<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR92464_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Wmo-verordening Venlo 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Venlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Venlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">E3-journaal, 02-03-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Wmo-verordening Venlo 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning">Wet maatschappelijke ondersteuning </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-02-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-03-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-03-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Met ingang van de datum inwerkingtreding worden ingetrokken de “Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Venlo”, vastgesteld door de gemeenteraad Venlo d.d. 2 juli 2007” en de “<extref doc="http://venlo.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorzieningen-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Arcen-en-Velden-2006">Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Venlo</extref>”, vastgesteld door de gemeenteraad Arcen en Velden d.d. 20 december 2007.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Wmo-verordening Venlo 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>Wet: <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning">Wet maatschappelijke ondersteuning</extref>;</al><lijst><li nr="a."><al>compensatiebeginsel: de algemene verplichting aan het college
                                    van burgemeester en</al></li><li nr="b."><al>wethouders om personen met beperkingen door het treffen van
                                    voorzieningen, een gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen
                                    zodat zij zelfredzaam zijn en in staat zijn tot maatschappelijke
                                    participatie;</al></li><li nr="c."><al>beperkingen: moeilijkheden die een persoon heeft met het
                                    uitvoeren van activiteiten op het gebied van maatschappelijke
                                    participatie;</al></li><li nr="d."><al>persoon met beperkingen: een persoon met beperkingen, chronisch
                                    psychische problemen of psychosociale problemen die aantoonbare
                                    beperkingen ondervindt bij het uitvoeren van activiteiten op het
                                    gebied van de maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="e."><al>mantelzorger: een persoon, die mantelzorg verleent als bedoeld
                                    in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=1">artikel 1, lid 1, onder b van de wet</extref>;</al></li><li nr="f."><al>zelfredzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk en
                                    financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die
                                    maatschappelijke participatie mogelijk maken;</al></li><li nr="g."><al>maatschappelijke participatie: normale deelname aan het
                                    maatschappelijke verkeer, te weten het voeren van een
                                    huishouden, het normale gebruik van de woning; het zich in en om
                                    de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen dat
                                    aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en
                                    landelijke vervoersystemen; het ontmoeten van andere mensen en
                                    het aangaan en onderhouden van lokale sociale verbanden om op
                                    die manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke
                                    leven;</al></li><li nr="h."><al>algemene voorziening: een voorziening die wordt geleverd op
                                    basis van directe beschikbaarheid , een beperkte
                                    toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en adequate
                                    oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon
                                    ondervindt;</al></li><li nr="i."><al>individuele voorziening: een voorziening die individueel wordt
                                    aangeboden indien een algemene voorziening geen of onvoldoende
                                    adequate oplossing biedt;</al></li><li nr="j."><al>eigen bijdrage: een door het CAK vast te stellen bijdrage, die
                                    bij de verstrekking van een voorziening in natura of in de vorm
                                    van een persoonsgebonden budget betaald moet worden en waarop de
                                    regels van het ministeriële <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20maatschappelijke%20ondersteuning%20">Besluit maatschappelijke ondersteuning</extref> en het
                                    Wmo-besluit van toepassing zijn;</al></li><li nr="k."><al>eigen aandeel in de kosten: een door het college van
                                    burgemeester en wethouders vast te stellen eigen aandeel dat bij
                                    de verstrekking van een financiële tegemoetkoming betaald moet
                                    worden en waarop de regels van het ministeriële <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20maatschappelijke%20ondersteuning%20">Besluit maatschappelijke ondersteuning</extref> en het
                                    Wmo-besluit van toepassing zijn;</al></li><li nr="l."><al>voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in
                                    bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke
                                    dienstverlening wordt verstrekt;</al></li><li nr="m."><al>persoonsgebonden budget: een geldbedrag waarmee de aanvrager een
                                    of meer aan hem te verlenen voorzieningen kan verwerven,
                                    waaronder begrepen een vergoeding voor een arbeidsverhouding als
                                    bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20loonbelasting%201964/article=5">artikel 5, eerste lid Wet op de loonbelasting
                                    1964</extref>, en waarop de in deze verordening en het Besluit
                                    nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Venlo te
                                    stellen regels van toepassing zijn;</al></li><li nr="n."><al>financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van
                                    een voorziening welke kan worden afgestemd op het inkomen van de
                                    aanvrager en waarop de in deze verordening en het <extref doc="http://venlo.regelingenbank.nl/regelingen/Besluit-nadere-regels-Wet-Maatschappelijke-Ondersteuning-Venlo-2010-4e-wijziging">Besluit nadere regels maatschappelijke ondersteuning
                                        gemeente Venlo</extref> te stellen regels van toepassing
                                    zijn;</al></li><li nr="o."><al>alfahulp: degene met wie de persoon met beperkingen een
                                    arbeidsverhouding heeft als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20Loonbelasting%201964%20/article=5">artikel 5, eerste lid Wet op de Loonbelasting 1964</extref>
                                    ten behoeve van werkzaamheden in huis;</al></li><li nr="p."><al>algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen tot
                                    het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon
                                    als de aanvrager behorend;</al></li><li nr="q."><al>meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen
                                    voorziening, voorzover dit deel van de kosten uitgaat boven voor
                                    die persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten van
                                    een dergelijke voorziening;</al></li><li nr="r."><al>gebruikelijke zorg: krachtens de Beleidsregel gebruikelijke zorg
                                    en de Beleidsregel hulp bij het huishouden, zoals opgenomen in
                                    het Besluit nadere regels gemeente Venlo, in aanmerking te nemen
                                    hulp van huisgenoten;</al></li><li nr="s."><al>huisgenoot: iedere persoon met wie de persoon met beperkingen
                                    duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont en die krachtens
                                    de Beleidsregel gebruikelijke zorg en de Beleidsregel hulp bij
                                    het huishouden een bijdrage kan leveren;</al></li><li nr="t."><al>budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening een
                                    persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het college van
                                    burgemeester en wethouders verantwoording over de besteding van
                                    het persoonsgebonden budget verschuldigd is;</al></li><li nr="u."><al>ICF classificatie: een uniform begrippenkader dat als grondslag
                                    kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele
                                    gevallen vast te stellen, voluit International Classification of
                                    Functioning, Disability and Health, opgesteld door de Wereld
                                    Gezondheidsorganisatie;</al></li><li nr="v."><al>hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor
                                    permanente bewoning, waar de aanvrager zijn vaste woon- en
                                    verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres de aanvrager
                                    in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven staat of zal
                                    staan, dan wel het feitelijk woonadres indien de aanvrager met
                                    een briefadres in de gemeentelijke basisadministratie
                                    ingeschreven staat of zal staan;</al></li><li nr="w."><al>woning: een woonruimte voor permanente bewoning bestemd en
                                    geschikt en waarbij geen wezenlijke woonfuncties, zoals woon- en
                                    slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met andere
                                    woningen worden gedeeld;</al></li><li nr="x."><al>gemeenschappelijke ruimte: gedeelte(n) van een woongebouw, niet
                                    behorende tot de onderscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk
                                    om de woning van de persoon met beperkingen vanaf de toegang tot
                                    de woning te bereiken;</al></li><li nr="y."><al>inkomensgrens: een percentage van het van toepassing zijnde
                                    norminkomen;</al></li><li nr="z."><al>norminkomen: de normen, genoemd in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">paragraaf 3.2 van de Wet werk en bijstand</extref> (WWB),
                                    omgerekend tot een bedrag per kalenderjaar, waarbij deze normen
                                    voor een belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65
                                    jaar die een alleenstaande of een alleenstaande ouder is, en die
                                    niet in een inrichting verblijft, eerst zijn verhoogd met een
                                    toeslag, genoemd in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=25">artikel 25, tweede lid, van de WWB</extref>, en de normen
                                    van een alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwde, die in
                                    een inrichting verblijft, eerst zijn verhoogd met de bedragen,
                                    genoemd in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=23">artikel 23, tweede lid, van de WWB</extref>;</al></li><li nr="Aa."><al>inkomen: Voor zover het de toepassing van de inkomensgrenzen
                                    betreft, wordt onder het inkomen verstaan: </al><lijst><li nr="-"><al>Het netto-inkomen, inclusief vakantietoeslag;</al></li><li nr="-"><al>Het gezamenlijk netto-inkomen, inclusief vakantietoeslag
                                            van de persoon met beperkingen en diens echtgenoot,
                                            indien persoon met beperkingen een echtgenoot heeft in
                                            de zin van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=1">artikel 1 van de Wmo</extref>;</al></li><li nr="-"><al>Het gezamenlijk netto-inkomen van de ouders of
                                            pleegouders, inclusief vakantietoeslag, van de persoon
                                            met beperkingen die jonger is dan 18 jaar en geen
                                            echtgenoot heeft in de zin van artikel 1 van de
                                            Wmo.</al></li></lijst></li><li nr="Ab."><al>besparingsbijdrage: een door de aanvrager te betalen bijdrage,
                                    gelijk aan het bedrag dat door de verstrekker van de voorziening
                                    door de aanvrager wordt bespaard omdat deze verstrekte
                                    voorziening een algemeen gebruikelijke voorziening vervangt of
                                    kan vervangen;</al></li><li nr="Ac."><al>rolstoelvoorziening: voorziening die de persoon met beperkingen,
                                    chronisch psychische problemen of psychosociale problemen in
                                    staat stelt zich in en om de woning te verplaatsen en waarvan
                                    het rijden de primaire functie is.</al></li><li nr="Ad."><al>overige begrippen: alle begrippen die in deze verordening worden
                                    gebruikt en niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde
                                    betekenis als in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning">Wmo</extref> en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref>.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Begrenzingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een voorziening wordt slechts toegekend voor zover: </al><lijst><li nr="a."><al>deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het
                                            gebied van maatschappelijke participatie op te heffen of
                                            te verminderen, m.u.v. het feit dat voor een afzienbare
                                            periode hulp bij het huishouden nodig is;</al></li><li nr="b."><al>deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de
                                            goedkoopst adequate voorziening kan worden
                                            aangemerkt;</al></li><li nr="c."><al>deze in overwegende mate op het individu is
                                            gericht.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Géén voorziening wordt toegekend: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager
                                            algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="b."><al>indien de aanvrager niet zijn hoofdverblijf heeft in de
                                            gemeente Venlo;</al></li><li nr="c."><al>voor zover de ondervonden problemen bij het normale
                                            gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in
                                            de woning gebruikte materialen;</al></li><li nr="d."><al>voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake
                                            is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de
                                            situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen
                                            waarvoor de voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                            aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken
                                            heeft gemaakt, tenzij het college vooraf uitdrukkelijk
                                            schriftelijk toestemming hiervoor heeft gegeven of het
                                            college de noodzaak, adequaatheid en passendheid
                                            achteraf nog kan beoordelen;</al></li><li nr="f."><al>indien een voorziening als die waarop de aanvraag
                                            betrekking heeft reeds eerder krachtens deze, dan wel
                                            krachtens de aan deze voorafgaande Verordening Wet
                                            voorzieningen gehandicapten is verstrekt en de normale
                                            afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is
                                            verstreken, tenzij de eerder vergoede of verstrekte
                                            voorziening verloren is gegaan als gevolg van
                                            omstandigheden die niet aan de persoon met beperkingen
                                            zijn toe te rekenen;</al></li><li nr="g."><al>indien een voorziening niet noodzakelijk is vanwege
                                            redelijkerwijs te vergen medewerking van de persoon met
                                            beperkingen, zijn mantelzorger of van anderen in diens
                                            omgeving, zoals familieleden of huisgenoten aan het
                                            oplossen van het zich voordoende probleem.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3 Keuzevrijheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een individuele voorziening kan verstrekt worden als voorziening
                                    in natura, een persoonsgebonden budget of als financiële
                                    tegemoetkoming.</al></li><li nr="2."><al>Het college van burgemeester en wethouders stelt vast in welke
                                    situaties de bij wet verplichte keuze tussen een voorziening in
                                    natura, een persoonsgebonden budget of als financiële
                                    tegemoetkoming niet wordt geboden. Hiertoe kan het college van
                                    burgemeester en wethouders nadere criteria vaststellen in het
                                    Besluit nadere regels maatschappelijke ondersteuning en het
                                    verstrekkingenboek maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                    Venlo.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Voorziening in natura</titel></kop><al>Indien een voorziening in natura wordt verstrekt is de
                            bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst
                            tussen de aanvrager en de gemeente van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Financiële tegemoetkoming</titel></kop><al>Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming worden de
                            toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning, het Besluit nadere regels maatschappelijke ondersteuning
                            en het verstrekkingenboek maatschappelijke ondersteuning gemeente Venlo
                            in de beschikking opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Persoonsgebonden budget</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op het persoonsgebonden budget zijn de volgende bepalingen van
                                    toepassing: </al><lijst><li nr="a."><al>een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten
                                            aanzien van individuele voorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van het persoonsgebonden budget is de
                                            tegenwaarde van de in de b. betreffende situatie
                                            goedkoopst adequate te verstrekken voorziening in
                                            natura, indien nodig aangevuld met een vergoeding voor
                                            instandhoudingkosten en de kosten van een
                                            aansprakelijkheidsverzekering, zoals vastgelegd in het
                                            Besluit nadere regels maatschappelijke ondersteuning en
                                            het verstrekkingenboek maatschappelijke ondersteuning
                                            gemeente Venlo;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het besluit tot toekenning van het persoonsgebonden budget
                                    vermeldt in ieder geval de omvang, de looptijd, de
                                    verplichtingen en de wijze van uitbetaling.</al></li><li nr="3."><al>Bij de beschikking wordt een programma van eisen als bijlage
                                    opgenomen; in dat programma van eisen staat aangegeven aan welke
                                    vereisten de met het persoonsgebonden budget te verwerven
                                    voorziening dient te voldoen.</al></li><li nr="4."><al>Het college van burgemeester en wethouders gaat
                                    steekproefsgewijs na of het verstrekte persoonsgebonden budget
                                    besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is.</al></li></lijst><al>De budgethouder is verplicht de daarvoor noodzakelijke stukken, zoals
                            genoemd in het <extref doc="http://venlo.regelingenbank.nl/regelingen/Besluit-nadere-regels-Wet-Maatschappelijke-Ondersteuning-Venlo-2010-5e-wijziging">Besluit nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                Venlo</extref>, op verzoek van het college van burgemeester en
                            wethouders per omgaande te verstrekken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Eigen bijdragen en eigen aandeel</titel></kop><al>Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de wet is
                            de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd of wordt de financiële
                            tegemoetkoming afgestemd op het inkomen. Het college van burgemeester en
                            wethouders legt in het Besluit nadere regels maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Venlo de omvang van deze eigen bijdrage en het
                            eigen aandeel vast.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 Hulp bij het huishouden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8 Vormen van hulp bij het huishouden</titel></kop><al>De door het college van burgemeester en wethouders, ter compensatie van
                            beperkingen bij het voeren van een huishouden, te verstrekken
                            voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het
                                    huishouden;</al></li><li nr="b."><al>hulp bij het huishouden in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het
                                    huishouden;</al></li><li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming te besteden aan hulp bij het
                                    huishouden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Primaat van de algemene hulp bij het huishouden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=1">artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 4, 5 en 6 van de
                                        wet</extref> kan voor de in artikel 8 onder a. vermelde
                                    voorziening in aanmerking komen indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen, chronisch psychische problemen
                                            of psychosociale problemen of problemen bij het
                                            uitvoeren van de mantelzorg;</al></li><li nr="b."><al>het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken
                                            onmogelijk maken en de algemene hulp bij het huishouden
                                            dit snel en adequaat kan oplossen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een persoon als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=1">artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6 van de
                                        wet</extref> kan voor de in artikel 8 onder b., c. en d.
