<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR92891_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie gedeputeerden. staten- en commissieleden</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Drenthe</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Drenthe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal blad, 2013, 51</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Provinciewet">Provinciewet, </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-11-13</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-03-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-23</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>artikel 14 tot en met 20 vervallen</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013008439</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De verordening is als volgt gewijzigd: artikelen 14 tot en met 20 vervallen en dit treedt in werking na de eerstkomende statenverkiezingen in 2015 en uitsluitend voor de nieuw gekozen en herkozen statenleden.</al><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 13-11-2203</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: Provinciaal blad, 2013, 51</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie gedeputeerden. staten- en commissieleden</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Inhoud</titel></kop><artikel><kop><titel>HOOFDSTUK I, BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN</titel></kop><al/><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>a. commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                            Provinciewet;</al><al>b. Rechtspositiebesluit gedeputeerden: het Koninklijk besluit van 22
                            maart 1994, Staatsblad nummer 241;</al><al>c. Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden: het Koninklijk
                            besluit van 22 maart 1994, Staatsblad nummer 242;</al><al>d. Reisbesluit binnenland: het Koninklijk besluit van 1 maart 1993,
                            Staatsblad nummer 144;</al><al>e. Reisregeling binnenland: het besluit van de minister van binnenlandse
                            zaken van 16 maart 1993, nummer AB93/U280, Staatscourant nummer 56;</al><al>f. statenlid: lid van provinciale staten, niet zijnde gedeputeerde;</al><al>g. Verplaatsingskostenbesluit 1989: het Koninklijk besluit van 6 oktober
                            1989, Staatsblad nummer 424;</al><al>h. griffier: de griffier, bedoeld in artikel 97, eerste lid, van de
                            Provinciewet;</al><al>i. provinciesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 97, eerste
                            lid, van de Provinciewet. </al></artikel><artikel><kop><titel>HOOFDSTUK II, VOORZIENINGEN VOOR STATENLEDEN</titel></kop><al/><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2, Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><al>Aan het statenlid wordt een vergoeding voor de werkzaamheden toegekend
                            die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het
                            Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, zoals dit bedrag
                            jaarlijks ingevolge artikel 2, tweede lid, van genoemd
                            Rechtspositiebesluit bij ministeriële regeling wordt gewijzigd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2a, Toelagen</titel></kop><al>1. Naast de vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2,
                            ontvangen fractievoorzitters in provinciale staten voor de duur van hun
                            voorzitterschap per jaar een toelage gelijk aan 1,2% van die vergoeding
                            op jaarbasis en een toelage gelijk aan 0,4% van die vergoeding op
                            jaarbasis voor elk statenlid dat de fractie buiten de fractievoorzitter
                            telt. De toelagen tezamen bedragen ten hoogste 6,4% van die vergoeding
                            op jaarbasis.</al><al>2. Voor de toepassing van het eerste lid stelt de Commissaris van de
                            Koningin vast:</al><al>a. hoeveel statenleden een fractie telt;</al><al>b. de duur van het fractievoorzitterschap.</al><al>3. Het statenlid dat lid is van de vertrouwenscommissie, bedoeld in
                            artikel 61, derde lid, van de Provinciewet, dan wel de
                            rekenkamerfunctie, bedoeld in artikel 79p van de Provinciewet, uitoefent
                            dan wel lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 151a,
                            derde lid, van de Provinciewet, ontvangt voor de duur van het
                            lidmaatschap van de commissie dan wel de duur van de activiteiten per
                            jaar een toelage van 5% van de vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld
                            in artikel 2, op jaarbasis.</al><al>4. Voor de toepassing van het derde lid stelt de Commissaris van de
                            Koningin de duur van het lidmaatschap van de commissie dan wel de duur
                            van de activiteiten vast.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3, Onkostenvergoeding</titel></kop><al>Aan het statenlid wordt een onkostenvergoeding voor aan de uitoefening
                            van het statenlidmaatschap verbonden kosten toegekend die gelijk is aan
                            het bedrag, vermeld in artikel 2, derde lid, van het
                            Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, zoals dit bedrag
                            jaarlijks ingevolge artikel 2, vierde lid, van genoemd
                            Rechtspositiebesluit bij ministeriële regeling wordt gewijzigd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4, Berekening en betaling</titel></kop><al>1. Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar statenlid is
                            geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3, naar
                            evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar statenlid is
                            geweest.</al><al>2. De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3, en
                            van de toelagen, bedoeld in artikel 2a, geschiedt in maandelijkse
                            termijnen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5, Reiskosten</titel></kop><al>1. Aan het statenlid worden vergoed de reiskosten voor het bijwonen van
                            vergaderingen van provinciale staten en van een commissie, alsmede de
                            reiskosten ter zake van andere ten behoeve van de provincie gemaakte
                            reizen.</al><al>2. De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft:</al><al>a. bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een taxi: een
                            volledige vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                            reiskosten;</al><al>b. bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van de in
                            redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten overeenkomstig de
                            bedragen in de artikelen 2 en 4 van de Reisregeling binnenland.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6, Verblijfkosten </titel></kop><al>Het statenlid worden vergoed de gemaakte noodzakelijke verblijfkosten
                            voor het bijwonen van vergaderingen van provinciale staten en van een
                            commissie, alsmede ter zake van andere ten behoeve van de provincie
                            gemaakte reizen, tot ten hoogste de bedragen, vastgesteld bij of
                            krachtens het Reisbesluit binnenland.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7, Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><al>1. De kosten van deelname van een statenlid aan cursussen, congressen,
                            seminars en symposia die in het provinciaal belang door of namens de
                            provincie worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                            provincie.</al><al>2. Het statenlid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                            symposium dat niet door of namens de provincie wordt aangeboden of
                            verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag gaat
                            vergezeld van inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie. De
                            kosten komen voor rekening van de provincie als deelname van belang is
                            in verband met de vervulling van het statenlidmaatschap.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8, Computer en internetverbinding</titel></kop><al>1. Op aanvraag stellen gedeputeerde staten het statenlid ten laste van
                            de provincie voor de uitoefening van het statenlidmaatschap een
                            computer, bijbehorende apparatuur en software in bruikleen ter
                            beschikking. </al><al>2. Indien geen computer, bijbehorende apparatuur en software ten laste
                            van de provincie ter beschikking is gesteld, verlenen gedeputeerde
                            staten een statenlid op aanvraag voor de uitoefening van het
                            statenlidmaatschap een tegemoetkoming voor de aanschaf of het gebruik
                            van een eigen computer, bijbehorende apparatuur en software. De
                            tegemoetkoming bedraagt per jaar 30% van de aanschafwaarde daarvan voor
                            een periode van maximaal 3 jaar. Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan van
                            de aanschafwaarde van de computer, bijbehorende apparatuur en software
                            die gedeputeerde staten aan statenleden in bruikleen ter beschikking
                            stellen.</al><al>3. Op aanvraag ontvangt het statenlid een vast bedrag ter vergoeding van
                            de aanleg- en abonnementskosten voor de internetverbinding voor de in
                            het eerste of tweede lid genoemde computerapparatuur. Gedeputeerde
                            staten stellen de hoogte van het in de eerste volzin bedoelde bedrag van
                            de vergoeding vast. </al><al>4. Het statenlid ondertekent voor de bruikleen een bruikleenovereenkomst
                            met de provincie. Gedeputeerde staten stellen het model van de
                            bruikleenovereenkomst vast.</al><al>5. Gedeputeerde staten kunnen ter uitvoering van dit artikel nadere
                            regels vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9, Spaarloonregeling</titel></kop><al>Het statenlid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef
                            en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing
                            van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt, kan op aanvraag
                            deelnemen aan de voor het provinciaal personeel geldende
                            spaarloonregeling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10, Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>Op aanvraag verlagen gedeputeerde staten de vergoeding voor de
                            werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, in het geval een statenlid een
                            uitkering ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke
                            arbeidsongeschiktheid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11, Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><al>1. In het geval een statenlid een uitkering op grond van de
                            Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die wet
                            ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van
                            het statenlidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde
                            vergoeding voor de werkzaamheden die het statenlid ontvangt, wordt deze
                            vergoeding ten laste van de provincie verhoogd tot het bedrag van
                            bedoelde korting.</al><al>2. In het geval dat een statenlid een uitkering op grond van het Besluit
                            werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel ontvangt en de na
                            toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit ontstane korting
                            op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het
                            statenlidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde vergoeding
                            voor de werkzaamheden die het statenlid ontvangt, wordt deze vergoeding
                            ten laste van de provincie verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting.
