<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR95365_4</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Noord-Brabant</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-12-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Noord-Brabant</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.brabant.nl/loket/provinciale-bladen.aspx?qvi=43658">Provinciaal Blad, 2013, 61</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, art. 143</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, art. 152</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Natuurbeschermingswet, art.19d</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Natuurbeschermingswet, art.19kd</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Natuurbeschermingswet, art.19ke</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Natuurbeschermingswet, art.19kf</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-03-22</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-03-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-03-29</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Statenvoorstel 22/13</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>agrarische sector, flora en fauna, leefomgeving, milieubeheer, natuur en landschap, ruimtelijke ordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Beleidsregel stikstof en beschermde natuurmonumenten Noord-Brabant (Provinciaal Blad 2010, 239)</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Op grond van artikel 4 van de verordening zijn Gedeputeerde Staten bevoegd tot wijziging van bijlage 1 bij de verordening, indien de technische ontwikkelingen of het regionale N-depositieniveau daartoe aanleiding geven. In de oorspronkelijke bijlage 1 was aangegeven, dat de Commissie van Deskundigen als bedoeld in artikel 5 van de verordening nog advies diende uit te brengen over de praktische haalbaarheid van gestelde normen. Op basis van een advies van deze commissie, hebben Gedeputeerde Staten bij besluit van 19 oktober 2010 een nieuwe bijlage vastgesteld.</al><al>Bij besluit van 11 januari 2012 hebben Gedeputeerde Staten andermaal een nieuwe bijlage vastgesteld.</al><al>Deze verordening is ingetrokken bij besluit van 22 maart 2013 tot vaststelling van de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant 2013</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-42068</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Provinciale Staten van Noord-Brabant,</vet></al><al>Gezien het voorstel van Gedeputeerde Staten, d.d. 25 mei 2010, alsmede de
                        Memorie van Antwoord/Nota van Wijziging van Gedeputeerde Staten d.d. 6 juli
                        2010;</al><al>Gelet op de artikelen 143 en 152 van de Provinciewet;</al><al>Gelet op de artikelen 16, 19c, 19d, 19kd, 19ke en 19kf van de
                        Natuurbeschermingswet 1998;</al><al>Gezien het advies van de Commissie voor Ruimte en Milieu d.d. 1 juli
                        2010;</al><al>Overwegende dat dat op 29 september 2009 het Convenant ‘Stikstof en Natura
                        2000’ tot stand gekomen is;</al><al>Overwegende dat Gedeputeerde Staten op 8 december 2009 de inhoud van dit
                        convenant hebben vastgesteld als basis voor hun beleid met betrekking tot
                        stikstofdeposities op Natura 2000-gebieden vanuit de veehouderij;</al><al>Overwegende dat artikel19ke via de Crisis- en herstelwet in de
                        Natuurbeschermingswet 1998 is opgenomen om nadere regelgeving op provinciaal
                        niveau mogelijk te maken en op 31 maart 2010 in werking getreden is;</al><al>Overwegende tenslotte dat er goede redenen zijn om deze nadere regelgeving
                        op zo kort mogelijke termijn in werking te laten treden;</al><al>Besluiten vast te stellen de volgende regeling:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><titel/></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></titel></kop><al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> de AMvB Huisvesting: het Besluit ammoniakemissie huisvesting
                                    veehouderij</al></li><li nr="b."><al> bedrijf: inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bestemd
                                    voor het fokken, mesten en houden van dieren;</al></li><li nr="c."><al> Commissie: Commissie van Deskundigen, bedoeld in artikel
                                    5;</al></li><li nr="d."><al> de depositiebank: het registratie- en monitoringsysteem met
                                    betrekking tot de afname van de N-depositie van
                                    veehouderijbedrijven, voor zover deze afname beschikbaar is voor
                                    saldering;</al></li><li nr="e."><al> het gecorrigeerd emissieplafond: de referentie-emissie van een
                                    bedrijf, als bedoeld in artikel 22;</al></li><li nr="f."><al> veehouderij: agrarische bedrijfsvoering met als hoofdactiviteit
                                    het houden van vee, pluimvee of pelsdieren;</al></li><li nr="g."><al> N-depositie: neerslag van stikstofverbindingen uit de atmosfeer
                                    op een habitat, waarbij de belasting op een punt binnen het
                                    habitat uitgedrukt wordt in mol N/ha/jr en de belasting op het
                                    habitat als geheel in mol N/jr;</al></li><li nr="h."><al> N-gevoelig habitat: habitat, leefgebied of deel daarvan als
                                    bedoeld in artikel 10a van de Natuurbeschermingswet 1998 met een
                                    kritische depositiewaarde kleiner dan 2400 mol N/ha/jr;</al></li><li nr="i."><al> nieuwe stal: na 7 december 2004 nieuw opgericht, dan wel geheel
                                    of gedeeltelijk gerenoveerd dierenverblijf waarvoor een
                                    bouwvergunning krachtens de Woningwet noodzakelijk is;</al></li><li nr="j."><al> piekbelasting: N-depositie van ten minste 200,0 mol N/ha/jr
                                    veroorzaakt door een individueel bedrijf op het door dat bedrijf
                                    meest belaste punt van een N-gevoelig habitat;</al></li><li nr="k."><al> RAV-lijst: lijst van huisvestingssystemen met bijbehorende
                                    jaaremissies van ammoniak per diersoort verbonden aan de
                                    Regeling ammoniak en veehouderij;</al></li><li nr="l."><al> salderen: vereffenen van een door een bedrijf veroorzaakte
                                    toename van de N-depositie (in mol N/jr) op een N-gevoelig
                                    habitat met de afname van de N-depositie op hetzelfde habitat
                                    als gevolg van het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de
                                    bedrijfsvoering door een of meer andere bedrijven;</al></li><li nr="m."><al> veearme gebieden: gebieden waarbinnen de bijdrage aan de
                                    N-depositie door de bedrijven binnen een afstand van 5 km van
                                    een N-gevoelig habitat ten hoogste 5% bedraagt van de totale
                                    N-depositie op dat habitat.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>PARAGRAAF 1 EISEN AAN STALSYSTEMEN</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2 zorgplicht voor de ondernemer</vet></titel></kop><al>De initiatiefnemer, onderscheidenlijk drijver van de betrokken
                            inrichting, draagt er zorg voor, dat bij het realiseren van een nieuwe
                            stal voldaan is aan de vereisten als opgenomen in Bijlage 1 bij deze
                            regeling.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 3 taakstelling op lange termijn</vet></titel></kop><al>Onverminderd artikel 2 draagt de initiatiefnemer, onderscheidenlijk de
                            drijver van de inrichting er zorg voor, dat uiterlijk per 1 januari 2028
                            het bedrijf als geheel gemiddeld voldoet aan de vereisten als opgenomen
                            in Bijlage 1 bij deze regeling.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4 actualiseren technische staleisen</vet></titel></kop><al>Gedeputeerde Staten wijzigen Bijlage 1, zodra de technische
                            ontwikkelingen of het regionale N-depositieniveau daartoe aanleiding
                            geven.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 5 Commissie van Deskundigen</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen een Commissie van onafhankelijke
                                deskundigen in.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De Commissie adviseert over: </al><lijst><li nr="a."><al> aanpassingen van Bijlage 1 die al of niet overeenstemmen
                                        met de meest actuele versie van de RAV-lijst;</al></li><li nr="b."><al> situaties, zowel ad hoc als structureel, waarin de
                                        RAV-lijst niet voorziet, of sprake is van
                                        interpretatiegeschillen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De Commissie kan afhankelijk van het concrete adviesonderwerp een
                                wisselende samenstelling hebben. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen nadere regels vast met betrekking tot
                                de samenstelling en de werkwijze van de Commissie.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>PARAGRAAF 2 MELDINGSPLICHT VOOR NIEUWE STALLEN</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 6 meldingsplicht en salderingsverzoek</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in de artikelen 2 en 3 meldt de
                                initiatiefnemer, onderscheidenlijk de drijver van de betrokken
                                inrichting, het voornemen tot het realiseren van een of meer nieuwe
                                stallen bij Gedeputeerde Staten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien door het realiseren van de nieuwe stallen een saldering als
                                bedoeld in de artikelen 23 t/m 29 noodzakelijk is, wordt een daartoe
                                strekkend verzoek gelijktijdig met de melding ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 7 vereiste gegevens</vet></titel></kop><al>Bij de melding worden in ieder geval de volgende gegevens
                            verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al> een afschrift van de toepasselijke aanvraag voor een
                                    bouwvergunning krachtens de Woningwet, dan wel vergunning
                                    krachtens de Wet milieubeheer of melding op basis van het
                                    Besluit landbouw milieubeheer, onderscheidenlijk
                                    omgevingsvergunning;</al></li><li nr="b."><al> de voor emissie/depositieberekeningen noodzakelijke
                                    berekeningsparameters voor het bedrijf als geheel: diersoorten
                                    en aantallen, huisvestingssyste(e)m(en), locatie en hoogte van
                                    de emissiepunten, alsmede de overige emissiecondities, voor
                                    zover deze nog niet opgenomen zijn in de onder a. genoemde
                                    documenten;</al></li><li nr="c."><al> een berekening van de N-depositie in zowel de uitgangs- als de
                                    beoogde situatie;</al></li><li nr="d."><al> een opgave van de te salderen toename in de maximale
                                    N-depositie boven de belasting, die overeenkomt met het
                                    toepasselijke gecorrigeerd emissieplafond.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 8 meldingsformulier</vet></titel></kop><al>Gedeputeerde Staten stellen een al dan niet elektronisch formulier vast
                            voor het doen van meldingen en verzoeken als bedoeld in artikel 6,
                            eerste, respectievelijk tweede lid.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 9 gevolgen van de melding</vet></titel></kop><al>Naar aanleiding van de melding, bedoeld in artikel 6 eerste lid,
                            besluiten Gedeputeerde Staten:</al><lijst><li nr="a."><al> indien nieuwe stallen voldoen aan de vereisten als opgenomen in
                                    Bijlage 1 bij deze regeling en geen overschrijding van het
                                    gecorrigeerd emissieplafond optreedt, de melding voor
                                    kennisgeving aan te nemen;</al></li><li nr="b."><al> indien voldaan is aan vereisten als opgenomen in Bijlage 1 bij
                                    deze regeling en het gecorrigeerd emissieplafond overschreden
                                    wordt bij een bedrijf vallend onder categorie A of B als bedoeld
                                    in artikel 17, over de mogelijkheid van saldering overeenkomstig
                                    de artikelen 23 tot en met 29;</al></li><li nr="c."><al> indien onvoldoende mogelijkheden bestaan voor de onder b.
