<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR94454_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregel ruimte voor ruimte 2006</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Noord-Brabant</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-12-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Noord-Brabant</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad, 2005, 206</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregel ruimte voor ruimte 2006</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, art. 1:3 lid 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, art. 4:81</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, art. 4:82</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, art. 4:83</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, art. 4:84</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de Ruimtelijke Ordening besluiten, art. 10</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de Ruimtelijke Ordening besluiten, art. 11</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de Ruimtelijke Ordening besluiten, art. 19</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de Ruimtelijke Ordening besluiten, art. 28</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">gedeputeerde staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-12-24</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>1151510</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>reconstructie, ruimtelijke ordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze beleidsregel vervangt de Beleidsregel Ruimte voor Ruimte 2004.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregel ruimte voor ruimte 2006</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant;</al><al>Gelet op op de artikelen 1:3, vierde lid en de artikelen 4:81 tot en met
                        4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, evenals gelet op de artikelen 10,
                        11, 19 en 28 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening</al><al>besluiten:</al><al>I In te trekken; de “Beleidsregel Ruimte voor Ruimte ”, die wij hebben
                        vastgesteld bij besluit van 30 maart 2004 en die bestaat uit de volgende
                        onderdelen: 1.De tekst van de “Beleidsregel Ruimte voor Ruimte”. 2.Memorie
                        van Toelichting, algemeen en artikelsgewijs. 3.Bijlage 1. bij de Memorie van
                        Toelichting “bijzondere definities”.</al><al>II Vast te stellen de “Beleidsregel ruimte voor ruimte 2006”, bestaande uit
                        de volgende onderdelen: 1.De tekst van de “Beleidsregel ruimte voor ruimte
                        2006”. 2.Memorie van Toelichting, algemeen en artikelsgewijs. 3.Bijlage 1.
                        bij de Memorie van Toelichting “bijzondere definities”.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><titel>Artikel 1 Reikwijdte</titel></kop><al>Deelname. In het streekplan is voorgeschreven dat de agrarische
                        bedrijfsgebouwen die onderwerp zijn van sloop in het kader van de regeling
                        ruimte voor ruimte, in gebruik moeten zijn of zijn geweest voor de
                        intensieve veehouderij. Om in aanmerking te kunnen komen voor de regeling
                        ruimte voor ruimte moet de aanvraag betrekking hebben op intensieve
                        veehouderijen die op en na 10 september 1999 daadwerkelijk bedrijfsmatig in
                        gebruik waren. Hiervan is sprake indien op 10 september 1999 tot het moment
                        van beëindiging van de intensieve veehouderij als bedoeld in artikel 5 van
                        deze beleidsregel onafgebroken:</al><lijst><li nr="a."><al> voor de intensieve veehouderij een mestnummer is afgegeven;</al></li><li nr="b."><al> voor de intensieve veehouderij bij de Dienst Regelingen (voorheen
                                het Bureau Heffingen te Assen) rechten voor de intensieve
                                veehouderij waren geregistreerd overeenkomend met tenminste 700
                                kilogram fosfaat;</al></li><li nr="c."><al> voor de activiteiten van de intensieve veehouderij een toereikende
                                milieuvergunning aanwezig was.</al></li></lijst><al>Toepassingsgebied. </al><lijst><li nr="1."><al> In het streekplan is aangegeven dat de sloop van agrarische
                                bedrijfsgebouwen, die in gebruik zijn of waren voor de intensieve
                                veehouderij, in het kader van de regeling ruimte voor ruimte moet
                                plaatsvinden in één van de reconstructiegebieden in de provincie.
                                Gezien de doelstelling van de reconstructie dient de aanvraag
                                betrekking te hebben op intensieve veehouderijen waarvan de
                                agrarische bedrijfsgebouwen zich bevinden op locaties die gelegen
                                zijn in die delen van de reconstructiegebieden die zijn aangeduid
                                als extensiveringsgebied of verwevingsgebied, met dien verstande dat
                                in laatstgenoemde gebieden alleen locaties in aanmerking komen die
                                niet zijn aan te merken als duurzame locaties voor de intensieve
                                veehouderij.</al></li><li nr="2. "><al>Bij intensieve veehouderijen met meerdere locaties komen alleen die
                                locaties in aanmerking die gelegen zijn in het hiervoor genoemde
                                toepassingsgebied. Elders gelegen locaties – in
                                landbouwontwikkelingsgebieden, duurzame locaties voor de intensieve
                                veehouderij in verwevingsgebieden - komen niet in aanmerking.</al></li><li nr="3."><al> Het vereiste dat de aanvraag enkel betrekking mag hebben op
                                intensieve veehouderijen waarvan de agrarische bedrijfsgebouwen die
                                onderwerp zijn van sloop in het kader van de regeling ruimte voor
                                ruimte, zich bevinden op locaties die gelegen zijn in die delen van
                                de reconstructiegebieden binnen de provincie die aangeduid zijn als
                                een extensiveringsgebied of, mits geen sprake is van een duurzame
                                locatie voor de intensieve veehouderij, als een verwevingsgebied,
                                geldt niet voor aanvragen die betrekking hebben op intensieve
                                veehouderijen die beëindigd zijn met gebruikmaking van de Regeling
                                beëindiging veehouderijtakken (Rbv). Voor deze intensieve
                                veehouderijen geldt dat de sloop van de agrarische bedrijfsgebouwen
                                plaats moeten hebben (gehad) in één van de reconstructiegebieden
                                binnen de provincie om in aanmerking te kunnen komen voor de
                                regeling ruimte voor ruimte.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Inleidende bepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De begrippen die voorkomen in de tekst van deze beleidsregel worden
                            gedefinieerd zoals aangegeven in artikel 3.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De begrippen die voorkomen in de Memorie van Toelichting op deze
                            beleidsregel en die van belang zijn voor de toepassing er van worden
                            gedefinieerd zoals aangegeven in de bij deze Memorie van Toelichting
                            behorende bijlage 1 “Bijzondere definities”.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Definities</titel></kop><al>De begrippen die in deze beleidsregel voorkomen, worden als volgt
                        gedefinieerd:</al><lijst><li nr="1."><al> Aanvraag: Een verzoek van een gemeentebestuur - het college van
                                burgemeester en wethouders dan wel de gemeenteraad - aan het college
                                van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant tot
                                planologische medewerking aan de ontwikkeling van één of meerdere
                                ruimte voor ruimtekavel(s) op grond van de regeling ruimte voor
                                ruimte.</al></li><li nr="2."><al> Aanvrager: Het gemeentebestuur - het college van burgemeester en
                                wethouders dan wel de gemeenteraad - dat aan het college van
                                gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant een verzoek richt
                                tot planologische medewerking aan de ontwikkeling van één of
                                meerdere ruimte voor ruimtekavel(s) op grond van de regeling ruimte
                                voor ruimte.</al></li><li nr="3."><al> Initiatief: Een verzoek van een initiatiefnemer aan het
                                gemeentebestuur - het college van burgemeester en wethouders dan wel
                                de gemeenteraad - om (planlogische) medewerking te verlenen aan de
                                ontwikkeling van één of meerdere ruimte voor ruimtekavel(s) gelegen
                                binnen die gemeente op grond van de regeling ruimte voor
                                ruimte.</al></li><li nr="4."><al> Initiatiefnemer: Degene die bij het gemeentebestuur - het college
                                van burgemeester en wethouders dan wel de gemeenteraad - een verzoek
                                indient om (planlogische) medewerking te verlenen aan de
                                ontwikkeling van één of meerdere ruimte voor ruimtekavel(s) gelegen
                                binnen die gemeente op grond van de regeling ruimte voor
                                ruimte.</al></li><li nr="5."><al> Streekplan: Het door Provinciale Staten van Noord-Brabant bij
                                besluit van 22 februari 2002, nummer 10/02 E, overeenkomstig artikel
                                4 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, vastgesteld plan “Brabant
                                in Balans”, partieel herzien door Provinciale Staten van
                                Noord-Brabant bij besluit van 3 december 2004.</al></li><li nr="6."><al>Regeling ruimte voor ruimte: De in paragraaf 3.6.2. van het
                                Streekplan opgenomen regeling die het mogelijk maakt om op
                                planologisch aanvaardbare plaatsen een ruimte voor ruimtekavel te
                                ontwikkelen in ruil voor de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen
                                die op en na 10 september 1999 in gebruik waren voor de intensieve
                                veehouderij, in combinatie met realisering van milieuwinst ter
                                plaatse.</al></li><li nr="7."><al> Ruimte voor ruimtekavel: Een perceel waarop de mogelijkheid wordt
                                geboden een woning te realiseren op grond van de regeling ‘ruimte
                                voor ruimte’ .</al></li><li nr="8."><al> Agrarisch bedrijf: Een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen
                                van producten door middel van het telen van gewassen of het houden
                                van dieren.</al></li><li nr="9."><al> (Bedrijfs)beëindiging intensieve veehouderij(bedrijf): Het in zijn
                                geheel beëindigen van een intensieve veehouderij die op en na 10
                                september 1999 in bedrijf was,</al></li><li nr="10."><al>Agrarische bedrijfsgebouwen: Gebouwen die behoren tot de intensieve
                                veehouderij, niet zijnde een woning, die in gebruik zijn of waren
                                voor de huisvesting van dieren en/of voor de uitoefening van de
                                intensieve veehouderij inclusief de eventueel daarbij behorende
                                kelder en mestbassin maar exclusief de aanwezige sleufsilo’s.</al></li><li nr="11."><al>Slopen: Het doen afbreken van de agrarische bedrijfsgebouwen, het
                                afvoeren van puin en afval, inclusief het verwijderen van gevaarlijk
                                afval zoals asbest door een hiervoor gecertificeerd bedrijf, de
                                verwijdering van putten en funderingen en het egaliseren van het
                                perceel.</al></li><li nr="12."><al>Slooplocatie: De plaats waar de te slopen of gesloopte
                                bedrijfsgebouwen van de te beëindigen of beëindigde intensieve
                                veehouderij zich bevinden of bevonden.</al></li><li nr="13."><al> Milieuvergunning: Onherroepelijk geworden vergunning krachtens
                                artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.</al></li><li nr="14."><al> Herbestemming: In het geval van een volledige beëindiging van alle
                                agrarische activiteiten op de slooplocatie, de omzetting van de oude
                                bestemming die het agrarische gebruik van het perceel regelt naar
                                een andere bij de omgeving passende bestemming. In het geval van
                                beëindiging van alleen de intensieve veehouderij en handhaving van
                                andere agrarische activiteiten op de slooplocatie, een aanpassing
                                van de oude bestemming waarbij het agrarische bouwblok wordt
                                afgestemd op de omvang van de overblijvende agrarische activiteiten
                                en, voor zover nodig, met aanpassing van de bestemming in die zin
                                dat intensieve veehouderij wordt uitgesloten.</al></li><li nr="15."><al> Bouwblok: Een in een bestemmingplan vastgelegde ruimtelijke
                                eenheid, waarbinnen de bebouwing voor een bestemming dient te worden
                                geconcentreerd.</al></li><li nr="16."><al> Intensieve veehouderij: Een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf
                                waarin het houden van vee of pluimvee de hoofdzaak is.</al></li><li nr="17."><al>Rechten voor de intensieve veehouderij:De gegevens betreffende de
                                mestproductie die bij de Dienst Regelingen (voorheen het Bureau
                                Heffingen) voor de intensieve veehouderij tot het moment van
                                doorhaling als bedoeld in artikel 5 van deze beleidsregel zijn
                                geregistreerd.</al></li><li nr="18."><al>Doorhaling van de rechten voor de intensieve veehouderij: De
                                doorhaling van de voor de intensieve veehouderij bij de Dienst
                                Regelingen (voorheen het Bureau Heffingen) geregistreerde gegevens
                                betreffende de mestproductie.</al></li><li nr="19."><al>Kennisgeving: Een schriftelijke verklaring van de Dienst Regelingen
                                (voorheen het Bureau Heffingen te Assen) waarin vermeld wordt
