<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR94324_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening commissie bezwaarschriften</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heerhugowaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-06-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heerhugowaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws jrg.8 nr. 11, p.7</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening commissie bezwaarschriften</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, art. 7:13</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-05-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-06-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB2010048</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>verordeningen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening commissie bezwaarschriften</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Nr. RB.20010-048 </al><al>de Raad van de gemeente Heerhugowaard;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 30 maart 2010</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 7:13 van de Algemene wet
                        bestuursrecht;</al><al>b e s l u i t</al><al>vast te stellen de Verordening commissie bezwaarschriften onder intrekking
                        van de Verordening</al><al>commissie bezwaarschriften van 22 januari 2008.</al><al>Heerhugowaard, 25 mei 2010</al><al>De Raad voornoemd,</al><al>de griffier, de voorzitter,</al><al/><al><vet>Verordening commissie bezwaarschriften</vet></al><al/><al>De raad, het college en de burgemeester van de gemeente Heerhugowaard;</al><al>ieder voor zoveel het hun bevoegdheden betreft;</al><al>gezien het voorstel van het college van 6 april 2010;</al><al>gelet op de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de
                        Gemeentewet;</al><al>besluiten vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al><vet>Verordening commissie bezwaarschriften</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>verwerend orgaan: bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft
                                genomen;</al></li><li nr="b."><al>commissie: vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Inleidende bepaling commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is een commissie ter voorbereiding van de beslissing op bezwaren
                            tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester. 2. De
                            commissie is niet bevoegd ten aanzien van: a. bezwaarschriften gericht
                            tegen besluiten op grond van een wettelijk voorschrift inzake
                            belastingen of de Wet waardering onroerende zaken; b. bezwaarschriften
                            die kennelijk niet-ontvankelijk zijn;</al><lijst><li nr="c."><al>bezwaarschriften gericht tegen een dwangsombeschikking;</al></li><li nr="d."><al>bezwaarschriften gericht tegen een rentebeschikking.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De commissie is niet bevoegd ten aanzien van bezwaarschriften waarvan de
                            rechtbank in beroep de beslissing op bezwaar heeft vernietigd, tenzij
                            door de commissie nog niet op basis van de inhoud werd geadviseerd of
                            indien uit het vonnis van de rechtbank niet eenduidig de nieuw te nemen
                            beslissing op het bezwaarschrift volgt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Samenstelling van de commissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee
                                leden.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter en de leden worden door het college benoemd, geschorst
                                en ontslagen.</al></li><li nr="3."><al>De commissie regelt de vervanging van de voorzitter.</al></li><li nr="4."><al>De voorzitter en de leden van de commissie kunnen geen deel uitmaken
                                van of werkzaam zijn onder de verantwoordelijkheid van een
                                bestuursorgaan van de gemeente</al><al> Heerhugowaard. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3a</nr><titel>Instelling van kamers</titel></kop><al>De commissie kan kamers instellen, die belast worden met de behandeling van
                        bezwaarschriften.</al><al>1.De commissie bepaalt het aantal kamers en stelt voor elke kamer vast welke
                        categorie of</al><al> categorieën bezwaarschriften door haar zullen worden behandeld.</al><lijst><li nr="2."><al>Elke kamer bestaat uit ten minste drie leden:</al><lijst><li nr="a."><al>een voorzitter overeenkomstig artikel 7:13 Awb, zijnde de
                                        voorzitter of een van</al></li></lijst></li></lijst><al> de leden van de commissie, uit haar midden aangewezen;</al><lijst><li nr="b."><al>ten minste twee andere leden, door de commissie aangewezen uit haar
                                midden.</al><lijst><li nr="3."><al>De kamer kan beslissen dat de behandeling van een
                                        bezwaarschrift door de commissie</al></li></lijst></li></lijst><al> zal geschieden.</al><al>4.Op de werkwijze van de kamers is het bepaalde in deze verordening zo veel
                        mogelijk van</al><al> overeenkomstige toepassing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Secretaris</titel></kop><al>De secretaris van de commissie en haar kamers is een door het college
                        aangewezen ambtenaar. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Zittingsduur</titel></kop><al>1.De voorzitter en de leden van de commissie worden benoemd voor een
                        maximale termijn van respectievelijk 12 en 8 jaar. 2. De voorzitter en de
                        leden kunnen op elk moment ontslag nemen. 3. De aftredende voorzitter en de
                        aftredende leden van de commissie blijven hun functie vervullen totdat in de
                        opvolging is voorzien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ingediend bezwaarschrift</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op het ingediende bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst
                                aangetekend.</al></li><li nr="2."><al>Het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde stukken wordt zo
                                spoedig</al></li></lijst><al> mogelijk in handen van de commissie gesteld. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Bemiddeling</titel></kop><al>De commissie onderzoekt of de zaak in de minne kan worden geschikt alvorens
                        de zaak in behandeling wordt genomen. De secretaris verricht daartoe de
                        nodige handelingen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Uitoefening bevoegdheden</titel></kop><al>De bevoegdheden ingevolge de hierna genoemde artikelen van de Awb worden
                        voor de</al><al>toepassing van deze verordening uitgeoefend door de voorzitter van de
                        commissie:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 2:1, tweede lid;</al></li><li nr="b."><al>artikel 6:6, wat betreft het de indiener stellen van een
                                termijn;</al></li><li nr="c."><al>artikel 6:17, voorzover het de verzending van stukken betreft
                                tijdens de behandeling door</al></li></lijst><al> de commissie;</al><lijst><li nr="d."><al>artikel 7:4, tweede lid;</al></li><li nr="e."><al>artikel 7:6, vierde lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><al>1.De voorzitter van de commissie is bevoegd rechtstreeks alle gewenste
                        inlichtingen in te</al><al> winnen of te laten inwinnen.</al><al>2.De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de commissie bij
                        deskundigen</al><al> advies of inlichtingen inwinnen en hen zo nodig uitnodigen daartoe op de
                        hoorzitting te</al><al> verschijnen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Hoorzitting</titel></kop><al>1.De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de zitting
                        waarin de</al><al> belanghebbenden en het verwerend orgaan in de gelegenheid worden gesteld
                        zich door</al><al> de commissie te laten horen.</al><lijst><li nr="2."><al>De voorzitter beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de
                                Awb.</al></li><li nr="3."><al>Indien de voorzitter op grond van het tweede lid besluit af te zien
                                van het horen, doet hij</al></li></lijst><al> daarvan mededeling aan de belanghebbenden en het verwerend orgaan. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Uitnodiging zitting</titel></kop><al>1.De voorzitter nodigt de belanghebbenden en het verwerend orgaan ten minste
                        twee</al><al> weken voor de zitting schriftelijk uit.</al><al>2.Binnen drie dagen na de uitnodiging kunnen de belanghebbenden of het
                        verwerend</al><al> orgaan onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het tijdstip van de
                        zitting te</al><al> wijzigen.</al><al>3.De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk één week
                        voor het tijdstip</al><al> van de zitting aan de belanghebbenden en het verwerend orgaan
                        meegedeeld.</al><al>4.De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken of
                        afwijking toe te</al><al> staan van de termijnen die genoemd zijn in het eerste tot en met het derde
                        lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Quorum</titel></kop><al>Voor het houden van een zitting is vereist dat de meerderheid van het aantal
                        leden, onder wie in elk geval de voorzitter, of zijn plaatsvervanger,
                        aanwezig is. Voor de beraadslaging ten behoeve van de advisering is de
                        aanwezigheid vereist van de voorzitter en minimaal twee leden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Niet-deelneming aan de behandeling</titel></kop><al>De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de
                        behandeling van een</al><al>bezwaarschrift indien daarbij hun onpartijdigheid in het geding kan
                        zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Openbaarheid zitting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De zitting van de commissie is openbaar.</al></li><li nr="2."><al>De deuren kunnen worden gesloten indien de voorzitter van de
                                commissie of een van de</al></li></lijst><al> aanwezige leden het nodig oordeelt of indien een belanghebbende daartoe een
                        verzoek</al><al> doet.</al><al>3.Indien de commissie vervolgens beslist dat gewichtige redenen aanwezig
                        zijn die zich</al><al> tegen openbaarheid van de zitting verzetten, vindt de zitting plaats met
                        gesloten deuren. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Schriftelijke verslaglegging</titel></kop><al>1.Het verslag als bedoeld in artikel 7:7 van de Awb vermeldt de namen van de
                        aanwezigen</al><al> en hun hoedanigheid.</al><al>2.Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer is
                        gezegd en wat</al><al> verder ter zitting is voorgevallen.</al><al>3.Indien de zitting geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren plaatsvond,
                        of indien</al><al> belanghebbenden, respectievelijk hun gemachtigden niet in elkaars
                        tegenwoordigheid</al><al> zijn gehoord, maakt het verslag hiervan melding.</al><al>4.Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden, die aan
                        het verslag</al><al> kunnen worden gehecht.</al><al>5.Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de
                        commissie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Nader onderzoek</titel></kop><al>1.Indien na afloop van de zitting maar voordat het advies wordt opgesteld,
                        nader</al><al> onderzoek wenselijk blijkt te zijn, kan de voorzitter uit eigen beweging of
                        op verlangen</al><al> van de andere commissieleden dit onderzoek houden.</al><al>2.De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in afschrift aan de
                        leden van de</al><al> commissie, het verwerend orgaan en de belanghebbenden toegezonden.</al><al>3.De leden van de commissie, het verwerend orgaan en de belanghebbenden
                        kunnen</al><al> binnen een week na verzending van de nadere informatie aan de voorzitter
                        van de</al><al> commissie een verzoek richten tot het beleggen van een nieuwe hoorzitting.
