<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR95278_4</dcterms:identifier><dcterms:title>Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Noord-Brabant</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-12-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Noord-Brabant</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.brabant.nl/loket/provinciale-bladen.aspx?qvi=43517">Provinciaal Blad, 2013, 47</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, art. 105, juncto 143</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene subsidieverordening Provincie Noord-Brabant, art. 2 en 15</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet BDU verkeer en vervoer, art. 2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">gedeputeerde staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-03-19</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-04-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>3370774</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financieel beheer, subsidies, verkeer en vervoer</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Bij de vaststelling van deze regeling zijn ingetrokken: 1.de regeling Extra investeringsimpuls infrastructuur in het stads- en streekvervoer 1996-2000; 2.de Beleidsregels Cofinanciering Verkeer en Vervoer, gepubliceerd in het Provinciaal Blad, 2006, 04; 3.de Beleidsregels Cofinanciering Verkeer en Vervoer, gepubliceerd in het Provinciaal Blad, 2008, 57.</al><al>Deze regeling is ingetrokken bij besluit van 19 maart 2013 tot vaststelling van de Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant 2013.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,</vet></al><al>Gelet op artikel 105 juncto artikel 143 van de Provinciewet;</al><al>Gelet op de artikelen 2 en 15 van de Algemene subsidieverordening Provincie
                        Noord-Brabant;</al><al>Gelet op artikel 2 van de Wet BDU verkeer en vervoer;</al><al>Overwegende dat Gedeputeerde Staten uitvoering wensen te geven aan de wet
                        BDU verkeer en vervoer en aan de Essentiële onderdelen van het PVVP, welke
                        verder zijn uitgewerkt in de Dynamische beleidsagenda en de Regionale
                        beleidsagenda's;</al><al>Overwegende dat Gedeputeerde Staten daartoe op 1 april 2008 de
                        Cofinancieringsregeling Verkeer en Vervoer hebben vastgesteld;</al><al>Overwegende dat de bestaande regeling wijziging behoeft en Gedeputeerde
                        Staten vanwege de omvang van de wijzigingen een nieuwe regeling wensen vast
                        te stellen;</al><al><vet>Besluiten vast te stellen de volgende regeling:</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel><vet>HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 1.1 Begripsbepalingen</vet></titel></kop><al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr=""><al>a. Wet BDU: Wet brede doeluitkering verkeer en vervoer;</al></li><li nr="b."><al>brede doeluitkering: uitkering die de provincie Noord-Brabant
                                    ontvangt op basis van de Wet BDU;</al></li><li nr=""><al>c. PVVP: provinciaal verkeers- en vervoerplan van de provincie
                                    Noord-Brabant;</al></li><li nr=""><al>d. GGA-regio: samenwerkingsverband met als vaste partners de
                                    inliggende en aangesloten Noord-Brabantse gemeenten, de
                                    provincie Noord-Brabant en Rijkswaterstaat directie
                                    Noord-Brabant, dat samenwerkt op het gebied van verkeer en
                                    vervoer in het algemeen en bij de uitvoering van het PVVP en van
                                    de Wet Personenvervoer in het bijzonder;</al></li><li nr=""><al>e. kleine infrastructurele projecten: investeringsprojecten in
                                    infrastructuur, die bijdragen aan de verwezenlijking van het
                                    provinciale verkeers- en vervoerbeleid en waarvan de
                                    subsidiabele kosten minimaal € 10.000 en maximaal € 10.000.000
                                    bedragen;</al></li><li nr=""><al>f. niet-infrastructurele projecten: niet-infrastructurele
                                    maatregelen, regionale studieprojecten en/of mensgerichte
                                    maatregelen of pakketten van mensgerichte maatregelen waarvan de
                                    subsidiabele projectkosten minimaal € 10.000 en maximaal €
                                    10.000.000 bedragen;</al></li><li nr=""><al>g. innovatieve projecten: investeringsprojecten en/of
                                    initiatieven met een experimenteel en tijdelijk karakter,
                                    waarvan de resultaten redelijkerwijs bij kunnen dragen aan de
                                    realisering van de doelen van het provinciale verkeers- en
                                    vervoerbeleid, en waarvan de subsidiabele projectkosten minimaal
                                    € 10.000 en maximaal € 10.000.000 bedragen;</al></li><li nr=""><al>h. grote infrastructurele projecten: investeringsprojecten in
                                    infrastructuur, die bijdragen aan de verwezenlijking van het
                                    provinciale verkeers- en vervoerbeleid en waarvan de
                                    subsidiabele kosten meer dan € 10.000.000 en maximaal €
                                    40.000.000 bedragen;</al></li><li nr=""><al>i. provinciebrede projecten: majeure en voor de gehele provincie
                                    van belang zijnde projecten en/of initiatieven, gericht op
                                    innovatie, instrumentontwikkeling of vormen van samenwerking met
                                    het oog op realisering en/of versnelde realisering van thema's
                                    of doelen van het provinciale verkeers- en vervoerbeleid, en
                                    waarvan de subsidiabele kosten minimaal € 10.000 bedragen;</al></li><li nr=""><al>j. regionaal uitvoeringsprogramma: jaarlijks door de GGA-regio’s
                                    en het SRE op te stellen pakket van kleine infrastructurele,
                                    niet-infrastructurele en/of innovatieve projecten;</al></li><li nr=""><al>k. bestedingsplan: bestedingsplan zoals bedoeld in artikel 6 van
                                    de Wet BDU verkeer en vervoer;</al></li><li nr=""><al>l. reizigersoverleg Brabant: platform van consumenten- en
                                    belangenorganisaties dat de wensen van de reizigers in de
                                    provincie Noord-Brabant in beeld brengt en er aan bijdraagt dat
                                    het openbaar vervoer en het collectief vraagafhankelijk vervoer
                                    zowel ieder op zich als in samenhang met elkaar op deze wensen
                                    wordt afgestemd;</al></li><li nr=""><al>m. Wp 2000: Wet personenvervoer 2000;</al></li><li nr=""><al>n. Openbaar Vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer
                                    volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, metro, tram
                                    of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig;</al></li><li nr=""><al>o. Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV): voor een ieder
                                    openstaand personenvervoer per auto niet volgens een
                                    dienstregeling als bedoeld in het Besluit personenvervoer 2000,
                                    voorzover een reiziger het vervoer voor een bepaalde tijd heeft
                                    besteld, het vervoer plaatsvindt volgens een contract met de
                                    provincie Noord-Brabant of waarin de provincie Noord-Brabant
                                    participeert en het vervoer aanvullend en/of vervangend is ten
                                    opzichte van het openbaar vervoer;</al></li><li nr=""><al>p. Collectief Vraagafhankelijk Vervoerproject: het aanbod aan
                                    collectief vraagafhankelijk vervoer binnen een bepaald begrensd
                                    gebied.</al></li><li nr=""><al>q. Bedrijfsvervoer: collectief vervoer van werknemers door of
                                    vanwege de werkgever van en naar de werkplek, voor aanvang van
                                    en na afloop van de werkzaamheden, verricht met bussen dan wel
                                    met auto’s, ingericht voor vervoer van minimaal acht personen,
                                    de bestuurder daaronder niet begrepen;</al></li><li nr=""><al>r. Vervoerder: degene die openbaar vervoer, besloten busvervoer
                                    of taxivervoer verricht, niet in de hoedanigheid van bestuurder
                                    van een auto, bus, trein, metro, tram of een via een
                                    geleidesysteem voortbewogen voertuig;</al></li><li nr=""><al>s. Beroepsvervoerder: vervoerder met een vergunning voor het
                                    verrichten van besloten busvervoer of taxivervoer;</al></li><li nr=""><al>t. Concessie: recht om met uitsluiting van anderen openbaar
                                    vervoer te verrichten in een bepaald gebied gedurende een
                                    bepaald tijdvak;</al></li><li nr=""><al>u. Toegankelijk openbaar vervoer: openbaar vervoer dat
                                    beantwoordt aan de criteria voor toegankelijkheid van het
                                    openbaar vervoer die door Gedeputeerde Staten zijn opgenomen in
                                    de ten behoeve van de concessieverlening door hen vastgestelde
                                    Progamma’s van eisen;</al></li><li nr=""><al>v. Sociale veiligheid openbaar vervoer: criteria voor sociale
                                    veiligheid van het openbaar vervoer en van het collectief
                                    vraagafhankelijk vervoer die door Gedeputeerde Staten zijn
                                    opgenomen in de ten behoeve van de concessieverlening door hen
                                    vastgestelde Programma’s van eisen; </al></li><li nr=""><al>w. Werkplek: vaste plaats waar de werkzaamheden worden
                                    uitgevoerd binnen de provincie Noord-Brabant (met uitzondering
                                    van de werkplekken die zijn gelegen binnen het kaderwetgebied
                                    Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE) en waarop de
                                    werkgever een op het privaatrecht gebaseerde zeggenschap of
                                    recht op gebruik heeft;</al></li><li nr=""><al>x. Bedrijfsvervoerplan: plan voor werknemers van één bedrijf of
                                    ten behoeve van werknemers in dienst van verschillende
                                    bedrijven, indien deze in dezelfde regio en op dezelfde werkplek
                                    gevestigd zijn, inzicht biedend in het te verrichten vervoer van
                                    één of meer (samenwerkende) bedrijven en de regelingen tussen
                                    werkgever en werknemer in het woon-werkverkeer;</al></li><li nr=""><al>y. Uitkeringsjaar: kalenderjaar waarop de subsidie of uitkering
                                    betrekking heeft;</al></li><li nr=""><al>z. Bekostigingssystematiek: contractuele afspraken met de
                                    vervoerder en de bestuurlijke afspraken met gemeenten over de
                                    wijze waarop de provinciale bijdrage in de kosten van het
                                    Collectief Vraagafhankelijk Vervoer wordt berekend;</al></li><li nr=""><al>aa. Halte: in-, uit- en/of overstapfaciliteit voor de bus met
                                    voorzieningen voor een goede dan wel comfortabele in- en
                                    uitstap. Een halteplaats wordt op grond van het RVV 1990
                                    aangeduid door het bord L 03;</al></li><li nr=""><al>bb. Projecten ter verbetering van de toegankelijkheid van
                                    haltes: investeringsprojecten die de fysieke toegankelijkheid
                                    van het openbaar busvervoer bevorderen en gemakkelijker
                                    maken;</al></li><li nr=""><al>cc. Geprioriteerde haltes: haltes of haltevoorzieningen voor
                                    openbaar busvervoer die zijn opgenomen in de lijst van
                                    geprioriteerde haltes in bijlage 8 van deze regeling;</al></li><li nr=""><al>dd. Niet-geprioriteerde haltes: haltes of haltevoorzieningen
                                    voor openbaar busvervoer die niet zijn opgenomen in de lijst als
                                    bedoeld in bijlage 8 van deze regeling;</al></li><li nr=""><al>ee. Regionaal halteplan: plan dat voor een GGA-regio per
                                    gemeente aangeeft op welk moment welke halte toegankelijk wordt
                                    gemaakt en hoe de aanpak van het toegankelijk maken van de
                                    haltes wordt gefinancierd;</al></li><li nr=""><al>ff. B5-overleg: het overleg van de gemeenten Breda, Tilburg,
                                    ’s-Hertogenbosch, Eindhoven en Helmond en de provincie
                                    Noord-Brabant;</al></li><li nr=""><al>gg. B5-uitvoeringsprogramma: jaarlijks door de B5 op te stellen
                                    pakket van grote infrastructurele projecten, kleine
                                    infrastructurele projecten en niet-infrastructurele
                                    projecten;</al></li><li nr=""><al>hh. Netwerkprogramma BrabantStad Bereikbaar: het
                                    samenwerkingsverband waarin de gemeenten Breda, Tilburg,
                                    ’s-Hertogenbosch, Eindhoven en Helmond, het Samenwerkingsverband
                                    Regio Eindhoven (SRE), de provincie Noord-Brabant, het
                                    ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat
                                    Noord-Brabant, de Nederlandse Spoorwegen en ProRail samenwerken
                                    aan het verbeteren van de bereikbaarheid van de economische
                                    kerngebieden in het stedelijke netwerk BrabantStad. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 1.2 Doelstelling en kaders</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze subsidieregeling beoogt uitvoering te geven aan de wet BDU
                                verkeer en vervoer en aan de Essentiële onderdelen van het PVVP,
                                welke verder zijn uitgewerkt in de Dynamische beleidsagenda en de
                                Regionale beleidsagenda's.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten,
                                projecten, maatregelen en/of initiatieven voor zover deze passen
                                binnen of onderdeel uitmaken van het vigerende verkeers- en
                                vervoerbeleid van de provincie Noord-Brabant.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Deze subsidieregeling vormt een verbijzondering van de Algemene
                                subsidieverordening Provincie Noord-Brabant op het gebied van
                                verkeer en vervoer.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 1.3 Doelgroep</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidies voor projecten of initiatieven kunnen worden verstrekt
                                aan publiekrechtelijke rechtspersonen, privaatrechtelijke
                                rechtspersonen of aan natuurlijke personen, met uitzondering van het
                                Rijk.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten weigeren een rechtspersoon of natuurlijke
                                persoon subsidie, indien zijn of haar activiteiten niet zijn gericht
                                op de provincie Noord-Brabant of niet aanwijsbaar ten goede komen
                                aan de ingezetenen van de provincie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Maatschappelijke organisaties kunnen in aanmerking komen voor
                                subsidie voor kleine infrastructurele, niet-infrastructurele en/of
                                innovatieve projecten als onderdeel van een regionaal
                                uitvoeringsprogramma door gemeentelijke tussenkomst.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Financiële bijdragen voor projecten van de provincie Noord-Brabant
                                worden beschouwd als een subsidie in de zin van deze
                                subsidieregeling.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> ubsidies voor kleine infrastructurele, niet-infrastructurele en/of
                                innovatieve projecten kunnen alleen aan de Brabantse gemeenten en
                                aan de provincie Noord-Brabant worden verstrekt, indien deze
                                projecten deel uitmaken van een regionaal uitvoeringsprogramma, dat
                                door de GGA-regio is opgesteld en door Gedeputeerde Staten is
                                vastgesteld, op grond van de door artikel 2.2.1 vierde en vijfde lid
                                gegeven bevoegdheden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 1.4 Bestedingsplan wet BDU</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks vóór 15 september een
                                bestedingsplan vast ten behoeve van de besteding van onder meer de
                                BDU-gelden voor het volgende uitkeringsjaar, conform artikel 6 van
                                de Wet BDU verkeer en vervoer.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bestedingsplan bevat in ieder geval een overzicht van
                                bestedingen en reserveringen ten behoeve van regionale
                                uitvoeringsprogramma’s, grote infrastructurele projecten,
                                provinciebrede projecten en cofinanciering personenvervoer.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bestedingsplan wordt vóór 1 februari van het uitkeringsjaar
                                toegezonden aan de minister van Verkeer en Waterstaat</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 1.5 Provinciale begroting; regionale budgetten en
                                    subsidieplafonds</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Provinciale Staten stellen jaarlijks een bedrag op de provinciale
                                begroting vast ten behoeve van de financiering van de
                                uitvoeringsprogramma’s van GGA-regio’s en de B5, zoals bedoeld in de
                                hoofdstukken 2 en 2a van deze beleidsregels.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen periodiek, met inachtneming van het
                                beschikbare bedrag op de provinciale begroting, de regionale
                                budgetten vast voor de financiering van de uitvoeringsprogramma’s
                                van de vijf GGA-regio's.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen periodiek, met inachtneming van het
                                beschikbare bedrag op de provinciale begroting, een regionaal budget
                                vast voor de financiering van het regionale uitvoeringsprogramma van
                                het SRE.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen periodiek, met inachtneming van het
                                beschikbare bedrag op de provinciale begroting, budgetten vast voor
                                de financiering van het B5-uitvoeringsprogramma, zoals bedoeld in
                                hoofdstuk 2a en waarbij per budget wordt aangegeven voor welk doel
                                deze gelden geoormerkt zijn.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De maxima van de onder lid 2, lid 3 en lid 4 genoemde budgetten
                                gelden als subsidieplafonds en zullen als zodanig worden
                                gepubliceerd in het Provinciaal blad.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Restanten van budgetten, die resteren ondanks een overprogrammering
                                met reserveprojecten, worden toegevoegd aan de provinciale
                                voorziening BDU. Gedeputeerde Staten besluiten op welke wijze deze
                                middelen benut zullen worden voor de uitvoering van het PVVP en
                                geven dit tevens aan in het bestedingsplan van het eerstvolgende
                                uitkeringsjaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 1.5a Provinciale begroting; regionale budgetten en
                                    subsidieplafond haltevoorzieningen openbaar
                                vervoer</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Provinciale Staten stellen jaarlijks een bedrag op de provinciale
                                begroting vast ten behoeve de bevordering van het openbaar
                                vervoer.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen periodiek, met inachtneming van het
                                beschikbare bedrag op de provinciale begroting, regionale budgetten
                                vast ter verbetering van de toegankelijkheid van haltevoorzieningen
                                voor het openbaar vervoer.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De maxima van de onder lid 2 genoemde regionale budgetten gelden
                                als subsidieplafonds en zullen als zodanig worden gepubliceerd in
                                het Provinciaal Blad.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien het regionale budget van een regio niet toereikend blijkt,
                                terwijl er bij een andere regio sprake is van onderuitputting,
                                kunnen Gedeputeerde Staten besluiten de gelden die resteren door
                                onderuitputting over te hevelen naar de eerstgenoemde regio. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 1.6 BTW </vet></titel></kop><al>Verrekenbare BTW op grond van de Wet op de Omzetbelasting 1968 vormt
                            geen kostenpost en compensabele BTW op grond van de Wet op het
                            BTW-compensatiefonds 2003 vormt geen budgettaire last, en zijn derhalve
                            niet subsidiabel.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 2. REGIONALE UITVOERINGSPROGRAMMA’S</titel></kop><paragraaf><kop><titel><vet>Paragraaf 1 Algemene uitgangspunten van
                                cofinanciering</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2.1.1 Subsidiabele kosten kleine
                                        infrastructurele projecten</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag aan cofinanciering
                                    ten behoeve van infrastructurele projecten, als bedoeld in deze
                                    subsidieregeling, komen in aanmerking de kosten van: </al><lijst><li nr="a."><al> werkzaamheden van aanleg, bouw, wijziging of inrichting
                                            van de betrokken infrastructuur;</al></li><li nr="b."><al> verwerving van een onroerende zaak voor zover door
                                            Gedeputeerde Staten aanvaardbaar en noodzakelijk
                                            geacht;</al></li><li nr="c."><al> vergunningen en leges voor zover door Gedeputeerde
                                            Staten aanvaardbaar en noodzakelijk geacht;</al></li><li nr="d."><al> materialen;</al></li><li nr="e."><al> bijkomende voorzieningen nodig om de betrokken
                                            infrastructuur na voltooiing zijn functie te kunnen
                                            laten vervullen, zoals verlichting, bebording,
                                            markeringen en bewegwijzering;</al></li><li nr="f."><al> met het project samenhangende en door Gedeputeerde
                                            Staten redelijk geachte schadevergoedingen aan derden,
                                            zulks met uitzondering van de vervanging van kabels en
                                            leidingen;</al></li><li nr="g."><al> voorlichting over de uitvoering van het project als
                                            begeleiding gedurende de bouw voor zover door
                                            Gedeputeerde Staten aanvaardbaar geacht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag aan cofinanciering
                                    als bedoeld in het eerste lid, blijven buiten beschouwing de
                                    onder a tot en met g bedoelde kosten, voor zover die betrekking
                                    hebben op: </al><lijst><li nr="a."><al> algemene bestuurslasten zoals ambtenarensalarissen en
                                            kantoorinventaris;</al></li><li nr="b."><al> voorbereidings-, administratie- en
                                            toezichtskosten;</al></li><li nr="c."><al> het uitvoeren van reguliere werkzaamheden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor voorbereiding-, administratie- en toezichtkosten wordt een
                                    vast opslagpercentage van 15% over de totale subsidiabele
                                    projectkosten berekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2.1.2 Subsidiabele kosten niet-infrastructurele
                                        en innovatieve projecten</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij de bepaling van de hoogte van een subsidie ten behoeve van
                                    innovatieve projecten komen in aanmerking, uitsluitend die
                                    kosten, die direct betrekking hebben op het betrokken project en
                                    voor zover die door Gedeputeerde Staten aanvaardbaar en
                                    noodzakelijk worden geacht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Niet subsidiabel zijn: </al><lijst><li nr="a."><al> beheer- en onderhoudskosten;</al></li><li nr="b."><al> algemene bestuurslasten zoals ambtenarensalarissen en
                                            kantoorinventaris;</al></li><li nr="c."><al> voorbereidings- en toezichtskosten.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2.1.2a Subsidiabele kosten voor verbetering
                                        toegankelijkheid haltevoorzieningen </vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ten aanzien van de subsidiabele kosten voor de aanschaf en het
                                    plaatsen van haltemeubilair is artikel 2.1.1 van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de subsidiabele kosten voor het opstellen en
                                    coördineren van de uitvoering van een regionaal halteplan is
                                    artikel 2.1.2 van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2.1.3 Op bijdrage in mindering te brengen
                                        kosten</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag aan cofinanciering
                                    worden de kosten, welke redelijkerwijs ten laste van andere
                                    kostendragers kunnen worden gebracht, in mindering gebracht op
                                    de vastgestelde subsidiabele kosten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het eerste lid worden op de hoogte van het bedrag
                                    aan cofinanciering in mindering gebracht de kosten van de
                                    uitvoering van onderhoud die de subsidie-ontvanger bespaart
                                    vanwege het niet uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2.1.4 Verplichting tot instandhouden
                                        voorziening</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De met behulp van provinciale cofinanciering gerealiseerde
                                    voorzieningen of investeringen dienen minimaal vijf jaar in
                                    stand te worden gehouden en/of hun oorspronkelijk beoogde
                                    functie te behouden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de voorzieningen of investeringen binnen een periode van
                                    vijf jaar worden verwijderd, tenietgedaan of hun oorspronkelijke
                                    functie verliezen, kunnen Gedeputeerde Staten het verleende
                                    en/of vastgestelde subsidiebedrag aan cofinanciering geheel of
                                    gedeeltelijk terugvorderen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>Paragraaf 2 Procedure van besluitvorming en
                                    subsidieverlening</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2.2.1 Regionale en provinciale
                                        besluitvorming</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De GGA-regio’s stellen jaarlijks een regionaal
                                    ontwerp-uitvoeringsprogramma vast met daarin opgenomen kleine
                                    infrastructurele, niet-infrastructurele en innovatieve
                                    projecten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De GGA-regio’s stellen jaarlijks tevens een regionaal
                                    ontwerp-uitvoeringsprogramma voor projecten ter verbetering van
                                    de toegankelijkheid vast met daarin opgenomen projecten ter
                                    verbetering van de fysieke toegankelijkheid van de
                                    niet-geprioriteerde haltes, projecten inhoudende de aanschaf en
                                    plaatsing van haltemeubilair bij zowel geprioriteerde als
                                    niet-geprioriteerde haltes alsmede het opstellen en coördineren
                                    van de uitvoering van een regionaal halteplan;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ontwerp-uitvoeringsprogramma’s worden vastgesteld in een
                                    bestuurlijk GGA-overleg, waaraan de participerende gemeenten en
                                    de Provincie Noord-Brabant als gelijkgerechtigden
                                    deelnemen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De GGA-regio’s dienen de door hen vastgestelde regionale
                                    ontwerp-uitvoeringsprogramma’s in bij Gedeputeerde Staten,
                                    uiterlijk 1 december van het jaar voorafgaand aan het
                                    uitkeringsjaar.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien de deelnemende partijen in GGA-regionaal verband, zoals
                                    bedoeld in het derde lid, de regionale