                                hoeveel rechten voor de intensieve veehouderij zijn doorgehaald, dan
                                wel hoeveel kilogram fosfaat door deze doorhaling uit de markt is
                                genomen door de intensieve veehouderijen waarvan de beëindiging bij
                                de aanvraag is betrokken.</al></li><li nr="20."><al> Beleidsregel: Bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde
                                een algemeen verbindend voorschrift, over de afweging van belangen,
                                de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften
                                bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan ( artikel
                                1:3 sub 4 Algemene wet bestuursrecht).</al></li><li nr="21."><al>Subsidie ter beëindiging van de intensieve veehouderij: Aanspraak op
                                financiële middelen door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op
                                het beëindigen van de intensieve veehouderij anders dan als betaling
                                voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.</al></li><li nr="22."><al> Salderen van agrarische bedrijfsgebouwen:De optelling van de
                                oppervlakte van te slopen agrarische bedrijfsgebouwen bij de
                                beëindiging van meerdere intensieve veehouderijen om te kunnen
                                voldoen aan de eis dat tenminste 1.000 m2 agrarische
                                bedrijfsgebouwen moet worden gesloopt om in aanmerking te kunnen
                                komen voor de regeling ruimte voor ruimte.</al></li><li nr="23."><al> Bijkopen van fosfaat: Het verwerven, door aankoop of krachtens
                                andere titel, van rechten voor de intensieve veehouderij die een
                                zekere fosfaatwaarde vertegenwoordigen met het doel de aldus
                                aangekochte fosfaatwaarde toe te voegen aan de fosfaatwaarde van de
                                rechten voor de intensieve veehouderij die al geregistreerd waren
                                voor de te beëindigen intensieve veehouderij.</al></li><li nr="24."><al> Duurzame locatie intensieve veehouderij: Een bestaand agrarisch
                                bouwblok met een zodanige ligging dat het zowel vanuit milieuoogpunt
                                ( ammoniak, stank en dergelijke) als vanuit ruimtelijk oogpunt (
                                natuur, landschap en dergelijke) verantwoord is om het te laten
                                groeien tot een bouwblok van maximaal 2,5 hectaren voor een
                                intensieve veehouderij.</al></li><li nr="25."><al>Handleiding duurzame locaties voor de intensieve veehouderij: De
                                Handleiding duurzame locaties en duurzame projectlocaties voor de
                                intensieve veehouderij, zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten
                                op 2 december 2003. Deze Handleiding is als bijlage opgenomen bij de
                                verschillende reconstructieplannen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Zekerstellingen “ruimte voor ruimte”.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Om te kunnen beoordelen of de aanvraag voldoet aan het bepaalde in de
                            onderdelen 11, 12, en 13 van de regeling ruimte voor ruimte zoals
                            opgenomen in het streekplan dient de aanvraag te voldoen aan de volgende
                            voorwaarden: </al><lijst><li nr="a."><al> de aanvraag moet rechtstreeks verband houden met de beëindiging
                                    van één of meer intensieve veehouderijen, zoals bedoeld in
                                    artikel 5 van deze beleidsregel;</al></li><li nr="b."><al> op het moment van indiening van de aanvraag moeten de
                                    agrarische bedrijfsgebouwen van de beëindigende intensieve
                                    veehouderij als bedoeld in het eerste lid, onder a, gesloopt
                                    zijn, een en ander conform artikel 6 van deze beleidsregel;</al></li><li nr="c."><al> op het moment van indiening van de aanvraag moet op de
                                    slooplocatie(s) voldoende milieuwinst als bedoeld in artikel 7
                                    van deze beleidsregel zijn behaald;</al></li><li nr="d."><al> op het moment van indiening van de aanvraag moet op de
                                    slooplocatie(s) een passende herbestemming, zoals bedoeld in
                                    artikel 8 van deze beleidsregel zijn gelegd;</al></li><li nr="e."><al> vast moet staan dat geen van de elementen uit de
                                    anti-cumulatiebepaling van artikel 9 van deze beleidsregel van
                                    toepassing is ( geweest) op de slooplocatie(s).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In het geval een aanvraag betrekking heeft op meerdere intensieve
                            veehouderijen dient de aanvraag ten aanzien van alle bij de aanvraag
                            betrokken intensieve veehouderijen afzonderlijk te voldoen aan de
                            voorwaarden uit de regeling ruimte voor ruimte alsmede deze beleidsregel
                            om in aanmerking te kunnen komen voor de regeling ruimte voor
                            ruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Bedrijfsbeëindiging</titel></kop><al>Om in aanmerking te komen voor de regeling ruimte voor ruimte moet op het
                        moment van indiening van de aanvraag sprake zijn van beëindiging van de
                        intensieve veehouderij. Van beëindiging van de intensieve veehouderij is
                        sprake indien voor alle locaties van de intensieve veehouderij die gelegen
                        zijn in het toepassingsgebied als bedoeld in artikel 1 van deze beleidsregel
                        aan de volgende voorwaarden is voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al> de productie van dierlijke meststoffen is feitelijk beëindigd;</al></li><li nr="b."><al> de milieuvergunning die betrekking heeft op de activiteiten van de
                                intensieve veehouderij is ingetrokken al dan niet door wijziging of
                                aanpassing van de milieuvergunning in het geval van handhaving van
                                andere agrarische activiteiten ter plaatse dan de activiteiten die
                                betrekking hebben op de intensieve veehouderij;</al></li><li nr="c."><al> de rechten voor de intensieve veehouderij die voor de intensieve
                                veehouderij zijn geregistreerd zijn doorgehaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Sloop en saldering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op het moment van indiening van de aanvraag moeten op de locatie(s)
                            waar de voorgeschreven beëindiging van de intensieve veehouderij
                            plaatsvindt, alle agrarische bedrijfsgebouwen zijn gesloopt, een en
                            ander zoals is omschreven in artikel 3 sub 11 van deze beleidsregel. Om
                            in aanmerking te kunnen komen voor de regeling ruimte voor ruimte dient
                            te worden aangetoond dat minimaal een gezamenlijke oppervlakte van 1.000
                            m2 aan agrarische bedrijfsgebouwen is gesloopt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Om te komen tot de vereiste oppervlakte te slopen agrarische
                            bedrijfsgebouwen kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid tot het
                            salderen van sloopoppervlakten van de agrarische bedrijfsgebouwen die
                            toebehoren aan verschillende intensieve veehouderijen die in het kader
                            van de regeling ruimte voor ruimte worden beëindigd. Indien dit salderen
                            leidt tot een oppervlakte aan agrarische bedrijfsgebouwen van 1.000 m2
                            of meer, wordt voldaan aan het vereiste dat minimaal 1.000 m2 agrarische
                            bedrijfsgebouwen moeten worden gesloopt om voor de regeling ruimte voor
                            ruimte in aanmerking te kunnen komen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien gebruik wordt gemaakt van de in het tweede lid genoemde
                            mogelijkheid tot salderen gelden de volgende voorwaarden: </al><lijst><li nr="a."><al> de minimale hoeveelheid te slopen oppervlakte agrarische
                                    bedrijfsgebouwen per intensieve veehouderij is 200 m2;</al></li><li nr="b."><al> de oppervlakte agrarische bedrijfsgebouwen waarmee gesaldeerd
                                    wordt, moet eveneens afkomstig zijn van te beëindigen intensieve
                                    veehouderijen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In het geval de aanvraag betrekking heeft op één of meerdere ruimte
                            voor ruimtekavel(s) die geprojecteerd is c.q. zijn op de locatie waar de
                            beëindiging van de intensieve veehouderij plaatsvindt en de agrarische
                            bedrijfsgebouwen worden gesloopt, hoeft op het moment van indiening van
                            de aanvraag de sloop van de agrarische bedrijfsgebouwen als bedoeld in
                            lid 1 nog niet noodzakelijk te hebben plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Milieuwinst en bijkoopregeling fosfaat</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zoals is aangegeven in het streekplan dient op de slooplocatie
                            voldoende milieuwinst te zijn behaald om in aanmerking te kunnen komen
                            voor de regeling ruimte voor ruimte. Aan deze voorwaarde wordt voldaan
                            indien voor iedere te ontwikkelen ruimte voor ruimtekavel middels een
                            kennisgeving van de Dienst Regelingen (voorheen het Bureau Heffingen)
                            wordt aangetoond dat op het moment van indiening van de aanvraag
                            tenminste 3.500 kilogram fosfaat uit de markt is genomen als gevolg van
                            doorhaling van de voor het bedrijf voor de slooplocatie(s)
                            geregistreerde rechten voor de intensieve veehouderij.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De hoeveelheid fosfaat die op het moment van indiening van de aanvraag
                            uit de markt is genomen overeenkomstig het bepaalde in lid 1, kan niet
                            opnieuw in aanmerking worden genomen bij een andere aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien voor een intensieve veehouderij die in het kader van de regeling
                            ruimte voor ruimte wordt beëindigd onvoldoende rechten voor de
                            intensieve veehouderij zijn geregistreerd om te voldoen aan het in lid 1
                            bedoelde vereiste om per te ontwikkelen ruimte voor ruimtekavel
                            tenminste 3.500 kilogram fosfaat uit de markt te nemen door doorhaling
                            van de voor de intensieve veehouderij voor de slooplocatie(s)
                            geregistreerde rechten voor de intensieve veehouderij, kan éénmalig
                            fosfaat worden bijgekocht om op die manier op het moment van indiening
                            van de aanvraag aan de vereiste hoeveelheid fosfaat te voldoen. Hierbij
                            geldt een maximum van 2.800 kilo bij te kopen hoeveelheid fosfaat per te
                            beëindigen bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Als er op een te beëindigen intensieve veehouderij een veelvoud van
                            1.000 m2 agrarische bedrijfsgebouwen aanwezig is, kan dit onder de
                            volgende voorwaarden leiden tot een hieraan direct gerelateerd aantal
                            ruimte voor ruimtekavels. Aangetoond moet dan worden dat voor de
                            intensieve veehouderij gedurende een periode van tenminste drie jaar
                            direct voorafgaande aan de aanvraag onafgebroken rechten voor de
                            intensieve veehouderij zijn geregistreerd bij de Dienst Regelingen
                            (voorheen het Bureau Heffingen) overeenkomend met de eis van 3.500
                            kilogram fosfaat per te ontwikkelen ruimte voor ruimtekavel. Ook in deze
                            situatie geldt dat eenmalig maximaal 2800 kg fosfaat mag worden
                            bijgekocht alsbedoeld in lid 3 en dat de rechten voor de intensieve
                            veehouderij op het moment van de bedrijfsbeëindiging als bedoeld in
                            artikel 5 van deze beleidsregel zijn door te halen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Als de aanvraag betrekking heeft op het beëindigen van meer dan één
                            intensieve veehouderij dan is het toegestaan om per intensieve
                            veehouderij eenmalig maximaal 2800 kg fosfaat bij te kopen als bedoeld
                            in lid 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Passende herbestemming</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij de aanvraag geldt de eis dat op de slooplocatie een passende
                            herbestemming wordt gelegd ter voorkoming van ongewenste ruimtelijke
                            ontwikkelingen. Aan de eis van passende herbestemming is voldaan indien: </al><lijst><li nr="a."><al> In het geval van een volledige beëindiging van alle agrarische
                                    activiteiten op de slooplocatie, de omzetting van de oude
                                    bestemming die agrarisch gebruik van het perceel mogelijk maakt,
                                    naar een andere bij de omgeving passende bestemming.</al></li><li nr="b."><al> In het geval van beëindiging van alleen de intensieve
                                    veehouderij en handhaving van andere agrarische activiteiten op
                                    de slooplocatie, een aanpassing van de oude bestemming, waarbij
                                    het bouwblok wordt afgestemd op de omvang van de overblijvende
                                    agrarische activiteiten en, voor zover nodig, met aanpassing van
                                    de bestemming in die zin dat intensieve veehouderij wordt
                                    uitgesloten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien op het moment van indiening van de aanvraag nog geen passende
                            herbestemming is gelegd op de slooplocatie als bedoeld in lid 1, dient
                            op het moment van indiening van de aanvraag hiertoe een
                            voorbereidingsbesluit overeenkomstig artikel 21 van de Wet op de
