<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR94661_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ten Boer</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ten Boer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Noorderkrant, 01-12-2004</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>de Afstemmingsverordening 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 18</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-11-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-12-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-06-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.</nr>
              <titel>Begripsomschrijving</titel>
            </kop>
            <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li>
              <li nr="b."><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li>
              <li nr="c."><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    b, van de wet;</al></li>
              <li nr="d."><al>bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    d, van de wet;</al></li>
              <li nr="e."><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    c, van de wet;</al></li>
              <li nr="f."><al>langdurigheidstoeslag:de langdurigheidstoeslag bedoeld in
                                    artikel 5, onderdeel e,</al><al> van de wet;</al></li>
              <li nr="g."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand of de
                                    langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18, tweede lid, van
                                    de wet; </al></li>
              <li nr="h."><al>belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit
                                    wordt betrokken;</al></li>
              <li nr="i."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                    de</al><al> gemeente Ten Boer;</al></li>
              <li nr="j."><al>trajectplan: een individueel plan, gericht op het vergroten van
                                    de mogelijk-</al><al> heden tot inschakeling in het arbeidsproces of deelname
                                    aan sociale activiteiten. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2.</nr>
              <titel>Het opleggen van een maatregel</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikelen 28,
                                tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen
                                niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                                college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze
                                verordening een maatregel opgelegd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.</nr>
              <titel>Berekeningsgrondslag</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag
                                indien: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de wet; of</al></li>
                <li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand of de
                                        langdurigheidstoeslag, daartoe aanleiding geeft. </al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.</nr>
              <titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel>
            </kop>
            <al>In het besluit tot het opleggen van een maatregel wordt in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd, het bedrag waarmee de
                            bijstand wordt verlaagd uitgaande van de uitkeringsnorm en, indien van
                            toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.</nr>
              <titel>Horen van belanghebbende</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>a.</lidnr>
              <al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>b.</lidnr>
              <al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                                zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe
                                feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>c.</lidnr>
              <al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college
                                of van een derde aan wie het college met toepassing van artikel 7
                                van de wet werkzaamheden in het kader van de wet heeft uitbesteed,
                                om binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als
                                bedoeld in artikel 17 van de wet; of</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>d.</lidnr>
              <al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de
                                ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6.</nr>
              <titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>a.</lidnr>
              <al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>b.</lidnr>
              <al>de gedraging meer dan <cursief>één jaar</cursief> vóór constatering
                                van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de
                                gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als
                                gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Een
                                maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet
                                opgelegd na verloop van <cursief>vijf jaren</cursief> nadat de
                                betreffende gedraging heeft plaatsgevonden. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7.</nr>
              <titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende
                                kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                                bijstandsnorm.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd:</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>a.</lidnr>
              <al>indien sprake is van het niet of niet behoorlijk voldoen aan de
                                inlichtingenplicht van artikel 17 lid 1 van de wet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>b.</lidnr>
              <al>indien de maatregelwaardige gedraging betrekking heeft op bijstand
                                die nog niet betaalbaar is gesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die
                                voor een periode van meer dan <cursief>drie </cursief>maanden wordt
                                opgelegd, wordt uiterlijk na <cursief>drie</cursief> maanden nadat
                                deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8.</nr>
              <titel>Samenloop van gedragingen</titel>
            </kop>
            <al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, zullen de maatregelen
                            aaneensluitend in volgorde van zwaarte worden uitgevoerd.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of
                            behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.</nr>
              <titel>Indeling in categorieën</titel>
            </kop>
            <al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij de
                                    Centrale organisatie werk en inkomen of het niet tijdig laten
                                    verlengen van de registratie; </al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen of te aanvaarden;</al></li>
                  <li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate nakomen van de verplichting tot
                                    het gebruik maken van een door het college aangeboden
                                    voorziening, waaronder begrepen het niet of onvoldoende
                                    meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                    arbeidsinschakeling, scholing of zelfstandige participatie, voor
                                    zover dit <onderstreept>niet</onderstreept> heeft geleid tot het