                        De voorzitter</al><al> beslist op zo'n verzoek.</al><al>4.Op een nieuwe hoorzitting zijn de bepalingen in deze verordening die
                        betrekking hebben</al><al> op de hoorzitting, zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Raadkamer en advies</titel></kop><al>1.De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over het door
                        haar uit te</al><al> brengen advies.</al><al>2.</al><lijst><li nr="a."><al>De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te
                                brengen advies.</al></li><li nr="b."><al>Indien bij een stemming de stemmen staken, beslist de stem van de
                                voorzitter.</al></li><li nr="c."><al>Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding gemaakt
                                indien die</al><al> minderheid dat verlangt.</al><lijst><li nr="3."><al>Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te
                                        nemen beslissing op het</al></li></lijst></li></lijst><al> bezwaarschrift.</al><al>4.Het advies wordt door de voorzitter en de secretaris van de commissie
                        ondertekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Uitbrengen advies en verdaging</titel></kop><al>1.Het advies wordt, onder medezending van het verslag als bedoeld in artikel
                        14 en</al><al> eventueel door de commissie ontvangen nadere informatie en nader verslag,
                        tijdig</al><al> uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te
                        beslissen.</al><lijst><li nr="2."><al>Indien naar het oordeel van de voorzitter van de commissie de
                                termijn van 12 weken, als bedoeld in artikel 7:10, eerste lid, van
                                de Awb, ontoereikend is voor achtereenvolgens het uitbrengen van een
                                advies en het nemen van een beslissing, verzoekt hij het verwerend
                                orgaan tijdig de beslissing ingevolge artikel 7:10, derde lid, van
                                de Awb, met maximaal 6 weken te verdagen.</al></li><li nr="3."><al>Van een besluit tot verdaging ontvangen de commissie en de
                                belanghebbenden een</al></li></lijst><al> afschrift.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Jaarverslag</titel></kop><al>De commissie brengt jaarlijks vóór 1 juli aan de bestuursorganen van de
                        gemeente verslag uit van haar werkzaamheden in het voorafgaande
                        kalenderjaar. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Verordening behandeling bezwaarschriften van 22 januari 2008 wordt
                        ingetrokken</al><al>gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 15 juni 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening commissie
                        bezwaarschriften.</al><al>Behorende bij burgemeestersbesluit en collegebesluit van 30 maart 2010 en
                        het raadsbesluit</al><al>van 25 mei 2010.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>Het college voornoemd,</ondertekening><ondertekening>De gemeentesecretaris, De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Bekendmaking vaststelling herziening Verordening commissie
                        bezwaarschriften</titel></kop><al>De burgemeester, burgemeester en wethouders maken bekend dat zij op 30 maart
                    2010 en</al><al>de gemeenteraad op 25 mei 2010 ieder voor zoveel het hun bevoegdheden betreft
                    de</al><al>herziene Verordening commissie bezwaarschriften hebben vastgesteld onder
                    intrekking van de</al><al>Verordening commissie bezwaarschriften van 22 januari 2008.</al><al>Deze verordening treedt inwerking op 15 juni 2010. </al><al>De Verordening commissie bezwaarschriften ligt voor een ieder kosteloos ter
                    inzage bij het</al><al>informatiecentrum in het gemeentehuis. Een ieder kan op zijn verzoek een
                    afschrift verkrijgen. De</al><al>verordening is ook te vinden op de gemeentelijke website,
                    www.heerhugowaard.nl.</al><al>Burgemeester en wethouders van Heerhugowaard,</al><al>Heerhugowaard, 1 juni 2010</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting op de verordening commissie
                        bezwaarschriften</titel></kop><al>In de aanhef van de regelgeving is bepaald dat de bestuursorganen van de
                    gemeente, de raad, het college en de burgemeester, ieder voorzover het hun
                    bevoegdheden betreft, besluiten de verordening vast te stellen. Duidelijk is dat
                    de raad de verordenende bevoegdheid heeft. Het college en de burgemeester hebben
                    deze bevoegdheid niet, maar nemen hiermee het besluit tot het instellen van de
                    commissie bezwaarschriften. Op deze manier is het mogelijk dat de
                    bestuursorganen samen een en dezelfde commissie instellen om te adviseren op
                    bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester. De
                    ondertekening gebeurt eveneens door de drie bestuursorganen.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In dit artikel zijn slechts die begripsbepalingen opgenomen die niet in de
                        Awb voorkomen. Zo ontbreekt er een omschrijving van het begrip
                        'bestuursorgaan' hoewel dat op meerdere plaatsen in de verordening voorkomt.
                        Het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen, wordt in de
                        verordening aangeduid als 'verwerend orgaan'. Dit kan de gemeenteraad
                        betreffen, het college van burgemeester en wethouders, de burgemeester of
                        een commissie waaraan via delegatie bepaalde bevoegdheden van de hiervoor
                        genoemde bestuursorganen zijn overgedragen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inleidende bepaling commissie</titel></kop><al>Het horen en adviseren vindt plaats door een gemeentelijke commissie. Deze
                        commissie wordt via deze inleidende bepaling als zodanig geïntroduceerd. In
                        artikel 1:5 van de Awb is omschreven wat onder het maken van bezwaar dient
                        te worden verstaan.</al><al>Uiteraard is het tweede lid een facultatieve bepaling. Denkbaar is dat van
                        de hier geboden mogelijkheid gebruik wordt gemaakt voor die bezwaarschriften
                        die betrekking hebben op een zo specifieke materie of voor onderwerpen
                        waarover zulke grote aantallen bezwaarschriften te verwachten zijn dat het
                        wenselijk is daarvoor een andere methodiek van horen en adviseren te
                        hanteren. Hierbij kan gedacht worden aan personeelszaken, belastingzaken en
                        WOZ-zaken. Over de twee laatstgenoemde zaken dient opgemerkt te worden dat
                        de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de WOZ afwijkende of aanvullende
                        bepalingen bevatten over beslistermijnen, het horen en de geheimhouding. De
                        afhandeling van bezwaarzaken kan efficiënter door in bepaalde situaties het
                        bezwaarschrift te behandelen zonder tussenkomst van de commissie. Onder
                        efficiënt wordt in dit verband verstaan: sneller zonder aan kwaliteit in te
                        leveren. Het voorstel om te komen tot een (nog) efficiëntere werkwijze is
                        mede ontstaan in het licht van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig
                        beslissen. Deze wet is ingegaan op 1 oktober 2009 waarbij de gemeente een
                        dwangsom verbeurt indien niet tijdig wordt beslist op het bezwaarschrift. </al><al>Het betreft: a.- bezwaarschriften die kennelijk niet-ontvankelijk zijn. Dit
                        zijn bezwaarschriften die niet voldoen aan één of meer vereisten voor het
                        indienen van een bezwaarschrift. Bijvoorbeeld een bezwaarschrift dat niet
                        gericht is tegen een besluit of een bezwaarschrift dat buiten de termijn
                        wordt ingediend zonder dat hier een verschoonbare reden voor is. De toets in
                        dit kader geschiedt door het secretariaat bezwaarschriften in samenspraak
                        met de betreffende vakafdeling. Bij twijfel van één van beiden vindt
                        behandeling van het bezwaarschrift conform de reguliere procedure plaats;
                        b.- bezwaarschriften gericht tegen dwangsombeschikkingen als bedoeld in de
                        artikelen 4:17 en 7:14 van de Algemene wet bestuursrecht. In dit kader dient
                        ‘slechts’ te worden getoetst het aantal dagen dat de beslistermijn is
                        overschreden x een vastgesteld bedrag per dag (d.i. de dwangsom); c.-
                        bezwaarschriften gericht tegen zogenaamde rentebeschikkingen. In dit kader
                        dient ‘slechts’ te worden getoetst of de berekende rente over een door de
                        gemeente te laat betaalbaar gesteld bedrag correct is vastgesteld. </al><al>Derde lid: Als een beroepschrift wordt ingediend bij de Rechtbank naar
                        aanleiding van een beslissing op het bezwaarschrift dan treedt de
                        betreffende vakafdeling namens het college op als verweerder. Indien de
                        rechtbank het besluit op het bezwaarschrift vernietigt kan de vakafdeling 1.
