Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Oirschot

Verordening Maatregelen en handhaving IOAW en IOAZ

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieOirschot
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening Maatregelen en handhaving IOAW en IOAZ
CiteertitelVerordening Maatregelen en handhaving IOAW en IOAZ
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling is vervangen door de Verordening Participatiewet 2015.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Wet BUIG
  2. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers
  3. Wet inkomensvoorziening oudere en arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-201501-01-2015intrekking

16-12-2014

Elektronisch Gemeenteblad, 14-01-2015

MLN
07-04-201101-07-201001-01-2015Nieuwe verordening op grond van de wet BUIG

29-03-2011

Het Oirschots Weekjournaal, 07-04-2011

n.v.t.

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening Maatregelen en handhaving IOAW en IOAZ

De Raad van de gemeente Oirschot;gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Oirschot d.d. 1 maart 2011 ;gelet op artikel 147, eerste lid Gemeentewet, artikel 35, eerste lid, onderdelen b en c en artikel 20, tweede lid IOAW, alsmede artikel 35, eerste lid, onderdelen b en c en artikel 20, eerste lid IOAZoverwegende dat het noodzakelijk is het verlagen van IOAW en IOAZ uitkeringen bij wijze van sanctie bij verordening te regelen entevens overwegende dat het noodzakelijk is bij verordening regels te stellen met betrekking tot het bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van de IOAW en IOAZB E S L U I Tvast te stellen de volgende verordening:

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijving

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • b.

    IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • c.

    de IOAW/IOAZ: de IOAW alsmede de IOAZ, beiden voor zover zij op belanghebbende van toepassing zijn;

  • d.

    uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 5, eerste lid IOAW/IOAZ;

  • e.

    uitkeringsnorm: de op belanghebbende van toepassing zijnde netto grondslag, bedoeld in artikel 5, vierde lid IOAW/IOAZ;

  • f.

    maatregel: het verlagen van de uitkeringsnorm op grond van artikel 20, tweede lid IOAW en artikel 20, eerste lid IOAZ alsmede het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van een uitkering op grond van artikel 20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede lid IOAZ;

  • g.

    inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8 IOAW/IOAZ;

  • h.

    benadelingbedrag: bruto bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van een inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als uitkering op grond van de IOAW/IOAZ;

  • i.

    belanghebbende: hij die recht heeft op een uitkering op grond van de IOAW, voor zover hij is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, alsmede hij die recht heeft op een uitkering op grond van de IOAZ;

  • j.

    standaardmaatregel: de maatregel die passend is voor de gedraging zoals die in de verordening is opgenomen;

  • k.

    het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oirschot.

Artikel 2 Het opleggen van een maatregel

  • 1.

    Als de belanghebbende naar het oordeel van het college een verplichting als bedoeld in artikel 13 IOAW/IOAZ of een op grond van hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de uitkering verbonden verplichting – anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAZ - schendt, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd. Daarnaast wordt tevens een maatregel opgelegd indien belanghebbende onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ zich jegens het college zeer ernstig misdraagt.

  • 2.

    Het eerste lid is gelijkelijk van toepassing op de belanghebbende die een uitkering ontvangt op grond van de IOAW, wanneer hij de op basis van artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen op hem rustende verplichtingen schendt.

Artikel 3 Berekeningsgrondslag

De maatregel wordt toegepast op de uitkeringsnorm.

Artikel 4 Hoogte en duur van de maatregel

  • 1.

    Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.

  • 2.

    Tenzij in de verordening anders is bepaald bedraagt de duur van de maatregel een maand.

  • 3.

    De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 7, tweede lid

Artikel 5 Het besluit tot opleggen van een maatregel

In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het percentage waarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd of geweigerd, het bedrag waarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd of geweigerd en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel.

Artikel 6 Horen van belanghebbende

  • 1.

    Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

  • 2.

    Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien:

    • a.

      de vereiste spoed zich daartegen verzet;

    • b.

      de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; of

    • c.

      de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college of een door haar ingeschakelde derde, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 13 van IOAW/IOAZ

Artikel 7 Afzien van het opleggen van een maatregel

  • 1.

    Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:

    • a.

      elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of

    • b.

      de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaats gevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte een uitkering is verleend.

  • 2.

    Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

  • 3.

    Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.

  • 4.

    Het college kan volstaan met het opleggen van een waarschuwing indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding vormen.

Artikel 8 Ingangsdatum en tijdvak

  • 1.

    De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende uitkeringsnorm.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald.

Artikel 9 Samenloop van gedragingen en recidive

  • 1.

    Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als genoemd in artikel 2, inhouden, wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregelen rekening gehouden met elke verwijtbare gedraging afzonderlijk, waarbij de maatregelen worden gecumuleerd

  • 2.

    Het college kan de op grond van het eerste lid gecumuleerde maatregelen lager vaststellen indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

  • 3.

    De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbare aan te merken gedraging, met uitzondering van het gestelde in artikel 16, lid 2 sub f en g.

  • 4.

    Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 7, tweede lid.

Hoofdstuk 2 Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid

Artikel 10 Indeling in categorieën

Gedragingen van de belanghebbende waardoor de verplichtingen op grond van artikel 37 van de IOAW/IOAZ, anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAW/IOAZ, niet of onvoldoende zijn nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • 1.

    Eerste categorie:a. het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;b. het niet of niet tijdig ondertekenen, of het niet aan het college verstrekken, van het trajectplan

  • 2.

    Tweede categorie:a. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;b. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeids- inschakeling.

  • 3.

    Derde categoriea. gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren;b. het niet of in onvoldoende gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale activering;c. het niet, niet tijdig dan wel in onvoldoende mate voldoen aan de verplichtingen welke zijn opgenomen in het trajectplan.

Artikel 11 De hoogte en duur van de maatregel

  • 1.

    Onverminderd artikel 4, eerste lid, wordt de maatregel vastgesteld op:

    • a.

      5% van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de eerste categorie;

    • b.

      0% van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de tweede categorie;

    • c.

      20 % van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de derde categorie.

Hoofdstuk 3 Het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid, alsmide het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden

Artikel 12 Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid

  • 1.

    Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college, met in achtneming van artikel 20, vierde lid IOAW/IOAZ, voor onbepaalde duur een maatregel op indien de belanghebbende door eigen toedoen een inkomen uit of in verband met arbeid is verloren en:

    • a.

      aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; dan wel

    • b.

      de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.

  • 2.

    De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door dit gedrag verloren netto inkomen.

  • 3.

    Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het eerste lid binnen een door haar te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.

Artikel 13 Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid

  • 1.

    Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college voor onbepaalde duur een maatregel op indien de belanghebbende een uitkering ontvangt op basis van de IOAW en hij weigert hem aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden.

  • 2.

    De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door eigen toedoen niet verkregen netto inkomen uit deze arbeid.

  • 3.

    Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het eerste lid binnen een door haar te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.

Hoofdstuk 4 Het niet nakomen van de inlichtingenplicht

Artikel 14 Te laat verstrekken van gegevens

Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college een maatregel op van vijf procent van de uitkeringsnorm, indien belanghebbende de verplichting op grond van artikel 13 IOAW/IOAZ niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de verlening van de uitkering of de voortzetting daarvan niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn te verstrekken.

Artikel 15 Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de uitkering

Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college een maatregel op van vijf procent van de uitkeringsnorm, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 13 IOAW/IOAZ niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekken van een uitkering.

Artikel 16 Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de uitkering

  • 1.

    Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel13 IOAW/IOAZ heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekken van een uitkering, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het benadelingbedrag.

  • 2.

