<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR92226_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Etten-Leur</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Etten-Leur</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Etten-Leurse Bode, 10-01-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=149&amp;g=2009-12-22">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0015703&amp;artikel=art. 7&amp;g=2009-12-22">Wet werk en bijstand, art. 7, 8 en 10</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0004044&amp;artikel=34&amp;g=2009-12-22">Wet inkomensvoorzieningen oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 34, 35 en 36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0004163&amp;artikel=art. 34&amp;g=2009-12-22">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 34, 35 en 36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0013060&amp;artikel=-&amp;g=2009-12-22">Wet Structuur Uitvoering Werk en Inkomen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-01-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuw</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>SL</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Maatschappelijke zorg</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Etten-Leur;</al><al>Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 10
                        november 2009;</al><al>Gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet, de artikelen 7,8 en 10
                        van de Wet Werk en Bijstand, de artikelen 34, 35, en 36 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                        werknemers en de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening
                        oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al>wet Structuur Uitvoering Werk en Inkomen, </al><al>B E S L U I T :</al><al>Vast te stellen: </al><al><vet>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2010 </vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene Bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze verordening verstaat men onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>Wwb: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="c."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="d."><al>de gemeente: de gemeente Etten-Leur;</al></li><li nr="e."><al>Wiw: Wet inschakeling werkzoekenden;</al></li><li nr="f."><al>ID: In- en doorstroombanen;</al></li><li nr="g."><al>Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="h."><al>Ioaz: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="i."><al>uitkeringsgerechtigde: personen met een uitkering ingevolge de
                                    Wet werk en bijstand, de Ioaw of Ioaz;</al></li><li nr="j."><al>niet-uitkeringsgerechtigde: de persoon bedoeld in artikel 6
                                    onder a. van de Wwb;</al></li><li nr="k."><al>Anw-ers: personen met een uitkering op grond van de Algemene
                                    nabestaandenwet die ingeschreven zijn bij het CWI;</al></li><li nr="l."><al>voorziening:voorzieningen bedoeld in artikel 7 eerste lid onder
                                    a. van de Wwb en beschreven in deze verordening;</al></li><li nr="m."><al>algemeen geaccepteerde arbeid: iedere vorm van arbeid dat
                                    algemeen maatschappelijk aanvaard is, uitgezonderd werk in de
                                    Wsw en werk dat gewetensbezwaren oproept;</al></li><li nr="n."><al>sociale activering: activiteiten gericht op het voorkomen of
                                    doorbreken van sociaal isolement.</al></li><li nr="o."><al>participatieplaats: een additionele werkplaats als bedoeld in
                                    artikel 10a van de Wet werk en bijstand, artikel 38 van de Ioaw
                                    of artikel 38 van de Ioaz, waar een uitkeringsgerechtig-de, die
                                    op grond van persoonlijke werkbelemmeringen niet direct
                                    bemiddelbaar is, met behoud van uitkering werkzaamheden verricht
                                    voor tenminste 12 uur per week gericht op de inschakeling op de
                                    arbeidsmarkt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De doelgroep van deze verordening zijn de personen woonachtig in de
                                gemeente Etten-Leur, 27 of ouder, doch jonger dan 65 jaar,</al><lijst><li nr="a."><al> als bedoeld in artikel 7 eerste lid onder a van de Wwb,
                                        of</al></li><li nr="b."><al> die een uitkering ontvangen op grond van de Ioaw of
                                        Ioaz;</al></li><li nr="c."><al>personen jonger dan 27 jaar voor zover zij vallen onder het
                                        overgangsrecht als genoemd in artikel 86 van de Wet
                                        investeren in jongeren.</al><al/></li></lijst></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Niet tot de doelgroep behoort:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die geen uitkeringsgerechtigde is en die
                                        onderwijs of een beroepsopleiding volgt als bedoeld in de
                                        Wet studiefinanciering 2000 of in hoofdstuk 4 van de Wet
                                        tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, en,</al></li><li nr="b."><al>de persoon die een kind is als bedoeld in artikel 7, tweede
                                        lid, aanhef en onderdeel a, van de Algemene
                                        Kinderbijslagwet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Opdracht aan het college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor het aanbieden van voorzieningen aan
                                personen behorende tot de doelgroep in het kader van ondersteuning
                                bij arbeidsinschakeling gericht op de kortste weg naar duurzame
                                arbeid. Het college stelt vast of het aanbieden van een voorziening
                                noodzakelijk is en welke voorziening voor personen uit de doelgroep
                                het meest doelmatig is om het beoogde doel te behalen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college draagt daarbij zorg voor een evenwichtige aanpak van
                                doelgroepen, alsmede de sub-doelgroepen daarbinnen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bij het bepalen van het aanbod aan
                                re-integratie-instrumenten prioriteiten stellen in verband met de
                                financiële mogelijkheden en met maatschappelijke, economische en
                                conjuncturele ontwikkelingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bevordert de beschikbaarheid van voorzieningen voor de
                                opvang van kinderen tot 12 jaar voor leden van de doelgroep, voor
                                zover die opvang noodzakelijk is voor het volgen van een traject of
                                toetreding tot de arbeidsmarkt. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De voorzieningen die de gemeente in het kader van ondersteuning bij
                                arbeidsinschakeling voor een persoon uit de doelgroep inzet, worden
                                vastgelegd in een beschikking.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Verplichtingen bij het recht op ondersteuning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Rechten en plichten van de cliënt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon uit de doelgroep is verplicht naar vermogen algemeen
