<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR92154_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening toeslagen en verlagingen Wet investeren in jongeren 2010 gemeente Etten-Leur</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Etten-Leur</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Etten-Leur</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Etten-Leurse bode, 10-01-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening toeslagen en verlagingen Wet investeren in jongeren 2010 gemeente Etten-Leur</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=147&amp;g=2009-12-22">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0026054&amp;artikel=12 en 35&amp;g=2009-12-22">Wet investeren in jongeren, art. 12 en 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-01-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-06-13</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>SL</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Inkomensvoorzieningen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening toeslagen en verlagingen Wet investeren in jongeren 2010 gemeente
                Etten-Leur</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Etten-Leur;</al><al>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 10 november 2009,
                        met overneming van de daarin vermelde motieven;</al><al>Gelet op artikel 147, eerste lid, Gemeentewet en de artikelen 12, eerste
                        lid, onderdeel e en 35, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren
                        (WIJ);</al><al>Overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het
                        verlagen van uitkeringen van jongeren van 18 jaar of ouder doch jonger dan
                        27 jaar bij verordening te regelen;</al><al>B E S L U I T:</al><al>Vast te stellen de </al><al><vet>Verordening toeslagen en verlagingen Wet investeren in jongeren 2010
                            gemeente Etten-Leur</vet>.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>De wet: de Wet investeren in jongeren;</al></li><li nr="2."><al>Gehuwdennorm: de norm bedoeld in artikel 28, eerste lid
                                    onderdeel d, van de wet;</al></li><li nr="3."><al>College: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Etten-Leur;</al></li><li nr="4."><al>Woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op
                                    de huurtoeslag, als mede een woonwagen of woonschip, als bedoeld
                                    in artikel 3, zesde lid, Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="5."><al>Woonkosten: </al><lijst><li nr="a)"><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand
                                            geldende huurprijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel d,
                                            van de Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="b)"><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag
                                            per maand omgerekende som van de verschuldigde
                                            hypotheekrente en de in verband met het in eigendom
                                            hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een
                                            naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                                            onderhoud;</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr></kop><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor jongeren van 21
                            jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar. In geval van gehuwden gelden de
                            bepalingen van deze verordening alleen indien de gehuwden beiden 21 jaar
                            of ouder doch jonger dan 27 jaar zijn.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE NORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De norm wordt op grond van artikel 30, eerste lid, van de wet
                                verhoogd met een toeslag indien de alleenstaande of de alleenstaande
                                ouder hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan
                                waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel
                                kunnen delen van deze kosten met een ander.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald op 20% van de
                                gehuwdennorm voor de jongere in wiens woning geen ander zijn
                                hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald op 10% van de
                                gehuwdennorm voor de jongere die met één ander die in dezelfde
                                woning zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Geen toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als de
                                jongere met twee of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde
                                woning heeft.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE NORM OF
                            TOESLAG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De norm voor gehuwden wordt op grond van artikel 31 van de wet lager
                                vastgesteld indien de belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke
                                kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm voorziet als gevolg
                                van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van de kosten met een
                                ander.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 10% van de
                                gehuwdennorm voor gehuwden die met één ander hun hoofdverblijf in
                                dezelfde woning hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 20% van de
                                gehuwdennorm voor gehuwden die met twee of meer anderen hun
                                hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:</nr></kop><al>De verlaging van de norm of toeslag bedoeld in artikel 32 van de wet als
                            gevolg van de woonsituatie bedraagt </al><lijst><li nr="1."><al>20% van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan
                                    voor de jongere geen woonkosten verbonden zijn;</al></li><li nr="2."><al>10 % van de gehuwdennorm indien geen woning bewoond wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:</nr></kop><al>De verlaging van de toeslag bedoeld in artikel 34 van de wet
                            bedraagt:</al><lijst><li nr="1."><al>20% van de gehuwdennorm indien het een jongere van 21 jaar
                                    betreft;</al></li><li nr="2."><al>10% van de gehuwdennorm indien het een jongere van 22 jaar
                                    betreft;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:</nr></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 6 van deze verordening
                            geschiedt zodanig dat de toepasselijke norm tenminste bedraagt:</al><lijst><li nr="1."><al>50% van de gehuwdennorm voor een alleenstaande;</al></li><li nr="2."><al>70% van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder;</al></li><li nr="3."><al>80% van de gehuwdennorm voor gehuwden;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is belast met de uitvoering van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:</nr></kop><al>Door of namens het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van
                            belanghebbende worden afgeweken van de bepalingen van deze verordening,
                            indien toepassing hiervan tot onbillijkheden van overwegende aard
                            leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:</nr></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:</nr></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening toeslagen en
                            verlagingen Wet investeren in jongeren 2010 gemeente Etten-Leur.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering</ondertekening><ondertekening>van </ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>drs. W.C.M. Voeten. Mw. H. van Rijnbach-de Groot.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><titel>Verordening toeslagen en verlagingen Wet investeren in jongeren</titel></kop><tussenkop><vet>De Wet investeren in jongeren en de
                        inkomensvoorziening</vet></tussenkop><al>Op 1 oktober 2009 treedt de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking.
