<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR92054_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening Schiedam 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schiedam</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Schiedam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Plaatselijke Verordening Schiedam 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149, 154, 174</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet milieubeheer, art. 10.21, 10.23</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de kansspelen, art. 30</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Drank- en Horecawet, art. 18</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wegenverkeerswet 1994</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-07-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-08-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-07-05</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Toevoeging art. 2.11.1 camera toezicht</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>VR 63/2010</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>algemene plaatselijke verordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De volgende artikelen zijn vervallen: Artikel 2.1.5, 2.1.11, 2.1.13, 5.2.1 lid 4, 2.7.2.</al><al>De volgende artikelen zijn toegevoegd: Artikel 1.7, 1.8, 2.3.2c, 2.3.3 lid 5, 4.5.2a, 4.6.1 t/m 4.6.3.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening Schiedam 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING SCHIEDAM</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:</al><al>A Weg:</al><al>1.De weg, als bedoel in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                            Wegenverkeerswet 1994 alsmede de</al><al>daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;</al><al>2.de – al dan niet met enige beperking – voor het publiek toegankelijke
                            pleinen en open</al><al>plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen, natuurterreinen,
                            ijsvlakten en aanlegplaatsen</al><al>voor voertuigen;</al><al>3.de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen,
                            passages en galerijen,</al><al>welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang
                            geven en niet afsluitbaar</al><al>zijn;</al><al>4.andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare
                            stoepen, trappen, portieken,</al><al>gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd
                            dat zij niet door of vanwege</al><al>degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn
                            afgesloten.</al><al>B Openbaar water:</al><al>alle wateren die – al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                            bevaarbaar of anderszins</al><al>toegankelijk zijn.</al><al>C Bebouwde kom:</al><al>de bebouwde kom of kommen waarvan Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland
                            de grenzen</al><al>hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de
                            Wegenwet.</al><al>D Rechthebbende:</al><al>een ieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een
                            zakelijk of persoonlijk recht.</al><al>E Voertuigen:</al><al>alle voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a en onder al (aa el)
                            van het Reglement</al><al>verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van:</al><lijst><li nr="a."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="b."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen.</al></li></lijst><al>F Vaartuigen:</al><al>alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede
                            woonschepen, glijboten</al><al>en ponten.</al><al>G Woonschepen:</al><al>schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning
                            bestemd.</al><al>H Bouwwerk:</al><al>elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                            materiaal, welke op de plaats</al><al>van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is,
                            hetzij direct of indirect steun</al><al>vindt in of op de grond.</al><al>I Gebouw:</al><al>elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of
                            gedeeltelijk met wanden</al><al>omsloten ruimte vormt.</al><al>J Vee:</al><al>eenhoevige dieren, herkauwende dieren en varkens.</al><al>K Pluimvee:</al><al>klein- en pluimvee, eenden en ganzen.</al><al>L Handelsreclame:</al><al>iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk
                            beoogd wordt een</al><al>commercieel belang te dienen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>1.Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning
                            of ontheffing binnen</al><al>acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al><lijst><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht
                                    weken verdagen.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor zover
                                    in deze verordening andere</al></li></lijst><al>beslistermijnen zijn vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2a</nr><titel>Te late indiening aanvraag</titel></kop><al>1.Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend
                            minder dan drie</al><al>weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing
                            nodig heeft, kan het</al><al>bevoegde bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al><al>2.Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen
                            vergunningen of ontheffingen</al><al>kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten
                            hoogste acht weken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><al>1.Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing
                            kunnen voorschriften</al><al>en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen
                            slechts strekken tot</al><al>bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                            vergunning of ontheffing is</al><al>vereist.</al><al>2.Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing
                            is verleend, is</al><al>verplicht de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen na te
                            komen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of</al><al>krachtens deze verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>Inzage vergunning, ontheffing of bewijs van kennisgeving</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan al dan niet tijdelijk worden ingetrokken
                            of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                    gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het</al></li></lijst><al>verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat
                            intrekking of</al><al>wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming
                            waarvan de</al><al>vergunning of ontheffing is vereist;</al><al>c.indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en
                            beperkingen niet zijn of</al><al>worden nagekomen;</al><al>d.indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt
                            binnen een daarin</al><al>gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen
                            een redelijke termijn;</al><al>e.indien de houder of zijn rechtsverkrijgende dit verzoekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.7</nr><titel>Vergunning of ontheffing voor onbepaalde tijd</titel></kop><al>Een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing geldt
                            voor onbepaalde tijd,</al><al>tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van
                            de vergunning of</al><al>ontheffing zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag worden
                            geweigerd in het</al><al>belang van :</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Orde en veiligheid op de weg</titel></kop><structuurtekst><al><vet><cursief>Bestrijding van ongeregeldheden</cursief></vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><al>1. Het is verboden op de weg zich tezamen met anderen te begeven
                                naar of al dan niet tezamen met anderen deel te nemen aan een
                                samenscholing, onnodig op te dringen<vet>, </vet>te vechten of door
                                uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden. 2. Een
                                ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor er
                                wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot
                                toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er
                                wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich
                                bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een
                                daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie of van een
                                toezichthouder zijn weg te vervolgen of zich in de door hem
                                aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te
                                begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten, wanneer
                                deze door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare
                                veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. 4.
                                De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                                gestelde verbod. 5. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet
                                voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare
                                manifestaties.</al><al><vet><cursief>Optochten en betogingen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>Optochten</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een optocht,
                                niet zijnde een betoging</al><al>als bedoeld in artikel 2.1.3, op de weg te doen plaatsvinden.</al><lijst><li nr="2."><al>De vergunning kan geweigerd worden in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of veiligheid van personen of
                                                goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of gezondheid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het doen plaatsvinden van een optocht is van
                                        vergunningverplichting vrijgesteld voor door de</al></li></lijst><al>burgemeester nader omschreven optochten, mits deze optocht uiterlijk
                                twee weken vóór de datum</al><al>waarop deze plaatsvindt schriftelijk bij de burgemeester is gemeld.
                                De burgemeester kan bij het</al><al>omschrijven van een optocht waarvoor de vrijstelling van de
                                vergunningplicht geldt,</al><al>voorschriften verbinden in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                        goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of de gezondheid.</al><lijst><li nr="4."><al>De burgemeester kan, naar aanleiding van een melding
                                                als bedoeld in lid 3, een aangemeld</al></li></lijst></li></lijst><al>optocht verbieden in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                        goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of de gezondheid.</al><lijst><li nr="5."><al>Het is verboden een optocht te doen
                                                plaatsvinden:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>die door de burgemeester op grond van het bepaalde in lid 4
                                        is verboden;</al></li><li nr="b."><al>indien in strijd wordt gehandeld met de in lid 3 bedoelde
                                        voorschriften;</al></li><li nr="c."><al>indien aanwijzingen van politie, brandweer en
                                        toezichthouders, geven in het belang van de</al></li></lijst><al>openbare orde en veiligheid, niet stipt en onverwijld worden
                                opgevolgd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3</nr><titel>Kennisgeving betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot
                                    belijden van</titel></kop><al><cursief>godsdienst of levensbeschouwing op openbare
                                    plaatsen.</cursief></al><al>1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                betoging, vergadering of</al><al>samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing, als
                                bedoeld in de Wet openbare</al><al>manifestaties, te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging
                                ervan en tenminste 72 uur</al><al>voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis geven aan de
                                burgemeester, met</al><al>inachtneming van hetgeen in artikel 2.1.4, eerste lid, hierover is
                                bepaald.</al><al>2.Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld in
                                artikel 1, eerste lid, juncto</al><al>tweede lid, van de Wet openbare manifestaties, te weten een plaats
                                die krachtens bestemming of</al><al>vast gebruik open staat voor het publiek, met uitzondering van een
                                gebouw of besloten plaats als</al><al>bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet.</al><al>3.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste
                                lid, genoemde termijn van</al><al>72 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving ontvankelijk
                                verklaren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij de kennisgeving wordt door de burgemeester een opgave
                                        verlangd van:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging,
                                                vergadering of samenkomst tot belijden van</al></li></lijst></li></lijst><al>godsdienst of levensbeschouwing houdt;</al><al>b.het doel van de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden
                                van godsdienst of</al><al>levensbeschouwing;</al><al>c.de datum waarop de betoging, vergadering of samenkomst tot
                                belijden van godsdienst of</al><al>levensbeschouwing wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en
                                beëindiging;</al><lijst><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de
                                        plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging, vergadering of
                                        samenkomst tot belijden van</al></li></lijst><al>godsdienst of levensbeschouwing houdt, zal treffen om een regelmatig
                                verloop te bevorderen.</al><al>2.Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs
                                waarin het tijdstip van de</al><al>kennisgeving, alsmede de eventueel door de burgemeester gestelde
                                voorschriften zijn vermeld.</al><al>3.Van op vooraf bepaalde tijdstippen regelmatig terugkerende
                                betogingen, vergaderingen of</al><al>samenkomsten tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing, kan,
                                voordat deze voor de</al><al>eerste keer worden gehouden, eenmalig schriftelijk kennis worden
                                gegeven. De voorafgaande</al><al>leden zijn van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet><cursief>Vertoning e.d. op de weg</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5a</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6</nr><titel>Straatartiest en straatmuzikant</titel></kop><al> 1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest en
                                straatmuzikant op te treden op of aan door de burgemeester
                                aangewezen wegen of gedeelten daarvan. 2. De burgemeester kan de
                                werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. De
                                burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod</al><al><vet><cursief>Bruikbaarheid van de weg</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.7</nr><titel>Voorwerpen, of stoffen op, aan of boven de weg</titel></kop><al>1.Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan
                                overeenkomstig de</al><al>publieke functie daarvan, als:</al><al>a.het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert
                                voor de bruikbaarheid van</al><al>de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een
                                belemmering kan vormen</al><al>voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;</al><al>b.het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de
                                omgeving niet voldoet aan</al><al>redelijke eisen van welstand.</al><lijst><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid gestelde verbod.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt
                                        niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>evenementen bedoeld in artikel 2.2.1;</al></li><li nr="b."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3.1.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor
                                        zover in het daarin geregelde</al></li></lijst><al>onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken,
                                artikel 5 van de</al><al>Wegenverkeerswet, of het Provinciaal wegenreglement.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.8</nr><titel>Winkeluitstallingen</titel></kop><al>1.Onverminderd het bepaalde in artikelen 2.1.7 en de
                                Precarioverordening is het verboden</al><al>zonder vergunning van het college op, aan of boven de weg, in aan of
                                boven een openbaar water</al><al>dan wel op, aan of boven een andere – al dan niet met enige
                                beperking – voor publiek</al><al>toegankelijke plaats goederen uit te stallen of uitgestald te hebben
                                om deze te koop aan te bieden,</al><al>te verkopen of te verstrekken aan het publiek, dan wel in het kader
                                van de verkoop vanuit een</al><al>winkel reclameborden te plaatsen of geplaatst te hebben
                                (winkeluitstallingsvergunning).</al><al>2.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd,
                                gewijzigd of worden</al><al>ingetrokken:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de brandveiligheid;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de verkeersveiligheid of
                                        verkeersvrijheid;</al></li><li nr="d."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien
                                        van de gemeente;</al></li><li nr="e."><al>in het belang van het voorkomen of het beperken van
                                        overlast;</al></li><li nr="f."><al>gelet op de ruimtelijke omstandigheden ter plaatse.</al></li></lijst><al>3. a. Aan de vergunning kan het college voorschriften verbinden, die
                                betrekking hebben op:</al><lijst><li nr="-"><al>de oppervlakte en omvang van de uitstalling;</al></li><li nr="-"><al>de constructie van de uitstalling;</al></li><li nr="-"><al>de situering van de uitstalling ten opzichte van de
                                        winkel.</al><lijst><li nr="b."><al>De vergunning heeft een geldigheidsduur van maximaal
                                                2 jaar na datum van afgifte.</al><lijst><li nr="4."><al>In afwijking van het gestelde onder het derde
                                                  lid, sub a, kan het college voor nader aan te</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al>wijzen straten of pleinen of delen van straten of pleinen nadere
                                regels stellen, die betrekking</al><al>hebben op:</al><lijst><li nr="-"><al>oppervlakte en omvang van de uitstalling;</al></li><li nr="-"><al>de constructie van de uitstalling;</al></li><li nr="-"><al>de situering van de uitstalling ten opzichte van de
                                        winkel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.9</nr><titel>Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college een weg aan te
                                leggen, de verharding</al><al>daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of
                                breedte van de wegverharding te</al><al>veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van
                                aanleg van een weg.</al><al>2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                hetgeen artikel 1 van de</al><al>Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare
                                ontsluitingswegen van</al><al>gebouwen.</al><al>3.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                het rijk, de provincie, de</al><al>gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar
                                publiekrechtelijke taak.</al><al>4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover
                                het Wetboek van Strafrecht,</al><al>de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal
                                wegenreglement, de</al><al>Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                Telecommunicatieverordening van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.9a</nr><titel>Maken en veranderen van een uitweg</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college een
                                uitweg te maken naar de</al><al>weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de
                                weg.</al><al>2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat
                                artikel 1 van de</al><al>Wegenverkeerswet daaronder verstaat.</al><al>3.Bij de melding wordt een situatieschets van de gewenste uitweg en
                                een foto van de bestaande</al><al>situatie overgelegd.</al><al>4.Het college laat binnen vier weken na ontvangst van de melding
                                weten of het college aan de</al><al>gewenste uitweg voorschriften stelt of dat de gewenste uitweg in het
                                geheel niet kan worden</al><al>gerealiseerd.</al><lijst><li nr="5."><al>Het college stelt voorschriften aan de gewenste uitweg
                                        indien door het realiseren ervan:</al><lijst><li nr="a."><al>gevaar of hinder ontstaat of dreigt te ontstaan voor
                                                het wegverkeer ter plaatse;</al></li><li nr="b."><al>het gebruik van een bestaande openbare parkeerplaats
                                                onmogelijk wordt gemaakt of dreigt te</al></li></lijst></li></lijst><al>worden gemaakt;</al><lijst><li nr="c."><al>de groenvoorziening in de gemeente wordt geschaad of dreigt
                                        te worden geschaad.</al><lijst><li nr="6."><al>Het college weigert slechts de aanleg van de uitweg
                                                als door de aanleg een voor het verkeer</al></li></lijst></li></lijst><al>gevaarlijke situatie ontstaat die niet door het stellen van
                                voorschriften kan worden voorkomen.</al><al>7.Het college stelt de indiener van de melding binnen zes weken na
                                ontvangst van de melding</al><al>op de hoogte van de voorschriften als bedoeld in het vierde lid of
                                weigering van de aanleg als</al><al>bedoeld in het zesde lid.</al><al>8.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt</al><al>voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de
                                Waterschapskeur of het Provinciaal</al><al>wegenreglement.</al><al><vet><cursief>Veiligheid van de weg</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.10</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><al>1.De rechthebbende op een bedrijf, die ten behoeve van het winkelend
                                publiek winkelwagentjes</al><al>ter beschikking stelt mede ten behoeve van het vervoer van
                                winkelwaren over de weg, is verplicht</al><al>deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander
                                herkenningsteken en de in de</al><al>omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg
                                achtergelaten winkelwagentjes</al><al>terstond te verwijderen of te doen verwijderen.</al><al>2.Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden
                                buiten de onmiddellijke</al><al>omgeving van het bedrijf als bedoeld in het eerste lid of, indien
                                het bedrijf gelegen is in een</al><al>winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van dat
                                winkelcentrum. Als onmiddellijke</al><al>omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of
                                het weggedeelte,</al><al>grenzende aan dat bedrijf of dat winkelcomplex en tevens een aan die
                                weg of dat weggedeelte</al><al>aansluitende parkeerplaats.</al><al>3.Het is verboden een winkelwagentje dat is gebruikt op de weg
                                onbeheerd daarop achter te</al><al>laten anders dan op een daartoe aangewezen plaats.</al><al>4.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                milieubeheer van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.11</nr><titel>Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerpen</titel></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.12</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                straatkolk, rioolput, fontein,</al><al>brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een
                                openbare nutsvoorziening, te</al><al>openen, onzichtbaar te maken, onbruikbaar te maken of af te
                                dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.13</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.14</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>Het is verboden aan een weg of aan enig deel van een bouwwerk een
                                voorwerp te hebben dat niet</al><al>deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.15</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><al>1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op
                                of aan dat bouwwerk,</al><al>vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college,
                                voorwerpen, borden of</al><al>voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare
                                verlichting worden</al><al>aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al><al>2.Het college maakt tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het
                                eerste lid zijn besluit</al><al>bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een
                                voorwerp, bord of voorziening</al><al>als bedoeld in het eerste lid.</al><al>3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de
                                Waterstaatswet 1900, de</al><al>Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht van toepassing
                                is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.16</nr><titel>Verwijdering e.d. van voorzieningen voor verkeer en
                                    verlichting</titel></kop><al>1.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een</al><al>bord of een andere voorziening ten behoeve van het openbaar verkeer
                                of de openbare verlichting te verwijderen, te wijzigen, te
                                beschadigen, de werking ervan</al><al>te beletten of te belemmeren.</al><al>2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het</al><al>Wetboek van Strafrecht van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.17</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te
                                                beschadigen, te verontreinigen, te versperren
                                                of</al></li></lijst></li></lijst><al>het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar
                                te brengen;</al><al>b.bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid
                                geplaatst op de onder a bedoelde</al><al>ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige
                                andere wijze het gebruik</al><al>daarvan te verijdelen of te belemmeren.</al><al>2.Een ieder is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar van
                                politie of van een</al><al>toezichthouder onmiddellijk het ijs te verlaten ter voorkoming van
                                gevaar voor personen of</al><al>goederen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.18</nr><titel>Benzinepompen op of nabij de weg</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.19</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><al>1.Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te
                                werpen, uit te storten of te laten</al><al>lopen.</al><al>2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door artikel</al><al>427, aanhef en onder 4 , van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5
                                van de Wegenverkeerswet</al><al>1994.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.20</nr><titel>Valschermspringen</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder toestemming van het college uit een zich in
                                de lucht bevindend</al><al>luchtvaartuig te springen met een valscherm.</al><al>2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door de</al><al>Wet Luchtverkeer, het Luchtverkeersreglement en de regeling
                                valschermspringen.</al><al><vet><cursief>Verboden slaapverblijf</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.21</nr><titel>(Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in
                                    kampeermiddelen</titel></kop><al>Het is verboden op de weg, al dan niet in een motorvoertuig, te
                                slapen, dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent,
                                caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het
                                kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen
                                dan wel gelegenheid daartoe te bieden</al><al><vet><cursief>Melding voorvallen gevaarlijke
                                stoffen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.22</nr><titel>Melding voorvallen gevaarlijke stoffen</titel></kop><al>Een ieder die betrokken is bij, of uit eigen waarneming kennis
                                draagt van een voorval met stoffen,</al><al>bedoeld in de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen, dat gevaar oplevert
                                voor de veiligheid van</al><al>personen of goederen, is verplicht dit onverwijld te melden aan de
                                politie.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Toezicht op evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>1.In deze paragraaf wordt onder evenement verstaan elke voor publiek
                                toegankelijke verrichting</al><al>van vermaak, met uitzondering van:</al><lijst><li nr="a."><al>bioscoopvoorstellingen;</al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van
                                        de Gemeentewet;</al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="d."><al>het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet
                                        gelegenheid geven tot dansen, dan</al></li></lijst><al>wel het organiseren van een verrichting van vermaak in een
                                inrichting als bedoeld in artikel 2.3.1,</al><al>waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 2.3.2 is afgegeven,
                                mits deze verrichting van</al><al>vermaak behoort tot de bij deze vergunning toegestane vorm van
                                exploitatie;</al><lijst><li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de
                                        Wet openbare manifestaties;</al></li><li nr="f."><al>activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1.2 en 5.2.7,
                                        alsmede paragraaf 2 van Hoofdstuk 3</al></li></lijst><al>van deze verordening.</al><al>2.Onder evenement wordt mede verstaan een
                                herdenkingsplechtigheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Evenement</titel></kop><al>1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                evenement te organiseren en/of te houden. Het is verboden deel te
                                nemen aan een evenement waarvoor geen vergunning is verleend. Het is
                                voor publiek verboden aanwezig te zijn bij een evenement waarvoor
                                geen vergunning is verleend.</al><lijst><li nr="2."><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen
                                                of goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of gezondheid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Al dan niet in verband met de bij de aanvraag verstrekte
                                        gegevens kan de burgemeester aan de vergunning voorschriften
                                        verbinden ter regulering van het evenement, die onder meer
                                        betrekking kunnen hebben op:</al><lijst><li nr="-"><al>plaats en tijdstip, technische voorzieningen en de
                                                verdere inrichtingen;</al></li><li nr="-"><al>de beveiliging van personen of goederen;</al></li><li nr="-"><al>de voorkoming van ernstige hinder voor toeschouwers
                                                en derden op en rondom de locatie(s) waar het
                                                evenement plaatsvindt;</al></li><li nr="-"><al>het belang van het verkeer;</al></li><li nr="-"><al>alsmede de verplichting voor organisatoren om in
                                                openbare aankondigingen van het evenement aan te
                                                geven hoe het evenement per openbaar vervoer kan
                                                worden bezocht.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>Grootschalig evenement</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>grootschalig evenement: een evenement als bedoeld in
                                                artikel 2.2.1, waarvan de aard of de</al></li></lijst></li></lijst><al>publieksaantrekkende werking vanuit een oogpunt van openbare orde en
                                veiligheid dusdanig</al><al>grootschalig is, dat daarin zonder nadere ordening niet kan worden
                                voorzien;</al><al>b.organisator: de natuurlijke of rechtspersoon die een grootschalig
                                evenement organiseert, dan</al><al>wel als eerstverantwoordelijke aan de organisatie leiding
                                geeft.</al><al>2.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                grootschalig evenement te</al><al>organiseren en/of te houden. Het is verboden deel te nemen aan een
                                evenement waarvoor geen</al><al>vergunning is verleend. Het is voor publiek verboden aanwezig te
                                zijn bij een evenement</al><al>waarvoor geen vergunning is verleend.</al><al>3.Onverminderd het in artikel 2.2.2 bepaalde is de organisator van
                                een grootschalig evenement</al><al>verplicht in een zo vroeg mogelijk stadium, maar ten minste acht
                                weken voor de datum waarop</al><al>het grootschalige evenement zal plaatsvinden, een aanvraag om een
                                vergunning bij de</al><al>burgemeester in te dienen. De aanvraag kan op meerdere grootschalige
                                evenementen betrekking</al><al>hebben. In bijzondere gevallen kan de burgemeester van deze termijn
                                ontheffing verlenen.</al><lijst><li nr="4."><al>De aanvraag vermeldt:</al><lijst><li nr="a."><al>de plaats waar het grootschalige evenement wordt
                                                gehouden;</al></li><li nr="b."><al>de datum en het tijdstip waarop het grootschalige
                                                evenement wordt gehouden;</al></li><li nr="c."><al>een opgave van het verwachte aantal deelnemers en
                                                toeschouwers;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijke risico's voor verstoring van de
                                                openbare orde en veiligheid; en</al></li><li nr="e."><al>de maatregelen die de organisator zelf zal nemen om
                                                wanordelijkheden zoveel mogelijk te</al></li></lijst></li></lijst><al>voorkomen.</al><al>Risicoverhogende feiten of omstandigheden waarvan eerst na de
                                aanvraag is gebleken, dienen</al><al>door de organisator onverwijld aan de burgemeester te worden
                                gemeld.</al><al>5.Al dan niet in verband met de bij de aanvraag verstrekte gegevens
                                kan de burgemeester aan de</al><al>vergunning voorschriften verbinden ter regulering van het
                                grootschalige evenement, die onder</al><al>meer betrekking kunnen hebben op:</al><al>− plaats en tijdstip, technische voorzieningen en de verdere
                                inrichting;</al><al>− de beveiliging van personen of goederen;</al><al>− de voorkoming van ernstige hinder voor toeschouwers en derden op
                                en rondom de locatie(s)</al><al>waar het grootschalige evenement plaatsvindt;</al><al>− het belang van het verkeer;</al><al>− alsmede de verplichting voor organisatoren om in openbare
                                aankondigingen van het</al><al>evenement aan te geven hoe het evenement per openbaar vervoer kan
                                worden bezocht.</al><al>6.Het is verboden een grootschalig evenement aan te kondigen, toe te
                                laten, feitelijk te leiden of</al><al>daaraan deel te nemen:</al><al>a.indien wordt afgeweken van de in de aanvraag, dan wel de naderhand
                                aan de burgemeester</al><al>verstrekte gegevens bedoeld in het vierde lid; en</al><al>b.indien wordt gehandeld in strijd met de krachtens het vijfde lid
                                door de burgemeester aan de</al><al>vergunning verbonden voorschriften.</al><al>7.Onverminderd het bepaalde in artikel 2.2.2, lid 2 weigert de
                                burgemeester de vergunning in</al><al>ieder geval indien naar zijn oordeel noch door het stellen van
                                voorschriften, noch door de zijdens</al><al>de organisator voorgestelde maatregelen, onevenredige schade aan de
                                belangen genoemd in het</al><al>vijfde lid kan worden voorkomen, dan wel indien de ter handhaving
                                van openbare orde en</al><al>veiligheid noodzakelijke politiecapaciteit een zijns inziens
                                onevenredig beroep op de beschikbare</al><al>formatie doet.</al><al>8.De organisator van een grootschalig evenement of degene die
                                daarbij de feitelijke leiding heeft,</al><al>is verplicht:</al><al>a.het grootschalige evenement onverwijld te beëindigen indien
                                daartoe door of namens de</al><al>burgemeester een bevel gegeven wordt;</al><al>b.ervoor te zorgen dat, nadat het onder a bedoelde bevel is gegeven,
                                geen publiek meer tot het</al><al>grootschalige evenement wordt toegelaten;</al><al>c.ervoor te zorgen dat de aanwijzingen van ambtenaren van politie,
                                brandweer en</al><al>toezichthouders stipt en onverwijld worden opgevolgd.</al><al>9.Het is voor het publiek verboden aanwezig te zijn of te blijven
                                bij een grootschalig evenement</al><al>ten aanzien waarvan een bevel als bedoeld in het achtste lid, onder
                                a, is gegeven.</al><al>10.Het is verboden zich bij gelegenheid van een grootschalig
                                evenement - al dan niet op het</al><al>evenemententerrein - op of aan de openbare weg of op voor het
                                publiek toegankelijke plaatsen te</al><al>gedragen met het kennelijke doel om de openbare orde of veiligheid
                                te verstoren of te bedreigen.</al><al>11.Het is verboden om bij gelegenheid van een grootschalig evenement
                                - al dan niet op het</al><al>evenemententerrein - op of aan de openbare weg of op voor het
                                publiek toegankelijke plaatsen</al><al>voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, te dragen of te vervoeren
                                die kennelijk bestemd zijn om</al><al>de openbare orde of veiligheid te verstoren.</al><al>12.Een ieder is verplicht bij gelegenheid van een grootschalig
                                evenement alle aanwijzingen,</al><al>gegeven door de politie, brandweer en toezichthouders in het belang
                                van de openbare orde of</al><al>veiligheid van personen en goederen, dan wel ter beperking van
                                gemeen gevaar, terstond en stipt</al><al>op te volgen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>Melding door exploitanten dan wel houders van een
                                    horecabedrijf en</titel></kop><al><cursief>verbod naar aanleiding van een melding</cursief></al><al>1.De exploitant en/of houder van een horecabedrijf zoals bedoeld in
                                artikel 2.3.1 onder A dient</al><al>voorafgaand aan elk kwartaal aan te geven, door middel van een
                                schriftelijke melding aan de</al><al>burgemeester, welke evenementen er in de inrichting in dat kwartaal
                                zullen gaan plaatsvinden.</al><al>2.De burgemeester kan, naar aanleiding van een melding als bedoeld
                                in lid 1, een aangemeld</al><al>evenement verbieden in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                        goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of de gezondheid.</al><lijst><li nr="3."><al>Het is verboden een evenement te organiseren, aan te
                                                kondigen, toe te laten, daaraan deel te</al></li></lijst></li></lijst><al>nemen of bij een evenement aanwezig te zijn dat niet ingevolge lid 1
                                is aangemeld, dan wel dat</al><al>door de burgemeester op grond van het bepaalde in lid 2 is
                                verboden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6</nr><titel>vrijstelling vergunningverplichting</titel></kop><al>1.Het organiseren, houden of deelnemen aan een evenement als bedoeld
                                in artikel 2.2.1 is van</al><al>vergunningverplichting vrijgesteld voor door de burgemeester nader
                                omschreven evenementen,</al><al>mits dit evenement uiterlijk twee weken vóór de datum waarop het
                                evenement aanvangt</al><al>schriftelijk bij de burgemeester is gemeld. De burgemeester kan bij
                                het omschrijven van een</al><al>evenement waarvoor de vrijstelling van de vergunningplicht geldt,
                                voorschriften verbinden in het</al><al>belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                        goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of de gezondheid.</al><lijst><li nr="2."><al>De burgemeester kan, naar aanleiding van een melding
                                                als bedoeld in lid 1, een aangemeld</al></li></lijst></li></lijst><al>evenement verbieden in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                        goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of de gezondheid.</al><lijst><li nr="3."><al>Het is verboden een evenement te organiseren, aan te
                                                kondigen, toe te laten, daaraan deel te</al></li></lijst></li></lijst><al>nemen of bij een evenement aanwezig te zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>dat door de burgemeester op grond van het bepaalde in lid 2
                                        is verboden;</al></li><li nr="b."><al>indien in strijd wordt gehandeld met de in lid 1 bedoelde
                                        voorschriften;</al></li><li nr="c."><al>indien aanwijzingen van politie, brandweer en
                                        toezichthouders, geven in het belang van de</al></li></lijst><al>openbare orde en veiligheid, niet stipt en onverwijld worden
                                opgevolgd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><structuurtekst><al><vet><cursief>Toezicht op horecabedrijven</cursief></vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><al>A.horecabedrijf: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                waarin bedrijfsmatig of in</al><al>een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of
                                dranken worden geschonken of</al><al>rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of
                                verstrekt. Onder een</al><al>horecabedrijf worden in ieder geval verstaan:een hotel, restaurant,
                                pension, café, cafetaria,</al><al>snackbar,discotheek, buurthuis, clubhuis, afhaalcentrum en
                                broodjeszaak.</al><al>B.Onder horecabedrijf als bedoeld onder A wordt mede verstaan een
                                bij dit bedrijf horend terras</al><al>en andere aangehorigheden.</al><lijst><li nr="C."><al>Bezoeker: een ieder, die zich in een horecabedrijf bevindt,
                                        met uitzondering van:</al></li><li nr="a."><al>de levenspartner en kinderen van de exploitant van het
                                        horecabedrijf, alsmede diens elders</al></li></lijst><al>wonende bloed- en aanverwanten of die van zijn levenspartner;</al><al>b.de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel
                                438 van het wetboek van</al><al>strafrecht;</al><al>c.de personen wier tegenwoordigheid in het horecabedrijf wegens
                                dringende omstandigheden</al><al>vereist wordt;</al><al>d.Werknemers/personen in loondienst van het horecabedrijf c.q.
                                schoonmaakbedrijf, in verband</al><al>met (schoonmaak)werkzaamheden.</al><al>D.Exploitant van het horecabedrijf: de natuurlijke persoon of
                                personen aan wie een</al><al>exploitatievergunning is verleend en/of voor wiens rekening en
                                verantwoordelijkheid een</al><al>horecabedrijf wordt geëxploiteerd.</al><al>E.Houder van het horecabedrijf: degene die als zodanig in de
                                vergunning als bedoeld in artikel</al><al>2.3.2 lid 1 is vermeld en naast de exploitant optreedt als
                                leidinggevende.</al><al>F.Terras: een buiten de besloten ruimte liggend gedeelte van een
                                horecabedrijf waar dranken of</al><al>spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt.</al><al>G.Horecaconcentratiegebied I: Horecaconcentratiegebied I zoals
                                aangewezen in het</al><al>(ontwerp)bestemmingsplan Binnenstad.</al><al>H.Binnenstad: het gebied omsloten door de Broersvest, de Koemarkt,
                                water van de Buitenhaven,</al><al>water van de Nieuwe Haven, water van de Noordvestgracht, het water
                                van de Schie, het</al><al>Overschieseplein, de Emmastraat, de Singel en het Emmaplein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2</nr><titel>Vergunningplicht</titel></kop><al>1.Het is, behoudens het bepaalde in artikel 2.3.3, verboden zonder
                                vergunning van de</al><al>burgemeester een horecabedrijf als bedoeld in deze paragraaf te
                                exploiteren</al><al>(exploitatievergunning).</al><al>2.Indien naar het oordeel van de burgemeester onvoldoende vaststaat
                                dat er geen sprake zal zijn</al><al>van het bepaalde in artikel 2.3.6, tweede lid, of in artikel 2.3.8,
                                tweede lid, kan door de</al><al>burgemeester een vergunning worden afgegeven voor een proefperiode
                                van ten hoogste een jaar</al><al>(voorlopige vergunning).</al><al>3.Indien gedurende de proefperiode als bedoeld in het tweede lid
                                blijkt dat sprake is van het</al><al>bepaalde in artikel 2.3.6, tweede lid, of in artikel 2.3.8, tweede
                                lid kunnen door de burgemeester</al><al>nadere voorschriften worden gesteld of kan de burgemeester de
                                voorlopige vergunning intrekken.</al><al>4.Indien tijdens de proefperiode niet van bezwaren is gebleken,
                                deelt de burgemeester de</al><al>exploitant van het horecabedrijf schriftelijk mede, dat de
                                voorlopige vergunning met ingang van</al><al>een nader door hem te bepalen datum dient te worden beschouwd als
                                een vergunning, als bedoeld</al><al>in het eerste lid.</al><al>5.Bij het van kracht worden van een verleende nieuwe vergunning
                                vervalt de oude vergunning</al><al>van rechtswege.</al><al>6.Een exploitatievergunning vervalt van rechtswege zodra (één van)
                                de exploitant(en) niet meer</al><al>als zodanig functioneert of zodra de ondernemingsvorm wijzigt.</al><al>7.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het
                                woon- en leefklimaat voor</al><al>bepaalde categorieën horecabedrijven een beperkte geldigheidsduur
                                van de exploitatievergunning</al><al>vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2a</nr><titel>Eisen exploitant en houder(s) vergunningplichtig
                                    horecabedrijf</titel></kop><al>1.De exploitant (en) en de houder(s)moeten voor het verkrijgen van
                                een vergunning voldoen aan</al><al>de eisen die bij of krachtens artikel 8, tweede lid, onder a en b en
                                lid 3 van de Drank- en</al><al>Horecawet worden gesteld aan leidinggevenden.</al><al>2.de exploitant moet de leeftijd van 21 jaar en de houder(s) de
                                leeftijd van 18 jaar hebben</al><al>bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2b</nr><titel>Aanwezigheid exploitant(en) en houder(s) vergunningplichtig
                                    horecabedrijf</titel></kop><al>1.Het is verboden het horecabedrijf voor bezoekers geopend te hebben
                                zonder dat er een</al><al>exploitant of houder aanwezig is.</al><al>2.De exploitant moet regelmatig in het horecabedrijf aanwezig
                                zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2c</nr><titel>Verantwoordelijkheid exploitant(en) en houder(s)</titel></kop><al>1.De exploitant is verantwoordelijk voor het vertonen van algemeen
                                aanvaardbaar gedrag van de</al><al>bezoekers in en in de nabijheid van het horecabedrijf</al><al>2.Het gedrag van de bezoekers van het horecabedrijf dient de normale
                                situatie niet negatief te</al><al>beïnvloeden.</al><al>3.De exploitant en houder dienen gehoor te geven aan de aanwijzingen
                                van een toezichthouder</al><al>die krachtens zijn functie van zijn bevoegdheden gebruik maakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3</nr><titel>Vrijstelling vergunningplicht</titel></kop><al>Vrijgesteld van exploitatievergunningsplicht (behoudens uitbreiding
                                met of van een terras) zijn</al><al>horecabedrijven of-activiteiten in of behorend bij:</al><al>1.logiesverstrekkers, kantoren (bedrijfskantines), scholen, musea,
                                verzorgings- en</al><al>verpleegtehuizen, ziekenhuizen, rouwcentra en crematoria, voor zover
                                deze uitsluitend in gebruik</al><al>zijn of dienen ter ondersteuning van de bedrijfsvoering en dus zijn
                                gericht op personen die van de</al><al>hoofdfunctie gebruikmaken.</al><al>2.niet commerciële sport- en recreatieverenigingen en –stichtingen,
                                voor zover deze uitsluitend</al><al>in gebruik zijn of dienen ter ondersteuning van de doelstellingen
                                van de betreffende vereniging of</al><al>stichting en dus zijn gericht op leden, medebeoefenaars van de
                                betreffende discipline en</al><al>toeschouwers van wedstrijden en overige
                                verenigingsactiviteiten.</al><al>3.commerciële sport- en recreatieclubs, voor zover deze uitsluitend
                                in gebruik zijn of dienen ter</al><al>ondersteuning van de bedrijfsvoering en dus zijn gericht op personen
                                die van de hoofdfunctie</al><al>gebruikmaken, waarbij geen alcoholhoudende dranken worden
                                geschonken.</al><al>4.winkels als bedoeld in de Winkeltijdenwet waarin het verkopen van
                                etenswaren en/of</al><al>drinkwaren mede tot de hoofdactiviteiten van de bedrijfsvoering
                                behoort, alsmede</al><al>winkelondersteunende horecabedrijven met openingstijden tussen 07:00
                                uur en 22:00 uur, waarbij</al><al>geen alcoholhoudende dranken worden geschonken en een eventueel
                                bijbehorend terras direct aan</al><al>de voorgevel van het bedrijfspand is geplaatst en bestaat uit
                                maximaal 2 tafels (van 1m x 1m) en</al><al>4 stoelen/zitplaatsen, en het uiterlijk aanzien van het terras
                                voldoet aan geldende</al><al>welstandscriteria.</al><al>5.Het bepaalde in 2.3.2c is van overeenkomstige toepassing op de
                                exploitant/houder van de</al><al>horecabedrijven of -activiteiten als bedoeld in dit artikel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.4</nr><titel>Vergunningaanvraag en verlening</titel></kop><al>1.De burgemeester stelt nadere regels vast omtrent de gegevens en
                                bescheiden die bij</al><al>vergunningaanvraag en ontheffingaanvraag moeten worden
                                overgelegd.</al><lijst><li nr="2."><al>Per horecabedrijf wordt niet meer dan één aanvraag tegelijk
                                        in behandeling genomen.</al></li><li nr="3."><al>De vergunning wordt uitsluitend verleend aan en op naam
                                        gezet van de exploitant van het</al></li></lijst><al>horecabedrijf; de vergunning is niet overdraagbaar.</al><al>4.Een vergunning voor een horecabedrijf wordt alleen verleend aan
                                een natuurlijk persoon.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.5</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>De burgemeester beslist binnen twaalf weken na de datum waarop de
                                aanvraag compleet met</al><al>bijbehorende gegevens en bescheiden is ontvangen. De beslissing kan
                                eenmaal voor ten hoogste</al><al>twaalf weken worden verdaagd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.6</nr><titel>Weigerings- en intrekkingsgronden</titel></kop><al>1. a. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de
                                burgemeester de vergunning indien de</al><al>vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een
                                geldend bestemmingsplan of een</al><al>geldend bestemmingsplan of een geldende Leefmilieuverordening.
