<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr owms-version="3.5" cvdr-version="1.0" xp_0:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns:xp_0="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:xsi="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/"><meta><owmskern><dcterms:identifier>92626_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Reglement van orde voor de vergaderingen van de statencommissies</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Drenthe</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-07-25</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:alternative>Reglement van orde voor de vergaderingen van de statencommissies</dcterms:alternative><dcterms:license>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:license><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2003-04-23</dcterms:issued><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Provinciewet">Provinciewet, art. 80</dcterms:source><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal blad, 2003, 44</dcterms:isFormatOf></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2003-06-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2005-07-21</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>11/6.8/2003002382</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De regeling is voor inwerkingtreding reeds gewijzigd (artikel 2, provinciale staten 07-05-2003, nr. D-1.</al><al id="anker-doi">Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit:
                23-4-2003</al><al id="anker-bbi">Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit:
                Provinciaal blad, 2003, 44</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet></vet>
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
  5. Een lid, de voorzitter en hun plaatsvervangers kunnen te allen tijde ontslag nemen. Zij doen daarvan
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
    
  <vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet><vet></vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Tekst</titel></kop><paragraaf><kop><titel>INHOUDSOPGAVE</titel></kop><structuurtekst><al>Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen</al><al>Hoofdstuk 2. Instelling, taken en samenstelling</al><al>Hoofdstuk 3. Aanwezigheid college, Commissaris van de Koning en secretaris</al><al>Hoofdstuk 4. Vergaderingen</al><al>Hoofdstuk 5. Besloten vergaderingen</al><al>Hoofdstuk 6. Toehoorders en pers</al><al>Hoofdstuk 7. Slotbepalingen</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>HOOFDSTUK 1, BEGRIPSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1, Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit reglement wordt verstaan onder:</al><al>a. <cursief>lid</cursief>: lid of bijzonder lid van een statencommissie;</al><al>b. <cursief>bijzonder lid</cursief>: een commissielid, niet zijnde statenlid;</al><al>c. <cursief>voorzitter</cursief>: voorzitter van een statencommissie;</al><al>d. <cursief>plaatsvervangend voorzitter</cursief>: vervanger van de voorzitter van de statencommissie;</al><al>e. <cursief>commissiegriffier</cursief>: secretaris van een statencommissie of diens vervanger;</al><al>f. <cursief>griffier</cursief>: griffier van provinciale staten of diens vervanger. In gevallen waarin de griffier het secretariaat</al><al>van een commissie behartigt, dient voor "commissiegriffier" gelezen te worden "griffier";</al><al>g. <cursief>vergadering</cursief>: vergadering van een statencommissie;</al><al>h. <cursief>Presidium</cursief>: het Presidium als bedoeld in artikel 5 van het Reglement van orde voor de vergaderingen</al><al>en andere werkzaamheden van provinciale staten;</al><al>i. <cursief>secretaris</cursief>: directeur-secretaris.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>HOOFDSTUK 2, INSTELLING, TAKEN EN SAMENSTELLING</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2, Instelling statencommissies</titel></kop><al>1. Provinciale staten stellen de volgende statencommissies in:</al><al>a. Statencommissie Milieu, Water en Groen (MWG)</al><al>b. Statencommissie Cultuur en Welzijn (CW)</al><al>c. Statencommissie Ruimte, Infrastructuur en Mobiliteit (RIM)</al><al>d. Statencommissie Bestuur, Financiën en Economie (BFE)</al><al>2. De Statencommissie MWG adviseert en overlegt over de volgende onderwerpen.</al><al>Milieu:</al><al>- milieuhygiëne</al><al>- milieubeheer</al><al>- gebiedenbeleid</al><al>- energiebeleid (de financiële kant wordt behandeld in de Statencommissie BFE)</al><al>Water:</al><al>- waterbeheer</al><al>- waterschappen</al><al>Groen:</al><al>- plattelandsontwikkeling</al><al>- natuur en landschap</al><al>- ontgrondingen</al><al>- landinrichting</al><al>- natuur- en milieueducatie</al><al>Landbouw</al><al>3. De Statencommissie CW adviseert en overlegt over de volgende onderwerpen.</al><al>Cultuur:</al><al>- culturele zaken</al><al>- monumentenzorg</al><al>- regionale omroep</al><al>- Drents Museum</al><al>Welzijn:</al><al>- algemeen welzijnsbeleid (inclusief externe emancipatie)</al><al>- sport</al><al>- onderwijs</al><al>- minderhedenbeleid</al><al>- jeugdhulpverlening</al><al>- zorg</al><al>- organisaties van maatschappelijke activering</al><al>4. De Statencommissie RIM adviseert en overlegt over de volgende onderwerpen.</al><al>Ruimte:</al><al>- ruimtelijke ordening</al><al>- volkshuisvesting</al><al>- stedelijke vernieuwing/stads- en dorpsvernieuwing</al><al>Regiovisies:</al><al>- Regiovisie Groningen-Assen 2030</al><al>- Regiovisie Zuid-Drenthe - Noord-Overijssel</al><al>Infrastructuur/Mobiliteit:</al><al>- wegen en kanalen</al><al>- verkeer</al><al>- vervoer</al><al>- openbaar vervoer</al><al>5. De Statencommissie BFE adviseert en overlegt over de volgende onderwerpen.</al><al>Bestuur:</al><al>- bestuurlijke aangelegenheden</al><al>- Samenwerkingsverband Noord-Nederland</al><al>- Interprovinciaal overleg</al><al>- Nieuwe Hanze Interregio</al><al>- Bestuurlijke vernieuwing/dualisme</al><al>- juridische aangelegenheden</al><al>- bezwaarschriften tegen provinciale besluiten en Commissie van advies voor de bezwaarschriften</al><al>- Europa en internationale samenwerking</al><al>Financiën:</al><al>- financiële aangelegenheden</al><al>- Fonds Grote projecten (N.B. afzonderlijke projecten worden behandeld in de desbetreffende</al><al>functionele statencommissies)</al><al>- toezicht gemeentefinanciën</al><al>- energie (financiën; energiebeleid wordt behandeld in de Statencommissie MWG)</al><al>Economie:</al><al>- economische aangelegenheden</al><al>- arbeidsmarkt/werkgelegenheid</al><al>- arbeidsparticipatie (inclusief vrijwilligers)</al><al>- Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij</al><al>- Europeese programma's</al><al>Recreatie en toerisme</al><al>Openbare orde en veiligheid</al><al>Communicatie</al><al>Personeel en organisatie</al><al>Facilitaire zaken</al><al>Provinciale eigendommen</al><al>Informatie- en communicatietechnologie</al><al>6. Indien een onderwerp meerdere statencommissies aangaat, wordt het onderwerp in de statencommissie</al><al>die het onderwerp het meest aangaat, met mede-uitnodiging van de leden van de</al><al>andere statencommissie, besproken, tenzij het Presidium beslist dat een gezamenlijke vergadering</al><al>van de statencommissies wordt belegd.</al><al>7. Indien een gezamenlijke vergadering van statencommissies wordt belegd, vervult de voorzitter</al><al>van de statencommissie die het onderwerp het meest aangaat, de taken van de voorzitter.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3, Taken</titel></kop><al>Een statencommissie heeft de volgende taken.</al><al>- Het uitbrengen van advies aan provinciale staten over een voorstel of onderwerp dat betrekking</al><al>heeft op de in artikel 2, tweede tot en met vijfde lid, genoemde onderwerpen.</al><al>- Het uitbrengen van advies aan provinciale staten uit eigener beweging.