                                    genoemde saldering, over een aanschrijving tot het beperken van
                                    de bedrijfsomvang, dan wel het treffen van technische
                                    voorzieningen waardoor de depositie het niveau overeenkomend met
                                    het gecorrigeerd emissieplafond niet meer overschrijdt met
                                    inachtneming van het bepaalde in artikel 19 ke
                                    Natuurbeschermingswet 1998;</al></li><li nr="d."><al> indien het gecorrigeerd emissieplafond overschreden wordt bij
                                    een bedrijf vallend onder categorie C als bedoeld in artikel 17,
                                    over een aanschrijving tot het beperken van de bedrijfsomvang,
                                    dan wel het treffen van technische voorzieningen, waardoor de
                                    depositie het niveau overeenkomend met het gecorrigeerd
                                    emissieplafond niet meer overschrijdt met inachtneming van het
                                    bepaalde in artikel 19 ke Natuurbeschermingswet 1998;</al></li><li nr="e."><al> indien het gaat om een bedrijf vallend onder categorie D als
                                    bedoeld in artikel 17, over een aanschrijving tot het beperken
                                    van de bedrijfsomvang, dan wel het treffen van technische
                                    voorzieningen, waardoor: </al><lijst><li nr="1e"><al> bij een ten tijde van het inwerkingtreden van deze
                                            regeling reeds bestaande piekbelasting de depositie
                                            binnen een redelijke termijn daalt tot beneden 200,0 mol
                                            N/ha/jr;</al></li><li nr="2e"><al>. bij een nieuw optredende piekbelasting de depositie
                                            onmiddellijk teruggebracht wordt tot de waarde, die
                                            overeenkomt met het gecorrigeerd emissieplafond, indien
                                            de uitgangssituatie van het bedrijf in categorie C valt,
                                            dan wel tot ten hoogste 50,0 mol N/ha/jr, indien de
                                            uitgangssituatie van het bedrijf in categorie A of B
                                            valt. In de laatstgenoemde situatie wordt rekening
                                            gehouden met de eventueel mogelijke saldering.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 10 mogelijk ontwikkelingsverbod</vet></titel></kop><al>Voor zover het beperken van de bedrijfsomvang in combinatie met de
                            redelijkerwijs te treffen technische voorzieningen niet kunnen leiden
                            tot het bereiken van een van de in artikel 9 genoemde eindsituaties,
                            houdt het besluit naar aanleiding van de melding, bedoeld in artikel 6,
                            een verbod op de voorgenomen bedrijfsontwikkeling in.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>PARAGRAAF 3 DEPOSITIEBANK</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 11 Berekening van stikstofdeposities </vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De berekening van stikstofdeposities in het kader van deze regeling
                                vindt plaats op de wijze als aangegeven in Bijlage 2. .</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten passen Bijlage 2 aan, indien gewijzigde
                                inzichten en de ontwikkelingen in wetenschap en techniek daar
                                aanleiding toe geven.</al><al/><al/></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 12 inrichting depositiebank</vet></titel></kop><al>Gedeputeerde Staten dragen zorg voor het inrichten en onderhouden van
                            een depositiebank, die gevuld wordt met:</al><lijst><li nr="a."><al> de vervallen deposities van bedrijven, die na 7 december 2004
                                    de bedrijfsvoering beëindigd hebben en waarvan de vergunning
                                    krachtens de Wet milieubeheer, dan wel de melding op basis van
                                    het Besluit landbouw milieubeheer is ingetrokken of
                                    vervallen;</al></li><li nr="b."><al> de vrijkomende deposities bij wijzigingen van vergunning
                                    krachtens de Wet milieubeheer dan wel meldingen volgens het
                                    Besluit landbouw milieubeheer, na 7 december 2004; </al><al/><al> steeds voor zover deze nog niet eerder gebruikt zijn voor een
                                    saldering.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 13 onderverdeling depositiebank</vet></titel></kop><al>De in de depositiebank opgenomen deposities van gestopte of gekrompen
                            bedrijven, die 5,0 mol N/ha/jr of meer bedragen, worden eveneens
                            opgenomen in een deelregistratie, de depositiebank B.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 14 beperking bij inbreng van
                                piekbelastingen</vet></titel></kop><al>Indien de vervallen depositie, bedoeld in artikel 12 een piekbelasting
                            betreft, kan van de vervallen depositie voor maximaal 50,0 mol N/ha/jr,
                            berekend op het meest belaste punt van de N-gevoelige habitats, in de
                            depositiebank worden opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 15 beperking hergebruik </vet></titel></kop><al>Reeds eerder bij saldering gebruikte deposities mogen niet opnieuw in de
                            depositiebank worden opgenomen, behoudens als het gaat om tijdelijk
                            onttrokken deposities als bedoeld in de artikelen 30 en 31, of indien
                            het betrokken bedrijf zijn vergunde activiteiten beperkt of
                            beëindigt.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 16 nadere regeling door Gedeputeerde
                                Staten</vet></titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de artikelen 13 tot en met 15 stellen
                            Gedeputeerde Staten nadere regels vast over de wijze waarop de
                            depositiebank gevuld wordt en depositierechten worden uitgegeven.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>PARAGRAAF 4 EISEN OP BASIS VAN DE
                            STIKSTOFDEPOSITIE</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 17 categorie-indeling van bedrijven</vet></titel></kop><al>Op basis van de door de initiatiefnemer, onderscheidenlijk door de
                            drijver van de betrokken inrichting beoogde situatie worden bedrijven al
                            naar gelang hun maximale N-depositie op een N-gevoelig habitat binnen
                            een Natura 2000-gebied ingedeeld in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="A"><al> Bedrijven met een N-depositie van 5,0 mol N/ha/jr of
                                    minder;</al></li><li nr="B"><al> Bedrijven met een N-depositie boven 5,0, maar niet meer dan
                                    50,0 mol N/ha/jr;</al></li><li nr="C"><al> Bedrijven met een N-depositie boven 50,0, maar onder 200,0 mol
                                    N/ha/jr;</al></li><li nr="D"><al> Bedrijven met een N-depositie van 200,0 mol N/ha/jr of
                                    meer.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 18 depositie-eisen voor bedrijven in categorie
                                    A</vet></titel></kop><al>Onverminderd artikel 2 draagt de initiatiefnemer, onderscheidenlijk de
                            drijver van de inrichting die valt onder categorie A, zorg dat:</al><lijst><li nr="a."><al> de N-depositie niet toeneemt boven de waarde, die
                                    correspondeert met een emissie overeenkomend met het
                                    gecorrigeerd emissieplafond, of</al></li><li nr="b."><al> een toename van de N-depositie boven het onder a. bedoelde
                                    niveau aangemeld wordt voor saldering als aangegeven in de
                                    artikelen 23 tot en met 29.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 19 depositie-eisen voor bedrijven in categorie
                                    B</vet></titel></kop><al>Onverminderd artikel 2 draagt de initiatiefnemer, onderscheidenlijk de
                            drijver van de inrichting die valt onder categorie B, zorg dat:</al><lijst><li nr="a."><al> de N-depositie niet toeneemt boven de waarde, die
                                    correspondeert met een emissie overeenkomend met het
                                    gecorrigeerd emissieplafond, of</al></li><li nr="b."><al> een toename van de N-depositie boven het onder a. bedoelde
                                    niveau aangemeld wordt voor saldering als aangegeven in de
                                    artikelen 23 tot en met 29, waarbij het bedrijf voorafgaand aan
                                    de saldering tevens gemiddeld voldoet aan: </al><lijst><li nr="1e"><al> de eisen van de AMvB Huisvesting, de BBT-eisen, op enig
                                            moment binnen 6 jaar na inwerkingtreding van deze
                                            regeling;</al></li><li nr="2e"><al> de door Gedeputeerde Staten na advies van de Commissie
                                            vast te stellen criteria voor BBT+ op enig moment in de
                                            daarop volgende periode van 6 jaar, en</al></li><li nr="3e"><al> de op overeenkomstige wijze vast te stellen criteria
                                            voor BBT++ op enig moment in de daarop volgende periode
                                            van 6 jaar.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 20 depositie-eisen aan bedrijven in de categorieën C
                                    en D</vet></titel></kop><al>Onverminderd artikel 2 draagt de initiatiefnemer, onderscheidenlijk de
                            drijver van de inrichting die valt onder categorie C of D, zorg dat de
                            N-depositie niet toeneemt boven de waarde die correspondeert met een
                            emissie overeenkomend met het gecorrigeerd emissieplafond.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>PARAGRAAF 5 SALDERING </vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 21 in saldering betrokken habitats </vet></titel></kop><al>Saldering vindt slechts plaats in situaties waarbij:</al><lijst><li nr="a."><al> de N-depositie op een of meer N-gevoelige habitats binnen een
                                    Natura 2000-gebied de kritische depositiewaarde overschrijdt, en
                                    tevens</al></li><li nr="b."><al> de maximale depositie van het betrokken bedrijf op het
                                    dichtstbijzijnde punt van een dergelijk N-gevoelig habitat (na
                                    afronding) ten minste 0,1 mol N/ha.jr bedraagt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 22 gecorrigeerd emissieplafond als referentie op
                                    bedrijfsniveau</vet></titel></kop><al>Ten behoeve van de saldering, bedoeld in artikel 23 wordt een
                            referentie-emissie op bedrijfsniveau vastgesteld, die</al><lijst><li nr="a."><al> indien een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet
                                    verleend is, overeenkomt met de emissie behorend bij de
                                    bedrijfssituatie die aan deze vergunning ten grondslag ligt,
                                    nadat deze gecorrigeerd is voor de vereisten van de AMvB
                                    Huisvesting;</al></li><li nr="b."><al> indien een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet
                                    ontbreekt, overeenkomt met de emissie volgens de
                                    bedrijfssituatie die ten grondslag ligt aan de op 7 december
                                    2004 geldende vergunning krachtens de Wet milieubeheer, of
                                    melding krachtens het Besluit landbouw milieubeheer, nadat deze
                                    gecorrigeerd is voor de vereisten van de AMvB Huisvesting.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 23 salderingsgrondslag</vet></titel></kop><al>Saldering vindt plaats op basis van de totale toename van de aan het
                            bedrijf toe te rekenen N-belasting op het N-gevoelige habitat vergeleken
                            met de depositiesituatie bij het gecorrigeerd emissieplafond, uitgedrukt
                            in mol N/jr.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 24 saldering uitsluitend via
                                depositiebank</vet></titel></kop><al>Saldering vindt uitsluitend plaats met de N-deposities die opgenomen
                            zijn in de depositiebank als bedoeld in artikel 12 van deze
                            regeling.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 25 uitzondering bij
                                bedrijfsconcentratie</vet></titel></kop><al>In afwijking van artikel 24 komt bij integrale verplaatsing of