                                    vermelde voorzieningen in aanmerking komen indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen, chronisch psychische problemen
                                            of psychosociale problemen of problemen bij het
                                            uitvoeren van de mantelzorg het zelf uitvoeren van een
                                            of meer huishoudelijke taken onmogelijk maken en de
                                            algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat
                                            kan oplossen; en</al></li><li nr="b."><al>de in artikel 8 onder a. genoemde voorziening een
                                            onvoldoende oplossing biedt of niet beschikbaar is.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Gebruikelijke zorg</titel></kop><al>In afwijking van het gestelde in artikel 9 komt een persoon als bedoeld
                            in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=1">artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6 van de
                                wet</extref> niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden als
                            conform de Beleidsregel gebruikelijke zorg en de Beleidsregel hulp bij
                            het huishouden, een of meer huisgenoten wel in staat zijn het
                            huishoudelijk werk te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Omvang van de hulp bij het huishouden</titel></kop><al>De omvang van de voorziening huishoudelijke verzorging wordt uitgedrukt
                            in klassen, waarbij de volgende klassen met de daarbij behorende uren
                            kunnen worden toegekend:</al><al>Klasse 1: 0 tot en met 1,9 uur per week;</al><al>Klasse 2: 2 tot en met 3,9 uur per week;</al><al>Klasse 3: 4 tot en met 6,9 uur per week;</al><al>Klasse 4: 7 tot en met 9,9 uur per week;</al><al>Klasse 5: 10 tot en met 12,9 uur per week;</al><al>Klasse 6: 13 tot en met 15,9 uur per week.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Omvang van het persoonsgebonden budget</titel></kop><al>De bedragen die in de vorm van een persoonsgebonden budget worden
                            verstrekt, worden jaarlijks door het college van burgemeester en
                            wethouders vastgesteld en vastgelegd in het Besluit nadere regels
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Venlo.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4 Woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 13 Vormen van woonvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college van burgemeester en wethouders, ter compensatie van
                            beperkingen bij het voeren van een huishouden en het normale gebruik van
                            de woning, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene woonvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een individuele woonvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een individuele
                                    woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een individuele
                                    woonvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Primaat algemene woonvoorzieningen en recht
                                individuele woonvoorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=1">artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de
                                        wet</extref> kan voor de in artikel 13, onder a. vermelde
                                    voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare
                                    beperkingen, chronisch psychische problemen of psychosociale
                                    problemen het normale gebruik van de woning en/of het voeren van
                                    een huishouden belemmeren en de algemene woonvoorziening dit
                                    snel en adequaat kan oplossen.</al></li><li nr="2."><al>Een persoon als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=1">artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de
                                        wet</extref> kan voor de in artikel 13, onder b. c. en d.
                                    vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen, chronisch psychische problemen
                                            of psychosociale problemen het normale gebruik van de
                                            woning en/of het voeren van een huishouden belemmeren
                                            en</al></li><li nr="b."><al>de in artikel 13 onder a genoemde voorziening niet
                                            aanwezig is of niet tot een snelle en adequate oplossing
                                            leidt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Soorten individuele woonvoorzieningen</titel></kop><al>De in artikel 13 onder b., c. en d. genoemde voorzieningen kunnen
                            bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten;</al></li><li nr="b."><al>een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een niet bouwkundige of niet woontechnische
                                    woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een uitraasruimte;</al></li><li nr="e."><al>onderhoud, keuring en reparatie;</al></li><li nr="f."><al>tijdelijke huisvesting;</al></li><li nr="g."><al>huurderving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Primaat van de verhuizing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld
                                    in artikel 15 onder a. in aanmerking worden gebracht wanneer
                                    aantoonbare beperkingen het normale gebruik van de woning en/of
                                    het voeren van een huishouden belemmeren.</al></li><li nr="2."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld
                                    in artikel 15 onder b. en c. in aanmerking worden gebracht
                                    wanneer: </al><lijst><li nr="a."><al>de in artikel 15 onder a genoemde voorziening niet
                                            mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening
                                            is, en</al></li><li nr="b."><al>aantoonbare beperkingen, chronisch psychische problemen
                                            of psychosociale problemen het normale gebruik van de
                                            woning en/of het voeren van een belemmeren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een persoon met beperkingen kan voor een voorziening als bedoeld
                                    in artikel 15 onder d. in aanmerking worden gebracht wanneer er
                                    sprake is van een aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd
                                    gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan
                                    leiden tot een situatie waarin deze persoon tot rust kan komen
                                    en bovendien de in het artikel 15 onder a. genoemde voorziening
                                    niet mogelijk is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Primaat van de losse woonunit</titel></kop><al>Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of
                            een aanzienlijke verbouwing van een woning, kan het college van
                            burgemeester en wethouders een herplaatsbare losse woonunit verstrekken
                            indien dit de goedkoopst adequate oplossing is en daartegen geen
                            bezwaren van overwegende aard bestaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Uitsluitingen</titel></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 15 onder a
                            en artikel 16 lid 1, zijn niet van toepassing op het treffen van
                            voorzieningen aan</al><lijst><li nr="•"><al>hotels/pensions</al></li><li nr="•"><al>trekkerswoonwagens</al></li><li nr="•"><al>kloosters</al></li><li nr="•"><al>tweede woningen;</al></li><li nr="•"><al>vakantiewoningen;</al></li><li nr="•"><al>recreatiewoningen;</al></li><li nr="•"><al>kamers die verhuurd worden;</al></li><li nr="•"><al>gelet op de beperkingen en/of de leeftijd van de bewoners,
                                    voornamelijk door gehandicapten en/of ouderen bewoonde
                                    woongebouwen, voor wat betreft voorzieningen in
                                    gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of
                                    renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen
                                    worden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Hoofdverblijf</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de persoon met
                                    beperkingen zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woning
                                    waaraan de voorziening wordt getroffen.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid en het gestelde
                                    in artikel 2 lid 2 onderdeel b kan een woonvoorziening getroffen
                                    worden voor het bezoekbaar maken van één woning indien de
                                    persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft in een
                                    AWBZ-instelling.</al></li><li nr="3."><al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de
                                    gemeente waar de aan te passen woning staat.</al></li><li nr="4."><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de
                                    in het tweede lid bedoelde woning met een door het college van
                                    burgemeester en wethouders in het Besluit nadere regels
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Venlo vast te leggen
                                    maximumbedrag.</al></li><li nr="5."><al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de persoon
                                    met beperkingen de woning, de woonkamer en een toilet kan
                                    bereiken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20 Weigeringsgronden</titel></kop><al>De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt
                            geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is
                                    van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het
                                    normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek
                                    geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden
                                    aanwezig was;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                    beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning,
                                    tenzij er voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk toestemming
                                    is verleend door het college van burgemeester en
                                    wethouders;</al></li><li nr="c."><al>deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke
                                    ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, extra
                                    trapleuningen, verbrede toegangsdeuren, drempelhulpen, vlonders
                                    en een opstelplaats voor de rolstoel;</al></li><li nr="d."><al>de woonvoorziening aangevraagd wordt t.b.v. een verhuizing die
                                    als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd, tenzij er sprake
                                    is van een onverwacht optredende noodzaak;</al></li><li nr="e."><al>de woonvoorziening aangevraagd wordt t.b.v. een verhuizing in
                                    geval: </al><lijst><li nr="-"><al>de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen;</al></li><li nr="-"><al>de aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte
                                            die niet bestemd en/of geschikt is het gehele jaar door
                                            bewoond te worden;</al></li><li nr="-"><al>de aanvrager verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een
                                            andere instelling gericht op het verstrekken van
                                            zorg;</al></li><li nr="-"><al>er in de verlaten woonruimte geen problemen met het
                                            normale gebruik van de woning zijn ondervonden;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de
                                    ondervonden beperkingen en een of meer bouwkundige of
                                    woontechnische kenmerken van de door de aanvrager bewoonde
                                    woning;</al></li><li nr="g."><al>de beperkingen niet in de woning zelf (waartoe ook de
                                    toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen) worden
                                    ondervonden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21 Terugbetaling bij verkoop</titel></kop><al>De eigenaar, die krachtens deze verordening of een aan deze verordening
                            voorafgaande verordening een woonvoorziening heeft ontvangen die leidt
                            tot waardestijging van de woning, dient bij verkoop van deze woning
                            binnen een periode van 10 jaar na gereedmelding van de voorziening, deze
                            verkoop van de woning onverwijld aan het college van burgemeester en
                            wethouders te melden. De meerwaarde van de woning dient volgens het in
                            het Besluit nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Venlo
                            door het college van burgemeester en wethouders vastgelegde
                            afschrijvingsschema te worden terugbetaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22 Tijdelijke huisvesting</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan</al><lijst><li nr="1."><al>voor een voorziening als bedoeld in artikel 15 onder f in
                                    aanmerking komen indien: </al><lijst><li nr="a."><al>hij zijn woning tijdelijk niet bewonen als gevolg van
                                            een noodzakelijke woonvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>hij redelijkerwijs niet kan voorkomen dat hij, als
                                            gevolg van deze woonvoorziening, dubbele woonlasten
                                            heeft;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De voorziening als bedoeld in artikel 15 onder f wordt verstrekt
                                    voor de periode waarin de persoon als bedoeld in artikel 1,
                                    eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet dubbele
                                    woonlasten heeft, met een maximum van 6 maanden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23 Huurderving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In geval van huurbeëindiging van een aangepaste woonruimte kan
                                    het college een voorziening als bedoeld in artikel 15 onder g
                                    verstrekken aan de eigenaar van de woning in verband met derving
                                    van huurinkomsten, waarbij de eerste maand huurderving niet voor
                                    een financiële tegemoetkoming in aanmerking komt.</al></li><li nr="2."><al>De voorziening als bedoeld in artikel 13 onder g Verordening
                                    wordt voor een periode van maximaal 6 maanden verstrekt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5 Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 24 Vormen van vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college van burgemeester en wethouders, ter compensatie van
                            beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen te verstrekken voorziening
                            kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening in de vorm van een collectieve
                                    vervoersvoorziening tegen gereduceerd tarief;</al></li><li nr="b."><al>een individuele vervoersvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een individuele
                                    vervoersvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een individuele
                                    vervoersvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 25 Het recht op een algemene voorziening</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 24 onder a. vermelde voorziening
                            in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen, chronisch
                            psychische problemen of psychosociale problemen:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruik van het openbaar vervoer of</al></li><li nr="b."><al>het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26 Primaat van het collectief vervoer</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 24 onder b.,
                                    c. en d. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht
                                    wanneer: </al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen, chronisch psychische problemen
                                            of psychosociale problemen het gebruik van het openbaar
                                            vervoer of het bereiken van het openbaar vervoer
                                            onmogelijk maken.</al></li><li nr="b."><al>aantoonbare beperkingen, chronisch psychische problemen
                                            of psychosociale problemen het gebruik van een
                                            collectief systeem als bedoeld in artikel 24 onder a.
                                            onmogelijk maken dan wel een collectief systeem als
                                            bedoeld in artikel 24 onder a., niet aanwezig is.</al></li><li nr="c."><al>Voor de bij artikel 25 lid 1 onder c en d en artikel 25
                                            lid 2 onder b, c en d genoemde</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>voorzieningen geldt dat zij ook aanvullend op het collectief
                                    vervoer van artikel 24 onder a verstrekt kunnen worden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 27 Soorten individuele vervoersvoorzieningen en algemeen
                                gebruikelijk</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 22 onder b, c en d genoemde voorzieningen kunnen
                                    bestaan uit: </al><lijst><li nr="Ad"><al>b. een vervoersvoorziening in natura in de vorm van: </al><lijst><li nr="1."><al>een al dan niet aangepaste bruikleenauto;</al></li><li nr="2."><al>een al dan niet aangepaste gesloten
                                                  buitenwagen;</al></li><li nr="3."><al>een scootmobiel;</al></li><li nr="4."><al>een ander verplaatsingsmiddel.</al></li></lijst></li><li nr="Ad"><al>c. een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                            individuele vervoersvoorziening.</al></li><li nr="Ad"><al>d. een financiële tegemoetkoming in de vorm van: </al><lijst><li nr="1."><al>aanpassing van een eigen auto;</al></li><li nr="2."><al>gebruik van een bruikleenauto;</al></li><li nr="3."><al>gebruik van een taxi of auto;</al></li><li nr="4."><al>gebruik van een rolstoeltaxi.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien het netto inkomen van een ongehuwde persoon of het
                                    gezamenlijke netto inkomen van gehuwde personen meer bedraagt
                                    dan de inkomensgrens, te weten 1,5 maal het norminkomen, wordt
                                    het bezit van een personenauto algemeen gebruikelijk geacht,
                                    zodat een auto of een met een auto vergelijkbare voorziening en
                                    de daarmee samenhangende gebruiks- en onderhoudskosten niet in
                                    aanmerking komen voor verstrekking of vergoeding. Er bestaat dan
                                    geen recht op een voorziening in natura, een persoonsgebonden
                                    budget of een financiële tegemoetkoming bestemd voor de kosten
                                    van vervoersvoorzieningen als bedoeld in artikel 27, lid 1 ad. b
                                    onder 1 en 2 en artikel 27 ad. d onder 2 tot en met 4.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 28 Omvang in gebied</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van
                                    de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke
                                    participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen
                                    in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven
                                    van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet
                                    waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend
                                    door de persoon met beperkingen zelf bezocht kan worden, terwijl
                                    het bezoek voor de persoon met beperkingen noodzakelijk is om
                                    dreigende vereenzaming te voorkomen.</al></li><li nr="2."><al>De te verstrekken vervoersvoorziening(en) zal(zullen)
                                    maatschappelijke participatie door middel van lokale
                                    verplaatsing met tenminste een omvang per jaar van 1.500
                                    kilometer met een bandbreedte tot 2.000 kilometer mogelijk
                                    maken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 6 Verplaatsen in en rond de woning</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 29 Vormen van rolstoelvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college van burgemeester en wethouders, ter compensatie van
                            beperkingen bij het verplaatsen in en om de woning dan wel voor
                            sportbeoefening te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder een algemene
                                    rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een individuele rolstoelvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een individuele
                                    rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming te besteden aan een
                                    sportrolstoel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 30 Primaat algemene rolstoelvoorziening incidenteel
                                gebruik en sportrolstoel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 29, onder a.
                                    vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                    aantoonbare beperkingen incidenteel zittend verplaatsen in en
                                    rond de woning noodzakelijk maken.</al></li><li nr="2."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 29 onder b.
                                    en c. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                    aantoonbare beperkingen zittend verplaatsen in en om de woning
                                    noodzakelijk maken of voor het incidenteel dagelijks zittend
                                    verplaatsen geen algemene voorziening als bedoeld in artikel 29
                                    onder a aanwezig is.</al></li><li nr="3."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 29 onder d.