</al><al>- Het voeren van overleg met het college of de Commissaris van de Koning over in ieder geval door</al><al>het college of de Commissaris van de Koning verstrekte inlichtingen en het gevoerde bestuur ten</al><al>aanzien van de in artikel 2, tweede tot en met vijfde lid, genoemde onderwerpen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4, Samenstelling</titel></kop><al>1. De statencommissies worden zodanig samengesteld dat alle fracties, naar evenredigheid van het</al><al>aantal zetels in provinciale staten, in alle statencommissies zijn vertegenwoordigd.</al><al>2. De in het eerste lid genoemde leden worden door provinciale staten op voordracht van de fracties</al><al>benoemd.</al><al>3. Provinciale staten kunnen daarnaast bijzondere commissieleden benoemen. Tot lid kunnen</al><al>maximaal 2 personen per fractie worden benoemd die geen lid zijn van provinciale staten indien:</al><al>a. zij benoembaar zijn tot lid van provinciale staten in een tussentijds opengevallen plaats;</al><al>b. zij een verklaring hebben ondertekend dat zij ermee instemmen dat het bepaalde in de artikelen</al><al>11 (openbaar maken van nevenfuncties), 14 (eed voor ambtsaanvaarding) en 25 (opleggen</al><al>geheimhoudingsplicht) van de Provinciewet op hen van overeenkomstige toepassing</al><al>is.</al><al>4. Bij verhindering van een lid van een commissie kan dit lid worden vervangen door een ander lid</al><al>van de fractie die hij vertegenwoordigt of door een persoon die geen lid is van provinciale staten</al><al>als bedoeld in artikel 4, derde lid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5, Voorzitter</titel></kop><al>1. De voorzitter wordt door provinciale staten uit hun midden benoemd en is geen lid van de statencommissie.</al><al>2. De plaatsvervangend voorzitter wordt door de statencommissie uit haar midden benoemd en is lid</al><al>van de statencommissie.</al><al>3. De voorzitter is belast met:</al><al>a. het leiden van de vergadering;</al><al>b. het handhaven van de orde;</al><al>c. het doen naleven van dit reglement;</al><al>d. hetgeen dit reglement hem verder opdraagt.</al><al>4. De voorzitter is q.q. lid van het Presidium. De plaatsvervangend voorzitter is zijn vervanger.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6, Zittingsduur en vacatures</titel></kop><al>1. De zittingsperiode van een lid, de voorzitter en zijn plaatsvervanger eindigt in ieder geval aan het</al><al>einde van de zittingsperiode van provinciale staten.</al><al>2. Provinciale staten kunnen een lid ontslaan op voorstel van de fractie op wiens voordracht het lid is</al><al>benoemd.</al><al>3. Provinciale staten kunnen de voorzitter ontslaan.</al><al>4. De statencommissie kan de plaatsvervangend voorzitter ontslaan.</al><al>schriftelijk mededeling aan provinciale staten. Het ontslag gaat een maand na de schriftelijke</al><al>mededeling in of zoveel eerder als hun opvolger is benoemd.</al><al>6. Indien een vacature ontstaat, beslissen provinciale staten zo spoedig mogelijk over de vervulling</al><al>daarvan met inachtneming van artikel 4.</al><al>7. Indien een fractie blijkens een schriftelijke verklaring aan de voorzitter van provinciale staten niet</al><al>langer vertegenwoordigd is in provinciale staten, vervalt het lidmaatschap van het lid dat op voordracht</al><al>van die fractie is benoemd van rechtswege.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7, Griffier en commissiegriffier</titel></kop><al>1. Provinciale staten benoemen ter ondersteuning van alle statencommissies een commissiegriffier.</al><al>2. De commissiegriffier is bij iedere commissievergadering aanwezig.</al><al>3. Bij zijn verhindering of afwezigheid wordt hij vervangen door een daartoe door provinciale staten</al><al>aangewezen vervanger.</al><al>4. De griffier kan bij iedere vergadering aanwezig zijn.</al><al>5. De commissiegriffier kan, indien hij daartoe door de voorzitter wordt uitgenodigd, aan de beraadslaging</al><al>als bedoeld in dit reglement deelnemen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>HOOFDSTUK 3, AANWEZIGHEID COLLEGE, COMMISSARIS VAN DE KONING</titel></kop></paragraaf><paragraaf><kop><titel>EN SECRETARIS</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8, Commissaris van de Koning en gedeputeerden</titel></kop><al>1. Het Presidium kan de Commissaris van de Koning en een of meer gedeputeerden uitnodigen bij</al><al>de vergadering aanwezig te zijn en aan de beraadslagingen deel te nemen.</al><al>2. Indien de Commissaris van de Koning of een gedeputeerde bij een vergadering aanwezig wil zijn</al><al>en wil deelnemen aan de beraadslagingen, doet hij hiertoe een verzoek aan de voorzitter.</al><al>3. Het Presidium neemt zo spoedig mogelijk een beslissing op het verzoek.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9, Secretaris</titel></kop><al>De statencommissie kan het college verzoeken de secretaris aanwezig te laten zijn bij de vergadering</al><al>en deel te laten nemen aan de beraadslagingen als bedoeld in dit reglement.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>HOOFDSTUK 4, VERGADERINGEN</titel></kop></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1, Tijdstip van vergaderen en voorbereidingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10, Vergaderfrequentie</titel></kop><al>1. Het Presidium stelt voor de aanvang van ieder kalenderjaar in overleg met de voorzitters van de</al><al>fracties een schema op voor de in dat jaar te houden vergaderingen van de statencommissies en</al><al>brengt dit tijdig ter kennis van de leden.</al><al>2. Een statencommissie vergadert voorts indien de voorzitter het nodig oordeelt of indien ten minste</al><al>4 leden schriftelijk met opgaaf van redenen daarom verzoeken.</al><al>3. De voorzitter kan, in afwijking van het in het eerste lid genoemde schema, in bijzondere gevallen</al><al>een andere dag of een ander aanvangsuur bepalen of een andere vergaderplaats aanwijzen. Hij</al><al>voert hierover overleg met de commissiegriffier.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11, Oproep</titel></kop><al>1. De voorzitter zendt ten minste 10 dagen voor een vergadering de leden een schriftelijke oproep</al><al>onder vermelding van de dag, het tijdstip en de plaats van de vergadering.</al><al>2. De voorlopige agenda en de daarbijbehorende stukken, met uitzondering van de in artikel 25,</al><al>eerste en tweede lid, van de Provinciewet bedoelde stukken, worden tegelijkertijd met de schriftelijke</al><al>oproep aan de leden verzonden.</al><al>3. Indien een aanvullende agenda wordt vastgesteld als bedoeld in artikel 12, tweede lid, worden</al><al>deze agenda en de daarop vermelde voorstellen of onderwerpen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk</al><al>48 uur voor aanvang van de vergadering, aan de leden gezonden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12, De agenda</titel></kop><al>1. Voordat de schriftelijke oproep wordt verzonden, stelt het Presidium in zijn vergadering de agenda</al><al>van de vergadering voorlopig vast. Commissieleden hebben tot 24 uur daarvoor gelegenheid gemotiveerd</al><al>punten aan te dragen bij het Presidium.</al><al>2. In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep tot uiterlijk</al><al>48 uur voor de aanvang van een vergadering een aanvullende agenda opstellen.</al><al>3. Bij aanvang van de vergadering stelt de statencommissie de agenda vast. Op voorstel van een lid</al><al>of de voorzitter kan de statencommissie bij de vaststelling van de agenda onderwerpen aan de</al><al>agenda toevoegen of van de agenda afvoeren.</al><al>4. Wanneer de statencommissie een onderwerp of voorstel onvoldoende voor de beraadslaging</al><al>voorbereid acht, kan zij aan het college of de Commissaris van de Koning nadere inlichtingen of</al><al>advies vragen. De statencommissie bepaalt in welke vergadering het onderwerp of voorstel opnieuw</al><al>geagendeerd wordt.