                    Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in regulier werk
                    van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de wet een recht op een
                    zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust op de uitgangspunt
                    dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende kwalificaties beschikken
                    gemakkelijker aan het werk zullen komen en daardoor zelfstandig in hun
                    levensonderhoud kunnen voorzien. </al><al>De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling van alle
                    jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Daartoe moeten
                    gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen. Afgeleide van het
                    werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor jongeren vanaf 18 jaar als de
                    jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze inkomensvoorziening is alleen
                    beschikbaar als het werkleeraanbod wegens in de persoon van de jongere gelegen
                    of niet verwijtbare omstandigheden zijnerzijds geen optie is, dit aanbod
                    onvoldoende inkomsten genereert of er nog geen werkleeraanbod kan worden gedaan.
                    De samenhang tussen het werkleeraanbod enerzijds en de inkomensvoorziening
                    anderzijds is een bepalend element in de WIJ.</al><al>De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel anders dan de
                    WWB, waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als afgeleide de plicht tot
                    arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een ‘paradigmawisseling’ beoogd: is het
                    uitgangspunt in de WWB ‘een uitkering, mits’ in de WIJ is dit omgedraaid en
                    geldt als uitgangpunt ‘geen uitkering, tenzij’. Deze uitkering, de zogenaamde
                    inkomensvoorziening, volgt in grote lijnen de WWB voor wat betreft de
                    voorwaarden die aan het recht zijn verbonden en de normering die geldt voor de
                    hoogte van deze voorziening.</al><al>Evenals in de WWB bestaat de inkomensvoorziening uit een rijksgeregeld deel (de
                    norm) die binnen bepaalde grenzen verhoogd of verlaagd kan worden op grond van
                    gemeentelijk beleid (toeslag en verlaging). Dit gemeentelijk beleid moet door de
                    gemeenteraad in een verordening worden vastgelegd.</al><al/><tussenkop><vet>Relatie met de WWB</vet></tussenkop><al>Met de inwerkingtreding van de WIJ is de WWB in beginsel afgesloten voor
                    jongeren tot 27 jaar en kunnen deze jongeren in beginsel geen algemene bijstand
                    meer ontvangen. Daartoe is de WWB op een aantal onderdelen aangepast en zou de
                    Toeslagenverordening WWB een navenante wijziging moeten ondergaan. Op grond van
                    het overgangsrecht (artikel 86 WIJ) blijft de WWB voor jongeren die op 30
                    september 2009 algemene bijstand ontvingen echter van toepassing totdat de
                    algemene bijstand wordt beëindigd maar uiterlijk tot 1 oktober 2010. </al><al>Bij het inrichten van de WIJ is op het punt van de inkomensvoorziening
                    uitdrukkelijk ervoor gekozen zoveel mogelijk aansluiting te zoeken met de WWB,
                    op onderdelen als de normensystematiek, de middelentoets, verlaging van bijstand
                    en terugvordering en verhaal. Hoewel die aansluiting niet in alle opzichten
                    volledig is gerealiseerd, is ten aanzien van het te voeren toeslagen- en
                    verlagingenbeleid sprake van een identiek wettelijk kader als thans in de WWB.