                                    geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van het
                                    traject.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="3."><al>Derde categorie</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li>
                  <li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid;</al></li>
                  <li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate nakomen van de verplichting tot
                                    het gebruik maken van een door het college aangeboden
                                    voorziening, waaronder begrepen het niet of onvoldoende
                                    meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                    arbeidsinschakeling, scholing of zelfstandige participatie, als
                                    dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige
                                    beëindiging van het traject.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.</nr>
              <titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel vastgesteld
                                op:</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>a.</lidnr>
              <al>
                <cursief>10%</cursief> procent van de bijstandsnorm gedurende een
                                maand bij gedragingen van de eerste categorie;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>b.</lidnr>
              <al>50% procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen
                                van de tweede categorie;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>c.</lidnr>
              <al>
                <cursief>100%</cursief> procent van de bijstandsnorm gedurende een
                                maand bij gedragingen van de derde categorie.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen 24 maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of
                                hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd
                                wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid. </al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11.</nr>
              <titel>Te laat verstrekken van gegevens</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Indien een belanghebbende de verplichting op grond van
                                            artikel 17 van de wet niet is nagekomen door informatie
                                            die van belang is voor de verlening van bijstand of de
                                            voortzetting daarvan niet binnen de door het college
                                            daartoe gestelde termijn te verstrekken, met toepassing
                                            van artikel 54 van de wet, wordt een maatregel opgelegd
                                            van <cursief>vijf</cursief> procent van de bijstandsnorm
                                            gedurende <cursief>een maand</cursief>, onverminderd
                                            artikel 3, tweede lid.</al></li>
              <li nr="2."><al>Ingevolge artikel 17, eerste lid van de wet, verstrekt
                                            belanghebbende onverwijld uit eigen beweging
                                            mededelingen van alle feiten en omstandigheden waarvan
                                            hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                                            invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.</al></li>
              <li nr="3."><al>onder onverwijld wordt verstaan: bij het eerste
                                            rechtmatigheidsformulier of, indien dit niet van
                                            toepassing is, binnen 7 dagen waarin het feit dan wel de
                                            omstandigheid als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van
                                            de wet zich heeft voorgedaan.</al></li>
              <li nr="4."><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de
                                            belanghebbende zich binnen 24 maanden na bekendmaking
                                            van een besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd
                                            zich opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbaar
                                            aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een
                                            maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om
                                            daarvan af te zien op grond van dringende redenen,
                                            bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></li>
              <li nr="5."><al>Van het opleggen van de maatregel wordt afgezien en
                                            wordt volstaan met het geven van een schriftelijke
                                            waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen
                                            van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van
                                            24 maanden te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan
                                            de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is
                                            gegeven. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.</nr>
              <titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                                voor de bijstand</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                        inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de wet heeft
                                        geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                        verlenen van bijstand en langdurigheidstoeslag, wordt de
                                        maatregel afgestemd op de hoogte van het bruto
                                        benadelingsbedrag. </al></li>
                <li nr="2."><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de
                                        volgende wijze vastgesteld:</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>a.</lidnr>
              <al>5% van de bijstandsnorm gedurende een maand, indien het bruto
                                benadelingsbedrag minder bedraagt dan € 250,-;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>b.</lidnr>
              <al>
                <cursief>10%</cursief> van de bijstandsnorm gedurende
                                    <cursief>een</cursief> maand, indien het bruto benadelingsbedrag
                                gelijk is aan of meer bedraagt dan € 250 doch minder bedraagt dan €
                                500,-;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>c.</lidnr>
              <al>10% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden, indien het bruto
                                benadelingsbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan € 500,- maar
                                minder bedraagt dan € 1500,- ;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>d.</lidnr>
              <al>10% van de bijstandsnorm gedurende vier maanden, indien het bruto
                                benadelingsbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan € 1500,- maar
                                minder bedraagt dan € 4000,-; </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>e.</lidnr>
              <al>20% van de bijstandsnorm gedurende vier maanden, indien het bruto
                                benadelingsbedrag meer bedraagt dan € 4000,- . </al>
              <lijst>
