<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR95310_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Noord-Brabant</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-12-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Noord-Brabant</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad, 2012, 182</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Rechtspositiebesluit gedeputeerden</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-06-22</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-07-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-07-27</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 2, 3.1,2, 8.1,2, 9 vervallen, 13a nieuw, 22.1,2, 23.1, 25.3 vervallen, 30.1,2, 31.1,2, 32 vervallen, 33a nieuw, 39.2, Artikel II toelichting, Artikel III Overgangsrecht</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Statenvoorstel 17/12</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bestuurlijke organisatie, financieel kader</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vervangen door de <extref doc="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/XHTMLoutput/Historie/noord-brabant/412888/412888_1.html">Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten en commissieleden 2016</extref>.</al><al>De wijzigingen werken terug tot 1 januari 2012. Als datum van in werking treden s gekozen voor de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin deze verordening is gepubliceerd.</al><al>De wijzigingsregeling bevat overgangsrecht, op grond waarvan het oude loonbelastingregime voor belaste en onbelaste vergoedingen en verstrekkingen blijft bestaan in de overgangsperiode dat de provincie nog niet is overgestapt op de werkkostenregeling.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Provinciale Staten stellen de Verordening rechtspositie gedeputeerden,
                        staten- en commissieleden vast.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel><vet>Hoofdstuk I Begripsomschrijvingen</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet><vet>Artikel 1</vet></vet></titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                                    Provinciewet;</al></li><li nr="b."><al> Rechtspositiebesluit gedeputeerden: het Koninklijk Besluit van
                                    22 maart 1994, Stb. 241;</al></li><li nr="c."><al> Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb. 242;</al></li><li nr="d."><al> Reisbesluit binnenland: het Koninklijk Besluit van 1 maart
                                    1993, Stb. 144;</al></li><li nr="e."><al> Reisregeling binnenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr. AB93/U280, Stcrt.
                                    56;</al></li><li nr="f."><al> statenlid: lid van provinciale staten, niet zijnde
                                    gedeputeerde;</al></li><li nr="g."><al> Verplaatsingskostenbesluit 1989: het Koninklijk Besluit van 6
                                    oktober 1989, Stb. 424;</al></li><li nr="h."><al> griffier: de griffier, bedoeld in artikel 97, eerste lid, van
                                    de Provinciewet;</al></li><li nr="i."><al> provinciesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 97,
                                    eerste lid, van de Provinciewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><vet>Hoofdstuk II Voorzieningen voor statenleden</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2 Vergoeding voor de werkzaamheden</vet></titel></kop><al>Aan het statenlid wordt een vergoeding voor de werkzaamheden toegekend
                            die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het
                            Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, zoals dit bedrag
                            jaarlijks ingevolge artikel 2, tweede lid, van genoemd
                            Rechtspositiebesluit bij ministeriële regeling wordt gewijzigd.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2a Toelagen</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Naast de vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2,
                                ontvangen fractievoorzitters in provinciale staten voor de duur van
                                hun voorzitterschap per jaar een toelage gelijk aan 1,2% van die
                                vergoeding op jaarbasis en een toelage gelijk aan 0,4% van die
                                vergoeding op jaarbasis voor elk statenlid dat de fractie buiten de
                                fractievoorzitter telt. De toelagen tezamen bedragen ten hoogste
                                6,4% van die vergoeding op jaarbasis.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de toepassing van het eerste lid stelt de commissaris van de
                                Koningin vast: </al><lijst><li nr="a."><al> hoeveel statenleden een fractie telt;</al></li><li nr="b."><al> de duur van het fractievoorzitterschap.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het statenlid dat lid is van de vertrouwenscommissie, bedoeld in
                                artikel 61, derde lid, van de Provinciewet dan wel de
                                rekenkamerfunctie, bedoeld in artikel 79p van de Provinciewet,
                                uitoefent dan wel lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in
                                artikel 151a, derde lid, van de Provinciewet, ontvangt voor de duur
                                van het lidmaatschap van de commissie dan wel de duur van de
                                activiteiten per jaar een toelage van 5% van de vergoeding voor de
                                werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, op jaarbasis.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor de toepassing van het derde lid stelt de commissaris van de
                                Koningin de duur van het lidmaatschap van de commissie dan wel de
                                duur van de activiteiten vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 3 Onkostenvergoeding</vet></titel></kop><al>Aan het statenlid wordt een onkostenvergoeding voor aan de uitoefening
                            van het statenlidmaatschap verbonden kosten toegekend die gelijk is aan
                            het bedrag, vermeld in artikel 2, derde lid, van het
                            Rechtspositiebesluit statenen commissieleden, zoals dit bedrag jaarlijks
                            ingevolge artikel 2, vierde lid, van genoemd Rechtspositiebesluit bij
                            ministeriële regeling wordt gewijzigd. </al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4 Berekening en betaling</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar statenlid is
                                geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar
                                statenlid is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3, en
                                van de toelagen, bedoeld in artikel 2a, geschiedt in maandelijkse
                                termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 5 Reiskosten</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan het statenlid worden vergoed de reiskosten voor het bijwonen
                                van vergaderingen van provinciale staten en van een commissie,
                                alsmede de reiskosten ter zake van andere ten behoeve van de
                                provincie gemaakte reizen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft: </al><lijst><li nr="a."><al> bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al> bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig de bedragen in de artikelen 2 en 4 van de
                                        Reisregeling binnenland.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 6 Verblijfkosten</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het statenlid worden tijdens zijn zakelijk verblijf op het
                                provinciehuis maaltijden en consumpties vanwege de provincie
                                verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het statenlid worden vergoed de gemaakte noodzakelijke
                                verblijfkosten ter zake van andere ten behoeve van de provincie
                                gemaakte reizen dan die voor het bijwonen op het provinciehuis van
                                vergaderingen van provinciale staten en van een commissie, tot ten
                                hoogste de bedragen, vastgesteld bij of krachtens het Reisbesluit
                                binnenland.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 7 Cursus, congres, seminar of symposium</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De kosten van deelname van een statenlid aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het provinciaal belang door of namens de
                                provincie worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                provincie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het statenlid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de provincie wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de provincie
                                als deelname van belang is in verband met de vervulling van het
                                statenlidmaatschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 8 Computer en internetverbinding</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op aanvraag stellen gedeputeerde staten het statenlid ten laste van
                                de provincie voor de uitoefening van het statenlidmaatschap een
                                computer, bijbehorende apparatuur en software in bruikleen ter
                                beschikking.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien geen computer, bijbehorende apparatuur en software ten laste
                                van de provincie ter beschikking is gesteld, verlenen gedeputeerde
                                staten een statenlid op aanvraag voor de uitoefening van het
                                statenlidmaatschap een tegemoetkoming voor de aanschaf of het
                                gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur en software.
                                De tegemoetkoming bedraagt per jaar 30% van de aanschafwaarde
                                daarvan voor een periode van maximaal drie jaar. Daarbij wordt ten
                                hoogste uitgegaan van de aanschafwaarde van de computer,
                                bijbehorende apparatuur en software welke gedeputeerde staten aan
                                statenleden in bruikleen ter beschikking stellen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op aanvraag ontvangt het statenlid een vast bedrag ter vergoeding
                                van de aanleg- en abonnementskosten voor de internetverbinding voor
                                de in het eerste of tweede lid genoemde computerapparatuur.
                                Gedeputeerde staten stellen de hoogte van het in de eerste volzin
                                bedoelde bedrag van de vergoeding vast.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het statenlid ondertekent voor de bruikleen een
                                bruikleenovereenkomst met de provincie. Gedeputeerde staten stellen
                                het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen ter uitvoering van dit artikel nadere
                                regels vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 9 Spaarloonregeling</vet></titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 10 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                    arbeidsongeschiktheid</vet></titel></kop><al>Op aanvraag verlagen gedeputeerde staten de vergoeding voor de
                            werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, in het geval een statenlid een
                            uitkering ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke
                            arbeidsongeschiktheid.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 11 Compensatie korting werkloosheidsuitkering</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In het geval een statenlid een uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die
                                wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                uitoefenen van het statenlidmaatschap meer bedraagt dan de in
                                artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het
                                statenlid ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de provincie
                                verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In het geval dat een statenlid een uitkering op grond van het
                                Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel ontvangt en
                                de na toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit ontstane
                                korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het
                                statenlidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde
                                vergoeding voor de werkzaamheden die het statenlid ontvangt, wordt
                                deze vergoeding ten laste van de provincie verhoogd tot het bedrag
                                van bedoelde korting.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 12 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van
                                    provinciale staten</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een statenlid dat op grond van artikel 75 van de Provinciewet meer
                                dan 30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van provinciale staten
                                waarneemt, ontvangt voor die waarneming een toeslag van 8% van de in
                                artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden over de tijd van
                                de waarneming.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
                                onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 13 Ziektekostenvoorziening</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het statenlid ontvangt een tegemoetkoming in de kosten van een
                                ziektekostenverzekering van € 175 per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar statenlid is
                                geweest ontvangt de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, naar
                                evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar statenlid is
                                geweest.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betaling van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de nominale eindejaarsuitkering van het personeel werkzaam
                                bij de sector Rijk wijziging ondergaat wordt het in het eerste lid
                                genoemde bedrag naar evenredigheid gewijzigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13a Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel</titel></kop><al>Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
                            onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt aangewezen: </al><lijst><li nr="a."><al>de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3;</al></li><li nr="b."><al>de verstrekkingen, bedoeld in artikel 8, eerste lid;</al></li><li nr="c."><al> de vergoeding bedoeld in artikel 8, derde lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 14 Recht op uitkering bij aftreden</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een statenlid heeft op aanvraag met ingang van de datum van
                                aftreden recht op een uitkering ten laste van de provincie indien
                                hij direct vóór aftreden minimaal 6 maanden zonder onderbreking van
                                langer dan 16 weken statenlid is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Geen recht op een uitkering bij aftreden bestaat indien het
                                statenlid: </al><lijst><li nr="a."><al> na aftreden zonder onderbreking weer als statenlid
                                        optreedt;</al></li><li nr="b."><al> op de datum van zijn aftreden 65 jaar of ouder is;</al></li><li nr="c."><al> van zijn statenlidmaatschap vervallen is verklaard
                                        ingevolge artikel X7 van de Kieswet;</al></li><li nr="d."><al> is benoemd in de plaats die is opengevallen als gevolg van
                                        het tijdelijk ontslag van een statenlid wegens zwangerschap
                                        en bevalling of ziekte, ingevolge artikel X 12 van de