                                    vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                    aantoonbare beperkingen sportbeoefening zonder sportrolstoel
                                    onmogelijk maken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 31 Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor
                                AWBZ-bewoners</titel></kop><al>In uitzondering op het gestelde in artikel 30 lid 2 komt een persoon met
                            beperkingen die verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet
                            toelating zorginstellingen erkende instelling uitsluitend voor een
                            rolstoel in aanmerking indien hij geen recht heeft op een rolstoel,
                            verstrekt op grond van de AWBZ.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 7 Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van
                            besluiten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 32 Uitsluitend recht</titel></kop><al>Bij deze wordt aan het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ),
                            gelet op richtlijn 2004/18/EG en artikel 17 van het Besluit
                            aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (BAO) een uitsluitend recht
                            verleend voor het:</al><lijst><li nr="-"><al>namens het college van burgemeester en wethouders adviseren
                                    inzake deze verordening;</al></li><li nr="-"><al>het namens het college van burgemeester en wethouders nemen van
                                    besluiten inzake deze verordening bestaande uit het verlenen van
                                    voorzieningen en uit het intrekken van besluiten tot
                                    verstrekking van voorzieningen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 33 Gebruik aanvraagformulier</titel></kop><al>Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een namens het
                            college van burgemeester en wethouders ter beschikking gesteld
                            formulier.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 34 Relatie met de Algemene Wet Bijzondere
                                Ziektekosten</titel></kop><al>De aanvraag dient te worden ingediend bij het CIZ, bij welke instantie
                            zowel aanvragen voor voorzieningen inzake de wet alsook aanvragen zorg
                            inzake de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten kunnen worden
                            ingediend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 35 Inlichtingen, onderzoek en advies</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om, voor
                                    zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van het recht
                                    op een voorziening, degene die aanspraak maakt op een
                                    voorziening of degene die een voorziening heeft: </al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                            college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats
                                            en tijdstip en hem te ondervragen;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college van burgemeester en wethouders
                                            te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe
                                            aangewezen deskundigen te doen ondervragen en/of
                                            onderzoeken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een persoon die aanspraak maakt op een voorziening dan wel een
                                    voorziening heeft, is verplicht aan het college van burgemeester
                                    en wethouders die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen
                                    die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.</al></li><li nr="3."><al>Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt door het
                                    college van burgemeester en wethouders gebruik gemaakt van de
                                    systematiek zoals neergelegd in de International Classification
                                    of Functions, Disabilities and Impairments, de zogenaamde ICF
                                    classificatie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 36 Samenhangende afstemming</titel></kop><al>Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te
                            stemmen op de situatie van de aanvrager laat het college onderzoek
                            verrichten naar de situatie van de aanvrager.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 37 Wijzigingen in de situatie</titel></kop><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt,
                            is verplicht aan het college van burgemeester en wethouders mededeling
                            te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk
                            moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een
                            voorziening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38 Intrekking van een besluit tot verlening van een
                                voorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college van burgemeester en wethouders kan een besluit,
                                    genomen op grond van deze verordening of een aan deze
                                    verordening voorafgaande verordening, geheel of gedeeltelijk
                                    intrekken indien: </al><lijst><li nr="a."><al>niet of niet langer is voldaan aan de voorwaarden en
                                            verplichtingen gesteld bij of krachtens deze verordening
                                            dan wel een daaraan voorafgaande verordening;</al></li><li nr="b."><al>op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de
                                            gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste
                                            gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn
                                            genomen;</al></li><li nr="c."><al>de persoon met beperkingen tekortschietend besef van
                                            verantwoordelijkheid heeft betoond;</al></li><li nr="d."><al>blijkt dat gedurende een periode van meer dan 6 maanden
                                            geen gebruik is gemaakt van de verstrekte
                                            voorziening;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of
                                    een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt
                                    dat de tegemoetkoming of het budget binnen 6 maanden na
                                    uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de
                                    voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 39 Terugvordering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Ingeval het besluit tot het verstrekken van een voorziening is
                                    ingetrokken kan op basis daarvan reeds uitbetaalde financiële
                                    tegemoetkoming of persoonsgebonden budget worden
                                    teruggevorderd.</al></li><li nr="2."><al>In geval het besluit tot het verstrekken van een in bruikleen of
                                    eigendom verstrekte kan deze voorziening worden
                                    teruggevorderd.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 8 Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 40 Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan in bijzondere gevallen
                            ten gunste van de persoon met beperkingen afwijken van de bepalingen bij
                            en krachtens deze verordening, indien toepassing daarvan tot
                            onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 41 Indexering</titel></kop><al>Het college kan de in het kader van deze verordening en het op deze
                            verordening berustende Besluit nadere regels maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Venlo geldende bedragen verhogen of
                            verlagen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 42 Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt in overeenstemming
                            met de cyclus van het Wmo-beleidsplan geëvalueerd waarna verslag over
                            doeltreffendheid en effectiviteit aan de raad wordt voorgelegd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 43 Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 maart
                                    2011.</al></li><li nr="2."><al>Op dat tijdstip worden ingetrokken: </al><lijst><li nr="a."><al>De Verordening voorzieningen maatschappelijke
                                            ondersteuning Venlo, vastgesteld door de gemeenteraad
                                            van Venlo bij besluit van 2 juli 2007;</al></li><li nr="b."><al>De Verordening voorzieningen maatschappelijke
                                            ondersteuning Arcen en Velden, vastgesteld door de
                                            gemeenteraad van Arcen en Velden bij besluit d.d. 20
                                            december 2007.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 44 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als de “Verordening voorzieningen
                            maatschappelijke ondersteuning Venlo 2011”, dan wel “Wmo-verordening
                            Venlo 2011”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Wmo-verordening Venlo</titel></kop><al><vet>Inleiding</vet></al><al>De Wet maatschappelijke ondersteuning is van kracht sinds 1 januari 2007. Het is
                    een wet die, ruim twee jaar na inwerkingtreding, nog verdere invulling behoeft
                    en uiteindelijk door jurisprudentie een duidelijkere vorm zal krijgen. Hierbij
                    speelt dat het kernbegrip van de wet, het zogenaamde compensatiebeginsel, bij
                    amendement aan de wet is toegevoegd, waardoor een begripsomschrijving van dit
                    cruciale begrip ontbreekt, met het gevolg dat de toelichting op het amendement
                    uitgangspunt is voor de vormgeving van dit compensatiebeginsel.</al><al>Deze Wmo-verordening geeft invulling aan de in de Wmo gegeven opdracht regels te
                    stellen bij verordening. In deze verordening is vorm gegeven aan het
                    compensatiebeginsel zonder de regels van de Wet voorzieningen gehandicapten en
                    de regels rond de functie huishoudelijke verzorging uit de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geheel los te laten.</al><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>De kern van de Wmo wordt gevormd door het begrip “ compensatiebeginsel“ . Dit
                    begrip is bij amendement 65 in de Wmo opgenomen en is afkomstig van de Raad voor
                    de Volksgezondheid en de Zorg. In hun briefadvies over de Wmo staat het
                    volgende:</al><al>“Het verdient volgens de Raad aanbeveling om de wettelijke aanspraak op
                    maatschappelijke ondersteuning te relateren aan aard en ernst van de
                    beperking(en) van burgers, door gemeenten te verplichten zorg te dragen voor
                    compensatie van deze beperking(en). En wel zodanig dat de burger met een
                    beperking in een gelijkwaardige uitgangspositie wordt gebracht ten opzichte van
                    de burger zonder beperking(en). De gemeente heeft hierin een
                    resultaatsverplichting. Dit brengt met zich mee dat de gemeente zelf mag bepalen
                    welke voorzieningen zij aanbiedt om het wettelijk vastgestelde doel/resultaat te
                    bereiken. Teneinde tevens recht te doen aan het uitgangspunt dat daar waar
                    mogelijk beroep gedaan wordt op de eigen verantwoordelijkheid van burgers moet
                    het mogelijk zijn om aan de aanspraak op ondersteuning een inkomenstoets te
                    koppelen. Omdat het om maatschappelijke participatie gaat, is dit te
                    rechtvaardigen. Daartoe dienen op centraal niveau regels gesteld te worden. In
                    het licht van de voorgestelde ‘ compensatieplicht’ heeft het de voorkeur van de
                    Raad om alleen individuele voorzieningen over te hevelen naar de WMO, zodat de
                    wet een eenduidig karakter kan krijgen. In deze visie blijft naast de WMO een
                    Welzijnswet bestaan, waarin de collectieve (gemeenschapsgerichte) voorzieningen
                    worden ondergebracht.</al><al>Deze voorzieningen zijn immers algemeen van aard en bedoeld voor iedere
                    ingezetene van de gemeente, ongeacht diens eventuele beperkingen. Voor deze
                    voorzieningen acht de Raad het niet gewenst een wettelijke aanspraak in het
                    leven te roepen. Deze aanbeveling heeft betrekking op het niveau van de
                    aanspraak (c.q. voorziening), niet op het niveau van de uitvoering. Op het
                    tweede niveau kan immers, ook bij een individuele aanspraak (bijvoorbeeld
                    vervoer) een ‘ collectieve’ voorziening worden aangewend (bijvoorbeeld openbaar
                    vervoer). Door de aanspraak op ondersteuning niet te verankeren in een
                    verplichting om bepaalde met name te noemen voorzieningen te verstrekken
                    (zorgplicht), maar te omschrijven in termen van het te bereiken resultaat
                    (compensatieplicht), kan onzekerheid ontstaan over wat nu precies als recht
                    geldt. Om die reden is het volgens de Raad noodzakelijk om in de wet zelf op te
                    nemen wanneer sprake is van een gelijkwaardige uitgangspositie van burgers. Dat
                    is immers het resultaat waarop de gemeente, ook in rechte, kan worden
                    aangesproken. Dit betekent dat geoperationaliseerd moet worden wat de termen ‘
                    zelfredzaamheid’ en ‘ maatschappelijke participatie’ betekenen: welke
                    activiteiten moet iemand daarvoor tenminste kunnen uitvoeren? Door het te
                    bereiken resultaat (de compensatie) als aangrijpingspunt te nemen is het volgens
                    de Raad niet noodzakelijk in de wet zelf criteria op te nemen voor de
                    indicatiestelling.”</al><al>Dit begrip is “ vertaald” bij amendement en in de wet opgenomen. Het is met name
                    de toelichting op het amendement dat informatie geeft over de bedoeling van de
                    wetgever met het begrip compensatieplicht. De toelichting stelt:</al><al>“Ter vervanging van de verplichting gedurende 3 jaar om te voorzien in met name
                    genoemde producten en diensten strekt het nieuw geformuleerde artikel ertoe de
                    algemene verplichting aan gemeenten op te leggen om beperkingen in de
                    zelfredzaamheid op het gebied van het voeren van een huishouden, het zich
                    verplaatsen in en om de woning en om zich lokaal per vervoermiddel te
                    verplaatsen, weg te nemen.</al><al>Onder zelfredzaamheid wordt in dit verband verstaan het lichamelijke,
                    verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf voorzieningen te
                    treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken.
                    Onder normale deelname aan het maatschappelijke verkeer wordt in ieder geval
                    verstaan het kunnen voeren van een huishouden; het normale gebruik van een
                    woning; het zich in en om de woning kunnen verplaatsen; het zich zodanig kunnen
                    verplaatsen dat aansluiting kan worden gevonden bij regionale, bovenregionale en
                    landelijke vervoerssystemen; het kunnen ontmoeten van andere mensen en het
                    aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier te kunnen
                    deelnemen aan het lokale sociaal-maatschappelijk leven. Voor de gemeentelijke
                    uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions,
                    Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat
                    als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele
                    gevallen vast te stellen. De opdracht om compenserende voorzieningen te treffen
                    wordt met dit artikel bij wet gegeven. De normering ervan wordt overeenkomstig
                    de bestuurlijke structuur van de wet op het lokale niveau bepaald met
                    inachtneming van alle bepalingen over de totstandkoming van het lokale beleid en
                    de betrokkenheid van burgers en cliënten daarbij.”</al><al>Omdat er geen begripsomschrijving van het begrip compensatiebeginsel in het
                    amendement is opgenomen, is in de verordening een begripsomschrijving opgenomen,
                    in artikel 1 onder b.</al><al>Het compensatiebeginsel geldt, zo geeft de tekst van artikel 4, lid 1 van de wet
                    aan, voor de onderdelen:</al><lijst><li nr="a."><al>een huishouden voeren,</al></li><li nr="b."><al>zich verplaatsen in en om de woning,</al></li><li nr="c."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en</al></li><li nr="d."><al>medemensen ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te
                            gaan.</al></li></lijst><al>Uitgaande van een overgang van de drie WVG-terreinen woonvoorzieningen,
                    vervoersvoorzieningen en rolstoelen plus de functie huishoudelijke verzorging
                    uit de AWBZ naar de Wmo worden de onderdelen uit artikel 4 van de wet in deze
                    verordening als volgt uitgewerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>onder het voeren van een huishouden wordt verstaan: zowel het wonen, met
                            name de woonvoorzieningen, als de eerdere functie huishoudelijke
                            verzorging, in deze verordening hulp bij het huishouden genoemd;</al></li><li nr="b."><al>zich verplaatsen in en om de woning: de rolstoel inclusief (uitsluitend)
                            de sportrolstoel;</al></li><li nr="c."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel: de vervoersvoorzieningen uit
                            de WVG;</al></li><li nr="d."><al>het ontmoeten van medemensen en het daaruit volgende aangaan van sociale
                            verbanden wordt beschouwd als doelstelling voor de eerste drie
                            verstrekkingenterreinen.</al></li></lijst><al>Deze indeling is in deze verordening terug te vinden in de hoofdstukindeling. In
                    de verordening is er voor gekozen om, vanwege de duidelijkheid en de praktische
                    uitvoerbaarheid, de concrete voorzieningen bij de betreffende onderdelen ook
                    daadwerkelijk te noemen. Dit is vergelijkbaar met de (oude)
                    WVG-verordening.</al><al>In artikel 4 van de wet wordt de gemeente opgedragen ten behoeve van de
                    compensatie "voorzieningen te treffen". De wet stelt dus niet dat het steeds om
                    individuele voorzieningen moet gaan. Om te voorzien in het snel en regelarm
                    treffen van veel voorkomende eenvoudige voorzieningen is in deze verordening het
                    begrip algemene voorzieningen opgenomen. Dit type voorziening komt in de WVG
                    voor onder de noemer “ collectief vervoer” . In deze verordening wordt het
                    begrip algemene voorziening geïntroduceerd voor alle onderdelen van het
                    compensatiebeginsel. Kenmerkend voor algemene voorzieningen is dat de gemeente
                    deze voorzieningen organiseert, inkoopt en ter beschikking stelt, veelal los van
                    of vooruitlopend op individuele aanvragen terzake. Het zal in de regel gaan om
                    steunpunten, depots, pools, waar de betreffende voorzieningen op voorraad worden
                    gehouden, al of niet op wijkniveau.</al><al>De verordening spreekt in concreto over algemene woonvoorzieningen, algemene
                    hulp bij het huishouden, algemene vervoersvoorziening en een algemene
                    rolstoelvoorziening. Het betreft een nieuw type voorziening, waarvoor de komende
                    jaren nieuwe invullingen zullen ontstaan.</al><al>Ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening is het collectieve
                    vraagafhankelijke vervoer (CVV) de enige algemene voorziening die de gemeente
                    kent. De algemene voorziening is toch bij iedere afzonderlijke voorziening
                    opgenomen omdat dit de gemeente mogelijkheden biedt voor de ontwikkeling van
                    toekomstig, innovatief beleid.</al><al>De verschillende verstrekkingenterreinen worden in de volgende hoofdstukken
                    behandeld.</al><al>De laatste hoofdstukken zijn gereserveerd voor procedurele aspecten.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></al><al><vet>Onder b. Compensatiebeginsel</vet></al><al>Het compensatiebeginsel is via het amendement-Miltenburg c.s. (30 131, nr. 65)
                    aan het wetsvoorstel toegevoegd. In het amendement is geen begripsomschrijving
                    van dit begrip opgenomen. Gevolg hiervan is dat er in de wet een
                    begripsomschrijving van het cruciale begrip compensatiebeginsel ontbreekt.
                    Daarom staat de begripsomschrijving van het compensatiebeginsel in de
                    verordening. Voor de begripsomschrijving is gebruik gemaakt van het briefadvies
                    van de Raad voor de Volksgezondheid en de Zorg, de ‘ uitvinder’ van het
                    compensatiebeginsel. Voor wat betreft de gelijkwaardige uitgangspositie is
                    gebruik gemaakt van de toelichting op het amendement, evenals voor wat betreft
                    de termen zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie.</al><al><vet>Onder c. Beperkingen</vet></al><al>De term “ beperkingen” is ontleend aan de ICF, de International Classification
                    of Functioning, Disability, and Health, opgesteld door de Wereld
                    Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van de Verenigde
                    Naties). Het onder de toelichting op onderdeel 1.2 van dit artikel genoemde
                    amendement-Miltenburg stelt over de ICF: “ Voor de gemeentelijke
                    uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions,
                    Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat
                    als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele
                    gevallen vast te stellen.”</al><al><vet>Onder d. Persoon met beperkingen</vet></al><al>De begripsomschrijving is afgeleid van de begripsomschrijving van “ beperkingen”
                    en van de verschillende terreinen waarvoor op grond van de wet voorzieningen
                    kunnen worden verstrekt. Daarnaast is vanuit de Wet voorzieningen gehandicapten
                    het onderdeel “ aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek”
                    toegevoegd. Mede in verband met de begrenzing van de doelgroep zal immers een
                    objectief criterium nodig zijn. Hierdoor blijft jurisprudentie op grond van de
                    Wet voorzieningen gehandicapten ten aanzien van dit onderdeel op dit begrip van
                    toepassing. Aan deze formulering is de nieuwe doelgroep “ personen met een
                    chronisch psychisch of psychosociaal probleem” toegevoegd. Deze doelgroep is
                    afkomstig uit de AWBZ-regelgeving (Besluit zorgaanspraken).</al><al><vet>Onder e. Mantelzorger</vet></al><al>De begripsomschrijving is ontleend aan de begripsomschrijving van “ mantelzorg”
                    in de Wet (artikel 1, lid 1 onder b).</al><al><vet>Onder f. Zelfredzaamheid</vet></al><al>Deze begripsomschrijving komt uit de toelichting op eerder reeds genoemde
                    amendement- Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft
                    toegevoegd.</al><al><vet>Onder g. Maatschappelijke participatie</vet></al><al>Ook deze begripsomschrijving is, evenals de onder f. genoemde, ontleend aan de
                    toelichting op het amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan
                    de wet heeft toegevoegd.</al><al><vet>Onder h. Algemene voorziening</vet></al><al>Het gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare voorzieningen, die met een
                    minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan een
                    scala van al bestaande of nog te ontwikkelen voorzieningen: collectief vervoer,
                    algemene woonvoorzieningen als klussendiensten en voorzieningendepots,
                    rolstoelpools en vrijwilligersdiensten. De verstrekkingsprocedure is eenvoudiger
                    dan bij individuele voorzieningen. Kenmerk van algemene voorzieningen is
                    tenslotte dat zij altijd in natura verstrekt worden en nooit als financiële
                    tegemoetkoming of persoonsgebonden budget.</al><al><vet>Onder i. Individuele voorziening</vet></al><al>Algemene voorzieningen hebben in het kader van deze verordening voorrang op
                    individuele voorzieningen. Waar mogelijk zal eerst een algemene voorziening
                    worden aangeboden, waar nodig zal een individuele voorziening worden verstrekt.