                        het <vet>oneens</vet> zijn met de rechtbank en kiezen voor het instellen van
                        hoger beroep. 2. het <vet>eens</vet> zijn met de rechtbank waarna er een
                        nieuwe beslissing op het bezwaarschrift moet worden genomen met inachtneming
                        van hetgeen in de uitspraak is overwogen. In deze situaties wordt het als
                        onnodig gezien om de commissie opnieuw te laten adviseren.
                            <onderstreept>Uitzondering</onderstreept>: De commissie voor
                        bezwaarschriften heeft zich nog niet inhoudelijk uitgelaten over de
                        bezwaarzaak (het bezwaarschrift is niet-ontvankelijk verklaard). De
                        reguliere procedure voor een ontvankelijk bezwaarschrift moet dan alsnog
                        worden gevolgd. De reguliere procedure wordt daarnaast opnieuw gevolgd
                        indien uit het vonnis van de rechtbank niet eenduidig de nieuw te nemen
                        beslissing op het bezwaarschrift volgt. De toets in dit kader geschiedt door
                        het secretariaat bezwaarschriften in samenspraak met de betreffende
                        vakafdeling. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Samenstelling van de commissie</titel></kop><al>Het eerste lid verwijst naar de adviescommissie zoals bedoeld in artikel
                        7:13 Awb. De wet stelt als minimale eisen aan de samenstelling van een
                        adviescommissie:</al><lijst><li nr="1."><al>De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden
                                (artikel 7:13, eerste lid, onder a, van de Awb)</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter maakt geen deel uit en is niet werkzaam onder
                                verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan (artikel 7:13, eerste
                                lid, onder b, van de Awb)</al></li></lijst><al>Door de bepaling in het tweede lid delegeert de raad de benoeming van
                        commissieleden aan het college. Het college is hiermee ook het orgaan dat
                        indien nodig het functioneren van de leden van de commissie evalueert.
                        Indien een lid van de commissie niet naar behoren functioneert is het in
                        eerste instantie de commissie die hierop actie zal ondernemen, het is immers
                        een zelfstandig bestuursorgaan. De voorzitter zal hierbij een rol spelen.
                        Mocht een commissielid niet zelf ontslag nemen dan is het uiteindelijk aan
                        het college om op te treden. Het ligt voor de hand dat voordat een
                        dergelijke stap wordt genomen er diverse gesprekken hebben plaatsgehad en
                        dat er een dossier is gevormd. Bij de bevoegdheid van het college om een lid
                        te schorsen kan gedacht worden aan een situatie waarbij het functioneren van
                        een commissielid wordt onderzocht en deze, hangende het overleg hierover,
                        wordt geschorst.</al><al>Op 22 juli 2009 heeft de Raad van State uitspraak gedaan inzake het ontslag
                        door het college van leden van een bezwaarschriftencommissie, aanleiding was
                        een vertrouwensbreuk (gepubliceerd in JB 2009, 216). Met name in de
                        uitspraak van de Rechtbank, minder in die van de Afdeling, wordt ingegaan op
                        de bevoegdheid van het college om leden van de bezwaarschriftencommissie te
                        ontslaan wegens een vertrouwensbreuk. De commissie heeft als adviseur in
                        zekere mate een onafhankelijke rol ten opzichte van het college en daarom
                        dient aan de commissie ruimte te worden gelaten om op verantwoorde wijze
                        invulling aan haar onderzoeksbevoegdheden te geven. Het college mag daarom
                        niet te lichtvaardig met de ontslagbevoegdheid omspringen omdat anders de
                        schijn zou kunnen ontstaan dat een commissie(lid) aan de kant wordt
                        geschoven vanwege een voor het bestuurorgaan onwelgevallig standpunt.
                        Tegelijkertijd is de commissie een adviserend orgaan en ligt de
                        eindverantwoordelijkheid voor de beslissing op het bezwaar bij het
                        bestuursorgaan. In verband hiermee achtte de Rechtbank en ook de Afdeling
                        het ontoelaatbaar dat de commissie het initiatief nam tot een
                        bemiddelingspoging door een derde, terwijl verweerder al had laten blijken
                        niets te voelen voor een dergelijke oplossing. Het feit dat de
                        commissieleden voor een periode van 12 (voorzitter) respectievelijk 8
                        (leden) jaar worden benoemd doet niet ter zake; indien sprake is van een
                        vertrouwensbreuk is ontslag mogelijk.</al><al> In artikel 84, tweede lid van de Gemeentewet is een uitzondering opgenomen
                        voor bezwaar- en klachtcommissies voor wat betreft het uitgangspunt dat
                        leden van de raad geen lid mogen zijn van een door het college of de
                        burgemeester ingestelde commissie.</al><al>Het is dus mogelijk dat een raadslid voorzitter of lid is van een
                        bezwaarschriftencommissie. Wel staat dit ter discussie. In een dualistisch
                        stelsel ligt het niet voor de hand dat een raadslid onderdeel uitmaakt van
                        een adviescommissie welke voornamelijk adviseert over genomen
                        collegebesluiten. </al><al><cursief>Instelling kamers</cursief></al><al>Als, bijvoorbeeld gelet op het grote aantal te behandelen geschriften of in
                        verband met een wenselijke splitsing naar onderwerp, daaraan behoefte
                        bestaat, kan de commissie worden opgesplitst in kamers. In dat geval dient
                        gekozen te worden voor de volgende bepaling:</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3a</nr><titel>Instelling van kamers</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie kan kamers instellen, die belast worden met de
                                behandeling van bezwaarschriften.</al></li><li nr="2."><al>De commissie bepaalt het aantal kamers en stelt voor elke kamer vast
                                welke categorie of categorieën bezwaarschriften door haar zullen
                                worden behandeld.</al></li><li nr="3."><al>Elke kamer bestaat uit ten minste drie leden:</al><lijst><li nr="a."><al>een voorzitter overeenkomstig artikel 7:13 Awb, zijnde de
                                        voorzitter of een van de leden van de commissie, uit haar
                                        midden aangewezen;</al></li><li nr="b."><al>ten minste twee andere leden, door de commissie aangewezen
                                        uit haar midden.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De commissie wijst uit haar midden voor elk lid een eerste en een
                                tweede plaatsvervanger aan.</al></li><li nr="5."><al>De kamer kan beslissen dat de behandeling van een bezwaarschrift
                                door de commissie zal geschieden.</al></li><li nr="6."><al>Op de werkwijze van de kamers is het bepaalde in deze verordening zo
                                veel mogelijk van overeenkomstige toepassing. </al></li></lijst><al>Voor de samenstelling van een commissie voor bezwaarschriften ex artikel
                        7:13 Awb gelden niet de eisen van artikel 7:5 Awb (Raad van State, 31-5-99,
                        JG 1999/179).</al><al> Gekozen is voor de instelling van kamers door de commissie zelf, maar
                        uiteraard is het mogelijk dat de raad daartoe zelf rechtstreeks overgaat.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Secretaris</titel></kop><al>Hoewel in de Awb nergens over een secretaris wordt gesproken, is het
                        gebruikelijk dat een commissie beschikt over een secretaris ter
                        ondersteuning van de werkzaamheden.</al><al>Bij een commissie met kamers als bedoeld in artikel 3a dient tussen
