weiland </al></entry><entry><al>A02.01.01: Botanisch weiland</al><al>A01.01.05: Kruidenrijk weidevogelgrasland</al></entry></row><row><entry><al>12: Bonte weiderand</al></entry><entry><al>A02.01.03a: Botanische weiderand</al></entry></row><row><entry><al>13: Bonte hooirand</al></entry><entry><al>A02.01.03b: Botanische hooirand</al></entry></row><row><entry><al>14: Kruidenrijke zomen</al></entry><entry><al>A02.01.03b: Botanische hooirand</al></entry></row><row><entry><al>15: Landschappelijk waardevol grasland</al></entry><entry><al>A02.01.01: Botanisch weiland</al></entry></row><row><entry><al>16: Weidevogelgrasland met een rustperiode van</al><al>1 april tot 1 juni</al></entry><entry><al>A01.01.01a: Weidevogelgrasland met een</al><al>rustperiode van 1 april tot 1 juni</al></entry></row><row><entry><al>16: Weidevogelgrasland met een rustperiode van</al><al>1 april tot 8 juni</al></entry><entry><al>A01.01.01b: Weidevogelgrasland met een</al><al>rustperiode van 1 april tot 8 juni</al></entry></row><row><entry><al>16: Weidevogelgrasland met een rustperiode van</al><al>1 april tot 15 juni</al></entry><entry><al>A01.01.01c: Weidevogelgrasland met een</al><al>rustperiode van 1 april tot 15 juni</al></entry></row><row><entry><al>16: Weidevogelgrasland met een rustperiode van</al><al>1 april tot 22 juni</al></entry><entry><al>A01.01.01d: Weidevogelgrasland met een</al><al>rustperiode van 1 april tot 22 juni</al></entry></row><row><entry><al>17: Vluchtheuvels voor weidevogels</al></entry><entry><al>Bijlage 7, onderdeel C, subonderdeel b: Toeslag</al><al>kuikenstroken</al></entry></row><row><entry><al>18: Plas-dras met een inundatieperiode van 15</al><al>februari tot 15 april</al></entry><entry><al>A01.01.03a: Plas-dras met een inundatieperiode</al><al>van 15 februari tot 15 april</al></entry></row><row><entry><al>18: Plas-dras met een inundatieperiode van 15</al><al>februari tot 15 mei</al></entry><entry><al>A01.01.03b: Plas-dras met een inundatieperiode</al><al>van 15 februari tot 15 mei</al></entry></row><row><entry><al>23a: Faunarand algemeen op kleigrond</al></entry><entry><al>A01.02.01a t/m d: Bouwland met broedende</al><al>akkervogels</al><al>A01.02.02a: Bouwland met doortrekkende en</al><al>overwinterende akkervogels op kleigrond</al></entry></row><row><entry><al>23a: Faunarand algemeen op zandgrond</al></entry><entry><al>A01.02.01a t/m d: Bouwland met broedende</al><al>akkervogels</al><al>A01.02.02b: Bouwland met doortrekkende en</al><al>overwinterende akkervogels op zandgrond</al></entry></row><row><entry><al>23b: Patrijzenrand op kleigrond </al></entry><entry><al>A01.02.01a t/m d: Bouwland met broedende</al><al>akkervogels</al><al>A01.02.02a: Bouwland met doortrekkende en</al><al>overwinterende akkervogels op kleigrond</al></entry></row><row><entry><al>23b: Patrijzenrand op zandgrond </al></entry><entry><al>A01.02.01a t/m d: Bouwland met broedende</al><al>akkervogels</al><al>A01.02.02b: Bouwland met doortrekkende en</al><al>overwinterende akkervogels op zandgrond</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><title>Tabel</title><tgroup cols="2"><colspec colnum="2" colname="C2"></colspec><colspec colnum="1" colname="C1"></colspec><colspec colnum="0" colname="C0"></colspec><thead><row><entry><al>Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Drenthe</al></entry><entry><al>Subsidieverordening natuur- en Landschapsbeheer</al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>23c: Grauwe kiekenrand op kleigrond </al></entry><entry><al>A01.02.01a t/m d: Bouwland met broedende</al><al>Akkervogels</al></entry></row><row><entry><al>23c: Grauwe kiekenrand op zandgrond </al><al>.</al></entry><entry><al>A01.02.01a t/m d: Bouwland met broedende</al><al>akkervogels</al><al>A01.02.02b: Bouwland met doortrekkende en</al><al>overwinterende akkervogels op zandgrond</al></entry></row><row><entry><al>24a: Akkerrijke flora I A02</al></entry><entry><al>02.01a t/m c: Akker met waardevolle flora</al></entry></row><row><entry><al>26a: Akkerrijke flora II</al></entry><entry><al>A02.02.01a t/m c: Akker met waardevolle flora</al></entry></row><row><entry><al>28: Akkerflora randen</al></entry><entry><al>A02.02.03: Akkerflora randen</al></entry></row><row><entry><al>28a: Hamsterpakket</al></entry><entry><al>A01.02.03a: Bouwland voor hamsters</al><al>A01.02.03b: Opvangstrook voor hamsters</al></entry></row><row><entry><al>28c: Grasland t.b.v. overwinterende ganzen</al><al>(pakket 2007)</al></entry><entry><al>A01.03.01a: Ganzen op grasland</al></entry></row><row><entry><al>28c: Ganzenfoerageergebied, variant A:</al><al>Grasland (pakket 2008)</al></entry><entry><al>A01.03.01a: Ganzen op grasland</al></entry></row><row><entry><al>28c: Ganzenfoerageergebied, variant B:</al><al>Bouwland (pakket 2008)</al></entry><entry><al>A01.03.01b: Ganzen op bouwland</al></entry></row><row><entry><al>28c: Ganzenfoerageergebied, variant C: Vroege</al><al>groenbemester (pakket 2008)</al></entry><entry><al>A01.03.01c: Ganzen op vroege groenbemester</al></entry></row><row><entry><al>28c: Ganzenfoerageergebied, variant D: Late</al><al>groenbemester (pakket 2008)</al></entry><entry><al>A01.03.01d: Ganzen op late groenbemester</al></entry></row><row><entry><al>28d: Bouwland t.b.v. overwinterende ganzen</al><al>(pakket 2007)</al></entry><entry><al>A01.03.01b: Ganzen op bouwland</al></entry></row><row><entry><al>28e: Grasgroenbemester t.b.v. overwinterende</al><al>ganzen (pakket 2007)</al></entry><entry><al>A01.03.01c: Ganzen op vroege groenbemester</al></entry></row><row><entry><al>28f: Grasgroenbemester maïsland t.b.v.</al><al>overwinterende ganzen (pakket 2007)</al></entry><entry><al>A01.03.01d: Ganzen op late groenbemester</al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Landschapspakket (bijlagenummer/pakketnaam)</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Beheerpakket landschap</cursief></al><al><cursief>(aanduiding/pakketnaam)</cursief></al></entry></row><row><entry><al>32: Houtkade, houtwal, haag en singel</al></entry><entry><al>L01.02.01: Houtwal en singel</al></entry></row><row><entry><al>33: Bomenrij</al></entry><entry><al>L01.07.01a: Laan stamdiameter &lt; 20 cm*</al><al>L01.07.01b: Laan stamdiameter 20-60 cm*</al><al>L01.07.01c: Laan stamdiameter &gt; 60 cm*</al><al>L01.13.01a: Bomenrij stamdiameter &lt; 20 cm</al><al>L01.13.01b: Bomenrij stamdiameter 20-60 cm</al><al>L01.13.01c: Bomenrij stamdiameter &gt; 60 cm</al><al>* Alleen als voldaan wordt aan instapeisen</al></entry></row><row><entry><al>36: Elzensingel</al></entry><entry><al>L01.03.01c: Elzensingel bedekkingsgraad &gt; 75%</al></entry></row><row><entry><al>37: Geriefhoutbosje</al></entry><entry><al>L01.11.01a: Hakhoutbosje met dominantie van</al><al>langzaamgroeiende boomsoorten (zomereik,</al><al>wintereik, berk, haagbeuk)</al><al>L01.11.01b: Hakhoutbosje met dominantie van</al><al>snelgroeiende boomsoorten (zwarte els, gewone</al><al>es)</al></entry></row><row><entry><al>38: Knip- en scheerheg</al></entry><entry><al>L01.05.01a: Knip- en scheerheg jaarlijkse cyclus</al><al>L01.05.01b: Knip- en scheerheg 2-3 jaarlijkse</al><al>cyclus</al></entry></row><row><entry><al>40: Knotbomen(rij)</al></entry><entry><al>L01.08.01a: Knotboom stamdiameter &lt; 20 cm</al><al>L01.08.01b: Knotboom stamdiameter 20-60 cm</al><al>L01.08.01c: Knotboom stamdiameter &gt; 60 cm</al></entry></row><row><entry><al>41: Grubbe en holle weg</al></entry><entry><al>L01.02.03: Holle weg en graft</al></entry></row><row><entry><al>42: Hoogstamboomgaard</al></entry><entry><al>L01.09.01: Hoogstamboomgaard</al></entry></row><row><entry><al>44: Poel &lt; 75m²</al></entry><entry><al>L01.01.01a: Poel en klein historisch water </al><al>&lt;175m²</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><title>Tabel</title><tgroup cols="2"><colspec colnum="2" colname="C2"></colspec><colspec colnum="1" colname="C1"></colspec><colspec colnum="0" colname="C0"></colspec><thead><row><entry><al> Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Drenthe</al></entry><entry><al>Subsidieverordening natuur- en Landschapsbeheer</al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>44: Poel 75-175m²</al></entry><entry><al>L01.01.01a: Poel en klein historisch water </al><al>&lt;175m²</al></entry></row><row><entry><al>44: Poel &gt; 175m²</al></entry><entry><al>L01.01.01b: Poel en klein historisch water </al><al>&gt;175m²</al></entry></row><row><entry><al>45: Rietzoom en klein rietperceel (rijland)</al></entry><entry><al>L01.14.01a: Smalle rietzoom (2-5m)</al></entry></row><row><entry><al>45: Rietzoom en klein rietperceel (vaarland) </al></entry><entry><al>L01.14.01b: Brede rietzoom (&gt; 5m) en klein</al><al>rietperceel</al></entry></row><row><entry><al>46: Raster</al></entry><entry><al>Subsidie zit verdisconteerd in de verschillende</al><al>beheerpakketten landschap</al></entry></row></tbody></tgroup></table></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Toelichting op de subsidieregeling</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Toelichting</titel></kop><structuurtekst><al>Met ingang van 1 januari 2010 is het Programma Beheer vervangen door het Subsidiestelsel Natuur- en</al><al>Landschapsbeheer (SNL). Het SNL bestaat momenteel uit twee subsidieregelingen, namelijk de</al><al>Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer (SVNL) en de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur- en</al><al>Landschapsbeheer (SKNL). Elke provincie heeft deze regelingen voor haar grondgebied vastgesteld.</al><al>De onderhavige regelingswijziging is het gevolg van de ervaringen die in 2010 bij de invoering van het SNL zijn</al><al>opgedaan. Deze wijzigingen vallen grofweg uiteen in drie categoriëen. Allereerst zijn er wijzigingen doorgevoerd</al><al>als gevolg van wensen vanuit en overleg met de verschillende doelgroepen. De tweede categorie wijzigingen is er</al><al>op gericht om het SNL te laten voldoen aan de Europese eisen die aan dergelijke subsidies worden gesteld. Ten</al><al>slotte zijn er nog enige onvolkomenheden gecorrigeerd.</al><al>Alhoewel de wijziging van de SKNL bij een eerste beschouwing omvangrijk oogt, zijn de uitgangspunten</al><al>behouden gebleven. Er zijn echter een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd die er mede voor moeten zorgen</al><al>dat zowel de landelijk opererende natuurbeschermingsorganisaties, alsmede de diensten die belast zijn met de</al><al>uitvoering van het SNL, kunnen werken met uniforme regelingen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan uniforme</al><al>beslistermijnen.</al><al>Hierna volgt een artikelsgewijze toelichting op de meest belangrijke wijzigingen.</al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Certificering </titel></kop><al>(artikel I, onderdelen A (voor zover punt 1), AD tot en met AJ, AP en AQ)</al><al>Aanvragers van een subsidie natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer binnen natuurterreinen kunnen</al><al>ervoor kiezen om zich te laten certificeren. Daarmee krijgen zij de status van gecertificeerde begunstigde.</al><al>Dergelijke begunstigden voldoen aan hoge eisen op het gebied van natuurbeheer, hetgeen tot uitdrukking komt in</al><al>het op aanvraag verstrekken van een certificaat natuurbeheer dan wel certificaat samenwerkingsverband</al><al>natuurbeheer. Certificering biedt onder meer voordelen bij het aanvragen van subsidies en de mate van vrijheid</al><al>bij het voeren van het natuurbeheer.</al><al>Gebiedscoördinatoren die collectief agrarisch natuurbeheer coördineren dienen te beschikken over een certificaat</al><al>coördinatie agrarisch natuurbeheer.</al><al>De voorwaarden die verbonden zijn aan het verkrijgen van de hiervoor bedoelde certificaten zullen door</al><al>Gedeputeerde Staten als onderdeel van het Programma van Eisen Kwaliteitshandboek Natuurbeheer worden</al><al>vastgesteld en bekendgemaakt in het Provinciaal Blad. Dit is ook van belang in het kader van de SKNL, omdat</al><al>alleen gecertificeerde begunstigden die mede gecertificeerd zijn voor het onderdeel projecten een aanvraag</al><al>kunnen indienen voor een programma van éénmalige investeringen zoals bedoeld in die regeling.</al><al>Aanvragen voor een certificaat worden ingediend bij de Stichting Certificering Subsidiestelsel Natuur- en</al><al>landschapsbeheer. Het bestuur van die Stichting beslist namens Gedeputeerde Staten op de aanvraag.</al><al>Bovendien controleert het bestuur ook na afgifte van het certificaat of aan de certificeringsvoorwaarden wordt</al><al>voldaan. Zij is daarom tevens bevoegd een afgegeven certificaat te schorsen of in te trekken.</al><al>Het intrekken van een certificaat natuurbeheer of een certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer leidt er in</al><al>beginsel toe dat de subsidie natuurbeheer en/of subsidie landschapsbeheer binnen natuurterrein wordt</al><al>ingetrokken en naar evenredigheid vastgesteld. Er kan echter een verzoek worden ingediend om die subsidie om</al><al>te zetten in een subsidie op basis van de voorwaarden zoals die voor niet-gecertificeerrde begunstigden gelden.</al><al>Bij het uitoefenen van haar bevoegheden is het bestuur van de Stichting uiteraard gebonden aan de regels die</al><al>gelden voor mandaat. Bezwaar- en beroepsprocedures tegen besluiten van het Stichtingsbestuur worden</al><al>afgehandeld door Gedeputeerde Staten.</al><al>Omdat de Stichting enige tijd nodig heeft om zich op haar taken voor te bereiden, is in artikel I, onderdeel AK,</al><al>voorzien in overgangsrecht. Om een beroep te kunnen doen op dit overgangsrecht moet de begunstigde die zich</al><al>wil laten certificeren tussen 15 november 2010 en 1 januari 2011 een aanvraag tot certificering indienen bij de</al><al>certificeringscommissie. De begunstigde wordt dan voor de toepassing van het SNL, tot het moment dat de</al><al>certificeringscommissie namens Gedeputeerde Staten op de aanvraag heeft beslist, beschouwd als ware hij</al><al>gecertificeerd begunstigde. Deze situatie eindigt in elk geval op 1 januari 2013.</al><al>Aanvankelijk was in de SVNL een mogelijkheid opgenomen om een tegemoetkoming te vragen in de kosten die</al><al>verbonden zijn aan het verkrijgen en behouden van een certificaat. In overleg met de doelgroep is besloten deze</al><al>mogelijkheid uit de SVNL te schrappen. Er zal buiten het SNL om worden voorzien in een tegemoetkoming in de</al><al>kosten voor het verkrijgen van een certificaat.