                    Normen die specifiek betrekking hebben op jong-meerderjarigen zijn uit de WWB
                    overgeheveld naar de WIJ. </al><al>Omdat het oogmerk van de WIJ niet is geweest de normen van de
                    inkomensvoorziening voor jongeren te verlagen is, gelet op de gewenste
                    aansluiting met de WWB en uit overwegingen van uitvoerbaarheid, in deze
                    Toeslagenverordening WIJ aansluiting gezocht bij de Toeslagenverordening WWB. </al><al/><tussenkop><vet>Een toeslagenverordening Wet investeren in
                        jongeren</vet></tussenkop><al>Evenals in de WWB heeft de wetgever in de WIJ het college en de gemeenteraad
                    afzonderlijke taken toebedeeld. Het college is verantwoordelijk voor de
                    uitvoering van de WIJ, terwijl de gemeenteraad de opdracht heeft gekregen in een
                    vijftal verordeningen regels vast te stellen, ondermeer met betrekking tot het
                    verhogen en verlagen van de normen die voor de inkomensvoorziening gelden
                    (artikel 12, eerste lid, sub e, WIJ). Deze regels moeten exclusief in een
                    verordening worden vastgelegd, ter wille van de rechtszekerheid, aldus de
                    Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 37). </al><al>De toeslagenverordening heeft een categoriaal karakter, dat wil zeggen dat voor
                    een aantal categorieën uitkeringsgerechtigden de hoogte van de toeslag dan wel
                    verlaging van de norm of de toeslag in de verordening is beschreven. Het is
                    daarbij niet nodig c.q. mogelijk om alle mogelijke situaties uitputtend te
                    beschrijven. In niet geregelde gevallen is het college immers bevoegd én
                    verplicht om de inkomensvoorziening bij wijze van individualisering afwijkend
                    vast te stellen (artikel 35, vierde lid, WIJ). </al><al>De op grond van de WIJ vast te stellen verordening voor de verhoging of
                    verlaging van de norm kan inhoudelijk geheel overeenstemmen met de verordening
                    welke werd vastgesteld op grond van de Wet werk en bijstand. </al><al>Immers, de aan de verordening ten grondslag liggende wettelijke bepalingen zijn
                    inhoudelijk niet gewijzigd. De praktijk heeft inmiddels ook uitgewezen dat de op
                    grond van de Wet Werk en bijstand vastgestelde Etten-Leurse verordening goed
                    voldoet.</al><al/><tussenkop><vet>Normen, toeslagen en verlagingen</vet></tussenkop><al>Uit overwegingen van uitvoerbaarheid heeft de wetgever ervoor gekozen om de
                    normensystematiek die thans is vastgelegd in de WWB zoveel mogelijk over te
                    nemen in de WIJ. Dat betekent enerzijds dat onderscheid is gemaakt tussen de
                    normen die gelden voor jongmeerderjarigen (jongeren van 18 tot 21 jaar) en
                    oudere jongeren (21 tot 27 jaar). Anderzijds zijn de normen voor beide
                    leeftijdsgroepen identiek aan de normen die thans in de WWB voor beide groepen
                    gelden. Hetzelfde geldt voor de normen die van toepassing zijn bij het verblijf
                    in een inrichting. De overgang naar de WIJ leidt op dit onderdeel dus niet tot
                    een wijziging van de financiële positie van de jongeren die afhankelijk worden
                    van een inkomensvoorziening.</al><al/><tussenkop>Normen </tussenkop><al>In Hoofdstuk 4 van de WIJ (‘Recht op inkomensondersteuning’) zijn de normen
                    vastgelegd die gelden voor de verschillende leefsituaties (artikelen 26 t/m 29
                    WIJ). Voor personen van 21 jaar tot en met 27 jaar bestaat een drietal
                    basisnormen (artikelen 26, 27 en 28 WIJ), te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gehuwdennorm)</al></li><li nr="2."><al>alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm</al></li><li nr="3."><al>alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm</al></li></lijst><al>Voor jongeren in de leeftijd van 18 tot 21 jaar geldt de huidige WWB-normering,
                    die is afgestemd op de kinderbijslag (artikelen 26, sub a en 27, sub a, WIJ).
