<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr owms-version="3.5" cvdr-version="1.0" xp_0:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns:xp_0="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:xsi="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/"><meta><owmskern><dcterms:identifier>92630_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Financiele verordening Drenthe 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Drenthe</dcterms:creator><dcterms:modified>2009-04-14</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:alternative>Financiele verordening Drenthe 2004</dcterms:alternative><dcterms:license>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:license><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:subject>personeel en organisatie</dcterms:subject><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Provinciewet">Provinciewet, </dcterms:source><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.provincie.drenthe.nl/loket/reglementen/financiele_verordening_drenthe_2004/20040317">Provinciaal blad, 2004, 37</dcterms:isFormatOf></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-03-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2004-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>5/6.16/2003011632</overheidrg:kenmerk></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet></vet><vet></vet><cursief></cursief>Eerste lid<cursief>. </cursief>Een jaarlijkse actualisatie van het beleid ten aanzien van reserves en voorzieningen is
    
  <cursief></cursief>Derde lid<cursief>. </cursief>Een jaarlijkse verantwoording wordt voorgesteld.
    
    
    
    
    
    
</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Inhoud</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1, Inleidende bepaling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1, Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>1. <cursief>organisatie-eenheid</cursief>: een werkeenheid zoals bedoeld in de organisatieverordening van de</al><al>provincie Drenthe;</al><al>2. <cursief>administratie</cursief>: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie</al><al>ten behoeve van het besturen, het functioneren en het beheersen van de organisatie van de</al><al>provincie en ten behoeve van de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;</al><al>3. <cursief>financiële administratie</cursief>: onderdeel van de administratie dat omvat het systematisch maken en</al><al>verwerken van aantekeningen betreffende de financiële gegevens van de organisatie van de</al><al>provincie, teneinde te komen tot een goed inzicht in:</al><al>1. de financieel-economische positie</al><al>2. het financiële beheer</al><al>3. de uitvoering van de begroting</al><al>4. het afwikkelen van vorderingen en schulden, alsmede tot het afleggen van rekening en verantwoording</al><al>daarover</al><al>4. <cursief>financieel beheer</cursief>: het uitoefenen van bestuur over en toezicht op het beheer van financiën, het</al><al>nakomen van financiële verplichtingen en het uitoefenen van rechten van de provincie;</al><al>5. <cursief>rechtmatigheid</cursief>: het in overeenstemming zijn met geldende wet- en regelgeving, waaronder mede</al><al>begrepen provinciale verordeningen, besluiten van provinciale staten en van gedeputeerde</al><al>staten;</al><al>6. <cursief>beleidsdoelstelling</cursief>: door de overheid bedoelde veranderingen in de samenleving, waarvan een</al><al>verband het handelen van de overheid en het effect in de samenleving plausibel is;</al><al>7. <cursief>doelmatigheid</cursief>: de mate waarin de gewenste prestaties worden gerealiseerd met een zo beperkt</al><al>mogelijk inzet van middelen, of met de beschikbare middelen zo veel mogelijk resultaat bereiken;</al><al>8. <cursief>doeltreffendheid</cursief>: de mate waarin de gewenste prestaties en maatschappelijke effecten van het</al><al>provinciale beleid daadwerkelijk worden bereikt;</al><al>9. <cursief>besluit</cursief>: besluit, begroting en verantwoording provincies en gemeenten;</al><al>10. <cursief>programma</cursief>: een cluster van samenhangende provinciale doelstellingen; die samenhang bestaat</al><al>in de politieke relevantie van de doelstellingen en het zijn van een sturingselement voor</al><al>provinciale staten.