                                geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te accepteren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon uit de doelgroep kan aanspraak maken op ondersteuning
                                bij arbeidsinschakeling voor het realiseren van de, naar oordeel van
                                het college, kortste weg naar duurzame arbeid. Het college bepaalt
                                daarbij hoe deze aanspraak wordt ingevuld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen recht op ondersteuning bestaat indien sprake is van een
                                voorliggende voorziening welke naar mening van het college in
                                voldoende mate bijdraagt aan de re-integratie van de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een persoon uit de doelgroep die door het college een voorziening
                                wordt aangeboden is verplicht gebruik te maken van deze
                                voorziening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening
                                niet voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en
                                het gestelde in deze verordening, dan kan het college de uitkering
                                verlagen conform hetgeen hierover is bepaald in de
                                afstemmingsverordening.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Onverminderd andere verplichtingen, voortvloeiend uit wet- of
                                regelgeving, geldt voor een persoon die deelneemt aan of deelgenomen
                                heeft aan een voorziening de verplichting: </al><lijst><li nr="a."><al>alle inlichtingen te verstrekken aan het college over de
                                        passendheid en de voortgang van de voorziening en
                                        wijzigingen in zijn persoonlijke situatie die van belang
                                        kunnen zijn voor de beoordeling van de aanspraak op
                                        ondersteuning en de noodzaak van voortzetting van een
                                        voorziening, daaronder in ieder geval begrepen wijzigingen
                                        in woonplaats, wijzigingen met betrekking tot
                                        gezondheidssituatie of arbeidshandicaps en wijzigingen met
                                        betrekking tot nevenwerkzaamheden of neveninkomsten;</al></li><li nr="b."><al>zijn medewerking te verlenen aan onderzoeken naar de
                                        mogelijkheden van de belanghebbende en de inhoud,
                                        passendheid, voortgang en uitvoering van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="c."><al>naar vermogen uitvoering te geven dan wel mee te werken aan
                                        de onderdelen van de voorziening;</al></li><li nr="d."><al>na te laten alles dat de realisatie van het doel van de
                                        voorziening belemmert.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Niet-uitkeringsgerechtigden en personen met een uitkering op gronde
                                van de Anw kunnen aanspraak maken op ondersteuning bij
                                arbeidsinschakeling ten behoeve van het realiseren van de, naar
                                oordeel van het college, kortste weg naar duurzame arbeid. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen recht op ondersteuning bestaat indien het netto-gezinsinkomen
                                een door het college bij uitvoeringsbesluit vast te leggen
                                inkomensgrens overstijgt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bij uitvoeringsbesluit nadere eisen vaststellen ten
                                aanzien van eigen bijdragen door de betrokkenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers die gebruik maken van
                                een voorziening niet </al><al> voldoen aan het gestelde in artikel 4, kan het college de kosten
                                van de voorziening </al><al> geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Het college stelt hieromtrent
                                bij uitvoeringsbesluit </al><al> nadere regels.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Ontheffingen arbeidsverplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan met inachtneming van artikel 9 tweede lid Wwb,
                                onderscheiden artikel 37a van de Ioaw en Ioaz bepalen dat aan een
                                persoon uit de doelgroep tijdelijk, geheel of gedeeltelijk,
                                ontheffing wordt verleend van de in artikel 4 van deze verordening
                                genoemde verplichtingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ontheffing van de arbeidsplicht wordt slechts voor een door het
                                college vast te stellen periode verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan op basis van een herbeoordeling besluiten een
                                ontheffing na afloop van de vastgestelde periode te verlengen voor
                                bepaalde duur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt bij uitvoeringsbesluit nadere regels ten aanzien
                                van de criteria voor en de duur van ontheffingen vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Beëindiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beëindigen:</al><lijst><li nr="a."><al>als een persoon die deelneemt aan een voorziening zijn
                                        verplichtingen als bedoeld in artikel 4 van deze verordening
                                        dan wel zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de
                                        Wwb, niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>als een persoon die gebruik maakt van een voorziening niet
                                        meer behoort tot de doelgroep bedoeld in artikel 2 van deze
                                        verordening;</al></li><li nr="c."><al>indien het college een andere voorziening aanbiedt;</al></li><li nr="d."><al>indien de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt,
                                        waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze
                                        voorziening;</al></li><li nr="e."><al>als een persoon die gebruik maakt van een voorziening
                                        neveninkomsten heeft, waardoor naar oordeel van het college
                                        de betrokkene in staat is zonder voorziening een plaats te
                                        vinden of te behouden op de arbeidsmarkt.</al><al/></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Beëindiging van de voorziening kan tevens inhouden het opzeggen van
                                een dienstbetrekking bedoeld in artikel 13eerste lid of het
                                beëindigen van de subsidie bedoeld in artikel 13 tweede lid.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer een voorziening beëindigd is en niet tot het beoogde
                                resultaat heeft geleid, kan het college besluiten enige tijd geen
                                nieuwe voorziening aan te bieden aan de betrokkene.</al><al/></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Voorzieningen en ondersteuning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon behorende tot de doelgroep (laten)
                                begeleiden bij het zoeken naar en verwerven van arbeid, alsmede