                            hervestiging van een bedrijf, dan wel het ruimtelijk concentreren van
                            een bedrijf met meerdere vestigingslocaties die ten minste vier jaar
                            deel uitmaken van het bedrijf, de N-depositie van de verlaten of
                            opgeheven locaties ten goede aan de geconcentreerde vestiging, voor
                            zover deze N-depositie kan bijdragen aan de saldering en per verlaten of
                            opgeheven locatie beneden 200,0 mol N/ha/jr blijft.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 26 salderen bij nieuwvestiging en
                                    bedrijfsverplaatsing in het kader van de
                                Reconstructiewet</vet></titel></kop><al>De bij nieuwvestiging of bedrijfsverplaatsing in het kader van de
                            reconstructiewet nieuw ontstane N-depositie dient volledig gesaldeerd te
                            worden. Dit is mogelijk tot ten hoogste een N-depositie van 50,0 mol
                            N/ha/jr.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 27 beperking depositiebank bij categorie
                                B</vet></titel></kop><al>Indien gesaldeerd wordt ten behoeve van een bedrijf uit de categorie B,
                            bedoeld in artikel 17, kan uitsluitend gebruik gemaakt worden van de
                            depositieruimte in de depositiebank B, bedoeld in artikel 13.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 28 beperking groeitempo grotere
                                belastingen</vet></titel></kop><al>Bij saldering ten behoeve van reeds bestaande bedrijven uit de categorie
                            B, bedoeld in artikel 17, wordt per periode van telkens 6 jaar en
                            beneden het plafond van 50,0 mol N/ha/jr, maximaal een verdubbeling van
                            de totale N-depositie door het bedrijf toegestaan.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 29 salderingsbesluit</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stemmen, behoudens de uitzonderingen bedoeld in
                                de artikelen 33 en 35, naar aanleiding van een verzoek als bedoeld
                                in artikel 6, tweede lid, uitsluitend in met de saldering indien de
                                depositiebank voldoende en op geschikte locaties gelegen
                                depositierechten bevat om de saldering uit te voeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het in het voorgaande lid bedoelde besluit wordt onderbouwd met een
                                depositieberekening.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 30 voorlopige saldering tijdens procedure
                                    omgevingsvergunning</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De onttrekking van depositierechten aan de depositiebank vindt
                                plaats op de datum dat de melding, bedoeld in artikel 6, in
                                behandeling genomen wordt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De onttrekking is tijdelijk voor een periode van ten hoogste een
                                jaar en wordt definitief op het moment dat de bouwvergunning of
                                daarmee overeenkomende omgevingsvergunning in werking treedt. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de tijdelijke onttrekking eindigt door tijdsverloop, kan een
                                verzoek tot verlenging van de termijn ingediend worden. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Aan een tijdelijke onttrekking, dan wel een lopend verzoek voor
                                termijnverlenging kunnen geen rechten ontleend worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 31 voorkomen dubbele onttrekking</vet></titel></kop><al>Tijdelijk en definitief aan de depositiebank onttrokken deposities zijn
                            niet beschikbaar in het kader van gelijktijdig lopende, maar later
                            gestarte meldingsprocedures.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 32 aanpassing gecorrigeerd
                                emissieplafond</vet></titel></kop><al>De N-emissie van het bedrijf na het definitief worden van de saldering,
                            bedoeld in artikel 30, tweede lid, geldt vanaf dat moment als nieuwe
                            waarde voor het gecorrigeerd emissieplafond.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>PARAGRAAF 6 BIJZONDERE SITUATIES</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 33 vee-arme gebieden</vet></titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen in vee-arme gebieden, indien de depositiebank
                            onvoldoende mogelijkheden biedt voor saldering overeenkomstig de
                            artikelen 23 tot en met 29, rekening houdend met de specifieke
                            omstandigheden in het gebied, volstaan met een beperktere saldering,
                            voor zover dit geen afbreuk doet aan de algemene afname van de
                            achtergronddepositie.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 34 hardheidsclausule</vet></titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen in individuele gevallen bepalingen
                            vastgesteld bij of krachtens deze regeling buiten toepassing laten of
                            daarvan afwijken, voor zover de toepassing gelet op de betrokken
                            belangen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, mits dit
                            geen negatieve invloed heeft op het streven naar algemene
                            depositieafname.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>PARAGRAAF 7 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 35 reeds gerealiseerde nieuwe stallen</vet></titel></kop><al>Bij nieuwe stallen, waarvoor op 25 mei 2010 reeds een aanvraag voor een
                            vergunning krachtens de Wet milieubeheer, een melding krachtens Besluit
                            landbouw milieubeheer, een bouwvergunning krachtens de Woningwet, dan
                            wel een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 in
                            behandeling genomen, dan wel verleend is, geldt dat:</al><lijst><li nr="a "><al>de technische uitvoering volgens die vergunningaanvraag of
                                    melding, voor zover relevant voor de emissiesituatie, in de
                                    plaats treedt van de eisen bedoeld in Bijlage 1, en</al></li><li nr="b "><al>artikel 24 niet van toepassing is, mits de voor saldering op ten
                                    minste de grondslag van artikel 19kd van de
                                    Natuurbeschermingswet 1998 benodigde vergunningen krachtens de
                                    Wet milieubeheer, of meldingen krachtens het Besluit landbouw
                                    milieubeheer, van andere bedrijven uiterlijk op de datum van
                                    inwerkingtreding van deze regeling ingetrokken zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 36 compensatie voor beperkte saldering</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor zover de N-depositie door de in artikel 33 of 35 bedoelde
                                bedrijven niet voldoet aan de depositie-eisen van de artikelen 18 .
                                tot en met 20, treffen Gedeputeerde Staten in het kader van de
                                beheerplannen krachtens artikel 19a van de Natuurbeschermingswet
                                1998 een voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het voorgaande lid bedoelde voorziening kan inhouden, dat op
                                enig moment een compenserende onttrekking aan de depositiebank
                                plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 37 monitoring</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten doen jaarlijks verslag van de ontwikkeling van
                                de N-deposities op de Natura 2000-gebieden in het voorafgaande
                                kalenderjaar, voor het eerst in maart volgend op het jaar van
                                inwerkingtreding van deze regeling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de verslaggeving wordt in ieder geval aandacht gegeven aan: </al><lijst><li nr="a."><al> de volumeontwikkeling in de veehouderij;</al></li><li nr="b."><al> de mate van toepassing van emissiearme stalsystemen;</al></li><li nr="c."><al> de aantallen bedrijven per categorie als bedoeld in artikel
                                        17 met hun gemiddelde depositie;</al></li><li nr="d."><al> de ontwikkeling van de depositiebank;</al></li><li nr="e."><al> de mate waarin de beleidsdoelstelling met betrekking tot de
                                        depositieafname bereikt wordt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 38 bekendmaking en inwerkingtreding</vet></titel></kop><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
                            uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 39 citeertitel</vet></titel></kop><al>Deze regeling wordt aangehaald als Verordening stikstof en Natura 2000
                            Noord-Brabant. </al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>’s-Hertogenbosch, 9 juli 2010</ondertekening><ondertekening>Provinciale Staten voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de voorzitter prof. dr. W.B.H.J. van de Donk</ondertekening><ondertekening>de griffier mw. drs. E.M.W.J. Wöltgens</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlagen</titel></kop><divisie><kop><titel><vet>Bijlage 1 bij Verordening stikstof en Natura 2000
                                Noord-Brabant</vet></titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Noord-Brabant/i192978.pdf">Emissiefactoren voor de emissie vanuit het dierenverblijf, inclusief de emissie van de mest die in het dierenverblijf is opgeslagen (versie 10 januari 2012 </extref></al></divisie><divisie><kop><titel><vet>Bijlage 2 bij Verordening stikstof en Natura 2000
                                Noord-Brabant</vet></titel></kop><al><vet>Berekening van deposities</vet></al><lijst><li nr=""><al><vet>1. berekening van bedrijfsgebonden depositie</vet></al><al/><al> Ten behoeve van de effectbepaling op een N-gevoelig habitat en de
                                saldering wordt de N-depositie berekend met behulp van de meest
                                actuele versie van het model/rekenprogramma AAgro-Stacks.</al><al/><al/></li><li nr=""><al><vet>2. berekening van regionale depositie</vet></al><al/><al> Ten behoeve van de monitoring wordt de regionale N-depositie met
                                inbegrip van de algemene depositieachtergrond berekend met de meest
                                recente versie van het OPS-model, dat ter beschikking is gesteld
                                door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). </al><al/><al/></li><li nr=""><al><vet>3. afrondingsregels</vet></al><al/><al> De beoordeling van relevante depositieberekeningen vindt plaats op
                                basis van het berekeningsresultaat na afronding op 1 decimaal
                                conform de afrondingsregels van NEN 1047 ‘Receptbladen voor de
                                statistische verwerking van waarnemingen’, Blad 2.1.</al><al/><al/></li><li nr=""><al><vet>4. aanpassingen rekenprogramma</vet></al><al/><al> Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om, indien de ontwikkeling van de
                                rekenmodellen daar aanleiding toe geeft, in plaats van de onder 1,
                                respectievelijk 2 genoemde programma’s een meer geavanceerd
                                programma voor te schrijven.</al></li></lijst><al/></divisie></bijlage><nota-toelichting><al><vet>Juridisch kader en algemene opzet van de verordening</vet></al><al> De voorliggende verordening is gebaseerd op artikel 19ke van de
                    Natuurbeschermingswet 1998. Dit artikel draagt aan het bevoegd gezag op om alle
                    maatregelen te nemen, die de blootstelling van beschermde habitats in Natura
                    2000-gebieden aan negatieve invloeden tegengaan en opent in dat kader de
                    mogelijkheid om bij provinciale verordening regels vast te stellen.</al><al>Artikel 19ke bevat geen verwijzing naar de artikelen 19d en/of 19kd, zodat de
                    verordening geacht wordt los te staan van een eventuele vergunningplicht en zich
                    direct richt op de initiatiefnemer/drijver van de inrichting, zowel in de
                    situatie, dat een vergunning nodig is, als wanneer dat niet het geval is.</al><al>Tegen deze achtergrond richt de verordening zich direct tot de ondernemer met de
                    opdracht om te voldoen aan de eisen, die overeengekomen zijn in het convenant
                    ‘Stikstof en Natura 2000’.</al><al> Uit de toespitsing van zowel artikel 19kd als 19ke op de Natura 2000-gebieden
                    volgt, dat noch de vrijstelling van vergunningplicht, noch de verordening
                    betrekking heeft op de zogenaamde ‘oude’ beschermde natuurmonumenten.