    Onverminderd artikel 4, eerste lid, wordt de maatregel op de volgende wijze vastgesteld:

    • a.

      bij een benadelingbedrag tot € 500,-: 10% van de uitkeringsnorm;

    • b.

      bij een benadelingbedrag van € 500,- tot € 1.000,-: 20% van de uitkeringsnorm;

    • c.

      bij een benadelingbedrag van € 1.000,- tot € 2.000,-: 40% van de uitkeringsnorm;

    • d.

      bij een benadelingbedrag van € 2.000,- tot € 4.000,-: 60% van de uitkeringsnorm

    • e.

      bij een benadelingbedrag van € 4.000,- tot € 10.000,-: 100% van de uitkeringsnorm.

    • f.

      bij een benadelingsbedrag van € 10.000,- of hoger: 100% van de uitkeringsnorm gedurende 2 maan- den, indien het Openbaar Ministerie niet tot vervolging overgaat;

    • g.

      bij recidive binnen 5 jaar waarbij één van de benadelingsbedragen minimaal € 3.000,- bedraagt:100% van de uitkeringsnorm gedurende 4 maanden, indien het Openbaar Ministerie niet tot vervol- ging overgaat.

Hoofdstuk 5 Zeer ernstige misdragingen

Artikel 17 Zeer ernstige misdragingen

  • 1.

    Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college een maatregel op indien belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ.

  • 2.

    De volgende maatregelen worden bij de te onderscheiden categorieën opgelegd:

    • a.

      Bij gedragingen in de eerste categorie, te weten verbaal geweld: 20% van de uitkeringsnorm.

    • b.

      Bij gedragingen in de tweede categorie, te weten intimidatie of zaakgericht fysiek geweld: 40% van de uitkeringsnorm.

    • c.

      Bij gedragingen in de derde categorie, te weten mensgericht fysiek geweld: 100% van de uitkeringsnorm.

Hoofdstuk 6 Handhavingsbeleid

Artikel 18 Handhavingsplan

  • 1.

    Het college draagt in het kader van de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet, zorg voor het opstellen van een handhavingsplan.

  • 2.

    In het in het eerste lid genoemde handhavingsplan komt op zijn minst tot uitdrukking:

    • a.

      een gemeentelijke visie op handhaving;

    • b.

      aanpak fraudepreventie;

    • c.

      aanpak frauderepressie.

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen

Artikel 19 Uitvoering en nadere regels

  • 1.

    De uitvoering van deze verordening berust bij het college.

  • 2.

    Het college kan in situaties waarin deze verordening niet voorziet nadere regels stellen.

Artikel 20 Hardheidsclausule

Het college kan afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening naar het oordeel van het college tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 21 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking en heeft een terugwerkende kracht tot 1 juli 2010

Artikel 22 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatregelen en handhaving IOAW en IOAZ 2010.

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 29 maart 2011De griffier,                                                                     De voorzitter, 

