<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR93942_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Financiële verordening gemeente Goes</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Goes</dcterms:creator><dcterms:modified>2007-12-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Goes</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Bevelander</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Financiële verordening gemeente Goes</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=212">Gemeentewet, art. 212</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-12-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-12-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-05-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Financiële verordening gemeente Goes</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Artikel</vet></al><al/><al>Besluitnummer</al><al>Vergadering d.d. 13 december 2007</al><al>Verzonden 13 november 2007</al><al>Onderwerp Besluit tot het vaststellen van de gewijzigde “Financiële verordening gemeente Goes” ingevolge artikel
                                            212 van de Gemeentewet</al><al/><al>De raad van de gemeente Goes;</al><al/><al>gelet op artikel 212 van de Gemeentewet;</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen:</al><al/><al>de gewijzigde Verordening op de uitgangspunten voor het financieel beleid,
                        alsmede voor het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële
                        organisatie van de gemeente Goes.</al><al/><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Definities</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>"administratie": het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en
                        verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het functioneren en
                        het beheersen van (onderdelen van) de organisatie van de gemeente Goes en
                        ten behoeve van de verantwoording die daarover moet worden afgelegd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Programma-indeling</titel></kop><al>De raad stelt bij aanvang van een nieuwe raadsperiode een programma-indeling
                        voor de komende raadsperiode vast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2a.</nr><titel>Planning en controlcyclus</titel></kop><al>Voor aanvang van een begrotingsjaar biedt het college een overzicht aan met
                        daarin in elk geval de data voor het aanbieden door het college en het
                        vaststellen door de raad van de jaarstukken, de perspectiefnota, de
                        bestuursrapportages en de begroting met de meerjarenraming. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inrichting begroting en jaarstukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de begroting wordt een overzicht gegeven van de productenraming
                            ingedeeld naar programma’s en bij het jaarverslag wordt een overzicht
                            gegeven van de productenrealisatie ingedeeld naar programma’s.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de begroting wordt per programma de daarbij behorende nieuwe
                            investeringen in een meerjaren-investeringsprogramma opgenomen. Bij de
                            uiteenzetting van de financiële positie van de begroting wordt een
                            totaaloverzicht van het investeringsprogramma opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de
                            geautoriseerde kapitaalskredieten en de actuele raming van de totale
                            uitgaven weergegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Autorisatie begroting en kapitaalskredieten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de totale
                            lasten en de totale baten per programma en het overzicht algemene
                            dekkingsmiddelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe
                            investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor
                            autorisatie van het kapitaalskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe
                            investeringen voor het komende begrotingsjaar worden bij de
                            begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie
                            geautoriseerd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college voorziet dat een geautoriseerd budget of
                            kapitaalskrediet dreigt te worden overschreden, wordt dit door het
                            college bij de behandeling van de bestuursrapportages in de raad gemeld.
                            Het college doet hierbij een voorstel voor wijziging van het budget of
                            het kapitaalskrediet of een voorstel voor bijstelling van het
                            beleid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor investeringen in de loop van het begrotingsjaar die niet in de
                            begroting zijn opgenomen, legt het college vooraf aan het aangaan van
                            verplichtingen een investeringsvoorstel en een voorstel voor het
                            autoriseren van een kapitaalskrediet aan de raad voor.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Tussentijdse rapportage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college informeert de raad door middel van tussentijdse
                            bestuursrapportages over de realisatie van de begroting van de
                            gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tussenrapportages bevatten een uiteenzetting over de voortgang in de
                            uitvoering van de programmabegroting, een overzicht met mutaties in
                            ramingen van budgetten en kapitaalskredieten met een toelichting daarop
                            en verschaft inzicht in de stand van de algemene reserve.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Waardering en afschrijving van vaste activa</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Activa met een verkrijgingsprijs van minder dan € 25.000,00 worden niet
                            geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen, deze worden altijd
                            geactiveerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geactiveerde kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald
                            actief worden in maximaal vier jaar afgeschreven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Kosten voor het afsluiten van geldleningen en boeterente voor het
                            vervroegd aflossen van geldleningen worden, met inachtneming van het
                            eerste lid, geactiveerd en afgeschreven over een termijn die maximaal
                            gelijk is aan de (restant)looptijd van de desbetreffende lening. Kosten
                            voor het afsluiten van de overige geldleningen worden direct ten laste
                            van de exploitatie gebracht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de materiële vaste activa met economisch nut, zoals bedoeld in
                            artikel 35 van het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en
                            gemeenten, wordt geen langere afschrijvingsduur vastgesteld dan de
                            economische levensduur van dat object rechtvaardigt. Als regel gelden de
                            afschrijvingstermijnen die in bijlage I van deze verordening zijn
                            opgenomen. Hiervan mag naar beneden worden afgeweken, indien sprake is
                            van investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut.
