<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR92236_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Etten-Leur</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Etten-Leur</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=147&amp;g=2011-01-01">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-12-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuw</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Griffie</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Algemeen bestuur</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning (artikel 33
                Gemeentewet) Gemeente Etten-Leur</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>gelezen het voorstel van de raadsvoorzitter en de griffier van 24 november
                        2010;</al><al>gezien het advies van de opiniebijeenkomst d.d. 7 december 2010;</al><al>De raad van de gemeente Etten-Leur;</al><al>Gelet op artikel 33, derde lid, van de Gemeentewet;</al><al>Besluit vast te stellen de volgende verordening:</al><al>Verordening op de ambtelijke bijstand en de fractieondersteuning 2010;</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1:</nr><titel>Ambtelijke bijstand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Verzoek om informatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een raadslid wendt zich tot de griffier of een ambtenaar met een
                                verzoek om:</al><lijst><li nr="a."><al>feitelijke informatie van geringe omvang;</al></li><li nr="b."><al>inzage in of afschrift van documenten die openbaar
                                        zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de ambtenaar twijfelt of het verzoek betrekking heeft op
                                informatie bedoeld onder het eerste lid, onderdeel a of b, stelt hij
                                de secretaris daarvan in kennis. De secretaris beslist.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een raadslid wendt zich tot de griffier met een verzoek om bijstand
                                bij het opstellen van voorstellen, amendementen en moties of andere
                                bijstand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bijstand, bedoeld in het derde lid, wordt verleend door de
                                griffier of een medewerker van de griffie. Indien de gevraagde
                                bijstand niet door de griffier of een medewerker van de griffie kan
                                worden verleend kan de griffier de secretaris verzoeken, één of meer
                                ambtenaren aan te wijzen, die de gevraagde bijstand zo spoedig
                                mogelijk verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verlenen van ambtelijke bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op verzoek van de griffier verleent de secretaris of een door de
                                secretaris aan te wijzen ambtenaar ambtelijke bijstand tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>het raadslid niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bijstand
                                        betrekking heeft op de werkzaamheden van de raad;</al></li><li nr="b."><al>dit het belang van de gemeente kan schaden;</al></li><li nr="c."><al>het bijstand, bedoeld in artikel 1, derde lid, betreft en
                                        het raadslid reeds volledig gebruik heeft gemaakt van het
                                        hem op grond van artikel 5, eerste lid, beschikbaar gestelde
                                        aantal uren ambtelijke bijstand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De secretaris beoordeelt of ambtelijke bijstand op grond van het
                                eerste lid geweigerd wordt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de bijstand op grond van het eerste lid wordt geweigerd deelt
                                de secretaris dit met redenen omkleed mee aan de griffier en aan het
                                raadslid dat het verzoek heeft ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4..</lidnr><al>Indien (leden van) het college informatie wensen over een verzoek om
                                ambtelijke bijstand of de inhoud van het gegeven advies wenden zij
                                zich daartoe rechtstreeks tot het betrokken raadslid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Weigering verzoek om ambtelijke bijstand</titel></kop><al>Indien het verzoek om bijstand van een ambtenaar door de secretaris
                            wordt geweigerd kan de griffier of het betrokken raadslid het verzoek
                            voorleggen aan de burgemeester. De burgemeester beslist zo spoedig
                            mogelijk over het verzoek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Geschil over ambtelijke bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een raadslid niet tevreden is over door een ambtenaar
                                verleende bijstand, doet hij of de griffier hiervan mededeling aan
                                de secretaris.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien overleg met de secretaris niet leidt tot een voor beide
                                partijen bevredigende oplossing leggen zij de zaak voor aan de
                                burgemeester. De burgemeester beslist zo spoedig mogelijk over de
                                zaak.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Hoeveelheid ambtelijke bijstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Elk raadslid heeft per jaar recht op 20 uur ambtelijke bijstand
                                    als bedoeld in artikel 1, lid 3 voor zover deze bijstand wordt
                                    geleverd door de reguliere ambtelijke organisatie. </al></li><li nr="2."><al/><al>a. Het recht in uren op ambtelijke bijstand van een raadslid is
                                    overdraagbaarnaar andere leden van de fractie</al><al>b. Indien één fractie zijn volledige recht op uren ambtelijke
                                    bijstand heeft opgebruikt, kan deze fractie een verzoek indienen
                                    bij de griffier om uren overgeheveld te krijgen van andere
                                    fracties</al><al>c. Op basis van het overzicht van reeds gebruikte uren van de