                                    ontwerp-uitvoeringsprogramma’s unaniem vaststellen, zullen
                                    Gedeputeerde Staten de door de GGA-regio vastgestelde
                                    programma’s ongewijzigd overnemen en definitief
                                    vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Indien de deelnemende partijen in GGA-regionaal verband, zoals
                                    bedoeld in het derde lid, niet unaniem tot een besluit komen,
                                    zullen Gedeputeerde Staten de regionale programma’s naar eigen
                                    inzicht definitief vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen de regionale uitvoeringsprogramma’s
                                    vast, uiterlijk 16 maart van het jaar waarop de uitkering
                                    betrekking heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2.2.2 Aanvraag, subsidieverlening en start
                                        werkzaamheden</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een krachtens artikel 2.2.1 vierde lid bij Gedeputeerde Staten
                                    ingediend regionaal ontwerp-uitvoeringsprogramma, wordt tevens
                                    beschouwd als een bundel subsidieaanvragen voor de daarin
                                    opgenomen projecten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Na vaststelling van een regionaal uitvoeringsprogramma door
                                    Gedeputeerde Staten verlenen Gedeputeerde Staten subsidie per
                                    project overeenkomstig het door hen vastgestelde regionale
                                    uitvoeringsprogramma.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Projecten die op het moment van de aanvraag reeds zijn
                                    aanbesteed én gegund, en/of in uitvoering zijn genomen, komen
                                    niet voor een subsidie in aanmerking, tenzij hier voor
                                    schriftelijke toestemming is gevraagd en verkregen bij
                                    Gedeputeerde Staten.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien een aanvrager, voorafgaand aan de vaststelling van een
                                    regionaal uitvoeringsprogramma door Gedeputeerde Staten, van
                                    start gaat met de activiteiten waarvoor subsidie is gevraagd,
                                    dan geschiedt dat geheel voor eigen risico.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De opdrachtverlening van een project vindt plaats in het jaar
                                    dat de beschikking wordt afgegeven. Vindt opdrachtverlening van
                                    het project niet plaats in het jaar waarin de beschikking is
                                    afgegeven, dan wordt de toegekende financiële bijdrage
                                    ambtshalve ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2.2.3 Declaratie en betaling</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien het bedrag van subsidieverlening meer dan € 50.000
                                    bedraagt, kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek van de
                                    subsidieontvanger op basis van een tussentijdse declaratie
                                    overgaan tot uitbetaling van de in de subsidieverlening
                                    toegekende bedragen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een tussentijdse declaratie en overeenkomstige bevoorschotting
                                    van maximaal 50% van de bij subsidieverlening toegekende
                                    bijdrage, kan plaatsvinden nadat de ontvanger minimaal 50% van
                                    de, in de verleningsbeschikking aangegeven totale subsidiabele
                                    kosten heeft gerealiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een einddeclaratie en bevoorschotting van maximaal 100% van de
                                    bij subsidieverlening toegekende bijdrage, kan plaatsvinden
                                    nadat het project of werk is afgerond. Deze declaratie wordt
                                    uiterlijk 1 december van het eerstvolgende jaar na het jaar
                                    waarin de subsidieverlening heeft plaatsgevonden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Een declaratie met betrekking tot projecten ter verbetering van
                                    de toegankelijkheid van haltevoorzieningen van
                                    niet-geprioriteerde haltes zoals bedoeld in artikel 2.2.1 tweede
                                    lid, gaat vergezeld van een overzicht van de data van alle
                                    wijzigingen die op de halte(s) zijn uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Declaraties zoals bedoeld in het tweede en derde lid worden
                                    ingediend met gebruikmaking van een daartoe door Gedeputeerde
                                    Staten vastgesteld declaratieformulier.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> In afwijking van lid 2 of van lid 3 kunnen in de
                                    verleningsbeschikking andere percentages worden opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> In afwijking van lid 2 en lid 3 kunnen Gedeputeerde Staten op
                                    verzoek instemmen met een ander kasritme.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> In afwijking van lid 3, tweede volzin, kunnen Gedeputeerde
                                    Staten, indien hierom bij het indienen van de subsidieaanvraag
                                    wordt verzocht, instemmen met een ander tijdstip voor het
                                    indienen van de declaratie.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> In de verleningsbeschikking kunnen Gedeputeerde Staten nadere
                                    voorwaarden stellen ten aanzien van de declaraties zoals bedoeld
                                    onder lid 2 en lid 3 van dit artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.4 Uitstelverlening</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen op een daartoe door de aanvrager
                                ingediend verzoek eenmalig de termijn van opdrachtverlening, bedoeld
                                in artikel 2.2.2, vijfde lid, tweede volzin, respectievelijk van het
                                tijdstip voor het indienen van de einddeclaratie, bedoeld in artikel
                                2.2.3, derde lid, met maximaal één jaar verlengen, indien de
                                aanvrager aantoont dat hij zich niet aan de voorgeschreven termijnen
                                kan voldoen vanwege:</al><lijst><li nr="a."><al> niet tijdig kunnen verwerven van de benodigde gronden als
                                        gevolg van wettelijke of procedurele oorzaken, die niet aan
                                        de subsidieaanvrager te wijten zijn, mits op redelijke
                                        termijn zicht is op daadwerkelijke grondverwerving;</al></li><li nr="b."><al> het langer in beslag nemen dan gepland van de
                                        bestemmingsplanprocedure als gevolg van wettelijke,
                                        juridische of procedurele zaken;</al></li><li nr="c."><al> vertraging in samenhangende projecten of beïnvloeding van
                                        andere projecten waardoor aanvrager gedwongen is de
                                        uitvoeringsperiode te verlengen;</al></li><li nr="d."><al> vertraging in de uitvoering als gevolg van extreme of
                                        onverwachte weersomstandigheden; of</al></li><li nr="e."><al> vertraging in de opdrachtverlening of in de uitvoering als
                                        gevolg van andere aan derden toe te schrijven
                                        omstandigheden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2.2.5 Subsidievaststelling</vet></titel></kop><al>Uiterlijk 13 weken na ontvangst van de vastgestelde gemeentelijke
                                jaarrekening (inclusief de SiSa-bijlage en rapport van bevindingen),
                                die via het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt gedistribueerd,
                                stellen Gedeputeerde Staten de subsidie ambtshalve vast.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>Paragraaf 3 Samenstelling regionaal
                                    uitvoeringsprogramma</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2.3.1 Kwaliteitseisen regionaal
                                        uitvoeringsprogramma</vet></titel></kop><al>De GGA-regio neemt, bij het opstellen van het regionale
                                uitvoeringsprogramma, de volgende kwaliteitseisen in acht:</al><lijst><li nr="1."><al> Het programma is de resultante van een jaarlijkse dialoog
                                        tussen de regionale partners over de beoogde kwaliteit van
                                        de projecten en van de integrale afweging tussen de
                                        projecten; het programma geeft aan op welke wijze deze
                                        dialoog is verlopen en hoe regionale besluitvorming is
                                        voorbereid;</al></li><li nr="2."><al> Het programma sluit aan op de regionale beleidsagenda en
                                        geeft aan op welke wijze de projecten evenwichtig zijn
                                        verdeeld over de thema's van die beleidsagenda;</al></li><li nr="3."><al> Het programma geeft aan hoe de voorgenomen projecten passen
                                        binnen de regionale gebiedsprofielen;</al></li><li nr="4."><al> Het programma geeft aan hoe de voorgenomen projecten de in
                                        de regionale beleidsagenda benoemde problemen
                                        aanpakken;</al></li><li nr="5."><al> Het programma geeft een meerjarig perspectief van de
                                        voorgenomen projecten in de regio;</al></li><li nr="6."><al> Het programma geeft aan hoe de effecten van voorgaande
                                        jaren consequenties hebben gekregen voor het regionale
                                        pakket of uitvoeringsprogramma;</al></li><li nr="7."><al> De cofinanciering bedraagt maximaal 50% van de totale
                                        subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid,
                                        respectievelijk artikel 2.1.2, eerste lid, voor het gehele
                                        programma, verminderd met de in artikel 2.1.1, tweede lid,
                                        artikel 2.1.2, tweede lid, en artikel 2.1.3 bedoelde
                                        kosten.</al></li><li nr="8."><al> Voor het samenstellen van het programma wordt gebruik
                                        gemaakt van het daartoe door Gedeputeerde Staten
                                        vastgestelde E-formulier. Het programma is een resultante
                                        van de door de regio ingediende ingediende bundel
                                        E-formulieren.</al></li><li nr="9."><al> Het programma geeft aan hoe projecten en/of
                                        projectsuggesties van maatschappelijke organisaties zijn
                                        behandeld en eventuele afwijzingsbrieven, waarin de reden
                                        van afwijzing nader is omschreven, worden toegevoegd aan het
                                        programma als bijlage.</al></li><li nr="10."><al> Bij de samenstelling van een uitvoeringsprogramma voor
                                        meerdere jaren, zoals bedoeld in het vorige lid, mag voor
                                        het eerstvolgende en latere jaren niet meer worden
                                        geprogrammeerd dan maximaal 50% van het beschikbare
                                        jaarbudget van de betreffende jaren. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2.3.1a Kwaliteitseisen regionaal
                                        uitvoeringsprogramma toegankelijkheid haltevoorzieningen en
                                        aanschaf haltemeubilair</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De kwaliteitseisen zoals bedoeld in artikel 2.3.1 zijn van
                                    overeenkomstige toepassing met uitzondering van de
                                    kwaliteitseisen genoemd in lid 7 t/m lid 9.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Projecten ter verbetering van de fysieke toegankelijkheid van
                                    niet-geprioriteerde haltes komen voor subsidiëring in aanmerking
                                    mits wordt voldaan aan de criteria van bijlage 7 bij deze
                                    regeling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De bijdrage voor het verbeteren van de fysieke toegankelijkheid
                                    van een niet-geprioriteerde halte bedraagt € 10.000 en voor het
                                    verbeteren van de fysieke toegankelijkheid van een buurtbushalte
                                    € 7.500.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Projecten ter verbetering van de toegankelijkheid van zowel
                                    geprioriteerde haltes als van niet-geprioriteerde komen in
                                    aanmerking voor cofinanciering voor wat betreft de aanschaf en
                                    plaatsing van haltemeubilair mits wordt voldaan aan de criteria
                                    van bijlage 9 bij deze regeling.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het opstellen en coördineren van de uitvoering van regionale
                                    halteplannen komt in aanmerking voor cofinanciering.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het percentage aan cofinanciering ingevolge leden 4 en 5 wordt
                                    bij de vaststelling van het regionaal
                                    ontwerp-uitvoeringsprogramma toegankelijkheid in overleg
                                    vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> GGA-regio’s en gemeenten, die beschikken over voldoende
                                    middelen uit openbaar vervoer-reserves, welke resteren of
                                    voortvloeien uit convenanten inzake Regiotaxi’s, komen niet in
                                    aanmerking voor een bijdrage voor de verbetering van
                                    toegankelijkheid van haltevoorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Het uitvoeringsprogramma omvat van alle daarin opgenomen
                                    projecten de volledig ingevulde projectformats voor
                                    haltevoorzieningen zoals weergegeven in bijlage 10 bij deze
                                    subsidieregeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2.3.2 Reserveprojecten en
                                        overprogrammering</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De GGA-regio kan overprogrammeren door reserveprojecten in het
                                    regionale uitvoeringsprogramma op te nemen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien één of meerdere projecten door onvoorziene
                                    omstandigheden niet in uitvoering kunnen worden genomen in het
                                    jaar waarin de beschikking is afgegeven, waardoor het regionale
                                    budget van het desbetreffende uitkeringsjaar niet volledig
                                    dreigt te worden benut, kan de regio besluiten reserveprojecten
                                    in uitvoering te nemen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De GGA-regio neemt een besluit, als bedoeld in het vorige lid,
                                    en deelt Gedeputeerde Staten uiterlijk 1 september van het
                                    uitkeringsjaar mede, welk reserveproject of welke
                                    reserveprojecten in uitvoering worden genomen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De in het vorige lid omschreven mededeling aan Gedeputeerde
                                    Staten moet worden gezien als een verzoek tot subsidieverlening
                                    ten behoeve van het reserveproject en Gedeputeerde Staten
                                    verlenen dienovereenkomstig subsidie aan de desbetreffende
                                    gemeente(n).</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Reserveprojecten dienen in het jaar waarin de beschikking wordt
                                    afgegeven in uitvoering te worden genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2.3.3 Niet sparen voor "duurdere"
                                        projecten</vet></titel></kop><al>De GGA-regio kan van het jaarlijks regionale budget geen geld apart
                                zetten en reserveren met als doel om te sparen voor de uitvoering
                                van "duurdere" projecten in latere uitkeringsjaren.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2.3.4 Betrokkenheid maatschappelijke
                                        organisaties</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Maatschappelijke organisaties die in aanmerking willen komen
                                    voor cofinanciering voor kleine infrastructurele,
                                    niet-infrastructurele en/of innovatieve projecten, dienen
                                    hiertoe een verzoek in bij een, bij de desbetreffende GGA-regio
                                    aangesloten gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De GGA-regio stelt regels ten aanzien van de wijze waarop
                                    projecten en/of projectvoorstellen van maatschappelijke
                                    organisaties worden betrokken bij de totstandkoming van het
                                    regionale uitvoeringsprogramma.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een GGA-regio die, een krachtens het eerste lid ingediend
                                    voorstel, niet opneemt in het regionale uitvoeringsprogramma,
                                    omkleedt dit met redenen en doet hiervan schriftelijk mededeling
                                    aan de betreffende organisatie.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>Paragraaf 4 Cofinanciering SRE-projecten</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2.4.1 Regionaal uitvoeringsprogramma
                                        SRE-gebied</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het dagelijks bestuur van het SRE kan jaarlijks een verzoek
                                    indienen tot cofinanciering van een regionaal
                                    uitvoeringsprogramma van het SRE.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het beleidskader van het uitvoeringsprogramma, zoals bedoeld in
                                    het eerste lid, wordt gevormd door het provinciaal verkeers- en
                                    vervoerplan, het regionaal verkeers- en vervoerplan en de
                                    financieringsregeling van het SRE. In aanvulling hierop kunnen
                                    Gedeputeerde Staten van jaar tot jaar specifieke
                                    beleidspeerpunten formuleren.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor cofinanciering komen in aanmerking: </al><lijst><li nr="a."><al> Kleine infrastructurele projecten;</al></li><li nr="b."><al> Innovatieve projecten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het regionaal uitvoeringsprogramma is aantoonbaar gebaseerd op
                                    een integrale afweging tussen de projecten en omvat een
                                    beleidsmatige onderbouwing inzake de kwaliteit van de
                                    projecten.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De artikelen van de eerste titel van dit hoofdstuk alsmede
                                    artikel 2.2.2, artikel 2.2.3, artikel 2.2.4, artikel 2.3.1 lid 7
                                    en artikel 2.3.2 zijn overeenkomstig van toepassing.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><vet>HOOFDSTUK 2A. COFINANCIERING B5-PROGRAMMA</vet></titel></kop><paragraaf><kop><titel><vet>Paragraaf 1 Algemene uitgangspunten van cofinanciering
                                    B5-programma</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2a.1.1 Subsidiabele kosten infrastructurele
                                        projecten</vet></titel></kop><lijst><li nr=""><al>1. Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag aan
                                        cofinanciering ten behoeve van infrastructurele projecten,
                                        als bedoeld in deze subsidieregeling, komen in aanmerking de
                                        kosten van: </al><lijst><li nr=""><al>a. werkzaamheden van aanleg, bouw, wijziging of
                                                inrichting van de betrokken infrastructuur; </al></li><li nr=""><al>b. verwerving van een onroerende zaak voor zover
                                                door Gedeputeerde Staten aanvaardbaar en
                                                noodzakelijk geacht;</al></li><li nr=""><al>c. vergunningen en leges voor zover door
                                                Gedeputeerde Staten aanvaardbaar en noodzakelijk
                                                geacht;</al></li><li nr=""><al>d. materialen;</al></li><li nr=""><al>e. bijkomende voorzieningen nodig om de betrokken
                                                infrastructuur na voltooiing zijn functie te kunnen
                                                laten vervullen, zoals verlichting, bebording,
                                                markeringen en bewegwijzering;</al></li><li nr=""><al>f. met het project samenhangende en door
                                                Gedeputeerde Staten redelijk geachte
                                                schadevergoedingen aan derden, zulks met
                                                uitzondering van de vervanging van kabels en
                                                leidingen;</al></li><li nr=""><al>g. voorlichting over de uitvoering van het project
                                                als begeleiding gedurende de bouw voor zover door
                                                Gedeputeerde Staten aanvaardbaar geacht.</al></li></lijst></li><li nr=""><al>2. Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag aan
                                        cofinanciering als bedoeld in het eerste lid, blijven buiten
                                        beschouwing de onder a tot en met g bedoelde kosten, voor
                                        zover die betrekking hebben op: </al><lijst><li nr="a."><al> algemene bestuurslasten zoals ambtenarensalarissen
                                                en kantoorinventaris;</al></li><li nr="b."><al> voorbereidings-, administratie- en
                                                toezichtskosten;</al></li><li nr="c."><al> het uitvoeren van reguliere werkzaamheden. </al></li></lijst></li><li nr=""><al>3. Voor voorbereidings-, administratie- en toezichtskosten
                                        wordt een vast opslagpercentage van 15% over de totale
                                        subsidiabele projectkosten berekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2a.1.2 Subsidiabele kosten niet-infrastructurele
                                        projecten</vet></titel></kop><lijst><li nr=""><al>1. Bij de bepaling van de hoogte van een subsidie ten
                                        behoeve van niet-infrastructurele projecten komen in
                                        aanmerking, uitsluitend die kosten, die direct betrekking
                                        hebben op het betrokken project en voor zover die door
                                        Gedeputeerde Staten aanvaardbaar en noodzakelijk worden
                                        geacht. </al></li><li nr=""><al>2. Niet subsidiabel zijn:</al><lijst><li nr=""><al>a. beheer- en onderhoudskosten;</al></li><li nr=""><al>b. algemene bestuurslasten zoals
                                                ambtenarensalarissen en kantoorinventaris; </al></li><li nr=""><al>c. voorbereidings- en toezichtskosten.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2a.1.3 Op bijdrage in mindering te brengen
                                        kosten</vet></titel></kop><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het eerste lid worden op de hoogte van het bedrag
                                    aan cofinanciering in mindering gebracht de kosten van de
                                    uitvoering van onderhoud die de subsidie-ontvanger bespaart
                                    vanwege het niet uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2a.1.4 Verplichting tot instandhouden
                                        voorziening</vet></titel></kop><lijst><li nr=""><al>1. De met behulp van provinciale cofinanciering
                                        gerealiseerde voorzieningen of investeringen dienen minimaal
                                        vijf jaar in stand te worden gehouden en/of hun
                                        oorspronkelijk beoogde functie te behouden.</al></li><li nr=""><al>2. Indien de voorzieningen of investeringen binnen een
                                        periode van vijf jaar worden verwijderd, tenietgedaan of hun
                                        oorspronkelijke functie verliezen, kunnen Gedeputeerde
                                        Staten het verleende en/of vastgestelde subsidiebedrag aan
                                        cofinanciering geheel of gedeeltelijk terugvorderen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>Paragraaf 2 Procedure van besluitvorming en
                                    subsidieverlening</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2a.2.1 Regionale en provinciale
                                        besluitvorming</vet></titel></kop><lijst><li nr=""><al>1. De B5 stelt samen periodiek een
                                        ontwerp-uitvoeringsprogramma vast. </al></li><li nr=""><al>2. In het ontwerp/uitvoeringsprogramma, zoals bedoeld in het
                                        vorige lid kunnen de navolgende projecten worden opgenomen: </al><lijst><li nr=""><al>a. Grote infrastructurele projecten, die deel
                                                uitmaken van het deelprogramma Stedelijke
                                                Bereikbaarheid;</al></li><li nr=""><al>b. Grote infrastructurele projecten, kleine
                                                infrastructurele projecten en niet-infrastructurele
                                                projecten, die deel uitmaken van het deelprogramma
                                                OV/netwerk BrabantStad;</al></li><li nr=""><al>c. Grote infrastructurele projecten, kleine
                                                infrastructurele projecten en niet-infrastructurele
                                                projecten, die deel uitmaken van het deelprogramma
                                                DVM BrabantStad. </al></li></lijst></li><li nr=""><al>3. Het ontwerp-uitvoeringsprogramma wordt vastgesteld in een
                                        bestuurlijk B5-overleg, waaraan de participerende
                                        B5-gemeenten en de Provincie Noord-Brabant als
                                        gelijkgerechtigden deelnemen.</al></li><li nr=""><al>4. De B5 dienen het door hen vastgestelde
                                        ontwerp-uitvoeringsprogramma in bij Gedeputeerde Staten,
                                        uiterlijk 1 december van het jaar voorafgaand aan het
                                        uitkeringsjaar.</al></li><li nr=""><al>5. Indien de deelnemende partijen in bestuurlijk B5-overleg
                                        zoals bedoeld in het derde lid, het
                                        ontwerp-uitvoeringsprogramma unaniem vaststellen, zullen
                                        Gedeputeerde Staten het door de B5 vastgestelde programma
                                        ongewijzigd overnemen en definitief vaststellen. </al></li><li nr=""><al>6. Indien de deelnemende partijen in B5 verband, zoals
                                        bedoeld in het derde lid, niet unaniem tot een besluit
                                        komen, zullen Gedeputeerde Staten het uitvoeringsprogramma
                                        naar eigen inzicht definitief vaststellen.</al></li><li nr=""><al>7. Gedeputeerde Staten stellen het uitvoeringsprogramma
                                        vast, uiterlijk 16 maart van het jaar waarop de uitkering
                                        betrekking heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2a.2.2 Aanvraag, subsidieverlening en start
                                        werkzaamheden</vet></titel></kop><lijst><li nr=""><al>1. Een krachtens artikel 2a.2.1 vierde lid bij Gedeputeerde
                                        Staten ingediend ontwerp-uitvoeringsprogramma, wordt tevens
                                        beschouwd als een bundel subsidieaanvragen voor de daarin
                                        opgenomen projecten. </al></li><li nr=""><al>2. Na vaststelling van een uitvoeringsprogramma door
                                        Gedeputeerde Staten verlenen Gedeputeerde Staten subsidie
                                        per project overeenkomstig het door hen vastgestelde
                                        uitvoeringsprogramma.</al></li><li nr=""><al>3. Projecten die op het moment van de aanvraag reeds zijn
                                        aanbesteed én gegund, en/of in uitvoering zijn genomen,
                                        komen niet voor een subsidie in aanmerking, tenzij hier voor
                                        schriftelijke toestemming is gevraagd en verkregen bij
                                        Gedeputeerde Staten. </al></li><li nr=""><al>4. Indien een aanvrager, voorafgaand aan de vaststelling van
                                        een uitvoeringsprogramma door Gedeputeerde Staten, van start
                                        gaat met de activiteiten waarvoor subsidie is gevraagd, dan
                                        geschiedt dat geheel voor eigen risico.</al></li><li nr=""><al>5. De opdrachtverlening van een project vindt plaats
                                        uiterlijk in het jaar na het jaar waarin de beschikking
                                        wordt afgegeven of op een nader overeengekomen tijdstip.