                            Afschrijvingstermijnen van categorieën van materiële vaste activa welke
                            niet zijn voorzien in bijlage I worden ter besluitvorming aan de raad
                            voorgelegd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Uitgangspunt is dat de lineaire afschrijvingsmethodiek wordt toegepast.
                            In de volgende gevallen wordt hiervan afgeweken en wordt de annuïtaire
                            methode gehanteerd:</al><lijst><li nr="a."><al>investeringen waarbij de kapitaallasten worden gedekt door
                                    huuropbrengsten e.d.;</al></li><li nr="b."><al>investeringen waarbij de kapitaallasten zijn verwerkt in een
                                    tarief;</al></li><li nr="c."><al>investeringen waarbij de kapitaallasten worden gedekt door
                                    rechten en heffingen;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Afschrijving vindt plaats in het jaar nadat het desbetreffende activum
                            in gebruik is genomen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Rentetoerekening bij bouwprojecten (bouwrente) vindt alleen plaats
                            indien looptijd &gt; 1 jaar en krediet &gt; € 5.000.000,00</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Aankoop en vervaardiging van activa met een meerjarig maatschappelijk
                            nut worden onder aftrek van bijdragen van derden en/of
                            bestemmingsreserves ten laste van de exploitatie gebracht. Hiervan kan
                            bij raadsbesluit worden afgeweken. In geval van activering bij
                            raadbesluit wordt het actief lineair afgeschreven over de verwachte
                            levensduur van het actief of een kortere, door de raad aan te geven
                            tijdsduur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Kostprijsberekening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van producten en diensten van
                            de gemeente wordt een systeem van kostentoerekening gehanteerd. De
                            directe kosten worden direct aan de producten en diensten toegerekend.
                            De indirecte kosten worden middels diverse verdeelsleutels aan de
                            producten en diensten toegerekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de toerekening van kosten aan producten en diensten wordt rekening
                            gehouden met de bijdragen aan reserves en voorzieningen voor de
                            noodzakelijke vervanging of instandhouding van de betrokken activa, de
                            kapitaallasten van de in gebruik zijnde activa en voor de
                            afvalstoffenheffing en reinigingsrechten de compensabele BTW.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toerekening van rente aan producten met geactiveerde kosten kan op
                            twee manieren plaatsvinden (A en B):</al><al><vet>A. </vet> door middel van een specifieke renteberekening. Deze
                            methode wordt uitsluitend toegepast bij:</al><lijst><li nr="a."><al>activa bestemd voor verhuur aan derden;</al></li><li nr="b."><al>activa die annuïtair worden afgeschreven;</al></li><li nr="c."><al>activa die dienstbaar zijn aan activiteiten die geheel of
                                    nagenoeg geheel door kostendekkende tarieven worden gedekt.</al></li></lijst><al/><al/><al>Als gekozen wordt voor een specifieke renteberekening dan wordt
                            uitgegaan van:</al><lijst><li nr="a."><al>dezelfde rente als die geldt voor de lening die voor de
                                    financiering van dat object is aangegaan. Als die lening een
                                    renteherziening ondergaat dan wordt met ingang van het volgende
                                    dienstjaar de specifieke rente conform het aangepaste
                                    rentepercentage berekend;</al></li><li nr="b."><al>de op het moment van het voteren van het krediet geldende
                                    marktrente in die gevallen dat er geen geldlening behoeft te
                                    worden aangegaan ter financiering van het object. In deze
                                    situatie wordt uitgegaan van een rentepercentage voor een lening
                                    met eenzelfde looptijd als waarover de geactiveerde kosten
                                    worden afgeschreven.</al></li></lijst><al/><al><vet>B. </vet>Door middel van de omslagrente. Deze omslagrente geldt
                            voor alle objecten die geen specifieke rente krijgen toegerekend. De
                            rente-omslag is een rekenmethode waarbij het saldo van de totale
                            rentelasten minus de totale rentebaten wordt omgeslagen over de
                            boekwaarden die gefinancierd moeten worden, met dien verstande dat zowel
                            van de rentelasten als van de boekwaarden de bestanddelen worden
                            afgetrokken die zich lenen voor een specifieke renteberekening. </al><al>Onder rentelasten wordt verstaan de som van:</al><lijst><li nr="a."><al>de rente van de uitstaande leningen;</al></li><li nr="b."><al>de rente over het eigen vermogen en over de voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>de rente over het financieringstekort (begroting) of de betaalde
                                    rekening-courant rente.</al></li></lijst><al>Onder de rentebaten wordt verstaand de som van:</al><lijst><li nr="a."><al>de rente over de uitzettingen</al></li><li nr="b."><al>de ontvangen rekening-courant rente. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen</titel></kop><al>Het bepalen van de hoogte van gemeentelijke tarieven, heffingen en prijzen
                        geschiedt via een systeem van kostprijsberekening, via marktoriëntatie of
                        via een inflatiecorrectie op bestaande tarieven, heffingen en prijzen.
