<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR94956_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Wet Werk en Bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ten Boer</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ten Boer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Noorderkrant 09-06-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Wet Werk en Bijstand</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Art. 147 lid 1 Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Art. 8 lid 1 en 2 en artikel 10 Wet Werk en Bijstand</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-05-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-03-11</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Re-integratieverordening Wet Werk en Bijstand
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>Paragraaf</label>
            <nr>1:</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Begripsomschrijvingen</titel>
            </kop>
            <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>De wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li>
              <li nr="b."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li>
              <li nr="c."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li>
              <li nr="d."><al>Uitkeringsgerechtigden : personen met een uitkering
                                        ingevolge de wet, de IOAW of de IOAZ; </al></li>
              <li nr="e."><al>Awb: de Algemene wet bestuursrecht;</al></li>
              <li nr="f."><al>Anw-ers: personen met een uitkering volgens de Algemene
                                        nabestaandenwet die ingeschreven zijn bij het UWV Werkbedrijf; </al></li>
              <li nr="g."><al>Nuggers: personen die als werkzoekenden zijn ingeschreven
                                        bij het UWV Werkbedrijf en die geen uitkeringsgerechtigden zijn;</al></li>
              <li nr="h."><al>Belanghebbende: de persoon als bedoeld in artikel 7, eerste
                                        lid, onderdeel a, van de wet, of artikel 34, eerste lid, onderdeel a, van de IOAW of de
                                        IOAZ, die woonachtig is in de gemeente Ten Boer;</al></li>
              <li nr="i."><al>Het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Ten Boer;</al></li>
              <li nr="j."><al>De raad: de gemeenteraad van de gemeente Ten Boer;</al></li>
              <li nr="k."><al>Gesubsidieerde werknemer: de persoon als bedoeld in artikel
                                        10, tweede lid van de wet.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1a</nr>
              <titel>Afwijkende bepalingen voor jongeren</titel>
            </kop>
            <al>In afwijking van hetgeen in deze verordening is bepaald, kunnen de
                                volgende voorzieningen en instrumenten niet worden ingezet voor de
                                arbeidsinschakeling van belanghebbenden jonger dan 27 jaar:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>onbeloonde additionele arbeid als bedoeld in artikel 10a van
                                        de wet;</al></li>
              <li nr="b."><al>premies en vrijlatingen als bedoeld in artikel 31, vijfde
                                        lid van de wet.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </paragraaf>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>Paragraaf</label>
            <nr>2:</nr>
            <titel>Beleid en financiën</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Opdracht college</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college biedt aan bijstandsgerechtigden tot 65 jaar, aan
                                    personen met een nabestaanden- of halfwezenuitkering,
                                    niet-uitkeringsgerechtigden, personen als bedoeld in artikel 10,
                                    tweede lid van de wet, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                                    en, voor zover het college dat noodzakelijk acht, een
                                    voorziening gericht op die arbeidsinschakeling. Artikel 40,
                                    eerste lid van de wet is van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het
                                    aanbieden van voorzieningen wordt door het college een afweging
                                    gemaakt, waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de
                                    voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van de
                                    belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op
                                    inschakeling in de arbeid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod
                                    aan ondersteuning en voorzieningen. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Het college kan een vergoeding geven voor flankerende kosten die
                                    noodzakelijk zijn om de voorziening te kunnen starten en
                                    volgen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Het college biedt Anw-ers en niet-uitekeringsgerechtigde
                                    personen aanpsraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling.
                                    Geen ondersteuning wordt ingezet als belanghebbende gehuwd is en
                                    het netto inkomen meer bedraagt dan 130% van het WML.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>Indien de persoon, bedoeld in het vorige lid 5, een reeds
                                    gestart re-integratietrajecet tussentijds verwijtbaar beëindigt,
                                    kan het college de ondersteuningskosten geheel of gedeeltelijk
                                    terugvorderen.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Programmabegroting</titel>
            </kop>
            <al>De raad stelt ter nadere uitvoering van deze verordening jaarlijks
                                in de programmabegroting een beleidsplan vast, waarin beleidsdoelen worden aangegeven. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Aanspraak op ondersteuning</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Iedere belanghebbende heeft aanspraak op ondersteuning bij
                                    arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college
                                    noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling.
                                </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college betrekt bij zijn oordeel over de noodzaak om een
                                    voorziening aan te bieden:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>De mogelijkheden tot arbeidsinschakeling van de
                                            belanghebbende;</al></li>
                <li nr="b."><al>De beschikbaarheid van de benodigde voorziening of
                                            alternatieven daarvoor;</al></li>
                <li nr="c."><al>De financiële middelen die beschikbaar zijn ten behoeve
                                            van de voorziening;</al></li>
                <li nr="d."><al>De zienswijze van de belanghebbende.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het college doet een aanbod dat past binnen de criteria die
                                    gesteld zijn in deze verordening, de in artikel 3 genoemde
                                    programmabegroting en in de op grond van deze verordening
                                    vastgestelde uitvoeringsbesluiten. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Ontheffingen arbeidsverplichtingen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan met inachtneming van artikel 9, tweede lid van
                                    de wet, onderscheidenlijk artikel 37a van de IOAW en de IOAZ
                                    bepalen dat aan belanghebbende tijdelijk, geheel of
                                    gedeeltelijk, ontheffing wordt verleend van de in artikel 9,
                                    eerste lid van de wet genoemde verplichtingen. Ontheffing vindt
                                    in ieder geval plaats indien belanghebbende ouder is dan 57,5
                                    jaar en de afstand tot de arbeidsmarkt dermate groot is dat het
                                    opleggen van de arbeidsverplichtingen niet reëel is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Ontheffing van de arbeidsverplichtingen wordt slechts voor een
                                    door het college vast te stellen periode verleend.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Op basis van een herbeoordeling kan het college besluiten een
                                    ontheffing na afloop van de vastgestelde periode te
                                    verlengen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Indien de alleenstaande ouder die de volledige zorg heeft voor
                                    een tot zijn last komend kind tot vijf jaar een verzoek om
                                    ontheffing van de arbeidsverplichting indient, verleent het
                                    college op grond van artikel 9a van de wet algehele ontheffing
                                    van de verplichting tot het verkrijgen en aanvaarden van
                                    algemene geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 9, eerste
                                    lid onderdeel a, van de wet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>In aanvulling op artikel 9a, lid 9 van de wet kan het college
                                    ten aanzien van een alleenstaande ouder die reeds beschikt over
                                    een startkwalificatie na overleg met belanghebbende beoordelen
                                    of scholing of opleiding die toeleidt naar een hoger
                                    kwalificatieniveau dan MBO4-niveau de toegang tot de
                                    arbeidsmarkt verder bevordert en bepalen dat die opleiding als
                                    voorziening geldt.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Budget- en subsidieplafonds</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan bij uitvoeringsbesluit een of meer
                                            subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de
                                            verschillende voorzieningen. Een door het college
                                            ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een
                                            weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke
                                            voorziening.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college kan bij uitvoeringsbesluit een plafond
                                            instellen voor het aantal personen dat in aanmerking
                                            komt voor een specifieke voorziening.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </paragraaf>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>Paragraaf</label>
            <nr>3:</nr>
            <titel>Voorzieningen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7</nr>
              <titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Aan voorzieningen met een werkcomponent wordt de
                                            voorwaarde gesteld dat de concurrentieverhoudingen niet
                                            onverantwoord worden beïnvloed en dat verdringing niet
                                            of zo min mogelijk plaatsvindt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college kan besluiten een voorziening te beëindigen,
                                            als naar het oordeel van het college:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de voorziening niet langer noodzakelijk is voor
                                                  de arbeidsinschakeling;</al></li>
                <li nr="b."><al>de voorziening onvoldoende blijkt bij te dragen
                                                  aan de arbeidsinschakeling;</al></li>
                <li nr="c."><al>de belanghebbende onvoldoende medewerking
                                                  verleent aan zijn arbeidsinschakeling.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het college kan besluiten een voorziening te beëindigen,
                                            als:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de belanghebbende niet meer behoort tot de
                                                  doelgroep van de wet dan wel deze
                                                  verordening;</al></li>
                <li nr="b."><al>de belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid
                                                  aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van
                                                  deze voorziening.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Met inachtneming van hetgeen daarover in deze
                                            verordening of de programmabegroting is bepaald, kan het
                                            college met betrekking tot voorzieningen, nadere regels
                                            stellen. Deze regels kunnen betrekking hebben op:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de voorwaarden waaronder een voorziening wordt
                                                  aangeboden;</al></li>
                <li nr="b."><al>het stellen van nadere verplichtingen bij het
                                                  gebruikmaken van een voorziening;</al></li>
                <li nr="c."><al>de weigeringsgronden bij het aanbieden van
                                                  voorzieningen;</al></li>
                <li nr="d."><al>de intrekking of wijziging van de
                                                  subsidieverlening of vaststelling;</al></li>
                <li nr="e."><al>de aanvraag, van en de besluitvorming over
                                                  subsidies en premies;</al></li>
                <li nr="f."><al>de betaling van subsidies en het verlenen van
                                                  voorschotten;</al></li>