</al></artikel><artikel><kop><titel>Monitoring landschap </titel></kop><al><cursief>(artikel I, onderdelen A (voor zover punt 2) en S tot en met X)</cursief></al><al>Een gecertificeerde begunstigde die een subsidie natuurbeheer ontvangt kan er voor kiezen om zelf de kwaliteit</al><al>van dat natuurterreinen te monitoren. De subsidie natuurbeheer kan in een dergelijk geval verhoogd worden met</al><al>een vergoeding voor die monitoring.</al><al>Middels de onderhavige regelingswijziging wordt het voor gecertificeerde begunstigden eveneens mogelijk om</al><al>zelf de kwaliteit van de binnen een natuurterrein gelegen landschapselementen te monitoren en daarvoor een</al><al>vergoeding te ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Communautaire richtsnoeren </titel></kop><al><cursief>(artikel I, onderdeel E en artikel II, onderdelen G (voor zover het artikel 6a betreft)</cursief></al><al>en N (voor zover het artikel 11, eerste lid, onderdeel d betreft)</al><al>Op grond van de SVNL worden subsidies agrarisch natuurbeheer verstrekt die in het kader van het</al><al>Plattelandsontwikkelingsprogramma worden medegefinancierd door de Europese Gemeenschappen. Daarnaast</al><al>worden er op grond van de SVNL subsidies verstrekt die volledig met nationale middelen worden gefinancierd. Dit</al><al>laatste geldt ook voor de SKNL-subsidies.</al><al>Ten aanzien van deze volledig met nationale middelen gefinancierde subsidies heeft de Europese Commissie</al><al>verzocht uitdrukkelijk te verwijzen naar de Communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en</al><al>bosbouwsector.</al><al>De toepasselijkheid van de hiervoor bedoelde communautaire richtsnoeren heeft voor de SKNL tot gevolg dat</al><al>inrichtingsmaatregelen die zijn uitgevoerd vóórdat op de aanvraag voor investeringssubsidie is beslist, niet voor</al><al>een dergelijke subsidie in aanmerking komen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Randvoorwaarden </titel></kop><al><cursief>(artikel I, onderdelen C, N, O, R, Y, AK, AL en AX)</cursief></al><al>Zoals hiervoor aangegeven worden sommige subsidies agrarisch natuurbeheer medegefinancierd door de</al><al>Europese Gemeenschappen. Het betreft de agrarische beheerpakketten die zijn opgenomen in bijlage 3,</al><al>onderdeel B.1, van de SVNL. De randvoorwaarden zijn op dergelijke subsidies reeds op grond van de Europese</al><al>verordeningen van toepassing. De in bijlage 3, onderdeel B.2, van de SVNL opgenomen agrarische</al><al>beheerpakketten worden nationaal gefinancierd. In het EG-jargon worden beide pakketvormen aangeduid als</al><al>agromilieumaatregelen. Omdat de hiervoor bedoelde communautaire richtsnoeren aangeven dat met nationale</al><al>middelen gefinancierde agromilieumaatregelen aan dezelfde eisen dienen te voldoen als de door de EG</al><al>medegefinancierde agromilieumaatregelen, zijn ook op die maatregelen de (aanvullende) randvoorwaarden van</al><al>toepassing.</al><al>Omdat de (aanvullende) randvoorwaarden ook tot de steunverplichtingen behoren van regelingen die door de</al><al>minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit worden uitgevoerd, is in samenspraak met de minister een</al><al>uniform beleidskader opgesteld. Deze Beleidsregels verlagen subsidie POP2 geven aan op welke wijze de</al><al>bevoegdheid tot het intrekken of wijzigen van de steunverlening wordt ingevuld, voor zover dit niet reeds uit</al><al>andere regelgeving voortvloeit.</al><al>Door het bekendmaken van deze beleidsregels kunnen een aantal bepalingen in de SVNL geschrapt worden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Uitsluiting begunstigden </titel></kop><al><cursief>(artikel I, onderdeel D en artikel II, onderdeel K)</cursief></al><al>Het is gebleken dat (semi-)overheidsorganen terreinen afstoten en overdragen aan particulieren of particuliere</al><al>organisaties, die voor de betreffende terreinen vervolgens subsidie op grond van de SVNL aanvragen. Daarmee</al><al>drukken deze terreinen financieel op het provinciale ILG-budget, hetgeen niet in alle situaties gewenst is. Daarom</al><al>wordt thans in de SVNL opgenomen dat begunstigden die een natuurterrein hebben verkregen van</al><al>(samenwerkingsverbanden van in meerderheid) gemeenten, een waterschap, een waterleidingsmaatschappij of</al><al>het Rijksvastgoed- en ontwikkelbedrijf van het ministerie van Financiën (dat belast is met de verkoop van aan de</al><al>Staat toebehorende onroerende zaken), niet in aanmerking komen voor een subsidie natuurbeheer.</al><al>Hierop zijn twee uitzonderingen: subsidieverstrekking is mogelijk als het natuurterrein als gevolg van</al><al>landinrichting is verkregen, óf als het terrein middels de subsidiekaart die bij het natuurbeheerplan hoort</al><al>uitdrukkelijk door de provincie als subsidiabel is bestempeld.</al><al>Ook in de SKNL is opgenomen welke begunstigden in aanmerking komen voor een investeringssubsidie. Aan de</al><al>betreffende bepaling wordt een nieuw lid toegevoegd voor het geval de gebruikstitel, dan wel het zakelijk of</al><al>persoonlijk recht, van de begunstigde is belast met of afgeleid van een ander recht. De begunstigde moet immers</al><al>bij machte zijn om de inrichtingsmaatregelen te realiseren met eerbiediging van de op de betreffende grond</al><al>rustende rechten van derden. Hiermee wordt de SKNL in overeenstemming gebracht met de SVNL, die al</al><al>soortgelijke bepalingen kent voor de verschillende subsidies.</al></artikel><artikel><kop><titel>Natuurbeheerplan </titel></kop><al><cursief>(artikel I, onderdelen F, G en K)</cursief></al><al>Middels de onderhavige regelinsgwijziging wordt aan Gedeputeerde Staten de bevoegdheid gegeven om in het</al><al>natuurbeheerplan gronden aan te wijzen waarvoor het Bureau Beheer Landbouwgronden een koopplicht heeft als</al><al>bedoeld in paragraaf 2.3 van de Regeling inrichting landelijk gebied (RILG). Ook is het mogelijk te bepalen ten</al><al>behoeve van welke doelgroep(en) die verwerving dient plaats te vinden. Het vastleggen van deze bevoegdheid is</al><al>noodzakelijk in verband met een voorgenomen wijziging van de RILG als gevolg van de invoering van het SNL.</al><al>De tweede belangrijke wijziging is dat elk landschapselement waarvoor Gedeputeerde Staten een subsidie</al><al>landschapsbeheer binnen natuurterreinen wensen te verstrekken, in het natuurbeheerplan afzonderlijk</al><al>aangegeven moet zijn. Het is dus niet mogelijk om in dergelijke gevallen zogenaamde "zoekgebieden landschap"</al><al>aan te wijzen. Het gebruik maken van zoekgebieden landschap blijft mogelijk voor zover het gaat om subsidies</al><al>landschapsbeheer buiten natuurterreinen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Subsidietijdvak </titel></kop><al><cursief>(artikel I, onderdelen I en L)</cursief></al><al>Momenteel is in de SVNL opgenomen dat subsidies natuurbeheer, agrarisch natuurbeheer en landschapsbeheer</al><al>worden verstrekt voor een tijdvak van 6 jaar. Op grond van artikel 12.4 kan dit tijdvak echter verlengd worden met</al><al>maximaal één jaar. De regelingswijziging strekt ertoe de betreffende artikelen op dit punt te verduidelijken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Cumulatie ganzen en weidevogels </titel></kop><al><cursief>(artikel I, onderdelen M, AR en AV)</cursief></al><al>In de instapeisen voor het agrarisch beheerpakket "Overwinterende ganzen" is de mogelijkheid opgenomen dat</al><al>dit agrarisch beheerpakket op dezelfde oppervlakte uitgevoerd kan worden als de agrarische</al><al>weidevogelpakketten en de vollevelds botanische pakketten. Omdat de doelstelling van de botanische pakketten</al><al>niet gericht is op de opvang van vogels, wordt deze laatste cumulatiemogelijkheid geschrapt.