                                    verschillende fracties zoals weergegeven in artikel 5 lid 3
                                    beslist de griffier, gehoord de fractievoorzitters over dit
                                    verzoek.</al></li><li nr="3."><al> De secretaris houdt in een register bij hoeveel uren per jaar
                                    een fractie raadslid gebruik maakt van ambtelijke bijstand als
                                    bedoeld in artikel 1, lid 4 voor zover deze bijstand wordt
                                    geleverd door de reguliere ambtelijke organisatie.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2:</nr><titel>Fractieondersteuning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Recht op financiële vergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De fracties, zoals bedoeld in artikel 7 van het reglement van orde,
                                ontvangen jaarlijks een financiële bijdrage als tegemoetkoming in de
                                kosten voor het functioneren van de fractie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze bijdrage bestaat uit een vast deel van € 750,- voor elke
                                fractie. Daarnaast ontvangt elke fractie een bedrag van € 100,- per
                                raadszetel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Besteding financiële vergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Fracties besteden de bijdrage om hun volksvertegenwoordigende,
                                kaderstellende en controlerende rol te versterken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bijdrage mag niet gebruikt worden ter bekostiging van:</al><lijst><li nr="a."><al>uitgaven die in strijd zijn met wettelijke bepalingen en
                                        overige regelingen;</al></li><li nr="b."><al>betalingen aan politieke partijen, met politieke partijen
                                        verbonden instellingen of natuurlijke personen anders dan
                                        ter vergoeding van prestaties (diensten of goederen)
                                        geleverd ten behoeve van de fractie op basis van een
                                        gespecificeerde, reële declaratie;</al></li><li nr="c."><al>giften;</al></li><li nr="d."><al>uitgaven welke dienen bestreden te worden uit vergoedingen
                                        die de leden ingevolge het rechtspositiebesluit raads- en
                                        commissieleden toekomen;</al></li><li nr="e."><al>opleidingen voor raads- en commissieleden voor zover deze
                                        inhoudelijk gerelateerd zijn aan de politieke uitgangspunten
                                        van de deelnemers.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Declaratie bijdrage fractieondersteuning</titel></kop><al>De bijdrage voor fractieondersteuning wordt, op grond van een door de
                            fractie in te dienen declaratie betreffende gemaakte kosten achteraf
                            verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Bijdrage in het verkiezingsjaar</titel></kop><al>Indien het zeteltal van een fractie ten gevolge van verkiezingen
                            verandert, wijzigt de bijdrage </al><lijst><li nr="a."><al>bij vermindering van het zeteltal: op de eerste dag van de maand
                                    na de maand waarin de eerste vergadering van de nieuw gekozen
                                    raad plaatsvindt.</al></li><li nr="b."><al>bij vermeerdering van het zeteltal: op de eerste dag van de
                                    maand waarin de eerste vergadering van de nieuw gekozen raad
                                    plaatsvindt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Gevolgen splitsing fractie</titel></kop><al>Bij splitsing van een fractie wordt de op grond van artikel 6, tweede
                            lid, vastgestelde bijdrage voor de oorspronkelijke fractie verdeeld over
                            de betrokken fracties naar evenredigheid van het aantal bij de splitsing
                            betrokken leden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Reserve</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad reserveert het in enig jaar niet gebruikte gedeelte van de
                                bijdrage toekomend aan een fractie ter besteding door die fractie in
                                volgende jaren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De reserve is niet groter dan 30% van de bijdrage die de fractie in
                                het voorgaande kalenderjaar toekwam ingevolge artikel 6.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het beroep in enig jaar op de opgebouwde reserve, komt tot
                                uitdrukking in de afrekening als bedoeld in artikel 12 over dat
                                jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De reserve blijft na verkiezingen beschikbaar voor de fractie die
                                onder dezelfde naam terugkeert, dan wel voor de fractie die naar het
                                oordeel van de raad als rechtsopvolger daarvan kan worden
                                beschouwd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als bij zetelverlies de reserve voor een fractie hoger zou worden
                                dan aangegeven in het tweede lid, vervalt het recht op dat
                                meerdere.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij splitsing van een fractie, wordt de reserve verdeeld over de
                                betrokken fracties naar evenredigheid van het aantal bij de
                                splitsing betrokken leden, voor zover deze reserve niet meer
                                bedraagt dan 30% van de bijdrage waarop de oorspronkelijke fractie
                                in het voorgaande kalenderjaar recht had.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verantwoording en controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Elke fractie legt, binnen drie maanden na het einde van een
                                kalenderjaar, aan de raad verantwoording af over de besteding van de
                                bijdrage voor fractieondersteuning onder overlegging van een