                    Hoe de keuze zal worden gemaakt tussen beide categorieën voorzieningen hangt
                    uiteraard helemaal af van de individuele situatie van de aanvrager. Door het
                    college vast te stellen beleidsregels zullen afwegingscriteria geven, verder zal
                    een op de individuele situatie afgestemd medisch advies vaak van groot belang
                    zijn. De algemene voorzieningen, nu nog genoemd in de vorm van een primaat,
                    kunnen uitgroeien tot voorliggende voorzieningen en op den duur uit deze
                    verordening verdwijnen, wanneer zij zodanig functioneren dat zij gerekend kunnen
                    worden tot de groep voorzieningen als maaltijdvoorzieningen en
                    personenalarmering.</al><al><vet>Onder j. Eigen bijdrage</vet></al><al>De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage vloeit voort uit artikel
                    15 lid 1 van de wet. Deze kan op het inkomen worden afgestemd, zij het dat
                    daarvoor op basis van artikel 15 lid 3 van de wet bij Algemene Maatregel van
                    Bestuur nadere regels zijn gesteld. In het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning is bepaald wat de ruimte is die het college heeft voor het
                    vaststellen van eigen bijdragen, als ze daartoe willen overgaan. Een eigen
                    bijdrage is alleen mogelijk bij een voorziening in natura of een
                    persoonsgebonden budget, en dus niet bij een financiële tegemoetkoming.</al><al><vet>Onder k. Eigen aandeel in de kosten</vet></al><al>Artikel 19 lid 1 van de wet bepaalt dat de hoogte van de financiële
                    tegemoetkoming afhankelijk kan worden gesteld van het inkomen van degene aan wie
                    maatschappelijke ondersteuning is verleend en van zijn echtgenoot. Hierbij wordt
                    in de toelichting op artikel 19 van de wet gesproken over een “ eigen aandeel in
                    de kosten van een voorziening” (TK 2004-2005, 30 131, nr. 3). Op grond van
                    artikel 19 lid 2 van de wet zijn in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                    nadere regels gesteld met betrekking tot de financiële tegemoetkomingen. In het
                    Besluit maatschappelijke ondersteuning is bepaald wat de ruimte is die gemeenten
                    hebben voor het vaststellen van een eigen aandeel.</al><al><vet>Onder l. Voorziening in natura</vet></al><al>Dit zijn voorzieningen die niet in de vorm van enigerlei financiële
                    tegemoetkoming worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan verstrekking in
                    huur, in bruikleen, in eigendom of in de vorm van dienstverlening.</al><al><vet>Onder m. Persoongebonden budget</vet></al><al>Een geldbedrag dat de aanvrager onder door het college bepaalde voorwaarden mag
                    besteden aan een compenserende voorziening naar zijn keuze. Nadere uitwerking
                    omtrent de relatie tussen diverse compenserende voorzieningen en daarbij
                    behorende persoonsgebonden budgetten vindt plaats in het Besluit nadere regels
                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Venlo.</al><al>Voor zover het gaat om hulp bij het huishouden wordt onder het persoonsgebonden
                    budget ook begrepen de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in
                    artikel 5 lid 1 Wet op de loonbelasting 1964.</al><al><vet>Onder n. Financiële tegemoetkoming</vet></al><al>Een geldbedrag dat is bedoeld om een bepaalde voorziening te verwerven. Het is
                    niet een kostendekkende vergoeding, maar een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming
                    in de kosten.</al><al><vet>Onder o. Alfahulp</vet></al><al>Deze definitie is opgenomen naar aanleiding van de wetswijziging van 1 januari
                    2010 (Staatsblad 2009, 346).</al><al><vet>Onder p. Algemeen gebruikelijk</vet></al><al>Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten het geval was, is het ook onder
                    de Wmo niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt,
                    waarover de persoon met beperkingen, gezien zijn individuele situatie, ook
                    zonder zijn handicap of beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen
                    worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Wat in een concrete situatie als
                    algemeen gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende
                    maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag. Het begrip “ algemeen
                    gebruikelijk” is geconcretiseerd in de jurisprudentie van de Centrale Raad van
                    Beroep.</al><al>Het begrip heeft vaak voor verwarring gezorgd, omdat algemeen gebruikelijke
                    voorzieningen soms wel specifiek voor een handicap worden aangeschaft, maar
                    vanwege hun algemeen gebruikelijke karakter toch niet vergoed worden.</al><al>Om duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip is de
                    begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het
                    gaat daarbij om voorzieningen:</al><lijst><li nr="-"><al>die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;</al></li><li nr="-"><al>die niet speciaal voor gehandicapten bedoeld zijn;</al></li><li nr="-"><al>die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met
                            hetzelfde doel.</al></li><li nr="-"><al>het aan te schaffen object kan voor een niet-gehandicapte in een
                            financieel vergelijkbare positie tot het normale aanschaffingspatroon
                            worden gerekend.</al></li></lijst><al>Het begrip “ algemeen gebruikelijk” moet overigens niet worden verward met “
                    gebruikelijke zorg” , zoals dat onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is
                    geformuleerd in beleidsregels. Het begrip “ gebruikelijke zorg” komt onder de
                    Wet maatschappelijke ondersteuning terug, zie hieronder, onder r.</al><al>Welke voorzieningen “ algemeen gebruikelijk” zijn is, niet limitatief, opgenomen
                    in het verstrekkingenboek maatschappelijke ondersteuning.</al><al><vet>Onder q. Meerkosten</vet></al><al>Het begrip “ meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “ algemeen
                    gebruikelijk” ; deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De meerkosten
                    zijn de kosten, die in een direct oorzakelijk verband staan met het compenseren
                    van de ondervonden beperking of het psychosociale probleem, zoals die zijn
                    genoemd in artikel 1, lid 1, onder g. achtste volzin van de wet. Een met de
                    persoon als de persoon met beperkingen vergelijkbaar persoon zonder die
                    beperking of dat psychosociale probleem heeft deze meerkosten per definitie
                    niet, omdat daarvoor in diens situatie geen noodzaak is. Mede op de bestrijding
                    van deze meerkosten, dus de kosten die voor een persoon als de persoon met
                    beperkingen niet algemeen gebruikelijk zijn, is de wet gericht.</al><al><vet>Onder r. Gebruikelijke zorg</vet></al><al>De in de Beleidsregel gebruikelijke zorg en de Beleidsregel hulp bij het
                    huishouden vastgestelde normering geeft regels ten aanzien van wat algemeen
                    gebruik is in de zorg tussen mensen onderling. Het gaat dan om huisgenoten
                    onderling en om zorg die het normaal gangbare niet overschrijdt. De aldus
                    bepaalde hoeveelheid hulp van huisgenoten wordt in aanmerking genomen bij de
                    indicatiestelling huishoudelijke verzorging. De in de vermelde beleidsregels
                    bepaalde normering komt overeen met het Protocol gebruikelijke zorg zoals dat
                    tot aan de invoering van de Wmo door het CIZ werd toegepast.</al><al><vet>Onder s. Huisgenoot</vet></al><al>Het uitgangspunt van deze begripsomschrijving ligt in het Protocol Gebruikelijke
                    zorg, zoals tot aan de invoering van de wet door het Centrum Indicatiestelling
                    Zorg werd toegepast als verzameling beleidsregels voor de AWBZ-indicatiestelling
                    voor huishoudelijke zorg. Het is op enkele punten aangepast om te voorkomen dat
                    problemen die in de AWBZ met dit begrip speelden ook naar de wet overgaan. Zo is
                    het begrip ‘ gemeenschappelijke huishouding voeren’ vervangen door het begrip ‘
                    gemeenschappelijk een woning bewonen’.</al><al><vet>Onder t. Budgethouder</vet></al><al>De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen van het begrip “
                    budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de persoon die de beschikking
                    krijgt over het budget en over de besteding daarvan ook verantwoording af dient
                    te leggen.</al><al><vet>Onder u. ICF classificatie</vet></al><al>Blijkens de handelingen vormt het compensatiebeginsel de basis voor het
                    gemeentelijke beleid. Het compensatiebeginsel stoelt , blijkens de handelingen,
                    op het sociale grondrecht op zorg en welzijn en op de internationaal gehanteerde
                    maatstaf ICF. Dit is tot uitdrukking gebracht in artikel 35 lid 3 van de
                    verordening.</al><al><vet>Onder v. Hoofdverblijf</vet></al><al>Krachtens de Wmo heeft het college een plicht tot het treffen van voorzieningen
                    op het gebied van maatschappelijke ondersteuning ter compensatie van
                    beperkingen, de zogenaamde compensatieplicht. Deze plicht bestaat krachtens
                    artikel 11 Wmo jegens ingezetenen. In artikel 1 Wmo wordt het begrip
                    hoofdverblijf gebruikt in de omschrijving van het begrip gezamenlijke
                    huishouding. In eerste instantie geeft de gemeentelijke basisadministratie
                    uitsluitsel over het hoofdverblijf van de aanvrager. Voor bepaalde
                    gezondheidszorginstellingen geldt dat de bewoners een briefadres elders kunnen
                    aanhouden. De gemeente waar de aanvrager van de voorziening daadwerkelijk
                    verblijft heeft de verplichting tot compensatie van beperkingen. In het geval
                    van AWBZ-bewoners heeft deze verplichting geen betrekking op de
                    woonvoorzieningen.</al><al>Het is noodzakelijk de zinsnede 'of zal hebben' op te nemen voor situaties
                    waarin de persoon met beperkingen naar een andere gemeente wil verhuizen en in
                    die gemeente een woning wil laten bouwen of aanpassen voordat deze daadwerkelijk
                    wordt betrokken, zie ook artikel 20, onder van deze verordening.</al><al><vet>Onder w. Woning</vet></al><al>Deze definitie spreekt voor zichzelf.</al><al><vet>Onder x. Gemeenschappelijke ruimte</vet></al><al>Deze definitie spreekt voor zichzelf.</al><al><vet>Onder y, z en Aa Inkomensgrens, norminkomen en inkomen</vet></al><al>Uitwerking hiervan vindt plaats in het Besluit nadere regels maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Venlo. De definitie van het inkomen geldt alleen met
                    betrekking tot de inkomensgrenzen en dus niet voor eigen bijdrage/aandeel.</al><al><vet>Onder Ab. Besparingsbijdrage</vet></al><al>Wanneer een voorziening wordt verstrekt waar een algemeen gebruikelijk deel
                    onderdeel van uitmaakt (er wordt een driewielfiets verstrekt, de fiets is
                    algemeen gebruikelijk en maakt daar onderdeel van uit: men hoeft zelf geen fiets
                    meer te kopen) zou sprake kunnen zijn van besparing: er hoeft immers geen
                    algemeen gebruikelijke voorziening meer aangeschaft te worden. Aangezien
                    verstrekking binnen de wet zich beperkt tot de meerkosten, kan in die situatie
                    van de aanvrager het bedrag dat bespaard wordt, gevraagd worden als
                    besparingsbijdrage. Dit is geen vorm van eigen bijdrage of eigen aandeel, zodat
                    de regels daaromtrent niet van toepassing zijn.</al><al><vet>Onder Ac. Rolstoelvoorziening</vet></al><al>Deze definitie is opgenomen om duidelijk te maken dat er voor wat betreft het
                    verplaatsen in en om de woning een duidelijk verschil is tussen
                    woonvoorzieningen (traplift) en rolstoelvoorzieningen waarvan de primaire
                    functie het rijden is.</al><al><vet>Artikel 2 Begrenzingen</vet></al><al>Artikel 2 lid 1</al><al>Ad a</al><al>Deze definitie is in zijn kern ontleend aan de verordening Wet voorzieningen
                    gehandicapten en aan de wet aangepast. Wat langdurig noodzakelijk is, is
                    afhankelijk van de concrete situatie. Het kan, in tijd uitgedrukt, gaan om twee
                    maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren.
                    Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld
                    aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerk is in beide genoemde situaties dat
                    de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap op het moment
                    van de aanvraag, onomkeerbaar is.</al><al>Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de
                    aanvrager.</al><al>In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de
                    betrokkene na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal
                    kunnen functioneren, dan mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een
                    wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval
                    opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medische
                    adviseur speelt bij het antwoord op de vraag of er al dan niet sprake is van een
                    langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening een belangrijke rol. Voor
                    langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft,
                    bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van
                    voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in het kader van deze
                    verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan een beroep doen op de
                    hulpmiddelendepots van de Thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in het kader
                    van de AWBZ. Uit deze depots kan men tweemaal 3 maanden een hulpmiddel gratis
                    lenen, welke periode kan worden verlengd, zij het dat dan huur is verschuldigd.
                    Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig ligt zal van situatie
                    tot situatie verschillen.</al><al>Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig
                    noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare
                    periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het
                    ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden.</al><al>Ad b</al><al>Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar
                    objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening
                    te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld
                    wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Hoewel datgene wat de
                    aanvrager als adequaat beschouwt mee zal moeten wegen in de beoordeling van het
                    adequaat zijn van de voorziening, zal ook het criterium van het goedkoop zijn,
                    de kosten van de voorziening, een rol spelen bij de uiteindelijke beoordeling
                    van het al dan niet adequaat zijn van een voorziening. Het gaat immers om
                    gemeenschapsgeld. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de
                    voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in
                    aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een
                    voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt.
                    Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar
                    product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het
                    kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij
                    een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten.
                    Het is uiteraard wel mogelijk een adequate voorziening te verstrekken die
                    duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening, mits de aanvrager bereid is
                    het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst adequaat
                    geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid.</al><al>Ad c</al><al>Het probleem van het individu dient op grond van de wet te worden gecompenseerd.