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2, Begroting en verantwoording</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2, Begroting</titel></kop><al>1. Provinciale staten stellen een programma-indeling vast.</al><al>2. Provinciale staten stellen per programma vast:</al><al>1. de doelstellingen van het provinciale beleid</al><al>2. de door provinciale activiteiten te realiseren resultaten</al><al>3. de begrote baten en lasten</al><al>4. de prioriteiten</al><al>3. Gedeputeerde staten nemen in de door provinciale staten vast te stellen begroting een bedrag op</al><al>voor onvoorziene uitgaven.</al><al>4. Gedeputeerde staten stellen per programma indicatoren voor met betrekking tot de doelstellingen</al><al>van provinciaal beleid en de te realiseren resultaten. Provinciale staten stellen deze indicatoren</al><al>vast.</al><al>5. Gedeputeerde staten dragen zorg voor het verzamelen en vastleggen van gegevens over de</al><al>doelstellingen en resultaten, opdat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid zoals</al><al>vastgesteld door provinciale staten kunnen worden getoetst.</al><al>6. Wijzigingen van de begroting worden op overeenkomstige wijze vastgesteld als de begroting.</al><al>7. Gedeputeerde staten zijn bevoegd de begroting te wijzigen indien en voorzover deze wijziging ten</al><al>laste wordt gebracht van het in het derde lid van dit artikel bedoelde bedrag voor onvoorziene uitgaven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3, Kaders begroting</titel></kop><al>1. Gedeputeerde staten bieden provinciale staten een Voorjaarsnota aan over de kaders voor het</al><al>volgende begrotingsjaar en de 3 opvolgende jaren.</al><al>2. Gedeputeerde staten zorgen voor een tijdige toezending van de in het eerste lid genoemde Voorjaarsnota,</al><al>met dien verstande dat gedeputeerde staten zodanig rekening houden met het schema</al><al>voor staten- en commissievergaderingen dat provinciale staten in staat zijn uiterlijk op 10 juni van</al><al>het begrotingsjaar de Voorjaarsnota vast te stellen.</al><al>3. Provinciale staten stellen op uiterlijk 10 juni van het begrotingsjaar een Voorjaarsnota vast.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4, Uitvoering begroting</titel></kop><al>1. Gedeputeerde staten stellen regels vast die waarborgen dat de uitvoering van de begroting rechtmatig,</al><al>doelmatig en doeltreffend verloopt.</al><al>2. Gedeputeerde staten dragen ten aanzien van de productenraming er zorg voor dat:</al><al>1. de lasten en baten, door middel van kostentoerekening, eenduidig zijn toegewezen aan de</al><al>producten van de productraming;</al><al>2. de budgetten uit de productraming en kredieten voor investeringen passen binnen de kaders,</al><al>zoals geautoriseerd bij de vaststelling van de uiteenzetting van de financiële positie;</al><al>3. de lasten van de producten niet dusdanig worden overschreden dat de realisatie van andere</al><al>producten binnen hetzelfde programma onder druk komt.</al><al>3. Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat de lasten van de programma's, zoals geautoriseerd</al><al>in de al dan niet gewijzigde begroting, niet worden overschreden.</al><al>4. Gedeputeerde staten zenden de productenraming aan provinciale staten ter kennisneming mee</al><al>met de begroting.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5, Interne controle</titel></kop><al>1. Gedeputeerde staten dragen ten behoeve van het getrouwe beeld en de rechtmatigheid van de</al><al>jaarrekening zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking</al><al>en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen nemen zij maatregelen</al><al>tot herstel.</al><al>2. Gedeputeerde staten dragen zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van een aantal onderdelen</al><al>van organisatie-eenheden op juistheid, volledigheid en tijdigheid van de bestuurlijke informatievoorziening,</al><al>de rechtmatigheid van de beheershandelingen en misbruik en oneigenlijk gebruik van</al><al>provinciale regelingen.