                                ondersteuning bieden bij het wegnemen van belemmeringen voor de
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het <vet>doel</vet> van inzet van voorzieningen is het bevorderen
                                van de arbeidsinschakeling van personen uit de doelgroep door onder
                                andere het opdoen van werkervaring, het aanleren van kennis en
                                vaardigheden, het opdoen van werkritme en maatschappelijke
                                participatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vorm van ondersteuning kan bestaan uit de volgende
                                activiteiten:</al><lijst><li nr="a."><al>scholing en opleiding;</al></li><li nr="b."><al>bemiddeling;</al></li><li nr="c."><al>werken met behoud van uitkering;</al></li><li nr="d."><al>participatieplaatsen;</al></li><li nr="e."><al>proefplaatsing/stages;</al></li><li nr="f."><al>leerwerkplekken;</al></li><li nr="g."><al>loonkostensubsidies;</al></li><li nr="h."><al>werkstages;</al></li><li nr="i."><al>sociale activering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan voor de uitvoering van voorzieningen afspraken maken
                                met derden, waaronder werkgevers en re-integratiebedrijven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Werken met behoud van uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan uitkeringsgerechtigde personen bedoeld in artikel 2
                                werkzaamheden aanbieden, dat de betrokkene dient te verrichten met
                                behoud van uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van werken met behoud van uitkering is het opdoen van
                                werkritme, het leren functioneren in een arbeidsrelatie en het
                                bevorderen van maatschappelijke participatie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vrijwilligerswerk behoort tot de mogelijkheden voor werk met behoud
                                van uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college plaatst alleen de persoon indien hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet worden beïnvloed en er geen
                                verdringing plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Participatieplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan uitkeringsgerechtigde personen bedoeld in artikel 2
                                een participatieplaats aanbieden, waarbij voor tenminste 12 uur per
                                week additionele, onbetaalde werkzaamheden worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de participatieplaats is om uitkeringsgerechtigden die
                                door persoonlijke werkbelemmeringen niet bemiddelbaar zijn dichter
                                bij de arbeidsmarkt te brengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De participatieplaats duurt twee jaar inclusief de eventuele inzet
                                van onbetaalde arbeid op grond van artikel 9 van de
                                re-integratieverordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in lid 3 genoemde termijn kan tweemaal met één jaar worden
                                verlengd, met in achtneming van hetgeen gesteld is in artikel 10a
                                lid 9 en lid 10 van de Wet werk en bijstand.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De werkzaamheden in een participatieplaats zijn additioneel van aard
                                en gericht op re-integratie.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor zover de belanghebbende niet beschikt over een
                                startkwalificatie wordt binnen 6 maanden na aanvang van de
                                onbeloonde additionele werkzaamheden door het college bekeken in
                                hoeverre scholing of opleiding kan bijdragen aan vergroting van de
                                kans op inschakeling in het arbeidsproces.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Met betrekking tot de aan te bieden scholing geldt hetgeen is
                                bepaald in artikel 17 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college kan eisen stellen aan werkgevers met betrekking tot
                                begeleiding en de investering in scholing van de deelnemers op een
                                participatieplaats.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De organisatie waar personen op een participatieplaats geplaatst
                                worden draagt er zorg voor dat de geplaatste personen gedurende hun
                                werk verzekerd zijn tegen wettelijke aansprakelijkheid.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Het college kan bij uitvoeringsbesluit nadere regels stellen met
                                betrekking tot de inzet van participatieplaatsen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Proefplaatsing en stages</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan personen bedoeld in artikel 2 een proefplaatsing of
                                stage aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De proefplaatsing of stage heeft tot doel de belanghebbende, met
                                behoud van uitkering, werkervaring op te laten dan wel te leren
                                functioneren in een arbeidsrelatie. Een proefplaatsing of stage kan
                                geen einddoel zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een proefplaatsing of stage kent een maximale duur van 6 maanden,
                                waarbij deze termijn kan worden verlengd tot maximaal 1 jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Werkervaringsplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een subsidie verstrekken aan werkgevers die met een
                                persoon bedoeld in artikel 2 een arbeidsovereenkomst aangaat voor
                                    <cursief>bepaalde</cursief> duur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een werkervaringsplaats is het opdoen van werkervaring,
                                al dan niet in combinatie met een scholingstraject.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Detachering vanuit de formele werkgever bij andere ondernemingen
                                behoort tot de mogelijkheden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt bij uitvoeringsbesluit regels ten aanzien van de
                                duur en hoogte van de subsidie en de voorwaarden verbonden aan de
                                subsidieverstrekking.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet worden beïnvloed en er geen
                                verdringing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij het gestelde in lid 5 wordt in beginsel geen onderscheid gemaakt
                                naar sector of onderneming. Wanneer dit wel gebeurt en er daarmee
                                sprake kan zijn van staatssteun in de zin van artikel 87 lid 1 EG,
                                zullen de bepalingen van de van EG-verordening Werkgelegenheidssteun
                                (nr. 2204/2002) worden nageleefd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Loonkostensubsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan subsidie verstrekken aan werkgevers die met een
                                persoon bedoeld in artikel 2een arbeidsovereenkomst sluiten
                                gericht op <cursief>duurzame</cursief> arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt bij uitvoeringsbesluit regels ten aanzien van de