                                Hierbij wordt een bij het</al><al>horecabedrijf behorend terras buiten beschouwing gelaten.</al><al>b.De burgemeester weigert de vergunning, indien niet wordt</al><al>voldaan aan het bepaalde in artikel 2.3.2a eerste en tweede
                                lid.</al><al>2.De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren,
                                als naar zijn oordeel de</al><al>openbare orde gevaar loopt en/of de woon- of leefsituatie in de
                                omgeving van het horecabedrijf</al><al>door de aanwezigheid van het horecabedrijf op ontoelaatbare wijze
                                nadelig wordt beïnvloed.</al><al>3.Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde
                                weigeringsgrond houdt de burgemeester</al><al>rekening met:</al><al>a.het karakter van de straat en van de wijk waarin het horecabedrijf
                                is gelegen of zal komen te</al><al>liggen;</al><lijst><li nr="b."><al>de aard van het horecabedrijf;</al></li><li nr="c."><al>de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds
                                        blootstaat of bloot zal komen te staan</al></li></lijst><al>door de exploitatie van het horecabedrijf;</al><al>d.de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant en houder(s) van
                                het horecabedrijf in deze of in</al><al>andere horecabedrijven.</al><al>4.De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde
                                tijd geheel of gedeeltelijk</al><al>intrekken of wijzigen:</al><al>a.indien blijkt, dat de vergunning ten gevolge van onjuiste of
                                onvolledige gegevens en</al><al>bescheiden is verleend;</al><al>b.indien de exploitant en/of(één van) de houder(s) van het
                                horecabedrijf de bepalingen in deze</al><al>paragraaf, danwel de voorschriften, behorende bij de vergunning,
                                overtreedt;</al><al>c.indien aannemelijk is, dat de exploitant en/of (één van) de
                                houder(s) van het horecabedrijf</al><al>betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij
                                activiteiten in of vanuit het</al><al>horecabedrijf, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of
                                een bedreiging vormen voor</al><al>het woon- of leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf;</al><al>d.indien de exploitant en/of(één van) de houder(s) van het
                                horecabedrijf toestaat dan wel</al><al>gedoogt, dat in zijn horecabedrijf strafbare en beboetbare feiten
                                worden gepleegd;</al><al>e.indien de exploitant en/of(één van) de houder(s) van het
                                horecabedrijf zich schuldig maakt aan</al><al>discriminatie;</al><al>f.indien zich in of vanuit het horecabedrijf anderszins feiten
                                hebben voorgedaan, die de vrees</al><al>wettigen, dat het geopend blijven van het horecabedrijf gevaar
                                oplevert voor de openbare orde</al><al>en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de
                                omgeving van het horecabedrijf;</al><al>g.indien op grond van verandering van de omstandigheden of
                                inzichten, opgetreden na het</al><al>verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen, dat intrekking
                                wordt gevorderd door de</al><al>belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist.</al><lijst><li nr="h."><al>Indien niet langer wordt voldaan aan de ingevolge artikel
                                        2.3.2 a en b gestelde eisen.</al><lijst><li nr="5."><al>De vergunning vervalt, indien de exploitatie van het
                                                horecabedrijf voor een periode van langer</al></li></lijst></li></lijst><al>dan zes maanden is of wordt onderbroken, alsmede indien er sprake is
                                van een gewijzigde</al><al>exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.7</nr><titel>Sluiting van horecabedrijven</titel></kop><al>1.De burgemeester kan een horecabedrijf –al dan niet voor een
                                bepaalde duur- gesloten</al><al>verklaren:</al><lijst><li nr="a."><al>indien dat horecabedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige
                                        vergunning;</al></li><li nr="b."><al>indien dat horecabedrijf wordt geëxploiteerd in strijd met
                                        de aan de vergunning verbonden</al></li></lijst><al>voorschriften, dan wel in strijd met de voorschriften genoemd in
                                artikel 2.3.2b en 2.3.8;</al><al>c.indien de burgemeester oordeelt, dat een van de in artikel 2.3.6,
                                vierde lid, genoemde situaties</al><al>waarin intrekking van de vergunning mogelijk is, zich voordoet.</al><al>2.De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt
                                zodra een besluit tot sluiting</al><al>op, in of nabij de toegang of toegangen van het horecabedrijf is
                                aangebracht.</al><al>3.Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van
                                belanghebbende(n) door de</al><al>burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten
                                en omstandigheden</al><al>hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties
                                aanwezig zijn, dat geen</al><al>herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal
                                plaatsvinden.</al><al>4.Het is de exploitant en/of de houder(s) van het horecabedrijf
                                verboden na het van kracht</al><al>worden van de sluiting als bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot
                                het horecabedrijf toe te laten of</al><al>daarin te laten verblijven.</al><al>5.Het is een ieder verboden in een bij besluit van de burgemeester
                                gesloten horecabedrijf als</al><al>bezoeker te verblijven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.8</nr><titel>Terrassen</titel></kop><al>1.Bij vergunningaanvragen voor een of meer bij het horecabedrijf
                                behorende terrassen</al><al>(behoudens terrassen kleiner dan 2 tafels en 4 stoelen, als genoemd
                                in 2.3.3), beslist de</al><al>burgemeester – gelet op de openbare orde en veiligheid ter plaatse –
                                tevens over de</al><al>ingebruikneming van de openbare weg.</al><al>2.Onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.6, tweede lid, kan de
                                burgemeester de in het eerste</al><al>lid bedoelde ingebruikneming van de openbare weg weigeren:</al><al>a.als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar
                                oplevert voor de</al><al>bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik
                                daarvan;</al><al>b.als dat gebruik een belemmering kan vormen voor het doelmatig
                                beheer en onderhoud van de</al><al>weg;</al><al>c.als dat gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de
                                openbare ruimte, inclusief de</al><al>bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.</al><al>3.Het is verboden op of in de omgeving van een terras dranken en/of
                                eetwaren voor gebruik ter</al><al>plaatse te verstrekken:</al><al>a.buiten dat deel van de weg waarvan het gebruik ingevolge het
                                bepaalde in het eerste lid is</al><al>toegestaan;</al><lijst><li nr="b."><al>aan degenen die geen gebruik maken van de op dat terras
                                        aanwezige zitplaatsen</al><lijst><li nr="4."><al>De burgemeester stelt nadere regels vast ten aanzien
                                                van de ingebruikname van het terras.</al></li><li nr="5."><al>De houder van het horecabedrijf is verplicht te
                                                zorgen dat dagelijks, uiterlijk een uur na</al></li></lijst></li></lijst><al>sluiting van het horecabedrijf, doch in ieder geval terstond op
                                eerste aanzegging van een</al><al>ambtenaar, belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde
                                in dit artikel, in de nabijheid</al><al>van het terras op de weg achtergebleven stoffen of voorwerpen, voor
                                zover kennelijk uit of van</al><al>dat terras afkomstig, worden verwijderd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.9</nr><titel>Openings- en sluitingstijden</titel></kop><al>1.Het is verboden om een horecabedrijf voor bezoekers geopend te
                                hebben of daarin bezoekers</al><al>toe te laten op andere tijdstippen dan van 07.00 uur tot 01.00 uur
                                op zondag tot en met donderdag,</al><al>en van 07:00 uur tot 02:00 uur op vrijdag en zaterdag en nationale
                                en algemeen erkende</al><al>feestdagen (behalve Goede Vrijdag).</al><al>2.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het
                                woon- en leefklimaat voor een</al><al>of meer horecabedrijven de in het eerste en derde lid genoemde
                                openingstijden –al dan niet</al><al>tijdelijk- beperken, dan wel andere openings- en sluitingstijden
                                vaststellen.</al><al>3.Het is verboden een terras, behorende bij een horecabedrijf, voor
                                bezoekers geopend te hebben</al><al>of daarop bezoekers toe te laten op andere tijdstippen dan de in de
                                onderstaande tabel genoemde:</al><al>Ligging horecabedrijf met terras Maximaal mogelijke openingstijden
                                Binnenstad 07.00 tot 01.00 uur</al><al>Gehele gemeente met uitzondering van de binnenstad 07.00 tot 22.00
                                uur</al><al>4.De burgemeester kan in de volgende gevallen ontheffing verlenen
                                van de in het eerste, tweede</al><al>en derde lid genoemde openings- en sluitingstijden:</al><al>a.aan horecabedrijven gelegen in horecaconcentratiegebieden I kan
                                ontheffing verleend worden</al><al>van de in het eerste en tweede lid genoemde sluitingstijden tot
                                maximaal 4.00 uur op maandag tot</al><al>en met zondag.</al><al>b.aan horecabedrijven die buiten de binnenstad zijn gelegen kan
                                ontheffing verleend worden van</al><al>de in het derde lid genoemde sluitingstijd van terrassen tot
                                maximaal 1.00 uur, indien naar het</al><al>oordeel van de burgemeester vast staat dat van de verruimde
                                openingstijden van het terras geen</al><al>hinder ondervonden kan worden.</al><al>c.op dagen die op grond van artikel 4.1.2 door het college zijn
                                aangewezen als collectieve</al><al>festiviteit, kunnen voor de gebieden waarvoor de aanwijzingen gelden
                                de volgende ontheffingen</al><al>van de sluitingstijden uit het eerste, tweede en derde lid verleend
                                worden:</al><al>binnenstad, zondag t/m donderdag: horecabedrijf: tot 02.00 uur,</al><al>binnenstad, vrijdag en zaterdag: horecabedrijf: tot 04.00 uur,</al><al>overig: vrijdag en zaterdag: horecabedrijf: tot 03.00 uur, terras:
                                tot 23.00 uur.</al><al>d.in aansluiting op lid 4 sub c kan op 1 januari en Koninginnedag
                                ontheffing tot 04.00 uur</al><al>worden verleend voor horecabedrijven binnen de gehele gemeente.</al><al>e.aan horecabedrijven in de binnenstad gedurende maximaal 5 dagen
                                per jaar in het geval van</al><al>een bijzondere gelegenheid om op vrijdag of zaterdag geopend te
                                blijven tot 04:00 uur of zondag</al><al>t/m donderdag tot 02:00 uur en aan horecabedrijven buiten de
                                binnenstad op vrijdag en zaterdag</al><al>tot 03:00 uur.</al><al>5.Het is verboden zich als bezoeker in een horecabedrijf te bevinden
                                op tijden waarop het</al><al>horecabedrijf voor het publiek gesloten moet zijn.</al><al>6.De burgemeester kan, als naar zijn oordeel sprake is van een
                                bijzondere omstandigheid (van</al><al>zeer tijdelijke aard), algemene ontheffing verlenen van de krachtens
                                dit artikel geldende</al><al>openings- en sluitingstijden voor een of meer bepaalde
                                horecabedrijven.</al><al>7.Een ontheffing wordt in ieder geval geweigerd als sprake is van
                                het bepaalde in artikel 2.3.6,</al><al>tweede lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.10</nr><titel>Raamkaart</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.10a</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>De beperking met betrekking tot de geldigheidsduur van 5 jaar van de
                                reeds verleende</al><al>vergunningen sinds 26 mei 2004 komt met ingang van de
                                inwerkingtreding van deze verordening</al><al>te vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.11</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden in en om een horecabedrijf de orde te
                                verstoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.12</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1 geen
                                inrichting is in de zin van artikel 174</al><al>van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester, maar het college op
                                als bevoegd</al><al>bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2.3.2, 2.3.3 en 2.3.9.</al><al><vet><cursief>Beperkte verstrekking sterke
                                drank</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.13</nr><titel>Beperking verstrekking sterke drank</titel></kop><al>1.Het is verboden anders dan om niet sterke drank voor gebruik ter
                                plaatse te verstrekken in een</al><al>besloten ruimte:</al><al>a.waarin of in een gedeelte waarvan uitsluitend of in hoofdzaak
                                geringe etenswaren, zoals</al><al>belegde broodjes, patates frites en kroketten worden verkocht;</al><lijst><li nr="b."><al>waarin onderwijs wordt gegeven;</al></li><li nr="c."><al>die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in
                                        gebruik is bij jeugdsociëteiten</al></li></lijst><al>en/of sportorganisaties of –instellingen;</al><al>d.die of waarvan een onderdeel in gebruik is als wachtruimte voor
                                passagiers van een openbaar</al><al>vervoersbedrijf.</al><al>2.Van het verbod, gesteld in het eerste lid, kan de burgemeester
                                ontheffing verlenen.</al><al><vet><cursief>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                        nachtverblijf</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.14</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><al>A.inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de
                                uitoefening van beroep of bedrijf, aan</al><al>personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
                                kamperen wordt verschaft;</al><al>B.houder: degene die een inrichting exploiteert dan wel daarin de
                                feitelijke leiding heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.15</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het
                                houden van een inrichting staakt,</al><al>is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te
                                geven aan de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.16</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><al>De houder van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld
                                in artikel 438 van het Wetboek</al><al>van Strafrecht, bij te houden dat ingericht is volgens het door de
                                burgemeester vastgestelde</al><al>model.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.17</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de
                                kampeerder is verplicht onverwijld</al><al>aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid zijn of
                                haar naam, adres, woonplaats,</al><al>geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst, alsmede
                                de dag van vertrek te</al><al>verstrekken.</al><al><vet><cursief>Voor publiek openstaande gebouwen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.18</nr><titel>Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande
                                    gebouwen</titel></kop><al>1.De burgemeester kan, indien de openbare orde dit naar zijn oordeel
                                vereist, de gehele of</al><al>gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand
                                gebouw - niet zijnde een</al><al>inrichting als bedoeld in paragraaf 3.1 of hoofdstuk 3 - of een bij
                                dat gebouw behorend erf.</al><al>2.De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van
                                een afschrift van zijn</al><al>bevel op of nabij de (hoofd)toegang van het voor het publiek
                                openstaande gebouw of het bij dat</al><al>gebouw behorende erf. De sluiting treedt in werking op het moment
                                dat bedoeld afschrift is</al><al>aangebracht.</al><al>3.Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid
                                bedoelde afschrift wordt</al><al>aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht
                                is.</al><al>4.Het is de rechthebbende op en de beheerder van een gebouw of erf
                                als bedoeld in het eerste lid</al><al>verboden daarin bezoekers toe te laten of daarin te laten
                                verblijven, zolang de sluiting van kracht</al><al>is.</al><al>5.Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid
                                gesloten gebouw of erf te</al><al>bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.</al><al>6.Onder bezoekers worden voor de toepassing van het vierde en vijfde
                                lid niet verstaan de</al><al>personen wier tegenwoordigheid in het voor het publiek openstaande
                                gebouw of het bij dat</al><al>gebouw behorende erf wegens dringende omstandigheden vereist
                                wordt.</al><al>7.Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van
                                belanghebbende(n) door de</al><al>burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten
                                en omstandigheden</al><al>hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties
                                aanwezig zijn, dat geen</al><al>herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben
                                geleid, zal plaatsvinden.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.0</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><al>1.Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                gesloten woning, een niet</al><al>voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal
                                behorend erf te betreden.</al><al>2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten
                                woning, een niet voor</al><al>het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal
                                behorend erf, een voor publiek</al><al>toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.</al><al>3.Dit verbod geldt niet voor personen wier aanwezigheid in de woning
                                of het lokaal wegens</al><al>dringende redenen noodzakelijk is.</al><al>4.De burgemeester is bevoegd van het in het eerste en tweede lid
                                bedoeld verbod ontheffing te</al><al>verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><al>1.Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat
                                vanaf de weg zichtbaar is</al><al>te bekrassen of te bekladden.</al><al>2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                rechthebbende op de weg of dat</al><al>gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is:</al><al>a.een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan
                                te plakken of op andere</al><al>wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;</al><al>b.met kalk, krijt of een kleur of verfstof enige afbeelding, letter,
                                cijfer of teken aan te brengen of</al><al>te doen aanbrengen.</al><al>3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                indien gehandeld wordt krachtens</al><al>wettelijk voorschrift.</al><al>4.Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                meningsuitingen en</al><al>bekendmakingen.</al><al>5.Het is verboden de in het vierde lid bedoelde plaatsen te
                                gebruiken voor het aanbrengen van</al><al>handelsreclame.</al><al>6.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                meningsuitingen en</al><al>bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de
                                meningsuitingen en</al><al>bekendmakingen.</al><al>7.De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                toestemming is verplicht die aan een</al><al>opsporingsambtenaar of toezichthouder op diens eerste vordering
                                terstond ter inzage af te geven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><al>1.Het is verboden tussen ’s avonds 10 uur en ’s morgens 6 uur op de
                                weg of openbaar water te</al><al>vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek,
                                kalk, teer, kleur- of verfstof,</al><al>verfspuitbus of verfgereedschap.</al><al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                indien de in dat lid bedoelde</al><al>materialen of gereedschappen niet zijn gebezigd of niet zijn bestemd
                                voor handelingen als</al><al>verboden in artikel 2.4.1.</al><al><vet><cursief>Vervoer inbrekerswerktuigen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden tussen ’s avonds 10 uur en ’s morgens 6 uur op de
                                weg te vervoeren of bij</al><al>zich te hebben lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of
                                enig ander gereedschap, voorwerp</al><al>of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig toegang tot een
                                gebouw of erf te verschaffen,</al><al>onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door
                                middel van braak te</al><al>vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.</al><al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                indien de in dat lid bedoelde</al><al>gereedschappen, voorwerpen of middelen niet bestemd of gebruikt zijn
                                voor de in dat lid bedoelde handelingen.</al><al><vet><cursief>Algemeen hinderlijk gedrag</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4</nr><titel>Hinderlijk gedrag op of aan de weg</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan de weg te klimmen, te liggen of zich
                                                anderszins te bevinden op een beeld,</al></li></lijst></li></lijst><al>monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid,
                                voertuig,tram, metro, hek,</al><al>heining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet
                                bestemd straatmeubilair;</al><al>b.zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers
                                of aan gebruikers van nabij</al><al>de weg gelegen gebouwen onnodig overlast of hinder veroorzaakt
                                wordt;</al><al>c.voor een ieder die daartoe niet bevoegd is, zich op de weg binnen
                                de voor een brug geplaatste</al><al>afsluitingen te bevinden nadat een of meer van die afsluitingen zijn
                                of worden gesloten, dan wel</al><al>een afsluiting voor een brug te openen.</al><al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                artikel 424, 426 bis, 431 van het</al><al>Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van
                                toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4a</nr><titel>Verplichte route</titel></kop><al>1.Het is de door de burgemeester aangewezen groepen van personen
                                verboden op door hem</al><al>aangewezen tijdstippen van een door hem aangewezen route af te
                                wijken.</al><al>2.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4b</nr><titel>Openlijk drankgebruik</titel></kop><al>1 Het is verboden op of aan de weg alcoholhoudende drank te
                                nuttigen, indien dit gepaard gaat</al><al>met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en
                                leefklimaat aantasten of anderszins</al><al>overlast veroorzaken.</al><al>2 Het is verboden op of aan de weg, die deel uitmaakt van een door
                                het college aangewezen</al><al>gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen,
                                blikjes en dergelijke met</al><al>alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al><al>3 Het bepaalde in het tweede en in het vijfde lid geldt niet
                                voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een terras en aanhorigheid dat behoort bij een
                                        horecabedrijf, als bedoeld in artikel 2.3.8;</al></li><li nr="b."><al>de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder
                                        a, waarvoor een ontheffing geldt</al></li></lijst><al>krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.</al><al>4 De burgemeester kan in een vergunning als bedoeld in artikel 2.2.2
                                of in een vergunning als</al><al>bedoeld in artikel 2.2.4. onder door hem te stellen voorwaarden
                                ontheffing verlenen van het in het</al><al>tweede lid of in het vijfde lid gestelde verbod.</al><al>5 Het is verboden op of aan de weg, die deel uitmaakt van de
                                navolgende gebieden,</al><al>alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en
                                dergelijke met</al><al>alcoholhoudende drank bij zich te hebben:</al><al>a elk gebied binnen een straal van 100 meter rond een bus- of
                                tramhaltepaal, metro- of</al><al>treinstation, of een taxistandplaats;</al><al>b schoolpleinen, kinderspeelplaatsen, speelvelden, delen van de weg
                                waarop</al><al>kinderstraatmeubilair is geplaatst, zandbakken en trapvelden,
                                alsmede het gebied dat om een</al><al>dergelijk object is gelegen, te weten het gebied binnen een afstand
                                van 50 meter van de buitenste</al><al>grenzen van dat object.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4c.</nr><titel>Messen en andere voorwerpen als (steek)wapen</titel></kop><al>1 Het is verboden op de weg, met inbegrip van daaraan gelegen, voor
                                publiek toegankelijke,</al><al>gebouwen en terreinen, messen, knuppels, slagwapens en andere
                                voorwerpen die als</al><al>(steek)wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te
                                hebben.</al><al>2 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens,
                                behorende tot de categorieën I, II,</al><al>III en IV van de Wet wapens en munitie, en niet voor voorwerpen, die
                                zodanig zijn ingepakt, dat</al><al>deze niet voor dadelijk gebruik kunnen worden aangewend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.5</nr><titel>Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek, bordes,
                                                poort, nis of op een trap op te houden;</al></li><li nr="b."><al>zich in, op of tegen een raamkozijn of een drempel
                                                van een gebouw te bevinden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van
                                        flatgebouwen, appartementsgebouwen en</al></li></lijst><al>soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek
                                toegankelijk zijn, verboden</al><al>zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk
                                gebruik bestemde ruimte</al><al>van een zodanig gebouw.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.5a</nr><titel>Hinderlijk gedrag op pleinen</titel></kop><al>1.Het is verboden:</al><al>a zich zonder redelijk doel op een schoolplein of speeltuin op te
                                houden;</al><al>b zich zonder redelijk doel op andere door het college aangewezen
                                plaatsen en pleinen op te</al><al>houden. Het college kan bij deze aanwijzing nadere dagen en tijden
                                aangeven waarop het verbod</al><al>geldt.</al><al>2.Het college kan van het in het eerste lid genoemde verbod
                                ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.5b</nr><titel>Overige hinderlijk gedrag</titel></kop><al>1.Het is verboden op de weg kerstbomen, autobanden en andere
                                voorwerpen of stoffen te</al><al>vervoeren en/of bij zich te dragen of anderszins voorhanden te
                                hebben, met het kennelijke</al><al>doel deze op de weg te verbranden.</al><al>2.Het college kan van het in het eerste lid genoemde verbod
                                ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6</nr><titel>Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel of op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden</al><al>in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel,
                                wachtlokaal voor een openbaar</al><al>vervoermiddel, parkeergarage, winkelcentrum, rijwielstalling of een
                                andere soortgelijke, voor het</al><al>publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel
                                te bezigen voor een ander</al><al>doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6a</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een</al><al>raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in
                                de ingang van een portiek</al><al>indien:</al><al>1.dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                gebruiker van dat gebouw of dat</al><al>portiek;</al><al>2.daardoor die ingang versperd wordt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6b</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt en
                                    evenemententerrein,</titel></kop><al><cursief>kermisterrein e.d.</cursief></al><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                                uren en plaatsen zich met</al><al>een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de
                                burgemeester aangewezen terrein</al><al>waar een markt, evenement, kermis, uitvoering, bijeenkomst of
                                plechtigheid gehouden wordt die</al><al>publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het
                                terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.7</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><al>1.Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een
                                gebouw, woonwagen of</al><al>woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan
                                wel een zich in dit</al><al>gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te
                                bespieden.</al><al>2.Het is verboden met behulp van enig middel een persoon te
                                bespieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.8</nr></kop><al>vervallen</al><al><vet><cursief>Overlast door dieren</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.9</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><al>1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                laten verblijven of te laten</al><al>lopen:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond
                                        aangelijnd is;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                        zodanig ingerichte speelpleinen bij</al></li></lijst><al>scholen, kinderspeelplaats, speeltuinen, op trapveldjes zandbak of
                                speelweide of op een andere</al><al>door het college aangewezen plaats;</al><al>c.op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander
                                identificatiemerk dat de</al><al>eigenaar of houder duidelijk doet kennen.</al><al>2.Het verbod geldt niet voor zover de eigenaar of houder van een
                                hond zich vanwege zijn</al><al>handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig
                                aantoonbaar</al><al>gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze
                                aantoonbaar gekwalificeerd</al><al>opleidt tot geleidehond.</al><al>3.Het in het eerste lid gestelde gebod geldt niet voor door het
                                college aangewezen</al><al>hondenlosloopgebieden en door of namens de Gemeente Schiedam
                                ingerichte uitlaatplaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.10</nr></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.11</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><al>1.De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen
                                dat die hond zich op of aan</al><al>de weg niet van uitwerpselen ontdoet.</al><al>2.De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                gestelde gebod wordt opgeheven</al><al>indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de
                                uitwerpselen onmiddellijk</al><al>worden verwijderd.</al><al>3.Het in het eerste lid gestelde gebod geldt niet voor door het
                                college aangewezen</al><al>hondenlosloopgebieden en door of namens de Gemeente Schiedam
                                ingerichte uitlaatplaatsen.</al><al>4.De eigenaar of houder van een hond is verplicht om, wanneer hij
                                zich met de hond op de weg</al><al>begeeft, middelen bij zich te dragen om uitwerpselen van de hond op
                                te ruimen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.12</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><al>1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                laten verblijven of te laten</al><al>lopen op of aan de weg of op het terrein van een ander:</al><al>a.anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar of de
                                houder heeft</al><al>bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een
                                aanlijngebod in verband met</al><al>het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;</al><al>b.anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat het
                                college aan de eigenaar of</al><al>de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of
                                hinderlijk acht en een aanlijn en</al><al>muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk
                                vindt.</al><al>2.In afwijking van artikel 2.4.9, aanhef en onder c, geldt voor het
                                bepaalde in het eerste lid</al><al>bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar,
                                niet- verwijderbaar</al><al>identificatiekenmerk in het oor of de buikwand.</al><al>3.In het eerste lid wordt verstaan onder: a. kort aanlijnen:
                                aanlijnen van een hond met een lijn</al><al>met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is
                                dan 1,50 meter; b. muilkorf: een</al><al>muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling
                                agressieve dieren.</al><al>4.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing voor
                                zover de Regeling agressieve</al><al>dieren van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.13</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><al>1.In de gevallen, waarin artikel 425 van het Wetboek van Strafrecht
                                niet van toepassing is, is hij,</al><al>die een dier onder zijn hoede heeft, verplicht er voldoende zorg
                                voor te dragen, dat dit dier geen</al><al>gevaar voor of overlast aan personen kan opleveren en geen hinder of
                                schade kan toebrengen aan</al><al>een anders eigendom dan wel de openbare gezondheid.</al><al>2.Het college is bevoegd buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                milieubeheer gedeelten van</al><al>de gemeente of bepaalde plaatsen aan te wijzen waar het ter
                                voorkoming of opheffing van</al><al>overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij
                                aangeduide dieren:</al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig te hebben; dan wel</al></li><li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door
                                        hen ter voorkoming of</al></li></lijst><al>opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid gestelde
                                regels; dan wel</al><al>c.aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is
                                aangegeven of mede is</al><al>aangegeven.</al><al>3.Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats
                                een daarbij aangeduid dier</al><al>of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te
                                hebben anders dan met</al><al>inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel
                                aanwezig te hebben tot een groter</al><al>aantal dan door het- college is aangegeven.</al><al>4.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                binnen een krachtens het</al><al>eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen
                                van het in het tweede lid</al><al>gestelde verbod.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.14</nr></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.15</nr><titel>Loslopend vee of pluimvee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee of pluimvee, dat zich bevindt in een aan een
                                weg gelegen weiland of</al><al>terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke
                                veekering, is verplicht ervoor te</al><al>zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee of
                                pluimvee die weg niet kan</al><al>bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.16</nr><titel>Ongedierte</titel></kop><al>1.De hoofdgebruiker of de eigenaar van een onroerende zaak of enig
                                gedeelte daarvan, gelegen</al><al>in een door het college aangewezen gedeelte van de gemeente, is
                                verplicht ter voorkoming van</al><al>schade door ongedierte aan eigendommen of gezondheid:</al><lijst><li nr="A."><al>overeenkomstig de door of namens het college gegeven
                                        voorschriften:</al></li><li nr="a."><al>verdelgingsmiddelen uit te leggen en uitgelegd te
                                        houden;</al></li><li nr="b."><al>vangmiddelen te plaatsen en in stand te houden;</al></li><li nr="c."><al>eetbaar afval buiten gebouwen niet anders aanwezig te hebben
                                        dan op voor ongedierte</al></li></lijst><al>ontoegankelijke wijze;</al><al>B.maatregelen te gedogen die door het college zijn getroffen.</al><al><vet><cursief>Overige zaken m.b.t. openbare orde en
                                        veiligheid</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.17</nr><titel>Bedelarij</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg of in een voor het publiek
                                toegankelijk gebouw (winkels</al><al>daaronder begrepen) te bedelen om geld en andere zaken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><al>A.Handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene
                                maatregel van bestuur op</al><al>grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                                Strafrecht.</al><al>B.Verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op
                                andere wijze overdragen van</al><al>alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><al>1.De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte
                                of ongeregelde goederen</al><al>die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en
                                een door of namens de</al><al>burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij
                                onverwijld:</al><lijst><li nr="a."><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                        goed;</al></li><li nr="b."><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor
                                        zover dat mogelijk is – soort, merk</al></li></lijst><al>en nummer van het goed;</al><lijst><li nr="d."><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van
                                        het goed;</al></li><li nr="e."><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                        verkregen.</al><lijst><li nr="2."><al>De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen
                                                van deze verplichtingen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van
                                    het Wetboek van</titel></kop><al><cursief>Strafrecht</cursief></al><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><al>a.wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437ter, tweede
                                lid, van het Wetboek van</al><al>Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er
                                schriftelijk van in kennis</al><al>stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij
                                tevens schriftelijk opgave te</al><al>doen van zijn woonadres en van het volledig adres van elke
                                lokaliteit door hem ten behoeve van</al><al>zijn onderneming in gebruik genomen;</al><al>b.de onder a. bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn
                                register(s) onverwijld doch in</al><al>ieder geval binnen drie dagen, schriftelijk in kennis te stellen van
                                een verandering van zijn</al><al>woonadres, zomede van het adres of de adressen van een bij hem ten
                                behoeve van zijn</al><al>onderneming in gebruik zijnde lokaliteit;</al><al>c.aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is
                                gevestigd een kenteken te</al><al>hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk
                                zichtbaar voorkomt;</al><al>d.indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan
                                redelijkerwijs kan worden</al><al>vermoed dat het van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende
                                verloren is gegaan, hiervan</al><al>onverwijld kennis te geven aan de onder a. bedoelde
                                functionaris;</al><al>e.zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de
                                burgemeester of een daartoe</al><al>door de burgemeester aangewezen ambtenaar;</al><al>f.wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of
                                gewoonte te maken,</al><al>onderscheidenlijk het beroep van handelaar niet langer uitoefent, de
                                onder a bedoelde functionaris</al><al>hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen
                                schriftelijk in kennis te stellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al>Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig
                                door opkoop verkregen</al><al>goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is,
                                over te dragen of daarin enige</al><al>wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging geen invloed is op de
                                herkenbaarheid van het goed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Handel in horecabedrijf</titel></kop><al>1.Het is de exploitant en houder van een horecabedrijf als bedoeld
                                in artikel 2.3.1 verboden toe</al><al>te laten dat een persoon in die inrichting roerende zaken
                                verhandelt, zulks voor zover dit de</al><al>directe aanbieding en levering omvat.</al><lijst><li nr="2."><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>horecabedrijf: het bedrijf als bedoeld in artikel
                                                2.3.1 onder A. en B.;</al></li><li nr="b."><al>houder: de houder als bedoeld in artikel 2.3.1 onder
                                                E.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr></kop><structuurtekst><al>vervallen</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Vuurwerk en carbid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:
                                Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                                vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen</titel></kop><al>Vervallen </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><al>1. Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het
                                college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                overlast aangewezen plaats.</al><lijst><li nr="2."><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op
                                        een voor publiek toegankelijke plaats te bezigen indien
                                        zulks gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
                                        voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                        door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van
                                        Strafrecht.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid gestelde verbod.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.4</nr><titel>Bezigen van carbid</titel></kop><al>1. Het is verboden carbid op of aan de weg of op een voor publiek
                                toegankelijke plaats te bezigen indien zulks gevaar, schade of
                                overlast kan veroorzaken.</al><lijst><li nr="2."><al>De in het eerste gestelde verboden gelden niet voor zover in
                                        het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel
                                        429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid gestelde verbod.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>8</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.1</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a Gemeentewet
                                besluiten tot het tijdelijk doen</al><al>ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door
                                hem aangewezen plaats</al><al>indien deze personen het bepaalde in artikel 2.1.1 eerste, tweede en
                                derde lid, 2.1.2 eerste lid,</al><al>2.1.7 eerste en derde lid, 2.1.9 eerste lid, 2.1.12, 2.1.13 eerste
                                lid, 2.1.16, 2.2.4 achtste, negende,</al><al>tiende, elfde en twaalfde lid, 2.4.4 eerste lid, 2.4.4a, 2.4.4b
                                eerste en vierde lid, 2.4.4c, 2.4.5,</al><al>2.4.5a, 2.4.5b, 2.4.6 en 2.7.3 eerste en tweede lid van de Algemene
                                Plaatselijke Verordening</al><al>groepsgewijs niet naleven.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>9</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.9.1</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester kan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 151b van
                                de Gemeentewet, bij</al><al>verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan
                                wel bij ernstige vrees</al><al>voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin
                                gelegen voor het publiek</al><al>openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied .</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>10</nr><titel>Verblijfsontzeggingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10.1</nr><titel>Verblijfsontzegging</titel></kop><al>1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene
                                die zich gedraagt in strijd</al><al>met artikel 2.1.1, 2.4.4, 2.4.4b, 2.4.4c, 2.4.5, 2.4.5a, 2.4.5b,
                                2.4.6, 2.4.17, 3.1.7, 3.3.2, 3.3.3, of</al><al>3.3.5 een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod
                                genoemd tijdvak van 24 uur te</al><al>bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de
                                nabijheid waarvan de genoemde</al><al>gedragingen hebben plaatsgehad (verblijfsontzegging).</al><al>2.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene
                                aan wie eerder een</al><al>verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van
                                wie binnen zes maanden na het</al><al>opleggen van dit verbod wordt geconstateerd, dat hij zich opnieuw
                                gedraagt in strijd met de in het</al><al>eerste lid genoemde artikelen, een verbod opleggen om zich gedurende
                                een in dat verbod</al><al>genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen te bevinden op in dat
                                verbod aangewezen</al><al>plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen
                                hebben plaatsgehad.</al><al>3.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene
                                aan wie eerder een</al><al>verblijfsontzegging voor de duur van veertien dagen is opgelegd en
                                ten aanzien van wie binnen</al><al>zes maanden na het opleggen van dit verbod wordt geconstateerd, dat
                                hij zich opnieuw gedraagt</al><al>in strijd met de in het eerste lid genoemde artikelen, een verbod
                                opleggen om zich gedurende een</al><al>in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen te
                                bevinden op in dat verbod</al><al>aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde
                                gedragingen hebben</al><al>plaatsgehad.</al><al>4.De burgemeester beperkt de in het eerste, tweede of derde lid
                                genoemde verboden, indien dat</al><al>in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene
                                noodzakelijk is.</al><al>5.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                burgemeester opgelegd verbod.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>11</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11.1</nr><titel>openbare orde</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet
                                besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor de maximale duur van
                                3 jaar ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>PROSTITUTIE, KANSSPELEN EN DRUGS</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Seksinrichtingen, Escortbedrijven, Straatprostitutie e.d.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>A.<cursief>prostitutie</cursief>: het zich beschikbaar stellen tot
                                het verrichten van seksuele handelingen met een</al><al>ander tegen vergoeding;</al><al>B.<cursief>prostituee: </cursief>degene die zich beschikbaar stelt
                                tot het verrichten van seksuele handelingen met</al><al>een ander tegen vergoeding;</al><al>C.<cursief>seksinrichting: </cursief>de voor publiek toegankelijke,
                                besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een</al><al>omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden
                                verricht, of vertoningen van</al><al>erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting
                                worden in elk geval</al><al>verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een
                                parenclub of een prostitutiebedrijf</al><al>waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in
                                combinatie met elkaar;</al><al>D.<cursief>escortbedrijf: </cursief>de natuurlijke persoon, groep
                                van personen of rechtspersonen die bedrijfsmatig</al><al>of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt
                                die op een andere plaats dan in</al><al>de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al><al>E.<cursief>exploitant: </cursief>de natuurlijke persoon of personen
                                of rechtspersoon of rechtspersonen die een</al><al>seksinrichting of escortbedrijf exploiteert of exploiteren en de tot
                                vertegenwoordiging van die</al><al>rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of
                                personen;</al><al>F.<cursief>beheerder: </cursief>de natuurlijke persoon of personen
                                die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent</al><al>in een seksinrichting of escortbedrijf;</al><lijst><li nr="G."><al><cursief>bezoeker: </cursief>degene die aanwezig is in een
                                        seksinrichting, met uitzondering van:</al><lijst><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder;</al></li><li nr="3."><al>de prostituee;</al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam
                                                is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van
                                                artikel 6.2;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de
                                                seksinrichting wegens dringende redenen</al></li></lijst></li></lijst><al>noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.2</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3.1.10 genoemde belangen, kan het
                                college met betrekking tot de</al><al>uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels
                                vaststellen.</al><al><vet><cursief>Seksinrichtingen, escortbedrijven, straatprostitutie
                                        e.d.</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.3</nr><titel>Vergunningplicht</titel></kop><al>1.Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren
                                of te wijzigen zonder</al><al>vergunning van de burgemeester.</al><al>2.In de aanvraag voor de vergunning wordt in ieder geval vermeld,
                                dan wel bij de aanvraag</al><al>wordt in ieder geval gevoegd:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder;</al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;</al></li><li nr="d."><al>een plattegrond van de inrichting met een schaal van
                                        tenminste 1:100 waarop duidelijk het</al></li></lijst><al>aantal werkruimten is aangegeven;</al><lijst><li nr="e."><al>het aantal werkzame prostituees;</al></li><li nr="f."><al>de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting door
                                        middel van een situatietekening</al></li></lijst><al>met een schaal van tenminste 1:1000;</al><lijst><li nr="g."><al>bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer
                                        van Koophandel;</al></li><li nr="h."><al>bewijs waaruit blijkt dat de exploitant (zelfstandig)
                                        gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte</al></li></lijst><al>bestemd voor de seksinrichting;</al><lijst><li nr="i."><al>de telefoonnummers waarmee het escortbedrijf de prostitutie
                                        aanbiedt.</al><lijst><li nr="3."><al>De in lid 2 van dit artikel gestelde eisen onder d
                                                en f gelden niet voor een escortbedrijf.</al></li><li nr="4."><al>Per seksinrichting of escortbedrijf wordt niet meer
                                                dan één aanvraag tegelijk in behandeling</al></li></lijst></li></lijst><al>genomen.</al><al>5.De vergunning wordt uitsluitend verleend aan de exploitant en op
                                naam gesteld van de</al><al>exploitant en de beheerders, de vergunning is niet
                                overdraagbaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.4</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De exploitant en de beheerder:</al><lijst><li nr="a."><al>staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de
                                                ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>zijn niet in enig opzicht van slecht
                                                levensgedrag;</al></li><li nr="c."><al>en hebben de leeftijd van eenentwintig jaar
                                                bereikt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant
                                        of de beheerder in ieder geval niet:</al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van
                                                Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst
                                                of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek
                                                van Strafrecht ter beschikking gesteld;</al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk
                                                veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf
                                                van zes maanden of meer door de rechter in
                                                Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel
                                                door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor
                                                naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige
                                                hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het
                                                Wetboek van Strafvordering is toegelaten;</al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee
                                                rechterlijke uitspraken onherroepelijk</al></li></lijst></li></lijst><al>veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of
                                tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens
                                overtreding van:</al><lijst><li nr="-"><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet,
                                        de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid
                                        Vreemdelingen;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 137c t/m 137g, 140, 197a, 197b, 197c, 240b, 242
                                        t/m 249, 250a (oud), 252, 273a, 300 t/m 303, 416, 417,
                                        417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van
                                        Strafrecht;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 jo
                                        artikel 8 of jo artikel 163 van de Wegenverkeerswet
                                        1994;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de
                                        Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al><lijst><li nr="3."><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid
                                                wordt gelijk gesteld;</al><lijst><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als
                                                  bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het
                                                  Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid,
                                                  onder a van de Algemene Wet inzake
                                                  rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375
                                                  euro bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een
                                                  voorwaardelijke straf.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid,
                                                wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning
                                                  teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de
                                                  aanvraag;</al></li><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning
                                                  teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van
                                                  deze vergunning.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De exploitant of de beheerder is binnen de laatste
                                                vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van
                                                een inrichting die voor tenminste één maand door de
                                                burgemeester is gesloten, of waarvan de vergunning
                                                als bedoeld in artikel 3.1.3 is ingetrokken, tenzij
                                                aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt
                                                treft.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.5</nr><titel>Aanwezigheid van een toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><al>1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend hebben,
                                zonder dat de ingevolge</al><al>artikel 3.1.3 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in
                                de seksinrichting aanwezig is.</al><lijst><li nr="2."><al>De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend
                                        op toe te zien dat in de inrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in
                                                ieder geval de feiten als genoemd in de titels</al></li></lijst></li></lijst><al>XIV (misdrijven tegen zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en
                                XXX (heling) van het</al><al>Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de
                                Wet wapens en minutie;</al><al>b.geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het
                                bij of krachtens de Wet</al><al>arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al><al>3.Het is de exploitant en de beheerder verboden personen jonger dan
                                18 jaar toegang te verlenen</al><al>tot de seksinrichting.</al><al>4.De exploitant en beheerder van een escortbedrijf treft maatregelen
                                ter waarborging van de</al><al>veiligheid van de prostituee en ter voorkoming van feiten genoemd in
                                het tweede lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.6</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><al>1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                hebben en daarin bezoekers toe</al><al>te staan of te laten verblijven tussen 01.00 en 07.00 uur en in het
                                weekeinde (vrijdagavond en</al><al>zaterdagavond) tussen 02.00 en 07.00 uur.</al><al>2.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het
                                woon- of leefklimaat voor een</al><al>bepaald gebied voor een of meer inrichtingen de in het eerste lid
                                genoemde sluitingstijden, al dan</al><al>niet tijdelijk, beperken, dan wel andere sluitingstijden
                                vaststellen.</al><al>3.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                bevinden gedurende de tijd</al><al>dat die inrichting krachtens het eerste lid, dan wel krachtens
                                artikel 3.1.13, gesloten dient te zijn.</al><al>4.Het in het eerste lid of het krachtens het tweede bepaalde geldt
                                niet voor zover krachtens het</al><al>bepaalde in de Wet milieubeheer aan de seksinrichting
                                sluitingstijden zijn voorgeschreven die op</al><al>een vroeger tijdstip zijn gelegen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.7</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><al>1.Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                andere wijze, passanten tot</al><al>prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken.</al><al>2.Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                verbod, kan door</al><al>politieambtenaren of toezichthouders het bevel worden gegeven zich
                                onmiddellijk in een</al><al>bepaalde richting te verwijderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.8</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische</titel></kop><al><cursief>goederen, afbeeldingen en dergelijke</cursief></al><al>1.In dit artikel wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voor zover het</al><al>betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende
                                erven als bedoeld in artikel</al><al>174 van de Gemeentewet, de burgemeester.</al><al>2.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of
                                daarop goederen,</al><al>opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                afbeeldingen van erotischpornografische</al><al>aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te
                                brengen:</al><al>a.indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                bekend gemaakt dat de wijze</al><al>van tentoonstellen, aanbieding of aanbrengen daarvan, de openbare
                                orde of de woon- en</al><al>leefomgeving in gevaar brengt;</al><al>b.anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in
                                het belang van de openbare</al><al>orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.</al><al>3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                het tentoonstellen, aanbieden of</al><al>aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                geschreven stukken dan wel</al><al>afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                gevoelens als bedoeld in artikel 7,</al><al>eerste lid van de Grondwet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.8a</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>1.In deze paragraaf wordt onder sekswinkel verstaan: de voor het
                                publiek toegankelijke,</al><al>besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van
                                erotisch-pornografische aard aan particulieren</al><al>plegen te worden verkocht of verhuurd.</al><al>2.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te</al><al>exploiteren in het door het college in het belang van de openbare
                                orde of de woon-en</al><al>leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.</al><al><vet><cursief>Beslistermijn;
                                        </cursief></vet><vet><cursief>weigeringsgronden</cursief></vet><vet><cursief>;
                                        geldigheid vergunning</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.9</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>1.De burgemeester beslist op de aanvraag om vergunning als bedoeld
                                in artikel 3.1.3, eerste lid,</al><al>binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag met de bijbehorende
                                gegevens en bescheiden</al><al>is ontvangen.</al><al>2.De burgemeester kan zijn besluit eenmaal voor ten hoogste twaalf
                                weken verdagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.10</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de
                                        burgemeester de vergunning als bedoeld in artikel 3.1.3,
                                        eerste lid, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitatie van de inrichting in strijd is met
                                                een geldend bestemmingsplan of met een
                                                stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening in de
                                                zin van de Wet op de stads- en
                                                dorpsvernieuwing;</al></li><li nr="b."><al>indien de vestiging of exploitatie in strijd is met
                                                de grond van artikel 3.1.2 bij nadere regels
                                                gestelde inrichtings- en bedrijfsvoeringseisen;</al></li><li nr="c."><al>er aanwijzingen zijn dat in de inrichting personen
                                                werkzaam (zullen) zijn in strijd met artikel 273f
                                                van het Wetboek van Strafrecht, of met het bij of
                                                krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                                Vreemdelingenwet bepaalde;</al></li><li nr="d."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in
                                                artikel 3.1.4 gestelde eisen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan, onverminderd het bepaalde in artikel
                                        1.8, de vergunning als bedoeld in artikel 3.1.3, eerste
                                        lid,weigeren als naar zijn oordeel de openbare orde gevaar
                                        loopt of het woon- en leefklimaat in de omgeving van de
                                        inrichting nadelig wordt beïnvloed. Bij de toepassing van
                                        deze weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening
                                        met:</al><lijst><li nr="a."><al>het karakter van de straat en de wijk waarin de
                                                inrichting is gelegen of zal komen te liggen;</al></li><li nr="b."><al>de aard van de inrichting;</al></li><li nr="c."><al>de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds
                                                blootstaat of bloot zal komen te staan door de
                                                exploitatie van de inrichting.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning
                                        bedoeld in artikel 3.1.3, eerste lid, worden geweigerd in
                                        het belang van de arbeidsomstandigheden van de
                                        prostituee.</al></li></lijst><al><cursief>3.1.10a
                                </cursief><cursief>Intrekkingsgronden</cursief></al><al>De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd,
                                gedeeltelijk of geheel</al><al>intrekken, indien:</al><al>a.blijkt dat de vergunning op grond van onjuiste of onvolledige
                                gegevens en bescheiden is</al><al>verleend;</al><al>b.de ingevolge artikel 3.1.3, tweede lid, onder a in de vergunning
                                vermelde exploitant niet</al><al>feitelijk de exploitatie voert;</al><al>c.de exploitant of beheerder bepalingen in deze paragraaf, de nadere
                                regels bedoeld in artikel</al><al>3.1.2 dan wel de voorschriften, behorende bij de vergunning,
                                overtreedt;</al><lijst><li nr="d."><al>in de seksinrichting een minderjarige prostituee wordt
                                        aangetroffen;</al></li><li nr="e."><al>in de seksinrichting een prostituee zonder een voor het
                                        verrichten van arbeid geldige</al></li></lijst><al>verblijfstitel wordt aangetroffen;</al><al>f.een escortbedrijf werkzaamheden laat verrichten door een
                                minderjarige prostituee of een</al><al>prostituee zonder een voor het verrichten van arbeid geldige
                                verblijfstitel;</al><al>g.er door de exploitant of beheerder onvoldoende maatregelen zijn
                                getroffen in het belang van de</al><al>veiligheid, de hygiëne en de bescherming van de gezondheid van de in
                                de seksinrichting</al><al>werkzame personen, alsmede ter bescherming van de
                                volksgezondheid;</al><al>h.aannemelijk is dat de exploitant of beheerder betrokken is of hem
                                ernstige nalatigheid kan</al><al>worden verweten bij activiteiten in of vanuit de seksinrichting, die
                                een gevaar opleveren voor de</al><al>openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of
                                leefklimaat;</al><al>i.de exploitant of beheerder strafbare feiten pleegt in de
                                inrichting, dan wel toestaat of gedoogt</al><al>dat in zijn seksinrichting strafbare feiten worden gepleegd;</al><al>j.zich in of vanuit de seksinrichting of bij de uitoefening van het
                                anderszins feiten hebben</al><al>voorgedaan, die de vrees wettigen, dat de exploitatie van de
                                seksinrichting of het escortbedrijf</al><al>gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor
                                het woon- en leefklimaat in</al><al>de omgeving van de seksinrichting of het escortbedrijf;</al><al>k.op grond van verandering van omstandigheden of inzichten,
                                opgetreden na het verlenen van</al><al>een vergunning, moet worden aangenomen, dat intrekking wordt
                                gevorderd door de belangen ter</al><al>bescherming waarvan de vergunning is vereist.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.11</nr><titel>Geldigheid vergunning</titel></kop><al>Een vergunning als bedoeld in artikel 3.1.3 heeft een
                                geldigheidsduur van één jaar.</al><al><vet><cursief>Sluitingsgronden</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.12</nr><titel>Sluiting van de seksinrichting</titel></kop><al>1.De burgemeester kan een seksinrichting, al dan niet voor een
                                bepaalde duur, gesloten</al><al>verklaren, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de seksinrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige
                                        vergunning;</al></li><li nr="b."><al>de seksinrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan
                                        de vergunning verbonden</al></li></lijst><al>voorschriften;</al><al>c.de burgemeester oordeelt, dat een van de in artikel 1.6 genoemde
                                situaties waarin intrekking</al><al>van de vergunning mogelijk is, zich voordoet.</al><al>2.De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van
                                een afschrift van het</al><al>bevel op of nabij de toegang of toegangen van de seksinrichting. De
                                sluiting treedt in werking op</al><al>het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.</al><al>3.Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid
                                bedoelde afschrift wordt</al><al>aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht
                                is.</al><al>4.Het is de exploitant of beheerder van een seksinrichting, verboden
                                daarin bezoekers toe te</al><al>laten of daarin te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht
                                is.</al><al>5.Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid
                                gesloten seksinrichting te</al><al>bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.</al><al>6.Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van
                                belanghebbende(n) door de</al><al>burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten
                                en omstandigheden</al><al>hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties
                                aanwezig zijn, dat geen</al><al>herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal
                                plaatsvinden.</al><al><vet><cursief>Beëindiging exploitatie; wijziging
                                    beheer</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.13</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><al>1.De vergunning vervalt zodra de exploitant de exploitatie van de
                                seksinrichting of het</al><al>escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.</al><al>2.Uiterlijk binnen een week na de feitelijke beëindiging van de
                                exploitatie, geeft de exploitant</al><al>daarvan schriftelijk kennis aan de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.14</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><al>1.Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.1.3, tweede lid,
                                onder b, het beheer in de</al><al>seksinrichting feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant
                                daarvan binnen een week na de</al><al>feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan de
                                burgemeester.</al><al>2.Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe
                                beheerder, indien de</al><al>burgemeester op aanvraag van de exploitant heeft besloten de
                                verleende vergunning</al><al>overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Kansspelen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.1</nr></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.1a</nr><titel>Speelautomaten</titel></kop><al>1.Begripsomschrijvingen</al><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="A."><al>Wet: de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="B."><al>speelautomatenbesluit: KB van 23 mei 2000 (Stb.2000,
                                        223);</al></li><li nr="C."><al>speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a
                                        van de Wet;</al></li><li nr="D."><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder
                                        c van de Wet;</al></li><li nr="E."><al>hoogdrempelig: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d
                                        van de Wet;</al></li><li nr="F."><al>laagdrempelig: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e
                                        van de Wet;</al></li><li nr="G."><al>aanwezigheidsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel
                                        30b van de Wet.</al></li><li nr="H."><al>ondernemer: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een
                                        speelautomatenhal,een</al></li></lijst><al>hoogdrempelige inrichting of een laagdrempelige inrichting
                                exploiteert en de wettelijke</al><al>vertegenwoordiger van die rechtspersoon;</al><al>I.een inrichting, bestemd om het publiek gelegenheid te geven een
                                spel door middel van</al><al>speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel 30c, eerste lid,
                                onder c, van de wet;</al><al>J.beheerder: degene die belast is met het dagelijks toezicht en de
                                onmiddellijke leiding in de</al><al>speelautomatenhal is belast;</al><al>K.exploitant: degene die ingevolge de vergunning, verleend door de
                                Minister van Economische</al><al>Zaken, bedoeld in artikel 30H van de wet, speelautomaten
                                exploiteert.</al><lijst><li nr="2."><al>Opstelplaatsenbeleid</al><lijst><li nr="a."><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn 3 speelautomaten
                                                toegestaan, waarvan maximaal twee</al></li></lijst></li></lijst><al>kansspelautomaten;</al><al>b.In laagdrempelige inrichtingen zijn 3 speelautomaten toegestaan,
                                met dien verstande dat</al><al>kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.1b</nr><titel>Aanwezigheidsvergunning, tenaamstelling,
                                    niet-overdraagbaarheid</titel></kop><al>1.De aanwezigheidsvergunning kan uitsluitend op naam worden gesteld
                                van de ondernemer en</al><al>is niet overdraagbaar.</al><al>2.In de aanwezigheidsvergunning wordt het adres van de inrichting
                                waar de speelautomaten</al><al>worden geplaatst, vermeld.</al><al>3.De aanwezigheidsvergunning wordt uitsluitend verleend ten behoeve
                                van de plaatsing van</al><al>speelautomaten die in eigendom toebehoren aan personen die in het
                                bezit zijn van een</al><al>exploitatievergunning als bedoeld in artikel 30h van de wet en die
                                voorzien zijn van een</al><al>merkteken als bedoeld in artikel 30r van de wet.</al><al>4.De naam van de exploitant van de speelautomaten wordt in de
                                aanwezigheidsvergunning</al><al>vermeld. Bij wijziging dient zulks onverwijld te worden gemeld,
                                waarna de</al><al>aanwezigheidsvergunning wordt aangepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.1c</nr><titel>Overname</titel></kop><al>Indien de inrichting waarvoor de aanwezigheidsvergunning is
                                verleend, wordt overgenomen door</al><al>een nieuwe ondernemer, vervalt de aan de vorige ondernemer
                                verleende</al><al>aanwezigheidsvergunning van rechtswege.</al><al><vet><cursief>Speelautomatenhallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.2</nr><titel>Vergunningplicht speelautomatenhal</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                speelautomatenhal te vestigen of</al><al>te exploiteren.</al><al>2.De burgemeester is bevoegd maximaal 1 speelautomatenhalvergunning
                                te verlenen voor een</al><al>speelautomatenhal.</al><al>3.De burgemeester kan uitsluitend een vergunning voor een
                                speelautomatenhal verlenen voor het</al><al>deel van de gemeente dat op de bij deze verordening behorende kaart
                                is aangegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.3</nr><titel>Aanvraag vergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ondernemer dient de vergunning aan te vragen onder
                                        overlegging van:</al><lijst><li nr="a."><al>een nauwkeurige beschrijving van de inrichting
                                                waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan,</al></li></lijst></li></lijst><al>alsmede een plattegrond waarin is aangegeven op welke plaats in de
                                speelautomatenhal en in</al><al>welk aantal kansspel- of behendigheidsautomaten worden
                                opgesteld;</al><lijst><li nr="b."><al>een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel en
                                        Fabrieken;</al></li><li nr="c."><al>een verklaring waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over de
                                        ruimte te beschikken;</al></li><li nr="d."><al>een verklaring omtrent gedrag van de ondernemer en de
                                        beheerder van de speelautomatenhal;</al></li><li nr="e."><al>bewijsstukken als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het
                                        Speelautomatenbesluit (kennis</al></li></lijst><al>gokverslaving).</al><al>2.De burgemeester kan nadere regels vaststellen omtrent de inhoud,
                                de inrichting, vorm en wijze</al><al>van indiening van de aanvraag.</al><al>3.De vergunning kan uitsluitend worden gesteld ten name van de
                                ondernemer en is niet</al><al>overdraagbaar.</al><al>4.In de vergunning wordt de naam van de beheerder(s) vermeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.4</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>1.De burgemeester beslist binnen twaalf weken na de datum waarop hij
                                de aanvraag met</al><al>bijbehorende bescheiden heeft ontvangen. De beslissing kan eenmaal
                                voor ten hoogste twaalf</al><al>weken worden verdaagd.</al><al>2.Van zijn daartoe strekkend besluit doet hij voor het verstrijken
                                van de in het eerste lid</al><al>genoemde termijn schriftelijk mededeling aan de aanvrager.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.5</nr><titel>Wijziging beheerder</titel></kop><al>1.Indien een overeenkomstig artikel 3.2.3, vierde lid, in de
                                vergunning vermelde beheerder de</al><al>hoedanigheid van beheerder heeft verloren, dient de ondernemer dit
                                onverwijld te melden aan de</al><al>burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.6</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><al>De vergunning komt te vervallen indien:</al><al>1.Een ondernemer komt te overlijden danwel indien een ondernemer de
                                exploitatie van zijn</al><al>speelautomatenhal beëindigt.</al><al>2.Gedurende 6 maanden geen exploitatie heeft plaatsgevonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.7</nr><titel>Voorschriften</titel></kop><al>De door de burgemeester aan de vergunning te verbinden voorschriften
                                hebben in elk geval</al><al>betrekking op:</al><lijst><li nr="a."><al>de sluitingstijden van de speelautomatenhal;</al></li><li nr="b."><al>het toezicht in de speelautomatenhal;</al></li><li nr="c."><al>het aantal en type speelautomaten, alsmede het totaal aantal
                                        spelers bij volledige bezetting van</al></li></lijst><al>de speelautomaten;</al><lijst><li nr="d."><al>de exploitatie van de hal.</al></li><li nr="e."><al>het oppervlak van de speelautomatenhal;</al></li><li nr="f."><al>informatie inzake gokverslaving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.8</nr><titel>Weigering vergunning</titel></kop><al>De vergunning wordt geweigerd, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het maximaal aantal af te geven vergunningen voor
                                        speelautomatenhallen is verleend;</al></li><li nr="b."><al>de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf de
                                        openbare weg voor het publiek</al></li></lijst><al>toegankelijk is;</al><lijst><li nr="c."><al>de beheerder(s) de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft
                                        (hebben) bereikt;</al></li><li nr="d."><al>de ondernemer of de beheerder van de speelautomatenhal niet
                                        voldoet aan de eisen gesteld in</al></li></lijst><al>artikel 4 van het Speelautomatenbesluit;</al><al>e.door de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar het oordeel van
                                de burgemeester de</al><al>woon- en leefsituatie in de naaste omgeving of het karakter van de
                                winkelstraat/winkelbuurt</al><al>nadelig wordt beïnvloed;</al><al>f.de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal strijd
                                oplevert met het geldende</al><al>bestemmingsplan, dan wel met een stadsvernieuwingsplan of
                                leefmilieuverordening in de zin van</al><al>de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.9</nr><titel>Intrekking vergunning</titel></kop><al>De burgemeester kan de vergunning intrekken:</al><al>a.indien blijkt dat de vergunning ten gevolge van onjuiste of
                                onvolledige gegevens en</al><al>bescheiden is verleend;</al><al>b.indien de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de
                                vergunning is afgegeven zodanig</al><al>zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel
                                3.2.8, onder e;</al><lijst><li nr="c."><al>indien gehandeld wordt in strijd met aan de vergunning
                                        verbonden voorschriften;</al></li><li nr="d."><al>indien aannemelijk is, dat de ondernemer of de beheerder(s)
                                        betrokken is, of hem ernstige</al></li></lijst><al>nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de
                                speelautomatenhal, die een</al><al>gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen van
                                het woon- of leefklimaat</al><al>in de omgeving van de speelautomatenhal;</al><al>e.indien de ondernemer of beheerder(s) strafbare feiten pleegt in de
                                inrichting, dan wel toestaat</al><al>of gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden
                                gepleegd;</al><al>f.indien de ondernemer of de beheerder(s) zich schuldig maakt aan
                                discriminatie naar ras,</al><al>geslacht of seksuele geaardheid;</al><al>g.indien zich in de speelautomatenhal anderszins feiten hebben
                                voorgedaan, die de vrees</al><al>wettigen, dat het geopend blijven van de speelautomatenhal ernstig
                                gevaar oplevert voor de</al><al>openbare orde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.10</nr><titel>Geldigheidsduur vergunning</titel></kop><al>Een door de burgemeester verleende vergunning als bedoeld in artikel
                                3.2.2, eerste lid, heeft een</al><al>geldigheidsduur van twee jaren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.11</nr><titel>Gokken op de openbare weg</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg op enigerlei wijze om geld of
                                geldwaarde te spelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.12</nr><titel>Sluiting overlastgevende gokpanden</titel></kop><al>1.Indien de rechthebbende op of de beheerder van een inrichting een
                                perceel of perceelsgedeelte</al><al>of enige andere ruimte waarover hij de beschikking heeft, toestaat
                                of gedoogt, dat daarin een</al><al>kansspel wordt gespeeld waarop artikel 1 van de Wet op de kansspelen
                                van toepassing is en</al><al>waarvoor op grond van die wet geen vergunning is verleend, kan de
                                burgemeester, indien zulks</al><al>naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter
                                voorkoming of beperking van overlast</al><al>of aantasting van het woon- en leefklimaat is vereist, de sluiting
                                van die inrichting, dat perceel of</al><al>perceelsgedeelte of die ruimte bevelen.</al><al>2.De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van
                                een afschrift van zijn</al><al>bevel op of nabij de toegang of toegangen van de inrichting, het
                                perceel of perceelsgedeelte of de</al><al>ruimte. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld
                                afschrift is aangebracht.</al><al>3.Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid
                                bedoelde afschrift wordt</al><al>aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht
                                is.</al><al>4.Het is de rechthebbende op en de beheerder van een inrichting, een
                                perceel of perceelsgedeelte</al><al>of enige andere ruimte als bedoeld in het eerste lid verboden daarin
                                bezoekers toe te laten of</al><al>daarin te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is.</al><al>5.Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid
                                gesloten inrichting, perceel of</al><al>perceelsgedeelte of enige andere ruimte te bezoeken of als bezoeker
                                daarin te verblijven.</al><lijst><li nr="6."><al>Onder bezoekers wordt voor de toepassing van het vierde en
                                        vijfde lid niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de levenspartner en kinderen van de rechthebbende of
                                                beheerder, alsmede zijn elders wonende</al></li></lijst></li></lijst><al>bloed- of aanverwanten of die van zijn levenspartner in de rechte
                                lijn onbeperkt, in de zijlijn tot</al><al>en met de derde graad;</al><al>b.de personen wier tegenwoordigheid in de inrichting, het perceel of
                                perceelsgedeelte of de</al><al>ruimte wegens dringende redenen strikt noodzakelijk is.</al><al>7.De sluiting kan op aanvraag van de belanghebbende door de
                                burgemeester worden opgeheven</al><al>wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe
                                aanleiding geven en naar zijn</al><al>oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de
                                feiten of gedragingen die tot</al><al>sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Drugs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.1</nr><titel>Sluiting overlastgevende drugspanden e.d.</titel></kop><al>Van rechtswege vervallen</al><al><vet><cursief>Overige drugsoverlast</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.2</nr><titel>Verkoop van drugs</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan
                                de openbare weg met de</al><al>daarin gelegen portieken, galerijen, arcaden of nissen post te
                                vatten of zich daar heen en weer te</al><al>bewegen, alsmede zich op of aan openbare wegen in of op een voertuig
                                te bevinden of daarmee</al><al>heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen
                                als bedoeld in de artikelen 2</al><al>en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen
                                betaling af te leveren, aan te</al><al>bieden of aan te nemen of daarbij behulpzaam te zijn of daarin te
                                bemiddelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.3</nr><titel>Verzamelingen van personen in verband met drugs</titel></kop><al>1.Het is verboden op of aan de weg, aan een verzameling van meer dan
                                vier personen deel te</al><al>nemen indien deze verzameling van personen verband houdt met het
                                openlijk gebruik van of de</al><al>handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de
                                Opiumwet.</al><al>2.Een ieder, die zich bevindt in een verzameling van personen als in
                                het eerste lid bedoeld, is</al><al>verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van
                                politie of een toezichthouder zijn</al><al>weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te
                                verwijderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.4</nr></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.5</nr><titel>Openlijk gebruik</titel></kop><al>Het is verboden, op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke
                                plaats of in een voor</al><al>publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in de artikelen 2
                                en 3 van de Opiumwet te</al><al>gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te
                                verrichten of ten behoeve van dat</al><al>gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.6</nr><titel>Weggooien van spuiten e.d.</titel></kop><al>Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals
                                naalden, reservoirs, zuigers e.d.</al><al>of daarop gelijkende voorwerpen op of aan de openbare weg dan wel in
                                afvalbakken achter te</al><al>laten, indien redelijkerwijze kan worden aangenomen, dat zulks
                                geschiedt om afstand van het</al><al>voorwerp te doen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON</titel></kop><structuurtekst><al><vet>EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</vet></al></structuurtekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Geluid- en lichthinder</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="A."><al>Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                        milieubeheer;</al></li><li nr="B."><al>Inrichting: een inrichting type A of type B als bedoeld in
                                        het Besluit en waarop artikel 2.3.1,</al></li></lijst><al>2.3.2 en 2.3.3 van toepassing zijn;</al><al>C.Houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                bedrijfsleider, beheerder of anderszins een</al><al>inrichting drijft;</al><al>D.Collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of
                                een klein aantal inrichtingen is</al><al>verbonden;</al><al>E.Incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is
                                aan één of een klein aantal</al><al>inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><al>1.De voorschriften 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet
                                voor ten hoogste twaalf door</al><al>het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                                gedurende de daarbij aan te</al><al>wijzen dagen of dagdelen.</al><al>2.Het voorschrift 4.113 eerste lid van het Besluit geldt niet voor
                                ten hoogste twaalf door het</al><al>college per kalenderjaar aan te wijzen dagen of dagdelen.</al><al>3.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan
                                het college bepalen dat de</al><al>aanwijzing slechts geldt in één of meer delen van de gemeente.</al><al>4.Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het
                                begin van een nieuw</al><al>kalenderjaar bekend.</al><al>5.Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs
                                niet te voorzien was een</al><al>festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het
                                eerste lid aanwijzen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.3</nr><titel>kennisgeving incidentele activiteiten</titel></kop><al>1.Het is een inrichting toegestaan maximaal tien incidentele
                                festiviteiten per kalenderjaar te</al><al>houden waarbij de voorschriften 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit
                                niet van toepassing zijn, mits</al><al>de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang
                                van de festiviteit het college</al><al>daarvan in kennis heeft gesteld.</al><al>2.Het is een inrichting toegestaan maximaal tien incidentele
                                festiviteiten per kalenderjaar te</al><al>houden waarbij het voorschrift 4.113 eerste lid van het Besluit niet
                                van toepassing is, mits de</al><al>houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van
                                de festiviteit het college</al><al>daarvan in kennis heeft gesteld.</al><al>3.Het college stelt een formulier vast voor het doen van de
                                kennisgeving als bedoeld in het eerste</al><al>en tweede lid.</al><al>4.De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het
                                in het derde lid bedoelde</al><al>formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd
                                op de plaats op dat formulier</al><al>vermeld.</al><al>5.De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                college op verzoek van de</al><al>houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die
                                redelijkerwijs niet te voorzien was,</al><al>toestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.4</nr><titel>Verboden incidentele activiteiten</titel></kop><al>Het is verboden een incidentele activiteit te organiseren, toe te
                                laten, feitelijk te leiden of daaraan</al><al>deel te nemen, indien de burgemeester het organiseren van een
                                incidentele activiteit verboden</al><al>heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de
                                omgeving van de inrichting of</al><al>openbare orde op ontoelaatbare wijze negatief wordt beïnvloed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.5</nr><titel>Geluidhinder</titel></kop><al>1.Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te
                                hebben of handelingen te</al><al>verrichten of te laten verrichten, waardoor voor een omwonende of
                                overigens voor de omgeving</al><al>geluidhinder wordt veroorzaakt.</al><lijst><li nr="2."><al>Het college kan van het in het eerste lid bepaalde
                                        ontheffing verlenen.</al></li><li nr="3."><al>In het eerste lid bepaalde geldt niet, voor zover de Wet
                                        milieubeheer gebaseerd voorschriften,</al></li></lijst><al>de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht,
                                de Luchtvaartwet, het</al><al>Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of het
                                Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke</al><al>stoffen van toepassing zijn.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Afvalstoffen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan dan wel mede verstaan:</al><lijst><li nr="A."><al>wet: Wet milieubeheer;</al></li><li nr="B."><al>inzamelen: de activiteiten gericht op het ophalen of innemen
                                        van afvalstoffen die binnen de</al></li></lijst><al>gemeente ter inzameling worden aangeboden en het feitelijk ophalen
                                en innemen daarvan;</al><al>C.ter inzameling aanbieden: de wijze van overdragen van afvalstoffen
                                aan een inzamelende</al><al>persoon of instantie, inclusief het achterlaten van afvalstoffen in
                                daartoe door of vanwege de</al><al>inzamelende persoon of instantie geplaatste inzamelmiddelen of
                                -voorzieningen of op een daartoe</al><al>aangewezen plaats;</al><al>D.inzamelmiddel: een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd
                                hulp- of bewaarmiddel,</al><al>bijvoorbeeld een huisvuilzak, minicontainer, afvalemmer, kca-box of
                                big bag, ten behoeve van</al><al>één huishouden;</al><al>E.inzamelvoorziening: een voor de inzameling van afvalstoffen
                                bestemd(e) bewaarmiddel of -</al><al>plaats, bijvoorbeeld een verzamelcontainer, wijkcontainer of
                                brengdepot, ten behoeve van</al><al>meerdere huishoudens;</al><al>F.inzameldienst: de krachtens artikel 4.2.7, eerste lid, aangewezen
                                inzameldienst, belast met de</al><al>inzameling van huishoudelijke afvalstoffen;</al><al>G.andere inzamelaars: de krachtens artikel 4.2.7, tweede lid,
                                aangewezen personen en instanties,</al><al>belast met het afzonderlijk inzamelen van categorieën huishoudelijke
                                afvalstoffen;</al><lijst><li nr="H."><al>inzamelvergunning: de vergunning zoals bedoeld in artikel
                                        4.2.11;</al></li><li nr="I."><al>gebruiker van een perceel: degene die in de gemeente
                                        feitelijk gebruik maakt van een perceel</al></li></lijst><al>ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.22 van de Wet milieubeheer
                                een verplichting tot het</al><al>inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt;</al><al>J.straatafval: huishoudelijke afvalstoffen van zeer beperkte omvang
                                en gewicht, zoals proppen,</al><al>papier, sigarettenpeuken, kauwgom, plastic bekertjes en blikjes,
                                verpakkingsmateriaal,</al><al>etenswaren, niet zijnde klein chemisch afval, ontstaan buiten een
                                perceel;</al><al>K.wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden
                                met inbegrip van de</al><al>daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende
                                paden en bermen of zijkanten;</al><al>L.motorrijtuigen: alle voertuigen, bestemd om anders dan langs
                                spoorstaven te worden</al><al>voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of
                                aan het voertuig zelf</al><al>aanwezig dan wel door elektrische tractie met stroomtoevoer van
                                elders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>1.Het college beslist op een aanvraag voor een vergunning of
                                ontheffing binnen 8 weken na de</al><al>dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al><al>2.Het college kan zijn beslissing voor ten hoogste 8 weken
                                verdagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>1.Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie</al><al>weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of
                                ontheffing nodig heeft, kan het</al><al>college besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al><al>2.Voor bepaalde, door het college aan te wijzen, vergunningen of
                                ontheffingen kan de in het</al><al>eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht
                                weken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><al>1.Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of
                                ontheffing kunnen voorschriften</al><al>en beperkingen worden verbonden in het belang van de bescherming van
                                het milieu.</al><al>2.De houder van een vergunning of ontheffing is verplicht de daaraan
                                verbonden voorschriften</al><al>en beperkingen na te komen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.5</nr><titel>Persoonlijk karakter van de vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of
                                krachtens verordening anders is</al><al>bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.6</nr><titel>Intrekking of wijziging van de vergunning of
                                    ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of
                                gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                        gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van verandering van de omstandigheden of
                                        inzichten opgetreden na het</al></li></lijst><al>verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat
                                intrekking of wijziging</al><al>moet worden gevorderd in het belang van de bescherming van het
                                milieu;</al><al>c.indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften
                                en beperkingen niet zijn of</al><al>worden nagekomen;</al><al>d.indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt
                                binnen een daarin</al><al>gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn
                                binnen een redelijke termijn;</al><al>e.indien de houder dit verzoekt.</al><al><vet><cursief>Inzameling van huishoudelijke
                                    afvalstoffen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.7</nr><titel>Aanwijzing inzameldienst en andere inzamelaars</titel></kop><al>1.Als inzameldienst, belast met het ter uitvoering van de wet en de
                                in deze verordening bedoelde</al><al>“inzameling van huishoudelijke afvalstoffen” wordt aangewezen: N.V.