</al><al>5. Op voorstel van een lid of de voorzitter kan de statencommissie de volgorde van behandeling van</al><al>de agendapunten wijzigen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13, Ter inzage leggen van stukken</titel></kop><al>1. Stukken die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op de agenda dienen, worden gelijktijdig</al><al>met het verzenden van de schriftelijke oproep voor eenieder in het provinciehuis ter inzage</al><al>gelegd. Indien na het verzenden van de schriftelijke oproep stukken ter inzage worden gelegd,</al><al>wordt hiervan mededeling gedaan aan de leden.</al><al>2. Een origineel van een ter inzage gelegd stuk wordt niet buiten het provinciehuis gebracht.</al><al>3. Indien voor stukken op grond van artikel 25, eerste en tweede lid, van de Provinciewet geheimhouding</al><al>is opgelegd, blijven deze stukken, in afwijking van het eerste lid, onder berusting van de</al><al>commissiegriffier en verleent de commissiegriffier een lid inzage.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14, Openbare kennisgeving</titel></kop><al>1. De vergadering wordt door aankondiging in dag- en nieuwsbladen en door plaatsing op de internetsite</al><al>van de provincie ter openbare kennis gebracht.</al><al>2. De openbare kennisgeving vermeldt:</al><al>a. de datum, de aanvangstijd en de plaats van de vergadering;</al><al>b. de wijze waarop en de plaats waar eenieder de voorlopige agenda en de daarbijbehorende</al><al>stukken kan inzien;</al><al>c. de mogelijkheid tot het uitoefenen van het spreekrecht als bedoeld in artikel 19.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2, Orde der vergadering</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15, Presentielijst</titel></kop><al>Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekent ieder lid onmiddellijk de presentielijst. Aan het einde van</al><al>elke vergadering wordt die lijst door de voorzitter en de commissiegriffier door ondertekening vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16, Opening vergadering; quorum</titel></kop><al>1. De voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde uur, indien meer dan de helft van het</al><al>aantal zitting hebbende leden aanwezig is.</al><al>2. Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het vereiste aantal leden aanwezig is, bepaalt</al><al>de voorzitter onder verwijzing naar dit artikel, na voorlezing van de namen van de afwezige</al><al>leden, dag en uur van de volgende vergadering, op een tijdstip dat ten minste 24 uur na het bezorgen</al><al>van de schriftelijke oproep is gelegen.</al><al>3. Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid niet van toepassing. De statencommissie</al><al>kan echter over andere aangelegenheden dan geagendeerd alleen beraadslagen of</al><al>besluiten, indien blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden</al><al>aanwezig is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17, Ingekomen stukken</titel></kop><al>1. Bij de statencommissie ingekomen stukken, waaronder schriftelijke mededelingen van het college</al><al>aan de statencommissie, worden op een lijst geplaatst. Deze lijst wordt aan de leden van de statencommissie</al><al>toegezonden en ter inzage gelegd.</al><al>2. Het Presidium kan beslissen bij de statencommissie ingekomen stukken niet op de lijst van ingekomen</al><al>stukken te plaatsen. Dit geldt voor stukken waarvan duidelijk is dat deze ter kennisneming</al><al>zijn gezonden en waarvan de commissieleden reeds kennis hebben kunnen nemen en voor stukken</al><al>die onbegrijpelijk en/of beledigend zijn.</al><al>3. Na de vaststelling van het verslag stelt de statencommissie op voorstel van het Presidium de</al><al>wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18, Streeftijden</titel></kop><al>1. Het Presidium schat de streeftijden van agendapunten in en vermeldt deze op de voorlopige</al><al>agenda.</al><al>2. Indien fracties voorzien dat zij meer tijd nodig hebben, melden zij dit voor aanvang van de vergadering</al><al>bij de voorzitter.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19, Spreekrecht burgers</titel></kop><al>1. De voorzitter van een commissie stelt toehoorders bij een openbare vergadering van de commissie</al><al>op hun verzoek in de gelegenheid het woord te voeren over zaken die voor die vergadering op</al><al>de agenda staan.</al><al>2. Het woord kan niet gevoerd worden over:</al><al>a. een besluit van het provinciebestuur waartegen bezwaar en beroep openstaat of heeft opengestaan;</al><al>b. benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen;</al><al>c. een gedraging waarover een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan of</al><al>kon worden ingediend.</al><al>3. Degene die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit voorafgaande aan de vergadering</al><al>aan de commissiegriffier. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres en telefoonnummer en het onderwerp</al><al>waarover hij het woord wil voeren.</al><al>4. Het spreekrecht wordt gehouden voorafgaand aan het desbetreffende agendapunt. Het geschatte</al><al>aanvangstijdstip van het agendapunt wordt vermeld op de agenda.</al><al>5. Degene die van het spreekrecht gebruik wenst te maken, wordt verzocht een half uur voor het</al><al>geschatte aanvangstijdstip ter vergadering aanwezig te zijn.</al><al>6. De maximale spreektijd ingevolge het spreekrecht per persoon of groep van personen bedraagt in</al><al>eerste termijn 5 minuten.</al><al>7. Na de reactie van de commissie bestaat de mogelijkheid om aansluitend in tweede instantie, indien</al><al>nodig en alleen ter verduidelijking, een korte nadere toelichting te geven. De maximale</al><al>spreektijd bedraagt wederom 5 minuten.</al><al>8. De spreker voert het woord nadat de voorzitter hem dit heeft verleend. De voorzitter of een lid</al><al>doet een voorstel voor de behandeling van de inbreng van degene die van het spreekrecht gebruik</al><al>heeft gemaakt.</al><al>9. Van het verhandelde tijdens het spreekrecht wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 20 een</al><al>verslag opgemaakt.</al><al>10. Degene die van het spreekrecht gebruik heeft gemaakt, ontvangt een exemplaar van het verslag.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20, Verslag</titel></kop><al>1. Van het verhandelde in de vergaderingen van de commissies wordt een ontwerpverslag opgemaakt</al><al>en toegezonden aan de leden van provinciale staten en aan de overige personen die het</al><al>woord gevoerd hebben.</al><al>2. Het verslag moet inhouden:</al><al>a. de namen van de voorzitter, de griffier, de commissiegriffier, de Commissaris van de Koning</al><al>en de gedeputeerden, de secretaris en de ter vergadering aanwezige leden, allen voorzover</al><al>aanwezig, alsmede van de overige personen die het woord gevoerd hebben. Afzonderlijk</al><al>wordt vermeld welke leden afwezig waren;</al><al>b. een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest;</al><al>c. een zakelijke samenvatting van het gesprokene met vermelding van de namen van de aanwezigen</al><al>die het woord voerden;</al><al>d. een samenvatting van het advies aan provinciale staten onder vermelding van de standpunten</al><al>van de fracties;</al><al>e. bij het desbetreffende agendapunt de naam en de hoedanigheid van die personen aan wie</al><al>het op grond van het bepaalde in artikel 27 door de statencommissie is toegestaan deel te</al><al>nemen aan de beraadslagingen;</al><al>f. een lijst van de in de vergadering gedane toezeggingen.</al><al>3. De leden van de commissie en de overige personen die het woord gevoerd hebben kunnen binnen</al><al>8 dagen na ontvangst van het ontwerpverslag een voorstel tot wijziging van het verslag doen,</al><al>indien het verslag onjuistheden bevat of niet duidelijk weergeeft hetgeen gezegd of besloten is.