<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR94981_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Wet investeren in jongeren</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ten Boer</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ten Boer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Noorderkrant 09-06-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Wet investeren in jongeren</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Art. 12 lid1 sub e en art. 35 van de Wet investeren in jongeren;</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-05-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-22</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Maatregelenverordening Wet investeren in jongeren
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.</nr>
              <titel>Begripsomschrijving</titel>
            </kop>
            <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>wet: de Wet investeren in jongeren (WIJ); </al></li>
              <li nr="b."><al>WIJ-norm: de op grond van hoofdstuk 4 van de wet van toepassing
                                    zijnde inkomensvoorziening, vermeerderd of verminderd met de op
                                    grond van dat hoofdstuk door het college vastgestelde verhoging
                                    of verlaging;</al></li>
              <li nr="c."><al>maatregel: de verlaging van de inkomensvoorziening op grond van
                                    artikel 41, eerste lid WIJ; </al></li>
              <li nr="d."><al>benadelingsbedrag: het nettobedrag dat als gevolg van het niet
                                    of niet behoorlijk nakomen van een inlichtingenverplichting ten
                                    onrechte is verstrekt als inkomensvoorziening of werkleeraanbod
                                    op grond van de wet; </al></li>
              <li nr="e."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Ten Boer;</al></li>
              <li nr="f."><al>jongere: de jongere als bedoeld in artikel 2 van de wet.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2.</nr>
              <titel>Afstemming</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Gelet op artikel 41 van de wet en onverminderd artikel 42 van de
                                wet, verlaagt het college, overeenkomstig deze verordening, het
                                bedrag van de aan de jongere toegekende inkomensvoorziening, indien
                                de jongere naar het oordeel van het college de op hem rustende
                                verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet, of de uit artikel
                                30c, tweede lid of derde lid, van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende
                                verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel zich jegens het
                                college zeer ernstig misdraagt. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere en kan
                                daarom afwijken van de in deze verordening genormeerde maatregelen.
                            </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.</nr>
              <titel>Berekeningsgrondslag</titel>
            </kop>
            <al>De maatregel wordt toegepast op de voor de jongere van toepassing zijnde
                            WIJ-norm.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.</nr>
              <titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel>
            </kop>
            <al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd en, indien van
                            toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.</nr>
              <titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; </al></li>
                <li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de
                                        gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en
                                        als gevolg van die gedraging ten onrechte
                                        inkomensvoorziening is verleend. Een maatregel wegens
                                        schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na
                                        verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft
                                        plaatsgevonden;</al></li>
                <li nr="c."><al>het college daartoe dringende redenen aanwezig acht.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de jongere daarvan schriftelijk
                                mededeling gedaan.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6.</nr>
              <titel>Ingangsdatum</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de kalendermaand volgend
                                op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan
                                de jongere is bekendgemaakt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, doch niet verder terug dan tot de datum
                                waarop de maatregelwaardige gedraging heeft plaatsgevonden. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7.</nr>
              <titel>Samenloop</titel>
            </kop>
            <al>Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van meerdere
                            in de wet genoemde verplichtingen, dan wel tegelijkertijd van meerdere
                            gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in de wet
                            genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Voor het bepalen
                            van de hoogte en de duur van deze maatregel wordt uitgegaan van de
                            gedraging waarop de zwaarste maatregel is gesteld.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8.</nr>
              <titel>Recidive</titel>
            </kop>
            <al>Onverminderd artikel 2 wordt de duur of hoogte van de maatregel
                            verdubbeld als de jongere zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                            een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt
                            aan een verwijtbare gedraging van dezelfde categorie. Met een besluit
                            waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om
                            daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5,
                            tweede lid. </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>HET NIET NAKOMEN VAN DE VERPLICHTINGEN OVER DE ARBEIDSINSCHAKELING EN