                                        Kieswet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 15 Duur van de uitkering bij aftreden</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkering bij aftreden wordt toegekend voor een duur gelijk aan
                                de helft van het aantal volledige maanden waarin betrokkene direct
                                vóór aftreden zonder onderbreking van langer dan 16 weken statenlid
                                is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De maximumduur van de uitkering bij aftreden is 2 jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 16 Bedrag van de uitkering bij aftreden</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkering bij aftreden bedraagt in het eerste jaar 80% en daarna
                                70% van het op het moment van aftreden geldende bedrag van de in
                                artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de vergoeding voor de werkzaamheden met toepassing van
                                artikel 2, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit staten- en
                                commissieleden wordt herzien wordt de uitkering bij aftreden met
                                ingang van het tijdstip van die herziening dienovereenkomstig
                                aangepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 17 Korting wegens inkomsten</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Inkomsten die het gewezen statenlid geniet wegens het verrichten
                                van activiteiten worden met de uitkering bij aftreden verrekend over
                                de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen
                                worden betrekking te hebben, voor zoveel die uitgaan boven het
                                bedrag van het minimumloon, inclusief de vakantie-uitkering, voor
                                volwassen werknemers als bedoeld in de Wet minimumloon en minimum
                                vakantiebijslag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Inkomsten die het gewezen statenlid geniet wegens het verrichten
                                van activiteiten, ter hand genomen met ingang van of na het aftreden
                                als statenlid en hogere inkomsten, anders dan ten gevolge van
                                algemene loonsverhogingen, die hij geniet uit activiteiten, ter hand
                                genomen vóór het aftreden als statenlid, worden volledig met de
                                uitkering bij aftreden verrekend over de maand waarop deze inkomsten
                                betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de toepassing van het eerste en tweede lid worden onder de
                                daar vermelde inkomsten verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al> winst uit een of meer ondernemingen, bedoeld in artikel 3.8
                                        van de Wet inkomstenbelasting 2001;</al></li><li nr="b."><al> belastbaar loon uit of in verband met arbeid en</al></li><li nr="c."><al> belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, behoudens
                                        voorzover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de
                                        artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van
                                        de Wet inkomstenbelasting 2001;</al></li><li nr="d."><al> een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet
                                        arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet
                                        arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het gewezen statenlid is verplicht van het ter hand nemen van enige
                                activiteiten als bedoeld in het eerste en tweede lid, terstond
                                mededeling te doen aan gedeputeerde staten, onder opgave, voor zover
                                mogelijk, van de inkomsten die hij uit die activiteiten zal trekken,
                                een en ander overeenkomstig de hem door gedeputeerde staten gegeven
                                voorschriften. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet
                                hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave
                                van de inkomsten die hij sinds het ter hand nemen van de
                                activiteiten of sinds de vorige opgave heeft genoten. Brengt de aard
                                van de activiteiten of van de inkomsten mede dat de inkomsten over
                                een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave
                                dienovereenkomstig en wordt op de uitkering bij aftreden een
                                vermindering toegepast van een voorlopig bedrag onder voorbehoud van
                                verrekening aan het eind van de even bedoelde termijn.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het gewezen statenlid geeft desgevraagd alle informatie betreffende
                                de ter hand genomen activiteiten en de inkomsten die nodig zijn voor
                                de uitvoering van dit artikel en wordt geacht erin toe te stemmen
                                dat allen die daarvoor naar het oordeel van gedeputeerde staten in
                                aanmerking komen, hierover desgevraagd alle noodzakelijke informatie
                                verstrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 18 De verplichting om werk te zoeken PM</vet></titel></kop><al>(Het betreft een vergelijkbare bepaling als welke voor gedeputeerden zal
                            worden opgenomen in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers)
                        </al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 19 Betaling van de uitkering bij aftreden</vet></titel></kop><al>De uitkering bij aftreden wordt in maandelijkse termijnen
                            uitbetaald.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 20 Opschorting en einde van de uitkering bij
                                    aftreden</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkering bij aftreden eindigt: </al><lijst><li nr="a."><al> op de dag waarop de uitkeringsduur is verstreken;</al></li><li nr="b."><al> met ingang van de maand, volgend op die waarop het gewezen
                                        statenlid is overleden;</al></li><li nr="c."><al> met ingang van de maand, volgend op die waarop de leeftijd
                                        van 65 jaar wordt bereikt;</al></li><li nr="d."><al> met ingang van de dag waarop het gewezen statenlid weer als
                                        statenlid is beëdigd;</al></li><li nr="e."><al> met ingang van de dag waarop het gewezen statenlid als lid
                                        van gedeputeerde staten is beëdigd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen de uitbetaling van de uitkering bij
                                aftreden opschorten voor zolang het gewezen statenlid niet heeft
                                voldaan aan zijn in artikel 17, vierde en vijfde lid, bedoelde
                                verplichting. Indien de in artikel 17, vierde en vijfde lid,
                                bedoelde verplichting alsnog wordt nagekomen wordt de uitkering bij
                                aftreden over de tijd van de opschorting, met inachtneming van
                                artikel 17, alsnog uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 21 Uitkering bij overlijden</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In geval van overlijden van het statenlid wordt aan de weduwe of
                                weduwnaar van wie het overleden statenlid niet duurzaam gescheiden
                                leefde een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de in artikel 2 bedoelde
                                vergoeding voor de werkzaamheden, welke het statenlid laatstelijk
                                genoot over een tijdvak van drie maanden. Indien de overledene geen
                                weduwe of weduwnaar van wie het overleden statenlid niet duurzaam
                                gescheiden leefde nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de
                                minderjarige wettige of natuurlijke kinderen, of minderjarige
                                kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder
                                pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de
                                opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van
                                enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding
                                daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering
                                aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van het
                                inkomen van het statenlid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weduwe of weduwnaar
                                mede verstaan de achtergebleven geregistreerde partner alsmede
                                degene met wie het overleden statenlid ongehuwd samenleefde en een
                                gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3,
                                derde en vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Dit artikel is niet van toepassing op een statenlid dat is benoemd
                                in de plaats die is opengevallen als gevolg van het tijdelijk
                                ontslag van een statenlid wegens zwangerschap en bevalling of
                                ziekte, ingevolge artikel X 12 van de Kieswet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 22 Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens
                                    zwangerschap en bevalling of ziekte</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De artikelen 2 tot en met 4, 7 tot en met 21, 38 en 40 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het statenlid aan wie ingevolge
                                artikel X 10 van de Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens
                                zwangerschap en bevalling of ziekte, met dien verstande dat de
                                onkostenvergoeding die dit statenlid op grond van artikel 3 ontvangt
                                de helft bedraagt van het bedrag dat op grond van die bepaling van
                                toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een tijdelijk ontslag als bedoeld in artikel X 10 van de Kieswet
                                wordt niet aangemerkt als een aftreden als bedoeld in de artikelen
                                14 tot en met 20.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 22-A Collectieve ongevallenverzekering</vet></titel></kop><al>Gedeputeerde Staten sluiten ten behoeve van de statenleden een
                            collectieve verzekering tegen het risico dat een statenlid, bij de
                            uitoefening van zijn werkzaamheden verbonden aan het statenlidmaatschap
                            als gevolg van een ongeval, overlijdt, blijvend invalide wordt,
                            tijdelijk arbeidsongeschikt wordt of zich onder geneeskundige
                            behandeling moet stellen en de daaraan verbonden kosten niet op een
                            andere wijze worden vergoed.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 22-B Bestuursaansprakelijkheid</vet></titel></kop><al>Het statenlid dat als gevolg van de rechtmatige uitoefening van
                            werkzaamheden die direct voortvloeien uit het statenlidmaatschap
                            aansprakelijk wordt gesteld voor schade, kan aanspraak maken op
                            ondersteuning bij gerechtelijke procedures. Bedoelde ondersteuning vindt
                            plaats door of op kosten van de provincie. De aanspraak bestaat niet als
                            er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><vet>Hoofdstuk III Voorzieningen voor gedeputeerden</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 23 Onkostenvergoeding</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de gedeputeerde wordt een onkostenvergoeding toegekend voor
                                overige aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten die gelijk
                                is aan het bedrag, vermeld in artikel 21, eerste lid, van het
                                Rechtspositiebesluit gedeputeerden, zoals dit bedrag jaarlijks
                                ingevolge artikel 21, tweede lid, van genoemd Rechtspositiebesluit
                                bij ministeriële regeling wordt gewijzigd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid is de onkostenvergoeding voor
                                overige aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten 95% van het
                                voor hem ingevolge het eerste lid geldende bedrag indien de
                                gedeputeerde op grond van artikel 31 een mobiele telefoon in
                                bruikleen ter beschikking is gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 24 Reiskosten woon-werkverkeer</vet></titel></kop><al>De gedeputeerde wordt voor het reizen tussen zijn woning en zijn plaats
                            van tewerkstelling naar keuze:</al><lijst><li nr="a."><al> een openbaar vervoerjaarkaart eerste of tweede klasse
                                    verstrekt;</al></li><li nr="b."><al> een tegemoetkoming in de kosten van het reizen verleend
                                    overeenkomstig het bepaalde in de ministeriële regeling als
                                    bedoeld in artikel 19, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit
                                    gedeputeerden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 25 Zakelijke reiskosten</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de gedeputeerde wordt naast de tegemoetkoming, bedoeld in
                                artikel 24, vergoeding verleend voor reiskosten ter zake van andere
                                dan de in artikel 24 bedoelde reizen ten behoeve van de provincie
                                gemaakt. De vergoeding betreft: </al><lijst><li nr="a."><al> bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten, met inachtneming van
                                        artikel 24, onderdeel a;</al></li><li nr="b."><al> bij gebruik van een eigen personenauto: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bedrag, genoemd in artikel 4, onderdeel
                                        b, van de ministeriële regeling als bedoeld in artikel 19,
                                        tweede lid, van het Rechtspositiebesluit gedeputeerden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aan de gedeputeerde aan wie ingevolge artikel 24 een openbaar
                                vervoerjaarkaart is verstrekt worden de in het eerste lid, onderdeel
                                b, bedoelde reiskosten alleen vergoed als met het openbaar vervoer
                                niet of slechts met aanzienlijk tijdverlies kan worden gereisd.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 26 Dienstauto</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De gedeputeerde kan voor reizen ten behoeve van de provincie
                                gebruik maken van een dienstauto met of zonder chauffeur. Onder
                                dienstauto wordt voor de toepassing van dit artikel mede verstaan
                                een door de provincie ingehuurde auto.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De dienstauto met of zonder chauffeur kan door de gedeputeerde ook
                                worden gebruikt voor het reizen tussen de woning en de plaats van
                                tewerkstelling en voor reizen ten behoeve van nevenfuncties die de
                                gedeputeerde vervult uit hoofde van zijn ambt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de gedeputeerde op grond van artikel 24 een tegemoetkoming
                                ontvangt in de reiskosten tussen de woning en de plaats van
                                tewerkstelling wordt een korting op die tegemoetkoming toegepast ter
                                grootte van </al><lijst><li nr="a."><al> 1/20 deel van de tegemoetkoming in de betreffende maand
                                        voor elke dag waarop zowel van de woning naar de plaats van
                                        tewerkstelling als omgekeerd van de plaats van
                                        tewerkstelling naar de woning gebruik is gemaakt van de
                                        dienstauto;</al></li><li nr="b."><al> 1/40 deel van de tegemoetkoming in de betreffende maand