                <li nr="3."><al>De maatregel, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten minste
                                        € 45,- per maand. </al></li>
                <li nr="4."><al>De maatregel zoals genoemd in artikel 12, lid 2 wordt
                                        verdubbeld wanneer belanghebbende binnen 24 maanden na
                                        bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is
                                        opgelegd, wederom zijn verplichtingen verwijtbaar niet
                                        nakomt. </al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13.</nr>
              <titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                                gevolgen voor de bijstand</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel 17 van de wet niet heeft geleid tot het ten
                                onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, bedraagt
                                de maatregel, onverminderd artikel 2, tweede lid, <cursief>vijf
                                </cursief>procent van de bijstand gedurende <cursief>een
                                    maand</cursief>.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien de ernst van de gedraging dit niet in de weg staat, wordt van
                                het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid afgezien en
                                wordt volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing,
                                tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de genoemde
                                verplichting plaatsvindt binnen een periode van 24 maanden te
                                rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een
                                schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14.</nr>
              <titel>Overige bepalingen met betrekking tot de
                                inlichtingenplicht</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet
                                opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar
                                ministerie en blijft definitief achterwege indien ter zake een
                                strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
                                aanvang heeft genomen dan wel het recht tot strafvervolging is
                                vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien de maatregel als bedoeld in artikel 12, tweede en derde lid,
                                als gevolg van beëindiging van de uitkering niet kan worden
                                toegepast op de wijze zoals vermeld in artikel 7, wordt deze
                                maatregel opgelegd over het toekomstige recht op bijstand binnen een
                                termijn van vijf jaar na afgeven van het besluit. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet
                                opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende gedraging
                                heeft plaatsgevonden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De terugvordering voortvloeiende uit het opleggen van een maatregel
                                bedoeld in artikel 12, tweede lid, kan bij gebreke van tijdige
                                betaling verhoogd worden met de wettelijke rente en de op de
                                invordering betrekking hebbende kosten.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15.</nr>
              <titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt een
                                maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat de
                                belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder, langer dan wel
                                een hoger recht heeft op bijstand.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de
                                volgende wijze vastgesteld:</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>a.</lidnr>
              <al>10<cursief>%</cursief> van de bijstandsnorm gedurende
                                    <cursief>een</cursief> maand, bij een periode van 3 maanden of
                                korter;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>b.</lidnr>
              <al>10% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden, bij een periode van
                                3 tot 6 maanden;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>c.</lidnr>
              <al>10% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden, bij een periode van
                                6 maanden of langer.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16.</nr>
              <titel>Zeer ernstige misdragingen</titel>
            </kop>
            <al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                            college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18,
                            tweede lid van de wet, kan onverminderd artikel 2, tweede lid, een
                            maatregel worden opgelegd van <cursief>minimaal twintig
                            </cursief>procent van de bijstandsnorm gedurende <cursief>een</cursief>
                            maand. </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Burgemeester en wethouders kunnen ten gunste van belanghebbende
                                afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing
                                van de verordening tot onbillijkheden leidt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de uitvoering van
                                deze verordening nadere beleidsregels vaststellen.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18.</nr>
              <titel>De inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <al>Onder toepassing van art. 25 van de Tijdelijke referendumwet treedt deze
                            verordening in werking met ingang van de dag volgend op die van haar
                            bekendmaking.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>19.</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening wordt aangehaald als: de Afstemmingsverordening
                            2004.</al>
            <al/>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <nota-toelichting>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikelsgewijze toelichting</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Begripsomschrijving</titel>
          </kop>
          <al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een
                            gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de WWB.</al>
          <al>In de verordening wordt het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt.Dit
                            begrip wordt in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht omschreven
                            als ‘degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’.
                        </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Het opleggen van een maatregel</titel>
          </kop>
          <al>
            <vet>Eerste lid </vet>
          </al>
          <al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                            verplichtingen:</al>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid). </al></li>
            <li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht
                                    bestaat uit twee soorten verplichtingen: </al></li>
            <li nr="-"><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen en deze te aanvaarden (zie toelichting van de wet);
                                    en</al></li>
            <li nr="-"><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                                    voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling.