Toelichting 1 Algemeen

Met ingang 1 januari 2010 is de Wet bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Wet BUIG) in werking getreden. Hierdoor hebben de gemeenten een grotere financiële en beleidsmatige verantwoordelijkheid rond de uitvoering van de IOAW, IOAZ, WWIK en Bbz 2004 gekregen.De IOAW, IOAZ en het Bbz 2004 kenden tot 1 januari 2010 een financieringsystematiek waarbij 75% bij het Rijk kon worden gedeclareerd en 25% drukte op het gemeentelijke budget; de WWIK kende daarnaast een financieringssystematiek waarbij 100% kon worden gedeclareerd. Per 1 januari 2010 is een systeem van volledige budgetfinanciering ingevoerd, zoals dit reeds van toepassing is op het WWB-inkomensdeel.Met de Wet BUIG worden de financiële middelen van de ‘kleine inkomensregelingen’ gebundeld in het volledig gebudgetteerde I-deel dat de gemeente ontvangt voor de bijstandsverstrekking op grond van de WIJ/WWB. Gemeenten krijgen door de wet aldus een grotere verantwoordelijkheid en lopen ook meer financieel risico.Door de Wet BUIG wordt het aantal landelijke regels teruggedrongen. In de plaats komt een grotere beleidsruimte voor de gemeente. Daardoor wordt van de gemeente ook gevraagd om op een aantal punten zelf beleid te ontwikkelen.De “Verordening maatregelen en handhaving IOAW en IOAZ 2010” voorziet in het afstemmingsbeleid voor de IOAW en IOAZ. Dit beleid was geregeld bij Algemene Maatregel van Bestuur. Deze landelijke regeling, alsmede de desbetreffende boetebepalingen, zijn echter met de Wet BUIG komen te vervallen. Op basis van het inwerkingtredingbesluit is het aan de gemeenten om in een bij verordening vastgelegd beleid te voorzien.In de opgestelde verordening is er uitdrukkelijk voor gekozen om met betrekking tot de IOAW en IOAZ te komen tot een zo veel mogelijk analoog aan het WIJ/WWB-regime toe te passen afstemmingsbeleid.Daarbij is voor wat betreft de hoogte van de op te leggen maatregelen aangesloten bij de hoogte van de maatregelen zoals die in de “Verordening afstemming en handhaving WWB 2007” en de “Verordening maatregelen en handhaving WIJ 2009” zijn opgenomen. Op deze manier wordt geborgd dat er een gelijksoortig maatregelregime is voor dezelfde gedragingen, ongeacht welke “uitkeringswet” van toepassing is.Opgemerkt dient te worden dat in afwijking van de WWB, de IOAW en IOAZ in een aantal situaties de mogelijkheid creëren om de uitkering (gedeeltelijk) blijvend te weigeren dan wel een maatregel voor onbepaalde duur op te leggen.Daar waar in de verordening een weigering voor onbepaalde duur is opgenomen is daaraan de bevoegdheid van het college gekoppeld om de maatregel te herzien, indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.Indien geen herzieningsmogelijkheid zou worden ingebouwd zou nl. het maatregelregime te veel afwijken van het regime voor WIJ/WWB en zou er geen ruimte zijn voor het rekening houden met de individuele situatie van betrokkenen.HandhavingOp grond van art. 35 van de IOAW en IOAZ dient de gemeenteraad tevens bij verordening regels te stellen met betrekking tot het bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van de IOAW en IOAZ. De WIJ en de WWB kennen een soortgelijke verplichting.In de Verordening afstemming en handhaving WWB 2007 zijn regels vastgesteld ten aanzien afstemming en ten aanzien van misbruik en oneigenlijk gebruik van de WWB.In de verordening maatregelen en handhaving WIJ 2009 zijn beide onderwerpen ook gecombineerd in één verordening. Hierdoor hoefde geen afzonderlijke fraudeverordening te worden opgesteld. Deze systematiek is ook nu weer gevolgd en beide onderwerpen (maatregelen en handhaving) zijn verwerkt in deze verordening. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTINGArtikel 1. BegripsomschrijvingDit artikel bevat de verschillende begripsomschrijvingen. Een aantal omschrijvingen verdient enige extra aandacht.Onder c. de IOAW/IOAZGekozen is voor een definitie die gelijktijdig naar beide wetten verwijst nu een groot deel van de bepalingen in beide wetten identiek is qua nummering en inhoud en aldus voorkomen wordt dat steeds specifiek naar elke afzonderlijke wet verwezen moet worden.Onder e. uitkeringsnormDe WWB werkt met verlagingen op de netto bijstand. Om een identiek systeem in de IOAW en IOAZ te creëren is het wenselijk om een begrip te introduceren dat verwijst naar een netto norm.Onder f. maatregelIn afwijking van de WWB wordt ook het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van de uitkering binnen deze verordening als maatregel aangemerkt. Dit houdt verband met de extra mogelijkheden binnen de IOAW en IOAZ op dit vlak.Onder g. inkomenQua inkomensbegrip wordt aangesloten bij het inkomensbegrip binnen de IOAW en IOAZ. Dit wijkt af van het binnen de WWB gehanteerde inkomensbegrip.Onder i. belanghebbendeDaar de in artikel 20, tweede lid IOAW opgenomen bevoegdheden tot het opleggen van een maatregel, blijkens dat artikel, daar enkel gelden voor de persoon die is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, is ook het begrip belanghebbende in die zin ingeperkt.Artikel 2. Het opleggen van een maatregelDit artikel bundelt het bepaalde in artikel 20, eerste lid IOAZ en artikel 20, tweede lid IOAW.