                            Ruimtelijke Ordening te zijn genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Anticumulatie</titel></kop><al>Zoals in het streekplan in het kader van de regeling ruimte voor ruimte is
                        aangegeven wordt geen planologische medewerking aan de ontwikkeling van een
                        ruimte voor ruimtekavel verleend als in redelijkheid op andere wijze tot
                        sanering van de agrarische bedrijfsgebouwen, die in gebruik zijn of waren
                        voor de intensieve veehouderij, kan worden gekomen. Als “zodanig andere
                        redelijke wijze” wordt in elk geval beschouwd de situatie waarin:</al><lijst><li nr="a."><al> de initiatiefnemer op het moment van indiening van de aanvraag, op
                                grond van de Regeling beëindiging veehouderijtakken (Rbv) dan wel
                                enige andere regeling, subsidie heeft genoten voor de sloop van
                                agrarische bedrijfsgebouwen waarvan in de aanvraag sprake is;</al></li><li nr="b."><al> al op andere wijze gebruik gemaakt is van een gemeentelijke of
                                provinciale regeling gericht op het mogen ontwikkelen van één of
                                meer woningbouwkavels in ruil voor bedrijfsbeëindiging en de sloop
                                van agrarische bedrijfsgebouwen, die in gebruik zijn of waren voor
                                de intensieve veehouderij.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag wordt bij ons college ingediend door het bestuur van de
                                gemeente waarin de te ontwikkelen ruimte voor ruimtekavel(s) gelegen
                                is c.q. zijn.</al></li><li nr="2."><al> De aanvraag bestaat uit een ondertekend verzoek met bijbehorende
                                bescheiden, dat voor elke intensieve veehouderij met de beëindiging
                                waarvan de aanvraag overeenkomstig het bepaalde in artikel 4
                                rechtstreeks verband houdt, ten minste omvat:</al></li><li nr="a."><al> een verklaring van de aanvrager waaruit blijkt dat de productie van
                                dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel 5 sub a van deze
                                beleidsregel op het moment van indiening van de aanvraag feitelijk
                                is beëindigd;</al></li><li nr="b."><al> de schriftelijke stukken waaruit blijkt dat het gemeentebestuur de
                                milieuvergunning overeenkomstig artikel 8:26 van de Wet Milieubeheer
                                heeft ingetrokken, dan wel overeenkomstig 8:24 van de Wet
                                Milieubeheer heeft aangevuld, gewijzigd dan wel gedeeltelijk heeft
                                ingetrokken;</al></li><li nr="c."><al> een kennisgeving van de Dienst Regelingen (voorheen het Bureau
                                Heffingen te Assen) waarin vermeld wordt hoeveel rechten voor de
                                intensieve veehouderij zijn doorgehaald danwel hoeveel kilogram
                                fosfaat uit de markt is genomen;</al></li><li nr="d."><al> een duidelijke aanduiding van de ligging van de slooplocatie. Als
                                de slooplocatie is gelegen in een verwevingsgebied moet aan de hand
                                van een toets aan de Handleiding duurzame (project) locaties worden
                                aangetoond dat de locatie niet kan worden aangemerkt als een
                                duurzame locatie voor de intensieve veehouderij;</al></li><li nr="e."><al> een kopie van de sloopvergunning alsmede een bewijs van sloop van
                                alle agrarische bedrijfsgebouwen die in gebruik waren voor de
                                intensieve veehouderij, en de daarmee gemoeide gezamenlijke
                                oppervlakte, inclusief een asbestinventarisatie en de eventuele
                                stortingsbonnen voor het aangetroffen asbest. Als zodanig komt in
                                aanmerking een nota van het sloopbedrijf dan wel een gemeentelijke
                                verklaring waaruit de sloop van de bij de aanvraag betrokken
                                agrarische bedrijfsgebouwen blijkt;</al></li><li nr="f."><al> indien voor het bedrijf waar de bedrijfsopstallen worden gesloopt,
                                een aanvraag is ingediend bij de Dienst Regelingen (voorheen dienst
                                landelijke service, LASER) voor sloopsubsidie in het kader van de
                                Rbv, moet een verklaring worden afgegeven dat wordt afgezien van
                                uitbetaling van de sloopsubsidie.</al></li><li nr="g."><al> indien de initiatiefnemer gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid
                                tot bijkopen dan wel op andere wijze van verwerven van
                                fosfaatrechten, een (koop)overeenkomst waarin vermeld wordt wie de
                                vervreemder is van de fosfaatrechten, en hoeveel kilo’s fosfaat het
                                aankopen dan wel op de andere wijze van verwerven betreft;</al></li><li nr="h."><al> een verklaring van de gemeente dat op de slooplocatie een passende
                                herbestemming is gelegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 van
                                deze beleidsregel;</al></li><li nr="i."><al> een verklaring van de aanvrager dat geen gebruik is gemaakt van een
                                gemeentelijke regeling als bedoeld in artikel 9 sub b;</al></li><li nr="j."><al> Indien de aanvraag geen betrekking heeft op intensieve
                                veehouderijen die deelnemen of deelgenomen hebben aan de Rbv een
                                overzicht vanaf 1999 van de bij de Dienst Regelingen (voorheen het
                                Bureau Heffingen) aangemelde rechten voor de intensieve
                                veehouderij.</al></li><li nr="3."><al> Als het gaat om een aanvraag waarbij een intensieve veehouderij
                                wordt ingezet die geen gebruik heeft gemaakt van de Rbv en
                                overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 lid 4 van deze beleidsregel
                                op het moment van indiening van de aanvraag de sloop van de
                                angrarische bedrijfsgebouwen nog niet heeft plaatsgevonden dient
                                naast de in het tweede lid onder a tot en met j genoemde stukken een
                                eigendomsbewijs van de te slopen agrarische bedrijfsgebouwen te
                                worden overgelegd of een overeenkomst waaruit blijkt dat men kan
                                beschikken over de voor de toepassing van de regeling ruimte voor
                                ruimte ingebrachte agrarische bedrijfsgebouwen.</al></li><li nr="4."><al> Indien de aanvrager niet de volledige gegevens en bescheiden heeft
                                overlegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag,
                                kunnen wij besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen, maar
                                alleen nadat de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door
                                ons gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Beoordeling van de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aanvragen die op het tijdstip van indiening bij ons college niet
                            voldoen aan de eisen in de regeling ruimte voor ruimte op het punt van
                            de planologische aanvaardbaarheid van de locatie van de mogelijke ruimte
                            voor ruimtekavel, worden afgewezen op grond van strijdigheid met de
                            regeling ruimte voor ruimte.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aanvragen die op het tijdstip van indiening bij ons college wel voldoen
                            aan de eis van planologische aanvaardbaarheid van de locatie van de
                            mogelijke ruimte voor ruimtekavel, doch als niet volledig moeten worden
                            aangemerkt op het punt van de verstrekte informatie benodigd voor de
                            beoordeling van de aanvraag overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 van
                            deze beleidsregel en verder uitgewerkt in de artikelen 5, 6, 7, 8, 9 en
                            10 van deze beleidsregel, worden, in de gevallen dat de aan de aanvraag
                            ontbrekende elementen aan een voorlopige beoordeling van de planlogische
                            aanvaardbaarheid niet in de weg staan, in behandeling genomen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De behandeling van de aanvraag zoals bedoeld in het tweede lid, leidt
                            tot een principe-uitspraak over de planologische aanvaardbaarheid van de
                            locatie van de mogelijke ruimte voor ruimtekavel, gericht aan de
                            aanvrager en leidt voorts tot opgave van de gegevens en documenten
                            benodigd voor de verdere beoordeling van de aanvraag overeenkomstig het
                            bepaalde in artikel 4 van de beleidsregel en verder uitgewerkt in de
                            artikelen, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 van de beleidsregel.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De aanvrager levert de informatie en documenten zoals bedoeld in het
                            tweede en het derde lid binnen 3 maanden na de datum van de
                            principe-uitspraak.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien niet is voldaan aan de in het vierde lid neergelegde eis van het
                            nader verstrekken van de benodigde informatie en documenten ter
                            aanvulling van de aanvraag zal de aanvraag worden afgewezen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ons college kan bij het beoordelen van aanvragen afwijken van de
                            onderhavige beleidsregel in die gevallen dat onverkorte toepassing van
                            de onderhavige beleidsregel voor een of meer belanghebbenden onevenredig
                            is in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In de in het eerste lid bedoelde gevallen alsmede in gevallen die niet
                            zijn geregeld in deze beleidsregel beslist ons college naar redelijkheid
                            en billijkheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Overgangsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze beleidsregel is van toepassing op aanvragen die op of na de dag
                            van inwerkingtreding van deze beleidsregel zijn ingediend naar
                            aanleiding van een initiatief dat op of na 1 januari 2006 aan de
                            aanvrager in behandeling is gegeven door de initiatiefnemer. Op
                            aanvragen die zijn ingediend vóór de dag van inwerkingtreding van deze
                            beleidsregel blijft de Beleidsregel Ruimte voor Ruimte, vastgesteld bij
                            besluit van 30 maart 2004, kenmerk 53/04, van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op aanvragen die op of na de dag van inwerkingtreding van de
                            beleidsregel zijn ingediend naar aanleiding van een initiatief dat vóór
                            1 januari 2006 aan de aanvrager in behandeling is gegeven door de
                            initiatiefnemer is deze beleidsregel niet van toepassing mits de
                            aanvraag binnen één jaar na de dag van inwerkingtreding van deze
                            beleidsregel bij ons is ingediend. Deze aanvragen worden beoordeeld in
                            overeenstemming met de Beleidsregel Ruimte voor Ruimte, vastgesteld bij
                            besluit van 30 maart 2004, kenmerk 53/04. Om een beroep te kunnen doen
                            op deze overgangsregeling dient bij de aanvraag een verklaring van de
                            aanvrager te zijn gevoegd waaruit blijkt dat het initiatief vóór 1
                            januari 2006 aan de aanvrager in behandeling is gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Citeertitel</titel></kop><al>Deze beleidsregel kan worden aangehaald als “Beleidsregel ruimte voor ruimte
                        2006”.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Bekendmaking en mededeling</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de “Beleidsregel ruimte voor ruimte 2006”
                        wordt bekend gemaakt door openbare bekendmaking in het “Provinciaal Blad van
                        Noord-Brabant”. Zoveel mogelijk tegelijkertijd met deze bekendmaking wordt
                        het besluit toegezonden aan de colleges van burgemeester en wethouders van
                        de gemeenten in Noord-Brabant en aan de Provinciale Planologische
                        Commissies.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Inwerkingtreding</titel></kop><al>De “Beleidsregel ruimte voor ruimte 2006” treedt in werking de dag na de
                        openbare bekendmaking.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>’s-Hertogenbosch, 20 december 2005</ondertekening><ondertekening>Gedeputeerde Staten voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de voorzitter J.R.H. Maij-Weggen</ondertekening><ondertekening>de secretaris drs. W.G.H.M. Rutten</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Memorie van Toelichting</titel></kop><tussenkop>1. Algemeen</tussenkop><al>In het Streekplan Noord-Brabant 2002, “Brabant in Balans”, partieel herzien bij
                    besluit d.d. 3 december 2004 van Provinciale Staten, is de regeling ruimte voor
                    ruimte opgenomen. Deze regeling heeft mede tot doel “ de ruimtelijke kwaliteit
                    te verbeteren door in ruil voor de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen, die in
                    gebruik zijn of waren voor de intensieve veehouderij, de bouw van woningen op
                    passende locaties toe te staan in afwijking van de programmering van de
                    woningbouw, of indien nodig, in afwijking van de beleidslijnen voor zuinig
                    ruimtegebruik of de regel dat geen burgerwoningen mogen worden toegevoegd aan
                    het buitengebied”.</al><al>Het Streekplan geeft op de pagina’s 125 en 126 nadere invulling aan de regeling
                    ruimte voorruimte. Onderdeel 14 van de regeling geeft, in samenhang met de op
                    pagina 145 en 146 opgenomen regels omtrent uitwerking, Gedeputeerde Staten de
                    bevoegdheid in een beleidsbrief genoemde regels nader in te vullen en te
                    verduidelijken.</al><al>Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt door verzending van een beleidsbrief
                    aan de colleges van burgemeester en wethouders van 26 juni 2001, nr. 763360/
                    763362, met als onderwerp “Ruimte voor Ruimte”, van 16 oktober 2001, nr.