                                duur en hoogte van de subsidie en de voorwaarden verbonden aan de
                                subsidieverstrekking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet worden beïnvloed en er geen
                                verdringing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het gestelde in lid 3 wordt in beginsel geen onderscheid gemaakt
                                naar sector of onderneming. Wanneer dit wel gebeurt en er daarmee
                                sprake kan zijn van staatssteun in de zin van artikel 87 lid 1 EG,
                                zullen de bepalingen van de van EG-verordening Werkgelegenheidssteun
                                (nr. 2204/2002) worden nageleefd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Wiw en ID</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de uitvoering van de dienstbetrekkingen
                                als bedoeld in artikel 4 van de Wiw zoals die luidde op 31-12-2003
                                en stimuleert de uitstroom naar regulier niet-gesubsidieerd
                                werk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de subsidiëring van de
                                dienstbetrekkingen zoals bedoeld in artikel 6 van het Besluit In- en
                                doorstroombanen, zoals dit besluit luidde op 31-12-2003, en voor de
                                subsidiëring van arbeidsovereenkomsten als bedoeld in artikel 5
                                eerste lid van de Wiw, zoals die luidde op 31-12-2003 en stimuleert
                                de uitstroom. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De dienstbetrekkingen en arbeidsovereenkomsten genoemd in het eerste
                                en tweede lid zijn vanaf het moment van inwerkingtreding van de Wwb
                                voorzieningen in de zin van de Wwb. Het college kan nadere
                                voorwaarden stellen aan de subsidieverstrekking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Premies en vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt uitkeringsgerechtigde personen die tot de
                                doelgroep behoren premies die tot doel hebben de activering en
                                arbeidsinschakeling te bevorderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan vergoedingen verstrekken voor kosten die gemaakt
                                zijn in het kader van de arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt bij uitvoeringsbesluit nadere regels over
                                doelgroepen, de voorwaarden voor verstrekking en de hoogte van de te
                                verstrekken premies en vergoedingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college verstrekt aan een uitkeringsgerechtigde die voor
                                tenminste 12 uur per week werkzaam is in een participatieplaats na
                                iedere zes maanden een premie, onder voorwaarde dat belanghebbende
                                naar oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het
                                vergroten van de zijn kans op inschakeling in het
                                arbeidsproces.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De hoogte van de in lid 4 genoemde premie is afhankelijk van het
                                gemiddeld aantal gewerkte uren per week in de voorafgaande 6 maanden
                                en bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>€ 600,- bij een gemiddelde uren-inzet van 12 tot 20 uur per
                                        week;</al></li><li nr="b."><al>€ 1.000,- bij een gemiddelde uren-inzet vanaf 20 uur per
                                        week.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het recht op een premie als bedoeld in het vierde lid wordt elke zes
                                maanden beoordeeld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan als onderdeel van een traject activiteiten in
                                het kader van sociale activering en/of vrijwilligerswerk aanbieden
                                gericht op arbeidsinschakeling of, als dat nog niet mogelijk is,
                                gericht op zelfstandige maatschappelijke participatie en het
                                voorkomen van sociaal isolement.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Activiteiten als bedoeld in lid 1 hebben als doel de cliënt met
                                behoud van uitkering werkritme op te laten doen en/of behouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vrijwilligerswerk wordt alleen verricht bij organisaties zonder
                                winstoogmerk. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Dit instrument kan ingezet worden wanneer door het college aan de
                                hand van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende op
                                (middel-)lange termijn een reëel perspectief heeft op regulier werk,
                                dan wel dat dit perspectief onduidelijk is en dat inzet van het
                                instrument wenselijk is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Gewoon vrijwilligerswerk van cliënt wordt altijd toegestaan, zolang
                                dit de arbeidsinschakeling op de arbeidsmarkt niet in de weg
                                staat.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor het verrichten van vrijwilligerswerk kan het college een
                                onkostenvergoeding verstrekken tot het wettelijke maximum per
                                jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een vorm van scholing aanbieden gericht op
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde scholing kan aangeboden worden in de
                                vorm van een subsidie in de kosten van deze scholing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor scholing die wordt aangeboden of waarvoor subsidie wordt
                                verleend geldt de volgende voorwaarde: scholing dient kortdurend te
                                zijn en gericht op snelle arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt bij uitvoeringsbesluit nadere regels ten aanzien
                                van de noodzakelijkheid van de scholing, de duur en de maximaal te
                                vergoeden kosten.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Voor een uitkeringsgerechtigde op grond van de Algemene bijstandswet,
                            zoals die luidde op 31-12-2003, of een persoon met een
                            arbeidsovereenkomst in het kader van de Wiw vóór inwerkingtreding van
                            deze verordening is uitgestroomd naar een reguliere dan wel
                            gesubsidieerde arbeidsplaats in het kader van het Besluit ID-banen of de
                            Wet sociale werkvoorziening, blijft de “Verordening Uitstroomsubsidie
                            2002“ van kracht. In dat geval bestaat geen recht op de premie als
                            bedoeld in artikel 15 van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Hardheidsclausule en onvoorziene omstandigheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                                belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening,
                                indien toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende
                                aard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>Het college is belast met de uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Re-integratieverordening Wet werk
                            en bijstand 2010”. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie.</al></li><li nr="2."><al>Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de
                                        <cursief>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2009
                                    </cursief>ingetrokken;</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering</ondertekening><ondertekening>Van</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>drs. W.C.M. Voeten. Mw. H. van Rijnbach-de Groot.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting algemeen</tussenkop><al>Met ingang van 1 januari 2004 is de Wet werk en bijstand (Wwb) inwerking
                    getreden. Deze wet heeft de Algemene bijstandswet (Abw), de Wet werk en bijstand
                    (Wwb), de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz (Wfa), de Wet inschakeling
                    werkzoekenden (Wiw) en het Besluit In- en doorstroombanen vervangen. </al><al>Ten opzichte van de Abw legt de Wwb meer nadruk op de eigen verantwoordelijkheid
                    van de burger om in zijn of haar eigen bestaan te voorzien. Bijstand geldt
                    slechts als laatste vangnet wanneer arbeid in eerste instantie niet tot de
                    mogelijkheden behoort. Met andere woorden, het uitgangspunt is ‘werk boven
                    uitkering’.</al><al>Tegenover de grotere eigen verantwoordelijkheid van de burger staat daarbij wel
                    de taak van de gemeente om, wanneer de burger hiertoe niet zelfstandig in staat
                    blijkt te zijn, ondersteuning te bieden bij het vinden van werk. </al><al>De sterkere nadruk op de arbeidstoeleiding komt binnen de Wwb tot uitdrukking in
                    een verruiming van de plicht om arbeid te accepteren en het vervallen van de
                    wettelijke gronden voor categoriale ontheffingen van de arbeidsverplichting en
                    een meer op maatwerk gerichte aanpak waarbij ingespeeld wordt op de individuele
                    omstandigheden van cliënten.</al><al>De Wwb schrijft voor dat de gemeenteraad een re-integratieverordening vaststelt
                    waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt
                    vastgelegd (artikel 8 Wwb). In de “Re-integratieverordening Wet werk en bijstand
                    2004” wordt dit beleid voor de gemeente Etten-Leur uitgewerkt. Daarbij worden de
                    kaders zoals vastgesteld in de Beleidskadernotitie (raadsbesluit 15 december
                    2003) als uitgangspunt genomen.</al><al>De artikelen 1 tot en met 7 vormen de basis van de verordening. Hierin zijn de
                    doelgroep, de opdracht aan het college en de verplichtingen verbonden aan de
                    ondersteuning door het college opgenomen. In de artikelen 8 tot en met 14 worden
                    de voorzieningen beschreven die de gemeente in kan zetten om personen uit de
                    doelgroep te ondersteunen bij de arbeidsinschakeling.</al><tussenkop>Relatie met andere verordeningen</tussenkop><al>In het kader van de Wwb dient de gemeente een verordening op te stellen waarin
                    de gevolgen van het niet-nakomen van de verplichtingen zoals die zijn opgenomen
                    in deze re-integratieverordening, worden vastgelegd. Aan het niet-nakomen van
                    verplichtingen gericht op de arbeidsinschakeling kan de gemeente consequenties
                    verbinden aan de hoogte van de uitkering. De zogenaamde afstemmingsverordening
                    kent dan ook een nauwe relatie met de re-integratieverordening. </al><al>De afstemmingsverordening wordt tegelijkertijd met de re-integratieverordening
                    aan de gemeenteraad aangeboden.</al><tussenkop>Toelichting artikelsgewijs</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepaling</tussenkop><al>In onderhavig artikel wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepaling
                    van de Wet werk en bijstand. De begrippen betreffen met name de doelgroepen
                    waarvoor deze verordening van toepassing is.</al><tussenkop>Artikel 2 Doelgroep</tussenkop><al>De gemeente is onder de Wwb verantwoordelijk voor het ondersteunen van
                    uitkeringsgerechtigden, niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekenden (nuggers) en
                    personen met een uitkering in het kader van de Algemene Nabestaandenwet
                    (Anw-ers) bij het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid en, voor zover
                    nodig, het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. De
                    persoon behorende tot deze doelgroep dient als werkloos werkzoekend ingeschreven
                    te staan bij het Centrum voor Werk en Inkomen.</al><tussenkop>Artikel 3 Opdracht aan het college</tussenkop><al>In het eerste lid is de opdracht aan het college weergegeven conform artikel 7
                    van de Wwb. </al><al>Belanghebbenden kunnen aanspraak maken op ondersteuning, maar er is geen sprake
                    van een afdwingbaar recht. Het college beoordeelt, na afweging van de
                    individuele capaciteiten, mogelijkheden en omstandigheden, of ondersteuning
                    noodzakelijk is en welke voorziening noodzakelijk is om re-integratie via een zo
                    kort mogelijke weg te realiseren. Daarbij streeft het college naar duurzame
                    uitstroom naar de arbeidsmarkt.</al><al>Het tweede lid bepaalt dat de gemeente een evenwichtige aandacht moet besteden
                    aan de verschillende doelgroepen, alsmede de doelgroepen daarbinnen, zoals
                    etnische minderheden, arbeidsgehandicapten, etc (artikel 8 tweede lid Wwb).</al><al>Het college moet ook randvoorwaarden creëren waardoor belemmeringen tot het
                    aanvaarden van (een traject gericht op) algemeen geaccepteerde arbeid in verband
                    met de combinatie arbeid en zorg worden weggenomen. Met andere woorden, het
                    college moet zich er van vergewissen dat de noodzakelijke zorgvoorziening zoals
                    kinderopvang aanwezig zijn voordat de sollicitatieplicht wordt opgelegd c.q. de
                    weg naar arbeidsinschakeling wordt ingeslagen. Dit wordt in lid vier geregeld. </al><tussenkop>Artikel 4 Rechten en plichten van de cliënt</tussenkop><al>Het eerste lid stelt dat een uitkeringsgerechtigde persoon behorende tot de
                    doelgroep verplicht is naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen
                    en deze te accepteren. </al><al>Met het begrip algemeen geaccepteerde arbeid wordt daarbij bedoeld: alle arbeid
                    die algemeen maatschappelijk aanvaard is. Uitgangspunt van de Wwb is dat de weg
                    naar arbeid zo kort mogelijk dient te zijn en dat iedere vorm van arbeid
                    geaccepteerd dient te worden. Er mogen geen eisen gesteld worden aan de
                    aansluiting van de arbeid aan het opleidingsniveau, eerder opgedane werkervaring
                    en het beloningsniveau. Ook arbeid van tijdelijke aard dient geaccepteerd te
                    worden. </al><al>Onder algemeen geaccepteerde arbeid wordt tevens verstaan gesubsidieerde arbeid,
                    met uitzondering van werk in het kader van de Wet sociale werkvoorziening.
                    Opgemerkt wordt dat uitstroom naar gesubsidieerde arbeid geen einddoel kan zijn.