                    Deze normen kunnen eventueel worden aangevuld met bijzondere bijstand, voor
                    zover de middelen van de ouders niet toereikend zijn dan wel de onderhoudsplicht
                    van de ouders niet te gelde gemaakt kan worden. Artikel 12 WWB blijft voor deze
                    groep onverkort van toepassing. </al><al>Voor jongeren waarvan één van de partners zich in de leeftijdsgroep 18 tot 21
                    jaar bevindt en de ander in de groep 21 tot 27 jaar, gelden eveneens identieke
                    normen als thans in de WWB voor partners in de leeftijd van 21 tot 65 jaar.</al><al/><tussenkop><vet>Toeslagen en verlagingen </vet></tussenkop><al>Voor jongeren in de leeftijd van 21 tot 27 jaar geldt dat de normen verhoogd
                    en/of verlaagd kunnen worden onder dezelfde voorwaarden als thans in de WWB is
                    vastgelegd. Kort gezegd betreft het de verplichting om de norm voor
                    alleenstaanden en alleenstaande ouders te verhogen met een toeslag als deze een
                    woning bewonen zonder medebewoner. Omdat de kosten van het bestaan dan niet
                    gedeeld kunnen worden met een ander bedraagt de toeslag het maximale bedrag,
                    zijnde 20% van de norm voor gehuwden in die leeftijdscategorie. Kunnen de
                    bestaanskosten wel met een ander gedeeld worden dan kan de toeslag worden
                    verlaagd. Het college is overigens niet verplicht om bij de verlening van een
                    toeslag rekening te houden met lagere bestaanskosten maar kan er ook voor kiezen
                    om alle alleenstaanden en alleenstaande ouders, zonder nader onderscheid, de
                    maximale toeslag te verstrekken (zie voor de WWB Kamerstukken II 2002-2003, 28
                    870, nr. 3, p. 52 en 53). </al><al>De bevoegdheid om de uitkering te verlagen bij medebewoning geldt ook voor de
                    norm voor gehuwden. Voorts kan de norm of toeslag worden verlaagd als de
                    woonsituatie, los van medebewoning, lagere bestaanskosten met zich meebrengt.
                    Daarnaast is verlaging van de norm of toeslag mogelijk als de jongere een
                    schoolverlater is. Ten slotte kan het college bij een 21- of 22-jarige
                    alleenstaande de toeslag verlagen om de uitkering in de pas te laten lopen met
                    het wettelijk minimumjeugdloon. De laatstgenoemde verlagingen kunnen niet in
                    combinatie met elkaar worden toegepast. Binnen de gestelde randvoorwaarden staat
                    het de gemeenten in beginsel vrij om eigen beleid te voeren over de hoogte van
                    de toeslagen en verlagingen. Er bestaat geen wettelijke verplichting om de norm
                    en/of toeslag te verlagen. </al><al>Ook voor gehuwde jongeren waarvan één van de partners in de leeftijdsgroep van
                    18 tot 21 jaar en de ander in de leeftijd van 21 tot 27 jaar zit, geldt dat de
                    norm verlaagd kan worden. De WIJ sluit dit, evenmin als de WWB, uit. Dit geldt
                    evenzeer voor het geval beide partners in de leeftijdsgroep 18 tot 21 jaar
                    zitten. Ook de voor hen geldende norm kan verlaagd worden. Niettemin wordt dit
                    niet opportuun geacht. De normen voor deze categorie jongeren zijn immers al
                    lager vastgesteld, vanwege de (vaak theoretische) onderhoudsplicht van ouders.