                                        voor elke dag waarop alleen hetzij van de woning naar de
                                        plaats van tewerkstelling hetzij omgekeerd van de plaats van
                                        tewerkstelling naar de woning gebruik is gemaakt van de
                                        dienstauto.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de gedeputeerde ingevolge artikel 24 een openbaar
                                vervoerjaarkaart is verstrekt wordt bij gebruik van een dienstauto
                                voor het reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling een
                                korting op zijn bezoldiging toegepast overeenkomstig het bepaalde in
                                de onderdelen a en b van het derde lid.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien de gedeputeerde voor reizen ten behoeve van in het tweede
                                lid bedoelde nevenfuncties gebruik maakt van de provinciale
                                dienstauto en daarvoor van een derde ook een vergoeding van
                                reiskosten ontvangt wordt die vergoeding in de provinciale kas
                                gestort.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 26-A Lease - auto</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De gedeputeerde kan, voor het reizen ten behoeve van de provincie,
                                voor het reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling en
                                voor reizen ten behoeve van nevenfuncties die de gedeputeerde uit
                                hoofde van zijn ambt vervult, de beschikking krijgen over een
                                lease-auto. Gedeputeerde Staten stellen terzake nadere
                                voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor het gebruik van de lease-auto voor privé-reizen is de
                                gedeputeerde aan de provincie een eigen bijdrage verschuldigd. Deze
                                eigen bijdrage wordt gesteld op een zodanig bedrag of op een zodanig
                                percentage van de waarde van de lease-auto, dat de beschikking over
                                de lease-auto niet leidt tot fiscaal inkomen bij de
                                gedeputeerde.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De gedeputeerde, die beschikt over een lease-auto, heeft geen recht
                                op een tegemoetkoming of compensatie als bedoeld in de artikelen 24,
                                25 en 26.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 27 Verblijfkosten</vet></titel></kop><al>De gedeputeerde worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                            verblijfkosten ter zake van reizen, bedoeld in artikel 25 volledig
                            vergoed.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 28 Buitenlandse dienstreis</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de gedeputeerde in het provinciaal belang een reis buiten
                                Nederland maakt worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reis- en verblijfkosten vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor een reis in het provinciaal belang buiten Nederland, niet
                                zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming
                                van gedeputeerde staten vereist. Provinciale staten kunnen aan deze
                                toestemming voorwaarden verbinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 29 Cursus, congres, seminar of symposium</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De kosten van deelname van een gedeputeerde aan cursussen,
                                congressen, seminars en symposia die in het provinciaal belang door
                                of namens de provincie worden aangeboden of verzorgd komen voor
                                rekening van de provincie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De gedeputeerde die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar
                                of symposium dat niet door of namens de provincie wordt aangeboden
                                of verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de provincie
                                als deelname van belang is in verband met de uitoefening van het
                                ambt van gedeputeerde.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 30 Computer en internetverbinding</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op aanvraag worden de gedeputeerde ten laste van de provincie voor
                                de uitoefening van het ambt een computer, bijbehorende apparatuur en
                                software in bruikleen ter beschikking gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien geen computer, bijbehorende apparatuur en software ten laste
                                van de provincie ter beschikking is gesteld, verlenen gedeputeerde
                                staten de gedeputeerde op aanvraag voor de uitoefening van het ambt
                                een tegemoetkoming voor de aanschaf of het gebruik van een eigen
                                computer, bijbehorende apparatuur en software. De tegemoetkoming
                                bedraagt 30% van de aanschafwaarde daarvan voor een periode van
                                maximaal drie jaar. Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan van de
                                aanschafwaarde van de computer, bijbehorende apparatuur en software
                                welke aan de gedeputeerden ten laste van de provincie in bruikleen
                                ter beschikking worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op aanvraag ontvangt de gedeputeerde een vast bedrag ter vergoeding
                                van de aanleg- en abonnementskosten voor de internetverbinding voor
                                de in het eerste of tweede lid genoemde computerapparatuur.
                                Gedeputeerde staten stellen de hoogte van het in de eerste volzin
                                bedoelde bedrag van de vergoeding vast.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De gedeputeerde ondertekent voor de bruikleen een
                                bruikleenovereenkomst met de provincie. Gedeputeerde staten stellen
                                het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen ter uitvoering van dit artikel nadere
                                regels vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 31 Mobiele telefoon</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op aanvraag wordt de gedeputeerde voor de uitoefening van zijn
                                ambt, alsmede voor beperkt privé-gebruik een mobiele telefoon in
                                bruikleen ter beschikking gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De gedeputeerde ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met
                                de provincie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde staten stellen het model van de bruikleenovereenkomst
                                vast. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 32 Spaarloonregeling</vet></titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 33 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</vet></titel></kop><al>De gedeputeerde die bij benoeming nog niet over woonruimte in de
                            provincie beschikt heeft ten laste van de provincie aanspraak op
                            vergoeding van:</al><lijst><li nr="a."><al> reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1
                                    van de ministeriële regeling als bedoeld in artikel 18, tweede
                                    lid, van het Rechtspositiebesluit gedeputeerden;</al></li><li nr="b."><al> verhuiskosten in verband met de benoeming als gedeputeerde
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de ministeriële
                                    regeling als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van het
                                    Rechtspositiebesluit gedeputeerden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 33a Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel</titel></kop><al>Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
                            onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen:</al><lijst><li nr="a."><al> de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 23;</al></li><li nr="b."><al> de vergoedingen en verstrekkingen, bedoeld in de artikelen 24,
                                    25, 27 en 28, voorzover deze niet worden gerekend tot een
                                    vergoeding of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede
                                    lid, onderdelen a en b, van de Wet op de loonbelasting
                                    1964;</al></li><li nr="c."><al> de verstrekkingen, bedoeld in artikel 30, eerste lid, en
                                    artikel 31, eerste lid;</al></li><li nr="d."><al> de vergoeding, bedoeld in artikel 30, derde lid. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 34 Bestuursaansprakelijkheid</vet></titel></kop><al>De gedeputeerde die als gevolg van de rechtmatige uitoefening van
                            werkzaamheden die direct voortvloeien uit het ambt als gedeputeerde
                            aansprakelijk wordt gesteld voor schade, kan aanspraak maken op
                            ondersteuning bij gerechtelijke procedures. Bedoelde ondersteuning vindt
                            plaats door of op kosten van de provincie. De aanspraak bestaat niet als
                            er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><vet>Hoofdstuk IV Voorzieningen voor commissieleden</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 35 Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het lid van een commissie ontvangt voor het bijwonen van de
                                vergaderingen van een commissie en haar subcommissies een vergoeding
                                die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 13 van het
                                Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, zoals dit bedrag
                                jaarlijks ingevolge artikel 13 voornoemd wordt herzien.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                                als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
                                als bedoeld in artikel 94 van de Provinciewet ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een commissie </al><lijst><li nr="a."><al> als statenlid of gedeputeerde;</al></li><li nr="b."><al> uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                        ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een
                                        functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege
                                        wordt gesubsidieerd;</al></li><li nr="c."><al> als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                        organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de
                                        commissie tevens in belangrijke mate het provinciaal belang
                                        dient.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor leden van commissies als bedoeld in artikel 14 van het
                                Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden gelden de volgende
                                vergoedingen voor het bijwonen van de vergaderingen van de
                                commissie: </al><lijst><li nr=""><al>a. de leden van de Commissie voor beleidsevaluatie: 200% van
                                        het in het eerste lid bedoelde bedrag van de
                                        vergoeding.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Aan de voorzitters en leden van de verschillende provinciale
                                commissies, ingesteld in het kader van de uitvoering van de Wet
                                inrichting landelijk gebied, kunnen afwijkende eventueel vaste
                                vergoedingen worden toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 35-A Computer en internetverbinding</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op aanvraag stellen gedeputeerde staten het commissielid ten laste
                                van de provincie voor de uitoefening van de werkzaamheden als
                                commissielid een computer, bijbehorende apparatuur en software in
                                bruikleen ter beschikking.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor zover er sprake is van een belastingheffing in verband met een
                                ten laste van de provincie ter beschikking gestelde computer,
                                bijbehorende apparatuur en software als bedoeld in het eerste lid,
                                verlenen gedeputeerde staten een commissielid op aanvraag per jaar
                                een tegemoetkoming van 30% van de aanschafwaarde daarvan voor een
                                periode van maximaal drie jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien geen computer, bijbehorende apparatuur en software ten laste
                                van de provincie ter beschikking is gesteld, verlenen gedeputeerde
                                staten een commissielid op aanvraag voor de uitoefening van het ambt
                                een tegemoetkoming voor de aanschaf of het gebruik van een eigen
                                computer, bijbehorende apparatuur en software. De tegemoetkoming
                                bedraagt 30% van de aanschafwaarde daarvan voor een periode van
                                maximaal drie jaar. Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan van de
                                aanschafwaarde van de computer, bijbehorende apparatuur en software
                                welke aan een commissielid ten laste van de provincie in bruikleen
                                ter beschikking worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op aanvraag ontvangt het commissielid een vast bedrag ter
                                vergoeding van de aanleg- en abonnementskosten voor de
                                internetverbinding voor de in het eerste of derde lid genoemde
                                computerapparatuur. Gedeputeerde staten stellen de hoogte van het in
                                de eerste volzin bedoelde bedrag van de vergoeding vast.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het commissielid ondertekent voor de bruikleen een
                                bruikleenovereenkomst met de provincie. Gedeputeerde staten stellen
                                het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen ter uitvoering van dit artikel nadere
                                regels vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 36 Reis- en verblijfkosten</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan het lid van een commissie dat geen statenlid of gedeputeerde is
                                en niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot lid van de commissie
                                is benoemd worden de reiskosten voor het bijwonen van de
                                vergaderingen van de commissie vergoed. De vergoeding betreft: </al><lijst><li nr="a."><al> bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al> bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig de bedragen in de artikelen 2 en 4 van de
                                        Reisregeling binnenland.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het in het eerste lid bedoelde lid van de commissie worden vergoed
                                de gemaakte noodzakelijke verblijfkosten voor het bijwonen van de
                                vergaderingen van de commissie tot ten hoogste de bedragen,
                                vastgesteld bij of krachtens het Reisbesluit binnenland.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op verzoek kan het in het eerste lid bedoelde lid van de commissie
                                tijdens zijn zakelijk verblijf op het provinciehuis maaltijden en
                                consumpties vanwege de provincie worden verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 37 Buitenlandse excursie of reis</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Provinciale staten kunnen een commissie uit provinciale staten
                                toestemming verlenen voor een excursie of reis naar het buitenland.