                                Irado, van Heekstraat 15,</al><al>3125 BN te Schiedam.</al><al>2.Naast de inzameldienst kan het college andere inzamelaars
                                aanwijzen die zijn belast met het</al><al>afzonderlijk inzamelen van categorieën huishoudelijke
                                afvalstoffen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.8</nr><titel>Afzonderlijke inzameling</titel></kop><al>Door de inzameldienst of andere inzamelaars worden de volgende
                                categorieën huishoudelijke</al><al>afvalstoffen afzonderlijk ingezameld:</al><lijst><li nr="a."><al>groente-, fruit- en tuinafval</al></li><li nr="b."><al>klein chemisch afval;</al></li><li nr="c."><al>glas;</al></li><li nr="d."><al>oud papier en karton;</al></li><li nr="e."><al>textiel;</al></li><li nr="f."><al>wit- en bruingoed;</al></li><li nr="g."><al>bouw- en sloopafval;</al></li><li nr="h."><al>verduurzaamd hout;</al></li><li nr="i."><al>grof tuinafval;</al></li><li nr="j."><al>grof huishoudelijk afval;</al></li><li nr="k."><al>huishoudelijk restafval;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.9</nr><titel>Inzamelmiddelen en -voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De inzameling kan plaatsvinden via:</al><lijst><li nr="a."><al>een inzamelmiddel voor de gebruiker van een
                                                perceel;</al></li><li nr="b."><al>een inzamelvoorziening voor de gebruikers van een
                                                aantal percelen;</al></li><li nr="c."><al>een inzamelvoorziening op wijkniveau;</al></li><li nr="d."><al>een brengdepot op lokaal of regionaal niveau.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan aanwijzen via welk al dan niet van
                                        gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of</al></li></lijst><al>via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde
                                categorie huishoudelijke</al><al>afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel
                                plaatsvindt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.10</nr><titel>Frequentie van inzamelen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Huishoudelijk restafval wordt tenminste eenmaal per week bij
                                        elk perceel ingezameld.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid wordt huishoudelijk
                                        restafval bij hoogbouw en gestapelde</al></li></lijst><al>laagbouw tenminste eenmaal per week nabij elk perceel
                                ingezameld.</al><al>3.Groente-, fruit- en tuinafval wordt tenminste eenmaal per week
                                afzonderlijk bij elk perceel</al><al>ingezameld.</al><al>4.In afwijking van het derde lid wordt groente-, fruit- en tuinafval
                                bij woonruimten zonder tuin</al><al>eenmaal per week afzonderlijk nabij elk perceel ingezameld.</al><al>5.Het college kan de frequentie van inzameling vaststellen van de
                                overige categorieën</al><al>huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk in aangewezen delen van
                                de gemeente bij elk perceel</al><al>worden ingezameld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.11</nr><titel>Inzamelverbod huishoudelijke afvalstoffen behoudens
                                    vergunning</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder inzamelvergunning van het college
                                huishoudelijke afvalstoffen in te</al><al>zamelen.</al><al>2.De inzamelvergunning kan worden geweigerd in het belang van een
                                doelmatig beheer van</al><al>huishoudelijke afvalstoffen.</al><lijst><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor de inzameldienst of andere
                                        inzamelaars.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod geldt niet voor personen of instanties die in het
                                        kader van</al></li></lijst><al>producentenverantwoordelijkheid bij algemene maatregel van bestuur
                                een inzamelplicht hebben</al><al>gekregen voor categorieën van huishoudelijke afvalstoffen.</al><al><vet><cursief>Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke
                                        afvalstoffen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.12</nr><titel>Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke
                                    afvalstoffen aan</titel></kop><al><cursief>anderen</cursief></al><al>1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te
                                bieden aan een ander dan de</al><al>inzameldienst, andere inzamelaars en aan de houders van een
                                inzamelvergunning.</al><al>2.Het verbod geldt niet voor personen of instanties die in het kader
                                van</al><al>producentenverantwoordelijkheid bij algemene maatregel van bestuur
                                een inzamelplicht hebben</al><al>gekregen voor categorieën van huishoudelijke afvalstoffen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.13</nr><titel>Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke
                                    afvalstoffen door</titel></kop><al><cursief>anderen dan de gebruikers van percelen</cursief></al><al>1.Het is anderen dan gebruikers van percelen verboden om
                                huishoudelijke afvalstoffen ter</al><al>inzameling aan te bieden aan de inzameldienst of de andere
                                inzamelaars.</al><al>2.Het college kan besluiten dat het aan anderen dan gebruikers van
                                percelen verboden is om</al><al>huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden aan de
                                houder van een</al><al>inzamelvergunning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.14</nr><titel>Afzonderlijk ter inzameling aanbieden</titel></kop><al>1.De navolgende afvalstoffen dienen gescheiden aan de inzameldienst
                                te worden aangeboden:</al><al>a<vet>. </vet>groente-, fruit- en tuinafval;</al><lijst><li nr="b."><al>klein chemisch afval;</al></li><li nr="c."><al>glas;</al></li><li nr="d."><al>oud papier en karton;</al></li><li nr="e."><al>textiel;</al></li><li nr="f."><al>wit- en bruingoed;</al></li><li nr="g."><al>bouw- en sloopafval;</al></li><li nr="h."><al>verduurzaamd hout;</al></li><li nr="i."><al>grof tuinafval;</al></li><li nr="j."><al>asbest en asbesthoudend afval;</al></li><li nr="k."><al>grof huishoudelijk afval;</al></li><li nr="l."><al>huishoudelijk restafval;</al><lijst><li nr="2."><al>Als inzameldienst, waaraan de in het eerste lid
                                                bedoelde categorieën van huishoudelijke</al></li></lijst></li></lijst><al>afvalstoffen moeten worden aangeboden wordt aangewezen: N.V. Irado,
                                van Heekstraat 15, 3125</al><al>BN te Schiedam.</al><al>3.Het is verboden de aangewezen categorieën huishoudelijke
                                afvalstoffen aan te bieden aan</al><al>anderen dan de krachtens het tweede lid aangewezen
                                inzameldienst.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.14a</nr><titel>Ongeadreseerd reclamedrukwerk</titel></kop><al>Het is verboden ongeadresseerd reclamedrukwerk te bezorgen of te
                                laten bezorgen bij een</al><al>woning, bedrijf of woonschip, indien de bewoner ervan of gebruiker
                                ervan duidelijk kenbaar</al><al>heeft gemaakt (op een door het college vastgestelde wijze) geen
                                prijs te stellen op het ontvangen</al><al>van ongeadresseerd reclamedrukwerk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.15</nr><titel>Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via
                                    een</titel></kop><al><cursief>inzamelmiddel voor de gebruiker van een
                                perceel</cursief></al><al>1.Het is voor de gebruiker van een perceel ten behoeve van wie
                                krachtens artikel 4.2.9, tweede</al><al>lid, voor een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen een
                                inzamelmiddel is aangewezen of</al><al>van gemeentewege is verstrekt, verboden de betreffende afvalstoffen
                                anders aan te bieden dan via</al><al>het daartoe aangewezen of verstrekte inzamelmiddel.</al><al>2.Het is voor de gebruiker van een perceel verboden andere
                                categorieën huishoudelijke</al><al>afvalstoffen via een inzamelmiddel aan te bieden, dan de categorie
                                waarvoor dit inzamelmiddel</al><al>krachtens artikel 4.2.9, tweede lid, is bestemd.</al><al>3.Het college kan regels stellen omtrent de plaatsen en wijze waarop
                                huishoudelijke afvalstoffen</al><al>via een inzamelmiddel ter inzameling moeten worden aangeboden.</al><al>4.Het college kan regels stellen met betrekking tot het maximale
                                gewicht van de afvalstoffen per</al><al>inzamelmiddel en het maximale aantal inzamelmiddelen dat per keer
                                kan worden aangeboden.</al><al>5.Indien van gemeentewege een inzamelmiddel aan de gebruiker van een
                                perceel is verstrekt</al><al>kan het college regels stellen omtrent de voorwaarden waaronder het
                                inzamelmiddel is verstrekt,</al><al>het gebruik en het reinigen daarvan.</al><al>6.Indien het inzamelmiddel niet van gemeentewege is verstrekt, kan
                                het college eisen stellen aan</al><al>het te gebruiken inzamelmiddel.</al><al>7.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijze ter
                                inzameling aan te bieden dan</al><al>krachtens dit artikel is bepaald.</al><al>8.Het is verboden voor anderen dan de gebruiker van een perceel ten
                                behoeve van wie krachtens</al><al>artikel 4.2.9, tweede lid, een inzamelmiddel is verstrekt of
                                aangewezen, hun afvalstoffen ter</al><al>inzameling aan te bieden via dit inzamelmiddel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.16</nr><titel>Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via
                                    een</titel></kop><al><cursief>inzamelvoorziening ten behoeve van een groep
                                    percelen</cursief></al><al>1.Het is de gebruiker van een perceel voor wie krachtens artikel
                                4.2.9, tweede lid, mede ten</al><al>behoeve van zijn perceel een inzamelvoorziening voor een bepaalde
                                categorie huishoudelijke</al><al>afvalstoffen is aangewezen, verboden de betreffende afvalstoffen
                                anders aan te bieden dan via de</al><al>betreffende inzamelvoorziening.</al><al>2.Het is verboden andere categorieën huishoudelijke afvalstoffen via
                                een inzamelvoorziening</al><al>voor een aantal percelen aan te bieden, dan de categorie waarvoor
                                deze inzamelvoorziening</al><al>krachtens artikel 4.2.9, tweede lid, is bestemd.</al><al>3.Het college kan regels stellen ten aanzien van de wijze waarop
                                huishoudelijke afvalstoffen via</al><al>een inzamelvoorziening ten behoeve van een groep percelen moet
                                worden aangeboden.</al><al>4.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijze aan te
                                bieden via een</al><al>inzamelvoorziening ten behoeve van een groep percelen dan krachtens
                                het derde lid is bepaald.</al><al>5.Het is verboden voor anderen dan de gebruikers van percelen voor
                                wie krachtens artikel 4.2.9,</al><al>tweede lid, een inzamelvoorziening is aangewezen, huishoudelijke
                                afvalstoffen aan te bieden via</al><al>deze inzamelvoorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.17</nr><titel>Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
                                    via</titel></kop><al><cursief>inzamelvoorzieningen op wijkniveau</cursief></al><al>1.Het is verboden andere categorieën huishoudelijke afvalstoffen via
                                een inzamelvoorziening op</al><al>wijkniveau aan te bieden dan de categorie waarvoor de
                                inzamelvoorziening krachtens artikel</al><al>4.2.9, tweede lid, is bestemd.</al><al>2.Het college kan regels stellen omtrent de wijze waarop
                                huishoudelijke afvalstoffen ter</al><al>inzameling kunnen worden aangeboden via een inzamelvoorziening op
                                wijkniveau.</al><al>3.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijze via
                                een inzamelvoorziening op</al><al>wijkniveau ter inzameling aan te bieden dan krachtens het tweede lid
                                is bepaald.</al><al>4.Het verbod in artikel 4.2.15, zevende lid, en artikel 4.2.16,
                                vierde lid, geldt niet voor het</al><al>aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via inzamelvoorzieningen
                                op wijkniveau</al><al>overeenkomstig dit artikel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.18</nr><titel>Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via
                                    een brengdepot op</titel></kop><al><cursief>lokaal of regionaal niveau</cursief></al><al>1.Het is verboden andere categorieën huishoudelijke afvalstoffen via
                                een brengdepot op lokaal</al><al>of regionaal niveau aan te bieden dan de categorieën waarvoor het
                                brengdepot krachtens artikel</al><al>4.2.9, tweede lid, is bestemd.</al><al>2.Het college kan regels stellen omtrent de wijze waarop
                                huishoudelijke afvalstoffen ter</al><al>inzameling kunnen worden aangeboden bij het brengdepot op lokaal of
                                regionaal niveau.</al><al>3.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijze via
                                een brengdepot op lokaal of</al><al>regionaal niveau ter inzameling aan te bieden dan krachtens het
                                derde lid is bepaald.</al><al>4.Het verbod in artikel 4.2.15, zevende lid, en artikel 4.2.16,
                                vierde lid, geldt niet voor het</al><al>aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via een brengdepot op
                                lokaal of regionaal niveau</al><al>overeenkomstig dit artikel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.19</nr><titel>Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
                                    zonder inzamelmiddel</titel></kop><al>1.Het college kan categorieën huishoudelijke afvalstoffen aanwijzen
                                die zonder inzamelmiddel</al><al>als bedoeld in artikel 4.2.9 van deze verordening ter inzameling
                                kunnen worden aangeboden.</al><al>2.Het college kan regels stellen over de wijze waarop deze
                                categorieën huishoudelijke</al><al>afvalstoffen ter inzameling moeten worden aangeboden.</al><al>3.Het college kan regels stellen over het maximale gewicht, de
                                afmetingen en het volume</al><al>waarop deze categorieën huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling
                                moeten worden aangeboden.</al><al>4.Het is verboden deze categorieën huishoudelijke afvalstoffen op
                                andere wijze ter inzameling</al><al>aan te bieden dan krachtens dit artikel is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.20</nr><titel>Dagen en tijden voor het ter inzameling aanbieden</titel></kop><al>1.Het college stelt de regels vast omtrent de dagen, tijden, wijze
                                en plaatsen waarop categorieën</al><al>huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden
                                aangeboden.</al><al>2.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te
                                bieden in strijd met deze</al><al>regels.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.21</nr><titel>Het in bijzondere gevallen ter inzameling aanbieden van
                                    huishoudelijke</titel></kop><al><cursief>afvalstoffen</cursief></al><al>In afwijking van hetgeen in deze paragraaf is bepaald kan het
                                college regels stellen omtrent het in</al><al>bijzondere gevallen ter inzameling aanbieden van huishoudelijke
                                afvalstoffen aan de</al><al>inzameldienst of andere inzamelaars.</al><al><vet><cursief>Inzameling van
                                bedrijfsafvalstoffen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.22</nr><titel>Inzameling bedrijfsafvalstoffen door de inzameldienst</titel></kop><al>Het college kan categorieën bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die door
                                de inzameldienst worden</al><al>ingezameld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.23</nr><titel>Ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan de
                                    inzameldienst</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bedrijfsafvalstoffen aan te bieden aan de
                                        inzameldienst.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor de krachtens artikel 4.2.22
                                        aangewezen categorieën</al></li></lijst><al>bedrijfsafvalstoffen, voor zover degene die gebruik maakt van de
                                inzameling door de</al><al>inzameldienst met deze inzameldienst hiertoe een overeenkomst heeft
                                gesloten.</al><al>3.Het college kan regels stellen omtrent de dagen, tijden, wijzen en
                                plaatsen waarop de</al><al>krachtens artikel 4.2.22 aangewezen bedrijfsafvalstoffen aan de
                                inzameldienst ter inzameling</al><al>kunnen worden aangeboden.</al><al>4.Het is verboden de krachtens artikel 4.2.22 aangewezen
                                bedrijfsafvalstoffen ter inzameling</al><al>aan te bieden in strijd met deze regels.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.24</nr><titel>Het ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan een
                                    ander dan de</titel></kop><al><cursief>inzameldienst</cursief></al><al>1.Het college kan regels stellen voor het ter inzameling aanbieden
                                van bedrijfsafvalstoffen aan</al><al>een ander dan de inzameldienst.</al><al>2.Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden
                                in strijd met deze regels.</al><al><vet><cursief>Zwerfafval</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.25</nr><titel>Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging</titel></kop><al>1.Het is verboden buiten een daarvoor door het college bestemde
                                plaats en buiten een inrichting</al><al>in de zin van de Wet milieubeheer een afvalstof, stof of voorwerp op
                                of in de bodem te brengen,</al><al>te storten, te houden, achter te laten of anderszins te plaatsen op
                                een wijze die aanleiding kan</al><al>geven tot hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu.</al><lijst><li nr="2."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>het overeenkomstig deze verordening ter inzameling
                                                aanbieden van huishoudelijke</al></li></lijst></li></lijst><al>afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen;</al><lijst><li nr="b."><al>het thuiscomposteren van groente-, fruit- en tuinafval;</al></li><li nr="c."><al>voor zover de (afval)stoffen tijdelijk op de weg geraken of
                                        worden gebracht als onvermijdelijk</al></li></lijst><al>gevolg van het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen dan wel
                                het verrichten van andere</al><al>werkzaamheden op of aan de weg.</al><al>4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet
                                bodembescherming of het</al><al>Bouwstoffenbesluit voorziet in de beoogde bescherming van het
                                milieu.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.26</nr><titel>Achterlaten van straatafval</titel></kop><al>1.Het is verboden straatafval in de openbare ruimte achter te laten
                                zonder gebruik te maken van</al><al>de van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven
                                bakken, manden of soortgelijke</al><al>voorwerpen.</al><al>2.Het is verboden om andere afvalstoffen dan straatafval achter te
                                laten in daartoe van</al><al>gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken,
                                manden of soortgelijke</al><al>voorwerpen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.27</nr><titel>Voorkomen van zwerfafval bij ter inzameling gereed staande
                                    afvalstoffen</titel></kop><al>1.Het is verboden afvalstoffen of inzamelmiddelen die ter inzameling
                                gereed staan te</al><al>doorzoeken en te verspreiden.</al><al>2.Het is verboden tegen afvalstoffen of inzamelmiddelen, die ter
                                inzameling gereed staan, te</al><al>stoten, te schoppen of deze omver te werpen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.28</nr><titel>Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet- en
                                    drinkwaren</titel></kop><al>De houder of beheerder van een inrichting waar eet- of drinkwaren
                                worden verkocht die ter</al><al>plaatse kunnen worden genuttigd, is verplicht:</al><al>a.een afvalbak, -mand of soortgelijk voorwerp in of nabij de
                                inrichting op een duidelijk</al><al>zichtbare plaats aanwezig te hebben, waarin het publiek afval kan
                                achterlaten;</al><al>b.zorg te dragen dat deze afvalbak, -mand of soortgelijk voorwerp
                                van een zodanige constructie</al><al>is dat het afval daarin deugdelijk geborgen blijft en dat die
                                afvalbak, -mand of voorwerp steeds</al><al>tijdig wordt geledigd;</al><al>c.zorg te dragen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van de
                                inrichting, doch in ieder geval</al><al>terstond op eerste aanzegging van een ambtenaar, belast met de
                                toezicht op de naleving van dit</al><al>artikel, in de nabijheid van de inrichting achtergebleven afval,
                                voor zover kennelijk uit of van die</al><al>inrichting afkomstig, wordt opgeruimd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.29</nr><titel>Wegwerpen van reclamebiljetten of ander
                                    promotiemateriaal</titel></kop><al>Degene die in de openbare ruimte reclamebiljetten of dergelijke of
                                ander promotiemateriaal onder</al><al>het publiek verspreidt, is verplicht deze of de verpakking daarvan
                                terstond op te ruimen of te laten</al><al>opruimen, indien deze in de omgeving van de plaats van uitreiking op
                                de weg of een andere voor</al><al>het publiek toegankelijke plaats door het publiek worden
                                weggeworpen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.30</nr><titel>Zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige
                                    werkzaamheden</titel></kop><al>1.Het is verboden afvalstoffen, stoffen of voorwerpen zodanig te
                                laden, te lossen of te vervoeren</al><al>of andere werkzaamheden te verrichten dat de weg wordt verontreinigd
                                of het milieu nadelig kan</al><al>worden beïnvloed.</al><al>2.Indien bij het laden of lossen of vervoeren van afvalstoffen,
                                stoffen of voorwerpen deze weg</al><al>wordt verontreinigd of het milieu nadelig wordt beïnvloed, is degene
                                die genoemde</al><al>werkzaamheden verricht alsmede diens opdrachtgever verplicht deze
                                weg te reinigen of te laten</al><al>reinigen: a. direct na het ontstaan van de verontreiniging, indien
                                de verontreiniging gevaar voor</al><al>de veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek
                                oplevert;</al><al>3.Direct na het ontstaan van de verontreiniging, indien de
                                verontreiniging gevaar voor de</al><al>veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek
                                oplevert;</al><al>4.Direct na beëindiging van de werkzaamheden, indien de
                                verontreiniging geen gevaar voor de</al><al>veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek
                                oplevert;</al><al>5.Indien de werkzaamheden langer dan een dag duren, elke dag direct
                                na beëindiging van de</al><al>werkzaamheden.</al><al><vet><cursief>Overige onderwerpen die de verordening
                                        aangaan</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.31</nr><titel>Verbod opslag van afvalstoffen</titel></kop><al>1.Het is verboden afvalstoffen op voor het publiek zichtbare plaats
                                in de open lucht en buiten</al><al>een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer op te slaan of
                                opgeslagen te hebben.</al><lijst><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid gestelde verbod.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod is niet van toepassing op het overdragen of ter
                                        inzameling aanbieden van</al></li></lijst><al>huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst, andere inzamelaars
                                of aan houders van een</al><al>inzamelvergunning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.32</nr><titel>Afgifte autowrakken afkomstig uit een huishouden</titel></kop><al>Het is de eigenaar of kentekenhouder verboden zich te ontdoen van
                                een autowrak, dat afkomstig</al><al>is van een huishouden, anders dan door afgifte aan inrichtingen,
                                genoemd in artikel 6 van het</al><al>Besluit Beheer Autowrakken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.1</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                werkzaamheden van de</al><al>gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig
                                te parkeren of enig ander</al><al>voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide
                                tijdsperiode.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.2</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn
                                natuurlijke behoefte te doen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.3</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen
                                    en putten</titel></kop><al><cursief>buiten gebouwen</cursief></al><al>Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet</al><al>bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid,
                                nadeel voor de gezondheid of</al><al>hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden/natuurbescherming</titel></kop><structuurtekst><al><vet><cursief>Bewaren van houtopstanden</cursief></vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan
                                        onder:</al><lijst><li nr="a."><al>houtopstand: hakhout, een houtwal of één of meer
                                                bomen;</al></li><li nr="b."><al>dunning: velling, die uitsluitend als een
                                                verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei
                                                van</al></li></lijst></li></lijst><al>de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd;</al><al>c.bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld
                                ingevolge artikel 1, vijfde lid,</al><al>van de Boswet, zijnde de grens van de gemeente;</al><lijst><li nr="d."><al>hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op
                                        de stronk uitlopen;</al></li><li nr="e."><al>iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel
                                        Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn.</al></li></lijst><al>Ceratocystis ulmi (Buism. C. Moreau);</al><al>f.iepespintkever: het insekt, in elk ontwikkelingsstadium behorende
                                tot de soorten Scolytus</al><al>scolytus (F.) en Scolytus multistriatus (Marsh) en Scolytus
                                pymaeus.</al><al>2.Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder vellen mede
                                verstaan rooien, met inbegrip</al><al>van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood
                                of ernstige beschadiging</al><al>of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.2</nr><titel>Kapverbod</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college houtopstand te
                                vellen of te doen vellen</al><al>(kapvergunning).</al><lijst><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of
                                                langs landbouwgronden, beide voor zover</al></li></lijst></li></lijst><al>bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot;</al><lijst><li nr="b."><al>vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;</al></li><li nr="c."><al>kweekgoed;</al></li><li nr="d."><al>houtopstanden, voor zover deze op een hoogte van 1,30 meter
                                        boven de grond een doorsnede</al></li></lijst><al>hebben van 15 cm of minder;</al><al>e.fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als
                                kerstbomen en geteeld op</al><al>daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;</al><lijst><li nr="f."><al>houtopstand die bij wijze van dunning moet worden
                                        geveld;</al></li><li nr="g."><al>houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het
                                        Bosschap geregistreerde</al></li></lijst><al>bosbouwondernemingen en gelegen is buiten een bebouwde kom, tenzij
                                de houtopstand een</al><al>zelfstandige eenheid vormt die:</al><lijst><li nr="-"><al>ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are;</al></li><li nr="-"><al>ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen,
                                        gerekend over het totale aantal</al></li></lijst><al>rijen;</al><al>h.houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet
                                of krachtens een</al><al>aanschrijving of last van het college, zulks onverminderd het
                                bepaalde in artikel 4.4.7.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.3</nr><titel>Aanvraag kapvergunning</titel></kop><al>1.De vergunning moet, onder bijvoeging van een situatieschets,
                                worden aangevraagd door of</al><al>namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk
                                recht of krachtens</al><al>publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te
                                beschikken.</al><al>2.Wanneer de directeur Bos- en Landschapsbouw van het Ministerie van
                                Landbouw,</al><al>Natuurbeheer en Visserij van het college een afschrift heeft
                                toegezonden van de</al><al>ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de Boswet,
                                beschouwt het</al><al>college dit afschrift mede als een vergunningaanvraag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.3a</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan worden geweigerd op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>de natuurwaarde van de houtopstand;</al></li><li nr="b."><al>de landschappelijke waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="c."><al>de waarde van de houtopstand voor stads- en
                                        dorpsschoon;</al></li><li nr="d."><al>de beeldbepalende waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="e."><al>de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="f."><al>de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.4</nr><titel>Vergunning ex lege</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.5</nr><titel>Bijzondere vergunningsvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren
                                    het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en
                                    overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet
                                    worden herbeplant.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan
                                    kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
                                    herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet
                                    worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergunning kan worden verleend onder de voorwaarde van
                                    feitelijk niet-gebruik tot het moment dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de bezwaar of beroepstermijn voor derden is verstreken
                                            zonder dat er bezwaar of beroep is ingediend;</al></li><li nr="b."><al>op het bezwaarschrift is beslist, in het geval tegen de
                                            beslissing tot verlening van de vergunning bezwaar is
                                            gemaakt als bedoeld in artikel 1:5, eerste lid, van de
                                            Algemene wet bestuursrecht:</al></li><li nr="c."><al>beslist is op een verzoek om een voorlopige
                                            voorziening;</al></li><li nr="d."><al>beslist is op het beroep van derden en geen verzoek tot
                                            voorlopige voorziening is gedaan;</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.6</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de
                                toepassing van artikel 4.4.2, artikel</al><al>4.4.5 of artikel 4.4.7, schade lijdt of zal lijden, die
                                redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste</al><al>behoort te komen en waarvan de vergoeding niet anderszins is
                                verzekerd, kent het college hem op</al><al>zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding
                                toe.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.7</nr><titel>Herplant-/instandhoudingsplicht</titel></kop><al>1.Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                deze afdeling van toepassing is,</al><al>zonder vergunning van het college is geveld dan wel op andere wijze
                                tenietgegaan, kan het</al><al>college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de
                                houtopstand bevond dan wel aan</al><al>degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen
                                bevoegd is, de verplichting</al><al>opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door zijn te geven
                                aanwijzingen binnen een door</al><al>hen te stellen termijn.</al><al>58</al><al>2.Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan
                                kan daarbij worden bepaald</al><al>binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet
                                geslaagde beplanting moet</al><al>worden vervangen.</al><al>3.Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                deze afdeling van toepassing is,</al><al>ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, kan het college aan de
                                zakelijk gerechtigde</al><al>van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene
                                die uit anderen hoofde tot</al><al>het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen
                                om overeenkomstig de door</al><al>hem te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn
                                voorzieningen te treffen,</al><al>waardoor die bedreiging wordt weggenomen.</al><al>4.Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot en
                                met derde lid is opgelegd,</al><al>alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.8</nr><titel>Bestrijding iepziekte</titel></kop><al>1.Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het
                                oordeel van het college</al><al>gevaar opleveren van verspreiding van de iepziekte of voor
                                vermeerdering van de</al><al>iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het
                                college is aangeschreven,</al><al>verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;</al></li><li nr="b."><al>de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;</al></li><li nr="c."><al>of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen
                                        of zodanig te behandelen dat</al></li></lijst><al>verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.</al><al>2.Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering
                                van geheel ontschorst</al><al>iepenhout en iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm,
                                voorhanden of in voorraad te</al><al>hebben of te vervoeren. Het college kan ontheffing verlenen van dit
                                verbod.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.1</nr><titel>Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen,
                                    mest,</titel></kop><al><cursief>ingekuilde landbouwproducten e.d.</cursief></al><al>1.Het college kan, in de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen
                                aanwijzen waar het in het</al><al>belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of
                                opheffing van overlast dan</al><al>wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is
                                een of meer van de</al><al>volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen op te
                                slaan, te plaatsen of aanwezig te</al><al>hebben, anders dan met inachtneming van de door hen gestelde
                                regels:</al><al>a.onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer-
                                of vaartuigen of</al><al>onderdelen daarvan;</al><lijst><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;</al></li><li nr="c."><al>caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke,
                                        gewoonlijk voor recreatieve</al></li></lijst><al>doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig
                                hebben daarvan geschiedt</al><al>voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel
                                doel;</al><al>d.mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een
                                verzameling ingekuild gras,</al><al>loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afval,
                                afbraakmaterialen en oude metalen.</al><al>2.In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder
                                verstaan wordt in artikel 1 van</al><al>de Wegenverkeerswet.</al><al>3.Het is verboden op een door het college krachtens het eerste lid
                                aangewezen plaats een door</al><al>hen aangeduid voorwerp of stof:</al><lijst><li nr="a."><al>op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan wel</al></li><li nr="b."><al>op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan
                                        met inachtneming van de door hen</al></li></lijst><al>gestelde regels.</al><al>4.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                Milieubeheer, de Wet op de</al><al>Ruimtelijke Ordening of de Verordening Bescherming Landschap en
                                Natuur Zuid-Holland of de</al><al>Grondwaterbeschermingsverordening Zuid-Holland van toepassing
                                is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.2</nr><titel>Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om zonder vergunning van het college op of
                                        aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren
                                        met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in
                                        welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor onverlichte:</al><lijst><li nr="a."><al>opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het
                                                inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet
                                                kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de
                                                weg;</al></li><li nr="b."><al>opschriften of aankondigingen op of aan onroerende
                                                zaken, daartoe aangewezen door de overheid;</al></li><li nr="c."><al>opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50m² en
                                                de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking
                                                hebben op:</al><lijst><li nr="-"><al>een openbare verkoping of een aanbieding ter
                                                  verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende
                                                  zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis
                                                  hebben;</al></li><li nr="-"><al>het beroep, de dienst, of het bedrijf dat in
                                                  of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of
                                                  waarvoor die zaak is bestemd;</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>opschriften die betrekking hebben op de naam of aard
                                                van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen
                                                van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van
                                                het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften
                                                zijn aangebracht op borden bij of op de in
                                                uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang
                                                zij feitelijke betekenis hebben;</al></li><li nr="e."><al>opschriften of aankondigingen op of aan onroerende
                                                zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien
                                                deze zijn aangebracht ten dienste van dat
                                                vervoer.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor opschriften of
                                        aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang
                                        zij feitelijke betekenis hebben, mits deze opschriften of
                                        aankondigingen niet langer dan negen weken op de onroerende
                                        zaak aanwezig zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden door een opschrift, aankondiging of
                                        afbeelding als bedoeld in het tweede en derde lid de
                                        veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige
                                        hinder voor de omgeving te veroorzaken.</al></li><li nr="5."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij
                                                in verband met de omgeving niet voldoet aan
                                                redelijke eisen van welstand;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de verkeersveiligheid;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van
                                                overlast voor gebruikers van de in de nabijheid
                                                gelegen onroerende zaak.</al></li></lijst></li></lijst><al>6. a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het
                                daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de provinciale
                                Verordening Bescherming Landschap en Natuur Zuid-Holland; </al><al>b.De weigerings grond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voor
                                zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                milieubeheer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.2a</nr><titel>Vergunningplicht lichtreclame</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan een
                                onroerende zaak verlichte</al><al>handelsreclame te maken of te voeren die vanaf de weg zichtbaar
                                is.</al><al>2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning als
                                bedoeld in het eerste lid</al><al>worden geweigerd:</al><al>a.indien de handelsreclame, op zichzelf of in verband met de
                                omgeving niet voldoet aan de</al><al>redelijke eisen van welstand;</al><al>b.in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor
                                gebruikers van een in de</al><al>nabijheid gelegen onroerende zaak.</al><al>3. a. De weigeringsgrond van het tweede lid onder a geldt niet voor
                                bouwwerken;</al><al>b.De weigeringsgrond van het tweede lid onder b geldt niet voor
                                zover in het daarin</al><al>geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.3</nr><titel>Aanschrijving</titel></kop><al>Indien door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in
                                het tweede lid van artikel</al><al>4.5.2, dan wel aangebracht voor een ander doel dan handelsreclame,
                                de veiligheid van het verkeer</al><al>in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder voor de omgeving wordt
                                veroorzaakt, is het college</al><al>bevoegd de rechthebbende onderscheidenlijk de hoofdgebruiker van de
                                onroerende zaak aan te</al><al>60</al><al>schrijven tot het treffen van maatregelen ter voorkoming, ter
                                beperking of ter opheffing van</al><al>gevaar of deze hinder. Degene tot wie de aanschrijving is gericht,
                                of diens rechtsopvolger, is</al><al>verplicht deze aanschrijving op te volgen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan:</al><al>Een onderkomen of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin
                                van artikel 40 van de</al><al>Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt
                                wordt of kan worden gebruikt</al><al>voor recreatief nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.2</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><al>1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                kampeermiddelen te plaatsen of</al><al>geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het
                                bestemmingsplan is bestemd</al><al>of mede bestemd.</al><al>2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                eigen gebruik door de</al><al>rechthebbende op een terrein.</al><lijst><li nr="3."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod van het
                                        eerste lid.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing
                                        worden geweigerd in het belang</al></li></lijst><al>van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bescherming van natuur en landschap</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van een stadsgezicht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.3</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van
                                        artikel 4.6.2 eerste lid, niet geldt.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang
                                        van de gronden, genoemd in artikel</al></li></lijst><al>4.6.2. vierde lid.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN</titel></kop><structuurtekst><al><vet>DE GEMEENTE SCHIEDAM</vet></al></structuurtekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>weg: de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b
                                        van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van:</al><lijst><li nr="1."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="2."><al>tweewielige fietsen en tweewielige bromfietsen;</al></li><li nr="3."><al>gehandicaptenvoertuigen in de zin van het Reglement
                                                verkeersregels en verkeerstekens 1990;</al></li><li nr="4."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine
                                                voertuigen, rolstoelen.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan
                                        gedurende de tijd die nodig is voor en</al></li></lijst><al>gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers
                                of voor het onmiddellijk</al><al>laden of lossen van goederen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><al>1.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                gewoonte van maakt voertuigen te</al><al>stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen,
                                verboden:</al><al>a.drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd,
                                op de weg te parkeren</al><al>binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt
                                een dezer voertuigen, dan wel;</al><lijst><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al><lijst><li nr="2."><al>Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt
                                                mede verstaan:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                        lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                        personen tegen betaling.</al><lijst><li nr="3."><al>Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden
                                                niet gerekend:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>voertuigen waarin herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden
                                        verricht die in totaal niet</al></li></lijst><al>meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor
                                en gebruikt wordt voor deze</al><al>werkzaamheden;</al><lijst><li nr="b."><al>voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het
                                        eerste lid genoemde persoon.</al><lijst><li nr="4."><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde
                                                verbod ontheffing verlenen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden op door het college aangewezen wegen of
                                weggedeelten een voertuig te</al><al>parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te
                                verhandelen.</al><al>2.Het college kan van het in het eerste lid bedoelde verbod
                                ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen</al><al>gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op zeven
                                achtereenvolgende dagen op de</al><al>weg te parkeren.</al><al>2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een defect
                                voertuig mede begrepen een niet</al><al>van een kenteken voorzien voertuig, voor zover voor het rijden met
                                het betrokken voertuig het</al><al>voeren van zodanig kenteken wettelijk verplicht is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.5</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te
                                        hebben.</al></li><li nr="2."><al>Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat
                                        rijtechnisch in onvoldoende staat van</al></li></lijst><al>onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand
                                verkeert.</al><al>3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet
                                milieubeheer van toepassing</al><al>is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.6</nr><titel>Caravans e.d.</titel></kop><al>1.Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper,
                                magazijnwagen,</al><al>aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de
                                recreatie dan wel anderszins</al><al>uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt
                                gebezigd:</al><lijst><li nr="a."><al>langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                        plaatsen of te hebben;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar
                                        dit naar zijn oordeel schadelijk is</al></li></lijst><al>voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><al>2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid,
                                aanhef en onder a, gestelde</al><al>verbod.</al><al>3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de
                                Provinciale caravan- en</al><al>tentenverordening, het Provinciaal wegenreglement of de provinciale
                                landschapsverordening van</al><al>toepassing is.</al><al>4.Het in artikel 7, lid 1, van de Parkeerverordening Gemeente
                                Schiedam 2003 gestelde verbod</al><al>geldt niet voor een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper,
                                magazijnwagen,</al><al>aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de
                                recreatie dan wel anderszins</al><al>uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt
                                gebezigd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                van handelsreclame op de</al><al>weg te parkeren met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te
                                maken.</al><al>2.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6</al><al>meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door
                                het college aangewezen</al><al>plaats, waar dit parkeren naar hun oordeel schadelijk is voor het
                                uiterlijk aanzien van de</al><al>gemeente.</al><al>2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6</al><al>meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit
                                parkeren naar hun oordeel</al><al>buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                parkeerruimte.</al><al>3.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van
                                maandag tot en met vrijdag,</al><al>dagelijks van 8.00 uur tot 18.00 uur.</al><al>4.Het college kan van in de het eerste en tweede lid gestelde
                                verboden ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.9</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6</al><al>meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren
                                bij een voor bewoning of</al><al>ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat
                                daardoor het uitzicht van</al><al>bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt
                                belemmerd of hun</al><al>anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</al><al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd
                                die nodig is voor en gebruikt</al><al>wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid
                                van het voertuig ter</al><al>plaatse noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen daar
                                te parkeren waar bewoners</al><al>of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder
                                of overlast kunnen</al><al>ondervinden.</al><al>2.Dit verbod geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van
                                toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.11</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><al>1.Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in
                                het belang van het uiterlijk</al><al>aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast,
                                dan wel ter voorkoming van</al><al>schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of
                                bromfietsen onbeheerd buiten de</al><al>daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.</al><al>2.Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in
                                onvoldoende staat van onderhoud en</al><al>in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten
                                staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.12</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door
                                dan wel deze te doen of te laten</al><al>staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde
                                beplanting of groenstrook.</al><lijst><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>op wegen, zoals bedoeld in artikel 5.1.1, onder
                                                a;</al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter
                                                uitvoering van werkzaamheden door of</al></li></lijst></li></lijst><al>vanwege de overheid;</al><al>3.op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op
                                terreinen die mede of</al><al>uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Collecteren, venten en standplaatsen</titel></kop><structuurtekst><al><vet><cursief>Collecteren en inzamelingen</cursief></vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Inzameling van geld of goed</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                inzameling van geld of</al><al>goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden
                                (collecte-vergunning).</al><al>2.Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het
                                bij het aanbieden van</al><al>goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte
                                stukken, dan wel bij het</al><al>aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien
                                daarbij te kennen wordt gegeven</al><al>of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor
                                een liefdadig of ideëel doel is</al><al>bestemd.</al><al>3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een