                                    Deze verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in
                                    specifieke verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en
                                    mogelijkheden van de bijstandsgerechtigde. De
                                    reïntegratieverordening die elke gemeente moet opstellen, vormt
                                    de juridische basis voor het opleggen van deze specifieke
                                    verplichtingen. Deze verplichtingen zullen in het besluit tot
                                    het verlenen van bijstand moeten worden neergelegd.</al></li>
            <li nr="3."><al>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een
                                    uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het college op
                                    verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van
                                    alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs
                                    duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn
                                    arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. </al></li>
            <li nr="4."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht
                                    van uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de
                                    medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de
                                    uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit allerlei
                                    concrete verplichtingen bestaan, zoals: </al></li>
            <li nr="-"><al>het toestaan van huisbezoek;</al></li>
            <li nr="-"><al>het meewerken aan een psychologisch onderzoek. </al></li>
          </lijst>
          <al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een
                            schending van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘<cursief>het zich jegens
                                het college zeer ernstig misdragen’. </cursief></al>
          <al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het
                            betreft de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan
                            de Centrale organisatie werk en inkomen te verstrekken die nodig zijn
                            voor de beslissing door het college (artikel 28, tweede lid Wet SUWI) en
                            de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle
                            feiten en omstandigheden mee te delen aan de Centrale organisatie werk
                            en inkomen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                            invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het
                            recht bijstand of de hoogte of de duur van de bijstand. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Tweede lid</vet>
          </al>
          <al>In de afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                            schending van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen
                            vastgesteld in de vorm van een vaste (procentuele) verlaging van de
                            bijstandsnorm. </al>
          <al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op
                            te leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van
                            de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt
                            met zich mee dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten
                            nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
                            uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de
                            voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de
                            standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. </al>
          <al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet
                            worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet
                            doorlopen:</al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al></li>
            <li nr="-"><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al></li>
            <li nr="-"><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                                    uitkeringsgerechtigde.</al></li>
          </lijst>
          <al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het
                            standaardpercentage waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de
                            beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de
                            toelichting bij artikel 6. </al>
          <al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden
                            kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende,
                                    zoals hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                                    bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk
                                    is;</al></li>
            <li nr="-"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al></li>
            <li nr="-"><al>bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het
                                    geheel van maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de
                                    gedraging en de mate van verwijtbaarheid. </al></li>
          </lijst>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>De berekeningsgrondslag</titel>
          </kop>
          <al>
            <vet>Eerste lid </vet>
          </al>
          <al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt
                            opgelegd over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de
                            wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en
                            inclusief vakantietoeslag. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Tweede lid </vet>
          </al>
          <al>Onderdeel a: de 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm, die
                            indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende
                            bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Indien de
                            maatregel alleen op de lage jongerennorm ad € 196,92 (peildatum
                            01-07-2003) wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten
                            opzichte van de 21-jarigen. </al>
          <al/>
          <al>Onderdeelb: deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in
                            incidentele gevallen een maatregel oplegt over de bijzondere bijstand of
                            de langdurigheidstoeslag. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de
                            gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand of
                            de langdurigheidstoeslag.</al>
          <al>De hoogte van het bedrag waarmee de bijzondere bijstand of de
                            langdurigheidstoeslag wordt verminderd, bedraagt het bedrag van de
                            verlaging welke belanghebbende opgelegd zou krijgen wanneer hij een
                            algemene bijstandsuitkering zou ontvangen. De verlaging van de
                            bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag bedraagt daarbij
                            overigens nooit meer dan het bedrag dat belanghebbende aan bijzondere
                            bijstand of langdurigheidstoeslag zou ontvangen.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel>
          </kop>
          <al>Het verlagen van de bijstand omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt
                            plaats door middel van een besluit. Wanneer de maatregel bij een lopende
                            uitkering wordt opgelegd, wordt een besluit tot vaststelling van de
                            algemene bijstand op grond van artikel 45 WWB genomen. </al>
          <al>Wordt een maatregel met terugwerkende kracht opgelegd, dan moet een
                            besluit tot herziening van de bijstand worden genomen (artikel 54, derde
                            lid). Tegen beide besluiten kan door de belanghebbende bezwaar en beroep
                            worden aangetekend. </al>