                                Provinciale staten kunnen aan de toestemming voorwaarden
                                verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of
                                vanwege de provincie georganiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                rekening van de provincie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 37-A Bestuursaansprakelijkheid</vet></titel></kop><al>Het commissielid dat als gevolg van de rechtmatige uitoefening van
                            werkzaamheden die direct voortvloeien uit het lidmaatschap van de
                            commissie aansprakelijk wordt gesteld voor schade, kan aanspraak maken
                            op ondersteuning bij gerechtelijke procedures. Bedoelde ondersteuning
                            vindt plaats door of op kosten van de provincie. De aanspraak bestaat
                            niet als er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><vet>Hoofdstuk V De procedure van declaratie</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 38 Betaling van kosten</vet></titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door</al><lijst><li nr="a."><al> betaling uit eigen middelen; of</al></li><li nr="b."><al> rechtstreekse toezending van de factuur aan de provincie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 39 Declaratie van vooruit betaalde kosten</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 5, 6, 25,
                                27, 28, 33 en 36 wordt gebruik gemaakt van een declaratieformulier,
                                waarvan het model door gedeputeerde staten is vastgesteld, indien
                                deze kosten uit eigen middelen vooruit zijn betaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend. Het
                                statenlid, onderscheidenlijk de gedeputeerde dient het
                                declaratieformulier vóór 31 maart van het jaar volgend op het
                                kalenderjaar waarop de declaratie betrekking heeft bij de griffier,
                                onderscheidenlijk de provinciesecretaris of een door hem aangewezen
                                ambtenaar in, onder bijvoeging van de originele bewijsstukken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 40 Rechtstreekse facturering bij de provincie</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 7, 25, 27, 28, 29
                                en 33 kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de door het
                                statenlid, onderscheidenlijk de gedeputeerde voor akkoord
                                ondertekende factuur aan de provincie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                                begeleidingsformulier, waarvan het model door gedeputeerde staten is
                                vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het statenlid, onderscheidenlijk de gedeputeerde dient het
                                begeleidingsformulier en de factuur binnen 3 maanden na de maand
                                waarop de declartie betrekking heeft in bij de griffier,
                                onderscheidenlijk de provinciesecretaris of de door hem aangewezen
                                ambtenaar.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><vet>Hoofdstuk Vl Citeertitel en inwerkingtreding</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 41 Citeertitel</vet></titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening rechtspositie
                            gedeputeerden, staten- en commissieleden.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 42 Inwerkingtreding</vet></titel></kop><al>De verordening treedt in werking op 1 januari 2007.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>’s-Hertogenbosch, 15 december 2006</ondertekening><ondertekening>Provinciale Staten voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de voorzitter J.R.H. Maij-Weggen</ondertekening><ondertekening>de griffier mw. drs. E.M.W.J. Wöltgens</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>TOELICHTING</vet></al><al><vet>ALGEMEEN</vet></al><al><vet>Wettelijke regelingen</vet></al><al>De regeling van de rechtspositie van gedeputeerden, statenleden en leden van
                    provinciale commissies vindt op drie niveaus plaats, te weten bij wet, AMvB en
                    provinciale verordening. Wettelijk is voor gedeputeerden in de Algemene
                    pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) de uitkering na aftreden en het
                    pensioen geregeld. Wettelijk zal voor statenleden binnenkort de tijdelijke
                    vervanging bij zwangerschap en bevalling of ziekte zijn geregeld. In de
                    Provinciewet is aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van
                    gedeputeerden, staten- en commissieleden moet worden geregeld bij AMvB. Daartoe
                    zijn totstandgekomen het Rechtspositiebesluit gedeputeerden en het
                    Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden. Daarin zijn alle voor de
                    rechtspositie van belang zijnde onderwerpen geregeld. Een aantal voorzieningen,
                    zoals de hoogte van de bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen,
                    zijn in beide rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingende
                    bepalingen. Voor secundaire voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een regeling voor
                    de kinderopvang en de uitkering bij aftreden als statenlid, geldt dat de
                    provincie de vrijheid heeft om deze voorzieningen te treffen.</al><al><vet>Hoofdlijnen provinciale verordening</vet></al><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                    gedeputeerden, statenleden en leden van provinciale commissies. De grondslag
                    hiervoor is te vinden in de Provinciewet en genoemde rechtspositiebesluiten.
                    Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend genieten de
                    gedeputeerden als zodanig geen inkomsten, in welke vorm dan ook, ten laste van
                    de provincie (artikel 43 van de Provinciewet). Een soortgelijke bepaling is in
                    artikel 96 van de Provinciewet opgenomen voor staten- en commissieleden. Het
                    tweede lid van die bepaling voegt daaraan toe dat bij provinciale verordening
                    aan staten- en commissieleden voordelen, anders dan in de vorm van vergoedingen
                    en tegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor is wel de goedkeuring van
                    de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) vereist.</al><al>De verordening bevat bepalingen inzake:</al><lijst><li nr=""><al>de beloning voor de werkzaamheden van staten- en commissieleden
                            (artikelen 2, 2a en 35), waarbij is op te merken dat voor gedeputeerden
                            niets is opgenomen omdat hun bezoldiging uitputtend is geregeld in het
                            Rechtspositiebesluit gedeputeerden;</al></li><li nr=""><al>een vaste algemene onkostenvergoeding voor gedeputeerden en statenleden
                            (artikelen 3 en 23);</al></li><li nr=""><al>reis- en verblijfkosten van gedeputeerden, staten- en commissieleden,
                            waarbij voor gedeputeerden een onderscheid is gemaakt tussen
                            woonwerkverkeer en zakelijke reizen (artikelen 5, 6, 24 t/m 28, 36 en
                            37);</al></li><li nr=""><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten van de bij benoeming
                            verhuisplichtige gedeputeerde (artikel 33)</al></li><li nr=""><al>beschikbaarstelling van computer- en communicatieapparatuur aan
                            gedeputeerden en statenleden (artikelen 8, 30 en 31) en faciliteiten in
                            de vorm van deelname van gedeputeerden en statenleden aan cursussen,
                            congressen e.d. (artikelen 7 en 29);</al></li><li nr=""><al>een aantal secundaire voorzieningen voor statenleden, zoals een
                            uitkering bij aftreden en overlijden (artikelen 15 t/m 22) en voor zowel
                            gedeputeerden als statenleden zoals de spaarloonregeling (artikelen 10
                            en 32);</al></li><li nr=""><al>de procedure van declareren (artikelen 38 t/m 40).</al></li></lijst><al><vet>De arbeidsverhouding van de gedeputeerde en het statenlid</vet></al><al>Statenleden zijn niet in dienstbetrekking bij de provincie. De provincie is dus
                    niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij niet vallen onder de
                    werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA. Statenleden
                    worden ook niet aangemerkt als werknemer in de zin van de Zorgverzekeringswet en
                    hebben derhalve op grond van die wet geen recht op vergoeding door de provincie
                    van de over de statenvergoeding verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in
                    de kosten van de basisverzekering. Eigen voorzieningen zijn er op die onderdelen
                    getroffen in het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden en in
                    onderhavige verordening. Omdat er geen dienstbetrekking met de provincie is
                    vallen statenleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun
                    inkomsten getoetst aan de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kan een statenlid
                    opteren voor de loonbelasting door te kiezen voor het fictief werknemerschap
                    (zie hieronder).</al><al>Gedeputeerden zijn sinds de dualisering van het provinciebestuur ingevolge de
                    Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in openbare dienst aangesteld en vallen
                    onder de werking van die wet. De aanstelling in openbare dienst houdt voor de
                    toepassing van de fiscale wetgeving in dat sprake is van een arbeidsverhouding
                    die als dienstbetrekking wordt aangemerkt. Dit betekent dat gedeputeerden direct
                    onder de werking van de Wet op de loonbelasting vallen. Er is sinds de
                    dualisering van het provinciebestuur derhalve geen mogelijkheid meer om wel of
                    niet voor de loonbelasting te opteren. Gedeputeerden vallen niet onder de
                    werking van de Ziektewet, Werkloosheidswet en WIA. Evenmin geldt voor hen de
                    pensioenvoorziening bij het ABP. Wachtgeld na afreden en ouderdoms- en
                    nabestaandenpensioen zijn voor gedeputeerden geregeld in de Algemene pensioenwet
                    politieke ambtsdragers. Gedeputeerden zijn werknemers in de zin van de
                    Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet recht op vergoeding
                    door de provincie van de over hun bezoldiging verschuldigde inkomensafhankelijke
                    bijdrage in de kosten van de basisverzekering.</al><al><vet>De loon- en inkomstenbelasting</vet></al><al>Opting in regeling</al><al>Statenleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het statenlid kan met de
                    provincie overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de “opting in
                    regeling” genoemd. De administratie van de provincie is zodanig ingericht dat
                    wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een gezamenlijke
                    verklaring melden de provincie en het statenlid aan de Belastingdienst dat wordt
                    geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt gekozen voor het
                    loonbelastingsysteem dan draagt de provincie de ingehouden loonheffing af aan de
                    Belastingdienst. De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het statenlid
                    hoeft in dat geval geen administratie bij te houden. Kosten die worden gemaakt
                    kunnen niet worden afgetrokken. Wel kan de provincie onder voorwaarden bepaalde
                    vergoedingen onbelast verstrekken en bepaalde faciliteiten onbelast in bruikleen
                    beschikbaar stellen. Genoemd kunnen worden de vergoeding van reisen
                    verblijfkosten en de zakelijke deelname aan cursussen en congressen. Er zijn ook
                    vergoedingen die niet belastingvrij kunnen worden verstrekt. Deze vergoedingen
                    worden gebruteerd toegekend waardoor na inhouding van de loonheffing de netto
                    bedoelde vergoeding resteert.Ook kan betrokkene tegen een forfaitaire fiscale
                    bijtelling in verband met verondersteld privé-gebruik een OV-jaarkaart voor de
                    zakelijke reizen worden verstrekt of, eveneens tegen een fiscale bijtelling, in
                    verband met privé-gebruik, en kan hij deelnemen in de spaarloonregeling die er
                    voor het provinciaal personeel is.</al><al>Fiscale standaardpositie</al><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd dan geldt voor het statenlid dat
                    hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet.