                        Minimaal eens per vier jaar verstrekt het college aan de raad per
                        verordening een overzicht waarin per de door de gemeente verstrekte dienst
                        inzicht wordt gegeven in de actueel geraamde hoeveelheden en het totaal van
                        de hierbij geraamde kosten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Financieringsfunctie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt bij de uitoefening van de financieringsfunctie zorg
                            voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantrekken van voldoende financiële middelen en het
                                    uitzetten van overtollige gelden om de programma’s binnen de
                                    door de raad vastgestelde kaders van de begroting uit te kunnen
                                    voeren;</al></li><li nr="b."><al>het beheersen van de risico’s verbonden aan de
                                    financieringsfunctie zoals renterisico’s, koersrisico’s en
                                    kredietrisico’s;</al></li><li nr="c."><al>het zo veel mogelijk beperken van de kosten van de leningen en
                                    het bereiken van een voldoende rendement op de
                                    uitzettingen;</al></li><li nr="d."><al>het beperken van de interne verwerkingskosten en externe kosten
                                    bij het beheren van de geldstromen en financiële posities.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt voor de uitvoering van de financieringsfunctie nadere
                            richtlijnen vast in een treasurybesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gemeente verstrekt geen leningen anders dan uit hoofde van de
                            gemeentelijke kredietbank of zolang dit door de wet wordt toegestaan
                            door de toepassing van de hypotheekregeling ambtenaren gemeente
                            Goes.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verstrekken van gemeentegaranties wordt uitsluitend gedaan uit
                            hoofde van de publieke taak. Nadere richtlijnen hieromtrent worden
                            vastgelegd in een kadernota gemeentelijk garantiebeleid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij het aangaan van financiële participaties anders dan genoemd in het
                            treasurybesluit bedingt het college indien mogelijk zekerheden. Het
                            college motiveert in zijn besluit het openbaar belang van dergelijke
                            financiële participaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Administratie</titel></kop><al>De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval
                        dienstbaar is voor: </al><lijst><li nr="a."><al>het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de
                                gemeente als geheel en in de afdelingen; </al></li><li nr="b."><al>het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van
                                activa met economisch nut, activa met maatschappelijk nut,
                                voorraden, vorderingen, schulden, contracten enzovoorts. </al></li><li nr="c."><al>het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende
                                budgetten en kapitaalskredieten en voor het maken van
                                kostencalculaties; </al></li><li nr="d."><al>het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot
                                de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de
                                maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid; </al></li><li nr="e."><al>het bevorderen van - en het afleggen van verantwoording over de
                                rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het
                                gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de
                                begroting en relevante wet- en regelgeving; </al></li><li nr="f."><al>de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de
                                daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de
                                rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het
                                gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de
                                begroting en relevante wet- en regelgeving. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Interne controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening
                            en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties voor de
                            jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de
                            informatieverstrekking, en de rechtmatigheid van de beheershandelingen.
                            Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie en
                            de ontwikkeling van de bezittingen en het vermogen van de gemeente met
                            dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande
                            leningen, de (debiteuren-)vorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen
                            leningen en de (crediteuren-)schulden jaarlijks worden gecontroleerd en
                            registergoederen en bedrijfsmiddelen tenminste eenmaal in de 4 jaar. Bij
                            afwijkingen in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel
                            van de tekortkomingen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Financiële organisatie</titel></kop><al>Het college zorgt voor en legt vast in besluiten: </al><lijst><li nr="a."><al>een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een
                                eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de sectoren en
                                afdelingen; </al></li><li nr="b."><al>een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden,
                                verantwoordelijkheden, zodat aan de eisen van interne controle wordt
                                voldaan en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie aan
                                beleids- en beheersorganen is gewaarborgd; </al></li><li nr="c."><al>de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van
                                verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en
                                kapitaalskredieten; </al></li><li nr="d."><al>de regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en
                                de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;
                            </al></li><li nr="e."><al>de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van de lasten
                                en baten aan de producten van de productraming en de
