<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR93916_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening gemeente Bergen 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bergen (NH)</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bergen (NH)</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeentekrant, 25 april 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening gemeente Bergen 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet veiligheidsregio's, art. 3</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-04-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-04-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>artikel 6, artikel 7 en toelichting</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Brandbeveiligingsverordening gemeente Bergen 2009</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening gemeente Bergen 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Bergen;</al><al>gelezen het voorstel van het college van Bergen van 18 januari 2011;</al><al>gezien het advies van de Algemene raadscommissie van 10 februari 2011;</al><al>overwegende dat het verplicht is een verordening vast te stellen omtrent het
                        voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar,
                        het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee
                        verband houdt; </al><al>gelet op het bepaalde in artikel 3 van de Wet veiligheidsregio's en de
                        aanpassing daarop (Stb 2010, 145 en 146); </al><al><vet>b e s l u i t:</vet></al><al>vast te stellen de <vet>BRANDBEVEILIGINGSVERORDENING GEMEENTE BERGEN
                            2011</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>een inrichting</cursief>: een voor mensen toegankelijke
                                ruimtelijk begrensde plaats voor zover die geen bouwwerk is;</al></li><li nr="b."><al><cursief>bouwwerk</cursief>: elke constructie van enige omvang van
                                hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van
                                bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is,
                                hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om
                                ter plaatse te functioneren;</al></li><li nr="c."><al><cursief>college</cursief>: het college van burgemeester en
                                wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college
                            verleende gebruiksvergunning een inrichting in gebruik te hebben of te
                            houden, voor zover daarin:</al><lijst><li nr="a."><al>meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn of,</al></li><li nr="b."><al>aan meer 10 personen bedrijfsmatig of in het kader van
                                    verzorging nachtverblijf zal worden verschaft of,</al></li><li nr="c."><al>aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer dan 10
                                    lichamelijk of geestelijk gehandicapte personen dagverblijf zal
                                    worden verschaft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning voorwaarden verbinden met
                            inachtneming van het gestelde in de artikelen 4 en 5.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning nieuwe voorwaarden verbinden
                            en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken, indien het belang
                            waarvoor de gebruiksvergunning is verleend dit vereist op grond van
                            verandering van inzichten of verandering van de omstandigheden gelegen
                            buiten de inrichting, opgetreden na het verlenen van de
                            gebruiksvergunning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 2
                            wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                            aanvrager de vergunning nodig heeft, kan het college besluiten de
                            aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het indienen van een aanvraag voor een gebruiksvergunning als
                            bedoeld in artikel 2 stelt het college een aanvraagformulier vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist op een aanvraag voor een gebruiksvergunning als
                            bedoeld in het eerste lid binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag
                            ontvangen is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de termijn als bedoeld in het eerste lid voor ten
                            hoogste acht weken verdagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van
                            toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Het college weigert een gebruiksvergunning, indien de in de aanvraag
                        vermelde wijze van gebruik van de inrichting niet brandveilig is door het
                        stellen van voorschriften ook niet kan worden bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Gebruikseisen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de artikelen
                        1.16, 1.17 en 6.5 en in de afdelingen 6.5, 6.6, 7.1 en 7.2 van het
                        Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676) zijn van overeenkomstige toepassing
                        op vergunningplichtige en niet vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Brandveiligheidsvoorzieningen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de afdelingen
                        6.7 en 6.8 van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676) zijn, met
                        uitzondering van de artikelen 6.28, 6.29 en 6.39, van overeenkomstige
                        toepassing op vergunningplichtige en niet vergunningplichtige
                        inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                        onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><al>De eigenaar van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die
                        voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een heideveld, een veen of een
                        ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in artikel 8, tweede lid,
                        onder b van de Woningwet, en dat met brandbare gewassen is begroeid, is
                        verplicht de voorschriften op te volgen, die het college geeft tot het
                        voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Bestuurlijke boete</titel></kop><al>Overtreding van de regels van deze verordening kan worden beboet met een
                        bestuurlijke boete van maximaal het bedrag, genoemd in artikel 34, vierde
                        lid, onder 1<sup>0</sup> van de Arbeidsomstandighedenwet. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Brandbeveiligingsverordening gemeente Bergen 2009 wordt ingetrokken</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen die zijn verleend onder de werking van de
                            Brandbeveiligingsverordening 2009 en de Brandbeveiligingsverordening
                            2001 en die van kracht zijn op het moment van inwerkingtreding van deze
                            verordening worden aangemerkt als vergunning krachtens deze
                            verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een
                            aanvraag om vergunning op grond van de Brandbeveiligingsverordening 2009
                            is ingediend waarop nog niet is beslist, wordt daarop deze verordening
                            toegepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om
                            vergunning krachtens de Brandbeveiligingsverordening 2009 wordt beslist
                            met toepassing van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking.