                    In dat geval is het winstsysteem van toepassing. Betrokkene moet dan alle
                    ontvangsten verantwoorden als winst en kan de gemaakte kosten daarop in
                    mindering brengen. De verstrekking van een OV-jaarkaart behoort dan ook in
                    beginsel tot de te belasten voordelen. Zij kunnen niet deelnemen aan de
                    spaarloonregeling.</al><al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                    beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                    normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare
                    resultaat). De provincie dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op
                    grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden middels een opgave
                    IB47. Verstrekkingen (bijvoorbeeld een OV-jaarkaart) moeten naar de waarde in
                    het economische verkeer worden opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk gebruik
                    leidt dan tot aftrek. Ook voor de hoogte van de vaste kostenvergoeding maakt het
                    verschil uit of het statenlid wel of niet heeft geopteerd voor de loonbelasting
                    (zie daarvoor hieronder de toelichting op artikel 3). Zoals hierboven naar voren
                    is gekomen kan de keuze om al of niet te opteren voor de loonbelasting voor het
                    statenlid ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om voor de loonbelasting te
                    opteren kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt en geldt in beginsel voor
                    de (resterende) zittingsperiode. Wel kan betrokkene als spijtoptant terugkomen
                    op deze beslissing voor de resterende periode. Opteren voor de loonbelasting
                    hoeft niet bij aanvang van de zittingsperiode te gebeuren maar kan ook gedurende
                    de zittingsperiode voor de resterende periode.</al><al>De fiscale werkkostenregeling</al><al>Vanaf 1 januari 2011 geldt de fiscale werkkostenregeling. Op grond van die
                    regeling is er voor door de werkgever aan te wijzen vergoedingen en
                    verstrekkingen een forfaitaire vrijstelling van 1,4% van de fiscale loonsom
                    (artikel 31a van de Wet op de loonbelasting 1964). Dit forfait wordt aangevuld
                    met nog slechts een beperkt aantal gerichte vrijstellingen voor zakelijke
                    kosten. Over het meerdere – boven het algemene forfait en voor zover niet onder
                    een gerichte vrijstelling vallend – vindt een eindheffing van 80% ten laste van
                    de werkgever plaats. Voor zover de forfaitaire ruimte niet volledig is benut
                    hoeft de provincie geen loonbelasting af te dragen. De nieuwe opzet maakt het
                    tevens overbodig (de waarde van) als eindheffingsbestanddeel aangewezen
                    verstrekkingen toe te rekenen aan de individuele werknemer. De
                    werkkostenregeling heeft betekenis voor gedeputeerden en voor statenleden die
                    hebben geopteerd voor de loonbelasting. Zij zijn immers werknemers in de zin van
                    de Wet op de loonbelasting 1964. De volgende vergoedingen en verstrekkingen van
                    gedeputeerden en statenleden (voor zover zij hebben geopteerd voor de
                    loonbelasting) zijn aangewezen als een vergoeding c.q. verstrekking die in de
                    forfaitaire ruimte valt:</al><lijst><li nr=""><al>a. de in de artikelen 3 en 23 geregelde vaste onkostenvergoeding van
                            gedeputeerden en statenleden;</al></li><li nr=""><al>b. de in de artikelen 8 en 30 geregelde verstrekking in bruikleen van
                            computerapparatuur c.a. en de vergoeding van aanleg- en
                            abonnementskosten voor de internetverbinding van gedeputeerden</al></li><li nr=""><al>en statenleden;</al></li><li nr=""><al>c. de in artikel 31 geregelde verstrekking in bruikleen van een mobiele
                            telefoon aan gedeputeerden;</al></li><li nr=""><al>d. de voor gedeputeerden in de artikelen 24, 25, 27 en 28 geregelde
                            vergoeding van kosten voor woon/werkverkeer, de vergoeding/verstrekking
                            van de ov-jaarkaart en de vergoeding van</al></li><li nr=""><al>reis- en verblijfkosten voor dienstreizen. De aanwijzing van deze
                            vergoedingen en verstrekkingen is geregeld in de artikelen 13a en
                            33a</al></li></lijst><al><vet>De vergoedingssystematiek</vet></al><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het eigen
                    inkomen hoeven aan te spreken Een adequate vergoedingssystematiek is daarom van
                    belang. Waar er functionele uitgaven zijn verdient het aanbeveling terughoudend
                    te zijn met een financieringswijze waarin de bestuurder deze uit eigen middelen
                    vooruit betaalt en de provincie ze terugbetaalt. Eigen middelen en publieke
                    middelen moeten zoveel mogelijk gescheiden worden gehouden. Vanuit die
                    overweging heeft het de voorkeur de kosten direct in rekening te brengen bij de
                    provincie. Aan de mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal echter
                    behoefte blijven bestaan. </al><al>Concreet betekent deze vergoedingssystematiek het volgende.</al><al>Voorzieningen die zijn ondergebracht in de bedrijfsvoering</al><lijst><li nr=""><al>bruikleen van computer- en communicatieapparatuur;</al></li><li nr=""><al>zakelijk gebruik van dienstauto’s;</al></li><li nr=""><al>deelname aan cursussen en congressen e.d.</al></li></lijst><al>De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden voorgeschoten door de gedeputeerde
                    of het statenlid maar worden direct door de provincie voldaan en de
                    voorzieningen worden om niet in bruikleen gegeven. Zij vallen derhalve buiten de
                    vergoedingssfeer.</al><al>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten maar onbelast kunnen worden
                    vergoed</al><al>Voor een aantal zakelijke uitgaven, zoals reis- en verblijfkosten, blijft het
                    systeem overeind dat de gedane zakelijke uitgaven de gedeputeerde of het
                    statenlid op basis van declaratie worden vergoed. Deze kunnen, als is voldaan
                    aan de gestelde voorwaarden, onbelast worden vergoed.</al><al>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten en niet onbelast kunnen
                    worden vergoed</al><al>Voor een aantal andere beroepskosten wordt een vaste (bruto) kostenvergoeding
                    verstrekt. In de toelichting op de artikelen 3 en 23 is aangegeven om welke
                    beroepskosten het gaat.</al><al>Voor statenleden die niet voor de loonbelasting hebben geopteerd geldt dezelfde
                    systematiek maar zijn de fiscale gevolgen anders. Zij dienen alle vergoedingen
                    en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer als opbrengst te
                    verantwoorden. Omdat zij hun werkelijk gemaakte kosten fiscaal kunnen verrekenen
                    worden hun vergoedingen niet gebruteerd toegekend.</al><al><vet>Controle en verantwoording</vet></al><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is - net als voor de besteding van alle andere
                    publieke middelen - transparantie van groot belang. Daartoe dienen enerzijds
                    inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het vergoedingen- en
                    voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke verantwoording van het
                    daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen dat er onnodige
                    discussies plaatsvinden omtrent het gebruik van onkostenregelingen of
                    voorzieningen door provinciebestuurders en over de eventueel verschuldigde
                    belasting. Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen
                    uitoefenen zonder te worden gehinderd door onzekerheden omtrent de financiering
                    van de functionele uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende
                    financiële en administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen kan
                    bestaan omtrent de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven.</al><al>In hoofdstuk V is in verband hiermee, in aanvulling op de in de beheers- en
                    controleverordening vastgestelde regels, een aantal belangrijke procedures
                    vastgelegd over rechtstreekse facturering van functionele uitgaven, declaratie
                    van vooruit betaalde kosten en het gebruik van creditcards. Daarnaast zijn er in
                    de bruikleenovereenkomsten heldere afspraken vastgelegd over het gebruik van
                    computer- en communicatieapparatuur die beschikbaar wordt gesteld voor de
                    uitoefening van de politieke functie. In aanvulling hierop is een gedragscode
                    ontwikkeld waarin nadere gedragsregels zijn vastgelegd. Daarbij gaat het onder
                    meer om afspraken omtrent de bestuurlijke uitgaven die in aanmerking komen voor
                    bespreking en zonodig besluitvorming in het college van gedeputeerde staten. In
                    die gedragscode is ook het beleid rond buitenlandse reizen en de bekostiging van
                    zakendiners met derden opgenomen. Verder zijn er aanvullende administratieve
                    procedures beschreven over de afwikkeling van declaraties en facturen en de
                    daarbij te hanteren verdeling van verantwoordelijkheden en hoe bijvoorbeeld om
                    te gaan met interpretatie- of meningsverschillen.</al><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><tussenkop><vet>Artikel 2 vergoeding voor de werkzaamheden van het statenlid</vet></tussenkop><al>In het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden is geregeld dat
                    statenleden voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte van de
                    vergoeding wordt bij provinciale verordening bepaald. Wel is in het
                    Rechtspositiebesluit het maximale bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden
                    aangegeven. In artikel 2 is de hoogte van de vergoeding bepaald op het maximale
                    bedrag. Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden is geïndexeerd. Het
                    wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen
                    overheid. Hiervoor is in de provincie geen nadere besluitvorming nodig omdat het
                    bedrag van de vergoeding is gekoppeld aan het maximumbedrag dat de minister van
                    BZK jaarlijks bijstelt.</al><tussenkop><vet>Artikel 2a Toelagen</vet></tussenkop><al>In het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden is geregeld dat aan
                    fractievoorzitters in provinciale staten een extra toelage wordt toegekend. De
                    regeling sluit aan bij die voor fractievoorzitters in de Eerste Kamer. De
                    toelage houdt verband met de extra tijdsinspanningen van fractievoorzitters. De
                    hoogte is afhankelijk van de omvang van de fractie. De voorziening in het
                    Rechtspositiebesluit is voor de volledigheid en transparantie opgenomen in
                    artikel 2a, eerste en tweede lid.</al><al>Artikel 2a, derde en vierde lid, voorziet in een toelage voor statenleden die
                    werkzaamheden verrichten voor ‘zware’ statencommissies. Het betreffen
                    activiteiten die vallen buiten de reguliere werkzaamheden als statenlid. Deze
                    extra activiteiten voor een beperkt deel van de statenleden hebben vaak een
                    incidenteel karakter met een aanzienlijk tijdsbeslag. De hoogte van de toelage
                    is bepaald op het maximum- bedrag dat daarvoor is vastgelegd in het
                    Rechtspositiebesluit (5% van de vergoeding voor de werkzaamheden). Reguliere
                    commissies die zijn ingesteld ter voorbereiding van de besluitvorming in
                    provinciale staten op grond van artikel 80 van de Provincie- wet, vormen geen
                    grond om deze toelage toe te kennen.</al><tussenkop><vet>Artikelen 3 en 23 vaste onkostenvergoeding</vet></tussenkop><al>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het ambt van gedeputeerde c.q.