                    Het verder verlagen van deze normen kan er spoedig toe leiden dat deze jongeren
                    onder het bestaansminimum terechtkomen. Bovendien maakt categoriale verlaging op
                    deze groep jongeren de toch al behoorlijk complexe normensystematiek nog
                    ingewikkelder.</al><tussenkop>Gehuwde jongeren van 21 tot 27 jaar met
                    niet-rechthebbende partner </tussenkop><al>Voor jongeren van 21 tot 27 jaar met een oudere partner, geldt dat de norm
                    gelijk is aan de norm die voor een alleenstaande of alleenstaande ouder geldt
                    (artikel 28, eerste lid, sub e, resp. 28, tweede lid, sub e, WIJ). Personen van
                    27 jaar of ouder komen immers niet in aanmerking voor een inkomensvoorziening in
                    het kader van de WIJ. De norm alleenstaande of alleenstaande ouder geldt ook als
                    de andere partner om andere redenen (bijv. in geval van detentie) geen recht
                    heeft op een inkomensvoorziening (artikel 28, derde lid, WIJ). De mogelijkheid
                    om de norm voor een alleenstaande (ouder) te verhogen met een toeslag is in de
                    WIJ evenwel beperkt tot de jongere die <cursief>feitelijk
                    </cursief>alleenstaande (ouder) <cursief>is </cursief>(artikel 30, eerste lid,
                    in verbinding met 26, sub b en 27, sub b, WIJ). Naar de letter bestaat dus voor
                    de gehuwde met niet-rechthebbende partner geen recht op toeslag. Niettemin mag,
                    gegeven de wens van de wetgever om e.e.a. zoveel mogelijk conform de WWB te
                    regelen en met een beroep op de jurisprudentie die gevormd is onder de WWB en
                    Abw, worden aangenomen dat ook gehuwde jongeren die voor de normering worden
                    gelijkgesteld met een alleenstaande (ouder), onder omstandigheden recht kunnen
                    hebben op een toeslag, mede gelet op het individualiseringsbeginsel, dat binnen
                    de WIJ klaarblijkelijk ook een rol speelt op het punt van normen, toeslagen en
                    verlagingen (artikel 35, vierde lid, WIJ; zie m.b.t. de bijstand bijvoorbeeld
                    CRvB 12 december 1995, JABW 1996/40). Heeft de niet-rechthebbende partner geen
                    of een zeer laag inkomen en is geen sprake van medebewoning, dan zal de toeslag,
                    naar analogie van de WWB, in beginsel zelfs 20% van de gehuwdennorm moeten
                    bedragen (CRvB 4 maart 2003, LJN: AF6326). </al><al>Als de niet-rechthebbende partner een WWB-uitkering ontvangt, is er geen
                    aanleiding om een toeslag te verstrekken. Dat geldt evenzeer voor de
                    bijstandsgerechtigde partner. Beiden kunnen immers nimmer een uitkering
                    ontvangen die tezamen meer bedraagt dan 100% van de bijstandsnorm voor gehuwden.
                    Omdat beide partners dan aanspraak hebben op de norm die voor een alleenstaande
                    geldt, betekent dit tegelijkertijd dat een verlaging in verband met medebewoning
                    formeel gezien niet mogelijk is, omdat deze beperkt is tot de gehuwdennorm (als
                    bedoeld in artikel 28, eerste/tweede lid onderdeel d WIJ). In voorkomende
                    gevallen is het in dat geval mogelijk met toepassing van artikel 18, eerste lid,
                    WWB de bijstandsnorm van de bijstandsgerechtigde partner te verlagen. </al><al>Voor de situatie dat beide partners ten laste komende kinderen hebben, is een
                    specifieke regeling getroffen. Dan geldt voor de jongere partner de
                        <cursief>gehuwdennorm </cursief>die bij zijn leeftijd past (artikel 28,
                    vierde lid, WIJ). Omdat daar expliciet over gehuwdennorm wordt gesproken, is
                    verlaging van die norm wegens medebewoning, wel mogelijk. De algemene bijstand
                    die de bijstandsgerechtigde partner ontvangt, moet vervolgens daarop in