                    Stikstofbronnen met een invloed op deze gebieden blijven volledig en uitsluitend
                    onder de vergunningplicht van artikel 16 vallen. Hiertoe dient een beleidsregel
                    te worden opgesteld. De technische staleisen uit de verordening zijn echter
                    provinciebreed van toepassing en dus ook van toepassing op bedrijven die
                    vergunningplichtig zijn krachtens artikel 16 van de Natuurbeschermingswet 1998.
                    De uitvoering van de verordening leidt daarmee automatisch ook tot bescherming
                    van de ‘oude’ beschermde natuurmonumenten.</al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al>Artikel 1 (voor zover toelichting nodig is)</al><al>N-depositie De hoeveelheid neergeslagen stikstof (N)-verbindingen kan op
                    verschillende manieren uitgedrukt worden: in kg N-houdende verbinding, dan wel
                    in kg of mol N. Voor het milieueffect is niet de hoeveelheid van de verbinding
                    bepalend, maar de hoeveelheid stikstof. De enige eenheid, die op dit punt direct
                    een vergelijking mogelijk maakt tussen de verschillende N-verbindingen is de mol
                    N (= de hoeveelheid van een verbinding, die 14 g stikstof bevat: bij ammoniak is
                    dat 17 g; bij stikstofdioxide 46 g en bij lachgas 22 g). Met het oog op die
                    vergelijkbaarheid op effectniveau wordt in deze regeling de mol N als
                    hoeveelheidsmaat gebruikt.</al><al>N-gevoelig habitat Voor de kwalificerende habitats op grond van de
                    Habitatrichtlijn zijn kritische depositiewaarden geformuleerd, die direct kunnen
                    dienen voor de bepaling welke gebieden voor de verordening van belang zijn.
                    Daarnaast bevat de Natuurbeschermingswet 1998 ook een verwijzing naar
                    leefgebieden van soorten, die niet zo eenduidig te definiëren zijn, maar die
                    veelal zullen bestaan uit een conglomeraat van habitats met wisselende
                    N-gevoeligheid, waarbij bovendien de invloed van de N-belasting op de te
                    beschermen soort slechts indirect tot uiting komt. Deze leefgebieden vallen wel
                    onder de reikwijdte van deze regeling, maar zullen per geval nader bekeken
                    moeten worden bij de besluitvorming.</al><al>Vee-arme gebieden In sommige gebieden liggen relatief weinig
                    veehouderijbedrijven, of zij liggen zo verspreid, dat zij - ook collectief-
                    nauwelijks bijdragen aan de belasting van het meest nabij gelegen Natura
                    2000-gebied. In Noord-Brabant zijn dat de omgeving van het Markiezaat, het
                    Zoommeer, de Brabantse Wal, de Biesbosch en Krammer-Volkerak, allemaal in
                    West-Brabant. Hier dragen de stallen van de bedrijven in een straal van 5 km
                    rond de gebieden voor minder dan 5% bij aan de totale stikstofbelasting. In deze
                    gebieden is te voorzien, dat de salderingsregeling niet altijd zonder meer
                    toepasbaar zal zijn en een maatwerkoplossing in een aantal gevallen nodig
                    is.</al><al><vet>Paragraaf 1</vet></al><al>Artikel 2 Dit artikel vormt samen met artikel 3 de kern van de verordening, die
                    waarborgt, dat de beoogde afname van de achtergronddepositie, voor zover deze
                    veroorzaakt wordt door stalemissies, op de gewenste manier afneemt. Op de
                    ondernemer rust de verplichting om er zorg voor te dragen, dat iedere nieuwe,
                    c.q. op wezenlijke onderdelen gewijzigde stal zal moeten voldoen aan de
                    emissie(reductie)eisen uit deze regeling, die voor het bedrijf als geheel verder
                    gaan dan de AMvB Huisvesting. Deze laatste stelt een norm voor het gemiddelde
                    binnen het bedrijf. Dit biedt in principe de mogelijkheid om verouderde stallen
                    nog langdurig in stand te houden naast een aantal moderne stalsystemen binnen
                    hetzelfde bedrijf. De regeling stelt eisen aan iedere nieuwe ontwikkeling. Op
                    wat langere termijn betekent dit op bedrijfsniveau een emissieafname tot een
                    niveau, dat duidelijk onder dat van de AMvB Huisvesting ligt.</al><al>Artikel 3 Waar artikel 2 alleen emissiereductie voorschrijft voor alle
                    nieuwbouw, verplicht artikel 3 tot het uiterlijk in 2027 aanpassen of buiten
                    gebruik stellen van alle bestaande stallen, voor zover het bedrijf dan
                    (gemiddeld) nog niet voldoet aan de in het artikel opgenomen
                    emissiereductiedoelstelling. De verwachting is overigens dat in de periode tot
                    en met 2027 het grootste deel van de bestaande stallen vervangen zal zijn door
                    nieuwe stallen. Implementatie van de AMvB Huisvesting zal hieraan bijdragen.
                    Omgeslagen over alle bedrijven betekent dit, bij de in Bijlage 1 opgenomen
                    normen, uiteindelijk ongeveer een halvering van de bijdrage van de stallen in de
                    achtergronddepositie ten opzichte van de situatie in 2008/2010.</al><al>Artikel 4 De stalnormen zullen regelmatig aangepast moeten worden aan de
                    technische ontwikkelingen. Er zijn situaties denkbaar dat technieken nog niet
                    opgenomen zijn in de RAV-lijst, maar wel dusdanig perspectiefrijk zijn dat de
                    Commissie van Deskundigen aan GS adviseert om deze technieken op te nemen in
                    Bijlage 1 van de verordening. De verordening biedt de mogelijkheid dat GS deze
                    technieken voorschrijven.</al><al>Artikel 5 Voor het aanpassen van de stalnormen is specifieke kennis vereist over
                    de technische ontwikkelingen in de dierhouderij. Hierin wordt voorzien door de
                    Commissie van Deskundigen. Dit laat overigens onverlet, dat Gedeputeerde Staten
                    vrij zijn om ook andere partijen om advies te vragen, zij het dat het inwinnen
                    van dat advies niet verplicht is. De Commissie wordt ook geraadpleegd als niet
                    zonder meer duidelijk is of en hoe een bepaalde technische voorziening zich
                    verhoudt tot de reductietaakstelling uit artikel 3 in een concreet geval. De
                    term ‘commissie’ impliceert, dat het gaat om meerdere personen, dus ten minste
                    twee. Verder ligt de samenstelling van de commissie niet op voorhand vast. Zij
                    is mede afhankelijk van de aard van de vraagstelling die zich voordoet.</al><al><vet>Paragraaf 2</vet></al><al>Artikel 6 De meldingsplicht dient twee doelen. Enerzijds stelt zij Gedeputeerde
                    Staten in staat om toezicht te houden op de feitelijke toepassing van de
                    stalsystemen op basis van artikel 2 en om de emissie-/depositiesituatie, die
                    daarmee samenhangt, effectief te kunnen monitoren. Om die reden geldt de
                    meldingsplicht ook in de gevallen, dat er na het realiseren van de nieuwe stal
                    geen overschrijding van het gecorrigeerd emissieplafond plaatsvindt, maar niet
                    voor de niet-bouwvergunningplichtige veranderingen, omdat deze geen effect op de
                    emissiesituatie zullen hebben. Anderzijds is de meldingsplicht het handvat om
                    bij de bedrijven waar sprake is van een emissietoename boven het gecorrigeerd
                    emissieplafond en bij de piekbelastingen in te grijpen door middel van een
                    aanschrijving, dus het aangrijpingspunt voor sturend optreden.</al><al>Theoretisch zou dit systeem kunnen leiden tot het opvullen van de emissieruimte
                    bij alle bedrijven tot aan het gecorrigeerd emissieplafond door middel van
                    uitbreiding van het aantal dieren, waardoor uiteindelijk de achtergronddepositie
                    weliswaar daalt, maar minder dan beoogd wordt. Dit zal zich echter niet
                    voordoen. De omvang van de veestapel, die leidt tot het algemeen bereiken van
                    het gecorrigeerd emissieplafond, is bij de voorgeschreven technische staleisen
                    zo groot, dat zij een veelvoud bedraagt van de economisch maximaal mogelijke
                    omvang, zelfs in de meest extreme prognoses. Op grond daarvan zal de
                    uiteindelijke omvang van de bedrijven in de overgrote meerderheid beduidend
                    kleiner zijn en zal de totale emissie tot duidelijk onder het gecorrigeerd
                    emissieplafond zakken.</al><al>Artikel 7 Het artikel geeft de minimale vereisten bij de gegevensverstrekking in
                    het kader van de melding. Op basis van deze gegevens kan beoordeeld worden of
                    een saldering noodzakelijk is, hoe deze uitgevoerd kan/moet worden en wat de
                    meest adequate reactie zal zijn in het geval van een piekbelasting.</al><al>Artikel 8 Het artikel voorziet mede in een elektronisch meldingsformulier. Voor
                    zover artikel 7 nog ongewenste interpretatieruimte overlaat bij de vereiste
                    gegevensverstrekking, kan dit met gerichte vraagstelling in het formulier
                    ondervangen worden. </al><al>Artikel 9 Gedeputeerde Staten nemen naar aanleiding van de melding altijd een
                    besluit, dat ook schriftelijk aan de aanvrager medegedeeld wordt. Dit besluit is
                    gericht op het specifieke geval en heeft gevolgen voor de rechtspositie van het
                    betrokken bedrijf. Om die reden is dat besluit vatbaar voor bezwaar en beroep.