                    Dat individuele probleem staat dan ook centraal bij de beoordeling van de
                    aanvraag voor een voorziening op grond van de wet.</al><al>Artikel 2 lid 2.</al><al>Ad a</al><al>Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover een met de
                    aanvrager vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou kunnen
                    beschikken.</al><al>Deze voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Dit beginsel wordt al
                    tientallen jaren gehanteerd in de sociale wetgeving (AAW/WAO, voormalige Wet
                    REA, Wvg) en heeft tot een omvangrijke jurisprudentie geleid, die is vastgelegd
                    in de definitie van dit begrip, zoals die is opgenomen in artikel 1, onder n.
                    van deze verordening. Wat in een concreet geval algemeen gebruikelijk is, hangt
                    dus in beginsel af van de aard van de gevraagde voorziening. Daarnaast speelt de
                    - financiële- situatie van de aanvrager een rol, bezien in relatie tot de
                    maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag. Met name die financiële
                    situatie van de aanvrager kan leiden tot een uitzondering op het beginsel dat
                    geen algemeen gebruikelijke voorzieningen worden verstrekt. Uit de bovengenoemde
                    jurisprudentie blijkt immers dat een dergelijke uitzondering zich voordoet als
                    het inkomen van de aanvrager - mede ten gevolge van aantoonbare kosten ten
                    gevolge van zijn beperking, onder het in diens situatie geldende bijstandsniveau
                    dreigt te geraken. Een andere uitzondering is het ten gevolge van een plotseling
                    optredende handicap moeten vervangen van zaken die nog niet zijn afgeschreven;
                    dat zou zonder die handicap immers ook niet gebeuren.</al><al>Ad b</al><al>In de wet is, in tegenstelling tot de situatie bij de Wet voorzieningen
                    gehandicapten, geen specifieke bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de
                    compensatieplicht zich beperkt tot in de gemeente woonachtige personen, hoewel
                    artikel 11 van de wet spreekt over ingezetenen. Dit artikel moet opgenomen
                    worden om te voorkomen dat er aanvragen binnenkomen bij een gemeente waar de
                    aanvrager zijn hoofdverblijf niet heeft.</al><al>Ad c</al><al>Deze afwijzingsgrond is afkomstig uit de verordening Wet voorzieningen
                    gehandicapten, en is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor
                    problemen zorgen.</al><al>Ad d</al><al>Het artikel is vervallen, omdat het in strijd is met het compensatiebeginsel (Rb
                    Arnhem, 03-09- 09 Awb 08/2026). Het uitrustingsniveau van ‘ sociale woningbouw’
                    wordt niet gedefinieerd in het Bouwbesluit.</al><al>Ad e</al><al>In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij na het
                    optreden van een beperking voorzieningen aan, die in hun situatie kunnen leiden
                    tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met zich
                    meebrengt. Daarvoor is deze onder e. genoemde bepaling bedoeld.</al><al>Ad f</al><al>Onder f. wordt gedoeld op de situatie dat de aanvrager een voorziening aanvraagt
                    nadat deze al door de aanvrager gerealiseerd of aangekocht is, of een
                    voorziening gerealiseerd of gekocht is, voordat het college een besluit heeft
                    genomen. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening
                    volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op
                    de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden
                    geweigerd.</al><al>Bijvoorbeeld nadat het college een beslissing over de aanvraag voor een
                    woningaanpassing heeft genomen mag een aanvang worden gemaakt met de
                    werkzaamheden. Pas op dat moment heeft het college alle op de aanvraag
                    betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit genomen
                    over de te treffen voorziening.</al><al>Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is
                    begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met wat het college als goedkoopst
                    adequate voorziening beschouwt. Het college kan bijvoorbeeld ook factoren mee
                    laten wegen die buiten de woonruimte van de aanvrager gelegen zijn, zoals een
                    beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen woning elders, of een losse
                    woonunit, waardoor een woningaanpassing wellicht niet noodzakelijk is.</al><al>Pas nadat het college een positieve beschikking voor een verhuiskostenvergoeding
                    heeft gegeven, komt een aanvrager hiervoor in aanmerking. Pas nadat advies is
                    verkregen en de gemeente een afweging heeft gemaakt welke oplossing het meest
                    adequaat is kan de aanvrager tot verhuizen overgaan. Met deze voorwaarde wordt
                    tevens voorkomen dat de gemeente achteraf, nadat de aanvrager al is verhuisd,
                    met een claim voor een verhuiskostenvergoeding geconfronteerd wordt. In bepaalde
                    gevallen kan het echter nodig zijn dat de aanvrager snel moet beslissen omdat de
                    woning anders aan een andere woningzoekende wordt toegewezen. In deze of andere
                    urgente gevallen is het verkrijgen van toestemming van het college ook
                    voldoende. Maar in alle gevallen dient de aanvrager voorafgaand aan de
                    verhuizing schriftelijk toestemming van de gemeente te hebben verkregen. Het
                    hoeft hier uiteraard niet te gaan om de feitelijke verhuizing, maar om een
                    situatie waarin men bepaalde onomkeerbare stappen heeft gezet die in de regel
                    voorafgaan aan een verhuizing, zoals het sluiten van een koop- huur- of
                    erfpachtovereenkomst inzake de te betrekken woning.</al><al>Onder f. is niet van toepassing wanneer het college vooraf uitdrukkelijk
                    schriftelijk toestemming heeft gegeven voor het maken van de kosten of het
                    college de noodzaak, adequaatheid en passendheid achteraf nog kan
                    beoordelen.</al><al>Ad g</al><al>Onder g. wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden
                    als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft
                    plaatsgehad, terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren is
                    gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet
                    indien de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor
                    het verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de
                    aanvrager hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen
                    verhalen. Indien in een woning een verstelbare keuken of een andere dure
                    voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van
                    de opstal.</al><al>Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien bijvoorbeeld
                    bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment
                    geen beroep op deze verordening worden gedaan.</al><al>Ad h</al><al>Indien blijkt dat het aanvragen van een voorziening het gevolg is van een
                    handelwijze die aangemerkt kan worden als een onvoldoende, tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid, wordt geen voorziening toegekend. Dit alles ter
                    voorkoming van misbruik en vanuit de gedachte dat men, ook indien er sprake is
                    van beperkingen, een zekere eigen verantwoordelijkheid heeft bij de realisering
                    van een normale deelname aan het maatschappelijke leven.</al><al>Ad i (voorheen h)</al><al>In artikel 2 Wmo staat vermeld dat er geen aanspraak op een voorziening is als
                    er recht op een voorziening op grond van een andere wettelijke regeling bestaat.
                    Omdat er zich situaties kunnen voordoen waarbij het recht op een voorziening dan
                    wel recht op vergoeding van een voorziening bestaat op grond van bijvoorbeeld
                    een verzekeringsovereenkomst is onder i de privaatrechtelijke verbintenis
                    opgenomen. Een voorbeeld: de scootmobiel, die gestald stond in de gang van de
                    woning, is door brand verloren gegaan. De vergoeding die op grond van de
                    brandverzekering wordt ontvangen, wordt geacht bestemd te zijn voor de aanschaf
                    van een nieuwe scootmobiel. Beschikt men overigens niet over een
                    brandverzekering, dan wordt vanwege tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid geen nieuwe voorziening toegekend of is de grond genoemd
                    onder g (van artikel 2 lid 2 van deze verordening) van toepassing.</al><al><vet>Hoofdstuk 2 Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen</vet></al><al><vet>Artikel 3 Keuzevrijheid</vet></al><al>De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij een aanspraak op een
                    individuele voorziening de keuze te bieden tussen een voorziening in natura, een
                    financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget, is niet absoluut (de
                    huidige redactie van artikel 6 van de wet kent momenteel slechts keuzevrijheid
                    ten aanzien van een voorziening in natura en een PGB. Daar uit de kamerstukken
                    op geen enkele wijze blijkt dat dit ook daadwerkelijk de bedoeling is geweest
                    van de wetgever (zie bijvoorbeeld artikel 5 van de wet) is tevens de financiële
                    tegemoetkoming opgenomen). Er kunnen overwegende bezwaren bestaan om niet over
                    te gaan tot verstrekking van een persoonsgebonden budget of financiële
                    tegemoetkoming. Het college kan regels stellen om af te wegen in welke gevallen
                    er sprake is van bezwaren van overwegende aard, die reden zijn om geen
                    persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming te verstrekken. Naast deze
                    keuzevrijheid bestaat er nog een tweede vorm van keuzevrijheid: namelijk de
                    vrijheid om bij hulp bij het huishouden in natura te kiezen uit meerdere
                    aanbieders. Dit wordt niet in deze verordening, maar in het Besluit nadere
                    regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Venlo en het Verstrekkingenboek
                    uitgewerkt.</al><al><vet>Artikel 4 Voorziening in natura</vet></al><al>Het doel van deze bepaling is het vastleggen van de rechten en plichten van het
                    college en de persoon met beperkingen. Deze bepaling ziet op de situatie waarin
                    het college een derde inschakelt voor verstrekking van naturavoorzieningen en
                    deze derde eigenaar blijft van de te verstrekken voorziening of wanneer het
                    college een derde inschakelt voor het verlenen van zorg. Als een voorziening in
                    eigendom wordt verstrekt is er uiteraard niet een dergelijke overeenkomst
                    nodig.</al><al><vet>Artikel 5 Financiële tegemoetkoming</vet></al><al>Om te waarborgen dat de verstrekte financiële tegemoetkoming wordt besteed aan
                    een noodzakelijke voorziening, en niet aan zaken die los staan van de doelen die
                    met de wet worden beoogd, kunnen bij beschikking voorwaarden worden verbonden
                    aan de verstrekking van een financiële tegemoetkoming op grond van de wet. Deze
                    bepaling, die moet worden bezien in relatie tot de bepalingen uit hoofdstuk 7
                    van deze verordening, biedt daartoe de mogelijkheid.</al><al><vet>Artikel 6 Persoonsgebonden budget</vet></al><al>Lid 1</al><al>Het persoonsgebonden budget dient gezien te worden als een manier waarop een
                    toegekende voorziening wordt verstrekt. De onder lid 1, onder a., van dit
                    artikel genoemde bepaling spreekt dan ook voor zich en sluit aan op de bepaling
                    in artikel 6 van de wet. Hierin is vastgelegd dat alleen bij toekenning van
                    individuele voorzieningen in beginsel de keuze voor een persoonsgebonden budget
                    moet worden geboden. Algemene voorzieningen vallen niet onder deze eis. Onder b.
                    is bepaald dat de hoogte van het persoonsgebonden budget is gekoppeld aan de
                    tegenwaarde van de te verstrekken goedkoopst adequate voorziening. Er moet
                    immers een referentiebedrag zijn, waarop het persoonsgebonden budget kan worden
                    gebaseerd.</al><al>“ Goedkoopst adequaat” is een objectief vaststelbaar referentiepunt. Voorts kan
                    een aanvullend bedrag worden vastgesteld voor de instandhoudingskosten van de
                    voorziening.</al><al>Voor de diverse soorten voorzieningen zal een nadere regeling moeten worden
                    gegeven in het WMO Besluit nadere regels maatschappelijke ondersteuning en het
                    Verstrekkingenboek gemeente Venlo, die door het college moeten worden
                    vastgesteld.</al><al>Lid 2</al><al>Bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van het persoonsgebonden
                    budget in de toekenningsbeschikking worden vastgelegd. Het gaat om de omvang
                    ervan (de hoogte van het budget), de periode, de wijze van uitbetaling en de
                    verplichtingen (voorwaarden). Het spreekt voor zich dat dergelijke beschikkingen
                    uiterst zorgvuldig worden geformuleerd.</al><al>Lid 3</al><al>In lid 3 is neergelegd de algemene eis dat er een programma van eisen wordt
                    vastgesteld, waarin wordt aangegeven aan welke eisen de met het persoonsgebonden
                    budget te verwerven voorziening moet voldoen. Dit programma wordt als bijlage
                    bij de toekenningsbeschikking gevoegd en wordt geacht onderdeel te zijn van de
                    beschikking. Het programma van eisen is dus een belangrijk document; als niet
                    aan het programma van eisen wordt voldaan kan dat gevolgen hebben voor de
                    afrekening van het toegekende budget.</al><al>Lid 4</al><al>De gemeente is zelf verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige besteding
                    van gelden op grond van de wet, en heeft ook zelf de bevoegdheid om vast te
                    stellen in hoeverre er wordt gecontroleerd of aanvragers hun persoonsgebonden
                    budgets besteden conform de toekenningsvoorwaarden. Het is dus aan de raad en
                    het college om te bepalen hoe die controle plaatsvindt en daarbij de afweging te
                    maken tussen volledige controle en steekproefsgewijze controle. In deze
                    verordening is de steekproefgewijze controle opgenomen, waarbij een bepaald
                    gedeelte van de toegekende persoongebonden budgetten wordt gecontroleerd via het
                    opvragen van gegevens bij de budgethouders. Mocht uit de controle blijken dat er
                    aanleiding is het toegekende persoonsgebonden budget van de budgethouder terug
                    te vorderen, dan dient, indien gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid tot
                    terugvorderen, de in hoofdstuk 7 genoemde procedure te worden gevolgd.</al><al><vet>Artikel 7 Eigen bijdragen en eigen aandeel</vet></al><al>Artikel 15 van de wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking van voorzieningen
                    in natura of een persoonsgebonden budget eigen bijdragen te vragen. Artikel 19
                    van de wet biedt de mogelijkheid de hoogte van financiële tegemoetkomingen af te
                    stemmen op het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt
                    verleend: het zogeheten eigen aandeel. In dit artikel stelt de raad vast van de
                    mogelijkheden, zoals genoemd in artikel 15 lid 1 en 19 lid 1 van de wet, gebruik
                    te maken. Bovendien wordt bepaald dat de hoogte van de eigen bijdrage en het
                    eigen aandeel wordt vastgesteld op grond van de parameters die in het Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning staan vermeld.</al><al><vet>Hoofdstuk 3 Hulp bij het huishouden</vet></al><al><vet>Artikel 8 Vormen van hulp bij het huishouden</vet></al><al>In artikel 4 lid 1 van de wet wordt het college opgedragen om voorzieningen aan
                    te bieden ter ondersteuning van het voeren van een huishouden. In deze
                    verordening wordt dit onderdeel opgesplitst in twee onderdelen. In hoofdstuk 3
                    van deze verordening gaat het om de voorziening “ hulp bij het huishouden” , in
                    hoofdstuk 4 om “ woonvoorzieningen” . Bij het interpreteren van het begrip “
                    voeren van een huishouden” is er van uitgegaan dat een persoon pas behoefte kan
                    hebben aan hulp bij het huishouden indien dat huishouden in een voor hem
                    geschikte woning is gesitueerd. Vandaar dat de onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten bestaande woonvoorzieningen onder dit begrip zijn gebracht. Onder
                    de AWBZ werd gesproken van de functie huishoudelijke verzorging. Om aan te geven
                    dat onder de Wmo sprake is van een eigen begrip wordt in deze verordening het
                    begrip ‘ hulp bij het huishouden’ geïntroduceerd. Hulp bij het huishouden kan in
                    vier vormen als voorziening worden aangeboden. Onder a. wordt genoemd de
                    algemene voorziening; een snelle en eenvoudige dienstverleningsoplossing zonder
                    veel administratieve rompslomp voor gemeente en aanvrager. Gedacht moet worden
                    aan vormen van direct beschikbare hulp bij het huishouden vanuit bijvoorbeeld
                    een wijksteunpunt, met name voor eenvoudige werkzaamheden, al dan niet op basis
                    van een kortdurende hulpbehoefte. Onder b. wordt genoemd de hulp bij het
                    huishouden in natura. Ook hier gaat het om een vorm van persoonlijke
                    dienstverlening, net als bij de onder a. genoemde vorm. Het verschil zit echter
                    in de toekenningsprocedure, die meer op de persoon is afgestemd, en in de regel
                    meer geschikt zal zijn voor de wat grotere en langduriger behoefte aan hulp.