</al><al>Daarentegen wordt het wel mogelijk om de ganzenpakketten uit de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer</al><al>Drenthe (de PSAN) op dezelfde oppervlakte in stand te houden als de weidevogelpakketten uit de SVNL.</al><al>Bovendien behoort cumulatie tussen het SVNL-ganzenpakket en het PSAN-weidevogelbeheer ook tot de</al><al>mogelijkheden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Overdracht </titel></kop><al><cursief>(artikel I, onderdeel AA en artikel II, onderdeel R (voor zover het artikel 14c betreft))</cursief></al><al>Het is onder voorwaarden mogelijk om een subsidieverlening geheel of gedeeltelijk over te dragen aan een derde</al><al>indien de subsidieontvanger gedurende het subsidietijdvak niet langer beschikt over de vereiste gebruikstitel, dan</al><al>wel zakelijk of persoonlijk recht, waardoor hij niet langer in staat is de subsidieverplichtingen na te komen. Dit kan</al><al>zich bijvoorbeeld voordoen bij verkoop van (een gedeelte van) de betreffende grond aan die derde.</al><al>De onderhavige regelingswijziging strekt er toe om te verduidelijken dat, in het geval van een gedeeltelijke</al><al>overdracht, beide delen afzonderlijk dienen te voldoen aan de (instap)eisen die aan het natuurbeheertype,</al><al>landschapsbeherertype, agrarisch beheerpakket of beheerpakket landschap worden gesteld. Voor de SKNL geldt</al><al>dat de door beide begunstigden afzonderlijk uit te voeren inrichtingsmaatregelen elk dienen te leiden tot de</al><al>realisatie van een beheertype zoals bedoeld in die regeling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Toepasselijk tarief bij uitbreidingsaanvragen </titel></kop><al><cursief>(artikel I, onderdeel AB (voor zover punt 2))</cursief></al><al>Elk jaar stellen Gedeputeerde Staten nieuwe tarieven vast. Het tarief waarop subsidies natuurbeheer en</al><al>landschapsbeheer zijn gebaseerd is het tarief dat geldt in het begrotingsjaar ten behoeve waarvan de aanvraag is</al><al>ingediend. Dat tarief wordt dus gedurende het gehele subsidietijdvak gebruikt voor de berekening van de</al><al>jaarvergoeding en de uiteindelijke subsidievaststelling.</al><al>Het is mogelijk het areaal waarvoor reeds subsidie wordt verstrekt te vergroten. Dit vergroten wordt gedaan</al><al>middels zogenaamde uitbreidingsaanvragen. Aangezien dergelijke uitbreidingsaanvragen in een ander jaar dan</al><al>de oorspronkelijke aanvraag worden ingediend, zou voor de uitbreidingsaanvraag in beginsel het tarief gelden dat</al><al>door Gedeputeerde Staten is vastgesteld voor het begrotingsjaar waarvoor de uitbreidingsaanvraag is ingediend.</al><al>Omdat het hanteren van verschillende tarieven leidt tot grote uitvoeringslasten en het niet logisch is dat het</al><al>uitvoeren van dezelfde subsidieactiviteiten tot verschillende vergoedingen zou moeten leiden, is opgenomen dat</al><al>voor uitbreidingsaanvragen hetzelfde tarief wordt gehanteerd als voor de oorspronkelijke aanvraag.</al><al>Het voorgaande geldt niet voor subsidies agrarisch natuurbeheer. Een belangrijke component van die subsidie is</al><al>de opbrengstenderving die een landbouwer lijdt doordat hij deelneemt aan agrarisch natuurbeheer. Deze</al><al>opbrengstenderving kan elk jaar fluctueren. Daarom wordt de jaarvergoeding gebaseerd op het door</al><al>Gedeputeerde Staten voor het betreffende jaar vastgestelde tarief. Een eventuele uitbreidingsaanvraag volgt qua</al><al>tarief dus dezelfde fluctuatie als de oorspronkelijke aanvraag. Derhalve is het in dergelijke gevallen niet nodig om</al><al>te bepalen dat voor uitbreidingsaanvragen voor agrarisch natuurbeheer hetzelfde tarief gehanteerd wordt als voor</al><al>de oorspronkelijke aanvraag. Dit was ten onrechte in de SVNL opgenomen en wordt thans hersteld.</al></artikel><artikel><kop><titel></titel></kop><al></al><al></al></artikel><artikel><kop><titel>Instandhoudingsplicht </titel></kop><al><cursief>(artikel I, onderdeel AC en artikel II, onderdelen N (voor zover het artikel 11 lid 2 en 3</cursief></al><al>betreft) en O (voor zover het punt 3 betreft))</al><al>Na het uitvoeren van de inrichtingsmaatregelen waarvoor een investeringssubsidie is verstrekt, dient de</al><al>ontvanger van die subsidie het gerealiseerde ten minste 6 jaar in stand te houden. De subsidieontvanger kan</al><al>ervoor kiezen om vervolgens een corresponderende subsidie op grond van de SVNL aan te vragen. De</al><al>instandhouding wordt in dat geval gegarandeerd door de subsidievoorwaarden die aan de SVNL-subsidie zijn</al><al>verbonden. Als alternatief kan de subsidieontvanger ook opteren voor een instandhouding zonder subsidie,</al><al>bijvoorbeeld omdat hij niet gebonden wil zijn aan de subsidievoorwaarden van de SVNL.</al><al>Om misbruik van deze keuzemogelijkheid te voorkomen, wordt thans uitdrukkelijk opgenomen dat de</al><al>instandhoudingsplicht zonder subsidie herleeft indien de subsidieontvanger toerekenbaar niet voldoet aan de</al><al>SVNL-subsidievoorwaarden, tot de periode van 6 jaar is verstreken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Slotenmarge </titel></kop><al><cursief>(artikel I, onderdelen AK (voor zover punt 4) en AN)</cursief></al><al>De Europese Commissie heeft Nederland er op gewezen dat het Nederlandse perceelsregister niet voldoet aan</al><al>de Europese eisen en opdracht gegeven dat perceelsregister bij te werken. Een correct perceelsregister is van</al><al>belang voor oppervlaktegebonden steunregelingen. Deze aanpassingen hebben er veelal toe geleid dat de</al><al>oppervlakte van landbouwgronden verkleind zijn.</al><al>Om de getroffen landbouwers tegemoet te komen heeft de minister van LNV toegezegd dat deze landbouwers</al><al>onder voorwaarden een slotenmarge mogen toepassen. De toepassing van deze slotenmarge is niet alleen van</al><al>belang voor subsidies agrarisch natuurbeheer die op grond van de SVNL worden verstrekt, maar ook voor nog</al><al>lopende subsidies op basis van de beide voorlopers van deze verordening, te weten de Subsidieregeling</al><al>agrarisch natuurbeheer (SAN) van de minister en de PSAN. Dit zijn namelijk allemaal oppervlaktegebonden</al><al>steunregelingen. Daarom wordt opgenomen dat de slotenmarge, zoals die is neergelegd in de Regeling GLBinkomenssteun</al><al>2006 van de minister, ook toegepast wordt op lopende SAN- en PSAN-subsidies. Met betrekking</al><al>tot de lopende SAN-verplichtingen wordt er voor de volledigheid op gewezen dat deze op basis van de RILG door</al><al>de provincies zijn overgenomen van de minister.