                                verslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Kosten voor het functioneren van de fractie als bedoeld in artikel 7
                                lid 1, die niet binnen drie maanden na het einde van het
                                kalenderjaar worden ingediend, komen niet voor vergoeding in
                                aanmerking</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het niet binnen de termijn van 3 maanden na het einde van het
                                kalenderjaar indienen van een verantwoording betekent dat over het
                                kalenderjaar waarop de verantwoording betrekking heeft in het geheel
                                geen bedrag wordt vergoed en dat eventueel al op basis van facturen
                                betaalde kosten worden teruggevorderd</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een fractie die geen gebruik maakt van de bijdrage voor
                                fractieondersteuning én geen bedrag wil laten reserveren zoals
                                aangegeven in artikel 11hoeft geen verantwoording in te dienen</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Controle van het verslag vindt plaats door een kascommissie
                                bestaande uit 3 personen. Deze kascommissie brengt advies uit aan de
                                raad.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De raad stelt na ontvangst van het advies van de kascommissie de
                                bedragen vast van:</al><lijst><li nr="a."><al>de uitgaven van een fractie die in het vorige kalenderjaar
                                        uit de bijdrage bekostigd zijn;</al></li><li nr="b."><al>de wijziging van de reserve;</al></li><li nr="c."><al>de resterende reserve;</al><al>Artikel 13. Toepassing Awb</al><al>Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                        toepassing op de financiële middelen die een fractie
                                        ontvangt.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Slotbepaling</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken oude verordening en inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2011 en
                            treedt in de plaats van de verordening ambtelijke bijstand en
                            fractieondersteuning 2004 die per 31 december 2010 vervalt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Citeerartikel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening ambtelijke bijstand
                            en fractieondersteuning.</al><al/><al/></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 7 december 2010</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. W.C.M. Voeten. Mw. H. van Rijnbach-de Groot.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Deze verordening geeft uitvoering aan artikel 33 van de Gemeentewet. Dit artikel
                    is <cursief>in 2002 </cursief>door de inwerkingtreding van de Wet dualisering
                    gemeentebestuur ingrijpend gewijzigd. Het legt expliciet vast dat de raad en
                    individuele raadsleden een recht op ambtelijke bijstand hebben. Voor politieke
                    groeperingen bestaat daarnaast een recht op fractieondersteuning. De uitwerking
                    van deze rechten moet bij verordening worden geregeld. </al><al>In deze verordening vervult de griffier een centrale rol. Hij is het eerste
                    aanspreekpunt als het gaat om ambtelijke bijstand. De griffier vervult ook de
                    rol van schakel tussen de raadsleden en de reguliere ambtelijke
                    organisatie.</al><al>De burgemeester vervult ook een rol in het proces. Indien er een
                    conflictsituatie ontstaat of dreigt te ontstaan, zal de burgemeester een
                    bemiddelende en uiteindelijk beslissende rol kunnen spelen. De positie van de
                    burgemeester maakt hem bij uitstek geschikt voor deze taak als bruggenbouwer en
                    als degene die uiteindelijk het laatste woord heeft. </al><al><cursief>Gezien de duale verhoudingen</cursief> ligt het voor de hand dat er ook
                    op het punt van de ambtelijke bijstand heldere scheidslijnen worden getrokken
                    tussen werkzaamheden voor de raad en voor het college. <cursief>Dat komt tot
                        uitdrukking in het feit dat een raadslid kan aangeven dat een verzoek om
                        ambtelijke bijstand en de inhoud van de verleende bijstand geheim moeten
                        worden gehouden. </cursief>De ambtenaar mag niet onder druk komen te staan
                    doordat hij werkzaamheden voor de raad verricht. Daarom zal een collegelid dat
                    toch informatie wenst over het verzoek om ambtelijke bijstand, zich moeten
                    wenden tot het betrokken raadslid en niet tot de behandelend ambtenaar.</al><al>De verordening behandelt gedetailleerd de ambtelijke bijstand. Aangezien het de
                    verhouding betreft tussen de raadsleden en de reguliere ambtelijke organisatie,
                    is behoefte aan duidelijke regels. De ambtenaren werken doorgaans namelijk voor
                    het college. Artikel 103 Gemeentewet laat dit scherp zien. Vóór de invoering van
                    de Wet dualisering gemeentebestuur bepaalde dit artikel dat de secretaris (en
                    daarmee de onder hem ressorterende ambtelijke organisatie) de raad en het
                    college terzijde stond. In de duale verhoudingen staat de secretaris het college
                    terzijde en wordt de raad bijgestaan door de griffier.</al><al>Dat de raad beschikt over een griffier met griffie betekent niet dat er geen
                    behoefte meer zou zijn aan ambtelijke bijstand door de reguliere ambtelijke
                    organisatie. De griffie zal, in vergelijking met de reguliere organisatie
                    beperkt in omvang zijn. Voor specialistische hulp op het gebied van het maken
                    van amendementen, moties en regelingen zal een beroep op deze organisatie dan
                    ook nodig blijven. Dit geldt ook voor specifieke informatie die alleen bij de
                    reguliere ambtelijke organisatie beschikbaar is. De wetgever heeft dat onderkend
                    en het recht op deze vorm van ambtelijke ondersteuning expliciet vastgelegd.