                        'commissie' en 'is' te worden tussengevoegd: en haar kamers.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Zittingsduur</titel></kop><al>Deze bepaling is gewijzigd bij de herziening van 2010. In de voorgaande
                        verordening was bepaald dat de zittingsduur van de commissie gelijk liep met
                        de zittingstermijn van de raad. Dat heeft alleen een functie als raadsleden
                        lid van de commissie zijn. In de toelichting op artikel 3 is aangegeven dat
                        dit, hoewel juridisch (nog) mogelijk geen gewenste situatie is.</al><al>Door de wijziging is er een mate van continuïteit bij de commissie, is het
                        niet meer zo dat op één moment de hele commissie opstapt, maar door
                        natuurlijk verloop zal dit meer gespreid zijn. Voor de zittingsduur van 12
                        (voorzitter) respectievelijk 8 (leden) jaar, in plaats van de gebruikelijke
                        4 jaar met de mogelijkheid van herbenoemen, is gekozen omdat op deze wijze
                        werkzaamheden als gevolg van een schema van aantreden, herbenoemen en
                        aftreden voorkomen worden. Nu bedoeld is de voorzitter en leden (inclusief
                        herbenoeming) in dienst te nemen voor een periode van maximaal twaalf of
                        acht jaar dient slechts een schema van aan- en aftreden te worden gevolgd
                        hetgeen minder werkzaamheden met zich meebrengt. De jaarlijkse
                        functioneringsgesprekken met de voorzitter en leden vormen een waarborg voor
                        tussentijds ingrijpen bij disfunctioneren van de voorzitter of leden. </al><al>Een lid kan bij zijn ontslag zelf het tijdstip van dat ontslag bepalen. Het
                        kan ook een later tijdstip kiezen om zodoende eventueel nog bij de
                        afhandeling van lopende zaken betrokken te kunnen zijn. De bepaling van het
                        derde lid is van orde. Een ontslagnemend lid kan niet gedwongen worden ook
                        feitelijk de functie te blijven vervullen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Ingediend bezwaarschrift</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>In de Awb wordt uitgebreid aandacht geschonken aan de wijze waarop een
                        bezwaarschrift ingediend moet worden en de daarmee samenhangende
                        ontvankelijkheidsvragen. Hieronder wordt beknopt aangegeven welke
                        onderwerpen in de Awb aan de orde komen:</al><lijst><li nr="a."><al>Vereisten te stellen aan het bezwaarschrift (artikel 6:5).</al></li><li nr="b."><al>De indieningstermijn (artikel 6:7 tot en met 6:12):</al><lijst><li nr="1."><al>De indieningstermijn bedraagt zes weken (artikel 6:7).</al></li><li nr="2."><al>De indieningstermijn vangt aan met ingang van de dag na die
                                        waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is
                                        gemaakt (artikel 6:8).</al></li><li nr="3."><al>De ontvangsttheorie (artikel 6:9, eerste lid) of een
                                        combinatie van de verzend- en ontvangsttheorie is van
                                        toepassing (artikel 6:9, tweede lid).</al></li><li nr="4."><al>Regeling voor de ontvankelijkheid van te vroeg of te laat
                                        ingediende bezwaarschriften (artikel 6:10 en 6:11).</al></li><li nr="5."><al>Bezwaar dat gericht is tegen het niet-tijdig nemen van een
                                        besluit, is niet aan een termijn gebonden (artikel
                                        6:12).</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>De procedure na ontvangst van een bezwaarschrift (artikel 6:14 tot
                                en met 6:15):</al><lijst><li nr="1."><al>Schriftelijk bevestigen van de ontvangst door het orgaan
                                        waarbij het bezwaarschrift is ingediend. Hierbij kan worden
                                        vermeld dat een commissie over het bezwaar zal adviseren.
                                        Dit kan ook in een later stadium: zie ook de opmerkingen in
                                        paragraaf 3 onder ambtelijke commissie (artikel 6:14).</al></li><li nr="2."><al>Doorzendplicht (artikel 6:15). </al></li></lijst></li></lijst><al>Over de ontvangstbevestiging wordt nog opgemerkt dat naast verzending per
                        post ook uitreiking van een ontvangstbewijs in aanmerking komt. Het
                        ontvangstbewijs kan samenvallen met de mededeling aan de indiener dat hij in
                        de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord, mits de mededeling spoedig
                        na de ontvangst van het bezwaarschrift kan worden gedaan.</al><al>Het verdient aanbeveling om bij grensgevallen naast aantekening van de datum
                        van ontvangst op het bezwaarschrift, de envelop waarin het is verzonden te
                        bewaren. Dit is gezien het belang van de datum van de poststempel en ter
                        voorkoming van onnodige geschillen over de ontvankelijkheid (zie artikel 6:9
                        Awb). Een per fax verzonden bezwaarschrift dient vóór 24.00 uur van de
                        laatste dag van de termijn te zijn ingediend. Op grond van jurisprudentie
                        moet het faxen zijn aangevangen vóór 24.00 uur. Het risico van storingen in
                        zowel de zendende als de ontvangende faxapparatuur is voor de verzender
                        (ABRS 16 mei 2000, AB 00/325). Een bezwaarschrift verzenden per e-mail is
                        ook mogelijk. Wel is het zo dat het bestuursorgaan deze weg expliciet moet
                        openstellen (art.2:15 Awb). Dit geeft de gemeente ook de mogelijkheid om een
                        apart e-mail adres in te richten voor de ontvangst van bezwaarschriften.
                        Indien een bezwaarde per e-mail een bezwaarschrift heeft ingediend terwijl
                        het bestuursorgaan deze mogelijkheid niet heeft toegestaan, dan dient het
                        bestuursorgaan de verzender op de hoogte te brengen dat deze manier niet
                        mogelijk is en de verzender te verzoeken het bezwaarschrift alsnog op de
                        voorgeschreven wijze te versturen. Een per e-mail ingediend bezwaarschrift
                        kan niet automatisch niet-ontvankelijk worden verklaard.</al><al>Het aantekenen van de datum van ontvangst wordt in artikel 6:15 Awb
                        uitdrukkelijk voorgeschreven indien het bezwaarschrift wordt ingediend bij
                        een onbevoegd bestuursorgaan of een onbevoegde administratieve rechter. Dit
                        heeft betekenis voor de vraag of het geschrift tijdig bij de bevoegde
                        instantie is ingediend. Ingevolge het derde lid van artikel 6:15 Awb dient
                        namelijk de bevoegde instantie het doorgezonden geschrift als tijdig
                        ingediend te beschouwen indien de indiening bij de onbevoegde instantie
                        tijdig is geschied, tenzij belanghebbende kennelijk misbruik heeft gemaakt
                        van zijn procesrecht (derde lid, zoals gewijzigd bij de Eerste evaluatiewet
                        Awb, in werking getreden op 1 april 2002). Hiervan is bijvoorbeeld sprake
                        als belanghebbende bij herhaling willens en wetens een bezwaarschrift bij
                        het verkeerde bestuursorgaan indient. Wanneer het derde lid geen toepassing
                        vindt, is de ontvangst bij het bevoegd orgaan beslissend. Er zal dan meestal
                        sprake zijn van verwijtbaar handelen van de indiener die daarvoor zelf het
                        risico loopt. In beginsel moet doorzending binnen twee weken plaatsvinden.
                        Gebeurt dit niet, dan komt dit niet voor risico van belanghebbende.</al><al>Met dit artikel wordt de daadwerkelijke behandeling van een ingediend
                        bezwaarschrift door de commissie gestart. In verband met de voor de
                        afhandeling geldende termijn verdient het aanbeveling aan het hier gestelde
                        (zo spoedig mogelijk) ook daadwerkelijk te voldoen. Eventueel kunnen deze
                        woorden vervangen worden door een concrete aanduiding, bijvoorbeeld: [...