                    </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als Brandbeveiligingsverordening
                        gemeente Bergen 2011.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de</ondertekening><ondertekening>raad van de gemeente Bergen op 10 maart 2011</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/></kop><al><vet>Toelichting op de Brandbeveiligingsverordening gemeente Bergen 2011 zoals
                        vastgesteld bij raadsbesluit van 12 april 2012</vet></al><al/><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>De wetgever kondigt in de Wet veiligheidsregio’s en de aanpassing daarop in
                    artikel 3, derde lid, een algemene maatregel van bestuur aan over het
                    brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke ruimten, niet zijnde
                    bouwwerken. Deze amvb neemt als het ware de plaats in van de
                    brandbeveiligingsverordening (TK, vergaderjaar 2008-2009, 31 968, nr. 8, p.7).
                    Naar verwachting treedt deze amvb pas medio 2012 werking. Tot die tijd zal op de
                    grond van de Wet veiligheidsregio’s in elke gemeente een
                    brandbeveiligingsverordening van kracht moeten zijn. </al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s, het niet
                    beschikbaar zijn van de hiervoor bedoelde amvb en het ontbreken van relevant
                    overgangsrecht in de Wet veiligheidsregio’s dient er een nieuwe
                    brandbeveiligingsverordening te worden vastgesteld.</al><al>De bestaande brandbeveiligingsverordening is namelijk van rechtswege bij de
                    inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s op 1 oktober 2010 vervallen.</al><al/><al>Deze verordening is, gezien het tijdelijk karakter (tot de inwerkingtreding van
                    de amvb) terughoudend van aard. </al><al>De verordening is aangepast aan de Wet veiligheidsregio’s en de
                    Dienstenrichtlijn. Toegevoegd zijn regels voor de bestuurlijke boete.</al><al/><al><cursief>Brandbeveiligingsverordening is vangnet</cursief></al><al>De brandbeveiligingsverordening mag niet regelen voor zover daarin bij of
                    krachtens enig ander (hoger) wettelijk voorschrift is voorzien. Hierop moet bij
                    het stellen van regels nauwlettend worden toegezien. Feitelijk moet de gemeente
                    zich telkens weer afvragen in hoeverre een wettelijk voorschrift al voorziet of
                    mede (indirect) voorziet in de brandveiligheid die in de Wet veiligheidsregio’s
                    als opdacht aan het college is gegeven. In zo’n geval gaat dat wettelijk
                    voorschrift voor op de brandbeveiligingsverordening. Met andere woorden: de
                    brandbeveiligingsverordening is een vangnet voor brandveiligheidvoorzieningen
                    die noodzakelijk zijn maar waarvoor geen wettelijke basis voorhanden is. Voordat
                    een gemeente op basis van de brandbeveiligingsverordening eisen kan stellen moet
                    er onderzoek plaatsvinden naar wettelijke voorschriften die mogelijk van
                    toepassing zouden kunnen zijn en van rechtswege voorrang hebben. In de
                    dagelijkse praktijk zijn er natuurlijk een aantal standaard gevallen waarbij van
                    tevoren duidelijk is hoe zaken liggen.</al><al/><al><cursief>Onderwerp van de regeling: objecten die geen bouwwerk
                    zijn</cursief></al><al>De brandbeveiligingsverordening is een vangnet, een restregelgeving, zij regelt
                    de brandveiligheid die niet op een andere manier wettelijk is geregeld. Dit is
                    weliswaar een beperking, maar wel van een onbepaald onderwerp. Bij het
                    gebruiksvergunningensysteem van de brandbeveiligingsverordening gaat het
                    namelijk om objecten die geen bouwwerken zijn:
                        '<cursief>niet-bouwwerken</cursief>'. Het kan gaan om bijvoorbeeld een los
                    met de wal verbonden drijvend hotel, een drijvende discotheek of een tijdelijke
                    tent. Het onderwerp is vooraf niet te bepalen. </al><al/><al>De omschrijving in de Wet veiligheidsregio’s zelf kent een beperking van doel,
                    n.l. brandveiligheid, maar (behalve door andere wettelijke voorschriften) geen
                    beperking van object. De omschrijving is van toepassing op de gehele
                    omgeving.</al><al/><al>Voor een dergelijk object is het vanwege het feit dat niet van tevoren duidelijk
                    is waarom het gaat, moeilijk concrete regels te maken. Veel objecten lijken
                    echter op bekende bouwwerken. Overeenkomstig daaraan kunnen eisen worden
                    gesteld, afhankelijk van de specifieke situatie. </al><al/><al>Als voorbeeld dient een bouwwerk dat op de grond staat. Hiervoor is in elk geval