                                inzameling die in besloten kring</al><al>gehouden wordt.</al><al><vet><cursief>Venten</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>1.In deze paragraaf wordt onder venten verstaan: het in de
                                uitoefening van de ambulante handel</al><al>te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen op of aan de
                                weg, aan huis dan wel op</al><al>een andere voor het publiek toegankelijke en in de open lucht
                                gelegen plaats, dan wel diensten</al><al>aan te bieden.</al><lijst><li nr="2."><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het aan huis afleveren van goederen door of vanwege
                                                degene die dit doet ter exploitatie van</al></li></lijst></li></lijst><al>zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;</al><al>b.het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen als
                                bedoeld in het eerste lid op</al><al>jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid onder
                                h, van de Gemeentewet of op</al><al>snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5.2.7 van deze
                                verordening.</al><al>c.het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen als
                                bedoeld in het eerste lid op een</al><al>standplaats als bedoeld in artikel 5.2.3.1 van deze
                                verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2.2</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><al>Het is verboden zonder vergunning van het college te venten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2.3</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><al>1.Het verbod van artikel 5.2.2.2. geldt niet voor venten met
                                gedrukte of geschreven stukken</al><al>waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in
                                artikel 7, eerste lid, van de</al><al>Grondwet.</al><al>2.Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het
                                eerste lid beperken door een</al><al>verbod te stellen:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten
                                        daarvan, en/of</al></li><li nr="b."><al>voor bepaalde dagen en uren.</al><lijst><li nr="3."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod
                                                van het tweede lid.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet><cursief>Standplaatsen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>1.In deze paragraaf wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een
                                vaste plaats op of aan de</al><al>weg of op een andere voor het publiek toegankelijke en in de
                                openlucht gelegen plaats te koop</al><al>aanbieden, verkopen, verstrekken of afleveren van goederen of het
                                anderszins aanbieden van</al><al>goederen of diensten, als dan niet gebruikmakend van fysieke
                                middelen, zoals een kraam, een</al><al>wagen of een tafel.</al><lijst><li nr="2."><al>Onder standplaats wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="-"><al>vaste plaatsen op jaarmarkten of markten als bedoeld
                                                in artikel 160, eerste lid onder h. van de</al></li></lijst></li></lijst><al>Gemeentewet;</al><lijst><li nr="-"><al>vaste plaatsen op evenementen als bedoeld in artikel
                                        2.2.1;</al></li><li nr="-"><al>vaste plaatsen op snuffelmarkten als bedoeld in artikel
                                        5.2.4.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3.2</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                        standplaats in te nemen of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning
                                        worden geweigerd</al><lijst><li nr="a."><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in
                                                verband met de omgeving niet voldoet aan</al></li></lijst></li></lijst><al>eisen van redelijke welstand</al><lijst><li nr="b."><al>vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de brandveiligheid;</al></li><li nr="d."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                        overlast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3.3</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van</al><al>het college standplaats wordt of is ingenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3.4</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><al>1.Het verbod van artikel 5.2.3.2, eerste lid geldt niet voor zover
                                in het daarin geregelde</al><al>onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken
                                of het Provinciaal</al><al>wegenreglement.</al><al>2.De weigeringsgrond milieu geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt</al><al>voorzien door de Wet milieubeheer;</al><al>3.de weigeringsgrond van artikel 5.2.3.2, tweede lid, onder b, geldt
                                niet voor bouwwerken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3.5</nr><titel>Aanhoudingsplicht</titel></kop><al>Het college houdt de aanvraag om een standplaatsvergunning aan,
                                indien de aanvraag een</al><al>activiteit betreft waarvoor tevens een vergunning als bedoeld in
                                artikel 8.1 van de Wet</al><al>milieubeheer is vereist en indien geen toepassing kan worden gegeven
                                aan het tweede lid, tot de</al><al>dag waarop is beslist op de aanvraag om een vergunning als bedoeld
                                in artikel 8.1 van de Wet</al><al>Milieubeheer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4</nr><titel>Vergunninghouder/Overschrijven standplaats</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een vergunning wordt alleen verleend aan natuurlijke
                                        handelingsbekwame personen.</al></li><li nr="2."><al>Per persoon wordt voor dezelfde periode niet meer dan één
                                        vergunning verleend.</al></li><li nr="3."><al>In geval van overlijden of aangetoonde blijvende
                                        arbeidsongeschiktheid van een</al></li></lijst><al>vergunninghouder kan het college de vergunning voor de resterende
                                geldigheidsduur op verzoek</al><al>overschrijven op de naam van de achterblijvende echtgenoot, de
                                geregistreerde partner of een</al><al>kind van de vergunninghouder.</al><al>4.Een verzoek als bedoeld in het derde lid van dit artikel geschiedt
                                binnen zes weken na het</al><al>overlijden van de vergunninghouder of nadat de blijvende
                                arbeidsongeschiktheid van de</al><al>vergunninghouder is vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.5</nr><titel>Standplaatsvrije gebieden</titel></kop><al>1.Het college kan gebieden aanwijzen waarvoor geen vergunning wordt
                                verleend.</al><al>67</al><al>2.Ten aanzien van de in het vorige lid bedoelde gebieden kan het
                                college ontheffing verlenen</al><al>voor het innemen van een standplaats met een verplaatsbare
                                verkoopinrichting voor de verkoop</al><al>van de navolgende (seizoensgebonden) producten in de volgende
                                perioden:</al><lijst><li nr="a."><al>ijs 1 maart tot en met 31 oktober (inrichting maximaal 10
                                        m²);</al></li><li nr="b."><al>haring 1 mei tot en met 1 augustus (inrichting maximaal 10
                                        m²);</al></li><li nr="c."><al>oliebollen 15 oktober tot en met 1 januari;</al></li><li nr="d."><al>kerstbomen 6 december tot en met 24 december;</al></li><li nr="e."><al>bloemen gehele jaar (alleen op zaterdag) (inrichting
                                        maximaal 10 m²);</al></li><li nr="f."><al>kortlopende standplaatsen met een incidenteel karakter voor
                                        de promotie van een product of</al></li></lijst><al>dienst (inrichting maximaal 10 m²).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.6</nr><titel>Inneming en ontruiming standplaats</titel></kop><al>De vergunninghouder mag de standplaats uiterlijk een uur voor
                                aanvang van de verkooptijd</al><al>innemen en dient de standplaats volledig te hebben ontruimd binnen
                                een uur nadat de verkoop</al><al>dient te zijn beëindigd. Voor standplaatsen voor de verkoop van
                                oliebollen en kerstbomen kan het</al><al>college, onder nader te stellen voorwaarden, van deze eis ontheffing
                                verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.7</nr><titel>Snuffelmarkten e.d.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan de weg danwel in of op een - al dan niet
                                                met enige beperking - voor het publiek</al></li></lijst></li></lijst><al>toegankelijk gebouw of plaats een markt te organiseren of toe te
                                laten, waar ter plaatse aanwezige</al><al>goederen worden verhandeld;</al><al>b.toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te geven, dat op
                                of aan de weg danwel in of op</al><al>een - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijk
                                gebouw of plaats met een</al><al>kraam, een tafel of enig ander dergelijk middel standplaats wordt of
                                is ingenomen om goederen</al><al>aan publiek aan te bieden, te verkopen of te verstrekken.</al><al>2.Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend geheel en
                                voortdurend dan wel nagenoeg</al><al>geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de
                                Winkeltijdenwet.</al><al>3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden
                                geweigerd in het belang</al><al>van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Gebruik van openbaar water</titel></kop><al>1.Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden
                                een voorwerp, niet zijnde</al><al>een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te
                                brengen of te hebben, indien dit</al><al>door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van
                                bevestiging gevaar oplevert voor de</al><al>bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig
                                gebruik daarvan, dan wel</al><al>een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het
                                openbaar water.</al><al>2.Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander
                                voorwerp met een</al><al>permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet
                                daarvan uiterlijk twee weken</al><al>tevoren een melding aan het college.</al><al>3.De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van
                                de melder, en een</al><al>beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.</al><al>4.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in de daarin
                                geregelde onderwerpen wordt</al><al>voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet,
                                het</al><al>Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken,
                                de Pronvinciale</al><al>vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop
                                gebaseerde</al><al>Telecommunicatieverordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken en oevers</titel></kop><al>1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te
                                brengen in de toestand van</al><al>bij de gemeente in beheer zijnde openbaar water, havens, dijken,
                                wallen, kaden, trekpaden,</al><al>beschoeiingen, oeverbegroeiïng bruggen, zetten, duikers, pompen,
                                waterleidingen, gordingen,</al><al>aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.</al><al>2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 350
                                Wetboek van Strafrecht van</al><al>toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water</al><al>aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor
                                dadelijk gebruik</al><al>ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3a</nr><titel>Zwemmen</titel></kop><al>Het is verboden in het openbaar water te zwemmen of te baden, op de
                                plaatsen door het college</al><al>aangegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><al>1.Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar
                                water ophoudt, verboden</al><al>zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder
                                of gevaar kan ondervinden.</al><al>Het is verboden te klimmen, zich daarop te begeven of zich te
                                bevinden op bolders, aanlegpalen,</al><al>duikers, pompen, bakens, sluizen en dergelijke
                                waterstaatswerken.</al><al>2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de
                                Scheepvaartverkeerswet,</al><al>Binnenvaartpolitiereglement, de wet beheer rijkswaterstaatswerken en
                                de Vaarwegenverordening</al><al>Zuid-Holland van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                                vaartuig in openbaar water,</al><al>daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te
                                bevinden.</al><al>2.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                vaartuig, liggend in of aan een</al><al>openbaar water, los te maken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr></kop><structuurtekst><al>vervallen</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5.1</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten</titel></kop><al><cursief>inrichtingen of anderszins vuur te stoken</cursief></al><al>1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten
                                inrichtingen in de zin van de</al><al>Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te
                                hebben.</al><lijst><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover het betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                                dergelijke;</al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien
                                                geen afvalstoffen worden verbrand;</al></li><li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat
                                                geen gevaar, overlast of hinder voor de</al></li></lijst></li></lijst><al>omgeving oplevert.</al><al>3.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. Onverminderd
                                het bepaalde in artikel 1.8</al><al>kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en
                                fauna.</al><al>4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het
                                geregelde onderwerp wordt</al><al>voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek
                                van strafrecht of de</al><al>Provinciale milieuverordening.</al><al>5.Het college kan perioden, tijden of gebieden aanwijzen wanneer of
                                waar het gestelde in het</al><al>tweede lid, onder c, verboden is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als</al><al>bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of
                                nabestaande(n) gewenste</al><al>plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.2</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Incidentele asverstrooiïng is verboden buiten een permanent
                                        daartoe bestemd terrein.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt
                                        voor de asbus op grond van</al></li></lijst><al>bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het
                                eerste lid, behoudens de</al><al>gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>1.Overtreding van de volgende artikelen en de krachtens deze artikelen
                            en artikel 1.3 gegeven</al><al>voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten
                            hoogste drie maanden of</al><al>geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met
                            openbaarmaking van de</al><al>rechterlijke uitspraak:</al><al>artikel 2.1.1 (samenscholing en ongeregeldheden)</al><al>lid 1 (samenscholing);</al><al>lid 2 (weg vervolgen op bevel politie of toezichthouder;</al><al>lid 3 (begeven op afgezette terreinen enz);</al><al>artikel 2.1.2 (optochten);</al><al>artikel 2.1.7 (voorwerpen e.d. op, aan of boven de weg)</al><al>lid 1 (gebruik weg anders dan bestemming zonder vergunning);</al><al>lid 3 (voorwerpen die schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren
                            enz);</al><al>artikel 2.1.8 (winkeluitstallingen);</al><al>artikel 2.1.9 (aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg);</al><al>artikel 2.1.9a (maken en veranderen uitweg);</al><al>artikel 2.1.10 (winkelwagentjes)</al><al>lid 1 (herkenningsteken op winkelwagens en deze onmiddellijk verwijderen
                            uit omgeving);</al><al>lid 2 (op weg begeven met winkelwagen);</al><al>lid 3 (achterlaten winkelwagen);</al><al>artikel 2.1.12 (openen straatkolken e.d.);</al><al>artikel 2.1.14 (vallende voorwerpen);</al><al>artikel 2.1.15 (voorzieningen voor verkeer en verlichting);</al><al>artikel 2.1.16 (Verwijdering e.d. van voorzieningen voor verkeer en
                            verlichting);</al><al>artikel 2.1.17 (veiligheid op het ijs)</al><al>lid 1 (beschadigen enz, verplaatsen bakens);</al><al>lid 2 (verlaten van het ijs);</al><al>artikel 2.1.19 (Veroorzaken van gladheid);</al><al>artikel 2.1.20 (valschermspringen);</al><al>artikel 2.1.21 (verboden slaapverblijf);</al><al>artikel 2.1.22 (melding voorvallen gevaarlijke stoffen);</al><al>artikel 2.2.2 (evenement);</al><al>artikel 2.2.3 (ordeverstoring bij evenement);</al><al>artikel 2.2.4 (grootschalig evenement)</al><al>lid 2 (houden grootschalig evenement zonder vergunning en aanwezig zijn
                            bij evenement</al><al>waarvoor geen vergunning is verleend);</al><al>lid 6 (verbod grootschalig evenement aan te kondigen, eraan deel te
                            nemen enz, in strijd</al><al>met aanvraag of vergunning);</al><al>lid 8 (beëindigen grootschalig evenement, geen publiek meer toelaten en
                            opvolgen aanwijzingen);</al><al>lid 9 (aanwezig zijn bij grootschalig evenement waarvoor bevel tot
                            beëindiging is gegeven);</al><al>lid 10 (gedragen met doel orde te verstoren bij grootschalig
                            evenement);</al><al>lid 11 (bij zich hebben van stoffen en voorwerpen om orde te verstoren
                            bij grootschalig evenement);</al><al>lid 12 (opvolgen aanwijzingen politie (door ieder));</al><al>artikel 2.2.5 lid 3 (organiseren en aanwezig zijn verboden
                            evenement);</al><al>artikel 2.2.6 lid 3 (organiseren, aanwezig zijn enz. evenement);</al><al>artikel 2.3.2 (exploitatievergunning horecabedrijven);</al><al>artikel 2.3.2b (aanwezigheid exploitant of houder);</al><al>artikel 2.3.7 (sluiting van horecabedrijven)</al><al>lid 4 (toelaten bezoekers gesloten horecabedrijf);</al><al>lid 5 ( verblijf als bezoeker in een gesloten horecabedrijf);</al><al>artikel 2.3.8 (terrassen)</al><al>lid 3 (verwijderen terras op verzoek);</al><al>lid 4 (verstrekken drank en etenswaren vanaf terras);</al><al>lid 5 (verwijderen achtergebleven voorwerpen en stoffen);</al><al>artikel 2.3.9 (openings- en sluitingstijden)</al><al>lid 1-5 (geopend zijn en toelaten bezoekers buiten openingstijden);</al><al>lid 6 (als bezoeker aanwezig zijn buiten openingstijden);</al><al>artikel 2.3.11 (ordeverstoring in een horecabedrijf);</al><al>artikel 2.3.13 (beperking verstrekking sterke drank);</al><al>artikel 2.3.16 (nachtregister);</al><al>artikel 2.3.17 (verschaffing gegevens nachtregister);</al><al>artikel 2.3.18 (Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande
                            gebouwen)</al><al>lid 3 (toelaten aanbrengen sluitingsbevel);</al><al>lid 4 (toelaten bezoekers gesloten gebouw of erf);</al><al>lid 5 (bezoeken van gesloten gebouw of erf);</al><al>artikel 2.4.0 (betreden gesloten woning of lokaal);</al><al>artikel 2.4.1 (plakken en kladden);</al><al>artikel 2.4.3 (vervoer inbrekerswerktuigen);</al><al>artikel 2.4.4 (hinderlijk gedrag op of aan de weg);</al><al>artikel 2.4.4a (verplichte route);</al><al>artikel 2.4.4b (openlijk drankgebruik);</al><al>artikel 2.4.4c (messen en andere voorwerpen als (steek)wapen);</al><al>artikel 2.4.5 (hinderlijk gedrag bij of in gebouwen);</al><al>artikel 2.4.5a (hinderlijk gedrag op pleinen);</al><al>artikel 2.4.5b (overig hinderlijk gedrag);</al><al>artikel 2.4.6 (gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten);</al><al>artikel 2.4.7 (bespieden van personen);</al><al>artikel 2.4.9 (loslopende honden);</al><al>artikel 2.4.11 (verontreiniging door honden);</al><al>artikel 2.4.12 (gevaarlijke honden);</al><al>artikel 2.4.13 (houden van hinderlijke of schadelijke dieren);</al><al>artikel 2.4.15 (loslopend vee of pluimvee);</al><al>artikel 2.4.16 (ongedierte);</al><al>artikel 2.4.17 (bedelarij);</al><al>artikel 2.5.5 (handel in horecabedrijven);</al><al>artikel 2.7.2 (ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens
                            de verkoopdagen);</al><al>artikel 2.7.3 (bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                            jaarwisseling);</al><al>artikel 2.7.4 (bezigen van carbid);</al><al>artikel 2.10.1 (verblijfsontzegging);</al><al>artikel 3.1.2 (overtreden door college vastgestelde nadere regels);</al><al>artikel 3.1.3 (vergunningplicht);</al><al>artikel 3.1.5 (aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                            beheerder);</al><al>artikel 3.1.6 (sluitingstijden)</al><al>lid 1 (geopend zijn buiten openingstijden);</al><al>lid 3 (aanwezig zijn als bezoeker buiten openingstijden);</al><al>artikel 3.1.7 (straatprostitutie);</al><al>artikel 3.1.8 (tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                            erotisch-pornografische goederen,</al><al>afbeeldingen e.d.);</al><al>artikel 3.1.8a (sekswinkels);</al><al>artikel 3.1.12 (sluiting van de seksinrichting)</al><al>lid 3 (toelaten aanbrengen sluitingsbevel);</al><al>lid 4 (toelaten bezoekers gesloten seksinrichting);</al><al>lid 5 (bezoeken gesloten seksinrichting);</al><al>artikel 3.1.13 (kennisgeving beëindiging exploitatie);</al><al>artikel 3.1.14 (kennisgeving wijziging beheer);</al><al>artikel 3.2.2 (vergunningplicht speelautomatenhal);</al><al>artikel 3.2.5 (melding wijziging beheerder speelautomatenhal);</al><al>artikel 3.2.11 (gokken op de openbare weg);</al><al>artikel 3.2.12 (sluiting overlastgevende gokpanden)</al><al>lid 3 (toelaten aanbrengen sluitingsbevel);</al><al>lid 4 (toelaten bezoekers tijdens sluiting);</al><al>lid 5 (bezoeken gesloten gokpand);</al><al>artikel 3.3.2 (verkoop van drugs);</al><al>artikel 3.3.3 (verzameling personen in verband met drugs);</al><al>artikel 3.3.5 (openlijk druggebruik);</al><al>artikel 3.3.6 (weggooien van spuiten e.d.);</al><al>artikel 4.1.4 (verboden incidentele festiviteiten)</al><al>artikel 4.1.5 (geluidhinder);</al><al>artikel 4.3.8 (toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare
                            riolen en putten buiten gebouwen);</al><al>artikel 4.4.2 (kapverbod);</al><al>artikel 4.4.5 (herplantplicht als
                                vergunningsvoorschrift)<cursief>;</cursief></al><al>artikel 4.4.7 (herplant-/instandhoudingsplicht);</al><al>artikel 4.4.8 (bestrijding iepeziekte);</al><al>artikel 4.5.1 (opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans,
                            afvalstoffen, mest, ingekuilde</al><al>landbouwproducten e.d.);</al><al>artikel 4.5.2 (ontsierende, hinderlijke, gevaarlijke reclame’s
                            e.d.);</al><al>artikel 4.5.3 (aanschrijving);</al><al>artikel 5.1.2 (parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.);</al><al>artikel 5.1.3 (te koop aanbieden van voertuigen);</al><al>artikel 5.1.4 (defecte voertuigen);</al><al>artikel 5.1.5 (voertuigwrakken);</al><al>artikel 5.1.6 (caravans e.d.);</al><al>artikel 5.1.7 (parkeren van reclamevoertuigen);</al><al>artikel 5.1.8 (parkeren van grote voertuigen);</al><al>artikel 5.1.9 (parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen);</al><al>artikel 5.1.10 (parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                            stoffen);</al><al>artikel 5.1.11 (overlast van fiets of bromfiets);</al><al>artikel 5.1.12 (aantasting groenvoorzieningen door voertuigen);</al><al>artikel 5.2.1 (inzameling van geld of goed);</al><al>artikel 5.2.2 (venten e.d.);</al><al>artikel 5.2.3 (standplaatsen)</al><al>lid 1 (verkoop vanuit standplaats zonder vergunning );</al><al>lid 2 (toestaan standplaats op perceel);</al><al>artikel 5.2.6 (inneming en ontruiming standplaats);</al><al>artikel 5.2.7 (snuffelmarkten e.d.);</al><al>artikel 5.3.1 (gebruik openbaar water);</al><al>artikel 5.3.2 (beschadigen van waterstaatswerken en oevers);</al><al>artikel 5.3.3 (reddingsmiddelen);</al><al>artikel 5.3.3a (zwemmen);</al><al>artikel 5.5.1 (verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                            anderszins vuur te stoken);</al><al>artikel 5.6.2 (asverstrooiing).</al><al>2.Overtreding van de volgende artikelen en de krachtens deze artikelen
                            gegeven voorschriften</al><al>en beperkingen wordt gestraft met geldboete van de eerste
                            categorie:</al><al>artikel 2.1.6 (straatartiest);</al><al>artikel 2.3.10 (raamkaart);</al><al>artikel 2.3.15 (kennisgeving exploitatie nachtverblijf);</al><al>artikel 2.4.2 (vervoer plakgereedschap e.d.);</al><al>artikel 2.4.6a (neerzetten van fietsen e.d.);</al><al>artikel 2.4.6b (Overlast van fiets of bromfiets op markt en
                            evenemententerrein, kermisterrein e.d.);</al><al>artikel 4.3.5 (straatvegen);</al><al>artikel 4.3.6 (natuurlijke behoefte doen);</al><al>artikel 5.3.4 (veiligheid op het water);</al><al>artikel 5.3.5 (overlast aan vaartuigen).</al><al>3.Overtreding van het bepaalde in de artikelen 2.5.2, 2.5.3 en 2.5.4
                            (heling) wordt gestraft</al><al>overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 437 en 437ter van het
                            Wetboek van Strafrecht.</al><al>4.Gedragingen in strijd met de volgende artikelen van paragraaf 2 van
                            hoofdstuk 4</al><al>(afvalstoffen)kunnen worden aangeduid als een strafbaar feit in de zin
                            van artikel 1a, onder 3º Wed:</al><al>artikel 4.2.4 (nakomen voorschriften en beperkingen);</al><al>artikel 4.2.11 (inzamelverbod behoudens vergunning);</al><al>artikel 4.2.12 (aanbieden aan degene die inzamelt met vergunning);</al><al>artikel 4.2.13 (verbod op het ter inzameling aanbieden van
                            huishoudelijke afvalstoffen door</al><al>anderen dan de gebruikers van percelen);</al><al>artikel 4.2.14 (aangewezen categorieën huishoudelijke afvalstoffen
                            aanbieden aan anderen dan</al><al>de krachtens het tweede lid aangewezen inzameldienst);</al><al>artikel 4.2.14a (ongeadresseerd reclamedrukwerk);</al><al>artikel 4.2.15 (ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
                            via een inzamelmiddel</al><al>voor de gebruiker van een perceel);</al><al>artikel 4.2.16 (ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
                            via een</al><al>inzamelvoorziening ten behoeve van een groep percelen);</al><al>artikel 4.2.17 (ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
                            via</al><al>inzamelvoorzieningen op wijkniveau);</al><al>artikel 4.2.18 (ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
                            via een brengdepot op</al><al>lokaal of regionaal niveau);</al><al>artikel 4.2.19 (ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
                            zonder inzamelmiddel);</al><al>artikel 4.2.20 (dagen en tijden voor het ter inzameling aanbieden);</al><al>artikel 4.2.21 (opvolgen nadere regels);</al><al>artikel 4.2.23 (ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan de
                            inzameldienst);</al><al>artikel 4.2.24 (ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan
                            een ander dan de inzameldienst);</al><al>artikel 4.2.25 (voorkomen van diffuse milieuverontreiniging (o.a.
                            zwerfafval));</al><al>artikel 4.2.26 (achterlaten van straatafval en andere
                            afvalstoffen);</al><al>artikel 4.2.27 (voorkomen van zwerfafval bij ter inzameling gereed
                            staande afvalstoffen);</al><al>artikel 4.2.28 (afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet-
                            en drinkwaren);</al><al>artikel 4.2.29 (wegwerpen van reclamebiljetten of ander
                            promotiemateriaal);</al><al>artikel 4.2.30 (zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige
                            werkzaamheden);</al><al>artikel 4.2.31 (verbod opslag van afvalstoffen);</al><al>artikel 4.2.32 (afgifte autowrakken afkomstig uit een huishouden).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening, zijn belast de medewerkers toezicht en handhaving
                                A en B, en coördinatoren toezicht en handhaving, werkzaam bij de
                                afdeling Veiligheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Binnentreden van woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij</al><al>of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot
                            handhaving van de</al><al>openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de
                            gezondheid van personen, zijn</al><al>bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de
                            bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>1.Deze verordening treedt in werking op de eerste dag van de maand na
                            die van de maand van</al><al>bekendmaking via de gemeentepagina.</al><al>2.De Algemene Plaatselijke Verordening Schiedam, in werking getreden op
                            1 januari 1996,</al><al>nadien gewijzigd, wordt ingetrokken met ingang van de dag waarop de
                            Algemene Plaatselijke</al><al>Verordening Schiedam 2010 in werking treedt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>1 Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens
                            verordeningen bedoeld</al><al>in artikel 6.4, tweede lid, blijven - indien en voor zover het gebod of
                            verbod waarop de</al><al>vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze
                            verordening en voor zover zij niet</al><al>eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende 5 jaren na de
                            inwerkingtreding van deze</al><al>verordening van kracht een en ander onverminderd het bepaalde in artikel
                            2.3.10b.</al><al>2.Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens verordeningen bedoeld
                            in artikel 6.4,</al><al>tweede lid, blijven - indien en voor zover de bepalingen ingevolge welke
                            deze voorschriften en</al><al>bepalingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en voor
                            zover zij niet eerder zijn</al><al>vervallen of ingetrokken - nog gedurende 5 jaren na de inwerkingtreding
                            van deze verordening</al><al>van kracht een en ander onverminderd het bepaalde in artikel
                            2.3.10b.</al><al>3.Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een
                            aanvraag om een</al><al>vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op grond van een
                            verordening bedoeld in artikel</al><al>6.4, tweede lid, is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding
                            van deze verordening nog</al><al>niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige
                            bepaling van de onderhavige</al><al>verordening toegepast.</al><al>4.Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een vergunning
                            of ontheffing,</al><al>bedoeld in het eerste lid, dan wel een voorschrift of beperking bedoeld
                            in het tweede lid dat voor</al><al>of na het tijdstip bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, is ingekomen
                            binnen de voordien geldende</al><al>beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld
                            in artikel 6.4, tweede</al><al>lid.</al><al>5.In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een vergunning
                            of ontheffing - hoe ook</al><al>genaamd - van kracht, totdat onherroepelijk is beslist op een aanvraag
                            voor een, krachtens een in</al><al>deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste,
                            vergunning of</al><al>ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken voor afloop van
                            de in het eerste lid</al><al>genoemde termijn bij het bevoegde bestuursorgaan is ingediend.</al><al>6.Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing
                            vereist is krachtens</al><al>deze verordening en niet voorkomend in een verordening als bedoeld in
                            artikel 6.4, tweede lid,</al><al>zijn niet van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende acht weken na het in werking treden van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="b."><al>ook na de onder a. bepaalde termijn, voor zover degene die de
                                    vergunning of ontheffing nodig</al></li></lijst><al>heeft, binnen deze termijn een aanvraag heeft ingediend, totdat
                            onherroepelijk op deze aanvraag</al><al>is beslist.</al><al>7.De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid,
                            heeft geen gevolgen voor</al><al>de geldigheid van op basis van die verordening genomen nadere regels,
                            beleidsregels en</al><al>aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop de
                            aanwijzingsbesluiten zijn</al><al>gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet
                            eerder zijn vervallen of</al><al>ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Algemene Plaatselijke Verordening
                            Schiedam 2010” of</al><al>als “APV Schiedam 2010”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting</tussenkop><tussenkop>TOELICHTING ALGEMEEN</tussenkop><al>Daar waar in deze toelichting gesproken wordt over de model-APV wordt bedoeld de
                    modelverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten alsmede de
                    toelichting daarop.</al><tussenkop>TOELICHTING HOOFDSTUK 1</tussenkop><tussenkop>ALGEMENE BEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting hoofdstuk 1:</tussenkop><al>Hoofdstuk 1 van de APV bevat een aantal procedurevoorschriften en een aantal
                    algemene bepalingen. Het aantal procedurevoorschriften is beperkt. De reden
                    hiervoor is dat de Algemene wet bestuursrecht algemene regels geeft betreffende
                    de aanvraag, de behandeling en de verlening van een vergunning of
                    ontheffing.</al><al>In deze toelichting wordt summier ingegaan op de regeling in de Algemene wet
                    bestuursrecht en op de mogelijkheden voor aanvulling of afwijking in de APV.
                    Daarnaast worden de algemene bepalingen van hoofdstuk 1 toegelicht.</al><tussenkop>Algemene wet bestuursrecht</tussenkop><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat onder meer bepalingen, waarin algemene
                    regels zijn geformuleerd omtrent de totstandkoming, vorm en inhoud van
                    bestuurlijke beslissingen. De Awb regelt bijvoorbeeld hoe het bevoegde
                    bestuursorgaan besluiten omtrent vergunningen of ontheffingen (beschikkingen)
                    moet nemen en welke eisen aan deze beschikkingen moeten worden gesteld.</al><al>De bepalingen in de Awb hebben deels een dwingend karakter, zodat een regeling
                    in de APV in dat geval niet meer nodig is. Soms geeft de Awb de mogelijkheid om
                    af te wijken van de Awb-regels of om deze regels nader aan te vullen. In de
                    toelichting bij deze APV wordt telkens vermeld, wanneer en waarom van deze
                    mogelijkheid gebruik is gemaakt.</al><tussenkop>Toelichting artikel 1.1: Definitie begrippen</tussenkop><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de APV wordt gehanteerd,
                    gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die
                    op één bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de
                    desbetreffende paragraaf definities opgenomen.</al><tussenkop>Toelichting artikel 1.2: Beslistermijn</tussenkop><al>Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift
                    de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden.
                    Gekozen is voor een termijn van acht weken (eerste lid). Het merendeel zal
                    binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Voor de gecompliceerde aanvragen
                    wordt in artikel 2 een verlenging van de beslistermijn genoemd. In het derde lid
                    is een uitzondering opgenomen, omdat het in bepaalde gevallen noodzakelijk is de
                    beslistermijn te verkorten. </al><tussenkop>Toelichting artikel 1.2a: Te late indiening aanvraag</tussenkop><al>Hoewel het publiek zoveel mogelijk service moet worden geboden, zijn de
                    mogelijkheden van het ambtelijk apparaat niet onbeperkt. In de praktijk gebeurt
                    het nogal eens dat burgers met de aanvraag om een vergunning tot het laatste
                    moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom een termijn van drie weken
                    aangehouden. Er zijn vergunningen waarvoor de termijn van drie weken niet
                    toereikend is. Met het oog daarop is in het tweede lid de mogelijkheid geschapen
                    om de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal acht weken. Om voor de
                    burger zoveel mogelijk duidelijkheid te scheppen omtrent zijn rechten en
                    plichten is tevens bepaald dat de vergunningen waarvoor deze langere
                    aanvraagtermijn geldt worden aangewezen.</al><tussenkop>Toelichting artikel 1.6: Intrekkings- en wijzigingsgronden</tussenkop><al>De genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter
                    (“kan”). Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking c.q. wijziging
                    wordt overgegaan. </al><al>Onder het bepaalde in dit artikel, aanhef en sub b, worden ook
                    beleidswijzigingen bedoeld. Deze kunnen tot intrekking of wijziging van de
                    vergunning of ontheffing leiden. Het hangt van de omstandigheden af of tot
                    intrekking c.q. wijziging van de vergunning of ontheffing wordt overgegaan. </al><tussenkop>Toelichting artikel 1.7: Vergunning of ontheffing voor onbepaalde
                    tijd</tussenkop><al>Vóór juni 2007 kende de model-APV geen bepaling die een geldingsduur aangaf voor
                    een krachtens het model verleende vergunning of ontheffing.
                    Vergunningvoorwaarden konden bepalen dat de vergunning of ontheffing periodiek
                    moest worden verlengd. Het moge duidelijk zijn dat er een forse administratieve
                    lastenvermindering plaats heeft als een vergunning of ontheffing voor onbepaalde
                    tijd wordt verleend. Ook toetsing aan de Europese Dienstenrichtlijn leidt tot
                    deze eis. Artikel 11 van de Dienstenrichtlijn stelt dat vergunningen geen
                    beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: a. de vergunning automatisch wordt
                    verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de
                    voorwaarden; b. het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een
                    dwingende reden van algemeen belang; c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om
                    een dwingende reden van algemeen belang. </al><al>Over punt b. dat onder meer op wachtlijsten ziet, schrijft de Dienstenrichtlijn:
                    'Wanneer het aantal beschikbare vergunningen voor een activiteit beperkt is
                    wegens een schaarste aan natuurlijke hulpbronnen of technische mogelijkheden,
                    moet een selectieprocedure worden vastgesteld om uit verscheidene gegadigden te
                    kiezen, teneinde via de werking van de vrije markt de kwaliteit en voorwaarden
                    van het dienstenaanbod voor de gebruikers te verbeteren. Deze procedure moet
                    transparant en onpartijdig zijn en de verleende vergunning mag niet buitensporig
                    lang geldig zijn, automatisch worden verlengd of enig voordeel toekennen aan de
                    dienstverrichter wiens vergunning net is komen te vervallen. In het bijzonder
                    moet de geldigheidsduur zodanig worden vastgesteld dat de vrije mededinging niet
                    in grote mate wordt belemmerd of beperkt dan nodig is met het oog op de
                    afschrijvingen van de investeringen en een billijke vergoeding van het
                    geïnvesteerde kapitaal.' (PB L 376/36, nr. 62) Het gevolg van artikel 1.7 is dat
                    gemeenten bij het verlenen van een vergunning voor bepaalde tijd moeten
                    beargumenteren waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan
                    doorstaan.</al><al>Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde
                    tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een
                    standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.</al><al>Zie voor de betekenis van 'een dwingende reden van algemeen belang' bij de
                    toelichting onder artikel 1.8. </al><al>Artikel 1.6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden
                    gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom voor de hand dat een vergunning
                    voor onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas
                    bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook
                    daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en proportionaliteitseis. Bij
                    geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen
                    belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken omdat de noodzaak
                    daarvoor ontbreekt. </al><tussenkop>Toelichting Artikel 1.8 Weigeringsgronden</tussenkop><al>Vergunningstelsels zijn in de APV als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om
                    een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning. Vrijwel alle
                    vergunningstelsels kenden tot 2007 vervolgens een artikellid of –leden met
                    weigeringsgronden. Deze werden op verschillende manieren omschreven, waardoor de
                    indruk werd gegeven dat in verschillende bepalingen materieel andere
                    weigeringsgronden golden. Dit is echter niet het geval. In het kader van
                    deregulering en vermindering van administratieve lasten is kritisch naar de
                    weigeringsgronden gekeken. We hebben ervoor gekozen om ter bevordering van de
                    systematiek en duidelijkheid binnen de model-APV in Hoofdstuk I Algemene
                    bepalingen algemene weigeringsgronden te benoemen. In de afzonderlijke
                    vergunningstelsels zijn de betreffende artikel(led)en vervallen. Alleen indien
                    er voor een vergunning meer weigeringsgronden dan de in artikel 1.8 genoemde,
                    worden die in het betreffende artikel genoemd. De weigeringsgronden zijn geheel
                    overeenkomstig de eisen van de Europese Dienstenrichtlijn geformuleerd. </al><tussenkop>Europese Dienstenrichtlijn (EDR)</tussenkop><al>Tegelijkertijd met de deregulering van de vergunningstelsels van de model-APV
                    zijn deze gescreend aan de Europese Dienstenrichtlijn. Het gaat daarbij om de
                    volgende vergunningstelsels: evenementenvergunning, horecaexploitatievergunning,
                    vergunning voor een seksinrichting, ventvergunning, standplaatsvergunning en de
                    vergunning voor een snuffelmarkt. Gokactiviteiten zijn van de werking van de
                    Europese Richtlijn uitgezonderd, zodat de speelautomatenvergunning niet onder
                    het regiem valt. </al><al>Artikel 9 van de Richtlijn stelt eisen waaraan vergunningstelsels moeten
                    voldoen: 1. zij zijn niet discriminatoir ten opzichte van degene die de
                    vergunning aanvraagt en 2. de behoefte aan een vergunningstelsel is
                    gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang en 3. het
                    nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel worden bereikt. </al><al>Met andere woorden : zij moeten voldoen aan de eisen van noodzakelijkheid (2) en
                    evenredigheid (3).</al><al>Weliswaar geldt de Richtlijn alleen voor dienstenactiviteiten in ons land door
                    onderdanen uit andere lidstaten en niet voor de eigen onderdanen, maar wij
                    achten het uit een oogpunt van rechtsgelijkheid ongewenst een onderscheid aan te
                    brengen tussen verschillende soorten van dienstverleners. Immers de
                    grensoverschrijdende dienstverlener zou een bevoorrechte positie kunnen krijgen
                    ten opzichte van de eigen onderdaan. . </al><al>De Richtlijn geldt voor het verlenen van diensten en niet voor het verkopen van
                    goederen. Maar blijkens het arrest van het Hof van Justitie d.d. 23-02-2006 in
                    zaak C-441/04 gelden dezelfde criteria krachtens artikel 28 EG (vrij verkeer van
                    goederen) voor het verkopen van goederen. Volgens dit arrest mag namelijk venten
                    (verkoop van zilveren sieraden huis-aan-huis) door een Duits onderdaan in
                    Oostenrijk alleen beperkt of verboden worden door een nationale bepaling om
                    redenen van algemeen belang als boven genoemd.</al><tussenkop>Weigeringsgronden</tussenkop><al>Er zijn mogelijkheden om vergunningen in hun uitvoering te beperken
                    (vergunningvoorschriften) of te weigeren. De beperking of weigering dient
                    gerechtvaardigd te zijn door dwingende redenen van algemeen belang en evenredig
                    te zijn met die redenen van algemeen belang. (artikel 10) Dit begrip, zoals dit
                    is erkend door het Hof van Justitie omvat de volgende gronden: openbare orde,
                    openbare veiligheid, volksgezondheid en de bescherming van het milieu
                    (noodzaakvereiste, zie ook artikel 16). Op grond van deze motieven kunnen
                    voorschriften worden verbonden aan de vergunning en kan de vergunning worden
                    geweigerd. De toelichting bij de Richtlijn noemt de volgende voor de APV van
                    belang zijnde redenen van algemeen belang: handhaving van de maatschappelijke
                    orde; bescherming van afnemers van diensten; voorkoming van oneerlijke
                    concurrentie; consumentenbescherming; dierenwelzijn; bescherming van het milieu
                    en het stedelijk milieu, met inbegrip van stedelijke en rurale ruimtelijke
                    ordening; culturele beleidsdoelen, met inbegrip van de vrijheid van
                    meningsuiting, in het bijzonder ten aanzien van de sociale, culturele,
                    religieuze en filosofische waarden van de maatschappij; verkeersveiligheid en
                    behoud van het nationaal historisch en artistiek erfgoed. (PB L376/41, nr. 40) </al><tussenkop>Openbare orde en overlast</tussenkop><al>Vanouds is de APV een verordening die ziet op openbare orde en overlast.. De
                    toelichting bij de Europese Dienstenrichtlijn omschrijft het begrip openbare
                    orde aldus: ‘Het begrip openbare orde, zoals uitgelegd door het Hof van
                    Justitie, omvat de bescherming tegen een werkelijke en voldoende ernstige
                    bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving, en kan met name
                    onderwerpen in verband met de menselijke waardigheid, de bescherming van
                    minderjarigen en kwetsbare volwassenen, alsook dierenwelzijn omvatten. Evenzo
                    omvat het begrip openbare veiligheid vraagstukken in verband met de
                    staatsveiligheid.’ (PB L376/41, nr. 41) </al><al>Het begrip openbare orde is overigens een open begrip. Voor nadere interpretatie
                    zullen we de jurisprudentie van het Hof naar aanleiding van prejudiciële vragen
                    over de Dienstenrichtlijn moeten afwachten. Het is niet onwaarschijnlijk dat het
                    Hof, gelet op onder meer de tekst van artikel 41, het begrip ruimer zal
                    uitleggen dan het normaliter bij de uitleg van het EG-verdrag doet. </al><al>Het begrip ‘overlast’ komt in het EG-recht bij de toetsing van uitzonderingen op
                    het vrij verkeer niet als zodanig voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet
                    over overlast. Hoewel het begrip ‘overlast’ als zelfstandige weigeringsgrond
                    niet werkt, kan overlast via de algemene gronden openbare orde, openbare
                    veiligheid, volksgezondheid en milieu wél worden aangemerkt als zo’n
                    weigeringsgrond. Overlast kan namelijk betrekking hebben op verschillende
                    aspecten. Geluidsoverlast en overlast, veroorzaakt door stof, afval etc kunnen
                    worden geschaard onder milieu of zelfs gezondheid. Overlast, veroorzaakt door
                    vuurwerk, valt eveneens onder bescherming van het milieu en gezondheid, maar ook
                    onder veiligheid. Bij verkeersoverlast kan bovendien gedacht worden aan de
                    openbare veiligheid in verband met verkeersveiligheid. Om overlast onder het
                    begrip ‘openbare orde’ te kunnen scharen moeten er wel enige aanknopingspunten
                    zijn met overweging 41 en de gemeente zal dit ook moeten aantonen. In ieder
                    geval kan overlast onder het openbare ordebegrip worden gebracht, indien deze
                    een aantasting is van of een duidelijke inbreuk maakt op de maatschappelijke
                    orde zoals deze geldt in Nederland. Het gaat dan om overlast die een bedreiging
                    vormt voor de veiligheid en rust in de publieke ruimte (denk aan
                    voetbalsupporters, ongeregeldheden bij evenementen en openbare dronkenschap). </al><tussenkop>Zedelijkheid</tussenkop><al>Ook het begrip zedelijkheid valt – naar te verwachten is – onder het begrip
                    openbare orde, zoals dit wordt uitgelegd in overweging 41. Te denken valt aan de
                    bescherming van de menselijke waardigheid of waar het dierenmishandeling
                    (bijvoorbeeld gansslaan) betreft onder het belang van dierenwelzijn. </al><tussenkop>Voorzieningenniveau bij venten en standplaatsen</tussenkop><al>In het verleden is het beschermen van het voorzieningenniveau in de gemeente ten
                    behoeve van de consument als een openbare ordebelang aangemerkt. Daarbij werd in
                    ogenschouw genomen dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge
                    exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage
                    exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling
                    bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                    concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt
                    aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts een uitzondering toegestaan,
                    wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in
                    gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet
                    worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke
                    winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt indien vanaf een
                    standplaats dezelfde goederen aangeboden worden. </al><al>De Europese Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond niet toe, omdat deze
                    wordt beschouwd als het bevorderen van oneerlijke concurrentie. Wij hebben deze
                    weigeringsgrond bij de ventvergunning en de standplaatsenvergunning daarom
                    geschrapt. Indien de gemeente het voorzieningenniveau wenst te beschermen, kan
                    het bestemmingsplan daarvoor worden gebruikt. Men kan via het bestemmingsplan
                    het aantal standplaatsen beperken of tot nul brengen. Het venten van waren is
                    echter niet in een bestemmingsplan te regelen. Er kan wel in abstracto worden
                    verwezen naar bijvoorbeeld criteria als leefmilieu, leefomstandigheden enz. De
                    meeste vergunningstelsels kennen als weigeringsgrond ‘strijd met het
                    bestemmingsplan’. De vergunning wordt dan geweigerd wegens strijd hiermee. </al><tussenkop>Woon- en leefsituatie in de omgeving</tussenkop><al>De weigeringsgrond ‘bescherming woon- en leefmilieu(of leefsituatie)’ wordt in
                    het kader van de ‘rule of reason’ gezien als een te beschermen ‘dwingende eis’
                    in het kader van het vrije goederenverkeer. Dit brengt met zich mee dat de
                    weigeringsgrond ‘bescherming van het woon- en leefmilieu’ als een (ook) in het
                    Europees recht geaccepteerde weigeringsgrond kan worden toegepast bij een
                    aanvraag om vergunning voor een horecaondernemer die zich hier vestigt
                    (exploitatie-vergunning), of de vergunning voor een seksinrichting. </al><tussenkop>TOELICHTING HOOFDSTUK 2</tussenkop><tussenkop>OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 1 Orde en veiligheid op de weg</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting paragraaf 1:</tussenkop><al>In deze paragraaf zijn bepalingen opgenomen bedoeld om zowel het gebruik als de
                    bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen geleiden.</al><al>Het gebruik van de straat voor demonstraties, optochten, feesten e.d. wordt door
                    weinigen nog aangemerkt als gebruik dat daar absoluut onverenigbaar mee is.</al><al>Wel houdt dit in, dat deze diverse functies vragen om een scheiding dan wel
                    regulering van het gebruik.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.1.1: Samenscholing en ongeregeldheden</tussenkop><al>In het eerste lid van artikel 2.1.1 zijn gedragingen aangegeven die door hun
                    dreigende karakter aanleiding kunnen zijn voor verstoring van de openbare orde.
                    Deze bepaling is aangescherpt zodat ook kan worden opgetreden indien groepen
                    zich begeven naar een samenscholing of, als gevolg van een wijziging in 2009,
                    bij een vechtpartij. </al><al>In het tweede lid van artikel 2.1.1 is het zogenaamde “verwijderingsbevel” –
                    gegeven door een politie-ambtenaar of toezichthouder – opgenomen. Volgens de
                    jurisprudentie impliceert de in de artikelen 2 en 12 van de Politiewet
                    omschreven taak van de politie de bevoegdheid tot het gevel van bevelen te
                    handhaving van de openbare orde c.a. De toezichthouder ontleent zijn
                    bevoegdheden uit de Algemene wet bestuursrecht en deze verordening.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.1.2: Optochten</tussenkop><al>Bij het begrip “optocht” in artikel 2.1.2 dient te worden gedacht aan carnavals-
                    en sinterklaasoptochten e.d., die niet opgevat kunnen worden als een middel tot
                    het uiten van een mening of gedachten of gevoelens.</al><al>Uitgangspunt is, dat de organisatoren van een optocht zelf maatregelen dienen te
                    treffen om een regelmatig verloop van de optocht te bevorderen.</al><al>Voor het organiseren en het houden van optochten is in het kader van
                    deregulering een vrijstelling van een vergunningplicht geïntroduceerd. Hierdoor
                    is het mogelijk kleine en eenvoudige optochten te reguleren via een eenvoudige
                    meldingsplicht. Het uitwerken van deze vorm van deregulering leidt niet alleen
                    tot meer klantvriendelijkheid, maar ook tot minder (advies)werk van bij
                    evenementen betrokken diensten en afdelingen. Bij de aanwijzing van vrijgestelde
                    optochten kunnen voorschriften verbonden zijn, opdat de openbare orde en
                    veiligheid niet in het geding komt. Zodra een optocht wordt gemeld dient men
                    zich aan die voorschriften te houden. Onder bepaalde omstandigheden kan de
                    burgemeester een gemelde optocht verbieden. Via dit instrument kan ook aan de
                    belangen van eventuele derde belanghebbenden tegemoet gekomen worden. Immers de
                    burgemeester kan behalve op eigen initiatief ook op verzoek van een derde
                    belanghebbende een optocht verbieden.</al><tussenkop>Toelichting artikelen 2.1.3 en 2.1.4: openbare
                    manifestaties/betogingen/samenkomsten.</tussenkop><al>De artikelen 2.1.3 en 2.1.4 regelen de zogenaamde “openbare manifestaties”,
                    zoals omschreven in de Wet openbare manifestaties. Het gaat daarbij om
                    betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of
                    levensovertuiging voor zover die op “openbare plaatsen” gehouden worden, kortom
                    bijeenkomsten, waar het uiten van meningen, gedachten of gevoelens als bedoeld
                    in de Grondwet centraal staat.</al><al>De burgemeester blijft bevoegd tot optreden krachtens de artikelen 175 en 176
                    van de Gemeentewet. Bij betogingen waarbij ernstige vrees voor verstoring van de
                    openbare orde bestaat of de verstoring daadwerkelijk plaatsvindt, kan de
                    burgemeester derhalve bevelen, zoals bedoeld in artikel 175, of de
                    noodverordening zoals bedoeld in artikel 176 van de Gemeentewet
                    uitvaardigen.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.1.5: Dienstverlening</tussenkop><al>Artikel gewijze toelichting artikel 2.1.5: </al><al>Artikel 2.1.5 (oud) bevatte een vergunningstelsel voor dienstverlening.