                        met de daarbij overgelegde stukken worden binnen twee weken in handen van de
                        commissie gesteld.</al><al>De in artikel 7:13, tweede lid, bepaalde melding dat een commissie over het
                        bezwaar zal adviseren, is van belang omdat hierdoor de beslistermijn van zes
                        weken wordt verlengd tot twaalf weken met een verdagingsmogelijkheid van zes
                        weken (artikel 7:10). Wellicht ten overvloede wordt hier opgemerkt dat het
                        aanbeveling verdient indieners al in een zo vroeg mogelijk stadium op de
                        hoogte te brengen van de te volgen procedure.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Bemiddeling</titel></kop><al>Deze bepaling is bij de herziening van 2010 toegevoegd. Alternatieve
                        geschillenbeslechting wordt bij de meeste bestuursorganen en rechtbanken op
                        een bepaalde manier toegepast. Veel voorkomende vormen zijn (pre)-mediation
                        of een andere aanpak.</al><al>Bij de andere aanpak wordt vaak na ontvangst van het bezwaarschrift meteen
                        gebeld naar de bezwaarde. Op deze manier kunnen misverstanden worden
                        rechtgezet, het besluit nader worden toegelicht etc. Dit kan leiden tot
                        intrekking van het bezwaarschrift.</al><al>Mediation is een formelere vorm. Hierbij kan onder begeleiding van een
                        mediator naar een oplossing gezocht worden waarmee beide partijen uit de
                        voeten kunnen. Belangrijk is dat beide partijen deze stap nemen en afspraken
                        die hierbij horen worden formeel in een overeenkomst vastgelegd.</al><al>Het is de commissie die na ontvangst van een bezwaarschrift kan beoordelen
                        of een bemiddelingspoging zinvol is. In de praktijk zal de secretaris een
                        initiërende rol hebben om een bemiddelingsvoorstel zowel bij de commissie
                        als de behandelende afdeling voor te leggen.</al><al>Door deze bepaling is procedureel vastgelegd dat een bemiddelingspoging
                        mogelijk is in het bezwaarschriftenproces. Door de Wet dwangsom en beroep
                        bij niet tijdig beslissen is het van belang dat, indien er gesproken wordt
                        over mogelijke oplossingen buiten de bezwaarprocedure om, formeel wordt
                        vastgelegd dat de beslistermijn van het bezwaarschrift wordt opgeschort tot
                        het moment dat aan de secretaris wordt meegedeeld wat de uitkomst van de
                        bemiddelingspoging is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Uitoefening bevoegdheden</titel></kop><al>Ingevolge artikel 7:13 Awb beslist de commissie over onder andere de
                        toepassing van artikel 7:4, zesde lid, en 7:5, tweede lid. Dit
                        uitdrukkelijke voorschrift maakt het niet mogelijk dat deze bevoegdheid door
                        de voorzitter (of een ander lid) van de commissie wordt uitgeoefend. De
                        hiervoor aangehaalde bepalingen zijn in dit artikel dan ook niet
                        genoemd.</al><al>De in dit artikel aangehaalde artikelen of artikelleden van de Awb luiden
                        als volgt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2:1,</nr><titel>tweede lid</titel></kop><al>Een bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging
                        verlangen.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting:</tussenkop><al>Deze bepaling is facultatief geformuleerd: de voorzitter is dan ook vrij al dan
                    niet van deze bevoegdheid gebruik te maken.</al><tussenkop>Artikel 6:6</tussenkop><al>Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld
                    vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, kan dit
                    niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad
                    het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.</al><tussenkop>Toelichting:</tussenkop><al>De termijn waarbinnen het verzuim dient te worden hersteld, wordt vastgesteld
                    door de voorzitter. Er is van afgezien in de verordening een vaste termijn
                    daarvoor op te nemen omdat het niet goed mogelijk is in algemene zin voor alle
                    gevallen aan te geven hoe lang deze termijn zou moeten zijn. Uitgangspunt is wel
                    dat er sprake moet zijn van een redelijke termijn (in de meeste gevallen kan met
                    een termijn van twee weken na het einde van de bezwaartermijn worden volstaan).
                    Enerzijds moet de indiener een reële mogelijkheid worden geboden het
                    geconstateerde verzuim te herstellen; anderzijds moet het niet zo zijn dat door
                    een langere termijn de procedure wordt vertraagd. Uit jurisprudentie over
                    belastingen valt af te leiden dat na het bieden van een hersteltermijn, bij of
                    na afloop van die termijn ook nog gerappelleerd dient te worden.</al><al>Een zorgvuldige formulering van de brief waarin gewezen wordt op het verzuim en
                    waarin de termijn wordt gesteld waarbinnen het verzuim moet worden hersteld, is
                    noodzakelijk. Er zal duidelijk aangegeven moeten worden welke consequentie
                    verbonden is aan het niet-voldoen aan deze verplichting. Dit volgt ook uit de
                    facultatieve wijze waarop artikel 6:6 is geformuleerd voor het gevolg van het in
                    verzuim zijn: het bezwaarschrift 'kan' niet-ontvankelijk worden verklaard. De
                    uiteindelijke beslissing ligt dus bij het bestuursorgaan.</al><al>Overigens zal niet zonder meer geconcludeerd mogen worden dat er in zo'n
                    situatie sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaarschrift waardoor -
                    ingevolge artikel 7:3 Awb - van het horen kan worden afgezien.</al><al>Ten slotte wordt hier gewezen op artikel 7:10 van de Awb waarin voorschriften
                    zijn opgenomen voor de termijn waarbinnen op een ingediend bezwaarschrift dient
                    te worden beslist. De beslistermijn wordt namelijk opgeschort met ingang van de
                    dag waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Awb te
                    herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde
                    termijn ongebruikt is verstreken.</al><tussenkop>Artikel 6:17</tussenkop><al>Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt het orgaan dat bevoegd is op
                    het bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in elk geval
                    aan de gemachtigde.</al><tussenkop>Toelichting:</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich. Voorzover het de behandeling door de commissie
                    betreft, ligt deze taak bij de voorzitter.</al><al>Het is niet nodig om in de bezwaarfase ook de stukken aan de vertegenwoordigers
                    van de belanghebbende toe te zenden die zijn geproduceerd in de fase tussen de
                    aanvraag en het primaire besluit (CRvB 24 juni 1997, JB 1997/196).</al><al>Artikel 7:4, vierde lid Awb staat toe om leges te heffen voor het verstrekken
                    van afschriften van de desbetreffende stukken aan de gemachtigde van een
                    belanghebbende (HR 20 september 2000, JG 2001/30).</al><tussenkop>Artikel 7:4, tweede lid</tussenkop><al>Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking
                    hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste één week voor
                    belanghebbenden ter inzage.</al><tussenkop>Toelichting:</tussenkop><al>Het inzagerecht is als een van de fundamentele waarborgen voor een goed
                    verlopende bezwaarschriftprocedure te beschouwen. Het maakt het principe van
                    hoor en wederhoor mogelijk. Het is gekoppeld aan de hoorzitting: wordt er niet
                    gehoord, dan is er ook geen sprake van een verplichte ter-inzage-legging.</al><al>Stukken toezenden hoeft niet, maar een verzoek van een belanghebbende om stukken
                    in te zien mag niet beperkt blijven tot de termijn van ter-inzage-legging (Rb.
