<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR92148_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand 2010 gemeente Etten-Leur</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Etten-Leur</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Etten-Leur</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Etten-Leurse Bode, 10-01-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand 2010 gemeente Etten-Leur</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0015703&amp;artikel=8&amp;g=2009-12-22">Wet werk en bijstand, art. 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0015703&amp;artikel=36&amp;g=2009-12-22">Wet werk en bijstand, art. 36</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-12-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-01-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-05-21</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>SL</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Inkomensvoorzieningen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING LANGDURIGHEIDSTOESLAG WWB 2010 GEMEENTE ETTEN-LEUR
            </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Etten-Leur;</al><al>Gezien van voorstel van burgemeester en wethouders van 10 november 2009 met
                        overneming van de daarin vermelde motieven;</al><al>Gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel d en artikel 36 van de Wet
                        werk en bijstand;</al><al>Overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van
                        langdurigheidstoeslag aan personen van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65
                        jaar bij verordening te regelen;</al><al>Besluit vast te stellen de volgende verordening:</al><al><vet>VERORDENING LANGDURIGHEIDSTOESLAG WWB 2010 GEMEENTE
                        ETTEN-LEUR</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene Bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand.</al></li><li nr="b."><al>referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de
                                    peildatum.</al></li><li nr="c."><al>peildatum: de datum waartegen langdurigheidstoeslag wordt
                                    aangevraagd.</al></li><li nr="d."><al>inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet, met
                                    dien verstande dat voor de zinsnede “een periode waarover een
                                    beroep op bijstand wordt gedaan” moet worden gelezen “de
                                    referteperiode”. Een uitkering-WWB en inkomensvoorziening-WIJ
                                    wordt, in afwijking van artikel 32 van de wet voor de
                                    beoordeling van het recht op langdurigheidstoeslag als inkomen
                                    gezien.</al></li><li nr="e."><al>Gehuwdennorm: de norm van artikel 21 onderdeel c WWB en/of
                                    artikel 28 WIJ.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college van
                            burgemeester en wethouders.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Recht op langdurigheidstoeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Langdurig, laag inkomen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de in artikel 36, eerste lid, van de wet gestelde voorwaarde van
                                het hebben van een langdurig, laag inkomen is voldaan als gedurende
                                de referteperiode het gemiddelde inkomen per maand niet uitkomt
                                boven 100% van de WWB- of WIJ-norm vermeerderd met €150,00 per
                                jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van perioden waarin een belanghebbende is uitgesloten
                                van het recht op bijstand wordt een belanghebbende voor de
                                toepassing van het eerste lid geacht tenminste een inkomen te hebben
                                ter hoogte van 100% van de WWB- of WIJ-norm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van perioden waarin bij gehuwden één echtgenoot is
                                uitgesloten van het recht op uitkering-WWB en
                                inkomensvoorziening-WIJ worden zij voor de toepassing van het eerste
                                lid geacht tenminste een inkomen te hebben ter hoogte van 100% van
                                de gehuwdennorm.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Hoogte van de langdurigheidstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De langdurigheidstoeslag bedraagt per jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>voor gehuwden € 496,00</al></li><li nr="b."><al>voor een alleenstaande ouder € 445,00</al></li><li nr="c."><al>voor een alleenstaande € 348,00.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid is de situatie op de peildatum
                                bepalend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien één van de gehuwden op de peildatum is uitgesloten van het
                                recht op langdurigheidstoeslag ingevolge artikel 11 of artikel 13
                                lid van de wet komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor
                                een langdurigheidstoeslag naar de hoogte die voor hem/haar als
                                alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het eerste lid genoemde bedragen worden elk jaar per 1 januari
                                aangepast met een percentage dat overeenkomt met het procentuele
                                verschil tussen de gehuwdennorm per 1 januari van dat jaar en de
                                gehuwdennorm van het daaraan voorafgaande jaar.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Onvoorziene gevallen</titel></kop><al>In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college van
                            burgemeester en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie en werkt
                                terug tot 1 oktober 2009.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de “Verordening
                                langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand 2009” ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: de Verordening
                            langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand 2010 gemeente
                            Etten-Leur.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van </ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. W.C.M. Voeten. Mw. H. van Rijnbach-de Groot.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><titel>Verordening langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand 2010.</titel></kop><tussenkop><vet>Algemeen:</vet></tussenkop><al>Op grond van artikel 8 lid 1 onderdeel d WWB dient de gemeenteraad bij
                    verordening regels vast te leggen met betrekking tot het verlenen van een
                    langdurigheidstoeslag. Deze regels dienen in ieder geval betrekking te hebben op
                    de hoogte van de langdurigheidstoeslag en de wijze waarop invulling wordt
                    gegeven aan het begrip langdurig, laag inkomen, zoals die in artikel 36 lid 1
                    WWB worden gebruikt.</al><al>In deze verordening is gekozen voor invulling die rekening houdt met de
                    jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Voorts is gekozen voor een
                    invulling die zo veel mogelijk ongewenste armoedevaleffecten voorkomt.</al><al>Door de inwerkingtreding van de WIJ is voor jongeren van 21 tot 27 jaar de zgn.