</al><al>Een voorstel tot wijziging dient bij de commissiegriffier te worden ingediend.</al><al>4. De op grond van het bepaalde in het derde lid van dit artikel ontvangen voorstellen tot wijziging</al><al>van het ontwerpverslag worden binnen 3 dagen na afloop van de in dat lid gestelde termijn door</al><al>middel van wijzigingsbladen toegezonden aan de in het eerste lid van dit artikel genoemde personen.</al><al>5. Het ontwerpverslag en de bijbehorende wijzigingsbladen vormen een geheel.</al><al>6. Het verslag wordt als regel vastgesteld in de eerstvolgende vergadering van de commissie. In</al><al>spoedeisende gevallen kan het verslag voorlopig worden vastgesteld door de voorzitter van de</al><al>commissie. Deze voorlopige vaststelling moet in de eerstvolgende vergadering van de commissie</al><al>worden bekrachtigd.</al><al>7. In de agenda voor de vergadering waarin de vaststelling of de bekrachtiging van de voorlopige</al><al>vaststelling van het verslag plaatsvindt, wordt bij het hierop betrekking hebbende punt het aantal</al><al>bijbehorende wijzigingsbladen vermeld.</al><al>8. Het verslag wordt opgesteld onder de zorg van de commissiegriffier.</al><al>9. Het vastgestelde verslag wordt door de voorzitter en de commissiegriffier ondertekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21, Spreekregels</titel></kop><al>1. Een lid, de voorzitter, de Commissaris van de Koning, een gedeputeerde en de secretaris spreken</al><al>vanaf hun plaats of van de spreekplaats en richten zich tot de voorzitter.</al><al>2. Bij bijzondere gelegenheden kan de voorzitter bepalen dat de in het eerste lid genoemde personen</al><al>vanaf een andere plaats spreken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22, Volgorde sprekers</titel></kop><al>1. Een lid, de Commissaris van de Koning, een gedeputeerde of de secretaris voeren het woord na</al><al>het aan de voorzitter gevraagd en van hem verkregen te hebben.</al><al>2. De volgorde van sprekers kan worden gewijzigd, wanneer het woord wordt gevraagd over de orde</al><al>van de vergadering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23, Aantal spreektermijnen</titel></kop><al>1. De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in ten hoogste 2 termijnen, tenzij de</al><al>statencommissie anders beslist.</al><al>2. Elke spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten.</al><al>3. Een lid mag in een termijn niet meer dan eenmaal het woord voeren over hetzelfde onderwerp of</al><al>voorstel.</al><al>4. Bij de bepaling hoeveel malen een lid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd,</al><al>wordt niet meegerekend het spreken over een voorstel van orde.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24, Spreektijd</titel></kop><al>Een lid kan een voorstel doen over de spreektijd van de leden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 25, Voorstellen van orde</titel></kop><al>1. De voorzitter en ieder lid kunnen tijdens de vergadering mondeling een voorstel van orde doen,</al><al>dat kort kan worden toegelicht.</al><al>2. Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van de vergadering betreffen.</al><al>3. Over een voorstel van orde beslist de statencommissie terstond.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26, Handhaving orde; schorsing</titel></kop><al>1. Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord, tenzij:</al><al>a. de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen van dit reglement te herinneren;</al><al>b. een lid hem interrumpeert. De voorzitter kan bepalen dat de spreker zonder verdere interrupties</al><al>zijn betoog zal afronden.</al><al>2. Indien een spreker zich beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het in</al><al>behandeling zijnde onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel anderszins</al><al>de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter tot de orde geroepen. Indien de spreker hieraan</al><al>geen gevolg geeft, kan de voorzitter hem gedurende de vergadering, waarin zulks plaatsheeft,</al><al>over het aanhangige onderwerp het woord ontzeggen.</al><al>3. De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te bepalen tijd</al><al>schorsen en - indien na de heropening de orde opnieuw wordt verstoord - de vergadering sluiten.</al><al>4. De voorzitter kan een statencommissie voorstellen een lid dat door zijn gedragingen de geregelde</al><al>gang van zaken belemmert, het verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen. Over het voorstel</al><al>wordt niet beraadslaagd. Na aanneming daarvan verlaat het lid de vergadering onmiddellijk. Zo</al><al>nodig doet de voorzitter hem verwijderen. Bij herhaling van zijn gedrag kan het lid bovendien voor</al><al>ten hoogste 3 maanden de toegang tot de vergadering worden ontzegd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 27, Deelname aan de beraadslaging door anderen</titel></kop><al>1. De statencommissie kan bepalen dat anderen mogen deelnemen aan de beraadslaging.</al><al>2. Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de voorzitter of een lid genomen alvorens met de</al><al>beraadslaging ten aanzien van het aan de orde zijnde agendapunt een aanvang wordt genomen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 28, Advies</titel></kop><al>1. Wanneer de voorzitter vaststelt dat een onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht, sluit hij de</al><al>beraadslaging, tenzij de statencommissie anders beslist.</al><al>2. Nadat de beraadslaging is gesloten, beslist de statencommissie of er een advies aan provinciale</al><al>staten wordt uitgebracht.</al><al>3. Indien de statencommissie een advies aan provinciale staten uitbrengt, beslissen de leden op</al><al>voorstel van de voorzitter over de inhoud van het advies.</al><al>4. In het advies worden de standpunten van alle fracties opgenomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>HOOFDSTUK 5, BESLOTEN VERGADERING</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 29, Algemeen</titel></kop><al>Op een besloten vergadering zijn de bepalingen van dit reglement van orde voor de vergaderingen</al><al>van statencommissies van overeenkomstige toepassing voorzover deze bepalingen niet strijdig zijn</al><al>met het besloten karakter van de vergadering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 30, Verslag</titel></kop><al>1. Het verslag van een besloten vergadering wordt niet rondgedeeld, maar ligt uitsluitend voor de</al><al>leden ter inzage bij de commissiegriffier.</al><al>2. Het verslag wordt zo spoedig mogelijk in een besloten vergadering ter vaststelling aangeboden.</al><al>Tijdens deze vergadering neemt de statencommissie een beslissing over het al dan niet openbaar</al><al>maken van het verslag. Het vastgestelde verslag wordt door de voorzitter en de commissiegriffier</al><al>ondertekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 31, Geheimhouding</titel></kop><al>Voor de afloop van de besloten vergadering beslist de statencommissie overeenkomstig artikel 25 van</al><al>de Provinciewet of omtrent de inhoud van de stukken en het verhandelde geheimhouding zal gelden.</al><al>De statencommissie kan besluiten de geheimhouding op te heffen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32, Opheffing geheimhouding</titel></kop><al>Indien provinciale staten op grond van artikel 25, derde en vierde lid, van de Provinciewet voornemens</al><al>zijn de geheimhouding op te heffen wordt daarover, indien de statencommissie die geheimhouding</al><al>heeft opgelegd daarom verzoekt, in een besloten vergadering met de statencommissie overleg gevoerd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>HOOFDSTUK 6, TOEHOORDERS EN PERS</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 33, Toehoorders en pers</titel></kop><al>1. De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op de voor hen bestemde</al><al>plaatsen openbare vergaderingen bijwonen.