                    Onder c. is genoemd het persoonsgebonden budget (PGB) voor hulp bij het
                    huishouden. Met dit PGB moet de aanvrager zelf hulp inhuren. De onder d.
                    genoemde financiële tegemoetkoming zal zelden worden verstrekt en is opgenomen
                    uit het oogpunt van volledigheid. Op basis van nadere regelgeving (in de vorm
                    van de beleidsregel gebruikelijke zorg en de beleidsregel hulp bij het
                    huishouden) zal moeten blijken of deze voorziening betrekking heeft op de
                    situatie waarin de aanvrager hulp vraagt.</al><al><vet>Artikel 9 Primaat van de algemene hulp bij het huishouden</vet></al><al>In artikel 9 lid 1 wordt geregeld onder welke basisvoorwaarden men gebruik kan
                    maken van een algemene voorziening voor hulp bij het huishouden, indien deze in
                    de gemeente voorhanden is. In aanmerking komen in eerste instantie personen met
                    een aantoonbare beperking, chronisch psychisch probleem of psychosociaal
                    probleem. In het kader van de zogenaamde respijtzorg kan eveneens hulp bij het
                    huishouden mogelijk zijn. Hierbij moet men denken aan de situatie dat de
                    mantelzorger die hulp bij het huishouden verleent, hiertoe tijdelijk niet in
                    staat is. Het is daarbij niet de bedoeling van de wetgever dat het huishouden
                    van de mantelzorger wordt overgenomen, maar overname van het huishouden van
                    degene die de mantelzorg ontvangt is wel degelijk mogelijk.</al><al>Lid 2 regelt het primaat van de algemeen aangeboden hulp bij het huishouden. Dat
                    houdt in dat in eerste instantie wordt bezien of deze vorm van hulp bij het
                    huishouden het probleem op adequate wijze kan oplossen. Als de in het vorige lid
                    genoemde algemene voorziening onvoldoende adequaat is of niet aanwezig is en aan
                    de in onderdeel a genoemde basisvoorwaarde is voldaan, komt de individuele
                    voorziening voor hulp bij het huishouden aan de orde. Lid 2 moet dus in
                    samenhang met lid 1 worden gelezen. De individuele voorziening kan bestaan uit
                    een voorziening in natura, een persoongebonden budget of een financiële
                    tegemoetkoming. Het college bepaalt wanneer iemand voor een persoonsgebonden
                    budget in aanmerking kan komen. De criteria zijn vastgelegd in het Besluit
                    nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Venlo.</al><al><vet>Artikel 10 Gebruikelijke zorg</vet></al><al>Bij het vaststellen van de aanspraak op hulp bij het huishouden wordt allereerst
                    bezien of en in hoeverre eventueel andere huisgenoten de problemen kunnen
                    oplossen. Deze ontwikkeling is al onder de AWBZ-indicatiestelling in gang gezet
                    vanaf het midden van de jaren ’ 90 van de vorige eeuw. Voorzover de ondervonden
                    problemen door middel van dergelijke gebruikelijke zorg kunnen worden opgelost,
                    is er geen aanspraak op hulp bij het huishouden. In de door het college
                    vastgestelde Beleidsregel gebruikelijke zorg en de Beleidsregel hulp bij het
                    huishouden is bepaald dat er rekening wordt gehouden met gebruikelijke zorg bij
                    het vaststellen van een aanspraak op een voorziening voor hulp bij het
                    huishouden.</al><al><vet>Artikel 11 Omvang van de hulp bij het huishouden</vet></al><al>In de AWBZ werd tot de invoering van de wet geïndiceerd in klassen. Klassen zijn
                    te vergelijken met standaardporties. Elke klasse is gekoppeld aan minimaal en
                    een maximaal aantal uren per week binnen een vaste bandbreedte. Indien men
                    bijvoorbeeld een indicatie heeft voor 1,5 uur hulp, wordt men ingedeeld in
                    klasse 1. Mocht de behoefte aan hulp van de aanvrager enigszins stijgen of dalen
                    binnen de bandbreedte van de toegekende klasse, dan hoeft daarvoor niet opnieuw
                    geïndiceerd en beschikt te worden. Voor de gemeente is dat een administratief
                    voordeel, voor aanvragers ook. Materieel kan het voor aanvragers binnen de
                    speelruimte van de klasse echter enigszins negatief of positief uitpakken,
                    afhankelijk van de daadwerkelijk noodzakelijke uren zorg. Als die zorgbehoefte,
                    uitgedrukt in uren, zich onderaan de bandbreedte bevindt, is men voordelig uit;
                    is de behoefte aan uren gelegen vlak onder het plafond van de klasse, is het
                    voordeel minder. Zolang de objectief vastgestelde behoefte echter binnen de
                    bandbreedte blijft, is er sprake van een toereikende voorziening. Voor zover
                    hulp bij de huishouding nodig is die klasse 6 overstijgt is het mogelijk
                    additionele uren aan deze hoogste klasse toe te voegen. In het Besluit nadere
                    regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Venlo wordt door het college het
                    daarbij passende uurbedrag vastgelegd.</al><al><vet>Artikel 12 Omvang van het persoonsgebonden budget</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich en sluit aan bij artikel 11. Jaarlijkse
                    vastlegging houdt verband met prijsindexering, zoals genoemd in artikel 41 van
                    deze verordening.</al><al><vet>Hoofdstuk 4 Woonvoorzieningen</vet></al><al><vet>Artikel 13 Vormen van woonvoorzieningen</vet></al><al>De woonvoorziening kan worden verstrekt in vier hoofdvormen:</al><lijst><li nr="Ad"><al>a. de algemene woonvoorziening. Hierbij moet worden gedacht aan een
                            mogelijkheid om snel oplossingen voor vaak minder complexe woonproblemen
                            te krijgen. Hierbij moet worden gedacht aan klussendiensten, snel
                            beschikbare voorzieningen uit depot en mogelijk andere, nog te
                            ontwikkelen voorzieningen;</al></li><li nr="Ad"><al>b. een woonvoorziening in natura. Dergelijke woonvoorzieningen worden in
                            bruikleen of eigendom verstrekt, bijvoorbeeld de losse tillift of een
                            douchestoel;</al></li><li nr="Ad"><al>c. het persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="Ad"><al>d. de financiële tegemoetkoming. Deze financiële tegemoetkoming wordt
                            genoemd in de artikelen 5 en 19 van de wet. Nadere regels staan
                            uitgewerkt in het Besluit nadere regels maatschappelijke ondersteuning
                            en het Verstrekkingenboek gemeente Venlo.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 14 Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op individuele
                        woonvoorzieningen.</vet></al><al>In eerste instantie zal worden bezien of een woonprobleem kan worden opgelost
                    met een algemene voorziening. Deze voorziening heeft voorrang bij het zoeken
                    naar een oplossing voor een voor de wet relevant woonprobleem, dus een probleem
                    bij het normale gebruik van de woning, zie de toelichting op het amendement dat
                    leidde tot artikel 4 van de wet (amendement Miltenburg c.s., 30 131, nr. 65).
                    Als een algemene voorziening niet volstaat als oplossing ofwel niet aanwezig is
                    in de gemeente en sprake is van beperkingen, chronisch psychische problemen of
                    psychosociale problemen het normale gebruik van de woning en/of voeren van een
                    huishouden belemmeren, moet het probleem door middel van een individuele
                    voorziening worden opgelost; dat kan zijn een woonvoorziening in natura, een
                    persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming.</al><al><vet>Artikel 15 Soorten individuele woonvoorzieningen</vet></al><al>Ad a</al><al>Het college kan besluiten om een financiële tegemoetkoming te verstrekken in de
                    verhuis- en inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste of een
                    goedkoper aan te passen woning dan de reeds bewoonde woning. Het college maakt
                    de afweging tussen verstrekking van een financiële tegemoetkoming in de
                    verhuiskosten en het verstrekken van een bouwkundige of woontechnische
                    woonvoorziening. Een woonvoorziening, en dus ook een verhuiskostenvergoeding is,
                    volgens de WVG-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, alleen bedoeld
                    voor situaties waarin de ondervonden problemen in direct oorzakelijk verband
                    staan met bouwkundige of woontechnische aspecten van de te verlaten woning
                    zelf.</al><al>Omgevingsfactoren als lawaai, stank, onveiligheidsgevoelens, overlast etcetera
                    zijn dus niet van belang. Uitgangspunt van het gemeentelijke beleid is dat zo
                    goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van de voorraad aangepaste woningen in de
                    gemeente.</al><al>Ad b en c</al><al>Een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening is een aanpassing van de
                    woning zelf, ter compensatie van de problemen die in de woning spelen ten
                    aanzien van de bewoner met een beperking. Onder een woonvoorziening waarbij geen
                    sprake is van een ingreep van bouw- of woontechnische aard zal in de praktijk
                    met name een voorziening voor woningsanering in verband met CARA verstaan
                    worden. Ook kan onder deze categorie worden begrepen hulpmiddelen voor baden,
                    wassen en douchen welke niet nagelvast aan de woning zijn bevestigd, alsmede
                    mobiele patiëntenliften.</al><al>Bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen worden verstrekt in de vorm van
                    een financiële tegemoetkoming. Een uitzondering geldt voor de traplift die in
                    natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt.
                    Niet-bouwkundige of nietwoontechnische woonvoorzieningen worden verstrekt in de
                    vorm van een financiële tegemoetkoming.</al><al>Ad d</al><al>Omdat met de Wet maatschappelijke ondersteuning niet wordt beoogd om het
                    inhoudelijke beleidsterrein ten opzichte van de vervallen Wet voorzieningen
                    gehandicapten te verbreden, noch om dat te versmallen, is de uitraasruimte als
                    woonvoorziening opgenomen. Een uitraasruimte is een ruimte die op basis van het
                    vervallen artikel 1, lid 1, onder e. van de Wet voorzieningen gehandicapten kan
                    worden gedefinieerd als een verblijfsruimte, waarin een persoon die tengevolge
                    van een beperking in de vorm van een ernstige gedragsstoornis ernstig ontremd
                    gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Een zeer specifieke
                    voorziening derhalve, die alleen op basis van een specifieke noodzaak en op
                    basis van een specifieke beperking kan worden verstrekt. Het zal in de regel
                    gaan om een kleine, veilige en prikkelarme ruimte.</al><al>De uitraasruimte wordt verstrekt in de vorm van een financiële
                    tegemoetkoming.</al><al>Ad e t/m g</al><al>Bij onderhoud, keuring en reparatie (e) moet worden gedacht aan voorzieningen
                    die (elektrisch) beweegbaar zijn en waar om die reden slijtage kan optreden
                    waardoor de veiligheid van het gebruik van de voorziening niet langer kan worden
                    gegarandeerd. Er wordt hierbij voornamelijk gedacht aan liften, automatische
                    deuropeners en (elektrische) beweegbare keukens. Het gaat bij onderhoud, keuring
                    en reparatie om verstrekking in natura of in de vorm van een persoonsgebonden
                    budget.</al><al>Met f. (tijdelijke huisvesting) worden die gevallen bedoeld waarin de
                    gehandicapte tijdens het aanbrengen van de voorziening niet in de woonruimte kan
                    blijven wonen en om deze reden tijdelijk naar een andere woonruimte moet
                    uitwijken. Er kan voor de periode dat dit noodzakelijk is een vergoeding in de
                    dubbele woonlasten worden verstrekt. Met een vergoeding voor huurderving (g) aan
                    de eigenaar van de woning kan worden bevorderd dat de aangepaste woonruimte
                    beschikbaar blijft voor gehandicapten. De in f en g genoemde voorzieningen
                    worden verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming.</al><al><vet>Artikel 16 Primaat van de verhuizing</vet></al><al>Al onder de Wet voorzieningen gehandicapten gold de regel dat bij een aanvraag
                    voor een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening of niet-bouwkundige of
                    nietwoontechnische woonvoorziening eerst werd bezien of verhuizing naar een
                    andere woning een oplossing kon bieden. Dit is het zogenaamde primaat van de
                    verhuizing. In feite gaat het om een uitwerking van de regel dat in beginsel
                    wordt gekozen voor de goedkoopst adequate voorziening. De mogelijkheid tot het
                    hanteren van het primaat van de verhuizing is onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten in de jurisprudentie erkend, zij het dat wel enkele duidelijke
                    voorwaarden zijn gesteld. In de eerste plaats moeten de financiële gevolgen van
                    de verhuizing voor de woonlasten binnen aanvaardbare financiële grenzen vallen,
                    een eis die ook onder de wet gesteld kan worden. Verder moet duidelijk zijn dat
                    de oplossing in de vorm van een verhuizing kan worden gerealiseerd binnen een
                    uit het advies blijkende medisch verantwoorde termijn.</al><al>Dat houdt dus in dat het college zicht moet hebben op de woningvoorraad om een
                    indicatie te kunnen geven van de mogelijkheden om binnen die medisch
                    verantwoorde termijn te kunnen verhuizen naar een geschikte aangepaste of
                    goedkoper aan te passen woning. Hierover zijn werkafspraken gemaakt met de
                    woningcorporaties. Ook binnen de koop en particuliere huursector wordt door
                    bemiddeling van de gemeente (waar mogelijk) gewerkt met het primaat van
                    verhuizing. Ook diverse andere relevante aspecten, nader uit te werken in het
                    verstrekkingenboek, kunnen, afhankelijk van de situatie een rol spelen bij de
                    afweging omtrent het toepassen van het primaat van de verhuizing in een concreet
                    geval.</al><al>In lid 3 is geregeld wanneer een persoon met beperkingen in aanmerking kan
                    worden gebracht voor een uitraasruimte. Dit lid is ontleend aan de definitie van
                    uitraasruimte, zoals die was opgenomen in de Wet voorzieningen
                    gehandicapten.</al><al><vet>Artikel 17 Primaat van de losse woonunit</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Artikel 18 Uitsluitingen</vet></al><al>Een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming voor het treffen
                    van voorzieningen wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als
                    zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de huurtoeslag ook als
                    zodanig aangemerkt worden.</al><al>Een uitzondering zijn aanpassingen aan woonschepen en binnenschepen; deze komen
                    weinig voor en worden apart geregeld in het verstrekkingenboek. Verder worden
                    geen woonvoorzieningen verstrekt in gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen
                    voor ouderen of gehandicapten of voorzieningen die in dergelijke gebouwen, ook
                    in de wooneenheden, bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten
                    kunnen worden meegenomen. Of woongebouwen voor gehandicapten- en/of ouderen zijn
                    bedoeld, blijkt niet alleen uit de bestemming, maar ook uit de bewoners zelf.