                <li nr="g."><al>het vaststellen van een eigen bijdrage;</al></li>
                <li nr="h."><al>overige criteria voor het aanbieden van
                                                  voorzieningen en het verstrekken van subsidies of
                                                  premies.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8</nr>
              <titel>Werkstages</titel>
            </kop>
            <al>
              <vet>Werkstages </vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan aan uitkeringsgerechtigden een werkstage
                                            aanbieden, gericht op arbeids-inschakeling.</al></li>
              <li nr="2."><al>Het doel van de werkstage is het kwalificeren voor de
                                            arbeidsmarkt dan wel het voorbereiden op reguliere
                                            arbeid.</al></li>
              <li nr="3."><al>De werkstage duurt maximaal zes maanden en vindt plaats
                                            met behoud van uitkering. Een werkstage kan eenmaal met
                                            een zelfde periode worden verlengd indien dit
                                            noodzakelijk is voor arbeidsinschakeling.</al></li>
              <li nr="4."><al>Gedurende de werkstage vindt begeleiding plaats.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9</nr>
              <titel>Participatieplaats</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan aan een uitkeringsgerechtigde voor wie
                                            de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is,
                                            een participatieplaats als bedoeld in artikel 10a van de
                                            wet aanbieden, met als doel belanghebbende dichter bij
                                            de arbeidsmarkt te brengen. </al></li>
              <li nr="2."><al>Een participatieplaats bestaat uit het met behoud van
                                            uitkering onbeloond verrichten van additionele
                                            werkzaamheden.</al></li>
              <li nr="3."><al>Een participatieplaats duurt maximaal zes maanden. Een
                                            participatieplaats kan maximaal driemaal met een zelfde
                                            periode worden verlengd, tot in totaal 24 maanden,
                                            indien dit noodzakelijk is voor een grotere kans op
                                            arbeidsinschakeling.</al></li>
              <li nr="4."><al>Gedurende in het kader van de participatieplaats
                                            verrichte werkzaamheden vindt begeleiding plaats.</al></li>
              <li nr="5."><al>Voor zover de belanghebbende niet beschikt over een
                                            startkwalificatie, beoordeelt het college binnen zes
                                            maanden na aanvang van de werkzaamheden in hoeverre
                                            scholing of opleiding de toegang tot de arbeidsmarkt
                                            bevordert. </al><al>Het college betrekt bij deze beoordeling:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>in hoeverre belanghebbende de krachten en bekwaamheden
                                            bezit om scholing of opleiding te volgen; </al></li>
                  <li nr="b."><al>het oordeel van degene in wiens opdracht de
                                            belanghebbende de werkzaamheden uitvoert;</al></li>
                  <li nr="c."><al>de scholingswens van belanghebbende.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10</nr>
              <titel>Participatieplaatsbijdrage</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Indien de uitkeringsgerechtigde twaalf maanden of meer
                                            werkzaamheden in het kader van een participatieplaats
                                            als bedoeld in artikel 9 heeft verricht, kan van degene
                                            in opdracht van wie hij deze werkzaamheden uitvoert
                                            iedere zes maanden een bijdrage worden verlangd.</al></li>
              <li nr="2."><al>De bijdrage bedraagt 50 procent van de in artikel 23
                                            bedoelde premie.</al></li>
              <li nr="3."><al>De bijdrage wordt enkel verlangd voor zover aan de
                                            uitkeringsgerechtigde de premie als bedoeld in artikel
                                            23 is uitgekeerd.</al></li>
              <li nr="4."><al>Geen bijdrage wordt verlangd als degene in wiens
                                            opdracht de werkzaamheden zijn verricht op andere wijze
                                            heeft bijgedragen.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11</nr>
              <titel>Detacheringsbanen</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan aan een belanghebbende een dienstverband
                                            aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling of
                                            participatie.</al></li>
              <li nr="2."><al>De werknemer wordt gedetacheerd bij een onderneming of
                                            welzijnsinstelling. De detachering wordt vastgelegd in
                                            een schriftelijke overeenkomst tussen zowel werkgever en
                                            inlenende organisatie als tussen werknemer en inlenende
                                            organisatie.</al></li>
              <li nr="3."><al>Het college kan als werkgever van de belanghebbende
                                            optreden, dan wel een organisatie aanwijzen die in
                                            opdracht van, of namens de gemeente het werkgeversschap
                                            voor de dienstverbanden, bedoeld in het eerste lid,
                                            uitvoert.</al></li>
              <li nr="4."><al>Op het dienstverband, bedoeld in het eerste lid, is een
                                            bijzondere arbeidsvoorwaardenregeling van toepassing.
                                            Wanneer een organisatie wordt aangewezen om in opdracht
                                            van de gemeente het werkgeversschap uit te voeren,
                                            worden in ieder geval schriftelijke afspraken gemaakt
                                            over de van toepassing zijnde rechtspositie.</al></li>
              <li nr="5."><al>Indien de detacheringsbaan is gericht op participatie,
                                            wordt in overleg met de werknemer en de werkgever
                                            eenmaal per jaar bezien of voor de betreffende werknemer
                                            toch mogelijkheden zijn voor arbeidsinschakeling.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12</nr>
              <titel>Loonkostensubsidies en premies</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan subsidie verstrekken aan de werkgever
                                            die met de belanghebbende een arbeidsovereenkomst sluit
                                            gericht op arbeidsinschakeling of participatie.</al></li>
              <li nr="2."><al>Indien de arbeidsovereenkomst is gericht op
                                            arbeidsinschakeling, kan het college aan de werkgever
                                            een premie verstrekken.</al></li>
              <li nr="3."><al>Indien de loonkostensubsidie is verstrekt met als
                                            doelstelling participatie, wordt in overleg met de
                                            werknemer en de werkgever eenmaal per jaar bezien of
                                            voor de betreffende werknemer toch mogelijkheden zijn
                                            voor arbeidsinschakeling.</al></li>
              <li nr="4."><al>De werknemer moet zijn werkzaamheden doorgaans binnen de
                                            gemeente Ten Boer verrichten. Het college kan afwijken van 
                                            deze voorwaarde
                                    voor subsidieverlening.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13</nr>
              <titel>Werkgeversarrangement</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan met een werkgever een overeenkomst
                                            sluiten over een pakket voorzieningen gericht op
                                            re-integratie ten behoeve van de arbeidsinschakeling van
                                            een of meer belanghebbenden. Dit pakket kan bestaan uit
                                            verschillende voorzieningen zoals in de verordening en
                                            de uitvoeringsbesluiten zijn vastgelegd.</al></li>
              <li nr="2."><al>Het college kan in de overeenkomst afwijken van hetgeen
                                            in de verordening of de uitvoeringsbesluiten is bepaald,
                                            voor zover dit de arbeidsinschakeling van een of meer
                                            belanghebbenden bevordert.</al></li>
              <li nr="3."><al>Het college kan aan een werkgever die met een
                                            belanghebbende een arbeidsovereenkomst sluit van ten
                                            minste zes maanden een no risk verzekering
                                            aanbieden.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14</nr>
              <titel>Vrijwilligerswerk</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde
                                            die naar het oordeel van het college langdurig zal zijn
                                            aangewezen op een uitkering, vrijwilligerswerk aanbieden
                                            of het uitvoeren van vrijwilligerswerk toestaan. </al></li>
              <li nr="2."><al>Vrijwilligerswerk heeft als doel dat deelnemers
                                            maatschappelijk actief worden of blijven.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15</nr>
              <titel>Scholing</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan scholing aanbieden gericht op
                                            arbeidsinschakeling.</al></li>
              <li nr="2."><al>Het college kan bij uitvoeringsbesluit regels stellen
                                            ten aanzien van de noodzakelijkheid van de scholing, de
                                            duur en de maximale kosten.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16</nr>
              <titel>Persoonsgebonden re-integratiebudget</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan een subsidie verstrekken in de vorm van
                                            een op arbeidsinschakeling gericht persoonsgebonden
                                            re-integratiebudget.</al></li>
              <li nr="2."><al>Onder een persoonsgebonden re-integratiebudget wordt
                                            verstaan een subsidie voor noodzakelijke kosten in
                                            verband met activiteiten die gericht zijn op
                                            arbeidsinschakeling.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17</nr>
              <titel>Schuldhulpverlening</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Schuldhulpverlening kan worden aangeboden als schulden naar het
                                    oordeel van het college een belemmering kunnen vormen voor de
                                    arbeidsinschakeling van de belanghebbende en de belanghebbende
                                    ook overigens voldoet aan de voorwaarden die door het college
                                    voor schuldhulpverlening worden gesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Schuldhulpverlening kan tevens worden aangeboden als
                                    zelfstandige voorziening wanneer schulden voor de belanghebbende
                                    een belemmering vormen voor de inzet van andere
                                    re-integratievoorzieningen. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien de schulden van een uitkeringsgerechtigde naar het
                                    oordeel van het college zijn arbeidsinschakeling belemmeren, is
                                    de uitkeringsgerechtigde verplicht mee te werken aan door het
                                    college aangeboden schuldhulpverlening.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18</nr>
              <titel>nazorg</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan aan werkgevers bij wie belanghebbende in dienst
                                treedt voor het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid, niet
                                zijnde een voorziening als bedoeld in de artikelen 11, 12 en 13
                                voorzieningen bieden gericht op nazorg.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </paragraaf>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>Paragraaf</label>
            <nr>4:</nr>
            <titel>Premies en vergoedingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>19</nr>
              <titel>Inkomstenvrijlating</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Voor de uitkeringsgerechtigde die arbeid in deeltijd heeft of
                                    aanvaardt, waarmee een inkomen wordt verworven dat minder
                                    bedraagt dan de voor de uitkeringsgerechtigde van toepassing
                                    zijnde norm, vindt vrijlating van inkomsten uit arbeid plaats
                                    zoals bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel o van de wet
                                    waarbij het percentage wordt bepaald op 25 procent en het
                                    maximumbedrag wordt bepaald op het in de wet genoemde maximum.