                    Het streven is naar arbeidsinschakeling, zonder dat daarbij gebruik wordt
                    gemaakt van een daarop gerichte voorziening die door de gemeente wordt
                    aangeboden. </al><al>Met nadruk wordt nog opgemerkt dat het gaat om werk dat maatschappelijk aanvaard
                    is. </al><al>Werkzaamheden die niet algemeen geaccepteerd zijn, zoals prostitutie, zijn
                    hiermee natuurlijk uitgesloten. Ook werkzaamheden die ingaan tegen de
                    integriteit van de persoon, zoals werkzaamheden die gewetensbezwaren oproepen,
                    worden uitgesloten. Verder moet er getoetst worden op de persoonlijke
                    omstandigheden van de klant en zijn/haar mogelijkheden in verband met gezondheid
                    en belastbaarheid. Daarnaast speelt ook het werkloosheidsrisico van de
                    betrokkene een belangrijke rol. Naarmate de kans op terugval in de bijstand of
                    arbeidsongeschiktheid groter is, kan de gemeente ervoor kiezen eerst dit risico
                    door bijvoorbeeld een scholingstraject te verlagen, voor de betrokkene te
                    verplichten arbeid te accepteren. Duurzame uitstroom naar arbeid staat immers
                    voorop. Dit betekent ook dat er in eerste instantie gezocht zal worden naar
                    passende arbeid, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten op het
                    opleidingsniveau en werkervaring van de betrokkene. Pas wanneer dergelijk werk
                    niet voorhanden is, komt ander werk in beeld.</al><al>Voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid kan een persoon uit de
                    doelgroep aanspraak maken op ondersteuning door de gemeente. Het college bepaalt
                    hoe de aanspraak op ondersteuning wordt ingevuld, of daarbij de inzet van een
                    voorziening gewenst is en welke voorziening het meest doelmatig is om het
                    beoogde doel te realiseren (lid twee).</al><al>Indien er sprake is van een voorliggende voorziening kan het college besluiten
                    geen ondersteuning te bieden indien de voorliggende voorziening naar mening van
                    het college in voldoende mate bijdraagt aan de re-integratie van de betrokken
                    persoon. Dit wordt in lid drie geregeld.</al><al>Het vijfde lid verwijst naar de afstemmingsverordening. Deze verordening regelt
                    het opleggen van een maatregel indien de uitkeringsgerechtigde niet voldoet aan
                    zijn verplichtingen. Deze maatregel bestaat uit het verlagen van de uitkering
                    met een bepaald percentage. </al><al>Echter voor niet-uitkeringsgerechtigde personen en Anw-ers kan de gemeente de
                    uitkering niet verlagen als maatregel. Eventuele consequenties van het
                    niet-nakomen van verplichtingen door deze groep worden in artikel 5
                    geregeld.</al><al>Lid zes regelt de verplichtingen voor een persoon die deelneemt aan een
                    voorziening, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit wet- en
                    regelgeving. </al><tussenkop>Artikel 5 Niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers</tussenkop><tussenkop>Ook niet-uitkeringsgerechtigden en personen met een uitkering op grond
                    van de Algemene nabestaandenwet behoren tot de doelgroep van de gemeentelijke
                    re-integratieverantwoordelijk-heid. Daarbij geldt ook dat zij aanspraak kunnen
                    maken op ondersteuning. Ook hierbij geldt dat het gaat om een voorziening die
                    via de kortste weg leidt tot duurzame arbeidsparticipatie. </tussenkop><al>In tegenstelling tot uitkeringsgerechtigden is er bij
                    niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers vaak al sprake van een (gezins)inkomen,
                    waarmee gesteld kan worden dat zij over meer middelen beschikken dan
                    uitkeringsgerechtigden. Het college kan een inkomensgrens instellen voor het
                    recht op (financiële) ondersteuning of het instellen van een eigen bijdrage. Dit
                    wordt geregeld in lid twee en drie.</al><al>Anders dan bij uitkeringsgerechtigden kennen niet-uitkeringsgerechtigden en
                    ANW-ers geen verplichtingen die voortvloeien uit een uitkering. De gemeente
                    loopt in dat geval, met het oog op een doelmatige inzet van de toch al beperkt
                    beschikbare middelen, een risico bij voortijdige beëindiging van het
                    re-integratietraject. Lid vier geeft het college de mogelijkheid van
                    terugvordering van (een deel van) de kosten in geval een
                    niet-uitkeringsgerechtigde of Anw-er niet voldoet aan de verplichtingen
                    beschreven in artikel 4.</al><tussenkop>Artikel 6 Ontheffingen arbeidsverplichtingen</tussenkop><al>In beginsel dient iedere uitkeringsgerechtigde algemeen geaccepteerde arbeid te
                    aanvaarden. Niettemin dient de gemeente ook daarbij rekening te houden met de
                    persoonlijke omstandigheden van de cliënt. Maatwerk draagt immers bij aan
                    duurzame uitstroom. In individuele gevallen kan het college van burgemeester en
                    wethouders vanwege dringende redenen afzien van het opleggen van de
                    arbeidsverplichting en voorzien in een <cursief>tijdelijke</cursief> ontheffing
                    op de verplichting tot het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. Het
                    eventueel verschaffen van een ontheffing dient daarbij op individuele gronden
                    getoetst te worden. Categoriale ontheffingen zijn daarbij
                        <cursief>niet</cursief> meer mogelijk.</al><al>In de Wwb wordt niet gespecificeerd wat dringende redenen zijn, maar gedacht kan