                        </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12, Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van
                                provinciale staten</titel></kop><al>1. Een statenlid dat op grond van artikel 75 van de Provinciewet meer
                            dan 30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van provinciale staten
                            waarneemt, ontvangt voor die waarneming een toeslag van 8% van de in
                            artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden over de tijd van de
                            waarneming. </al><al>2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
                            onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13, Ziektekostenvoorziening </titel></kop><al>1. Het statenlid ontvangt een tegemoetkoming in de kosten van een
                            ziektekostenverzekering van € 175,-- per jaar. </al><al>2. Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar statenlid is
                            geweest ontvangt de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, naar
                            evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar statenlid is
                            geweest.</al><al>3. De betaling van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid,
                            geschiedt in maandelijkse termijnen.</al><al>4. Indien de nominale eindejaarsuitkering van het personeel werkzaam bij
                            de Sector Rijk wijziging ondergaat wordt het in het eerste lid genoemde
                            bedrag naar evenredigheid gewijzigd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13a, Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel</titel></kop><al>Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
                            onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen:</al><al>a. de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3;</al><al>b. de verstrekkingen, bedoeld in artikel 8, eerste lid;</al><al>c. de vergoeding bedoeld in artikel 8, derde lid.</al><al>[Vervallen na de eerstkomende statenverkiezingen in 2015 en uitsluitend
                            voor de nieuw gekozen en herkozen statenleden.]</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21, Uitkering bij overlijden </titel></kop><al>1. In geval van overlijden van het statenlid wordt aan de weduwe of
                            weduwnaar van wie het overleden statenlid niet duurzaam gescheiden
                            leefde een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de in artikel 2 bedoelde
                            vergoeding voor de werkzaamheden, die het statenlid laatstelijk genoot
                            over een tijdvak van 3 maanden. Indien de overledene geen weduwe of
                            weduwnaar van wie het overleden statenlid niet duurzaam gescheiden
                            leefde nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige
                            wettige of natuurlijke kinderen of minderjarige kinderen waarover de
                            overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg
                            wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind
                            als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe
                            of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige
                            kinderen dan geschiedt de uitkering aan degenen die geheel of
                            grotendeels afhankelijk waren van het inkomen van het statenlid.</al><al>2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weduwe of weduwnaar
                            mede verstaan de achtergebleven geregistreerde partner, alsmede degene
                            met wie het overleden statenlid ongehuwd samenleefde en een gezamenlijke
                            huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid,
                            van de Algemene nabestaandenwet.</al><al>3. Dit artikel is niet van toepassing op een statenlid dat is benoemd in
                            de plaats die is opengevallen als gevolg van het tijdelijk ontslag van
                            een statenlid wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ingevolge
                            artikel X 12 van de Kieswet.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22, Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens
                                zwangerschap en bevalling of ziekte</titel></kop><al>1. De artikelen 2 tot en met 4, 7 tot en met 21, 37 en 39 zijn van
                            overeenkomstige toepassing op het statenlid aan wie ingevolge artikel
                            X10 van de Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en
                            bevalling of ziekte, met dien verstande dat de onkostenvergoeding die
                            dit statenlid op grond van artikel 3 ontvangt de helft bedraagt van het
                            bedrag dat op grond van die bepaling van toepassing is.</al><al>2. Een tijdelijk ontslag als bedoeld in artikel X10 van de Kieswet wordt
                            niet aangemerkt als een aftreden als bedoeld in de artikelen 14 tot en
                            met 20. </al></artikel><artikel><kop><titel>HOOFDSTUK III, VOORZIENINGEN VOOR GEDEPUTEERDEN</titel></kop><al/><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23, Onkostenvergoeding</titel></kop><al>1. Aan de gedeputeerde wordt een onkostenvergoeding toegekend voor
                            overige aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten die gelijk is
                            aan het bedrag, vermeld in artikel 21, eerste lid, van het
                            Rechtspositiebesluit gedeputeerden, zoals dit bedrag jaarlijks ingevolge
                            artikel 21, tweede lid, van genoemd Rechtspositiebesluit bij
                            ministeriële regeling wordt gewijzigd.</al><al>2. In afwijking van het eerste lid is de onkostenvergoeding voor overige
                            aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten 93% van het voor hem
                            ingevolge het eerste lid geldende bedrag indien de gedeputeerde op grond
                            van artikel 31 een mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking is
                            gesteld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24, Reiskosten woon-werkverkeer </titel></kop><al>De gedeputeerde wordt voor het reizen tussen zijn woning en zijn plaats
                            van tewerkstelling naar keuze:</al><al>a. een openbaar vervoerjaarkaart eerste of tweede klasse verstrekt;</al><al>b. een tegemoetkoming in de kosten van het reizen verleend
                            overeenkomstig het bepaalde in de ministeriële regeling als bedoeld in
                            artikel 19, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit gedeputeerden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 25, Zakelijke reiskosten </titel></kop><al>Aan de gedeputeerde wordt naast de tegemoetkoming, bedoeld in artikel
                            24, vergoeding verleend voor reiskosten ter zake van andere dan de in
                            artikel 24 bedoelde reizen ten behoeve van de provincie gemaakt. De
                            vergoeding betreft:</al><al>a. bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een taxi: een
                            volledige vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                            reiskosten, met inachtneming van artikel 24, onder a;</al><al>b. bij gebruik van een eigen personenauto: een vergoeding van de in
                            redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten overeenkomstig het
                            bedrag, genoemd in artikel 4, onder b, van de ministeriële regeling als
                            bedoeld in artikel 19, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit
                            gedeputeerden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26, Dienstauto</titel></kop><al>De gedeputeerde heeft voor de uitoefening van zijn functie de
                            beschikking over een dienstauto. Onder dienstauto wordt voor de
                            toepassing van dit artikel mede verstaan een door de provincie
                            ingehuurde auto.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 27, Verblijfkosten</titel></kop><al>De gedeputeerde worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                            verblijfkosten ter zake van reizen, bedoeld in artikel 25 volledig
                            vergoed. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 28, Buitenlandse dienstreis</titel></kop><al>1. Indien de gedeputeerde in het provinciaal belang een reis buiten
                            Nederland maakt, worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reis-
                            en verblijfkosten vergoed. </al><al>2. Voor een reis in het provinciaal belang buiten Nederland, niet zijnde
                            een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming van
                            gedeputeerde staten vereist. Provinciale staten kunnen aan deze
                            toestemming voorwaarden verbinden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 29, Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><al>1. De kosten van deelname van een gedeputeerde aan cursussen,
                            congressen, seminars en symposia die in het provinciaal belang door of
                            namens de provincie worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening
                            van de provincie.</al><al>2. De gedeputeerde die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                            symposium dat niet door of namens de provincie wordt aangeboden of
                            verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag gaat
                            vergezeld van inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie. De
                            kosten komen voor rekening van de provincie als deelname van belang is
                            in verband met de uitoefening van het ambt van gedeputeerde. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 30, Computer en internetverbinding</titel></kop><al>1. Op aanvraag worden de gedeputeerde ten laste van de provincie voor de
                            uitoefening van het ambt een computer, bijbehorende apparatuur en
                            software in bruikleen ter beschikking gesteld. </al><al>2. Indien geen computer, bijbehorende apparatuur en software ten laste
                            van de provincie ter beschikking is gesteld, verlenen gedeputeerde
                            staten de gedeputeerde op aanvraag voor de uitoefening van het ambt een
                            tegemoetkoming voor de aanschaf of het gebruik van een eigen computer,
                            bijbehorende apparatuur en software. De tegemoetkoming bedraagt 30% van
                            de aanschafwaarde daarvan voor een periode van maximaal 3 jaar. Daarbij
                            wordt ten hoogste uitgegaan van de aanschafwaarde van de computer,
                            bijbehorende apparatuur en software die aan de gedeputeerden ten laste
                            van de provincie in bruikleen ter beschikking worden gesteld.</al><al>3. Op aanvraag ontvangt de gedeputeerde een vast bedrag ter vergoeding
                            van de aanleg- en abonnementskosten voor de internetverbinding voor de
                            in het eerste of tweede lid genoemde computerapparatuur. Gedeputeerde
                            staten stellen de hoogte van het in de eerste volzin bedoelde bedrag van
                            de vergoeding vast.</al><al>4. De gedeputeerde ondertekent voor de bruikleen een
                            bruikleenovereenkomst met de provincie. Gedeputeerde staten stellen het
                            model van de bruikleenovereenkomst vast.</al><al>5. Gedeputeerde staten kunnen ter uitvoering van dit artikel nadere
                            regels vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 31, Mobiele telefoon </titel></kop><al>1. Op aanvraag wordt de gedeputeerde voor de uitoefening van zijn ambt
                            een mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking gesteld.</al><al>2. De gedeputeerde ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met de
                            provincie.</al><al>3. Gedeputeerde staten stellen het model van de bruikleenovereenkomst
                            vast.</al><al>4. Op de bezoldiging van de gedeputeerde die de mobiele telefoon mede
                            gebruikt voor privédoeleinden wordt voor dit privégebruik een nader door
                            gedeputeerde staten te bepalen bedrag ingehouden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32, Spaarloonregeling</titel></kop><al>De gedeputeerde kan op aanvraag deelnemen aan de voor het provinciaal
                            personeel geldende spaarloonregeling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 33, Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</titel></kop><al>De gedeputeerde die bij benoeming nog niet over woonruimte in de
                            provincie beschikt heeft ten laste van de provincie aanspraak op
                            vergoeding van:</al><al>a. reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 van
                            de ministeriële regeling als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van het