          <al>In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet
                            worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene
                            wet bestuursrecht (Awb) en dan met het motiveringsbeginsel. Het
                            motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en
                            van een deugdelijke motivering wordt voorzien. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>Horen van belanghebbende</titel>
          </kop>
          <al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het
                            horen van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van
                            beschikkingen. Deze hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding
                            van beschikkingen die betrekking hebben op een financiële aanspraak
                            (artikel 4:12). </al>
          <al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een
                            maatregel wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven. </al>
          <al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                            onderdelen a en b staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet
                            bestuursrecht. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6.</nr>
            <titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel>
          </kop>
          <al>
            <vet>Eerste lid</vet>
          </al>
          <al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                            verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB. </al>
          <al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat
                            de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille
                            van de effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel
                            spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. </al>
          <al>Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het college geen maatregelen
                            oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben
                            plaatsgevonden. </al>
          <al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en
                            als gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog
                            bedrag aan bijstand is verleend, geldt in de verordening een
                            verjaringstermijn van vijf jaar. Een termijn van vijf jaar ligt voor de
                            hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit
                            dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude
                            (het benadelingsbedrag) vast te stellen. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Tweede lid</vet>
          </al>
          <al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van
                            een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat
                            dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan
                            dus niet op voorhand worden vastgelegd. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Derde lid </vet>
          </al>
          <al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                            opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in
                            verband met eventuele recidive. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7.</nr>
            <titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel>
          </kop>
          <al>
            <vet>Eerste lid </vet>
          </al>
          <al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                            uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: </al>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                                    uitkering; of </al></li>
            <li nr="2."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de
                                    eerstvolgende maand(en). </al></li>
          </lijst>
          <al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt,
                            is de gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te
                            gaan tot herziening van de bijstand en het te veel betaalde bedrag aan
                            bijstand terug te vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat
                            een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                            kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                            bijstandsnorm.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Tweede lid</vet>
          </al>
          <al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de
                            bijstandsgerechtigde is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de
                            verlaging van de uitkering te verrekenen met het bedrag dat nog moet
                            worden uitbetaald. In dat geval moet de bijstand wel worden herzien en
                            teruggevorderd. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Derde lid</vet>
          </al>
          <al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door
                            een maatregel voor een bepaalde periode op te leggen, weet de
                            uitkeringsgerechtigde die met een maatregel wordt geconfronteerd waar
                            hij aan toe is. Het college kan na afloop van de periode waarvoor de
                            maatregel is getroffen opnieuw een maatregel opleggen. Hiervoor is dan
                            wel weer een apart besluit nodig. </al>
          <al>Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan
                            zal het college de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen.
                            Dit is geregeld in artikel 18, derde lid WWB.</al>
          <al>Gemeenten mogen zelf bepalen wanneer die herbeoordeling plaatsvindt, als
                            dat maar gebeurt binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij
                            de herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen,
                            waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht
                            worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het college moet
                            beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt
                            gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin
                            betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu
                            wel aan zijn verplichtingen voldoet.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8.</nr>
            <titel>Samenloop van gedragingen</titel>
          </kop>
          <al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                            verschillende gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer)
                            gelijktijdig plaatsvinden. De regeling geldt dus niet voor een bepaalde
                            gedraging die verschillende schendingen van verplichtingen met zich
                            meebrengt. </al>
          <al>Indien sprake is van schending van meerdere verplichtingen, dan dient
                            voor het toepassen van de afstemming te worden uitgegaan van het
                            vaststellen van afzonderlijke maatregelen, die met in achtneming van
                            artikel 2, tweede lid, aaneensluitend in volgorde van zwaarte worden
                            uitgevoerd.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen
                            of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9.</nr>
            <titel>Indeling in categorieën</titel>
          </kop>
          <al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende
                            medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen
                            geaccepteerde arbeid, worden in drie categorieën onderscheiden. Hierbij
                            is de ernst van de gedraging het onderscheidende criterium. Een
                            gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere
                            gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.