                    worden aan psychische dan wel medische redenen. Niettemin zijn dit niet
                    automatisch reden voor ontheffing van de arbeidsverplichtingen. De Wwb gaat er
                    daarbij wel vanuit dat de gemeente in deze situaties maatwerk levert en in
                    eerste instantie specifieke ondersteuning aanbiedt om belemmeringen weg te
                    nemen. Daar waar de ondersteuning niet toereikend is om de aanwezige
                    belemmeringen geheel of gedeeltelijk op te heffen, dient het college de op te
                    leggen verplichtingen aan te passen aan de mogelijkheden die de betrokkene wel
                    heeft. Een zorgvuldige afweging waarbij in de eerste plaats recht wordt gedaan
                    aan de capaciteiten van de betrokkene, staat dus voorop. </al><al>Zorgtaken, waaronder de zorg voor kinderen, kunnen als dringende reden worden
                    aangemerkt voor zover hiermee geen rekening kan worden gehouden door middel van
                    een voorziening (kinderopvang in geval van alleenstaande ouders). Artikel 9 lid
                    4 van de Wwb stelt dat <cursief>‘de verplichting om algemeen geaccepteerde
                        arbeid te aanvaarden voor de alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar
                        slechts geldt nadat het college zich genoegzaam heeft overtuigd van de
                        beschikbaarheid van passende kinderopvang, de toepassing van voldoende
                        scholing en de belastbaarheid van de betrokkene’</cursief>. </al><al>Benadrukt wordt dat een ontheffing slechts tijdelijk verleend kan worden,
                    waarbij eventuele verlenging mogelijk is na herbeoordeling van de belemmeringen
                    tot arbeidsinschakeling. Snelle arbeidsinschakeling dient echter het
                    uitgangspunt te zijn. Immers, hoe langer een persoon niet actief is op de
                    arbeidsmarkt hoe groter zijn/haar afstand tot die arbeidsmarkt wordt en daarmee
                    ook de kans op sociale uitsluiting en armoede. </al><tussenkop>Artikel 7 Beëindiging</tussenkop><al>Dit artikel geeft aan dat het college kan besluiten een voorziening te
                    beëindigen en in welke gevallen zij dat kan doen. </al><tussenkop>Artikel 8 Voorzieningen</tussenkop><al>De re-integratieverantwoordelijkheid voor de in artikel 2 genoemde doelgroepen
                    brengt met zich mee dat het college, wanneer zij dat nodig acht, belanghebbenden
                    ondersteuning moet bieden bij de arbeidsinschakeling in de vorm van het
                    aanbieden van voorzieningen.</al><al>Lid twee beschrijft de doelstelling van de inzet van voorzieningen gericht op
                    arbeidsinschakeling. De lijst van mogelijke voorzieningen in lid drie betreft
                    een niet-uitputtende opsomming.</al><tussenkop>Artikel 9 Werken met behoud van uitkering</tussenkop><al>In het kader van de plicht tot arbeidsinschakeling is binnen de Wwb werken met
                    behoud van uitkering als instrument mogelijk. Dit kan in het kader van
                    activiteiten in de sfeer van sociaal activering (vrijwilligerswerk), maar ook
                    als onderdeel van een re-integratietraject. Voorwaarde is dat het een positieve
                    bijdrage levert aan de mogelijkheden voor arbeidsinschakeling. Het kan dus nooit
                    louter gaan om een budgetvriendelijke oplossing voor het doen verrichten van
                    maatschappelijk nuttige activiteiten waarvoor geen of onvoldoende publieke
                    financiering voorhanden is. Met andere woorden, het verbeteren van de
                    re-integratiekansen van de klant is hierbij het uitgangspunt en niet de
                    productieve waarde voor de werkgever. Hieruit volgt dat de verplichting om mee
                    te werken aan werkzaamheden met behoud van uitkering alleen mag worden opgelegd
                    indien de te verrichten werkzaamheden bijdragen aan de kansen op uitstroom naar
                    regulier werk. De gemeente heeft dan dus vastgesteld dat de belanghebbende baat
                    heeft bij het opdoen van werkervaring dan wel enige tijd nodig heeft om te
                    wennen aan aspecten die samenhangen met het verrichten van betaalde arbeid,
                    zoals regelmaat, gezagsverhoudingen etc. Daarmee is altijd sprake van een
                    beperkte periode en over het algemeen moeten de werkzaamheden gepaard gaan met
                    een goede begeleiding en moeten zij afgestemd worden op de capaciteiten van de
                    belanghebbende.</al><tussenkop>Artikel 10 Participatieplaatsen</tussenkop><al>Participatieplaatsen zijn bedoeld voor mensen die op grond van persoonlijke
                    werkbelemmering-en niet naar regulier werk bemiddeld kunnen worden. De
                    werkzaamheden dienen additioneel van aard te zijn en op re-integratie gericht.
                    Het mogen werkzaamheden zijn die maatschappelijk als nuttig worden ervaren.
                    Werkgevers zijn verplicht te investeren in begeleiding en scholing van mensen.
                    De participatieplaats kan in eerste instantie maximaal 2 jaar worden ingezet.
                    Voor afloop van deze termijn dient een evaluatie plaats te vinden, waarbij
                    beoordeeld dient te worden of de participatieplaats nog het meest geschikte
                    instrument is, of dat een andere re-integratie-voorziening meer adequaat is.
                    Indien dit niet het geval is kan de participatieplaats voor de duur van een jaar
                    verlengd worden. Dit onder de voorwaarde dat de participatieplaats in een andere
                    organisatie gevonden wordt en dat de werkzaamheden ook anders van aard zijn.