                                </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De uitkeringsgerechtigde heeft het recht om de vrijlating op een
                                    later moment in te laten gaan dan het eerste moment waarop
                                    inkomsten zijn verdiend. De uitkeringsgerechtigde dient hiervan
                                    de gemeente bij de eerste opgave van de inkomsten schriftelijk
                                    op de hoogte te stellen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Een uitkeringgerechtigde kan eerst pas opnieuw aanspraak maken
                                    op de vrijlatingsfaciliteit indien er gedurende twaalf maanden
                                    geen recht is geweest op algemene bijstand.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>20</nr>
              <titel>Uitstroompremie werknemer</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De uitkeringsgerechtigde met een volledige arbeidsverplichting
                                    komt in aanmerking voor een uitstroompremie wanneer hij algemeen
                                    geaccepteerde arbeid aanvaardt, niet zijnde arbeid waarbij
                                    sprake is van een voorziening. De inkomsten uit arbeid dienen
                                    zodanig te zijn dat geen beroep meer wordt gedaan op een
                                    uitkering op grond van de wet, de IOAW of de IOAZ.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De uitkeringsgerechtigde met een beperkte arbeidsverplichting
                                    komt in aanmerking voor een uitstroompremie wanneer hij algemeen
                                    geaccepteerde arbeid aanvaardt, niet zijnde arbeid waarbij
                                    sprake is van een voorziening. De omvang van het arbeidscontract
                                    dient zodanig te zijn dat het minimaal het aantal uren bedraagt
                                    waarvoor de uitkeringsgerechtigde de arbeidsverplichting was
                                    opgelegd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De premie wordt eenmalig toegekend aan een uitkeringsgerechtigde
                                    die gedurende een aaneengesloten periode van zes maanden recht
                                    op uitkering heeft gehad op grond van de wet, IOAW of IOAZ en
                                    die aantoonbaar reguliere arbeid gaat verrichten hetzij in
                                    loondienst hetzij als zelfstandige. De hoogte van de premie
                                    bedraagt € 600,--.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Uitkeringsgerechtigden die met betrekking tot ontvangen
                                    inkomsten dan wel werkaanvaarding niet hebben voldaan aan de
                                    verplichting, genoemd in artikel 17 eerste lid van de wet dan
                                    wel artikel 13 IOAW of IOAZ, worden van het recht op de premie,
                                    genoemd in het eerste en tweede lid, uitgesloten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>De gesubsidieerde werknemer die gedurende tenminste zes maanden
                                    werkzaam is geweest komt in aanmerking voor een uitstroompremie
                                    wanneer hij algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, niet zijnde
                                    arbeid waarbij sprake is van een voorziening. De inkomsten uit
                                    arbeid dienen zodanig te zijn dat geen beroep wordt gedaan op
                                    een uitkering op grond van de wet, de IOAW, de IOAZ, de
                                    Werkloosheidswet of wachtgeldregelingen. De premie wordt
                                    eenmalig toegekend aan diegene die aantoonbaar reguliere arbeid
                                    gaat verrichten, hetzij in loondienst, hetzij als zelfstandige.
                                    De hoogte van de premie bedraagt € 600,--.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>In het tweede, derde en vijfde lid wordt onder algemeen
                                    geaccepteerde arbeid mede begrepen arbeid op grond van een
                                    dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3 van de Wet
                                    sociale werkvoorziening.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>7.</lidnr>
              <al>Niet eerder dan drie jaar na de datum van uitstroom in verband
                                    waarmee een uitstroompremie is toegekend kan, mits aan de
                                    overige voorwaarden is voldaan, opnieuw recht op een
                                    uitstroompremie ontstaan.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>21</nr>
              <titel>Stimuleringspremie werkgever</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan een premie verstrekken aan een werkgever die met
                                    een uitkeringsgerechtigde of een gesubsidieerde werknemer een
                                    arbeidsovereenkomst sluit waarbij geen sprake is van een
                                    voorziening.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college kan een premie verstrekken aan een werkgever die
                                    substantieel bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van een
                                    gesubsidieerde werknemer die bij hem werkzaamheden verricht.
                                </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Bij uitvoeringsbesluit stelt het college regels ten aanzien van
                                    de hoogte van de premie en de voorwaarden waaronder deze wordt
                                    verstrekt.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>22</nr>
              <titel>Deeltijdpremie alleenstaande ouder</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De uitkeringsgerechtigde alleenstaande ouder met
                                            kinderen in de leeftijd van 5 tot 12 jaar, komt in ieder
                                            kalenderjaar in aanmerking voor een deeltijdpremie
                                            indien hij inkomsten uit arbeid ontvangt ter hoogte van
                                            minimaal het netto minimumloon gedurende 20 uur per
                                            week, niet zijnde arbeid waarbij sprake is van een
                                            voorziening.</al></li>
              <li nr="2."><al>De hoogte van de premie wordt bepaald door het aantal
                                            maanden dat in het betreffende kalenderjaar aan de in
                                            het eerste lid genoemde voorwaarden is voldaan,
                                            vermenigvuldigd met een bedrag van € 50,--.</al></li>
              <li nr="3."><al>Het vierde lid van artikel 20 is van overeenkomstige
                                            toepassing.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>23</nr>
              <titel>Premies participatieplaats</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De uitkeringsgerechtigde die met behoud van uitkering
                                    werkzaamheden als bedoeld in artikel 9 verricht, komt telkens na zes maanden in aanmerking
                                    voor een premie van 6/12 maal het maximum bedrag zoals
                                    omschreven in de eerst zin van artikel 7 onder h van de Regeling
                                    WWB, indien hij naar het oordeel van het college in die zes
                                    maanden voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn
                                    kans op inschakeling in het arbeidsproces.</al></li>
              <li nr="2."><al>De participatieplaats wordt door het college aangeboden
                                            dan wel het college verleent vooraf goedkeuring aan de
                                            participatieplaats die voor een premie als bedoeld in
                                            het eerste lid in aanmerking komt.</al></li>
              <li nr="3."><al>Onverminderd artikel 9, vijfde lid, komt de
                                            uitkeringsgerechtigde die werkzaamheden verricht als
                                            bedoeld in het eerste lid, na zes maanden tevens in
                                            aanmerking voor een eenmalige kostenvergoeding ten
                                            behoeve van scholing. De hoogte van de kostenvergoeding
                                            bedraagt maximaal € 300,-- en wordt rechtstreeks
                                            uitbetaald aan het scholingsinstituut.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>24</nr>
              <titel>Premie doorstroom naar gesubsidieerd werk</titel>
            </kop>
            <al>De uitkeringsgerechtigde die arbeid aanvaardt waarbij sprake is
                                    van een voorziening als bedoeld in artikel 11 en 12 komt in
                                    aanmerking voor een eenmalige doorstroompremie van €
                                    300,--.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>25</nr>
              <titel>Premie seniorenbaan</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De werknemer van 57,5 jaar of ouder doch jonger dan 65
                                            jaar die een door het college aangeboden dienstverband
                                            als bedoeld in artikel 11 eerste lid is aangegaan, heeft
                                            recht op een activeringspremie, indien de werknemer ten
                                            minste 24 uur per week, arbeid gaat verrichten.</al></li>
              <li nr="2."><al>De hoogte van de activeringspremie wordt bepaald door
                                            het aantal maanden dat in het betreffende kalenderjaar
                                            het dienstverband voortduurt vermenigvuldigd met een
                                            bedrag van € 50,--. De premie wordt in de maand december
                                            in een keer uitbetaald.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>26</nr>
              <titel>Overige vergoedingen</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De belanghebbende kan in aanmerking komen voor
                                            vergoeding van kosten die naar het oordeel van het
                                            college noodzakelijk zijn in het kader van de
                                            voorziening waarvan de belanghebbende gebruik
                                            maakt.</al></li>
              <li nr="2."><al>Aan uitkeringsgerechtigden, waarvan het college heeft
                                            vastgesteld dat een inschakeling in de arbeid vooralsnog
                                            niet tot de mogelijkheden behoort en die naar het
                                            oordeel van het college is aangewezen op alternatieve
                                            maatschappelijke activiteiten, waaronder
                                            vrijwilligerswerk zoals genoemd in artikel 14, kan een
                                            onkostenvergoeding worden verstrekt.</al></li>
              <li nr="3."><al>De uitkeringsgerechtigde komt in aanmerking voor deze
                                            vergoeding wanneer deze deelneemt aan activiteiten die
                                            naar het oordeel van het college bijdragen aan
                                            maatschappelijke participatie en de activiteiten
                                            minimaal gemiddeld vijf uren per week in beslag nemen,
                                            berekend over de periode van een maand.</al></li>
              <li nr="4."><al>De hoogte van de vergoeding bedraagt per maand 1/12 deel
                                            van de vrijgestelde kostenvergoeding op jaarbasis, zoals
                                            die is omschreven in de eerste zin van artikel 7 onder h
                                            Regeling WWB.</al></li>
              <li nr="5."><al>Indien door de vrijwilligersorganisatie een
                                            onkostenvergoeding wordt verstrekt, wordt deze in
                                            mindering gebracht op de in dit artikel bedoelde
                                            kostenvergoeding.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </paragraaf>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>Paragraaf</label>
            <nr>5:</nr>
            <titel>Bijzondere bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>27</nr>
              <titel>Inburgering</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De voorzieningen, genoemd in deze verordening, kunnen onderdeel
                                    uitmaken van een inburgeringsprogramma, waaraan de
                                    belanghebbende op grond van de Wet inburgering verplicht dient
                                    deel te nemen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Activiteiten uit het inburgeringsprogramma kunnen onderdeel
                                    uitmaken van voorzieningen, zoals genoemd in artikel 7 van de
                                    wet.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>28</nr>
              <titel>Hardheidsclausule</titel>
            </kop>
            <al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                                belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening,
                                indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van
                                overwegende aard leidt.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>29</nr>
              <titel>Voorzieningen voor kunstenaars</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan op verzoek van een kunstenaar als bedoeld in
                                    artikel 1 van de Wet werk en inkomen kunstenaars, die woonachtig
                                    is in de gemeente Ten Boer, een voorziening aanbieden gericht op
                                    het bevorderen van de arbeidsinschakeling in het kader van de
                                    uitoefening van een gemengde beroepspraktijk van de
                                    kunstenaar.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De kunstenaar kan aanspraak maken op een voorziening indien deze
                                    naar het oordeel van het college noodzakelijk is voor het
                                    realiseren van een gemengde beroepspraktijk waarmee hij in de
                                    noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien de kunstenaar een beroep doet op een voorziening, is hij
                                    gehouden aan de voorwaarden of verplichtingen als bedoeld in
                                    artikel 7<cursief>.</cursief></al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Indien de kunstenaar die een beroep doet op een voorziening,
                                    hiervan niet of in onvoldoende mate gebruik maakt, dan wel een
                                    of meerdere aan deze voorziening verbonden verplichtingen niet
                                    nakomt, kan het college de uitkering ingevolge de Wet werk en
                                    inkomen kunstenaars verlagen op grond van artikel
                                    22van de Wet werk en inkomen kunstenaars.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>30</nr>
              <titel>Wet participatiebudget</titel>
            </kop>
            <al>In verband met de inwerkingtreding van de Wet particpatiebudget met
                                ingang van 1 januari 2009, worden de participatievoorzieningen die
                                door het college met ingang van deze datum aan de personen zoals
                                genoemd in arikel 1 Wet participatiebudget zijn aangeboden, in
                                aanmerking genomen als voorzieningen gericht op participatie in
                                welke kosten wordt voorzien door het participatiebudget ingevolge de
                                bepaling in artikel 2, eerste lid, Wet participatiebudget.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>31</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Re-integratieverordening
                                Wet werk en bijstand”. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>32</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2010</al></li>
              <li nr="2."><al>Met ingang van 1 juli 2010 vervalt: de
                                        Reintegratieverordening 2004, door de raad vastgesteld bij
                                        besluit van 24 november 2004.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </paragraaf>
      </regeling-tekst>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <label>Toelichting</label>
          <label/>
        </kop>
        <al>
          <vet>Toelichting algemeen</vet>
        </al>
        <al>Volgens de WWB krijgt het college de opdracht voor de re-integratie van
                    bijstandsgerechtigden, nuggers en Anw-ers. De WWB draagt aan de gemeenteraad op
                    om een verordening vast te stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien
                    van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Tevens wordt hierin de aanspraak
                    van burgers op ondersteuning bij re-integratie geregeld.</al>
        <al>
          <vet>Staatsteun</vet>
        </al>
        <al>De Europese regelgeving over staatssteun kan een beperking van de
                    mogelijkheden voor het gemeentelijke re-integratiebeleid (en het beleid m.b.t.