</al></artikel><artikel><kop><titel>Overstap van oude regelingen naar SNL </titel></kop><al><cursief>(artikel I, onderdelen AO en BC)</cursief></al><al>Een belangrijk aspect van het SNL is het terugdringen van de administratieve lasten voor begunstigden en</al><al>subsidieontvangers. Ook qua uitvoeringslasten en -kosten is het onwenselijk om meerdere regelingen naast</al><al>elkaar in stand te houden. Daarom is naar mogelijkheden gezocht om de lopende subsidies op basis van de SAN,</al><al>de PSAN, de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de minister (voor zover overgenomen door de</al><al>onderscheiden provincies) en de Subsidieregeling natuurbeheer Drenthe om te zetten in subsidies op basis van</al><al>de SVNL.</al><al>Het is gebleken dat een overstap van de SAN naar de SVNL helaas niet tot de mogelijkheden behoort. Om de</al><al>werklast voor de uitvoerende diensten te spreiden, is er tevens voor gekozen de overstap van de overige</al><al>regelingen (PSAN, SN2000 en PSN) gefaseerd door te voeren. Een overstap is echter niet in alle gevallen</al><al>mogelijk.</al><al>Zo was het op grond van de hiervoor genoemde regelingen mogelijk om subsidie te verstrekken aan anderen dan</al><al>beheerders. Ook was het mogelijk subsidie te verstrekken indien er met betrekking tot het terrein meerdere</al><al>beheerders waren die gezamenlijk één aanvraag indienden, bijvoorbeeld omdat het deel dat zij elk afzonderlijk</al><al>beheerden niet aan de voorwaarden van de betreffende regeling voldeed. Deze laatste groep kan helaas niet</al><al>overstappen, omdat de SVNL slechts voorziet in aanvragen door en subsidieverstrekking aan individuele</al><al>beheerders (de hierna te bespreken uitzondering daargelaten).</al><al>Een overstap door anderen dan beheerders als bedoeld in de PSAN behoort om dezelfde reden niet tot de</al><al>mogelijkheden. Wél kunnen de individuele beheerders, elk voor hun deel, er voor kiezen om over te stappen van</al><al>de PSAN naar de SVNL. Hiervoor is wel de toestemming nodig van de ontvanger van de PSAN-subsidie. Dit</al><al>toestemmingsvereiste is opgenomen omdat het mogelijk is dat door het overstappen van één of meerdere</al><al>beheerders, de resterende PSAN-aanvraag niet meer voldoet aan de eisen van de PSAN. Dit zou ertoe kunnen</al><al>leiden dat de resterende PSAN-aanvraag ingetrokken en de reeds verstrekte subsidie teruggevorderd zou</al><al>moeten worden.</al><al>De in de voorgaande alinea beschreven situatie geldt in beginsel ook indien subsidie op basis van de SN2000 of</al><al>de PSN is verstrekt aan anderen dan beheerders zoals bedoeld in die regelingen. Hier is echter nog één</al><al>uitzondering mogelijk: omdat subsidies natuurbeheer en landschapsbeheer binnen natuurterreinen ook aan</al><al>samenwerkingsverbanden (zoals gedefinieerd in de SVNL) kunnen worden verstrekt, is het mogelijk dat de</al><al>hiervóór bedoelde subsidieontvangers op basis van de SN2000 en de PSN zélf een aanvraag tot overstap</al><al>indienen. Vereist is wel dat de subsidieontvanger als samenwerkingsverband aangemerkt kan worden. Bovendien</al><al>moet de betreffende beheerder hebben ingestemd met de overstap. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat</al><al>niet de instemming van elke beheerder vereist is. De overstap geldt dan niet voor de beheerseenheden van de</al><al>beheerder die niet wenst over te stappen.</al><al>Een belangrijk verschil is dat de overstap van de PSAN naar de SVNL, als gevolg van Europese regelgeving,</al><al>slechts geldt voor het resterende subsidietijdvak waarvoor de PSAN-subsidie verstrekt is. Daarom geschiedt de</al><al>overstap in dit geval per aanvraag: elke PSAN-beschikking leidt tot een SVNL-beschikking. Bovendien is de</al><al>overstap slechts mogelijk voor zover de beheerseenheden in hun geheel binnen de provincie liggen.</al><al>De overstap van de SN2000 en de PSN naar de SVNL geldt daarentegen voor een geheel nieuw subsidietijdvak</al><al>van 6 jaar. De overstap geldt voor alle beheerseenheden van de beheerder die in hun geheel binnen de provincie</al><al>liggen, ongeacht het aantal aanvragen waarin deze beheerseenheden zijn opgenomen. Deze verschillende</al><al>aanvragen worden samengevoegd tot één enkele aanvraag op basis van de SVNL.</al><al>In beide gevallen geldt dat de overstap in overeenstemming moet zijn met het natuurbeheerplan. Bovendien moet</al><al>er in de SVNL een equivalent bestaan van de basis-, plus-, beheers- en landschapspakketten uit de oude</al><al>regelingen.</al><al>Voor de SN2000 en de PSN geldt dat vrijwel alle basis-, plus- en landschapspakketten zoals opgenomen in die</al><al>regelingen zijn vertaald in een natuurbeheertype dan wel landschapsbeheertype zoals bedoeld in de SVNL.</al><al>Uitzonderingen hierop zijn de landschapspakketten "Bomenrij" en "Rietzoom en klein rietperceel". Voor deze</al><al>pakketten kan geen aanvraag tot overstap ingediend worden, omdat er geen SVNL-equivalent is opgenomen in</al><al>bijlage 6, onderdelen A.1 en A.2.</al><al>Om te beoordelen of een overstap van PSAN-beheers- en/of landschapspakketten tot de mogelijkheden behoort,</al><al>is aan de SVNL middels de nieuwe bijlage 8 een overstaptabel toegevoegd.</al><al>Ten slotte wordt er op gewezen dat de mogelijkheid tot overstap slechts één keer zal worden geboden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Aanpassen pakketten </titel></kop><al><cursief>(artikel I, onderdelen AS tot en met AV, AZ en BA)</cursief></al><al>Mede als gevolg van door de doelgroepen geuitte wensen zijn een aantal pakketten aangepast. Het voert te ver</al><al>om hier elke aanpassing toe te lichten. Desondanks is het wenselijk twee wijzigingen nader toe te lichten.</al><al>Aan het agrarisch beheerpakket A01.02.01 "Bouwland met broedende akkervogels" wordt een nieuwe variant d</al><al>opgenomen. Met nadruk wordt er op gewezen dat roulatie bij dit beheerpakket slechts (beperkt) is toegestaan</al><al>voor zover het variant c betreft.</al><al>Aan het agrarisch beheerpakket A01.02.02 "Bouwland met doortrekkende en overwinterende akkervogels" wordt</al><al>een roulatiemogelijkheid toegevoegd. De roulatiemogelijkheden die de verschillende agrarische beheerpakketten</al><al>bieden betekent niet dat gedurende het beheerjaar gerouleerd kan worden. Roulatie is mogelijk voor het</al><al>daaropvolgende beheerjaar (zie ook hierna).</al></artikel><artikel><kop><titel>Collectief beheerplan </titel></kop><al><cursief>(artikel I, onderdeel AY)</cursief></al><al>Gedeputeerde Staten kunnen in het natuurbeheerplan bepalen dat sommige agrarische beheerpakketten in een</al><al>bepaald gebied slechts collectief aangevraagd kunnen worden. Ervaringen met de eerdere regelingen hebben</al><al>namelijk uitgewezen dat een aantal vormen van agrarisch natuurbeheer, vooral het weide- en akkervogelbeheer,</al><al>profiteren van een gebiedsgerichte aanpak.</al><al>In een notedop werkt collectief agrarisch natuurbeheer als volgt: de landbouwers in het door Gedeputeerde</al><al>Staten aangewezen gebied worden benaderd door de in dat gebied werkzame gebiedscoördinator (veelal een</al><al>agrarische natuurvereniging). Deze heeft van Gedeputeerde Staten een bepaalde taakstelling meegekregen.