                    aan het statenlidmaatschap verbonden kosten. De vergoeding is opgebouwd op basis
                    van de volgende kostencomponenten:</al><lijst><li nr=""><al>representatie</al></li><li nr=""><al>vakliteratuur</al></li><li nr=""><al>contributies, lidmaatschappen</al></li><li nr=""><al>telefoonkosten</al></li><li nr=""><al>bureaukosten, porti</al></li><li nr=""><al>zakelijke giften</al></li><li nr=""><al>bijdrage aan fractiekosten</al></li><li nr=""><al>ontvangsten thuis</al></li><li nr=""><al>excursies.</al></li></lijst><al>Sedert 1 januari 2001 zitten daarin niet langer de kostensoorten fax/pc en
                    cursussen en congressen. Daarvoor zijn vanaf dat tijdstip specifieke
                    voorzieningen getroffen (zie de artikelen 7, 8, 29 en 30). De onkostenvergoeding
                    is in verband hiermee vanaf die datum neerwaarts bijgesteld. De vaste
                    onkostenvergoeding van gedeputeerden en van statenleden die hebben geopteerd
                    voor de loonbelasting is, zoals hierboven al aangegeven, aangewezen als een
                    vergoeding die in de forfaitaire ruimte valt. Dit betekent dat gedeputeerden en
                    betrokken statenleden over de onkostenvergoeding geen belasting verschuldigd
                    zijn. De vaste onkostenvergoeding is voor statenleden die wel en die niet voor
                    de loonbelasting hebben geopteerd, gelijk. Voor het statenlid dat niet voor de
                    loonbelasting heeft geopteerd bestaan de aftrekmogelijkheden van de werkelijk
                    gemaakte kosten op het resultaat uit onderneming. Het statenlid dat wel heeft
                    geopteerd ontvangt de vaste onkostenvergoeding netto.</al><al>De hoogte van de kostenvergoeding wordt bij provinciale verordening bepaald. Wel
                    is in de rechtspositiebesluiten voor gedeputeerden en statenleden het maximale
                    bedrag van de kostenvergoeding aangegeven. In de artikelen 3 en 23 is de hoogte
                    van de kostenvergoeding bepaald op het maximale bedrag. Het bedrag van de
                    kostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan
                    de hand van de consumentenprijsindex. Hiervoor is in de provincie geen nadere
                    besluitvorming nodig omdat het bedrag van de kostenvergoeding is gekoppeld aan
                    het maximumbedrag dat de minister van BZK jaarlijks bijstelt.</al><al>In de vaste kostenvergoeding zit ook een component telefoonkosten. Indien de
                    provincie voor zakelijk gebruik een mobiele telefoon aan een gedeputeerde
                    beschikbaar stelt moet er een korting worden toegepast op die vaste
                    kostenvergoeding om te voorkomen dat voor dezelfde zakelijke telefoonkosten
                    zowel in natura (mobiele telefoon in bruikleen) als in geld (via de vaste
                    kostenvergoeding) een voorziening ten laste van de provincie is getroffen. Dat
                    is geregeld in artikel 23, tweede lid. Voor alle gedeputeerden aan wie de
                    provincie een mobiele telefoon beschikbaar heeft gesteld geldt dezelfde
                    korting.</al><tussenkop><vet>Artikel 5 reiskosten statenleden</vet></tussenkop><al>In dit artikel is het recht op vergoeding van reiskosten voor statenleden
                    geregeld. De grondslag hiervoor is te vinden in de Provinciewet. Vergoed kunnen
                    worden de kosten van openbaar vervoer of bij gebruik van eigen vervoermiddelen
                    een kilometervergoeding zoals die voor het rijkspersoneel geldt (in 2006: € 0,28
                    bij gebruik van de eigen auto). De vergoeding van de reiskosten met het openbaar
                    vervoer is onbelast. De kilometervergoeding is voor € 0,19 onbelast, ongeacht
                    het gebruikte vervoermiddel. Kilometervergoedingen die hoger zijn dan € 0,19
                    zijn voor dat hogere deel belast.</al><al>Voor statenleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten
                    worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als
                    aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd.</al><tussenkop><vet>Artikel 6 Verblijfkosten statenleden</vet></tussenkop><al>Dit artikel regelt de vergoeding van verblijfkosten. De grondslag hiervoor is te
                    vinden in de Provinciewet. De vergoeding kan worden toegekend als het statenlid
                    een staten- of commissievergadering bijwoont maar ook ingeval van dienstreizen.
                    Daarvoor gelden dezelfde maxima als voor het rijkspersoneel. Ook is het mogelijk
                    maaltijden en consumpties bij zakelijk verblijf op het provinciehuis te
                    verstrekken.</al><al>Een vergoeding of verstrekking van maximaal 80 maaltijden per kalenderjaar is
                    onbelast als de vergoeding of verstrekking een meer dan bijkomstig zakelijk
                    karakter heeft. Daarvan is niet zonder meer sprake bij deelname aan staten- en
                    commissievergaderingen, maar wel bij tot in de avond doorlopende vergaderingen
                    waardoor men niet op de gewone tijd kan eten, alsmede tijdens dienstreizen. Voor
                    zover het aantal maaltijden per kalenderjaar meer dan 80 is (vergoedingen en
                    verstrekkingen samen), moet een normbedrag bij het loon worden geteld. Als de
                    vergoeding of verstrekking gedeeltelijk tot het loon moet worden gerekend kan
                    eindheffing plaatsvinden op basis van het tabeltarief. Als het zakelijk karakter
                    van niet meer dan bijkomstig belang is moet de vergoeding of de waarde in het
                    economisch verkeer van de verstrekking tot het loon worden gerekend. Bij
                    verstrekkingen in de vorm van maaltijden in bedrijfskantines met een
                    privé-karakter wordt de waarde van een kantinemaaltijd vastgesteld op een
                    forfaitair bedrag. Als de maaltijd in de bedrijfskantine een meer dan bijkomstig
                    zakelijk karakter heeft geldt de hoofdregel. De vergoeding of verstrekking van
                    maximaal 80 maaltijden per kalenderjaar is dan onbelast.</al><al>Voor statenleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd.</al><tussenkop><vet>Artikelen 7 en 29 Cursus, congres, seminar of symposium</vet></tussenkop><al>Zoals hierboven al aangegeven is deze voorziening in de bedrijfsvoering gebracht
                    en komen de kosten rechtstreeks voor rekening van de provincie. Zij zijn in
                    verband hiermee uit de vaste kostenvergoeding gehaald. Een onderscheid is
                    gemaakt tussen cursussen, congressen e.d. die door of vanwege de provincie in
                    het provinciaal belang zijn georganiseerd en cursussen, congressen e.d. waaraan
                    het individuele statenlid in verband met de vervulling van het
                    statenlidmaatschap op eigen initiatief deelneemt. In het laatste geval zijn er
                    aanvullende voorwaarden gesteld (inhoudelijke informatie over de cursus of het
                    congres en een kostenspecificatie). Hierbij kan de fractievoorzitter een rol
                    spelen. In het aanvraagformulier is een vraag opgenomen of de fractievoorzitter
                    de aanvraag ondersteunt.</al><al>De in deze artikelen bedoelde cursussen en congressen hebben een zakelijk
                    karakter en zijn aan te merken als beroepskosten waarvan de vergoeding c.q.
                    verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld. Voor statenleden die niet hebben
                    geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar
                    de waarde in het economische verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als
                    opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende
                    randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><tussenkop><vet>Artikelen 8, 30 en 35-A Computer en internetverbinding</vet></tussenkop><al>Voor de uitoefening van het statenlidmaatschap en het ambt van gedeputeerde
                    wordt op aanvraag om niet een computer met bijbehorende apparatuur en software
                    in bruikleen beschikbaar gesteld. Bijbehorende apparatuur is apparatuur die is
                    bestemd om aan de computer te worden gekoppeld om informatie uit te wisselen.
                    Voorbeelden hiervan zijn een modem, een printer, een fax en een digitale
                    fotocamera. De nadere voorwaarden zijn geregeld in de bruikleenovereenkomst die
                    het statenlid en de gedeputeerde met de provincie sluit. Het model van die
                    overeenkomst is door gedeputeerde staten vastgesteld. De grondslag voor deze
                    faciliteit is te vinden in de rechtspositiebesluiten voor gedeputeerden en
                    staten- en commissieleden. Zoals hierboven al aangegeven is deze voorziening in
                    de bedrijfsvoering gebracht en komen de kosten rechtstreeks voor rekening van de
                    provincie. Zij zijn in verband hiermee uit de vaste kostenvergoeding
                    gehaald.</al><al>Voor gedeputeerden en voor statenleden die voor de loonbelasting hebben
                    geopteerd zijn de verstrekking in bruikleen van computerapparatuur c.a. en de
                    vergoeding van aanleg- en abonnementskosten voor de internetverbinding
                    aangewezen als een vergoeding c.q. verstrekking die in de forfaitaire ruimte
                    valt. Mocht de computer overigens voor 90% of meer zakelijk worden gebruikt, dan
                    mag de computer op nihil worden gewaardeerd zodat deze geen beslag legt op de
                    forfaitaire ruimte van 1,4%. Dat geldt uitsluitend voor een (draagbare) computer
                    die ook op de werkplek wordt gebruikt. Als er bijvoorbeeld sprake is van een
                    zogenoemde desktopcomputer die bij het statenlid thuis staat is de
                    nihilwaardering niet van toepassing. Een thuiswerkplek is namelijk geen fiscale
                    werkplek.</al><al>De aanleg- en abonnementskosten van de internetvoorziening komen ten laste van
                    de provincie. Gedeputeerde staten stellen hiervoor een voor ieder gelijk vast
                    bedrag vast. Hier is er eveneens van uitgegaan dat de internetverbinding niet
                    geheel of nagenoeg geheel voor zakelijk gebruik is. De verstrekte vergoeding is
                    dan ook belast.</al><al>Voor statenleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economisch verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd.</al><al>Gezien de grote variëteit aan mogelijkheden, de snelle ontwikkelingen op
                    ICTgebied en de verschillende behoeften in provincies zijn er niet allerlei
                    aanvullende regelingen op detailniveau opgenomen, maar is in het zesde lid aan
                    gedeputeerde staten de bevoegdheid gegeven om nadere (huishoudelijke) regels
                    vast te stellen om maatwerk te leveren op het niveau van de individuele
                    provincie. Daarbij kan worden gedacht aan het regelen van de frequentie van het
                    beroep dat op de voorziening kan worden gedaan (bijv. maximering van de
                    vergoeding van aanschaf/gebruik van de PC tot 3 jaar per zittingsperiode), of
                    aan regeling van het moment waarop moet worden gekozen uit de soorten
                    voorzieningen (bruikleen of vergoeding bij aanschaf c.q. gebruik van de eigen
                    PC), bijv. eenmaal bij aanvang van de statenperiode.</al><tussenkop><vet>Artikel 11 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                        arbeidsongeschiktheid</vet></tussenkop><al>In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr. 21) is aangegeven
                    dat provinciale staten en gemeenteraden een brede afspiegeling van de bevolking
                    dienen te vormen. Om deze reden moeten drempels om statenlid of raadslid te