                            HET WERKLEERAANBOD</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.</nr>
              <titel>Indeling in categorieën</titel>
            </kop>
            <al>Gedragingen van de jongere inhoudende het niet of onvoldoende nakomen
                            van de verplichtingen bedoeld in artikel 45 van de wet, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>het onvoldoende meewerken aan het opstellen van een plan
                                            met betrekking tot de arbeidsinschakeling, waaronder
                                            begrepen het onvoldoende meewerken aan een onderzoek
                                            naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al></li>
                  <li nr="b."><al>het zich niet onderwerpen aan een noodzakelijke
                                            behandeling van medische aard op advies van een
                                            arts.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>het stellen van onredelijke eisen in verband met door de
                                            jongere te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die
                                            het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid belemmeren;</al></li>
                  <li nr="b."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of
                                            bevorderen van de arbeidsbekwaamheid;</al></li>
                  <li nr="c."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten of
                                            werkzaamheden, gericht op de arbeidsinschakeling;</al></li>
                  <li nr="d."><al>het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten
                                            naar beste vermogen te verrichten.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.</nr>
              <titel>De hoogte en duur van de maatrege</titel>
            </kop>
            <al>l</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De maatregel wordt vastgesteld op:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>10 procent van de WIJ-norm bij gedragingen van de eerste
                                            categorie;</al></li>
                  <li nr="b."><al>20 procent van de WIJ-norm bij gedragingen van de tweede
                                            categorie.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>De duur van de maatregel bedoeld in het eerste lid wordt
                                    vastgesteld op een maand. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>HET NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT, MEDEWERKINGSPLICHT EN
                            IDENTIFICATIEPLICHT</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11.</nr>
              <titel>Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de
                                inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet,
                                niet heeft geleid tot het ten onrechte toekennen of uitvoeren van
                                het werkleeraanbod of tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                verlenen van de inkomensvoorziening, wordt een maatregel opgelegd
                                van 5 procent van de WIJ-norm,</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De duur van de maatregel bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld
                                op een maand.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.</nr>
              <titel>Schending inlichtingenplicht met benadeling gemeente</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet
                                heeft geleid tot het ten onrechte toekennen of uitvoeren van het
                                werkleeraanbod of tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                verlenen van de inkomensvoorziening, wordt de maatregel afgestemd op
                                de hoogte van het benadelingsbedrag.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De maatregel bedoeld in het eerste lid wordt op de volgende wijze
                                vastgesteld:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,00: 10 procent van de
                                        WIJ-norm;</al></li>
                <li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1.000,00 tot € 2.000,00: 20
                                        procent van de WIJ-norm;</al></li>
                <li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2.000,00 tot € 4.000,00: 40
                                        procent van de WIJ-norm;</al></li>
                <li nr="d."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4.000,00 of meer: 100
                                        procent van de WIJ-norm.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De duur van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt
                                vastgesteld op een maand.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Van een maatregel wordt afgezien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is ingesteld
                                        en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft
                                        genomen;</al></li>
                <li nr="b."><al>zodra het recht tot strafvervolging is vervallen, doordat
                                        het Openbaar Ministerie een schikking met de jongere heeft
                                        getroffen.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13.</nr>
              <titel>Niet verlenen van de gevraagde medewerking</titel>
            </kop>
            <al>Indien de jongere niet de gevraagde medewerking heeft verleend die nodig
                            is voor de uitvoering van de wet bedoeld in artikel 44 tweede lid van de
                            wet, wordt een maatregel opgelegd van 10 procent van de WIJ-norm
                            gedurende een maand. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14.</nr>
              <titel>Niet tonen van een identificatiebewijs</titel>
            </kop>
            <al>Indien de jongere op verzoek niet een identiteitsbewijs kan tonen als
                            bedoeld in artikel 44 derde en vierde lid van de wet, wordt een
                            maatregel opgelegd van 5 procent van de WIJ-norm gedurende een maand.