                    het Bouwbesluit 2012 en de bouwverordening ex de Woningwet van toepassing. Door
                    de definitie van het begrip bouwwerk in de bouwverordening en de toepassing
                    ervan in het Bouwbesluit 2012 is een constructie die drijft op het water meestal
                    geen bouwwerk in de zin van de Woningwet en afgeleide regelgeving. Voor een met
                    de grond verbonden object is de Woningwet het juridisch kader. Voor hetzelfde
                    object dat drijft is de brandbeveiligingsverordening het juridisch kader (voor
                    de brandveiligheid). Een ander voorbeeld: een tent die langdurig op dezelfde
                    plaats staat kan een bouwwerk zijn (Woningwet van toepassing), terwijl diezelfde
                    tent tijdens een kortdurende periode een 'niet-bouwwerk' is, waarvoor op grond
                    van de brandbeveiligingsverordening eisen moeten worden gesteld.</al><al/><al>Over de lastige vraag: wanneer is een object een bouwwerk volgt hieronder, mede
                    aan de hand van staande jurisprudentie, een toelichting</al><al/><al><cursief>Bouwwerk of geen bouwwerk, open erf en terrein</cursief></al><al>De Woningwet heeft een grote invloed op de reikwijdte van de
                    brandbeveiligingsverordening, deze wet bevat de wettelijke grondslag voor
                    voorschriften betreffende het bouwen, de staat van bestaande bouwwerken en
                    standplaatsen en het gebruik van bouwwerken. Het Bouwbesluit 2012 regelt ook het
                    gebruik van open erven en terreinen en de staat, waarin deze zich moeteen
                    bevinden. De beperking die de Woningwet en het Bouwbesluit 2012 opleggen, als
                    hogere regelingen, zit in de begrippen bouwwerk, open erf en terrein.</al><al/><al><cursief>Bouwwerk</cursief></al><al>Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Woningwet niet, de VNG houdt in
                    de modelbouwverordening een in de jurisprudentie aanvaarde definitie aan:</al><al>- <cursief>bouwwerk: </cursief>elke constructie van enige omvang van hout,
                    steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct
                    hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt
                    in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.</al><al/><al>Aan de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip bouwwerk </al><al/><al>1) constructie, </al><al>2) van enige omvang, </al><al>3) met de grond verbonden, </al><al>4) bedoeld om ter plaatse te functioneren,</al><al/><al>wordt bepaald of een object een bouwwerk is of niet.</al><al/><al>Over het begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide jurisprudentie, het is niet
                    zonder meer duidelijk wanneer aan de vier voorwaarden wordt voldaan om tot de
                    conclusie te komen dat een object een bouwwerk is. </al><al/><al>De jurisprudentie is te omvangrijk en te casuïstisch om hier weer te geven. Een
                    uitgebreide opsomming van jurisprudentie kunt u vinden in de toelichting op de
                    modelbouwverordening van de 'Standaardregelingen in de bouw' (Sdu uitgevers bv,
                    Den Haag).</al><al/><al><cursief>Open erf en terrein</cursief></al><al>Bouwwerken vallen niet onder de werking van de brandbeveiligingsverordening, ook
                    sommige open erven en terreinen vallen niet onder de werking van de verordening.
                    Het Bouwbesluit 2012 voorziet hierin. Hiervoor kunnen dus geen eisen worden
                    gesteld op grond van de brandbeveiligingsverordening. </al><al/><al>De begripsomschrijving van erf is overgenomen uit het Besluit omgevingsrecht
                    (Bor) dat op 1 juli 2010 in werking is getreden. Die omschrijving is afgeleid
                    uit de jurisprudentie (zie ABRvS 15 september 1997, LJN: AA3601, AB 1998, 5). </al><al/><al>Uitgangspunt is dat het gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel als erf
                    kan worden aangemerkt. Echter uit de systematiek van een bestemmingsplan of
                    beheersverordening kan voortvloeien dat bepaalde verder van het hoofdgebouw af
                    gelegen delen van een perceel niet als erf aangemerkt kunnen worden. Dit zal in
                    beginsel uitsluitend het geval kunnen zijn bij percelen van een aanzienlijke
                    omvang, veelal gelegen buiten de bebouwde kom. Bij dergelijke omvangrijke
                    percelen geven bestemmingsplannen of beheersverordeningen soms regels die het
                    perceel onderverdeelt in een bouwblok of bestemming, waarbinnen het hoofdgebouw
                    met bijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen gebouwd kunnen worden en waar