</al><al>3. Gedeputeerde staten zorgen op basis van de resultaten van de toets, bedoeld in het tweede lid,</al><al>indien nodig voor een plan van verbetering. Zij nemen op basis van het plan van verbetering</al><al>maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6, Tussentijdse rapportage en informatie</titel></kop><al>1. Gedeputeerde staten informeren provinciale staten door middel van een tussentijdse rapportage</al><al>over de realisatie van de begroting over de eerste 6 maanden van het lopende boekjaar.</al><al>2. De in het eerste lid genoemde rapportage wordt aan provinciale staten aangeboden ter behandeling</al><al>in de begrotingsvergadering.</al><al>3. De inrichting van de in het eerste lid genoemde rapportage sluit aan bij de programma-indeling</al><al>van de begroting.</al><al>4. De in het eerste lid genoemde rapportage gaat in op relevante afwijkingen, zowel wat betreft de</al><al>lasten en baten, de bereikte resultaten van provinciale activiteiten en indien daar aanleiding voor</al><al>is de beleidsdoelstellingen.</al><al>5. Bij de in het eerste lid genoemde rapportage, doen gedeputeerde staten mededeling van het</al><al>gebruik dat zij hebben gemaakt van de bevoegdheid tot subsidieverstrekking en vaststelling zoals</al><al>bedoeld in de Algemene subsidieverordening Drenthe.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7, Jaarstukken</titel></kop><al>1. Gedeputeerde staten dragen zorg voor een adequate vertaling van de verantwoording van de</al><al>organisatie-eenheden naar de productenrealisatie en naar de programmaverantwoording, conform</al><al>de artikelen 24 en 25 van het besluit.</al><al>2. Gedeputeerde staten leggen verantwoording af over de uitvoering van de programma's. In de</al><al>verantwoording geeft het college aan:</al><al>1. de mate waarin de doelstellingen zijn bereikt;</al><al>2. de bereikte resultaten van provinciale activiteiten;</al><al>3. de werkelijke baten en lasten.</al><al>3. Provinciale staten bepalen aan de hand van de uitvoering van de programma's of de beleidsdoelen</al><al>van de programma's voor het lopende jaar bijstelling behoeven.</al><al>4. Bij de jaarstukken doen gedeputeerde staten mededeling van het gebruik dat zij hebben gemaakt</al><al>van de bevoegdheid tot subsidieverstrekking en vaststelling, zoals bedoeld in de Algemene</al><al>subsidieverordening Drenthe.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3, Kaderstelling financiële positie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8, Financiële positie</titel></kop><al>Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat alle besluiten van provinciale staten en in verband</al><al>waarmee zij gelden, beschikbaar hebben gesteld in de begroting, de uiteenzetting van de financiële</al><al>positie en de meerjarenramingen zijn opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9, Waardering en afschrijving vaste activa</titel></kop><al>1. Vaste activa worden voor het bedrag van de investering gewaardeerd, waarbij bijdragen van derden</al><al>die in directe relatie staan met een actief op de waardering daarvan in mindering worden gebracht.</al><al>2. Geactiveerde kosten voor onderzoek en ontwikkeling worden, indien wordt voldaan aan de voorwaarden</al><al>in artikel 60 van het besluit, in 5 jaar afgeschreven.</al><al>3. Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.</al><al>4. De materiële vaste activa met economisch nut, zoals bedoeld in artikel 35 van het besluit, worden</al><al>afgeschreven in overeenstemming met de verwachte toekomstige levensduur. De volgende termijnen</al><al>gelden voor de hieronder met name genoemde activa:</al><al>- 50 jaar voor nieuwbouw bedrijfsgebouwen</al><al>- 10 jaar voor meubilair</al><al>- 5 jaar voor zware transportmiddelen, aanhangwagens, personenauto's, lichte motorvoer-tuigen</al><al>en technische hulpmiddelen</al><al>- 4 jaar voor automatiseringsapparatuur en 4 jaar voor automatiseringsprogrammatuur</al><al>Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven.</al><al>5. De materiële vaste activa met economisch nut, zoals bedoeld in artikel 35 van het besluit, met een</al><al>verkrijgingsprijs van minder dan € 50.000,-- worden niet geactiveerd, met uitzondering van gronden</al><al>en terreinen die altijd worden geactiveerd.