                        </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>ZEER ERNSTIGE MISDRAGINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15.</nr>
              <titel>Zeer ernstige misdragingen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien de jongere zich tegenover het college of zijn ambtenaren
                                onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                                uitvoering van de WIJ, zeer ernstig misdraagt als bedoeld in artikel
                                41, eerste lid van de wet, wordt de maatregel afgestemd op de ernst
                                van de gedraging.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, wordt de
                                maatregel op de volgende wijze vastgesteld:</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>a.</lidnr>
              <al>bij verbaal geweld: 20 procent van de WIJ-norm gedurende een maand;
                                b. bij discriminatie: 50 procent van de WIJ-norm gedurende een
                                maand; c. bij zaakgericht fysiek geweld: 50 procent van de WIJ-norm
                                gedurende een maand; d. bij intimidatie: 100 procent van de WIJ-norm
                                gedurende een maand;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>e.</lidnr>
              <al>bij mensgericht fysiek geweld: 100 procent van de WIJ-norm gedurende
                                een maand.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>HANDHAVING</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16.</nr>
              <titel>Handhavingsbeleid</titel>
            </kop>
            <al>Het college biedt jaarlijks een handhavingsplan aan de raad aan met
                            daarin het te voeren beleid op gebied van handhaving, bestrijding van
                            misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet en de te verwachten
                            resultaten en rapporteert hierover jaarlijks aan de raad. </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>6.</nr>
            <titel>SLOTBEPALINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17.</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening Wet investeren in jongeren.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18.</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2010.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De Verordening tijdelijke regels Wet investeren in jongeren komt met
                                ingang van 1 juli 2010 te vervallen.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Art.</label>
              <nr>18</nr>
              <titel>a. Handhavingsbeleid</titel>
            </kop>
            <al>Het college biedt jaarlijks een handhavingsplan aan de raad aan met
                            daarin het te voeren beleid op gebied van handhaving, bestrijding van
                            misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet en de te verwachten
                            resultaten en rapporteert hierover jaarlijks aan de raad.</al>
            <al/>
            <al/>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <label>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</label>
        </kop>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 1. Begripsomschrijving</label>
          </kop>
          <al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben dezelfde
                            betekenis als in de WIJ.</al>
          <al>
            <onderstreept>Sub b</onderstreept>
          </al>
          <al>De term ‘WIJ-norm’ wordt in deze verordening gebruikt. Daarmee wordt
                            bedoeld de van toepassing zijnde inkomensvoorziening, inclusief
                            toeslag/verlaging.</al>
          <al>
            <onderstreept>Sub d</onderstreept>
          </al>
          <al>In de verordening wordt het begrip ‘benadelingsbedrag’ gedefinieerd als
                            het nettobedrag dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
                            Deze definitie wijkt af van de begripsbepaling zoals bedoeld in artikel
                            54, vierde lid WIJ, dat uitgaat van het brutobedrag. Aangezien in de
                            vroegere uitvoeringspraktijk is gebleken dat het gebruik van een
                            brutobedrag veelvuldig tot verwarring kan leiden, is voor een
                            nettobedrag gekozen.</al>
          <al>Onder benadelingsbedrag verstaan we niet alleen de ten onrechte
                            verstrekte uitkering (inkomensvoorziening) maar ook de kosten van het
                            werkleeraanbod. Dit is naar analogie van het Boetebesluit
                            socialezekerheidswetten. </al>
          <al>
            <onderstreept>Sub f</onderstreept>
          </al>
          <al>In deze verordening wordt de definitie van ‘jongere’ gebruikt zoals die
                            in artikel 2 WIJ is beschreven. Een jongere is een hier te lande
                            woonachtige Nederlander van 16 jaar of ouder maar jonger dan 27 jaar.
                            Voor de gelijkstelling met een Nederlander wordt naar de tekst van
                            artikel 2 WIJ verwezen.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Afstemming</titel>
          </kop>
          <al>
            <onderstreept>Eerste lid</onderstreept>
          </al>
          <al>Hier is de wettelijke grondslag voor het opleggen van een maatregel
                            (artikel 41, eerste lid, WIJ) vastgelegd. Daarnaast blijft artikel 42
                            WIJ onverminderd van kracht. Dit artikel omschrijft een aantal
                            bijzondere waarin geen recht (meer) bestaat op een inkomensvoorziening. </al>
          <al>
            <onderstreept>Tweede lid</onderstreept>Het college moet
                            een op te leggen maatregel afstemmen op de individuele omstandigheden
                            van de jongere en de mate van verwijtbaarheid. Bij elke op te leggen
                            maatregel moet dus worden nagegaan of de individuele omstandigheden van