                    763360/788640 met als onderwerp “Ruimte voor Ruimte/tweede tranche Rbv” en 22
                    januari 2002 nr. 693992/808805, met als onderwerp “Ruimte voor Ruimte/ongewenste
                    herbouw na sloop”. Daarna is bij brief van 18 februari 2003, met als kenmerk
                    894298/894312 aan de colleges van burgemeester en wethouders van alle gemeenten
                    in Noord-Brabant gewezen op de inwerkingtreding van het “Besluit beleidsregel
                    milieuwinst Ruimte voor Ruimte”. Daarbij is toegezonden één exemplaar van het
                    “Provinciaal Blad van Noord-Brabant, uitgegeven 26 februari 2003, nr. 16/2003,
                    waarin het “Besluit beleidsregel milieuwinst Ruimte voor Ruimte” is
                    gepubliceerd.</al><al>Deze beleidsregels beogen zo duidelijk mogelijk aan te geven aan welke
                    voorwaarden een aanvraag voor de regeling ruimte voor ruimte dient te voldoen
                    voordat aan een verzoek om planologische medewerking onzerzijds aan de
                    ontwikkeling van een ruimte voor ruimtekavel overeenkomstig de regeling ruimte
                    voor ruimte kan worden verleend.</al><al>De (planologische) regeling ruimte voor ruimte is onderdeel van een pakket aan
                    maatregelen, dat bekend staat als het Pact van Brakkenstein. In dit
                    bestuursakkoord hebben de vijf Reconstructieprovincies (Overijssel, Gelderland,
                    Utrecht, Noord-Brabant en Limburg) met de rijksoverheid en de Vereniging van
                    Nederlandse Gemeenten afspraken gemaakt over de terugdringing van het
                    mestoverschot. De hoofddoelstelling van de ruimte voor ruimtebenadering is
                    volgens het Pact van Brakkenstein dat in de zogenoemde concentratiegebieden 21
                    miljoen kilo fosfaat uit de markt wordt genomen, zijnde het Nederlandse
                    mestoverschot. Daarnaast wordt beoogd om een bijdrage te leveren aan de
                    verbetering van het aanzien en de kwaliteit van het landschap.</al><al>Om dit te bereiken heeft de Minister van LNV in de (subsidie-)Regeling
                    beëindiging veehouderijtakken (Rbv) voor de concentratiegebieden van de
                    intensieve veehouderij een aanvullende subsidiemogelijkheid opgenomen voor de
                    sloop van agrarische bedrijfsgebouwen. Deze subsidie is aanvullend op de -
                    landelijk geldende - subsidiemogelijkheid voor de beëindiging van een of meer
                    veehouderijtakken op een bedrijf, in de vorm van de vergoedingen voor het
                    inleveren van dier- of mestrechten.</al><al>De sloopsubsidies die door LNV worden uitbetaald, worden door de
                    reconstructieprovincies (voor)gefinancierd. Als tegenprestatie mogen in de
                    gezamenlijke reconstructieprovincies 6.000 extra woningen worden gebouwd waarvan
                    ongeveer de helft in de provincie Noord-Brabant. Volgens het Pact van
                    Brakkenstein is het de bedoeling dat de reconstructieprovincies de bouwkavels
                    voor deze extra woningen zelf (doen) uitgeven, zodat zij daarmee opbrengsten
                    genereren waaruit de sloopsubsidies kunnen worden terugverdiend.</al><al>In januari 2002 heeft de provincie Noord-Brabant voor de ontwikkeling van
                    zogeheten ruimte voor ruimtekavels in samenwerking met private partners de
                    Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte (ORR) opgericht. Het is de
                    bedoeling dat de ORR door het uitgeven van ruimte voor ruimtekavels de
                    sloopvergoedingen terugverdient die betaald zijn aan stoppende agrariërs. Voor
                    iedere 1.000 m2 gesloopte agrarische bedrijfsruimte, waar door het Ministerie
                    van LNV (Dienst Regelingen, voorheen dienst landelijke service, LASER) aan de
                    bedrijfsbeëindiger subsidie is verstrekt voor de sloop van stallen, mag de ORR
                    één woningbouwkavel ontwikkelen.</al><al>Naast de Ontwikkelingsmaatschappij kunnen ook andere initiatiefnemers een
                    verzoek aan het gemeentebestuur richten om planologische medewerking bij de
                    realisering van ruimte voor ruimtekavels. De onderhavige beleidsregel geeft een
                    nadere invulling aan de criteria uit de regeling ruimte voor ruimte van het
                    Streekplan Brabant in Balans die verband houden met het sloopobject of de
                    slooplocatie. Het gaat dan om de aanhef van de regeling in relatie tot de punten
                    11, 12 en 13, waarin vijf zekerheden worden geëist, te weten: • er moet sprake
                    zijn van de beëindiging van een intensieve veehouderij: • de bedrijfsgebouwen
                    voor de intensieve veehouderij moeten worden gesloopt, waarbij geldt dat voor
                    elke 1.000 m2 die gesloopt wordt de mogelijkheid bestaat één ruimte voor
                    ruimtekavel te ontwikkelen; • er moet milieuwinst zijn behaald door het uit de
                    markt nemen van tenminste 3.500 kg fosfaat voor elke ruimte voor ruimtekavel die
                    wordt ontwikkeld; • elke slooplocatie moet worden voorzien van een passende
                    herbestemming; • planologische medewerking aan een ruimte voor ruimtekavel wordt
                    niet verleend indien in redelijkheid op andere wijze tot sanering van de
                    agrarische bedrijfsgebouwen kan worden gekomen.</al><al>Deze beleidsregel gaat niet in op de andere criteria van de regeling ruimte voor
                    ruimte. Deze andere criteria betreffen vooral de planologische inpassing van de
                    ruimte voor ruimtekavels, zowel wat betreft de programmering voor de woningbouw
                    (‘richtgetallen’), als wat betreft de ruimtelijke omstandigheden.</al><tussenkop>2. De verhouding tussen het Streekplan en de Rbv</tussenkop><al>Zoals in onderdeel 1 van deze toelichting is vermeld, zijn de regeling ruimte
                    voor ruimte uit het Streekplan 2002 en de (subsidie)Regeling beëindiging
                    veehouderijtakken van de Minister van LNV onderdelen van hetzelfde
                    beleidspakket, te weten het Pact van Brakkenstein. Tussen beide regelingen
                    bestaat in formele zin geen verband; elke regeling heeft haar eigen formele
                    grondslag, haar eigen werkingsgebied, haar eigen specifieke oogmerken en haar
                    eigen totstandkomingsprocedure.</al><al>Aangezien beide regelingen echter gericht zijn op dezelfde hoofddoelstelling, te
                    weten het leveren van een bijdrage aan het terugdringen van het mestoverschot en
                    aan de verbetering van het landschap, ligt het voor de hand de toepassing ervan
                    zoveel als mogelijk op elkaar af te stemmen. In deze beleidsregel is dit op de
                    volgende wijze gebeurd: • Diverse begripsbepalingen van deze beleidsregel zijn
                    ontleend aan de Rbv. Waar begrippen uit het Streekplan Noord-Brabant 2002, in
                    deze beleidsregel worden gebruikt, zijn deze op gelijke wijze gedefinieerd. •
                    Voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van de sloop van ‘agrarische
                    bedrijfsgebouwen die in gebruik zijn of waren voor de intensieve veehouderij’ in
                    de zin van de aanhef van de regeling ruimte voor ruimte van het Streekplan is
                    aansluiting gezocht bij de peildatum van 10 september 1999, die was opgenomen in
                    artikel 8 van de oorspronkelijke versie van de Rbv (regeling van 17 maart 2000,
                    Stcrt 2000, nr. 55). Op deze datum is de brief van het Kabinet aan de Tweede
                    Kamer verschenen over de Integrale aanpak van de mestproblematiek, waarin reeds
                    een bedrijfsbeëindigingsregeling is aangekondigd (Stukken Tweede Kamer 26 729,
                    nr. 1). Alleen agrarische bedrijfsgebouwen voor de intensieve veehouderij die op
                    de peildatum bestonden en tot het moment van bedrijfsbeëindiging in gebruik zijn
                    of waren van de intensieve veehouderij, zien wij als bedrijfsgebouwen in de
                    aangegeven zin van de regeling ruimte voor ruimte zoals opgenomen in het
                    Streekplan. • Wat betreft de samenloop van een subsidie voor de sloop van
                    agrarische bedrijfsgebouwen die in gebruik zijn of waren voor de intensieve
                    veehouderij en planologische medewerking aan de ontwikkeling van een ruimte voor
                    ruimtekavel, heeft afstemming in zoverre plaatsgevonden dat in artikel 9 met
                    zoveel woorden tot uitdrukking is gebracht dat planologische medewerking is
                    uitgesloten indien reeds een sloopsubsidie is genoten op grond van de Rbv.
                    Stoppende agrariërs moeten derhalve kiezen: ofwel voor de ontvangst van een
                    sloopsubsidie op grond van de Rbv (of een andere subsidieregeling), ofwel voor
                    de planologische medewerking aan een ruimte voor ruimtekavel.</al><al>Wat het laatste punt betreft wijzen wij er overigens op dat ook in de Rbv een
                    bepaling is opgenomen om de samenloop van een sloopsubsidie en het kunnen
                    ontwikkelen van een ruimte voor ruimte kavel tegen te gaan. Zie in dit verband
                    de Rbv, artikel 13. In de toelichting bij dit artikel is de achtergrond
                    duidelijk weergegeven: indien een agrariër zelf het recht heeft om een woning te
                    bouwen op de plaats van de te slopen of gesloopte gebouwen, dan beschikt hij
                    daardoor over voldoende financiële armslag voor de betaling van de sloopkosten
                    en de compensatie van het waardeverlies van de stallen.</al><tussenkop>3. Bijzondere positie West-Brabant.</tussenkop><al>Volgens de regeling ruimte voor ruimte, zoals die is opgenomen in het
                    streekplan, kan buiten de reconstructiegebieden alleen een ruimte voor
                    ruimtekavel worden ontwikkeld in afwijking van het gemeentelijke
                    woningbouwprogramma, als de sloop en de milieuwinst worden gerealiseerd in de
                    reconstructiegebieden. Als de sloop en de milieuwinst behaald worden buiten de
                    reconstructiegebieden, dus voornamelijk in West-Brabant, dan maakt de regeling
                    ruimte voor ruimte in het Streekplan Noord-Brabant 2002 geen afwijking van het
                    woningbouwprogramma mogelijk. In dat geval kan met een beroep op de regeling
                    ruimte voor ruimte wel een kavel worden ontwikkeld in een kernrandzone of een
                    bebouwingscluster, indien de gemeente daarvoor woningbouwkavels uit het eigen
                    woningbouwprogramma beschikbaar stelt.</al><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Reikwijdte</tussenkop><al>In artikel 1 wordt nog eens expliciet aangegeven welke intensieve
                    veehouderijbedrijven voor de regeling ruimte voor ruimte in aanmerking komen.