                    WIJ-norm als referentie-inkomen vastgelegd.</al><tussenkop><vet>Artikelsgewijs:</vet></tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>Begrippen die in de WWB voorkomen hebben in deze verordening dezelfde betekenis
                    als in de WWB. Ten aanzien van een aantal begrippen die als zodanig niet in de
                    WWB zelf staan is een definitie gegeven in deze verordening. </al><al>Met de invulling van het begrip peildatum als datum waartegen is aangevraagd
                    wordt aangesloten bij de jurisprudentie van de CRvB, dat het niet gaat om de
                    datum waarop is aangevraagd. De aanvraag wordt daarom steeds geacht te zijn
                    gedaan tegen de eerst mogelijke datum na afloop van een referteperiode.</al><al>Met betrekking tot het begrip ‘inkomen’ is een van de WWB afwijkende definitie
                    opgenomen.</al><al>Nu de wetgever de gemeenteraad opdracht gegeven om in de verordening regels te
                    geven met betrekking tot het begrip ‘langdurig, laag inkomen’, is de
                    gemeenteraad bevoegd om dit begrip voor de toepassing van artikel 36 lid 1 WWB
                    nader te definiëren. Met de gebruikte definitie wordt aangesloten bij de in de
                    bestaande uitvoeringspraktijk gehanteerde (en ook door de wetgever bedoelde)
                    invulling van het begrip inkomen in artikel 36 lid 1 WWB (tekst tot 1-1-2009),
                    doch wordt de wetstechnische imperfectie weggenomen.</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>Een referteperiode van 5 jaar, zoals artikel 36 WWB (tekst tot 1-1-2009)
                    voorschreef wordt als te lang ervaren. Nadat belanghebbenden 3 jaar op een
                    minimum inkomen zijn aangewezen is er over het algemeen niet veel
                    reserveringsruimte over. Daarom wordt hier een termijn van drie jaar
                    aangehouden. Dit sluit ook aan bij de impliciet door de wetgever gegeven
                    termijn. De minimumleeftijd is immers door de wetgever teruggebracht van 23 naar
                    21 jaar. Een belanghebbende is immers (normaal gesproken) vanaf zijn 18e voor de
                    WWB een zelfstandig rechtssubject.</al><al>Het begrip ‘langdurig, laag inkomen’ wordt ingevuld als een inkomen dat
                    gemiddeld niet hoger is dan 100% van de WWB- of WIJ-norm vermeerderd met €
                    150,00 per jaar. Door hiervoor te kiezen in plaats van voor 100% is duidelijk
                    dat een belanghebbende met een inkomen op minimumniveau krachtens een andere
                    regeling dan de WWB of WIJ toch in aanmerking kan komen voor het recht op
                    langdurigheidstoeslag ook al zou ten gevolge van een iets andere
                    berekeningssystematiek en/of afrondingsverschillen er netto een iets hogere
                    uitkering worden ontvangen dan de WWB- of WIJ-norm. Deze grens vangt dit soort
                    kleine verschillen op. Als de afwijkingen meer bedragen dan de vastgestelde
                    inkomensgrens is het ‘gladstrijken’ van de bedoelde geschillen niet meer aan de
                    orde en zal een aanvraag om langdurigheidstoeslag moeten worden afgewezen.</al><al>De methode van het kijken naar het gemiddelde loon maakt dat iemand die wegens
                    werkaanvaarding een korte periode een inkomen boven bijstandsniveau heeft gehad
                    niet zonder meer zijn recht op langdurigheidstoeslag kwijt is. Een dergelijk
                    gevolg zou namelijk een negatieve prikkel zijn bij het aanvaarden van werk. Dat
                    geldt temeer als een belanghebbende geen of maar weinig zekerheid heeft over de
                    duur van dit werk. Het is evenwel niet de bedoeling dat een belanghebbende
                    perioden waarin hij een inkomen boven de norm heeft kan middelen met perioden
                    waarin hij vanwege de aanwezigheid van een uitsluitingsgrond, zoals bijvoorbeeld
                    detentie, geen recht op bijstand had.</al><al>Dit geldt overeenkomstig voor gehuwden van wie één partner is uitgesloten van