                    het werkleeraanbod) opleveren. Van belang is dat per 1 januari 2009 de Europese
                    vrijstellingsverordening werkgelegenheidssteun (nr. 2204/2002) is komen te
                    vervallen en vervangen door de Algemene groepsvrijstellingsverordening (nr.
                    800/2008). Daarnaast is de de-minimisverordening (Verordening (EG) nr. 69/2001)
                    van toepassingsteun. De vraag die dan opkomt is of bij het toekennen van
                    subsidies (bijv. in de vorm van loonkostensubsidies of detacheringsbanen) sprake
                    is van staatssteun. In dat geval is de gemeente namelijk gehouden om die
                    activiteiten te melden bij de Europese commissie en gelden er allerlei
                    voorwaarden en (informatie)verplichtingen.</al>
        <al>In de eerste plaats geldt dat subsidies/steun aan organisaties die geen
                    economische activiteiten verrichten (bijv. bepaalde welzijnsinstellingen), geen
                    staatssteun in de zin van Europese regelgeving betreffen.</al>
        <al>In de tweede plaats zijn subsidies met een <vet>generiek</vet> karakter niet aan
                    te merken als staatssteun. Generiek wil zeggen, dat <cursief>niet op
                        voorhand</cursief> bepaalde bedrijven of groepen van bedrijven of sectoren
                    expliciet in de verordening worden uitgesloten van subsidiëring. </al>
        <al>De redactie van de artikelen uit de modelverordening (versie 16-06-2004) die
                    gaan over detacheringsbanen en loonkostensubsidies is zodanig, dat sprake is van
                    een generieke regeling. De gemeente Ten Boer baseert zich in principe nog steeds
                    op deze modelverordening.</al>
        <al>Mede gelet op de stand van zaken in de jurisprudentie op dit punt, kan worden
                    aangenomen dat de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand in principe
                    slechts generieke regelingen bevat op het gebied van re-integratiesubsidies aan
                    organisaties.</al>
        <al>Mocht onverhoopt in een enkel geval toch sprake zijn van een niet-generieke
                    subsidie, dan zal de gemeente ervoor kiezen de groepsvrijstellingsverordening
                    dan wel de de-minimis-verordening toe te passen. Volgens de Handreiking Wet
                    investeren in jongeren van Stimulansz, opgesteld in opdracht van het Ministerie
                    van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (juni 2009), is dan evenmin een aanmelding
                    noodzakelijk, mits men uiteraard aan de gestelde voorwaarden voldoet.</al>
        <al>
          <vet>Artikelsgewijze toelichting</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>- Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet>
        </al>
        <al>Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de
                    Wet werk en bijstand. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>- Artikel 1a Afwijkende bepalingen jongeren</vet>
        </al>
        <al>Een aantal re-integratievoorzieningen en -instrumenten is van rechtswege niet
                    van toepassing op jongeren tot 27 jaar. Dit zijn: inkomstenvrijlating, premies,
                    vrijlating van onkostenvergoedingen voor vrijwilligerswerk en plaatsin in
                    participatieplaatsen. Het niet mogen toekennen van bijvoorbeeld een
                    inkomstenvrijlating of premie geldt ook voor alleenstaande ouders jonger dan 27
                    jaar. Deze beperkingen waren al opgenomen in de Verordening Werkleeraanbod WIJ.
                    Deze beperkingen van het instrumentarium voor jongeren is voor de duidelijkheid
                    opgenomen in dit artikel.</al>
        <al>
          <vet>- Artikel 2 Opdracht aan het college</vet>
        </al>
        <al>In het eerste lid is de opdracht aan het college vormgegeven analoog aan
                    artikel 7 van de WWB. </al>
        <al>In de WWB is in artikel 10, derde lid aangegeven dat de aanspraak op
                    voorzieningen alleen geldt voor die personen die ook daadwerkelijk inwoners van
                    de gemeente zijn, door middel van een verwijzing naar artikel 40, eerste lid van
                    de wet. </al>
        <al>Het tweede lid is de vertaling van de opdracht uit de WWB dat de gemeente
                    evenwichtige aandacht aan de diverse doelgroepen moet besteden. In het
                    beleidsplan en de uitvoeringsbesluiten komt vervolgens tot uiting hoe dit punt
                    uitgewerkt wordt.</al>
        <al>Het derde lid geeft het college de specifieke opdracht een zodanig aanbod van
                    voorzieningen te realiseren, dat zoveel mogelijk personen ondersteund kunnen
                    worden. </al>
        <al>In het vierde lid staat aangegeven dat het college flankerende voorzieningen kan
                    treffen. Om het re-integratieproces van de belanghebbende te bevorderen, zijn
                    soms extra voorzieningen noodzakelijk. Dat zijn de zogeheten flankerende
                    voorzieningen gericht op het wegnemen van belemmeringen, zodat men kan deelnemen
                    aan een traject. </al>
        <al>De verordening bevat geen uitputtende opsomming van voorzieningen. </al>
        <al>Ondersteuning kan worden geboden door het aanbieden van een traject, waarbij
                    zonodig re-integratie-instrumenten kunnen worden ingezet, of door het bieden van
                    praktische hulp, advies of doorverwijzing naar andere instanties. De
                    ondersteuning kan bestaan uit: het aanbieden van kinderopvang; het zorgdragen
                    voor scholing en/of opleiding; de mogelijkheid tot werken met behoud van
                    uitkering door middel van stage of leerwerkplaatsen; het tijdelijk geheel dan
                    wel tijdelijk gedeeltelijk verlenen van ontheffing van de plicht tot
                    arbeidsinschakeling; het aanbieden van een gesubsidieerde arbeidsplaats waarbij
                    loonkostensubsidie verstrekt kan worden; het verstrekken van vergoedingen die
                    bij kunnen dragen aan de arbeidsinschakeling danwel aan de terugkeer naar de
                    reguliere arbeidsmarkt en die niet door de werkgever worden vergoed. Bij de
                    inzet van reïntegratie-instrumenten wordt gekozen voor dat instrument
                    datbeschikbaar is en dat adequaat en toereikend is voor het doel dat beoogd
                    wordt. Re-integratie-instrumenten die gericht zijn op de arbeidsinschakeling
                    worden alleen ingezet als zonder die inzet het vinden van algemeen geaccepteerde
                    arbeid niet mogelijk is.</al>
        <al>
          <vet>- Artikel 3 Programmabegroting</vet>
        </al>
        <al>Niet alle regels met betrekking tot het ondersteunen bij
                    arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen staan in de verordening
                    vermeld. Onderdelen van het re-integratiebeleid worden in de programmabegroting
                    opgenomen. Er kan ook gebruik worden gemaakt van aparte beleidsplannen en
                    uitvoeringsbesluiten. In de programmbegroting worden de beleidsprioriteiten
                    aangegeven alsmede de hoogte en wijze van financiering. </al>
        <al>
          <vet>- Artikel 4 Aanspraak op ondersteuning</vet>
        </al>
        <al>Lid 1. Deze bepaling komt overeen met artikel 7, eerste lid, sub a van de
                    WWB. Dit is de grondslag voor het uitoefenen van de re-integratietaak en wordt
                    daarom hier herhaald. Om aanspraak te kunnen maken op een voorziening, dient
                    eerst vastgesteld te worden of een voorziening voor belanghebbende noodzakelijk
                    is. Het college bepaalt of dit het geval is. De criteria die daarbij gehanteerd
                    worden, staan beschreven in het tweede lid.</al>
        <al>In het derde lid wordt de koppeling gelegd tussen de algemene aanspraak van de
                    cliënt en de criteria die gehanteerd worden bij het aanbieden van voorzieningen.