                    Het gaat om bedrijven die op en na de peildatum, 10 september 1999,
                    daadwerkelijk bedrijfsmatig in gebruik waren. Dit is het geval als de intensieve
                    veehouderij voldoen aan de in artikel 1 onder a tot en met c genoemde
                    voorwaarden. Bedrijven die op de peildatum al waren beëindigd komen derhalve
                    niet voor de regeling ruimte voor ruimte. Hetzelfde geldt voor bedrijven die na
                    de peildatum zijn gestopt en die daarna alleen administratief- technisch maar
                    niet daadwerkelijk weer in bedrijf zijn c.q. waren om op deze manier alsnog in
                    aanmerking te komen voor de regeling. Indien op een intensieve veehouderij die
                    in het kader van de regeling ruimte voor ruimte wordt beëindigd op het moment
                    van de aanvraag niet een hoeveelheid van minimaal 700 kilo fosfaat aanwezig is,
                    wordt er bij de beoordeling van de aanvraag van uit gegaan dat de beëindiging
                    van het betreffende bedrijf of bedrijven, waarop de aanvraag betrekking heeft,
                    onvoldoende milieuwinst oplevert en op grond daarvan niet in aanmerking komt
                    voor de regeling ruimte voor ruimte.</al><al>De regeling ruimte voor ruimte bepaalt dat de vereiste bedrijfsbeëindiging in de
                    intensieve veehouderij en de sloop van de bedrijfsgebouwen die voor de
                    intensieve veehouderij in gebruik zijn of waren, moeten plaatsvinden in de
                    reconstructiegebieden. Deze algemene formulering heeft als onbedoeld neveneffect
                    dat de regeling in principe ook van toepassing is voor gebieden of locaties
                    gelegen in de reconstructiegebieden waar de intensieve veehouderij in het kader
                    van de reconstructie juist ontwikkelingsmogelijkheden heeft gekregen in plaats
                    van dat er in die gebieden wordt gestreefd naar sanering van deze bedrijfstak.
                    Vanwege het doel dat met de reconstructie wordt beoogd, ligt het beleidsmatig
                    weinig voor de hand dat de regeling ruimte voor ruimte wordt ingezet voor de
                    beëindiging van intensieve veehouderijen in gebieden of op locaties waar deze
                    bedrijfstak duidelijke ontwikkelingsmogelijkheden heeft. Met de onderhavige
                    aanpassing van de beleidsregel ruimte voor ruimte wordt hierin voorzien.</al><al>Ter toelichting merken wij nog het volgende op. Op 22 april 2005 hebben
                    Provinciale Staten de zeven reconstructieplannen vastgesteld. Hiermee is
                    duidelijkheid geschapen over de vraag waar de intensieve veehouderij
                    ontwikkelingsruimte krijgt en waar dit niet het geval is.
                    Ontwikkelingsmogelijkheden zijn er in de landbouwontwikkelingsgebieden en op
                    locaties in verwevingsgebieden die zijn aan te merken als duurzame locaties voor
                    de intensieve veehouderij.</al><al>Tijdens de behandeling op 4 maart 2005 van de Beleidsevaluatie ruimte voor
                    ruimte hebben Provinciale Staten aangegeven er op te willen aansturen dat het
                    inzetten van de regeling in landbouwontwikkelingsgebieden en op duurzame
                    locaties minder aantrekkelijk wordt gemaakt. Met de aanpassing van de
                    beleidsregel willen wij hieraan tegemoet komen.</al><al>De landbouwontwikkelingsgebieden zijn in de reconstructieplannen op
                    perceelsniveau begrensd zodat duidelijk is waar deze zijn gelegen. Dit geldt
                    niet voor de duurzame locaties voor de intensieve veehouderij in
                    verwevingsgebieden. De reconstructieplannen geven niet concreet aan welke
                    locaties als zodanig zijn aan te merken. Met behulp van de “Handleiding duurzame
                    locaties en duurzame projectlocaties voor de intensieve veehouderij” uit 2003
                    kan echter voor elke concrete situatie worden beoordeeld of het gaat om een
                    duurzame locatie of niet.</al><al>De onderhavige aanpassing van de beleidsregel ruimte voor ruimte bakent het
                    gebied waar de sloop van opstallen en bedrijfsbeëindiging in de intensieve
                    veehouderij via de regeling ruimte voor ruimte wordt gestimuleerd af tot de
                    extensiveringsgebieden en tot niet duurzame locaties in verwevingsgebieden.
                    Bedrijven met meerdere locaties met intensieve veehouderij komen in aanmerking
                    voor de regeling, maar alleen voor de locaties die gelegen zijn in het hiervoor
                    genoemde toepassingsgebied.</al><al>Bij bedrijfsbeëindiging die heeft plaatsgevonden via de Rbv geldt de afbakening
                    tot extensiveringsgebieden en tot niet duurzame locaties in verwevingsgebieden
                    niet. Deze bedrijven zijn destijds beëindigd in de verwachting dat eventueel
                    gebruik gemaakt kon worden van de regeling ruimte voor ruimte overeenkomstig de
                    beleidsregel ruimte van ruimte zoals toen van toepassing. Het is niet redelijk
                    dat voor bedrijven die al zijn beëindigd en nu blijken te liggen in
                    landbouwontwikkelingsgebieden of op duurzame locaties in verwevingsgebieden
                    achteraf niet meer in aanmerking zouden kunnen komen voor de regeling ruimte
                    voor ruimte.</al><tussenkop>Artikel 2 Inleidende bepalingen </tussenkop><al>Artikel 2 maakt een onderscheid tussen de definities zoals deze gehanteerd
                    worden in de beleidsregel en de daarbij behorende bijlagen zelf en een aantal
                    definities zoals genoemd in bijlage C. De definities in bijlage C verwijzen met
                    name naar begrippen waarvan het toepassingsgebied raakt aan het
                    toepassingsgebied van de regeling ruimte voor ruimte zoals de Rbv-regeling en
                    enige andere aanverwante regelingen. De bijlage C is opgenomen omdat de
                    definities die in aanverwante regelingen zijn opgenomen van belang kunnen zijn
                    bij de toepassing van de beleidsregel.</al><tussenkop>Artikel 3 Definities </tussenkop><al>Over het algemeen zullen de definities voor zich spreken. In de lijst van
                    definities ontbreekt de term ‘bouwrecht’. Deze term die in de praktijk
                    veelvuldig wordt gebruikt, suggereert ten onrechte dat indien aan alle
                    voorwaarden en zekerstellingen voor de aanvraag voor de ontwikkeling van een
                    ruimte voor ruimtekavel wordt voldaan, er een bouwrecht zou zijn ontstaan. Van
                    het recht om een ruimte voor ruimtewoning te bouwen kan pas sprake zijn als aan
                    alle voorwaarden van de regeling ruimte voor ruimte is voldaan en er een
                    bouwvergunning overeenkomstig artikel 44 van de Woningwet is afgegeven door het
                    college van burgemeester en wethouders.</al><al>Bijzondere aandacht wordt gevraagd voor het begrip aanvrager. Degene die de
                    aanvraag voor medewerking aan een ruimte voor ruimtekavel indient, is ofwel het
                    college van burgemeester en wethouders ofwel de raad van de desbetreffende
                    gemeente. Het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad dient
                    overeenkomstig artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening een aanvraag om
                    een verklaring van geen bezwaar bij ons in. De gemeenteraad biedt overeenkomstig
                    de procedure van artikel 28 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening het
                    bestemmingsplan dat de ontwikkeling van een of meer ruimte voor ruimtekavels
                    mogelijk moet maken, ter goedkeuring aan ons college aan.</al><al>Degene die bij het gemeentebestuur een verzoek indient om medewerking voor de
                    realisering van een ruimte voor ruimtewoning wordt binnen het bestek van deze
                    beleidsregel niet als aanvrager, maar als initiatiefnemer en dus als
                    belanghebbende bij een aanvraag aangeduid.</al><al>In tegenstelling tot de vorige beleidsregel is het begrip “gedeeltelijke
                    bedrijfsbeëindiging” vervallen. Om in aanmerking te komen voor de regeling
                    ruimte voor ruimte dienen op een locatie alle intensieve veehouderijactiviteiten
                    te worden beëindigd. Het is dus niet meer toegestaan om één tak, bijvoorbeeld
                    varkens af te stoten en met pluimvee door te gaan of uit te breiden. Vandaar dat
                    gesproken wordt over bedrijfsbeëindiging intensieve veehouderij. Nu de regeling
                    vooral is gericht op bedrijfsbeëindiging in extensiveringsgebieden ligt een
                    volledige beëindiging van de intensieve veehouderij voor de hand. Een
                    uitzondering hierop geldt voor bedrijven met meer dan één locatie, waarvan niet
                    alle locaties liggen in het toepassingsgebied van de regeling als bedoeld in
                    artikel 1 van de beleidsregel. De bedrijfsvoering voor de intensieve veehouderij
                    kan worden gecontinueerd op die locaties die buiten het toepassingsgebied van de
                    regeling vallen.</al><tussenkop>Artikel 4 Zekerstellingen betreffende de slooplocatie</tussenkop><al>Artikel 4 is het hart van de beleidsregel. Het artikel is uitputtend bedoeld, de
                    voorwaarden zijn cumulatief. Aan alle voorwaarden moet worden voldaan, wil een
                    aanvraag om planologische medewerking bij het provinciebestuur kans van slagen
                    hebben. Deze voorwaarden hebben alle betrekking op het feit dat Provinciale
                    Staten bij de vaststelling van het Streekplan het nodige gewicht heeft toegekend
                    aan een rechtvaardige verdeling van een schaars goed, zoals de mogelijkheid om
                    een extra kavel te kunnen ontwikkelen. Daarom moet worden voorkomen dat
                    deelnemers aan de regeling ruimte voor ruimte op oneigenlijke wijze gebruik
                    maken van de regeling.</al><al>De regeling ruimte voor ruimte is bedoeld als flankerend beleid voor
                    bedrijfsbeëindigers, beleid dat voortvloeit uit het Pact van Brakkenstein. Dat
                    betekent ook, dat bedrijven die vóór 10 september 1999 niet meer in bedrijf
                    waren, buiten de werking van de regeling ruimte voor ruimte vallen. Ook kan geen
                    gebruik worden gemaakt van een instrument voor bedrijfsbeëindiging in situaties
                    waar niet of niet bedrijfsmatig wordt geproduceerd.</al><al>De vijf noodzakelijke voorwaarden waaraan moet worden voldaan, voordat het
                    gemeentebestuur een aanvraag bij het provinciebestuur doet om planologische
                    medewerking, - te weten bedrijfsbeëindiging, sloop, milieuwinst, passende
                    herbestemming voor de slooplocatie en het voorkomen van cumulatie met andere
                    regelingen of voorzieningen -, worden nader uitgewerkt in de artikelen 5, 6, 7,
                    8 en 9 van deze “Beleidsregel Ruimte voor Ruimte 2006”.</al><al>Een aanvraag kan betrekking hebben op de beëindiging van meerdere intensieve
                    veehouderijen. In dat geval dient elk bedrijf afzonderlijk te voldoen aan de
                    zekerheden die in artikel 4 zijn gevraagd en verder worden uitgewerkt in de
                    artikelen 5, 6, 7, 8, en 9</al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>Voorwaarde voor deelname aan de regeling ruimte voor ruimte is dat er sprake is
                    van beëindiging van de volledige intensieve veehouderij op de bedrijfs- c.q.