                                productrealisatie. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12a.</nr><titel>Inkoop en aanbesteding</titel></kop><al>Het college zorgt voor en legt vast de interne regels voor de inkoop en de
                        aanbesteding van goederen, werken en diensten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12b.</nr><titel>Subsidieverstrekking en steunverlening</titel></kop><al>Het college zorgt voor en legt vast de interne regels voor de steunverlening
                        en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Inwerktreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van het begrotingsjaar
                            2008. De stukken voor dit begrotingsjaar en latere begrotingsjaren
                            voldoen aan de bepalingen van deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in de plaats van de “Financiële verordening
                            gemeente Goes” vastgesteld door de raad op 20 november 2003. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13a.</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><al>Investeringen die zijn geactiveerd voor de inwerkingtreding van deze
                        verordening worden afgeschreven volgens de destijds vastgestelde
                        afschrijvingstermijnen en methodiek, voor zover de raad niet heeft
                        aangegeven dat deze investeringen vervroegd moeten worden afgeschreven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt in de gemeentelijke stukken aangehaald onder de naam:
                        “Financiële verordening gemeente Goes”. </al><al/><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 13 december 2007. </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening> de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>drs. J.W. Scherpenzeel drs. D.J. van der Zaag.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><al><vet>TOELICHTING OP ARTIKELEN</vet></al><al/><al><vet>Inleiding</vet></al><al>De financiële verordening van de gemeente is een belangrijk instrument van de
                    raad om invloed uit te oefenen op het financiële proces. Met de verordening
                    regelt de raad op hoofdlijnen de spelregels voor het financieel beleid, de
                    financiële organisatie en het financieel beheer. Met de financiële verordening
                    creëert de raad waarborgen voor de kwaliteit van de financiële functie van de
                    gemeente. Ook geeft de verordening een nadere invulling aan de (financiële)
                    verantwoording van het college aan de raad. Gezien deze belangrijke functie
                    verdient de inhoud van de financiële verordening aandacht van de raad. </al><al/><al>In 2003 heeft de Vernieuwingsimpuls in het kader van de dualisering een
                    voorbeeld voor de nieuwe financiële verordening ex artikel 212 Gemeentewet
                    gepresenteerd. Veel gemeenten hebben het voorbeeld van de Vernieuwingsimpuls als
                    leidraad voor het opstellen van de eigen financiële verordening gebruikt. Ook de
                    gemeente Goes heeft het voorbeeld gevolgd. </al><al/><al>In de afgelopen vier jaar is veel ervaring opgedaan met de werking van de
                    financiële verordening. Daarbij zijn gemeenten tegen vragen en problemen
                    opgelopen. Veel gemeenten hebben het model van de vernieuwingsimpuls nagenoeg
                    integraal overgenomen. Ze hebben daarmee meer verplichtingen in huis gehaald dan
                    noodzakelijk. Er zijn onnodige administratieve lasten ontstaan. Ook is hiermee
                    de kans op problemen bij de rechtmatigheidcontrole van de accountant onnodig
                    vergroot.</al><al/><al>Dit heeft geleid tot de behoefte de verordening aan te passen. Om dit te
                    ondersteunen heeft de VNG een nieuwe versie van de modelverordening ex artikel
                    212 Gemeentewet ontwikkeld. Er is gesproken met verschillende partijen uit het
                    veld. Naast gemeenten (griffiers, financiële ambtenaren en raadsleden) waren dit
                    de provinciale toezichthouders, financiële consultants, medewerkers van het
                    ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en leden van de
                    commissie BBV. Het resultaat is tenslotte voor een laatste toets voorgelegd aan
                    onder andere accountants. Dit nieuwe model is thans gebruikt voor de invulling
                    van de hier voorliggende gewijzigde financiële verordening gemeente Goes. </al><al/><al><vet>Indeling en inhoud van de gewijzigde financiële verordening </vet></al><al>Voor de indeling van de verordening is de inhoud van artikel 212 Gemeentewet
                    gevolgd. Dit artikel zegt in lid 1 dat de financiële verordening de
                    uitgangspunten voor het financieel beleid en regels voor het financieel beheer
                    en de inrichting van de financiële organisatie moet bevatten. Deze elementen
                    komen terug in respectievelijk de hoofdstukken 3, 4 en 5 van deze gewijzigde
                    verordening. </al><al/><al>Het eerste lid van artikel 212 Gemeentewet stelt vervolgens aanvullende eisen
                    aan de inhoud van de verordening. Er moet worden gewaarborgd dat aan de eisen
                    van rechtmatigheid, verantwoording en interne controle wordt voldaan. Ook deze
                    eisen zijn terug te vinden in de indeling van de verordening. Zo behandelt
                    hoofdstuk 2 de verantwoording over de uitvoering van de begroting. In hoofdstuk
                    3 zijn kaders voor het financieel beleid en in hoofdstuk 5 kaders voor de
                    financiële organisatie opgenomen. Deze kaders maken tezamen de interne controle
                    waaronder de controle op de rechtmatigheid van de (financiële)
                    beheershandelingen mogelijk. Regels over interne controle zelf staan in
                    hoofdstuk 4, het hoofdstuk over het financieel beheer. De interne controle richt
                    zich mede op de rechtmatigheid van de (financiële) beheershandelingen.</al><al/><al> Het tweede lid van artikel 212 Gemeentewet geeft aan welke regels in elk geval
                    in de verordening moeten zijn opgenomen. De verordening moet in elk geval regels
                    bevatten voor waardering en afschrijving van vaste activa, grondslagen voor de
                    berekening van tarieven en prijzen en de algemene doelstellingen en te hanteren
                    richtlijnen en limieten voor de financieringsfunctie. Deze regels zijn opgenomen
                    in het hoofdstuk 3, het hoofdstuk over het financieel beleid. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 1. Definities </vet></al><al>Voor de gehanteerde begrippen in de verordening gelden de definities uit de
                    Gemeentewet, de Wet Fido, het Besluit begroting en verantwoording Provincies en
                    Gemeenten (BBV) en het Besluit accountantscontrole Provincies en Gemeenten.