                    De reikwijdte van het besluit is voor de verschillende categorieën gevallen
                    uitgewerkt in de opsomming a) t/m e). Hierbij geldt de aantekening, dat het
                    artikel niet aangeeft hoe Gedeputeerde Staten zullen besluiten, maar uitsluitend
                    waarover. Dat geldt zowel bij salderingen als bij aanschrijvingen over het
                    beperken van de bedrijfsomvang, dan wel het treffen van technische
                    voorzieningen. De inhoud van de beslissing zal altijd bepaald worden door de
                    specifieke omstandigheden van het geval. Op grond van artikel 3:41 Algemene wet
                    bestuursrecht dient het besluit toegezonden te worden aan de melder en kan
                    daarmee worden volstaan. Om enerzijds eventuele derdenbelanghebbenden te
                    informeren en anderzijds een afgebakende termijn te creëren voor de
                    bezwaarmogelijkheden van die derden zal echter ook een kennisgeving op de
                    provinciale website worden geplaatst. </al><al><vet>Paragraaf 3</vet></al><al>Artikel 11 De rekenmodellen AAgro-Stacks en OPS zijn beide afgeleid van het al
                    sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw gebruikte ‘nationale model’ en
                    vertegenwoordigen de actuele stand van kennis bij het modelleren van de
                    verspreiding in de atmosfeer van ammoniak en stikstofoxiden uit lage
                    bronnen.</al><al>De (on)nauwkeurigheid (in statistische zin: de toevallige fout) in het resultaat
                    van de modelberekeningen wordt bepaald door de (on)nauwkeurigheid van de
                    invoergegevens. Dit wordt gerepresenteerd door het aantal significante cijfers
                    in de opgegeven waarden. Het rekenresultaat kan daarbij nooit nauwkeuriger zijn
                    dan het invoergegeven met de grootste foutmarge. De in de praktijk gebruikelijke
                    onzekerheidsmarge in de invoerwaarden resulteert in AAgrostacks en OPS in een
                    uitkomst in twee significante cijfers. Bij depositiewaarden onder 1 mol N/ha/jr
                    betekent dit, dat het resultaat opgegeven kan worden in twee decimalen; bij
                    depositiewaarden vanaf 1, maar beneden 10 mol N/ha/jr in één decimaal, en bij
                    waarden vanaf 10, maar onder 100 mol N/ha/jr in gehele getallen. Vanaf 100 mol
                    N/ha/jr is de juiste weergave 1,0 * 102, etc. Het opgeven van een groter aantal
                    cijfers/decimalen, bijvoorbeeld 1,29 of 57,27 in plaats van 1,3 respectievelijk
                    57, of 254,97 in plaats van 2,5 * 102, geeft slechts schijnzekerheid en is dus
                    zinloos.</al><al>Omwille van de uniforme presentatie met een constant aantal decimalen is er in
                    afwijking van het voorgaande voor gekozen om uit te gaan van de statistisch
                    correcte weergave in de depositierange, waar veruit de meeste waarnemingen
                    liggen: van 1 tot 10 mol N/ha/jr, dus een weergave in één decimaal. Dit
                    introduceert een kleine extra onnauwkeurigheid in de waarden onder 1 en een
                    schijnzekerheid bij de waarden van 10 en hoger, maar dat is overkomelijk:
                    aantoonbare ecologische effecten komen pas voor bij aanzienlijk grotere
                    afwijkingen. Voor de praktijk is van belang, dat volgens NEN 1047 de 5 altijd
                    afgerond wordt naar het dichtstbijzijnde even getal (dus afwisselend naar boven
                    en naar beneden), zodat de berekende deposities met een getalwaarde onder 0,06
                    buiten beschouwing blijven (0,05999999 etc of kleiner wordt bij afronding op 1
                    decimaal 0,0; de waarde 0,06000 wordt 0,1). Het gaat hierbij in Brabant om 32 %
                    (ca 3850) van de veehouderijen, waarvan de depositie buiten beschouwing kan
                    blijven, doordat ze hetzij heel klein zijn, hetzij relatief ver van de Natura
                    2000-gebieden verwijderd zijn. Dit betekent overigens niet, dat hun emissie niet
                    omlaag gaat: een aantal kleine bedrijven zal stoppen en voor zover ze blijven
                    voortbestaan, moeten ze wel voldoen aan de technische staleisen van de artikelen
                    2 en 3.</al><al>Verspreidings- en rekenmodellen zijn constant in ontwikkeling en daarbij
                    veranderen ze soms ook van naam. Het artikel verschaft de mogelijkheid om deze
                    ontwikkeling te volgen zonder dat een formele herziening van de verordening
                    noodzakelijk wordt. Artikel 12 De verantwoordelijkheid voor het instellen en
                    onderhouden van de depositiebank ligt bij Gedeputeerde Staten. Dit vloeit onder
                    meer voort uit de functie van de bank als monitoring/registratiesysteem met
                    betrekking tot de beoogde effecten van de verordening. Dit sluit overigens
                    geenszins uit, dat Gedeputeerde Staten er voor kan kiezen de feitelijk
                    uitvoering buiten de provinciale organisatie te plaatsen.</al><al>Het karakter van de bank als monitoringsinstrument komt ook tot uitdrukking in
                    de wijze van vullen. Het uitgangspunt is de feitelijk bestaande emissie, zoals
                    die volgt uit de vergunningen krachtens de Wet milieubeheer en meldingen
                    krachtens het Besluit landbouw milieubeheer op 7 december 2004 (aangenomen, dat
                    die vergunningen en meldingen maximaal benut werden, dus qua emissie de worst
                    case). Naarmate de bank meer gevuld raakt, weerspiegelt de inhoud de afname van
                    de gebruikte/toegestane emissies (en dus ook de deposities) na de peildatum. Het
                    beschikbaar stellen van depositieruimte uit de bank in het kader van een
                    saldering betekent dan ook een herverdeling van reeds eerder opgetreden
                    deposities en geen depositietoename boven het uitgangsniveau op de peildatum 7
                    december 2004. Zo lang er nog emissie/deposities in de bank geregistreerd zijn,
                    blijft er sprake van een afname van het totaal (dus een verbetering), waarbij
                    ook op lokaal niveau bewaakt wordt, dat er geen toename optreedt.</al><al>In dit verband moet ook aandacht geschonken worden aan de veronderstelde
                    economische waarde van de in de bank ondergebrachte emissies/reducties. Hierbij
                    geldt, dat het enige recht, dat de veehouder aan zijn vergunning krachtens de
                    Wet milieubeheer/melding kan ontlenen, het recht is om dieren te houden onder
                    bepaalde beperkende randvoorwaarden, waarvan de vergunde ammoniakemissie er een
                    is. Die situatie is vergelijkbaar met het recht dat een rijbewijs geeft aan een
                    automobilist: men mag autorijden, maar niet sneller dan de maximumsnelheid, op
                    de snelweg dus maximaal 120 km/uur. Dit is iets wezenlijk anders dan dat de
                    vergunning een zelfstandig en overdraagbaar recht geeft om een bepaalde
                    hoeveelheid ammoniak te emitteren. Anders dan vaak gedacht wordt (en waar het
                    spraakgebruik helaas ook aanleiding toe geeft), bestaan er geen
                    ammoniakemissierechten (in de analogie met de snelweg: wie 80 km/uur rijdt, kan
                    het ‘recht’ op de door hem niet benutte 120-80 =40 km/uur niet aan iemand anders
                    overdragen, zodat die harder dan 120 km/uur kan gaan rijden). Voor zover er in
                    de praktijk handel in ‘ammoniakrechten’ heeft plaatsgevonden, gaat het om een
                    privaatrechtelijke vergoeding/tegemoetkoming voor de bereidheid om een
                    vergunning krachtens de Wet milieubeheer (deels) in te laten trekken om zo
                    ‘milieugebruiksruimte’ te creëren. Waar de depositiebank gevuld gaat worden door
                    middel van van overheidswege geïnitieerde intrekkingen en ook de herverdeling
                    van daardoor vrijvallende emissie/depostieruimte van overheidswege plaatsvindt,
                    bestaat voor dit soort vergoedingen geen aanleiding meer.</al><al>Artikel 13 De depositiebank B wordt als afzonderlijke administratieve eenheid
                    binnen de depositiebank aangehouden om er voor te zorgen, dat de grotere
                    depositietoenames (dus de in verhouding grotere en/of dichter bij het habitat
                    gelegen bedrijven) -vooral- gesaldeerd worden met bijdragen van de grotere en/of
                    dichtbij gelegen stoppende bedrijven, dus als instrument ter waarborging van de
                    beleidsmatig gewenste ‘afwaartse beweging’ van veehouderijen.</al><al>Artikel 14 De beperking van de bijdrage van stoppende piekbelasters in de voor
                    heruitgifte in aanmerking komende deposities, dient eveneens om de afwaartse
                    beweging te stimuleren.</al><al>Artikel 15 Het artikel legt vast, dat de deposities in de depositiebank slechts
                    een keer uitgegeven kunnen worden, tenzij het bedrijf, dat er gebruik van maakt,
                    de aan deze depositie gekoppelde bedrijfsactiviteiten beëindigt.</al><al>Artikel 16 De intrekking van lege vergunningen krachtens de Wet milieubeheer en
                    meldingen op basis van het Besluit landbouw milieubeheer en de opname/vertaling
                    van de daardoor vrijkomende emissieruimte in de depositiebank zal de nodige
                    procedurele afstemming vereisen tussen de betrokken partijen. Gedeputeerde
                    Staten zullen daar regels voor stellen, bijvoorbeeld in de vorm van een
                    protocol.</al><al><vet>Paragraaf 4</vet></al><al>Artikel 17 De categorie-indeling is enigszins arbitrair, maar zeker niet
                    willekeurig. De bovengrens van 200 mol N/ha/jr wordt bepaald door de al eerder
                    door Gedeputeerde Staten in november 2008 beleidsmatig vastgestelde grenswaarde
                    voor een piekbelasting. Daarbij hebben de kritische depositiewaarde voor het
                    meest N-gevoelige habitat (ca. 400 mol N/ha/jr) en het relatieve aandeel van de
                    agrarische (vee)sector in de totale N-belasting (ca. 50%) een rol gespeeld. De
                    waarde geeft weer wat (theoretisch en op zeer lange termijn) één veebedrijf
                    maximaal op een gevoelig habitat zou mogen deponeren, indien alle N-bronnen naar
                    evenredigheid beperkt zouden worden en dat bedrijf het enige belastende
                    veebedrijf zou zijn. Bij het vaststellen van de bovengrens van 5,0 mol N/ha/jr
                    voor de minst belastende bedrijfscategorie is uitgegaan van de diverse
                    onderzoeken van Alterra en andere onderzoeksinstituten.</al><al>Om mogelijke locale cumulatie-effecten zo weinig mogelijk van invloed te laten
                    zijn is vervolgens gekozen voor een bovengrens (= 1,2 % van de kritische
                    depositiewaarde voor de meest N-gevoelige habitats en ca 0,02 % van de kritische
                    depositiewaarde voor de niet meer N-gevoelige habitats). Meer dan 85 % van de
                    veehouderijen in Brabant valt onder deze categorie. De tussenwaarde van 50 mol
                    N/ha/jr is met name gekozen om, rekening houdend met de reeds aanwezige
                    deposities, de depositiebank niet te snel uit te putten. Op de lange termijn is
                    deze waarde ook de voorlopige beleidskeuze voor de maximale depositiewaarde tot
                    waar een veehouderij kan groeien.</al><al>Een indruk van de omvang van het bedrijvenbestand in de verschillende
                    categorieën en de daarbij optredende emissiereducties door de staleisen volgens
                    deze regeling kan verkregen worden uit onderstaande tabel. De cijfers zijn
                    indicatief en verkregen op basis van berekeningen met behulp van de
                    afstandentabel (categorie 0, A en B), dan wel AAgroStacks (categorie C en D).