                            de betrokken jongere het nodig maken om af te wijken van
                            standaardmaatregelen zoals die in hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze
                            verordening worden gegeven. Afwijking van de standaardmaatregel kan
                            zowel een verzwaring als een matiging betekenen. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>De berekeningsgrondslag</titel>
          </kop>
          <al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt
                            opgelegd over de toepasselijke WIJ-norm. Zie artikel 1 voor een
                            begripsomschrijving. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel>
          </kop>
          <al>Het verlagen van de inkomensvoorziening vindt plaats door middel van een
                            besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder
                            geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de
                            Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name het
                            motiveringsbeginsel. Het motiveringsbeginsel houdt onder andere in dat
                            een besluit aan betrokkene kenbaar is gemaakt en deugdelijk is
                            gemotiveerd (afdeling 3.7 Awb ). </al>
          <al>Onderdeel van de voorbereiding van het besluit kan zijn het horen van de
                            jongere. Het is niet verplicht om de jongere te horen. Als op grond van
                            de aanwezige gegevens geen goed gemotiveerd besluit kan worden genomen,
                            moet de jongere in de gelegenheid worden gesteld om mondeling of
                            telefonisch zijn visie kenbaar te maken. Als de jongere heeft verzuimd
                            tijdig een formulier opgave inkomsten in te leveren, dan wordt om
                            praktische redenen afgezien van het horen. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel>
          </kop>
          <al>
            <onderstreept>Eerste lid</onderstreept>
          </al>
          <al>
            <onderstreept>Sub a</onderstreept>
          </al>
          <al>Er wordt afgezien van een maatregel als iedere vorm van verwijtbaarheid
                            ontbreekt (artikel 41, tweede lid, WIJ). </al>
          <al>
            <onderstreept>Sub b</onderstreept>
          </al>
          <al>Een reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                            gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van
                            de effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig
                            nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden
                            wordt onder a. geregeld dat het college geen maatregelen oplegt voor
                            gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. </al>
          <al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en
                            als gevolg waarvan ten onrechte inkomensvoorziening is verleend of een
                            te hoog bedrag aan inkomensvoorziening is verleend, geldt een
                            verjaringstermijn van vijf jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij
                            artikel 5, eerste lid van de Maatregelenverordening WWB. </al>
          <al>
            <onderstreept>Sub c</onderstreept>
          </al>
          <al>Ten slotte kan in individuele omstandigheden wegens dringende redenen
                            worden afgezien van het opleggen van een maatregel. Van dringende
                            redenen is sprake als de gevolgen van het opleggen van een maatregel
                            onaanvaardbaar zijn. </al>
          <al>
            <onderstreept>Tweede lid</onderstreept>Het doen van een
                            schriftelijke mededeling dat het college afziet van het opleggen van een
                            maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband met
                            eventuele recidive.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6.</nr>
            <titel>Ingangsdatum</titel>
          </kop>
          <al>
            <onderstreept>Eerste lid</onderstreept>Het opleggen van
                            een maatregel vindt plaats door het verlagen van de WIJ-norm. Verlaging
                            van de WIJ-norm kan in beginsel op twee manieren:</al>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>door middel van verlaging van de WIJ-norm in de eerstvolgende
                                    maand(en); of</al></li>
            <li nr="2."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                                    inkomensvoorziening.</al></li>
          </lijst>
          <al>Het verlagen van de WIJ-norm die in de nabije toekomst wordt verstrekt,
                            is de gemakkelijkste methode. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat
                            een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                            kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                            WIJ-norm.</al>
          <al>
            <onderstreept>Tweede lid</onderstreept>De maatregel mag
                            niet eerder ingaan dan op de datum waarop de gedraging heeft
                            plaatsgevonden. Is toepassing van lid 1 niet aan de orde, omdat
                            (bijvoorbeeld) het recht op de inkomensvoorziening reeds beëindigd is,
                            dan biedt het tweede lid de mogelijkheid dat met terugwerkende kracht
                            een maatregel wordt opgelegd.Wanneer een uitkeringsbedrag over
                            de lopende maand nog niet (volledig) aan de jongere is uitbetaald, is
                            het praktisch om de verlaging van de uitkering zoveel mogelijk te
                            verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval
                            moet het besluit tot het opleggen van een maatregel bekend zijn gemaakt
                            voordat de verrekening plaatsvindt. Als de inkomensvoorziening al is