                    Alleen de definitie over het begrip "administratie" is in de genoemde stukken
                    niet opgenomen, vandaar dat deze in artikel 1 is weergegeven (overeenkomstig de
                    definitie zoals opgenomen in de "oude" financiële verordening).</al><al/><al><vet>Artikel 2. Programma-indeling </vet></al><al>Dit artikel bevat de bepaling dat de indeling van de programma’s bij aanvang van
                    iedere raadsperiode door de raad wordt vastgesteld. Het BBV bepaalt in
                    aanvulling hierop dat het college de producten aan de programma’s toewijst.
                    Hiermee wordt niet gezegd dat elke nieuwe raadsperiode de gehele begroting en
                    jaarstukken overhoop moeten worden gehaald. In de meeste gevallen is dat om
                    beheertechnische redenen niet raadzaam. Als de indeling de vorige raadsperiode
                    goed is bevallen, kan deze ongewijzigd opnieuw worden vastgesteld. In andere
                    gevallen zijn (kleine) bijstellingen of wijzigingen meestal voldoende.</al><al/><al>Op grond van artikel 189 Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad
                    neemt uiteindelijk de beslissing welke bedragen zij voor taken en activiteiten
                    op de begroting beschikbaar stelt. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op
                    grond van artikel 192 Gemeentewet besluiten nemen tot wijziging van de
                    begroting. De gemeente kan slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor
                    op de begroting zijn gebracht (vierde lid artikel 189 Gemeentewet). De raad
                    stelt budgetten beschikbaar per programma.</al><al/><al><vet>Artikel 2a. Planning en controlcyclus </vet></al><al>Het artikel bepaalt dat het college ieder jaar aan de raad een overzicht
                    aanbiedt met daarin de data waarop belangrijke financiële stukken in de raad
                    worden geagendeerd. Het overzicht is bij wijze van spreken het spoorboekje voor
                    de raad en het college voor de financiële jaarplanning. </al><al/><al><vet>Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken </vet></al><al>In dit artikel zijn in aanvulling op het BBV bepalingen opgenomen voor de
                    inrichting van de begroting. Zo wordt in het eerste lid het college opgedragen
                    de productenraming bij de begroting te voegen. En zo wordt ook bepaald dat het
                    college de productrealisatie bij het jaarverslag dient te voegen. Dit zijn geen
                    standaard verplichting in het BBV. Wel moet men opletten dat de
                    productrealisatie inderdaad bij het jaarverslag wordt gevoegd en niet bij de
                    jaarrekening. Anders gaat deze onderdeel uitmaken van de accountantscontrole,
                    hetgeen niet de bedoeling van de wet is. In lid twee wordt de verplichting in
                    het BBV om in de begroting aandacht te besteden aan de investeringen nader
                    uitgewerkt door te bepalen dat er per programma de daarbij behorende nieuwe
                    investeringen in meerjarenperspectief worden opgenomen en bij de uiteenzetting
                    van de financiële positie een totaaloverzicht van de investeringen wordt
                    gegeven. Ten slotte wordt bepaald dat in de jaarrekening een overzicht van de
                    kapitaalskredieten wordt verstrekt waarin wordt weergegeven de oorspronkelijke
                    raming, de lasten en baten tot op heden en de restantraming.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Autorisatie begroting en kapitaalskredieten </vet></al><al>Artikel 4 bevat nadere regels voor de autorisatie van de begroting en
                    kapitaalskredieten. In de primitieve begroting vindt autorisatie van de baten en
                    lasten plaats op programmaniveau (lid 1). Voor begrotingswijzigingen doet het
                    college gedurende het jaar voorstellen aan de raad (lid 3). Dit kan via aparte
                    raadsvoorstellen en -besluiten die inhoudelijk een bepaald onderwerp behandelen
                    met de (eventueel) daarbij behorende begrotingswijziging of via de
                    bestuursrapportages. Naast lopende uitgaven doet een gemeenten investeringen.