                    een verdere inrichting kan plaatsvinden als buitenruimte behorende bij het
                    hoofdgebouw.</al><al>Onder een terrein wordt verstaan een bij een bouwwerk behorend onbebouwd
                    perceel, of gedeelte daarvan, niet zijnde een erf. Om als terrein in de zin van
                    de bouwverordening te kunnen worden aangemerkt, moet dus aan vier voorwaarden
                    zijn voldaan: 1) het is een perceel grond, 2) dat onbebouwd is, 3) dat bij een
                    bouwwerk hoort en 4) dat geen erf is. </al><al/><al><cursief>Gebruiksvergunning voor een inrichting</cursief></al><al>De brandbeveiligingsverordening kent een gebruiksvergunningenstelsel voor die
                    situaties die uit een oogpunt van brandveiligheid meer dan gebruikelijke
                    aandacht nodig hebben. Gezien de onbepaaldheid van de situaties is niet gekozen
                    voor een meldingsplicht in plaats van een vergunningsplicht, omdat tussen die
                    situaties dan bij voorbaat onderscheid gemaakt moet worden. Daarnaast staan in
                    de brandbeveiligingsverordening gebruiksvoorwaarden waaraan altijd moet worden
                    voldaan.</al><al/><al>Voor het stellen van eisen via een vergunning of via de directe werking van de
                    verordening is het nodig dat de situatie waarop de vergunning of eisen van
                    toepassing is, is afgebakend: een ruimtelijk begrensde plaats, voor zover die
                    geen bouwwerk is. Kortheidshalve is gekozen voor één begrip: inrichting. </al><al/><al>Het is duidelijk dat voor een zo grote verscheidenheid aan situaties het niet
                    goed mogelijk is concrete eisen te stellen. Om dezelfde reden is het aanvragen
                    van een vergunning vormvrij. </al><al/><al>Het Bouwbesluit 2012 geeft richtlijnen voor de te stellen voorwaarden. </al><al>Aan een los aangemeerde drijvende hotelboot bijvoorbeeld kunnen dezelfde
                    brandveiligheidseisen worden gesteld als aan een vast met de wal verbonden
                    drijvende hotelboot (bouwwerk in de zin van de bouwverordening en de
                    Woningwet).</al><al/><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>De grote verscheidenheid aan situaties die kunnen voorkomen is de reden dat er
                    voor gekozen is de brandbeveiligingsverordening niet aan te haken aan de Wet
                    algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al/><al><cursief>Dienstenrichtlijn</cursief></al><al>De brandbeveiligingsverordening 2011 is aangepast aan de Dienstenrichtlijn.</al><al/><al><cursief>Toezicht op de naleving </cursief></al><al>Het toezicht op de naleving van de brandbeveiligingsverordening berust krachtens
                    artikel 61 van de Wet veiligheidsregio’s bij door burgemeester en wethouders
                    opgedragen ambtenaren.</al><al/><al>De minister van Veiligheid en Justitie wijst op grond van artikel 65 van de Wet
                    veiligheidsregio’s de ambtenaren aan belast met de opsporing van strafbare
                    feiten.</al><al/><al><cursief>Bestuurlijke boete</cursief></al><al>De Wet veiligheidsregio’s geeft de raad van een gemeente de bevoegdheid om,
                    indien de raad dat wenst, bij verordening te bepalen dat een bestuurlijke boete
                    wordt opgelegd voor overtreding van regels gesteld krachtens artikel 3, tweede
                    lid (brandbeveiligingsverordening) en derde lid (algemene maartregel van
                    bestuur, deze is nog niet opgesteld) van de wet. Het maximum bedrag van de boete
                    mag niet hoger zijn dan het bedrag, genoemd in artikel 34, vierde lid, onder
                        1<cursief>°van </cursief>de Arbeidsomstandighedenwet. Het bedrag dat daar is
                    genoemd, bedraagt nu € 9.000,--. </al><al>De Wet veiligheidsregio’s geeft geen verdere beschrijving van de uitvoering van
                    deze sanctie, zodat de gemeente alleen met de Algemene wet bestuursrecht
                    rekening hoeft te houden.</al><al/><al><cursief>Strafbepaling </cursief></al><al>Overtreding van de regels van deze verordening wordt op grond van artikel 64
                    eerste lid van de Wet veiligheidsregio’s gestraft met hechtenis van ten hoogste
                    een jaar of geldboete van de derde categorie. De wetgever heeft hier een
                    sluitende regeling beoogd, zodat er geen ruimte is voor een regeling op dit
                    gebied de verordening zelf.</al><al/><al><cursief>Overgangsrecht</cursief></al><al>In het artikel is twee keer de brandbeveiligingsverordening genoemd, omdat het
                    nodig kan zijn dat vergunningen op grond van de brandbeveiligingsverordening van
                    voor 2009 nog van kracht moeten zijn.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>