                            uitbetaald voordat het maatregelbesluit is bekendgemaakt, dan moet in
                            verband met het – met terugwerkende kracht - ten uitvoer leggen van de
                            maatregel het recht op een inkomensvoorziening bij beschikking worden
                            herzien en teruggevorderd. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7.</nr>
            <titel>Samenloop</titel>
          </kop>
          <al>De regeling voor de samenloop heeft betrekking op de schending van de
                            verplichtingen genoemd in de wet (artikelen 44 en 45 WIJ). Als sprake is
                            van één of meerdere gedragingen tegelijkertijd die als een schending van
                            meerdere verplichtingen kan/kunnen worden aangemerkt, dan moet voor het
                            toepassen van de maatregel worden uitgegaan van de verplichting waarop
                            de zwaarste maatregel van toepassing is. Daarnaast moet altijd de
                            individuele toets aan artikel 2, tweede lid te worden toegepast. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Recidive</titel>
          </kop>
          <al>Als binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van
                            een herhaling van een verwijtbare gedraging van dezelfde categorie,
                            wordt de ernst van de gedraging tot uitdrukking gebracht in een
                            verdubbeling van de duur of de hoogte van de maatregel. Met ‘eerste
                            verwijtbare gedraging’ wordt de eerste gedraging verstaan die aanleiding
                            is geweest tot een maatregel, ook als de maatregel wegens dringende
                            redenen niet is geëffectueerd. De termijn van twaalf maanden begint te
                            lopen met ingang van het tijdstip waarop het besluit over de maatregel
                            bekend is gemaakt.</al>
          <al>Afhankelijk van het individuele geval wordt gekozen voor verdubbeling
                            van de hoogte of van de duur. Daarbij is het uitgangspunt dat de
                            maatregel tot een zo spoedig mogelijke gedragsverandering moet leiden.
                            Wanneer bijvoorbeeld een jongere niet blijft meewerken aan activiteiten
                            die gericht zijn op zijn arbeidsinschakeling, en van een uitkering met
                            een standaardmaatregel nog wel kan rondkomen, zal een verdubbeling van
                            het percentage eerder tot gedragsverandering leiden dan het verdubbelen
                            van de duur van de maatregel. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>HET NIET NAKOMEN VAN DE VERPLICHTINGEN OVER DE ARBEIDSINSCHAKELING EN
                            HET WERKLEERAANBOD</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9.</nr>
            <titel>Indeling in categorieën</titel>
          </kop>
          <al>In artikel 45 WIJ zijn tamelijk gedetailleerd de verplichtingen
                            omschreven die betrekking hebben op de arbeidsinschakeling en de
                            totstandkoming en de tenuitvoerlegging van het werkleeraanbod. Deze
                            verplichtingen gelden van rechtswege vanaf het moment dat de aanvraag
                            voor een werkleeraanbod wordt ingediend. Schending van één van deze
                            verplichtingen dient in beginsel te leiden tot verlaging van de
                            eventuele inkomensvoorziening. </al>
          <al>De verplichtingen in de WIJ corresponderen met de verplichtingen in de
                            WWB. In de onderstaande tabel wordt een vergelijking gegeven. De
                            verplichtingen volgens de WWB zijn nader uitgewerkt in de
                            Maatregelenverordening WWB. </al>
          <table>
            <tgroup cols="4">
              <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="5*"/>
              <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="41*"/>
              <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="43*"/>
              <colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="11*"/>
              <tbody>
                <row>
                  <entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1">
                    <al>
                      <vet>Verplichtingen artikel 45 WIJ</vet>
                    </al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3">
                    <al>
                      <vet>Verplichtingen volgens de WWB</vet>
                    </al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>a.</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Meewerken aan het opstellen van een plan met
                                                betrekking tot de arbeidsinschakeling, waaronder
                                                begrepen het meewerken aan een onderzoek naar de
                                                mogelijkheden tot arbeidsinschakeling</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>Meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden
                                                tot arbeidsinschakeling</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>9 lid 1 sub b</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>b. </al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Geen onredelijke eisen stellen in verband met de te
                                                verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het
                                                aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                                                arbeid belemmeren</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>Naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid
                                                verkrijgen en aanvaarden</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>9 lid 1 sub a</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>c. </al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Meewerken aan het behoud of bevorderen van de