                    Indien een gebouw voornamelijk bewoond wordt door ouderen en/of gehandicapten
                    wordt die bestemming aangenomen. Dit is het geval wanneer meer dan de helft van
                    de bewoners ouder is dan 55 jaar en/of ergonomisch beperkingen heeft.</al><al><vet>Artikel 19 Hoofdverblijf</vet></al><al>In tegenstelling tot de Wet voorzieningen gehandicapten wordt in de wet niet
                    expliciet vermeld dat de gemeentelijke compensatieplicht alleen geldt voor de
                    inwoners van de gemeente.</al><al>Artikel 11 van de wet geeft echter wel een aanwijzing in die richting door
                    vermelding van “ ingezetenen” , mede gezien het feit dat er met de wet geen
                    inhoudelijke uitbreiding van de werking van de Wet voorzieningen gehandicapten
                    is beoogd.</al><al>In eerste instantie geeft de gemeentelijke basisadministratie uitsluitsel. Voor
                    bepaalde gezondheidszorginstellingen geldt dat de bewoners een briefadres elders
                    kunnen aanhouden.</al><al>De gemeente waar de aanvrager van de voorziening daadwerkelijk verblijft, heeft
                    de verplichting tot compensatie van beperkingen. In het geval van AWBZ-bewoners
                    heeft deze verplichting geen betrekking op de woonvoorzieningen. Het is
                    noodzakelijk de zinsnede 'of zal hebben' op te nemen voor situaties waarin de
                    persoon met beperkingen naar een andere gemeente wil verhuizen en in die
                    gemeente een woning wil laten bouwen of aanpassen voordat deze daadwerkelijk
                    wordt betrokken. Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren AWBZ-bewoners
                    uitgesloten van het recht op woonvoorzieningen. Een bovenwettelijke uitzondering
                    hierop werd door gemeenten gemaakt voor het zogenaamde bezoekbaar maken van een
                    woning voor bezoek aan ouders of andere familieleden. Deze uitzondering was
                    gebaseerd op de verordening. Omdat met de wet niet wordt beoogd om de omvang van
                    de onder de Wet voorzieningen gehandicapten geregelde zorgplicht in te krimpen
                    of uit te breiden, is de optie van het bezoekbaar maken ook weer in de
                    verordening opgenomen in artikel 19. Verdere verplichtingen dan hier genoemd in
                    de verordening heeft de gemeente derhalve niet.</al><al>“ Bezoekbaar maken” wordt in de verordening daarom gelimiteerd tot het
                    bereikbaar maken van de woning zelf en enkele essentiële ruimten daarin, en kan
                    bovendien in financiële zin worden gemaximeerd, zie lid 4. Onder de Wet
                    voorzieningen gehandicapten werd hiervoor vaak wordt een bedrag gehanteerd dat
                    gelijk was aan het bedrag voor een verhuiskostenvergoeding.</al><al><vet>Artikel 20 Geen recht op een woonvoorziening</vet></al><al>Om in aanmerking te komen voor woonvoorzieningen moet er een duidelijke
                    samenhang zijn tussen de ondervonden woonproblemen en de beperking die men
                    heeft. Er moet sprake zijn van een belemmering bij het normale gebruik van de
                    woning ten gevolge van ziekte of gebrek.</al><al>Aanvragen voor woonvoorzieningen die hun oorzaak vinden in andere factoren dan
                    die beperking, kunnen worden geweigerd op grond van artikel 20.</al><al>Ad a</al><al>Onder a. wordt de verhuizing naar een inadequate woning genoemd als
                    weigeringsgrond voor woonvoorzieningen. Niet de ondervonden beperking, maar de
                    verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de
                    ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties
                    waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden, maar gewoon omdat men daar
                    zin in heeft. Uitzondering in deze bepaling is de zogeheten “ belangrijke reden”
                    . Daarbij moet gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk
                    of het aanvaarden van werk elders.</al><al>Ad b</al><al>Als een persoon met beperkingen verhuist, zal deze, in relatie tot die
                    beperkingen, moeten zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de
                    bedoeling dat men zo maar een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening
                    voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “ verhuizen” wordt hier overigens
                    niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare
                    handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan een verhuizing, zoals het
                    tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract, zie ook artikel 19, lid 1,
                    waarin wordt bepaald dat het gaat om een situatie waarin men in de betreffende
                    woning “ zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben” . Voor de toepassing van deze
                    weigeringsgrond is het belangrijk dat de gemeente zicht heeft op de aangepaste
                    of eenvoudig aan te passen woningvoorraad. Daarnaast zal de gemeente haar
                    burgers goed moeten informeren over de gang van zaken bij dit soort
                    verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat iemand al dan niet is
                    verhuisd naar de voor zijn situatie meest geschikte woning.</al><al>Ad c</al><al>Op basis van het feit dat voorzieningen op grond van de wet in hoofdzaak zijn
                    gericht op het individu, worden in beginsel geen voorzieningen in
                    gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen verstrekt. Evenals onder de Wet
                    voorzieningen gehandicapten gold, zijn er uitzonderingen gemaakt voor de in de
                    verordening genoemde voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten. De opsomming
                    is limitatief, dat wil zeggen dat er niet meer hoeft te worden verstrekt dan er
                    in de verordening is genoemd.</al><al>Ad d</al><al>Onder d. wordt met name gedoeld op verhuiskostenvergoedingen; veel verhuizingen
                    zijn als algemeen gebruikelijk te beschouwen, ook los van de beperking die men
                    heeft. Te denken valt aan verhuizing van senioren naar een kleinere woning,
                    omdat de eengezinswoning te bewerkelijk is geworden en kinderen reeds
                    zelfstandig wonen.</al><al>Ad e</al><al>Verhuizingen naar AWBZ- en andere zorginstellingen leiden ertoe dat de aanvrager
                    buiten de doelgroep van de wet valt; deze mensen kunnen immers niet meer
                    zelfstandig participeren, en hebben dus geen aanspraak op woonvoorzieningen, ook
                    al omdat ze die onder de Wvg ook al niet hadden. Als er in de te verlaten woning
                    geen problemen bij het normale gebruik van de woning werden ervaren, is de
                    verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men
                    verhuisd naar een inadequate woning. In dergelijke situaties is er, evenals
                    onder de Wet voorzieningen gehandicapten geen aanspraak op
                    verhuiskostenvergoeding, hetgeen al meermaals door de Centrale Raad van Beroep
                    is bevestigd.</al><al>Ad f en g</al><al>Op basis van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep heeft, in het kader
                    van de Wvg, een nadere begrenzing van het begrip “ medische noodzaak” bij
                    woonvoorzieningen plaatsgevonden. In diverse uitspraken werd door de Centrale
                    Raad geconstateerd dat dit begrip in de praktijk een te ruime uitleg kreeg,
                    daarom werd een aanvullend vereiste geformuleerd. Van beperkingen in de zin van
                    de Wvg (artikel 1 lid 1 aanhef en onder c) is alleen dan sprake indien:</al><al>een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden (naar
                    objectieve medische maatstaf aanwezige) beperkingen en een of meer bouwkundige
                    of woontechnische kenmerken van de door de gehandicapte bewoonde woning en;</al><al>de beperkingen in de woning zelf (waaronder ook de toegankelijkheid van de
                    woning moet worden begrepen) worden ondervonden.</al><al>Omdat met de wet niet wordt beoogd om de omvang van de onder de Wet
                    voorzieningen gehandicapten geregelde zorgplicht in te krimpen of uit te
                    breiden, is deze jurisprudentie onder f. en g. verwerkt.</al><al><vet>Artikel 21 Terugbetaling bij verkoop</vet></al><al>De verordening Wet voorzieningen gehandicapten bevatte een zogenaamde
                    antispeculatiebepaling.</al><al>Deze bepaling komt in deze verordening terug en heeft als doel het door de
                    eigenaar laten terugbetalen van een deel van de waardestijging die het gevolg is
                    van de aanpassing van de eigen woning op grond van de wet. De datum van de
                    verkoop is daarbij bepalend, omdat op die datum al vaststaat wat de verkoopprijs
                    van de woning en wat de meerwaarde ten gevolge van de aanpassing is. Het is aan
                    het college om te bepalen of en in hoeverre in een concrete situatie gebruik van
                    deze bepaling wordt gemaakt, aangezien er een afweging dient plaats te vinden
                    tussen de kosten van het effectueren van deze bepaling (taxatie, administratieve
                    lasten) in relatie tot de te verwachten baten.</al><al><vet>Artikel 22 Tijdelijke huisvesting</vet></al><al>In die gevallen waarin de belanghebbende tijdens het aanbrengen van de
                    voorziening niet in de woonruimte kan blijven wonen en om deze reden tijdelijk
                    naar een andere woonruimte moet uitwijken, kan voor de periode dat dit
                    noodzakelijk is een financiële tegemoetkoming in de dubbele woonlasten worden
                    verstrekt. Alleen in die gevallen dat het redelijkerwijs buiten de mogelijkheden
                    van de belanghebbende ligt om te voorkomen dat er dubbele woonlasten opgebracht
                    moeten worden, kan tot het verstrekken van een financiële tegemoetkoming voor
                    extra woonlasten in verband met tijdelijke huisvesting worden overgegaan.
                    Aangezien sprake is van woonlasten voor twee woningen, dient voor de bepaling
                    van de hoogte van de tegemoetkoming de huur van de woning die de belanghebbende
                    werkelijk bewoont als uitgangspunt.</al><al><vet>Artikel 23 Huurderving</vet></al><al>Door de eigenaar van de woning een voorziening voor huurderving te verlenen kan
                    worden bevorderd dat de aangepaste woning beschikbaar blijft voor de doelgroep
                    personen met beperkingen. Het normale risico van leegstand blijft voor rekening
                    en risico van de eigenaar.</al><al>Daarom kan het college geen voorziening voor huurderving verlenen over de eerste
                    maand van huurderving.</al><al><vet>Hoofdstuk 5 Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</vet></al><al><vet>Artikel 24 Vormen van te verstrekken voorzieningen</vet></al><al>Ad a</al><al>De collectieve vervoersvoorziening is al bekend in de vorm van het collectief
                    vraagafhankelijk vervoer, zoals dat zich vanaf 1994 onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten heeft ontwikkeld.</al><al>Ad b</al><al>Individuele voorzieningen in natura kunnen bestaan uit een diversiteit van
                    vervoermiddelen, evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten. Deze zijn in
                    het verstrekkingenboek nader uitgewerkt.</al><al>Ad c</al><al>Belangrijkste aanvulling ten opzichte van de Wet voorzieningen gehandicapten is
                    het persoonsgebonden budget. De vaststelling van de hoogte van het
                    persoonsgebonden budget door het college wordt in het Besluit nadere regels
                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Venlo uitgewerkt.</al><al>Ad d</al><al>Hier wordt bedoeld een financiële tegemoetkoming die iemand kan krijgen als het
                    gebruik van collectief vraagafhankelijk vervoer niet mogelijk is (primaat). Met
                    dit bedrag kan iemand alternatief vervoer regelen. Hiermee worden de individuele
                    vervoersvoorzieningen bedoeld, die staan vermeld in artikel 27 lid 2
                    Wmo-verordening.</al><al><vet>Artikel 25 Het recht op een algemene voorziening</vet></al><al>Door deze formulering is bepaald dat louter de beperkingen, chronisch psychische
                    problemen of psychosociale problemen van de persoon in relatie tot de
                    beperkingen van de bestaande vervoerssystemen bepalend zijn voor de vraag of, en
                    zo ja in hoeverre de aanvrager in aanmerking komt voor een voorziening
                    terzake.</al><al>Algemeen criterium om in aanmerking te kunnen komen voor een vervoermiddel is
                    het ten gevolge van een beperking niet kunnen gebruiken van het openbaar
                    vervoer. Die regel stamt uit de aan de Wet voorzieningen gehandicapten
                    voorafgaande AAW, en wordt in de praktijk beoordeeld door te kijken naar de
                    loopafstand van een aanvrager (de bekende 800 meter grens).</al><al><vet>Artikel 26 Primaat van het collectief vervoer</vet></al><al>Dit artikel geeft het primaat van de algemene voorzieningen aan boven de
                    individuele verstrekkingen zoals genoemd in artikel 24 onder b., c. en d. Nadere
                    uitwerking van de individuele vervoersvoorzieningen vindt plaats in artikel 27
                    van de verordening. Men kan voor individuele verstrekkingen in aanmerking
                    komen:</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen, chronisch psychische problemen of psychosociale
                            problemen het gebruik van het openbaar vervoer of het bereiken van het
                            openbaar vervoer onmogelijk maken.</al></li><li nr="b."><al>indien men door de aard van de beperking geen gebruik kan maken van een
                            collectieve vervoersvoorziening of;</al></li><li nr="c."><al>indien er geen algemene voorziening aanwezig is.</al></li></lijst><al>Individuele voorzieningen kunnen echter ook in aanvulling op het gebruik van een
                    collectief systeem verstrekt kunnen worden. Dit is het geval wanneer het
                    collectieve systeem de vervoersbehoefte van de aanvrager die een aanspraak heeft
                    niet volledig dekt.</al><al>Dit is volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de Wet
                    voorzieningen gehandicapten van bijzonder belang bij mensen die slechts zeer
                    beperkt mobiel zijn (mensen met een loopafstand van maximaal circa 100 meter).
                    Alleen collectief vervoer is voor deze categorie mensen geen adequate
                    voorziening. In artikel 26 lid 2 van de verordening staan vermeld welke
                    voorzieningen bedoeld worden.</al><al><vet>Artikel 27 Soorten individuele voorzieningen en algemeen gebruikelijk</vet></al><al>In lid 1 en 2 zijn, overeenkomstig de Wet voorzieningen gehandicapten, de
                    diverse soorten individuele vervoersvoorzieningen omschreven. Nadere regels zijn
                    uitgewerkt in het Besluit nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente
                    Venlo en het verstrekkingenboek maatschappelijk ondersteuning gemeente Venlo.
                    Onder de Wet voorzieningen gehandicapten is in de rechtspraak van de Centrale
                    Raad van Beroep bepaald dat het stellen van een inkomensgrens voor
                    vervoersvoorziening bij een inkomen van 1,5 x het norminkomen niet in strijd was
                    met de geldende zorgplicht. Iemand met een dergelijk inkomen wordt geacht de
                    kosten van het lokaal vervoer of van het bezit en gebruik van een auto zelf te
                    kunnen dragen.</al><al>Het gaat hierbij om de in artikel 27 lid 3 van de verordening genoemde
                    individuele vervoersvoorzieningen. Deze worden niet verstrekt bij een inkomen
                    dat hoger is dan 1,5 x het norminkomen. Er is een duidelijke relatie met het
                    begrip “ algemeen gebruikelijk” ; indirect worden de kosten van vervoer in
                    relatie tot het inkomen algemeen gebruikelijk geacht. De begrippen
                    inkomensgrens, norminkomen en inkomen zijn uitgewerkt in artikel 1 van de
                    verordening.</al><al><vet>Artikel 28 Omvang in gebied</vet></al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten is de zorgplicht voor vervoer beperkt
                    tot verplaatsingen in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of
                    leefomgeving; de wet spreekt nu in artikel 4 lid 1, onder c. over “ het zich
                    lokaal verplaatsen per vervoermiddel”.</al><al>Dit lijkt nog beperkter te zijn dan de zorgplicht onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten, maar aangezien met de Wet maatschappelijke ondersteuning niet is
                    beoogd de reikwijdte van de Wet voorzieningen gehandicapten te beperken of uit
                    te breiden, is er geen reden om aan te nemen dat de alleen de letterlijk lokale
                    verplaatsingen onder de wet zullen vallen. Vandaar dat in artikel 28, conform de
                    onder de Wet voorzieningen gehandicapten gevormde jurisprudentie, wordt
                    uitgegaan van de eigen woon- of leefomgeving, met als uitzondering de
                    bovenregionale zorgplicht, zoals die ook in de WVG-jurisprudentie is
                    omschreven.</al><al><vet>Hoofdstuk 6 Verplaatsen in en rond de woning</vet></al><al><vet>Artikel 29 Vormen van rolstoelvoorzieningen</vet></al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren rolstoelen in de wet zelf als
                    aparte categorie voorzieningen opgenomen. In de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning is dat niet het geval, maar aangezien met deze wet niet wordt
                    beoogd het beleidsterrein ten opzichte van de voorafgaande Wet voorzieningen
                    gehandicapten te verbreden of te versmallen, wordt de rolstoel gehandhaafd als
                    de voorziening waarmee beperkingen bij het verplaatsen in en rond de woning in
                    het kader van de wet gecompenseerd kunnen worden. De rolstoel kan zowel
                    handbewogen als elektrisch aangedreven zijn. Een (elektrische) trippelstoel
                    wordt niet als rolstoel beschouwd en wordt niet op grond van de wet verstrekt.
                    De trippelstoel valt onder de door de Regeling Zorgverzekering te verstrekken
                    voorzieningen. Een rolstoel kan zowel worden gebruikt als een
                    verplaatsingsmiddel voor binnen als voor buiten. Primair doel van de rolstoel is
                    het zittend verplaatsen, omdat lopend verplaatsen, ook met op grond van andere
                    regelingen te verstrekken voorzieningen als looprekken, rollators, wandelstokken
                    en krukken niet of onvoldoende mogelijk is. Kosten van onderhoud en reparatie
                    van de rolstoel vallen eveneens onder de wet.</al><al>Voorzieningen die geen verband houden met het genoemde primaire
                    verstrekkingsdoel, het verplaatsen, omdat ze nodig zijn in verband met
                    therapeutische doeleinden, worden niet op grond van de wet verstrekt. Hierbij
                    valt te denken aan aanpassingen voor het gebruik van zuurstofapparatuur en
                    andere aanpassingen. Bij accessoires gaat het uiteraard alleen om medisch
                    noodzakelijke en niet-algemeen gebruikelijke zaken. De sportrolstoel valt in het
                    kader van deze verordening onder het begrip rolstoel. Onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten was de sportrolstoel, meestal verstrekt in de vorm van een
                    financiële tegemoetkoming, een bovenwettelijke voorziening die alleen op basis
                    van de verordening werd verstrekt.</al><al>Bij artikel 29 is gekozen voor de mogelijkheden een rolstoel in de vorm van een
                    algemene voorziening te verstrekken als het gaat om een rolstoel voor
                    incidenteel gebruik. Deze rolstoelen voor incidenteel gebruik hoefden onder de
                    Wet voorzieningen gehandicapten formeel niet te worden verstrekt, hoewel dat in
                    de praktijk wel vaak gebeurde. Deze optie geeft een regeling waarbij wel
                    incidenteel noodzakelijke rolstoelen worden verstrekt, maar dan via een algemene
                    rolstoelvoorziening.</al><al>Dit is geregeld onder a. Het betreft dan situaties waarbij soms een rolstoel
                    nodig is, terwijl het dagelijks verplaatsen in en om de woning zonder rolstoel
                    plaatsvindt. Het recht op een dergelijke rolstoel kan in die situaties ingevuld
                    worden via een rolstoelpool waarop de betrokkene een beroep op kan doen.