                    slooplocatie. Voorafgaand aan de Rbv zijn er twee landelijke
                    beëindigingsregelingen van het Ministerie van LNV geweest, waarbij mest- en
                    dierproductierechten met subsidie uit de markt werden genomen. De eerste
                    regeling betreft de BEVARregeling, de tweede, de “Opkoopregeling
                    varkensrechten”. Deze laatste regeling is eind juli 1999 gesloten. Degenen die
                    gebruik hebben gemaakt van een van deze regelingen hebben door deelname aan deze
                    regelingen hun bedrijf dus beëindigd voor 10 september 1999. Dat de rechten voor
                    de intensieve veehouderij door de Dienst Regelingen (voorheen het Bureau
                    Heffingen) pas na deze datum doorgehaald zijn, is louter administratief. De
                    datum van 10 september 1999 wordt expliciet genoemd in de Regeling beëindiging
                    veehouderijtakken (Rbv) en is als peildatum ook overgenomen in deze Beleidsregel
                    Ruimte voor Ruimte 2006”. De regeling ruimte voor ruimte gaat ervan uit dat
                    deelnemers aan eerdere regelingen door hun keuze hebben ingestemd met de
                    vergoedingen voor de beëindiging van hun bedrijf. Artikel 8, tweede lid van de
                    Rbv sluit deelnemers aan andere, voorgaande regelingen als BEVAR en
                    “Opkoopregeling Varkensrechten”, uit van deelname aan Rbv. Doel van de regeling
                    ruimte voor ruimte is dat mensen die voldeden aan de Rbvcriteria ook zelf een
                    kavel kunnen ontwikkelen. Deelnemers aan BEVAR en “Opkoopregeling
                    varkensrechten” voldoen niet aan deze criteria.</al><al>Artikel 5 geeft aan wanneer een intensieve veehouderij als beëindigd kan worden
                    beschouwd. Fysieke beëindiging ziet op de situatie dat er geen productie van
                    meststoffen meer plaatsvindt op het bedrijf, met andere woorden, na de
                    beëindiging worden er geen dieren meer gehouden op een wijze die als intensieve
                    veehouderij wordt aangemerkt. Op het moment van aanvraag voor een ruimte voor
                    ruimtekavel mag het bedrijf weliswaar fysiek al wel beëindigd zijn, maar
                    aangetoond moet worden, dat het bedrijf op en na de peildatum van 10 september
                    1999 in bedrijf was conform het gestelde in artikel 1. Is dit niet het geval dan
                    komt het bedrijf niet in aanmerking voor de regeling ruimte voor ruimte.</al><al>De milieuvergunning moet op het moment van de aanvraag zijn ingetrokken voor
                    zover deze betrekking heeft op de intensieve veehouderij.</al><al>Daarnaast dienen bij het beëindigen van de intensieve veehouderij de rechten
                    voor de intensieve veehouderij te worden doorgehaald door de Dienst Regelingen
                    (voorheen het Bureau Heffingen te Assen). Aan deze voorwaarde moet op het moment
                    van indiening van de aanvraag zijn voldaan.</al><al>Indien er op een intensieve veehouderij sprake is van onevenwichtigheid tussen
                    de aanwezige oppervlakte agrarische bedrijfsgebouwen en het nog aanwezige aantal
                    rechten voor de intensieve veehouderij wordt er vanuit gegaan dat de beëindiging
                    te weinig milieuwinst, zoals bedoeld in het Streekplan Noord-Brabant 2002,
                    oplevert. Dat is het geval indien er op een agrarische bedrijfsruimte van 1.000
                    m2 minder dan 700 kilo’s fosfaat geproduceerd worden. Zie hiervoor ook artikel 7
                    Milieuwinst.</al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>Onder sloop wordt verstaan het afbreken van de agrarische bedrijfsgebouwen, het
                    afvoeren van puin en afval, het inventariseren en selectief verwijderen van
                    asbesthoudende materialen, het verwijderen van putten en fundering en
                    egalisering van het perceel. De sloop mag uitsluitend worden uitgevoerd op basis
                    van een door het college van burgemeester en wethouders verleende
                    sloopvergunning. Een kopie hiervan moet bij de aanvraag worden overgelegd.
                    Eventueel aanwezige asbest moet worden geïnventariseerd en verwijderd door een
                    daartoe gecertificeerd bedrijf. Door de eisen ontleend aan reguliere wet- en
                    regelgeving als voorwaarde voor medewerking aan ruimte voor ruimte te stellen,
                    wordt beoogd de naleving daarvan te bevorderen, met name als het gaat om de
                    verwijdering van asbest .</al><al>Bedrijfsopstallen die zijn ingericht voor de intensieve veehouderij maar die op
                    10 september 1999 hiervoor niet in gebruik waren, worden beschouwd als
                    leegstaande stallen. Deze ‘leegstaande’ stallen kunnen op geen enkele wijze
                    worden ingezet voor de regeling ruimte voor ruimte. De intensieve veehouderij
                    wordt in deze situatie als al beëindigd beschouwd. Het nog in gebruik zijn van
                    stallen kan alleen worden aangetoond door het hebben aangemeld van minimaal 700
                    kg fosfaat voor de intensieve veehouderij bij de Dienst Regelingen (voorheen het
                    Bureau Heffingen).</al><al>De initiatiefnemer moet voor elke ruimte voor ruimtekavel die wordt ontwikkeld
                    minimaal 1.000 m2 agrarische bedrijfsgebouwen slopen. Het is niet noodzakelijk
                    dat de aanvraag betrekking heeft op de beëindiging van één bedrijf en de sloop
                    van de aanwezige bedrijfsopstallen op dat bedrijf. Een aanvraag kan ook
                    ingediend worden op basis van de beëindiging van meer dan één intensieve
                    veehouderij, zolang elk bedrijf afzonderlijk maar voldoet aan de zekerheden die
                    in artikel 4 zijn gevraagd en verder worden uitgewerkt in de artikelen 5, 6, 7,
                    8, en 9.</al><al>De sloop van de agrarische bedrijfsgebouwen moet zeker gesteld zijn. In eerdere
                    beleidsbrieven en in de toelichting op de Partiële Herziening van het Streekplan
                    1992 wordt ervan uitgegaan dat “er in principe eerst gesloopt moet zijn, voordat
                    de bouw van de nieuwe woning kan plaatsvinden. Indien de sloop nog niet heeft
                    plaatsgevonden, moet de belanghebbende bij de aanvraag de sloop zekerstellen,
                    bijvoorbeeld door een overeenkomst waarin de sloop op overtuigende en
                    afdwingbare wijze is geregeld”.</al><al>In deze beleidsregel wordt er in artikel 6 vanuit gegaan dat er bij de aanvraag
                    al feitelijk is gesloopt. Overeenkomsten en zekerstellingen met bankgarantie
                    zijn moeilijk afdwingbaar en eventuele rechtsvorderingen uit hoofde van
                    dergelijke overeenkomsten zullen zeker niet in alle gevallen waarin sloop
                    uitblijft tot een bevredigend resultaat leiden. Van daadwerkelijke sloop
                    voorafgaande aan het moment van de aanvraag om planologische medewerking voor de
                    ontwikkeling van een ruimte voor ruimtekavel kan worden afgezien indien de bouw
                    van een ruimte voor ruimtewoning plaatsvindt op de slooplocatie zelf.</al><al>Uiteraard dient bij de sloop rekening te worden gehouden met cultuurhistorische
                    aspecten. Deze eis is gesteld in artikel 7 van de regeling ruimte voor ruimte in
                    het Streekplan. Bij het verlenen van sloopvergunningen zullen gemeenten derhalve
                    moeten bezien welke cultuurhistorische waarden aanwezig zijn en indien dat het
                    geval is, eventueel een sloopvergunning moeten weigeren.</al><tussenkop>Artikel 7 Milieuwinst</tussenkop><al>Bij volledige bedrijfsbeëindiging dient de initiatienemer het gemeentebestuur te
                    verzoeken de milieuvergunning conform artikel 8.26 van de Wet milieubeheer in te
                    trekken. Indien alleen de intensieve veehouderij wordt beëindigd en er nog
                    andere activiteiten overblijven die milieuvergunningplichtig zijn moet deze
                    overeenkomstig artikel 8.24 van de Wet milieubeheer te worden gewijzigd of
                    aangepast.</al><al>Het criterium milieuwinst behoeft nadere verklaring. Doel van de Rbv is het uit
                    de totale landelijke markt halen van 21,5 miljoen kilo fosfaat. In het kader van
                    het Pact van Brakkenstein is afgesproken dat de reconstructieprovincies 6.000
                    extra woningen mogen bouwen om de sloopsubsidie van de agrarische
                    bedrijfsgebouwen te kunnen bekostigen. Concreet komt het er daarom op neer dat
                    per te ontwikkelen ruimte voor ruimtekavel 3.500 kg fosfaat uit de markt moet
                    worden genomen. In de praktijk van de uitvoering van de Rbv blijkt dat per
                    bedrijfsbeëindiging gemiddeld meer dan 5.000 kilo fosfaat uit de markt genomen
                    wordt en dat er gemiddeld ongeveer 1.500 m<sup>2</sup> agrarische
                    bedrijfsgebouwen worden gesloopt. De eis van het uit de markt nemen van 3.500 kg
                    fosfaat en het slopen van 1.000 m2 agrarische bedrijfsruimte voor elke ruimte
                    voor ruimtekavel is alleszins redelijk.</al><al>In de Partiële Herziening van het Streekplan 1992 en in de eerder genoemde
                    beleidsbrieven wordt ervan uitgegaan dat op de slooplocatie sprake moet zijn van
                    substantiële milieuwinst. Onder substantiële milieuwinst moet worden verstaan
                    het uit de markt halen in de vorm van het doorhalen van 3.500 kg fosfaat per te
                    ontwikkelen ruimte voor ruimtekavel. In de Ruimte voor ruimtekrant die alle
                    houders van een mestnummer in Nederland in september 2000 hebben ontvangen,
                    wordt deze norm expliciet genoemd. Bij brief van 18 februari 2003, nr.
                    894298/894312, hebben wij de norm voor substantiële milieuwinst nogmaals onder
                    de aandacht van de colleges van burgemeester en wethouders van de Noord-
                    Brabantse gemeenten gebracht.</al><al>Het gaat bij het criterium milieuwinst om niet-grondgebonden rechten. Het
                    Streekplan Noord-Brabant 2002 spreekt namelijk van beëindiging van de intensieve
                    veehouderij als middel om milieuwinst te bereiken. De Rbv spreekt niet van het
                    aantal fosfaatrechten, maar van fosfaatproductie afkomstig van
                    niet-grondgebonden, dier- of mestproductierechten.</al><al>Het gaat daarbij om pluimveerechten als de kippen- of kalkoenentak wordt
                    beëindigd, varkensrechten als de varkenstak wordt beëindigd en (tot 1 januari
                    2006) mestproductierechten als de rundveetak beëindigd wordt. Deze rechten voor
                    de intensieve veehouderij worden vervolgens omgerekend naar aantal kg fosfaat.