Artikel 3. BerekeningsgrondslagZoals reeds aangegeven wordt de maatregel toegepast op de netto norm.Artikel 4. Hoogte en duur van de maatregelDit artikel bepaalt de algemene duur van een maatregel op 1 maand. Door de duur van de maatregel in de algemene bepalingen op te nemen, wordt voorkomen dat overal waar een maatregel wordt genoemd steeds weer moet worden aangegeven dat deze voor 1 maand wordt opgelegd. Het derde lid maakt hier een algemene uitzondering op, door bij recidive de duur te verdubbelen.Artikel 5. Het besluit tot opleggen van een maatregel Het verlagen van de inkomensvoorziening omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name het motiveringsbeginsel. Het motiveringsbeginsel houdt onder andere in dat een besluit aan betrokkene kenbaar is gemaakt en deugdelijk is gemotiveerd (afdeling 3.7 Awb ).Artikel 6. Horen van belanghebbendeBehoeft geen nadere toelichtingArtikel 7. Afzien van het opleggen van een maatregelEerste lidEen reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt danwel dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het college geen maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden.Tweede lidHierin wordt geregeld dat om dringende redenen kan worden afgezien van het opleggen van een maat- regel. Wat dringende redenen zijn is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd.Derde lidHet besluit om af te zien van een maatregel kan wel een rol spelen bij het vaststellen van recidive (artikel 4 lid 3). Om die reden moet het besluit af te zien van een maatregel om dringende redenen schriftelijk kenbaar worden gemaakt aan de belanghebbende.Vierde lidHierin wordt geregeld dat het college kan volstaan met het opleggen van een waarschuwing in bijzondere omstandigheden. Wat bijzondere omstandigheden zijn, is afhankelijk van de individuele situatie van de belanghebbende. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een belanghebbende die zeer actief meewerkt aan zijn arbeidsinschakeling, maar een enkele keer is vergeten zijn inschrijving bij het UWV- WERKbedrijf te verlengen. In dit geval zou het toepassen van een verlaging op de uitkering een te zware maatregel kunnen zijn, terwijl het toch goed is een waarschuwing te geven om het belang van de inschrijving te onderstrepen.Artikel 8. Ingangsdatum en tijdvakEerste lidHet opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering. Verlaging van de inkomensvoorziening kan in beginsel op twee manieren:• met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de inkomensvoorziening; of• door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende maand(en).Het verlagen van de inkomensvoorziening die in de nabij toekomst wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode. De gemeente hoeft in dat geval niet over te gaan tot herziening van de inkomensvoorziening en het te veel betaalde bedrag aan inkomensvoorziening terug te vorderen. Om die reden is in dit lid vastge- legd dat een maatregel in beginsel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand waarover de inkomensvoorziening nog niet betaalbaar is gesteld, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende uitkeringsnorm.Tweede lidWanneer een inkomensvoorziening nog niet (volledig) aan de belanghebbende is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de inkomensvoorziening te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald.Artikel 9. Samenloop van gedragingen en recidiveDit artikel regelt de situatie dat één gedraging de schending oplevert van meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen (eerste lid) dan wel de situatie waarin sprake is van meerdere gedragingen (tweede lid).Artikel 10. Indeling in categorieënDe gedragingen die verband houden met het niet nakomen van een aantal in art. 37 van de IOAW/IOAZ opgenomen verplichtingen, worden in drie categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet realiseren of behouden van arbeidsinschakeling.Ten opzichte van de WWB-afstemmingsverordening zijn in deze bepaling geen gedragingen opgenomen die verband houden met het niet aanvaarden dan wel het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid. Dit houdt verband met het feit dat juist bij deze gedragingen de IOAW en IOAZ de mogelijkheid biedt tot tijdelijke of blijvende (gedeeltelijke) weigering van de uitkering. De sanctie bij deze vorm van gedragingen is daarom in een apart hoofdstuk opgenomen (hoofdstuk 3).Artikel 11. De hoogte en duur van de maatregelIn het tweede lid is uitwerking gegeven aan de binnen de IOAW geboden mogelijkheid om bij het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid de uitkering (gedeeltelijk) te weigeren voor onbepaalde tijd.Artikel 12. Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid en Artikel 13. Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeidIn deze bepalingen zijn de mogelijkheden die de IOAW en IOAZ biedt om de uitkering (tijdelijk en/blijvend geheel of gedeeltelijk) te weigeren volledig uitgewerkt.Artikel 14. Te laat verstrekken van gegevensBehoeft geen nadere toelichtingArtikel 15. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de uitkeringIn dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft voor de hoogte van de uitkering.Artikel 16. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de uitkeringEerste lidIn het geval dat de inlichtingenplicht van art. 13 IOAW/IOAZ heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog verstrekken van de uitkering wordt de op te leggen maatregel afgestemd op de hoogte van het benaderingsbedrag. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelings- bedrag. Tweede lidDe maatregel wordt afgestemd op de hoogte van het bedrag dat ten onrechte of te veel aan uitkering is verstrekt (het fraudebedrag). Dit lid regelt de hoogte van de maatregelen die voor, de te onderscheiden categorieën van ten onrechte of te veel ontvangen uitkering, worden opgelegd. Met de indeling in categorieën wordt bewerkstelligd dat de maatregel toeneemt naarmate het fraudebedrag hoger is.Artikel 17. Zeer ernstige misdragingenEerste lidOnder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd.In de IOAZ/IOAZ wordt gesproken over ‘het zich jegens het college zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college en zijn ambtenaren aanleiding zijn voor het opleggen van een maatregel. Er kan dus geen maatregel worden opgelegd als een klant zich agressief heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere organisatie die belast is met de uitvoering van de IOAW/IOAZ (bijvoorbeeld een re-integratiebedrijf). Het is in dat geval wellicht wel mogelijk om een maatregel op te leggen op grond van art. 10 van deze verordening.Tweede lidDe categorieën geven de respectievelijke graad van de ernstige misdragingen aan. De daarbij te nemen maatregelen nemen overeenkomstig in zwaarte toe. Hierbij worden de volgende categorieën van misdragingen onderscheiden:a. verbaal geweld (schelden, discriminatie);b. intimidatie (uitoefenen van psychische druk), zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);c. mensgericht fysiek geweld (mishandeling).Indien zich meerdere agressieve gedragingen tegelijkertijd voordoen, wordt overwogen meerdere maatregelen toe te passen.Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl het daarnaast met betrekking tot deze gedraging ook nog aangifte kan doen bij de politie.Artikel 18. HandhavingsplanMiddels deze bepaling wordt uitvoering gegeven aan de verplichting die de IOAW en IOAZ opleggen aan de gemeenteraad om bij verordening regels te stellen met betrekking tot het bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van deze regelingen. De bepaling is identiek aan hetgeen in de verordening afstemming en handhaving WWB 2007 en in de Verordening maatregelen en handhaving WIJ 2009 is opgenomen terzake van dezelfde verplichting op grond van de WWB en de WIJ.Artikel 19. Uitvoering en nadere regelsEvenals de uitvoering van de WWB en de WIJ ligt de uitvoering van deze verordening bij het college.Indien het college dat noodzakelijk acht, kan het nadere regels vaststellen voor de uitvoering.Artikel 20. HardheidsclausuleOp grond van dit artikel heeft het college de bevoegdheid de artikelen van deze verordening buiten toepassing te verklaren of daarvan af te wijken voor zover onverkorte toepassing van deze artikelen onredelijk dan wel onbillijk zal zijn.Artikel 21. InwerkingtredingDit artikel behoeft geen toelichtingArtikel 22. CiteertitelDit artikel behoeft geen toelichting