                            Rechtspositiebesluit gedeputeerden;</al><al>b. verhuiskosten in verband met de benoeming als gedeputeerde
                            overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de ministeriële regeling
                            als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit
                            gedeputeerden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 33a, Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel</titel></kop><al>Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
                            onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen:</al><al>a. de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 23;</al><al>b. de vergoedingen en verstrekkingen, bedoeld in de artikelen 24, 25, 27
                            en 28, voor zover deze niet worden gerekend tot een vergoeding of
                            verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a en b,
                            van de Wet op de loonbelasting 1964;</al><al>c. de verstrekkingen, bedoeld in artikel 30, eerste lid, en artikel 31,
                            eerste lid;</al><al>d. de vergoeding, bedoeld in artikel 30, derde lid.</al></artikel><artikel><kop><titel>HOOFDSTUK IV, VOORZIENINGEN VOOR COMMISSIELEDEN</titel></kop><al/><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 34, Vergoeding voor het bijwonen van
                                vergaderingen</titel></kop><al>1. Het lid van een commissie ontvangt voor het bijwonen van de
                            vergaderingen van een commissie en haar subcommissies een vergoeding die
                            gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 13 van het
                            Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, zoals dit bedrag
                            jaarlijks ingevolge artikel 13 voornoemd wordt herzien.</al><al>2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                            als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden als
                            bedoeld in artikel 94 van de Provinciewet ontvangt.</al><al>3. Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                            commissie:</al><al>a. als statenlid of gedeputeerde;</al><al>b. uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                            ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een functie bij een
                            instelling die grotendeels van overheidswege wordt gesubsidieerd;</al><al>c. als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling, organisatie
                            of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de commissie tevens in
                            belangrijke mate het provinciaal belang dient.</al><al>4. Voor leden van commissies als bedoeld in artikel 14 van het
                            Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden gelden de volgende
                            vergoedingen voor het bijwonen van de vergaderingen van de commissie: </al><al>a. de leden van de Commissie van advies voor de bezwaarschriften van de
                            provincie Drenthe, de Klachtencommissie Seksuele Intimidatie en de
                            voorzitter van de Bestuurscommissie Onderzoeksbureau Cultuur, Welzijn en
                            Zorg 250%;</al><al>b. de leden van de Bezwarencommissie Personele Aangelegenheden 375%;
                            en</al><al>c. de leden van de Provinciale Adviescommissie Beeldende Kunst en de
                            voorzitter van de Klachtencommissie Jeugdzorg 200%;</al><al>van het in het eerste lid bedoelde bedrag van de vergoeding.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 35, Reis- en verblijfkosten</titel></kop><al>1. Aan het lid van een commissie dat geen statenlid of gedeputeerde is
                            en niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot lid van de commissie is
                            benoemd worden de reiskosten voor het bijwonen van de vergaderingen van
                            de commissie vergoed. De vergoeding betreft:</al><al>a. bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een taxi: een
                            volledige vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                            reiskosten;</al><al>b. bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van de in
                            redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten overeenkomstig de
                            bedragen in de artikelen 2 en 4 van de Reisregeling binnenland.</al><al>2. Het in het eerste lid bedoelde lid van de commissie worden vergoed de
                            gemaakte noodzakelijke verblijfkosten voor het bijwonen van de
                            vergaderingen van de commissie tot ten hoogste de bedragen, vastgesteld
                            bij of krachtens het Reisbesluit binnenland.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 36, Buitenlandse excursie of reis</titel></kop><al>1. Provinciale staten kunnen een commissie uit provinciale staten
                            toestemming verlenen voor een excursie of reis naar het buitenland.
                            Provinciale staten kunnen aan de toestemming voorwaarden verbinden.</al><al>2. De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of vanwege
                            de provincie georganiseerd.</al><al>3. De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                            rekening van de provincie.</al></artikel><artikel><kop><titel>HOOFDSTUK V, DE PROCEDURE VAN DECLARATIE</titel></kop><al/><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 37, Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats
                            door:</al><al>a. betaling uit eigen middelen; of</al><al>b. rechtstreekse toezending van de factuur aan de provincie; of</al><al>c. een provinciale creditcard.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38, Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><al>1. Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 5, 6, 25,
                            27, 28, 33 en 35 wordt gebruikgemaakt van een declaratieformulier,
                            waarvan het model door gedeputeerde staten is vastgesteld, indien deze
                            kosten uit eigen middelen vooruit zijn betaald.</al><al>2. Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend. Het
                            statenlid, onderscheidenlijk de gedeputeerde dient het
                            declaratieformulier binnen twee maanden bij de griffier,
                            onderscheidenlijk de provinciesecretaris of een door hem aangewezen
                            ambtenaar in, onder bijvoeging van de originele bewijsstukken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 39, Rechtstreekse facturering bij de provincie</titel></kop><al>1. De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 7, 25, 27, 28, 29
                            en 33 kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de door het
                            statenlid, onderscheidenlijk de gedeputeerde voor akkoord ondertekende
                            factuur aan de provincie.</al><al>2. Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                            begeleidingsformulier, waarvan het model door gedeputeerde staten is
                            vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al><al>3. Het statenlid, onderscheidenlijk de gedeputeerde dient het
                            begeleidingsformulier en de factuur binnen 2 maanden in bij de griffier,
                            onderscheidenlijk de provinciesecretaris of de door hem aangewezen
                            ambtenaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 40, Gebruik creditcard</titel></kop><al>1. De vergoeding van kosten als bedoeld in de artikelen 25, 27, 28 en 33
                            kan plaatsvinden door gebruikmaking van de provinciale creditcard.</al><al>2. Een provinciale creditcard wordt de gedeputeerde op aanvraag in
                            bruikleen ter beschikking gesteld voor het doen van uitgaven die voor
                            vergoeding of tegemoetkoming ten laste van de provincie in aanmerking
                            komen. Aan de verstrekking van de creditcard kunnen voorwaarden worden
                            verbonden.</al><al>3. De provinciesecretaris draagt zorg voor de aanvraag, verstrekking en
                            intrekking van provinciale creditcards. Bij de aanvraag wordt aangegeven
                            of een persoonlijke pincode voor het opnemen van contant geld gewenst
                            wordt.</al><al>4. Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                            begeleidingsformulier, waarvan het model door gedeputeerde staten is
                            vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al><al>5. Het begeleidingsformulier en de factuur worden binnen 2 maanden
                            ingediend bij de provinciesecretaris of de door hem aangewezen
                            ambtenaar.</al><al>6. Bij beëindiging van het ambt van gedeputeerde wordt de creditcard
                            onverwijld ingeleverd.</al><al>7. Verlies of diefstal van de creditcard wordt direct gemeld bij de
                            desbetreffende creditcardmaatschappij en zo spoedig mogelijk ook bij de
                            provincie. Het eigen risico bij verlies en diefstal komt mits is voldaan
                            aan de daarvoor geldende regels, voor rekening van de provincie.</al></artikel><artikel><kop><titel>HOOFDSTUK VI, CITEERTITEL EN INWERKINGTREDING</titel></kop><al/><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 41, Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening rechtspositie
                            gedeputeerden, staten- en commissieleden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 42, Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking:</al><al>a. voor wat betreft artikel 2a: met terugwerkende kracht tot en met 1
                            januari 2009;</al><al>b. voor wat betreft artikel 13: op de dag na uitgifte van het
                            Provinciaal blad en met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006;</al><al>c. voor het overige: op de dag na uitgifte van het Provinciaal blad
                            waarin de vergoeding is geplaatst en met terugwerkende kracht tot 15
                            maart 2007.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><al><vet>OP DE VERORDENING RECHTSPOSITIE GEDEPUTEERDEN, STATEN- EN
                        COMMISIELEDEN</vet></al><divisie><kop><titel>ALGEMEEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Wettelijke regelingen</titel></kop><al>De regeling van de rechtspositie van gedeputeerden, statenleden en leden van
                        provinciale commissies vindt op drie niveaus plaats, te weten bij wet,
                        Algemene maatregel van bestuur (AMvB) en provinciale verordening. Wettelijk
                        is voor gedeputeerden in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
                        (APPA) de uitkering na aftreden en het pensioen geregeld. Voor statenleden
                        is de tijdelijke vervanging bij zwangerschap en bevalling of ziekte
                        wettelijk geregeld (en nader rechtspositioneel geregeld in de artikelen 14,
                        tweede lid, 21, derde lid, en 22 van deze verordening). Verder zijn er
                        algemene wettelijke voorzieningen voor werkenden die ook gelden voor
                        gedeputeerden en statenleden. Een goed voorbeeld daarvan is de kinderopvang.
                        In de Provinciewet is aangegeven dat de nadere invulling van de
                        rechtspositie van gedeputeerden, staten- en commissieleden moet worden
                        geregeld bij AMvB. Daartoe zijn tot stand gekomen het Rechtspositiebesluit
                        gedeputeerden en het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden. Daarin
                        zijn alle voor de rechtspositie van belang zijnde onderwerpen geregeld. Een
                        aantal voorzieningen, zoals de hoogte van de bezoldiging en de verschillende
                        onkostenvergoedingen, is in beide rechtspositiebesluiten overwegend geregeld
                        in dwingende bepalingen. Voor secundaire voorzieningen, zoals bijvoorbeeld
                        de verstrekking van een OV-jaarkaart en de uitkering bij aftreden als
                        statenlid, geldt dat de provincie de vrijheid heeft om deze voorzieningen te
                        treffen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdlijnen provinciale verordening</titel></kop><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                        gedeputeerden, statenleden en leden van provinciale commissies. De grondslag
                        hiervoor is te vinden in de Provinciewet en genoemde rechtspositiebesluiten.
                        Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend, genieten de
                        gedeputeerden als zodanig geen inkomsten, in welke vorm dan ook, ten laste
                        van de provincie (artikel 43 van de Provinciewet). Een soortgelijke bepaling
                        is in artikel 96 van de Provinciewet opgenomen voor staten- en
                        commissieleden. Het tweede lid van die bepaling voegt daaraan toe dat bij
                        provinciale verordening aan staten- en commissieleden voordelen, anders dan
                        in de vorm van vergoedingen en tegemoetkomingen, mogen worden toegekend.