</al><al>6. Ingaande het jaar waarin het actief in gebruik is genomen, wordt begonnen met afschrijven.</al><al>7. Onder investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut, zoals bedoeld in artikel</al><al>35 van het besluit, worden in ieder geval verstaan: investeringen en aanleg en onderhoud van</al><al>wegen, waterwegen, civiele kunstwerken, groen en kunstwerken. Aankoop en vervaardiging van</al><al>deze activa worden onder aftrek van bijdragen van derden en bestemmingsreserves als ten laste</al><al>van de exploitatie gebracht, indien de waarde ten hoogste € 100.000,-- bedraagt en geactiveerd</al><al>indien de waarde hoger is.</al><al>8. Voor de verwachte toekomstige levensduur gelden de onderstaande termijnen voor de hieronder</al><al>met name genoemde activa.</al><al>- 30 jaar voor waterwegen;</al><al>- 20 jaar voor wegen;</al><al>- 90 jaar voor bruggen en viaducten;</al><al>- 100 jaar voor sluizen;</al><al>- 10 jaar voor maatregelen zoals rotondes, verkeersdrempels, wegversmallingen, bermverhardingen</al><al>en faunavoorzieningen.</al><al>9. Bijdragen aan activa in eigendom van derden die voldoen aan de voorwaarden zoals genoemd in</al><al>artikel 61 van het besluit, worden afgeschreven in 15 jaar of minder, indien de levensduur van het</al><al>actief minder dan 15 jaar bedraagt.</al><al>10. Activa worden over de waarde daarvan, in overeenstemming met de verwachte toekomstige levensduur,</al><al>lineair afgeschreven.</al><al>11. Kunstvoorwerpen met een cultuurhistorische waarde worden niet geactiveerd.</al><al>12. Het bepaalde in het eerste tot en met het elfde lid is van toepassing op kredieten waarover</al><al>provinciale staten na 1 januari 2004 hebben besloten.</al><al>13. Van het eerste tot en met het elfde lid kan bij besluit van provinciale staten worden afgeweken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10, Reserves en voorzieningen</titel></kop><al>1. Gedeputeerde staten bieden in de eerste helft van iedere statenperiode aan provinciale staten</al><al>een Nota reserves en voorzieningen ter vaststelling aan.</al><al>2. De in het eerste lid genoemde nota behandelt:</al><al>1. de vorming en besteding van reserves</al><al>2. de vorming en besteding van voorzieningen</al><al>3. de toerekening en verwerking van bedragen wegens het op peil houden en rente</al><al>3. In de toelichting op de jaarrekening als onderdeel van de jaarstukken van de provincie, wordt de</al><al>vorming en besteding van de reserves en voorzieningen in het verslagjaar kort toegelicht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11, Kostprijsberekening</titel></kop><al>Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van de rechten als bedoeld in artikel 223 van de</al><al>Provinciewet, wordt een systeem van kostentoerekening gehanteerd. Bij de kostentoerekening worden</al><al>de directe kosten die samenhangen met de dienstverlening en een opslag van 50% op de directe personele</al><al>kosten voor overhead betrokken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12, Financierings- en treasuryfunctie</titel></kop><al>Het door provinciale staten vastgestelde treasurystatuut is voor gedeputeerde staten van toepassing bij</al><al>de uitvoering van de financierings- en treasuryfunctie.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4, Financiële organisatie en administratie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 13, Administratie</titel></kop><al>De administratie is zodanig van opzet en werking dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:</al><al>1. het sturen en beheersen van activiteiten en processen in de provincie als geheel en in de organisatie-</al><al>eenheden;</al><al>2. het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van activa met economisch nut,</al><al>activa met maatschappelijk nut, voorraden, vorderingen en schulden;</al><al>3. het verschaffen van informatie aan de budgethouders en voor het maken van kostencalculaties;</al><al>4. het bevorderen van de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde</al><al>bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en