                                        Vindt opdrachtverlening van het project niet plaats binnen
                                        de in de vorige volzin bedoelde termijnen, dan wordt de
                                        toegekende financiële bijdrage ambtshalve ingetrokken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2a.2.3 Declaratie en betaling</vet></titel></kop><lijst><li nr=""><al>1. Indien het bedrag van subsidieverlening meer dan € 50.000
                                        bedraagt, kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek van de
                                        subsidieontvanger op basis van een tussentijdse declaratie
                                        overgaan tot uitbetaling van de in de subsidieverlening
                                        toegekende bedragen. </al></li><li nr=""><al>2. Een tussentijdse declaratie en overeenkomstige
                                        bevoorschotting van maximaal 50% van de bij
                                        subsidieverlening toegekende bijdrage, kan plaatsvinden nad
                                        de ontvanger minimaal 50% van de, in de
                                        verleningsbeschikking aangegeven totale subsidiabele kosten
                                        heeft gerealiseerd. </al></li><li nr=""><al>3. De einddeclaratie en bevoorschotting van maximaal 100%
                                        van de bij subsidieverlening toegekende bijdrage, kan
                                        plaatsvinden nadat het project of werk is afgerond. Deze
                                        declaratie wordt uiterlijk 1 december van het tweede jaar na
                                        het jaar waarin subsidieverlening heeft plaatsgevonden
                                        ingediend.</al></li><li nr=""><al>4. Declaraties zoals hiervoor bedoeld in lid 2 en lid 3
                                        worden ingediend met gebruikmaking van een daartoe door
                                        Gedeputeerde Staten vastgesteld declaratieformulier.</al></li><li nr=""><al>5. In afwijking van lid 2 en van lid 3 kunnen in de
                                        verleningsbeschikking andere percentages worden
                                        opgenomen.</al></li><li nr=""><al>6. In afwijking van lid 2 en van lid 3 kan een ander
                                        kasritme worden afgesproken. </al></li><li nr=""><al>7.In afwijking van lid 3, tweede volzin, kunnen Gedeputeerde
                                        Staten, indien hierom bij het indienen van de
                                        subsidieaanvraag wordt verzocht, instemmen met een ander
                                        tijdstip voor het indienen van de declaratie.</al></li><li nr=""><al>8. In de verleningsbeschikking kunnen Gedeputeerde Staten
                                        nadere voorwaarden stellen ten aanzien van de declaraties
                                        zoals bedoeld onder lid 2 en 3 van dit artikel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2a.2.4 Uitstelverlening</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen op een daartoe door de aanvrager
                                ingediend verzoek eenmalig de termijn van opdrachtverlening, bedoeld
                                in artikel 2a.2.2, vijfde lid, tweede volzin, respectievelijk van
                                het tijdstip voor het indienen van de einddeclaratie, bedoeld in
                                artikel 2a.2.3, derde lid, met maximaal één jaar verlengen, indien
                                de aanvrager aantoont dat hij zich niet aan de voorgeschreven
                                termijnen kan voldoen vanwege:</al><lijst><li nr="a."><al> niet tijdig kunnen verwerven van de benodigde gronden als
                                        gevolg van wettelijke of procedurele oorzaken, die niet aan
                                        de subsidieaanvrager te wijten zijn, mits op redelijke
                                        termijn zicht is op daadwerkelijke grondverwerving;</al></li><li nr="b."><al> het langer in beslag nemen dan gepland van de
                                        bestemmingsplanprocedure als gevolg van wettelijke,
                                        juridische of procedurele zaken;</al></li><li nr="c."><al> vertraging in samenhangende projecten of beïnvloeding van
                                        andere projecten waardoor aanvrager gedwongen is de
                                        uitvoeringsperiode te verlengen;</al></li><li nr="d."><al> vertraging in de uitvoering als gevolg van extreme of
                                        onverwachte weersomstandigheden; of</al></li><li nr="e."><al> vertraging in de opdrachtverlening of in de uitvoering als
                                        gevolg van andere aan derden toe te schrijven
                                        omstandigheden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2a.2.5 Subsidievaststelling </vet></titel></kop><al>Uiterlijk 13 weken na ontvangst van de vastgestelde gemeentelijke
                                jaarrekening (inclusief de SiSa-bijlage en rapport van bevindingen),
                                die via het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt gedistribueerd,
                                stellen Gedeputeerde Staten de subsidie ambtshalve vast. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>Paragraaf 3 Samenstelling B5 -
                                uitvoeringsprogramma</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2a.3.1 Kwaliteitseisen
                                        B5-uitvoeringsprogramma</vet></titel></kop><al>De B5 neemt, bij het opstellen van het uitvoeringsprogramma, de
                                volgende kwaliteitseisen in acht:</al><lijst><li nr=""><al>1. Het programma is de resultante van een periodieke dialoog
                                        tussen de regionale partners binnen het Netwerkprogramma
                                        BrabantStad Bereikbaar over de beoogde kwaliteit van de
                                        projecten en van de integrale afweging tussen de projecten;
                                    </al></li><li nr=""><al>2. Het programma geeft aan hoe de voorgenomen projecten de
                                        in de Netwerkanalyse BrabantStad en/of in de Gebiedagenda
                                        Brabant benoemde opgaven aanpakken;</al></li><li nr=""><al>3. Het programma geeft een meerjarig perspectief van de
                                        voorgenomen projecten;</al></li><li nr=""><al>4. De cofinanciering bedraagt maximaal 50% van de totale
                                        subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 2a.1.1, eerste lid,
                                        respectievelijk artikel 2a.1.2, eerste lid, voor het gehele
                                        programma, verminderd met de in artikel 2a.1.1, tweede lid,
                                        artikel 2a.1.2, tweede lid en artikel 2a.1.3 bedoelde
                                        kosten;</al></li><li nr=""><al>5. Voor het samenstellen van het programma wordt gebruik
                                        gemaakt van het daartoe door Gedeputeerde Staten
                                        vastgestelde E-formulier. Het programma is een resultante
                                        van de door de B5 ingediende bundel E-formulieren.</al></li><li nr=""><al>6. Bij het samenstellen van het uitvoeringsprogramma wordt
                                        rekening gehouden met de herkomst en het oormerk van de te
                                        verdelen financiële middelen.</al></li><li nr=""><al>7. Indien en voor zover Provinciale Staten voor meerdere
                                        jaren budget beschikbaar stellen, kan de B5 een daarmee
                                        samenhangend meerjarenprogramma indienen. </al></li><li nr=""><al>8. Bij de samenstelling van een uitvoeringsprogramma voor
                                        meerdere jaren, zoals bedoeld in het vorige lid, mag voor
                                        het eerstvolgende en latere jaren niet meer worden
                                        geprogrammeerd dan maximaal 50% van het dan beschikbare
                                        jaarbudget van de betreffende jaren. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2a.3.2 Reserveprojecten en
                                        overprogrammering</vet></titel></kop><lijst><li nr=""><al>1. De B5 kan overprogrammeren door reserveprojecten in het
                                        uitvoeringsprogramma op te nemen.</al></li><li nr=""><al>2. Indien één of meerdere projecten door onvoorziene
                                        omstandigheden niet in uitvoering kunnen worden genomen in
                                        het jaar waarin de beschikking is afgegeven, waardoor het
                                        budget van het desbetreffende uitkeringsjaar niet volledig
                                        dreigt te worden benut, kan de B5 besluiten reserveprojecten
                                        in uitvoering te nemen. </al></li><li nr=""><al>3. De B5 neemt een besluit, als bedoeld in het vorige lid,
                                        en deelt Gedeputeerde Staten uiterlijk 1 september van het
                                        uitkeringsjaar mede, welk reserveproject of welke
                                        reserveprojecten in uitvoering worden genomen. </al></li><li nr=""><al>4. De in het vorige lid omschreven mededeling aan
                                        Gedeputeerde Staten moet worden gezien als een verzoek tot
                                        subsidieverlening ten behoeve van het reserveproject en
                                        Gedeputeerde Staten verlenen dienovereenkomstig subsidie aan
                                        de desbetreffende gemeente(n).</al></li><li nr=""><al>5. Reserveprojecten dienen in het jaar waarin de beschikking
                                        wordt afgegeven in uitvoering te worden genomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2a.3.3 Niet sparen voor "duurdere"
                                        projecten</vet></titel></kop><al>De B5 kan van het jaarlijks regionale budget geen geld apart zetten
                                en reserveren met als doel om te sparen voor de uitvoering van
                                "duurdere" projecten in latere uitkeringsjaren.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><vet>HOOFDSTUK 3. PROVINCIEBREDE PROJECTEN</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 3.1 Subsidiëring provinciebrede
                                projecten</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor provinciebrede
                                projecten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast ten
                                behoeve van provinciebrede projecten.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><vet>HOOFDSTUK 4. COFINANCIERING PERSONENVERVOER</vet></titel></kop><paragraaf><kop><titel><vet>Paragraaf 1 Algemene uitgangspunten van
                                cofinanciering</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.1.1 Reizigersoverleg Brabant</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen per kalenderjaar een bedrag of een
                                    percentage van de brede doeluitkering te reserveren ten behoeve
                                    van het Reizigersoverleg Brabant. Dit gereserveerde bedrag kan
                                    worden aangewend ten behoeve van de kosten die door het
                                    Reizigersoverleg Brabant gemaakt worden om hun taak ten aanzien
                                    van het openbaar vervoer in voldoende vrijheid uit te kunnen
                                    oefenen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten zijn bevoegd terzake van besluiten
                                    betreffende de verlening en/of vaststelling van middelen uit dit
                                    gereserveerde bedrag, alsmede tot wijziging of intrekking
                                    daarvan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien in een bepaald kalenderjaar het gereserveerde bedrag
                                    niet geheel wordt aangewend, wordt op het gereserveerde bedrag
                                    dat in het daaropvolgende kalenderjaar wordt afgezonderd het
                                    restant in mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.1.2 Beslissingstermijn Gedeputeerde
                                        Staten</vet></titel></kop><al>Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag tot verlening van
                                subsidie voor een van de in dit hoofdstuk opgenomen
                                subsidiemogelijkheden binnen 3 maanden na ontvangst van de aanvraag
                                tot subsidieverlening, met uitzondering van die gevallen waarin
                                ambtshalve subsidie wordt verleend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.3 Subsidieplafonds</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten stellen ten behoeve van de hierna te
                                onderscheiden subsidies per kalenderjaar een subsidieplafond vast
                                voor:</al><lijst><li nr="a."><al> de subsidies voor de exploitatie van het collectief
                                        vraagafhankelijk vervoer,</al></li><li nr="b."><al> de subsidies ten behoeve van de verbetering van de
                                        toegankelijkheid van het openbaar vervoer,</al></li><li nr="c."><al> de subsidies ten behoeve van de verbetering van de sociale
                                        veiligheid van het openbaar vervoer en</al></li><li nr="d."><al> de subsidies ten behoeve van de stimulering van het
                                        bedrijfsvervoer.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Subsidies voor het verrichten van openbaar
                                vervoer</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.1</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen aan de vervoerders aan wie concessie is
                                verleend voor de duur van de concessie subsidie verlenen voor het
                                verrichten van openbaar vervoer.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.2</titel></kop><al>Subsidieverlening als bedoeld in artikel 4.2.1 vindt ambtshalve
                                plaats en geschiedt overeenkomstig de bepalingen die hierover zijn
                                opgenomen in de Programma’s van Eisen die ten behoeve van de
                                concessieverlening zijn opgesteld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.2a</titel></kop><al>Subsidieverlening als bedoeld in artikel 4.2.1 kan ook op verzoek
                                plaatsvinden in gevallen die buiten de bepalingen vallen die
                                hierover zijn opgenomen in de Programma’s van Eisen die ten behoeve
                                van de concessieverlening zijn opgesteld.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.2.3</vet></titel></kop><al>Gedeputeerde Staten stellen binnen 3 maanden nadat de
                                subsidieontvanger de voor vaststelling noodzakelijke gegevens heeft
                                ingediend, ambtshalve de definitieve subsidie vast. Vaststelling van
                                de subsidie geschiedt overeenkomstig de bepalingen die hierover zijn
                                opgenomen in de Programma’s van Eisen die ten behoeve van de
                                concessieverlening zijn opgesteld.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>Paragraaf 3 Subsidies voor het verrichten van collectief
                                    vraagafhankelijk vervoer.</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.3.1</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen per collectief vraagafhankelijk
                                    vervoer project een subsidieplafond vast, dat gelijk is aan het
                                    bedrag dat op basis van de bekostigingssystematiek aan het
                                    project kan worden toegerekend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen uit het in lid 1 bedoelde bedrag
                                    subsidie verlenen voor de exploitatie van collectief
                                    vraagafhankelijk vervoer en voor investeringen in collectief
                                    vraagafhankelijk vervoer en andere onderdelen van het openbaar
                                    vervoer. Zij doen dit voor de exploitatie op basis van de per
                                    project gesloten overeenkomst met een vervoerder of
                                    vervoerscoördinator en voor de investeringen op basis van een
                                    bestuursovereenkomst welke terzake van het collectief
                                    vraagafhankelijk vervoer met een of meerdere gemeenten, al dan
                                    niet met andere partners, is gesloten. Zij kunnen besluiten hun
                                    beheerskosten voor het project te dekken uit het subsidiebedrag
                                    als bedoeld in lid 1 van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten verlenen subsidie voor de exploitatie van
                                    CVV op basis van de door een reiziger gemaakte rit.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De subsidie wordt verleend aan rechtspersonen met volledige
                                    rechtsbevoegdheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.3.2</vet></titel></kop><al>Subsidieverlening als bedoeld in artikel 4.3.1 vindt ambtshalve
                                plaats en geschiedt ofwel overeenkomstig een bestuursovereenkomst
                                die ten behoeve van het verrichten van collectief vraagafhankelijk
                                vervoer (cvv) tussen de samenwerkende partijen is afgesloten ofwel
                                middels een contract dat met een beroepsvervoerder is
                                afgesloten.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.3.3</vet></titel></kop><al><vet>G</vet>edeputeerde Staten stellen jaarlijks binnen 3 maanden
                                nadat de subsidieontvanger aan al zijn verplichtingen voortvloeiende
                                uit de subsidieverlening heeft voldaan, ambtshalve de definitieve
                                subsidie vast.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.3.4</vet></titel></kop><al>Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de in de
                                subsidievaststelling opgenomen termijn betaald, onder verrekening
                                van de betaalde voorschotten.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>Paragraaf 4 Subsidies ten behoeve van de verbetering van de
                                    toegankelijkheid en ten behoeve van de verbetering van de
                                    sociale veiligheid van het collectief vervoer.</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.4.1.1 Cofinanciering toegankelijkheid
                                        haltevoorzieningen</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen voor iedere halte die in de periode
                                    van 1 januari 2008 tot en met 31 maart 2009 toegankelijk wordt
                                    gemaakt een vast bedrag van € 15.000 en voor iedere halte
                                    waarvan de werkzaamheden van het toegankelijk maken uiterlijk op
                                    31 december 2011 zijn gegund of aanbesteed en die uiterlijk op
                                    31 december 2012 toegankelijk is gemaakt een vast bedrag van €
                                    12.500 aan subsidie verlenen, mits: </al><lijst><li nr="a."><al> het toegankelijk maken van de halte geschiedt
                                            overeenkomstig de in bijlage 7 opgenomen criteria
                                            en</al></li><li nr="b."><al> de halte behoort tot de categorieën 2 tot en met 4 van
                                            de in bijlage 8 opgenomen geprioriteerde haltes.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen voor iedere halte waarvan de
                                    werkzaamheden van het toegankelijk maken uiterlijk op 31
                                    december 2011 zijn gegund of aanbesteed en die uiterlijk 31
                                    december 2012 toegankelijk is gemaakt een ander bedrag aan
                                    subsidie verlenen dan de in lid 1 van dit artikel aangegeven
                                    bedragen, mits: </al><lijst><li nr="a."><al> het toegankelijk maken van de halte geschiedt
                                            overeenkomstig de in bijlage 7 opgenomen criteria
                                            en</al></li><li nr="b."><al> de halte behoort tot categorie 1 van de in bijlage 8
                                            opgenomen geprioriteerde haltes of behoort tot categorie
                                            2 van de in bijlage 8 opgenomen geprioriteerde haltes
                                            mits de infrastructuur van de tot categorie 2 behorende
                                            halte uit meer dan één insteekhaven bestaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ten behoeve van het kunnen vaststellen van het middels lid 2
                                    van dit artikel te verlenen subsidiebedrag wordt bij de
                                    subsidieaanvraag een gespecificeerde kostenraming voor het
                                    fysiek toegankelijk maken van de betreffende halte
                                    overlegd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen voor een geprioriteerde halte, die
                                    voor 1 januari 2008 gedeeltelijk toegankelijk is gemaakt, op
                                    verzoek van de gemeente, waarin deze halte is gelegen, voor het
                                    volledig toegankelijk maken van de halte een ander bedrag aan
                                    subsidie verlenen dan de in lid 1 van dit artikel aangegeven
                                    bedragen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen voor iedere bushalte waarvan de
                                    werkzaamheden van het toegankelijk maken uiterlijk op 31
                                    december 2012 zijn aanbesteed en gegund en die uiterlijk op 31
                                    december 2013 toegankelijk is gemaakt een bedrag van maximaal €
                                    12.500 aan subsidie verlenen, indien: </al><lijst><li nr="a."><al> het toegankelijk maken van de bushalte geschiedt
                                            overeenkomstig de in bijlage 7 opgenomen criteria,
                                            en</al></li><li nr="b."><al> de bushalte behoort tot de in bijlage A opgenomen
                                            geprioriteerde bushaltes.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen voor ieder busstation waarvan de
                                    werkzaamheden van het toegankelijk maken uiterlijk op 31
                                    december 2012 zijn aanbesteed en gegund en die uiterlijk 31
                                    december 2013 toegankelijk is gemaakt afwijken van het bedrag
                                    genoemd in het vorige lid, indien: </al><lijst><li nr="a."><al> het toegankelijk maken van het busstation geschiedt
                                            overeenkomstig de in bijlage 7 opgenomen criteria,
                                            en</al></li><li nr="b."><al> het busstation behoort tot de in bijlage B opgenomen
                                            geprioriteerde busstations.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.4.1.2 Reikwijdte regeling</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor het aanschaffen en plaatsen van haltemeubilair wordt geen
                                    subsidie verleend, tenzij het aanschaffen en plaatsen van het
                                    haltemeubilair betrekking heeft op een geprioriteerde halte
                                    langs een weg, die bij de provincie Noord-Brabant in beheer en
                                    onderhoud is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij toepassing van het vorige lid kunnen gemeenten, wanneer de
                                    aanschaf en plaatsing van haltemeubilair geheel geschiedt
                                    overeenkomstig de in bijlage 9 opgenomen criteria, verzoeken om
                                    de kosten volledig voor cofinanciering in aanmerking te laten
                                    komen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Haltes die op het moment van de aanvraag reeds ten behoeve van
                                    het toegankelijk maken zijn aanbesteed én gegund, of die reeds
                                    in uitvoering zijn genomen, komen niet voor een subsidie op
                                    grond van voorgaand artikel in aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien een aanvrager, voorafgaand aan de verlening van
                                    cofinanciering door Gedeputeerde Staten, van start gaat met de
                                    activiteiten waarvoor subsidie is gevraagd, dan geschiedt dat
                                    geheel voor eigen risico.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Een gemeente kan een subsidieaanvraag indienen voor haltes die
                                    binnen de gemeentegrenzen van de betreffende gemeente zijn
                                    gelegen. In de aanvraag kan zowel voor individuele haltes als
                                    voor clusters van haltes om cofinanciering verzocht worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.4.1.3 Aanvraag cofinanciering</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een aanvraag voor cofinanciering voor het toegankelijk maken
                                    van haltevoorzieningen wordt ingediend met gebruikmaking van het
                                    formulier, zoals in bijlage 10 is weergegeven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Over iedere aanvraag om cofinanciering wordt door Gedeputeerde
                                    Staten advies gevraagd aan een onafhankelijke deskundige.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Deze deskundige heeft tot taak om Gedeputeerde Staten van
                                    advies te dienen of bij iedere aanvraag om cofinanciering aan de
                                    in de bijlagen opgenomen criteria voor toegankelijkheid is
                                    voldaan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Gedeputeerde Staten beslissen over de subsidieaanvraag binnen
                                    uiterlijk 13 weken na ontvangst van het volledig ingevulde
                                    aanvraagformulier. Zij kunnen de termijn waarbinnen zij moeten
                                    beslissen slechts eenmaal met ten hoogste 13 weken
                                    verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.4.1.4 Bijdragen uit ander bron</vet></titel></kop><al>De kosten, welke redelijkerwijs ten laste van andere kostendragers
                                kunnen worden gebracht, worden in mindering gebracht op de in
                                artikel 4.4.1.1 aangegeven cofinancieringsbedragen.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.4.1.5 Verplichting tot instandhouden
                                        voorziening</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De met behulp van provinciale cofinanciering gerealiseerde
                                    voorzieningen of investeringen dienen minimaal vijf jaar in
                                    stand te worden gehouden en hun oorspronkelijk beoogde functie
                                    te behouden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen het vastgestelde bedrag aan
                                    cofinanciering geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien de
                                    voorzieningen of investeringen binnen een periode van vijf jaar
                                    worden verwijderd, tenietgedaan of hun oorspronkelijke functie
                                    verliezen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.4.1.6 Declaratie en uitbetaling</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Na afronding van het project of van de activiteiten waarvoor
                                    subsidie is verleend, kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek van
                                    de subsidieontvanger op basis van een ingevuld en ingediend
                                    eindtoetsformulier, zoals in bijlage 11 is weergegeven, overgaan
                                    tot uitbetaling van het krachtens de subsidieverlening
                                    toegekende bedrag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de subsidieverlening meer dan € 50.000 bedraagt, kunnen
                                    Gedeputeerde Staten op verzoek van de subsidieontvanger op basis
                                    van een tussentijdse declaratie overgaan tot uitbetaling van de
                                    bij subsidieverlening toegekende bedragen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een tussentijdse declaratie en overeenkomstige bevoorschotting
                                    van maximaal 50% van de bij verlening toegekende bijdrage, kan
                                    plaatsvinden nadat de ontvanger minimaal 50% van de, in de
                                    verleningsbeschikking aangegeven totale subsidiabele kosten
                                    heeft gerealiseerd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Een einddeclaratie en bevoorschotting van maximaal 100% van de
                                    bij de subsidieverlening toegekende bijdrage, kan plaatsvinden
                                    nadat het project is afgerond.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Declaraties worden ingediend met gebruikmaking van een daartoe
                                    door Gedeputeerde Staten vastgesteld declaratieformulier en gaan
                                    vergezeld van een overzicht van de data van alle wijzigingen die
                                    op de halte(s) zijn uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> In afwijking van lid 3 en van lid 4 kunnen in de
                                    verleningsbeschikking andere percentages worden opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> In de verleningsbeschikking kunnen Gedeputeerde Staten nadere
                                    voorwaarden stellen ten aanzien van de declaraties zoals bedoeld
                                    onder lid 3 en lid 4 van dit artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.4.1.7 Subsidievaststelling</vet></titel></kop><al>Uiterlijk 13 weken na ontvangst van de vastgestelde gemeentelijke
                                jaarrekening (inclusief de SiSa-bijlage en rapport van bevindingen),
                                die via het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt gedistribueerd,
                                stellen Gedeputeerde Staten de subsidie ambtshalve vast.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.4.2.1 Verbetering sociale veiligheid openbaar
                                        vervoer</vet></titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen aan de vervoerders, aan wie concessie
                                voor het verrichten van openbaar vervoer is verleend, subsidie
                                verlenen ter bekostiging van projecten welke bijdragen aan de
                                verbetering van de sociale veiligheid van het openbaar vervoer.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.4.2.2 Reikwijdte</vet></titel></kop><al>De subsidies als bedoeld in artikel 4.4.2.1 worden uitsluitend
                                verleend voor projecten die worden uitgevoerd in de gebieden en/of
                                voor die lijnen waar de provincie Noord-Brabant verantwoordelijk is
                                voor het (laten) exploiteren van het openbaar vervoer als bedoeld in
                                de Wp 2000 en het Besluit personenvervoer 2000.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.4.2.3</vet></titel></kop><al>Een aanvraag van een subsidie als bedoeld in artikel 4.4.2.1 van
                                deze beleidsregels dient te worden ingediend tenminste 3 maanden
                                voordat met de uitvoering van het project een begin wordt
                                gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.4.2.4</vet></titel></kop><al>De subsidieontvanger dient binnen 3 maanden na afloop van het
                                project waarvoor subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling
                                van de subsidie in.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.4.2.5</vet></titel></kop><al>Gedeputeerde Staten beslissen binnen 3 maanden na de datum van
                                ontvangst op de aanvraag ingevolge artikel 4.4.2.4 van deze
                                beleidsregels. Deze beslissing kan eenmaal voor ten hoogste drie
                                maanden worden verdaagd.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.4.2.6</vet></titel></kop><al>De betaling van het ingevolge artikel 4.4.2.5 vastgestelde
                                subsidiebedrag vindt plaats binnen 3 maanden na het besluit tot
                                subsidievaststelling.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>Paragraaf 5 Subsidies voor het stimuleren van
                                    bedrijfsvervoer.</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.5.1 </vet></titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen per kalenderjaar een bedrag of een
                                percentage van de brede doeluitkering reserveren ten behoeve van het
                                stimuleren van bedrijfsvervoer.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.5.2</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen aan een werkgever of aan een
                                    organisatie, die eventueel als gemachtigde namens meerdere
                                    werkgevers op een werkplek optreedt, subsidie verlenen voor de
                                    kosten van het verrichten van bedrijfsvervoer dat ter uitvoering
                                    van een bedrijfsvervoerplan plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie wordt slechts verleend, onder voorwaarde, dat het
                                    jaarlijks door Gedeputeerde Staten vastgestelde subsidieplafond
                                    voor de stimulering van bedrijfsvervoer niet wordt
                                    overschreden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.5.3</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een aanvraag voor subsidie wordt tenminste 3 maanden voor de
                                    aanvang van het kalenderjaar waarvoor subsidie wordt
                                    aangevraagd, ingediend bij Gedeputeerde Staten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen formulieren voor de aanvraag van
                                    subsidie voor bedrijfsvervoer en voor de vaststelling van
                                    subsidie voor bedrijfsvervoer vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.5.4</vet></titel></kop><al>De subsidieaanvraag omvat:</al><lijst><li nr="a."><al> een bedrijfsvervoerplan met de naam en het adres van de
                                        betrokken werkgever(-s), de te rijden route(s), een
                                        overzicht van de halteplaatsen, het aantal reizigers, het
                                        aantal geraamde dagen waarop de werknemers aan het
                                        bedrijfsvervoer deelnemen, schema van reismogelijkheden en
                                        een overzicht van de in te zetten motorvoertuigen.</al></li><li nr="b."><al> een vermelding van het kalenderjaar waarvoor subsidie voor
                                        bedrijfsvervoer wordt aangevraagd;</al></li><li nr="c."><al> een machtiging ingeval de aanvrager optreedt namens één of
                                        meerdere werkgevers;</al></li><li nr="d."><al> een afschrift van eventueel gesloten overeenkomsten met een
                                        beroepsvervoerder voor het verrichten van
                                        bedrijfsvervoer;</al></li><li nr="e."><al> een afschrift van een uittreksel uit het Handelsregister
                                        van de aanvrager, en voor zover de aanvrager gemachtigd is
                                        door één of meerdere werkgevers, afschriften van de
                                        uittreksels uit het Handelsregister van de bedrijven die
                                        hij/zij vertegenwoordigt;</al></li><li nr="f."><al> een verklaring betreffende de vorm van zeggenschap van de
                                        werkgever(s) over de locatie waar de deelnemers aan het
                                        bedrijfsvervoer hun werkzaamheden uitvoeren;</al></li><li nr="g."><al> bescheiden die aantonen dat de aanvrager geen
                                        reiskostenvergoeding betaalt aan werknemers die gebruik
                                        maken van het bedrijfsvervoer;</al></li><li nr="h."><al> een verklaring van de aanvrager dat ten behoeve van het
                                        bedrijfsvervoer geen gebruik wordt gemaakt van andere
                                        subsidie mogelijkheden;</al></li><li nr="i."><al> een raming van het aantal dagen in het bedrijfsvervoerplan,
                                        gecorrigeerd met 5 procent voor ziekteverzuim en voor het
                                        gemiddelde aantal verlofdagen en adv dagen waarop de
                                        betrokken werknemers jaarlijks recht hebben.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.5.5</vet></titel></kop><al>De subsidieaanvraag wordt getoetst aan de volgende criteria:</al><lijst><li nr="1."><al> De werkplek is gelegen in de provincie Noord-Brabant.