                        Daarvoor is wel ministeriële goedkeuring vereist. </al><al>De verordening bevat bepalingen inzake:</al><al>- de beloning voor de werkzaamheden van staten- en commissieleden (artikelen
                        2, 2a en 34), waarbij is op te merken dat voor gedeputeerden niets is
                        opgenomen omdat hun bezoldiging uitputtend is geregeld in het
                        Rechtspositiebesluit gedeputeerden;</al><al>- een vaste algemene onkostenvergoeding voor gedeputeerden en statenleden
                        (artikelen 3 en 23);</al><al>- reis- en verblijfkosten van gedeputeerden, staten- en commissieleden,
                        waarbij voor gedeputeerden een onderscheid is gemaakt tussen
                        woon-werkverkeer en zakelijke reizen (artikelen 5, 6, 24 tot en met 28, 35
                        en 36);</al><al>- reis- en pensionkosten en verhuiskosten van de bij benoeming
                        verhuisplichtige gedeputeerde (artikel 33);</al><al>- beschikbaarstelling van computer- en communicatieapparatuur aan
                        gedeputeerden en statenleden (artikelen 8, 30 en 31) en faciliteiten in de
                        vorm van deelname van gedeputeerden en statenleden aan cursussen, congressen
                        en dergelijke (artikelen 7 en 29);</al><al>- een aantal secundaire voorzieningen voor statenleden, zoals een uitkering
                        bij aftreden en overlijden (artikelen 14 tot en met 21) en voor zowel
                        gedeputeerden als statenleden, zoals de Spaarloonregeling (artikelen 9 en
                        32);</al><al>- de procedure van declareren (artikelen 37 tot en met 40).</al></divisie><divisie><kop><titel>De arbeidsverhouding van de gedeputeerde en het statenlid</titel></kop><al>Statenleden zijn niet in dienstbetrekking bij de provincie. De provincie is
                        dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij niet vallen onder
                        de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet, de Ziektewet en de
                        WIA. Statenleden worden ook niet aangemerkt als werknemer in de zin van de
                        Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet geen recht op
                        vergoeding door de provincie van de over de statenvergoeding verschuldigde
                        inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de basisverzekering. Eigen
                        voorzieningen zijn er op die onderdelen getroffen in het
                        Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden en in onderhavige
                        verordening. Omdat er geen dienstbetrekking met de provincie is, vallen
                        statenleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun
                        inkomsten getoetst aan de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kan een statenlid
                        opteren voor de loonbelasting door te kiezen voor het fictief werknemerschap
                        (zie hierna).</al><al>Gedeputeerden zijn sinds de dualisering van het provinciebestuur ingevolge
                        de Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in openbare dienst aangesteld en
                        vallen onder de werking van die wet. De aanstelling in openbare dienst houdt
                        voor de toepassing van de fiscale wetgeving in dat sprake is van een
                        arbeidsverhouding die als dienstbetrekking wordt aangemerkt. Dit betekent
                        dat gedeputeerden direct onder de werking van de Wet op de loonbelasting
                        vallen. Er is sinds de dualisering van het provinciebestuur derhalve geen
                        mogelijkheid meer om wel of niet voor de loonbelasting te opteren.
                        Gedeputeerden vallen niet onder de werking van de Ziektewet, de
                        Werkloosheidswet en de WIA. Evenmin geldt voor hen de pensioenvoorziening
                        bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenhuis (ABP). Wachtgeld na aftreden en
                        ouderdoms- en nabestaandenpensioen zijn voor gedeputeerden geregeld in de
                        Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Gedeputeerden zijn werknemers
                        in de zin van de Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet
                        recht op vergoeding door de provincie van de over hun bezoldiging
                        verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de
                        basisverzekering.</al></divisie><divisie><kop><titel>De loon- en inkomstenbelasting</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Opting in regeling</titel></kop><al>Statenleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het statenlid kan met de
                        provincie overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de "opting in
                        regeling" genoemd. De administratie van de provincie is zodanig ingericht
                        dat wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een
                        gezamenlijke verklaring melden de provincie en het statenlid aan de
                        Belastingdienst dat wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk
                        wordt gekozen voor het loonbelastingsysteem, dan draagt de provincie de
                        ingehouden loonheffing af aan de Belastingdienst. De inkomsten worden als
                        loon belast in box 1. Het statenlid hoeft in dat geval geen administratie
                        bij te houden. Kosten die worden gemaakt kunnen niet worden afgetrokken. Wel
                        kan de provincie onder voorwaarden bepaalde vergoedingen onbelast
                        verstrekken en bepaalde faciliteiten onbelast in bruikleen beschikbaar
                        stellen. Genoemd kunnen worden de vergoeding van reis- en verblijfkosten en
                        de zakelijke deelname aan cursussen en congressen. Er zijn ook vergoedingen
                        die niet belastingvrij kunnen worden verstrekt, zoals de vaste algemene
                        onkostenvergoeding. Deze vergoedingen worden gebruteerd toegekend waardoor
                        na inhouding van de loonheffing de netto bedoelde vergoeding resteert. Ook
                        kan betrokkene deelnemen in de spaarloonregeling die er voor het provinciaal
                        personeel is. </al></divisie><divisie><kop><titel>Fiscale standaardpositie</titel></kop><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd, geldt voor het statenlid dat
                        hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een werkzaamheid
                        geniet. In dat geval is het winstsysteem van toepassing. Betrokkene moet dan
                        alle ontvangsten verantwoorden als winst en kan de gemaakte kosten daarop in
                        mindering brengen. De verstrekking van een OV-jaarkaart behoort dan ook in
                        beginsel tot de te belasten voordelen. Zij kunnen niet deelnemen aan de
                        Spaarloonregeling. </al><al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                        beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                        normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare
                        resultaat). De provincie dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen
                        op grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden door een
                        opgave IB47. Verstrekkingen (bijvoorbeeld een OV-jaarkaart) moeten naar de
                        waarde in het economische verkeer worden opgegeven. Het daadwerkelijk
                        zakelijk gebruik leidt dan tot aftrek. Ook voor de hoogte van de vaste
                        kostenvergoeding maakt het verschil uit of het statenlid wel of niet heeft
                        geopteerd voor de loonbelasting (zie daarvoor hierna de toelichting op
                        artikel 3).</al><al>Zoals hiervoor naar voren is gekomen, kan de keuze om al of niet te opteren
                        voor de loonbelasting voor het statenlid ingrijpende gevolgen hebben. De
                        beslissing om voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal per
                        zittingsperiode worden gemaakt en geldt in beginsel voor de (resterende)
                        zittingsperiode. Wel kan betrokkene als spijtoptant terugkomen op deze
                        beslissing voor de resterende periode. Opteren voor de loonbelasting hoeft
                        niet bij aanvang van de zittingsperiode te gebeuren maar kan ook gedurende
                        de zittingsperiode voor de resterende periode.</al></divisie><divisie><kop><titel>De vergoedingssystematiek</titel></kop><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het eigen
                        inkomen hoeven aan te spreken Een adequate vergoedingssystematiek is daarom
                        van belang. Waar er functionele uitgaven zijn verdient het aanbeveling
                        terughoudend te zijn met een financieringswijze waarin de bestuurder deze
                        uit eigen middelen vooruit betaalt en de provincie ze terugbetaalt. Eigen
                        middelen en publieke middelen moeten zoveel mogelijk gescheiden worden
                        gehouden. Vanuit die overweging heeft het de voorkeur de kosten direct in
                        rekening te brengen bij de provincie. Aan de mogelijkheid om zo nodig
                        declaraties in te dienen zal echter behoefte blijven bestaan. Als
                        vergoedingssystematiek is gekozen voor de volgende wijze van redeneren:</al><al>- welke voorzieningen worden aangeboden door de organisatie (bedrijfsvoering
                        en bestuurskosten);</al><al>- welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van het ambt,
                        maar zijn niet rechtstreeks aan te bieden door de organisatie;</al><al>- kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden aangeboden
                        (indien de loonbelasting geldt);</al><al>- voor voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen worden, kan een
                        (bruto)vergoeding worden verstrekt.</al><al>Concreet betekent deze vergoedingssystematiek het volgende.</al><al>Voorzieningen die zijn ondergebracht in de bedrijfsvoering</al><al>- Bruikleen van computer- en communicatieapparatuur.</al><al>- Zakelijk gebruik van dienstauto's.</al><al>- Deelname aan cursussen en congressen en dergelijke.</al><al>De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden voorgeschoten door de
                        gedeputeerde of het statenlid, maar worden direct door de provincie voldaan
                        en de voorzieningen worden om niet in bruikleen gegeven. Zij vallen derhalve
                        buiten de vergoedingssfeer. </al><al>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten maar onbelast kunnen
                        worden vergoed</al><al>Voor een aantal zakelijke uitgaven, zoals reis- en verblijfkosten, blijft
                        het systeem overeind dat de gedane zakelijke uitgaven de gedeputeerde of het
                        statenlid op basis van declaratie worden vergoed. Deze kunnen, als is
                        voldaan aan de gestelde voorwaarden, onbelast worden vergoed. </al><al>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten en niet onbelast kunnen
                        worden vergoed</al><al>Voor een aantal andere beroepskosten wordt een vaste (bruto)kostenvergoeding
                        verstrekt. In de toelichting op de artikelen 3 en 23 is aangegeven om welke
                        beroepskosten het gaat.</al><al>Voor statenleden die niet voor de loonbelasting hebben geopteerd geldt
                        dezelfde systematiek maar zijn de fiscale gevolgen anders. Zij dienen alle
                        vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer als
                        opbrengst te verantwoorden. Omdat zij hun werkelijk gemaakte kosten fiscaal
                        kunnen verrekenen worden hun vergoedingen niet gebruteerd toegekend.</al></divisie><divisie><kop><titel>Controle en verantwoording</titel></kop><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is - net als voor de besteding van alle andere
                        publieke middelen - transparantie van groot belang. Daartoe dienen enerzijds
                        inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het vergoedingen- en
                        voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke verantwoording van
                        het daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen dat er
                        onnodige discussies plaatsvinden omtrent het gebruik van onkostenregelingen
                        of voorzieningen door provinciebestuurders en over de eventueel
                        verschuldigde belasting. </al><al>Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen
                        zonder te worden gehinderd door onzekerheden omtrent de financiering van de
                        functionele uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende
                        financiële en administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen kan
                        bestaan omtrent de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven.</al><al>In hoofdstuk V is in verband hiermee, in aanvulling op de in de Beheers- en
                        controleverordening vastgestelde regels, een aantal belangrijke procedures
                        vastgelegd over rechtstreekse facturering van functionele uitgaven,
                        declaratie van vooruit betaalde kosten en het gebruik van creditcards.