</al><al>2. Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is</al><al>verboden.</al><al>3. De voorzitter is bevoegd toehoorders die op enigerlei wijze de orde van de vergadering verstoren,</al><al>te doen vertrekken. Toehoorders die bij herhaling de orde in de vergadering verstoren, kan hij</al><al>voor ten hoogste 3 maanden de toegang tot de vergadering ontzeggen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 34, Geluid- en beeldregistraties</titel></kop><al>Degenen die in de vergaderzaal tijdens de vergadering geluid- dan wel beeldregistraties willen maken,</al><al>doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn aanwijzingen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 35, Verbod gebruik mobiele telefoons</titel></kop><al>In de vergaderzaal, met inbegrip van de publieke tribune, is tijdens de vergadering het gebruik, alsmede</al><al>het stand-by houden van mobiele telefoons of andere communicatiemiddelen, die inbreuk kunnen</al><al>maken op de orde van de vergadering zonder toestemming van de voorzitter niet toegestaan.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>HOOFDSTUK 7, SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 36, Uitleg reglement</titel></kop><al>In de gevallen waarin dit Reglement van orde voor de vergaderingen van de statencommissies niet</al><al>voorziet of bij twijfel over de toepassing van het reglement, beslist de statencommissie op voorstel van</al><al>de voorzitter.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 37, Inwerkingtreding</titel></kop><al>1. Dit reglement treedt in werking op de dag waarop het is bekendgemaakt.</al><al>2. Op dat tijdstip vervalt het Reglement op de commissies, vastgesteld bij besluit van provinciale</al><al>staten van 15 december 1993, Provinciaal blad nummer 44 van 1993. Laatstelijk gewijzigd bij besluit</al><al>van provinciale staten van 19 juni 2002, Provinciaal blad nummer 28 van 4 juli 2002.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>TOELICHTING OP HET REGLEMENT VAN ORDE VOOR DE VERGADERINGEN VAN DE</titel></kop></paragraaf><paragraaf><kop><titel>STATENCOMMISSIES</titel></kop><structuurtekst><al>In de Provinciewet, zoals gewijzigd door de inwerkingtreding van de Wet dualisering provinciebestuur,</al><al>is een nieuw commissiestelsel geïntroduceerd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen statencommissies,</al><al>bestuurscommissies en andere commissies (respectievelijk de artikelen 80, 81 en 82 van de</al><al>Provinciewet). Statencommissies bereiden de besluitvorming in provinciale staten voor en voeren</al><al>overleg met het college en de Commissaris van de Koning. Bestuurscommissies zijn commissies</al><al>waaraan bevoegdheden van provinciale staten, het college of de Commissaris van de Koning worden</al><al>overgedragen. Andere commissies kunnen alle mogelijke denkbare taken hebben. Er kan gedacht</al><al>worden aan adviescommissies of ad-hoccommissies.</al><al>De bepalingen met betrekking tot het nieuwe commissiestelsel treden op 12 maart 2003 in werking.</al><al>Vanaf die datum zullen de statencommissies die provinciale staten instellen aan de voorschriften van</al><al>de Wet dualisering provinciebestuur moeten voldoen. Wel kunnen provinciale staten vanwege de tijd</al><al>die gemoeid is met de voorbereiding van de instelling van statencommissies en de gedachtevorming</al><al>hierover, ervoor kiezen tijdelijk zonder statencommissies te functioneren.</al><al>Op grond van artikel 80, eerste lid, kunnen provinciale staten zoveel statencommissies instellen als zij</al><al>wenselijk achten. Provinciale staten regelen de taken, bevoegdheden, samenstelling en werkwijze van</al><al>de statencommissies en de wijze waarop de leden van een statencommissie inzage hebben in stukken</al><al>ten aanzien waarvan geheimhouding geldt. De Provinciewet, zoals deze luidt na inwerkingtreding</al><al>van de Wet dualisering provinciebestuur, verplicht overigens niet tot het instellen van statencommissies.</al><al>De instelling van statencommissies geschiedt veelal bij reglement, waarin de taken, de bevoegdheden,</al><al>de samenstelling en de werkwijze van de statencommissies worden vastgelegd. Dit reglement</al><al>voorziet hierin.</al><al>ARTIKELSGEWIJS</al><al>Artikel 1.</al><al>Om te voorkomen dat de omschrijving van terugkerende begrippen in de verordening moet worden</al><al>herhaald, zijn in deze bepaling een aantal begrippen eenmalig gedefinieerd.</al><al>17</al><al>_____________</al><al>De taken van het Presidium die uit dit reglement voortvloeien zijn:</al><al>- het Presidium besluit of een gezamenlijke vergadering van de statencommissies wordt belegd</al><al>(artikel 2);</al><al>- het Presidium kan de Commissaris van de Koning en een of meer gedeputeerden uitnodigen in</al><al>de vergadering aanwezig te zijn en aan de beraadslaging deel te nemen (artikel 8);</al><al>- het Presidium beslist op het verzoek van de Commissaris van de Koning of een gedeputeerde om</al><al>bij de vergadering aanwezig te zijn en aan de beraadslaging deel te nemen (artikel 8);</al><al>- het Presidium stelt de agenda van de vergadering voorlopig vast (artikel 12);</al><al>- het Presidium kan beslissen ingekomen stukken niet op de lijst van ingekomen stukken te plaatsen</al><al>(artikel 17);</al><al>- het Presidium stelt de wijze van afdoening van ingekomen stukken voor (artikel 17);</al><al>- het Presidium schat de streeftijden van agendapunten in (artikel 18).</al><al>Artikel 2.</al><al>Het zesde en zevende lid zijn coördinatiebepalingen. In geval van een gezamenlijke vergadering vervult</al><al>de voorzitter van de commissie die het onderwerp het meest aangaat de rol van voorzitter. Het</al><al>spreekt voor zich dat dan ook de commissiegriffier van die commissie de functie van commissiegriffier</al><al>vervult.</al><al>Artikel 3.</al><al>De taken van de statencommissies zijn vastgelegd in artikel 80, eerste lid, van de Provinciewet. De</al><al>statencommissies bereiden de besluitvorming van provinciale staten voor en overleggen met het college</al><al>of de Commissaris van de Koning. De statencommissie is vooral gericht op voorbereiding en</al><al>informatievoorziening; het politieke debat vindt plaats in provinciale staten.</al><al>De taak om de besluitvorming van provinciale staten voor te bereiden komt tot uitdrukking in de taak</al><al>advies uit te brengen over een voorstel of onderwerp. De statencommissie kan ook uit eigener beweging</al><al>advies aan provinciale staten uitbrengen; ook dit advies kan aanleiding zijn voor besluitvorming in</al><al>provinciale staten. De taken van de statencommissie zijn in essentie dezelfde als die van provinciale</al><al>staten, die van kaderstellend, controlerend en volksvertegenwoordigend orgaan.</al><al>De statencommissie bepaalt evenals provinciale staten haar eigen agenda. Dit betekent dat niet het</al><al>college maar het Presidium bepaalt of een voorstel aan de statencommissie wordt voorgelegd alvorens</al><al>het in provinciale staten wordt besproken.</al><al>Artikel 4.</al><al>Provinciale staten bepalen de samenstelling van de statencommissies. Wel schrijft artikel 80, derde</al><al>lid, van de Provinciewet voor dat provinciale staten moeten zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging</al><al>van de in provinciale staten vertegenwoordigde politieke groeperingen.</al><al>Zoals ook uit het derde lid blijkt, hoeven de leden van een statencommissie geen statenlid te zijn. Wel</al><al>is er in dit reglement van uitgegaan dat de politieke groeperingen (fracties) de in het eerste lid bedoelde</al><al>leden voordragen. Daarnaast moeten de in het eerste lid bedoelde leden op grond van deze bepaling</al><al>op de kandidatenlijst van een fractie hebben gestaan.