                    Voor het einde van het derde jaar vindt opnieuw een evaluatie plaats. Indien de
                    participatieplaats nog steeds de meest adequate voorziening is dan kan die voor
                    de laatste keer voor de duur van een jaar verlengd worden. In totaal kan een
                    participatieplaats daarmee vier jaar doorlopen. Perioden van onbetaald werk in
                    een Work First- traject voorafgaand aan de participatieplaats tellen mee in de
                    maximale termijn van vier jaar. </al><tussenkop>Artikel 11 Proefplaatsing en stages</tussenkop><al>Het doel van proefplaatsing of stage is de klant, met behoud van uitkering,
                    werkervaring op te laten doen in een reguliere werksituatie. Groot voordeel voor
                    de werkgever is dat hij een langere periode dan de proeftijd de tijd krijgt om
                    de potentiële werknemer in te passen en te beoordelen of een arbeidscontract
                    reëel is. Uitgangspunt is een maximale duur van zes maanden; eventueel kan deze
                    termijn worden verlengd tot maximaal 1 jaar. Bedoeling is dat aansluitend een
                    arbeidscontract wordt aangeboden van tenminste 1 jaar.</al><tussenkop>Artikel 12 Werkervaringsplaatsen</tussenkop><al>Ook werkervaringsplaatsen worden ingezet voor een klant die nog een opstap nodig
                    heeft naar regulier werk. Het doel is het opdoen van werkervaring al dan niet in
                    combinatie met scholing. Verschil met een proefplaatsing of stage is dat er hier
                    sprake is van een arbeidsovereenkomst met een werkgever. De gemeente verstrekt
                    hierbij een tijdelijke subsidie aan de werkgever ter dekking van (een deel) van
                    de loonkosten.</al><al>De duur en de hoogte van de subsidie is afhankelijk van de potentiële
                    productiviteit van de kandidaat en zijn afstand tot de arbeidsmarkt. Voor een
                    klant in fase 2 geldt een lager subsidiebedrag en een kortere subsidieduur dan
                    een klant in fase 3. </al><al>Het college van b&amp;w stelt bij uitvoeringsbesluit nadere regels ten aanzien
                    van de duur en hoogte van de subsidie en de voorwaarden verbonden aan de
                    subsidieverstrekking.</al><al>Het vijfde lid stelt dat er door plaatsing geen verdringing mag plaatsvinden of
                    sprake is van nadelige beïnvloeding van de concurrentieverhoudingen.</al><tussenkop>Artikel 13 Loonkostensubsidies</tussenkop><al>Het betreft hier structurele werkgelegenheid waarbij de werkgever voor de duur
                    van één tot maximaal twee jaar een loonkostensubsidie ontvangt ter compensatie
                    van de lagere productiviteit van de uitkeringsgerechtigde die hij in dienst
                    neemt. Het moet hierbij gaan om een duurzame arbeidsrelatie. Gedurende deze
                    periode krijgt de werkgever daarmee de gelegenheid de uitkeringsgerechtigde in
                    te passen in zijn arbeidsproces. Ook hier zal de hoogte en duur van de
                    loonkostensubsidie variëren met de afstand tot de arbeidsmarkt van de
                    betreffende cliënt (Hoe kleiner de afstand tot de arbeidsmarkt/hoe groter de
                    productieve waarde, hoe korter en beperkter de subsidie).Het college van b&amp;w
                    stelt bij uitvoeringsbesluit nadere regels ten aanzien van de duur en hoogte van
                    de subsidie en de voorwaarden verbonden aan de subsidieverstrekking.</al><al>Het derde lid stelt dat er door plaatsing geen verdringing mag plaatsvinden of
                    sprake is van nadelige beïnvloeding van de concurrentieverhoudingen.</al><tussenkop>Artikel 14 Wiw en ID</tussenkop><al>Met de inwerkingtreding van Wwb komen de Wet inschakeling werkzoekenden en het
                    Besluit ID-banen te vervallen. Daarmee vervalt ook de grondslag voor de
                    gesubsidieerde arbeidsplaatsen in het kader van beide regelingen. De
                    dienstverbanden die voor 1-1-2004 reeds gerealiseerd waren zullen echter worden
                    voortgezet voor de duur van de lopende arbeidsovereenkomsten. </al><tussenkop>Artikel 15 Premies en vergoedingen</tussenkop><al>Om activering en uitstroom naar de arbeidsmarkt te bevorderen verstrekt de
                    gemeente premies. Daarnaast kan de gemeente gemaakte kosten voor
                    arbeidsinschakeling vergoeden. Het college zal bij uitvoeringsbesluit de gronden
                    en voorwaarden voor premieverstrekking en vergoeding van gemaakte kosten nader
                    uitwerken.</al><tussenkop>Artikel 16 Sociale activering</tussenkop><al>Sociale activering omvat alle activiteiten die tot doel hebben het voorkomen of
                    doorbreken van sociaal isolement en het bevorderen van maatschappelijke
                    participatie. Voor klanten met een zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt kan
                    het een eerste stap richting de arbeidsmarkt betekenen. Vrijwilligerswerk is een
                    van de activiteiten die in het kader van sociale activering ondernomen kan
                    worden. De activiteiten worden door de klant verricht met behoud van uitkering
                    en kunnen alleen verricht worden bij organisaties zonder winstoogmerk (lid 2 en
                    3). </al><al>Het verrichten van vrijwilligerswerk mag echter geen belemmering vormen voor het
                    accepteren van betaalde arbeid. Een uitkeringsgerechtigde die behoort tot de
                    doelgroep die vrijwilligerswerk verricht zal algemeen geaccepteerde arbeid
                    dienen te accepteren wanneer hem/haar dat wordt aangeboden. Dit wordt in lid 5
                    bepaald.</al><tussenkop>Artikel 17 Scholing</tussenkop><al>In het kader van een re-integratietraject kan scholing ingezet worden met als
                    doel de persoon behorende tot de doelgroep vaardigheden bij te brengen die
                    noodzakelijk zijn voor arbeidsinschakeling. De scholing die ingezet wordt dient
                    kortdurend te zijn en gericht op een snelle arbeidsinschakeling. Tevens kan het
                    college de persoon uit de doelgroep een subsidie verstrekken die de betrokkene
                    in staat stelt scholing te volgen. Daarbij blijft het gestelde in artikel 3 lid
                    1 van kracht: het college bepaalt of de te volgen scholing noodzakelijk is en
                    zal hiervoor toestemming moeten verlenen.</al><tussenkop>Artikel 18 Overgangsbepalingen</tussenkop><al>Voor personen die vóór de inwerkingtreding van deze verordening zijn
                    uitgestroomd uit de bijstand, dan wel uit een dienstverband in het kader van de
                    Wiw naar een reguliere arbeidsplaats of gesubsidieerde arbeidsplaats in het
                    kader van het Besluit ID-banen of de Wet sociale werkvoorziening, blijft de
                    “Verordening uitstroomsubsidie 2002” van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 19 Hardheidsclausule en onvoorziene omstandigheden</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 20 Uitvoering</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 21 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 22 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>