                        Daarnaast zijn er in de bruikleenovereenkomsten heldere afspraken vastgelegd
                        over het gebruik van computer- en communicatieapparatuur die beschikbaar
                        wordt gesteld voor de uitoefening van de politieke functie. In aanvulling
                        hierop is een gedragscode ontwikkeld waarin nadere gedragsregels zijn
                        vastgelegd. Daarbij gaat het onder meer om afspraken omtrent de bestuurlijke
                        uitgaven die in aanmerking komen voor bespreking en zo nodig besluitvorming
                        in het college van gedeputeerde staten. In die gedragscode is ook het beleid
                        rond buitenlandse reizen en de bekostiging van zakendiners met derden
                        opgenomen. Verder zijn er aanvullende administratieve procedures beschreven
                        over de afwikkeling van declaraties en facturen en de daarbij te hanteren
                        verdeling van verantwoordelijkheden en hoe bijvoorbeeld om te gaan met
                        interpretatie- of meningsverschillen. </al></divisie><divisie><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2, Vergoeding voor de werkzaamheden van het statenlid</titel></kop><al>In het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden is geregeld dat
                        statenleden voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte van
                        de vergoeding wordt bij provinciale verordening bepaald. Wel is in het
                        Rechtspositiebesluit het maximale bedrag van de vergoeding voor de
                        werkzaamheden aangegeven. In artikel 2 is de hoogte van de vergoeding
                        bepaald op het maximale bedrag. Het bedrag van de vergoeding voor de
                        werkzaamheden is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan
                        de hand van het indexcijfer cao-lonen overheid. Hiervoor is in de provincie
                        geen nadere besluitvorming nodig omdat het bedrag van de vergoeding is
                        gekoppeld aan het maximumbedrag dat jaarlijks wordt bijgesteld. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2a, Toelagen</titel></kop><al>In het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden is geregeld dat aan
                        fractievoorzitters in provinciale staten een extra toelage wordt toegekend.
                        De regeling sluit aan bij die voor fractievoorzitters in de Eerste Kamer. De
                        toelage houdt verband met de extra tijdsinspanningen van fractievoorzitters.
                        De hoogte is afhankelijk van de omvang van de fractie. De voorziening in het
                        Rechtspositiebesluit is voor de volledigheid en transparantie opgenomen in
                        artikel 2a, eerste en tweede lid.</al><al>Artikel 2a, derde en vierde lid, voorziet in een toelage voor statenleden
                        die werkzaamheden verrichten voor 'zware' statencommissies. Het betreffen
                        activiteiten die vallen buiten de reguliere werkzaamheden als statenlid.
                        Deze extra activiteiten voor een beperkt deel van de statenleden hebben vaak
                        een incidenteel karakter met een aanzienlijk tijdsbeslag. De hoogte van de
                        toelage is bepaald op het maximumbedrag dat daarvoor is vastgelegd in het
                        Rechtspositiebesluit (5% van de vergoeding voor de werkzaamheden). Reguliere
                        commissies, die zijn ingesteld ter voorbereiding van de besluitvorming in
                        provinciale staten op grond van artikel 80 van de Provinciewet, vormen geen
                        grond om deze toelage toe te kennen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelen 3 en 23, Vaste onkostenvergoeding</titel></kop><al>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het ambt van gedeputeerde
                        c.q. aan het statenlidmaatschap verbonden kosten. De vergoeding is opgebouwd
                        op basis van de volgende kostencomponenten:</al><al>- representatie</al><al>- vakliteratuur</al><al>- contributies, lidmaatschappen</al><al>- telefoonkosten</al><al>- bureaukosten en porti</al><al>- zakelijke giften</al><al>- bijdrage aan fractiekosten</al><al>- ontvangsten thuis</al><al>- excursies</al><al>Sedert 1 januari 2001 zitten daarin niet langer de kostensoorten fax/pc en
                        cursussen en congressen. Daarvoor zijn vanaf dat tijdstip specifieke
                        voorzieningen getroffen (zie de artikelen 7, 8, 29 en 30). De
                        onkostenvergoeding is in verband hiermee vanaf die datum neerwaarts
                        bijgesteld. De vaste kostenvergoeding kan sinds 1 januari 2001 niet meer
                        onbelast worden verstrekt. Om netto het bedrag van de vaste kostenvergoeding
                        gelijk te houden is het (neerwaarts bijgestelde) bedrag gebruteerd tegen het
                        belastingtarief van 52%. Deze brutering heeft echter geen betrekking op
                        statenleden die niet hebben geopteerd voor het loonbelastingregime. Voor hen
                        blijven de aftrekmogelijkheden van de werkelijk gemaakte kosten op het
                        resultaat uit onderneming bestaan. Zij ontvangen de vaste kostenvergoeding
                        zonder de brutering.</al><al>De hoogte van de kostenvergoeding wordt bij provinciale verordening bepaald.
                        Wel is in de rechtspositiebesluiten voor gedeputeerden en statenleden het
                        maximale bedrag van de kostenvergoeding aangegeven. In de artikelen 3 en 23
                        is de hoogte van de kostenvergoeding bepaald op het maximale bedrag. Het
                        bedrag van de kostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1
                        januari herzien aan de hand van de consumentenprijsindex. Hiervoor is in de
                        provincie geen nadere besluitvorming nodig omdat het bedrag van de
                        kostenvergoeding is gekoppeld aan het maximumbedrag dat jaarlijks wordt
                        bijgesteld. </al><al>In de vaste kostenvergoeding zit ook een component telefoonkosten. In de
                        situatie dat de gedeputeerde gebruikmaakt van de door de provincie
                        beschikbaar gestelde mobiele telefoon voor zakelijk gebruik moet er een
                        korting worden toegepast op die vaste kostenvergoeding om te voorkomen dat
                        voor dezelfde zakelijke telefoonkosten zowel in natura (mobiele telefoon in
                        bruikleen) als in geld (via de vaste kostenvergoeding) een voorziening ten
                        laste van de provincie is getroffen. Dat is geregeld in artikel 23, tweede
                        lid. Hiervoor geldt een korting van 7% op de vaste onkostenvergoeding. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5, Reiskosten statenleden</titel></kop><al>In dit artikel is het recht op vergoeding van reiskosten voor statenleden
                        geregeld. De grondslag hiervoor is te vinden in de Provinciewet. Vergoed
                        kunnen worden de kosten van openbaar vervoer of bij gebruik van eigen
                        vervoermiddelen een kilometervergoeding zoals die voor het rijkspersoneel
                        geldt (per 2007: € 0,37 bij gebruik van de eigen auto). De vergoeding van de
                        reiskosten met het openbaar vervoer is onbelast. De kilometervergoeding is
                        voor € 0,19 onbelast, ongeacht het gebruikte vervoermiddel.
                        Kilometervergoedingen die hoger zijn dan € 0,19 zijn voor dat hogere deel
                        belast.</al><al>Voor statenleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat
                        de verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst
                        moeten worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende
                        randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 6, Verblijfkosten statenleden</titel></kop><al>Dit artikel regelt de vergoeding van verblijfkosten. De grondslag hiervoor
                        is te vinden in de Provinciewet. De vergoeding kan worden toegekend als het
                        statenlid een staten- of commissievergadering bijwoont maar ook in geval van
                        dienstreizen. Daarvoor gelden dezelfde maxima als voor het rijkspersoneel. </al><al>Vergoeding of verstrekking van maaltijden is onbelast als de vergoeding of
                        verstrekking een meer dan bijkomstig zakelijk karakter heeft. Daarvan is
                        niet zonder meer sprake bij deelname aan staten- en commissievergaderingen,
                        maar wel bij tot in de avond doorlopende vergaderingen waardoor men niet op
                        de gewone tijd kan eten, alsmede tijdens dienstreizen. Als het zakelijk
                        karakter van niet meer dan bijkomstig belang is moet de vergoeding of de
                        waarde in het economisch verkeer van de verstrekking tot het loon worden
                        gerekend. Bij verstrekkingen in de vorm van maaltijden in bedrijfskantines
                        met een privékarakter wordt de waarde van een kantinemaaltijd vastgesteld op
                        een forfaitair bedrag. Als de maaltijd in de bedrijfskantine een meer dan
                        bijkomstig zakelijk karakter heeft geldt de hoofdregel. De vergoeding of
                        verstrekking van maaltijden is dan onbelast.</al><al>Voor statenleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat
                        de vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer
                        bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord
                        en dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare
                        beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelen 7 en 29, Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><al>Zoals hiervoor al aangegeven is deze voorziening in de bedrijfsvoering
                        gebracht en komen de kosten rechtstreeks voor rekening van de provincie. Zij
                        zijn in verband hiermee uit de vaste kostenvergoeding gehaald. Een
                        onderscheid is gemaakt tussen cursussen, congressen en dergelijke die door
                        of vanwege de provincie in het provinciaal belang zijn georganiseerd en
                        cursussen, congressen en dergelijke waaraan individuele statenleden of
                        gedeputeerden in verband met de vervulling van het statenlidmaatschap c.q.