</al><al>18</al><al>_____________</al><al>Op grond van het derde lid moeten bijzondere commissieleden, evenals statenleden, voldoen aan</al><al>hetgeen is bepaald in de artikelen 10, 11, 12, 13 en 15 van de Provinciewet. Dit betekent onder andere</al><al>dat zij 18 jaar moeten zijn, over een geldige verblijfstitel moeten beschikken, hun nevenfuncties</al><al>openbaar moeten maken, geen functie als bedoeld in artikel 13 mogen vervullen en niet in strijd mogen</al><al>handelen met artikel 15.</al><al>Om ervoor te zorgen dat iedere fractie en met name ook de kleine fracties in staat zijn deel te nemen</al><al>aan de vergaderingen van de statencommissie, bepaalt het vierde lid dat iedere fractie een plaatsvervangend</al><al>lid kan voordragen. Voor de plaatsvervangende leden gelden dezelfde eisen als voor het lid</al><al>van een statencommissie. De vervangingsregeling geldt uitsluitend voor de op basis van het eerste lid</al><al>benoemde leden.</al><al>Artikel 5.</al><al>Artikel 80, vierde lid, van de Provinciewet schrijft voor dat de voorzitter van een statencommissie statenlid</al><al>moet zijn. Om die reden bepaalt artikel 5, eerste lid, dat provinciale staten de voorzitters "uit hun</al><al>midden" benoemen. De voorzitter is geen lid van de statencommissie. Dit is een bewuste keuze; op</al><al>deze wijze kan de voorzitter zich concentreren op zijn taak als (technisch) voorzitter en zijn tijd en</al><al>energie aanwenden voor het bewaken van de positie van de statencommissie. Hij hoeft zich niet te</al><al>bekommeren om de inbreng van zijn fractie in de statencommissie. Bovendien is bij de instelling van</al><al>de statencommissies reeds duidelijk wie deel gaat uitmaken van het Presidium.</al><al>Voor de plaatsvervangend voorzitter geldt een afwijkend regime. De plaatsvervangend voorzitter</al><al>wordt door de statencommissie, uit hun midden, benoemd. De plaatsvervangend voorzitter is derhalve</al><al>lid van de statencommissie.</al><al>Artikel 6.</al><al>De zittingsperiode van de (bijzondere) commissieleden, de voorzitters en hun plaatsvervangers is</al><al>even lang als de zittingsperiode van provinciale staten, in principe dus 4 jaar. De benoeming eindigt</al><al>derhalve van rechtswege; provinciale staten hoeven hen niet te ontslaan.</al><al>Het bijzondere lidmaatschap van een statencommissie wordt eveneens van rechtswege beëindigd</al><al>indien een lid niet meer voldoet aan de in artikel 4, derde lid, gestelde eisen en indien een lid is benoemd</al><al>op voordracht van een fractie die blijkens een schriftelijke verklaring aan de voorzitter van provinciale</al><al>staten niet meer vertegenwoordigd is in provinciale staten (zevende lid).</al><al>Provinciale staten kunnen een lid van een statencommissie op voorstel van de fractie die het lid heeft</al><al>voorgedragen ontslaan. Deze situatie kan zich voordoen in geval van een splitsing van een fractie. De</al><al>ontstane nieuwe fractie heeft dan overigens op grond van artikel 4, eerste lid, recht op een eigen lid.</al><al>Er is in deze bepaling niet voorzien in een ontslagregeling voor bijzondere commissieleden; deze</al><al>hebben in principe 4 jaar zitting, tenzij zij niet meer voldoen aan de in artikel 4, derde lid, gestelde</al><al>eisen, ontslag nemen of overlijden. Het zesde en zevende lid voorzien in de situatie van tussentijdse</al><al>vacature.</al><al>19</al><al>_____________</al><al>Artikel 7.</al><al>Iedere statencommissie wordt ondersteund door een commissiegriffier. De commissiegriffier is altijd</al><al>bij de vergaderingen van de statencommissie aanwezig. In principe neemt hij geen deel aan de beraadslagingen,</al><al>zij het dat de statencommissie op grond van artikel 27 van dit reglement altijd de mogelijkheid</al><al>heeft om anderen aan de beraadslagingen deel te laten nemen.</al><al>Artikel 8.</al><al>De Commissaris van de Koning en de gedeputeerden zijn vanaf het moment van inwerkingtreding van</al><al>de Wet dualisering provinciebestuur geen lid meer van statencommissies (artikel 80, tweede lid). Hun</al><al>aanwezigheid is daardoor niet langer vanzelfsprekend. De statencommissie kan per vergadering beslissen</al><al>of de aanwezigheid van een collegelid al dan niet gewenst is en of hij aan de beraadslagingen</al><al>mag deelnemen. Artikel 80, vijfde lid, dat artikel 21, tweede lid, van overeenkomstige toepassing verklaard,</al><al>is hiervoor de grondslag. Dit geldt zowel voor besloten als voor niet-besloten vergaderingen. In</al><al>openbare vergaderingen kunnen collegeleden uiteraard altijd aanwezig zijn. Deelnemen aan de beraadslagingen</al><al>kunnen zij echter alleen als de statencommissie hiermee instemt. In de regel zullen ze</al><al>veelal wel aanwezig zijn ten behoeve van het voeren van overleg en het uitoefenen van controle door</al><al>de statencommissie.</al><al>Artikel 9.</al><al>Indien de statencommissie het wenselijk acht dat de secretaris bij een vergadering van een statencommissie</al><al>aanwezig is, zal de statencommissie het college moeten verzoeken de secretaris aanwezig</al><al>te laten zijn en deel te laten nemen aan de beraadslagingen. Het college is immers zijn werkgever.</al><al>Ook deze bepaling geldt zowel voor openbare als besloten vergaderingen. Op basis van artikel 27</al><al>kunnen provinciale staten ook andere ambtenaren aan de beraadslagingen deel laten nemen. Ook</al><al>hiertoe zullen zij een verzoek aan het college moeten doen.</al><al>Artikel 10.</al><al>Veelal zullen de vergaderingen van de statencommissies plaatsvinden op een vaste dag en plaats</al><al>voorafgaand aan de vergaderingen van provinciale staten. Een statencommissie vergadert vaker als</al><al>de voorzitter het nodig oordeelt of indien ten minste 4 leden hierom vragen. Indien een statencommissie</al><al>een hoorzitting zal willen houden, kan de voorzitter gebruikmaken van het derde lid en een ander(</al><al>e) dag, aanvangsuur of plaats bepalen. Bepaald is dat de voorzitter hierover overleg voert met de</al><al>commissiegriffier.</al><al>Over de openbaarheid van de vergaderingen bevat dit reglement geen bepaling, aangezien artikel 80,</al><al>vijfde lid, van de Provinciewet hierin voorziet. In deze bepaling wordt artikel 23 van overeenkomstige</al><al>toepassing verklaard op statencommissies. Dit betekent dat de vergaderingen van de statencommissies</al><al>in de regel in het openbaar plaatsvinden. Op verzoek van een vijfde van het aantal leden van een</al><al>statencommissie of de voorzitter kan de statencommissie beslissen om achter gesloten deuren te</al><al>vergaderen. Van een besloten vergadering wordt een afzonderlijk verslag opgemaakt, dat niet openbaar</al><al>is tenzij de statencommissie anders beslist.</al><al>20</al><al>_____________</al><al>Artikel 11.</al><al>De leden van een statencommissie ontvangen een oproep inclusief de agenda voor een vergadering</al><al>en de stukken ten minste 10 dagen voor de vergadering. Indien in spoedeisende gevallen een aanvullende</al><al>agenda wordt vastgesteld, bedraagt deze termijn minimaal 48 uur voor een vergadering.</al><al>Artikel 12.</al><al>Voor het verzenden van de oproep stelt het Presidium de agenda voorlopig vast. Uiteindelijk bepaalt</al><al>een statencommissie echter haar eigen agenda. De agenderende rol van een statencommissie komt</al><al>tot uitdrukking in het derde, vierde en vijfde lid. Dit betekent onder andere dat een statencommissie</al><al>kan bepalen dat een onderwerp of voorstel onvoldoende is voorbereid en voor inlichtingen of advies</al><al>aan het college wordt gezonden. Een statencommissie bepaalt vervolgens in welke vergadering het</al><al>onderwerp of voorstel opnieuw geagendeerd wordt en niet het college. Uiteraard zal hierover wel</al><al>overleg gevoerd moeten worden met het college of de secretaris.</al><al>Artikel 13.