                    Uit de tabel blijkt, dat de aangepaste staleisen uiteindelijk een
                    emissiereductie zullen veroorzaken van ongeveer 60 %.</al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><colspec colname="col3"/><colspec colname="col4"/><colspec colname="col5"/><colspec colname="col6"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al><vet>Categorie 0</vet><vet>(depositie </vet></al></entry><entry><al><vet>Categorie A (depositie 0,06 t/m 5,0 mol
                                        N/ha/jr)</vet></al></entry><entry><al><vet>Categorie B (depositie &gt;5.0 t/m 50,0 mol
                                            N/ha/jr)</vet></al></entry><entry><al><vet>Categorie C (depositie &gt;50,0 –200,0 mol
                                            N/ha/jr)</vet></al></entry><entry><al><vet>Categorie D (depositie vanaf 200,0 mol N/ha/jr
                                        )</vet></al></entry></row><row><entry><al>Percentage en aantal bedrijven (afgerond op tientallen)
                                        (100%=ca 12000)</al></entry><entry><al>Ca. 32%</al><al>3850</al></entry><entry><al>Ca. 56%</al><al>7800</al></entry><entry><al>Ca. 10%</al><al>1250</al></entry><entry><al>Ca. 0,5%</al><al>60</al></entry><entry><al>Ca. 0,3%</al><al>40</al></entry></row><row><entry><al>Gemiddelde emissie (kg N/jr/bedrijf)</al></entry><entry><al>727</al></entry><entry><al>2159</al></entry><entry><al>3009</al></entry><entry><al>2281</al></entry><entry><al>2051</al></entry></row><row><entry><al>Gemiddelde maximale depositie (mol N/ha/jr</al></entry><entry><al>0,02</al></entry><entry><al>0,8</al></entry><entry><al>15,9</al></entry><entry><al>95</al></entry><entry><al>304</al></entry></row><row><entry><al>Totale emissie 2008 (20,2 kton N/jr)</al></entry><entry><al>2,8</al></entry><entry><al>14,6</al></entry><entry><al>3,8</al></entry><entry><al>0,13</al></entry><entry><al>0,08</al></entry></row><row><entry><al>Totale emissie 2028 (8,3 kton N/jr)</al></entry><entry><al>0,9</al></entry><entry><al>5,8</al></entry><entry><al>1,5</al></entry><entry><al>0,05</al></entry><entry><al>0</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Bij de tabel past wel de kanttekening, dat geen rekening gehouden is met de
                    mogelijke overgang van bedrijven van de ene naar de andere categorie. Wel is
                    ingecalculeerd, dat de meeste bedrijfsbeëindigingen zullen plaatsvinden in de
                    categorieën 0 en A (omdat daarin de meeste kleine bedrijven voorkomen), zodat
                    daar een meer dan evenredige emissiedaling te verwachten is. Tevens is rekening
                    gehouden met de omstandigheid, dat een bepaalde afname van de emissie niet
                    zonder meer een overeenkomstige depositieafname veroorzaakt. Om die reden is
                    daarom bij de doelstelling ‘halvering van de depositie’ gerekend met
                    maatregelen, die resulteren in een emissieafname van ca 60%. Dit biedt enerzijds
                    een veiligheidsmarge voor tegenvallende praktijkervaringen en anderzijds een
                    perspectief op betere resultaten dan in principe beoogd zijn.</al><al> Artikel 18 t/m 20 De artikelen 18 t/m 20 geven de randvoorwaarden voor
                    bedrijfsgroei/ontwikkeling, gelet op de lokaal geldende beschermingsvereisten
                    voor de N-gevoelige habitats. De eisen worden strenger naarmate de depositie
                    vanuit een bedrijf hoger is. Op individueel bedrijfsniveau is een toename van de
                    veebezetting mogelijk, zolang voldaan wordt aan de staleisen conform artikel 2
                    en de emissie van het bedrijf niet stijgt tot boven het gecorrigeerd
                    emissieplafond. Dit is in de regel te realiseren door het toepassen van
                    verbeterde stalsystemen en emissiereducerende technieken. Voor zover deze
                    technieken niet afdoende zijn (c.q. een bedrijf verder wenst te groeien), is
                    daarnaast saldering mogelijk, mits de depositie niet hoger wordt dan 50 mol
                    N/ha/jr en tevens voldaan is aan de aangegeven voorwaarden met betrekking tot de
                    stalsystemen. Bij deposities boven 50 mol N/ha/jr is geen toename in depositie
                    toegestaan en zal de ruimte om te groeien volledig gevonden moeten worden in de
                    emissiebeperkende technieken.</al><al>Bij piekbelastingen worden twee situaties onderscheiden: a) het bedrijf groeit
                    zodanig, dat het een piekbelaster wordt, of b) het bedrijf is al een
                    piekbelaster op het moment van de inwerkingtreding van de verordening. De eerste
                    mogelijkheid wordt via de verordening feitelijk verboden. In de tweede
                    mogelijkheid gaat het vaak om reeds lang bestaande situaties, die weliswaar met
                    het oog op de natuurdoelen beëindigd moeten worden, maar waar een redelijke
                    overgangstermijn/afbouwperiode op zijn plaats is, in principe met (de
                    mogelijkheid van) een schadevergoeding. Artikel 9 gaat in beginsel uit van een
                    actieve saneringsinspanning door Gedeputeerde Staten en dan is een maximale
                    overgangstermijn van 5 jaar redelijk te achten. Indien een dergelijke actieve
                    saneringsinspanning echter in de praktijk niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld
                    doordat de financiële middelen voor een redelijke schadeloosstelling ontbreken,
                    zou dat een reden kunnen zijn om te besluiten tot (veel) langere termijnen.