                    Amsterdam, 8 augustus 1995, Awb katern 1996, 19).</al><tussenkop>Artikel 7:6, vierde lid</tussenkop><al>Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende,
                    toepassing van het derde lid achterwege laten, voorzover geheimhouding om
                    gewichtige redenen is geboden [...].</al><al>Het derde lid van dit artikel luidt:</al><al>Wanneer belanghebbenden afzonderlijk zijn gehoord, wordt ieder van hen op de
                    hoogte gesteld van het verhandelde tijdens het horen buiten zijn
                    aanwezigheid.</al><tussenkop>Toelichting</tussenkop><al>In het tweede lid van artikel 7:6 wordt de mogelijkheid gegeven om de
                    belanghebbenden afzonderlijk te horen. Een reden om dit te doen kan zijn dat
                    tijdens het horen feiten of omstandigheden bekend zullen worden waarvan
                    geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Het vierde lid geeft aan dat in
                    dit geval de verschillende partijen niet geïnformeerd hoeven te worden over wat
                    er in de afzonderlijke hoorzittingen is besproken.</al><tussenkop>Artikel 9. Vooronderzoek</tussenkop><al>Het spreekt voor zich dat de voorzitter van de commissie er zorg voor dient te
                    dragen dat al het noodzakelijke wordt gedaan om de behandeling van het
                    bezwaarschrift voldoende voor te bereiden. Dat geldt zowel intern bij de
                    gemeente - hij krijgt de bevoegdheid alle gewenste inlichtingen in te winnen -
                    als extern. Zo moet het mogelijk zijn om met de bezwaarde in contact te treden
                    om nadere informatie in te winnen of bijvoorbeeld hem bij kennelijke
                    niet-ontvankelijkheid in overweging te geven het bezwaarschrift in te
                    trekken.</al><al>De activiteiten van de commissie of haar voorzitter bij de voorbereiding van de
                    te behandelen zaken kunnen kosten met zich meebrengen. Daarbij vallen gewone en
                    bijzondere kosten te onderscheiden. Bij gewone kosten valt te denken aan
                    bijvoorbeeld de vergoedingen voor de leden. Het inschakelen van externe
                    deskundigen zal bijzondere kosten met zich meebrengen. Deze kosten komen ten
                    laste van de gemeentebegroting. Normaal gesproken is er in de begroting voorzien
                    in de normale kosten van een commissie. Dat kan anders liggen als het om
                    bijzondere kosten gaat.</al><al>Aangezien het college belast is met de uitvoering van de begroting, ligt het
                    voor de hand dat bijzondere kosten niet gemaakt worden voordat het college de
                    gelegenheid heeft gehad dit te toetsen aan een begrotingspost. Om deze reden is
                    in onderhavige bepaling voor de kosten voor getuigen of deskundigen een
                    machtiging vooraf geïntroduceerd. Uiteraard mag het niet zo zijn dat het college
                    door zo'n toetsing het werk van de commissie frustreert en haar onafhankelijke
                    positie daardoor aantast.</al><al>In dit verband verdient ook artikel 3:7 Awb aandacht. Daarin is bepaald dat het
                    bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht, al dan niet op verzoek, de
                    gegevens ter beschikking stelt aan de adviseur die nodig zijn voor een goede
                    vervulling van diens taak.</al><al>Uit de hier gebezigde formulering volgt dat het ter beoordeling van het
                    bestuursorgaan blijft welke gegevens dat zullen zijn. Uit de aard van het advies
                    van de commissie vloeit evenwel voort dat dit alle op de zaak betrekking
                    hebbende gegevens zullen zijn. De commissie zal immers geen afgewogen oordeel
                    kunnen uitbrengen indien gegevens worden achtergehouden.</al><tussenkop>Artikel 10. Hoorzitting</tussenkop><al>Voor het bepaalde in het eerste lid: zie de toelichting op artikel 8 van deze
                    verordening.</al><al>Artikel 7:3 van de Awb geeft aan in welke gevallen van het horen van
                    belanghebbenden kan worden afgezien. Voor een ingediend bezwaarschrift is dat
                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is;</al></li><li nr="b."><al>het bezwaar kennelijk ongegrond is;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbenden verklaard hebben geen gebruik te willen maken van het
                            recht te worden gehoord, of</al></li><li nr="d."><al>aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere
                            belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden
                            geschaad.</al></li></lijst><tussenkop>Ad d.</tussenkop><al>Het ligt voor de hand dat indien het verwerend orgaan aan het bezwaar van
                    appellant volledig tegemoet denkt te kunnen komen, het daarover met de
                    voorzitter van de commissie contact opneemt. In dit verband wordt ook gewezen op
                    artikel 6:18 en 6:19 Awb. In artikel 6:18 gaat het over het tijdens het
                    aanhangig zijn van bezwaar intrekken of wijzigen van het bestreden besluit. In
                    artikel 6:19 wordt bepaald dat indien een bestuursorgaan zo'n intrekkings- of
                    wijzigingsbesluit heeft genomen, het bezwaar geacht wordt mede gericht te zijn
                    tegen het nieuwe besluit tenzij dat besluit geheel tegemoetkomt aan het
                    bezwaar.</al><al>De bevoegdheid om van het horen af te zien wordt door de verordening toegekend
                    aan de voorzitter van de commissie. Deze beslissing is dus niet aan het
                    bestuursorgaan dat het bezwaarschrift heeft ontvangen. Dat zou overigens ook
                    niet mogelijk zijn, gelet op artikel 7:13, vierde lid, waarin onder andere is
                    bepaald dat de commissie, voorzover bij wettelijk voorschrift niet anders is
                    bepaald, beslist over de toepassing van artikel 7:3.</al><al>Het bepaalde in het derde lid spreekt voor zich. Daarnaast zal in het
                    uiteindelijk uit te brengen advies hier nogmaals op teruggekomen moeten worden.
                    Dat is noodzakelijk omdat ingevolge artikel 7:12 Awb bij de beslissing op een
                    bezwaarschrift, indien van het horen is afgezien, aangegeven moet worden op
                    welke grond dat is geschied.</al><tussenkop>Artikel 11. Uitnodiging zitting</tussenkop><al>Ingevolge het eerste lid van deze bepaling wordt ook het verwerend orgaan
                    uitgenodigd voor de zitting. Het is van groot belang dat dit orgaan zich ook ter
                    zitting laat vertegenwoordigen. Daarmee kan worden voorkomen dat er, vanwege de
                    inbreng van bezwaarmaker, een eenzijdig beeld ontstaat. Voorts is het voor een
                    externe commissie van groot belang om van bestuurlijke zijde te vernemen hoe een
                    beslissing tot stand is gekomen. Anders kan het voor de commissie moeilijk
                    worden om een goede afweging te maken.</al><al>Het verdient aanbeveling een termijn vast te stellen die ligt tussen de
                    oproeping en de zitting zelf. In het algemeen moet gedacht worden aan een
                    zodanige termijn dat de bezwaarde en de overige belanghebbenden voldoende
                    gelegenheid krijgen om zich behoorlijk op de zitting voor te bereiden.
                    Bezwaarden kunnen geattendeerd worden op de mogelijkheid om hun verweer op
                    schrift te stellen dat bij het verslag wordt gevoegd.</al><al>Gekozen is voor een termijn van twee weken, mede in verband met de termijn van
                    12 weken waarbinnen, behoudens verdaging, op het bezwaar moet zijn beslist (zie
                    artikel 7:10 Awb) en het bepaalde in artikel 7:4 Awb (zie hierna).</al><al>Voorts is een regeling opgenomen over het desgevraagd wijzigen van het tijdstip
                    van de zitting. Uitstel hoeft overigens niet altijd te worden verleend.
                    Betrokkene dient wel tijdig uitsluitsel over zijn verzoek om uitstel te krijgen.