</al><al>Naast de voorlopige agenda en de daarbijbehorende stukken, worden stukken die ter toelichting van</al><al>de onderwerpen of voorstellen op de agenda dienen op een vaste plaats voor eenieder ter inzage</al><al>gelegd. Dit gebeurt in het provinciehuis. In de openbare kennisgeving wordt vermeld waar de stukken</al><al>liggen. Originele stukken moeten uiteraard bij de provincie blijven berusten. Stukken ten aanzien</al><al>waarvan geheimhouding wordt opgelegd kunnen leden van statencommissies bij de commissiegriffier</al><al>inzien.</al><al>Artikel 14.</al><al>Op grond van artikel 80, vijfde lid, van de Provinciewet moet de voorzitter van een statencommissie</al><al>met de schriftelijke oproep de dag, het tijdstip en de plaats van de vergadering ter openbare kennis</al><al>brengen. De voorlopige agenda en de daarbijbehorende stukken worden met de schriftelijke oproep</al><al>en op een bij openbare kennisgeving aan te geven plaats ter inzage gelegd. Deze bepaling geeft hier</al><al>een regeling voor.</al><al>Artikel 15.</al><al>De presentielijst en de ondertekening door de voorzitter en de commissiegriffier zijn bedoeld om formeel</al><al>vast te stellen dat het vergaderquorum aanwezig is. Daarnaast is de presentielijst van belang om</al><al>de vergoedingen voor de leden van een statencommissie te kunnen vaststellen.</al><al>21</al><al>_____________</al><al>Artikel 16.</al><al>Artikel 20 van de Provinciewet regelt het vergaderquorum van provinciale staten. Voor de statencommissies</al><al>ontbreekt een dergelijke bepaling in de Provinciewet. Artikel 16 voorziet hierin. Indien meer</al><al>dan de helft van het aantal zitting hebbende leden aanwezig is en de presentielijst heeft getekend, kan</al><al>worden vergaderd. Het derde lid voorziet in een regeling voor een nieuwe vergadering indien het</al><al>quorum niet aanwezig is, anders zou de afwezigheid van leden van een statencommissie de voortgang</al><al>van werkzaamheden kunnen belemmeren. Uiteraard staat op het moment dat de voorzitter</al><al>bepaalt op welke datum en welk tijdstip, nog niet vast op welk moment de schriftelijke oproep uitgaat.</al><al>Indien er enkele dagen tussen de 2 vergaderingen zit, mag ervan uit worden gegaan dat het mogelijk</al><al>is om 24 uur van tevoren een schriftelijke oproep te versturen. Overigens ligt het in de rede dat de</al><al>voorzitter overlegt met de statencommissie over de datum van een nieuwe vergadering.</al><al>Artikel 17.</al><al>Omtrent de aan de statencommissie gerichte ingekomen stukken worden alleen voorstellen gedaan</al><al>en besluiten genomen van procedurele aard. Inhoudelijke discussie over de stukken kan de voorzitter</al><al>buiten de orde verklaren. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot inhoudelijke discussie en besluitvorming,</al><al>dient dit op de gebruikelijke wijze te worden voorbereid.</al><al>Artikel 18.</al><al>Door streeftijden kan een inschatting gemaakt worden van de duur van de agenda. Fracties dienen te</al><al>melden als zij voorzien dat meer tijd ingeruimd moet worden voor de behandeling van agendapunten.</al><al>Artikel 19.</al><al>Het spreekrecht van burgers kan bijdragen aan het vergroten van de betrokkenheid van de burgers bij</al><al>het provinciebestuur, een van doelstellingen van de vernieuwing van het provinciebestuur.</al><al>Het spreekrecht is beperkt gehouden tot geagendeerde onderwerpen, omdat burgers op die manier</al><al>een doeltreffende bijdrage kunnen leveren aan de beraadslagingen van een statencommissie. Doordat</al><al>het spreekrecht betrekking heeft op geagendeerde onderwerpen, kan een burger alleen inspreken</al><al>over onderwerpen die een statencommissie aangaan. Als een burger zich meldt voor een onderwerp</al><al>dat een andere statencommissie aangaat, ligt het voor de hand dat de commissiegriffier de desbetreffende</al><al>persoon naar de juiste statencommissie verwijst.</al><al>In het tweede lid zijn 3 onderwerpen opgenomen waar het spreekrecht niet voor geldt. Als een besluit</al><al>van provinciale staten of het college vatbaar is voor bezwaar en de burger belanghebbende is, kan de</al><al>burger een bezwaarschrift indienen. Ook kan een burger beroep instellen bij de Rechtbank. Verder</al><al>zijn de benoemingen, de keuzen, de voordrachten en de aanbevelingen van personen uitgesloten van</al><al>het spreekrecht van burgers. Omdat inspraak over de benoemingen, de keuzen, de voordrachten of</al><al>de aanbevelingen van personen - de belangen van - kandidaten al dan niet in de uitoefening van hun</al><al>ambt of functie kan schaden, kunnen burgers hierover geen uitlatingen doen. Als laatste kunnen burgers</al><al>zich ook niet uitlaten over onderwerpen waar zij op grond van artikel 9:2 van de Algemene wet</al><al>bestuursrecht een klacht over kunnen indienen. Deze procedure gaat voor het spreekrecht van burgers.</al><al>22</al><al>_____________</al><al>De burgers die wensen in te spreken dienen zich voorafgaande aan de vergadering te melden bij de</al><al>commissiegriffier.</al><al>Op basis van artikel 20, eerste lid, wordt het verslag (ontwerpverslag) toegezonden aan de burgers</al><al>die hebben ingesproken.</al><al>Artikel 20.</al><al>Het ontwerpverslag wordt aan de leden en overige personen die het woord gevoerd hebben toegezonden.</al><al>De voorzitter, de leden en de collegeleden hebben het recht een voorstel tot wijziging te</al><al>doen. Een voorstel tot wijziging kan binnen 8 dagen na ontvangst van het ontwerpverslag bij de commissiegriffier</al><al>worden ingediend. Het recht om aanpassing voor te stellen (derde lid) komt ook toe aan</al><al>de voorzitter, een lid en een collegelid dat bij de desbetreffende vergadering niet aanwezig was. Het is</al><al>aan de statencommissie om te beslissen of een voorgestelde wijziging of aanvulling geaccepteerd</al><al>wordt, aangezien de statencommissie het verslag vaststelt. Een afwijzing van een dergelijk voorstel is</al><al>niet vatbaar voor beroep (aldus de Afdeling rechtspraak van de Raad van State). De uiteindelijke verantwoordelijkheid</al><al>van het verslag ligt bij de commissiegriffier op grond van het achtste lid. Na vaststelling</al><al>van het verslag ondertekenen de voorzitter en de commissiegriffier deze.</al><al>Artikel 21.</al><al>Indien er andere sprekers zijn, bepaalt de voorzitter vanaf welke plaats zij spreken.</al><al>Artikel 22.</al><al>Het tweede lid bewerkstelligt dat een lid, de voorzitter, de Commissaris van de Koning of een gedeputeerde</al><al>op ieder gewenst moment een voorstel van orde kan doen. Een voorstel van orde heeft betrekking</al><al>op het verloop van de vergadering. Artikel 25 geeft een regeling voor een voorstel van orde.</al><al>Het tweede lid heeft geen betrekking op interrupties.</al><al>Artikel 23.</al><al>Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden. Een spreektermijn</al><al>wordt door de voorzitter afgesloten. Dit hoeft overigens niets te veranderen aan de praktijk dat een</al><al>portefeuillehouder antwoordt na de inbreng van commissieleden in de eerste en tweede termijn. Een</al><al>verzoek van een commissielid na afloop van de tweede termijn om nog een korte reactie te geven,</al><al>dient de voorzitter niet te honoreren. Indien de statencommissie van mening is dat na de tweede termijn</al><al>verdere beraadslaging nodig is, kan zij daartoe uitdrukkelijk besluiten.</al><al>23</al><al>_____________</al><al>Artikel 24.</al><al>Dit artikel strekt ertoe te benadrukken dat een statencommissie op eigen initiatief regels kan stellen</al><al>over de spreektijd van de leden. Hetzelfde geldt voor de spreektijd van overige sprekers. De voorzitter</al><al>hoeft dit niet voor te stellen. De voorzitter kan in het kader van zijn taak om de orde tijdens de vergadering</al><al>te handhaven wel voorstellen de spreektijd te beperken.</al><al>Artikel 25.