ter zake geldende wet- en regelgeving;</al><al>5. het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid</al><al>van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en ter zake geldende</al><al>wet- en regelgeving;</al><al>6. de controle van de registratie van de gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie,</al><al>alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van</al><al>het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14, Financiële organisatie</titel></kop><al>Gedeputeerde staten dragen zorg voor en leggen vast:</al><al>1. een eenduidige indeling van de provinciale organisatie en een eenduidige toewijzing van provinciale</al><al>taken aan de organisatie-eenheden;</al><al>2. een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden en verantwoordelijkheden, zodat aan</al><al>de eisen van interne controle wordt voldaan en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie</al><al>aan de beleids- en beheersorganen, de toezichthouder en derden zoals bedoeld in het besluit, is</al><al>gewaarborgd;</al><al>3. de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de</al><al>toegekende budgetten en investeringskredieten;</al><al>4. de te maken afspraken met de organisatie-eenheden over de te leveren prestaties, de daarvoor</al><al>beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten</al><al>en uitputting van middelen;</al><al>5. de regels voor de verlening van decharge over het gevoerde beheer van de organisatieeenheden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15, Inkoop en aanbesteding</titel></kop><al>Gedeputeerde staten dragen zorg voor en leggen de regels vast die toezien op de inkoop en aanbesteding</al><al>van werken, diensten en leveringen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16, Slotbepaling</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking na plaatsing in het Provinciaal blad en werkt terug tot 1 januari</al><al>2004, met dien verstande dat de begroting voor het begrotingsjaar 2004 voldoet aan de bepalingen</al><al>van deze verordening.</al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening Drenthe 2004.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2, Begroting</titel></kop><al>- Tweede lid. Provinciale staten autoriseren de provinciale begroting voor telkens één totaalbedrag</al><al>voor lasten en één totaalbedrag voor baten per programma, met dien verstande:</al><al>- dat in de begroting voor provinciale staten geen onderscheid meer gemaakt wordt tussen de</al><al>verschillende kostensoorten;</al><al>- dat per programma in de begroting ten minste de drie vragen beantwoord worden, te weten:</al><al>- wat willen wij bereiken?</al><al>- wat gaan wij ervoor doen?</al><al>- wat zijn de kosten en eventuele baten die eraan verbonden zijn?</al><al>- Zevende lid. In de periode voorafgaand aan deze verordening werd bij een beroep op het in de</al><al>begroting opgenomen bedrag voor onvoorziene uitgaven door provinciale staten een begrotingswijziging</al><al>vastgesteld. Nadeel hierbij was dat het traject voor besluitvorming circa 2 maanden in</al><al>beslag neemt. Dit had onder meer tot gevolg dat na medio oktober van ieder jaar in het geheel</al><al>geen beroep op onvoorzien meer mogelijk was. Om de slagvaardigheid van het college op dit</al><al>punt te vergroten wordt in het vierde lid geregeld dat gedeputeerde staten bevoegd zijn de begroting</al><al>te wijzigen, voorzover deze wijziging ten laste wordt gebracht van het bedrag voor onvoorziene</al><al>uitgaven. Het besluit biedt hiervoor ruimte. Volgens het besluit wordt bij de <cursief>programmaverantwoording</cursief></al><al>inzicht gegeven in het gebruik van het geraamde bedrag voor onvoorzien. Verder is in</al><al>het besluit bepaald dat de toelichting op de programmarekening een overzicht van de aanwending</al><al>van het bedrag voor onvoorzien bevat. De verantwoording dient plaats te vinden <cursief>op het desbetreffende</cursief></al><al>programma, product, functie. De bevoegdheid voor gedeputeerde staten tot wijziging van</al><al>de begroting ten laste van onvoorzien, is bedoeld om deze