                        het ambt van gedeputeerde op eigen initiatief deelnemen. In het laatste
                        geval zijn er aanvullende voorwaarden gesteld (inhoudelijke informatie over
                        de cursus of het congres en een kostenspecificatie). Hierbij kan voor
                        statenleden de fractievoorzitter een rol spelen. In het aanvraagformulier is
                        een vraag opgenomen of de fractievoorzitter de aanvraag ondersteunt.</al><al>De in deze artikelen bedoelde cursussen en congressen hebben een zakelijk
                        karakter en zijn aan te merken als beroepskosten waarvan de vergoeding c.q.
                        verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld. Voor statenleden die niet
                        hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en
                        verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de aangifte
                        inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                        gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare
                        beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelen 8 en 30, Computer en internetverbinding </titel></kop><al>Voor de uitoefening van het statenlidmaatschap en het ambt van gedeputeerde
                        wordt op aanvraag om niet een computer met bijbehorende apparatuur en
                        software in bruikleen beschikbaar gesteld. Bijbehorende apparatuur is
                        apparatuur die is bestemd om aan de computer te worden gekoppeld om
                        informatie uit te wisselen. Voorbeelden hiervan zijn een modem, een printer,
                        een fax en een digitale fotocamera. De nadere voorwaarden zijn geregeld in
                        de bruikleenovereenkomst die het statenlid en de gedeputeerde met de
                        provincie sluit. Het model van die overeenkomst is door gedeputeerde staten
                        vastgesteld. </al><al>De grondslag voor deze faciliteit is te vinden in de rechtspositiebesluiten
                        voor gedeputeerden en staten- en commissieleden. Zoals hiervoor al
                        aangegeven is deze voorziening in de bedrijfsvoering gebracht en komen de
                        kosten rechtstreeks voor rekening van de provincie. Zij zijn in verband
                        hiermee uit de vaste kostenvergoeding gehaald. </al><al>Ook bestaat de mogelijkheid om het statenlid op aanvraag een tegemoetkoming
                        te verlenen voor de aanschaf of het gebruik van een eigen computer met
                        randapparatuur. Om redenen van beheer en het eenduidig aanbieden van
                        systemen heeft het de voorkeur om gebruik te maken van de
                        bruikleenoptie.</al><al>Sinds 2005 kan een computer met bijbehorende apparatuur en software alleen
                        onbelast worden vergoed, verstrekt of ter beschikking gesteld indien deze
                        geheel of nagenoeg geheel zakelijk wordt gebruikt. Er wordt van uitgegaan
                        dat gedeputeerden en statenleden de computer niet geheel of nagenoeg geheel
                        zakelijk zullen gebruiken. Dat betekent dat zowel de vergoeding, de
                        verstrekking als de terbeschikkingstelling van computerapparatuur en de
                        daaraan gekoppelde tegemoetkoming zijn belast. In verband hiermee vindt er
                        gedurende de afschrijvingsperiode van 3 jaar voor de door de provincie
                        beschikbaar gestelde computer een fiscale bijtelling plaats van 30% van de
                        waarde in het economisch verkeer op het moment van eerste ingebruikneming.
                        Na het derde jaar wordt de waarde op nihil gesteld. Geregeld is dat de
                        provincie op aanvraag 30% van de aanschafprijs vergoedt gedurende de 3 jaar
                        dat in verband met het beschikbaar stellen van de computer belasting is
                        verschuldigd. Het belastingnadeel wordt met andere woorden in die 3 jaar
                        gecompenseerd. Daarbij wordt omwille van een uniforme en eenvoudige
                        uitvoering uitgegaan van een voor ieder gelijk belastingnadeel. Dat kan voor
                        statenleden met een laag belastingtarief een gering voordeel zijn. De
                        vergoeding ter compensatie van het belastingnadeel is overigens belast.
                        Indien een computer tijdens het kalenderjaar wordt verstrekt geldt in het
                        eerste en vierde kalenderjaar een vergoeding naar evenredigheid van het
                        aantal kalendermaanden waarin de computer beschikbaar is gesteld. Het is ook
                        mogelijk om een dergelijke vergoeding te geven voor de aanschaf of het
                        gebruik van een eigen computer. Ook dan is de vergoeding belast. Daarvoor
                        vindt geen compensatie plaats. Uitgegaan wordt hier van ten hoogste de
                        aanschafwaarde van de computer die de provincie ter beschikking stelt. </al><al>De aanleg- en abonnementskosten van de internetvoorziening komen ten laste
                        van de provincie. Gedeputeerde staten stellen hiervoor een voor ieder gelijk
                        vast bedrag vast. Hier is ervan uitgegaan dat de internetaansluiting voor
                        meer dan 10% zakelijk gebruikt wordt. De verstrekte vergoeding is in dat
                        geval onbelast. Voor de vergoeding van een internetaansluiting via
                        ADSL/kabel wordt uitgegaan van maximaal € 20,-- per maand. Gedeputeerde
                        staten zullen jaarlijks dit bedrag zo nodig bijstellen.</al><al>Voor statenleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat
                        de vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economisch verkeer
                        bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord
                        en dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare
                        beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><al>Gezien de grote variëteit aan mogelijkheden, de snelle ontwikkelingen op
                        ICT-gebied en de verschillende behoeften in provincies zijn er niet allerlei
                        aanvullende regelingen op detailniveau opgenomen, maar is in het zesde lid
                        aan gedeputeerde staten de bevoegdheid gegeven om nadere (huishoudelijke)
                        regels vast te stellen om maatwerk te leveren op het niveau van de
                        individuele provincie. Daarbij kan worden gedacht aan het regelen van de
                        frequentie van het beroep dat op de voorziening kan worden gedaan
                        (bijvoorbeeld maximering van de vergoeding van aanschaf/gebruik van de pc
                        tot drie jaar per zittingsperiode) of aan regeling van het moment waarop
                        moet worden gekozen uit de soorten voorzieningen (bruikleen of vergoeding
                        bij aanschaf c.q. gebruik van de eigen pc), bijvoorbeeld eenmaal bij aanvang
                        van de statenperiode. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 10, Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                            arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>In de motie-Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nummer 21) is
                        aangegeven dat provinciale staten en gemeenteraden een brede afspiegeling
                        van de bevolking dienen te vormen. Om deze reden moeten drempels om
                        statenlid of raadslid te worden of te blijven, worden weggenomen. In wao en
                        WIA geldt het algemene principe dat indien een persoon inkomen uit arbeid
                        geniet, dit in de regel zal leiden tot verlaging of intrekking van de
                        wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. </al><al>Dit omdat een dergelijke uitkering is bedoeld om het als gevolg van
                        arbeidsongeschiktheid ontstane verlies aan verdienvermogen te vergoeden.
                        Voor staten- en raadsleden kan dit ertoe leiden dat een geringe verhoging
                        van het inkomen door een staten- of raadsvergoeding een grote teruggang
                        betekent voor de hoogte van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering
                        als gevolg van de anticumulatieregeling. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen
                        bij aanvaarding van een raads- of statenzetel of bij verhoging van de
                        vergoeding voor de werkzaamheden. Op grond van het Rechtspositiebesluit
                        staten- en commissieleden kunnen provincies hiervoor een voorziening
                        treffen. Die is te vinden in artikel 10 van de verordening. Daarin is
                        geregeld dat op aanvraag een statenlid een lagere vergoeding voor de
                        werkzaamheden wordt gegeven om te voorkomen dat de anticumulatieregeling zal
                        leiden tot een verlaging van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering
                        van het statenlid.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 11, Compensatiekorting werkloosheidsuitkering</titel></kop><al>Artikel 20 van de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op het moment dat
                        iemand een WW-uitkering op grond van die wet ontvangt, nieuwe werkzaamheden
                        aanvangt, de WW-uitkering wordt gekort met het aantal uren dat in de nieuwe
                        functie wordt gewerkt. Het Besluit werkloosheid onderwijs- en
                        onderzoekspersoneel kent een soortgelijke bepaling. De hoogte van het
                        inkomen uit de nieuwe betrekking is daarbij niet relevant. Indien derhalve
                        iemand tot statenlid wordt gekozen, zal de WW-uitkering worden verlaagd met
                        het aantal uren dat het Uitvoering Werknemersverzekeringen (UWV) voor het
                        statenlidmaatschap in aanmerking neemt. Indien deze verlaging van de
                        WW-uitkering groter is dan de vergoeding voor de werkzaamheden zal er een
                        negatief inkomenseffect optreden. Het Rechtspositiebesluit staten- en
                        commissieleden biedt provincies de mogelijkheid dit nadeel te compenseren.