                                        Alleen bedrijven met werkplekken, gelegen in het gebied
                                        waarvoor de provincie het bevoegde gezag is voor het
                                        openbaar vervoer, komen voor subsidie in aanmerking.</al></li><li nr="2."><al> Het bedrijfsvervoer wordt verricht met motorvoertuigen
                                        ingericht voor het vervoer van minimaal acht personen, de
                                        bestuurder daaronder niet begrepen.</al></li><li nr="3."><al> Het bedrijfsvervoer wordt gedurende het hele kalenderjaar
                                        waarvoor subsidie is aangevraagd, uitgevoerd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.5.6</vet></titel></kop><al>Subsidie voor bedrijfsvervoer wordt niet verleend:</al><lijst><li nr="1."><al> Indien ten behoeve van het bedrijfsvervoer andere bijdragen
                                        van overheidswege worden verstrekt.</al></li><li nr="2."><al> Indien de werkgever geen op het privaatrecht gebaseerde
                                        zeggenschap of recht van gebruik op de werkplek heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.5.7</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie wordt verleend voor de periode van één
                                    kalenderjaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De subsidie bedraagt het door Gedeputeerde Staten hiervoor per
                                    deelnemende werknemer per dag vastgestelde bedrag. De maximale
                                    subsidie aan een aanvrager wordt bepaald door het in het
                                    bedrijfsvervoerplan geraamde aantal dagen, dat de werknemers aan
                                    het bedrijfsvervoer deelnemen, te vermenigvuldigen met het
                                    daartoe door Gedeputeerde Staten per deelnemende werknemer per
                                    dag vastgestelde bedrag.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De subsidie wordt in het volgende kalenderjaar vastgesteld op
                                    basis van nacalculatie conform artikel 4.5.11 van deze
                                    subsidieregeling.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De subsidie bedraagt € 1,45 per werknemer per dag en wordt met
                                    ingang van 1 januari 2011 verhoogd naar €1,70 per werknemer per
                                    dag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.5.8</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De aanvrager draagt zorg voor verrichting van het
                                    bedrijfsvervoer in overeenstemming met het
                                    bedrijfsvervoerplan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De aanvrager houdt een lijst bij van werknemers die gebruik
                                    maken van het bedrijfsvervoer (tellijsten).</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De aanvrager informeert Gedeputeerde Staten onverwijld over
                                    wijzigingen in en afwijkingen van het bedrijfsvervoerplan, die
                                    leiden tot wijziging van het aantal deelnemende werknemers.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De aanvrager verschaft op verzoek van Gedeputeerde Staten alle
                                    bescheiden en inlichtingen die nodig zijn om te beoordelen of de
                                    aanvrager voldoet aan zijn subsidieverplichtingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.5.9</vet></titel></kop><al>Indien een aanvrager in het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor
                                een subsidie wordt gevraagd reeds subsidie heeft ontvangen op grond
                                van de Cofinancieringsregeling Verkeer en Vervoer Noord-Brabant, kan
                                een hernieuwde aanvraag voor het nieuwe kalenderjaar beperkt blijven
                                tot:</al><lijst><li nr="a."><al> een verwijzing naar de eerder ingediende aanvraag;</al></li><li nr="b."><al> vermelding van wijzigingen ten opzichte van die
                                        aanvraag;</al></li><li nr="c."><al> een overzicht van het totaal aantal gerealiseerde dagen
                                        waarop de werknemers aan het bedrijfsvervoerplan hebben
                                        deelgenomen in het afgelopen jaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.5.10</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten verlenen met voorrang subsidie aan
                                    aanvragers als bedoeld in artikel 4.5.9 van deze
                                    beleidsregels.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Hierna wordt met voorrang subsidie verleend aan aanvragers,
                                    waarvan de aanvraag door Gedeputeerde Staten is afgewezen op
                                    grond van het feit, dat bij het honoreren van de betreffende
                                    aanvraag het maximaal door Gedeputeerde Staten vastgestelde
                                    bedrag voor bedrijfsvervoer zou worden overschreden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten verlenen voorts aan aanvragers subsidie op
                                    basis van de volgorde van binnenkomst van de aanvrage.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.5.11</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De aanvrager dient binnen 3 maanden na afloop van het
                                    kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft, of na
                                    beëindiging van het bedrijfsvervoer, bij Gedeputeerde Staten een
                                    verzoek tot vaststelling van de subsidie voor bedrijfsvervoer
                                    in.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De aanvraag tot vaststelling gaat vergezeld van een overzicht
                                    van het in het betreffende kalenderjaar gerealiseerde aantal
                                    dagen waarop de werknemers aan het bedrijfsvervoerplan hebben
                                    deelgenomen en een daarop betrekking hebbende
                                    accountantsverklaring of bestuursverklaring.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op basis van het aantal dagen waarop de werknemers
                                    daadwerkelijk aan het bedrijfsvervoer hebben deelgenomen wordt
                                    de definitieve subsidie vastgesteld, waarbij als maximum geldt
                                    het ingevolge artikel 4.5.7 lid 2 van deze subsidieregeling
                                    bepaalde bedrag van de subsidie.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>Paragraaf 6 Collectief vervoer
                                ontwikkelingsprojecten</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4.6.1 Collectief Vervoer
                                    Ontwikkelproject</vet></titel></kop><al>Gedeputeerde Staten zijn bevoegd subsidies te verlenen voor de
                                bekostiging van activiteiten welke passen in de ontwikkeling van het
                                beleid met betrekking tot het collectief vervoer van personen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><vet>HOOFDSTUK 5. SLOTBEPALINGEN</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 5.1 Hardheidsclausule</vet></titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen in individuele gevallen bepalingen in deze
                            regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover
                            toepassing gelet op het belang van stimulering van het verkeer en
                            vervoer zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 5.2 Intrekking</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De regeling Extra investeringsimpuls infrastructuur in het stads-
                                en streekvervoer 1996-2000 wordt ingetrokken;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De Beleidsregels Cofinanciering Verkeer en Vervoer, gepubliceerd in
                                het Provinciaal Blad, 2006, 04, worden ingetrokken;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De Beleidsregels Cofinanciering Verkeer en Vervoer, gepubliceerd in
                                het Provinciaal Blad, 2008, 57, worden ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 5.3 Inwerkingtreding</vet></titel></kop><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
                            uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 5.4 Citeertitel</vet></titel></kop><al>Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling verkeer en vervoer
                            Noord-Brabant.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>’s-Hertogenbosch, 16 maart 2010</ondertekening><ondertekening>Gedeputeerde Staten voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de voorzitter prof. dr. W.B.H.J van de Donk</ondertekening><ondertekening>de secretaris drs. W.G.H.M. Rutten </ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage A bij de Tweede wijzigingsregeling subsidieregeling verkeer en
                        vervoer Noord-Brabant</titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><colspec colname="col3"/><thead><row><entry><al>Gemeente</al></entry><entry><al>Bushaltenaam</al></entry><entry><al>Bushaltenummer</al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>Etten-Leur</al></entry><entry><al>Korte Brugstraat (West)</al></entry><entry><al>7220096</al></entry></row><row><entry><al>Etten-Leur</al></entry><entry><al>Korte Brugstraat (Oost)</al></entry><entry><al>7220097</al></entry></row><row><entry><al>Etten-Leur</al></entry><entry><al>Lichttorenhoofd (Oost)</al></entry><entry><al>7220053</al></entry></row><row><entry><al>Etten-Leur</al></entry><entry><al>Lichttorenhoofd (West)</al></entry><entry><al>7220060</al></entry></row><row><entry><al>Etten-Leur</al></entry><entry><al>Lindenbleek (Zuid)</al></entry><entry><al>7220052</al></entry></row><row><entry><al>Etten-Leur</al></entry><entry><al>Lindenbleek (West)</al></entry><entry><al>7220061</al></entry></row><row><entry><al>Etten-Leur</al></entry><entry><al>Van Bergenplein (Zuid)</al></entry><entry><al>7220056</al></entry></row><row><entry><al>Etten-Leur</al></entry><entry><al>Van Bergenplein (Noord)</al></entry><entry><al>7220057</al></entry></row><row><entry><al>Oss</al></entry><entry><al>Oude Molenstraat (Oost)</al></entry><entry><al>62440110</al></entry></row><row><entry><al>Oss</al></entry><entry><al>Oude Molenstraat (West)</al></entry><entry><al>62440120</al></entry></row><row><entry><al>Oss</al></entry><entry><al>Van Anrooijstraat</al></entry><entry><al>62447520</al></entry></row><row><entry><al>Oss</al></entry><entry><al>Van Anrooijstraat</al></entry><entry><al>62447521</al></entry></row><row><entry><al>Landerd </al></entry><entry><al>Eikenhof (Zuid) </al></entry><entry><al>60550080</al></entry></row><row><entry><al>Landerd </al></entry><entry><al>Eikenhof (Noord) </al></entry><entry><al>60550110</al></entry></row><row><entry><al>Landerd </al></entry><entry><al>Gemeentehuis (West) </al></entry><entry><al>60550090</al></entry></row><row><entry><al>Landerd </al></entry><entry><al>Gemeentehuis (Oost) </al></entry><entry><al>60550100</al></entry></row><row><entry><al>Landerd </al></entry><entry><al>Molen (West) </al></entry><entry><al>60550050</al></entry></row><row><entry><al>Landerd </al></entry><entry><al>Molen (Oost) </al></entry><entry><al>60550140</al></entry></row><row><entry><al>Landerd </al></entry><entry><al>Melkpad (West) </al></entry><entry><al>60559070</al></entry></row><row><entry><al>Landerd </al></entry><entry><al>Melkpad (Oost) </al></entry><entry><al>60559120</al></entry></row><row><entry><al>Loon op Zand</al></entry><entry><al>Efteling (Zuid)</al></entry><entry><al>7330002</al></entry></row><row><entry><al>Loon op Zand</al></entry><entry><al>Efteling </al></entry><entry><al>ongenummerd</al></entry></row><row><entry><al>Loon op Zand</al></entry><entry><al>Marktstraat (Oost)</al></entry><entry><al>7330014</al></entry></row><row><entry><al>Loon op Zand </al></entry><entry><al>Marktstraat (West) </al></entry><entry><al>7330043</al></entry></row><row><entry><al>Waalwijk </al></entry><entry><al>St. Antoniusstraat (Oost) </al></entry><entry><al>6330068</al></entry></row><row><entry><al>Waalwijk </al></entry><entry><al>St. Antoniusstraat (West) </al></entry><entry><al>6330073</al></entry></row><row><entry><al>Waalwijk </al></entry><entry><al>Mozartlaan (Zuid) </al></entry><entry><al>6330060</al></entry></row><row><entry><al>Waalwijk </al></entry><entry><al>Mozartlaan (Noord) </al></entry><entry><al>6330085</al></entry></row><row><entry><al>Woensdrecht </al></entry><entry><al>Aanwas (Zuid) </al></entry><entry><al>7272001</al></entry></row><row><entry><al>Woensdrecht</al></entry><entry><al> Aanwas (Noord) </al></entry><entry><al>7272020</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><bijlage><kop><titel> Bijlage B bij de Tweede wijzigingsregeling subsidieregeling verkeer en
                        vervoer Noord-Brabant</titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><colspec colname="col3"/><thead><row><entry><al>Gemeente </al></entry><entry><al>Busstation </al></entry><entry><al>Bushaltenummers</al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al> Bergen op Zoom</al></entry><entry><al> Station NS</al></entry><entry><al> 7290921, 7290006, 7290009</al></entry></row><row><entry><al> Boxmeer</al></entry><entry><al>Station </al></entry><entry><al> 60510050, 60510090</al></entry></row><row><entry><al> 's-Hertogenbosch</al></entry><entry><al> Sation Den Bosch</al></entry><entry><al> 63000200</al></entry></row><row><entry><al> Oosterhout</al></entry><entry><al> Busstation</al></entry><entry><al> 7325800</al></entry></row><row><entry><al> Uden</al></entry><entry><al> Busstation</al></entry><entry><al> 60650070, 60650071,</al><al>60650072, 60650074,</al><al>60650076, 60650081,</al><al>60650084</al></entry></row><row><entry><al> Veghel</al></entry><entry><al>Busstation</al></entry><entry><al> 64551000, 64552000</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/></bijlage><nota-toelichting><al><vet>DEEL 1. ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al><vet>Inleiding</vet></al><al>Vanaf 1 januari 2006 werkt de provincie Noord-Brabant met een algemene
                    subsidieverordening (ASV). Onder deze ASV worden per werkveld aparte
                    subsidieregelingen geformuleerd. De (co)financiering van de uitvoering van het
                    provinciaal verkeers- en vervoerplan (PVVP) wordt geregeld via de
                    “Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant”. Voorheen kende het werkveld
                    verkeer en vervoer verschillende subsidie- en bijdrageregelingen voor onder meer
                    infrastructurele projecten, voor verkeersveiligheid en voor openbaar vervoer. In
                    de Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant zijn al deze aspecten
                    ondergebracht in één regeling. Hieronder in Deel 1 van de Toelichting wordt
                    ingegaan op het beleidsmatige kader van de regeling. Voor de volledigheid zij
                    opgemerkt dat deze beleidsregels in 2008 en 2010 deels zijn gewijzigd. Deze
                    wijzigingen worden hierna toegelicht. In Deel 2 van deze Toelichting worden de
                    bepalingen artikelsgewijs toegelicht. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat de
                    toelichting en de bijlagen integraal onderdeel uitmaken van de regeling.</al><al><vet>Aanleiding</vet></al><al>De belangrijkste beweegredenen voor deze regeling zijn:</al><lijst><li nr="1."><al> sturingsfilosofie en uitvoeringstrategie van het nieuwe PVVP
                            (2006-2020);</al></li><li nr="2."><al> de verdere decentralisatie;</al></li><li nr="3."><al> de deregulering.</al></li></lijst><al><vet>PVVP</vet>De Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant is een van
                    de instrumenten die de provincie inzet om invulling te geven aan de
                    uitvoeringsstrategie van het PVVP. De uitvoeringsstrategie van het PVVP is
                    wezenlijk anders dan voorheen. De gemeenten en provincie maken samen op basis
                    van de dynamische beleidsagenda en de regionale beleidsagenda een meerjarig
                    maatregelenpakket en een jaarlijks regionaal uitvoeringsprogramma met een
                    meerjarige doorkijk. Die uitvoeringsstrategie beoogt mobiliteitsknelpunten op
                    het juiste schaalniveau integraal aan te pakken en de uitvoeringskracht te
                    vergroten. Het regionale schaalniveau is bij uitstek geëigend om te komen tot
                    integrale afwegingen voor een groot aantal beleidsthema's, waaronder openbaar
                    vervoer, auto, verkeersveiligheid, bereikbaarheid per fiets en de leefbaarheid
                    van woongebieden. Een wezenlijk onderdeel van de uitvoeringsstrategie is de
                    keuze om de inhoudelijke sturing en de kwaliteitsborging van de uitvoering van
                    het PVVP in de GGA-regio’s en B5 niet te laten plaatsvinden op individueel
                    projectniveau, maar op het niveau van een samenhangend regionaal pakket van
                    maatregelen. Daarmee beogen we een meer integrale en daardoor effectievere
                    aanpak van de mobiliteitsproblematiek. De voorliggende Subsidieregeling verkeer
                    en vervoer Noord-Brabant gaat uit van subsidie op basis van integrale regionale
                    maatregelenpakketten of uitvoeringsprogramma’s en niet meer op basis van
                    individuele projecten. We noemen dit “cofinanciering” om de gelijkwaardige
                    financiële samenwerking tussen de regionale partners tot uitdrukking te brengen.
                    Dit vergt een andere vorm van sturing door de provincie. Het beoordelen van een
                    pakket is iets wezenlijk anders dan het beoordelen van een project. Maar het
                    borgen en bewaken van kwaliteit blijft onverminderd belangrijk. De
                    Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant zoekt die kwaliteitsborging
                    niet in gedetailleerde uitvoeringsvoorschriften voor individuele projecten, maar
                    in helderheid over te bereiken doelen (de provinciale kaders op hoofdlijnen), en
                    het stellen van kwaliteitseisen aan het proces in de regio’s en aan de B5. Dat
                    proces kenmerkt zich onder andere door feedback, kwaliteitsontwikkeling en
                    publieke competitie; zaken die onder één noemer worden gebracht in het begrip
                    `horizontalisering'. De provincie heeft daarbij een belangrijke rol als
                    regisseur en procesfacilitator, waarbij instrumenten als deze regeling en een
                    integrale prioriteringsmethode worden gebruikt om het proces te structureren. In
                    dit proces heeft de provincie, doordat ze zich minder heeft vastgelegd op
                    gedetailleerde uitvoeringsvoorschriften op projectniveau, meer politieke ruimte
                    om te sturen op de samenstelling van het totaalpakket.</al><al><vet>Decentralisatie</vet> Verkeers- en vervoerproblemen kunnen het best
                    aangepakt worden op het schaalniveau waar ze zich voor doen. Veel verkeers- en
                    vervoerproblemen zijn het meest effectief aan te pakken op het regionale niveau.
                    De provincies en kaderwetgebieden zijn het meest aangewezen niveau om het
                    geïntegreerde beleid ten aanzien van de investeringen in regionale
                    infrastructuur vorm te geven. De samenhang tussen regionale ruimtelijke planning
                    en de aard van de regionale verkeers- en vervoerproblemen is een belangrijke
                    overweging bij de keuze voor de financiële decentralisatie naar de provincies en
                    kaderwetgebieden.</al><al>In 1996 is het Rijk gestart met het decentraliseren van de middelen voor
                    regionale en lokale infrastructurele projecten. Ten aanzien van de planvorming
                    geldt sinds 1998 de Planwet verkeer en vervoer. Hierin is geregeld dat op
                    rijksniveau een NVVP wordt gemaakt, dat tevens kader vormt voor de op regionaal
                    niveau op te stellen PVVP’s en RVVP’s. Door het Rijk belangrijk geachte
                    beleidsprioriteiten kunnen daarbij via de zogenaamde essentiële onderdelen
                    verplichtend worden voorgeschreven. Per 1 januari 2005 is de Wet Brede
                    Doeluitkering (BDU) verkeer en vervoer in werking getreden. Via deze wet worden
                    diverse geldstromen die vanuit het Rijk voor de uitvoering van specifieke
                    onderdelen van het verkeers- en vervoerbeleid naar decentrale overheden gingen,
                    gebundeld en ontschot. Dat houdt in dat deze geldstromen vanuit het Rijk niet
                    langer aan diverse deelonderwerpen zijn gekoppeld, maar dat de decentrale
                    overheden (provincies, gemeenten) de ruimte wordt geboden om zelf binnen de
                    brede doeluitkering prioriteiten (in tijd en uitgavencategoriën) te stellen.
                    Enige randvoorwaarde is dat de uitkering moet worden besteed aan de
                    voorbereiding en uitvoering van het verkeers- en vervoerbeleid. Hiermee krijgen
                    de decentrale overheden beter dan voorheen de mogelijkheid om te kiezen voor
                    maatwerkoplossingen. Tevens wordt bereikt dat beslissen en betalen in één hand
                    komt te liggen. Hiermee is het decentralisatie-proces voor het werkveld verkeer
                    en vervoer vooralsnog afgerond.</al><al><vet>Deregulering</vet></al><al>Een van de speerpunten uit het provinciaal beleid is de deregulering. De
                    belangrijkste doelen van de deregulering zijn:</al><lijst><li nr="-"><al> transparant proces van subsidieverlening/cofinanciering voor met name
                            de partner;</al></li><li nr="-"><al> het terugdringen van het aantal verordeningen/beleidsregels;</al></li><li nr="-"><al> uniformiteit in processen;</al></li><li nr="-"><al> deregulering door het zoveel mogelijk beperken van de regels;</al></li><li nr="-"><al> flexibiliteit</al></li></lijst><al><vet>Het doel</vet></al><al><vet>Beleidsmatig</vet></al><al>De Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant draagt bij aan de
                    uitvoering van de Essentiële Onderdelen van het PVVP zowel provinciebreed als
                    regionaal, en faciliteert en stimuleert op regionaal niveau de samenwerking. De
                    tactische doelen van het PVVP zijn:</al><lijst><li nr="-"><al> vervoerssystemen inzetten op hun sterkste kant;</al></li><li nr="-"><al> aanbieden van alternatieven voor problematisch gebruik
                            vervoerswijzen;</al></li><li nr="-"><al> een vlotte afwikkeling van de verkeersstromen met het minimaliseren van
                            de daarmee gepaard gaande overlast;</al></li><li nr="-"><al> (binnen regionale context) optimaal situeren van relevante
                            maatschappelijke activiteiten (woon- en werklocaties)</al></li></lijst><al>De effectdoelen, effectindicatoren, prestatiedoelen en prestatie-indicatoren
                    zijn terug te vinden in het doelenschema van het PVVP.</al><al>De regeling is in nauw overleg met onze belangrijkste partners, de gemeenten,
                    opgesteld. Vooraf is afgesproken dat het eindresultaat aan de volgende eisen of
                    voorwaarden dient te voldoen, te weten:</al><lijst><li nr="-"><al> het dient te passen binnen de in het kader van de deregulering
                            geformuleerde doelstellingen en ontwikkelde formatten;</al></li><li nr="-"><al> het moet aansluiten bij de sturingsfilosofie van het PVVP (integrale
                            regionale samenwerking);</al></li><li nr="-"><al> transparant;</al></li><li nr="-"><al> het is flexibel (voldoende dynamisch) en bestand tegen de
                            tijdgeest;</al></li><li nr="-"><al> en het dient te passen binnen Europese regelgeving.</al></li></lijst><al><vet>Opzet Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant</vet></al><al>De Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant is in hoofdlijnen als
                    volgt:</al><lijst><li nr="1."><al> Algemene bepalingen</al></li><li nr="2."><al> Regionale uitvoeringsprogramma’s (projecten </al></li><li nr="a)"><al> regionaal uitvoeringsprogramma GGA-regio's</al></li><li nr="b)"><al> regionaal uitvoeringsprogramma SRE</al></li></lijst><al>De regionale uitvoeringsprogramma’s, zoals uitgewerkt in Hoofdstuk 2 van deze
                    regeling, hebben betrekking op drie soorten projecten, te weten: Kleine
                    infrastructurele projecten, Niet-infrastructurele projecten en Innovatieve
                    projecten. Kortom, het gaat om projecten, waarvan de totale subsidiabele
                    projectkosten lager zijn dan € 10.000.000,--. Het B5-programma, zoals uitgewerkt
                    in Hoofdstuk 2A, heeft daarnaast ook betrekking op Grote infrastructurele
                    projecten. Dat wil zeggen: projecten, waarvan de totale kosten variëren van €
                    10.000.000,- tot maximaal € 40.000.000,-. Deze projecten worden gedefinieerd in
                    Artikel 1 van de Algemene bepalingen. De regionale en B5-programma’s komen tot
                    stand aan de regionale tafel, waar de gemeenten én de provincie én
                    Rijkswaterstaat besluiten welke projecten worden opgenomen in het B5-programma.
                    Hierdoor heeft de provincie meer mogelijkheden om de samenstelling van de
                    maatregelenpakketten te beïnvloeden. Op termijn zal er gewerkt worden op basis
                    van regionale meerjaren maatregelenpakketten. Deze zijn gebaseerd zijn op de
                    regionale beleidsagenda’s . Regionaal is/wordt voor deze aandachtsgebieden het
                    beleid verder uitgewerkt en mede op basis van die uitwerkingen zal een integrale
                    afweging worden gemaakt welke projecten in aanmerking komen voor cofinanciering.
                    De provincie praat dus in een vroeg stadium mee over de projectkeuzes. Een
                    belangrijk uitgangspunt in de regeling is uitvoeringskracht. Alleen projecten,
                    die aantoonbaar uitvoeringsgereed zijn, komen in aanmerking voor cofinanciering.
                    Indien een project niet in het jaar waarin de beschikking wordt afgegeven in
                    uitvoering wordt genomen, vervalt het bedrag aan cofinanciering.</al><al>Ingevolge de Wet personenvervoer 2000 is het college van gedeputeerde staten
                    onverdeeld opdrachtgever voor het verrichten van openbaar vervoer binnen het
                    gebied van haar provincie. Dit uitgangspunt zorgt er voor dat er aan het woord
                    “cofinanciering” bij personenvervoer een enigszins andere betekenis moet worden
                    toegekend dan aan het woord “cofinanciering” bij regionale
                    uitvoeringsprogramma’s en/of provinciebrede initiatieven. Immers bij de
                    cofinanciering van de regionale uitvoeringprogramma’s en/of provinciebrede
                    initiatieven is er in het algemeen sprake van een gemeenschappelijke
                    financiering van een project door de provincie en een of meerdere gemeenten
                    terwijl aan de financiering van het personenvervoer over het algemeen door de
                    gemeenten niet wordt deelgenomen en het alleen de provincie is die projecten van
                    de vervoerder subsidieert. Voor de cofinanciering van het personenvervoer
                    betekent dit dat de bijdragen zowel voor het openbaar vervoer als voor het
                    collectief vraagafhankelijk vervoer en/of treintaxi als regel worden verstrekt
                    op basis van meerjarige contractuele verplichtingen die middels aanbestedingen
                    tot stand zijn gekomen (incidenteel kunnen overbruggingscontracten gesloten
                    worden) en die vervolgens afhankelijk van de jaarlijkse dienstverlening worden
                    ingevuld. De provincie kan overigens bij het aanbesteden en/of bij het afsluiten
                    van de meerjarige contracten samenwerken met een of meerdere gemeenten als
                    (mede-)opdrachtgever.</al><al><vet>Wijzigingen regeling januari 2008</vet></al><al>De Cofinancieringsregeling Verkeer en Vervoer is in januari 2008 op een aantal
                    punten aangepast. De aanleiding hiervoor was drieledig.</al><al>In de eerste plaats is in 2006 wetgeving van kracht geworden met betrekking tot
                    de implementatie van single-information, single-audit (SISA). Dit houdt in dat
                    de bepalingen met betrekking tot verantwoording en accountantscontrole terzake
                    van BDU zijn vervallen en vervangen door de bepalingen van SISA. Kort gezegd
                    betekent dit dat de aparte jaarlijkse verantwoording BDU door de BDU-ontvanger
                    (provincie) wordt vervangen door een verantwoording en accountantsverklaring
                    over de jaarrekening van het betreffende kalenderjaar. De provincie wil met
                    ingang van 2008 de gemeenten in de gelegenheid stellen op eenzelfde wijze
                    verantwoording af te leggen over de besteding van de op basis van deze regeling
                    toegekende subsidies. Met deze wijze van verantwoorden wil de provincie
                    vooruitlopend op een landelijke regeling de administratieve lasten voor de
                    gemeenten terugdringen en toewerken naar een meer bij deze tijd passende
                    systematiek.</al><al>In de tweede plaats zijn er bestuurlijke afspraken met de Minister van Verkeer
                    en Waterstaat gemaakt over het verbeteren van de fysieke toegankelijkheid van
                    bushaltes. Vooruitlopend op deze afspraken hebben Provinciale Staten op 22 juni
                    2006 de provinciale Openbaar Vervoer-visie "OV in Brabant: Snel-Schoon-Sociaal,
                    visie openbaar vervoer 2006-2020” vastgesteld. In deze vastgestelde OV-visie is
                    toegankelijkheid als één van de tien kernthema's voor een sterk openbaar vervoer
                    aangemerkt. Toegankelijkheid betekent in dit geval dat er voor de reiziger, of
                    hij nu jong of oud is, of hij nu met of zonder bagage, kinderwagen of hulpmiddel
                    reist en of hij nu wel of niet een functiebeperking heeft, geen fysieke en
                    mentale belemmeringen mogen zijn om van het openbaar vervoer gebruik te maken.
                    Concreet is in deze visie vastgelegd dat het lijngebonden OV uiterlijk in 2015
                    zodanig toegankelijk zal zijn dat de OV-voorzieningen voor 90% van alle
                    reizigers beschikbaar zijn. In 2010 zal dit voor 65% van de reizigers reeds
                    gelden. Ter bevordering van het bereiken van deze toegankelijkheid van het
                    openbaar vervoer, hebben Gedeputeerde Staten op 25 september 2007 het
                    projectplan toegankelijke haltes vastgesteld alsmede de uitgangspunten voor de
                    cofinancieringregeling. Hoewel het toegankelijk maken van de meeste haltes
                    primair de verantwoordelijkheid van de gemeenten is, hebben Gedeputeerde Staten
                    op 25 september 2007 deze uitgangspunten toch vastgesteld. Gedeputeerde Staten
                    wensen de aanpak van geprioriteerde haltes zo optimaal mogelijk te faciliteren.
                    Met het begrip geprioriteerde haltes worden de haltes bedoeld die bij
                    belangrijke voorzieningen zoals ziekenhuizen en vervoersknooppunten zijn gelegen
                    dan wel de heel drukke haltes. Met de subsidieregeling inzake toegankelijkheid
                    haltevoorzieningen zoals neergelegd in de artikelen 4.4.1.1 tot en met 4.4.1.7
                    van Titel 4 van Hoofdstuk 4 hebben Gedeputeerde Staten in overeenstemming met de
                    door hen zelf vastgestelde uitgangspunten invulling gegeven aan hun wens tot het
                    faciliteren van de gemeenten bij hun aanpak van de infrastructurele
                    toegankelijkheid. Zij hebben hiermee voor de jaren 2008 tot en met 2011 een
                    tijdelijke cofinancieringsmaatregel vastgesteld voor het toegankelijk maken van
                    de geprioriteerde haltes waarbij de gemeenten per gerealiseerde halte een
                    normbedrag aan cofinanciering kunnen ontvangen. Met deze facilitering zal een
                    krachtige impuls aan het daadwerkelijk toegankelijk maken van een groot aantal
                    haltes worden gegeven en wordt de toegankelijkheid van de belangrijkste haltes
                    in een relatief kort tijdsbestek gerealiseerd. Concreet betekent dit dat in heel
                    Noord-Brabant (uitgezonderd het SRE), met een totaal haltebestand van ongeveer
                    4250 haltes, ruim 1500 geprioriteerde haltes zullen worden verbeterd waarmee
                    naar verwachting ongeveer 46% van het totale aantal haltes in Noord-Brabant
                    uiterlijk in 2015 toegankelijk zal zijn. Met deze aanpak wordt ruim voldaan aan
                    de afspraken die met het ministerie van Verkeer en Waterstaat in een
                    bestuursovereenkomst zijn vastgelegd.</al><al>In de derde plaats zijn er bestuurlijke afspraken gemaakt in het kader van de
                    financiering van de Regiotaxi. Hierbij is afgesproken dat (een deel van) de
                    Regiotaxi-gelden zullen worden ingezet om de fysieke toegankelijkheid van
                    niet-geprioriteerde haltes te verbeteren. Deze zogenoemde niet-geprioriteerde
                    bushaltes hebben weliswaar - zoals de naam ook al zegt - minder prioriteit, maar
                    de provincie heeft desondanks toch gemeend voor de verbetering van de fysieke
                    toegankelijkheid hiervan financiële middelen ter beschikking te stellen.
                    Subsidiëring van deze haltes vindt plaats via de GGA-regio’s. Het is de
                    bedoeling dat de GGA-regio jaarlijks niet alleen een regionaal
                    uitvoeringsprogramma maakt voor kleine infrastructurele, niet-infrastructurele
                    en innovatieve projecten, maar ook voor projecten ter verbetering van de fysieke
                    toegankelijkheid van (niet-geprioriteerde) bushaltes en voor haltemeubilair. Ten
                    einde dit mogelijk te maken zijn in hoofdstuk 2, titel 2 een aantal bepalingen
                    aangepast.</al><al><vet>Wijzigingen regeling maart 2010</vet></al><al>De Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant is in januari 2010 op een
                    aantal punten aangepast. De aanleiding hiervoor was drieledig.</al><al>De belangrijkste wijziging is het toevoegen van een apart hoofdstuk aan de
                    regeling voor de Cofinanciering van het Netwerkprogramma BrabantStad
                    Bereikbaar.(hoofdstuk 2A – Cofinanciering B5-programma)In 2006 is een
                    Netwerkanalyse opgesteld voor het stedelijk netwerk BrabantStad. In de
                    Netwerkanalyse BrabantStad is een analyse gemaakt van de knelpunten en kansen op
                    het gebied van verkeer en vervoer in BrabantStad in 2020. De focus heeft gelegen
                    op de bereikbaarheid van de economische kerngebieden van BrabantStad. Deze
                    analyse is verder op projectniveau uitgewerkt in het Netwerkprogramma
                    BrabantStad Bereikbaar. De afgelopen jaren werden de cofinanciering van met name
                    de grote projecten van de B5-steden op min of meer ad hoc-basis geregeld. Er
                    werden op project niveau al dan niet individueel financieringsafspraken gemaakt.