                    Hierbij wordt verwezen naar de documenten waar deze criteria geformuleerd
                    zijn.</al>
        <al>Waar belanghebbenden gebruik maken van voorzieningen hebben zij een aantal
                    rechten, die wij hebben beschreven in de kaderstellende nota's. Zo hebben zij er
                    recht op dat bij de aangeboden voorziening rekening wordt gehouden met de
                    belastbaarheid en dat de aangeboden voorziening hen daadwerkelijk voorbereidt op
                    reguliere arbeid. </al>
        <al>
          <vet>- Artikel 5 Ontheffing arbeidsverplichtingen</vet>
        </al>
        <al>In dit artikel wordt invulling gegeven aan de mogelijkheid om aan
                    belanghebbenden geheel of gedeeltelijk ontheffing te verlenen van de in artikel
                    9 van de wet aangegeven verplichtingen. Het gaat dan met name om alleenstaande
                    ouders die arbeid of voorziening en zorg niet kunnen combineren en
                    belanghebbenden die ouder zijn dan 57,5 jaar en die een zeer grote afstand tot
                    de arbeidsmarkt hebben.</al>
        <al>Aan de alleenstaande ouder met een kind tot vijf jaar die een verzoek om
                    ontheffing van de arbeidsverplichting indient, verleent het college op grond van
                    artikel 9a van de wet volledige ontheffing van de verplichting om arbeid te
                    verkrijgen en te aanvaarden. De gemeente acht het daarbij van groot belang dat
                    die alleenstaande ouder in die periode zoveel mogelijk ondersteund wordt met
                    scholing of opleiding, ook als die ouder al een startkwalificatie bezit. In het
                    laatste geval kan het college bezien na overleg met de alleenstaande ouder of
                    scholing of opleiding op een hoger niveau mogelijk is, waarbij maatwerk het
                    uitgangspunt is. Op deze wijze wordt bevorderd dat de kans op
                    arbeidsinschakeling maximaal is op het moment dat de ontheffing is
                    afgelopen.</al>
        <al>
          <vet>- Artikel 6 Budget- en subsidieplafonds</vet>
        </al>
        <al>De gemeentelijke middelen voor re-integratie zijn beperkt. Om financiële
                    risico’s te beheersen kan het college een verdeling maken van de middelen over
                    de verschillende voorzieningen, bijvoorbeeld in de programmabegroting of het
                    beleidsplan. Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter geen reden zijn
                    om aanvragen voor een voorziening te weigeren. Ook de memorie van toelichting
                    bij de WWB stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan
                    zijn voor de afwijzing van een aanvraag. Wel is het mogelijk om per voorziening
                    een plafond in te bouwen. Hiermee kunnen financiële risico’s worden voorkomen en
                    behoudt het college de mogelijkheid om bij het bereiken van het plafond naar
                    alternatieven te zoeken.</al>
        <al>Bij dit artikel wordt uitgegaan van de bevoegdheid van het college om plafonds
                    in te stellen. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van de plafonds wordt
                    verwezen naar de bedragen die in het beleidsplan of in de begroting voor de
                    verschillende voorzieningen worden gereserveerd.</al>
        <al>Een budgetplafond geldt voor de uitgaven die het college doet in het kader van
                    voorzieningen. Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die subsidies
                    inhouden. Een subsidieplafond moet wel bekendgemaakt worden vóór de periode
                    waarvoor deze geldt (art. 4:27 lid 1 Awb). Hiermee kunnen we bijvoorbeeld het
                    aantal loonkostensubsidies in aantal beperken.</al>
        <al>
          <vet>- Artikel 7 Algemene bepalingen over voorzieningen</vet>
        </al>
        <al>In de lijn van het systeem van deze verordening strekt dit artikel ertoe
                    enkele zaken te regelen die te maken hebben met alle voorzieningen, ook die
                    voorzieningen die niet met name in de verordening zijn opgenomen. </al>
        <al>Het eerste lid regelt dat er bij de inzet van voorzieningen met een
                    werkcomponent geen verdringing plaatsvindt, of dat de concurrentieverhoudingen
                    niet nadelig worden beïnvloed. Bij de wijze waarop wordt vastgesteld of er al
                    dan niet sprake is van verdringing, zal het college de werkwijze volgen die bij
                    de voormalige vormen van gesubsidieerde arbeid gebruikelijk was. Dat betekent
                    dat een werkgever dient te verklaren dat de ondernemingsraad (of andere vorm van
                    personeelsvertegenwoordiging) akkoord is met de plaatsing en dat er niet
                    recentelijk ontslag van een medewerker met een zelfde soort functie op
                    economische gronden heeft plaatsgehad. Met het UWV Werkbedrijf is afgesproken
                    dat zij (steekproefsgewijs) deze toets op recent ontslag zal uitvoeren.</al>
        <al>Het tweede en derde lid geven aan dat het college een voorziening kan beëindigen
                    en in welke gevallen zij dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook
                    verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen. Met dit artikel wordt tevens beoogd dat het college niet opnieuw een
                    voorziening aanbiedt aan personen die gedurende een bepaalde - nader vast te
                    stellen periode - gebruik van één of meerdere voorzieningen hebben gemaakt.</al>
        <al>Het vierde lid geeft het college de bevoegdheid om aan een voorziening nadere
                    verplichtingen te verbinden. Dit heeft met name tot doel om bij
                    subsidieverstrekking de uitvoering zoveel mogelijk aan het college over te
                    laten. De verplichtingen kunnen van diverse aard zijn. Zo kan bepaald worden dat
                    een klant gedurende de deelname aan de voorziening op gezette tijden met de
                    consulent de voortgang bespreekt.</al>
        <al>De bepaling over het vaststellen van een eigen bijdrage heeft betrekking op de
                    doelgroep Nuggers. Immers, van deze groep is het niet vanzelfsprekend dat zij op
                    een laag inkomensniveau zitten. Het vragen van een eigen bijdrage, eventueel
                    gerelateerd aan de hoogte van het inkomen, kan dan op zijn plaats zijn.
                    Vooralsnog kiezen wij hier overigens niet voor, gezien de ervaring dat op dit
                    moment het grootste deel van de Nuggers wel op een laag inkomensniveau zit. De
                    hoogte van het inkomen zullen wij monitoren.</al>
        <al>
          <vet>- Artikel 8 Werkstages</vet>
        </al>
        <al>Werkstages zijn een betrekkelijk nieuw instrument voor gemeenten om
                    langdurig werklozen te </al>
        <al>re-integreren. Voor de term werkstage is gekozen om te benadrukken dat het gaat
                    om een soort scholingsinstrument: niet de arbeid zelf, maar het leren werken
                    staat centraal. </al>
        <al>Het eerste lid van artikel 8 geeft de algemene bepaling voor het aanbieden van
                    een werkstage. </al>
        <al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkstage, om
                    het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. </al>
        <al>In de eerste plaats kan het gaan om het kwalificeren voor de arbeidsmarkt. Het
                    gaat dan om werkplekken die bedoeld zijn om mensen kennis en vaardigheden op te
                    laten doen om ze voor te bereiden op een plek op de arbeidsmarkt. Deze
                    werkplekken maken altijd onderdeel uit van een re-integratietraject dat gericht
                    is op uitstroom naar regulier werk. In de tweede plaats kan het gaan om het
                    opdoen van werkervaring direct voorafgaand aan een reguliere baan.</al>
        <al>Het derde lid geeft de maximale duur van de werkstage aan. In beginsel gaat het
                    daarbij om een periode van zes maanden. Dit is bedoeld om ervoor te zorgen dat
                    de re-integratieactiviteiten gericht blijven op de inschakeling in de arbeid en
                    dat wordt voorkomen dat er vormen van productieve arbeid ontstaan. In sommige
                    gevallen kan een verlenging van deze periode noodzakelijk zijn om de kans op
                    werk te vergroten. Bij een verlenging wordt uitdrukkelijk getoetst of deze
                    noodzakelijk is om kennis en vaardigheden gericht op arbeidsinschakeling van de
                    belanghebbende te vergroten.</al>
        <al>In het vierde lid wordt bepaald dat er sprake moet zijn van een vorm van
                    begeleiding. Hiermee wordt nog eens onderstreept dat het bij een werkstage niet
                    gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al>
        <al>
          <vet>- Artikel 9 Participatieplaats</vet>
        </al>
        <al>Dit artikel verwijst naar artikel 10a van de wet waarin een kader voor
                    participatieplaatsen is geschapen, waarbij het mogelijk is deze voor langere
                    tijd te laten voortduren. Participatieplaatsen zijn alleen bedoeld voor
                    bijstandsgerechtigden, die vooralsnog niet bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt
                    omdat ze een grote afstand tot die arbeidsmarkt hebben ten gevolge van
                    persoonlijke belemmeringen. </al>
        <al>De werkzaamheden in een participatieplaats moeten aan twee voorwaarden voldoen,
                    namelijk (1) dat de werkzaamheden in het kader van de re-integratie van
                    betrokkene worden verricht en (2) dat het om additionele werkzaamheden gaat.