</al><al>Ieder lid heeft te allen tijde het recht een voorstel van orde te doen (zie ook artikel 22, tweede lid). De</al><al>beslissing of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde is aan de desbetreffende statencommissie.</al><al>Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door een statencommissie.</al><al>Artikel 26.</al><al>Het eerste lid verzekert dat leden van een statencommissie vrijelijk kunnen spreken. Wel zijn interrupties</al><al>uiteraard toegestaan voorzover de voorzitter bij een overvloed aan interrupties of in het belang</al><al>van de voortgang van de beraadslagingen niet bepaalt dat een spreker zijn betoog zonder verdere</al><al>interrupties afrondt. Om te bevorderen dat leden van statencommissies zich niet belemmerd voelen</al><al>hun mening te uiten bepaalt artikel 80, vijfde lid, van de Provinciewet bovendien dat artikel 22 van</al><al>overeenkomstige toepassing is op leden van statencommissies. Hierdoor zijn leden van statencommissies</al><al>niet in rechte te vervolgen, aan te spreken of verplicht getuigenis af te leggen over hetgeen zij</al><al>in de vergadering zeggen of schriftelijk overleggen. Dit geldt voor zowel statenleden als bijzondere</al><al>commissieleden.</al><al>Op basis van het tweede lid kunnen alle sprekers in bepaalde gevallen door de voorzitter tot de orde</al><al>worden geroepen en kan hen zo nodig over het aanhangige onderwerp het woord ontzegd worden.</al><al>Ook kan de voorzitter de vergadering schorsen en bij herhaling van de verstoring van de orde, kan hij</al><al>de vergadering sluiten. In het uiterste geval kan hij een lid het verdere verblijf ontzeggen en hem uit de</al><al>vergadering doen verwijderen. Indien een lid blijft volharden in zijn gedrag kan hem de toegang tot de</al><al>vergadering voor ten hoogste 3 maanden worden ontzegd. Het vierde lid sluit aan bij artikel 26, derde</al><al>lid, van de Provinciewet, die een dergelijke regeling geeft ten aanzien van statenleden.</al><al>Onder interruptie is overigens niet te verstaan het geven van tekenen van goed- of afkeuring; deze</al><al>uitingen worden beschouwd als verstoringen van de orde. Voor wat betreft de handhaving van de orde</al><al>op de publieke tribune wordt verwezen naar artikel 33 van dit reglement.</al><al>Artikel 27.</al><al>Deze bepaling is noodzakelijk in verband met het in artikel 22 van de Provinciewet geregelde verschoningsrecht,</al><al>dat in artikel 80, vijfde lid, van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing</al><al>wordt verklaard op leden van statencommissies en andere personen die aan de beraadslagingen</al><al>deelnemen. Het is uiteraard ook mogelijk dat een statencommissie bepaalt dat een bepaalde functionaris</al><al>in bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging mag deelnemen. Het gaat in deze bepaling om</al><al>anderen dan de leden, de voorzitter, de Commissaris van de Koning, de gedeputeerden en de secretaris.</al><al>24</al><al>_____________</al><al>Deze hebben op grond van de artikelen 8, 9, 21 en 22 van dit reglement reeds het recht om aan de</al><al>beraadslagingen deel te nemen. Uiteraard hebben deze andere sprekers niet dezelfde rechten als de</al><al>leden. Een andere spreker heeft onder meer geen recht om een voorstel te doen tot wijziging van het</al><al>verslag, een voorstel over de spreektijd of over de orde van de vergadering.</al><al>Artikel 28.</al><al>De voorzitter kan de beraadslaging sluiten als hij vaststelt dat een onderwerp voldoende is toegelicht,</al><al>tenzij een statencommissie anders beslist. Een statencommissie neemt geen beslissingen, maar bereidt</al><al>de besluitvorming in provinciale staten voor en overlegt met het college en de Commissaris van</al><al>de Koning. Wel kan een statencommissie gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen aan provinciale</al><al>staten. De leden beslissen over het advies. Ten behoeve van het debat in provinciale staten worden</al><al>de standpunten van alle fracties meegenomen.</al><al>Artikel 29.</al><al>Bij bepalingen die van overeenkomstige toepassing zijn kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen</al><al>omtrent het tijdig verzenden van stukken, het vergaderquorum en voorstellen van orde. De</al><al>bepalingen van dit reglement zijn echter niet van toepassing, voorzover de toepassing van die bepalingen</al><al>strijdig zijn met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beelden</al><al>geluidregistraties voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die</al><al>betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal een statencommissie moeten</al><al>besluiten of geheimhouding als bedoeld in artikel 25 van de Provinciewet wordt opgelegd dan wel</al><al>opgeheven.</al><al>Artikel 30.</al><al>Op grond van artikel 80, vijfde lid, van de Provinciewet is artikel 23 van overeenkomstige toepassing.</al><al>Het vierde lid van artikel 23 van de Provinciewet schrijft voor dat van een besloten vergadering een</al><al>afzonderlijk verslag wordt opgemaakt dat niet openbaar wordt gemaakt, tenzij provinciale staten en i.c.</al><al>dus een statencommissie anders beslist. In aanvulling hierop bepaalt het eerste lid van deze bepaling</al><al>dat het verslag van een besloten vergadering ter inzage ligt bij de commissiegriffier. De statencommissie</al><al>beslist over het openbaar maken van deze notulen.</al><al>Artikel 31.</al><al>Hetgeen besproken wordt in een besloten vergadering valt niet van rechtswege onder de geheimhoudingsplicht.</al><al>Daarvoor is toepassing van de procedure volgens artikel 25 van de Provinciewet nodig.</al><al>Niet alleen een statencommissie kan geheimhouding opleggen, ook de voorzitter van een statencommissie,</al><al>het college en de Commissaris van de Koning kunnen geheimhouding aan een statencommissie</al><al>opleggen. Overigens kan een statencommissie ook geheimhouding opleggen aan provinciale staten</al><al>of het college ten aanzien van stukken die zij aan provinciale staten of het college overlegt (artikel</al><al>25, tweede lid, en artikel 55, tweede lid, van de Provinciewet).</al><al>25</al><al>_____________</al><al>De geheimhouding geldt ten aanzien van eenieder die aanwezig is bij een besloten vergadering of die</al><al>kennis draagt van stukken ten aanzien waarvan geheimhouding geldt. De geheimhouding geldt totdat</al><al>het orgaan dat de geheimhouding heeft opgelegd of provinciale staten haar opheft.</al><al>Artikel 32.</al><al>Zoals uit de toelichting op artikel 31 blijkt kunnen provinciale staten de geheimhouding, die een statencommissie</al><al>aan provinciale staten oplegt, opheffen. In deze bepaling is een overlegverplichting</al><al>opgenomen waardoor recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor.</al><al>Artikel 33.</al><al>Artikel 26, eerste en tweede lid, van de Provinciewet regelen dat de voorzitter van provinciale staten</al><al>toehoorders die de orde verstoren, kan doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toezegging</al><al>kan ontzeggen. Voor statencommissies ontbreekt een dergelijke bepaling in de Provinciewet, het derde</al><al>lid voorziet hierin.</al><al>Artikel 34.</al><al>Aangezien de vergaderingen van een statencommissie in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tvstations</al><al>geluid- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten vergadering</al><al>betreft.</al><al>Artikel 35.</al><al>Artikel 35 heeft betrekking op het mobieletelefoonverkeer. Het afgaan van mobiele telefoons werkt</al><al>verstorend tijdens de vergadering. Dit laat echter onverlet dat, indien zwaarwegende redenen dit</al><al>noodzakelijk maken, de voorzitter aanwezigen toestemming kan geven hun mobiele telefoon wel</al><al>stand-by te laten staan.</al><al>Artikelen 36 en 37.</al><al>Deze artikelen behoeven geen toelichting.</al><al>ga/ck/kf/coll.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>