                    Ook uitgaven voor investeringen moeten worden geautoriseerd. Ook hiervoor geldt
                    dat deze in beginsel per programma, via het meerjareninvesteringsprogramma (zie
                    art 3 lid 2), in de primitieve begroting worden geautoriseerd (dit geldt alleen
                    voor de eerste jaarschijf van het meerjareninvesteringsprogramma). Wel kan de
                    raad bij de begrotingsbehandeling aangegeven welke kapitaalskredieten hij op een
                    later tijdstip wenst te autoriseren. Zo kan de raad de autorisatie van politiek
                    belangrijke investeringen combineren met de behandeling van de inhoudelijke kant
                    van het investeringsvoorstel. Het bedrag voor een dergelijke investering blijft
                    wel op de begroting staan als voorziene uitgaaf, maar de raad autoriseert de
                    uitgaaf nog niet. Het college is nog niet bevoegd verplichtingen voor de
                    investering aan te gaan. Meestal komen gedurende het begrotingsjaar nieuwe
                    investeringsvoornemens op tafel die bij het opstellen van de ontwerp-begroting
                    nog niet waren voorzien. Het laatste lid van het artikel regelt de autorisatie
                    van de kapitaalskredieten voor deze investeringen. </al><al/><al><vet>Artikel 5. Tussentijdse rapportage </vet></al><al>Een belangrijk onderdeel van de planning en controlcyclus voor de raad zijn de
                    tussenrapportages. Op basis van tussenrapportages wordt de raad geïnformeerd
                    over de uitputting van budgetten en kapitaalskredieten en de voortgang van de
                    uitvoering van het beleid. In de in artikel 2a genoemde planning en
                    controlcyclus wordt aangegeven op welke momenten in het volgende jaar de
                    bestuursrapportages zullen worden opgesteld en behandeld. De raad bepaalt de
                    frequentie en de momenten (peildata) van het aantal rapportages. Gekozen kan
                    worden voor twee rapportagemomenten per jaar. De eerste bijvoorbeeld in juni
                    (peildatum 1 mei) waarin zowel de jaarrekening van jaar t-1, als de eerste
                    bestuursrapportage van jaar t en de perspectiefnota van jaar t+1 wordt
                    behandeld. De rapportage scope betreft dan de ontwikkelingen in de periode
                    september jaar t-1 tot en met februari jaar t met daarbij de verwachtingen tot
                    en met december jaar t. De tweede tussenrapportage kan bijvoorbeeld in november
                    in de raad (peildatum 1 september) en moet dan worden gezien als een voorlopige
                    jaarrekening. De rapportage scope is in dit geval januari tot en met december
                    jaar t. Het tweede lid bevat bepalingen over de minimale inhoud van de
                    rapportage. </al><al/><al><vet>Artikel 5a. Informatieplicht </vet></al><al>Dit artikel gaat over een nadere invulling van de informatieplicht van het
                    college aan de raad en betreft een uitwerking van het vierde lid van artikel 169
                    Gemeentewet. Dat artikel verplicht het college vooraf aan het aangaan van
                    bepaalde verplichtingen de raad inlichtingen te verstrekken indien de raad daar
                    om verzoekt of indien de uitoefening van deze bevoegdheden van het college
                    ingrijpende gevolgen heeft voor de gemeente. In het artikel verzoekt de raad het
                    college om informatie vooraf aan het aangaan van rechtshandelingen met een
                    financieel gevolg, indien het aangaan van deze verplichtingen de in het artikel
                    genoemde bedrag overschrijden. De bepalingen uit het artikel ontslaan het
                    college niet van de informatieplicht in andere gevallen. Ook moeten besluiten
                    van het college voor het doen van privaatrechtelijke rechtshandelingen passen
                    binnen de kaders van het beleid dat door de raad is uiteengezet. Het artikel
                    schept slechts duidelijkheid tussen het college en de raad over wanneer de raad
                    in elk geval vooraf wenst te worden geïnformeerd en in de gelegenheid wil worden
                    gesteld zijn wensen en bedenkingen aan het college kenbaar te maken. </al><al/><al><vet>Artikel 6. Waardering en afschrijving vaste activa </vet></al><al>In het tweede lid van artikel 212 Gemeentewet is onder letter a de
                    uitdrukkelijke bepaling opgenomen dat de financiële verordening in elk geval de
                    regels voor waardering en afschrijving van activa bevat. Hieraan is in artikel 6
                    invulling gegeven. Het BBV laat een aanzienlijke beleidsvrijheid aan gemeenten
                    voor het zelf vaststellen van de eigen afschrijvingsmethodieken en
                    afschrijvingstermijnen. Het eerste lid, waarin ten opzichte van de oude
                    verordening het minimum bedrag van activering wordt opgehoogd van € 10.000,00
                    naar € 25.000,00, is hier een concrete uitwerking van. In lid 2 tot en met 7
                    zijn nadere bepalingen opgenomen over de afschrijvingsmethoden en
                    afschrijvingstermijnen. Voor de vaste activa (met economisch nut) zijn daarbij
                    de maximale afschrijvingstermijnen als kader opgenomen (Bijlage I). Vaste activa
                    met een maatschappelijk nut worden alleen geactiveerd als de raad hiertoe
                    besluit (lid 8). </al><al/><al><vet>Artikel 7. Kostprijsberekening </vet></al><al>Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid, letter b dat de verordening
                    in ieder geval bevat de grondslagen voor de berekening van de door het
                    gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en tarieven voor rechten. De