                    De aanvraag moet dan ook een gekwantificeerd overzicht bevatten van de behaalde
                    of de te behalen milieuwinst aan kg fosfaat en de milieurechten moeten zijn
                    ingeleverd bij de Dienst Regelingen (voorheen het Bureau Heffingen te Assen).
                    Dit moet worden aangetoond door een kennisgeving van de doorhaling van
                    rechten.</al><al>Het uitgangspunt dat sprake moet zijn van milieuwinst brengt voorts met zich mee
                    dat agrarische bedrijfsgebouwen, welke niet of slechts in zeer beperkte mate in
                    gebruik waren voor de intensieve veehouderij, niet voor de regeling in
                    aanmerking komen. Er is voor de ondergrens van 700 kg fosfaat gekozen als
                    parallel met de 200 m<sup>2</sup> ondergrens van te slopen agrarische
                    bedrijfsgebouwen, wat 20% is van de vereiste hoeveelheid. De 700 kilogram
                    fosfaat is eveneens 20% van de hoeveelheid die uit een oogpunt van substantiële
                    milieuwinst is vereist.</al><al>Hetzelfde geldt voor de situaties waarin de hoeveelheid rechten voor de
                    intensieve veehouderij, onevenredig klein is in verhouding tot de omvang van de
                    te slopen agrarische bedrijfsgebouwen. Vandaar de ondergrens van het moeten
                    doorhalen 3.500 kg fosfaat en het moeten slopen van 1.000 m2 staloppervlakte
                    voor elke te ontwikkelen ruimte voor ruimtekavel.</al><al>Indien bij een bedrijfsbeëindiging in het kader van ruimte voor ruimte niet
                    voldoende fosfaat aanwezig is om het aantal kavels te realiseren dat mogelijk is
                    gelet op de omvang van de bedrijfsgebouwen, die worden gesloopt, kan per
                    beëindigend bedrijf éénmalig maximaal 2.800 kg fosfaat worden bijgekocht. Indien
                    een aanvraag voor ruimte voor ruimte betrekking heeft op de beëindiging van meer
                    dan één bedrijf dan kan elk bedrijf waarop de aanvraag betrekking heeft éénmalig
                    maximaal 2.800 kg fosfaat bijkopen. Het is niet van belang of de bij te kopen
                    hoeveelheid fosfaat afkomstig is van varkens of pluimvee.</al><al>Een bedrijf dat beëindigt, kan dus niet vaker dan éénmalig 2.800 kg fosfaat
                    bijkopen. Om te voorkomen dat dit toch gebeurt, dient bij de aanvraag voor
                    ruimte voor ruimte inzicht te worden verschaft in de hoeveelheid aanwezige
                    fosfaat op het beëindigende bedrijf of bedrijven in de periode vanaf 10
                    september 1999. Dit geldt niet voor bedrijven waar het uit de markt halen van
                    fosfaat heeft plaatsgevonden via de Rbv.</al><al>De milieuwinst dient nadrukkelijk ter plaatse te worden gerealiseerd. Dat wil
                    zeggen dat de eventueel aan te kopen hoeveelheid fosfaat dient te worden
                    bijgeschreven op het mestnummer horend bij de locatie waar wordt gesloopt. Onder
                    ‘uit de markt worden genomen’ wordt verstaan dat de rechten voor de intensieve
                    veehouderij zijn doorgehaald bij de Dienst Regelingen (voorheen het Bureau
                    Heffingen te Assen). Er moet dus een gekwantificeerd overzicht worden verstrekt
                    van de rechten die zijn doorgehaald.</al><al>Rechten die voor 10 september 1999 zijn doorgehaald of die om een andere reden
                    uit de markt zijn gehaald of niet meer kunnen worden doorgehaald, kunnen niet of
                    niet meer ingezet worden voor de regeling ruimte voor ruimte. Een voorbeeld van
                    rechten die niet meer kunnen worden doorgehaald wordt gevormd door de
                    mestproductierechten. Deze rechten worden door een wijziging van de wet per 1
                    januari 2006 niet meer geregistreerd waardoor de rechten niet meer kunnen worden
                    doorgehaald. Deze rechten tellen alleen mee indien zij voor de datum van 1
                    januari 2006 aantoonbaar zijn doorgehaald op het mestnummer van het beëindigend
                    bedrijf.</al><al>Rechten die zijn doorverkocht, tellen ook niet mee, deze worden immers niet uit
                    de markt genomen.</al><al>Indien op een bedrijf meer fosfaat aanwezig is dan de vereiste 3.500 kg per te
                    ontwikkelen ruimte voor ruimtekavel dan hoeft het deel dat niet nodig is om aan
                    dit criterium te voldoen niet te worden doorgehaald.</al><al>Het is bedrijven die beëindigen toegestaan indien op het bedrijf fosfaten met
                    een hoge aanschafprijs aanwezig zijn deze fosfaten te ruilen met fosfaten met
                    een lagere aanschafprijs en deze goedkopere fosfaten door te laten halen om aan
                    de voorwaarden van milieuwinst in het kader van regeling ruimte voor ruimte te
                    kunnen voldoen. Voor deze goedkopere fosfaten geldt wel dat deze inzetbaar zijn
                    voor de intensieve veehouderij en ook door te halen zijn.</al><tussenkop>Artikel 8 Passende herbestemming en mogelijkheden tot herbouw</tussenkop><al>Op het moment dat een aanvraag wordt ingediend voor ruimte voor ruimte, is het
                    noodzakelijk dat er geen herbouw van nieuwe bedrijfsopstallen stallen kan
                    plaatsvinden. De regeling ruimte voor ruimte heeft een ontsteningsdoelstelling
                    en is nadrukkelijk geen herinvesteringssubsidie. Gemeenten dienen dus zo snel
                    mogelijk een voorbereidingsbesluit op grond van artikel 21 van de Wet op de
                    Ruimtelijke Ordening te nemen. In de uitvoeringspraktijk blijkt het nemen van
                    voorbereidingsbesluiten niet tot problemen te leiden. In de meeste gevallen
                    slagen de gemeenten erin om binnen een jaar een ontwerp-bestemmingsplan dat
                    voorziet in een passende herbestemming ter inzage te leggen. In geval van
                    volledige bedrijfsbeëindiging wordt het agrarische bouwblok verwijderd en wordt
                    de voormalige agrarische bedrijfswoning doorgaans tot burgerwoning bestemd. In
                    beginsel kan er maximaal 200 m2 aan bijgebouwen blijven staan. Indien ook alle
                    bijgebouwen gesloopt zijn, bestaat de mogelijkheid tot herbouw van bijgebouwen,
                    bijvoorbeeld een vrijstaande garage. De maatvoering voor deze bijgebouwen is
                    afhankelijk van de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Het Streekplan
                    geeft geen uitsluitsel over de toegestane oppervlakte aan bijgebouwen. Gezien de
                    doelstelling van ontstening wordt de hoeveelheid m2 aan bijgebouwen echter
                    gemaximeerd op 200 m2. Het Streekplan geeft aan dat na meedoen aan de regeling
                    ruimte voor ruimte een passende bestemming moet worden gelegd waardoor het
                    oprichten van nieuwe bebouwing wordt uitgesloten. Als er nog agrarische
                    bedrijfsactiviteiten over blijven ligt verkleining van het bouwblok tot een
                    ‘bouwblok’ op maat’ het meest in de rede. Voorwaarde is dat de resterende
                    agrarische bedrijfstak ‘bedrijfsmatig’ is.</al><tussenkop>Artikel 9 Anticumulatie</tussenkop><al>De regeling ruimte voor ruimte is specifiek bedoeld voor sloop van agrarische
                    bedrijfsgebouwen die in gebruik zijn of zijn geweest is voor de intensieve
                    veehouderij, dus na bedrijfsbeëindiging overeenkomstig de Rbv. Concreet betekent
                    dit iemand die reeds op andere wijze subsidie of vergoeding heeft ontvangen voor
                    de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen niet meer in aanmerking kan komen voor
                    de regeling ruimte voor ruimte.</al><al>Dit geldt eveneens voor de situatie dat de belanghebbende op andere wijze dan
                    via de regeling ruimte voor ruimte een woning zou kunnen bouwen op een
                    planologisch aanvaardbare locatie. Te denken valt dan aan locaties waar de
                    bestemming reeds nu of op korte termijn een bouwtitel op kan leveren.</al><al>De redactie van artikel 9 sluit aan bij die van artikel 13 van paragraaf 3.6.2.
                    van het Streekplan Noord-Brabant 2002; planologische medewerking aan een ruimte
                    voor ruimtekavel wordt niet verleend indien op enige andere redelijke wijze
                    sanering mogelijk is.</al><al>Met name het onder a van artikel 9 van deze beleidsregel gestelde vraagt
                    specifieke aandacht. Indien een deelnemer aan de Rbv sloopsubsidie heeft
                    aangevraagd en na vaststelling van de subsidie ook uitgekeerd heeft gekregen
                    wordt hij geacht op ‘enige andere redelijke wijze’ te zijn vergoed voor de
                    sanering van zijn agrarische bedrijfsgebouwen. Concreet betekent dit dat na het
                    moment van vaststelling van het bedrag van de subsidie en eventuele
                    terugbetaling van het ontvangen bedrag aan Rbv-subsidie, dit geen wijziging
                    brengt in de positie van de belanghebbende en zijn aanspraak op een ruimte voor
                    ruimtekavel. Er kan geen sprake zijn van terugbetaling van de subsidie aan de
                    Dienst Regelingen (voorheen LASER) om daardoor alsnog in aanmerking te kunnen
                    komen voor ruimte voor ruimte. Eventuele terugbetaling van de genoten
                    sloopsubsidie levert geen verandering op ten opzichte van het in Streekplan
                    Noord-Brabant 2002, in § 3.6.2. onder artikel 13 van de regeling ruimte voor
                    ruimte gestelde.</al><al>Terugbetaling van bevoorschotte subsidie met de bedoeling alsnog in aanmerking
                    te komen voor een ruimte voor ruimtekavel is slechts mogelijk vóórdat de
                    sloopsubsidie is vastgesteld. Een uitgekeerd voorschot kan dan worden
                    terugbetaald, tegelijkertijd met de mededeling dat het verzoek om
                    subsidievaststelling wordt ingetrokken. Is dat het geval dat kan degene die ook
                    sloopsubsidie heeft aangevraagd, eventueel alsnog in aanmerking komen voor
                    ruimte voor ruimte.</al><al>Het moment van subsidievaststelling geldt als moment waarop definitief is
                    gekozen voor subsidiëring van de sloop via de Rbv in plaats van de mogelijkheid
                    van ruimte voor ruimte. Hiervoor is gekozen omdat dat het eerste juridische
                    moment is waarop een Rbv-er aan zijn keuze gehouden kan worden.</al><al>In de praktijk worden aanvragers geconfronteerd met het feit dat de
                    planologische procedure langer duurt dan de periode waarin de Rbv-deelnemer
                    verplicht is zijn subsidie vast te laten stellen. Dat kan de aanvrager van een
                    of meer ruimte voor ruimtekavel in de situatie brengen dat hij af moet zien van
                    sloopsubsidie, terwijl er nog geen zicht is op planologische medewerking aan de
                    ontwikkeling van een of meer ruimte voor ruimtekavel. Met de Dienst Regelingen
                    (voorheen LASER) is de afspraak gemaakt dat in deze situaties, waarin de
                    mogelijkheid voor ruimte voor ruimte op de slooplocatie zelf (vgl. artikel 32,
                    Rbv) nog niet duidelijk is, de aanvrager om uitstel van de vaststelling van
                    sloopsubsidie voor de periode van één jaar kan verzoeken. Deze verzoeken moeten
                    bij ons College worden ingediend, waarna wij het Bureau Regelingen zullen
                    verzoeken de mogelijke sloopsubsidie één jaar later vast te stellen. Wij
                    benadrukken dat in die situaties waarin de sloopsubsidie reeds is vastgesteld en
                    de subsidie is uitbetaald, er geen medewerking meer wordt verleend aan de
                    toepassing van de regeling ruimte voor ruimte.</al><al>De Rbv geeft in artikel 32 de verplichting uitbetaalde subsidie terug te storten
                    indien binnen een termijn van vijf jaren na vaststelling van de subsidie voor
                    het slopen van de agrarische bedrijfsruimten, die in gebruik waren voor de
                    intensieve veehouderij, op de slooplocatie zelf alsnog de mogelijkheid wordt
                    geboden een woning te bouwen.</al><al>Zowel het Streekplan Noord-Brabant 2002, in bovengenoemd artikel 13 van de
                    regeling ruimte voor ruimte als deze beleidsregel gaat er van uit dat na
                    vaststelling en uitbetaling van de sloopsubsidie er géén recht ontstaat op een
                    ruimte voor ruimtekavel bij het terugstorten van de ontvangen subsidie. Dat een
                    ruimte voor ruimtekavel eventueel op de slooplocatie ontwikkeld kan worden, doet
                    daar niet aan af.</al><tussenkop>Artikel 10 Aanvraag</tussenkop><al>Het gemeentebestuur dat aan het provinciebestuur om planologische medewerking
                    aan een ruimte voor ruimteontwikkeling verzoekt, moet de aanvraag zo volledig
                    mogelijk indienen. Daarvoor is een aantal plausibele redenen te geven.