                                                arbeidsbekwaamheid</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>Gebruikmaken van een door het college aangeboden
                                                voorziening gericht op arbeidsinschakeling,
                                                waaronder begrepen sociale activering</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>9 lid 1 sub b</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>d. </al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Meewerken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht
                                                op arbeidsinschakeling</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>Idem</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>9 lid 1 sub b</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>e. </al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar beste
                                                vermogen verrichten</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>Idem</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>9 lid 1 sub b</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>f. </al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Op advies van een arts zich onderwerpen aan een
                                                noodzakelijke behandeling van medische aard</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>Idem</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>55</al>
                  </entry>
                </row>
              </tbody>
            </tgroup>
          </table>
          <al>Net als bij de WWB is steeds het uitgangspunt dat schending van de
                            verplichtingen die betrekking hebben op de laatste stap naar de
                            arbeidsmarkt, als ernstiger worden aangemerkt. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10.</nr>
            <titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel>
          </kop>
          <al>Bij het vaststellen van de hoogte van de standaardmaatregelen is
                            aangesloten bij de Maatregelenverordening WWB. De gedragingen
                            corresponderen met gedragingen van de eerste en tweede categorie in de
                            Maatregelenverordening WWB, evenals de hoogte van de bijbehorende
                            maatregelen. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>HET NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT, MEDEWERKINGSPLICHT EN
                            IDENTIFICATIEPLICHT</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>11.</nr>
            <titel>Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel regelt de hoogte van de maatregel als er geen sprake is van
                            een benadelingsbedrag (‘nulfraude’). Een voorbeeld van nulfraude is het
                            niet melden van een niet-rechthebbende partner. </al>
          <al>Het kan ook voorkomen dat bepaalde gevraagde gegevens bij een aanvraag
                            niet aan de gemeente worden verstrekt. In dat geval kan het college de
                            rechtmatigheid van het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening niet
                            vaststellen. De aanvraag moet dan worden afgewezen. Het opleggen van een
                            maatregel is in dergelijke gevallen niet aan de orde. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>12.</nr>
            <titel>Schending inlichtingenplicht met benadeling gemeente</titel>
          </kop>
          <al>
            <onderstreept>Tweede lid</onderstreept>De ernst van de
                            gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag.
                            Dat is het door de gemeente te veel betaalde bedrag aan
                            inkomensvoorziening alsmede de kosten van het werkleeraanbod. </al>
          <al>
            <onderstreept>Vierde lid</onderstreept>
          </al>
          <al>Met het Openbaar Ministerie in Groningen is afgesproken dat bij ‘witte’
                            fraude boven de grens van € 10.000 met het Openbaar Ministerie overleg
                            plaatsvindt. De omstandigheden van het geval zijn niet minder belangrijk
                            dan de hoogte van het fraudebedrag. Voor de WIJ wordt van een zelfde
                            aanpak uitgegaan.</al>
          <al>Als aangifte plaatsvindt, wordt eerst de uitkomst van het
                            strafrechterlijk onderzoek afgewacht. Als duidelijk is dat er van
                            strafvervolging is afgezien, wordt alsnog een maatregel opgelegd. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>13.</nr>
            <titel>Niet verlenen van de gevraagde medewerking</titel>
          </kop>
          <al>De plicht van de jongere om desgevraagd aan het college medewerking te
                            verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet is
                            neergelegd in artikel 44, tweede lid van de wet. De medewerkingsplicht
                            kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan, zoals het toestaan van
                            huisbezoek of het voeren van een gesprek in de spreekkamer. Ook hier
                            wordt primair gekozen voor het opleggen van een maatregel. Alleen als de
                            jongere systematisch niet de gevraagde medewerking verleent, kan
                            toepassing van artikel 21 van de wet aan de orde komen. Op grond van dit
                            laatstgenoemde artikel kan het college bij verwijtbare schendingen van
                            de wettelijke verplichtingen het werkleeraanbod intrekken. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>14.</nr>
            <titel>Niet tonen van een identificatiebewijs</titel>
          </kop>
          <al>De identificatieplicht is neergelegd in artikel 44, derde en vierde lid
                            WIJ. De jongere is desgevraagd verplicht aan het college informatie te
                            verstrekken over zijn identiteit, voor zover dit redelijkerwijs nodig is