                    Hierbij geldt dat minder middelen automatisch leiden tot een langere
                    overgangsfase en omgekeerd. Het gaat bij de bestaande piekbelasters overigens
                    slechts om een beperkt aantal bedrijven (hoogstens enige tientallen in Brabant),
                    dat uitsluitend op basis van de voorliggende regeling zou moeten
                    verdwijnen/inkrimpen. De meeste piekbelasters bevinden zich al op basis van
                    andere regelingen in een saneringssituatie. Het ligt dan voor de hand om met de
                    overgangstermijn aan te sluiten bij de planning van die andere regeling.</al><al><vet>Paragraaf 5</vet></al><al>Algemeen De paragraaf geeft de randvoorwaarden, die bij de uitvoering van de
                    saldering in acht genomen worden.</al><al>Artikel 21 De N-gevoelige habitats bevinden zich lang niet altijd op alle
                    plaatsen binnen het Natura 2000-gebied en evenmin zijn zij in het kader van de
                    herstel/ontwikkelingsdoelstellingen op alle plaatsen voorzien. Bij saldering
                    wordt uitsluitend rekening gehouden met N-gevoelige habitats op de plaats waar
                    zij zich werkelijk bevinden of op basis van het Natura 2000-beheerplan beoogd
                    zijn.</al><al>Artikel 22 Op grond van de AMvB Huisvesting moeten aanzienlijke reducties in
                    N-emissies gerealiseerd worden door aanpassing van stalsystemen, met name in de
                    intensieve veehouderij. Dit is een voor de hand liggend aangrijpingspunt om een
                    (eerste) generieke emissiereductie te realiseren. Als daarbij uitgegaan wordt
                    van de dieraantallen en soorten, die op de referentiedatum 7 december 2004
                    volgens de op dat moment geldende vergunning krachtens de Wet milieubeheer, dan
                    wel melding in het kader van het Besluit landbouw milieubeheer binnen het
                    bedrijf aanwezig zouden mogen zijn, kan het gecorrigeerd emissieplafond
                    vastgesteld worden. Overeenkomstig de AMvB Huisvesting is de eventuele
                    emissietoename, die uitsluitend het gevolg is van een verbetering van het
                    dierwelzijn, daarin inbegrepen. Waar, anders dan in de meeste gevallen, een
                    bedrijf beschikt over een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet, is de
                    aangewezen referentie (= het gecorrigeerd emissieplafond) ‘de emissie door de
                    veestapel, die de basis vormt voor deze vergunning krachtens de
                    Natuurbeschermingswet, eventueel na correctie voor de invloed van de AMvB
                    Huisvesting, voor zover daaruit een lagere referentiewaarde volgt.</al><al>N.B. Het gecorrigeerd emissieplafond is een rekeneenheid/toetsingswaarde en geen
                    aan de bedrijfsvoering verbonden ‘recht’, omdat in deze berekening geen rekening
                    is gehouden met de vraag of de krachtens de Wet milieubeheer toegestane situatie
                    ook in andere kaders legaal is/was, bijvoorbeeld in het kader van de regelmatig
                    wisselende normering volgens de Natuurbeschermingswet. Zo werden op de peildatum
                    (7 december 2004) een groot aantal bedrijven beleidsmatig nog niet beschouwd als
                    vergunningplichting krachtens de Natuurbeschermingswet, terwijl zij dat sinds de
                    wetswijziging van 2005 en de inmiddels ontwikkelde jurisprudentie met
                    terugwerkende kracht wel zijn (geworden). Aangezien het ondoenlijk is om in de
                    vele duizenden gevallen, waar het hier om gaat, de op enig moment bestaande
                    rechten te reconstrueren, is gekozen voor een materieel referentieniveau voor de
                    N-emissie per bedrijf, dat gelijk is aan of lager dan de feitelijke emissie op
                    de referentiedatum en dat tevens correspondeert met een lagere totale N-emissie
                    dan feitelijk aanwezig was op die datum.</al><al>Artikel 23 De aan een bedrijf toe te rekenen depositie op een habitat is altijd
                    variabel: aan de meest nabije rand zal zij in de regel hoger zijn dan in het
                    midden, of op het verst verwijderde punt. Het Natura 2000-gebied kan meer
                    locaties bevatten met hetzelfde habitat op verschillende afstanden van het
                    bedrijf. Bij de saldering wordt de totale N-belasting op alle locaties met
                    hetzelfde habitat binnen het Natura 2000-gebied in de beschouwing betrokken (in
                    mol N/jr). Voor de berekening wordt over de voorkomende habitats een raster
                    gelegd van 25x25 m; de totale depositie op het habitat is dan de sommatie van de
                    deposities per rastereenheid. Dit geeft de belasting van het habitat beter weer
                    dan de altijd vrij toevallige maximale waarde aan de rand, c.q. op het meest
                    belaste punt. Voor de vraag of in een bepaalde situatie saldering aan de orde
                    is, is het zwaarst belaste 25 x25 meterhok van toepassing.</al><al>Artikel 24 Het salderingssysteem via de depositiebank is in de eerste plaats
                    opgezet als middel om de ontwikkeling van de deposities te monitoren (het is
                    daarbij overigens niet het enige middel). Een vrije handel in ‘emissierechten’
                    is daarbij ongewenst, omdat dat de mogelijkheid inhoudt, dat partijen deze
                    rechten niet gebruiken, maar reserveren. Daardoor gaat het zicht op de
                    werkelijke situatie verloren. Uitgifte van depositierechten via de depositiebank
                    zorgt tevens voor een kostenbesparing voor de uitbreidende bedrijven. Deze
                    kostenbesparing kan worden ingezet voor extra emissiearme technieken.</al><al/><al>Artikel 25 De uitzondering op het salderingssysteem maakt het mogelijk, dat
                    bedrijven met meerdere vestigingen zich concentreren op één, of een beperkter
                    aantal locaties, die gunstiger liggen ten opzichte van de meest kwetsbare
                    habitats, zonder dat een beroep gedaan wordt op de depositiebank. Om te
                    voorkomen, dat dit alsnog aanleiding geeft tot een handel in ‘emissierechten’ is
                    de periode van vier jaar ingebouwd, dat de onderscheiden vestigingen deel uit
                    moeten maken van het bedrijf.</al><al>Artikel 26 Volledige nieuwvestiging kan alleen door gebruik te maken van reeds
                    door anderen ‘ingeleverde‘ depositieruimte. Als men daarna nog wil groeien, kan
                    dat alleen op dezelfde basis als de reeds langer bestaande bedrijven.</al><al>Artikel 27 Deze extra voorwaarde bij de saldering dient om de afwaartse beweging
                    van bedrijven ten opzichte van de Natura 2000-gebieden te ondersteunen. Relatief
                    sterke groei in de directe omgeving van de Natura 2000-gebieden wordt hiermee
                    minder gemakkelijk gemaakt. Zonder deze bepaling zou het mogelijk zijn, dat
                    bedrijven in de nabijheid van het Natura 2000-gebied relatief sterk groeien met
                    gebruikmaking van de vrijkomende depositieruimte van (veel) stoppende bedrijven
                    op grotere afstand van het Natura 2000-gebied. Dit zou een aantrekkende werking
                    kunnen veroorzaken.</al><al>Artikel 28 De beperking aan het groeitempo zal door de ondergrens van 5,0 mol
                    N/ha/jr in het algemeen de grotere bedrijven betreffen (of bedrijven dicht bij
                    het Natura 2000-gebied). Deze beperking sluit overigens een toename van het
                    aantal dieren boven een verdubbeling per 6 jaar niet uit: indien men harder wil
                    groeien met het aantal dieren, zal dat gepaard moeten gaan met extra technische
                    maatregelen ter beperking van de emissie/depositie. Hierbij zij opgemerkt, dat
                    de in dit artikel vastgelegde groeibeperking los staat van alle discussies over
                    de wenselijkheid van beperkingen in de schaalgrootte van bedrijven: zij treft
                    alle bedrijven, groot en klein, met dezelfde depositie in gelijke mate.</al><al>Artikel 29 Het artikel brengt tot uitdrukking, dat het besluit over de saldering
                    -behoudens de in het artikel genoemde uitzonderingen- voorbehouden is aan het
                    bevoegd gezag voor de Natuurbeschermingswet 1998 en eventuele
                    salderingsafspraken tussen marktpartijen buiten beschouwing blijven.</al><al>Artikel 30 Bij meerdere parallel lopende procedures worden deposities uit de
                    depositiebank toegedeeld in volgorde van binnenkomst van de volledige melding.
                    De maximale reserveringstermijn draagt eveneens bij aan het niet nodeloos
                    blokkeren van uit te geven depositieruimte.</al><al>Artikel 31 Het toedelen van depositieruimte uit de depositiebank zal enige
                    proceduretijd vergen. Daardoor is steeds een deel van de bank niet bereikbaar
                    voor later binnengekomen meldingen.</al><al>Artikel 32 De bepaling voorkomt dat bij een volgende uitbreiding, de eerder
                    gesaldeerde depositietoename, opnieuw gesaldeerd dient te worden.</al><al><vet>Paragraaf 6</vet></al><al>Artikel 33 In de veearme gebieden liggen per definitie maar een beperkt aantal
                    bedrijven, die bovendien niet of nauwelijks van invloed zijn op de N-belasting
                    van het Natura 2000-gebied. Die wordt juist veroorzaakt door de heersende
                    achtergrondbelasting. Bij groei/ontwikkeling van de bedrijven dragen zij naar
                    rato bij aan het verminderen van die achtergrondbelasting, maar doordat er in
                    het gebied maar een beperkt aantal bedrijven beschikbaar zijn om de
                    depositiebank te vullen, kan de saldering problematisch blijken, ook als er
                    eigenlijk geen reden is om – gelet op de marginale invloed van de gewenste
                    ontwikkeling op het Natura 2000-gebied- deze ontwikkeling te beletten. Het
                    artikel opent de mogelijkheid om in die gevallen een passende maatwerkoplossing
                    te realiseren.</al><al>Artikel 34 Er zijn bijzondere situaties denkbaar, waarin op voorhand al
                    duidelijk is, dat niet aan de verordening voldaan kan worden en het ook niet
                    redelijk is dit te vereisen, zonder dat er sprake is van een situatie waar een
                    individuele passende beoordeling in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998
                    een oplossing kan bieden. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan technisch
                    verouderde historische stallen, die vanuit cultuurhistorisch-educatief/museaal
                    oogpunt toch in bedrijf gehouden worden. Een ander voorbeeld is de situatie,
                    waarin een bepaalde veebezetting, bijvoorbeeld extensieve rundveehouderij, in de
                    onmiddellijke nabijheid van het Natura 2000-gebied beleidsmatig zeer gewenst is,
                    maar de bijbehorende stallen niet met de verordeningsbepalingen verenigbaar
                    zijn. Het is in deze gevallen aan Gedeputeerde Staten om te besluiten over een
                    uitzondering. Het spreekt vanzelf, dat van deze mogelijkheid slechts spaarzaam
                    gebruik kan en zal worden gemaakt, al was het maar vanwege de vereiste
                    bijzondere motivering en de verwachting, dat de beschikkingen, waarin van de
                    uitzonderingsmogelijkheid gebruik gemaakt wordt, vrijwel zeker bij de rechter
                    bestreden zullen worden.</al><al><vet>Paragraaf 7</vet></al><al>Artikel 35 en 36 Omdat de peildatum voor de Crisis- en herstelwet en de
                    verordening al ver in het verleden ligt (7 december 2004), is overgangsrecht
                    noodzakelijk: er zijn sinds 7 december 2004 stallen gebouwd, die niet aan de
                    verordening voldoen en ook niet beschikken over een noodzakelijke
                    natuurbeschermingswetvergunning, maar waarvan bouwkundige aanpassing
                    redelijkerwijs niet meer gevergd kan worden. Deze worden via de artikelen 35 en
                    36 toegelaten.</al><al>Volgens de Crisis- en herstelwet zijn alle bedrijfsuitbreidingen die een
                    verhoging van de depositie hebben veroorzaakt ten opzichte van 7 december 2004
                    vergunningplichting, tenzij deze depositietoename wordt gesaldeerd of op een