                    Dienstverlening betreft allerlei straatberoepen, zoals kruiers, de scharensliep,
                    de reiniger van voertuigen en de glazenwasser. Sommigen zijn uit het straatbeeld
                    verdwenen, anderen hebben hun intrede gedaan. Denk bijvoorbeeld aan
                    besteldiensten van pizza’s of de supermarkt en bewakingsdiensten. In 2009 is het
                    dienstenartikel geschrapt vanwege het streven naar vermindering van
                    administratieve lasten voor ondernemers en het bedrijfsleven (deregulering). De
                    deregulering is ingegeven door de opvatting dat de regeling niet (meer) voldeed
                    aan het noodzaakvereiste zoals verwoord in de Europese Dienstenrichtlijn. Het
                    risico van overlast of verstoring van de openbare orde en zedelijkheid is immers
                    niet groot bij deze vormen van dienstverlening. Dit bleek al uit het optionele
                    karakter van het oude artikel. </al><al>Voorts geldt voor wat betreft de verkeersveiligheid artikel 5 van de
                    Wegenverkeerswet 1994, dat bepaalt dat ieder zich zodanig dient te gedragen dat
                    geen gevaar op de weg wordt veroorzaakt of dat het verkeer wordt gehinderd. Als
                    de dienstverlener optreedt als venter, dat wil zeggen dat hij ambulant is,
                    gelden bovendien de artikelen over venten (5:2.2.2 e.v.).</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.1.5a: Feest,muziek en wedstrijd e.d.</tussenkop><al>In het kader van deregulering vervallen</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.1.6: Straatartiest</tussenkop><al>Artikel 2.1.6. Straatartiest en straatmuzikant </al><al>In 2006 zijn Feesten en wedstrijden (zoals bepaald in artikel 2.15a, oud,
                    ‘Feest, muziek en wedstrijd’) ondergebracht bij de evenementen. Muziek maken kan
                    ook een evenement zijn, zie onder artikel 2:2.1. Echter, het optreden van een
                    straatmuzikant, bijvoorbeeld een harmonicaspeler, is geen evenement. Daarom is
                    de straatmuzikant onder artikel 2.1.6 gebracht. </al><al>De motieven om openbare plaatsen aan te wijzen zijn: dwingende redenen van
                    algemeen belang, hetgeen omvat: openbare orde, openbare veiligheid,
                    volksgezondheid en milieu. Zie voor de betekenis van deze begrippen de
                    toelichting onder artikel 1.8. </al><al>De activiteiten van de straatartiest en straatmuzikant vallen onder de werking
                    van artikel 7, derde lid, Grondwet. Het begrip “openbaren van gedachten of
                    gevoelens” moet volgens de jurisprudentie en de toelichting op artikel 7
                    Grondwet haast grammaticaal worden uitgelegd. Elke uiting van een gedachte of
                    een gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit, wordt
                    door artikel 7 Grondwet beschermd. (KB 5 juni 1986, Stb. 337 t/m 342, KB 29 mei
                    1987, Stb. 365, AB 1988, 15 m.nt. PJS.) Artikel 7, derde lid, Grondwet laat door
                    zijn formulering (niemand heeft voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud) een
                    verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de inhoud, zoals bijvoorbeeld
                    de verspreiding. Het is bij de genoemde activiteiten echter moeilijk te scheiden
                    tussen inhoud en verspreiding. Immers, het verbieden van een optreden van een
                    straatartiest op een bepaalde plaats houdt in veel gevallen ook in dat de inhoud
                    van het optreden niet kan worden geuit. Dat betekent dat voor de
                    beperkingsgronden van het in artikel 7, derde lid, opgenomen grondrecht, het
                    best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden die bij artikel 7, eerste lid,
                    Grondwet zijn toegelaten. </al><al>Voorheen vielen de activiteiten van de straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur
                    en gids ook onder het artikel straatartiest. In 2009 is gekozen om het optreden
                    van de straatfotograaf, filmoperateur en gids niet meer op te nemen, omdat deze
                    activiteiten kunnen worden beschouwd als een vorm van dienstverlening. Vanwege
                    deregulering en het ontbreken van het noodzaakvereiste is het
                    dienstverleningsartikel (zie toelichting 2.1.5 oud) geschrapt. De tekenaar is
                    niet meer apart genoemd, omdat deze valt onder het begrip straatartiest. </al><al>De draaiorgel(muzikant) wordt niet gerekend tot het begrip straatartiest of
                    straatmuzikant, maar valt onder de reikwijdte van artikel 4.1.5 (overige
                    geluidshinder). De gedachte is dat de draaiorgelmuzikant niet zelf een
                    instrument bespeelt, maar gebruik maakt van een toestel/voertuig om muziek te
                    maken. </al><tussenkop>Toelichting artikel 2.1.7: Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de
                    weg.</tussenkop><al>Het begrip ‘weg’ in de APV is ruimer dan in de Wegenverkeerswet. Zie hiervoor de
                    toelichting bij artikel 1.1.onder A.van de model-verordening </al><al>Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die
                    hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing
                    kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of containers. Het
                    helemaal laten vervallen van het artikel is geen optie, omdat dit de gemeente
                    het enige juridische handvat biedt om op te treden als de openbaarheid van de
                    weg wordt gehinderd.</al><al>In het kader van de deregulering en de vermindering van administratieve lasten
                    is bekeken of de vergunningplicht in dit artikel kan vervallen. Dat is een
                    discussie met vele kanten, en voor diverse oplossingen valt iets te zeggen. Er
                    is voor gekozen om en breed gestelde algemene regel op te nemen in plaats van
                    het voorheen bestaande vergunningsstelsel. De gemeenteraad maakt met het
                    overnemen van dit model een nadrukkelijke keuze voor het bieden van meer ruimte
                    aan burger en bedrijfsleven. </al><tussenkop>Toelichting artikel 2.1.8: Winkeluitstallingen</tussenkop><al>Met deze bepaling wordt beoogd een einde te maken aan de wildgroei van
                    winkeluitstallingen, die niet alleen uiterst publiekonvriendelijk is, maar ook
                    afbreuk doen aan het in gang gezette gemeentelijke beleid “Een toekomst voor de
                    oorsprong” waarin een van de kernthema’s is de verbetering van de kwaliteit van
                    de openbare ruimte. De motieven voor dit artikel zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>het waarborgen van de verkeersvrijheid in de meest ruime zin van het
                            woord; met name het voetgangersverkeer moet onbelemmerd kunnen
                            plaatsvinden, als ook de doorgang van de verzorgende diensten (politie,
                            brandweer en GGD);</al></li><li nr="-"><al>handhaving van de openbare orde;</al></li><li nr="-"><al>zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Schiedam en meer in het
                            bijzonder de winkelstraat;</al></li><li nr="-"><al>minimalisering van de ruimte die de winkeluitstallingen op de openbare
                            weg mogen gebruiken;</al></li><li nr="-"><al>beperken op voorkomen van overlast.</al></li></lijst><tussenkop>Toelichting artikel 2.1.9: aanleggen, beschadigen en veranderen van een
                    weg</tussenkop><al>Het motief van artikel 2.1.9 is de behoefte om de aanleg van wegen te binden aan
                    voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg.</al><al>Voor alle wegen die feitelijk voor het openbaar verkeer open staan en dat
                    betekent in beginsel ook voor zogenaamde “eigen wegen”, geldt de
                    vergunningplicht. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve
                    van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften
                    gesteld kunnen worden omtrent de wijze van verharding, breedte e.d. Die
                    wenselijkheid is ook aanwezig voor wegen welke bijvoorbeeld aangelegd worden op
                    grote bedrijfsterreinen. Daarvoor is in het tweede lid dan ook de toevoeging
                    “alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouw“ opgenomen.</al><al>Van de vergunningsplicht zijn uitgezonderd de overheden, en degenen die handelen
                    in opdracht van die overheden (zoals bijvoorbeeld de werkmaatschappijen van de
                    ONS-groep, voorzover die handelen ter uitvoering van een gemeentetaak), die in
                    de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er
                    mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden mede afstemmen op de
                    bruikbaarheid van de weg.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.1.9a: Uitweg</tussenkop><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is
                    bezien of de vergunningplicht in deze bepaling zou kunnen worden opgeheven. In
                    veel gevallen kan de aanleg of verandering van een uitweg zonder meer gebeuren
                    zonder dat dit problemen oplevert. Overheidsbemoeienis is dan veelal niet nodig.
                    In andere gevallen is overheidsbemoeienis wel noodzakelijk ter bescherming van
                    het algemeen belang. Wij hebben er daarom voor gekozen de vergunningplicht te
                    wijzigen in een meldingsplicht. Het college heeft vervolgens de keuze om de
                    gewenste uitrit zonder meer toe te staan (geen besluit nodig) of eventueel
                    voorschriften te stellen aan de realisering van de uitrit. In het uiterste geval
                    kan het college de gewenste uitweg ook geheel verbieden, wanneer op geen enkele
                    manier tegemoet kan worden gekomen aan het algemeen belang. De belangen die het
                    college hierbij kan afwegen zijn gevaar of hinder voor het wegverkeer ter
                    plaatse, het gebruik van een bestaande openbare parkeerplaats of de bescherming
                    van openbare groenvoorzieningen.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.1.10: Winkelwagentjes</tussenkop><al>Deze bepaling tracht het “zwerfkarrenprobleem” enigszins te verkleinen door de
                    winkelbedrijven te verplichten de door de consument gebruikte en achtergelaten
                    winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze een herkenningsteken aan te
                    brengen.</al><al>Invoering van het zogenaamde “muntsysteem” heeft niet altijd tot het gewenste
                    resultaat geleid. Dit verklaart het opnemen van lid 2 en lid 3, waarbij een
                    verbod jegens de burger wordt opgenomen.Deze leden komen uit de
                    model-verordening.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.1.11: Uitzichtbelemmerende beplanting of voorwerpen </tussenkop><al>In de APV is het artikel waarin een vergunningsplicht was opgenomen voor het
                    plaatsen van voorwerpen op de weg in strijd met de bestemming ervan vervangen
                    door een algemene regel waarin dit wordt verboden wanneer het gevaar of hinder
                    oplevert, of het normale gebruik van de weg hindert(artikel 2.1.7.). Daarmee
                    vervalt de noodzaak van het oude artikel.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.1.12: Openen straatkolken e.d.</tussenkop><al>Dit artikel ziet er op toe dat te allen tijde gebruik van de openbare
                    nutsvoorzieningen kan worden gemaakt, zodat er bij calamiteiten snel opgetreden
                    kan worden. Tevens kan met deze bepaling vandalistisch gedrag worden
                    bestreden.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.1.13: Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</tussenkop><al>Dit artikel is vervangen door een algemene regel (artikel 2.1.7) waarin dit
                    wordt verboden wanneer het gevaar of hinder oplevert, of het normale gebruik van
                    de weg hindert. Daarmee vervalt de noodzaak van het oude artikel..</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.1.14: Vallende voorwerpen</tussenkop><al>Voor de toepassing van dit artikel kan worden gedacht aan bloempotten in
                    geopende vensters, losse dakpannen etc.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.1.15: voorzieningen voor verkeer en verlichting </tussenkop><al>De gedoogplicht is alleen aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of
                    voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting
                    het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.1.16: verwijdering e.d. van voorzieningen van voor
                    verkeer en verlichting </tussenkop><al>Deze bepaling houdt een aanvullen in op het bepaalde in de artikelen 161bis,
                    161ter, 162, 350, 351, 351bis en 424 van het Wetboek van Strafrecht.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.1.17: veiligheid op het ijs</tussenkop><al>Het bepaalde in artikel 2.1.17 geldt voor alle in de gemeente aanwezige voor het
                    publiek toegankelijke ijsvlakten. Het is daarbij niet relevant onder wiens
                    beheer (provincie, waterschap, gemeente) de desbetreffende ijsvlakte valt.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.1.19: veroorzaken van gladheid</tussenkop><al>Vervallen is de plicht voor de eigenaar van een gebouw of terrein om het
                    trottoir langs dat gebouw of terrein sneeuwvrij te houden. De discussie omtrent
                    de afdwingbaarheid van deze bepaling en het feit dat de overheid deze bepaling
                    feitelijk ook niet handhaaft (meer een taak van voorlichting dan die van een
                    politieambtenaar of toezichthouder) hebben geleid tot het schrappen van deze
                    bepaling uit de model-APV.</al><al>Meer handhaafbaar en noodzakelijk is de bepaling die er op toeziet dat een
                    gevaarlijke situatie ontstaat tijdens vriezend weer. Als voorbeeld valt te
                    noemen het wassen van de auto op de openbare weg bij vriezend weer, waardoor
                    plaatselijk een zeer gevaarlijke situatie kan ontstaan.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.1.20: valschermspringen</tussenkop><al>De Wet Luchtverkeer en de Regeling valschermspringen bevatten regels ter
                    bevordering van de veilige, ordelijke en vlotte afwikkeling van het
                    luchtverkeer. Dit behoeft en mag dus niet via deze verordening geregeld worden.
                    Wel mag de gemeente regels stellen in het belang van de gemeentelijke
                    huishouding. Deze bepaling ziet dus niet toe op de gevolgen van het
                    valschermspringen op de orde en veiligheid in de lucht, maar die op de
                    grond.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.1.21: (Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en
                    in kampeermiddelen</tussenkop><al>Dit lid had tot 2009 twee leden. Het oorspronkelijke lid 2 ‘Het in het eerste
                    lid gestelde verbod geldt niet, voor zover de Wet op de Openluchtrecreatie
                    (verder Wet) van toepassing is’ had met het vervallen van de betreffende wet
                    geen functie meer. In paragraaf 4.6 APV zijn regels opgenomen met betrekking tot
                    kamperen buiten kampeerterreinen.</al><tussenkop>Paragraaf 2 Toezicht op evenementen</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting paragraaf 2:</tussenkop><al>Het is gewenst in de APV een regeling op te nemen die het houden van evenementen
                    tot onderwerp heeft. De laatste decennia worden op grote schaal dergelijke
                    openbare vermakelijkheden georganiseerd, die een uitstraling (kunnen) hebben op
                    de openbare orde en als zodanig onderwerp van gemeentelijke regelgeving kunnen
                    zijn.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.2.1: begrip evenement</tussenkop><al>Bij het begrip “evenementen”, als bedoeld in artikel 2.2.1, kan in de praktijk
                    worden gedacht aan voor het publiek toegankelijke verrichten van kunst,
                    tentoonstellingen, feesten, weldadigheidsverkopingen, braderieën – maar vanwege
                    de aparte regeling weer niet de snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5.2.7. -
                    kermissen, circussen, herdenkingsplechtig-heden e.d. De omschrijving in artikel
                    2.2.1 omvat alle activiteiten van vermaak, ongeacht of het publiek zelf
                    deelneemt.</al><al>Het maken van muziek op of aan de openbare weg valt ondubbelzinnig onder het
                    begrip ‘evenement’.</al><al>Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is,
                    maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt
                    deze als enige expliciet als evenement genoemd. Niet tot het begrip evenement
                    worden gerekend een optocht (art. 2.1.2), het optreden van een straatartiest
                    (art. 2.1.6) alsmede een speelgelegenheid als bedoeld in paragraaf 2 van
                    Hoofdstuk 3.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.2.2: vergunningplicht</tussenkop><al>De burgemeester is bevoegd voorschriften te verbinden aan het houden van een
                    evenement, het betreft hier immers een hem toekomende beschikkingsvrijheid. De
                    voorschriften mogen niet in strijd zijn met enige wettelijke regeling en moeten
                    redelijkerwijs noodzakelijk zijn in verband met het voorkomen van aantasting van
                    de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid. </al><tussenkop>Toelichting artikel 2.2.4: grootschalige evenementen</tussenkop><al>De evenementen die men hier op het oog heeft, zijn voor het publiek kosteloos
                    dan wel tegen betaling toegankelijke vermakelijkheden, zoals culturele en
                    sportieve evenementen (bijvoorbeeld voetbalwedstrijden, popconcerten,
                    wielerronden, festivals, feesten) waarvan de aard of de publieksaantrekkende
                    werking vanuit een oogpunt van openbare orde en veiligheid dusdanig grootschalig
                    is, dat daarin zonder nadere ordening niet kan worden voorzien. De aan de
                    vergunning te verbinden voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op de
                    plaats, het tijdstip en de “inrichting” van het evenement, het maximaal toe te
                    laten aantal bezoekers, de aard en de omvang van de door de organisator zelf te
                    nemen maatregelen ter waarborging van de orde en veiligheid, de
                    verkeersveiligheid, de verplichting de bereikbaarheid van het evenement per
                    openbaar vervoer in openbare aankondigingen aan te geven etc.</al><al>Dit artikel heeft primair ten doel de burgemeester en de betrokken
                    politiefunctionarissen vroegtijdig in staat te stellen de mogelijkheid aan een
                    bepaald evenement verbonden openbare orde- en veiligheidsrisico’s te
                    onderkennen, om op grond daarvan de omvang van de door de organisator zelf te
                    treffen maatregelen, dan wel de noodzakelijke (aanvullende!) politiecapaciteit
                    te bepalen.</al><al>Vervolgens kan worden bezien of en zo ja in hoeverre de wenselijk geachte inzet
                    van de politie in de planning van de totaal beschikbare politieformatie kan
                    worden ingepast, waarbij uiteraard de voor de “resterende” reguliere
                    politietaken minimaal noodzakelijke sterkte als belangrijkste criterium
                    geldt.</al><al>In het uiterste geval tenslotte – indien en voor zover de organisatoren niet
                    bereid of in staat zijn om zélf genoegzaam in het treffen van noodzakelijke
                    orde- en veiligheidsmaatregelen te voorzien en tevens onvoldoende
                    politiecapaciteit beschikbaar is – opent het artikel de mogelijkheid het
                    evenement geheel, dan wel op een bepaalde plaats en/of tijd te verbieden.</al><al>Het achtste en negende lid van artikel 2.2.4 zijn ontleend aan de inhoud van
                    noodverordeningen van de burgemeester. De in deze leden strafbaar gestelde
                    gedragingen komen vooral bij grootschalige evenementen voor, zowel op het
                    evenemententerrein als daarbuiten. De gemeenteraad is bevoegd dergelijke
                    gedragingen strafbaar te stellen, aangezien hij daardoor geen inbreuk maakt op
                    wettelijke regelingen(de burgemeester is tot het maken van een dergelijke
                    inbreuk wél bevoegd op grond van de artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet).
                    Het voordeel van regeling door de gemeenteraad is, dat de burgemeester in
                    voorkomende gevallen minder frequent behoeft in te grijpen naar noodmaatregelen
                    als bedoeld in de voornoemde artikelen van de Gemeentewet.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.2.5.: Melding door houders/exploitanten van een
                    horecabedrijf en verbod naar aanleiding van een melding</tussenkop><al>De burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze
                    betrekking hebben op het toezicht op de openbare bijeenkomsten en
                    vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                    behorende erven (zie artikel 174 van de Gemeentewet). Op deze taak optimaal te
                    kunnen uitvoeren is het van belang dat de burgemeester kennis heeft van
                    evenementen die niet vallen onder de vergunningplicht (zie bijvoorbeeld het
                    bepaalde in artikel 2.2.1. lid 2, onder. d van de APV) en die in een
                    horecabedrijf plaatsvinden.</al><al>Onder bepaalde omstandigheden kan de burgemeester een gemeld evenement
                    verbieden. Via dit instrument kan ook aan de belangen van eventuele derde
                    belanghebbenden tegemoet gekomen worden. Immers de burgemeester kan behalve op
                    eigen initiatief ook op verzoek van een derde belanghebbende een evenement
                    verbieden.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.2.6.: vrijstelling
                    vergunningverplichting</tussenkop><al>Voor het organiseren en het houden van evenementen is in het kader van
                    deregulering een vrijstelling van een vergunningplicht geïntroduceerd. Hierdoor
                    is het mogelijk kleine en eenvoudige evenementen te reguleren via een eenvoudige
                    meldingsplicht. Het uitwerken van deze vorm van deregulering leidt niet alleen
                    tot meer klantvriendelijkheid, maar ook tot minder (advies)werk van bij
                    evenementen betrokken diensten en afdelingen. Bij de aanwijzing van vrijgestelde
                    evenementen kunnen voorschriften verbonden zijn, opdat de openbare orde en
                    veiligheid niet in het geding komt. Zodra een evenement wordt gemeld dient men
                    zich aan die voorschriften te houden. Onder bepaalde omstandigheden kan de
                    burgemeester een gemeld evenement verbieden. Via dit instrument kan ook aan de
                    belangen van eventuele derde belanghebbenden tegemoet gekomen worden. Immers de
                    burgemeester kan behalve op eigen initiatief ook op verzoek van een derde
                    belanghebbende een evenement verbieden.</al><tussenkop>Paragraaf 3 Toezicht op openbare inrichtingen</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting paragraaf 3</tussenkop><al>In hoofdstuk 2, paragraaf 3.1 van deze verordening zijn toetscriteria opgenomen
                    die het mogelijk maken de afweging te maken of een horecabedrijf vanuit het
                    motief bescherming van woon- en leefklimaat en openbare orde op een bepaalde
                    locatie gevestigd kan worden. Aan een vergunning zijn voorschriften te verbinden
                    ter bescherming van de woon- en leefsituatie.</al><al>Op grond van de Wet op de Kansspelen is voor het plaatsen van een speelautomaat
                    een aanwezigheids vergunning vereist. Toetscriteria hiervoor zijn eveneens in
                    dit hoofdstuk opgenomen. </al><al>Op horecabedrijven zijn de regels van de Wet Milieubeheer van toepassing. Meer
                    in het bijzonder gelden daarvoor de regels van het Besluit horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen milieubeheer, een op artikel 8:40 van de Wet Milieubeheer
                    gebaseerde amvb. Deze maatregel heeft betrekking op de lichtere horecabedrijven
                    zoals restaurants, cafetaria’s, lunchrooms, bistro’s, snackbars, café, kantines,
                    hotels, pensions. Deze bedrijven behoeven geen vergunning op grond van de Wet
                    Milieubeheer, maar dienen te voldoen aan de algemene regels van het Besluit
                    horecabedrijven milieubeheer. </al><al>Op 5 april april 2004 is de Nota Horecabeleid Schiedam vastgesteld. De herziene
                    nota horecabeleid Schiedam is op 8 november 2007 vastgesteld. De belangrijkste
                    wijzigingen in het herziene beleid zijn: exploitatievergunningen voor onbepaalde
                    tijd een grotere categorie van horecabedrijven die vrijgesteld zijn van
                    vergunningplicht, de mogelijkheid voor horecabedrijven om bij gelegenheden van
                    bijzondere aard op vrijdag en zaterdag 1 uur langer geopend te blijven en het
                    opnemen van het afkoeluur in het beleid.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.3.1: begripsomschrijving</tussenkop><al>De omschrijving van het begrip 'horecabedrijf' sluit zoveel mogelijk aan bij de
                    Drank- en Horecawet en hoofdstuk 3 van de model-APV. In de praktijk is gebleken
                    dat in coffeeshops soms uitsluitend cannabisproducten tegen vergoeding worden
                    verstrekt (en genuttigde dranken om niet). Om te voorkomen dat een coffeeshop in
                    dat geval niet zou worden bestreken door de begripsomschrijving 'horecabedrijf',
                    is in het eerste lid de aanduiding 'rookwaren' toegevoegd.</al><al>De sluitingsbepalingen van deze paragraaf betreffen de gedeelten van de
                    inrichting, waarin de eigenlijke horecawerkzaamheden worden uitgeoefend: een op
                    het trottoir gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich boven de
                    inrichting bevindende woning van de houder niet. Ook sportkantines, sociëteiten,
                    clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als inrichting aan te merken.</al><al>Het besloten karakter van een horecabedrijf kan de veronderstelling wekken dat
                    de in de APV opgenomen sluitingstijden niet van toepassing zijn op dat bedrijf:
                    immers, volgens de jurisprudentie kan een gemeentelijke verordening geen
                    activiteiten betreffen die elk karakter van openbaarheid missen.</al><al>Dit laatste kan niet worden gezegd van activiteiten die een weerslag hebben op
                    een openbaar belang, waarvan ook sprake is bij besloten horecabedrijven. De
                    sluitingsuurbepaling ziet niet op activiteiten binnen het bedrijf, maar op de
                    (nadelige) invloed die daarvan uitgaat op de omgeving: bijvoorbeeld in de vorm
                    van overlast van komende en gaande bezoekers (het aan en afrijden van auto's,
                    het slaan met portieren, claxonneren, menselijk stemgeluid e.d.).</al><al>Met exploitant wordt bedoeld degene voor wiens rekening en verantwoordelijkheid
                    het horecabedrijf dagelijks wordt geëxploiteerd. Deze persoon zal regelmatig in
                    het horecabedrijf aanwezig moeten zijn. Daarnaast is het wenselijk dat altijd
                    een houder in het horecabedrijf aanwezig is, in die periode dat de exploitant
                    afwezig is. Hiertoe is artikel 2.3.2b aan de APV toegevoegd. </al><al>Bij een overname van een bestaande zaak moet, anders dan bij de voormalige
                    Drank- en horecaverordening, een nieuwe vergunning worden aangevraagd. Bij
                    ongewijzigde exploitatie zal de invloed op de woon- en leefsituatie niet opnieuw
                    getoetst worden, maar vindt alleen toetsing plaats van de persoon van de
                    exploitant en de houder(s).</al><al>Door de tekst van D vallen ook degenen die bijvoorbeeld een deel van de winkel
                    als horecabedrijf exploiteren, maar vrijgesteld zijn op grond van artikel 2.3.3.
                    lid 4 onder dit artikel.</al><al>Het behoeft geen betoog dat, naast de houder van het horecabedrijf, een aantal
                    categorieën van personen moet worden uitgezonderd van het begrip bezoekers: om
                    te beginnen diens gezinsleden en elders wonende bloed en aanverwanten, maar ook
                    de personen die in de inrichting nachtverblijf houden en als zodanig zijn
                    vermeld in het daartoe bestemde register (zie hiervoor de toelichting bij
                    artikel 2.3.14 e.v.) en de personen die in de inrichting aanwezig moeten zijn
                    (zoals in de inrichting werkzame personeelsleden en/of schoonmakers, of personen
                    die de tapinstallatie onderhouden of herstellen)</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.3.2: vergunning </tussenkop><al>De mogelijkheid om voor een proefperiode een voorlopige vergunning af te geven
                    is expliciet in de verordening opgenomen. Op 05 april 2004 is in het vijfde lid
                    het woord onherroepelijk vervangen door “van kracht”. Dit om te voorkomen dat
                    twee vergunningen tegelijkertijd van kracht kunnen zijn. In het zesde lid
                    betekent het woord “zodra” dat op het moment van constatering, bijvoorbeeld door
                    een controle, de vergunning komt te vervallen. In het zevende lid is bepaald dat
                    voor bepaalde categorieën van vergunningplichtige horecabedrijven een beperkte
                    geldigheidsduur kan worden vastgesteld. Het gaat dan bijvoorbeeld om
                    horecabedrijven waarvoor een meer frequente toetsing van de vergunning (en de
                    naleving van de voorschriften) wenselijk wordt geacht (bijvoorbeeld coffeeshops
                    –i.v.m. gedoogbeleid en strenge AHOJG + criteria of een horecabedrijf – als is
                    gebleken dat bij de vorige exploitatie van het horecabedrijf veel overlast bij
                    omwonenden is ondervonden).</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.3.2a: eisen exploitant en houder(s)</tussenkop><al>Voor een goede regulering van het horecabeleid is het noodzakelijk dat er een
                    aantal eisen aan de exploitant en de houder(s) worden gesteld. Derhalve vindt,
                    naar analogie van de eisen zoals deze gesteld worden in artikel 8, lid 2 onder a
                    en b, en lid 3, van de Drank- en Horecawet een antecedententoets van de
                    exploitant en de houder(s) plaats. Artikel 15 van de Wet politieregisters biedt
                    de bevoegdheid om bij het verstrekken van vergunningen over politiegegevens te
                    beschikken en deze mee te wegen bij de te nemen beslissing. De burgemeester moet
                    als verantwoordelijke voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid
                    kunnen beschikken over alle relevante informatie over eventuele onveiligheid in
                    voor publiek toegankelijke ruimten. Op basis van artikel 15 van de Wet
                    politieregisters kan deze informatie ter kennisneming aan de burgemeester worden
                    gegeven. Het initiatief van deze informatie-uitwisseling kan zowel bij de
                    gemeente als bij de politie liggen. Op grond van de verstrekte politiegegevens
                    kan een vergunning voor het exploiteren van een inrichting worden geweigerd dan
                    wel worden ingetrokken of een inrichting worden gesloten. Zie hiervoor de
                    artikelen 2.3.6 en 2.3.7.</al><al>Er is met de algehele wijziging van de APV in 2008 een onderscheid aangebracht
                    tussen exploitanten en houders van een vergunningplichtig horecabedrijf en
                    exploitanten en houders van een vergunningvrij horecabedrijf.</al><al>Voor de reikwijdte van het begrip “niet in enig opzicht van slecht levensgedrag”
                    moet aansluiting worden gevonden bij de terminologie van de Drank-&amp;
                    Horecawet. De toetsing aan deze eis is niet bij voorbaat aan regels gebonden.
                    Derhalve is de burgemeester bij de beoordeling of er sprake is van slecht
                    levensgedrag vrij in de wijze van beoordeling en zijn er geen beperkingen
                    opgelegd aan de feiten of omstandigheden die mogen worden betrokken bij dit
                    oordeel. Op basis van de huidige jurisprudentie is een onherroepelijke
                    veroordeling niet noodzakelijk om in de terminologie van de APV te mogen spreken
                    van in enig opzicht slecht levensgedrag. </al><tussenkop>Toelichting artikel 2.3.2.b: voorwaarden voor
                    exploitant/houder(s).</tussenkop><al>De aanwezigheid van een exploitant of houder(s) is noodzakelijk tijdens de
                    openingsuren van de inrichting.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Onder het begrip “een exploitant moet regelmatig in het horecabedrijf aanwezig
                    zijn” wordt verstaan dat de exploitant minimaal gedurende één derde van de
                    openingstijden van het horecabedrijf in het horecabedrijf aanwezig dient te
                    zijn, behoudens: exploitanten van verenigingen, stichtingen en
                    bedrijfsketens.</al><al>De exploitant is te allen tijde verantwoordelijk voor hetgeen zich in en rond de
                    inrichting afspeelt. Deze bepaling is tevens opgenomen om effectief tegen
                    schijnbeheer op te kunnen treden. Indien zich in de inrichting strafbare feiten
                    voordoen, kan de inrichting door de burgemeester gesloten worden of kan de
                    verleende exploitatievergunning ingetrokken worden (zie artikel 2.3.6 en
                    2.3.7).</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.3.2 c.</tussenkop><al>De exploitant en/of houder(s) zijn verantwoordelijk voor een aanvaardbaar gedrag
                    van de bezoekers in en in de nabijheid van het horecabedrijf. Onder
                    onaanvaardbaar gedrag wordt onder andere verstaan: luidruchtig vertrekkende
                    bezoekers, op een overlastgevende wijze voor het horecabedrijf buiten
                    telefoneren, bezoekers die voor het horecabedrijf blijven hangen etc.. Onder
                    “het horecabedrijf dient de normale situatie niet negatief te beïnvloeden” wordt
                    verstaan dat er geen sprake is van een normale situatie bij een onaanvaardbaar
                    gedrag van bezoekers. Indien de exploitant en/of houders op het voornoemde geen
                    grip heeft/hebben en daardoor overlast ontstaat voor de omgeving, kan de
                    burgemeester een bestuurlijke maatregel treffen (zie artikelen 2.3.6 en 2.3.7)
                    Dit artikel was eerst opgenomen in 2.3.2.b leden 3,4, en 5 en is nu als volgt
                    opgenomen vanwege het aangebrachte onderscheid tussen exploitanten en houders
                    van een vergunningplichtig en een vergunningvrij horecabedrijf.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.3.3: vrijstelling vergunningplicht</tussenkop><al>Onder de hier bedoelde categorieën zijn, onder voorwaarden, begrepen:
                    horecabedrijven of – activiteiten behorend bij logiesverstrekkers,
                    kantoren(bedrijfskantines,scholen, musea, verzorgings- en verpleegtehuizen,
                    ziekenhuizen, rouwcentra en crematoria, niet commerciële sport- en
                    recreatieverenigingen en –stichtingen, winkels als bedoeld in de Winkeltijdenwet
                    waarbij de verkoop van etenswaren en drinkwaren een aanzienlijk deel van de
                    normale bedrijfsvoering omvat (om te voorkomen dat bijv. een speelgoedwinkel een
                    terras kan oprichten), winkelondersteunende horecabedrijven en andere
                    inrichtingen waarin het horeca-element ondergeschikt is. </al><tussenkop>Toelichting artikel 2.3.4: vergunningaanvraag en verlening </tussenkop><al><vet>Lid 1.</vet> De betreffende nadere regels zijn opgenomen in de Nota
                    Horecabeleid Schiedam 2008-2012.</al><al><vet><onderstreept>Lid 2.</onderstreept></vet> Uitgangspunt is dat een
                    ingediende vergunningaanvraag afgerond moet zijn voordat een nieuwe
                    vergunningaanvraag voor hetzelfde horecabedrijf in behandeling wordt genomen.
                    Dit om te voorkomen dat een zaak steeds wordt overgenomen zonder dat het tot
                    vergunningverlening komt.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.3.5: beslistermijn</tussenkop><al>De behandelingstermijn is voor alle soorten vergunningen op 12 weken gesteld,
                    met een mogelijke verdaging met 12 weken.</al><al>Bij ingrijpende vergunningen, bijvoorbeeld bij de vestiging van een muziekcafé
                    waarbij muziek een belangrijk onderdeel is van de exploitatie of discotheek of
                    het plaatsen van een terras, kan de openbare voorbereidingsprocedure uit
                    afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht afzonderlijk op dat besluit van
                    toepassing verklaard worden. In de Nota Horecabeleid Schiedam 2008-2012 is de
                    procedure bepaald m.b.t. een vergunningaanvraag.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.3.6: weigerings- en intrekkingsgronden</tussenkop><al>Voorheen was het mogelijk dat ‘slechte exploitanten’ die bijvoorbeeld in een
                    ander horecabedrijf door eigen schuld getroffen waren door bestuurlijke
                    maatregelen als bestuursdwang (sluiting van de inrichting) vrij gemakkelijk weer
                    ergens anders konden beginnen. Om nu meer grip te krijgen op de persoon van de
                    houder van het horecabedrijf is het ‘verleden’ van de betreffende exploitant in
                    de horeca-branche voor de burgemeester als extra toetsingscriterium
                    opgenomen.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.3.7: sluiting van horecabedrijven</tussenkop><al>Het besluit tot sluiting moet op de toegang van het horecabedrijf worden
                    aangebracht. Eventuele bezoekers kunnen op deze manier weten dat ze in
                    overtreding zijn.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.3.8: terrassen</tussenkop><al>Wanneer een aanvraag tevens het plaatsen van een terras omvat, wordt er aan de
                    criteria uit artikel 2.3.6 getoetst, behalve aan de in lid 1 van artikel 2.3.6.
                    genoemde criteria. Er wordt onder andere getoetst aan de bruikbaarheid van de
                    weg.</al><al>Bij afgifte van een terrasvergunning zijn met name zaken aan de orde die
                    betrekking hebben op het gebied van de openbare orde en veiligheid. Terrassen
                    hebben immers weinig ruimtelijke/stedenbouwkundige relevantie. Gelet daarop is
                    de bestemmingsplantoets bepaling voor terrassen buiten toepassing verklaard. Wel
                    houdt de burgemeester rekening met de woon- of leefsituatie in de omgeving van
                    het horecabedrijf.</al><al>Nadere regels met betrekking tot de ingebruikname van het terras zijn neergelegd
                    in de Nota Horecabeleid Schiedam 2008-2012, zoals bijvoorbeeld: de exploitatie
                    van het terras mag niet leiden tot ontoelaatbare (geluids-)overlast voor
                    omwonenden, het terras –schotten en meubilair- dient te vodoen aan eisen van
                    Welstand etc.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.3.9: openings- en sluitingstijden</tussenkop><al>In het derde lid zijn afzonderlijke sluitingstijden voor terrassen opgenomen,
                    die per gebied van de gemeente verschillen. Reden is dat van terrassen relatief
                    veel overlast ondervonden wordt, zodat het niet wenselijk is dat voor terrassen
                    dezelfde openingstijden gelden als voor horecabedrijven. </al><al>In de nota horecabeleid zijn de afzonderlijke ontheffingsmogelijkheden
                    limitatief beschreven. In het vierde lid is daarbij aangesloten.</al><al>Ontheffingsmogelijkheid a. komt voort uit de Nota Horecabeleid Schiedam
                    2008-2012, waarin het horecaconcentratiegebied I wordt aangewezen als het enige
                    gebied in de gemeente waar nachthoreca mogelijk is. In de Nota Horecabeleid
                    Schiedam 2004 waren twee horecaconcentratiegebieden aangewezen.
                    Horecaconcentratiegebied II is komen te vervallen.</al><al>In het derde lid is een ontheffingsmogelijkheid toegevoegd. Deze
                    ontheffingsmogelijkheid biedt de horeca-ondernemer de gelegenheid om bij
                    bijzondere gelegenheden maximaal 5 maal per jaar het horecabedrijf op vrijdag of
                    zaterdag tot 03:00 uur (één uurtje langer)open te houden. Het afkoeluur is
                    hierbij niet van toepassing.</al><al>Ontheffingsmogelijkheid b: de sluitingstijd van terrassen buiten de binnenstad
                    van 22.00 uur komt voort uit de gedachte dat woonomgevingen beschermd moeten
                    worden tegen overlast. Terrassen buiten de binnenstad zijn echter niet altijd in
                    een woonwijk gelegen. Er kan bijvoorbeeld ook sprake zijn van een park of
                    industriegebied, waarbij niemand last heeft van het terras. In die gevallen kan
                    ontheffing verleend worden.</al><al>De ontheffingen onder c., met betrekking tot collectieve festiviteiten, vloeien
                    voort uit paragraaf 5.4 van de nota. In de burgemeestersinstructie zijn regels
                    opgenomen over de procedure. </al><al>Een ontheffing wordt in elk geval geweigerd als er gevaar bestaat voor de
                    openbare orde of de woon- en leefsituatie. Op deze wijze wordt een
                    toetsingskader voor ontheffingen vastgelegd.</al><al>Op grond van lid d kan ontheffing worden verleend voor nieuwjaarsnacht en
                    Koninginnedag. Dit lid is toegevoegd omdat slechts was voorzien in het verlenen
                    van een ontheffing indien de feestdag op zaterdag of op zondag zou vallen. Met
                    de toevoeging van dit lid wordt deze omissie gerepareerd.</al><al>Een algemene ontheffingsmogelijkheid kan in feite niet worden gemist. Te denken
                    valt aan festiviteiten die naar door hun aard 24 uur duren, zoals een 24-uurs
                    marathon in de sport. Deze ontheffingsmogelijkheid is in lid 6 opgenomen.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.3.10: raamkaart</tussenkop><al>Vervallen is opgenomen in de Nota Horecabeleid Schiedam 2008-2012.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.3.10a: geldigheidsduur vergunning</tussenkop><al>Vervallen. De geldigheidsduur van een exploitatievergunning voor een periode van
                    5 jaar komt te vervallen. De vergunning wordt afgegeven voor onbepaalde tijd.
                    Dit heeft te maken met het feit dat meer categorieën horecabedrijven zijn
                    vrijgesteld van vergunningplicht en de handhavingscapaciteit is toegenomen.
                    Hierdoor is er meer toezicht mogelijk of de vergunde situatie in overeenstemming
                    is met de dagelijkse situatie. Vergunningen afgegeven onder de vorige APV worden
                    eveneens geldig voor onbepaalde tijd.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.3.10b: overgangsrecht</tussenkop><al>Hier is oud, maar nog geldend, overgangsrecht geregeld, die betrekking heeft op
                    de gevolgen van de in 2004 vastgestelde horecanota.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.3.11: verstoring openbare orde</tussenkop><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, die
                    zich in het algemeen tot bezoekers richt.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.3.12: Het college als bevoegd
                    bestuursorgaan</tussenkop><al>Het begrip 'horecabedrijf' als omschreven in artikel 2.3.1. eerste lid, ziet ook
                    op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten
                    sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 van de
                    Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde
                    bestuursorgaan.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.3.13: beperking verstrekking sterke
                    drank</tussenkop><al>Op grond van artikel 18 van de Drank- en horecawet kan bij gemeentelijke
                    verordening worden verboden in bepaalde horecabedrijven sterke drank te
                    verstrekken. Deze bepaling was ook in de voormalige Drank- en horecaverordening
                    opgenomen.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.3.15: kennisgeving exploitatie </tussenkop><al>Op grond van artikel 438 Wetboek van Strafrecht is degene die er zijn beroep van
                    maakt aan personen nachtverblijf te</al><al>verschaffen verplicht hiervan een doorlopend register te houden en deze op
                    aanvraag te tonen aan de burgemeester of een door hem aangewezen ambtenaar.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.3.16 en 2.3.17: Nachtregister</tussenkop><al>In dit artikel wordt bepaald dat hij die een inrichting opricht, overneemt,
                    verplaatst of het houden er van staakt, dit aan de burgemeester dient te
                    melden.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.3.18 :Sluiting overlastgevende voor het publiek
                    openstaande gebouwen</tussenkop><al>De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot
                    sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast of andere vormen van niet
                    aanvaardbare overlast wordt veroorzaakt. Dit artikel in de Gemeentewet regelt
                    niet de rechtsgevolgen van de sluiting, vandaar dat er voor is gekozen om voor
                    de gevallen waarin de woning niet is verzegeld of de verzegeling reeds is
                    verbroken een strafbepaling op te stellen die het verbiedt om een gesloten pand
                    te betreden. Dit artikel is een aanvulling op de artikelen die betrekking hebben
                    op het sluiten van overlastgevende bordelen, gokpanden en drugspanden, die geen
                    woning zijn.</al><tussenkop>Paragraaf 4 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting paragraaf 4</tussenkop><al>In deze paragraaf zijn bepalingen opgenomen die een bijdrage moeten leveren aan
                    de bestrijding van overlast, hinder en baldadig gedrag – in de meest ruime zin
                    begrepen – in de gemeente. Sommige van de in deze paragraaf strafbaar gestelde
                    gedragingen zouden op zichzelf als “weinig betekenend” kunnen worden beschouwd.
                    Indien het in samenhang bestrijden van deze gedragingen evenwel onderdeel vormt
                    van een gericht beleid ter voorkoming en bestrijding van overlast, hinder en
                    baldadigheid in de stad, zijn de betreffende strafbepalingen goed
                    bruikbaar.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.4.0: Betreden gesloten woning of lokaal</tussenkop><al>Dit artikel betreft een verbod om een door de burgemeester krachtens artikel
                    174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk
                    lokaal of een bij de woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al><al>Op grond van het nieuwe artikel 174a van de Gemeentewet kan de burgemeester
                    besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij
                    die woning of dat lokaal behorend erf te sluiten, indien door gedragingen in de
                    woning of het lokaal of op het erf de openbare orde rond de woning, het lokaal
                    of het erf wordt verstoord. Dit artikel is in eerste instantie in de Gemeentewet
                    opgenomen om drugsoverlast vanuit woningen tegen te gaan, maar ook kan worden
                    gehanteerd bij andere vormen van niet aanvaardbare overlast.</al><al>In dit verband is er voor gekozen om – voor de gevallen waarin de woning niet is
                    verzegeld of de verzegeling reeds is verbroken – een strafbepaling op te stellen
                    die het verbiedt om een gesloten pand te betreden. Artikel 2.4.0 kan worden
                    gezien als een welkome aanvulling van de artikelen 3.1.12 (sluiting
                    overlastgevende sexinrichtingen), 3.2.12 (sluiting overlastgevende gokpanden) en
                    artikel 13b van de Opiumwet (sluiting overlastgevende drugspanden), die
                    betrekking hebben op panden die geen woning zijn. Het tweede lid introduceert
                    het verbod om een op basis van artikel 13b Opiumwet gesloten lokaal te betreden.
                    Deze strafbepaling richt zich niet alleen op de exploitant of eigenaar van de
                    inrichting, maar tot een ieder. Zo’n verbod dient ter ondersteuning van de
                    naleving van de sluiting. Door dit verbod in de APV op te nemen is het niet
                    altijd noodzakelijk om een gesloten pand of lokaal tevens te verzegelen.</al><al>In artikel 2.4.0 staat in het eerste lid een verbodsbepaling die voortvloeit uit
                    artikel 174a van de Gemeentewet. Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen
                    de woning moeten betreden wegens dringende redenen, is het derde lid er aan
                    toegevoegd.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.4.1: plakken en kladden</tussenkop><al>Dit artikel is op hoofdlijnen gelijk aan het artikel uit de modelverordening,
                    waarnaar kortheidshalve wordt verwezen.</al><al>Onder andere de viaducten bij de entrees van de stad worden uitbundig gebruikt
                    voor het plakken van allerhande aankondigingen voor evenementen. Op basis van
                    artikel 2.4.1 van de APV kan tegen degene die deze aankondigingen opplakt worden
                    opgetreden. De pakkans is uiterst gering omdat de plakker op heterdaad betrapt
                    dient te worden.</al><al>Uit jurisprudentie is gebleken dat het is toegestaan naast degene die plakt “hij
                    die doet plakken” aan te pakken. Toevoeging van deze zinsnede vergemakkelijkt
                    het handhaven van het verbod. Aandacht: plakken in het kader van de vrijheid van
                    meningsuiting kan onder bepaalde omstandigheden </al><al>De eigenaar van de plek waar geplakt wordt kan overigens ook de (doen)plakker
                    aanspreken en wel privaatrechtelijk. In theorie zou zelfs de gemeente de
                    (doen)plakker privaatrech-telijk kunnen aanspreken.</al><al>De wetswijziging art. 13b Opiumwet maakt het mogelijk om ook tegen de handel in
                    drugs vanuit woningen of niet voor het publiek toegankelijke lokalen, plus
                    bijbehorende ervan op te treden. Artikel 2.4.1., tweede lid, is hierop
                    aangepast.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.4.2: vervoer plakgereedschap e.d.</tussenkop><al>Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel
                    opgenomen plak- en kladverbod vergroot. De Hoge Raad heeft een dergelijke
                    zelfstandige strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen geaccepteerd. Het
                    onderhavige artikel verbiedt het vervoer van allerlei plak- en
                    kladgereedschappen en –attributen (waaronder verfspuitbussen e.d., in gebruik
                    bij graffiti “kunstenaars”) tussen 22.00 en 06.00 uur. De ervaring leert, dat
                    juist tussen de genoemde uren het meest wordt geplakt en gekladderd.</al><al>Iemand die ’s nachts met de genoemde voorwerpen over straat gaat, is in beginsel
                    in overtreding, tenzij hij aannemelijk kan maken, dat de betreffende voorwerpen
                    niet zijn/worden meegenomen om zich schuldig te maken aan het plakken en kladden
                    als bedoeld in artikel 2.4.1. Een en ander verlicht de bewijslast voor de
                    politie.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.4.4a: verplichte route</tussenkop><al>In het kader van de bestuurlijke ophouding is dit artikel opgenomen. Door deze
                    bepaling in de APV op te nemen is de burgemeester bevoegd bestuurlijke op te
                    houden (zie artikel 2.8.1) ingeval groepen van personen afwijken van een door de
                    burgemeester aangewezen route. </al><tussenkop>Toelichting artikel 2.4.4b: openlijk drankgebruik</tussenkop><al>Sommige delen van de stad worden geconfronteerd met overlast door personen die
                    zich op de openbare weg te goed doen aan diverse soorten alcoholica en
                    vervolgens passanten lastig vallen of voor veel andere overlast in de omgeving
                    zorgen. Ook veroorzaken deze personen gevoelens van onveiligheid.</al><al>Wat de mogelijkheden tot optreden betreft zij vermeld, dat de politie – als
                    daadwerkelijke verstoring van de openbare orde zich voordoet – op grond van de
                    artikelen 2 en 12 van de Politiewet bevelen tot verwijdering kan geven.</al><al>Niet naleving daarvan is strafbaar op grond van artikel 184 van het Wetboek van
                    Strafrecht. Voorts zal in een aantal gevallen (als bijvoorbeeld wordt
                    geconstateerd dat flesjes worden stuk gegooid) optreden mogelijk zijn op grond
                    van artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht. De hanteren van deze
                    wetsbepalingen is in de praktijk echter niet eenvoudig. Er bestaat daarom
                    behoefte aan een rechtsgrond, waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de
                    “voorfase”</al><al>•dus het drinken van alcoholhoudende dranken op bepaalde plaatsen – mogelijk
                    wordt.</al><al>Artikel 2.4.4b legt in de gehele stad het nuttigen van alcohol aan banden indien
                    dat gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde kunnen verstoren, of het
                    woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken. Artikel
                    2.4.4b, lid 2, geeft het college de mogelijkheid om gebieden aan te wijzen als
                    gebied waar het verboden is op straat alcoholhoudende drank te nuttigen, zonder
                    dat er eerst sprake moet zijn van omstandigheden zoals beschreven in lid 1. In
                    artikel 2.4.4b, lid 5 zijn op voorhand gebieden aangewezen – een specifieke
                    gebiedsaanwijzing door het college is niet nodig – waar het verbod geldt. Dit
                    betreft plaatsen waar men op het openbaar vervoer wacht (bus- en tramhalten),
                    taxistandplaatsen en plaatsen waar kinderen verblijven.</al><al>Aldus toegepast kan dit artikel een bijdrage leveren aan het tegengaan van de
                    verloedering van de stad en kunnen gevoelens van onveiligheid worden
                    teruggedrongen.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.4.4c: messen en andere voorwerpen als
                    (steek)wapen</tussenkop><al>Deze bepaling is van toepassing op messen en andere voorwerpen die als
                    (steek)wapen kunnen worden gebruikt. Het artikel heeft ten doel de bescherming
                    van de openbare orde. Door het opnemen van dit specifieke voorschrift kan er
                    handhavend worden opgetreden indien men gevaarlijke voorwerpen als genoemd in
                    dit artikel openlijk bij zich draagt. Tevens kan de burgemeester bij
                    groepsgewijze niet-naleving van dit artikel overgaan tot bestuurlijke ophouding
                    (zie 2.1.8).</al><al>Het tweede lid grenst het verbod af van de op 1 september 1989 in werking
                    getreden Wet wapens en munitie. Deze wet verbiedt ondermeer het dragen van
                    steekwapens op de openbare weg of andere voor het publiek toegankelijke
                    plaatsen, anders dan vervoer (dan wil zeggen: zodanig verpakt dat zij niet voor
                    onmiddellijk gebruik kunnen worden aangewend).</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.4.5: hinderlijk gedrag bij of in
                    gebouwen</tussenkop><al>Dit artikel heeft als doel de overlast te bestrijden, die voortkomt uit het
                    oneigenlijk gebruik van portieken, poorten en gemeenschappelijke ruimtes in
                    particuliere gebouwen door randfiguren, baldadige jongelui, zogenaamde
                    hangjongeren e.d. Over dergelijke vormen van overlast wordt regelmatig
                    geklaagd.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.4.5a:hinderlijk gedrag op pleinen</tussenkop><al>Dit artikel heeft als doel de overlast te bestrijden, die voortkomt uit het
                    oneigenlijk gebruik van schoolpleinen of speelpleinen door randfiguren,
                    baldadige jongelui, zogenaamde hangjongeren e.d. Over dergelijke vormen van
                    overlast wordt regelmatig geklaagd. Indien dit hinderlijk gedrag op andere
                    plaatsen en pleinen voordoen, kunnen burgemeester en wethouders deze locaties
                    als zodanig aanwijzen, zodat het verbod ook deze locaties geldt.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.4.5b:overig hinderlijk gedrag</tussenkop><al>Deze bepaling geeft mogelijkheden om de openbare orde en veiligheid beter te
                    reguleren tijdens typische “feesten”, zoals tussen kerstmis en de
                    jaarwisseling.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.4.6:gedrag in voor publiek toegankelijke
                    ruimten</tussenkop><al>In de praktijk blijkt de verstrekking respectievelijk de verlening van
                    (bepaalde) goederen en diensten in de openbare sfeer nogal eens te worden
                    bemoeilijkt doordat ter plekke geregeld sprake is van baldadigheden en van
                    andere vormen van overlast. Een voorbeeld daarvan is de dienstverlening in
                    postkantoren. Het komt geregeld voor dat de zogenaamde zelfbedieningsruimten in
                    postkantoren – ruimten die in beginsel dag en nacht geopend zijn voor het
                    verrichten van eenvoudige postale handelingen door het publiek – door jongeren,
                    zwervers en junks als verblijfplaats worden gekozen.</al><al>Dit heeft dan vaak vervuiling en vernieling van het gebouw tot gevolg, terwijl
                    bezoekers worden verhinderd ongestoord gebruik te maken van de
                    TPG-diensten.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.4.6a:neerzetten van fietsen e.d.</tussenkop><al>Dit artikel komt uit de modelverordening</al><al>Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met
                    een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van
                    diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om overlast. </al><al>Het neerzetten van fietsen tegen panden die niet door de eigenaren van de
                    voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen hinder of schade
                    kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. Dit artikel biedt de
                    mogelijkheid hiertegen op te treden. </al><tussenkop>Toelichting artikel 2.4.6b: overlast van fiets of bromfiets op markt en
                    kermisterrein e.d.</tussenkop><al>Dit artikel komt uit de modelverordening </al><al>Op grond van het RVV 1990 kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van bepaalde
                    wegen worden geweerd. De achtergrond hiervan is het verkeersbelang, hetzij de
                    verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer.</al><al>Dat moet op de in het reglement voorgeschreven wijze ter kennis van de
                    weggebruiker worden gebracht.</al><al>Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieën weggebruikers te
                    weren. Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op
                    terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het
                    college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein
                    gedurende die tijd. </al><al>In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk. Regenjassen worden besmeurd,
                    nylonkousen sneuvelen. Het verbod moet wel aan de bezoekers van het terrein
                    worden kenbaar gemaakt. </al><tussenkop>Toelichting artikel 2.4.7: bespieden van personen</tussenkop><al>Met deze bepaling wordt beoogd ongemerkte en door iedereen als ongewenst ervaren
                    verstoring van de privacy te verbieden. Toepassing van het artikel zal alleen in
                    excessieve situaties plaatsvinden; de politie zal in het algemeen pas optreden
                    als burgers klachten hebben geuit over voyeurs.</al><tussenkop>Toelichting artikelen 2.4.9 t/m 2.4.12: honden/verontreiniging door
                    honden/gevaarlijke honden</tussenkop><al>Het behoeft nauwelijks betoog dat overlast door honden maatschappelijk als
                    probleem wordt ervaren. De “hondenoverlast” scoort hoog op de ladder van grote
                    ergernissen. Daarbij gaat het om vervuiling van de stad door hondenuitwerpselen,
                    maar ook om agressief gedrag van (loslopende) honden. De onderhavige bepalingen
                    zijn er op gericht de hondenbezitter op zijn primaire verantwoordelijkheid aan
                    te spreken. Niet de politie of toezichthouders, maar degene die de hond onder
                    zijn hoede heeft, dient er voor te zorgen dat anderen zo min mogelijk last van
                    die hond ondervinden.</al><al>Het strikte aanlijngebod, behoudens de losloopgebieden, is gehandhaafd gebleven.