</al><al>De gebiedscoördinator peilt de bereidheid van de landbouwers om deel te nemen aan collectief agrarisch</al><al>natuurbeheer en maakt met de landbouwers afspraken over de uit te voeren pakketten en de oppervlakte</al><al>daarvan. Op basis van deze afspraken stelt de gebiedscoördinator als onderdeel van het zogenaamde collectief</al><al>beheerplan een mozaïekkaart samen. Vervolgens legt hij dit collectief beheerplan ter goedkeuring voor aan</al><al>Gedeputeerde Staten. De beslissing van Gedeputeerde Staten is vatbaar voor bezwaar en beroep. De</al><al>verschillende landbouwers zijn elk voor hun deel gehouden het beheer te voeren zoals dat in de door</al><al>Gedeputeerde Staten voor dat beheerjaar goedgekeurde mozaïekkaart is opgenomen. Vóór aanvang van elk</al><al>beheerjaar wordt door de gebiedscoördinator nieuwe afspraken gemaakt met de landbouwers ten aanzien van</al><al>het voor dat beheerjaar te voeren beheer. Deze nieuwe afspraken worden weer vastgelegd in een aangepast</al><al>collectief beheerplan dat weer ter goedkeuring aan Gedeputeerde Staten wordt gezonden enzovoorts.</al><al>Europese regelgeving eist dat agromilieuverbintenissen een looptijd hebben tussen de 5 en 7 jaar. Nederland</al><al>heeft gekozen voor een subsidietijdvak van 6 jaar. Omdat een collectief beheerplan telkens maar op één</al><al>beheerjaar betrekking heeft, dient een landbouwer nog formeel een agromilieuverbintenis voor 6 aaneengesloten</al><al>jaren aan te gaan. Dit doet hij door het indienen van een aanvraag waarin hij aangeeft met welke oppervlakte hij</al><al>minimaal dan wel maximaal bereid is gedurende 6 jaar deel te nemen aan agrarisch natuurbeheer. Deze</al><al>aanvraag wordt door elke landbouwer zélf ingediend, waarbij het uiteraard mogelijk is een ander (bijvoorbeeld de</al><al>gebiedscoördinator) daartoe te machtigen.</al><al>De hiervoor bedoelde aanvraag is om nog een andere reden van groot belang: de landbouwer is namelijk</al><al>gehouden elk jaar voor ten minste de minimumoppervlakte deel te nemen aan collectief agrarisch natuurbeheer.</al><al>Dat betekent dat de oppervlakte in het collectief beheerplan in elk geval groter gelijk aan deze</al><al>minimumoppervlakte moet zijn. Het niet voldoen aan deze eis betekent een schending van de</al><al>agromilieuverbintenis en leidt tot het intrekken van de hiervoor bedoelde aanvraag en terugvordering van de in</al><al>het kader van het betreffende collectief agrarisch natuurbeheer reeds verstrekte subsidies.</al><al>Om dergelijke situaties te voorkomen, krijgt de gebiedscoördinator de opdracht te waarborgen dat de in het</al><al>collectief beheerplan opgenomen oppervlakte ten minste overeenkomt met de minimumoppervlakte die de</al><al>landbouwer in zijn agromilieuverbintenis heeft aangegeven.</al></artikel><artikel><kop><titel>SKNL algemeen</titel></kop><al>De SVNL is gericht op beheer van bestaande (agrarische) natuur en landschap. De SKNL is daarentegen gericht</al><al>op de vergroting van dat areaal, en vervangt daarmee de onderdelen functieverandering en inrichtingssubsidie uit</al><al>de PSN, alsmede het onderdeel inrichtingssubsidie uit de PSAN.</al><al>Een aanvrager kan ervoor kiezen om landbouwgrond blijvend om te zetten naar natuurterrein. Deze omzetting</al><al>geschiedt in twee fasen.</al><al>Ten eerste is er de omzetting "op papier", de zogenaamde subsidie functieverandering. Deze subsidie kan</al><al>worden verstrekt om de waardedaling van de landbouwgrond als gevolg van de omzetting naar natuurterrein te</al><al>compenseren. Het is de taak van de aanvrager om de benodigde toestemmingen en vergunningen voor deze</al><al>omzetting aan te vragen en te verkrijgen. Te denken valt onder meer aan de noodzakelijke wijziging van het</al><al>bestemmingsplan. Op het moment dat de subsidie functieverandering is verstrekt wordt de betreffende grond <cursief>in</cursief></al><al>de zin van het SNL aangemerkt als natuurterrein.</al><al>De tweede fase is de feitelijke inrichting van de aldus omgezette grond, met andere woorden de realisatie van</al><al>een natuurbeheertype of een landschapsbeheertype op de betreffende grond. Hiervoor kan een</al><al>investeringssubsidie worden aangevraagd, maar dat is niet verplicht.</al><al>Zo is het mogelijk dat er weliswaar een subsidie functieverandering wordt aangevraagd, maar geen aanvraag</al><al>voor een investeringssubsidie wordt ingediend omdat de aanvrager de noodzakelijke inrichtingsmaatregelen op</al><al>andere wijze financiert. Het omgekeerde is uiteraard ook mogelijk.</al></artikel><artikel><kop><titel>Realisatieplan </titel></kop><al><cursief>(artikel II, onderdelen U (voor zover punt 2) en V)</cursief></al><al>Aan een aanvraag voor een subsidie functieverandering niet vergezeld gaat van een aanvraag voor</al><al>investeringssubsidie, zal een zogenaamd realisatieplan moeten worden bijgevoegd. In dit realisatieplan beschrijft</al><al>de aanvrager op welke wijze hij het terrein wenst in te richten en te beheren. De beoogde eindsituatie zal immers</al><al>duidelijk moeten zijn om de waardedaling, en daarmee de hoogte van de subsidie functieverandering, te kunnen</al><al>bepalen. De subsidie functieverandering kan worden afgewezen indien de voorgestelde wijze van inrichten en</al><al>beheer naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet bijdraagt aan de doelstellingen van de SKNL zoals</al><al>verwoordt in het natuurbeheerplan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Subsidieplafonds</titel></kop><al><cursief>(artikel II, onderdeel B)</cursief></al><al>Net als bij de SVNL kunnen Gedeputeerde Staten subsidieplafonds vaststellen. In het kader van de SKNL kunnen</al><al>slechts twee subsidieplafonds worden vastgesteld, namelijk één subsidieplafond voor alle vormen van</al><al>investeringssubsidie en één plafond voor subsidie functieverandering. Voor investeringssubsidies geldt namelijk</al><al>dat de aanvraag meerdere vormen van investeringssubsidie omvat. Het is in dergelijke gevallen vrijwel</al><al>onmogelijk om bepaalde inrichtingsmaatregelen geheel of gedeeltelijk toe te rekenen aan één van de</al><al>(aangevraagde) vormen van investeringssubsidie, omdat die maatregel als één kostenpost zal worden</al><al>opgegeven.</al><al>Om Gedeputeerde Staten toch een sturingsinstrument te geven, is opgenomen dat zij bepaalde gebieden,</al><al>aanvragers of subsidies kan uitsluiten. Een bijzonder aandachtspunt is de mogelijke uitsluiting van subsidies</al><al>functieverandering.</al><al>Zoals hiervoor beschreven zijn de subsidie functieverandering en de investeringssubsidie gescheiden gehouden</al><al>om de aanvrager zoveel mogelijk flexibiliteit ten aanzien van de financiering te bieden. Dat laat onverlet dat er</al><al>een zekere samenhang tussen beide subsidies is. Het louter "op papier" omzetten van landbouwgrond naar</al><al>natuurterrein (middels functieverandering), zonder dat het aldus ontstane natuurterrein feitelijk wordt ingericht,</al><al>draagt immers niet bij aan de doelstellingen van de SKNL.</al><al>Het voorgaande betekent dat als Gedeputeerde Staten investeringssubsidie uitsluiten voor een bepaald</al><al>beheertype, er ook geen subsidie functieverandering aangevraagd kan worden indien de aanvrager beoogt na de</al><al>functieverandering een dergelijk uitgesloten beheertype te realiseren. Deze uitsluiting geldt ongeacht of die</al><al>realisatie plaats zou vinden op grond van een aanvraag voor een investeringssubsidie of op grond van een</al><al>realisatieplan.