                    Deze verordening vormt de uitwerking van dit recht.</al><al>De <cursief>nieuwe </cursief>formulering van artikel 33 van de Gemeentewet laat
                    buiten twijfel dat individuele raadsleden, dus ook die behorend tot een
                    minderheid in de raad, recht hebben op ambtelijke bijstand. Op deze verordening
                    kan dus door alle raadsleden een beroep worden gedaan.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen voor die gevallen waarin de tot het
                    verlenen van hulp aangewezen ambtenaar op grond van gewetensbezwaren daartoe
                    niet bereid is. In een dergelijk geval is sprake van een rechtspositioneel
                    probleem dat binnen de ambtelijke organisatie tot een oplossing dient te worden
                    gebracht.</al><al>Ook in de organisatieregeling en de instructie voor de griffier zijn bepalingen
                    opgenomen over het verlenen van ambtelijke bijstand aan onder andere de leden
                    van de gemeenteraad. Uiteraard heeft afstemming tussen de verschillende
                    regelingen plaatsgevonden. </al><al>De modelverordening heeft in de afgelopen jaren zijn waarde bewezen. In
                    jurisprudentie wordt er regelmatig naar verwezen en de minister van Binnenlandse
                    Zaken en Koninkrijksrelaties gaf aan dat de modelverordening prima voldoet. Toch
                    is in de geactualiseerde versie een aantal bepalingen gewijzigd en heeft een
                    zekere “fine-tuning” plaatsgevonden. Waar het kon zijn artikelen samengevoegd en
                    zinsconstructies aangepast. Dat leidt tot een overzichtelijker geheel. Ook
                    hebben de diverse artikelen, conform de Aanwijzingen voor de decentrale
                    regelgeving, nu opschriften gekregen.</al><al>Tevens is een nieuw artikel 13 aan deze verordening toegevoegd waarin titel 4.2
                    van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing wordt verklaard op de
                    fractievergoeding.</al><tussenkop>Artikelsgewijs toelichting</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>De verordening is niet bedoeld om formele barrières op te werpen die het
                    verlenen van bijstand aan raadsleden juist bemoeilijkt. Indien het gaat om het
                    verzoek om informatie van feitelijke aard, dan wel inzage in of afschrift van
                    openbare documenten, kan een raadslid contact opnemen met de griffier die het
                    verzoek kan neerleggen bij een ambtenaar uit de reguliere ambtelijke
                    organisatie. Ook kan het raadslid direct in contact treden met een ambtenaar.