                    Met de komst van het Netwerkprogramma BrabantStad Bereikbaar is men geleidelijk
                    overgeschakeld van projectfinanciering naar programmafinanciering. Een meer
                    inhoudelijke toelichting treft u aan bij hoofdstuk 2A.</al><al>De tweede wijziging betreft het opnemen van een vaste vergoeding voor de
                    voorbereiding-, adminstratie- en toezichtkosten in de regeling. Deze kosten
                    waren mede op verzoek van de GGA-regio’s tot 2010 voor projecten </al><al>Daarnaast is de regeling nog op een aantal kleinere onderdelen aangepast. Deze
                    aanpassingen komen deels voort uit wetswijzigingen en deels uit
                    praktijkervaringen met de oude regeling en het digitaliseren van het
                    subsidieproces bij de provincie.</al><al>Het tarief voor het cofinancieren van bedrijfsvervoer is ook aangepast.</al><al>Mede gelet op de Aanwijzing voor Provinciale Regelgeving (APR) is ook de naam
                    van de regeling gewijzigd in:</al><al>Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant</al><al><vet>DEEL 2. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><tussenkop><vet>HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN</vet></tussenkop><al><vet>Artikel 1.1 lid e en lid h</vet> De grens van € 10.000.000,-- is mede
                    gebaseerd op de oude regeling en markeert de grens tussen “grote” en “kleine”
                    projecten, als bedoeld in de (oude) wet en besluit op het infrastructuurfonds.
                    De grens van € 40.000.000,-- is in overleg met onze partners bepaald. Projecten
                    boven die grens zijn dermate groot en ook veelal zo complex dat daar separate
                    afspraken over gemaakt zullen worden. Tevens is het ondoenlijk de omvang van de
                    budgetten af te stemmen op dergelijke projecten. Immers we weten niet wat de
                    omvang is en wanneer die projecten precies in uitvoering komen.</al><al><vet>Artikel 1.1 lid f</vet> Krachtens deze bepaling komen ook regionale
                    studieprojecten voor cofinanciering in aanmerking. De definitie voor regionale
                    studies die subsidiabel zijn is voor de regio voor de komende In dit verband
                    wordt onder een regionaal studieproject verstaan: een studieproject waarbij ten
                    minste twee gemeenten betrokken zijn en dat door het bestuurlijk GGA-overleg als
                    zodanig is benoemd. Onder een regionale studie wordt verstaan: • het opstellen
                    van regionale beleidskaders; • regionale gebiedsverkenningen of probleemanalyses
                    voor een of meerdere modaliteiten. Onder een regionale studie wordt niet
                    verstaan de planvoorbereiding in de verkennings-, plan- of realisatiefase op
                    wegvak of kruispuntniveau of de verdere uitwerking op maatregelenniveau van de
                    regionale studies. Startnotitie voor verkenningen vallen onder de
                    verkenningsfase.</al><al><vet>Artikel 1.3 lid 3</vet> Maatschappelijke organisaties kunnen uitsluitend
                    subsidie vragen voor kleine infrastructurele, niet-infrastructurele en
                    innovatieve projecten, zoals deze zijn gedefinieerd in artikel 1.1 van deze
                    subsidieregeling. Er kunnen voor dit type projecten rechtstreeks geen subsidie
                    worden verstrekt aan maatschappelijke organisaties. De cofinanciering van
                    dergelijke projecten van maatschappelijke organisaties verloopt namelijk via de
                    gemeenten. Een maatschappelijke organisatie, die in aanmerking wil komen voor
                    een financiële bijdrage, moet daartoe een schriftelijk verzoek richten aan één
                    of meer gemeenten binnen die regio. In de praktijk kunnen die contacten met
                    gemeenten (ook) verlopen via de provinciale GGA-relatiebeheerders en/of via de
                    regionale gebiedscoördinatoren. Namen, adressen en telefoonnummers van deze
                    personen worden hierna in een aparte bijlage bij deze beleidsregels vermeld.
                    Nadat een verzoek is binnengekomen zorgt de gemeente voor het inbrengen van
                    dergelijke projecten in het regionaal uitvoeringsprogramma van de betreffende
                    GGA-regio. De mensgerichte maatregelen worden per gemeente gebundeld tot één
                    pakket. De betreffende gemeente is verantwoordelijk voor de financiële
                    afhandeling, zowel richting de maatschappelijke organisatie voor het specifieke
                    project, als richting de provincie voor het gehele pakket. Maatschappelijke
                    organisaties kunnen wel rechtstreeks subsidie vragen voor provinciebrede
                    projecten of initiatieven. Dit is geregeld in hoofdstuk 3 van deze
                    beleidsregels.</al><al><vet>Artikel 1.3 lid 4</vet> Vaste deelnemers aan de GGA-regio zijn de
                    inliggende gemeenten, de provincie Noord-Brabant en Rijkswaterstaat, directie
                    Noord-Brabant. In sommige regio’s maken ook maatschappelijke organisaties deel
                    uit van de GGA-regio. De financiële middelen, afkomstig vanuit de Brede
                    Doeluitkering (BDU) en vanuit de provincie, moeten worden verdeeld over kleine
                    infrastructurele, niet-infrastructurele en innovatieve projecten van de
                    gemeenten en van de provincie. Rijkswaterstaat discussieert weliswaar mee over
                    de regionale uitvoeringsprogramma’s vanuit haar rol als wegbeheerder, maar komt
                    zelf niet in aanmerking voor een financiële bijdrage uit de
                    Cofinancieringsregeling en heeft ook geen stemrecht. De provincie echter, kan
                    wel putten uit dit budget voor haar eigen provinciale projecten. De provincie
                    moet dergelijke projecten aanmelden in de GGA-regio en hiervoor gelden dezelfde
                    regels als voor gemeentelijke projecten. Dit betekent evenwel dat hier sprake is
                    van een geldstroom binnen de provincie zelf. De provincie is namelijk zowel
                    subsidieverstrekker als subsidieontvanger. Krachtens de Algemene wet
                    bestuursrecht is dit geen subsidie in de zin van de wet. Teneinde de provincie
                    toch in aanmerking te laten komen voor een financiële bijdrage uit de
                    cofinanciering, is in artikel 1.3 vierde lid aangegeven, dat een bijdrage voor
                    een provinciaal project moet worden gezien als een "subsidie" in het kader van
                    deze regeling.</al><al><vet>Artikel 1.5 lid 2</vet> Provinciale Staten stellen jaarlijks een bedrag op
                    de provinciale begroting vast voor de uitvoering van de co-financieringsregeling
                    Verkeer en Vervoer. Gedeputeerde Staten stellen met inachtneming van het bedrag
                    op de provinciale begroting periodiek budgetten vast voor de financiering van de
                    regionale uitvoeringsprogramma’s voor de vijf GGA-regio’s. In dit verband wordt
                    de term “periodiek” gebruikt omdat dit jaarlijks, maar wellicht ook
                    tweejaarlijks of voor meerdere jaren kan geschieden. Indien Gedeputeerde Staten
                    ervoor kiezen om het budget voor de regionale uitvoeringsprogramma’s voor een
                    periode van meerdere jaren vast te stellen, dan maken zij daarbij een
                    begrotingsvoorbehoud ten behoeve van het tweede jaar. Dit is noodzakelijk omdat
                    Provinciale Staten met een termijn van één jaar werken en de begroting voor het
                    tweede jaar nog niet hebben vastgesteld. Gedeputeerde Staten kunnen derhalve
                    voor het tweede jaar geen harde toezeggingen doen en moeten daarvoor een
                    begrotingsvoorbehoud maken. Het budget voor de regionale uitvoerinsgprogramma’s
                    wordt middels een verdeelsleutel verdeeld over de 5 GGA-regio’s. Deze
                    verdeelsleutel is gelijk aan de landelijke verdeelsleutel voor de BDU. Echter
                    met dienverstanden dat de regiofactor voor iedere GGA-regio specifiek is
                    vastgesteld.</al><al><vet>Artikel 1.5 lid 4</vet> Naast de regionale uitvoeringsprogramma’s van de
                    GGA-regio’s kent de regeling ook een uitvoeringsprogramma speciaal voor de
                    B5-steden Breda, Tilburg, ’s-Hertogenbosch, Eindhoven en Helmond. De regels
                    hieromtrent zijn vastgelegd in hoofdstuk 2A van deze regeling.</al><al><vet>Artikel 1.5 lid 5</vet> De jaarlijks of periodiek vast te stellen budgetten
                    kunnen functioneren als subsidieplafonds mits deze op ordentelijke wijze worden
                    bekendgemaakt. Dit kan worden gerealiseerd door de publicatie van de door
                    Gedeputeerde Staten vastgestelde budgetten in het Provinciaal Blad.</al><al><vet>Artikel 1.5 lid 6 </vet> Oorzaken van het niet volledig benutten van het
                    beschikbare budget kunnen zijn: - de werkelijke kosten van een project zijn
                    lager dan de geraamde kosten van het project. Het bedrag aan cofinanciering
                    wordt dan evenredig naar beneden bijgesteld; - een project wordt niet in het
                    jaar, dat de beschikking is afgegeven, in uitvoering genomen.</al><al><vet>Artikel 1.5a</vet>Vanuit de middelen die Provinciale Staten jaarlijks via
                    de begroting ter beschikking stellen voor openbaar vervoer wordt een deel door
                    Gedeputeerde Staten bestemd voor het verbeteren van de toegankelijkheid van
                    haltevoorzieningen. Deze middelen worden verdeeld over de GGA-regio’s. Elke
                    regio krijgt per jaar een bepaald budget toegewezen dat in principe tevens de
                    functie van subsidieplafond vervult. Het is echter mogelijk dat gedurende het
                    jaar blijkt dat de het budget van de ene regio niet toereikend is, terwijl er
                    bij een andere regio geld over blijft. Is dat het geval dan kunnen Gedeputeerde
                    Staten besluiten middelen die resteren over te hevelen naar andere regio’s, waar
                    men te kort komt.</al><tussenkop><vet>HOOFDSTUK 2. REGIONALE UITVOERINGSPROGRAMMA’S</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Hoofdstuk 2; paragraaf 1</vet></tussenkop><al><vet>Artikel 2.1.1 Subsidiabele kosten Kleine infrastructurele projecten</vet>
                    Niet alle kosten komen voor een tegemoetkoming in aanmerking. Niet subsidiabel
                    zijn beheer- en onderhoudskosten en algemene bestuurslasten zoals
                    ambtenarensalarissen, kantoorinventaris en dergelijke. Ook de zogeheten
                    VAT-kosten (voorbereiding, administratie en toezicht) zijn niet subsidiabel. Wel
                    wordt een standaard vergoeding berekend voor de VAT-kosten via een vast
                    opslagpercentage van 15% over de totale subsidiabele projectkosten.</al><al>Alleen die kostensoorten, die zijn opgesomd in artikel 2.1.1 onder a t/m g, zijn
                    subsidiabel en kunnen voor cofinanciering door de provincie in aanmerking komen.
                    Bij onderdeel a worden alleen die aanlegkosten vergoed die direct verband houden
                    met de realisering van de betrokken infrastructuur. Indien een gemeente subsidie
                    vraagt voor bijvoorbeeld de aanleg van een fietspad en gelijktijdig met de
                    aanleg van dat fietspad tevens de gehele weg opnieuw inricht, komen alleen die
                    aanlegkosten die zijn toe te rekenen aan het fietspad sec, in aanmerking voor
                    cofinanciering. Met "aanlegkosten" worden bedoeld de kosten voor de realisering
                    van de desbetreffende infrastructuur. Kosten voor (toekomstig) beheer en
                    onderhoud van die infrastructuur komen niet voor een tegemoetkoming in
                    aanmerking. Ook het vervangen van bijvoorbeeld ‘oude’ technisch en economisch
                    afgeschreven verkeersregelinstallaties en stallingsvoorzieningen wordt gezien
                    als regulier onderhoud en zijn derhalve niet subsidiabel. Bij onderdeel f kan in
                    geval van schadevergoeding aan derden onder andere worden gedacht aan de kosten
                    voor bouwkundige aanpassingen aan eigendommen van derden, die noodzakelijk zijn
                    voor de uitvoering van de infrastructurele werken. Bijvoorbeeld het verplaatsen
                    van een voordeur van een woning van de voorzijde naar de zijgevel indien het
                    gebruik van de deur, door de aanleg van een fietsvoorziening niet langer
                    mogelijk is. Voor wat betreft de kabels en leidingen worden wel de kosten voor
                    de verlegging van de kabels en leidingen vergoed, maar niet de kosten van
                    vervanging. De term “voor zover door Gedeputeerde Staten aanvaardbaar en
                    noodzakelijk geacht” komt meerdere malen voor in dit artikel. Het is geenszins
                    de bedoeling, dat voor alle kostensoorten waarbij deze term is opgenomen,
                    Gedeputeerde Staten iedere keer apart besluiten of zij de kosten aanvaardbaar
                    en/of noodzakelijk achten. De term is bedoeld als vangnet waarvan slechts in
                    uitzonderlijke gevallen gebruik van zal worden gemaakt. Bijvoorbeeld indien de
                    geraamde en/of werkelijke kosten sterk afwijken van de gangbare (markt)prijzen
                    (extreem hoge grondprijzen of legeskosten).</al><al><vet>Artikel 2.1.2 Subsidiabele kosten niet-infrastructurele en innovatieve
                        projecten</vet> Uitsluitend die onderzoekskosten, studiekosten en
                    dergelijke, die direct betrekking hebben op de ontwikkeling, uitwerking en/of
                    realisatie van het desbetreffende niet-infrastructurele of innovatieve project,
                    komen voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking. Dit betekent dat
                    indirecte (interne) kosten voor overhead, inzet personeel, die binnen de dienst
                    of het bedrijf verrekend kunnen worden niet subsidiabel zijn. Ook kosten,
                    gemaakt ten behoeve van de begeleiding van innovatieve projecten, kunnen niet
                    worden gesubsidieerd. Hetzelfde geldt voor kosten voor beheer en onderhoud. Bij
                    innovatieve projecten zal het veelal gaan om geheel nieuwe en op dit moment
                    moeilijk te voorspellen initiatieven. Hierdoor kan op dit moment én in het
                    algemeen, niet worden aangegeven welke kosten van deze initiatieven wel of niet
                    in aanmerking zullen komen voor cofinanciering. Een en ander zal per project of
                    per initiatief, in nauw overleg met de provincie moeten worden vastgesteld.
                    Mensgerichte maatregelen: dit zijn maatregelen, die het gedrag van
                    verkeersdeelnemers proberen te beïnvloeden, via communicatie, educatie en
                    handhaving. Het gaat hierbij om educatieprojecten, voorlichtingsprogramma's,
                    communicatiemiddelen en communicatie in combinatie met verkeershandhaving
                    (bijvoorbeeld alcohol, helm, gordel, fietsverlichting).</al><al><vet>Artikel 2.1.3 Bijdragen uit andere bron</vet> Indien een ontvanger voor
                    hetzelfde project uit andere hoofde of uit andere bron een financiële bijdrage
                    ontvangt, dan dient deze bijdrage, bij de bepaling van de hoogte van het bedrag
                    aan cofinanciering, in mindering te worden gebracht. De provincie heeft het
                    oogmerk goede initiatieven of projecten van derden te stimuleren en te honoreren
                    door een tegemoetkoming in de kosten van dat initiatief of project in het
                    vooruitzicht te stellen. Het is echter wel de bedoeling dat de derde er zelf ook
                    substantieel aan bijdraagt. Daarom wordt bij de berekening van de hoogte van het
                    bedrag aan cofinanciering expliciet rekening gehouden met de bestaande
                    mogelijkheden om de kosten van het desbetreffende initiatief of project ten
                    laste van andere kostendragers te brengen. Hierbij kan niet alleen worden
                    gedacht aan financiële bijdragen van andere instellingen, maar ook aan de
                    exploitatieopbrengst bij bestemmingsplannen. Mede tegen deze achtergrond dient
                    een aanvrager expliciet aan te geven of er bij een andere instantie subsidie is
                    aangevraagd, en of het desbetreffende project mogelijk uit andere bron kan
                    worden gefinancierd. Niet als bijdragen uit andere bron worden gezien de
                    financiële bijdragen aan maatschappelijke organisaties bij mensgerichte
                    maatregelen. Maatschappelijke organisaties beschikken doorgaans zelf niet over
                    substantiële financiële middelen. Hierdoor kunnen zij (mensgerichte) projecten
                    niet, geheel of ten dele, financieren uit eigen middelen. Maatschappelijke
                    organisaties zijn, voor de financiering van dergelijke maatregelen of
                    activiteiten, meestal voor 100% afhankelijk van vrijgevigheid of
                    tegemoetkomingen van derden. Wanneer alle opbrengsten uit andere bron in
                    mindering worden gebracht op het subsidiebedrag van de provincie, zoals de
                    hoofdregel van artikel 2.1.3 wil, dan zouden mensgerichte maatregelen van
                    maatschappelijke organisaties in de meeste gevallen niet bekostigd kunnen
                    worden. Om dat te voorkomen zien we dergelijke bijdragen uit andere bron in dit
                    specifieke geval niet als een bijdrage uit andere bron zoals bedoeld in artikel
                    2.1.3 van deze beleidsregels. Het zelfde doet zich voor bij (infrastructurele)
                    projecten van meerdere wegbeheerders. Het is denkbaar dat een wegbeheerder
                    subsidie vraagt voor een project waarin meerdere wegbeheerders (gemeenten en/of
                    provincie) zijn betrokken. De wegbeheerder die verantwoordelijk (opdrachtgever)
                    is voor de daadwerkelijke uitvoering van het project draagt het project voor bij
                    de regio voor cofinanciering. In dat geval worden de financiële bijdragen van de
                    andere wegbeheerders aan dat project, niet gezien als een bijdrage uit andere
                    bron. De wegvakkentheorie dient als uitgangspunt voor de verdeling van de
                    subsidie over de betrokken wegbeheerders.</al><tussenkop><vet>Hoofdstuk 2; paragraaf 2</vet></tussenkop><al><vet>Artikel 2.2.1 Regionale en provinciale besluitvorming</vet> De GGA-regio's
                    stellen jaarlijks één regionaal ontwerp-uitvoeringsprogramma op ten behoeve van
                    de cofinanciering van het eerstvolgende uitkeringsjaar. Aan de regionale tafel
                    wordt door de deelnemende gemeenten, de provincie, Rijkswaterstaat en in sommige
                    regio’s de maatschappelijke organisaties besproken welke projecten worden
                    opgenomen in het regionale ontwerp-uitvoeringsprogramma en het meerjarig
                    regionale projectenpakket. Alleen de gemeenten en provincie zijn stemgerechtigd.
                    Het regionale ontwerpprogramma wordt vastgesteld in een bestuurlijk overleg
                    waaraan de desbetreffende wethouders en gedeputeerde(n) deelnemen. In het
                    ambtelijke overleg dat aan deze regionale besluitvorming voorafgaat, zal op
                    basis van netwerkvisies een integrale afweging moeten worden gemaakt welke
                    projecten voor cofinanciering in aanmerking komen en hoe deze moeten worden
                    geprioriteerd. Of Gedeputeerde Staten het door de GGA-regio voorgestelde
                    ontwerp-uitvoeringsprogramma één op één overnemen, is afhankelijk van de mate
                    van overeenstemming in de regio. Indien de bestuurlijke besluitvorming binnen de
                    GGA-regio unaniem tot stand is gekomen, zullen Gedeputeerde Staten het voorstel
                    van de regio ongewijzigd overnemen en tot subsidieverlening overgaan. Indien de
                    GGA-regio niet tot unanimiteit kan besluiten, zullen Gedeputeerde Staten een
                    standpunt innemen ten aanzien van de regionale geschilpunten en het regionale
                    programma dienovereenkomstig definitief vaststellen. Kortom, in deze procedure
                    van artikel 2.2.1 van de beleidsregels hebben we te maken met twee aparte,
                    volgtijdelijke vaststellingsmomenten. Dat is enerzijds de vaststelling van het
                    ontwerp-uitvoeringsprogramma door het bestuurlijke GGA-overleg (unaniem of
                    niet-unaniem), zoals beschreven in het tweede lid. En dat is anderzijds de
                    definitieve vaststelling van het regionale uitvoeringsprogramma door
                    Gedeputeerde Staten, zoals bedoeld in het vierde en vijfde lid. Pas nadat
                    Gedeputeerde Staten het uitvoeringsprogramma hebben vastgesteld, volgt
                    subsidieverlening conform het door hen vastgestelde programma. Het verdient
                    aanbeveling om qua terminologie in het vervolg consequent te spreken van de
                    vaststelling van het regionale ontwerp-uitvoeringsprogramma door de regio en van
                    de definitieve vaststelling van het regionale uitvoeringsprogramma door
                    Gedeputeerde Staten. Op deze wijze is steeds voor eenieder duidelijk over welk
                    vaststellingsbesluit gesproken wordt. Naast een ontwerp-uitvoeringsprogramma
                    voor kleine infrastructurele, niet-infrastructurele en innovatieve projecten,
                    zullen de GGA-regio’s ook een apart ontwerp-uitvoeringsprogramma opstellen met
                    projecten ter verbetering van de fysieke toegankelijkheid van haltevoorzieningen
                    van niet geprioriteerde haltes, met projecten ten behoeve van de aanschaf en
                    plaatsing van haltemeubilair bij zowel geprioriteerde als niet-geprioriteerde
                    haltes alsmede het opstellen en coördineren van een regionaal halteplan. Het is
                    de bedoeling om de werkwijze van het programma voor toegankelijkheid
                    haltevoorzieningen zoveel als mogelijk te laten aansluiten bij de werkwijze die
                    al enige tijd in GGA-verband wordt gepraktiseerd bij kleine infrastructurele,
                    niet-infrastructurele en innovatieve projecten. In hoofdstuk 4, titel 4 is een
                    regeling getroffen voor de subsidiëring van het toegankelijk maken van de
                    zogeheten geprioriteerde haltes. De niet-geprioriteerde haltes, die lager scoren
                    en dus minder belangrijk of urgent worden geacht, kunnen niet in aanmerking
                    komen voor een bijdrage zoals bedoeld in hoofdstuk 4. Echter, in hoofdstuk 2
                    bestaat de mogelijkheid om ook voor om niet-geprioriteerde haltes een financiële
                    bijdrage te verkrijgen. Hierbij is aansluiting gezocht bij de werkwijze van de
                    GGA-regio’s, waarbij de verdeling van de gelden plaatsheeft via in GGA-overleg
                    samengestelde uitvoeringsprogramma’s.</al><al><vet>Artikel 2.2.2 Aanvraag, subsidieverlening en start werkzaamheden</vet> In
                    het eerste lid is er, vanuit praktisch oogpunt, voor gekozen om het moment van
                    indienen van het door de regio vastgestelde ontwerp-uitvoeringsprogramma te
                    laten samenvallen met de formele subsidieaanvragen voor de in het
                    ontwerpprogramma opgenomen projecten. Indiening van het ontwerpprogramma, dat
                    voldoet aan alle eisen die door deze beleidsregels zijn gesteld, is dus te
                    beschouwen als de formele subsidieaanvraag voor alle, daarin opgenomen projecten
                    afzonderlijk. Dit hoeft dus niet nog eens extra door alle gemeenten apart te
                    gebeuren. Indiening van het ontwerpprogramma en het doen van alle
                    subsidieaanvragen vallen dus samen!</al><al>In het derde lid is een bepaling opgenomen om een duidelijke begrenzing in de
                    tijd aan te geven. Met andere woorden, het gaat om de vraag tot wanneer
                    projecten in aanmerking kunnen komen voor cofinanciering. Een regeling mag geen
                    open einden bevatten. Dergelijke begrenzingen komen meer voor in de regeling
                    (bijvoorbeeld maximaal gemiddeld subsidiepercentage en subsidieplafonds). Er is
                    bewust gekozen om de aanbesteding en gunning c.q. opdrachtverlening als
                    begrenzing te kiezen. Immers de regeling is primair bedoeld om gemeenten te
                    stimuleren snel bepaalde type projecten in uitvoering te nemen. De provincie
                    streeft naar uitvoeringskracht en maakt in principe alleen maar afspraken over
                    cofinanciering van projecten, die uitvoeringsgereed zijn. Als een gemeente
                    overgaat tot aanbesteding, gunning en opdrachtverlening dient de financiële
                    dekking van het project geregeld te zijn en is het niet meer noodzakelijk de
                    gemeente te prikkelen of te stimuleren om tot uitvoering over te gaan. Daarom
                    komen projecten, die op het moment van de subsidieaanvraag al zijn aanbesteed én
                    gegund of in uitvoering genomen, niet meer in aanmerking voor cofinanciering.