                            Dit is volledig in lijn met het gedachtegoed achter de WWB: een cliënt
                            dient zelf alles in het werk stellen om aan het werk te komen dan wel te
                            blijven.</al>
          <al>De gedragingen die in dit artikel worden genoemd zijn minder concreet
                            omschreven dan in het Maatregelenbesluit. De reden hiervoor is dat de
                            WWB, in tegenstelling tot de Abw, volstaat met een algemene omschrijving
                            van de plicht tot arbeidsinschakeling. De concrete invulling van de
                            verplichtingen dient zoveel mogelijk te worden afgestemd op de
                            mogelijkheden van de individuele bijstandsgerechtigde. </al>
          <al>De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om
                            zich als werkzoekende in te schrijven bij het CWI en ingeschreven te
                            doen blijven. </al>
          <al>De tweede categorie, onderdeel a, betreft de verplichting tot een
                            actieve opstelling op de arbeidsmarkt, de eigen verantwoordelijkheid van
                            de belanghebbende om bijvoorbeeld voldoende te solliciteren en te
                            voldoen aan een oproep. </al>
          <al>In de tweede categorie, onderdeel b. Bij toekenning van de bijstand of
                            in een later stadium kan aan de belanghebbende, die niet in staat is om
                            op eigen kracht weer in zijn levensonderhoud te voorzien, de
                            verplichting worden opgelegd om:</al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden en de
                                    benodigde voorzieningen zoals vastgelegd in de
                                    Reïntegratieverordening </al></li>
            <li nr="-"><al>deel te nemen aan een concreet aangeboden traject dat
                                    uiteindelijk moet leiden tot uitstroom of zelfstandige
                                    maatschappelijke participatie.</al></li>
          </lijst>
          <al>De arbeidsinschakeling wordt direct geschaad, wanneer de belanghebbende
                            deze verplichting niet of onvoldoende nakomt, hetgeen gevolgen kan
                            hebben voor de duur van de aanspraak op bijstand. Het niet of
                            onvoldoende verlenen van medewerking aan een traject zal immers leiden
                            tot vertraging van dat traject. Van onvoldoende medewerking is in ieder
                            geval sprake als de belanghebbende niet op afspraken bij het
                            reïntegratiebedrijf verschijnt, opdrachten in het kader van scholing
                            niet naar behoren uitvoert of zich niet coöperatief opstelt ten aanzien
                            van een diagnostisch onderzoek.</al>
          <al>De derde categorie, onderdeel a, betreft het niet aanvaarden van
                            algemeen geaccepteerde arbeid. Het kan hierbij om allerlei soorten
                            arbeid gaan: gesubsidieerd of regulier, fulltime of parttime, tijdelijk
                            of voor onbepaalde duur.</al>
          <al>De derde categorie, onderdeel b, betreft door eigen toedoen
                            (verwijtbaar) voorafgaand aan de aanvraag algemeen geaccepteerde arbeid
                            niet behouden dan wel tijdens de bijstand arbeid in deeltijd niet
                            behouden. Hieronder wordt ook verstaan het niet correct uitoefenen van
                            het beroep als zelfstandige.</al>
          <al>Bij de derde categorie, onderdeel c, gaat het om dezelfde soort
                            gedragingen als bedoeld in de tweede categorie onder b, echter met dit
                            belangrijke verschil dat de gedraging heeft geleid tot het (definitief)
                            geen doorgang vinden of afbreken van een traject. In de praktijk zal
                            beëindiging van een traject veelal pas plaatsvinden nadat belanghebbende
                            door zijn gedrag herhaaldelijk heeft laten blijken niet mee te willen
                            werken aan voorzieningen gericht op een zo spoedig mogelijke
                            inschakeling in het arbeidsproces. Ook kan een zeer ernstige gedraging,
                            bijvoorbeeld diefstal tijdens een proefplaatsing, tot beëindiging van
                            het traject leiden. In alle gevallen betreft het gedragingen die de kans
                            op uitstroom voor langere tijd vrijwel onmogelijk maken. Zonder traject
                            is inschakeling in de arbeid voor de desbetreffende belanghebbende
                            immers niet mogelijk.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10.</nr>
            <titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel>
          </kop>
          <al>
            <vet>Eerste lid</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling bevat de standaardverlagingen voor de drie categorieën van
                            gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                            verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Tweede lid </vet>
          </al>
          <al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van
                            een herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                            verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur
                            van de maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste
                            gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een maatregel, ook
                            indien de maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor
                            het bepalen van de aanvang van de termijn van 24 maanden, geldt het
                            tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is
                            gemaakt. </al>
          <al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer
                            worden toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare
                            gedraging wederom hetzelfde verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte
                            en de duur van de maatregel individueel moeten worden vastgesteld,
                            waarbij gekeken zal moeten worden naar de ernst van de gedraging, de
                            mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de
                            betrokkene. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>11.</nr>
            <titel>Te laat verstrekken van gegevens</titel>
          </kop>
          <al>
            <vet>Eerste lid</vet>
          </al>
          <al>Indien een cliënt de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde
                            gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het
                            college het recht op bijstand opschorten (artikel 54, eerste lid, WWB).