                    Door deze “fysieke” koppeling van hond en eigenaar is er bij controle op de
                    naleving van de voorschriften in beginsel steeds iemand aanspreekbaar.</al><al>Het beteugelen van agressief gedrag van honden wordt gediend door een kort
                    aanlijngebod of in extreme gevallen door een muilkorfverplichting. Met
                    betrekking tot de pitbullhonden kan van gemeentewege geen regeling meer worden
                    getroffen, omdat sinds 1 februari 1993 de Regeling agressieve dieren van kracht
                    is (Staatscourant 1993 nr. 11). In die regeling zijn expliciete bepalingen over
                    pitbulls opgenomen.</al><al>De overlast door hondenuitwerpselen is voornamelijk het gevolg van
                    onverschilligheid of laksheid van degene onder wiens hoede honden op de openbare
                    weg lopen of verblijven. De hondeneigenaar kan de overtreding teniet doen door
                    het zelf verwijderen van de uitwerpselen van zijn dier. Daarvoor bestaan in de
                    handel allerlei handige hulpmiddelen.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.4.13: houden van hinderlijke of schadelijke
                    dieren</tussenkop><al>Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet
                    kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare gezondheid
                    dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Voor de meer incidentele overlast
                    (“de haan van de buurman”) kan het eerste lid van artikel 2.4.13 worden
                    gehanteerd. In meer algemene zin kan het college plaatsen aanwijzen, waar naar
                    hun oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de
                    volksgezondheid veroorzaakt. Het college is bevoegd bij een aanwijzing nadere
                    regels te geven inzake het houden van dieren.Tevens wordt in dit verband nog
                    gewezen op de Flora en Faunawet, waarin regels worden gegeven ter bescherming
                    van dieren. </al><tussenkop>Toelichting artikel 2.4.15:loslopend vee of pluimvee</tussenkop><al>Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren
                    verkeersongelukken doordat een paard, koe of een ander dier uit een weiland is
                    gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te
                    voorkomen is daarom op haar plaats.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.4.16: ongedierte</tussenkop><al>Dit artikel heeft betrekking op ongedierte dat in een pand aanwezig is.</al><al>Door de aanwezigheid van ratten en muizen kan veel overlast veroorzaakt worden.
                    Dit artikel bepaalt dat het college voorschriften kan uitvaardigen waardoor de
                    overlast weggenomen wordt.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.4.17: Bedelarij</tussenkop><al>Dit artikel vloeit voort uit de APV Rotterdam en wordt in Schiedam opgenomen ter
                    voorkoming van het zogenaamde “uitwaaiereffect”. Plaatsen waar bedelarij nu al
                    voorkomt, hetgeen als onveilig wordt ervaren, zijn de binnenstad en
                    openbaarvervoer knooppunten. In het kader van de gemeentelijk beleid strekkende
                    tot reducering van onveiligheid wordt het bedelverbod in de APV vastgelegd.</al><tussenkop>Paragraaf 5 Bepalingen ter bestrijding van heling van
                    goederen</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting paragraaf 5:</tussenkop><al>In deze paragraaf zijn de zogenaamde “helingbepalingen” opgenomen. Deze
                    bepalingen waren voorheen ondergebracht in de inmiddels ingetrokken Verordening
                    op de opkoperij.</al><al>De misdrijven heling en diefstal hangen nauw met elkaar samen. Diefstal wordt
                    namelijk in veel gevallen vooral door heling aantrekkelijk gemaakt. Uit een
                    oogpunt van diefstalpreventie en van misdaadbestrijding in het algemeen is het
                    aanpakken van de heling dan ook een voorname eis.</al><al>Het Wetboek van Strafrecht (Sr.) bevat enkele bepalingen die het oog hebben op
                    de bestrijding van heling. Dat zijn de artikelen 416, 417, 417bis, 417ter, 437,
                    437bis, 437ter en 437quarter. Bij de wet van 9 oktober 1991 (Stb. 520) zijn de
                    helingbepalingen uit het Wetboek van Strafrecht gewijzigd en
                    gemoderniseerd.</al><al>De wijziging van de helingbepalingen in het Wetboek van Strafrecht heeft voor de
                    gemeente het gevolg dat deze geen nadere voorschriften met betrekking tot het
                    inkoopregister meer kan geven nu daarin door hogere regelgeving wordt voorzien.
                    De gemeente is wel bevoegd regels op te stellen voor het bijhouden van een
                    verkoopregister. De grondslag voor deze bevoegdheid is artikel 149 van de
                    Gemeentewet.</al><al>De controle van de politie eb eventuele andere betrokken functionarissen zal
                    zich moeten toespitsen op die branches waarin relatief veel gestolen goederen
                    verhandeld worden en waarin relatief veel notoire helers voorkomen (de antiek-,
                    (brom)fiets- en autohandel).</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.5.5: handel in horecabedrijf</tussenkop><al>Artikel 2.5.5 – dat is gebaseerd op artikel 149 van de Gemeentewet – sluit aan
                    op het bepaalde in artikel 11 van de Drank- en horecawet. Daarin is het verbod
                    neergelegd tot het in horeca-inrichtingen uitoefenen van de kleinhandel in
                    andere goederen dan drank. Dit verbod heeft overigens slechts betrekking op
                    verkoophandelingen. Het enkele te koop aanbieden of overdragen van goederen valt
                    daar niet onder. Deze handelingen kunnen wel onder artikel 2.5.5 worden
                    gebracht.</al><al>In het onderhavige artikel is elke handel (inclusief de directe aanbieding en
                    levering) aan de bestrijding van helingactiviteiten door onder meer
                    drugsverslaafden en andere personen, die niet direct als handelaar in de zin van
                    artikel 2.5.1 kunnen worden gekwalificeerd.</al><tussenkop>Paragraaf 7 Vuurwerk en carbid</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting paragraaf 7:</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting paragraaf 7: </tussenkop><al>Deze paragraaf geeft regels omtrent het bezigen van consumentenvuurwerk rond en
                    tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Besluit van 22 januari 2002,
                    houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk
                    (verder: Vuurwerkbesluit). De bepalingen van de artikelen 2.7.1 (definities) en
                    2.7.3 (bezigen van vuurwerk) zijn overgenomen uit de modelverordening en vloeien
                    voort uit de algemene raadsbevoegdheid om de verordeningen te maken die in het
                    belang van de gemeente nodig worden geacht (artikel 149 Gemeentewet). Artikel
                    2.7.3 vormt een aanvulling op de uniforme regels met betrekking tot het afsteken
                    van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling, zoals gesteld in het
                    Vuurwerkbesluit. </al><al>De vergunningplicht voor verkooppunten van consumentenvuurwerk was geregeld in
                    artikel 2.7.2, maar is komen te vervallen omdat de vuurwerkvergunning op grond
                    van de APV ten opzichte van de veiligheidseisen op grond van het Vuurwerkbesluit
                    weinig tot geen meerwaarde bleek te hebben. </al><al>Het Vuurwerkbesluit strekt tot integrale herziening van het Vuurwerkbesluit Wet
                    milieugevaarlijke stoffen waarbij zowel de regelgeving voor consumentenvuurwerk
                    als die voor professioneel vuurwerk in één algemene maatregel van bestuur wordt
                    geïntegreerd. Het Vuurwerkbesluit beoogt de gehele keten van het invoeren dan
                    wel vervaardigen of assembleren, verhandelen, uitvoeren, opslaan, bewerken en
                    afsteken van vuurwerk te reguleren, met inbegrip van bepaalde
                    vervoershandelingen met vuurwerk. De regels ten aanzien van het vervoer van
                    vuurwerk zijn gesteld ter uitwerking van artikel 3 van de Wet vervoer
                    gevaarlijke stoffen (Wvgs).</al><al>Het Vuurwerkbesluit kent regels voor zowel consumentenvuurwerk als professioneel
                    vuurwerk. De regels inzake professioneel vuurwerk zijn voor deze afdeling niet
                    relevant. Het Vuurwerkbesluit kent voor de verkoop en afsteken van
                    consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling een aantal uniforme regels: </al><lijst><li nr="•"><al>een verbod om consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan een
                            particulier (artikel 2.3.2 lid 1); </al></li><li nr="•"><al>dit verbod geldt niet op 29, 30 en 31 december met dien verstande dat
                            als een van deze dagen een zondag is het verbod eveneens op die zondag
                            geldt, in welk geval het verbod om vuurwerk ter beschikking te stellen
                            dan niet geldt op 28 december (artikel 2.3.2 lid 2); </al></li><li nr="•"><al>een verbod per levering meer dan tien kilogram consumentenvuurwerk aan
                            een particulier ter beschikking te stellen (artikel 2.3.3); </al></li><li nr="•"><al>een verbod om consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter
                            beschikking te stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte die
                            voldoet aan de in bijlage 1 gestelde voorschriften en de door het
                            bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.2.3 gestelde nadere eisen
                            (artikel 2.3.4); </al></li><li nr="•"><al>een verbod om consumentenvuurwerk bedrijfsmatig ter beschikking te
                            stellen aan personen die jonger zijn dan zestien jaar (artikel 2.3.5);
                        </al></li><li nr="•"><al>een verbod vuurwerk tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan
                            tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 2.00 uur van het daarop
                            volgende jaar (artikel 2.3.6). </al></li></lijst><al>Om vuurwerk te verkopen dient aan een aantal strenge (inrichtings-, opslag-en
                    afstands)eisen te worden voldaan. Verkoop tot 1000 kg dient te worden gemeld,
                    boven 1000 kg is een milieuvergunning vereist (waarbij boven 10.000 kg de
                    provincie het bevoegde bestuursorgaan is). De voor verkoop benodigde
                    vuurwerkbunker is bouwvergunningplichtig. Vuurwerkverkooppunten worden bij
                    oplevering en vervolgens elk jaar voor de verkoopdagen in ieder geval
                    gecontroleerd door milieudienst en brandweer.</al><tussenkop>Toelichting Artikel 2.7.1: Definitie consumentenvuurwerk</tussenkop><al>Voor de omschrijving van het begrip consumentenvuurwerk is aansluiting gezocht
                    bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in
                    dit besluit als volgt gedefinieerd: ‘vuurwerk dat is bestemd voor particulier
                    gebruik’ (artikel 1.1.1. lid 1). Consumentenvuurwerk dient te voldoen aan
                    welomschreven productveiligheidseisen, zoals uitgewerkt in de Regeling Nadere
                    eisen vuurwerk (Stcrt. 243, 1997). </al><al>Als consumentenvuurwerk wordt in ieder geval aangemerkt vuurwerk dat is bestemd
                    voor particulier gebruik (artikel 1.1.2 Vuurwerkbesluit)n indien :
                        <onderstreept>a</onderstreept>. het tot ontbranding wordt gebracht door een
                    particulier; <onderstreept>b</onderstreept>. het te koop wordt aangeboden of ter
                    beschikking wordt gesteld aan, gekocht of besteld door een particulier;
                        <onderstreept>c</onderstreept>. het aangetroffen wordt bij een particulier;
                        <onderstreept>d</onderstreept>. het binnen het grondgebied van Nederland
                    wordt gebracht of voorhanden wordt gehouden met het oogmerk het aan
                    particulieren ter beschikking te stellen of <onderstreept>e</onderstreept>. het
                    is voorzien van de aanduiding: geschikt voor particulier gebruik. </al><al>Het Vuurwerkbesluit is ingevolge artikel 1.1.3. niet van toepassing op:
                        <onderstreept>a</onderstreept>. vuurwerk waarvoor regels zijn gesteld bij
                    het Warenwetbesluit Speelgoed, zoals klappertjes voor speelgoedpistolen;
                        <onderstreept>b</onderstreept>. vuurwerk dat bij de Nederlandse krijgsmacht,
                    bij de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid of bij de politie
                    in gebruik is of beheer is; </al><al><onderstreept>c</onderstreept>. vuurwerk dat in het kader van internationaal
                    vervoer per zeeschip of vliegtuig binnen het grondgebied van Nederland wordt
                    gelost of rechtstreeks wordt overgeladen naar een ander zeeschip
                    onderscheidenlijk vliegtuig. </al><al>Fop- en schertsvuurwerk is een aparte groep consumentenvuurwerk, genoemd in
                    bijlage 1 van de Regeling Nadere eisen aan vuurwerk. Het gaat hierbij onder meer
                    om boobytraps, sterretjes, knalbonbons, confettibommen, trektouwtjes, Bengaalse
                    lucifers en Bengaalse handfakkels. Aan al deze voorwerpen worden eisen gesteld
                    aan de lading. De lading van fop- en schertsvuurwerk is (veel) kleiner dan de
                    lading van overig consumentenvuurwerk. De voorschriften opgenomen in bijlage 1
                    van het Vuurwerkbesluit zijn niet van toepassing, indien er binnen de inrichting
                    niet meer dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk aanwezig is. Op grond van artikel
                    2.3.7 van het Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het hele jaar door
                    verkrijgbaar en kan het ook gedurende het hele jaar worden afgestoken. </al><tussenkop>Toelichting artikel 2.7.2: verkoop vuurwerk</tussenkop><al>In dit artikel werd de vergunningplicht geregeld voor verkooppunten van
                    consumenten vuurwerk, tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen
                    verkoopdagen. Deze verkoopvergunning wordt door veel gemeenten gebruikt om,
                    naast regulering via het bestemmingsplan en milieuwetgeving, een
                    spreidingsbeleid van verkooppunten te voeren en om het aantal verkooppunten en
                    bijbehorende opslag te reguleren (limiteren). In Schiedam is besloten van de
                    vergunningplicht af te stappen, omdat deze ten opzichte van de twee genoemde
                    reguleringsinstrumenten (en bouw- en brandveiligheidseisen ten aanzien van de
                    bouw van voor vuurwerkverkoop benodigde opslagbunkers) weinig tot geen
                    meerwaarde oplevert. </al><al>In de periode dat met beleid een zekere spreiding van verkooppunten werd
                    betracht, is de noodzakelijkheid van spreiding niet gebleken. In bepaalde
                    gevallen bleek concentratie van verkooppunten vanuit openbare orde en
                    veiligheidsoptiek juist goed te werken. Uit jurisprudentie is bovendien gebleken
                    dat de APV niet het juiste middel is om spreiding te genereren. De teneur die
                    uit de rechtspraak naar voren komt is dat gemeenten niet de openbare orde mogen
                    gebruiken om zaken ruimtelijk te regelen, want daar dient een bestemmingsplan in
                    te voorzien. Weigeringen op grond van APV-vuurwerkbeleid houden vaak geen stand.
                    Bij het laten vervallen van de vergunningplicht is voor wat betreft het aantal
                    punten en de spreiding uitgegaan van marktwerking (naar een ‘levensvatbaar’
                    aantal bedrijven) en de vermoedelijke trek van verkooppunten naar de
                    bedrijventerreinen (waar veel opslag- en parkeerruimte is en sprake is van goede
                    bereikbaarheid en minder strenge eisen wegens het ontbreken van nabijgelegen
                    woningen). Tot slot is de handhaving van ‘vroegtijdig’ afsteken afdoende
                    geregeld in het Vuurwerkbesluit, waardoor het uitzonderen van bepaalde gevoelige
                    locaties in de stad voor vuurwerkverkoop niet nodig is.</al><tussenkop>Koopzondag</tussenkop><al>In de Nota van toelichting bij het Vuurwerkbesluit wordt bij de toelichting op
                    artikel 2.3.2 de koopzondag uitdrukkelijk uitgesloten als verkoopdag.
                    Consumentenvuurwerk mag niet op zondag worden verkocht. Het verbod geldt ook in
                    die gevallen waarin de binnen de wettelijke termijn vallende zondag door de
                    gemeente is aangewezen als zondag waarop winkels open mogen zijn.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.7.3: bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                    jaarwisseling</tussenkop><al>In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af
                    te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari
                    02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk
                    wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het
                    vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding
                    daarvan in de Nederlandse volkscultuur. Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen
                    op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen zijn waar het afsteken van
                    consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar moet worden geacht
                    (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met rieten daken, in
                    winkelstraten, bij dierenasiels enz.). Het eerste lid van dit artikel geeft het
                    college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van
                    consumentenvuurwerk altijd verboden is. Het college heeft in de Nota
                    vuurwerkbeleid Schiedam (vastgesteld in 2002, herzien in 2009) een aantal
                    gevoelige locaties benoemd, namelijk in de buurt van verpleeg-, verzorgings-en
                    ziekenhuizen en het dierenasiel.</al><al>Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van
                    consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of
                    een volksverzameling.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.7.4:bezigen van carbid</tussenkop><al>Carbidschieten is folklore in het oosten van het land. Een enkele keer, vooral
                    tijdens de jaarwisseling komt carbidschieten ook in dit gedeelte van het land
                    voor. Het is een risicovolle sport, die misschien op afgelegen weilanden, onder
                    bepaalde omstandigheden, zonder al te veel gevaar kan worden beoefend maar in
                    beginsel niet in de bebouwde kom. Aangezien carbid niet onder de
                    vuurwerkregeling valt is het gewenst een verbod met een ontheffingsmogelijk in
                    de algemene plaatselijke verordening op te nemen.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.8.1: Bestuurlijke ophouding</tussenkop><al>Bovenstaande bepaling is gebaseerd op – een uitwerking van – artikel 154a van de
                    Gemeentewet. Dit artikel voorziet in de bevoegdheid van de burgemeester om bij
                    grootschalige ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal 12 uur op te
                    houden op een door de burgemeester aangewezen plaats. Het vervoer naar de plaats
                    van ophouding is hieronder begrepen. Bij grootschalige ordeverstoringen moet
                    gedacht worden aan situaties als risicowedstrijden in het betaald voetbal, uit
                    de hand lopende demonstraties, krakersrellen en rellen tijdens de jaarwisseling.
                    De toepassing van het bestuursrechtelijke instrument bestuurlijke ophouding
                    vereist een bepaling in de APV waarin de raad de burgemeester de bevoegdheid
                    geeft om bij groepsgewijze niet-naleving van specifieke voorschriften
                    bestuurlijke op te houden. Artikel 2.1.8 voorziet hierin. De voorwaarden
                    waaronder bestuurlijke ophouding kan worden toegepast zijn vastgelegd in artikel
                    154a Gemeentewet.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2.9.1: veiligheidsrisicogebieden</tussenkop><al>Op grond van artikel 151b van de Gemeentewet kan de raad de burgemeester bij
                    verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de
                    officier van justitie de controlebevoegdheden genoemd in de artikelen 50, 51 en
                    52 van de Wet wapens en munitie kan uitoefenen. Het gaat om controlebevoegdheden
                    om binnen het aangewezen gebied vervoermiddelen te onderzoeken, een ieder aan
                    kleding te onderzoeken en/of om te vorderen dat verpakkingen die men bij zich
                    draagt worden geopend.</al><al>De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt
                    dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van
                    wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Over deze feiten
                    en omstandigheden wordt de burgemeester geïnformeerd door de korpschef.</al><al>De aanwijzing als veiligheidsgebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die
                    niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk
                    voor de handhaving van de openbare orde. Alvorens de burgemeester een besluit
                    neemt overlegt hij hierover met de officier van justitie en de districtschef
                    (Bestuurlijk Justitieel Overleg).</al><al>Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde:</al><lijst><li nr="•"><al>feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring
                            van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij vrees
                            voor het ontstaan daarvan;</al></li><li nr="•"><al>zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang
                            en het individuele belang van de burgers (privacy);</al></li><li nr="•"><al>subsidiariteit en proportionaliteit;</al></li><li nr="•"><al>breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van
                            leefbaarheid en veiligheid.</al></li></lijst><al>In artikel 151b van de Gemeentewet en de bijbehorende toelichting worden de
                    voorwaarden voor het aanwijzen van veiligheidsrisicogebieden beschreven.</al><tussenkop>Paragraaf 10 Verblijfsontzeggingen</tussenkop><tussenkop>Toelichting artikel 2.10.1 : Verblijfsontzegging</tussenkop><al>Dit artikel komt uit de APV Rotterdam en is enerzijds opgenomen ter voorkoming
                    van het waterbedeffect, maar anderzijds om effectief te kunnen optreden tegen de
                    aanpak van verloedering van buurten en wijken.</al><tussenkop>TOELICHTING HOOFDSTUK 3</tussenkop><tussenkop>PROSTITUTIE, KANSSPELEN EN DRUGS</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 1 Prostitutie</tussenkop><al>Als gevolg van de Wet van 28 oktober 1999 (Staatsblad 1999, 464) is op l oktober
                    2000 artikel 250bis van het Wetboek van Strafrecht vervallen en is artikel
                    250ter gewijzigd en vernummerd tot artikel 250a dat zal luidt als volgt:</al><al>1.Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde
                    categorie wordt gestraft:</al><al><onderstreept>a.</onderstreept> degene die een ander door geweld of een andere
                    feitelijkheid of door bedreiging met geweld dwingt dan wel door misbruik van uit
                    feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding beweegt zich
                    beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde
                    tegen betaling, dan wel onder voornoemde omstandigheden enige handeling
                    onderneemt waarvan hij of zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die
                    ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar
                    stelt;</al><al><onderstreept>b.</onderstreept> degene die een persoon aanwerft, meeneemt of
                    ontvoert met het oogmerk die persoon in een ander land ertoe te brengen zich
                    beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde
                    tegen betaling;</al><al><onderstreept>c.</onderstreept> degene die een ander ertoe brengt zich
                    beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde
                    tegen betaling, dan wel ten aanzien van een ander enige handeling onderneemt
                    waarvan hij of zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich
                    daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt, terwijl die
                    ander minderjarig is;</al><al><onderstreept>d.</onderstreept> degene die opzettelijk voordeel trekt uit
                    seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij
                    weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich onder de onder a
                    genoemde omstandigheden beschikbaar stelt tot het plegen van die
                    handelingen;</al><al><onderstreept>e.</onderstreept> degene die opzettelijk voordeel trekt uit
                    seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, indien die
                    ander minderjarig is;</al><al><onderstreept>f.</onderstreept> degene die een ander door geweld of een andere
                    feitelijkheid of door bedreiging met geweld dwingt dan wel door misbruik van uit
                    feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding beweegt hem
                    of haar uit de opbrengst van zijn of haar seksueel handelingen met -een derde te
                    bevoordelen.</al><al>2.De schuldige wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren
                    of geldboete van de vijfde categorie, indien:</al><al><onderstreept>a.</onderstreept> de feiten, omschreven in het eerste lid, worden
                    gepleegd door twee of meer verenigde personen;</al><al><onderstreept>b.</onderstreept> de minderjarige de leeftijd van zestien jaren
                    nog niet heeft bereikt;</al><al><onderstreept>c.</onderstreept> geweld of een andere feitelijkheid als bedoeld
                    in het eerste lid zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. </al><al>3.De feiten, omschreven in het eerste lid, gepleegd door twee' of meer verenigde
                    personen onder de omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, onder b en c,
                    worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van
                    de vijfde categorie.</al><al>De wetswijziging wordt veelal aangeduid als de opheffing van het algemeen
                    bordeelverbod. Strikt bezien zou de aanduiding (algemeen) 'souteneurverbod'
                    daarop beter van toepassing zijn:</al><al>strafbaar volgens artikel 250bis als misdrijf, en volgens artikel 432, onder 30,
                    als overtreding- was namelijk het exploiteren van prostitutie als zodanig,
                    waaronder prostitutie die werd uitgeoefend in een inrichting (bordeel). Gelet op
                    de gangbaarheid van de aanduiding, zal de wetswijziging hieronder evenwel worden
                    aangeduid als 'opheffing algemeen bordeelverbod'.</al><al>De wetswijziging heeft bovendien tot gevolg dat een nieuw artikel wordt
                    toegevoegd aan de Gemeentewet, artikel 151a:</al><al>De raad kan een verordening vaststellen waarin voorschriften worden gesteld met
                    betrekking tot het bedrijfsmatig geven van gelegenheid tot het verrichten van
                    seksuele handelingen met een derde tegen betaling.</al><al>Met de opheffing van dit verbod streeft de wetgever de volgende zes
                    hoofddoelstellingen na:</al><lijst><li nr="1."><al>beheersen en regulering van exploitatie van prostitutie;</al></li><li nr="2."><al>verbetering van de bestrijding van exploitatie van onvrijwillige
                            prostitutie;</al></li><li nr="3."><al>bescherming van minderjarigen tegen seksueel misbruik;</al></li><li nr="4."><al>bescherming van de positie van prostituees;</al></li><li nr="5."><al>ontvlechting van criminaliteit en seksindustrie;</al></li><li nr="6."><al>terugdringing van (de exploitatie van) prostitutie door personen zonder
                            geldige verblijfstitel.</al></li></lijst><al>Gevolg van de wetswijziging is dat, uit hoofde van het Wetboek van Strafrecht,
                    niet langer het exploiteren van prostitutie in algemene zin strafbaar is, maar
                    nog slechts het exploiteren van onvrijwillige prostitutie (door geweld,
                    bedreiging met geweld, misbruik van overwicht, of misleiding) en van prostitutie
                    door minderjarigen. </al><al>Voor zover dat bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) dan wel bij of
                    krachtens gemeentelijke verordening is bepaald, is verder het exploiteren van
                    prostitutie door personen zonder een geldige verblijfstitel verboden.</al><al>Anders gezegd, is het exploiteren van prostitutie die vrijwillig wordt
                    uitgeoefend door meerderjarigen met een geldige verblijfstitel voortaan dus een
                    legale beroepsuitoefening en inkomensverwerving. De gemeente kan daarover bij
                    verordening voorschriften vaststellen. Deze bevoegdheid is gebaseerd op het
                    bepaalde in de artikelen 149 en 151a van de Gemeentewet. </al><al>In Schiedam is gekozen om qua systematiek aan te sluiten bij de bestaande
                    exploitatievergunningen voor horeca-inrichtingen.</al><al>Gelet op de uitzonderlijke situatie in deze branche en de zes
                    hoofddoelstellingen, zoals deze door de wetgever zijn geformuleerd, zijn de
                    regels specifiek op de prostitutiebranche toegespitst en voor zover nodig
                    aangescherpt.</al><tussenkop>Begripsomschrijvingen</tussenkop><tussenkop>Toelichting artikel 3.1.1: Begripsbepaling prostitutie</tussenkop><al>Het betreft hier een nadere precisering van een aantal in de tekst van de
                    verordening gebruikte definities.</al><tussenkop>3.1.1, sub a en b; prostitutie en prostituee</tussenkop><al>Deze omschrijving van het begrip "prostitutie" is afgeleid van de definitie in
                    artikel 250a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Om taalkundige redenen
                    zijn de termen "derde" en "betaling" uit de definitie in het Wetboek van
                    Strafrecht in deze definitie vervangen door resp. "ander" en "vergoeding".
                    Seksuele dienstverlening zoals in een erotische massagesalon wordt op grond van
                    deze definitie aangemerkt als prostitutie.</al><al>3.1.1, sub c; <cursief>seksinrichting</cursief></al><al>Het begrip "seksinrichting" is het centrale begrip voor deze verordening.
                    Seksinrichtingen zijn er in verschillende varianten. Daarom is in deze definitie
                    bewust gekozen voor een algemene omschrijving. Die omschrijving sluit aan bij
                    het spraakgebruik en in diverse rechterlijke uitspraken gehanteerde definities
                    (zie onder andere: Pres. Rb Amsterdam 24 januari 1997; Awb 96/12338 GEMWT; niet
                    gepubliceerd). De belangrijkste vereisten in deze definitie zijn de publieke
                    toegankelijkheid, bedrijfsmatige exploitatie en de seksuele handelingen.</al><al>Hierna zullen deze elementen nader worden toegelicht. Ook wordt ingegaan op de
                    regelgeving die van toepassing is op sekswinkels.</al><al>In de definitie is gekozen voor de term "besloten ruimte", omdat dit meer omvat
                    dan het begrip "gebouw".</al><al>Onder besloten ruimte wordt ook begrepen een vaar- of een voertuig. Het
                    bijvoeglijk naamwoord "besloten" duidt er op dat de ruimte zich niet in de open
                    lucht bevindt. Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of gedeeltelijk door
                    wanden omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking voor het publiek
                    toegankelijk is.</al><al>Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen zijn in deze omschrijving
                    uitdrukkelijk genoemd. Dit om discussie te voorkomen over de vraag of dit type
                    inrichting als seksinrichting dient te worden aangemerkt.</al><al>Dit zijn: (raam)prostitutiebedrijven, erotische-massagesalons, seksbioscopen,
                    seksautomatenhallen, sekstheaters of parenclubs. Sommige van deze begrippen
                    behoeven wellicht nadere toelichting. Onder een prostitutiebedrijf worden niet
                    alleen bordelen en clubs begrepen, maar ook andere ruimten waarin prostitutie
                    plaatsvindt, zoals zogenaamde prostitutiehotels die speciaal aan prostituees
                    voor korte tijd kamers verhuren.</al><al>Onder raamprostitutiebedrijf dient te worden verstaan een inrichting met één of
                    meer ramen van waarachter de prostituee tracht de aandacht van passanten op zich
                    te vestigen. Een seksbioscoop is een inrichting waarin hoofdzakelijk vertoningen
                    van erotisch-pornografische aard worden gegeven door middel van audiovisuele
                    apparatuur. Dit is in afwijking van een seksautomatenhal, waarin dergelijke
                    vertoningen van erotisch-pornografische aard worden gegeven door middel van
                    automaten en van een sekstheater, waarin deze vertoningen anders dan door middel
                    van audiovisuele apparatuur of automaten –met andere woorden "live"- worden
                    gepresenteerd. Voor zowel de seksbioscoop, de seksautomatenhal als het
                    sekstheater geldt dat daarin hoofdzakelijk voorstellingen van
                    erotisch-pornogra-fische aard worden gegeven. Een café bijvoorbeeld, waarin
                    incidenteel een stripteaseoptreden plaatsvindt, dient derhalve niet als
                    "sekstheater" te worden aangemerkt. Zo’n optreden moet echter worden beschouwd
                    als een evenement (een "voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak"),
                    waarvoor een en ander geregeld is in paragraaf 2 van Hoofdstuk 2 (zie
                    bijvoorbeeld artikel 2.2.2. en 2.2.5).</al><al>Indien er prostitutie plaatsvindt in woningen, de zogenaamde privé-huizen,
                    worden deze woningen niettemin als seksinrichting aangemerkt als er twee
                    prostituees of meer werkzaam zijn. Dergelijke privé-huizen worden geacht "voor
                    publiek toegankelijk" te zijn; klanten wordt immers toegang verschaft. </al><al>Om een duidelijk onderscheid te maken tussen het hiervoor genoemde publieke en
                    private domein, is bovendien het vereiste van bedrijfsmatige –of daarop gelijke-
                    wijze van exploitatie in de definitie opgenomen.</al><al>De vraag of sprake is van bedrijfsmatige exploitatie is afhankelijk van
                    verschillende factoren, zoals de organisatiegraad van de inrichting, de omvang
                    van het prostitutieaanbod (hoeveel prostituees zijn er werkzaam?), de wijze van
                    klantenwerving (uithangborden, advertenties?) etc..</al><al>Indien er sprake is van slechts één prostituee, die in zijn of haar eigen woning
                    werkt en er in deze woning slechts één werkplek is, wordt dit in beginsel niet
                    als bedrijfsmatige exploitatie aangemerkt. Deze uitzondering voor thuiswerksters
                    is echter geen automatisme en zal in elk geval niet worden gemaakt indien de
                    thuiswerkster onderdeel uitmaakt van een (escort) organisatie of indien de
                    woning door uithangborden en verlichting het karakter heeft van een
                    seksinrichting.</al><al>De toevoeging van het begrip "voor publiek toegankelijk" is van belang,
                    aangezien volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad de gemeenteraad zijn
                    bevoegdheid overschrijdt, wanneer hij handelingen verbiedt die in geen enkel
                    opzicht een openbaar karakter hebben en in geen enkel opzicht betrekking hebben
                    op de openbare orde. Kort samengevat luidt het standpunt van de Hoge Raad over
                    het element van openbaarheid in de gemeentelijke verordeningen als volgt:</al><lijst><li nr="•"><al>indien een handeling of toestand strafbaar wordt gesteld, die
                            zintuiglijk vanaf een openbare plaats waarneembaar is, dan is voldaan
                            aan het vereiste van openbaarheid;</al></li><li nr="•"><al>indien een handeling of toestand wordt gesteld, die voornamelijk van een
                            ander erf of vanuit een ander goed waarneembaar is, dan wordt onder
                            omstandigheden aangenomen dat is voldaan aan het vereiste van
                            openbaarheid;</al></li><li nr="•"><al>indien van het voorgaande geen sprake is, maar de aard en de omvang van
                            de gevolgen van de handeling of toestand (mede gelet op de plaatselijke
                            omstandigheden) zodanig kunnen zijn dat zij een gevaar betekenen voor de
                            openbare orde, zedelijkheid of gezondheid, dan heeft de verboden
                            handeling of toestand een terugslag hebben op openbare belangen en is
                            mitsdien voldaan aan het vereiste van openbaarheid. In een arrest van 10
                            oktober 1975 overwoog de Hoge Raad dat een bepaling in de Rotterdamse
                            APV inzake de sluiting van bordelen bleef binnen de grenzen van artikel
                            168 gemeentewet (oud) "daar met de sluiting van een perceel (.....), ook
                            in gevallen waarin (......) de verboden handelingen elk karakter van
                            openbaarheid missen, de openbare orde kan zijn gediend".</al></li></lijst><al>Voorgaande geldt onverkort ook voor sekswinkels. In principe worden winkels via
                    het bestemmingsplan geregeld. Voor de openingstijden is het regime van de
                    Winkeltijdenwet van toepassing. Zie ook artikel 3.1.8.</al><al>Indien het echter een sekswinkel betreft waar tevens seksuele handelingen worden
                    verricht, dient er een vergunning voor een seksinrichting, ingevolge het
                    bepaalde in deze paragraaf, te worden aangevraagd.</al><al>3.1.1, sub d; <cursief>escortbedrijf</cursief></al><al>Een escortbedrijf is een bedrijf dat -meestal telefonisch- bemiddelt tussen
                    klanten en prostituees. De prostituee bezoekt de klant, of gaat met de klant
                    naar een andere plaats. Een escortbedrijf is geen inrichting. Het kan een
                    kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale, of zelfs een website op
                    Internet. Een escortbedrijf biedt de services actief aan door middel van
                    advertenties en andere reclame-uitingen. Uiteraard kan er ook sprake zijn van
                    een combinatie van een seksinrichting en een escortservice. In dat geval dient
                    dit uitdrukkelijk op de aanvraag te zijn vermeld en zal de vergunning op beide
                    activiteiten betrekking hebben.</al><al>3.1.1, sub g; <cursief>bezoeker</cursief></al><al>Andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen
                    noodzakelijk is, zijn personen die de inrichting direct moeten kunnen betreden
                    voor het uitvoeren van noodzakelijke reparatie- of onderhoudswerkzaamheden,
                    zoals bijvoorbeeld een installatiemonteur in het geval van een gaslek.</al><tussenkop>Toelichting artikel 3.1.2: nadere regels</tussenkop><al>De doelstellingen van de wetgever, zoals deze in de gemeentelijke beleidsnota
                    verder vorm zijn gegeven, hebben geresulteerd in een aantal nadere regels, die
                    op alle seksinrichtingen en escortbedrijven van toepassing zijn.</al><tussenkop>Toelichting artikel 3.1.3: vergunningverplichting</tussenkop><al>Een vergunning is vereist als een seksinrichting wordt geëxploiteerd, of als de
                    seksinrichting, dan wel de wijze van exploitatie wordt gewijzigd. Als de
                    exploitant veranderingen aanbrengt aan de inrichting of een nieuwe beheerder
                    aanstelt, dient een nieuwe vergunning te worden aangevraagd.</al><al>Bij de wijziging van de exploitant dient eveneens een nieuwe vergunning te
                    worden aangevraagd (zie ook artikel 3.1.13). De beslissing op deze aanvraag
                    dient door de nieuwe exploitant te worden afgewacht. Exploitatie vooruitlopend
                    op het besluit van de burgemeester is niet toegestaan.</al><al>Op het indienen van een aanvraag voor een exploitatievergunning zijn de
                    bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Een aanvraag voor
                    een exploitatievergunning dient schriftelijk bij de burgemeester ingediend te
                    worden.</al><al>De vergunningvoorwaarden voor een escortbedrijf zijn anders en voor een deel
                    minder omvattend dan de vergunning voor de overige seksinrichtingen. Reden is
                    dat de activiteiten van een escortbedrijf nu eenmaal niet in een inrichting
                    plaatsvinden.</al><al>Dit is natuurlijk anders indien het escortbedrijf vanuit een kantoor of
                    seksinrichting wordt uitgeoefend. De toetsing van de vergunningaanvraag zal
                    voornamelijk bestaan uit de toetsing van de antecedenten van de exploitant en de
                    beheerder. Aan de vergunning zullen tevens een aantal specifieke voorschriften
                    worden verbonden die verband houden met de exploitatie van een
                    escortbedrijf.</al><al>Zo dienen de exploitant en de beheerders voor de burgemeester aanspreekbaar te
                    zijn (adres en telefoonnummer moeten worden doorgegeven) en mogen de
                    escortbedrijven bij de werving van klanten alleen gebruik maken van de op de
                    vergunning vermelde telefoonnummers.</al><al>In tegenstelling tot de exploitatievergunningen bedoeld in paragraaf 3 van
                    Hoofdstuk 2 van de APV, bestaat voor de onderhavige inrichtingen geen
                    mogelijkheid voor een proefvergunning voor de duur van één jaar. Een
                    exploitatievergunning voor een seksinrichting wordt op grond van artikel 3.1.11.
                    afgegeven voor de duur van één jaar. Indien zich gedurende dat jaar problemen
                    voordoen kan de vergunning onverwijld worden ingetrokken, dan wel kan de nieuwe
                    vergunning geweigerd worden.</al><al>Onder de "aard van de seksinrichting of escortbedrijf" in het tweede lid onder c
                    wordt verstaan dat duidelijk moet worden aangegeven of de aanvraag betrekking
                    heeft op een seksinrichting dan wel een escortbedrijf. </al><al>Ook moet aan de hand van de voorgenomen activiteiten en inrichting duidelijk
                    worden beschreven wat voor een soort seksinrichting of escort het betreft (wel
                    of geen prostitutie? Betreft het een parenclub? Is sprake van een
                    horecagedeelte? Is tevens sprake van een sekstheater of -bioscoop? etc.).</al><al>Bij toepassing van het derde lid geldt als uitgangspunt, dat de in de tijd eerst
                    ingediende vergunningaanvraag in behandeling wordt genomen. Een aanvraag is in
                    behandeling totdat het besluit onherroepelijk is geworden. Tweede en opvolgende
                    vergunningaanvragers voor dezelfde inrichting worden in hun aanvraag
                    niet-ontvankelijk verklaard, tenzij uiteraard de eerste aanvraag wordt
                    ingetrokken.</al><tussenkop>Toelichting artikel 3.1.4 : gedragseisen exploitant en
                    beheerder</tussenkop><al>De opheffing van het bordeelverbod is onder meer gericht op het decriminaliseren
                    van de niet langer strafbare vormen van exploitatie van prostitutie.</al><al>Derhalve vindt, naar analogie van de eisen zoals deze gesteld zijn in artikel
                    2.3.11 van de APV en de Drank- en Horecawet, een antecedententoets van de
                    exploitant en de beheerder plaats.</al><al>Net als in de Drank- en Horecawet kan de aanduiding "in enig opzicht slecht
                    levensgedrag" in het eerste lid onder b meer omvatten dan hetgeen gesteld is in
                    de navolgende leden. Lid 2 t/m 4 geven aan wanneer in ieder geval sprake is van
                    "in enig opzicht slecht levensgedrag". Deze opsomming is niet limitatief.</al><tussenkop>Toelichting artikel 3.1.5: aanwezigheid van een toezicht door de
                    exploitant en beheerder</tussenkop><al>De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is noodzakelijk tijdens de
                    openingsuren van de seksinrichting. Deze bepaling is opgenomen om effectief
                    tegen schijnbeheer op te kunnen treden. De exploitant is te allen tijde
                    verantwoordelijk voor hetgeen zich in en rond de inrichting afspeelt.</al><al>Indien zich in de inrichting strafbare feiten voordoen kan de inrichting door de
                    burgemeester gesloten worden, dan wel de verleende vergunning ingetrokken
                    worden.</al><al>De exploitant en beheerder dienen er tevens op toe te zien dat er geen personen
                    beneden de 18 jaar in de inrichting aanwezig zijn. Voor seksinrichtingen geldt
                    daarmee dezelfde leeftijdsgrens als voor coffeeshops en speelautomatenhallen.
                    Dit voorschrift vergemakkelijkt de handhaafbaarheid van het wettelijke verbod
                    van prostitutie door minderjarigen. Ook bij escortbedrijven hebben de exploitant
                    en beheerder een belangrijke verantwoordelijkheid. Op grond van het bepaalde in
                    het derde lid dienen zij de veiligheid van de prostituees te waarborgen en
                    strafbare feiten in het kader van de uitoefening van het escortbedrijf te
                    voorkomen. Omdat bij escortbedrijven doorgaans geen sprake is van een
                    inrichting, is louter toezicht door aanwezigheid niet mogelijk. Dat betekent dat
                    aan andere vormen van bescherming moet worden gedacht, zoals bijvoorbeeld een
                    (telefonisch) alarmsysteem voor de prostituee.</al><tussenkop>(Jurisprudentie)</tussenkop><al>Aan de vergunning was het volgende voorschrift verbonden: 1. de vergunninghouder
                    is verplicht dagelijks een nauwkeurige registratie bij te houden van de naam,
                    leeftijd, nationaliteit, adres en woonplaats van de bij hem/haar werkzame
                    prostituees; 2. deze registratie dient in de seksinrichting aanwezig te zijn; 3.
                    dienaangaande moeten kopieën van paspoorten of andere wettige
                    identiteitspapieren bij deze administratie bewaard worden; 4. de registratie
                    moet zeven jaar bewaard worden. De Afdeling constateert dat hoofdstuk 3 van de
                    APV “Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d. moet worden
                    aangemerkt als een verordening als bedoeld in artikel 151a, eerste lid, van de
                    Gemeentewet. Het voorschrift mist niet iedere wettelijke grondslag. In rechte
                    moet van de geldigheid van dat voorschrift worden uitgegaan. De burgemeester is
                    bevoegd tot handhaving. ABRS 24-1-2007 (Eindhoven), 200603030, LJN-nr.
                    AZ6851)</al><tussenkop>Toelichting artikel 3.1.6: sluitingstijden</tussenkop><al>Voor seksinrichtingen komen dezelfde openings- en sluitingstijden te gelden
                    zoals die op dit moment in Schiedam voor horecabedrijven gelden, dat wil zeggen:
                    door de week van 07.00 uur tot 01.00 uur en in het weekeinde (vrijdagavond en
                    zaterdagavond) van 07.00 uur tot 02.00 uur (zie artikel 2.3.9).</al><tussenkop>Toelichting artikel 3.1.7: straatprostitutie</tussenkop><al>De wetswijziging tot opheffing van het bordeelverbod heeft geen gevolgen voor de
                    straatprostitutie. Het is echter bij uitstek een vorm van prostitutie die nadere
                    regulering behoeft. Dat is de laatste jaren gebleken, doordat in verschillende
                    gemeenten - vanuit een oogpunt van handhaving met wisselend succes zogenaamde
                    gedoogzones zijn aangewezen.</al><al>Aan de belangen die behoren tot hun "huishouding" ontlenen gemeenten de
                    bevoegdheid tot regulering, ook ten aanzien van straatprostitutie.</al><al>Volgens het Landelijk Overleg Tippelprostitutie (dat zich bezighoudt met de
                    hulpverleningsprojecten voor straatprostituees) komt straatprostitutie in acht
                    gemeenten in Nederland voor (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Groningen,
                    Arnhem, Nijmegen en Heerlen) en gaat het in totaal om vijf procent van de
                    prostituees.</al><al>Volgens het eerste lid is straatprostitutie verboden in Schiedam. De gemeente
                    heeft dan ook geen tippelzones aangewezen.</al><al>Aangenomen wordt dat gemeenten waar tot op heden in het geheel niet wordt
                    getippeld, dit in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat
                    ook moeten kunnen voorkomen.</al><al>Het tweede lid geeft - ter handhaving van het verbod op straatprostitutie –
                    politieambtenaren en toezichthouders de bevoegdheid een bevel tot onmiddellijke
                    verwijdering te geven. De plicht om aan zo'n bevel onmiddellijk gevolg te geven
                    vloeit voort uit artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenals de sanctie
                    op niet-naleving.</al><al>Voor de bevoegdheid om in de APV tippelverboden op te nemen (en tippelzones aan
                    te wijzen en in te richten), kan worden gewezen op HR 23 oktober 1990 (NJ
                    1991/542; Gst. 6926, 4) : de APV-bepaling van de gemeente Groningen waarin het
                    personen van wie redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die zich aan
                    prostitutie overgeven wordt verboden om post te vatten of zich heen en weer te
                    bewegen op door het college aangewezen wegen of openbare plaatsen, werd door de
                    HR niet in strijd geacht met artikel 12 IVBPR (vrijheid van beweging).</al><al>Over een vergelijkbare APV-bepaling in Heerlen, waar het college de gehele
                    gemeente hadden aangewezen voor de gelding van dit verbod, werd door de HR op 6
                    november 1990 (NJ 1991/218; Gst. 6918, 8) geoordeeld dat van strijdigheid met
                    artikel 1 van de Grondwet evenmin sprake was. Het verbod treft weliswaar
                    uitsluitend prostituees; dit gebeurt echter niet in verband met
                    persoonskenmerken, maar vanwege hun activiteiten.</al><tussenkop>Toelichting artikel 3.1.8: tentoonstellen erotisch-pornografische
                    goederen e.d. </tussenkop><al>Dit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer een
                    verbod, maar slechts voorzover het bevoegd bestuursorgaan daaromtrent nader
                    heeft besloten. Hoewel denkbaar is dat deze bepaling in de praktijk vooral zal
                    worden toegepast ten aanzien van sekswinkels, richt zij zich op het
                    tentoonstellen en dergelijke als zodanig; zij kan dus bijvoorbeeld ook
                    betrekking hebben op erotisch-pornografische foto's of afbeeldingen aangebracht
                    aan sekstheaters, bedoeld om de aandacht van het publiek te vestigen op de
                    daarin plaatsvindende voorstellingen.</al><al>Zoals in het tweede lid is aangegeven, kan het bevoegd bestuursorgaan de
                    regulering ter zake gestalte geven door:</al><al>aan de betrokken rechthebbende bekend te maken dat, door de wijze van
                    tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen, de openbare orde of de woon- en
                    leefomgeving in gevaar wordt gebracht; (algemene) regels vast te stellen die in
                    acht moeten worden genomen bij het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van
                    goederen, opschriften en dergelijke als hier bedoeld. Zowel "bekendmaking" als
                    bedoeld onder a, als de vaststelling van "regels" als bedoeld onder b, vormt een
                    besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb: in beide gevallen is
                    er sprake van een besluit - dat zich richt tot een betrokken rechthebbende
                    respectievelijk van algemene strekking is - met het (rechts)gevolg dat een
                    verbod als genoemd in eerste lid, aanhef, van kracht wordt. Tegen zo'n besluit
                    kan dan ook door belanghebbenden bezwaar worden aangetekend.</al><tussenkop>Toelichting artikel 3.1.9: beslistermijn</tussenkop><al>Er wordt hier afgeweken van de standaardtermijn van acht weken die de Awb
                    voorschrijft. In de praktijk (horecavergunning) is gebleken dat de procedure van
                    vergunningverlening niet altijd binnen acht weken is afgerond. Met name de
                    uitgebreide adviesaanvragen kunnen voor enige vertraging zorgen. Slechts voor de
                    aanvragen die niet binnen twaalf weken kunnen worden afgerond dient een
                    verdagingsbesluit genomen te worden.</al><tussenkop>Artikel 3.1.10: weigeringsgronden</tussenkop><al>Naast de algemene weigeringsgronden, zoals gesteld in artikel 1.8, gelden voor
                    seksinrichtingen een aantal specifieke weigeringsgronden. Door opheffing van het
                    bordeelverbod is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing op delen van de
                    prostitutiebranche. Uitgangspunt voor de toepasselijkheid van de Arbo-wet is
                    namelijk het bestaan van een gezagsrelatie tussen werkgever en werknemer. Op
                    zelfstandig werkende prostituees, de freelancers, is de Arbo-wet derhalve niet
                    van toepassing. Wel is ook voor deze groep van gemeentewege een aantal
                    basisnormen opgesteld (met betrekking tot de inrichting en de bedrijfsvoering)
                    ter bevordering van de arbeidsomstandigheden. Deze normen zijn gesteld in het
                    kader van de nadere regels als bedoeld in artikel 3.1.2. De weigeringsgrond
                    genoemd in lid 3 heeft voornamelijk tot doel om bij de vergunningverlening
                    rekening te kunnen houden met misstanden die door de Arbeidsinspectie zijn
                    gesignaleerd en de vergunning zo nodig te weigeren.</al><al>3.1.10 sub 3 a: <cursief>veiligheid van personen of goederen</cursief></al><al>Bij de exploitatie van seksinrichtingen is het van groot belang de
                    (brand)veiligheid te kunnen waarborgen. Voor wat betreft de inrichtingen die
                    zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de Woningwet:</al><al>is het Bouwbesluit van toepassing met het oog op de brandveiligheid van de
                    seksinrichting zelf;</al><al>is de Bouwverordening van toepassing waar het gaat om het gebruik van de
                    seksinrichting zelf.</al><al>Voor seksinrichtingen gelden - naar analogie met de verblijfinrichtingen -
                    bovendien inrichtingseisen die bij nadere regels zijn gesteld.</al><al>3.1.10 sub 3 b: <cursief>gezondheid en zedelijkheid</cursief></al><al>Gezondheid: hier gaat het met name om de behartiging van de positie van de
                    prostituee, voor wat betreft het voorkomen en tegengaan van zogenaamde seksueel
                    overdraagbare aandoeningen, waaronder aids. Het betreft
                    voorlichtingsactiviteiten, laagdrempelige faciliteiten voor wat betreft de
                    toegankelijkheid van de gezondheidszorg en periodiek medische controles voor de
                    prostituees.</al><al>3.1.10 sub 3 c: <cursief>arbeidsomstandigheden</cursief></al><al>Door opheffing van het bordeelverbod is de Arbeidsomstandighedenwet van
                    toepassing op delen van de prostitutiebranche. Uitgangspunt voor de
                    toepasselijkheid van de Arbowet is namelijk het bestaan van een gezagsrelatie
                    tussen werkgever en werknemer. Op zelfstandig werkende prostituees, de
                    freelancers, is de Arbowet derhalve niet van toepassing. Wel is ook voor deze
                    groep van gemeentewege een aantal basisnormen opgesteld (met betrekking tot de
                    inrichting en de bedrijfsvoering) ter bevordering van de arbeidsomstandigheden.