                    grondslag voor de prijzen en tarieven vormt de samenstelling van de kostprijs
                    van de diensten waarvoor prijzen en heffingen in rekening worden gebracht. In
                    artikel 7 van de verordening staan de kaders voor de bepaling van de kostprijzen
                    van de gemeentelijke diensten. Lid 1 van het artikel bepaalt dat de kostprijs
                    bestaat uit de directe kosten en de indirecte kosten die direct met de dienst
                    samenhangen. Het tweede lid bepaalt dat onder de indirecte kosten ook worden
                    verstaan bijdragen aan voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van betrokken
                    activa en de compensabele BTW. Hiermee wordt invulling gegeven aan de
                    mogelijkheid die artikel 229b Gemeentewet biedt. De kaders in het artikel vormen
                    de basis waarbinnen het college haar systematiek van kostentoerekening kan
                    vormgeven en de kostenverdeelsleutels voor de toerekening van indirecte kosten
                    kan vaststellen. </al><al/><al><vet>Artikel 8. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen
                    </vet></al><al>Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten en leges is een
                    bevoegdheid van de raad, die niet kan worden gedelegeerd (artikel 156
                    Gemeentewet). Het vaststellen van de prijs voor een gemeentelijke dienst of de
                    levering van goederen of werken (welke niet vallen onder artikel 229
                    Gemeentewet) is een privaatrechtelijke besluit. Dergelijke besluiten zijn een
                    bevoegdheid van het college (eerste lid, letter e artikel 160 Gemeentewet). Het
                    college kan de hoogte van haar tarieven, heffingen een prijzen baseren op het
                    “oude” tarief verhoogd met een inflatiepercentage, op benchmarking van haar
                    tarieven met de markt (marktoriëntatie) of door detailberekening van haar
                    kostprijs. Om te voorkomen dat er na verloop van tijd een te grote marge
                    ontstaat tot gehanteerde tarieven en werkelijke kosten dient het college
                    minimaal eens per vier jaar een kostprijsberekening uit te voeren van de door de
                    gemeente te verstrekken diensten. </al><al>Daar waar bij het vaststellen van de prijs voor een gemeentelijke dienst of de
                    levering van goederen of werken een publiek belang in het geding is en prijzen
                    lager dan marktconform worden vastgesteld, is het aan de raad om het publiek
                    belang te definiëren en het college kaders mee te geven voor het afwijken van
                    marktconforme prijzen. </al><al/><al><vet>Artikel 9. Financieringsfunctie </vet></al><al>De financieringsfunctie (treasury) is een belangrijk onderdeel van het
                    middelbeheer. Gezien de kwetsbaarheid van deze functie bevat artikel 212
                    Gemeentewet de expliciete bepaling dat de financiële verordening hierover regels
                    voor het beleid en de organisatie bevat. In artikel 9 wordt invulling aan deze
                    wettelijke plicht gegeven. In artikel 1 worden de kaders van de
                    financieringsfunctie aangegeven. In het tweede lid is aangegeven dat nadere
                    richtlijnen voor de uitvoering van de financieringsfunctie door het college in
                    een treasurybesluit worden opgenomen. </al><al>Het verstrekken van leningen en garanties en het aangaan van financiële
                    participaties mogen gemeenten alleen uit hoofde van de publieke functie (artikel
                    2 Wet Fido). Indien er via de Wet Fido een verbod komt op het verstrekken van
                    hypothecaire geldleningen aan eigen personeel, dient het college de
                    hypotheekregeling hierop aan te passen.</al><al>Daarbij bepaalt het tweede lid van artikel 160 Gemeentewet dat een besluit tot
                    de oprichting van en de deelneming in stichtingen , maatschappen,
                    vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen
                    niet eerder wordt genomen dan nadat de raad een ontwerp-besluit is toegezonden
                    en hij zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college heeft kunnen
                    brengen. Daarbij draagt de verordening het college op bij het aangaan van
                    dergelijke overeenkomsten zo mogelijk zekerheden te bedingen. Dit laatste is
                    zeker als het om grote bedragen gaat, iets om op te letten. Als bij een gemeente
                    wordt aangeklopt voor bijvoorbeeld een lening of garantiestelling dan kan dit
                    een signaal zijn dat banken in voortkomende gevallen wellicht onvoldoende
                    vertrouwen hebben in de financiële gezondheid van de aanvrager. </al><al/><al><vet>Artikel 10. Administratie </vet></al><al>Onder artikel 10 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van
                    de gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens
                    systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens moeten
                    voldoen. </al><al/><al><vet>Artikel 11. Interne controle </vet></al><al>De accountant toetst jaarlijks van de gemeenterekening of deze een getrouw beeld
                    geeft van de gemeentelijke financiën en of de (financiële) beheershandelingen
                    die eraan ten grondslag liggen rechtmatig zijn verlopen. Artikel 11 draagt het
                    college op maatregelen te treffen opdat gedurende het jaar of vooraf aan de
                    accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de administraties
                    een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen die aan de baten
                    en lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen rechtmatig (zijn) verlopen.