                    Additioneel houdt in dat het een speciaal gecreëerde functie betreft of een
                    reeds bestaande functie, mits "bovenformatief" die een uitkeringsgerechtigde
                    alleen met speciale begeleiding kan verrichten. Het kan dus zowel een functie in
                    het publieke als private domein zijn. Een participatieplaats is een opstap naar
                    regulier werk, geen gewoon werk.</al>
        <al>Het verschil met de werkstage van artikel 8 is dat, hoewel het uiteindelijke
                    doel het verkrijgen van regulier werk is, de inzet van participatieplaatsen
                    doorgroei van belanghebbende naar een volgende trede op de re-integratieladder
                    beoogt. Op de volgende trede zal het accent dan meer liggen op arbeidsactivering
                    (bijv. leerwerktrajecten, scholing, taalcursussen) of arbeidstoeleiding (bijv.
                    bemiddeling, sollicitatiecursus) en uiteindelijk reguliere arbeid. De
                    participatieplaatsen dienen perspectief te bieden aan uitkeringsgerechtigden die
                    nog niet bemiddelbaar zijn voor regulier werk.</al>
        <al>Het tweede lid geeft aan dat het onbeloonde werkzaamheden betreft die met behoud
                    van uitkering worden verricht.</al>
        <al>Het derde lid geeft de maximale uitkeringsduur aan: 24 maanden.</al>
        <al>Het vierde lid geeft aan dat begeleiding plaatsvindt. Begeleiding is een
                    belangrijk aspect van de participatieplaats. Het is logisch dat de gemeente
                    regelmatig kijkt naar het functioneren van belanghebbende en beziet of de
                    betreffende participatieplaats nog steeds de juiste weg naar werk is. Daarnaast
                    is het belangrijk dat er goede begeleiding plaatsvindt bij het uitvoeren van de
                    werkzaamheden. Dit is de verantwoordelijkheid van de partij bij welke
                    belanghebbende de werkzaamheden verricht.</al>
        <al>Het vijfde lid is een uitwerking van artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel
                    f en artikel 10a, vijfde lid van de wet. Wanneer een uitkeringsgerechtigde niet
                    over een startkwalificatie beschikt, dient de gemeente nadat belanghebbende zes
                    maanden werkzaamheden op een participatieplaats heeft verricht, scholing aan te
                    bieden die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij een dergelijke
                    scholing of opleiding de krachten en bekwaamheden van de belanghebbende te boven
                    gaat.</al>
        <al>
          <vet>- Artikel 10 Participatieplaatsbijdrage</vet>
        </al>
        <al>In de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp Wet stimulering
                    arbeidsparticipatie wordt aangegeven dat de regering er vanuit gaat dat degene
                    voor wie de werkzaamheden in het kader van de participatieplaats worden verricht
                    na het eerste jaar een vergoeding betaalt aan het college. Immers het college
                    heeft dan beoordeeld dat belanghebbende vooruitgang heeft laten zien en het is
                    niet meer dan vanzelfsprekend dat de derde - die daarvan profijt heeft - een
                    financiële bijdrage daarvoor levert (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008-2009,
                    31577, nr. 6, p. 29). Artikel 10 is een uitwerking van dit uitgangspunt. Er kan
                    een bijdrage in de toegekende premie worden verlangd. Wanneer de opdrachtgever
                    op andere wijze een bijdrage heeft geleverd, bijvoorbeeld door financiering van
                    de (bedrijfs)scholing of levert een flinke investering in de vorm van
                    begeleiding, hoeft geen bijdrage in de premie te worden betaald.</al>
        <al>
          <vet>- Artikel 11 Detacheringsbanen</vet>
        </al>
        <al>De WWB houdt de mogelijkheid open om evenals in de WIW gebruikelijk was,
                    personen een dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op
                    te doen. </al>
        <al>Het eerste lid biedt het mogelijk tot het aangaan van het dienstverband.</al>
        <al>In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op
                    twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de
                    werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de
                    hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt
                    vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken
                    gemaakt over werktijden, verlof, de inhoud van het werk, etc.</al>
        <al>In het derde lid wordt aangegeven dat de gemeente zelf als werkgever op kan
                    treden, maar dit ook over kan laten aan een derde (bijvoorbeeld een
                    re-integratiebedrijf).</al>
        <al>Voor het vierde lid wordt verwezen naar de toelichting bij het artikel over
                    werkstages. De WWB geeft aan dat gesubsidieerde arbeid geen einddoel meer kan
                    zijn. Toch heeft Ten Boer ervoor gekozen om personen, waarvoor dat nodig blijkt
                    te zijn, een langduriger vorm van gesubsidieerde arbeid aan te bieden. </al>
        <al>Daarvoor is in het eerste lid de mogelijkheid opgenomen om een dienstverband aan
                    te bieden dat specifiek gericht is op participatie. </al>
        <al>- <vet>Artikel 12 Loonkostensubsidies en premies</vet></al>
        <al>Het eerste lid geeft de basis voor de loonkostensubsidie, waarbij
                    expliciet wordt aangeven dat het gaat om een voorziening voor
                    arbeidsinschakelijking of participatie. Deze loonkostensubsidie kan primair
                    bedoeld zijn als een participatie-instrument dat meerdere jaren in beslag kan
                    nemen. Maar dat betekent niet dat de bemoeienis van de gemeente op hoeft te
                    houden na het plaatsen van de werknemer. Daarom is in het derde lid de bepaling
                    opgenomen dat in dat geval minimaal eens per jaar in overleg met de werknemer én
                    de werkgever wordt bezien of er niet toch mogelijkheden tot uitstroom aanwezig
                    zijn.</al>
        <al> Voor het tweede lid wordt verwezen naar de toelichting bij het artikel over
                    werkstages. </al>
        <al>
          <vet>- Artikel 13 Werkgeversarrangement</vet>
        </al>
        <al>De gemeente werkt met de UWV aan een gezamenlijke benadering van
                    werkgevers met het doel afspraken te maken over het inzetten van werkzoekenden
                    bij het vervullen van vacatures. Omdat in veel gevallen een perfecte match nog
                    niet tot stand kan worden gebracht zullen arrangementen met werkgevers (moeten)
                    worden afgesloten. Deze arrangementen kunnen bijvoorbeeld inhouden dat aan </al>
        <al>bijstandsgerechtigden een vorm van scholing wordt aangeboden of extra
                    begeleiding in de eerste periode of dat de kosten en risico’s voor een werkgever
                    gedurende een bepaalde periode worden beperkt. Ook leerwerkconstructies maken
                    hier onderdeel van uit. Dit is in het eerste lid geregeld.</al>
        <al>In het tweede lid wordt de mogelijkheid geboden maatwerkafspraken met werkgevers
                    te maken doordat in bijzondere gevallen kan worden afgeweken van hetgeen over
                    premies, subsidies etc. in de verordening en de uitvoeringsbesluiten geregeld
                    is.</al>
        <al>Het derde lid biedt de mogelijkheid om een zogenoemde no risk verzekering aan te
                    bieden. Deze verzekering dekt het risico van doorbetaling van loon bij ziekte
                    van werknemers. </al>
        <al>
          <vet>- Artikel 14 Vrijwilligerswerk</vet>
        </al>
        <al>Daar waar duidelijk is geworden dat activiteiten gericht op de
                    inschakeling in de arbeid (vooralsnog) geen succes zullen hebben, wordt de
                    belanghebbende gestimuleerd en in de gelegenheid gesteld om vrijwilligerswerk te
                    gaan verrichten. Daar waar mensen zelf in staat zijn om zinvolle activiteiten te
                    zoeken, zal het college kunnen volstaan om hieraan toestemming te verlenen. Daar
                    waar mensen ondersteund moeten worden bij het zoeken naar zinvolle activiteiten,
                    zal het college stappen nemen om zoveel mogelijk van dergelijke activiteiten te
                    creëren en/of toegankelijk te maken. Doel van het vrijwilligerswerk is dat
                    mensen zoveel mogelijk maatschappelijk actief moeten worden of blijven. </al>
        <al>
          <vet>- Artikel 15 Scholing</vet>
        </al>
        <al>Scholing is bij uitstek een maatwerkinstrument, waarbij het moeilijk is
                    vooraf algemene richtlijnen te geven die in de verordening moeten worden
                    opgenomen. Daarom is dit artikel alleen nodig indien de gemeente op het niveau
                    van de verordening een aantal randvoorwaarden wil formuleren, zoals die genoemd
                    zijn in het tweede lid. </al>
        <al>Het college kan alleen scholing aanbieden indien er geen voorliggende
                    voorzieningen bestaat op grond van andere wetten en /of regelgeving. </al>
        <al>
          <vet>- Artikel 16 Personeelsgebonden re-integratiebudget</vet>
        </al>
        <al>Als gemeente kunnen we ervoor kiezen om onze klanten een persoonsgebonden
                    re-integratiebudget te verstrekken. De belanghebbende krijgt daarbij zelf de