                            Het college geeft de cliënt vervolgens een termijn waarbinnen hij zijn
                            verzuim kan herstellen (de hersteltermijn).</al>
          <al>Wordt de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn aan de
                            gemeente verstrekt, dan kan het college bijstand stopzetten (het
                            intrekken van het besluit tot toekenning van de bijstand). Worden de
                            gevraagde gegevens wél binnen de hersteltermijn verstrekt, wordt de
                            bijstand voortgezet, maar wordt tevens een maatregel opgelegd. Dit lid
                            regelt de hoogte van de maatregel. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Tweede lid</vet>
          </al>
          <al>Dit lid spreekt voor zich.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Derde lid</vet>
          </al>
          <al>Dit lid spreekt voor zich.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Vierde lid</vet>
          </al>
          <al>Een schriftelijke waarschuwing is geen maatregel. Dit wil zeggen dat bij
                            herhaling van de gedraging in principe een maatregel wordt opgelegd
                            zonder toepassing van de recidivemaatregel.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>12.</nr>
            <titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                                voor de bijstand</titel>
          </kop>
          <al>
            <vet>Eerste lid</vet>
          </al>
          <al>In artikel 17, eerste lid, WWB is bepaald dat belanghebbende op verzoek
                            of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en
                            omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij
                            van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op
                            bijstand. Onder ‘onverwijld’ wordt verstaan hetgeen in artikel 11 lid 2
                            is gesteld.</al>
          <al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het
                            benadelingsbedrag. Dat is het door de gemeente te veel betaalde bedrag
                            aan bijstand.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Tweede lid </vet>
          </al>
          <al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                            inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de WWB wordt afhankelijk
                            gesteld van de hoogte van het bedrag aan bijstand dat als gevolg van de
                            schending van die verplichting ten onrechte of te veel aan de
                            belanghebbende is betaald. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Derde en vierde lid</vet>
          </al>
          <al>Deze leden spreken voor zich.</al>
          <al>De maatregel wordt toegepast op de toekomstige bijstandsuitkering van de
                            belanghebbende. </al>
          <al>
            <cursief>De relatie met de strafrechtelijke sanctie</cursief>
          </al>
          <al>Onder het huidige boeteregime bestaat de verplichting voor gemeenten om
                            proces-verbaal op te maken en aangifte te doen bij het Openbaar
                            Ministerie (OM) indien er sprake is van fraude en het benadelingsbedrag
                            hoger is dan € 6.000,- (de aangifterichtlijn sociale zekerheid). Het is
                            de bedoeling dat deze taakverdeling tussen gemeenten en het OM blijft
                            bestaan, ook al kent de WWB de bestuurlijke boete niet en zullen
                            gemeenten bij fraude (in casu het niet nakomen van de
                            inlichtingenplicht) een maatregel moeten opleggen. </al>
          <al>Het doen van aangifte wegens fraude sluit overigens het opleggen van een
                            maatregel niet uit. Beide sancties kunnen samen gaan. </al>
          <al>Uitgangspunt is dat het OM bij de straftoemeting rekening houdt met de
                            maatregel die is opgelegd door het bestuursorgaan. Dit is het principe
                            van ‘anrechnung’. Anderzijds ligt het niet voor de hand om over te gaan
                            tot het opleggen van een maatregel, als het OM inmiddels een sanctie
                            heeft opgelegd. Het ‘una via’ beginsel (geen samenloop van sancties op
                            dezelfde onrechtmatige gedraging dan bij beslissing van één enkel
                            overheidsorgaan) kan zich daar tegen verzetten. De centrale raad voor
                            beroep heeft zich in het (recente) verleden geregeld uitgesproken tegen
                            ‘dubbele bestraffing’. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>13.</nr>
            <titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                                gevolgen voor de bijstand</titel>
          </kop>
          <al>
            <vet>Eerste lid </vet>
          </al>
          <al>In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het verstrekken
                            van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging
                            gevolgen heeft voor de hoogte van de bijstand. Voorbeelden van nulfraude
                            zijn b.v. het niet opgeven van een vermogensbestanddeel onder de
                            vermogensgrens of het niet melden van vrijwilligerswerk. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Tweede lid </vet>
          </al>
          <al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                            opnieuw plaatsvindt binnen een periode van 24 maanden te rekenen vanaf
                            de datum waarop eerder aan belanghebbende een schriftelijke waarschuwing
                            is gegeven, bedraagt de maatregel, onverminderd artikel 2, tweede lid,
                            vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>14.</nr>
            <titel>Overige bepalingen met betrekking tot schending
                                inlichtingenplicht</titel>
          </kop>
          <al>
            <vet>Eerste lid</vet>
          </al>
          <al>Dit lid spreekt voor zich.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Tweede lid</vet>
          </al>
          <al>Indien de situatie als genoemd in het tweede lid ertoe leidt dat er geen
                            verlaging meer mogelijk is, omdat de uitkering is beëindigd, wordt deze
                            maatregel opgelegd op het toekomstige recht op bijstand binnen een