                    Uitgangspunt is dat een aanvraag zodanig compleet is dat op basis van de
                    overlegde gegevens besluitvorming kan plaatsvinden overeenkomstig de eisen die
                    de Algemene wet bestuursrecht stelt.</al><al>Een aantal van de gevraagde gegevens is bij de gemeenten fysiek beschikbaar. Ook
                    zijn het de gemeenten die over alle planologisch relevante gegevens beschikken
                    en op basis daarvan aan een verzoek om aan een ruimte voor ruimteontwikkeling
                    medewerking willen verlenen. De initiatiefnemer heeft ook zelf een
                    informatieplicht. De gegevens met betrekking tot doorhaling van de hoeveelheid
                    fosfaten en eventuele subsidiebeschikkingen worden door de Dienst Regelingen
                    (voorheen respectievelijk het Bureau Heffingen en LASER) rechtstreeks aan de
                    belanghebbenden toegezonden.</al><al>Doordat het gemeentebestuur betrekkelijk ‘dicht op de burger zit’ en toezicht op
                    de naleving van bouw- en sloopactiviteiten nauw aansluit op taken die onder
                    verantwoordelijkheid van gemeenten liggen, ligt het voor de hand dat de controle
                    op sloop ook in gemeentelijke handen ligt.</al><al>Initiatiefnemers die geen gebruik hebben gemaakt van de Rbv dienen het
                    eigendomsbewijs van de te slopen agrarische bedrijfsgebouwen of een overeenkomst
                    inzake het kunnen beschikken over te slopen bedrijfsgebouwen te overleggen. Deze
                    eis wordt gesteld om te voorkomen dat zowel de initiatiefnemer als degene die
                    agrarische bedrijfsgebouwen inbrengt zich beiden als aanvrager voor een ruimte
                    voor ruimtekavel opwerpt.</al><al>Het is evident dat het gemeentebestuur bij het niet volledig voldoen aan de
                    aanvraag, conform artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid wordt gesteld de
                    aanvraag met de ontbrekende gegevens aan te vullen.</al><tussenkop>Artikel 11 Beoordeling van de aanvraag</tussenkop><al>In beginsel dient bij de aanvraag aan alle voorwaarden voor deelname aan de
                    regeling ruimte voor ruimte te zijn voldaan. Het voldoen aan alle voorwaarden
                    vóóraf kan voor sommige initiatiefnemers een financieel risico’s betekenen
                    zodanig dat daarmee de toegankelijkheid van de regeling beperkt zou worden. Wij
                    willen aan die bezwaren uit de praktijk tegemoet komen door een soort van
                    voorlopige beoordeling, en wel op het punt van de planologische
                    aanvaardbaarheid, te introduceren. Door in het ‘voortraject’ hierover al een
                    principeuitspraak te doen, is de betrokken initiatiefnemer beter in staat de
                    kansrijkheid van de aanvraag te beoordelen en kan hij zich een beter beeld
                    vormen over de mogelijke risico’s.</al><al>Het eerste lid geeft aan wat de afwijzingsgrond is in het geval dat een aanvraag
                    in het kader van de regeling ruimte voor ruimte niet voldoet aan de in het
                    Streekplan Noord-Brabant 2002 of in deze beleidsregel gestelde eisen.</al><al>Het tweede en derde lid geven aan dat ook onvolledige aanvragen beoordeeld
                    kunnen worden. Tevens wordt aangegeven, de procedure waarlangs tot aanvulling
                    van de gegevens van de aanvraag kan worden gekomen. Wij zullen aangeven welke
                    gegevens en documenten nog verstrekt moeten worden voordat een definitieve
                    beoordeling van de aanvraag plaats kan vinden.</al><al>Het vierde lid van artikel 11 bevat de termijn waarbinnen de aanvraag volledig
                    gemaakt kan worden.</al><tussenkop>Artikel 12 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Hoewel voor beleidsregels geldt dat het betreffende bestuursorgaan een inherente
                    afwijkingsbevoegdheid heeft, is er voor gekozen om in deze beleidsregel
                    expliciet een hardheidsclausule op te nemen om tot afgewogen besluitvorming te
                    kunnen komen in die gevallen waarin strikte toepassing van de beleidsregel
                    wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zou zijn in verhouding tot de met
                    de beleidsregel te dienen doelen. De regeling geeft daarmede in de tekst van de
                    beleidsregels toepassing aan het beginsel dat is neergelegd in artikel 4:84 van
                    de Algemene wet bestuursrecht.</al><tussenkop>Artikel 13 Overgangsregeling</tussenkop><al>De “Beleidsregel Ruimte voor Ruimte 2006” is grotendeels gelijk aan de vorige
                    beleidsregel ruimte voor ruimte. Een verschil is wel dat het toepassingsgebied
                    nu wordt beperkt tot extensiveringsgebieden en tot locaties in
                    verwevingsgebieden die niet zijn aan te merken als duurzame locaties voor de
                    intensieve veehouderij. De situatie kan zich voordoen dat initiatiefnemers al
                    bezig waren met de voorbereiding voor het verkrijgen van een ruimte voor
                    ruimtekavel voor een locatie die niet onder dit toepassingsgebied valt. Zij
                    krijgen de gelegenheid om binnen één jaar na het in werking treden van deze
                    beleidsregel hun aanvraag in te dienen bij ons college. Aanvragen die binnen dat
                    jaar bij ons college worden ingediend zullen worden beoordeeld aan de hand van
                    de “Beleidsregel Ruimte voor Ruimte” vastgesteld bij besluit van 30 maart 2004,
                    kenmerk 53/04, mits het initiatief tot de ontwikkeling van een ruimte voor
                    ruimtekavel al voor 1 januari 2006 aan de aanvrager in behandeling is gegeven.
                    De aanvraag moet compleet zijn zodat hij in behandeling kan worden genomen. In
                    veel gevallen zal het bij ons college niet bekend zijn of er sprake is van een
                    initiatief dat al voor 1 januari 2006 bij de aanvrager in behandeling is. De
                    voorbereidingen spelen zich meestal nog af op gemeentelijk niveau bijvoorbeeld
                    doordat er een verzoek is ingediend om voor een bepaalde locatie gebruik te
                    kunnen maken van de regeling ruimte voor ruimte. Wij zullen een aanvraag waarbij
                    een beroep wordt gedaan op de overgangsregeling alleen met toepassing van die
                    regeling behandelen als het gemeentebestuur verklaart dat er sprake is van een
                    lopend initiatief.</al><tussenkop>Bijlage 1 bij de Memorie van Toelichting op de “Beleidsregel Ruimte voor
                    Ruimte”</tussenkop><al>“Bijzondere definities”</al><al>In deze bij de “Beleidsregels Ruimte voor Ruimte” behorende bijlage C
                    “Bijzondere definities” worden de in een aantal aanverwante wetten, regelingen
                    en de Memorie van Toelichting op de beleidsregels voorkomende begrippen, die van
                    belang zijn voor de toepassing van deze beleidsregel als volgt gedefinieerd; “
                    Ontleend aan het Streekplan 2002 “Brabant in Balans</al><lijst><li nr="1."><al>Pact van Brakkenstein:</al><al/><al> Een samenhangend pakket van bestuurlijke afspraken, neergelegd in een
                            gezamenlijke overeenkomst daterend van 15 maart 2000 tussen het
                            Ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij (LNV), het Ministerie van
                            Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) en de provincies
                            Gelderland, Overijssel, Utrecht Noord-Brabant en Limburg en de
                            Vereniging van Nederlandse Gemeenten, welke dient als afsprakenkader
                            betreffende het te voeren beleid op de beleidsterreinen stank en
                            ammoniak, ruimte voor ruimte, pilots reconstructie, en de sturing en
                            financiering van dat beleid, een en ander als bedoeld in de omschrijving
                            op pagina 125 van het Streekplan 2002</al></li><li nr="2."><al>Bebouwingscluster:</al><al/><al> Een verzameling van gebouwen bij een kruispunt van wegen in het
                            buitengebied.</al></li><li nr="3."><al>Kernrandzone:</al><al/><al> Een gedeelte van het buitengebied dat grenst aan de bebouwde kom, met
                            daarin relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar.</al></li><li nr="4."><al>Gebouw:</al><al/><al> Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of
                            gedeeltelijke met wanden omsloten ruimte vormt.</al></li><li nr="5."><al>Herbouwen:</al><al/><al> Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of
                            veranderen en het vergroten van een gebouw.</al></li><li nr="6."><al> Buitengebied:</al><al/><al> Het gebied buiten de bebouwde kom en buiten het gebied dat op grond van
                            een vigerend ruimtelijk plan als toekomstig onderdeel van de bebouwde
                            kom kan worden aangemerkt. Kleine kernen, gehuchten en buurtschappen
                            waarvoor geen bebouwde kom is vastgesteld, worden tot het buitengebied
                            gerekend.</al></li><li nr="7."><al> Omzetten van bouwblok:</al><al/><al> Aanbrengen van een wijziging in de regeling die ten grondslag ligt aan
                            de ruimtelijke eenheid ‘bouwblok’ die in een bestemmingsplan is
                            vastgelegd. Ontleend aan de Meststoffenwet</al></li><li nr="8."><al> Grondgebonden deel van het varkensrecht:</al><al/><al> Grondgebonden deel van het varkensrecht als bedoeld in artikel 1,
                            onderdeel o, van de Wet herstructurering varkenshouderij;</al></li><li nr="9."><al> Niet-grondgebonden deel van het varkensrecht</al><al/><al> Varkensrecht verminderd met het grondgebonden deel van het
                            varkensrecht;</al></li><li nr="10."><al> Pluimveerecht:</al><al/><al> Pluimveerecht als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel aj, van
                            de Meststoffenwet;</al></li><li nr="11."><al> Kennisgeving van het vervallen van het varkensrecht:</al><al/><al> Kennisgeving van het vervallen varkensrecht als bedoeld in artikel 30
                            van de Wet herstructurering varkenshouderij;</al></li></lijst></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>