                    mindering worden gebracht. </al><al/><tussenkop><vet>Berekening toepasselijke uitkering
                    </vet></tussenkop><al>In de WIJ is evenmin als in de WWB voorgeschreven, dat in gevallen waarin zowel
                    de toeslag als de norm verlaagd kunnen worden, de verlaging met voorrang op de
                    toeslag dient plaats te vinden. Het bij voorrang toepassen van de verlaging op
                    de toeslag blijft ook in de WIJ de aangewezen volgorde. In de praktijk leidt dit
                    overigens alleen bij de combinatie verlaging wegens woonsituatie en
                    leeftijdsverlaging (een andere verlaging is niet mogelijk in combinatie met de
                    leeftijdsverlaging) tot verschillende uitkomsten. Bovenstaande in acht nemend
                    kan de hoogte van de normuitkering voor jongeren als volgt worden berekend: </al><lijst><li nr="1."><al>Norm;</al></li><li nr="2a."><al>Optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande
                            ouders)</al></li></lijst><al>OF </al><lijst><li nr="2b."><al>Korten met verlaging wegens het delen van een woning met anderen (alleen
                            bij gehuwden)</al></li><li nr="3."><al>Korten met verlaging wegens woonsituatie;</al></li></lijst><al>OF </al><lijst><li nr="4."><al>Korten met verlaging voor 21- en 22-jarige alleenstaanden op (het
                            restant van) de toeslag.</al></li></lijst><al>Leidt de uitkomst tot een lager bedrag aan bijstand dan de gestelde minima in
                    artikel 8 van de Toeslagenverordening, dan moet het college de bijstand
                    vaststellen op de van toepassing zijnde minimum hoogte volgens dit artikel. </al><tussenkop>Zelfstandigen </tussenkop><al>Jongeren met een zelfstandig bedrijf of beroep komen niet in aanmerking voor een
                    werkleeraanbod of inkomensvoorziening (artikel 23, eerste lid, onderdeel e,
                    resp. artikel 42, eerste lid, onderdeel m, WIJ). Zij kunnen een beroep doen op
                    de WWB. Dat geldt voor de voorbereidingskosten, de periodieke bijstand voor
                    levensonderhoud en voor bedrijfskapitaal. Aandachtspunt bij de algemene bijstand
                    voor levensonderhoud is wel dat voor die jongeren de normensystematiek uit de
                    WIJ van toepassing is (zie artikel 58 WIJ).</al><al/><tussenkop><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING </vet></tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>Evenals in de toeslagenverordening WWB is het begrip ‘gehuwdennorm’ omschreven,
                    omdat het uitkeringsgebouw in de WIJ, inclusief toeslagen en verlagingen, voor
                    21- tot 27-jarigen daaraan is gerelateerd. Volstaan is met een verwijzing naar
                    artikel 28, tweede lid, sub e, WIJ. De daar genoemde gehuwdennorm is gelijk aan
                    de gehuwdennorm genoemd in artikel 21, sub a, WWB. </al><al>Evenmin als in de WWB wordt het begrip ‘woning’ in de WIJ omschreven. Gelet op
                    de analogie met de WWB mag aangenomen worden dat daarmee hetzelfde begrip is
                    bedoeld als in de WWB, te weten het begrip ‘woning’, bedoeld in de Wet op de
                    huurtoeslag, “een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige
                    woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige woonruimte is verhuurd,
                    alsmede de onroerende aanhorigheden”. </al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor de
                    toepassing van artikel 5 (verlaging woonsituatie). Aangesloten is bij de
                    begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van de Algemene Bijstandswet in
                    het Besluit landelijke normering (tot 1996) was opgenomen. Deze omschrijving
                    wordt in veel verordeningen nog gebruikt. Het is aan het college overgelaten om
                    de onderhoudskosten vast te stellen. Het is ook denkbaar dat geen gebruik wordt