                        Dat is geregeld in artikel 11 van de verordening.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 12, Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van
                            provinciale staten</titel></kop><al>In artikel 75 van de Provinciewet is geregeld dat het voorzitterschap van
                        provinciale staten bij verhindering of ontstentenis van de Commissaris van
                        de Koningin wordt waargenomen door het langstzittende statenlid. Provinciale
                        staten kunnen ook een ander statenlid met de waarneming van het
                        voorzitterschap belasten. In overeenstemming met het Rechtspositiebesluit
                        staten- en commissieleden is in artikel 12 van de verordening geregeld dat
                        bij een onafgebroken waarneming van meer dan 30 dagen het desbetreffende
                        statenlid over de tijd van waarneming recht heeft op een toeslag van 8% van
                        de vergoeding voor de werkzaamheden en van de in artikel 3 bedoelde vaste
                        onkostenvergoeding.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 13, Ziektekostenvoorziening </titel></kop><al>Statenleden hebben recht op een tegemoetkoming in de ziektekosten. Het
                        bedrag van die tegemoetkoming is afgestemd op die voor het
                        provinciepersoneel. De tegemoetkoming is geïndexeerd (door koppeling aan de
                        ontwikkeling van de nominale eindejaarsuitkering van rijksambtenaren). De
                        over de statenvergoeding verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage
                        ziektekosten wordt niet vergoed.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 21, Uitkering bij overlijden </titel></kop><al>Bij overlijden van het statenlid bestaat er voor de nagelaten betrekkingen
                        recht op een overlijdensuitkering ter grootte van de vergoeding voor de
                        werkzaamheden welke het statenlid over de laatste drie maanden genoot. Deze
                        voorziening sluit aan bij die voor gedeputeerden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelen 14, tweede lid, onder d, 21, derde lid, en 22, </titel></kop><al>Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling of
                        ziekte </al><al>Vanaf 11 oktober 2006 is wettelijk de tijdelijke vervanging van
                        volksvertegenwoordigers wegens zwangerschap en bevalling of ziekte geregeld.
                        De wettelijke regeling geldt voor leden van de Tweede en Eerste Kamer en
                        voor raads- en statenleden. Het statenlid dat van deze wettelijke regeling
                        gebruik wil maken wordt op diens verzoek tijdelijk ontslag verleend voor een
                        vaste termijn van 16 weken en wordt in die periode vervangen. Na afloop van
                        die 16 weken herleeft het statenlidmaatschap van rechtswege. Er vindt dan
                        geen hernieuwd onderzoek naar de geloofsbrieven plaats en de eed hoeft niet
                        hernieuwd te worden afgelegd. Een opeenvolging van vervanging bijvoorbeeld
                        wegens zwangerschap en bevalling en daarna wegens ziekte is mogelijk. Er
                        moet dan opnieuw een verzoek worden gedaan. Vervanging is beperkt tot drie
                        perioden van 16 weken. De vervanger wordt tijdelijk maar volwaardig lid van
                        provinciale staten. Betrokkene wordt op dezelfde wijze verkozen en staat dus
                        op dezelfde kandidatenlijst. Er vindt onderzoek van de geloofsbrieven plaats
                        en de eed moet worden afgelegd.</al><al>De rechtspositionele voorzieningen in verband met de tijdelijke vervanging
                        van statenleden is geregeld in het Rechtspositiebesluit en doorvertaald in
                        de artikelen 14, tweede lid, onder d, 21, derde lid, en 22 van deze
                        verordening. Dat betreft zowel de aanspraken van het vervangen statenlid als
                        van degene die als tijdelijke vervanger wordt aangesteld. </al><al>Voor het vervangen statenlid blijft de financiële rechtspositie zoveel
                        mogelijk dezelfde. Zo blijven bijvoorbeeld de vergoeding voor de
                        werkzaamheden en de voorzieningen voor computer- en communicatieapparatuur
                        ongewijzigd. Omdat de reis- en verblijfkosten direct verbonden zijn aan de
                        daadwerkelijke uitoefening van het statenlidmaatschap, blijven vergoedingen
                        daarvoor gedurende de periode van tijdelijk ontslag achterwege. De vaste
                        onkostenvergoeding vervalt niet in die periode maar wordt gehalveerd. De
                        vaste onkostenvergoeding ziet immers voor een deel op uit-gaven met een
                        doorlopend karakter, zoals uitgaven voor abonnementen, contributies en
                        dergelijke. Degene die tijdelijk het statenlid vervangt is in de periode van
                        vervanging volwaardig statenlid en de rechtspositionele voorzieningen zijn
                        daarom onverkort van toepassing. Dat geldt alleen niet voor de
                        wachtgeldaanspraken. Gezien de voorzienbaar beperkte periode van vervanging
                        komt de vervanger na aftreden hiervoor niet in aanmerking. Een en ander zal
                        overigens niet snel spelen omdat voor het recht op wachtgeld is vereist dat
                        betrokkene direct vóór aftreden minimaal 6 maanden statenlid is geweest.
                        Evenmin komt de vervanger in aanmerking voor de financiële voorzieningen bij
                        overlijden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelen 24 en 25, Reiskosten woon-werkverkeer en zakelijke
                            reiskosten</titel></kop><al>Voor gedeputeerden is in artikel 24 een belastingvrije vergoeding voor het
                        woon-werkverkeer geregeld overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens het
                        Rechts-positiebesluit gedeputeerden. Bij gebruik van de eigen personenauto
                        bedraagt de vergoeding in 2007 € 0,14 per afgelegde kilometer. In plaats
                        daarvan kan de gedeputeerde voor woon-werkverkeer en zakelijk verkeer
                        belastingvrij ook een OV-jaarkaart eerste of tweede klasse worden
                        verstrekt.</al><al>Ingevolge artikel 25 worden zakelijke reiskosten, indien gemaakt met het
                        openbaar vervoer of met een taxi, volledig vergoed (mits in redelijkheid
                        gemaakt) en indien gemaakt met de eigen personenauto in 2007 € 0,37 per
                        afgelegde kilometer. De kilometervergoeding is, voor zover die meer bedraagt
                        dan € 0,19, belast. Als een OV-jaarkaart is verstrekt zijn er uiteraard geen
                        reiskosten met openbare middelen van vervoer te declareren. Zakelijke
                        reiskosten met eigen middelen van vervoer worden in dat geval alleen bij
                        hoge uitzondering vergoed, als met het openbaar vervoer niet of slechts met
                        aanzienlijk tijdverlies kan worden gereisd.</al><al>Voor zakelijke kilometers (waaronder mede te verstaan de kilometers voor het
                        woon-werkverkeer) kan, zoals gezegd, een onbelaste vergoeding worden
                        verleend van maximaal € 0,19 per kilometer, ongeacht het gebruikte
                        vervoermiddel. Vergoedingen die daarboven uitgaan zijn voor dat hogere deel
                        belast. De fiscus staat toe de reiskostenvergoedingen voor de verschillende
                        doeleinden te salderen. </al><al>Dat houdt in dat als bijvoorbeeld de verstrekte reiskostenvergoeding voor
                        dienstreizen hoger is dan de fiscaalwettelijk vastgestelde belastingvrije
                        vergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer een verstrekte lagere
                        vergoeding dan € 0,19 voor woon-werkverkeer daarop in mindering mag worden
                        gebracht. Die salderingsmogelijkheid moet wel in een formele
                        vergoedingsregeling zijn vastgelegd. Die is opgenomen in artikel 25, tweede
                        lid. Indien voor het provinciaal personeel een salderingsregeling geldt
                        wordt daarbij aangesloten. Ontbreekt een dergelijke regeling, dan geldt de
                        salderingsregeling voor het rijkspersoneel. In het volgende voorbeeld wordt
                        toegelicht wat het vorenstaande betekent voor het salderen en de berekening
                        van de loonheffing over het bovenmatig deel van reiskostenvergoedingen.</al><al>Voorbeeld (uitgaande van de oude kilometervergoeding van € 0,28)</al><al>Betrokkene krijgt in een kalenderjaar van zijn werkgever een
                        reiskostenvergoeding van in totaal € 2.240,--, bestaande uit:</al><al>- een vergoeding voor 10.000 woon-werkkilometers x € 0,14 = € 1.400,--
                        en</al><al>- een vergoeding voor 3.000 kilometers wegens dienstreizen x € 0,28 = €
                        840,--</al><al>Als er geen salderingsregeling is, moet de inhoudingsplichtige in ieder
                        tijdvak het bovenmatig bedrag van de vergoeding voor de dienstreizen in de
                        heffing betrekken (in totaal 3.000 km x € 0,09 = € 270,--). Als er wel een
                        salderingsregeling is mag de inhoudingsplichtige deze heffing uitstellen
                        (dit is niet verplicht). Saldering leidt dan tot het volgende resultaat:
                        totale reiskostenvergoeding € 2.240,--, gedeeld door het totaal aantal
                        kilometers 13.000, is gemiddelde vergoeding per kilometer van € 0,17.</al><al>Na saldering blijft de vergoeding onder de € 0,19 per kilometer waardoor de
                        totale reisvergoeding onbelast blijft. Indien de werkgever het "bovenmatige"
                        gedeelte van € 0,09 van de dienstreiskilometers reeds heeft belast (in
                        totaal 3.000 km x € 0,09 = € 270,--) mag de inhoudingsplichtige uiterlijk in
                        de eerste maand van het nieuwe kalenderjaar in zijn loonadministratie als
                        negatief loon opnemen: € 270,--. </al><al>Reiskostenvergoedingen mogen dus ook onderling worden gesaldeerd. Kilometers
                        die betrekking hebben op het reizen per openbaar vervoer waarvoor een
                        vergoeding in geld is ontvangen, alsmede kilometers die als meerijder zijn
                        afgelegd zonder dat sprake is van vervoer vanwege de werkgever en zonder dat
                        de betrokkene daarvoor een vergoeding heeft ontvangen, mogen eveneens bij de
                        saldering worden betrokken. Saldering, respectievelijk belastingheffing over
                        het bovenmatig deel dat na saldering overblijft, mag worden uitgesteld.