                    Hierdoor wordt voorkomen dat een groot aantal rolstoelen weinig frequent wordt
                    gebruikt. De rolstoelen uit de rolstoelpool worden daarentegen wel frequent
                    gebruikt. Uiteraard moet het daadwerkelijk mogelijk zijn een rolstoel uit de
                    pool te lenen.</al><al><vet>Artikel 30 Primaat algemene rolstoelvoorziening incidenteel gebruik en
                        sportrolstoel</vet></al><al>In dit artikel is geregeld dat een persoon als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder
                    g onderdeel 5 en 6 van de wet voor een rolstoel uit een rolstoelpool in
                    aanmerking kan komen als het gaat om incidenteel gebruik van de rolstoel,
                    terwijl een rolstoel in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget
                    verstrekt zal worden als de rolstoel voor het dagelijks zittend verplaatsen in
                    en om de woning langdurig medisch noodzakelijk is. Geen rolstoel wordt verstrekt
                    als hulpmiddelen als krukken, een rollator, of andere hulpmiddelen een voldoende
                    oplossing bieden voor het verplaatsingsprobleem. Wel kan, als dit noodzakelijk
                    is, een rolstoel verstrekt worden in aanvulling op dergelijke voorzieningen,
                    mits het gebruik dagelijks noodzakelijk is. Zolang er geen rolstoelpool is,
                    wordt ook bij incidenteel zittend gebruik een voorziening in natura of
                    persoonsgebonden budget verstrekt.</al><al>Een sportrolstoel, in principe altijd te verstrekken als een financiële
                    tegemoetkoming, zal verstrekt worden als zonder de sportrolstoel sportbeoefening
                    niet mogelijk is of zal zijn.</al><al>Daarbij dient onder het begrip sportrolstoel uitsluitend een sportrolstoel
                    verstaan te worden.</al><al>Andere sportvoorzieningen worden niet verstrekt, evenmin als hulpmiddelen aan
                    een sportrolstoel zoals een handbike, indien die alleen voor sportbeoefening
                    bestemd zijn en niet voor het lokaal verplaatsen.</al><al><vet>Artikel 31 Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners</vet></al><al>Recht op een op grond van de AWBZ verstrekte rolstoel aan AWBZ-bewoners bestaat
                    alleen indien de AWBZ-bewoner zowel de AWBZ-functie “ verblijf” , als de functie
                    “ behandeling” geniet in één en dezelfde erkende AWBZ-instelling. Als een
                    AWBZ-bewoner niet aan deze voorwaarde voldoet, is er ook geen recht op een
                    AWBZ-rolstoel, en zal er door de gemeente een rolstoel moeten worden verstrekt
                    op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning.</al><al>Onduidelijkheid kan ontstaan, wanneer een instelling met alleen erkenning voor
                    de AWBZfunctie “ verblijf” (bijvoorbeeld een verzorgingshuis) de AWBZ-functie “
                    behandeling” als het ware inkoopt bij een voor die functie wél erkende
                    instelling. Het “ verzorgingshuis met verpleegafdeling” is een veelvoorkomende
                    situatie, waarin in de instelling wél beide AWBZfuncties kunnen worden “
                    genoten” , maar de instelling zelf geen erkenning heeft voor beide
                    AWBZ-functies, maar alleen voor de functie “ verblijf”. Het gevolg is dat er
                    geen recht op een AWBZ-rolstoel bestaat in een dergelijke situatie, juist omdat
                    beide functies op die verpleegafdeling niet door één en dezelfde erkende
                    AWBZ-instelling worden verzorgd, maar door twee verschillende AWBZ-instellingen,
                    waarbij de ene instelling gebruik maakt van de erkenning van de andere
                    instelling.</al><al><vet>Hoofdstuk 7 Het verkrijgen van voorzieningen</vet></al><al><vet>Artikel 32 Uitsluitend recht</vet></al><al>Via dit artikel wordt het CIZ uitsluitend recht verleend om namens het college
                    van burgemeester en wethouders besluiten te nemen met betrekking tot het
                    verlenen van voorzieningen en het intrekken van besluiten tot verstrekking van
                    voorzieningen.</al><al><vet>Artikel 33 Gebruik aanvraagformulier</vet></al><al>In artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een aanvraag tot
                    het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend, tenzij bij wettelijk
                    voorschrift anders is bepaald. Dat betekent dat er altijd een eerste handeling
                    van de kant van de aanvrager noodzakelijk is: er moet eerst een aanvraag worden
                    ingediend. Een persoon uit de doelgroep van deze wet kan dus niet verwachten dat
                    vanuit de gemeente op eigen initiatief iets in zijn of haar richting wordt
                    ondernomen. In dit artikel is bepaald dat de aanvraag plaats dient te vinden op
                    een daartoe beschikbaar gesteld aanvraagformulier. De aanvraag in het kader van
                    de wet die niet op het beschikbaar gestelde aanvraagformulier is ingediend, kan
                    echter niet zonder meer buiten behandeling worden gelaten. De Algemene wet
                    bestuursrecht bepaalt immers dat de aanvraag in ieder geval naam en adres van de
                    aanvrager en een aanduiding van de beschikking die gevraagd wordt, dient te
                    bevatten en verder ondertekend moet zijn.</al><al>Jurisprudentie leert dat een ondertekend formulier, dat overigens niet is
                    ingevuld, geaccepteerd dient te worden als de overige benodigde bescheiden
                    daarbij zijn gevoegd. Het ligt voor de hand in een dergelijke situatie te
                    verzoeken om aanvulling van de gegevens.</al><al><vet>Artikel 34 Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten</vet></al><al>Op basis van het amendement-Mosterd c.s. (kamerstuk nr. 30 131-54 ) is in
                    artikel 5, lid 2, onder a. van de wet opgenomen dat de gemeenteraad bij
                    verordening regels moet vaststellen omtrent de wijze waarop de toegang tot
                    individuele voorzieningen in samenhang met voorzieningen op het gebied van wonen
                    en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is geregeld.</al><al>Gezien de toelichting op dit amendement, waarbij is vermeld dat lid 2, onder a.
                    ertoe strekt dat “ de gemeente bepaalt hoe achter één loket de samenhang van
                    toegang tot voorzieningen krachtens deze wet met toegang tot zorgvoorzieningen
                    krachtens de AWBZ of toegang tot voorzieningen op het gebied van wonen is
                    geregeld” , wordt gedoeld op de zogenaamde éénloketgedachte.</al><al>Wetsbepaling en toelichting lopen echter enigszins uit elkaar, omdat in de
                    wetsbepaling “ voorzieningen op het gebied van wonen en zorg als bedoeld in de
                    Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten” gebundeld (als vallend onder de AWBZ)
                    worden genoemd, terwijl in de toelichting op het amendement waarop de
                    wetsbepaling is gebaseerd onderscheid wordt gemaakt tussen toegang tot
                    zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ en toegang tot voorzieningen op het gebied
                    van het wonen.</al><al>Verder wordt er, zoals hierboven al geciteerd, in de toelichting geen
                    onderscheid meer gemaakt tussen raad en college, slechts “ de gemeente” wordt
                    genoemd. Praktisch gezien zal de concrete uitvoering van activiteiten in het
                    Wmo-loket Venlo en de werking ervan een typische uitvoeringsactiviteit zijn, dus
                    naar zijn aard vallen onder de verantwoordelijkheid van het college. De door de
                    raad vast te stellen verordening beperkt zich daarom tot het aanwijzen van een
                    Wmo-loket, waarbij de nadere uitwerking daarvan via het college geregeld moet
                    worden.</al><al>In dit artikel wordt geregeld dat indiening van de aanvraag plaats vindt bij het
                    CIZ waardoor de afstemming met de AWBZ-aanvragen automatisch geborgd is.</al><al><vet>Artikel 35 Inlichtingen, onderzoek, advies</vet></al><al>Lid 1 onder a en b</al><al>Van dit artikel in de verordening bepaalt dat het college bevoegd is degene die
                    aanspraak maakt op een voorziening of degene die al voorziening heeft op te
                    roepen in persoon te verschijnen en te ondervragen op een door het college te
                    bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of ondervragen door een of
                    meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het
                    belang moet zijn van de aanvraag of het beoordelen van het bestaande recht op
                    een voorziening.</al><al>Lid 2</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich; het is duidelijk dat gegevens inzake de
                    medische toestand, het inkomen, de woonsituatie en allerlei andere gegevens
                    noodzakelijk kunnen zijn om een aanvraag of het beoordelen van het bestaande
                    recht op een voorziening te kunnen beoordelen. Er is een duidelijke praktische
                    samenhang met artikel 33 van deze verordening, inzake het gebruik van een door
                    het college te verstrekken formulier. Door middel van gebruik van een formulier
                    kunnen de procedures inzake de gegevensverstrekking worden gestroomlijnd.
                    Uiteraard moet er niet meer worden opgevraagd dan noodzakelijk is voor het nemen
                    van een besluit op de aanvraag, zie hieromtrent ook artikel 4:3 Algemene wet
                    bestuursrecht. Weigert de aanvrager echter de voor het nemen van het besluit
                    noodzakelijke gegevens te verstrekken, dan rest het college niets anders dan de
                    aanvraag volgens de procedure van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht buiten
                    behandeling te laten. Ten aanzien van het omgaan met de - vaak privacygevoelige
                    - gegevens moet de gemeente rekening houden met de verplichtingen die
                    voortvloeien uit de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). In het
                    aanvraagformulier is daarom een passage over het verwerken van persoonsgegevens
                    opgenomen. Tevens heeft melding bij het College Bescherming Persoonsgegevens
                    plaatsgevonden.</al><al>Lid 3</al><al>Geeft aan dat bij de advisering gebruik gemaakt moet worden van de zogenaamde
                    ICFclassificatie van de Wereld Gezondheidsorganisatie. Deze bepaling is in de
                    verordening opgenomen naar aanleiding van de toelichting op amendement 65,
                    waarin staat “ Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International
                    Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF classificatie)
                    een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan
                    voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.” Mede omdat bij de
                    indicatiestelling van de diverse functies in de Algemene Wet Bijzondere
                    Ziektekosten eveneens van deze classificatie gebruik wordt gemaakt kan het
                    gebruik van de ICFclassificatie afstemming tussen de Algemene Wet Bijzondere
                    Ziektekosten en deze wet vergemakkelijken.</al><al><vet>Artikel 36 Samenhangende afstemming</vet></al><al>In artikel 5, lid 2, onder b. van de wet is vastgelegd dat de raad in de
                    verordening bepaalt op welke wijze de verkrijging van individuele voorzieningen
                    samenhangend afgestemd wordt op de situatie van de aanvrager. Deze bepaling is
                    bedoeld om, naast de toepassing van algemene bestuursrechtelijke
                    zorgvuldigheidseisen, de inhoud van de voorzieningen zelf, vanuit
                    cliëntperspectief, in samenhang te bezien. Evenals het genoemde in de
                    toelichting op artikel 34 van deze verordening, gaat het hier naar zijn aard om
                    uitvoeringsbeleid.</al><al><vet>Artikel 37 Wijzigingen in de situatie</vet></al><al>Het spreekt voor zich dat wijzigingen in de situatie gemeld dienen te worden in
                    al die gevallen dat zij van invloed zijn op de verstrekte voorzieningen. De
                    informatieverplichting bij de aanvraag, dus bij een te verstrekken voorziening,
                    is geregeld in artikel 35 lid 2 van de verordening.</al><al><vet>Artikel 38 Intrekking en beëindiging van een besluit tot verlening van een
                        voorziening</vet></al><al>Duidelijk is, dat verstrekking van voorzieningen gebonden is aan voorwaarden en
                    verplichtingen.</al><al>Het is in verband met het kenbaarheidvereiste, verwoord in de passage “ waarvan
                    redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed zijn op het recht op een
                    voorziening”, van groot belang om de voorwaarden en verplichtingen duidelijk te
                    vermelden in een beschikking. Het is daarom raadzaam om een belanghebbende te
                    wijzen op de voorwaarden en verplichtingen die het recht op de voorziening met
                    zich meebrengen. Daarnaast is het belangrijk in de beschikking ook expliciet te
                    wijzen op de verplichting om wijzigingen in de situatie aan het college door te
                    geven. Mocht er sprake zijn van een, om wat voor reden dan ook, ten onrechte
                    toegekende voorziening, dan vergemakkelijkt een duidelijke formulering in de
                    beschikking een eventuele beëindiging of terugvordering van (het recht op) een
                    voorziening, omdat de betrokkene zich dan niet kan beroepen op onbekendheid met
                    de feiten.</al><al>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan zorgen voor afwijzing van de
                    aanvraag (krachtens artikel 2 van de verordening) en voor intrekking van een
                    besluit tot verstrekking van een voorziening (artikel 38 lid 1 onder c). Ook
                    hiervoor geldt dat het de persoon met beperkingen door middel van de
                    toekenningsbeschikking kenbaar moet zijn dat intrekking van het besluit op deze
                    grond kan plaatsvinden. De intrekkingsgrond onder d. is alleen van toepassing
                    indien er sprake is van een situatie dat het niet-gebruik gedurende de vermelde
                    periode niet het gevolg is van ziekte of andere overmachtsituaties.</al><al><vet>Artikel 39 Terugvordering</vet></al><al>De wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering van voorzieningen, wat reden
                    is om deze mogelijkheid op te nemen in de verordening, omdat er anders geen
                    juridische basis is om voorzieningen terug te vorderen. Indien er, naar later
                    blijkt, ten onrechte is uitbetaald of geleverd (voorziening in natura) is, kan
                    het college de voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Het besluit tot
                    herziening van het recht op de voorziening en de daaraan gekoppelde
                    terugvordering biedt echter geen executoriale titel, zoals bijvoorbeeld in de
                    Wet werk en bijstand het geval is bij terugvordering. Er is wel sprake van een
                    civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde betaling waarvoor het
                    Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203 e.v. de wettelijke basis biedt. Het ligt
                    voor de hand dat van de terugvorderingsmogelijkheid in ieder geval gebruik wordt
                    gemaakt indien er aan de zijde van de persoon met beperkingen sprake is van
                    verwijtbaarheid. Wanneer deze dus bewust verkeerde gegevens heeft verstrekt,
                    bijvoorbeeld over zijn inkomen of wanneer sprake is van tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid.</al><al>Ook kan terugvordering van een voorziening in natura aan de orde zijn wanneer de
                    persoon met beperkingen in gebreke blijft zijn eigen bijdrage binnen de gestelde
                    termijn en na aanmaning te voldoen. Het is raadzaam vooraf een inschatting te
                    maken van de kosten en te verwachten baten, gezien de mogelijke kosten van een
                    civielrechtelijke procedure. Daarbij moet niet alleen gekeken worden naar de
                    kosten van inschakeling van een procureur, maar ook naar mogelijke
                    invorderingskosten, zoals de kosten van inschakeling van een deurwaarder.</al><al>Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een gemaximeerde vergoeding
                    binnen zes maanden na de uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van
                    de voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling ook worden
                    teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen waarbij de uitbetaling van de
                    financiële tegemoetkoming of de vergoeding aan de aanschaf van de voorziening
                    voorafgaat.</al><al><vet>Hoofdstuk 8 Slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 40 Hardheidsclausule</vet></al><al>Artikel 40 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de
                    aanvrager kan afwijken van de bepalingen bij en krachtens deze verordening, en
                    dus niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen. Zo nodig wordt hierbij
                    advies ingewonnen. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele
                    van de betrokken persoon met beperkingen of de eigenaar van de woonruimte. Bij
                    de woningeigenaar, bijvoorbeeld een corporatie kan gedacht worden aan een
                    situatie waar het van belang is dat een woonruimte ook langer dan zes maanden
                    leeg staat, omdat bijvoorbeeld bekend is dat een persoon met beperkingen voor
                    wie de aangepaste woning uitermate geschikt is, op het punt staat om uit een
                    revalidatiecentrum te worden ontslagen. In die gevallen kan het doelmatiger zijn
                    om een langere periode een financiële tegemoetkoming in de huurderving te
                    verstrekken. Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik
                    maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en
                    niet als een regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook
                    duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt
                    afgeweken. Het al of niet van toepassing zijn van de hardheidsclausule moet
                    overigens ambtshalve bij de aanvraag worden onderzocht. Dat dit is gebeurd moet
                    zowel uit de rapportage als uit de beschikking blijken.</al><al><vet>Artikel 41 Indexering</vet></al><al>Deze bepaling, maakt het mogelijk alle bedragen, genoemd in het op de
                    verordening gebaseerde Besluit nadere regels maatschappelijke ondersteuning
                    gemeente Venlo, te indexeren. Indexering voor de meeste van de op deze
                    verordening gebaseerde normbedragen zal plaatsvinden volgens het
                    CBS-prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie.</al><al>Het Besluit maatschappelijke ondersteuning bepaalt in artikel 4.5, lid 1 dat ook
                    de bedragen van de eigen bijdragen jaarlijks aan de hand van de prijsindex voor
                    de gezinsconsumptie worden gewijzigd bij ministeriële regeling. Het ligt voor de
                    hand wijzigingen in bedragen in deze verordening tegelijkertijd hiermee door te
                    voeren.</al><al><vet>Artikel 42 Evaluatie</vet></al><al>Op grond van dit artikel dient het gemeentelijke beleid periodiek geëvalueerd te
                    worden.</al><al>Dat beleid omvat zowel het algemene beleid, zoals door de gemeenteraad
                    neergelegd in de verordening, als het uitvoeringsbeleid, dat onder de
                    bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders is neergelegd in
                    beleidsregels. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld omdat
                    het voorzieningenniveau te hoog of te laag blijkt te zijn, dient de evaluatie te
                    leiden tot aanpassing van de verordening of van de beleidsregels. Deze evaluatie
                    vindt plaats in overeenstemming met de cyclus van het beleidsplan zoals vermeld
                    in artikel 3 van de wet. Krachtens dit artikel dient de raad telkens voor een
                    periode van ten hoogte vier jaar een Wmo-plan vast te stellen.</al><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van 23 februari 2011.</al><al>De griffier, De voorzitter,</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>