                    mogelijkheid om onder voorwaarden een </al>
        <al>re-integratiebedrijf te kiezen. </al>
        <al>
          <vet>- Artikel 17 Schuldhulpverlening</vet>
        </al>
        <al>Schulden kunnen een grote belemmering vormen voor arbeidsinschakeling. Daarom
                    kan schuldhulp- verlening ook als voorziening worden aangeboden. De
                    uitkeringsgerechtigde kan worden verplicht tot het meewerken aan deze vorm van
                    hulpverlening.</al>
        <al>Uit de praktijk is gebleken dat er behoefte bestaat om schuldhulpverlening ook
                    als zelfstandig </al>
        <al>re-integratie-instrument in te zetten. Het proberen rond te komen met schulden
                    neemt belanghebbenden vaak dermate in beslag dat ze geen tijd en/of aandacht
                    hebben voor deelname aan een regulier re-integratietraject. Bovendien motiveert
                    het hebben van schulden niet tot het aangaan van een dienstverband omdat
                    schuldeisers meteen het salaris afromen. Aangezien werkgevers vaak huiverig zijn
                    om werknemers met (niet-gesaneerde) schulden in dienst te nemen, kan
                    schuldhulp-verlening ook voor op zichzelf bemiddelbare belanghebbenden met
                    schulden een noodzakelijk traject zijn.</al>
        <al>
          <vet>- Artikel 18 Nazorg</vet>
        </al>
        <al>Mede gezien de beperkte budgetten is het belangrijk ervoor te zorgen dat
                    belanghebbenden na uitstroom niet na een korte periode terugvallen in de
                    uitkering. De gemeente kan ertoe besluiten veel aandacht te besteden aan nazorg,
                    met als doel een werkelijk duurzame plaatsing te realiseren. Bij dit artikel is
                    ervan uitgegaan dat nazorg geboden kan worden ná acceptatie van algemeen
                    geaccepteerde arbeid, dus niet bij gesubsidieerde arbeid. Bij gesubsidieerde
                    arbeid maakt begeleiding en advisering normaalgesproken al onderdeel uit van het
                    traject.</al>
        <al>- <vet>Artikel 19 Inkomstenvrijlating</vet></al>
        <al>Inkomsten moeten op het moment dat deze verordening in werking treedt opgegeven
                    worden op de maandelijkse verklaring. Mogelijk dat deze verplichting over enige
                    tijd vervalt. Voor de maandelijkse verklaring komt dan een "Mutatieformulier" in
                    de plaats. De inkomsten moeten dan worden opgegeven op door middel van dat
                    formulier. Op dit formulier kan door de uitkeringsgerechtigde dan ook het moment
                    worden aangegeven waarop de vrijlating moet ingaan. In het toegevoegde derde lid
                    is geregeld dat een persoon niet na een zeer korte tijd na afloop van de
                    vrijlatingsfaciliteit weer gebruik kan maken van de vrijlating. Er bestaat
                    opnieuw recht op de vrijlating als er gedurende een aaneengesloten periode van
                    twaalf maanden geen beroep is gedaan op een bijstandsuitkering.</al>
        <al>
          <vet>- Artikel 20 Stimuleringspremie werknemer</vet>
        </al>
        <al>In de WWB is in artikel 31 tweede lid onderdeel j geregeld dat jaarlijks
                    een activeringspremie kan worden verstrekt. Deze premie is onbelast, en telt dus
                    ook niet mee bij de toepassing van inkomensonafhankelijke regelingen. Dit is
                    alleen het geval als in datzelfde jaar geen onkostenvergoeding voor
                    vrijwilligerswerk is verstrekt. In dit artikel is geregeld dat een
                    uitkeringsgerechtigde die langer dan zes maanden een uitkering heeft gehad en
                    die uitstroomt naar reguliere arbeid, een eenmalige premie ontvangt van €
                    600,--.</al>
        <al>In het tweede lid wordt aangegeven dat deze premie ook wordt verstrekt aan een
                    uitkeringsgerechtigde met beperkte belastbaarheid die voor het aantal uren dat
                    hij in staat wordt geacht te werken, regulier werk vindt.</al>
        <al>In het vierde lid is geregeld dat klanten die hebben gefraudeerd, worden
                    uitgesloten van de uitstroompremie.</al>
        <al>In het vijfde lid is geregeld dat niet alleen uitkeringsgerechtigden in
                    aanmerking komen voor een uitstroompremie, maar ook werknemers die met een
                    loonkostensubsidie of door middel van detachering arbeid verrichten en gaan
                    uitstromen naar regulier werk.</al>
        <al>In het zesde lid is geregeld dat ook uitkeringsgerechtigden die uitstromen naar
                    een dienstbetrekking in het kader van de Wet sociale werkvoorziening recht
                    hebben op een uitstroompremie.</al>
        <al>Ten slotte wordt in het zevende lid geregeld dat een bijstandsgerechtigde of
                    gesubsideerde werknemer hooguit een keer in de drie jaar in aanmerking komt voor
                    een uitstroompremie. De termijn van drie jaar begint te lopen op de dag van
                    uitstroom op grond waarvan eerder recht op uitstroompremie bestond. </al>
        <al>
          <vet>- Artikel 21 Stimuleringspremie werkgever</vet>
        </al>
        <al>Het eerste lid van dit artikel voorziet in de mogelijkheid een premie toe
                    te kennen aan een werkgever die een reguliere arbeidsovereenkomst sluit met een
                    (langdurig) werkloze of een werknemer die een gesubsidieerd dienstverband heeft.
                    Dit kan zowel gaan om een loonkostensubsidie als om een detacheringbaan. Het
                    tweede lid biedt de mogelijkheid om aan een werkgever een premie te verstrekken
                    wanneer door zijn inspanningen de gesubsidieerde werknemer kan uitstromen naar
                    een reguliere baan bij een andere werkgever of wanneer hij anderszins een
                    substantiële bijdrage aan de inschakeling in de arbeid van de betreffende
                    werknemer heeft geleverd. De hoogte van de premie en de voorwaarden waaronder
                    deze premie wordt verstrekt worden in een uitvoeringsbesluit geregeld.</al>
        <al>
          <vet>- Artikel 22 Deeltijdpremie alleenstaande ouder</vet>
        </al>
        <al>Uitkeringsgerechtigde alleenstaande ouders met kinderen jonger dan 5 jaar
                    worden via de belastingen gecompenseerd (artikel 31 lid 2 sub c) WWB). Voor deze
                    groep geldt dat de aanvullende alleenstaande ouderkorting en de
                    combinatiekorting niet in mindering worden gebracht op de verstrekte uitkering.
                    Een extra premie is voor deze doelgroep om het aanvaarden van deeltijdarbeid te
                    stimuleren is dus niet nodig.</al>
        <al>Uitkeringsgerechtigde alleenstaande ouders met kinderen in de leeftijd van 5 tot
                    12 jaar die deeltijdwerk verrichten, worden via de belastingen niet extra
                    gecompenseerd. Wanneer zij in staat zijn volledig uit te stromen uit de
                    uitkering profiteren zij wel weer van de bovengenoemde aanvullende alleenstaande
                    ouderkorting en de combinatiekorting.</al>
        <al>Teneinde ook uitkeringsgerechtigde alleenstaande ouders met kinderen jonger dan
                    12 jaar te stimuleren arbeid en zorg te combineren is hiervoor een premie
                    ingesteld. De premie is bedoeld als overbrugging in de jaren dat de kinderen
                    jong zijn, gericht op uitstroom uit de uitkering op langere termijn. Bij de
                    vaststelling van de hoogte van de premie is aansluiting gezocht bij de fiscale
                    regeling die geldt voor alleenstaande ouders met kinderen om het effect van de
                    armoedeval als gevolg van het verstrekken van een premie te voorkomen.</al>
        <al>Als voorwaarde wordt gesteld dat de alleenstaande ouder met kinderen jonger dan
                    12 jaar minimaal 20 uur per week deeltijdarbeid moet verrichten om in aanmerking
                    te kunnen komen voor de arbeidsinschakelingspremie.</al>
        <al>
          <vet>- Artikel 23 Premies participatieplaats</vet>
        </al>
        <al>Wanneer een uitkeringsgerechtigde werkzaamheden in het kader van een
                    participatieplaats verricht, komt hij iedere zes maanden in aanmerking voor een
                    premie. Het betreft uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de
                    arbeidsmarkt die op termijn wel tot arbeidsinschakeling in staat worden geacht
                    (zie ook de toelichting bij artikel 9).Voor hen worden onder meer activiteiten
                    georganiseerd die zorgen voor gewenning aan arbeid en arbeidsritme zoals
                    aangekondigd in de nota "Werken, meedoen, erbij horen". Vanwege de afstand tot
                    de arbeidsmarkt komen deze uitkeringsgerechtigden nog niet in aanmerking voor
                    een traject dat is gericht op arbeidsactivering of arbeidstoeleiding. De
                    afbakening van de doelgroep ten opzichte van vergoeding voor vrijwilligerswerk
                    ligt in het feit dat alleen die vrijwilligers voor een vergoeding in aanmerking
                    komen die zijn ontheven van de arbeidsplicht.</al>
        <al>Teneinde diegenen die werken met behoud van uitkering te stimuleren om na afloop
                    van zes maanden zelf het initiatief te nemen om actief te blijven is in het
                    derde lid een eenmalige vergoeding voor scholing geregeld tot maximaal € 300,--.