                    Het begrip document wordt hier overigens gebruikt in de betekenis die het in de
                    Wet openbaarheid bestuur heeft. Met openbaar wordt bedoeld openbaar in de zin
                    van de Wet openbaarheid van bestuur. Op niet openbare documenten is het bepaalde
                    in de artikelen 25, 55 en 86 van de Gemeentewet van toepassing. Deze rechten
                    zijn uitgewerkt in het reglement van orde voor de raad, het reglement van orde
                    voor het college en de verordening op de info- en de opiniebijeenkomst. </al><al>Er is voor gekozen de griffier te benoemen als centrale functionaris. Het
                    bestaan van het instituut griffie en de ontvlechting van de posities van de raad
                    en het college, die bij de dualisering zijn beslag heeft gekregen, leidt ertoe
                    dat de ambtelijke organisatie parallel ontvlochten is. Omdat de griffier geen
                    zeggenschap heeft over de reguliere ambtelijke organisatie zal de secretaris de
                    ambtenaar die de bijstand verleend moeten aanwijzen. De ontvlechting van
                    posities leidt in dit geval dus noodzakelijk tot een verdergaande formalisering
                    van de regeling omtrent ambtelijke bijstand. </al><al>De bijstand wordt zo spoedig mogelijk verleend. Het is niet mogelijk in de
                    verordening hiervoor vaste termijnen op te nemen in verband met de verschillen
                    in aard en omvang van de werkzaamheden voor een verzoek. De griffier ziet er op
                    toe dat er voortgang blijft in het proces.</al><al>In de gehele verordening is er voor gekozen een onderscheid aan te brengen
                    tussen ambtenaren en medewerkers van de griffie. Als er over ambtenaren
                    gesproken wordt, worden ambtenaren van de reguliere ambtelijke organisatie
                    bedoeld die onder gezag van het college staan en worden dus niet
                    griffiemedewerkers bedoeld. Dit neemt niet weg dat ook medewerkers van de
                    griffie ook ambtenaren in de zin van de Ambtenarenwet zijn.</al><al>Op grond van het tweede lid is er bij twijfel een rol voor de secretaris
                    weggelegd. Deze zal moeten beslissen of het een verzoek als bedoeld in het
                    eerste lid, onderdeel a en b betreft. </al><al>In het eerste lid wordt de mogelijkheid geboden aan raadsleden om zich
                    rechtstreeks tot een ambtenaar van de reguliere ambtelijke organisatie te
                    wenden. </al><tussenkop>Artikel 2 </tussenkop><al>De voormalige artikel 6 van de modelverordening is vanwege de helderheid nu
                    toegevoegd aan artikel 2, vierde lid. Het betreft hier immers regels omtrent
                    hetzelfde onderwerp dat reeds geregeld is in artikel 2.</al><al>Het vierde lid voorkomt dat de betreffende ambtenaar in een spagaat tussen raad
                    en college terecht komt. Indien een raadslid om ambtelijke bijstand verzoekt,
                    moet hij ervan uit kunnen gaan dat de ambtenaar bij het verrichten van die
                    werkzaamheden onafhankelijk opereert van het college. Om te verzekeren dat een
                    ambtenaar niet door collegeleden onder druk wordt gezet om toch inlichtingen te
                    verschaffen over het verzoek van een raadslid is in het vierde lid bepaald dat
                    wethouders of de burgemeester zich voor informatie direct tot het betrokken
                    raadslid wenden en niet tot de behandelend ambtenaar. Dit biedt bovendien een
                    extra waarborg voor de onafhankelijke behandeling van een verzoek om ambtelijke
                    bijstand.</al><al>De ambtenaar die ambtelijke bijstand verleent blijft echter wel onderdeel van de
                    reguliere ambtelijke organisatie. Het verlenen van ambtelijke bijstand hoort tot
                    de normale uitoefening van zijn taak. Indien hij dit gedeelte van zijn taak niet
                    goed uitoefent behoudt het college dus de mogelijkheid om de ambtenaar hierop
                    aan te spreken.</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>Beoordeling of één van de in artikel 2 genoemde weigeringsgronden zich voordoet
                    vindt in eerste instantie plaats door de gemeentesecretaris als hoofd van de
                    reguliere ambtelijke organisatie. Artikel 3 regelt dat de uiteindelijke
                    beslissing over het niet verlenen van ambtelijke bijstand is voorbehouden aan de
                    burgemeester. Het ligt in de rede dat hij hierover overleg voert met de
                    secretaris en de griffier (en indien nodig ook het betrokken raadslid).