                    Indien een gemeente toch tot aanbesteding of uitvoering van een project wil
                    overgaan, voorafgaand aan de (voorlopige) besluitvorming daarover in de
                    GGA-regio of voorafgaand aan de definitieve besluitvorming door Gedeputeerde
                    Staten, moet die gemeente daarvoor eerst toestemming vragen én verkrijgen bij
                    Gedeputeerde Staten. Gelijktijdig of parallel daaraan moet die gemeente zelf
                    zorgdragen voor aanmelding van het desbetreffende project in het regionale
                    ontwerpprogramma. Zodra die toestemming van de provincie verkregen is, blijft
                    het voor de gemeente onzeker of het desbetreffende project door de GGA-regio en
                    uiteindelijk door Gedeputeerde Staten wordt opgenomen in het regionale
                    ontwerpprogramma, maar de provincie kan zich jegens die gemeente niet meer
                    beroepen artikel 2.2.2 derde lid. Immers er is tijdig melding gemaakt en
                    toestemming gevraagd en verkregen, en pas daarna is de gemeente tot aanbesteding
                    of uitvoering overgegaan. Het vragen om toestemming om eerder te mogen starten,
                    doet echter geen recht op cofinanciering ontstaan. Of een project wordt
                    opgenomen in het regionale ontwerpprogramma en in het definitieve programma is
                    afhankelijk van de besluitvorming in GGA-regio en Gedeputeerde Staten. Een
                    gemeente die aan de slag gaat, voorafgaand aan de finale besluitvorming, doet
                    dit geheel en al op eigen (financieel) risico. Een bijzondere situatie doet zich
                    voor indien een gemeente een reserveproject uit het regionale
                    ontwerp-uitvoeringsprogramma in uitvoering neemt, op een moment dat nog niet
                    bekend is of er dat jaar geld overblijft voor de uitvoering van één of meer
                    reserveprojecten. Reserveprojecten maken deel uit van het regionale
                    ontwerp-uitvoeringsprogramma, dat uiterlijk 1 december van het jaar voorafgaand
                    aan het uitkeringsjaar, bij Gedeputeerde Staten wordt ingediend. Krachtens
                    artikel 2.2.2 eerste lid moet de indiening van het ontwerp-uitvoeringsprogramma
                    tevens worden gezien als het moment van de subsidieaanvraag. Vanaf dat moment
                    kan een gemeente, die een reserveproject in uitvoering neemt, de regel van
                    artikel 2.2.2 derde lid dus niet meer tegengeworpen krijgen. Immers het moment
                    van de formele subsidieaanvraag van dit reserveproject viel samen met de
                    indiening van het regionale ontwerpprogramma. Indien er dat jaar geen of niet
                    voldoende geld overblijft voor de uitvoering van het (inmiddels in uitvoering
                    genomen) reserveproject, dan kan het reserveproject aangemeld worden voor opname
                    in het regionale ontwerp-uitvoeringsprogramma van het eerstvolgende jaar. Een
                    project mag slechts eenmaal als reserveproject worden opgenomen in het regionale
                    ontwerp-uitvoeringsprogramma.</al><al><vet>Artikel 2.2.3 Declaratie en betaling</vet> Met de invoering van de
                    verantwoording middels de SiSa-bijlage is de provincie afgestapt van het werken
                    met voorschotten en overgegaan op het declareren op basis van werkelijk gemaakte
                    kosten. Dat betekent dat de subsidieontvanger een eerste (tussentijdse)
                    declaratie kan indienen zodra het werk voor 50 % is uitgevoerd. Deze declaratie
                    moet betrekking hebben op het uitgevoerde werk en de daarmee samenhangende
                    gerealiseerde subsidiabele projectkosten. Deze declaratie, zoals bedoeld in lid
                    2, is gekoppeld aan het in de verleningsbeschikking genoemde totale bedrag van
                    de (begrote) subsidiabele projectkosten. Zodra hiervan 50% is gerealiseerd mag
                    de ontvanger de desbetreffende gerealiseerde projectkosten declareren. Echter om
                    de administratieve lasten te beperken kan er alleen voor projecten met een
                    subsidiebedrag &gt; € 50.000,-- een verzoek voor een tussentijdse declaratie
                    worden ingediend. De subsidieontvanger kan dit moment zelf vaststellen aan de
                    hand van de verleningsbeschikking omdat hierin zowel het totale bedrag aan
                    (begrote) subsidiabele projectkosten, als het bedrag dat als subsidie wordt
                    toegekend, zal worden vermeld. Het te declareren bedrag is gemaximeerd op 50%
                    van de in de verleningsbeschikking toegekende bijdrage. Zodra het project of
                    werk, waarvoor subsidie is verleend, is afgerond kan de subsidieontvanger
                    conform lid 3 een einddeclaratie indienen. Deze kan nooit meer bedragen dan 100%
                    van de bij subsidieverlening toegekende bijdrage. Aan deze einddeclaratie is een
                    uiterste termijn gebonden, die ook als verplichting zal worden opgenomen in de
                    verleningsbeschikking. Voor de goede orde en om eventuele misverstanden te
                    voorkomen het werken met declaraties op basis van werkelijk gemaakte kosten is
                    een bevoorschotting in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. In het vijfde
                    lid wordt verwezen naar een standaardformulier dat de subsidieontvanger dient te
                    gebruiken bij een declaratie zoals bedoeld in het tweede en derde lid. In dit
                    formulier dienen de geraamde kosten en het subsidiepercentage een op een over te
                    worden genomen van het E-formulier (de subsidieaanvraag). Het
                    subsidiepercentage, dat gebruikt is om het verleende subsidiebedrag toe te
                    kennen, zal ook gebruikt worden om de subsidie definitief vast te stellen. Ofwel
                    de berekening van zowel het te verlenen subsidiebedrag als van het vast te
                    stellen subsidiebedrag wordt op dezelfde wijze uitgevoerd. Hierbij moet nog wel
                    worden opgemerkt dat het verleende subsidiebedrag berekend wordt op basis van de
                    geraamde subsidiabel kosten en het vastgestelde subsidiebedrag op basis van de
                    werkelijke kosten. Het vastgestelde subsidiebedrag is gelijk aan het verleende
                    subsidiebedrag als de werkelijke subsidiabele kosten groter of exact gelijk zijn
                    aan de geraamde subsidiabele kosten. Indien de werkelijke subsidiabele kosten
                    lager zijn dan oorspronkelijk geraamd wordt het subsidiebedrag evenredig lager
                    vastgesteld. In het zesde, zevende en achtste lid wordt ruimte gegeven om af te
                    wijken van hetgeen is bepaald in lid 2 en lid 3. Subsidieverlener en
                    subsidieontvanger kunnen andere afspraken maken ten aanzien van de genoemde
                    percentages, ten aanzien het kasritme en ten aanzien het moment waarop de
                    einddeclaratie zal worden ingediend.</al><al><vet>Artikel 2.2.4 Subsidievaststelling </vet> Door de invoering van SISA kan
                    een gemeente als subsidieontvanger pas formeel financieel verantwoording
                    afleggen van de door haar bestede gelden richting provincie nadat de
                    gemeentelijke jaarrekening is vastgesteld. Daarom vindt de vaststelling van de
                    subsidie plaats nadat de gemeentelijke jaarrekening van het jaar waarin de
                    subsidie door de subsidieontvanger is verantwoord, is vastgesteld en via het CBS
                    aangeboden aan de provincie. Heel concreet kan dit betekenen dat de uitbetaling
                    van de declaraties van artikel 2.2.3 lid 2 en 3 in het ene jaar plaatsvinden dat
                    de subsidievaststelling als bedoeld in artikel 2.2.4 in een later jaar
                    plaatsvindt, zodra de desbetreffende (gemeentelijke) jaarrekening beschikbaar en
                    formeel vastgesteld is. In de jaarrekening moet de financiële afwikkeling van
                    projecten of activiteiten waarvoor subsidie is verkregen conform de richtlijnen
                    van het ministerie van Binnenlandse zaken voor de verantwoording middels de
                    SiSa-bijlage voldoende duidelijk zijn gespecificeerd.</al><tussenkop><vet>Hoofdstuk 2; paragraaf 3</vet></tussenkop><al><vet>Artikel 2.3.1 Kwaliteitseisen ontwerp-uitvoeringsprogramma</vet>Voor het
                    regionale ontwerp-uitvoeringsprogramma en de totstandkoming daarvan gelden
                    kwaliteitseisen. Deze kwaliteitseisen zijn de kernregels van de
                    Cofinancieringsregeling. Omdat er geen finale kwaliteitstoets plaatsvindt door
                    de provincie dient de waarborg voor de kwaliteit van de te programmeren
                    projecten in het voorbereidingsproces te zitten. De provincie stuurt op deze
                    kwaliteitseisen gedurende de totstandkoming van het regionale
                    ontwerp-uitvoeringsprogramma. Het ontwerpprogramma is de resultante van een
                    gedegen jaarlijkse dialoog tussen de regionale partners over de kwaliteit van
                    projecten (o.a. als voortvloeisel van regionale (netwerk)visies) en over de
                    integrale afweging tussen de projecten. Dat stelt hoge eisen aan de dialoog die
                    in dat voorbereidingsproces wordt gevoerd. De negen kernregels in artikel 2.3.1
                    zijn essentiële aandachtspunten bij het beantwoorden van de vraag welke
                    problemen als eerste moeten worden opgepakt, hoe die problemen kunnen worden
                    opgepakt, tot welke maatregelen de regio uiteindelijk besluit en met welke
                    prioriteit die maatregelen daadwerkelijk worden uitgevoerd. Het is de bedoeling
                    dat de regio in het ontwerpprogramma zelf motiveert op welke wijze en met welk
                    resultaat deze negen kernregels zijn toegepast. Het ontwerp-uitvoeringsprogramma
                    geeft een samenvatting van de manier waarop de integrale afweging van
                    geprogrammeerde projecten heeft plaatsgevonden en waarom de keuze uiteindelijk
                    op de geprogrammeerde projecten is gevallen. Het ontwerp-uitvoeringsprogramma
                    geeft ook een meerjarig perspectief van de voorgenomen projecten in de regio, en
                    vormt op die manier een voortschrijdend meerjarig uitvoeringsprogramma. Als
                    instrument en werkvorm om de discussie over de ernst van een probleem en de
                    prioriteit van een maatregel te structureren stelt de provincie een
                    prioriteringsmethodiek voor. Het staat de GGA-regio echter vrij om de door de
                    provincie ontwikkelde prioriteringsmethodiek te gebruiken of om zelf een
                    alternatieve prioritering toe te passen. Extra toelichting behoeft de
                    kwaliteitseis van artikel 2.3.1 sub 7. Het percentage aan cofinanciering van de
                    provincie bedraagt maximaal 50% van het totale uitvoeringsprogramma inclusief de
                    opslag voor voorbereidings-, administratie- en toezichtskosten. Met andere
                    woorden, de provincie draagt maximaal 50% bij aan de subsidiabele kosten van de
                    uitvoering van het regionale uitvoeringsprogramma. Bij het opstellen van het
                    ontwerp-uitvoeringsprogramma echter, staat het de GGA-regio vrij om per project
                    of per projectsoort een ander percentage aan cofinanciering te hanteren. De
                    GGA-regio kan bijvoorbeeld aan het ene project 20% cofinanciering toekennen en
                    aan een ander project 75% cofinanciering. Uitgangspunt is evenwel dat het totale
                    bedrag aan cofinanciering voor het gehele regionaal uitvoeringsprogramma
                    maximaal 50% van de totale subsidiabele projectkosten bedraagt. Op deze wijze
                    kan de regio (gemeenten + provincie) door het toepassen van een hoger percentage
                    (&gt; 50%) bevorderen dat bepaalde projecten gemakkelijker totstandkomen.
                    Gedeputeerde Staten kunnen, in bijzondere gevallen, bij bijvoorbeeld innovatieve
                    projecten besluiten tot toekenning van een hoger bedrag aan cofinanciering dan
                    de 50% van de totale subsidiabele kosten.</al><al>In 2009 is de provincie gestart met het digitaliseren van het subsidieproces.
                    Allereerst is er voor het opstellen van de regionale uitvoeringsprogramma’s van
                    de 5 GGA-regio’s een E-formulier ontwikkeld. In 2010 is er ook een E-formulier
                    ontwikkeld voor het B5-uitvoeringsprogramma en de SRE-gemeenten. Gelet op de
                    digitale afhandeling van de subsidies door de provincie dient er voor ieder
                    project een E-formulier te worden ingevuld. Nadat het uitvoeringsprogramma in de
                    regio of door de B5 of het Dagelijks Bestuur van het SRE bestuurlijk is
                    vastgesteld kan het E-formulier formeel ingediend worden bij de provincie. Op de
                    brabant-site treft u een link aan waarmee het E-formulier is te benaderen.</al><al><vet>Artikel 2.3.1a Kwaliteitseisen regionaal uitvoeringsprogramma
                        toegankelijkheid haltevoorzieningen en aanschaf haltemeubilair</vet>Het
                    ontwerp-uitvoeringsprogramma voor verbetering toegankelijkheid
                    haltevoorzieningen wordt op dezelfde manier samengesteld als het
                    ontwerp-uitvoeringsprogramma voor kleine infrastructurele, niet-infrastructurele
                    en innovatieve projecten aan de GGA-tafel. Vandaar dat de bepalingen van artikel
                    2.3.1 ook hier grotendeels van toepassing zijn. De projecten ter verbetering van
                    de toegankelijkheid van haltevoorzieningen kennen echter ook eigen regels en
                    criteria. In artikel 2.3.1a zijn hiervoor specifieke kwaliteitseisen vastgelegd.
                    In bijlage 7 en in bijlage 9 bij deze regeling zijn deze kwaliteitseisen en
                    criteria verder uitgewerkt. De GGA-regio moet deze kwaliteitseisen en criteria
                    in acht nemen bij de samenstelling van het ontwerpprogramma. Het programma heeft
                    vooral ten doel om ook de fysieke toegankelijkheid van niet-geprioriteerde
                    haltes en de aanschaf en plaatsing van haltemeubilair voor alle haltes te kunnen
                    subsidiëren. Niet-geprioriteerde haltes zijn alle haltes die minder hoog scoren
                    en om die reden niet zijn opgenomen in de lijst van geprioriteerde haltes van
                    bijlage 8. In het derde lid wordt een vast bedrag genoemd dat maximaal per halte
                    wordt vergoed. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen “gewone” haltes, waar
                    stads- en streekvervoerbussen stoppen, en buurtbushaltes, waar alleen
                    buurtbussen stoppen. De bijdrage voor een stads- en streekvervoerbushalte is een
                    vastbedrag van € 10.000,- en de bijdrage voor een buurtbushalte is een
                    vastbedrag van € 7.500,--. In sommige GGA-regio’s zijn in het verleden openbaar
                    vervoer-reserves opgebouwd op grond van de oude convenanten voor de financiering
                    van regiotaxi’s. In de regio’s zijn afspraken gemaakt dat deze middelen onder
                    meer ingezet zullen worden voor het verbeteren van de toegankelijkheid van de
                    haltes. Een GGA-regio die deze middelen nog niet heeft uitgeput, komt niet in
                    aanmerking voor een bijdrage in de zin van artikel 2.2.1 lid 2.</al><al><vet>Artikel 2.3.2 Reserveprojecten en overprogrammering</vet> Dit vereist wel
                    zorgvuldige procedure afspraken binnen de regio's. Zowel de regio als de
                    betreffende gemeente zal tijdig schriftelijk moeten aangeven welk project niet
                    tijdig in uitvoering kan worden genomen, zodat de provincie de beschikking kan
                    intrekken. Met “uitvoering” wordt in dit verband bedoeld: het aanbesteden,
                    gunnen én opdracht verlenen. Daarnaast zal de regio schriftelijk één of meerdere
                    reserve projecten moeten voordragen voor cofinanciering. Tevens zal per project
                    het gewenste bedrag aan cofinanciering aangegeven moeten worden. Hierbij blijft
                    het criterium van maximaal 50% cofinanciering voor het gehele regionaal
                    uitvoeringsprogramma van toepassing. De gehele procedure zal tijdig in gang
                    gezet moeten worden omdat het project of de projecten nog hetzelfde jaar in
                    uitvoering (aanbesteed en gegund) genomen moeten worden. Dit betekent dat de
                    vaststelling van het regionale uitvoeringsprogramma door de regio en definitieve
                    vaststelling door Gedeputeerde Staten ook geldt voor de daarin genoemde
                    reserveprojecten. Mocht er geld overblijven doordat een ander project onverhoopt
                    niet kan worden uitgevoerd, dan kan de GGA-regio een besluit nemen om een
                    reserveproject te gaan uitvoeren. De GGA-regio neemt dat besluit en deelt
                    vervolgens uiterlijk 1 september aan Gedeputeerde Staten mede welk project niet
                    doorgaat en welk reserveproject in uitvoering moet worden genomen. Deze
                    mededeling aan Gedeputeerde Staten geldt als verzoek tot subsidieverlening ten
                    behoeve van het reserveproject. Aangezien Gedeputeerde Staten bij de definitieve
                    vaststelling van het uitvoeringsprogramma ook de reserveprojecten hebben
                    vastgesteld, kunnen Gedeputeerde Staten na de hier boven genoemde mededeling,
                    overgaan tot subsidieverlening aan de desbetreffende gemeente. Deze mededeling
                    is tevens de basis om de subsidieverlening inzake het vervallen project in te
                    trekken. Opname van projecten op de reservelijst van een regionaal
                    uitvoeringsprogramma geldt gelet op art. 2.3.2. lid 3 als een aanvraag. Een
                    project mag slechts eenmaal als reserveproject worden opgenomen. Een
                    reserveproject uit het regionaal uitvoeringsprogramma van het jaar X mag alleen
                    in het jaar X+1 als project opgenomen worden in het regionaal
                    uitvoeringsprogramma. Dus de aanvraag voor een reserveproject geldt voor het
                    jaar X en het jaar X+1.</al><al><vet>Artikel 2.3.3 Niet sparen voor "duurdere" projecten</vet>Het regionale
                    budget wordt zoveel als mogelijk besteed aan projecten en reserveprojecten in
                    het uitkeringsjaar zelf. Mede gelet op het uitgangspunt uitvoeringskracht is het
                    regio's niet toegestaan te sparen voor ”duurdere” projecten. Als een
                    regio/gemeente een “duurder” project heeft, kan de regio/gemeente dit zelf
                    voorfinancieren en het project gefaseerd meerjarig programmeren in de regionale
                    ontwerp-uitvoeringsprogramma's. Hierover kunnen regionaal afspraken worden
                    gemaakt, zodat betreffende gemeente toch zeker is van cofinanciering voor het
                    gehele project. Zowel het Rijk als Provinciale Staten willen zo min mogelijk
                    onderuitputting van budgetten. Als we meer geld willen om onze ambities waar te
                    maken dan moeten de bestaande budgetten ook zo volledig mogelijk worden
                    benut.</al><al><vet>Artikel 2.3.4 Betrokkenheid maatschappelijke organisaties</vet>
                    Maatschappelijke organisaties kunnen hun subsidieaanvragen, projecten of
                    projectsuggesties aanmelden bij één of meerdere bij de GGA-regio aangesloten
                    gemeenten, met het verzoek deze in te brengen in het overleg over het regionale
                    ontwerp-uitvoeringsprogramma. De desbetreffende gemeente(n) geeft (geven)
                    hieraan gehoor en zorgt (zorgen) ervoor dat deze projecten of projectideeën
                    worden besproken in het regionale GGA-overleg. Elke regio maakt aan de
                    maatschappelijke organisaties, die actief zijn binnen hun regio, bekend hoe en
                    wanneer projectvoorstellen moeten worden ingediend om in aanmerking te komen
                    voor opname in het regionale ontwerp-uitvoeringsprogramma. In het
                    ontwerp-uitvoeringsprogramma moet de regio aangeven welke maatschappelijke
                    organisaties projectvoorstellen hebben gedaan, welke voorstellen dit waren en
                    hoe de regio met die voorstellen is omgegaan. Indien de regio besluit om een
                    projectvoorstel van een maatschappelijke organisatie niet op te nemen in het
                    regionale ontwerp-uitvoeringsprogramma motiveert zij dit besluit en deelt dit
                    schriftelijk mede aan de betreffende organisatie. Een afschrift van deze brief
                    wordt als bijlage opgenomen in het regionale ontwerp-uitvoeringsprogramma. In de
                    praktijk kunnen de contacten tussen maatschappelijke organisaties en gemeenten
                    (ook) verlopen via de provinciale GGA-relatiebeheerders en/of via de regionale
                    gebiedscoördinatoren. Deze kunnen maatschappelijke organisaties de weg wijzen,
                    helpen of anderszins optreden als intermediair ten opzichte van de regio en de
                    daarbij aangesloten gemeenten. Namen, adressen en telefoonnummers van deze
                    personen worden hierna in bijlage I bij deze beleidsregels vermeld.</al><tussenkop><vet>Hoofdstuk 2; paragraaf 4</vet></tussenkop><al><vet>Artikel 2.4.1 Regionaal uitvoeringsprogramma SRE-gebied</vet>Het SRE is
                    verantwoordelijk voor de inhoudelijke toetsing en dient in haar aanvraag verslag
                    te doen van de toetsing. Het SRE ontvangt rechtstreeks van het Rijk BDU voor de
                    cofinanciering van zowel infrastructurele en mensgerichte maatregelen. Indien er
                    voor de financiering van de regionale uitvoeringsprogramma’s extra provinciale
                    middelen beschikbaar worden gesteld dan zal er deel daarvan bestemd worden voor
                    projecten van SRE-gemeenten of projecten van het SRE zelf. De hoogte van het
                    bedrag is afhankelijk van de mate waarin provinciale middelen worden ingezet
                    voor de pakketfinanciering voor de vijf GGA-regio's. Besluitvorming over deze
                    budgetten vindt plaats in het kader van het Brabants MIT. De provinciale
                    middelen voor SRE-gemeenten zijn alleen bestemd voor cofinanciering van
                    infrastructurele en innovatieve projecten. Mensgerichte maatregelen dient het
                    SRE te financieren vanuit haar “eigen” BDU.</al><tussenkop><vet>HOOFDSTUK 2A. COFINANCIERING B5-PROGRAMMA</vet></tussenkop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>BrabantStad heeft in lijn met de Nota Mobiliteit in 2006 een Netwerkanalyse
                    opgesteld voor het stedelijk netwerk BrabantStad. In de Netwerkanalyse
                    BrabantStad is een analyse gemaakt van de knelpunten en kansen op het gebied van
                    verkeer en vervoer in BrabantStad in 2020. De focus heeft gelegen op de
                    bereikbaarheid van de economische kerngebieden van BrabantStad. In het
                    bestuurlijk overleg op 4 oktober 2006 hebben de minister van Verkeer en
                    Waterstaat en de BrabantStad-partners afgesproken dat het proces van de
                    Netwerkanalyse niet ten einde is, maar juist het begin is van een nieuw
                    gebiedsgericht samenwerkingsproces. Afgesproken is dat Rijk en BrabantStad de
                    samenwerking continueren en over de uitvoering van de Netwerkanalyse meerjarige
                    afspraken gaan maken. Meer informatie over het Netwerkprogramma BrabantStad is
                    ook terug te vinden op onze website: <extref doc="http://www.brabant.nl/" struct="INTERNET">http://www.brabant.nl/</extref> onder de knoppen ‘beleid’
                    -&gt; verkeer en vervoer -&gt; BrabantStad Bereikbaar. In het Netwerkprogramma
                    ‘BrabantStad Bereikbaar’ wordt door Rijk, provincie Noord-Brabant, het
                    Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE), de vijf grote steden in Brabant
                    (Breda, Eindhoven, Helmond, ’s-Hertogenbosch, Tilburg), NS Reizigers en ProRail
                    samen gewerkt om de bereikbaarheid van het stedelijk netwerk BrabantStad te
                    verbeteren. Centraal doel van het Netwerkprogramma ‘BrabantStad bereikbaar’ is
                    het ontwikkelen van een samenhangend maatregelenpakket. Dit maatregelenpakket
                    wordt opgebouwd vanuit vijf deelprogramma’s: • Zuidoostvleugel BrabantStad •
                    Externe Bereikbaarheid BrabantStad • Stedelijke Bereikbaarheid BrabantStad •
                    OV-netwerk BrabantStad • Dynamisch Verkeersmanagement BrabantStad</al><al>Het Netwerkprogramma wordt tweemaal per jaar (voor- en najaar) besproken met de
                    minister van Verkeer en Waterstaat en de minister van Ruimte en Milieu. Het
                    voorjaarsoverleg heeft het karakter van het bespreken van de voortgang van de
                    actiepunten uit de samenwerkingsagenda. Het najaarsoverleg is meer
                    besluitvormend van aard en leidt ook tot de doorvertaling van afspraken in
                    financiële zin in de rijksbegroting (en daarmee het MIRT). De voorbereiding van
                    het overleg gebeurt bestuurlijk in de Stuurgroep Netwerkprogramma BrabantStad
                    Bereikbaar, waarin alle elf partners zijn vertegenwoordigd. Bestuurlijke
                    afspraken over het Netwerkprogramma BrabantStad Bereikbaar werken dus door in
                    het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) van het Rijk.
                    Aan regiozijde werken de resultaten door in de planning en inzet van regionale
                    middelen in het Brabants MIT en de regionale uitvoeringsprogramma’s van de
                    GGA-regio’s.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><tussenkop><vet>Paragraaf 1 Algemene uitgangspunten van cofinanciering
                        B5-programma</vet></tussenkop><al><vet>Artikel 2a.1.1 Subsidiabele kosten infrastructurele projecten</vet> Niet
                    alle kosten komen voor een tegemoetkoming in aanmerking. Niet subsidiabel zijn
                    beheer- en onderhoudskosten en algemene bestuurslasten zoals
                    ambtenarensalarissen, kantoorinventaris en dergelijke. Ook de zogeheten
                    VAT-kosten (voorbereiding, administratie en toezicht) zijn niet subsidiabel. Wel
                    wordt een standaard vergoeding berekend voor de VAT-kosten via een vast
                    opslagpercentage van 15% over de totale subsidiabele projectkosten.</al><al>Alleen die kostensoorten, die zijn opgesomd in artikel 2a.1.1 onder a t/m g,
                    zijn subsidiabel en kunnen voor cofinanciering door de provincie in aanmerking
                    komen. Bij onderdeel a worden alleen die aanlegkosten vergoed die direct verband
                    houden met de realisering van de betrokken infrastructuur. Indien een gemeente
                    subsidie vraagt voor bijvoorbeeld de aanleg van een fietspad en gelijktijdig met
                    de aanleg van dat fietspad tevens de gehele weg opnieuw inricht, komen alleen
                    die aanlegkosten die zijn toe te rekenen aan het fietspad sec, in aanmerking
                    voor cofinanciering. Met "aanlegkosten" worden bedoeld de kosten voor de
                    realisering van de desbetreffende infrastructuur. Kosten voor (toekomstig)
                    beheer en onderhoud van die infrastructuur komen niet voor een tegemoetkoming in
                    aanmerking. Ook het vervangen van bijvoorbeeld ‘oude’ technisch en economisch
                    afgeschreven verkeersregelinstallaties en stallingsvoorzieningen wordt gezien
                    als regulier onderhoud en zijn derhalve niet subsidiabel. Bij onderdeel f kan in
                    geval van schadevergoeding aan derden onder andere worden gedacht aan de kosten
                    voor bouwkundige aanpassingen aan eigendommen van derden, die noodzakelijk zijn
                    voor de uitvoering van de infrastructurele werken. Bijvoorbeeld het verplaatsen
                    van een voordeur van een woning van de voorzijde naar de zijgevel indien het
                    gebruik van de deur, door de aanleg van een fietsvoorziening niet langer
                    mogelijk is. Voor wat betreft de kabels en leidingen worden wel de kosten voor
                    de verlegging van de kabels en leidingen vergoed, maar niet de kosten van
                    vervanging. De term “voor zover door Gedeputeerde Staten aanvaardbaar en
                    noodzakelijk geacht” komt meerdere malen voor in dit artikel. Het is geenszins
                    de bedoeling, dat voor alle kostensoorten waarbij deze term is opgenomen,
                    Gedeputeerde Staten iedere keer apart besluiten of zij de kosten aanvaardbaar
                    en/of noodzakelijk achten. De term is bedoeld als vangnet waarvan slechts in
                    uitzonderlijke gevallen gebruik van zal worden gemaakt. Bijvoorbeeld indien de
                    geraamde en/of werkelijke kosten sterk afwijken van de gangbare (markt)prijzen
                    (extreem hoge grondprijzen of legeskosten).</al><al><vet>Artikel 2a.1.2 Subsidiabele kosten niet-infrastructurele projecten</vet>
                    Uitsluitend die onderzoekskosten, studiekosten en dergelijke, die direct
                    betrekking hebben op de ontwikkeling, uitwerking en/of realisatie van het
                    desbetreffende niet-infrastructurele project, komen voor een financiële
                    tegemoetkoming in aanmerking. Dit betekent dat indirecte (interne) kosten voor
                    overhead, inzet personeel, die binnen de dienst of het bedrijf verrekend kunnen
                    worden niet subsidiabel zijn. Ook kosten, gemaakt ten behoeve van de begeleiding
                    van innovatieve projecten, kunnen niet worden gesubsidieerd. Hetzelfde geldt
                    voor kosten voor beheer en onderhoud. Mensgerichte maatregelen: dit zijn
                    maatregelen, die het gedrag van verkeersdeelnemers proberen te beïnvloeden, via
                    communicatie, educatie en handhaving. Het gaat hierbij om educatieprojecten,
                    voorlichtingsprogramma's, communicatiemiddelen en communicatie in combinatie met
                    verkeershandhaving (bijvoorbeeld alcohol, helm, gordel, fietsverlichting).</al><al><vet>Artikel 2a.1.3 Bijdragen uit andere bron</vet> Zie toelichting bij artikel
                    2.1.3 van deze regeling.</al><tussenkop><vet>Paragraaf 2 Procedure van besluitvorming en
                    subsidieverlening</vet></tussenkop><al><vet>Artikel 2a.2.1 Regionale en provinciale besluitvorming</vet>De B5 stellen
                    jaarlijks één ontwerp-uitvoeringsprogramma op ten behoeve van de cofinanciering
                    van het eerstvolgende uitkeringsjaar. In het B5-overleg met de deelnemende
                    gemeenten, de provincie, Rijkswaterstaat en eventuele andere organisaties wordt
                    besproken welke projecten worden opgenomen in het ontwerp-uitvoeringsprogramma
                    en in het meerjarig projectenpakket. Alleen de gemeenten en provincie zijn
                    stemgerechtigd. Het ontwerpprogramma wordt vastgesteld in een bestuurlijk
                    overleg waaraan de desbetreffende wethouders en gedeputeerde(n) deelnemen. In
                    het ambtelijke overleg dat aan deze regionale besluitvorming voorafgaat, zal op
                    basis van netwerkvisies een integrale afweging moeten worden gemaakt welke
                    projecten voor cofinanciering in aanmerking komen en hoe deze moeten worden
                    geprioriteerd. Of Gedeputeerde Staten het door het B5-overleg voorgestelde
                    ontwerp-uitvoeringsprogramma één op één overnemen, is afhankelijk van de mate
                    van overeenstemming in het overleg. Indien de bestuurlijke besluitvorming binnen
                    het B5-overleg unaniem tot stand is gekomen, zullen Gedeputeerde Staten het
                    voorstel van de B5 ongewijzigd overnemen en tot subsidieverlening overgaan.