                    Met de inwerkingtreding van de wet Dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen
                    is het verstandig om indien een bezwaarde verzoekt om uitstel en hiermee
                    ingestemd wordt, af te spreken dat daarmee de beslistermijn met eenzelfde
                    periode wordt opgeschort, en dit op papier te bevestigen</al><al>De toelichting op dit artikel van deze verordening is ook de plaats om te wijzen
                    op het bepaalde in artikel 7:4 en 7:8 van de Awb. Het verdient aanbeveling om
                    van de inhoud van deze artikelen bij de uitnodiging van de hoorzitting
                    mededeling te doen.</al><al>Omdat de inhoud van deze artikelen voor zich spreekt, is ermee volstaan de tekst
                    ervan hier integraal op te nemen (zie ook de toelichting bij artikel 8).</al><tussenkop>Artikel 7:4</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Tot 10 dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken
                            indienen.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan/beroepsorgaan legt het bezwaarschrift/beroepschrift
                            en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken, voorafgaand aan
                            het horen, gedurende ten minste één week voor belanghebbenden ter
                            inzage.</al></li><li nr="3."><al>Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het
                            eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen
                            liggen.</al></li><li nr="4."><al>Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste
                            de kosten afschriften verkrijgen.</al></li><li nr="5."><al>Voorzover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van het
                            tweede lid achterwege worden gelaten.</al></li><li nr="6."><al>Het bestuursorgaan/beroepsorgaan kan, al dan niet op verzoek van een
                            belanghebbende, toepassing van het tweede lid voorts achterwege laten,
                            voorzover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van de
                            toepassing van deze bepaling wordt mededeling gedaan.</al></li><li nr="7."><al>Gewichtige redenen zijn in elk geval niet aanwezig, voorzover ingevolge
                            de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat een verzoek om
                            informatie, vervat in deze stukken, in te willigen.</al></li><li nr="8."><al>Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de
                            lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan
                            inzage van de desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een
                            gemachtigde die hetzij advocaat, hetzij arts is.</al></li></lijst><al>Volgens de parlementaire geschiedenis zal voor het aannemen van
                    geheimhoudingsredenen een sterkere grond aanwezig moeten zijn dan de in de WOB
                    opgenomen weigeringsgronden (zie ook: Rb. Den Haag, 19 februari 1996, Awb katern
                    1996, 43).</al><al>In de bezwaarschriftprocedure is aangaande inzage in en geheimhouding van
                    stukken niet de WOB, maar artikel 7:4 Awb van toepassing (Rb. Alkmaar, 20
                    oktober 1997, Belastingblad 1998, 7).</al><tussenkop>Artikel 7:8</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Op verzoek van de belanghebbende kunnen door hem meegebrachte getuigen
                            en deskundigen worden gehoord.</al></li><li nr="2."><al>De kosten van getuigen en deskundigen zijn voor rekening van de
                            belanghebbende die hen heeft meegebracht.</al></li></lijst><al>Het aanwezig zijn van partijen bij het horen van getuigen in de
                    bezwaarschriftprocedure is een beginsel van goede procesorde (JG 2000/122).</al><tussenkop>Artikel 12. Quorum</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>Er is geen wettelijk bezwaar tegen het horen in het kader van de
                    bezwaarprocedure door de voorzitter en één lid van de adviescommissie, terwijl
                    advisering door de voltallige commissie heeft plaatsgevonden (ABRS 2 maart 2000,
                    GS 2000/ 7119, 5). In de Gemeentestem 2008, nr. 101 is een artikel verschenen
                    van mr. H. Piefers : “<cursief>Horen en adviseren door een onvolledige
                        bezwaarschriftencommissie”.</cursief></al><tussenkop>Artikel 13. Niet-deelneming aan de behandeling</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting. Zie ook artikel 2:4 Awb.</al><al>Ook al is de voorzitter formeel onafhankelijk, dan staat daarmee nog niet vast
                    dat automatisch ook op inhoudelijk vlak van niet-vooringenomenheid sprake is
                    (Rb. Leeuwarden 8 februari 1996, JB, 3 (1996), 100).</al><tussenkop>Artikel 14. Openbaarheid zitting</tussenkop><al>Ingevolge artikel 7:5, tweede lid Awb besluit het bestuursorgaan, voorzover niet
                    bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, of het horen in het openbaar
                    plaatsvindt. In artikel 7:13, vierde lid Awb wordt deze bevoegdheid aan de
                    commissie toegekend.</al><al>In de onderhavige verordeningsbepaling is vastgelegd dat de hoorzitting in
                    principe in het openbaar plaatsvindt. Uitzondering op deze regel blijft
                    mogelijk, bijvoorbeeld indien bijzonder persoonlijke zaken van familiaire,
                    medische of financiële aard of andere zaken met een vertrouwelijk karakter aan
                    de orde komen.</al><al>De zitting dient te worden onderscheiden van de beraadslaging van de commissie,
                    die ingevolge artikel 16 van de verordening achter gesloten deuren
                    plaatsheeft.</al><tussenkop>Artikel 15. Schriftelijke verslaglegging</tussenkop><al>Artikel 7:7 Awb vereist zeer kort en bondig dat van het horen een verslag wordt
                    gemaakt. De wijze waarop en de inhoudelijke vereisten aan het verslag worden
                    niet door de Awb geregeld. Dit staat er overigens niet aan in de weg dat in de
                    verordening een vaste procedure wordt opgenomen.</al><al>Het bepaalde in het eerste lid hoeft niet zo ver te strekken dat van al het
                    aanwezige publiek naam en hoedanigheid wordt opgenomen. Wel zal uit het verslag
                    duidelijk moeten blijken wie namens welke partij aanwezig was en wat door hen
                    naar voren is gebracht.</al><al>Gezien de betekenis van de hoorzitting in het kader van de besluitvorming in de
                    bezwaarschriftfase, ligt het voor de hand (hoewel niet voorgeschreven in de Awb)
                    dat het verslag van de zitting uiterlijk gelijktijdig met de beslissing op het
                    bezwaar aan belanghebbenden wordt toegezonden. Ook is het mogelijk het verslag
                    van de hoorzitting vóór het nemen van het bestreden besluit aan de
                    belanghebbenden te zenden. Hierdoor krijgen belanghebbenden de gelegenheid te
                    reageren indien het verslag een onjuiste weergave bevat van de hoorzitting. Uit
                    oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding zal dit vaak de voorkeur genieten
                    (ABRS 12 juni 1997, JB 1997/188).</al><al>Het verslag speelt ook een rol in de raadkamer en bij het advies. Als een lid
                    afwezig is geweest bij het horen en de stemmen staken in de adviescommissie, dan
                    hoeft bij de hernieuwde behandeling in de commissie niet opnieuw gehoord te
                    worden (CRvB, 2 april 1996, AB 1997/23).</al><tussenkop>Artikel 16. Nader onderzoek</tussenkop><al>Een nader onderzoek kan feiten of omstandigheden aan het licht brengen die op
                    het moment van de zitting nog niet bekend waren. Dit kan aanleiding zijn om
                    belanghebbenden en het verwerend orgaan opnieuw te horen. De onderhavige
                    bepaling voorziet in de mogelijkheid de commissie te verzoeken daartoe een
                    nieuwe zitting te houden. In artikel 7:9 Awb wordt bepaald dat indien het in het
                    hier bedoelde geval feiten of omstandigheden betreft die voor de op bezwaar te
                    nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden
                    wordt meegedeeld en dat zij opnieuw in de gelegenheid worden gesteld te worden
                    gehoord (rechtsbeginsel hoor en wederhoor). Is de nieuwe informatie niet van
                    aanmerkelijk belang dan kan er voor gekozen worden om de belanghebbenden in de
                    gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren. Na de hoorzitting gehouden
                    telefoongesprekken kunnen gezien worden als nader onderzoek (Nationale ombudsman
                    9 juli 2001, AB 2001/263). Een zorgvuldige procedure houdt ook in dat het
                    bestuursorgaan zich niet rechtstreeks tot de adviescommissie kan wenden zonder
                    dat de andere belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om hun standpunt
                    dienaangaande kenbaar te maken (Rb. Rotterdam, 10 november 1999, JB,
                    1999/311).</al><tussenkop>Artikel 17. Raadkamer en advies</tussenkop><al>Zie ook de toelichting bij artikel 14. De hoorzitting is in principe openbaar;
                    de hier bedoelde beraadslaging vindt achter gesloten deuren plaats.</al><al>Het tweede lid, onder b, is opgenomen voor die gevallen waarin het
                    vergaderquorum wel aanwezig is, maar de commissie door afwezigheid van een of
                    meer leden dan wel hun plaatsvervangers (of als gevolg van de toepassing van
                    artikel 13) tijdens de besluitvorming uit een even aantal personen bestaat.</al><al>Het horen kan plaatsvinden door een niet-voltallige commissie (zie onder 12); de
                    advisering dient plaats te vinden door een commissie die voldoet aan de eisen