                    Uiteraard kan de raad via de gebruikelijke weg hierover de burgemeester
                    verzoeken verantwoording af te leggen (artikel 180 Gemeentewet). </al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>Ook indien – naar de mening van het raadslid – op onvoldoende wijze aan zijn of
                    haar verzoek om hulp gehoor wordt gegeven kan de zaak aan een hogere instantie
                    worden voorgelegd: de burgemeester is daar gezien zijn eigenstandige positie in
                    het gemeentelijke bestuur de meest aangewezen instantie voor. Bij afwezigheid
                    van de burgemeester dient het raadslid het verzoek voor te leggen aan de
                    waarnemend voorzitter van de raad en de loco-burgemeester.</al><al>Wel dient het betrokken raadslid of de griffier hierover eerst overleg te voeren
                    met de secretaris.</al><tussenkop>Artikel 5 </tussenkop><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid om aan ieder raadslid een vaste hoeveelheid
                    uren recht op ambtelijke bijstand door de reguliere ambtelijke organisatie toe
                    te kennen. Hiermee wordt een extra garantie geboden dat dit recht ook
                    geëffectueerd kan worden. Het biedt de ambtelijke organisatie bovendien de
                    mogelijkheid enigszins grip te houden op de omvang van de werkzaamheden. Deze
                    begrenzing geldt niet voor eenvoudige informatieverschaffing als bedoeld in
                    artikel 1, eerste lid, onderdeel a en b. Deze bijstand kan onbeperkt verleend
                    worden. </al><al>Het door de secretaris bij te houden register maakt het bovendien mogelijk na te
                    gaan hoe vaak er al een beroep is gedaan op de ambtelijke organisatie en kan een
                    belangrijke rol spelen bij het in kaart brengen van de behoefte van deze
                    voorzieningen.</al><al>Indien blijkt dat de beschikbare uren voor ambtelijke bijstand voor een fractie
                    onvoldoende zijn, dient de griffier op grond van lid 3 te bezien of andere
                    fracties nog uren beschikbaar hebben. Indien blijkt dat andere fracties een
                    duidelijke onderbesteding van deze uren hebben, zal de griffier gehoord de
                    fractievoorzitters, uren van deze fracties overhevelen naar de fractie die geen
                    uren ambtelijke bijstand meer beschikbaar heeft.</al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>Fractieondersteuning vindt zijn vorm in een financiële ondersteuning. De hoogte
                    van het budget voor fractieondersteuning zal in de gemeentebegroting moeten
                    worden opgenomen en dus door de raad worden vastgesteld. De fractieondersteuning
                    bestaat uit een vast en een variabel deel. Het vaste deel garandeert dat elke
                    fractie de kans krijgt zich op gelijkwaardig niveau te laten ondersteunen. Omdat
                    grote fracties meer lasten zullen hebben op facilitair gebied is het logisch dat
                    zij voor dergelijke kosten een hogere vergoeding krijgen. </al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Voor wat betreft de inhoudelijke besteding van de fractieondersteuning wordt de
                    fracties grotendeels de vrijheid gelaten. Minimumvoorwaarde is wel dat de
                    bijdrage besteed wordt aan raadswerkzaamheden. Verder is een aantal doelen
                    genoemd waarvoor de bijdrage niet gebruikt mag worden. Daarmee wordt onder
                    andere voorkomen dat met de bijdrage verkiezingscampagnes worden gefinancierd en
                    dat raadsleden hun eigen vergoeding voor het raadswerk (vastgelegd in het
                    rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, dat zijn grondslag vindt in de
                    artikelen 95 en 96 van de Gemeentewet) aanvullen met de bijdrage voor
                    fractieondersteuning. Algemene opleidingen voor raads- en commissieleden die
                    meestal worden georganiseerd door de griffie(r) dienen bekostigd te worden uit
                    de gemeentelijke bedrijfsvoering en dientengevolge ook niet uit de bijdrage voor
                    fractieondersteuning. Deze cursussen worden veelal verzorgd door politiek
                    neutrale instituten. </al><al>Omdat het bij uitstek om politieke ondersteuning gaat, kan deze inhoudelijk niet
                    te zeer gedetailleerd geregeld worden. Fractieondersteuning in de vorm van het
                    beschikbaar stellen van gemeenteambtenaren voor de fracties wordt niet wenselijk
                    geacht, aangezien het vaak politiek getinte ondersteuning betreft. Fracties
                    moeten daarom vrij zijn in de keuze van de personen die de fracties eventueel
                    ondersteunen. </al><tussenkop>Artikelen 8 en 9 </tussenkop><al>De bijdrage wordt achteraf op declaratiebasis uitbetaald. In een verkiezingsjaar
                    wordt het beschikbare bedrag in twee gedeelten gesplitst. Het kan gebeuren dat
                    de bijdrage aangepast moet worden aan veranderde verhoudingen in de raad. Dit
                    artikel is zo geformuleerd dat het zowel kan dienen voor fracties die bij de
                    verkiezingen blijken te verdwijnen dan wel na de verkiezingen opkomen, maar het
                    kan ook dienen om de mutaties in aantal op te vangen van de zittende fracties.