                            voor de uitvoering van deze wet. Dit betekent dat wanneer een medewerker
                            van de uitvoerende dienst onderzoek doet op bijvoorbeeld een
                            arbeidsplaats of bij een huisbezoek (of uiteraard in de spreekkamer), de
                            jongere op verzoek een identificatiebewijs moet tonen. Indien de jongere
                            weigert een identiteitsbewijs te tonen, biedt de wet ook de mogelijkheid
                            om de uitkering te weigeren. Zoals in de algemene toelichting is
                            aangegeven, wordt primair gekozen voor het opleggen van een maatregel in
                            deze situatie. In zeer bijzondere situaties kan de uitkering op grond
                            van de wet worden geweigerd.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Zeer ernstige misdragingen</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>15.</nr>
            <titel>Zeer ernstige misdragingen</titel>
          </kop>
          <al>
            <onderstreept>Eerste lid </onderstreept>
          </al>
          <al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                            agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                            verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer
                            doorgaans als onacceptabel wordt beschouwd.</al>
          <al>Het college kan alleen een maatregel opleggen indien er een verband
                            bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor
                            de gemeente bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar
                            dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen
                            moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van de WIJ. In artikel 41, eerste lid
                            van de wet wordt gesproken over ‘het zich jegens het college zeer
                            ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag
                            tegenover leden van het college en zijn ambtenaren bij het uitvoeren van
                            de WIJ aanleiding is voor het opleggen van een maatregel. Er kan dus
                            geen maatregel worden opgelegd als een klant zich agressief heeft
                            gedragen tegenover een medewerker van een andere organisatie die belast
                            is met de uitvoering van de WIJ, bijvoorbeeld een re-integratiebedrijf.
                            Het is in dat geval wellicht wel mogelijk om een maatregel op te leggen
                            wegens het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten of
                            werkzaamheden, gericht op de arbeidsinschakeling (artikel 9, tweede lid
                            sub c van deze verordening). </al>
          <al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van
                            aangifte bij de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de
                            functionaris tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de
                            politie.</al>
          <al>
            <onderstreept>Tweede lid</onderstreept>
          </al>
          <al>In dit lid wordt een relatie gelegd tussen de ernst van de gedraging en
                            de hoogte van de maatregel. Er is gekozen voor een oplopend percentage
                            van 20 tot 100 procent van de WIJ-norm gedurende een maand. Er is
                            hierbij aansluiting gezocht bij de percentages die worden gehanteerd in
                            de Maatregelenverordening WWB. </al>
          <al>Bij herhaald wangedrag kan de jongere worden uitgesloten van het recht
                            op werkleeraanbod (artikel 22 van de wet). Wel geldt daarbij dat binnen
                            een maand de uitsluiting van het werkleeraanbod heroverwogen moet
                            worden, vanwege de grote consequenties en gelet op het belang van
                            duurzame arbeidsparticipatie. Ook hier wordt primair gekozen voor het
                            opleggen van een maatregel, zo mogelijk verhoogd op grond van de
                            bepaling over recidive. De periode stemt in principe overeen met de
                            periode waarin de jongere wordt uitgesloten van het recht op
                            werkleeraanbod. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>16.</nr>
            <titel>Handhavingsbeleid</titel>
          </kop>
          <al>Op grond van artikel 12 eerste lid onder c WIJ stelt de raad bij
                            verordening regels voor de bestrijding van misbruik en oneigenlijk
                            gebruik van de wet. Door het opnemen van dit artikel over
                            handhavingsbeleid is hieraan voldaan. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>17.</nr>
            <titel>Citeertitel</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel spreekt voor zich.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>18.</nr>
            <titel>Inwerkingtreding</titel>
          </kop>
          <al>De Maatregelenverordening Wet investeren in jongeren treedt in werking
                            op 1 juli 2010. Op dat moment vervalt de Verordening tijdelijke regels
                            Wet investeren in jongeren. Op grond van die verordening was het ook al
                            mogelijk om een maatregel op te leggen. Daarbij werd aangesloten bij de
                            Maatregelenverordening WWB voor zover de wet dit toestond. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>18</nr>
            <titel>a. Handhavingsbeleid</titel>
          </kop>
          <al>Op grond van artikel 12 eerste lid onder c WIJ stelt de raad bij
                            verordening regels voor de bestrijding van misbruik en oneigenlijk
                            gebruik van de wet. Door het opnemen van dit artikel over
                            handhavingsbeleid is hieraan voldaan.</al>
        </divisie>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>