                    Deze normen zijn gesteld in het kader van de nadere regels als bedoeld in
                    artikel 3.1.2.</al><al>Deze weigeringsgrond heeft voornamelijk tot doel om bij de vergunningverlening
                    rekening te kunnen houden met misstanden die door de Arbeidsinspectie zijn
                    gesignaleerd en de vergunning zonodig te weigeren.</al><tussenkop>(Jurisprudentie)</tussenkop><al>De algemene norm, neergelegd in artikel 3.2.2, eerste lid, aanhef en onder b,
                    van de APV, dat de exploitant en de beheerder niet in enig opzicht van slecht
                    levensgedrag zijn, houdt als zodanig geen beperking in van de vrijheid van
                    arbeidskeuze als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Grondwet, aangezien
                    niet gebleken is dat de beperking verder strekt dan noodzakelijk kan worden
                    geacht voor het met de norm beoogde doel, te weten een maatschappelijk
                    verantwoorde beroepsuitoefening. Wel dient er bij de uitleg van de bepaling van
                    de APV van uit te worden gegaan dat geen sprake is van slecht levensgedrag
                    indien het tegenwerpen van de bepaling in het concrete geval leidt tot een
                    onevenredig zware beperking van de vrijheid van arbeidskeuze. ABRS 28-02-2007
                    (Uden), 200603367/1, LJN-nr. AZ9519)</al><tussenkop>Toelichting artikel 3.1.10a: intrekkingsgronden </tussenkop><al>De toelichting bij artikel 2.3.6 APV is overeenkomstig van toepassing. Het derde
                    lid bevat specifieke gronden voor seksinrichtingen.</al><tussenkop>Toelichting artikel 3.1.11: geldigheid vergunning</tussenkop><al>De vergunning wordt verleend voor de duur van één jaar. Mede gelet hierop
                    bestaat er voor de onderhavige inrichtingen geen mogelijkheid voor een
                    proefvergunning. Bij gerede twijfel wordt de vergunning geweigerd.</al><al>Toetsing van de juistheid van de vergunning dient ieder jaar opnieuw plaats te
                    vinden. Dit moment verschaft de burgemeester de mogelijkheid om bijvoorbeeld op
                    beleidsinhoudelijke gronden de vergunning van bepaalde bedrijven, die gedurende
                    de looptijd van de vergunning voor veel klachten hebben gezorgd, geen nieuwe
                    exploitatievergunning te verlenen. Indien zich gedurende het vergunningjaar
                    problemen voordoen kan de vergunning onverwijld worden ingetrokken of gesloten
                    ingevolge het bepaalde in de artikelen 3.1.10a en 3.1.13 van de APV.</al><tussenkop>Toelichting artikel 3.1.12: sluiting seksinrichting</tussenkop><al>Dit artikel sluit aan bij de regeling van de sluiting van een horecabedrijf. </al><tussenkop>Toelichting artikel 3.1.13: beëindiging exploitatie</tussenkop><al>De burgemeester acht het van groot belang om een actueel overzicht te hebben van
                    de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat
                    de exploitatie wordt neergelegd. De vergunning komt dan te vervallen. Ratio
                    hiervan is gelegen in het feit dat de vergunning op grond van het bepaalde in
                    artikel 3.1.3, vierde lid, niet overdraagbaar is.</al><al>Consequentie hiervan is dat een rechtsopvolger van de vertrekkende exploitant
                    niet vrij is om in afwachting van de uitkomst van zijn vergunningaanvraag de
                    exploitatie voort te zetten. In de periode dat de vergunningaanvraag behandeld
                    wordt moet de seksinrichting gesloten zijn, tenzij uiteraard de vertrekkende
                    exploitant de exploitatie pas beëindigd nadat op de nieuwe aanvraag is
                    beslist.</al><tussenkop>Toelichting artikel 3.1.14: wijziging beheer</tussenkop><al>Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van groot belang dat de
                    beheerders bij de gemeente bekend zijn.</al><tussenkop>Paragraaf 2 Kansspelen</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting paragraaf 2: </tussenkop><al>Het opnemen van de artikelen zijn het gevolg van de Algemene wet bestuursrecht,
                    de Wet milieubeheer, de wijziging van titel Va van de Wet op de kansspelen en de
                    vaststelling van het Speelautomatenbesluit 2000. </al><al>Het oude artikel 30 van de Wet op de kansspelen is vervangen door titel Va
                    (artikelen 30 tot en met 30aa) van de Wet op de kansspelen. Titel Va van de Wet
                    op de kansspelen regelt tot in de finesses het systeem van toelatings-,
                    exploitatie- en aanwezigheidsvergunningen waardoor het legaal exploiteren van
                    kansspelautomaten mogelijk wordt gemaakt. Grote lokale verschillen in het beleid
                    laat de wettelijke regeling niet toe. In één opzicht wordt de gemeentelijke
                    overheid een aanmerkelijke beleidsruimte gelaten. De raad heeft ingevolge de
                    regeling de bevoegdheid bij verordening de exploitatie van speelautomatenhallen
                    te regelen. </al><al>Voor de exploitatie, dat wil zeggen het bedrijfsmatig en als eigenaar gebruiken
                    of aan een ander in gebruik geven van een of meer speelautomaten, is een door de
                    minister af te geven exploitatievergunning vereist ingevolge artikel 30h, eerste
                    lid, van de Wet op de kansspelen. </al><al>Voor de opstelling van speelautomaten in bij de wet, artikel 30c, eerste lid,
                    Wet op de kansspelen aangewezen inrichtingen is een aanwezigheidsvergunning
                    vereist, af te geven door de burgemeester. De wet geeft een limitatief aantal
                    plaatsen waar, op basis van een aanwezigheidsvergunning van de burgemeester,
                    speelautomaten mogen worden opgesteld. Deze plaatsen zijn: </al><lijst><li nr="•"><al>horecabedrijven, waar alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse
                            wordt verstrekt (artikel 30c eerste lid, onder a, Wet op de kansspelen
                            juncto artikel 3, eerste lid, onder a en c, Drank- en Horecawet); </al></li><li nr="•"><al>inrichtingen waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is en ingeschreven
                            is bij het bedrijfschap Horeca (artikel 30c, eerste lid, onder b, Wet op
                            de kansspelen); </al></li><li nr="•"><al>een speelautomatenhal (artikel 30c, eerste lid, onder c, Wet op de
                            kansspelen). </al></li></lijst><al>Ten aanzien van speelautomatenhallen voert de gemeente Schiedam een terughoudend
                    beleid. Er wordt maximaal 1 speelautomatenhal in Schiedam toegelaten. Per
                    inrichting is het totale aantal speelautomaten bepaald waarin tevens het aantal
                    kansspelautomaten aan een maximum is gebonden. Voorts is een gebied aangewezen
                    waarbinnen de vestiging van een speelautomatenhal na vergunningverlening
                    toegestaan is.</al><tussenkop>Toelichting artikel 3.2.1a: begripsbepalingen speelautomaat
                    etc.</tussenkop><al>De begripsomschrijving met betrekking tot de speelautomaten behoeven bijzondere
                    aandacht, aangezien begrippen als ‘ondernemer’, ‘beheerder’, ‘speelautomatenhal’
                    etc. niet elders in de APV worden gebruikt. </al><al>In de begripsomschrijving wordt voor wat betreft de omschrijving van een
                    speelautomaat, behendigheidsautomaat en kansspelautomaat aangesloten bij de
                    definitie van deze begrippen zoals die in artikel 30 van de Wet op de kansspelen
                    is gegeven. </al><al>De omschrijving van het begrip speelautomaat wordt gegeven in artikel 30 van de
                    Wet op de kansspelen. De omschrijving van dit begrip is alleen
                    duidelijkheidshalve in de APV opgenomen. De wettekst is gelijkluidend aan de
                    tekst van artikel 3.2.1, onder c, van de APV. De begrippen behendigheidsautomaat
                    en kansspelautomaat zijn in artikel 1 van het Speelautomatenbesluit 2000
                    opgenomen. Ook hier is de wetstekst gelijkluidend aan het artikel 3.2.1, onder d
                    en e.</al><al>In de gewijzigde Wet op de Kansspelen is in artikel 30, uitgewerkt in artikel 1
                    van het Speelautomatenbesluit 2000, het onderscheid tussen hoogdrempelige en
                    laagdrempelige inrichtingen geïntroduceerd. Hoogdrempelige inrichtingen zijn
                    (zie artikel 30, onder d, van de Wet op de kansspelen) inrichtingen: </al><lijst><li nr="•"><al>die over een horecavergunning in de zin van de Drank- en horecawet
                            beschikken; </al></li><li nr="•"><al>waarin het café of restaurant bezoek op zichzelf staat en waar geen
                            andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan
                            worden toegekend; </al></li><li nr="•"><al>waar de activiteiten in belangrijke mate zijn gericht op personen van 18
                            jaar en ouder. </al></li></lijst><al>In artikel 30, onder e, van de Wet op de kansspelen is bepaald dat een
                    inrichting laagdrempelig is indien deze niet hoogdrempelig is. </al><al>De wet stelt verplicht, in artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen,
                    dat bij gemeentelijke verordening wordt aangegeven hoeveel speelautomaten kunnen
                    worden opgesteld in horeca-inrichtingen. Met betrekking tot kansspelautomaten
                    schrijft de Wet op de kansspelen voor dat dit er twee voor hoog- en nul voor
                    laagdrempelige instellingen zijn. </al><al>In de hoogdrempelige inrichtingen mogen drie speelautomaten worden opgesteld
                    waarvan maximaal twee kansspelautomaten. In laagdrempelige inrichtingen mogen
                    eveneens drie speelautomaten worden opgesteld. Hieronder mogen geen
                    kansspelautomaten zijn maar uitsluitend behendigheidsautomaten. </al><tussenkop>Toelichting artikel 3.2.2: vergunning speelautomatenhal </tussenkop><al>De burgemeester kan volgens de Wet op de kansspelen slechts een vergunning voor
                    de exploitatie van een speelautomatenhal afgeven indien daartoe door de raad een
                    verordening is vastgesteld. Bij de vaststelling van de verordening kan de raad
                    niet concreet benoemen voor welke panden een vergunning kan worden verleend. Dit
                    is een exclusieve bevoegdheid van de burgemeester. In het tweede lid wordt het
                    stringente beleid vorm gegeven. In deze bepaling wordt aangegeven dat maximaal
                    één vergunning kan worden verleend. Voor wat betreft het derde lid is van belang
                    de als bijlage bij deze verordening behorende kaart, waarop aangegeven staat
                    voor welke gebieden de burgemeester een vergunning kan verlenen als bedoeld in
                    het eerste lid.</al><al>In artikel 3.2.2, tweede lid, is uitdrukking gegeven aan het voorschrift zoals
                    dat in artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen is gegeven. </al><al>Het overtreden van artikel 3.2.2. wordt ingevolge artikel 6.1 gestraft met
                    hechtenis ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan
                    bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. </al><tussenkop>Toelichting artikel 3.2.3: aanvraag vergunning </tussenkop><al>De ondernemer kan tevens eigenaar en beheerder zijn, maar het is ook mogelijk
                    dat die hoedanigheden niet samenvallen. De bescheiden die moeten worden
                    overgelegd zijn afhankelijk van de concrete situatie die zich voordoet. De onder
                    c bedoelde verklaring kan bijvoorbeeld een huurcontract zijn, waaruit de
                    beschikkingsbevoegdheid blijkt. </al><al>De zedelijkheidseisen en kennis omtrent gokverslaving wegen mee bij de
                    vergunningverlening. Hieraan is uitdrukking gegeven onder d en e. </al><al>Onder d wordt aangeknoopt bij artikel van het 4 Speelautomatenbesluit 2000. De
                    vergunning voor een speelautomatenhal wordt niet verleend aan degene die van
                    niet voldoet aan de daar opgenomen zedelijkheidseisen. </al><al>Onder e wordt gedoeld op het in artikel 5 van het Speelautomatenbesluit 2000,
                    waaruit blijkt dat zij beschikken over voldoende kennis en inzicht met
                    betrekking tot het gebruik van speelautomaten en de daaraan verbonden risico's
                    van gokverslavingkennis. </al><al>Op het indienen van een aanvraag voor een vergunning voor de exploitatie van een
                    speelautomatenhal zijn de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht van
                    toepassing. Een aanvraag voor een vergunning dient schriftelijk te worden
                    ingediend bij de burgemeester. De aanvraag moet worden ondertekend en tenminste
                    de naam, het adres, de dagtekening en een aanduiding van de gevraagde beslissing
                    bevatten. Bovendien dient de aanvraag vergezeld te gaan van alle gegevens die
                    nodig zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen. De burgemeester kan nadere
                    regels stellen omtrent deze gegevens. </al><tussenkop>Toelichting artikel 3.2.4: beslistermijn</tussenkop><al>In artikel 3.2.4 wordt afgeweken van de in de Algemene wet bestuursrecht
                    genoemde “redelijke termijn”. In de praktijk is gebleken dat de procedure tot
                    verlening van dit soort vergunningen in de meeste gevallen niet kan worden
                    afgerond binnen acht weken. Teneinde te voorkomen, dat dan steeds met
                    verdagingsbesluiten moet worden gewerkt, is hier gekozen voor een beslistermijn
                    van twaalf weken. </al><tussenkop>Toelichting artikel 3.2.5: wijziging beheerder </tussenkop><al>Het is voor de burgemeester, de toezichthouders en politieambtenaren niet alleen
                    belangrijk om steeds te weten wie de ondernemer is, maar ook wie de (dagelijks
                    aanspreekbare) beheerder is. Vandaar dat in artikel 3.2.5 is bepaald, dat de
                    ondernemer bij wijziging van de beheerdersfunctie een nieuwe vergunning moet
                    aanvragen. De burgemeester kan zich dan een oordeel vormen over de persoon van
                    de beheerder. Aan de persoon van de beheerder dienen kwaliteitseisen te worden
                    gesteld voor wat betreft hun levenswandel. Ook dienen zij te beschikken over het
                    nodige "gezag" om baas in eigen inrichting te kunnen blijven. In die zin
                    begrepen mag de klant geen koning zijn. Ondernemers van inrichtingen, waarvan de
                    beheerder in gebreke blijft, lopen het ernstige risico, dat hun vergunning door
                    de burgemeester wordt ingetrokken (vgl. artikel 3.2.9). </al><al>Indien een ondernemer de beheerder verliest, hetzij door overlijden, hetzij door
                    vertrek, behoeft de ondernemer de bedrijfsuitoefening niet te staken, indien
                    binnen de aangegeven termijn van acht weken een nieuwe vergunning wordt
                    aangevraagd. Het vervallen van de bestaande vergunning van rechtswege betekent
                    dat belanghebbenden hiertegen geen bezwaar of beroep kunnen aantekenen,
                    aangezien van een beschikking geen sprake is. </al><tussenkop>Toelichting artikel 3.2.6: beëindiging exploitatie</tussenkop><al>De bepaling heeft ten doel om automatische voortzetting van exploitatie van een
                    hal te voorkomen. Bij tussentijds "openvallen" van de exploitatie dient te
                    kunnen worden bepaald in hoeverre voor de betreffende locatie opnieuw vergunning
                    kan/zal worden verleend. Daartoe moet eerst worden overwogen of handhaving van
                    de locatie gewenst is. </al><tussenkop>Toelichting artikel 3.2.7: voorschriften</tussenkop><al>De burgemeester is bevoegd voorschriften aan de vergunning te verbinden. Met de
                    introductie van de meerspelers kan de burgemeester op grond van het bepaalde
                    onder c ook het maximaal aantal spelersplaatsen bepalen. </al><tussenkop>Toelichting artikel 3.2.8: weigeringsgronden vergunning</tussenkop><al>Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder a, levert een weigeringsgrond
                    op, omdat in artikel 3.2.2 een maximumstelsel is opgenomen. Het vereiste onder b
                    dient om een speelautomatenhal duidelijk vanaf de openbare weg voor een ieder
                    herkenbaar te maken. Tevens is het bedoeld om te voorkomen dat in een
                    achteraflokaal van een gebouw - waar bij voorbeeld een horecabedrijf wordt
                    uigeoefend - een speelautomatenhal wordt geëxploiteerd en deze automatenhal mede
                    of uitsluitend via het andere bedrijf bereikbaar zou zijn. Verwezen wordt nog
                    naar de toegangseisen die in artikel 21 van het Speelautomatenbesluit 2000 zijn
                    gesteld, wanneer in een hal zowel kansspel- als behendigheidsautomaten aanwezig
                    zijn. Het criterium openbare orde is niet opgenomen in de APV met betrekking tot
                    de exploitatie van speelautomatenhallen, aangezien de Wet op de kansspelen dit
                    criterium reeds in verband met de weigeringsgronden voor een
                    aanwezigheidsvergunning van speelautomaten noemt. </al><al>De strekking van dit artikel is het afwenden van een ontoelaatbare nadelige
                    beïnvloeding van de leef- en woonsituatie in de naast omgeving van de hal. </al><al>De jurisprudentie op artikel 30 (oud) en 30c van de Wet op de kansspelen geeft
                    aan, dat bij de beoordeling van een vergunningaanvraag voor een
                    speelautomatenhal acht mag worden geslagen op de mogelijke gevolgen voor het
                    woon-, winkel- en leefklimaat. In het bepaalde onder e komt tot uiting dat de
                    vergunning dient te worden geweigerd, wanneer gevreesd moet worden dat de woon-
                    en leefsituatie door de vestiging van een hal nadelig zal worden beïnvloed.
                    Daarbij wordt rekening gehouden met het karakter van de straat en van de
                    wijk/buurt waarin de speelautomatenhal is gelegen of zal komen te liggen. In de
                    beoordeling van de aanvrage wordt de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse
                    reeds blootstaat of bloot zal komen te staan betrokken. Het is ook mogelijk om
                    een vergunning te weigeren, wanneer er sprake is van een aantasten van het
                    karakter van een (deel van een) winkelstraat/-buurt/-centrum. Dit kan bij
                    voorbeeld het geval zijn in een winkelstraat met winkels van een "exclusief"
                    karakter. Door de vestiging van een speelautomaat zal er sprake (kunnen) zijn
                    van een ontoelaatbaar spanningsveld, waardoor een te grote inbreuk mag worden
                    gevreesd op de bestaande functie van de winkelstraat. </al><al>Onder f is als weigeringsgrond opgenomen dat er geen sprake mag zijn van strijd
                    met een geldend bestemmingsplan. In dit verband dient gewezen te worden op de
                    mogelijkheden van vrijstelling of ontheffing die het bestemmingsplan nogal eens
                    biedt, alsook de mogelijkheid van een anticipatieprocedure als bedoeld in
                    artikel 19 van de Wet op de ruimtelijke ordening en artikel 50, achtste lid, van
                    de Woningwet. Deze mogelijkheden beperken de burgemeester niet in de
                    weigeringsmogelijkheid, maar het lijkt een zaak van behoorlijk bestuur om,
                    voordat tot weigering van de vergunning wordt overgegaan, de mogelijkheden van
                    ontheffing, vrijstelling of anticipatie in overweging te nemen. Voor toepassing
                    van deze bepaling wordt handelen op grond van een vrijstelling van het geldende
                    bestemmingsplan beschouwd als handelen in overeenstemming met het geldende
                    bestemmingsplan. Doel van dit lid is de koppeling van de vereiste vergunning met
                    het planologisch regime. Vereist is niet dat de locatie waar vergunning voor
                    wordt gevraagd, in het bestemmingsplan nadrukkelijk is aangewezen als
                    speelautomatenhal; het gaat er "slechts" om, dat een bestemmingsplan de
                    vestiging van een hal niet onmogelijk maakt. Op deze wijze wordt voorkomen dat
                    op basis van deze verordening een vergunning moet worden verleend, terwijl later
                    op grond van strijd met het bestemmingsplan tegen de vestiging moet worden
                    opgetreden. </al><tussenkop>Toelichting artikel 3.2.9: intrekking vergunning
                    speelautomatenhal</tussenkop><al>De in deze bepaling genoemde gronden voor intrekking van een vergunning komen in
                    hoofdzaak overeen met de intrekkingsgronden voor exploitatievergunningen als
                    bedoeld in artikel 2.3.2 , zie in dit verband (de toelichting bij) artikel
                    2.3.6. </al><al>Met betrekking tot de onder b genoemde intrekkingsgrond (intrekking in verband
                    met gewijzigde omstandigheden of inzichten) zij opgemerkt dat bij gebruikmaking
                    daarvan de motivering aan zware eisen dient te voldoen. Het betreft immers
                    omstandigheden waarop de betrokken ondernemer doorgaans geen invloed kan
                    uitoefenen. Voorts mag hij erop vertrouwen dat een aan hem verleende vergunning
                    normaal gesproken in stand blijft temeer gelet op de financiële consequenties. </al><al>Met betrekking tot het onder d gestelde geldt dat een onderbreking van de
                    exploitatie voor een periode langer dan in de bepaling genoemd, niet in alle
                    gevallen aanleiding hoeft te geven om de vergunning in te trekken. Gedacht kan
                    bijvoorbeeld worden aan verbouwingen die langere tijd blijken te vergen. </al><tussenkop>Toelichting artikel 3.2.10: geldigheidsduur vergunning </tussenkop><al>De speelautomatenhalvergunningen had tot nu toe een geldigheidsduur van twee
                    jaren. Dit werd in de vergunning bepaald. Er is voor gekozen de geldigheidsduur
                    van dergelijke vergunningen nu in de verordening te regelen (vgl. ook artikel
                    2.3.10 a betreffende de geldigheidsduur van exploitatievergunningen; deze is 5
                    jaar). Er is gekozen voor een afwijkende termijn van 2 jaar omdat een
                    speelautomatenhal een ander type bedrijf is dan bijvoorbeeld een café of een
                    restaurant.</al><tussenkop>Toelichting artikel 3.2.11: gokken op de openbare weg </tussenkop><al>Deze bepaling is kan worden gehanteerd in het kader van een beleid om
                    verloedering van de openbare ruimte tegen te gaan. Het gaat hierbij om gokken op
                    de openbare weg met kaarten, geld, dobbelstenen of andere voorwerpen (bijv. ook
                    het "balletje-balletjespel"). Er is een duidelijke relatie tussen deze bepaling
                    en bepalingen als artikel 3.3.3 (verzameling van personen in verband met drugs),
                    artikel 2.4.4 (hinderlijk gedrag op of aan de weg), artikel 2.4.4b (openlijk
                    drankgebruik), artikel 2.4.4c (messen en andere voorwerpen als (steek)wapen)
                    artikel 2.4.5 (hinderlijk gedrag bij of in gebouwen), artikel 2.4.5a (hinderlijk
                    gedrag op pleinen) en artikel 2.4.6 (hinderlijk gedrag in voor publiek
                    toegankelijke ruimten). </al><tussenkop>Toelichting artikel 3.2.12: sluiting overlastgevende
                    gokpanden</tussenkop><al>Het motief van de bepaling is de handhaving van de openbare orde en bescherming
                    van de woon- en leefomgeving. Indien door of vanuit gokpanden overlast wordt
                    veroorzaakt of anderszins de openbare orde wordt aangetast, is de burgemeester
                    bevoegd om tot sluiting van dergelijke panden over te gaan. Illegale casino's
                    e.d. kunnen met behulp van artikel 3.2.12 effectief worden bestreden. Het gaat
                    dan in de meeste gevallen om de organisatie van kansspelen zonder toestemming op
                    grond van de Wet op de kansspelen. Indien - zoals in het verleden in Schiedam
                    wel het geval was - buitenstaanders openlijk worden uitgenodigd om hieraan (aan
                    het plegen van strafbare feiten) mee te doen, staat vast, dat zonder meer sprake
                    is van aantasting van de openbare orde (in ruime zin te verstaan). </al><al>Bij de toepassing van deze bepaling ligt intensieve samenwerking tussen
                    burgemeester en openbaar ministerie voor de hand. </al><al>Gokpanden, die tevens als woning in gebruik zijn, kunnen op basis van de APV
                    niet worden gesloten. Daarom zijn in artikel 3.2.12 "woningen" uitgezonderd.
                    Verwezen zij naar de toelichting bij artikel 3.1.1.</al><tussenkop>Paragraaf 3 Drugs</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting paragraaf 3:</tussenkop><al>Vanuit de openbare orde-optiek draagt het gebruik van met name hard drugs en de
                    daarbij behorende randverschijnselen in aanzienlijke mate bij aan de ongewenste
                    verloedering van de stad.</al><al>Voor het gemeentebestuur is het de taak om iets te doen aan de overlastgevende
                    aspecten van gebruik van en handel in drugs.</al><al>Vanwege de geringere (gezondheids-)risico’s is het gebruik van cannabisproducten
                    in onze maatschappij minder omstreden. Dat neemt niet weg dat de onduidelijkheid
                    ten aanzien van de zogeheten coffeeshops tot onwenselijke situaties en een
                    zekere wildgroei heeft geleid. Toezicht en handhaving bleken in de praktijk
                    moeilijk uitvoerbaar.</al><al>In oktober 1997 is daarom het Schiedamse coffeeshopbeleid vastgesteld. Kern is
                    registratie van de cannabisverkopende horecabedrijven, en een jaarlijkse
                    meldingsplicht. Voor coffeeshops – die immers per definitie horecabedrijven zijn
                    – is een exploitatievergunning (artikel 2.3.2 APV) verplicht. Echter, voor deze
                    categorie bedrijven geldt een beperkte geldigheidsduur (één jaar). Tevens wordt
                    in de vergunning verwezen naar het gedoogbeleid voor cannabisverkoop. Een
                    coffeeshop is gedefinieerd als een alcoholvrij horecabedrijf waarin tegen
                    vergoeding cannabisproducten worden aangeboden of verstrekt voor gebruik ter
                    plaatse of elders. In deze horecabedrijven wordt, binnen de marges aangegeven in
                    het regeringsbeleid en de Richtlijnen opsporings- en strafvorderingsbeleid
                    inzake strafbare feiten van de Opiumwet, de verkoop van cannabisproducten
                    gedoogd en zij worden als zodanig geregistreerd. Dit impliceert tevens dat
                    eventuele toekomstige wijzigingen of aanpassingen van deze richtlijnen zullen
                    doorwerken in het lokale beleid ten aanzien van de coffeeshops.</al><al>Coffeeshops dienen zich bij de exploitatie te houden aan de zogeheten
                    AHOJ-G-plus-criteria. Die houden, kort samengevat, in:</al><lijst><li nr="1."><al>allereerst dat de houder van de coffeeshop dient te beschikken over een
                            geldige, bijzondere exploitatievergunning, de zogenaamde
                            “coffeeshopvergunning”;</al></li><li nr="2."><al>alcoholvrij: geen verkoop of gebruik van alcohol in enige vorm;</al></li><li nr="3."><al>afficheringsverbod: geen reclame (onverhoeds confrontatie);</al></li><li nr="4."><al>harddrugsverbod: geen aanwezigheid en/of verkoop harddrugs;</al></li><li nr="5."><al>overlastverbod: geen overlast voor de directe omgeving;</al></li><li nr="6."><al>jeugdigen: geen verkoop en toegang aan jongeren onder de 18 jaar;</al></li><li nr="7."><al>grote hoeveelheden: maximaal 5 gram per persoon, per dag;</al></li><li nr="8."><al>handelsvoorraad: maximaal 500 gram.</al></li></lijst><al>Voor een meer uitgebreide toelichting op het coffeeshopbeleid wordt verwezen
                    naar de beleidsnotitie Coffeeshopbeleid Schiedam.</al><tussenkop>Toelichting artikel 3.3.1: sluiting drugsoverlastgevende
                    panden</tussenkop><al>Vervallen i.v.m.. inwerkingtreding artikel 13b Opiumwet.</al><tussenkop>Toelichting artikel 3.3.2: verkoop drugs </tussenkop><al>Artikel 3.3.2 beoogt een instrument te bieden in de strijd tegen de overlast,
                    welke wordt veroorzaakt door het op geregelde tijdstippen en op bepaalde
                    plaatsen of routes aanbieden en aannemen van verdovende middelen, met name hard
                    drugs. Het artikel is zó geredigeerd dat het er niet toe doet of
                    privaatrechtelijk sprake is van koop of verkoop, schenking e.d. De vraag rijst
                    wanneer “redelijkerwijs kan worden aangenomen dat”. Dat dient te blijken uit
                    ervaringsfeiten en concrete omstandigheden, zoals het aanspreken van
                    voorbijgangers, het waarnemen van transacties, het ruziën tussen aanbieders en
                    afnemers, etc.</al><tussenkop>Toelichting artikel 3.3.3: verzameling van personen in verband met
                    drugs</tussenkop><al>Met behulp van dit artikel kan de burgemeester gericht optreden tegen een
                    verzameling van personen in verband met drugs en verloedering van buurten,
                    wijken etc. tegengaan dan wel voorkomen.</al><tussenkop>Toelichting artikel 3.3.4:</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop>Toelichting artikel 3.3.5: openlijk drugsgebruik</tussenkop><al>Veel druggebruikers gebruiken hun (hard)drugs – of treffen daartoe
                    voorbereidingen – in het openbaar. Op basis van artikel 3.3.5 kan de politie
                    overgaan tot aanhouding van de betrokken gebruikers of deze van bepaalde plekken
                    wegsturen. Ook kan de politie de voorwerpen waarmee de overtreding wordt
                    gepleegd (hulpmiddelen, drugs) strafrechtelijk in beslag nemen. </al><tussenkop>Toelichting artikel 3.3.6: weggooien van spuiten</tussenkop><al>Artikel 3.3.6 verbiedt het zich ontdoen van spuiten e.d. die bij gebruik van
                    (hard) drugs worden gehanteerd. Ook het weggooien van spuiten in afvalbakken is
                    op grond van artikel 3.3.6 niet toegestaan vanwege de risico’s voor mensen die
                    in afvalbakken graaien of deze ambtshalve moeten legen.</al><al>TOELICHTING HOOFDSTUK 4</al><al>BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK
                    AANZIEN VAN DE GEMEENTE</al><tussenkop>Paragraaf 1 Geluid- en lichthinder</tussenkop><tussenkop>Toelichting artikel 4.1.1: begripsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Inrichtingen</tussenkop><al>Per 1 januari 2008 is het Besluit horeca- sport en recreatie-inrichtingen
                    milieubeheer (BHR) ingetrokken. Daar is het Besluit algemene regels voor
                    inrichtingen milieubeheer in de plaats gekomen (BARIM). De APV dient hierop te
                    worden aangepast om verschillende redenen. Niet alleen is de juridische
                    grondslag voor de besluitvorming gewijzigd, ook inhoudelijk bestaan grote
                    verschillen tussen het BHR en BARIM. Was het BHR alleen van toepassing op horeca
                    en aanverwante bedrijven, het BARIM is van toepassing op een veel breder scala
                    aan bedrijven en inrichtingen. De volgende AMvB's zijn door het BARIM vervangen:
                    Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer, Besluit detailhandel en
                    ambachtsbedrijven milieubeheer, Besluit horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen milieubeheer, Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen
                    milieubeheer, Besluit jachthavens, Besluit opslag- en transportbedrijven
                    milieubeheer, Besluit tandartspraktijken milieubeheer, Besluit tankstations
                    milieubeheer, Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer, Besluit
                    voorzieningen en installaties milieubeheer, Besluit woon- en verblijfsgebouwen
                    milieubeheer, Besluit opslaan in ondergrondse tanks.</al><al>In artikel 2.3.1 2.3.2. en 2.3.3. is al een onderscheid aangebracht tussen
                    vergunningplichtige horecabedrijven en vergunningvrije horecabedrijven en
                    activiteiten. De bepalingen van deze afdelingen gelden voor deze
                    vergunningplichtige en vergunningvrije bedrijven. Reden waarom dat in de
                    begripsbepaling van dit artikel is opgenomen.</al><tussenkop>Houder van de inrichting</tussenkop><al>Het begrip “houder van de inrichting” heeft dezelfde betekenis als in het
                    besluit.</al><al>Voor de omschrijving van collectieve en incidentele festiviteiten wordt verwezen
                    naar de motivering bij de artikelen 4.1.2 en 4.1.3 van de APV.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.1.2: aanwijzing collectieve feestdagen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het verdient aanbeveling het college jaarlijks – in samenspraak met de
                    plaatselijke horeca – vast te laten stellen op welke data de desbetreffende
                    voorschriften niet van toepassing zijn.</al><al>In het BARIM wordt maximum gesteld voor het aantal collectieve festiviteiten.
                    Gemeenten zijn derhalve vrij om het maximum aantal dagen te bepalen waarvoor de
                    voorschriften niet gelden. Dat betekent dat het college beter rekening kan
                    houden met de geplande festiviteiten, zoals Koninginnedag, kermis, carnaval enz.
                    Er bestaat uiteraard wel behoefte om vooraf een bepaald maximum aantal aan te
                    wijzen festiviteiten vast te stellen. In dit artikel is het maximum vastgesteld
                    op 10 incidentele en 12 collectieve festiviteiten.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Een voorbeeld van een collectieve festiviteit in het licht van het tweede lid is
                    een sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan mee doen.</al><al>Ook hier verdient het aanbeveling het college jaarlijks – in samenspraak met de
                    plaatselijke sportverenigingen – vast te laten stellen op welke data de
                    betreffende voorschriften niet van toepassing zijn.</al><al>Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen naar
                    het eerste lid.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Het college maakt het aantal aangewezen collectieve festiviteiten minstens vier
                    weken voor de aanvang van het nieuwe jaar bekend. Daar een dergelijke aanwijzing
                    een besluit van algemene strekking is, dienen de bekendmakingen van artikel 3:42
                    Awb in acht te worden genomen.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Wanneer er een feest plaatsvindt dat niet was te voorzien, bijvoorbeeld wanneer
                    de plaatselijke voetbalvereniging kampioen is geworden, heeft het college de
                    bevoegdheid dit feest terstond aan te wijzen als een collectieve festiviteit
                    waardoor de voorschriften van het Besluit niet van toepassing zijn.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.1.3: kennisgeving incidentele
                    festiviteiten</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of slechts een klein
                    aantal inrichtingen gebonden is zoals een optreden met levende muziek bij een
                    café, een jubileum of een straatfeest. In het besluit is bepaald dat het maximum
                    aantal incidentele festiviteiten waarvoor de voorschriften niet gelden 10 per
                    jaar betreft. Het betreft een maximum: de raad heeft de bevoegdheid om, rekening
                    houdend met de plaatselijke omstandigheden, het aantal te verlagen. In het
                    onderhavige artikel dient de raad in de verordening te bepalen hoeveel
                    incidentele festiviteiten er maximaal per inrichting in de gemeente zijn
                    toegestaan. Het maximum is gesteld op 10.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Dit voorschrift is gesteld voor sportverenigingen die buiten de reguliere
                    competities en trainingen, gebruik willen maken van hun lichtinstallatie.</al><al>Bij een incidentele festiviteit kan gedacht worden aan een veteranentoernooi of
                    een “vroege vogels-toernooi”. In dit voorschrift is bepaald dat het maximum
                    aantal incidentele festiviteiten waarvoor het voorschrift niet geldt, 12 per
                    jaar betreft. Zie voorts de toelichting bij het eerste lid.</al><tussenkop>Derde en vierde lid</tussenkop><al>Het college dient minimaal twee weken voor de aanvang van de festiviteit met een
                    kennismakingsformulier op de hoogte gesteld te worden van de festiviteit. </al><al>Uit de formulering van het eerste en tweede lid volgt dat wanneer de houder van
                    de inrichting geen kennisgeving heeft gedaan en desondanks een festiviteit
                    houdt, deze niet kan worden beschouwd als een incidentele festiviteit op grond
                    van het besluit. Omdat er dan geen sprake is van een incidentele festiviteit
                    dient voldaan te worden aan alle in het Besluit horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen milieubeheer (Besluit) gestelde voorschriften.</al><al>De termijn voor het indienen van een kennisgeving stelt het college in staat te
                    beoordelen op welke wijze de houder van de inrichting zoveel mogelijk overmatige
                    geluidhinder dan wel lichthinder tracht te voorkomen. </al><al>Hiertoe kunnen zij gegevens vragen over:</al><lijst><li nr="a."><al>voorzieningen die binnen de inrichting moeten worden aangebracht;</al></li><li nr="b."><al>gedragsregels die binnen de inrichting in acht moeten worden
                            genomen;</al></li><li nr="c."><al>de periode van openstelling van de gehele inrichting, een terras, een
                            parkeerterrein of een ander gedeelte van de inrichting.</al></li></lijst><al>Deze gegevens kunnen het stellen van nadere eisen vereenvoudigen. </al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Wanneer er in een inrichting een festiviteit plaatsvindt die redelijkerwijs niet
                    te voorzien was, bijvoorbeeld wanneer iemand in de lotto “de honderdduizend”
                    gewonnen heeft, heeft het college de bevoegdheid dit feest terstond aan te
                    wijzen als incidentele festiviteit waardoor de voorschriften van het besluit,
                    zonder dat daartoe een kennisgeving is gedaan, niet van toepassing zijn.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.1.4: verboden incidentele feestdagen</tussenkop><al>Indien blijkt dat door een op zichzelf op basis van het Besluit toegestane
                    festiviteit de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de
                    openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed, kan de burgemeester de
                    festiviteit verbieden. De burgemeester heeft deze (autonome) bevoegdheid op
                    grond van artikel 174 van de Gemeentewet, waarbij is bepaald dat de burgemeester
                    is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben
                    op het toezicht op de voor publiek openstaande gebouwen. Dat de raad de
                    bevoegdheid heeft het Besluit met een autonome bepaling aan te vullen vloeit
                    voort uit artikel 121 en 149 van de Gemeentewet. In de toelichting bij het
                    Besluit is expliciet vermeld dat de APV aanvullende voorschriften kan bevatten
                    vanuit openbare orde motieven.</al><al>Het hoeft geen betoog dat de burgemeester niet ongeclausuleerd gebruik kan maken
                    van deze bevoegdheid. Er moet steeds concreet worden gemotiveerd waarom de
                    festiviteit tot een zo grote verstoring van de openbare orde of het woon- en
                    leefklimaat leidt dat een verbod geboden is. Steeds moet bedacht worden dat het
                    Besluit als uitgangspunt hanteert dat van eenmaal aangewezen dagen in beginsel
                    gebruik moet worden gemaakt.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.1.5: geluidhinder</tussenkop><al>Artikel 4.1.5 is een “kapstokbepaling” voor het bestrijden van geluidhinder in
                    gevallen die niet onder een andere regeling te vangen zijn. Aan een dergelijk
                    ‘vangnet’-artikel blijft behoefte bestaan. Het artikel is met name van belang on
                    de niet-inrichtinggebonden – veelal incidentele – activiteiten aan een
                    ontheffingenstelsel te binden.</al><al>Artikel 4.1.5 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin wetten niet
                    voorzien. Onder andere valt te denken aan:</al><lijst><li nr="•"><al>een niet permanente activiteit, in een niet-besloten ruimte zoals een
                            kermis, een braderie, een rally, een straatfeest, enz.; </al></li><li nr="•"><al>het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of
                            muziek maken of mededelingen doen; </al></li><li nr="•"><al>het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; </al></li><li nr="•"><al>het gebruik van diverse bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen,
                            trilhamers en heistellingen;</al></li><li nr="•"><al>het met apparatuur, machines etc. werken in de (late) avond- en
                            nachturen en tijdens de weekend. Het daardoor waarneembare geluidniveau
                            wordt tijdens deze uren als geluidhinder ervaren, terwijl tijdens
                            werkdagen overdag het geluidniveau als normaal wordt beschouwd.</al></li><li nr="•"><al>het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjaren, enz., enz.</al></li></lijst><al>Voorts kunnen onder artikel 4.1.5 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt
                    door het beoefenen van ‘lawaaiige’ hobbies, het voortdurend bespelen van
                    muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro-akoestische apparatuur, het laten
                    draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz.</al><al>In beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom
                    moeten nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van
                    geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen.</al><al>Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als
                    zijnde onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard.</al><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met
                    voorschriften.</al><tussenkop>Paragraaf 2 Afvalstoffen</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting paragraaf 2:</tussenkop><al>De afvalstoffenverordening is integraal opgenomen in de APV en heeft betrekking
                    op die bepalingen die worden gesteld voor het beheer van huishoudelijke en
                    andere afvalstoffen. Op grond van artikel 10.23 Wet Milieubeheer (Wm) zijn
                    gemeenten verplicht een afvalstoffenverordening vast te stellen in het belang
                    van de bescherming van het milieu. Artikel 10.24 Wm schrijft de verplichte
                    inhoud van de afvalstoffenverordening voor. Artikel 10.25 Wm somt een aantal
                    onderwerpen op die facultatief in de afvalstoffenverordening kunnen worden
                    opgenomen. Ook wanneer de afvalstoffenverordening wordt opgenomen in de APV,
                    zoals in onderhavig geval, blijft de grondslag van dit onderdeel de Wet
                    milieubeheer.</al><al>Waar in deze paragraaf gesproken wordt over artikel uit de APV wordt steeds de
                    model-APV bedoeld. </al><tussenkop>Overige wetgeving</tussenkop><al>Met betrekking tot de inzameling van afvalstoffen zijn - voor de gemeente en
                    derden - ook andere wetten en verordeningen van belang. Wij noemen de Wet
                    milieubeheer (milieuvergunning), de bouwverordening (bouwvergunning) en de APV
                    (plaatsen voorwerpen op of aan de openbare weg).</al><tussenkop>Opbouw van deze paragraaf </tussenkop><tussenkop>Paragraaf 1: Algemene bepalingen</tussenkop><al><vet>Paragraaf 2:</vet> Inzameling van huishoudelijke afvalstoffen (regels over
                    inzameldienst, andere </al><al>inzamelaars en houders van een inzamelvergunning en de inzamelstructuur; geen
                    regels voor het ter inzameling aanbieden van afvalstoffen door de burger)</al><al><vet>Paragraaf 3:</vet> Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
                    (regels voor de burger over de aanbieding van huishoudelijke afvalstoffen)</al><al><vet>Paragraaf 4:</vet> Inzameling van bedrijfsafvalstoffen</al><al><vet>Paragraaf 5:</vet> Zwerfafval</al><al><vet>Paragraaf 6:</vet> Overige onderwerpen die deze paragraaf aangaan</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.1: Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>(Voormalig artikel 4.2.1.1 model-APV)</al><tussenkop>Definities uit de Wet milieubeheer(Wm)</tussenkop><al>In dit artikel zijn alleen die begripsomschrijvingen opgenomen die specifiek
                    zijn voor deze verordening. Relevante begrippen die reeds in artikel 1.1 van de
                    Wet milieubeheer (hierna te noemen Wm) zijn omschreven, worden, voor zover bij
                    de omschrijving in de wet wordt aangesloten, niet in dit artikel herhaald.
                    Daarbij gaat het om de volgende begrippen.</al><al><vet>Afvalstoffen</vet>: Alle stoffen, preparaten of andere producten die
                    behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr.
                    75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975
                    betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te
                    ontdoen of zich moet ontdoen.</al><al><vet>Doelmatig beheer van afvalstoffen</vet>: Zodanig beheer van afvalstoffen
                    dat daarbij rekening wordt gehouden met het geldende afvalbeheerplan, dan wel de
                    voor de vaststelling van het plan geldende bepalingen, dan wel de
                    voorkeursvolgorde aangegeven in artikel 10.4, en de criteria, genoemd in artikel
                    10.5, eerste lid.</al><al><vet>Huishoudelijke afvalstoffen</vet>: Afvalstoffen afkomstig uit particuliere
                    huishoudens, behoudens voor zover het afgegeven of ingezamelde bestanddelen van
                    die afvalstoffen betreft, die zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstoffen.</al><al><vet>Bedrijfsafvalstoffen</vet>: Afvalstoffen, niet zijnde huishoudelijke
                    afvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.</al><al><vet>Gevaarlijke afvalstoffen</vet>: Bij ministeriële regeling als zodanig
                    aangewezen afvalstoffen, met inachtneming van ter zake voor Nederland
                    verbindende verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.</al><al><vet>Afvalbeheerplan</vet>: Het afvalbeheerplan, bedoeld in 10.3. (nb. LAP
                    2002-2012)</al><al><vet>Afvalstoffenverordening</vet>: De verordening, bedoeld in 10.23.</al><al><vet>Beheer van afvalstoffen</vet>: Inzameling, vervoer, nuttige toepassing of
                    verwijdering van afvalstoffen.</al><al><vet>Nuttige toepassing</vet>: De handelingen die zijn genoemd in bijlage II B
                    bij richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15
                    juli 1975 betreffende afvalstoffen.</al><al><vet>Verwijdering</vet>: De handelingen die zijn genoemd in bijlage II A bij
                    richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli
                    1975 betreffende afvalstoffen.</al><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><tussenkop>a. Grof huishoudelijk afval</tussenkop><al>Het begrip huishoudelijke afvalstoffen omvat ook grof huishoudelijk afval. Onder
                    grof huisafval worden verstaan ‘huishoudelijke afvalstoffen die te groot en te
                    zwaar zijn om op dezelfde wijze als de andere huishoudelijke afvalstoffen aan de
                    inzameldienst te worden aangeboden’.</al><tussenkop>b. Inzamelen</tussenkop><al>Het begrip ‘inzamelen’ is gedefinieerd om uitdrukkelijk vast te leggen dat er
                    sprake is van een brede omschrijving. Hiervoor is gekozen om recht te doen aan
                    het feit dat een gemeentelijke inzamelstructuur steeds meer bestaat uit zowel
                    haal- als brengvoorzieningen op verschillende niveaus. Om te kunnen beoordelen
                    of het verlenen van een inzamelvergunning in strijd is met de gemeentelijke
                    inzamelstructuur, moet dan ook naar dat geheel van haal- en brengvoorzieningen
                    worden gekeken. Ook voor het innemen van huishoudelijke afvalstoffen in een
                    winkel, of een brengvoorziening voor textielafval, is een inzamelvergunning
                    nodig (tenzij sprake is van een aanwijzing op grond van artikel 7, tweede lid -
                    zie de toelichting bij artikel 7). Bovendien maakt een bredere omschrijving van
                    het begrip inzamelen de veelheid van termen uit de vorige modelbepalingen (‘aan
                    te bieden of over te dragen’, ‘achterlaten’, etc.) overbodig. Wel is een
                    ondergrens aangebracht: voordat sprake kan zijn van inzamelen, dienen de
                    afvalstoffen ter inzameling te worden aangeboden. Voor de omschrijving van het
                    begrip ‘ter inzameling aanbieden’ geldt dezelfde brede invulling met betrekking
                    tot haal- en brengvoorzieningen, nu van de kant van degene die zich van afval
                    wenst te ontdoen.</al><tussenkop>i. Gebruiker van een perceel</tussenkop><al>De omschrijving ‘gebruiker van een perceel’ sluit aan bij de begripsomschrijving
                    in de VNG-modelverordening reinigingsheffingen. Deze is opgenomen om te kunnen
                    bepalen dat alleen diegenen die in de gemeente betalen voor de inzameling van
                    huishoudelijke afvalstoffen, gebruik mogen maken van de inzamelvoorzieningen
                    (zie de toelichting bij artikel 13).</al><tussenkop>j. Straatafval, zwerfafval en illegale dumping</tussenkop><al>Straatafval wordt gedefinieerd als “huishoudelijke afvalstoffen van zeer
                    beperkte omvang en gewicht, zoals proppen, papier, sigarettenpeuken, kauwgom,
                    plastic bekertjes en blikjes, verpakkingsmateriaal, etenswaren, niet zijnde
                    klein chemisch afval, ontstaan buiten een perceel”.</al><al>De Wet milieubeheer voorziet niet in een definitie van het begrip zwerfafval.