                    Indien blijkt dat het geld onrechtmatig is besteed kan dit aan het eind van het
                    jaar teruggevorderd worden. </al><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><al>Bij splitsing van een fractie zal de op grond van artikel <cursief>6,</cursief>
                    tweede lid, vastgestelde bijdrage voor de oorspronkelijke fractie verdeeld
                    worden over de betrokken fracties naar evenredigheid van het aantal bij de
                    splitsing betrokken leden.</al><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><al><cursief>Ook met betrekking tot de reserve is het van belang dat goed wordt
                        omgegaan met de splitsing van een fractie. De regeling voorziet in</cursief>
                    het naar evenredigheid verdelen van de reserve over de nieuw ontstane fracties.
                    Indien een splitsing kort na de verkiezingen plaatsvindt zou een conflict kunnen
                    ontstaan over de verdeling van de reserve. De regeling laat er echter geen
                    twijfel over dat ook in dat geval de reserve verdeeld moet worden.</al><al>De reserve bestaat uit het overschot van voorgaande jaren. Dit bedrag zal niet
                    eindeloos mogen groeien. De reserve is dan ook aan een maximum gebonden.</al><tussenkop>Artikel 12</tussenkop><al>De controle van het verslag kan door de accountant meegenomen worden met de
                    controle op de jaarrekening. Uit het verslag en de accountantsverklaring kan
                    naar voren komen dat er een terugbetaling dient plaats te vinden van uitbetaalde
                    bedragen. Indien niet terugbetaald kan worden, bijvoorbeeld omdat een fractie
                    uit de raad verdwijnt, zal de raad het ten onrechte uitbetaalde bedrag kunnen
                    terugvorderen. Daar het budget relatief beperkt is, is er voor gekozen te werken
                    met een kascommissie bestaande uit drie personen. </al><al>Het spreekt vanzelf dat de raad sanctiemogelijkheden kan hanteren voor het geval
                    een fractie niet handelt conform de verordening. Bijvoorbeeld wanneer uitgaven
                    worden gedaan waar de financiële bijdrage niet voor bedoeld is of die niet
                    kunnen worden onderbouwd, wanneer de verantwoording niet tijdig of volledig
                    wordt ingediend. De vermelding in de verordening van de mogelijkheid van
                    terugvordering is stikt genomen overbodig omdat die mogelijkheid ook al bestaat
                    op grond van artikel 4:57 van de Awb. Bestedingen in strijd met deze verordening
                    kunnen worden teruggevorderd voor zover na de dag waarop de subsidie is
                    vastgesteld, nog geen vijf jaren zijn verstreken.</al><tussenkop>Artikel 13</tussenkop><al>Indien fractieondersteuning de vorm heeft van financiële middelen is sprake van
                    een subsidie als bedoeld in titel 4.2 Awb.</al><al>De raad kan zelf bepalen of ook afdeling 4.2.8 van de Awb van toepassing is;
                    indien deze afdeling van toepassing is horen daar wel extra verplichtingen bij.
                    Dat kan een dergelijke keuze minder aantrekkelijk maken. Bij de invoering van
                    het recht op fractieondersteuning (amendement-De Cloe c.s.) is niet stilgestaan
                    bij de verhouding met de Awb. In veel gemeenten wordt echter inmiddels de
                    fractieondersteuning met toepassing van titel 4.2 Awb aangewend. Nu blijkt dat
                    dit een juiste wijze van handelen is.</al><al>Wij hebben derhalve besloten in de modelverordening een extra artikel toe te
                    voegen, waarin het verkrijgen van fractieondersteuning gelijk wordt gesteld aan
                    het verkrijgen van subsidie. De wijze waarop lokaal invulling wordt gegeven aan
                    de formele rechtsregels dient lokaal bepaald te worden en wordt derhalve niet in
                    een modelregeling vastgelegd. In de regel zal het met name gaan over de
                    mogelijkheid om bezwaar en beroep in te stellen tegen de beschikking die een
                    bepaald budget ter beschikking stelt, of zoals hierboven omschreven, om de
                    mogelijkheid bezwaar en beroep in te stellen tegen een terugvordering.</al><tussenkop>Artikelen 14 en 15</tussenkop><al>Deze artikelen behoeven geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>