                    worden of te blijven, worden weggenomen. In WAO en WIA geldt het algemene
                    principe dat indien een persoon inkomen uit arbeid geniet, dit in de regel zal
                    leiden tot verlaging of intrekking van de wettelijke
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit omdat een dergelijke uitkering is bedoeld
                    om het als gevolg van arbeidsongeschiktheid ontstane verlies aan verdienvermogen
                    te vergoeden. Voor staten- en raadsleden kan dit ertoe leiden dat een geringe
                    verhoging van het inkomen door een staten- of raadsvergoeding een grote
                    teruggang betekent voor de hoogte van de wettelijke
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de anticumulatieregeling. Dit kan
                    zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding van een raads- of statenzetel of bij
                    verhoging van de vergoeding voor de werkzaamheden. Op grond van het
                    Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden kunnen provincies hiervoor een
                    voorziening treffen. Die is te vinden in artikel 11 van de verordening. Daarin
                    is geregeld dat op aanvraag een statenlid een lagere vergoeding voor de
                    werkzaamheden wordt gegeven om te voorkomen dat de anticumulatieregeling zal
                    leiden tot een verlaging van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering van
                    het statenlid.</al><tussenkop><vet>Artikel 12 Compensatie korting werkloosheidsuitkering</vet></tussenkop><al>Artikel 20 van de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op het moment dat
                    iemand een werkloosheidsuitkering op grond van die wet ontvangt, nieuwe
                    werkzaamheden aanvangt, de WW- uitkering wordt gekort met het aantal uren dat in
                    de nieuwe functie wordt gewerkt. Het Besluit werkloosheid onderwijs- en
                    onderzoekpersoneel kent een soortgelijke bepaling. De hoogte van het inkomen uit
                    de nieuwe betrekking is daarbij niet relevant. Indien derhalve iemand tot
                    statenlid wordt gekozen, zal de WW-uitkering worden verlaagd met het aantal uren
                    dat het UWV voor het staten- lidmaatschap in aanmerking neemt. Indien deze
                    verlaging van de WW-uitkering groter is dan de vergoeding voor de werkzaamheden
                    zal er een negatief inkomenseffect optreden. Het Rechtspositiebesluit staten- en
                    commissieleden biedt provincies de mogelijkheid dit nadeel te compenseren. Dat
                    is geregeld in artikel 12 van de verordening</al><tussenkop><vet>Artikel 13 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van provinciale
                        staten</vet></tussenkop><al>In artikel 75 van de Provinciewet is geregeld dat het voorzitterschap van
                    provinciale staten bij verhindering of ontstentenis van de commissaris van de
                    Koningin wordt waargenomen door het langstzittende statenlid. Provinciale staten
                    kunnen ook een ander statenlid met de waarneming van het voorzitterschap
                    belasten. In overeenstemming met het Rechtspositiebesluit staten- en
                    commissieleden is in artikel 13 van de verordening geregeld dat bij een
                    onafgebroken waarneming van meer dan 30 dagen het betreffende statenlid over de
                    tijd van waarneming recht heeft op een toeslag van 8% van de vergoeding voor de
                    werkzaamheden en van de in artikel 3 bedoelde vaste onkostenvergoeding.</al><tussenkop><vet>Artikel 14 Ziektekostenvoorziening</vet></tussenkop><al>Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties geeft ruimte voor
                    een dergelijke voorziening.</al><tussenkop><vet>Artikelen 15 t/m 21 Uitkering bij aftreden als statenlid</vet></tussenkop><al>De artikelen 15 t/m 21 bevatten een sobere uitkeringsregeling voor statenleden
                    na hun aftreden. Het betreft een in tijd begrensde overbruggingsregeling ingeval
                    van aantoonbare inkomstenderving. Gezien het specifieke karakter van het
                    politieke ambt van statenlid is de reden (en eventuele verwijtbaarheid) van hun
                    aftreden niet relevant voor het recht op een uitkering.</al><al>De regeling is bestemd voor statenleden zonder (ander) betaald werk of met werk
                    met beperkte inkomsten. In verband hiermee is er een strenge kortingsregeling
                    opgenomen die voorkomt dat in de praktijk na aftreden ook statenleden die
                    daarnaast al een volledige betaalde hoofdbetrekking vervullen en dus niet hoeven
                    te zoeken naar betaald werk, in aanmerking komen voor een uitkering.</al><al>Gekort worden alle inkomsten die uitgaan boven het wettelijk minimumloon,
                    inclusief vakantie-uitkering. Die bedraagt vanaf 1 januari 2006 op jaarbasis €
                    16.492,90. Als het gaat om nieuwe inkomsten of hogere inkomsten uit bestaande
                    activiteiten worden die steeds volledig gekort (ook al bedragen alle inkomsten
                    tezamen minder dan het wettelijk minimumloon).Inkomsten uit vermogen worden, net
                    als bij andere gewezen politieke ambtsdragers, niet gekort. De uitkering wordt
                    alleen op aanvraag verstrekt. Een statenlid kan dus afzien van het recht op een
                    uitkering als hij vindt dat voor een uitkering, gezien de omvang van eventuele
                    inkomsten uit vermogen, geen reële noodzaak bestaat.</al><al>De uitkeringsduur is, in overeenstemming met het Rechtspositiebesluit statenen
                    commissieleden, bepaald op ten hoogste 2 jaar. Voor deze maximale uitkeringsduur
                    komen diegenen in aanmerking die ten minste een volle zittingsperiode (van 4
                    jaar) statenlid zijn geweest. In verband hiermee is geregeld dat de
                    uitkeringsduur gelijk is aan de helft van de periode van het statenlidmaatschap.
                    Er geldt een periode van ten minste 6 maanden statenlidmaatschap als
                    referte-eis. Daarmee bedraagt de uitkeringsduur in de praktijk steeds ten minste
                    3 maanden.</al><al>In overeenstemming met het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden
                    bedraagt de uitkering in het eerste jaar 80% en daarna 70% van de vergoeding
                    voor de werkzaamheden. De uitkering is geïndexeerd: zij is gekoppeld aan de
                    ontwikkeling van de vergoeding voor de werkzaamheden die jaarlijks wordt
                    herzien.</al><tussenkop><vet>Artikel 22 Uitkering bij overlijden</vet></tussenkop><al>Bij overlijden van het statenlid bestaat er voor de nagelaten betrekkingen recht
                    op een overlijdensuitkering ter grootte van de vergoeding voor de werkzaamheden
                    welke het statenlid over de laatste drie maanden genoot. Deze voorziening sluit
                    aan bij die voor gedeputeerden.</al><tussenkop><vet>Artikelen 24, 25 en 27 Reiskosten woon/werk en zakelijke reiskosten</vet></tussenkop><al>Voor gedeputeerden is in artikel 24 een belastingvrije vergoeding voor het
                    woon-werkverkeer geregeld overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens het
                    Rechtspositiebesluit gedeputeerden. Ingevolge artikel 25 worden zakelijke
                    reiskosten, indien gemaakt met het openbaar vervoer of met een taxi, volledig
                    vergoed (mits in redelijkheid gemaakt) en indien gemaakt met de eigen
                    personenauto vergoed overeenkomstig het kilometertarief dat is vastgesteld in de
                    bepalingen bij en krachtens het Rechtspositiebesluit gedeputeerden. De voor
                    gedeputeerden in de artikelen 24, 25 en 27 geregelde vergoeding van kosten voor
                    woon/werkverkeer, de vergoeding/verstrekking van de ov-jaarkaart en de
                    vergoeding van reis- en verblijfkosten voor dienstreizen zijn aangewezen als
                    vergoeding c.q. verstrekking die in de forfaitaire ruimte valt. Dat is van
                    belang voor zoveel die vergoeding/verstrekking fiscaal bovenmatig is, zoals de
                    kilometervergoeding voor dienstreizen met de personenauto.</al><al>Betrokkene krijgt in een kalenderjaar van zijn werkgever een
                    reiskostenvergoeding van in totaal € 2.240, bestaande uit:</al><lijst><li nr=""><al>een vergoeding voor 10.000 woon/werkkilometers x € 0,14 = € 1.400
                            en</al></li><li nr=""><al>een vergoeding voor 3.000 kilometers wegens dienstreizen x € 0,28=€
                            840.</al></li></lijst><al>Als er geen salderingsregeling is moet de inhoudingsplichtige in ieder tijdvak
                    het bovenmatig bedrag van de vergoeding voor de dienstreizen in de heffing
                    betrekken (in totaal 3.000 km x € 0,09 = € 270). Als er wel een
                    salderingsregeling is mag de inhoudingsplichtige deze heffing uitstellen (dit is
                    niet verplicht). Saldering leidt dan tot het volgende resultaat: totale
                    reiskostenvergoeding € 2.240 gedeeld door het totaal aantal kilometers 13.000 =
                    gemiddelde vergoeding per km van € 0,17 per kilometer. Na saldering blijft de
                    vergoeding onder de € 0,19 per km waardoor de totale reisvergoeding onbelast
                    blijft. Indien de werkgever het “bovenmatige’ gedeelte van € 0,09 van de
                    dienstreiskilometers reeds heeft belast (in totaal 3.000 km x € 0,09 = € 270)
                    mag de inhoudingsplichtige uiterlijk in de eerste maand van het nieuwe
                    kalenderjaar in zijn loonadministratie als negatief loon opnemen: € 270.
                    Reiskostenvergoedingen mogen dus ook onderling worden gesaldeerd. Kilometers die
                    betrekking hebben op het reizen per openbaar vervoer waarvoor een vergoeding in
                    geld is ontvangen, alsmede kilometers die als meerijder zijn afgelegd zonder dat
                    sprake is van vervoer vanwege de werkgever en zonder dat de betrokkene daarvoor
                    een vergoeding heeft ontvangen, mogen eveneens bij de saldering worden
                    betrokken. Saldering, respectievelijk belastingheffing over het bovenmatig deel
                    dat na saldering overblijft, mag worden uitgesteld. Afrekening met de fiscus op
                    basis van saldering kan na afloop van een bepaald loontijdvak, maar dient
                    uiterlijk plaats te vinden in de eerste maand van het nieuwe kalenderjaar.
                    Saldering na afloop van een kalenderkwartaal, half kalenderjaar of heel
                    kalenderjaar is mogelijk zolang de vergoeding niet definitief is toegekend. In
                    verband daarmee wordt de reiskostenvergoeding in eerste instantie bij wijze van
                    voorschot uitbetaald. Voor de berekening van de loonheffing over het bovenmatig
                    deel van de in een gekozen periode uitbetaalde reiskostenvergoedingen dient te
                    worden uitgegaan van alle daadwerkelijk afgelegde dienstkilometers, vermeerderd
                    met de daadwerkelijk afgelegde woon/werkkilometers.</al><tussenkop><vet>Artikel 26 Dienstauto</vet></tussenkop><al>Als onderdeel van de bedrijfsvoering kan de provincie een dienstauto met of
                    zonder chauffeur voor zakelijk gebruik beschikbaar stellen aan gedeputeerden. De
                    dienstauto kan ook voor het woon-werkverkeer worden gebruikt. In dat geval vindt
                    wel een korting plaats op de tegemoetkoming in de reiskosten woon/werk. Die
                    korting vindt in dat geval ook plaats als een OV-jaarkaart is verstrekt. De
                    dienstauto kan ook worden gebruikt voor de vervulling van een q.q.-nevenfunctie.