                    In het tweede lid is opgenomen dat jaarlijks wordt gecontroleerd of de
                    administratie van waardepapieren e.d. overeenkomt met hetgeen de gemeente
                    daadwerkelijk bezit en eens in de 4 jaar wordt gecontroleerd of de administratie
                    van registergoederen en bedrijfsmiddelen overeenkomt met het daadwerkelijke
                    bezit. </al><al/><al><vet>Artikel 12. Financiële organisatie </vet></al><al>Artikel 12 geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie. Volgens het
                    eerste lid letter a van artikel 160 Gemeentewet is het college bevoegd regels
                    vast te stellen over de ambtelijke organisatie van de gemeente. Het college
                    wordt onder letter a, b, c, d en e van het artikel uit de verordening opgedragen
                    bepaalde van deze regels die de financiële organisatie betreffen, vast te leggen
                    in besluiten. </al><al/><al><vet>Artikel 12a. Inkoop en aanbesteding </vet></al><al>Artikel 12a draagt het college op een inkoopreglement op te stellen. Bij een
                    inkoopreglement kan men denken aan bijvoorbeeld het uitvaardigen van de regel
                    dat de afdelingen hun bureauartikelen moeten inkopen bij de leverancier bij wie
                    de gemeente een raamcontract heeft afgesloten. De regels in een dergelijk
                    inkoopreglement moeten natuurlijk wel Europa-proof zijn. Europese
                    aanbestedingsregels maar ook nationale aanbestedingsregels moeten worden
                    nageleefd en vormen het kader waarbinnen een dergelijk inkoopreglement moet
                    worden opgesteld. </al><al/><al><vet>Artikel 12b. Subsidieverstrekking en steunverlening </vet></al><al>Voor de steunverlening en subsidieverstrekking aan ondernemingen en instellingen
                    (die volgens het Europees mededingingsrecht als onderneming worden aangemerkt)
                    zijn de Europese staatssteunregels (artikel 87, 88 en 89 EG-verdrag), de
                    Europese regels voor diensten van algemeen economisch belang (artikel 86
                    EG-verdrag), de regels uit de Algemene Wet Bestuursrecht en de eigen
                    subsidieverordening van de gemeente van toepassing. Het artikel stelt dat het
                    college beheersmaatregelen neemt, die er voor zorgen dat deze regelgeving wordt
                    nageleefd. </al><al/><al><vet>Artikel 13. Inwerkingtreding </vet></al><al>De verordening treedt in de plaats van de vorige op grond van artikel 212
                    Gemeentewet ingestelde verordening. Het artikel bepaalt dat de verordening van
                    toepassing is op alle stukken van het genoemde begrotingsjaar en latere jaren.
                    De jaarstukken van het vorig begrotingsjaar moeten nog voldoen aan de bepalingen
                    uit de oude verordening. </al><al/><al><vet>Artikel 13a. Overgangsbepalingen </vet></al><al>Afwijkingen in afschrijvingstermijnen zoals in bijlage I van deze verordening
                    opgenomen ten opzichte van de termijnen zoals die worden gehanteerd voor de
                    bestaande activa worden niet aangepast. De termijnen zoals opgenomen in bijlage
                    I gelden voor alle nieuwe investeringen vanaf het moment van inwerkingtreding
                    van deze verordening. </al><al><vet>Artikel 14. Citeertitel </vet></al><al>Artikel 14 geeft de naam, waarmee in de gemeentelijke stukken naar deze
                    verordening moet worden verwezen. </al><al/><al><vet>Vaststelling </vet>Uitgaande stukken van de raad moeten door de
                    burgemeester worden ondertekend (artikel 75, lid 1 Gemeentewet). De griffier
                    moet de uitgaande stukken van de raad medeondertekenen (artikel 107c
                    Gemeentewet). Binnen twee weken na vaststelling door de raad moet het college de
                    verordening aan gedeputeerde staten zenden (artikel 214 Gemeentewet).
                    Gedeputeerde staten kunnen te allen tijde een onderzoek instellen naar het
                    beheer en de inrichting van de financiële organisatie en de verordening ex
                    artikel 212 Gemeentewet (artikel 215 Gemeentewet). De financiële verordening
                    heeft enkel interne werking en is dus niet een besluit van algemene strekking in
                    de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht. De verordening hoeft dan ook niet te
                    worden gepubliceerd, voordat zij in werking kan treden. </al></bijlage></regeling></body></cvdr>