                    van artikel 7:13, eerste lid, onder a van de Awb. Hoe het advies tot stand komt,
                    is niet voorgeschreven. Schriftelijke consultatie is mogelijk (CRvB 21 oktober
                    1999, AB 2000/42 en Rb. Haarlem 5 januari 2001, ongepubliceerd, zaaknummer Awb
                    00/8620 en 00/8621).</al><al>Advisering door de voorzitter en één lid van de hoorcommissie is in strijd met
                    artikel 7:13, eerste lid, onder a Awb (Raad van State, Afdeling
                    bestuursrechtspraak 19-10-98, JB 1998/257). Uit het derde lid van dit artikel
                    (mogelijkheid voor de commissie om het horen op te dragen aan de voorzitter of
                    een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder
                    verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan) volgt niet dat de gehele advisering
                    kan worden opgedragen aan de voorzitter en één lid.</al><al>Een adviescommissie mag alleen adviseren: ze kan geen (gedelegeerde)
                    beslisbevoegdheid krijgen, (Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak
                    06-01-1997).</al><al>In 2002 is de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures in werking getreden. Deze
                    wet bevat een regeling voor de vergoeding van de kosten die een belanghebbende
                    maakt bij de behandeling van een door hem ingediend bezwaar- of administratief
                    beroepschrift. De bepalingen zijn opgenomen in art. 7:15, 7:28 en 8:75 Awb. Een
                    verzoek om vergoeding van de kosten moet worden gedaan voordat het
                    bestuursorgaan op het bezwaar of administratief beroep heeft beslist. Doorgaans
                    zal een dergelijk verzoek in het bezwaarschrift of mondeling tijdens de
                    hoorzitting worden gedaan. De bezwaarschriftencommissie adviseert in dat geval
                    ook over dit verzoek en zal aangeven of er recht is op een vergoeding en zo ja
                    over de hoogte van het vergoedingsbedrag. Dit laatste kan worden ontleend aan
                    het Besluit proceskosten bestuursrecht.</al><tussenkop>Artikel 18. Uitbrengen advies en verdaging</tussenkop><al>Volgens artikel 7:13, zesde lid Awb maakt in de bezwaarschriftprocedure het
                    verslag van de hoorzitting deel uit van het advies van de commissie en wordt het
                    schriftelijk uitgebracht.</al><al>De beslistermijn bedraagt ingevolge artikel 7:10 van de Awb 12 weken, behoudens
                    in het geval van opschorting of met gebruikmaking van de mogelijkheid van
                    verdaging. De onderhavige bepaling verlangt van de voorzitter van de commissie
                    dat indien hij voorziet dat de termijn als hiervoor bedoeld niet wordt gehaald,
                    hij tijdig het bestuursorgaan verzoekt de beslissing op het bezwaar te
                    verdagen.</al><al>Het besluit tot verdaging is een beschikking. Ingevolge artikel 7:14 Awb zijn
                    artikel 3:41 tot en met 3:45 Awb, die de wijze van bekendmaking en mededeling
                    van besluiten regelen, in dit geval niet van toepassing. Artikel 3:40 Awb is wel
                    van toepassing. Dit artikel bepaalt dat een besluit niet in werking treedt
                    voordat het bekendgemaakt is. Het ligt voor de hand in verband hiermee ook
                    belanghebbenden een afschrift van het verdagingsbesluit toe te zenden.</al><tussenkop>Afronding van de procedure</tussenkop><al>De verordening spitst zich toe op de behandeling van bezwaarschriften en eindigt
                    er in feite mee - zie artikel 18 - dat door de commissie schriftelijk advies
                    wordt uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te
                    beslissen.</al><al>In de artikelen 7:11 (bezwaarschrift) Awb is geregeld wat er daarna dient te
                    gebeuren. Indien het bezwaar ontvankelijk is, dient op grondslag daarvan een
                    heroverweging van het bestreden besluit plaats te vinden. Is een bezwaarschrift
                    niet ontvankelijk, dan wordt aan heroverweging niet toegekomen. Voor zover de
                    heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het
                    bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in plaats daarvan een nieuw
                    besluit. Dit nieuwe besluit treedt daarmee in de plaats van het oorspronkelijke
                    (bestreden) besluit.</al><al>Omdat in het verleden bestuursorganen nogal eens bij de beslissing op
                    bezwaarschriften louter toetsten op rechtmatigheid is in het eerste lid van art
                    7:11 vastgelegd dat het om een heroverweging gaat. Dat betekent dat de toetsing
                    niet beperkt moet blijven tot vragen van rechtmatigheid, maar binnen de grenzen
                    van de wet zich ook dient uit te strekken tot beleidsmatige en bestuurlijke
                    aspecten.</al><al>De heroverweging dient ex nunc plaats te vinden, dat wil zeggen dat rekening
                    moet worden gehouden met inmiddels gewijzigde feiten en omstandigheden. De
                    feiten en omstandigheden van het moment waarop het nieuwe besluit wordt genomen
                    zijn van belang.</al><al>Daarnaast dient de heroverweging op grondslag van het bezwaar te geschieden.
                    Hieruit vloeit voort dat die onderdelen van het besluit die geheel los van de
                    aangevoerde bezwaren staan, in beginsel buiten beschouwing blijven. Het
                    bestuursorgaan zal daarbij de naar voren gebrachte bezwaren voldoende ruim naar
                    hun strekking moeten opvatten. Indien bijvoorbeeld tijdens de hoorzitting blijkt
                    dat deze, ondanks een beperkte omschrijving in het bezwaarschrift, ruimer
                    bedoeld zijn, dan zal daarmee rekening moeten worden gehouden.</al><al>Verder is het de bedoeling van deze bepaling dat er geen verslechtering van de
                    positie van degene die het bezwaarschrift indient tijdens de
                    bezwaarschriftenprocedure mag optreden (verbod van reformatio in peius).
                    Natuurlijk staat dit er niet aan in de weg dat als een derde bezwaar maakt tegen
                    bijvoorbeeld een afgegeven vergunning, die bezwaren gehonoreerd kunnen worden.
                    Dit is het wezen van de bezwaarschriftenprocedure en niet in strijd met genoemd
                    beginsel.</al><al>In artikel 7:12 Awb is voorgeschreven dat de beslissing op het bezwaarschrift
                    dient te berusten op een deugdelijke motivering die bij de bekendmaking van de
                    beslissing wordt vermeld. Daarbij is het van belang dat indien van het advies
                    van de commissie wordt afgeweken in de beslissing de reden van die afwijking
                    wordt vermeld en het advies met de beslissing wordt meegezonden.</al><al>Tenslotte wordt verwezen naar artikel 6:23 Awb waarin wordt voorgeschreven dat
                    indien beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing op het bezwaar, daarvan
                    bij de bekendmaking van de beslissing melding wordt gemaakt. Daarbij moet worden
                    aangegeven door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan beroep kan worden
                    ingesteld.</al><tussenkop>Artikel 19. Jaarverslag</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen bij de laatste wijziging van de verordening in 2010.
                    In de praktijk blijkt dat de bezwaarschriftencommissie jaarlijks verslag
                    uitbrengt aan de raad, het college en de burgermeester over haar werkzaamheden.
                    De invulling van dit verslag is aan de commissie gelaten. Voor de hand ligt dat
                    wordt aangegeven welke aantallen bezwaren zijn ingediend, wat de werkvoorraad
                    was bij aanvang van het kalenderjaar, hoeveel adviezen zijn uitgebracht, wat de
                    adviezen inhielden (niet-ontvankelijk, (deels) gegrond etc.) of het
                    bestuursorgaan contrair heeft besloten, in welke gevallen beroep wordt ingediend
                    en wat de uitkomst van dit beroep is.</al><al>In geval er een klacht is ingediend tegen de bezwaarschriftencommissie wordt dit
                    in het jaarverslag vermeld.</al><al>Het jaarverslag is ook een instrument voor de commissie om aan de
                    bestuursorganen adviezen te geven over de verbeterpunten op het gebied van
                    juridische kwaliteit.</al><tussenkop>Artikel 20. Intrekking oude regeling</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 21. Inwerkingtreding</tussenkop><al>In artikel 139 tot en met 144 Gemeentewet zijn de bekendmaking en
                    inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden
                    geregeld. De bepalingen over bekendmaking en mededeling van besluiten zoals
                    opgenomen in afdeling 3.6 Awb zijn niet van toepassing op algemeen verbindende
                    voorschriften (zie artikel 3:1 Awb dat aangeeft dat op besluiten, die algemeen
                    verbindende voorschriften inhouden, van dat hoofdstuk slechts afdeling 2 tot en
                    met 4A van toepassing zijn en wel voorzover de aard van de besluiten zich
                    daartegen niet verzet). Besluiten van het gemeentebestuur die algemeen
                    verbindende voorschriften inhouden, verbinden niet dan wanneer ze bekendgemaakt
                    zijn. De bekendmaking geschiedt door plaatsing in het Gemeenteblad of in een
                    andere door de gemeente algemeen verkrijgbaar gestelde uitgave
                    (huis-aan-huisblad of plaatselijk dagblad).</al><tussenkop>Artikel 22. Citeertitel</tussenkop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening commissie
                    bezwaarschriften.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>