                    Indien de B5 niet tot unanimiteit kan besluiten, zullen Gedeputeerde Staten een
                    standpunt innemen ten aanzien van de geschilpunten en het uitvoeringsprogramma
                    dienovereenkomstig definitief vaststellen. Kortom, in deze procedure van artikel
                    2a.2.1 van de subsidieregeling hebben we te maken met twee aparte,
                    volgtijdelijke vaststellingsmomenten. Dat is enerzijds de vaststelling van het
                    ontwerp-uitvoeringsprogramma door het bestuurlijke B5-overleg (unaniem of
                    niet-unaniem), zoals beschreven in het derde lid. En dat is anderzijds de
                    definitieve vaststelling van het regionale uitvoeringsprogramma door
                    Gedeputeerde Staten, zoals bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid. Pas nadat
                    Gedeputeerde Staten het uitvoeringsprogramma hebben vastgesteld, volgt
                    subsidieverlening conform het door hen vastgestelde programma. Het verdient
                    aanbeveling om qua terminologie in het vervolg consequent te spreken van de
                    vaststelling van het ontwerp-uitvoeringsprogramma door de B5 en van de
                    definitieve vaststelling van het uitvoeringsprogramma door Gedeputeerde Staten.
                    Op deze wijze is steeds voor eenieder duidelijk over welk vaststellingsbesluit
                    gesproken wordt.</al><al><vet> Artikel 2a.2.3 Declaratie en betaling</vet>Declaratie, betaling en
                    vaststelling in hoofdstuk 2A vindt plaats in analogie met artikel 2.2.3 en
                    artikel 2.2.4. van deze regeling. Dat betekent dat de subsidieontvanger een
                    eerste (tussentijdse) declaratie kan indienen zodra het werk voor 50 % is
                    uitgevoerd. Deze declaratie moet betrekking hebben op het uitgevoerde werk en de
                    daarmee samenhangende gerealiseerde subsidiabele projectkosten. Deze declaratie,
                    zoals bedoeld in lid 2, is gekoppeld aan het in de verleningsbeschikking
                    genoemde totale bedrag van de (begrote) subsidiabele projectkosten. Zodra
                    hiervan 50% is gerealiseerd mag de ontvanger de desbetreffende gerealiseerde
                    projectkosten declareren. Echter om de administratieve lasten te beperken kan er
                    alleen voor projecten met een subsidiebedrag &gt; € 50.000,-- een verzoek voor
                    een tussentijdse declaratie worden ingediend. De subsidieontvanger kan dit
                    moment zelf vaststellen aan de hand van de verleningsbeschikking omdat hierin
                    zowel het totale bedrag aan (begrote) subsidiabele projectkosten, als het bedrag
                    dat als subsidie wordt toegekend, zal worden vermeld. Het te declareren bedrag
                    is gemaximeerd op 50% van de in de verleningsbeschikking toegekende bijdrage.
                    Zodra het project of werk, waarvoor subsidie is verleend, is afgerond kan de
                    subsidieontvanger conform lid 3 een einddeclaratie indienen. Deze kan nooit meer
                    bedragen dan 100% van de bij subsidieverlening toegekende bijdrage. Aan deze
                    einddeclaratie is een uiterste termijn gebonden, die ook in de
                    verleningsbeschikking als verplichting zal worden opgenomen. In het vierde lid
                    wordt verwezen naar een standaardformulier dat de subsidieontvanger dient te
                    gebruiken bij een declaratie zoals bedoeld in het tweede en derde lid. In dit
                    formulier dienen de geraamde kosten en het subsidiepercentage een op een over te
                    worden genomen van het E-formulier (de subsidieaanvraag). Het
                    subsidiepercentage, dat gebruikt is om het verleende subsidiebedrag toe te
                    kennen, zal ook gebruikt worden om de subsidie definitief vast te stellen. Ofwel
                    de berekening van zowel het te verlenen subsidiebedrag als van het vast te
                    stellen subsidiebedrag wordt op dezelfde wijze uitgevoerd. Hierbij moet nog wel
                    worden opgemerkt dat het verleende subsidiebedrag berekend wordt op basis van de
                    geraamde subsidiabel kosten en het vastgestelde subsidiebedrag op basis van de
                    werkelijke kosten. Het vastgestelde subsidiebedrag is gelijk aan het verleende
                    subsidiebedrag als de werkelijke subsidiabele kosten groter of exact gelijk zijn
                    aan de geraamde subsidiabele kosten. Indien de werkelijke subsidiabele kosten
                    lager zijn dan oorspronkelijk geraamd wordt het subsidiebedrag evenredig lager
                    vastgesteld. In het vijfde, zesde en zevende lid wordt ruimte gegeven om af te
                    wijken van hetgeen is bepaald in lid 2 en lid 3. Subsidieverlener en
                    subsidieontvanger kunnen andere afspraken maken ten aanzien van de genoemde
                    percentages, ten aanzien het kasritme en ten aanzien het moment waarop de
                    einddeclaratie zal worden ingediend.</al><al><vet>Artikel 2a.2.4 Subsidievaststelling</vet> Zie toelichting bij artikel 2.2.4
                    van deze regeling.</al><tussenkop><vet>Paragraaf 3 Samenstelling B5-uitvoeringsprogramma</vet></tussenkop><al><vet>Artikel 2a.3.1 Kwaliteitseisen ontwerp-uitvoeringsprogramma</vet> Voor het
                    ontwerp-uitvoeringsprogramma en de totstandkoming daarvan gelden
                    kwaliteitseisen. Deze kwaliteitseisen zijn de kernregels van de
                    Cofinancieringsregeling. Omdat er geen finale kwaliteitstoets plaatsvindt door
                    de provincie dient de waarborg voor de kwaliteit van de te programmeren
                    projecten in het voorbereidingsproces te zitten. De provincie stuurt op deze
                    kwaliteitseisen gedurende de totstandkoming van het regionale
                    ontwerp-uitvoeringsprogramma. Het ontwerpprogramma is de resultante van een
                    gedegen jaarlijkse dialoog tussen de B5- partners over de kwaliteit van
                    projecten en over de integrale afweging tussen de projecten. Dat stelt hoge
                    eisen aan de dialoog die in dat voorbereidingsproces wordt gevoerd. De acht
                    kernregels in artikel 2a.3.1 zijn essentiële aandachtspunten bij het
                    beantwoorden van de vraag welke problemen als eerste moeten worden opgepakt, hoe
                    die problemen kunnen worden opgepakt, tot welke maatregelen de B5 uiteindelijk
                    besluit en met welke prioriteit die maatregelen daadwerkelijk worden uitgevoerd.
                    Het is de bedoeling dat de B5 in het ontwerpprogramma zelf motiveert op welke
                    wijze en met welk resultaat deze acht kernregels zijn toegepast. Het
                    ontwerp-uitvoeringsprogramma geeft een samenvatting van de manier waarop de
                    integrale afweging van geprogrammeerde projecten heeft plaatsgevonden en waarom
                    de keuze uiteindelijk op de geprogrammeerde projecten is gevallen. Het
                    ontwerp-uitvoeringsprogramma geeft ook een meerjarig perspectief van de
                    voorgenomen projecten in de regio, en vormt op die manier een voortschrijdend
                    meerjarig uitvoeringsprogramma.</al><al>Als instrument en werkvorm om de discussie over de ernst van een probleem en de
                    prioriteit van een maatregel te structureren stelt de provincie een
                    prioriteringsmethodiek voor. Het staat de B5 echter vrij om de door de provincie
                    ontwikkelde prioriteringsmethodiek te gebruiken of om zelf een alternatieve
                    prioritering toe te passen.</al><al>Extra toelichting behoeft de kwaliteitseis van artikel 2a.3.1 sub 4. Het
                    percentage aan cofinanciering van de provincie bedraagt maximaal 50% van het
                    totale uitvoeringsprogramma. Met andere woorden, de provincie draagt maximaal
                    50% bij aan de subsidiabele kosten van de uitvoering van het
                    uitvoeringsprogramma inclusief de opslag voor voorbereidings-, administratie- en
                    toezichtskosten. Bij het opstellen van het ontwerp-uitvoeringsprogramma echter,
                    staat het de B5 vrij om per project of per projectsoort een ander percentage aan
                    cofinanciering te hanteren. De B5 kan bijvoorbeeld aan het ene project 20%
                    cofinanciering toekennen en aan een ander project 75% cofinanciering.
                    Uitgangspunt is evenwel dat het totale bedrag aan cofinanciering voor het gehele
                    uitvoeringsprogramma maximaal 50% van de totale subsidiabele projectkosten
                    bedraagt. Op deze wijze kan de B5 door het toepassen van een hoger percentage
                    (&gt; 50%) bevorderen dat bepaalde projecten gemakkelijker tot stand komen.</al><al>In 2009 is de provincie gestart met het digitaliseren van het subsidieproces.
                    Allereerst is er voor het opstellen van de regionale uitvoeringsprogramma’s van
                    de 5 GGA-regio’s een E-formulier ontwikkeld. In 2010 is er ook een E-formulier
                    ontwikkeld voor het B5-uitvoeringsprogramma en de SRE-gemeenten. Gelet op de
                    digitale afhandeling van de subsidies door de provincie dient er voor ieder
                    project een E-formulier te worden ingevuld. Nadat het uitvoeringsprogramma in de
                    regio of door de B5 of het Dagelijks Bestuur van het SRE bestuurlijk is
                    vastgesteld kan het E-formulier formeel ingediend worden bij de provincie. Op de
                    brabant-site treft u een link aan waarmee het E-formulier is te benaderen.</al><al>Naast de BDU en provinciale middelen kan het zijn dat er ook andere middelen aan
                    het budget zijn toegevoegd. Het is mogelijk dat hieraan specifieke voorwaarden
                    zijn verbonden. Hierbij kan gedacht worden aan de eis van het Rijk om de
                    middelen eerst te storten in het Regionaal Mobiliteitsfonds BrabantStad of dat
                    project voor een bepaalde datum gerealiseerd moeten zijn. Deze specifieke
                    aanvullende voorwaarden zullen worden opgenomen in de verleningsbeschikking</al><al><vet>Artikel 2a.3.2 Reserveprojecten en overprogrammering</vet> Zie toelichting
                    bij artikel 2.2.3 van deze regeling.</al><al><vet>Artikel 2a.3.3 Niet sparen voor “duurdere” projecten</vet> Zie toelichting
                    bij artikel 2.2.3 van deze regeling.</al><tussenkop><vet>HOOFDSTUK 3. PROVINCIEBREDE PROJECTEN</vet></tussenkop><al>“Provinciebrede” projecten zijn: majeure en voor de gehele provincie van belang
                    zijnde projecten en/of initiatieven, gericht op innovatie,
                    instrumentontwikkeling of nieuwe vormen van samenwerking met het oog op
                    realisering en/of versnelde realisering van thema's of doelen van het
                    provinciale verkeers- en vervoerbeleid, en waarvan de subsidiabele kosten
                    minimaal € 10.000,-- bedragen. Op grond van hoofdstuk 3 van deze beleidsregels
                    kunnen publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen of natuurlijke
                    personen in aanmerking komen voor provinciale subsidie ten behoeve van de
                    financiering van dergelijke “provinciebrede“ projecten. Er bestaat nog geen
                    specifiek provinciaal beleid ten aanzien van deze projecten. Het is niet in
                    detail bekend welke voorwaarden of eisen aan deze projecten zullen worden
                    gesteld. Bij een subsidieaanvraag zullen Gedeputeerde Staten van geval tot geval
                    het projectvoorstel op zijn merites beoordelen en bezien of het project voor
                    subsidie in aanmerking kan komen. Teneinde te voorkomen dat er een open
                    eind-regeling ontstaat, zullen Gedeputeerde Staten jaarlijks een subsidieplafond
                    instellen voor provinciebrede projecten. Hierbij behouden Gedeputeerde Staten
                    zich het recht voor om gedurende het jaar dit plafond naar beneden toe bij te
                    stellen, indien er gedurende geruime tijd geen subsidieaanvragen zijn
                    binnengekomen en er dat jaar ook geen subsidieaanvragen meer verwacht
                    worden.</al><tussenkop><vet>HOOFDSTUK 4 . COFINANCIERING OPENBAAR VERVOER</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Hoofdstuk 4; paragraaf 1</vet></tussenkop><al><vet>Artikel 4.1.1 Reizigersoverleg Brabant</vet> Op 1 februari 2005 hebben
                    gedeputeerde staten besloten dat het Reizigersoverleg Brabant ook na 1 januari
                    2006 gecontinueerd moet worden. Inmiddels heeft er op 1 juli 2005
                    verzelfstandiging van het Reizigersoverleg Brabant plaatsgevonden en hebben
                    gedeputeerde staten ten behoeve van een vrij en onafhankelijk kunnen
                    functioneren van het Reizigersoverleg Brabant subsidie verleent voor de 2e helft
                    van 2005. Ook de komende jaren is het belangrijk dat het Reizigersoverleg vrij
                    en onafhankelijk kan blijven functioneren. Om deze doelstelling te kunnen
                    realiseren is het noodzakelijk dat gedeputeerde staten de mogelijkheid krijgen
                    om het Reizigersoverleg van voldoende geldmiddelen te voorzien. Door middel van
                    dit artikel kunnen gedeputeerde staten een gedeelte van de brede doeluitkering
                    aanwenden ten behoeve van het functioneren van het Reizigersoverleg
                    Brabant.</al><al><vet>Artikel 4.1.2 Beslissingstermijn Gedeputeerde Staten</vet> Dit artikel
                    geeft de termijn aan waarbinnen gedeputeerde staten op een aanvraag tot
                    subsidieverlening dienen te beslissen. Dit artikel is zondermeer duidelijk en
                    behoeft geen nadere toelichting. In sommige gevallen kan er overigens ambtshalve
                    verlening van subsidie plaatsvinden. Dit is met name het geval bij de
                    subsidieverlening voor het verrichten van openbaar vervoer en bij de
                    subsidieverlening voor het verrichten van collectief vraagafhankelijk
                    vervoer.</al><al><vet>Artikel 4.1.3 Subsidieplafonds</vet> Op grond van artikel 4:25 in samenhang
                    met artikel 4:22 van de Awb kan bij wettelijk voorschrift worden bepaald dat
                    voor subsidies die krachtens een subsidieregeling worden verstrekt, een
                    subsidieplafond wordt vastgesteld. Is er voor een subsidieregeling geen
                    subsidieplafond vastgesteld, dan heeft deze regeling een open einde en kan het
                    tekortschieten van de beschikbare middelen niet als afwijzingsgrond worden
                    gehanteerd. Is voor een subsidieregeling echter wel een subsidieplafond
                    vastgesteld dan levert overschrijding van het plafond een verplichte
                    weigeringsgrond op. Voor het toekennen van subsidies ingevolge deze
                    beleidsregels beschikt de provincie Noord-Brabant over een door het Rijk per
                    jaar vastgesteld bedrag ten behoeve van de voorbereiding en de uitvoering van
                    het verkeer- en vervoerbeleid in Noord-Brabant, de zogenaamde brede
                    doeluitkering voor verkeer en vervoer. De vaststelling van de subsidieplafonds
                    ten behoeve van de in dit artikel genoemde subsidiesoorten geschiedt door per
                    kalenderjaar specifiek voor deze doeleinden de nodige middelen te
                    reserveren.</al><tussenkop><vet>Hoofdstuk 4; paragraaf 2</vet></tussenkop><al><vet>Artikel 4.2.1</vet> Om het aanbod van personenvervoer beter af te stemmen
                    op de vraag naar personenvervoer en daardoor de kwaliteit van het
                    personenvervoer te verbeteren is in de Wet personenvervoer 2000 de
                    concessiesystematiek geïntroduceerd. De introductie van de concessiesystematiek
                    heeft tot gevolg gehad dat al het openbaar vervoer dat per bus of per auto in
                    Noord-Brabant wordt verricht door middel van concessies wordt aangestuurd.
                    Artikel 10 maakt het mogelijk om aan de vervoerders die vervoer in Noord-Brabant
                    ingevolge een aan hen verleende concessie verrichten subsidie te verlenen voor
                    de duur van de concessie.</al><al><vet>Artikel 4.2.2</vet> In het hoofdstuk “Opzet nieuwe beleidsregels
                    Cofinancieringsregeling Verkeer en Vervoer” van de Algemene Toelichting is reeds
                    aangegeven dat de bijdragen voor het verrichten van openbaar vervoer als regel
                    worden verstrekt op basis van meerjarige contractuele verplichtingen. In het
                    verlengde van deze contractuele verplichtingen zullen de daarbij behorende
                    subsidieverleningsbesluiten ambtshalve worden genomen. Hoe de financiële
                    invulling van de meerjarige contractuele verplichtingen tot stand komt, is
                    verwoord in het hoofdstuk “Financiële Zaken” dat in de Programma’s van Eisen ten
                    behoeve van de concessieverlening is opgenomen en wordt dan ook op deze plaats
                    niet nadere toegelicht.</al><al><vet>Artikel 4.2.2a</vet> Voor de activiteiten die in de Programma’s van Eisen
                    (PvE's) zijn omschreven, kan alleen ambtshalve subsidie worden verleend en
                    vastgesteld volgens de bepalingen van de PvE's. In die bepalingen is een
                    financiële procedure omschreven voor activiteiten die zijn uitgevraagd bij de
                    concessieverlening. In de praktijk is gebleken dat er uitbreiding of wijziging
                    wenselijk is van activiteiten die wel omschreven zijn in de PVE's, maar die
                    buiten de voornoemde bepalingen vallen. In die gevallen voorziet dit nieuwe
                    artikel.</al><al><vet>Artikel 4.2.3</vet> Dit artikel geeft de termijn aan waarbinnen de
                    ambtshalve vaststelling van de subsidie voor het verrichten van openbaar vervoer
                    door gedeputeerde staten plaats vindt. Voor de manier waarop deze ambtshalve
                    vaststelling plaatsvindt wordt op deze plaats eveneens verwezen naar het
                    hoofdstuk “Financiële zaken” van de Programma’s van Eisen ten behoeve van de
                    concessieverlening en is een nadere toelichting overbodig.</al><tussenkop><vet> Hoofdstuk 4; paragraaf 3</vet></tussenkop><al><vet>Artikel 4.3.1</vet> De leden 1 en 2 van dit artikel geven vorm aan de
                    afspraken die met de regio’s gemaakt zijn of nog gemaakt worden voor projecten
                    collectief vraagafhankelijk vervoer. Deze projecten bestaan voor de
                    subsidieverlening uit twee delen, namelijk een exploitatiedeel en een
                    investeringsdeel. De grond hiervoor ligt in de samenwerking met de gemeenten op
                    het vlak van het gehandicaptenvervoer. Lid 3 en 4 van dit artikel maken het
                    mogelijk om aan rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die collectief
                    vraagafhankelijk vervoer in Noord-Brabant ingevolge een met hen afgesloten
                    contract verrichten voor de exploitatie subsidie te verlenen voor de duur van
                    dat contract en ten behoeve van de bekostiging van de door een reiziger gemaakte
                    rit.</al><al><vet>Artikel 4.3.2</vet> Ook de bijdragen voor het verrichten van collectief
                    vraagafhankelijk vervoer worden als regel verstrekt op basis van meerjarige
                    contractuele verplichtingen. In het verlengde van deze contractuele
                    verplichtingen zullen de daarbij behorende subsidieverleningsbesluiten voor het
                    verrichten van collectief vraagafhankelijk vervoer ook ambtshalve worden
                    genomen. Hoe de financiële invulling van de meerjarige contractuele
                    verplichtingen tot stand komt, is vervolgens verwoord ofwel in de
                    bestuursovereenkomst die ten behoeve van het verrichten van collectief
                    vraagafhankelijk vervoer tussen de samenwerkende partijen is afgesloten danwel
                    in het contract dat met de beroepsvervoerder is afgesloten.</al><tussenkop><vet>Hoofdstuk 4; paragraaf 4</vet></tussenkop><al><vet>Artikel 4.4.1.1. </vet> In lid 1 van dit artikel wordt de tijdelijkheid van
                    deze regeling aangegeven door in dit lid de jaren te vermelden waarvoor deze
                    regeling zal gelden. Ter stimulering van een voortvarende aanpak in het eerste
                    jaar van de verbetering van de haltetoegankelijkheid kan voor de werkzaamheden
                    die voor 1 april 2009 zijn afgerond een hoger bedrag (20% meer) aan
                    cofinanciering verkregen worden dan in de periode daarna. Dit vaste bedrag van €
                    15.000 aan cofinanciering zal overigens alleen uitgekeerd worden voor de haltes
                    waarvan de toegankelijkheidsaanpassingen daadwerkelijk voor 1 april 2009 zijn
                    gerealiseerd. Met betrekking tot de uitkering van het vaste bedrag van € 12.500
                    geldt dat dit bedrag alleen definitief zal worden vastgesteld en uitgekeerd voor
                    de haltes die voor 1 januari 2012 daadwerkelijk toegankelijk zijn gemaakt. Naast
                    het moeten voldoen aan de hiervoor genoemde data om voor cofinanciering in
                    aanmerking te kunnen komen, moet er bovendien aan de in dit lid opgenomen
                    voorwaarden a en b tezamen voldaan worden wil er cofinanciering verleend kunnen
                    worden. Het alleen voldoen aan een van de twee voorwaarden is dus absoluut
                    onvoldoende voor cofinancieringverlening.</al><al>De in lid 1, sub a genoemde bijlage 7 is gelijk aan de in hoofdstuk 3 van de
                    “Handleiding toegankelijk haltevoorzieningen” van september 2007 opgenomen
                    “Elementenlijst” met betrekking tot het realiseren van de fysieke
                    toegankelijkheid met uitzondering van de paragrafen 3.1.16 tot en met 3.1.22
                    voor zover deze geen betrekking hebben op de “plaatsingsrichtlijnen” voor
                    haltevoorzieningen. Wanneer aan een van de in deze “Elementenlijst” opgenomen
                    criteria, bij voorbeeld vanwege de plaatselijke situatie van de halte, niet
                    voldaan kan worden, dan zal hiervan uiteraard gemotiveerd melding moeten worden
                    gemaakt in het verzoek om verlening van cofinanciering.</al><al>Na afstemming met iedere gemeente is er per gemeente een lijst met
                    geprioriteerde haltes opgesteld. Over deze lijsten van de verschillende
                    gemeenten, die eind 2007, begin 2008 in de portefeuillehoudersoverleggen verkeer
                    en vervoer op GGA niveau zijn geagendeerd, is bestuurlijke overeenstemming
                    bereikt. Dit heeft er toe geleid dat deze lijsten door Gedeputeerde Staten zijn
                    vastgesteld en dat de in lid 1, sub b genoemde bijlage 8 is samengesteld uit
                    deze door gedeputeerde staten vastgestelde lijsten. Alleen voor de in bijlage 8
                    opgenomen haltes kan middels deze tijdelijke regeling cofinanciering verkregen
                    worden. Op verzoek van een gemeente, van de regio of van de provincie kunnen de
                    lijsten met geprioriteerde haltes overeenkomstig de hiervoor weergegeven
                    procedure gewijzigd worden. Zolang er echter door gedeputeerde staten geen
                    gewijzigde lijsten met geprioriteerde haltes zijn vastgesteld, zijn de haltes
                    die in bijlage 8 zijn opgenomen de geprioriteerde haltes waartoe de halte moet
                    behoren wil de verbetering van de toegankelijkheid van deze halte voor
                    cofinanciering in aanmerking komen.</al><al>De lijsten met geprioriteerde haltes hebben nagenoeg allemaal betrekking op
                    halteparen. Dit betekent dat het bij de geprioriteerde haltes vrijwel altijd om
                    een tweetal haltes gaat die aan weerszijde van de weg zijn gelegen en die door
                    een redelijk constante groep reizigers voor het maken van hun reis vrijwel
                    altijd gebruikt worden als in- en uitstaphalte. Het moge duidelijk zijn dat het
                    in al deze gevallen absoluut de voorkeur geniet dat beide haltes tegelijk
                    toegankelijk gemaakt worden. Indien een in de lijst met geprioriteerde haltes
                    opgenomen halte slechts een enkele halte betreft, dan kan in de aanvraag om
                    cofinanciering voor deze halte als compensatie om de cofinanciering van een
                    andere niet geprioriteerde halte op dezelfde lijn worden verzocht. Uiteraard
                    geldt deze compensatiemogelijkheid niet bij knooppunten en busstations.</al><al>Tweede lid De in categorie 1 van bijlage 8 opgenomen haltes zijn allemaal haltes
                    die tot de zogenaamde knooppunten of busstations gerekend moeten worden.
                    Aangezien de aanpassing van de toegankelijkheid van dit soort haltes in het
                    algemeen ingewikkelder is dan de aanpak van een halte met maar een insteekhaven
                    en daardoor bij de aanpak zondermeer om maatwerk vraagt, is dit lid ten behoeve
                    van een zorgvuldige aanpak van dit soort haltes middels speciale afwijkende
                    cofinanciering in deze regeling opgenomen. Ook voor de aanpak van de haltes die
                    in categorie 2 van bijlage 8 voorkomen en waarvan de infrastructuur uit meer dan
                    een insteekhaven bestaat, kan in overleg een beroep worden gedaan op de
                    toepassing van dit lid van dit artikel.</al><al>Derde lid Omdat er bij een verzoek om subsidiëring middels lid 2 van dit artikel
                    geen sprake is van subsidiëring door middel van een vast bedrag, dient, om te
                    kunnen bepalen welk bedrag aan subsidie verleend zal worden, door de aanvrager
                    een mogelijkheid tot afweging door de subsidieverlener geboden te worden. Aan
                    het bieden van deze mogelijkheid tot afweging wordt door de aanvrager van de
                    subsidie voldaan wanneer door de aanvrager een gespecificeerde kostenraming voor
                    het fysiek toegankelijk maken van de halte bij de aanvraag wordt meegestuurd.