</al><al>Het heeft voor een aanvrager namelijk geen zin om de functieverandering al te realiseren terwijl het vervolgens</al><al>niet meteen mogelijk is een investeringssubsidie te verkrijgen voor de feitelijke inrichting. Het ligt dan meer voor</al><al>de hand, ook vanuit het gezichtspunt van de aanvrager, om de subsidie functieverandering pas aan te vragen als</al><al>ook het aanvragen van een investeringssubsidie mogelijk is. In de tussentijd kan de betreffende grond nog</al><al>landbouwkundig gebruikt worden.</al><al>Alhoewel het voorgaande geen belemmering hoeft te vormen indien de aanvrager ervoor kiest om de inrichting</al><al>niet via een investeringssubsidie, maar via een realisatieplan te realiseren, is ook in dit geval voor een uitsluiting</al><al>gekozen. De reden hiervoor is als volgt: de SKNL is een staatssteunmaatregel. Met de uitvoering van dergelijke</al><al>maatregelen mag pas worden begonnen indien zij door de Europese Commissie als verenigbaar met de</al><al>staatssteunregels worden bevonden.</al><al>De introductie van nieuwe onderdelen in de SKNL kan vertraging oplopen indien die onderdelen eerst ter</al><al>goedkeuring aan de Europese Commissie worden voorgelegd en de SKNL vervolgens, na verkregen</al><al>goedkeuring, nog aangepast moet worden. Het reeds in de SKNL opnemen, maar nog niet openstellen, van</al><al>dergelijke onderdelen betekent dat de invoering sneller kan verlopen indien de Europese goedkeuring eenmaal</al><al>verkregen is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Beslistermijn</titel></kop><al><cursief>(artikel II, onderdeel D)</cursief></al><al>Gecertificeerde begunstigden kunnen investeringssubsidie aanvragen voor een programma van éénmalige</al><al>investeringen. Omdat het mogelijk is dat dergelijke programma's een aanzienlijke omvang hebben, en de</al><al>noodzakelijke beoordeling van het investeringsplan daardoor eveneens zeer tijdrovend en arbeidsintensief is, is</al><al>een op het eerste gezicht lange beslistermijn opgenomen. Dit betekent uiteraard niet dat per definitie van de</al><al>gehele termijn gebruik zal worden gemaakt. Uitgangspunt is nog steeds een zo snel mogelijke afhandeling van</al><al>aanvragen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Ambitiekaart en prétoets </titel></kop><al><cursief>(artikel II, onderdelen H, I en L (voor zover het artikel 9b betreft))</cursief></al><al>Op de zogenaamde ambitiekaart, die een onderdeel vormt van het natuurbeheerplan, wordt door Gedeputeerde</al><al>Staten aangegeven voor welke gronden een subsidie functieverandering of een investeringssubsidie verstrekt</al><al>kan worden. De ambitiekaart vormt dus de basis voor SKNL-aanvragen. Bovendien wordt op deze kaart</al><al>aangegeven welk beheertype op de betreffende grond ingericht kan worden en in welke natuurkwaliteit. Dit is van</al><al>belang voor de vraag welke investeringssubsidie aangevraagd en verstrekt kan worden.</al><al>In het natuurbeheerplan kan worden bepaald dat een aanvraag voor een investeringssubsidie pas kan worden</al><al>ingediend nadat een zogenaamde prétoets door de Dienst Landelijk Gebied (DLG) heeft plaatsgevonden. Doel</al><al>van deze prétoets is de kwaliteit van de aanvragen te verhogen en het aldus voorkomen van onnodige</al><al>administratieve en uitvoeringslasten voor zowel de aanvrager als de uitvoerende diensten.</al><al>De aanvrager dient het (positieve) DLG-préadvies bij de aanvraag te voegen. Gedeputeerde Staten is niet</al><al>gebonden aan het DLG-advies, maar een dergelijk positief advies zal zwaar wegen bij het besluit om al dan niet</al><al>de gevraagde investeringssubsidie te verstrekken.</al><al>Het is mogelijk dat Gedeputeerde Staten op de ambitiekaart nog geen natuurbeheertype heeft aangegeven dat</al><al>ter plekke gerealiseerd kan worden. Een dergelijke situatie kan zich voordoen indien nog geen definitieve keuze</al><al>is gemaakt ten aanzien van de gewenste ontwikkeling van het betreffende gebied.</al><al>In dergelijke gevallen zal, alvorens een aanvraag voor een investeringssubsidie ingediend kan worden, eerst</al><al>bepaald moeten worden of het natuurbeheertype dat de aanvrager wenst te realiseren past binnen de gewenste</al><al>gebiedsontwikkeling.</al><al>De procedure werkt als volgt: de aanvrager geeft aan welke natuurbeheertype hij op de betreffende grond wenst</al><al>te realiseren. Gedeputeerde Staten beoordelen of dit voorstel past binnen de gewenste gebiedsontwikkeling. Zij</al><al>kunnen zich daarin laten adviseren door de DLG. Is dit het geval, dan wordt de ambitiekaart aangepast, in die zin</al><al>dat het te realiseren natuurbeheertype wordt "ingevuld". Deze invulling is noodzakelijk zodat de uitvoerende</al><al>diensten kunnen toetsen of het verstrekken van de investeringssubsidie in overeenstemming is met het</al><al>natuurbeheerplan. De aanvraag kan pas worden ingediend nadat Gedeputeerde Staten de ambitiekaart hebben</al><al>aangepast.</al><al>Er bestaat overigens nog een andere mogelijkheid om in dergelijke gevallen duidelijkheid te verkrijgen welk</al><al>natuurbeheertype ter plekke gerealiseerd kan worden. Veelal wordt het natuurbeheerplan jaarlijks herzien. Door</al><al>gebruik te maken van de inspraakprocedure kan een aanvrager een voorstel doen voor een te realiseren</al><al>natuurbeheertype. In het kader van die inspraakprocedure kunnen Gedeputeerde Staten vervolgens beslissen of</al><al>zij het voorstel van de aanvrager volgen, of alsnog zelf tot een voorstel komen. De invulling van de ambitiekaart</al><al>geschiedt dan gelijktijdig met de overige aanpassingen van het natuurbeheerplan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Cumulatie </titel></kop><al><cursief>(artikel II, onderdelen L (voor zover het artikel 9a betreft) en T)</cursief></al><al>In de nieuw toegevoegde artikelen 9a en 16a is opgenomen dat bepaalde investeringssubsidies respectievelijk</al><al>subsidie functieverandering niet verstrekt kan worden indien op de betreffende grond nog verplichtingen rusten op</al><al>grond van de genoemde regelingen. Reden hiervoor is dat het in beginsel niet mogelijk is om aan de uit die</al><al>regelingen voortvloeiende beheerverplichtingen te voldoen en tegelijkertijd de investering dan wel de</al><al>functieverandering te realiseren.</al><al>Ten aanzien van investeringssubsidies zijn hierop een aantal uitzonderingen mogelijk, die voornamelijk</al><al>samenhangen met het verhogen van de natuurkwaliteit van een bestaand natuurbeheertype of</al><al>landschapselement (voor zover dit binnen een natuurterrein is gelegen). Indien de inrichtingsmaatregelen niet</al><al>dermate ingrijpend zijn dat de instandhouding van het bestaande natuurbeheertype of landschapselement</al><al>belemmerd wordt, kan de reeds verstrekte subsidie op grond van de genoemde regelingen worden gehandhaafd</al><al>en bovendien de investeringssubsidie worden verstrekt. Of een dergelijke situatie zich voordoet zal per geval</al><al>beoordeeld moeten worden.