                    gemaakt van het begrip ‘woonkosten’, maar van de begrippen ‘huur’ en
                    ‘hypotheek’. Het verdient aanbeveling deze dan nader te omschrijven. </al><al>Omdat een woning ook een woonwagen of woonschip kan zijn, is tevens verwezen
                    naar artikel 3, zesde lid WWB, waarin deze woonruimtes met een woning worden
                    gelijkgesteld. </al><al>Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader zijn omschreven
                    hebben dezelfde betekenis als in de WIJ. Zo wordt in deze verordening meerdere
                    malen het begrip ‘jongere’ gebruikt. Artikel 2, eerste lid, WIJ omschrijft dit
                    begrip. Onder jongere wordt verstaan: een hier te lande woonachtige Nederlander
                    (of daarmee gelijkgestelde vreemdeling) 16 jaar of ouder doch jonger dan 27
                    jaar. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder jongeren echter
                    verstaan de jongeren in de leeftijd van 21 jaar of ouder maar jonger dan 27 jaar
                    (zie ook artikel 2). </al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Artikel 35 WIJ schrijft voor dat in de verordening moet zijn vastgelegd voor
                    welke categorieën de norm wordt verlaagd of verhoogd. </al><tussenkop>Artikel 3 </tussenkop><al>Op grond van artikel 35, tweede lid, sub a, WIJ is de gemeenteraad verplicht om
                    te bepalen dat de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van norm of
                    toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in lid 1. </al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur
                    en stookkosten). Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet
                    er echter van worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een
                    toeslag blijft op zijn plaats. Evenals in de toeslagenverordening WWB is in deze
                    verordening als uitgangspunt gekozen voor de zgn. forfaitaire variant voor het
                    vaststellen van de hoogte van de toeslag. Forfaitair betekent dat niet de
                    werkelijke bestaanskosten en de mate waarin deze in concreto gedeeld worden
                    bepalend zijn voor de hoogte van de toeslag maar de enkele veronderstelling dat
                    het delen van kosten mogelijk is. De meeste gemeenten hebben gekozen voor deze
                    variant, omdat deze de meest efficiënte uitvoering oplevert en bovendien het
                    minst fraudegevoelig is. In de jurisprudentie is de forfaitaire variant algemeen
                    aanvaard (zie bijvoorbeeld CRvB 10 juli 2008, LJN: BD3700). In de
                    toeslagenverordening is daarom gekozen voor een toeslag van 10 procent van de
                    gehuwdennorm in het geval één ander in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft.
                    Als nog een ander zijn hoofdverblijf in de woning heeft kunnen de kosten nog
                    meer gedeeld worden. </al><al>Daarom is in het vierde lid bepaald dat er geen toeslag wordt verstrekt als er
                    twee of meer medebewoners zijn. </al><al>Volledigheidshalve moet hier nog worden opgemerkt dat in de uitzonderlijke
                    situatie dat de medebewoner over geen enkele vorm van inkomen beschikt (denk aan
                    de niet rechthebbende partner of inwonende uitgeprocedeerde) verlaging van de
                    toeslag vanwege medebewoning niet kan worden toegepast. De medebewoner kan dan
                    immers daadwerkelijk geen bijdrage in de kosten leveren, waardoor er dus ook
                    geen voordeel is voor de betrokkene (CRvB 4 maart 2003, 00/3534 NABW en 02/3129
                    NABW). </al><tussenkop>Artikel 4 </tussenkop><al>Artikel 4 vormt het spiegelbeeld van artikel 3. Waar de norm voor een
                    alleenstaande (ouder) wordt verhoogd met 10% als een woning gedeeld wordt met
                    een ander, is dit ook gerealiseerd voor gehuwde jongeren in dezelfde situatie.