                    De eventueel uit hoofde van die nevenfunctie ontvangen vergoeding van reiskosten
                    ter zake wordt in dat geval in de provinciale kas gestort. De dienstauto is niet
                    beschikbaar voor privé-gebruik.</al><tussenkop><vet>Artikel 26-A Leaseauto</vet></tussenkop><al>Bij besluit van Provinciale Staten van 14 mei 1993 is de mogelijkheid geopend
                    dat gedeputeerden om te voorzien in hun vervoersbehoefte de beschikking krijgen
                    over een leae-auto. Bij brief van 17 februari 1993 heeft de staatsecretaris van
                    Binnenlandse Zaken te kennen gegeven dat een dergelijke voorziening niet in
                    strijd is met artikel 42 van de provinciewet, mits het verstrekken van een
                    lease-auto op generlei wijze leidt tot extra (fiscaal) inkomen of vergoeding
                    voor weggevallen reiskosten. Voor zover de gedeputeerde met de lease-auto
                    privé-kilometers maakt is hij aan de provincie een eigen bijdrage verschuldigd,
                    waarvan de hoogte gelijk is wat hij anders als fiscale bijtelling bij zijn
                    belastingaangifte zou moeten opgeven. De gedeputeerde die kiest voor een
                    lease-auto komt niet in aanmerking voor een vergoeding of compensatie als
                    bedoeld in de artikelen 18 tot en met 20.</al><tussenkop><vet>Artikelen 28 en 37 Buitenlandse dienstreis</vet></tussenkop><al>Bij buitenlandse dienstreizen in het provinciaal belang kunnen de gedeputeerde
                    de in redelijkheid gemaakte werkelijke reis- en verblijfkosten worden vergoed.
                    De tarieven in het voor het rijkspersoneel geldende Reisbesluit buitenland zijn
                    daarbij richtsnoer. In de eerder genoemde gedragscode zijn nadere gedragsregels
                    vastgesteld. Daarbij gaat het om expliciete besluitvorming in het college van
                    gedeputeerde staten over buitenlandse reizen en over uitnodigingen daartoe op
                    kosten van derden. Maar ook om bijvoorbeeld de rekening en verantwoording
                    achteraf (zowel inhoudelijk als financieel), het meereizen van de partner en het
                    combineren van een dienstreis met een (direct voorafgaande of aansluitende)
                    privé-reis.</al><al>De voor gedeputeerden in artikel 28 geregelde vergoeding van reis- en
                    verblijfkosten voor buitenlandse dienstreizen is aangewezen als een vergoeding
                    die in de forfaitaire ruimte valt. Dat is van belang voor zover die vergoeding
                    fiscaal bovenmatig is</al><al>Ook statencommissies maken wel eens in het provinciaal belang excursies of
                    reizen naar het buitenland. Hiervoor moeten provinciale staten expliciet
                    toestemming verlenen. De reis of excursie wordt in alle gevallen door of vanwege
                    de provincie georganiseerd. Hetgeen hierboven is geschreven over buitenlandse
                    dienstreizen van gedeputeerden geldt mutatis mutandis ook voor buitenlandse
                    excursies en reizen van statencommissies.</al><al>Voor statenleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd.</al><tussenkop><vet>Artikel 31 mobiele telefoon</vet></tussenkop><al>Als onderdeel van de bedrijfsvoering wordt de gedeputeerde op aanvraag een
                    mobiele telefoon als 2e telefoon om niet ter beschikking gesteld. Naast zakelijk
                    gebruik is ook beperkt privé-gebruik van deze telefoon toegestaan. De kosten van
                    het zakelijk gebruik van de mobiele telefoon komen ten laste van de provincie.
                    Hetzelfde geldt voor het beperkte privé-gebruik, waarmee voor gedeputeerden op
                    dit punt voorwaarden gelden die analoog zijn aan de voorwaarden voor provinciale
                    ambtenaren die deelnemen aan de Regeling vergoeding zakelijk gebruik smartphones
                    Noord-Brabant. De nadere voorwaarden ten aanzien van het gebruik van deze
                    telefoon zijn geregeld in de bruikleenovereenkomst die de gedeputeerde met de
                    provincie sluit. Het model hiervan is door Gedeputeerde Staten vastgesteld. De
                    verstrekking van de mobiele telefoon is aangewezen als verstrekking die onder de
                    forfaitaire vrijstelling valt. Dat legt geen beslag op de forfaitaire ruimte
                    zolang de mobiele telefoon voor meer dan 10% zakelijk wordt gebruikt. Aan de
                    voorwaarde wordt ruimschoots voldaan. 6/7 Nummer 182/12 Fiscale bijtelling in
                    geval van privé-gebruik is niet langer aan de orde, zodat inhouding van een
                    forfaitair bedrag op de bezoldiging wegens privé-gebruik ook om die reden niet
                    (langer) noodzakelijk is.</al><tussenkop><vet>Artikel 33 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</vet></tussenkop><al>Sinds de dualisering van het provinciebestuur kunnen personen van buiten
                    provinciale staten tot gedeputeerde worden benoemd. Dat kunnen ook personen zijn
                    die niet in de provincie zelf wonen. Die zijn op grond van de Provinciewet
                    verplicht om te gaan wonen in de provincie waar zij gedeputeerde zijn geworden.
                    In artikel 33 is geregeld dat zij bij verhuizing naar de provincie in aanmerking
                    komen voor een verhuiskostenvergoeding en eventueel voor vergoeding van reis- en
                    pensionkosten in afwachting van de verhuizing. De vergoedingen zijn
                    onbelast.</al><tussenkop><vet>Artikel 35 Vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen</vet></tussenkop><al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van provinciale commissies
                    geregeld. Deze bepaling geldt niet voor statenleden en gedeputeerden die in de
                    commissie zitten. Hun vergoeding is immers al geregeld in de
                    rechtspositiebesluiten en elders in deze verordening. Uitgezonderd zijn verder
                    onder meer ambtenaren en bestuurders die in die hoedanigheid in de commissie
                    zitting hebben. Uitgezonderd zijn tenslotte vertegenwoordigers van
                    belangengroepen e.d. tenzij hun lidmaatschap tevens in belangrijke mate het
                    provinciaal belang dient. De hoogte van het presentiegeld wordt bij provinciale
                    verordening bepaald. Wel is in het Rechtspositiebesluit staten- en
                    commissieleden het maximale bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden
                    aangegeven. In artikel 35, eerste lid, is de hoogte van de vergoeding bepaald op
                    het maximale bedrag. Het bedrag van het presentiegeld is geïndexeerd. Het wordt
                    jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen
                    overheid. Hiervoor is in de provincie geen nadere besluitvorming nodig omdat het
                    bedrag van het presentiegeld is gekoppeld aan het maximumbedrag dat de minister
                    van BZK jaarlijks bijstelt. Het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden
                    biedt de mogelijkheid om in de provinciale verordening te regelen dat in
                    bepaalde gevallen een hoger bedrag aan presentiegeld wordt toegekend dan het
                    eerder bedoelde maximumbedrag. Dat is geregeld in artikel 35, vierde lid.</al><tussenkop><vet>Artikelen 38 t/m 40 De procedure van declaratie</vet></tussenkop><al>In artikel 38 zijn de wijzen van betaling aangegeven. In de artikelen 39 t/m 40
                    is vervolgens aangegeven in welke gevallen welke betalingswijze aan de orde is
                    en welke procedurevoorschriften in achtgenomen moeten worden.</al><al>Declaratie van vooruitbetaalde kosten</al><al>Daarbij gaat het om vergoeding van de volgende kosten:</al><lijst><li nr=""><al>reis- en verblijfkosten van statenleden;</al></li><li nr=""><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van gedeputeerden</al></li><li nr=""><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                            gedeputeerden</al></li><li nr=""><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten;</al></li><li nr=""><al>reis- en verblijfkosten van leden van provinciale commissies</al></li></lijst><al>Rechtstreekse facturering bij de provincie</al><al>Rekeningen kunnen rechtreeks bij de provincie in rekening worden gebracht in de
                    volgende gevallen:</al><lijst><li nr=""><al>deelname aan cursussen, congressen, seminars en symposia door
                            statenleden en gedeputeerden;</al></li><li nr=""><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van gedeputeerden;</al></li><li nr=""><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten</al></li><li nr=""><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                            gedeputeerden.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Overgangsbepaling bij de wijziging i.v.m. de Werkkostenregeling</vet></tussenkop><al>De fiscale werkkostenregeling is per 1 januari 2011 in werking getreden.
                    Werkgevers kunnen per 1 januari 2011, 1 januari 2012, 1 januari 2013 of –
                    uiterlijk – per 1 januari 2014 overstappen op de werkkostenregeling. Totdat de
                    provincie is overgestapt blijft het oude loonbelastingregime voor belaste en
                    onbelaste vergoedingen en verstrekkingen voor gedeputeerden en statenleden
                    bestaan. Dat is geregeld in de daartoe vastgestelde specifieke
                    overgangsbepaling. Materieel verandert er daardoor in de overgangsperiode niets.
                    Zolang de provincie nog niet is overgestapt op de werkkostenregeling geldt
                    hiertoe het volgende:</al><lijst><li nr="a."><al>de netto vaste onkostenvergoeding van gedeputeerden en statenleden
                            wordt gebruteerd tegen het hoogste tarief van de loonen
                            inkomstenbelasting (52%);</al></li><li nr="b."><al>de eventueel voor de verstrekking van computerapparatuur e.d.
                            verschuldigde belasting wordt de gedeputeerde en het statenlid
                            vergoed;</al></li><li nr="c."><al>de kilometervergoeding voor zakelijke reizen met de auto van
                            gedeputeerden blijft ongewijzigd; en</al></li><li nr="d."><al>de salderingsregeling voor de reiskosten van gedeputeerden blijft van
                            toepassing</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 42 Inwerkingtreding</vet></tussenkop><al>De verordening treedt op 1 januari 2007 in werking. Bij het hanteren van deze
                    datum zou de versoberde wachtgeldregeling zoals die thans is opgenomen van
                    toepassing zijn op de huidige statenleden. Als de versoberde wachtgeldregeling
                    op 1 januari 2007 in zou gaan voor de zittende statenleden leeft dat op
                    gespannen voet met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Met name het
                    vertrouwensbeginsel zal worden geschaad omdat de huidige statenleden ervan uit
                    mogen gaan, zeker nu de zittingsperiode van de staten bijna is beëindigd, dat de
                    wachtgeldregeling zoals die thans in de verordening rechtspositie, staten- en
                    commissieleden is opgenomen, van toepassing is. De Algemene Vergadering van het
                    IPO heeft op 29 juni 2006 uitgesproken dat de in de artikelen 15 tot en met 21
                    opgenomen versoberde wachtgeldregeling zal moeten ingaan vanaf de nieuwe
                    statenperiode in 2007. Op zittende statenleden die na de verkiezingen van 2007
                    niet meer terugkeren blijft de oude wachtgeldregeling van toepassing.</al><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten voor statenleden zoals is opgenomen in
                    artikel 14 werkt terug tot 1 januari 2006.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>