                        Afrekening met de fiscus op basis van saldering kan na afloop van een
                        bepaald loontijdvak, maar dient uiterlijk plaats te vinden in de eerste
                        maand van het nieuwe kalenderjaar. Saldering na afloop van een
                        kalenderkwartaal, half kalenderjaar of heel kalenderjaar is mogelijk zolang
                        de vergoeding niet definitief is toegekend. In verband daarmee wordt de
                        reiskostenvergoeding in eerste instantie bij wijze van voorschot uitbetaald.
                        Voor de berekening van de loonheffing over het bovenmatig deel van de in een
                        gekozen periode uitbetaalde reiskostenvergoedingen dient te worden uitgegaan
                        van alle daadwerkelijk afgelegde dienstkilometers, vermeerderd met de
                        daadwerkelijk afgelegde woon/werkkilometers. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 26, Dienstauto</titel></kop><al>Voor zakelijke reizen kunnen gedeputeerden gebruikmaken van een dienstauto
                        met chauffeur.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelen 28 en 36, Buitenlandse dienstreis</titel></kop><al>Bij buitenlandse dienstreizen in het provinciaal belang kunnen de
                        gedeputeerde de in redelijkheid gemaakte werkelijke reis- en verblijfkosten
                        worden vergoed. De tarieven in het voor het rijkspersoneel geldende
                        Reisbesluit buitenland zijn daarbij richtsnoer. In de eerdergenoemde
                        gedragscode zijn nadere gedragsregels vastgesteld. Daarbij gaat het om
                        expliciete besluitvorming in het college van gedeputeerde staten over
                        buitenlandse reizen en over uitnodigingen daartoe op kosten van derden. </al><al>Maar ook om bijvoorbeeld de rekening en verantwoording achteraf (zowel
                        inhoudelijk als financieel), het meereizen van de partner en het combineren
                        van een dienstreis met een (direct voorafgaande of aansluitende)
                        privéreis.</al><al>Ook statencommissies maken wel eens in het provinciaal belang excursies of
                        reizen naar het buitenland. Hiervoor moeten provinciale staten expliciet
                        toestemming verlenen. De reis of excursie wordt in alle gevallen door of
                        vanwege de provincie georganiseerd. Hetgeen hiervoor is geschreven over
                        buitenlandse dienstreizen van gedeputeerden geldt mutatis mutandis ook voor
                        buitenlandse excursies en reizen van statencommissies.</al><al>Voor statenleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat
                        de vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer
                        bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord
                        en dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare
                        beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 31, Mobiele telefoon</titel></kop><al>Als onderdeel van de bedrijfsvoering kan aan de gedeputeerde op aanvraag
                        voor zakelijk gebruik een mobiele telefoon als tweede telefoon om niet ter
                        beschikking gesteld. De nadere voorwaarden zijn geregeld in de
                        bruikleenovereenkomst die de gedeputeerde met de provincie sluit. Het model
                        van die overeenkomst is door gedeputeerde staten vastgesteld. De kosten van
                        het zakelijk gebruik van de mobiele telefoon komen ten laste van de
                        provincie. Indien ook privé gebruik wordt gemaakt van deze mobiele telefoon
                        komen die kosten voor rekening van de gedeputeerde. Daartoe wordt op de
                        bezoldiging van de gedeputeerde een bedrag ingehouden dat correspondeert met
                        de kosten van privégebruik. Gedeputeerde staten stellen dit bedrag vast op
                        dezelfde wijze als de regeling zoals deze voor de ambtenaren geldt. Op basis
                        van de werkelijke kosten kunnen gedeputeerde staten achteraf een correctie
                        aanbrengen. </al><al>Bij een verstrekking wordt ervan uitgegaan dat een gedeputeerde de mobiele
                        telefoon voor meer dan 10% van het totale gebruik zakelijk gebruikt. Dat
                        betekent dat de provincie de mobiele telefoon belastingvrij ter beschikking
                        kan stellen en zonder gevolgen voor de belastingheffing ten aanzien van de
                        gedeputeerde de totale kosten van gebruik van de mobiele telefoon (zowel
                        zakelijk als privé) voor zijn rekening mag nemen. De provincie betaalt alle
                        kosten van gebruik van de mobiele telefoon en verhaalt door middel van een
                        inhouding op de bezoldiging de kosten van het privégebruik op de
                        gedeputeerde. Zo'n bijdrage van de gedeputeerde heeft fiscaal evenmin
                        gevolgen. </al><al>In de toelichting op artikelen 3 en 23 is al ingegaan op de korting op de
                        vaste kostenvergoeding bij beschikbaarstelling van een mobiele
                        telefoon.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 33, Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</titel></kop><al>Sinds de dualisering van het provinciebestuur kunnen personen van buiten
                        provinciale staten tot gedeputeerde worden benoemd. Dat kunnen ook personen
                        zijn die niet in de provincie zelf wonen. Die zijn op grond van de
                        Provinciewet verplicht om te gaan wonen in de provincie waar zij
                        gedeputeerde zijn geworden. In artikel 33 is geregeld dat zij bij verhuizing
                        naar de provincie in aanmerking komen voor een verhuiskostenvergoeding en
                        eventueel voor vergoeding van reis- en pensionkosten in afwachting van de
                        verhuizing. De vergoedingen zijn onbelast.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 34, Vergoeding voor het bijwonen van
                            commissievergaderingen</titel></kop><al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van provinciale commissies
                        geregeld. Deze bepaling geldt niet voor statenleden en gedeputeerden die in
                        de commissie zitten. Hun vergoeding is immers al geregeld in de
                        rechtspositiebesluiten en elders in deze verordening. Uitgezonderd zijn
                        verder onder meer ambtenaren en bestuurders die in die hoedanigheid in de
                        commissie zitting hebben. Uitgezonderd zijn ten slotte vertegenwoordigers
                        van belangengroepen en dergelijke, tenzij hun lidmaatschap tevens in
                        belangrijke mate het provinciaal belang dient. De hoogte van het
                        presentiegeld wordt bij provinciale verordening bepaald. Wel is in het
                        Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden het maximale bedrag van de
                        vergoeding voor de werkzaamheden aangegeven. In artikel 34, eerste lid, is
                        de hoogte van de vergoeding bepaald op het maximale bedrag. Het bedrag van
                        het presentiegeld is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1 januari herzien
                        aan de hand van het indexcijfer cao-lonen overheid. </al><al>Hiervoor is in de provincie geen nadere besluitvorming nodig omdat het
                        bedrag van het presentiegeld is gekoppeld aan het maximumbedrag dat
                        jaarlijks wordt bijgesteld. Het Rechtspositiebesluit staten- en
                        commissieleden biedt de mogelijkheid om in de provinciale verordening te
                        regelen dat in bepaalde gevallen een hoger bedrag aan presentiegeld wordt
                        toegekend dan het eerder bedoelde maximumbedrag. Dat is geregeld in artikel
                        34, vierde lid. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelen 37 tot en met 40, De procedure van declaratie</titel></kop><al>In artikel 37 zijn de drie wijzen van betaling aangegeven. In de artikelen
                        38 tot en met 40 is vervolgens aangegeven in welke gevallen welke
                        betalingswijze aan de orde is en welke procedurevoorschriften in achtgenomen
                        moeten worden.</al><al>Declaratie van vooruitbetaalde kosten</al><al>Daarbij gaat het om vergoeding van de volgende kosten:</al><al>- reis- en verblijfkosten van statenleden</al><al>- zakelijke reis- en verblijfkosten van gedeputeerden</al><al>- reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                        gedeputeerden</al><al>- reis- en pensionkosten en verhuiskosten</al><al>- reis- en verblijfkosten van leden van provinciale commissies</al><al>Rechtstreekse facturering bij de provincie</al><al>Rekeningen kunnen rechtstreeks bij de provincie in rekening worden gebracht
                        in de volgende gevallen:</al><al>- deelname aan cursussen, congressen, seminars en symposia door statenleden
                        en gedeputeerden</al><al>- zakelijke reis- en verblijfkosten van gedeputeerden</al><al>- reis- en pensionkosten en verhuiskosten</al><al>- reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                        gedeputeerden</al><al>Gebruik creditcard</al><al>Aan gedeputeerden kan onder voorwaarden een creditcard beschikbaar worden
                        gesteld voor functionele uitgaven ten laste van de provincie. Gebruik van
                        creditcards is mogelijk in de volgende gevallen:</al><al>- zakelijke reis- en verblijfkosten van gedeputeerden</al><al>- reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                        gedeputeerden</al><al>- reis- en pensionkosten en verhuiskosten</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>