                    andere wijze wordt teruggebracht. Om de depositietoename te salderen kan er voor
                    worden gekozen om via de depositiebank te salderen of via een 1-op-1-saldering
                    op basis van de voorwaarden van de Crisis- en herstelwet. Er wordt hierbij
                    onderscheid gemaakt tussen:</al><al>1. Gerealiseerde uitbreidingen vanaf 7 december 2004 2. Lopende procedures net
                    vóór de inwerkingtreding van de verordening</al><al>Ad. 1 Voor gerealiseerde uitbreidingen vanaf 7 december 2004 wordt op basis van
                    artikel 36 door GS een speciale voorziening getroffen. Deze voorziening kan
                    bestaan uit een saldering via de depositiebank of buiten de depositiebank om,
                    waarbij via het Natura 2000-beheerplan een vrijstelling van de vergunningplicht
                    wordt voorzien.</al><al>Voor de gevallen waarvoor GS besluiten om de toename in emissie/ depositie te
                    salderen via de depositiebank, zal een overgangsregeling worden toegepast om de
                    depositiebank in de aanvangsperiode niet te zwaar te belasten en daardoor nieuwe
                    ontwikkelingen niet onnodig te belemmeren. Gedeputeerde Staten krijgen op basis
                    van artikel 36 de bevoegdheid om de saldering te realiseren (een afboeking te
                    doen in de salderingsbank) op een manier die recht doet aan de beoogde
                    emissie/depositiereductie en tegelijkertijd recht doet aan de feitelijke
                    situaties m.b.t. wet- en regelgeving ten tijde van de uitbreiding. Het is op
                    voorhand niet duidelijk bij hoeveel bedrijven met uitbreidingen vanaf 7 december
                    2004 achteraf nog op een of andere manier gesaldeerd zal worden via de
                    depositiebank. Wel is duidelijk, dat hierbij sprake zal zijn van een grote
                    verscheidenheid aan situaties. Tussen 7 december 2004 en de inwerkingtreding van
                    de verordening hebben zich 5 of 6 verschillende regiems voorgedaan:
                    vergunningvrijdom beneden de 15 mol, het ontbreken van een vergunningplicht rond
                    pure Habitatrichtlijngebieden voor de wetswijzing van 1 februari 2009 tot een
                    situatie waarin de volledige depositie vanuit een bedrijf op alle Natura
                    2000-gebieden moest worden gesaldeerd. Uitgangspunt bij de overgangsregeling ten
                    behoeve van uitgebreide bedrijven tussen 7 december 2004 en de inwerkingtreding
                    van de verordening blijft dat het de bedoeling is om deze bedrijfssituaties
                    buiten de vergunningverplicht te houden, door saldering toe te passen. Daarbij
                    zullen de gevallen boven de 5 mol depositie ten opzichte van de rand van een
                    gevoelig habitattype en gevallen gerealiseerd na 1 februari 2009 een aparte
                    behandeling krijgen. GS beslissen in individuele situaties.</al><al>Ad. 2 Voor bedrijven die in de maanden vóór de inwerkingtreding van de
                    verordening bezig zijn om een nieuwe stal te realiseren is een overgangsregeling
                    van toepassing. Er is gekozen om de verordening met terugwerkende kracht (vanaf
                    de datum van vaststelling van het statenvoorstel door Gedeputeerde Staten) te
                    laten gelden, om zoveel mogelijk de ontwikkelingen die worden voorzien in de
                    eerste helft van 2010 in het kader van de AMvB Huisvesting onder de verordening
                    te laten vallen. Bedrijven en bedrijfssituaties die op het moment van openbaar
                    worden van de inhoud van de verordening (datum vaststelling statenvoorstel door
                    GS) nog geen aanvraag krachtens de Wet Milieubeheer en/of Natuurbeschermingswet
                    1998, melding in het kader van het Besluit landbouw milieubeheer of
                    bouwvergunning in behandeling hebben dienen aan de tecshnische eisen van de
                    regeling te voldoen. Hierdoor wordt milieuwinst naar voren gehaald.</al><al>Voor lopende procedures net vóór de inwerkingtreding van de verordening wordt
                    voor saldering aangesloten bij de gangbare praktijk: particuliere
                    1-op-1-saldering geïntegreerd in het project. Saldering buiten de depositiebank
                    om blijft namelijk mogelijk tot het moment van publicatie in het Provinciaal
                    Blad. Dit leidt ertoe dat de bedrijven die al met een aanvraag voor een
                    vergunning of melding bezig zijn, de tijd krijgen om een lopende saldering te
                    kunnen afronden en niet hoeven te wachten op de inwerkingtreding van de
                    depositiebank medio juli 2010. Er ontstaat dan geen vacuüm en dit is ook
                    redelijk naar de ondernemers die al in een vergaande fase van onderhandeling
                    zijn over salderingsrechten.</al><al>Artikel 37</al><al>De verslaggeving door Gedeputeerde Staten is onderdeel van de monitoring. Aan de
                    hand van de verslagen kan (door Provinciale Staten en in bestuurlijk overleg met
                    de betrokken partijen) beoordeeld worden of de beleidsdoelstelling met
                    betrekking tot de emissie/depositiereductie naar verwachting verloopt, dan wel
                    of er (tijdelijk of structureel) afwijkingen van de verwachtingen zijn, en zo
                    ja, wat daarvan dan de oorzaken zijn. Deze beleidseffectanalyse kan aanleiding
                    zijn tot aanpassingen in de verordening, dan wel (nieuw) flankerend beleid
                    (hand-aan-de-kraan-principe). De aanpassingen kunnen vervolgens zowel het
                    instrumentarium betreffen, maar ook het tempo waarin de doelstellingen
                    gerealiseerd moeten worden, of in het meest extreme geval de doelstellingen
                    zelf.</al><al><vet>TABEL 1 IN BIJLAGE 1</vet></al><lijst><li nr=""><al>• Nieuwe stallen dienen te voldoen aan de (extra) emissiereducerende
                            voorwaarden zoals opgenomen in tabel 1. Tevens zijn dit de voorwaarden
                            waaraan alle stallen (dus ook de bestaande en die stallen waar
                            tussentijds het streefreductiecijfer niet is gehaald, bijvoorbeeld
                            vanwege het ontbreken van technieken) gemiddeld aan dienen te voldoen op
                            uiterlijk 1-1-2028.</al></li><li nr=""><al>• De gedachtenlijn bij het verplicht toepassen van extra technieken in
                            nieuwe stallen is de volgende: </al><lijst><li nr=""><al>o Ambitie bij beweiding in combinatie met stallen met
                                    natuurlijke ventilatie (open stal): toepassen van extra
                                    technieken leidend tot een reductie van ammoniakemissie van 40%.
                                    Tot deze categorie behoren voornamelijk de “gewone”, open
                                    melkveestallen, maar ook stallen voor jongvee, vleesvee en soms
                                    ook geiten, die in het groeiseizoen (gedeeltelijk) leeg staan,
                                    omdat er beweid wordt;</al></li><li nr=""><al>o Ambitie bij permanent opstallen in stallen met natuurlijke
                                    ventilatie (open stal): toepassen technieken leidend tot een
                                    reductie van ammoniakemissie van 70%. Dit zijn de stallen waar
                                    het vee het gehele jaar opgestald staat en er niet meer beweid
                                    wordt;</al><al/><al> o Ambitie bij permanent opstallen met “mechanische ventilatie
                                    (gesloten stal)”: toepassen van technieken leidend tot een
                                    reductie van ammoniakemissie van 85%. Hieronder vallen in het
                                    algemeen alle IV-stallen, maar ook (gesloten) stallen van ander
                                    vee (bijv. melkvee) die mechanisch geventileerd worden.</al></li><li nr=""><al>o Ten slotte zijn er diercategorieën waarvoor geen extra eisen
                                    gelden, omdat de dieren voor het grootste deel van het jaar
                                    buiten de stal verblijven of omdat het een categorie betreft die
                                    te klein en te specifiek is om er technieken voor te
                                    ontwikkelen.</al></li></lijst></li><li nr=""><al>• Uitgangspunt is dat enkel emissiereducerende technieken vereist worden
                            die in de RAV-lijst zijn opgenomen. Dit om discussies over de juridische
                            houdbaarheid van vergunningen bij inzet van niet-RAV-technieken te
                            voorkomen. Uitzondering hierop vormen algemeen aanvaarde technieken die
                            weliswaar nog niet op de RAV-lijst staan, maar op advies van de
                            Commissie van Deskundigen in Bijlage 1 worden opgenomen.</al></li><li nr=""><al>• Voor niet alle diercategorieën zijn de emissiereducerende technieken
                            die passen bij de ambitie, reeds voorhanden en opgenomen in de
                            RAV-lijst. In tabel 1 is aangegeven welke technieken er voor de
                            onderscheiden diercategorieën opgenomen zijn in de RAV-lijst (meest
                            recente lijst is van begin 2010) en voor welke categorieën deze
                            technieken (voorlopig) nog ontbreken.</al></li><li nr=""><al>• Het kan voorkomen dat er weliswaar vergaande technieken in de
                            RAV-lijst zijn opgenomen, maar dat er twijfels zijn over de praktische
                            toepasbaarheid van deze technieken. Zo zijn er bijvoorbeeld twijfels
                            over de toepasbaarheid van luchtwassers in de pluimveehouderij in
                            verband met het verstopt raken van de wassers met stof. Daarom is ten
                            aanzien van een aantal categorieën aangegeven dat er advies gevraagd zal
                            worden aan de Commissie van Deskundigen.</al></li><li nr=""><al>• Voor zover stalsystemen met de gevraagde reductiepercentages (resp.
                            40%, 70% en 85%) voor bepaalde diercategorieën nog niet in de RAV-lijst
                            zijn opgenomen, dienen de qua emissiebeperking best mogelijke
                            stalsystemen toegepast te worden, voor zover opgenomen in de
                            RAV-lijst.</al></li><li nr=""><al>• De in tabel 1opgenomen reductiepercentages kunnen ook bereikt worden
                            via combinaties van verschillende technieken voor zover in de RAV-lijst
                            opgenomen. De Commissie van Deskundigen stelt een lijst op met
                            toegestane combinaties.</al></li><li nr=""><al>• Voor zover er onzekerheid bestaat over de praktische inzetbaarheid van
                            al of niet in de RAV-lijst opgenomen technieken voor bepaalde
                            diercategorieën, dan wel over de inzet van dierwelzijnsvriendelijke
                            systemen (bijv. voor zeugen in een strostal met natuurlijke ventilatie
                            is de 85% niet haalbaar), biologische veehouderijsystemen en mogelijke
                            combinaties van technieken (bijv. een biologische wasser met 70%
                            reductie i.c.m. een andere maatregel), besluiten Gedeputeerde Staten op
                            advies van de Commissie van Deskundigen. De Commissie van Deskundigen
                            kan owel in individuele gevallen als generiek om advies gevraagd
                            worden.</al></li><li nr=""><al>• Bij een tussentijdse opname van verdergaande emissiebeperkende
                            technieken op de RAV-lijst zullen deze opgenomen worden in een nieuw
                            door GS vast te stellen tabel van Bijlage 1. De nieuwe verdergaande
                            technieken dienen in alle omstandigheden toegepast te worden, tenzij op
                            moment van publicatie van de nieuwe tabel, een nieuwe vergunning, dan
                            wel melding in het kader van de Wet milieubeheer in behandeling is
                            genomen.</al></li></lijst><al>Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,</al><al>de voorzitter de secretaris</al><al/><al>prof. dr. W.B.H.J. van de Donk drs. W.G.H.M. Rutten</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>