                    Dit bedrag kan door de uitkeringsgerechtigde naar eigen inzicht worden ingezet
                    voor het volgen van een opleiding of cursus. De vergoeding kan worden toegekend
                    naast de premie en staat los van het scholingsaanbod als bedoeld in het vijfde
                    lid van artikel 10a van de wet (uitgewerkt in artikel 9, lid 5 van deze
                    Re-integratieverordening).</al>
        <al>Op grond van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder c, van de wet dient aandacht
                    te worden besteed aan de hoogte van de premie in relatie tot de armoedeval.</al>
        <al>De gemeente Ten Boer gaat bij stimuleringspremies in principe uit van € 63,67
                    per maand, in geval van participatieplaatsen betekent dit € 382,-- telkens na
                    zes maanden. De staatssecretaris geeft tijdens de behandeling van het
                    wetsontwerp Wet stimulering arbeidsparticipatie zelf aan dat bij een dergelijke
                    premie geen armoedevaleffecten zijn te verwachten (Tweede Kamer, Handelingen </al>
        <al>2008-2009, 31577, nr. 21, p. 1700). Al in een eerder stadium van de behandeling
                    van dit wetsontwerp had de regering voorgerekend dat bij toekennen van de
                    maximale premie op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de WWB,
                    wel een armoedeval optreedt voor gezinnen bij uitstroom naar een voltijdbaan met
                    minimumloon, maar niet bij deelname aan een participatieplaats (Tweede Kamer,
                    vergaderjaar 2008-2009, 31577, nr.6, p. 28 – 29).</al>
        <al>
          <vet>- Artikel 24 Premie doorstroom naar gesubsidieerd werk</vet>
        </al>
        <al>Wanneer een uitkeringsgerechtigde gesubsidieerde arbeid als bedoeld in de
                    artikelen 11 en 12 gaat verrichten betekent dit niet alleen een grote stap in de
                    richting van reguliere arbeid, maar ook een grote verandering in het leven van
                    een persoon die – wellicht jarenlang – was aangewezen op een uitkering. Om het
                    maken van die stap te stimuleren wordt eenmalig een activeringspremie van </al>
        <al>€ 300,-- verstrekt. Zoals gezegd is de premie alleen bedoeld voor de overstap
                    van uitkering naar gesubsidieerde arbeid: wanneer een gesubsidieerde werknemer
                    bijvoorbeeld overstapt naar een andere gesubsidieerde baan of van een door de
                    gemeente aangeboden baan op detacheringsbasis naar een baan met
                    loonkostensubsidie komt hij <cursief>niet</cursief> in aanmerking voor deze
                    premie. </al>
        <al>
          <vet>- Artikel 25 Premie seniorenbaan</vet>
        </al>
        <al>Sinds enige tijd kent de gemeente de participatievoorziening:
                    seniorenbaan. Dit is een WWB-dienstverband dat de oudere bijstandsgerechtigde
                    krijgt aangeboden als deze persoon een substantieel aantal arbeidsuren kan/gaat
                    verrichten in de sfeer van maatschappelijk nuttige activiteiten. Dit in het
                    kader van de in de samenleving gevoelde behoefte om de oudere werknemer langer
                    aan het werk te houden dan wel te laten participeren in de samenleving. De
                    senior heeft een dienstverband met de Stichting WeerWerk tot maximaal zijn
                    65<sup>e </sup>jaar en ontvangt het minimumloon. Aangezien het, ondanks de naar
                    verwachting steeds toenemende krapte op de arbeidsmarkt, voor deze groep
                    gesubsidieerde werknemers toch zeer moeilijk zal zijn om uit te stromen naar een
                    reguliere baan (met de daaraan verbonden voordelen als loonsverhoging en
                    carrièrekansen), wordt een activeringspremie van € 50,-- per maand, uit te
                    betalen aan het einde van het kalenderjaar op zijn plaats geacht.</al>
        <al>
          <vet>- Artikel 26 Overige vergoedingen</vet>
        </al>
        <al>Het is denkbaar dat de gemeente, ter stimulering van de arbeidsinschakeling,
                    besluit diverse kosten te vergoeden voor activiteiten die daaraan bijdragen. Dit
                    is in het eerste lid geregeld.</al>
        <al>In het tweede lid is geregeld dat uitkeringsgerechtigden die geen
                    arbeidsverplichting meer hebben en andersoortige (maatschappelijke) activiteiten
                    gaan verrichten, een onkostenvergoeding kunnen krijgen ter hoogte van het bedrag
                    dat in de wet staat aangegeven als maximaal vrij te laten forfaitaire
                    onkostenvergoeding in het kader van vrijwilligerswerk.</al>
        <al>Deze activiteiten moeten dan wel door het college zijn erkend als zijnde
                    maatschappelijke activiteiten. Dit is geregeld in het derde lid.</al>
        <al>
          <vet>- Artikel 27 Inburgering</vet>
        </al>
        <al>Voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling en voorzieningen in het kader van
                    de inburgering zullen steeds vaker gezamenlijk en in samenhang worden
                    aangeboden. Dat betekent dat - integratievoorzieningen, zoals die in deze
                    verordening zijn beschreven, ook deel uit kunnen maken van een
                    inburgeringsprogamma op grond van de Wet inburgering (WI). Omgekeerd geldt ook
                    dat delen van het inburgeringsprogramma of het volledige inburgeringsprogramma
                    onderdeel kunnen uitmaken van het reintegratietraject van belanghebbende. In dat
                    geval zullen (ten aanzien van uitkeringsgerechtigden) de verplichtingen die
                    verbonden zijn aan de WWB zich uistrekken tot de activiteiten in hte kader van
                    de WI.</al>
        <al>
          <vet>- Artikel 28 Hardheidsclausule</vet>
        </al>
        <al>Met dit artikel wordt het voor het college mogelijk om in geval van
                    “kennelijke hardheid” af te wijken van de bepalingen uit deze verordening.</al>
        <al>
          <vet>- Artikel 29 Voorzieningen voor kunstenaars</vet>
        </al>
        <al>In artikel 21, vierde lid van de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK) is
                    bepaald, dat de gemeenteraad bij verordening regels moet stellen met betrekking
                    tot het aanbieden van voorzieningen aan kunstenaars die daar om verzoeken,
                    gericht op het bevorderen van de arbeidsinschakeling in het kader van de
                    uitoefening van een gemengde beroepspraktijk. </al>
        <al>Door het opnemen van artikel 25 in de verordening wordt hieraan voldaan. Dit
                    artikel strekt ertoe dat kunstenaars in voorkomende gevallen een beroep kunnen
                    doen op activerende middelen uit het werkdeel van het WWB-budget ter versterking
                    van het niet-kunstgerelateerde deel van de gemengde beroepspraktijk. Een verzoek
                    hiertoe moet de kunstenaar indienen bij het college van de gemeente waar de
                    kunstenaar zijn woonplaats heeft (dus niet per definitie bij de
                    centrumgemeente!).</al>
        <al>Vaak zal een kunstenaar besluiten om een beroep te doen op deze middelen als
                    duidelijk is geworden dat het ook op termijn niet mogelijk is om uitsluitend via
                    inkomsten uit de aan kunst gerelateerde activiteiten in de kosten van het
                    levensonderhoud te voorzien. Indien het om de situatie gaat waarin de kunstenaar
                    niet woonachtig is in de centrumgemeente, ligt het voor de hand dat het college
                    van de woongemeente desgewenst advies vraagt aan de centrumgemeente waar de
                    kunstenaar uitkering ontvangt over de wenselijkheid van de toekenning van de
                    gevraagde voorziening.</al>
        <al>Anders dan in de WWB, waar een dergelijke voorziening verplichtend door het
                    college wordt opgelegd, heeft de voorziening in het kader van de WWIK een
                    vrijwillig karakter. De kunstenaar die een beroep doet op een voorziening is
                    uiteraard (wel) verplicht om van een aangeboden voorziening daadwerkelijk
                    gebruik te maken. Het is aan het college om te bepalen welk aanbod passend is.
                    Hierbij geldt dat het moet gaan om de kortste weg naar duurzame
                    arbeidsparticipatie (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 29 574, nr. 3).</al>
        <al>De kunstenaar die een beroep doet op een voorziening dient zich te houden aan de
                    in de overeenkomst of het besluit neergelegde bepalingen c.q. voorwaarden
                    (artikel 5, derde lid). Verder zijn de algemene bepalingen van artikel 7 van
                    toepassing. Maakt de kunstenaar niet of onvoldoende gebruik van de aangeboden
                    voorziening of voldoet hij niet aan andere opgelegde verplichtingen dan is het
                    op grond van artikel 22 van de WWIK mogelijk een maatregel op te leggen.
                    Daarnaast kan worden overeengekomen dat de kunstenaar bij voortijdig afbreken -
                    of niet voldoende nakomen - van het traject, de trajectkosten geheel of
                    gedeeltelijk terugbetaalt.</al>
        <al>
          <vet>- Artikel 30 Wet participatiebudget</vet>
        </al>
        <al>Voor zover nodig voorziet dit artikel in een instemming van de raad om de
                    kosten voor een participatievoorziening in gevallen waarin deze voorziening het
                    strikte kader voor een re-integratievoorziening als bedoeld in artikel 3, vierde
                    lid, sub d, van de Wet participatiebudget te boven gaat, ten laste te brengen
                    van het particiaptiebudget. Deze wet biedt aan het college de mogelijkheid om
                    aan een ruimere doelgroep van personen participatievoorzieningen aan te bieden
                    dan op grond van de WWB, de IOAW of de IOAZ. Zoals wel voor de
                    re-integratievoorzieningen op grond van deze drie laatst genoemde wetten is
                    voorgeschreven, geldt hier niet de voorwaarde dat deze participatievoorzieningen
                    (inhoudelijk) bij verordening door de raad moeten worden vastgesteld. Overigens
                    is de verwachting dat het college van deze nieuwe bevoegdheid op grond van de
                    Wet particiaptiebudget slechts in bijzondere gevallen gebruik gaat maken. Met
                    betrekking tot het afgelopen kalenderjaar 2009 biedt deze bepaling (voor zover
                    nodig) een grondslag om reeds gemaakte kosten die niet onder het beperktere
                    begrip re-integratievoorziening maar wel onder het ruimere begrip
                    participatievoorziening gekwalificeerd kunnen worden, ten laste te brengen van
                    het participatiebudget. Over de besteding van daarmee gemoeide gelden zal het
                    college aan de raad verantwoording moeten afleggen. In de regel zal ook vooraf
                    in een beleidsplan of in een programma in de programmabegroting inhoudelijke
                    instemming van de raad worden gevraagd.</al>
        <al>
          <vet>- Artikel 31 Citeertitel</vet>
        </al>
        <al>Behoeft geen nadere toelichting.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>- Artikel 32 Inwerkingtreding</vet>
        </al>
        <al>Onder intrekking van de ‘oude’ verordening treedt de nieuwe
                    Re-integratieverordening WWB per 1 juli 2010 in werking.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>