                    Vierde lid Bij de inwerkingtreding van deze Cofinancieringsregeling op 1 januari
                    2008 zijn er ongetwijfeld reeds de nodige haltes in Noord-Brabant toegankelijk
                    gemaakt. Het zou echter kunnen zijn dat deze haltes, met name afgewogen tegen de
                    criteria die het ministerie van Verkeer en Waterstaat voor volledige
                    toegankelijkheid hanteert (namelijk voldoen aan een perronhoogte van 18 cm, aan
                    een minimale haltebreedte van 1,50 meter alsmede een aantal noodzakelijke
                    perronmarkeringen), niet als volledig toegankelijk kunnen worden aangemerkt. Om
                    deze haltes alsnog volledig toegankelijk te kunnen maken is de provincie bereid
                    hiervoor ook cofinanciering ter beschikking te stellen. Omdat hiervoor een
                    toekenning van de in artikel 1, lid 1 opgenomen bedragen veelal overdadig zal
                    zijn, dient hiervoor in een aparte gemotiveerde aanvraag om een andere
                    cofinancieringsbijdrage van maximaal € 12.500,-- door de gemeente verzocht te
                    worden.</al><al><vet>Artikel 4.4.1.2 </vet>Eerste en tweede lid De provincie Noord-Brabant wil
                    als voorbeeldfunctie alleen voor de geprioriteerde haltes die langs provinciale
                    wegen zijn gelegen cofinanciering verlenen voor de aanschaf en plaatsing van
                    haltemeubilair. Wel verbindt zij daar de voorwaarde aan dat de aanschaf en de
                    plaatsing dan moet geschieden overeenkomstig de in hoofdstuk 3 van de
                    “Handleiding toegankelijke haltevoorzieningen” van september 2007 opgenomen
                    “Elementenlijst” met uitzondering van de paragrafen 3.1.1 tot en met 3.1.15 en
                    3.1.21. Dit betekent dat bijlage 9 volledig overeenkomt met het hiervoor
                    genoemde gedeelte van de “Handleiding toegankelijke haltevoorzieningen”.
                    Wellicht ten overvloede zij hierbij vermeld dat het bij de cofinanciering van
                    haltemeubilair de voorkeur geniet dat het haltemeubilair in de provinciale kleur
                    (ralnr. 4007) en huisstijl wordt uitgevoerd. Bovendien moge het duidelijk zijn
                    dat het aan cofinanciering te verkrijgen bedrag voor aanschaf en plaatsing van
                    haltemeubilair los staat van de middels lid 1 van artikel 1 te verkrijgen
                    bedragen aan cofinanciering.</al><al><vet>Artikel 4.4.1.3 </vet>Het in bijlage 10 opgenomen aanvraagformulier is
                    zodanig opgesteld dat op eenvoudige wijze getoetst kan worden of met name aan
                    alle in de “Handleiding toegankelijke haltevoorzieningen” opgenomen elementen is
                    voldaan. De ontwerptekeningen van de toegankelijk te maken haltes zijn hierbij
                    zeer belangrijk.</al><al><vet>Artikel 4.4.1.4 </vet> Indien een ontvanger voor dezelfde halte uit andere
                    hoofde of uit andere bron een financiële bijdrage ontvangt, dan dient deze
                    bijdrage, op het vaste bedrag aan cofinanciering, in mindering te worden
                    gebracht. De provincie heeft weliswaar het oogmerk om goede initiatieven of
                    projecten van derden te stimuleren en te honoreren door een tegemoetkoming in de
                    kosten van dat initiatief of project in het vooruitzicht te stellen. Bij de
                    toekenning van het vaste bedrag aan cofinanciering wordt expliciet rekening
                    gehouden met de bestaande mogelijkheden om de kosten van het initiatief of
                    project ten laste van andere kostendragers te brengen. Bovendien betekent het
                    dat aan haltes die met gebruikmaking van andere financieringsbronnen volledig
                    zijn aangepast geen verlening van afzonderlijke cofinanciering voor
                    haltetoegankelijkheid kan worden toegekend.</al><al><vet>Artikel 4.4.1.5. </vet> Onder het in stand houden van de haltes ingevolge
                    lid 1 van dit artikel wordt uiteraard mede begrepen het beheer en onderhoud van
                    de middels deze Cofinancieringsregeling gerealiseerde haltevoorzieningen. Het
                    moge hierbij duidelijk zijn dat er middels deze regeling geen gelden ten behoeve
                    van het beheer en onderhoud van haltes ter beschikking kunnen worden gesteld en
                    dat het beheer en onderhoud van de toegankelijk gemaakte haltes net als het
                    beheer en onderhoud van de overige haltes binnen de gemeente uit de eigen
                    gemeentelijke middelen gerealiseerd zal moeten worden.</al><al><vet>Artikel 4.4.1.6 </vet> In 2006 is wetgeving van kracht geworden met
                    betrekking tot de implementatie van single-information, single-audit (SISA). Dit
                    houdt in dat de bepalingen met betrekking tot verantwoording en
                    accountantscontrole terzake van BDU zijn vervallen en vervangen door de
                    bepalingen van SISA. Kort gezegd betekent dit dat de aparte jaarlijkse
                    verantwoording BDU door de BDU-ontvanger (provincie) wordt vervangen door een
                    verantwoording en accountantsverklaring over de jaarrekening van het betreffende
                    kalenderjaar. Dit heeft direct gevolgen voor het werken met voorschotten in de
                    zin van vooruitbetalen. Het betalen van voorschotten door het bestuursorgaan,
                    zoals in beginsel gebruikelijk is, levert binnen de nieuwe SISA systematiek
                    problemen op waar het gaat om de (administratieve) verantwoording. SISA betekent
                    dat financiële verantwoording voor alle uitgaven (bestedingen) op één moment in
                    het jaar wordt afgelegd, namelijk bij de jaarrekening. Op dat ene moment kan
                    vaak niet of niet goed worden vastgesteld of, en zo ja, hoe de uitgekeerde
                    voorschotten zijn besteed. Dit geldt niet alleen voor de provincie als
                    BDU-ontvanger, maar evenzeer voor de gemeenten, die subsidie ontvangen via
                    regionale uitvoeringsprogramma’s. Daarom zien we af van het werken met
                    vooruitbetalingen. Het achterwege laten van voorschotten of vooruitbetalingen
                    betekent dat de subsidieontvanger alle projectkosten eerst zelf moet
                    voorfinancieren en de toegekende subsidie pas achteraf ontvangt op basis van de
                    ingediende einddeclaratie. Omdat dit mogelijk tot (financiële) problemen bij de
                    subsidieontvangers kan leiden (en derhalve tot mogelijke problemen in de
                    voortgang van projecten) is in deze Cofinancieringsregeling gekozen voor de
                    systematiek van een tussentijdse declaratie. Voor de goede orde en om
                    misverstanden te voorkomen ook een tussentijdse declaratie is juridisch een
                    voorschot in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op lid 3 kan de
                    subsidieontvanger een eerste (tussentijdse) declaratie indienen zodra het werk
                    voor 50 % is uitgevoerd. Deze declaratie moet betrekking hebben op het
                    uitgevoerde werk en de daarmee samenhangende gerealiseerde subsidiabele
                    projectkosten. Deze declaratie, zoals bedoeld in lid 3, is gekoppeld aan het in
                    de verleningsbeschikking genoemde totale bedrag van de (begrote) subsidiabele
                    projectkosten. Zodra hiervan 50% is gerealiseerd mag de ontvanger de
                    desbetreffende gerealiseerde projectkosten declareren. De subsidieontvanger kan
                    dit moment zelf vaststellen aan de hand van de verleningsbeschikking omdat
                    hierin zowel het totale bedrag aan (begrote) subsidiabele projectkosten, als het
                    bedrag dat als subsidie wordt toegekend, zal worden vermeld. Het te declareren
                    bedrag is gemaximeerd op 50% van de in de verleningsbeschikking toegekende
                    bijdrage. Zodra het project of werk, waarvoor subsidie is verleend, is afgerond
                    kan de subsidieontvanger een tweede (eind)declaratie indienen. Dit is geregeld
                    in het vierde lid. Deze kan nooit meer bedragen dan 100% van de bij
                    subsidieverlening toegekende bijdrage. In het vijfde lid wordt verwezen naar een
                    door Gedeputeerde Staten vastgesteld declaratieformulier, dat de
                    subsidieontvanger dient te gebruiken bij een declaratie zoals bedoeld in het
                    eerste, derde en vierde lid. Teneinde het haltebestand up to date te houden is
                    in lid 5 van dit artikel opgenomen dat de subsidieverkrijger een overzicht van
                    de data van wijzigingen per halte dient te overleggen bij de declaratie. Zolang
                    deze data niet zijn aangeleverd zullen er geen betalingen plaatsvinden. In het
                    kader van de declaratie zal er in opdracht van de provincie
                    getoetst/gecontroleerd worden of de betreffende halte daadwerkelijk voldoet aan
                    de gestelde eisen.</al><al>Artikel 4.4.1.7 Door de invoering van SISA kan een gemeente als
                    subsidieontvanger pas formeel financieel verantwoording afleggen van de door
                    haar bestede gelden richting provincie nadat de gemeentelijke jaarrekening is
                    vastgesteld. Daarom vindt de vaststelling van de subsidie plaats nadat de
                    gemeentelijke jaarrekening van het jaar waarin de subsidie door de
                    subsidieontvanger is verantwoord, is vastgesteld en via het CBS aangeboden aan
                    de provincie. Heel concreet kan dit betekenen dat de uitbetaling van de
                    (tussentijdse) declaraties van artikel 4.4.1.6 eerste, derde en vierde lid in
                    het ene jaar plaatsvinden en dat de subsidievaststelling als bedoeld in artikel
                    4.4.1.7 in een later jaar plaatsvindt, zodra de desbetreffende (gemeentelijke)
                    jaarrekening beschikbaar en formeel vastgesteld is. In de jaarrekening moet de
                    financiële afwikkeling van projecten of activiteiten waarvoor subsidie is
                    verkregen conform de richtlijnen van het ministerie van Binnenlandse zaken voor
                    de verantwoording middels de SiSa-bijlage voldoende duidelijk zijn
                    gespecificeerd.</al><tussenkop><vet>Hoofdstuk 4; paragraaf 5</vet></tussenkop><al><vet>Artikel 4.5.1</vet> Uit de evaluatie in 2003 van vijf jaar bedrijfsvervoer
                    is gebleken, dat het aantal bedrijven, waaraan subsidie is verleend, gedaald is
                    van 6 in 1999 naar 1 bedrijf in 2004. Deze daling werd toegeschreven aan het
                    lage subsidie percentage, de veelheid aan voorschriften, het subsidievereiste
                    van het genereren van minimaal 1 miljoen reizigerskilometers per kalenderjaar,
                    het ontbreken van een aanjager in de markt van het product bedrijfsvervoer, een
                    te geringe communicatie van het product, het omzetten van bedrijfsvervoer in
                    openbaar vervoer en de gedateerde vormgeving. Binnen de Wet en het Besluit
                    Personenvervoer zijn verbeteringen van de regeling mogelijk door een verlaging
                    van het aantal drempels, minder administratieve voorschriften en een verhoging
                    van de subsidie. Bij toepassing van deze nieuwe mogelijkheden werd verondersteld
                    dat het gebruik van de subsidiemogelijkheid van bedrijfsvervoer zou toenemen.
                    Naar aanleiding van deze veronderstelling is de regeling in mei 2004 aangepast.
                    Deze aanpassing heeft de volgende wijzigingen tot gevolg gehad. De subsidie
                    wordt niet meer verleend op basis van het aantal reizigerskilometers van
                    minimaal 1 miljoen per jaar, maar op basis van het aantal deelnemende werknemers
                    aan het bedrijfsvervoerplan. Er wordt geen ondergrens voor wat betreft het
                    aantal deelnemende werknemers gehanteerd, de aanvrager bepaalt zelf of de kosten
                    die hij in verband met de subsidieaanvraag moet maken (zoals een
                    accountantsverklaring) opwegen tegen de te ontvangen subsidie. De subsidie
                    bedraagt een door gedeputeerde staten per deelnemende werknemer per dag
                    vastgesteld bedrag, ongeacht de afstand en ongeacht of het vervoer wordt
                    uitbesteed of in eigen beheer wordt verricht. Het bedrag is zo berekend, dat het
                    voor de werkgever, vergeleken met openbaar vervoer, interessant is om het
                    woon-werkvervoer van zijn werknemers als bedrijfsvervoer te organiseren. Voor de
                    verdeling van het voor subsidie beschikbare bedrag wordt het criterium inzake
                    aanvragen met het hoogste aantal reizigerskilometers gaan boven aanvragen met
                    het laagste aantal reizigerskilometers vervangen “in volgorde van de datum van
                    ontvangst van de aanvragen”. Het controleprotocol en het aanvraagformulier voor
                    de subsidie worden op basis van artikel 34, tweede lid van de verordening
                    aangepast. Het oude controleprotocol wordt nog gehanteerd voor de
                    subsidievaststelling bedrijfsvervoer 2004 van een bedrijf, die in 2003 subsidie
                    heeft aangevraagd.</al><al>Om de stimulering van bedrijfsvervoer te kunnen realiseren is het noodzakelijk
                    dat Gedeputeerde Staten de mogelijkheid krijgen om voor het bedrijfsvervoer
                    voldoende geldmiddelen te reserveren. Door middel van dit artikel kunnen
                    gedeputeerde staten een gedeelte van de brede doeluitkering aanwenden ten
                    behoeve van het subsidiëren van het bedrijfsvervoer.</al><al><vet>Artikel 4.5.2</vet> In lid 1 van dit artikel wordt vermeld waarvoor en aan
                    wie subsidie kan worden verleend. Naast werkgevers mogen ook (dienstverlenende)
                    organisaties die zorgdragen voor vervoermanagement of bedrijfsvervoer (zgn.
                    vervoermakelaars) een aanvraag voor subsidiëring doen namens de werkgever(s) op
                    een werkplek. De aanvrager is daarbij niet alleen subsidieontvanger, maar heeft
                    ingevolge artikel 4.5.8 van deze beleidsregels ook bepaalde verplichtingen.</al><al><vet>Artikel 4.5.4</vet>Lid c van dit artikel maakt duidelijk dat het ook
                    ingevolge deze beleidsregels mogelijk is om met meerdere bedrijven gezamenlijk
                    een bedrijfsvervoerplan op te zetten. Op deze manier kunnen ook bedrijven met
                    een relatief klein aantal werknemers (ten behoeve van het tot stand brengen van
                    een gezamenlijke routeplanning) van deze regeling gebruik maken.</al><al><vet>Artikel 4.5.5</vet> De Algemene wet bestuursrecht kent de systematiek van
                    subsidieverlening en subsidievaststelling. De verlening is voorlopig en onder
                    voorwaarde, en vaststelling geschiedt na het afleggen van verantwoording over de
                    activiteiten waarvoor subsidie is verleend, in casu bedrijfsvervoer, door de
                    subsidieaanvrager. Overheden die van het Rijk een financiële bijdrage krijgen
                    voor de voorbereiding en de uitvoering van verkeer- en vervoerbeleid, kunnen een
                    deel van die bijdrage aanwenden voor bedrijfsvervoer. In Noord-Brabant ontvangen
                    de Provincie en het kaderwetgebied SRE hiervoor ieder een eigen financiële
                    bijdrage van het Rijk. Bedrijfsvervoer naar een werkplek gelegen in het
                    kaderwetgebied SRE wordt niet gesubsidieerd door de Provincie, omdat het genoemd
                    kaderwetgebied zelf een deel van zijn financiële bijdrage van het Rijk hiervoor
                    kan aanwenden. In verband met vorenstaande is in lid 1 van dit artikel gekozen
                    voor deze redactie.</al><al><vet>Artikel 4.5.6</vet>De bedoeling van lid 1 van dit artikel is dat de
                    aanvrager wanneer hij reeds gebruikt maakt van andere subsidiebronnen, hij geen
                    aanspraak kan maken op provinciale subsidie voor bedrijfsvervoer. Voor sommige
                    vormen van collectief vervoer bestaan immers andere subsidie mogelijkheden. Te
                    denken valt aan bijvoorbeeld car- of vanpoolen. Ook is het niet redelijk vervoer
                    naar wisselende werkplekken te subsidiëren, omdat daarmee geen bijdrage wordt
                    geleverd aan het op structurele wijze beperken van de automobiliteit in een
                    specifieke regio en omdat de kosten van dit vervoer doorgaans ten laste kunnen
                    worden gebracht van een opdrachtgever. Daarmee vormen deze kosten geen
                    daadwerkelijke kostenpost voor de betreffende werkgever. Als voorbeeld wordt
                    genoemd vervoer van werknemers van aannemers en theatergezelschappen. In lid 2
                    van dit artikel wordt het in eigendom zijn, huren of pachten van de werkplek als
                    voorwaarde opgenomen om de subsidiëring van bedrijfsvervoer naar (door het jaar
                    heen) wisselende werkplekken te voorkomen.</al><al><vet>Artikel 4.5.7</vet> De geldigheid van de subsidie is één kalenderjaar. Dit
                    heeft als consequentie dat voor elk jaar een nieuwe aanvraag moet worden
                    ingediend. Op basis van het in de aanvraag vermelde aantal deelnemende
                    werknemers wordt de (maximale) subsidie bepaald. Aan het desbetreffende bedrijf
                    wordt door Gedeputeerde Staten meegedeeld hoe hoog deze bijdrage is. In lid 2
                    van dit artikel wordt de berekeningswijze van de maximale subsidie beschreven.
                    Lid 3 is toegevoegd om de aanvrager er op te attenderen dat de subsidie niet
                    direct wordt uitgekeerd. In lid 4 is het subsidiebedrag per 1 januari 2011 van €
                    1,70 per weknemer per dag opgenomen. In de Beleidsregels Cofinanciering Verkeer
                    en Vervoer van 1 april 2008 was de subsidie van € 1,45 per werknemer per dag
                    abusievelijk niet opgenomen. De subsidie van € 1,45 voor de jaren 2005 tot en
                    met 2010 is met ingang van 1 januari 2011 verhoogd met de som van de gemiddelde
                    tariefstijgingen van de nationale vervoerbewijzen openbaar vervoer (NVB) over de
                    jaren 2005 tot en met 2010, afgerond op € 0,05 en bedraagt € 1,70. Het
                    subsidiebedrag geldt totdat Gedeputeerde Staten een gewijzigde subsidie hebben
                    vastgesteld.</al><al><vet>Artikel 4.5.8</vet> In dit artikel zijn een aantal verplichtingen opgenomen
                    waaraan de aanvrager van subsidie voor bedrijfsvervoer moet voldoen met
                    betrekking tot de naleving van het door hem ingediende bedrijfsvervoerplan. Deze
                    verplichtingen zijn voldoende duidelijk en behoeven hier geen nadere
                    toelichting.</al><al><vet>Artikel 4.5.9.</vet> Middels dit artikel wordt bewerkstelligd dat een
                    aanvrager die reeds bedrijfsvervoer verricht en te kennen heeft gegeven ook in
                    het jaar volgend op het jaar waarvoor een subsidie is verstrekt bedrijfsvervoer
                    te willen verrichten, voorrang krijgt bij het toekennen van nieuwe subsidie. Op
                    deze wijze kan een stuk continuïteit worden geboden in de uitvoering van het
                    bedrijfsvervoer. Voorwaarde om aanspraak te kunnen maken op deze clausule is
                    evenwel het tijdig indienen van een hernieuwde aanvraag. Bestaand
                    bedrijfsvervoer blijft na een nieuwe aanvraag gesubsidieerd. In verband met
                    onder andere de reeds gepleegde investeringen is dit zondermeer acceptabel.</al><al><vet>Artikel 4.5.10</vet> Dit artikel geeft de volgorde van de subsidieverlening
                    aan. Allereerst wordt aan aanvragers, welke in het kalenderjaar voorafgaande aan
                    dat waarin zij subsidie van Gedeputeerde Staten ontvingen, voorrang verleend .
                    Aanvragen die zijn afgewezen op grond van het feit dat bij honorering van de
                    aanvraag een overschrijding van het maximaal door Gedeputeerde Staten
                    vastgestelde bedrag zou plaatsvinden, worden gerekend tot de aanvragen die
                    hierna in aanmerking komen om met voorrang behandeld te worden. Ook hier geldt
                    dat, om in aanmerking te komen voor deze clausule, tijdig een nieuwe aanvraag
                    moet worden ingediend. Zij kunnen profiteren van een eventuele verhoging van het
                    maximale door Gedeputeerde Staten vastgestelde bedrag. Indien daarna nog budget
                    over is kunnen nieuwe aanvragen in behandeling worden genomen. Hierbij worden de
                    aanvragen op volgorde van binnenkomst van de aanvrage gehonoreerd.</al><al><vet>Artikel 4.5.11</vet> Om in aanmerking te komen voor uitbetaling van de
                    definitieve subsidie moet de aanvrager voor 1 april van het jaar volgend op het
                    jaar waarvoor de subsidieaanvraag is gedaan, bij Gedeputeerde Staten een verzoek
                    indienen om over te gaan tot vaststelling van het subsidiebedrag. Het
                    subsidiebedrag wordt maximaal vastgesteld op grond van artikel 4.5.7 bepaalde
                    maximumbedrag. Als toereikend verantwoording is afgelegd over het in het
                    betreffende kalenderjaar gerealiseerde bedrijfsvervoer, stellen Gedeputeerde
                    Staten het subsidiebedrag vast en gaan vervolgens over tot uitbetaling.</al><tussenkop><vet>Hoofdstuk 4; paragraaf 6</vet></tussenkop><al><vet>Artikel 4.6.1. Collectief Vervoer Ontwikkelproject.</vet> De provincie
                    Noord-Brabant streeft er naar om haar collectieve vervoeraanbod jaarlijks te
                    optimaliseren. In dit streven naar optimalisatie kunnen vormen van collectief
                    vervoer aan de orde komen die conform de Wet personenvervoer 2000 niet onder een
                    concessie vallen, maar ook vormen van collectief vervoer die wel tot de
                    definitie van een concessie behoren. Op basis van experimenten en pilots uit het
                    verleden of toekomstige experimenten en pilots, verwacht de provincie
                    Noord-Brabant dat er een grotere dan wel andere variëteit aan collectief
                    vervoerdiensten kan ontstaan ofwel ter beschikking komt. Bij haar jaarlijkse
                    optimalisatie van collectief vervoersdiensten heeft het college van gedeputeerde
                    staten de mogelijkheid om uit deze grotere dan wel andere variëteit te putten.
                    Om deze grotere danwel andere variëteit aan collectief vervoersdiensten tot
                    stand te kunnen brengen, hebben gedeputeerde staten ingevolge het hoofdstuk
                    “Eisen Collectief Vervoer-ontwikkelprojecten” van de Programma’s van Eisen ten
                    behoeve van de concessieverlening de mogelijkheid om zowel de concessiehouders
                    als anderen te betrekken bij de ontwikkeling van nieuwe collectief vervoer
                    projecten. Door middel van dit artikel hebben gedeputeerde staten de
                    mogelijkheid om in het belang van het collectief personenvervoer de kosten van
                    deze collectief vervoer ontwikkelprojecten te subsidiëren. </al><tussenkop><vet> BIJLAGE 1. OVERZICHT GEMEENTEN IN DE GGA-REGIO'S</vet></tussenkop><al><vet>1. GGA-regio Noord-Oost</vet>Gemeente Bernheze Gemeente Boekel Gemeente
                    Boxmeer Gemeente Cuijk Gemeente Grave Gemeente Landerd Gemeente Mill en Sint
                    Hubert Gemeente Sint Anthonis Gemeente Uden Gemeente Veghel</al><al><vet>2. GGA-regio 's-Hertogenbosch </vet>Gemeente Boxtel Gemeente
                    ’s-Hertogenbosch Gemeente Haaren Gemeente Heusden Gemeente Lith Gemeente
                    Maasdonk Gemeente Oss Gemeente Schijndel Gemeente Sint Michielsgestel Gemeente
                    Sint Oedenrode Gemeente Vught</al><al><vet>3. GGA-regio Midden-Brabant</vet> Gemeente Dongen Gemeente Gilze en Rijen
                    Gemeente Goirle Gemeente Hilvarenbeek Gemeente Loon op Zand Gemeente Oisterwijk
                    Gemeente Tilburg Gemeente Waalwijk</al><al><vet>4. GGA-regio Breda </vet>Gemeente Aalburg Gemeente Alphen-Chaam Gemeente
                    Baarle-Nassau Gemeente Breda Gemeente Drimmelen Gemeente Etten-Leur Gemeente
                    Geertruidenberg Gemeente Moerdijk Gemeente Oosterhout Gemeente Werkendam
                    Gemeente Woudrichem Gemeente Zundert</al><al><vet>5. GGA-regio West-Brabant </vet> Gemeente Bergen op Zoom Gemeente
                    Halderberge Gemeente Roosendaal Gemeente Rucphen Gemeente Steenbergen Gemeente
                    Woensdrecht</al><al><vet>6. GGA-regio SRE</vet> Gemeente Asten Gemeente Bergeijk Gemeente Best
                    Gemeente Bladel Gemeente Cranendonk Gemeente Deurne Gemeente Eersel Gemeente
                    Eindhoven Gemeente Geldrop-Mierlo Gemeente Gemert-Bakel Gemeente Heeze-Leende
                    Gemeente Helmond Gemeente Laarbeek Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten
                    Gemeente Oirschot Gemeente Reusel-De Mierden Gemeente Someren Gemeente Son en
                    Breugel Gemeente Valkenswaard Gemeente Veldhoven Gemeente Waalre</al><al>De meest recente versie van de indeling in regio’s en de bijbehorende
                    coördinatoren en relatiebeheerders is te allen tijde op de internetsite van
                    provincie Noord-Brabant te vinden. </al><tussenkop><vet>Bijlage 2 is vervallen.</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Bijlage 3 is vervallen.</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Bijlage 4 is vervallen.</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Bijlage 5 is vervallen.</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Bijlage 6 is vervallen.</vet></tussenkop><al><vet>Voor de (overige) bijlagen behorende bij deze subsidieregeling, klik voor
                        het PDF-bestand.</vet></al><tussenkop><vet>Bijlage 7: Criteria subsidiëring fysieke toegankelijkheid
                        haltes</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Bijlage 8: Lijsten van de geprioriteerde haltes</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Bijlage 9: Criteria subsidiëring aanschaf en plaatsing
                        haltemeubilair</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Bijlage 10: Aanvraag toekenning bijdrage vanuit
                        Cofinancieringsregeling Verkeer en Vervoer t.b.v. aanpak van
                        halte-toegankelijkheid</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Bijlage 11: Eindtoetsformulier</vet></tussenkop></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>