                    het recht op langdurigheidstoeslag. Daarom wordt in het tweede lid bepaald dat
                    dergelijke perioden voor het berekenen van het gemiddelde inkomen meetellen als
                    perioden waarin tenminste 100% van de norm is ontvangen. Het woord ‘tenminste’
                    in deze leden, maakt, dat als er in bedoelde perioden in werkelijkheid meer
                    inkomen dan norm is geweest, dit hogere, werkelijke inkomen moet meetellen.</al><al>Er is bewust niet voor gekozen om het recht op langdurigheidstoeslag ook toe
                    kennen bij een inkomen ver boven bijstandsniveau. Van deze bevoegdheid wordt om
                    twee redenen geen gebruik gemaakt. </al><al>Ten eerste omdat dit ongewenste armoedevaleffecten in zich heeft. Ten tweede
                    omdat het in aanmerking laten komen van belanghebbenden met een inkomen van
                    bijvoorbeeld 110% van de bijstand niet valt te rijmen met de wettelijke
                    uitsluiting van belanghebbenden van 65 jaar of ouder. Zij zijn immers
                    uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag, omdat hun inkomen al
                    voldoende hoger zou zijn dan de bijstandsnorm voor belanghebbenden tot 65 jaar.
                    Het verschil is echter maar ongeveer 5 tot 9 % (precieze percentage is
                    afhankelijk van de vraag of iemand een alleenstaande, alleenstaande ouder of
                    gehuwde is). Het hanteren van een grens van 110% zou daarom maken dat de
                    uitsluiting van 65-plussers in dat geval strijdig is met het verbod op
                    leeftijdsdiscriminatie zoals dat is vastgelegd in artikel 26 van Internationaal
                    Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten. De feitelijke ruimte is dus
                    beperkt tot een grens van maximaal ongeveer 105 % van de norm. Door uit te gaan
                    van een maximaal inkomen van 100% van de norm vermeerderd met € 150,00 per jaar
                    wordt al voldoende gebruik gemaakt van deze ruimte. Overigens dient op grond van
                    jurisprudentie van de CRvB een marginale overschrijding van deze inkomensgrens
                    steeds per individueel geval beoordeeld te worden. </al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>De hoogte van de langdurigheidstoeslag is gebaseerd op de huidige hoogte. Om
                    niet jaarlijks de verordening aan te hoeven passen is gekozen om de hoogte
                    jaarlijks automatisch mee te laten bewegen met de bijstandsnormen. Omdat de
                    bijstandsnormen in beginsel 2 maal per jaar worden geïndexeerd en de
                    langdurigheidstoeslag maar eenmaal, wordt steeds vergelijking gemaakt met de
                    bijstandsnormen van per 1 januari van het voorafgaande jaar.</al><al>In het derde lid wordt een regeling overeenkomstig artikel 24 WWB gegeven voor
                    situaties waarin bij gehuwden één van beide partners is uitgesloten van het
                    recht op langdurigheidstoeslag ingevolge artikel 11 of artikel 13 lid 1 WWB. De
                    WWB voorziet immers niet in een afwijzingsgrond voor de rechthebbende
                    echtgenoot, terwijl daarentegen het toekennen van het bedrag voor gehuwden in
                    dergelijke situaties ook niet opportuun is.</al><al>Dit derde lid ziet enkel op de situatie dat er bij een echtgenoot sprake is van
                    een uitsluitingsgrond op grond van artikel 11 of artikel 13 lid 1 WWB. Indien
                    één van beide gehuwden niet in aanmerking komt voor het recht op
                    langdurigheidstoeslag wegens het niet voldoen aan de voorwaarden als genoemd in
                    artikel 36 WWB of in deze verordening, hebben beide echtgenoten geen recht op
                    langdurigheidstoeslag. Het recht op langdurigheidstoeslag komt gehuwden immers
                    gezamenlijk toe. Zij moeten daarom ook allebei, zowel afzonderlijk als
                    gezamenlijk aan de voorwaarden voldoen. </al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>