</al><al>Het is overigens ook mogelijk een verzoek in te dienen om de eerdere subsidie in te trekken. In dergelijke</al><al>gevallen is de kans echter zeer groot dat de reeds verstrekte subsidie op grond van die regeling (al dan niet in de</al><al>vorm van voorschotten) teruggevorderd zal worden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Verklaring van geen bezwaar </titel></kop><al><cursief>(artikel II, onderdeel M (voor zover punt 2))</cursief></al><al>Het treffen van inrichtingsmaatregelen betekent een wijziging van de bestaande situatie. De aanvraag dient</al><al>vergezeld te gaan van een verklaring van geen bezwaar van de eigenaar van de grond indien de aanvrager van</al><al>de investeringssubsidie een ander dan de eigenaar is. Is op de betreffende grond ook een recht van erfpacht</al><al>gevestigd en is de aanvrager noch de eigenaar, noch de erfpachter, dan dient de aanvraag bovendien vergezeld</al><al>te gaan van een verklaring van geen bezwaar van de erfpachter.</al></artikel><artikel><kop><titel>Verantwoording </titel></kop><al><cursief>(artikel II, onderdelen O (voor zover punt 2) en R (voor zover het artikel 14c betreft)</cursief></al><al>De subsidieontvanger zal na afronding van de inrichtingsmaatregelen een aanvraag tot subsidievaststelling</al><al>moeten indienen. Middels die aanvraag legt hij verantwoording af dat de subsidiabele activiteiten ook</al><al>daadwerkelijk en correct zijn uitgevoerd.</al><al>De Europese Commissie heeft aangegeven dat de subsidieontvanger ook facturen over moet kunnen leggen,</al><al>alsmede het bewijs dat betaling van die facturen daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De subsidieontvanger hoeft</al><al>die bewijsstukken niet nogmaals over te leggen als hij de betreffende kosten al afdoende aangetoond heeft op</al><al>basis van een (optionele) aanvraag tot bevoorschotting. Gedeputeerde Staten beschikken dan immers reeds over</al><al>de benodigde bewijzen.</al><al>Bij grote en/of langdurige projecten, zoals bijvoorbeeld een programma van éénmalige investeringen, is een</al><al>tussentijdse voortgangsrapportage vaak wenselijk om te waarborgen dat de inrichtingsmaatregelen correct en</al><al>binnen het budget gerealiseerd worden. Waar nodig kan dan bijgestuurd worden. Het ligt echter niet in de rede</al><al>om ook bij kleinere inrichtingsprojecten een dergelijke rapportage te verlangen. Daarom wordt thans bepaald dat,</al><al>indien de inrichtingsmaatregelen binnen één jaar zijn afgerond, geen jaarlijks verslag ingediend hoeft te worden.</al><al>De verantwoording kan in dergelijke gevallen plaatsvinden via de aanvraag tot subsidievaststelling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Subsidiabele kosten </titel></kop><al><cursief>(artikel II, onderdelen P en Q)</cursief></al><al>De kosten die in aanmerking komen voor vergoeding op grond van een aanvraag voor investeringssubsidie</al><al>worden opgesomd in artikel 13, eerste lid, van de SKNL. Thans wordt expliciet opgenomen dat ook de BTW over</al><al>die kosten voor vergoeding in aanmerking komt, tenzij verrekening van de BTW mogelijk is.</al><al>De investeringssubsidie bedraagt maximaal 95% van de werkelijk gemaakte subsidiabele kosten. Gedeputeerde</al><al>Staten kunnen hier echter van afwijken door een maximumbedrag per hectare vast te stellen. Dit laatste is ook de</al><al>werkwijze zoals die in de PSAN en in de PSN gehanteerd werd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Bevoorschotting </titel></kop><al><cursief>(artikel II, onderdeel R (voor zover het artikel 14b betreft))</cursief></al><al>Vooral bij inrichtingsmaatregelen van langere duur, zoals bijvoorbeeld op basis van een programma van</al><al>éénmalige investeringen, kan het wenselijk zijn om voorafgaand aan de subsidievaststelling reeds voorschotten</al><al>te verstrekken om in de onmiddellijke liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger te voorzien.</al><al>Er kan slechts één voorschot per jaar worden verstrekt, waarbij het voorschotbedrag minimaal</al><al>€ 500,- en maximaal 50% van de totale investeringssubsidie, zoals opgenomen in de beschikking tot</al><al>subsidieverlening, kan bedragen. Het minimumbedrag is opgenomen omdat de uitvoeringslasten en -kosten</al><al>anders niet in verhouding staan tot de hoogte van het te verstrekken voorschot. Bovendien is dit drempelbedrag</al><al>niet zo hoog dat niet redelijkerwijs van de subsidieontvanger verlangd kan worden dat hij die financiële last</al><al>tijdelijk zelf draagt. Het maximumpercentage is opgenomen om te voorkomen dat Gedeputeerde Staten in één</al><al>jaar een zeer groot bedrag aan voorschotten moeten reserveren.</al><al>In totaal kan er voor niet meer dan 95% van de totale investeringssubsidie aan voorschotten worden verleend.</al><al>Deze bepaling is opgenomen om terugvordering van voorschotten zoveel mogelijk te voorkomen indien bij de</al><al>subsidievaststelling blijkt dat er reeds een hoger bedrag aan voorschotten is uitbetaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Betaling subsidie functieverandering </titel></kop><al><cursief>(artikel II, onderdelen W tot en met Y)</cursief></al><al>In de SKNL zoals die vóór deze regelingswijziging luidde was opgenomen dat er met betrekking tot een subsidie</al><al>functieverandering nog een subsidievaststelling zou volgen. Uit de bewoordingen van de artikelen 18 en 19 van</al><al>de SKNL vloeide voort dat er eerst een beschikking tot subsidieverlening afgegeven zou worden.</al><al>Gelet op de wijze waarop de waardedaling, en daarmee de hoogte van de subsidie functieverandering, bepaald</al><al>wordt, heeft een beschikking tot subsidieverlening geen toegevoegde waarde. De waardedaling staat, bezwaar</al><al>en beroep daargelaten, immers vast. De rechtsbescherming is bovendien evenzeer gewaarborgd indien de</al><al>subsidie functieverandering meteen vastgesteld wordt. Bovendien heeft de aanvrager eerder (rechts)zekerheid</al><al>met betrekking tot de hoogte van het subsidiebedrag en vallen de uitvoeringskosten lager uit, omdat er niet twee</al><al>besluiten genomen hoeven te worden. Daarom is besloten niet te werken met een beschikking tot</al><al>subsidieverlening, maar wordt de subsidie functieverandering meteen vastgesteld.</al><al>Ten slotte is een wijziging aangebracht ten aanzien van de werkwijze van uitbetaling. Op grond van (het oude)</al><al>artikel 22 keerde het Nationaal Groenfonds het subsidiebedrag pas uit nadat Gedeputeerde Staten de subsidie</al><al>functieverandering hadden vastgesteld én opdracht had gegeven tot deze uitbetaling. Thans zal het Nationaal</al><al>Groenfonds het subsidiebedrag uitkeren binnen 8 weken nadat zowel de in artikel 19, eerste lid, bedoelde</al><al>overeenkomst tussen de eigenaar en de provincie (de zogenaamde kwalitatieve verplichting) is ingeschreven in</al><al>de Openbare registers, als de overeenkomst tot voorfinanciering door zowel het Nationaal Groenfonds als de</al><al>subsidieontvanger is ondertekend.</al><al>Middels deze aanpassingen is de SKNL-werkwijze weer identiek aan de werkwijze zoals die in de SN2000 en de</al><al>PSN werd toegepast.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>