verantwoording, alsmede een adequaat</al><al>budgetbeheer, mogelijk te maken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3, Kaders begroting</titel></kop><al>- Tweede en derde lid. De uiterste datum ter vaststelling van de Voorjaarsnota is 10 juni. Het verdient</al><al>echter aanbeveling, gelet op de voorbereidingstijd voor de totstandkoming van de begroting,</al><al>in de praktijk ernaar te streven de Voorjaarsnota in de eerste helft van mei vast te stellen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8, Financiële positie</titel></kop><al>Dit artikel beoogt te regelen dat gedeputeerde staten de besluiten van provinciale staten volledig verwerken</al><al>in de begroting en in de meerjarenraming.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9, Waardering en afschrijving vaste activa</titel></kop><al>- Vijfde lid. Het voorgestelde grensbedrag voorkomt dat zaken van een te geringe waarde worden</al><al>geactiveerd.</al><al>- Zevende lid. Hierin wordt een andere keuze voorgesteld dan wordt aanbevolen in het besluit. Volgens</al><al>het BBV kunnen dergelijke investeringen wel worden geactiveerd. Maar in de toelichting</al><al>staat dat dit niet wordt aanbevolen. In genoemde toelichting staat dat de uitzondering uitsluitend is</al><al>toegelaten omdat sommige provincies en gemeenten anders niet in staat zouden zijn bepaalde</al><al>investeringen in de openbare ruimte te doen. Tot op heden zijn investeringen in de openbare</al><al>ruimte met een maatschappelijk nut steeds geactiveerd en is er op afgeschreven. Op grond van</al><al>het actuele inzicht in de financiële consequenties van deze (vervangings)investeringen in de</al><al>(nabije) toekomst blijft activeren en afschrijven noodzakelijk, gelet op onze relatief beperkte financiële</al><al>middelen. Een stap in de richting van de geest van het BBV is het leggen van het grensbedrag</al><al>voor deze investeringen bij € 100.000,--.</al><al>- Achtste lid. De voorgestelde afschrijvingstermijnen zijn binnen de provinciale organisatie afgestemd.</al><al>De staten kunnen hiervan echter afwijken. Zie ook: dertiende lid</al><al>- Negende lid. Ook op deze activa mag worden afgeschreven. Hierbij wordt een maximale termijn</al><al>vastgelegd van 15 jaar. Overweging hierbij is dat in artikel 61 voorwaarden worden gesteld aan</al><al>het activeren van activa in eigendom van derden. Een ruime termijn lijkt daarom verantwoord.</al><al>Omdat het terugvorderingsrecht in de praktijk op problemen kan stuiten, wordt toch een maximale</al><al>afschrijvingsduur van 15 jaar voorgesteld.</al><al>- Tiende lid. Lineair afschrijven veronderstelt een evenredige waardevermindering van een actief</al><al>over de levensduur. Hoewel dit niet in alle gevallen recht doet aan de werkelijke waardevermindering,</al><al>is een voordeel dat het systeem redelijk eenvoudig is. Impliciet betekent dit artikel dat op</al><al>nieuwe activa niet meer annuïtair wordt afgeschreven. Het voordeel van annuïtair afschrijven is</al><al>dat de lasten voor de exploitatie steeds gelijkmatig zijn. Nadeel ervan is echter het onjuiste beeld</al><al>dat hierdoor over de vermogenspositie ontstaat. Met het BBV wordt een stap gezet om gemeenten</al><al>en provincie een beter beeld van de vermogenspositie te laten geven. Lineair afschrijven is in</al><al>dit verband een acceptabele methodiek.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10, Reserves en voorzieningen</titel></kop><al>- </al><al>nogal bewerkelijk. Per statenperiode is dat wel haalbaar.</al><al>- </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11, Kostprijsberekening</titel></kop><al>Artikel 225 van de Provinciewet regelt dat de tarieven zodanig vastgesteld worden dat de geraamde</al><al>baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake. De legesopbrengst van de provincie</al><al>is vrij gering. Een bescheiden overhead van 50% is klant/burgervriendelijk.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14, Financiële organisatie</titel></kop><al>Overwogen is dat regels voor het verlenen van décharge een essentieel onderdeel zijn van verantwoorden.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>