                            termijn van vijf jaren.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Derde lid</vet>
          </al>
          <al>Dit lid spreekt voor zich.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Vierde lid</vet>
          </al>
          <al>De terugvordering kan bij gebreke van tijdige betaling verhoogd worden
                            met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende
                            kosten. De bijdrage in de kosten wordt forfaitair vastgesteld op 10% van
                            het benadelingsbedrag.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>15.</nr>
            <titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel>
          </kop>
          <al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen
                            voor de voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een
                            bijstandsuitkering wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in
                            de periode voorafgaand aan de bijstandaanvraag een tekortschietend besef
                            van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer
                            beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en
                            als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt, de gemeente bij de
                            toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door het opleggen
                            van een maatregel. </al>
          <al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei
                            gedragingen blijken, zoals: </al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen;</al></li>
            <li nr="-"><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende
                                    voorziening;</al></li>
            <li nr="-"><al>het niet nakomen van de verplichting tot instellen van een
                                    alimentatievordering.</al></li>
          </lijst>
          <al>In het tweede lid wordt een relatie gelegd tussen de hoogte van de
                            maatregel en het benadelingsbedrag. Het benadelingsbedrag is in dit
                            geval de omvang van het vermogen of de voorziening waarmee de betrokkene
                            gedurende kortere of langere tijd buiten de bijstand zou zijn gebleven.
                        </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>16.</nr>
            <titel>Zeer ernstige misdragingen</titel>
          </kop>
          <al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                            agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                            verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in
                            alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. </al>
          <al>Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband
                            bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor
                            de gemeente bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar
                            dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen
                            moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van de WWB. </al>
          <al>In artikel 18, tweede lid, wordt gesproken over ‘het zich jegens het
                            college zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer)
                            agressief gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren
                            aanleiding zijn voor het opleggen van een maatregel. Er kan dus geen
                            maatregel worden opgelegd als een klant zich agressief heeft gedragen
                            tegenover een medewerker van een andere organisatie die belast is met de
                            uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld een reïntegratiebedrijf). Het is in
                            dat geval wellicht wel mogelijk om een maatregel op te leggen wegens het
                            niet of onvoldoende gebruik maken van een voorziening gericht op
                            arbeidsinschakeling (artikel 9, derde lid, van deze verordening). </al>
          <al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                            uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten
                            worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                            persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. </al>
          <al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
                            volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds
                            ernstiger) worden onderscheiden: </al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li>
            <li nr="b."><al>discriminatie;</al></li>
            <li nr="c."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li>
            <li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li>
            <li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li>
            <li nr="f."><al>combinatie van agressievormen. </al></li>
          </lijst>
          <al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken
                            moeten worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft
                            plaatsgehad. </al>
          <al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen
                                <cursief>instrumenteel</cursief> geweld en
                                <cursief>frustratiegeweld</cursief>. Van instrumenteel geweld is
                            sprake als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een
                            bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een
                            uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid,
                            onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                            frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van
                            verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij
                            frustratiegeweld. </al>
          <al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van
                            aangifte bij de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de
                            functionaris tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de
                            politie. </al>
          <al/>
        </divisie>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>