                    De jongeren kunnen in dat geval namelijk ook kosten delen met een ander en
                    daarom is een verlaging op zijn plaats. Zijn er meerdere personen waarmee de
                    bestaanskosten van de gehuwden kunnen worden gedeeld, dan wordt de verlaging
                    verhoogd. </al><tussenkop>Artikel 5 </tussenkop><al>Als aan een woning geen woonkostenverbonden zijn, is sprake van lagere
                    bestaanskosten dan in andere gevallen. Artikel 32 WIJ opent om die reden de
                    mogelijkheid om de norm of de toeslag te verlagen. Dat is in artikel 5
                    gerealiseerd. Artikel 5 leidt ertoe dat de norm of toeslag met 20% wordt
                    verlaagd als de jongere geen woonlasten betaalt. Dat kan zich voordoen bij
                    krakers, of als de woonkosten worden betaald door een derde, bijv. de ouders of
                    de ex-partner. Onder woonkosten wordt in dit verband verstaan de huur of, als de
                    jongere een eigen woning bewoont, de verschuldigde hypotheekrente en de aan het
                    eigendom verbonden zakelijke lasten alsmede een naar omstandigheden vast te
                    stellen bedrag voor onderhoud (CRvB 6 november 2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW). </al><al>Wordt de norm of toeslag verlaagd omdat de jongere geen woonlasten heeft en is
                    hij daarnaast medebewoner, zodat de toeslag ook nog eens op die grond verlaagd
                    wordt, dan kan dit spoedig als een te ver gaande vorm van verlaging van de
                    uitkering worden aangemerkt, gelet op het totale effect van de dubbele verlaging
                    (zie CRvB 27 mei 2008, LJN: 2698). Op grond van het individualiseringsbeginsel
                    en de anti-cumulatiebepaling van artikel 7 zal de verlaging dan beperkt moeten
                    worden. </al><al>In het tweede lid is bepaald dat als de jongere geen woning bewoont, de norm of
                    toeslag met 10% wordt verlaagd. Deze bepaling ziet op de mogelijkheid om de
                    uitkering van dak- en thuislozen te verlagen omdat deze lagere bestaanskosten
                    hebben dan jongeren die een woning bewonen.</al><tussenkop>Artikel 6 </tussenkop><al>Artikel 34 WIJ geeft het college de bevoegdheid om een verlaging toe te passing
                    indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum jeugdloon er een
                    drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. Aangezien het minimum jeugdloon
                    voor een 21-jarige lager is dan dat voor een 22-jarige ligt het voor de hand om
                    voor een 21-jarige een grotere verlaging toe te passen dan voor een 22-jarige. </al><al>In artikel 6 wordt geregeld, dat -overeenkomstig het bepaalde in artikel 34 WIJ-
                    de verlaging voor een 21- of 22-jarige alleen kan plaatsvinden op de toeslag van
                    artikel 33 WIJ. </al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>De verschillende verlagingen in de Toeslagenverordening zien op verschillende
                    omstandigheden bij de jongere en kunnen elk afzonderlijk als redelijk worden
                    aangemerkt. Zonder dit artikel zou dat echter kunnen betekenen, dat het college
                    de inkomensvoorziening vanwege deze samenloop dermate laag zou moeten
                    vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer zou zijn van een toereikende
                    uitkering. In voorkomende gevallen zou het college op grond van artikel 35,
                    vierde lid, WIJ de inkomensvoorziening hoger moeten vaststellen. Daarom is er
                    voor gekozen om reeds in de Toeslagenverordening een <cursief>absoluut
                    </cursief>minimumbedrag vast te leggen, waarop het college de norm (inclusief
                    eventuele toeslag en verlagingen) tenminste moet vaststellen. Dat laat onverlet
                    dat in concrete omstandigheden het bij samenloop ook denkbaar is dat de norm
                    hoger moet worden vastgesteld. </al><al>Het individualiseringsbeginsel kan dus met zich meebrengen dat bij samenloop ook
                    bij een resterende norm die boven de in dit artikel genoemde percentages ligt,
                    al aanleiding is om tot verhoging daarvan over te gaan, gelet op alle
                    omstandigheden van de jongere. </al><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>Op grond van artikel 13 bestaat het recht op werkleeraanbod jegens het college
                    van de gemeente waar de jongere woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10,
                    eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Gelijktijdig met de
                    vaststelling van het recht op werkleeraanbod wordt op grond van artikel 25 WIJ
                    het recht op inkomensvoorziening ambtshalve vastgesteld.</al><al>Indien zich er een situatie zou voordoen, waarin deze verordening niet voorziet,
                    heeft het college de bevoegdheid om individueel een toeslag of verlaging te
                    beoordelen.</al><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><al>Artikel 9 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de
                    belanghebbende kan afwijken van de bepalingen van deze verordening. Afwijken kan
                    alleen ten gunste en nooit ten nadele. Verder is met nadruk gemeld: in
                    bijzondere gevallen. Het gebruik maken van deze hardheidsclausule moet beschouwd
                    worden als een uitzondering en niet als regel. In de rapportage en in de
                    beschikking moet duidelijke aangegeven worden waarom in een bepaalde situatie
                    van de verordening wordt afgeweken.</al><tussenkop>Artikel 10 en 11</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>