                    Dit heeft te maken met het feit dat het begrip in de praktijk weinig problemen
                    oplevert, terwijl een juridisch sluitende definitie moeilijk te geven is. In het
                    Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) en het Convenant verpakkingen III, deelconvenant
                    zwerfafval is wel een definitie opgenomen:</al><al>“Zwerfafval is afval dat door mensen bewust of onbewust is weggegooid of
                    achtergelaten op plaatsen die daar niet voor bestemd zijn of door indirect
                    toedoen of nalatigheid van mensen op zulke plaatsen terecht is gekomen. Dit
                    afval bestaat voornamelijk uit verpakkingsmateriaal van consumpties (blikjes,
                    flesjes, wikkels, patatbakjes), sigarettenpeuken, kauwgomresten en allerhande
                    gebruiksgoederen als kranten, folders en tissues”.</al><al>Het verschil tussen straatafval en zwerfafval is dat straatafval, dat niet in
                    een prullenmand wordt achtergelaten, maar in de openbare ruimte terecht komt,
                    zwerfafval wordt (zie ook artikel 26 van deze verordening).</al><al>Onder zwerfafval wordt ook niet verstaan illegale dumping van afval. In
                    tegenstelling tot bij zwerfafval, gaat het bij illegale dumping niet om een of
                    enkele restanten van consumptie, maar om grotere hoeveelheden afval
                    (bijvoorbeeld met een volume van tenminste en plastic tas). Bovendien gaat het
                    niet om afval dat uit nalatigheid of gemakzucht wordt achtergelaten of
                    weggegooid. De ontdoener kiest er namelijk zeer bewust voor om het afval niet
                    via de daarvoor geëigende manier af te voeren, maar om het onbeheerd achter te
                    laten in de openbare ruimte. Het kan zowel huishoudelijk als bedrijfsafval zijn
                    Veel voorkomend illegaal gedumpt afval is huisvuil, tuinafval, fietswrakken,
                    accu’s, meubilair en autobanden. Ook het bijplaatsen van afval bij
                    inzamelvoorzieningen valt onder illegale dumping.</al><al><cursief>k./l. </cursief> De omschrijving van het begrip ‘weg’ en motorrijtuig
                    is ontleend aan de Wegenverkeerswet 1994.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.2: Beslistermijn</tussenkop><al>De tekst van dit artikel sluit aan bij artikel 1.2: Beslistermijn.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.3: Indiening aanvraag</tussenkop><al>De tekst van dit artikel sluit aan bij artikel 1.2a: Indiening aanvraag.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.4: Voorschriften en beperkingen</tussenkop><al>De tekst van dit artikel sluit aan bij artikel 1.3: Voorschriften en
                    beperkingen.</al><tussenkop>Belang van de bescherming van het milieu</tussenkop><al>De gemeenteraad stelt op grond van artikel 10.23, eerste lid, Wm in het belang
                    van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast. De
                    voorschriften of beperkingen die aan een vergunning of ontheffing krachtens de
                    afvalstoffenverordening kunnen worden verbonden beogen dus het belang van het
                    milieu te beschermen.</al><al>De memorie van toelichting zegt over artikel 10.23, eerste lid, Wm nog het
                    volgende. “De gemeenten zijn gehouden om een afvalstoffenverordening vast te
                    stellen. De regels worden vastgesteld in het belang van het milieu. Dat is
                    ruimer dan de doelmatige verwijdering van afvalstoffen. Ook regels die beogen de
                    milieu-aspecten van handelingen met afvalstoffen te beperken, zijn daardoor
                    mogelijk.”</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.5: Persoonlijk karakter van de vergunning of
                    ontheffing</tussenkop><al>De tekst van dit artikel sluit aan bij artikel 1.4 APV: Persoonlijk karakter van
                    de vergunning of ontheffing.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.6: Intrekking of wijziging van de vergunning of
                    ontheffing</tussenkop><al>De tekst van dit artikel sluit aan bij artikel 1.6 model-APV: Intrekking of
                    wijziging van de vergunning of ontheffing.</al><al>Inzameling van huishoudelijke afvalstoffen</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.7: Aanwijzing inzameldienst en andere
                    inzamelaars</tussenkop><al>(Voormalig artikel 4.2.2.1 model-APV)</al><tussenkop>Eerste lid: De aanwijzing van de inzameldienst bij
                    uitvoeringsbesluit</tussenkop><al>De gemeente is op basis van artikel 10.24, eerste lid, onder a, Wm verplicht bij
                    of krachtens de verordening een inzameldienst aan te wijzen voor de inzameling
                    van huishoudelijke afvalstoffen. Dit is een wezenlijke verandering ten opzichte
                    van artikel 10.10 Wm (oud). Op grond van artikel 10.24, eerste lid, onder a, Wm
                    kan de inzameldienst voortaan bij uitvoeringsbesluit worden aangewezen in plaats
                    van bij verordening. Zie hiervoor ook de parlementaire geschiedenis. In de
                    Schiedamse situatie is ervoor gekozen om de inzameldienst bij verordening aan te
                    wijzen.</al><tussenkop>Tweede lid: De aanwijzing van andere inzamelaars</tussenkop><al>De nieuwe, bredere grondslag van de afvalstoffenverordening ten aanzien van
                    huishoudelijk afval is vastgelegd in artikel 10.24, tweede lid, onder b, Wm. Op
                    basis hiervan kunnen regels worden gesteld voor het inzamelen van huishoudelijke
                    afvalstoffen. Zoals de Memorie van Toelichting stelt, gaat het hierbij vooral om
                    de inzameling van bestanddelen van het huishoudelijk afval door anderen dan de
                    inzameldienst. Voorheen werd in de oude afvalstoffenverordening artikel 10.10 Wm
                    (oud) zodanig geïnterpreteerd dat alleen de inzameldienst bij verordening diende
                    te worden aangewezen en dat andere personen en instanties bij besluit van het
                    college konden worden aangewezen. Het commentaar in de oude
                    afvalstoffenverordening luidde hierover: “Wanneer al deze inzamelaars bij de
                    verordening zouden moeten worden aangewezen, zou iedere keer wanneer zich een
                    wijziging voordoet in het bestand van inzamelaars, de verordening moeten worden
                    gewijzigd door middel van een besluit van de gemeenteraad. Het lijkt
                    gerechtvaardigd artikel 10.24, eerste lid, onder a, Wm zo te interpreteren dat
                    de verplichting om een inzameldienst aan te wijzen alleen geldt voor de
                    integraal ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen. Voor de inzameling van de
                    afzonderlijke componenten zou dan een bepaling kunnen worden opgenomen dat het
                    college personen of instanties kan aanwijzen die hiermee belast worden.”</al><al>Naar aanleiding van deze interpretatie werd het tweede lid toegevoegd, op grond
                    waarvan andere inzamelaars bij besluit van het college konden worden aangewezen.
                    Op grond van artikel 10.24, tweede lid, onder b, Wm is deze interpretatie
                    voortaan wettelijk verankerd.</al><tussenkop>Tweede lid:Detaillisten/reparatiebedrijven</tussenkop><al>De aanwijzing op grond van het tweede lid van dit artikel kan ook worden
                    gebruikt om detaillisten die bijvoorbeeld batterijen van particulieren
                    inzamelen, op hun verzoek aan te merken als inzamelpunt. Zij hoeven dan niet te
                    beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 11. In het kader van de
                    aanwijzing als inzamelpunt kunnen nadere afspraken worden gemaakt met de
                    inzamelende persoon of instantie over bijvoorbeeld de wijze van inzameling,
                    opslag en de afgifte aan de gemeente, monitoring, etc. Indien detaillisten en/of
                    reparatiebedrijven in een amvb zijn aangewezen als inzamelende instantie is de
                    gemeente niet bevoegd daarover nadere regels te stellen. Dit betekent dat
                    detaillisten en/of reparatiebedrijven geen vergunning of aanwijzing van de
                    gemeente nodig hebben om huishoudelijke apparaten in te nemen. Dit geldt
                    bijvoorbeeld voor het Besluit beheer wit- en bruingoed (voorheen het Besluit
                    verwijdering wit- en bruingoed).</al><al>Mogelijke inzamelaars</al><al>Onderscheid kan worden gemaakt tussen de volgende inzamelaars. De inzameldienst,
                    die op grond van het eerste lid wordt aangewezen door het college, belast met de
                    inzameling van huishoudelijke afvalstoffen.</al><al>Andere inzamelaars, die op grond van het tweede lid worden aangewezen door het
                    college, belast met de afzonderlijke inzameling van categorieën huishoudelijke
                    afvalstoffen. Houders van een inzamelvergunning op grond van artikel 11 van deze
                    verordening, belast met de afzonderlijke inzameling van categorieën
                    huishoudelijke afvalstoffen. Zie hiervoor artikel 11.</al><tussenkop>Tweede lid:Verzelfstandigde reinigingsdienst</tussenkop><al>Gemeenten die hun inzameltaken hebben overgedragen aan een verzelfstandigde
                    reinigingsdienst, worden aangeraden om deze taken in hun geheel over te dragen
                    aan deze dienst (via het eerste lid van artikel 7) en geen gebruik te maken van
                    de aanwijzingsmogelijkheid op basis van het tweede lid van artikel 7. Zie voor
                    meer informatie over de verzelfstandigde reinigingsdiensten de VNG-ledenbrief
                    ‘Verzelfstandiging van gemeentelijke organisatieonderdelen’ van 24 juli 1996,
                    lbr.nr. 96/166, FEZ/604822.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.8: Afzonderlijke inzameling</tussenkop><al>(Voormalig artikel 4.2.2.2 model-APV)</al><tussenkop>Eerste lid: Landelijk afvalbeheersplan</tussenkop><al>Het Landelijk afvalbeheerplan (LAP) benoemt in hoofdstuk 14 van deel 1
                    Beleidskader de volgende door de consument te scheiden afvalstoffen: groente-,
                    fruit- en tuinafval, papier en karton, glas, textiel, wit- en bruingoed, klein
                    chemisch afval, en componenten van grof huishoudelijk afval (grof tuinafval,
                    huishoudelijk bouw- en sloopafval, waaronder verduurzaamd hout).</al><al>Bij het vaststellen of wijzigen van de afvalstoffenverordening dient rekening te
                    worden gehouden met het LAP. In de opsomming in het eerste lid van dit artikel
                    is daarom aangesloten bij het LAP.</al><tussenkop>Eerste lid: Provinciale milieuverordening </tussenkop><al>Gemeenten kunnen daarnaast op basis van de provinciale milieuverordening worden
                    verplicht om bepaalde categorieën huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk in te
                    zamelen en daarover regels op te nemen in de verordening. In de model-PMV van
                    het IPO betreft dit de categorieën oud papier en karton, glas, textiel en wit-
                    en bruingoed. In lid 1 genoemde categorieën komen overeen met de model-PMV. De
                    PMV´s worden op termijn vervangen door Algemene Maatregelen van Bestuur.</al><tussenkop>Eerste lid: GFT-afval </tussenkop><al>Artikel 10.21 tweede lid, Wm verplicht gemeenten in ieder geval tot de
                    afzonderlijke inzameling van groente-, fruit- en tuinafval (GFT-afval). Het
                    Landelijk afvalbeheerplan (LAP) gaat er in ieder geval van uit dat GFT-afval
                    apart wordt ingezameld. Ook het ministerie van VROM houdt vast aan een
                    verplichte GFT-inzameling. Desondanks is afwijking van deze verplichting
                    mogelijk in het belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen,
                    bijvoorbeeld om redenen van de GFT-kwaliteit, kostenniveau of de milieuhygiëne.
                    Op grond van artikel 10.26, eerste lid, onder c, Wm kan bij verordening worden
                    bepaald dat in een deel van het grondgebied geen huishoudelijke afvalstoffen
                    worden ingezameld. In dit geval is de inspraakverordening van toepassing en
                    stelt het college de inspecteur op de hoogte van het voornemen. Zie over dit
                    onderwerp ook de VNG-ledenbrief van 3 april 2003 (Lbr. 03/43).</al><tussenkop>Eerste lid: Besluit beheer wit- en bruingoed</tussenkop><al>Ten slotte verplicht het Besluit beheer wit- en bruingoed (voorheen het Besluit
                    verwijdering wit- en bruingoed) gemeenten tot de gescheiden inzameling van wit-
                    en bruingoed, afkomstig van huishoudens. Voor groot wit- en bruingoed geldt de
                    inzamelplicht vanaf 1 januari 1999, voor klein wit- en bruingoed per 1 januari
                    2000. Het besluit heeft een bijlage waarin categorieën van producten zijn
                    aangewezen. In de Regeling aanwijzing producten wit- en bruingoed van 16 mei
                    1998 worden deze categorieën omschreven en het onderscheid tussen groot en klein
                    wit- en bruingoed aangegeven.</al><tussenkop>Eerste lid: Aanvulling lijst met andere categorieën</tussenkop><al>De lijst genoemd in artikel 8 kan naar behoefte met andere categorieën worden
                    uitgebreid. De grondslag hiervoor is te vinden in artikel 10.21, derde lid, Wm,
                    waarin gesteld wordt dat de raad kan besluiten tot het afzonderlijk inzamelen
                    van andere bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen. Gedacht kan worden aan
                    bijvoorbeeld , kunststof, ijzer of autobanden.</al><tussenkop>Eerste lid: Afstemming met artikel 14 afzonderlijk ter inzameling
                    aanbieden</tussenkop><al>In artikel 14 is een verbod opgenomen om opgesomde categorieën anders dan
                    afzonderlijk ter inzameling aan te bieden. Afstemming van artikel 8 met artikel
                    14 is gewenst.</al><tussenkop>Eerste lid: Uitspraak Raad van State over textiel</tussenkop><al>Textiel is een afvalstof in de zin van artikel 1.1, eerste lid, Wm. Dit blijkt
                    uit een uitspraak (voorlopige voorziening) van de Afdeling Bestuursrechtspraak
                    van de Raad van State (ABRS 28-01-2003, 200206958/1). Het Intergemeentelijk
                    Orgaan Rivierenland (IOR) had een inzamelvergunning voor textiel verleend aan
                    een charitatieve instelling. Het bestuur van het IOR besloot uit oogpunt van
                    doelmatigheid de inzameling van textiel zelf ter hand te nemen en de
                    samenwerking met de charitatieve instelling te beëindigen. In een spoedprocedure
                    bij de Raad van State werd door de instelling betoogd dat er geen sprake was van
                    een afvalstof, omdat het textiel met het oogmerk op hergebruik werd ingeleverd
                    en ingezameld.</al><al>De Raad van State oordeelde echter anders. Het ingezamelde textiel (draagbare en
                    niet-draagbare kleding, lakens, dekens, grote lappen stof en gordijnen) is aan
                    te merken als een huishoudelijke afvalstof, omdat de aangeboden kleding
                    kennelijk ongesorteerd wordt aangeboden en daarom nog een sorteerbewerking moet
                    ondergaan. Een deel van de ingezamelde textiel kan namelijk gebruikt worden
                    overeenkomstig de oorspronkelijke bestemming, een deel is slechts geschikt voor
                    een ander gebruik en een deel is onbruikbaar. De Raad van State verwijst ook
                    naar een uitspraak van het Hof van Justitie, waarin werd geoordeeld dat het
                    toepassingsgebied van het begrip afvalstof afhangt van de term “zich ontdoen
                    van”. In de genoemde feiten ligt volgens de Raad van State een aanwijzing
                    besloten dat de huishoudens zich van het textiel hebben willen ontdoen,
                    voornemens zijn zich daarvan te ontdoen of zich daarvan moeten ontdoen. De
                    inzameling is daarom primair een verantwoordelijkheid van de lokale
                    gemeente.</al><al>Voor de afvalstoffenverordening heeft de uitspraak van de Raad van State de
                    volgende consequentie. Het is niet aannemelijk dat een burger zijn textiel
                    gesorteerd kan aanbieden. Immers deze kan niet weten voor welke bestemming hij
                    bijvoorbeeld lappen of kleren aanbiedt (hergebruik, poetslap of onbruikbaar).
                    Een sorteerbewerking lijkt hierdoor altijd noodzakelijk. Gesteld kan worden dat
                    de gemeente op grond van artikel 10.22 Wm een zorgplicht heeft voor de
                    inzameling van textiel. Dat betekent overigens niet dat de gemeente deze
                    inzameling zelf ter hand moet nemen. De gemeente kan op grond van artikel 7,
                    tweede lid, van deze afvalstoffenverordening besluiten andere inzamelaars aan te
                    wijzen die met de inzameling van het textiel belast zijn. Ook kan het college op
                    grond van artikel 11 van deze afvalstoffenverordening besluiten een
                    inzamelvergunning te verlenen.</al><al>Benadrukt moet worden dat de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van
                    de Raad van State een voorlopige voorziening is en dat in een bodemprocedure
                    anders kan worden bepaald.</al><tussenkop>Uitvoeringsbesluit op grond van het tweede lid </tussenkop><al>In het tweede lid van deze bepaling is bepaald dat het college een omschrijving
                    kan vaststellen voor categorieën huishoudelijke afvalstoffen. Voor oud papier en
                    karton, glas en textiel kunnen bijvoorbeeld de volgende omschrijvingen worden
                    gehanteerd:</al><lijst><li nr="•"><al>oud papier en karton: droog en schoon oud papier en karton;</al></li><li nr="•"><al>glas: eenmalige glasverpakkingen;</al></li><li nr="•"><al> textiel: kleding en huishoudtextiel, zoals lakens, dekens, handdoeken
                            en dergelijke, schoeisel, grote lappen stof en gordijnen.</al></li></lijst><al>Een bredere omschrijving is mogelijk.</al><al>Het vastleggen van een omschrijving van de verschillende categorieën
                    huishoudelijke afvalstoffen is van belang om te kunnen ingrijpen bij vervuiling
                    van de fracties vanwege verkeerd aanbiedgedrag. Een te zeer vervuilde fractie
                    kan leiden tot kostentoerekening voor de verwijdering door de be- of verwerker
                    aan de gemeente, en in het uiterste geval tot weigering van de ingezamelde
                    fractie.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.9: Inzamelmiddelen en -voorzieningen</tussenkop><al>In artikel 4.2.9 worden de niveaus van inzameling aangegeven. Hiermee wordt
                    recht gedaan aan de vervaging van het onderscheid tussen huis-aan-huisinzameling
                    en inzameling via brengvoorzieningen op verschillende niveaus. Eerste lid, onder
                    a: Inzameling bij elk perceel(haalsysteem) Op grond van artikel 10.21, eerste
                    lid, Wm is de gemeente verplicht tot het wekelijks inzamelen van huishoudelijke
                    afvalstoffen bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel. Op grond van
                    artikel 10.21, tweede lid, Wm wordt daarbij in ieder geval groente-, fruit- en
                    tuinafval afzonderlijk ingezameld. De raad kan overigens afwijken van de
                    wekelijkse inzamelfrequentie (zie het commentaar op artikel 4.2.10 van deze
                    paragraaf)</al><al>De inzameling bij elk perceel is individueel en vindt plaats bij elke woning via
                    een haalsysteem. De bewoners maken gebruik van individuele inzamelmiddelen,
                    zoals vuilniszakken of minicontainers.</al><tussenkop>Eerste lid, onder a: Inzameling bij hoogbouw </tussenkop><al>Voor het bewaren en aanbieden van huishoudelijk afval kan van gemeentewege
                    eventueel een bewaar- of inzamelmiddel worden verstrekt. De inzamelmiddelen
                    worden buitengezet op de dag van inzameling. Bij hoogbouw kunnen inpandige
                    inzamelvoorzieningen worden getroffen, zoals stortkokers of containers.
                    Benadrukt moet worden dat een of meer inzamelcontainers bij één flat, moet
                    worden gezien als inzameling bij elk perceel. Zie ook voor inpandige
                    inzamelvoorzieningen ook het commentaar op artikel 16.</al><tussenkop>Eerste lid, onder b: Inzameling nabij elk
                    perceel(brengsysteem)</tussenkop><al>In afwijking van artikel 10.21 Wm kan de raad op grond van artikel 10.26 eerste
                    lid, onder a, Wm bij verordening besluiten dat - in plaats van bij elk perceel -
                    nabij elk perceel wordt ingezameld. Gemeenten moeten daarbij wel voldoen aan
                    randvoorwaarden die zijn opgenomen in de ‘Regeling voorwaarden inzamelen
                    huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel’. Deze regeling is in november
                    1998 in werking getreden (zie ook artikel 10.26, vierde lid, Wm).</al><al>Indien de raad besluit tot de inzameling nabij elk perceel, is hij verplicht om
                    de inspraakverordening toe te passen (zie artikel 10.26, tweede lid, Wm).
                    Daarnaast is het college verplicht om de inspecteur op de hoogte te stellen van
                    het voornemen tot dit besluit (zie artikel 10.26, derde lid, Wm).</al><al>Voor de inzameling nabij elk perceel wordt gebruik gemaakt van collectieve
                    inzamelmiddelen, brengsystemen waar een groep huishoudens gezamenlijk gebruik
                    van maakt. Huishoudelijk afval wordt dus niet bij elk perceel - bij elke woning
                    - opgehaald, maar vanaf een centraal punt bij voor meerdere huishoudens
                    gezamenlijk. De huishoudens beschikken over individuele bewaarmiddelen en moeten
                    deze brengen naar de plaats waar het collectieve inzamelmiddel staat
                    opgesteld.</al><tussenkop>Inzameling nabij elk perceel: clusterplaatsen en inzamelvoorzieningen </tussenkop><al>Inzameling nabij elk perceel kan op de volgende manieren plaatsvinden, via
                    clusterplaatsen en via inzamelcontainers nabij elk perceel.</al><al>Een inzamelcontainer kan boven- of ondergronds zijn.</al><al>Een clusterplaats is een plaats waar de burger het inzamelmiddel op de dag van
                    ophalen naar toe brengt. Voorbeelden van clusterplaatsen zijn: een parkje, een
                    pleintje, een parkeerplaats waar op de dag van inzameling niet mag worden
                    geparkeerd of een centrale plaats op de stoep.</al><al>Voor beide vormen van collectieve inzameling geldt dat de inzameling
                    laagdrempelig moet zijn. Voor de clusterplaats geldt dat dit het geval is als de
                    afstand tussen perceel en clusterplaats niet meer is dan 75 meter, waarbij de
                    raad in bijzondere gevallen maximaal 125 meter kan toestaan. Voor de
                    inzamelvoorzieningen geldt hetzelfde, echter aangevuld met een aantal extra
                    eisen. Deze eisen zijn: de inzamelvoorziening is voor een ieder goed bereikbaar
                    en toegankelijk, de afvalstoffen kunnen eenvoudig worden achtergelaten en er
                    wordt tussen clusterplaatsen en overige inzamelwijzen nabij elk perceel (de
                    zogenaamde inzamelvoorzieningen gelegenheid gegeven om ten minste 12
                    aaneengesloten uren per week huishoudelijke afvalstoffen aan te bieden.</al><al>Handreiking inzamelen bij/nabij elk perceel </al><al>Naar aanleiding van deze regeling heeft de VNG de ‘Handreiking inzamelen
                    bij/nabij elk perceel’ opgesteld, die in 1999 verschenen is (ISBN 90 322 7344
                    2). Deze handreiking gaat in op de keuze tussen bij en nabij elk perceel
                    inzamelen en beoogt het bieden van een afwegingskader van alle lokale belangen.
                    Uitgegaan wordt van een gelijkwaardigheid van beide inzamelwijzen.</al><tussenkop>Eerste lid, onder c: Inzamelvoorziening op wijkniveau </tussenkop><al>Gedacht kan worden aan zogenaamde wijkcontainers waar de burger bijvoorbeeld
                    glas en oud papier en karton naar toe brengt.</al><tussenkop>Uitvoeringsbesluit op grond van het tweede lid</tussenkop><al>Het college kan voor iedere gebruiker van een perceel per categorie
                    huishoudelijke afvalstoffen aanwijzen via welk(e) inzamelmiddel of -voorziening
                    wordt ingezameld. De inzamelmiddelen kunnen van gemeentewege worden verstrekt of
                    geplaatst, of moeten door de burger zelf worden aangeschaft. Bij dit
                    uitvoeringsbesluit kan worden gedacht aan een overzicht van de gemeente, waarop
                    is aangegeven waar ingezameld wordt via inzamelmiddelen voor de gebruiker van
                    een perceel, dan wel via inzamelvoorzieningen voor een groep gebruikers van
                    percelen.</al><al>Wat betreft de inzamelvoorzieningen op wijkniveau (zoals glasbakken) en de
                    brengdepots kan eventueel worden volstaan met het aanwijzen van de categorie van
                    huishoudelijk afval waarvoor de voorziening is bestemd (dit kan bijvoorbeeld
                    door het aanbrengen van een pictogram op de container). Het opstellen van een
                    dergelijk overzicht is bewerkelijker naarmate de variatie in inzamelmiddelen en
                    -voorzieningen tussen gebruikers groter is.</al><al>In de artikelen 4.2.15 tot en met 4.2.18 wordt naar artikel 4.2.9, tweede lid,
                    terugverwezen. Specifieke aanwijzing van de groep gebruikers van percelen die
                    hun afvalstoffen via een bepaalde inzamelvoorziening mogen (of moeten)
                    aanbieden, kan van belang zijn om tegen te gaan dat ook inwoners uit andere
                    delen van de gemeente gebruik maken van de inzamelvoorziening, met als gevolg
                    bijvoorbeeld een (vroegtijdig) overvolle container. Het aanwijzen van een groep
                    gebruikers is noodzakelijk indien de afvalstoffenheffing binnen de gemeente
                    wordt gedifferentieerd naar het aanbod van afval.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.10: Frequentie van inzamelen</tussenkop><al>Wekelijkse inzamelfrequentie</al><al>De gemeentelijke zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijk afval en
                    groente-, fruit- en tuinafval bij elk perceel is op grond van artikel 10.21,
                    eerste lid, respectievelijk tweede lid, Wm gesteld op tenminste eenmaal per
                    week. Artikel 10.21, eerste lid, Wm bepaalt dat de gemeente, al dan niet in
                    samenwerking met andere gemeenten, er voor zorg draagt dat tenminste eenmaal per
                    week de huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar
                    grondgebied gelegen perceel. Op grond van artikel 10.21, tweede lid, Wm wordt
                    daarbij in ieder geval groente-, fruit- en tuinafval afzonderlijk ingezameld. De
                    wekelijkse inzamelplicht bij elk perceel geldt uitdrukkelijk niet voor grove
                    huishoudelijke afvalstoffen (zie ook artikel 10.21, eerste lid, Wm). Wel geldt
                    voor deze categorie huishoudelijke afvalstoffen op grond van artikel 10.22,
                    eerste lid, onder a en b, Wm een zorgplicht.</al><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>Het eerste lid is een uitwerking van artikel 10.26, eerste lid, onder b, Wm, dat
                    de mogelijkheid biedt om af te wijken van de wekelijkse inzamelfrequentie van
                    huishoudelijk afval en groente-, fruit- en tuinafval. Huishoudelijke
                    afvalstoffen mogen - in het belang van een doelmatig beheer - worden ingezameld
                    met een bij de verordening aangegeven regelmaat.</al><al>In dit lid is vastgelegd met welke frequentie de huishoudelijke afvalstoffen bij
                    elk perceel worden ingezameld. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het tweede lid is een uitwerking van artikel 10.26, eerste lid, onder a, Wm, dat
                    de mogelijkheid biedt om - in het belang van een doelmatig beheer -
                    huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel in te zamelen. Zie voor een
                    uitgebreide toelichting voor de inzameling nabij elk perceel het commentaar
                    onder artikel 9. Op grond van het tweede lid wordt de frequentie van inzameling
                    van huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel geregeld. Dit is vooral van
                    belang voor de zogenaamde clusterplaatsen.</al><tussenkop>Derde en vierde lid</tussenkop><al>Het derde en vierde lid regelt hetzelfde als het eerste en tweede lid, maar dan
                    voor groente-, fruit- en tuinafval.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Het college kan op basis van het vijfde lid de frequentie van inzameling bij elk
                    perceel bepalen van andere categorieën huishoudelijke afvalstoffen dan
                    huishoudelijk restafval en groente-, fruit- en tuinafval. Dit artikel heeft
                    alleen betrekking op de categorieën huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk
                    bij elk perceel worden ingezameld en is beperkt tot het regelen van de
                    frequentie van inzamelen.</al><al>De dagen en tijden waarop huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen
                    worden aangeboden, kunnen worden geregeld op basis van artikel 4.2.20 van deze
                    paragraaf.</al><tussenkop>Verplichting gemeente bij afwijking van de inzamelfrequentie genoemd in
                    artikel 10.21 Wm </tussenkop><al>Indien de gemeente op grond van artikel 10.26 onder a, b en c, Wm bij
                    verordening afwijkt van de inzamelfrequentie genoemd in artikel 10.21 Wm, is zij
                    op grond van artikel 10.27 Wm verplicht om op ten minste één daartoe ter
                    beschikking gestelde plaats binnen de gemeente of binnen de gemeenten waarmee
                    wordt samengewerkt, in voldoende mate gelegenheid te bieden om huishoudelijke
                    afvalstoffen achter te laten.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.11: Inzamelverbod huishoudelijke afvalstoffen
                    behoudens vergunning</tussenkop><al>(Voormalig artikel 4.2.2.5 model-APV)</al><al>De inzamelvergunning</al><al>Gemeenten zijn belast met de zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijke
                    afvalstoffen. Zij hebben daarmee ook het recht om te bepalen dat het verboden is
                    aan andere dan de door het college aangewezen inzameldienst en instanties om
                    huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij zij daartoe beschikken over
                    een vergunning van het college. Op basis van artikel 4 van deze verordening
                    kunnen aan de vergunning voorschriften en beperkingen worden verbonden in het
                    belang van de bescherming van het milieu.</al><al>De Memorie van Toelichting zegt dat op basis van artikel 10.24, derde lid, Wm
                    regels kunnen worden gesteld voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen.
                    Hierbij gaat het vooral om de inzameling van bestanddelen van het huishoudelijk
                    afval door anderen dan de inzameldienst, bijvoorbeeld de inzameling van oude
                    kleding door charitatieve instellingen. Deze regels kunnen een vergunningstelsel
                    voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen door anderen inhouden,
                    behoudens voorzover daarin is voorzien in een amvb op grond van artikel
                    10.17.</al><tussenkop>Derde lid </tussenkop><al>In dit kader is de brede omschrijving die in artikel 4.2.1 is gegeven van het
                    begrip inzamelen van belang. Ook het innemen van huishoudelijke afvalstoffen in
                    de winkel (bijvoorbeeld batterijen, tl-lampen, huishoudelijke apparaten) valt
                    hieronder. Wanneer de gemeente deze serviceverlening op prijs stelt en hiervoor
                    geen vergunning wil vereisen, kunnen de betreffende winkels op grond van artikel
                    4.2.7, tweede lid, door het college worden aangewezen als inzamelende persoon of
                    instantie.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Het vierde lid is nodig omdat het inzamelverbod behoudens vergunning niet mag
                    gelden voor personen of instanties die bij amvb in het kader van
                    producentenverantwoordelijkheid een inzamelplicht hebben gekregen. Gemeenten
                    kunnen in deze gevallen geen vergunningplicht hanteren (zie het commentaar bij
                    artikel 7).</al><al>Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.12: Verbod op het ter inzameling aanbieden van
                    huishoudelijke afvalstoffen aan anderen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>Burgers mogen hun afvalstoffen alleen aanbieden aan de krachtens in het eerste
                    lid van artikel 4.2.7 aangewezen inzameldienst, andere inzamelaars die zijn
                    aangewezen krachtens het tweede lid van artikel 4.2.7 en houders van een
                    inzamelvergunning.</al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>Het tweede lid is nodig, omdat het in het eerste lid gestelde verbod niet van
                    toepassing is indien sprake is van een inzamelplicht die personen of instanties
                    hebben gekregen bij amvb in het kader van producentenverantwoordelijkheid (zie
                    het commentaar bij de artikelen 4.2.7 en 4.2.11). In dit geval mag de burger
                    zijn huishoudelijke afvalstoffen, zoals bijvoorbeeld wit- en bruingoed, ook aan
                    deze personen of instanties aanbieden.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.13: Verbod op het ter inzameling aanbieden van
                    huishoudelijke afvalstoffen door anderen dan de gebruikers van
                    percelen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat alleen diegenen die binnen de gemeente
                    afvalstoffenheffing betalen, huishoudelijke afvalstoffen mogen aanbieden aan de
                    inzameldienst. Achtergrond van dit artikel is de toename in het illegaal
                    aanbieden van afvalstoffen door inwoners van andere gemeenten (afvaltoerisme) of
                    door bedrijven van binnen en buiten de eigen gemeente, die op deze manier de
                    kosten van de verwijdering van hun afvalstoffen willen ontlopen.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het tweede lid is toegevoegd omdat het wenselijk kan zijn om ook te reguleren
                    wat mag worden aangeboden aan een houder van een inzamelvergunning. Dit kan
                    bijvoorbeeld van belang zijn in verband met afspraken in het kader van
                    producentenverantwoordelijkheid, waarbij de afnamegarantie ‘ten minste om niet’
                    voor onder andere oud papier en karton alleen geldt voor papier en karton
                    ingezameld bij huishoudens (dus niet bij bedrijven).</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.14: Afzonderlijk ter inzameling
                    aanbieden</tussenkop><al>Landelijk afvalbeheerplan</al><al>Het Landelijk afvalbeheerplan (LAP) benoemt in hoofdstuk 14 van deel 1
                    Beleidskader de volgende door de consument te scheiden afvalstoffen: groente-,
                    fruit- en tuinafval, papier en karton, glas, textiel, wit- en bruingoed, klein
                    chemisch afval, en componenten van grof huishoudelijk afval (grof tuinafval,
                    huishoudelijk bouw- en sloopafval, waaronder verduurzaamd hout).</al><al>Bij het vaststellen of wijzigen van de afvalstoffenverordening dient rekening te
                    worden gehouden met het LAP. In de opsomming in het eerste lid van dit artikel
                    is derhalve aangesloten bij het LAP.</al><tussenkop>GFT-afval </tussenkop><al>Afwijking van de wettelijke inzamelplicht van groente-, gruit- en tuinafval is
                    mogelijk in het belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen,
                    bijvoorbeeld om redenen van de GFT-kwaliteit, kostenniveau of de milieuhygiëne.
                    Op grond van artikel 10.26, eerste lid, onder c, Wm kan bij verordening worden
                    bepaald dat in een deel van het grondgebied geen huishoudelijke afvalstoffen
                    worden ingezameld. In dit geval is de inspraakverordening van toepassing en
                    stelt het college de inspecteur op de hoogte van het voornemen. Zie over dit
                    onderwerp ook de VNG-ledenbrief van 3 april 2003 (Lbr. 03/43). Zie ook het
                    commentaar op artikel 4.2.8.</al><tussenkop>Afstemming met artikel 4.2.8 </tussenkop><al>Afzonderlijke inzameling In artikel 8 is een opsomming opgenomen van de
                    categorieën huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk worden ingezameld.
                    Artikel 4.2.14 houdt een verbod in voor de burger. Afstemming van artikel 4.2.8
                    met artikel 4.2.14 is gewenst. Ook wordt verwezen naar het commentaar op artikel
                    4.2.8 en wel de lijst met mogelijke uitbreidingen.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.14a: Ongeadresseerd reclamedrukwerk</tussenkop><al>Om het afzonderlijk ter inzameling aanbieden van oud papier te bevorderen,
                    hebben een aantal gemeenten hierover een artikel in hun afvalstoffenverordening
                    opgenomen.</al><al>Van deze mogelijkheid is in de Schiedamse situatie gebruik gemaakt.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.15: Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke
                    afvalstoffen via een inzamelmiddel voor de gebruiker van een perceel</tussenkop><al>Bij inzamelmiddelen voor de gebruiker van een perceel kan worden gedacht aan
                    vaste inzamelmiddelen, zoals minicontainers, afvalemmers, kratjes, kca-boxen en
                    dergelijke, maar ook aan huisvuilzakken of big bags waarin asbesthoudend afval
                    moet worden verpakt.</al><tussenkop>Al dan niet van gemeentewege verstrekte inzamelmiddelen</tussenkop><al>De inzamelmiddelen kunnen al dan niet van gemeentewege worden verstrekt. Het
                    eerste lid betreft het verbod om categorieën huishoudelijke afvalstoffen anders
                    aan te bieden dan via een aangewezen of van gemeentewege verstrekt
                    inzamelmiddel. Het tweede lid betreft een verbod om categorieën huishoudelijke
                    afvalstoffen anders aan te bieden dan via een niet van gemeentewege verstrekt
                    inzamelmiddel. De burger dient dit aangewezen inzamelmiddel zelf aan te
                    schaffen.</al><tussenkop>Uitvoeringsbesluiten</tussenkop><al>Artikel 15 biedt tevens de basis tot het stellen van diverse regels die relevant
                    zijn voor de bedoelde inzamelmiddelen. In het onderstaande wordt (niet
                    uitputtend) aangegeven welke regels door het college kunnen worden gesteld.</al><tussenkop>Uitvoeringsbesluiten op grond van het derde lid </tussenkop><al>Plaats van aanbieden. Bepaald kan worden dat het inzamelmiddel op de krachtens
                    artikel 4.2.20 vastgestelde inzameldag langs de inzamelroute op de weg kan
                    worden geplaatst, eventueel uit te breiden met nadere aanwijzingen voor een
                    specifiek verzamelpunt voor het plaatsen van de inzamelmiddelen. Dit kan
                    gebeuren vanuit oogpunt van verkeersveiligheid, maar bijvoorbeeld ook om redenen
                    van doelmatige inzameling en arbeidsbelasting. In de Wet milieubeheer
                    (‘inzameling nabij de percelen’) is hiervoor uitdrukkelijk de bevoegdheid
                    gecreëerd.</al><al>Voorgeschreven kan worden dat bepaalde categorieën huishoudelijke afvalstoffen
                    (met name klein chemisch afval) niet op de weg mogen worden geplaatst, maar
                    persoonlijk moeten worden aangeboden aan de inzamelaar.</al><al>Verder kan worden bepaald dat het inzamelmiddel zodanig op de weg moet worden
                    geplaatst dat het voetgangers- en overige verkeer niet wordt gehinderd of in de
                    doorgang wordt belemmerd en gevaar of schade wordt voorkomen.</al><al>Wijze van aanbieden. Gedacht kan worden aan de volgende regels:</al><lijst><li nr="•"><al>het inzamelmiddel dient goed gesloten te zijn;</al></li><li nr="•"><al>er mag geen sprake zijn van uitsteeksels, die kunnen leiden tot
                            verwondingen of het scheuren van de huisvuilzak.</al></li></lijst><tussenkop>Uitvoeringsbesluit op grond van het vierde lid</tussenkop><al>Maximaal gewicht en maximaal aantal inzamelmiddelen per keer. Het maximaal
                    toelaatbare gewicht zal onder meer samenhangen met de wijze van inzameling, de
                    toelaatbare arbeidsbelasting van de huisvuilbeladers, het gebruikte
                    inzamelvoertuig. Behalve een beperking aan het gewicht per inzamelmiddel kan ook
                    een beperking worden opgelegd naar aantal inzamelmiddelen dat per keer mag
                    worden aangeboden. Er kan op dit punt een koppeling worden gelegd met de
                    tarieven in de belastingverordening. Overigens moet daarbij wel worden gelet op
                    de handhaafbaarheid van de bepaling.</al><tussenkop>Uitvoeringsbesluit op grond van het vijfde lid </tussenkop><al>Voorwaarden waaronder het inzamelmiddel wordt verstrekt. Op grond van dit lid
                    kan het college regels stellen over voorwaarden waaronder het inzamelmiddel
                    wordt verstrekt. Gedacht kan worden aan de juridische basis van de verstrekking
                    (bijvoorbeeld bruikleenovereenkomst), regels in geval van verhuizing van een
                    gebruiker van een perceel, aansprakelijkheid voor de schade of verdwijning van
                    het verstrekte inzamelmiddel).</al><al>Gebruik en reiniging van het verstrekte inzamelmiddel. Met betrekking tot het
                    gebruik van vaste inzamelmiddelen kunnen bijvoorbeeld regels worden gesteld rond
                    het aanbrengen van veranderingen aan de container. Dit kan in het bijzonder
                    relevant zijn wanneer de gemeente ook met herkenningssystemen voor individuele
                    containers werkt. Daarnaast kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een verbod op
                    het deponeren van hete vloeistoffen in de container. Bepaald kan worden dat het
                    inzamelmiddel in het belang van de doelmatige verwijdering (voorkomen dat afval
                    in de container blijft plakken) regelmatig wordt gereinigd. De burger kan dit
                    eventueel uitbesteden, maar blijft zelf verantwoordelijk voor de naleving van de
                    regels gesteld krachtens de verordening.</al><tussenkop>Uitvoeringsbesluit op grond van het zesde lid </tussenkop><al>Eisen aan het inzamelmiddel. Wanneer het inzamelmiddel niet door de gemeente
                    wordt verstrekt, kan worden vereist dat het inzamelmiddel aan bepaalde normen
                    voldoet (bijvoorbeeld de NEN-norm voor huisvuilzakken). Ook kan via deze
                    bepaling worden geregeld dat alleen huisvuilzakken met een gepatenteerde
                    gemeentelijke opdruk mogen worden gebruikt indien wordt gewerkt met een systeem
                    van dure zakken als vorm van tariefdifferentiatie. Voor bepaalde categorieën
                    huishoudelijke afvalstoffen (bijvoorbeeld asbest) kunnen specifieke eisen aan
                    het inzamelmiddel worden gesteld.</al><tussenkop>Achtste lid</tussenkop><al>De bepaling dat anderen dan de gebruiker van een perceel geen afvalstoffen via
                    het individuele inzamelmiddel mogen aanbieden is vooral van belang in gemeenten
                    waar het tarief van de afvalstoffenheffing wordt gedifferentieerd op basis van
                    de hoeveelheid aangeboden afval (DIFTAR). Overigens is hier natuurlijk niet
                    bedoeld te verbieden dat iemand anders - bijvoorbeeld een gezinslid, of de
                    buurman - namens de gebruiker van het perceel (dit is degene die de
                    afvalstoffenheffing betaalt) het inzamelmiddel buiten zet.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.16: Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke
                    afvalstoffen via een inzamelvoorziening ten behoeve van een groep
                    percelen</tussenkop><al>(Artikel 4.2.16 betreft inzamelvoorzieningen nabij de percelen voor
                    huishoudelijk restafval en groente-, fruit- en tuinafval.</al><tussenkop>Uitvoeringsbesluit op grond van het derde lid</tussenkop><al>Regels die door het college kunnen worden gesteld ten aanzien van
                    inzamelcontainers omtrent de wijze van aanbieding zijn bijvoorbeeld:</al><al>de afvalstoffen dienen in een goed gesloten zak in de verzamelcontainer te
                    worden gedeponeerd;</al><al>de verzamelcontainer dient na gebruik goed te worden gesloten;</al><al>het is verboden afvalstoffen naast de verzamelcontainer te plaatsen;</al><al>het al dan niet mogen gebruiken van zakken voor groente-, fruit- en
                    tuinafval.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.17: Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke
                    afvalstoffen via inzamelvoorzieningen op wijkniveau</tussenkop><al>Bij inzamelvoorzieningen op wijkniveau kan in de eerste plaats worden gedacht
                    aan glasbakken, textielbakken, en dergelijke. Dit zijn permanent aanwezige
                    voorzieningen. De voorzieningen op wijkniveau kunnen ook mobiel of niet
                    permanent aanwezig zijn. Voorbeelden van dergelijke mobiele voorzieningen zijn
                    de chemokar en ‘afvaleilanden’ die gedurende een bepaalde periode in de wijk
                    aanwezig zijn. Het gebruik van de wijkvoorzieningen is niet beperkt tot de
                    gebruikers van een bepaalde groep percelen. Volgens de model-PMV kan de gemeente
                    in het belang van de doelmatige verwijdering van kca, glas, oud papier en karton
                    en textiel bepalen dat dit afval dient te worden gebracht naar een door de
                    gemeente aangewezen plaats.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.18: Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke
                    afvalstoffen via een brengdepot op lokaal of regionaal niveau</tussenkop><tussenkop>Brengdepot</tussenkop><al>Met de term ‘brengdepots’ wordt gedoeld op bemande voorzieningen op lokaal of
                    regionaal niveau waar meerdere afvalcomponenten heen kunnen worden gebracht. </al><tussenkop>Wettelijke plicht brengdepots in een aantal gevallen</tussenkop><al>Op grond van artikel 10.27 Wm is een gemeente in een aantal gevallen verplicht
                    om op tenminste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente
                    (of binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt) een brengdepot te
                    realiseren.</al><al>Het gaat om de gevallen waarin de raad op grond van artikel 10.26, eerste lid,
                    onder a, b en c, Wm afwijkt van artikel 10.21 Wm: inzameling nabij elk perceel,
                    inzameling met een bij verordening aangegeven regelmaat en uitsluiting van
                    inzameling op een deel van het grondgebied van de gemeente.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.19: Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke
                    afvalstoffen zonder inzamelmiddel</tussenkop><tussenkop>Uitvoeringsbesluit op grond van het eerste lid</tussenkop><al>De mogelijkheid om huishoudelijke afvalstoffen te kunnen aanbieden zonder
                    inzamelmiddel of -voorziening (bij het perceel of op een ander inzamelniveau) is
                    vooral van belang voor grof huisvuil of grof tuinafval.</al><tussenkop>Uitvoeringsbesluit op grond van het tweede lid </tussenkop><al>Ten aanzien van die componenten kan bepaald worden dat deze bijvoorbeeld
                    gebundeld dienen te worden aangeboden. Ook kan worden gedacht aan de inzameling
                    van oud papier en karton, gebundeld of in kartonnen dozen.</al><tussenkop>Uitvoeringsbesluit op grond van het derde lid </tussenkop><al>Op grond van het derde lid kunnen regels gesteld worden over het volume, gewicht
                    of afmetingen.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.20: Dagen en tijden voor het ter inzameling
                    aanbieden</tussenkop><tussenkop>Uitvoeringsbesluit op grond van het eerste lid</tussenkop><al>Bij het vaststellen van de dagen en tijden kan in het besluit van het college
                    een onderscheid worden gemaakt naar de verschillende niveaus van inzameling en
                    de daarbij gehanteerde inzamelmiddelen en -voorzieningen. Voor de inzameling via
                    een inzamelroute bij de percelen kan worden gedacht aan de volgende regels:</al><al>plaatsing op de weg mag niet geschieden vóór … uur op de vastgestelde inzameldag
                    of de dag voorafgaande aan de vastgestelde inzameldag;</al><al>bij vaste inzamelmiddelen: het inzamelmiddel dient zo spoedig mogelijk na
                    lediging, doch uiterlijk voor ... uur op de vastgestelde inzameldag, van de weg
                    te zijn verwijderd;</al><al>Bepaald kan ook worden dat inzameling bij het perceel op afroep plaatsvindt.
                    Afvalstoffen kunnen dan worden aangeboden op de dag die, na de melding van de
                    burger dat hij bepaalde afvalstoffen ter inzameling wil aanbieden, wordt
                    aangewezen (niet voor ... uur op de vastgestelde inzameldag).</al><al>Met betrekking tot verzamel- en wijkcontainers kan worden bepaald dat de burger
                    zijn afvalstoffen niet mag aanbieden tussen ... en ... uur.</al><al>Ten slotte kunnen op basis van dit artikel de openingstijden van brengdepots
                    worden vastgelegd. </al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.21: Het in bijzondere gevallen ter inzameling
                    aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen</tussenkop><al>Dit artikel biedt de grondslag voor een door het college vast te stellen
                    calamiteitenregeling. Een dergelijke (eventueel tijdelijke) regeling zou
                    bijvoorbeeld nodig kunnen zijn in geval van stakingen, etc.</al><al>Ook kan worden gedacht aan een regeling voor het aanbieden van huishoudelijke
                    afvalstoffen bij wegopbrekingen.</al><tussenkop>Inzameling van bedrijfsafvalstoffen</tussenkop><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.22: Inzameling bedrijfsafvalstoffen door de
                    inzameldienst</tussenkop><al>De inzameldienst kan naast huishoudelijke afvalstoffen bijvoorbeeld ook
                    bedrijfsafvalstoffen (of een bepaalde categorie van bedrijfsafvalstoffen)
                    inzamelen. Gedacht kan worden aan afval uit de kantoren/winkels/dienstensector
                    of bouw- en sloopafval (voor zover dit niet wordt gerekend tot het huishoudelijk
                    afval).</al><al>De gemeente heeft op dit punt geen zorgplicht en kan niet bepalen wie er binnen
                    de gemeente al dan niet mogen inzamelen zoals dat bij huishoudelijke
                    afvalstoffen het geval is.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.23: Ter inzameling aanbieden van
                    bedrijfsafvalstoffen aan de inzameldienst</tussenkop><al>Alleen die bedrijven die betalen voor de gemeentelijke inzamelvoorzieningen
                    mogen, voor zover artikel 18 daartoe de mogelijkheid biedt, hun
                    bedrijfsafvalstoffen aanbieden aan de inzameldienst. Het college kan, net als
                    bij huishoudelijke afvalstoffen, regels stellen over de wijze waarop de
                    afvalstoffen ter inzameling dienen te worden aangeboden.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.24: Het ter inzameling aanbieden van
                    bedrijfsafvalstoffen aan een ander dan de inzameldienst</tussenkop><tussenkop>Inzameling bedrijfsafvalstoffen aan een ander dan de
                    inzameldienst</tussenkop><al>De basis voor het stellen van regels over de inzameling van bedrijfsafvalstoffen
                    kan worden gevonden in artikel 10.23, derde lid, Wm. De memorie van toelichting
                    zegt hierover: “Ten aanzien van de inzameling van bedrijfsafvalstoffen of
                    gevaarlijke afvalstoffen mogen ook in het belang van de bescherming van het
                    milieu regels worden gesteld. Blijkens het derde lid mogen deze regels geen
                    vergunningstelsel inhouden. Dit is krachtens artikel 10.48 (lees: Wm)
                    voorbehouden aan de minister. Vanzelfsprekend mogen de gemeenten hun bevoegdheid
                    evenmin benutten ter bevoordeling van de eigen inzameldienst en ten nadele van
                    andere aanbieders op de markt.”</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De Wet milieubeheer geeft de gemeente uitdrukkelijk de bevoegdheid om regels te
                    stellen over de inzameling van bedrijfsafvalstoffen in het belang van de
                    bescherming van het milieu. Dit artikel is de uitwerking hiervan. Het college
                    kan in het belang van de bescherming van het milieu regels stellen omtrent
                    bijvoorbeeld de dagen, tijden, wijze en plaatsen waarop bedrijfsafvalstoffen ter
                    inzameling moeten worden aangeboden.</al><tussenkop>Vergunningstelsel inzameling bedrijfsafvalstoffen niet meer
                    mogelijk</tussenkop><al>In artikel 4.2.4.1 model-APV (oud) was, indien er specifiek lokale belangen in
                    het geding waren, de mogelijkheid opgenomen voor een gemeentelijk
                    vergunningenstelsel voor de inzameling van bedrijfsafvalstoffen. Het betrof
                    onder andere de overlast in een (historisch) centrum of de verkeersveiligheid.
                    De memorie van toelichting is hier over duidelijk. De gemeente mag geen
                    vergunningstelsel hanteren voor de inzameling van bedrijfsafvalstoffen. Artikel
                    4.2.4.1 model-APV (oud) keert daarom niet terug in deze paragraaf.</al><tussenkop>Uitvoeringsbesluit op grond van het tweede lid</tussenkop><al>Op grond van het tweede lid kan het college in het belang van de bescherming van
                    het milieu regels stellen over bijvoorbeeld dagen, tijden, wijze en plaatsen
                    waarop de bedrijfsafvalstoffen worden aangeboden. Het is dus mogelijk om in het
                    belang van het milieu bepaalde dagen te kunnen aanwijzen waarop
                    bedrijfsafvalstoffen mogen worden ingezameld. Bijvoorbeeld ter beperking of
                    voorkoming van geluidhinder of aanzuigende werking of om ritten zoveel mogelijk
                    te combineren. Dit artikel kan met name van belang zijn voor de inzameling van
                    bedrijfsafvalstoffen in een (historisch) centrum. Uiteraard gelden deze regels
                    voor alle betrokken inzamelaars die bedrijfsafvalstoffen ophalen.</al><tussenkop>Afbakening met artikel 4.2.22 en 4.2.23</tussenkop><al>Op grond van de artikelen 4.2.22 en 4.2.23 kunnen regels worden gesteld over de
                    inzameling van bedrijfsafvalstoffen door de inzameldienst. Artikel 4.2.24
                    betreft het stellen van regels over het ter inzameling aanbieden van
                    bedrijfsafvalstoffen aan een ander dan de inzameldienst.</al><tussenkop>Zwerfafval</tussenkop><tussenkop>Inleiding zwerfafval</tussenkop><al>Zwerfafval staat hoog op de politieke agenda. In het kader van het Convenant
                    Verpakkingen III hebben VNG, het ministerie van VROM en SVM-pact (bedrijfsleven)
                    het deelconvenant Zwerfafval ondertekend. Afgesproken is om de hoeveelheid
                    zwerfafval terug te dringen. In het convenant zijn de volgende doelstellingen
                    geformuleerd.</al><lijst><li nr="-"><al>Het bedrijfsleven moet zorgen dat in 2005 het aandeel blikjes en
                            petflesjes in het zwerfafval met 80% is afgenomen (ten opzichte van de
                            vastgestelde 50 miljoen blikjes en flesjes in 2001).</al><lijst><li nr="•"><al>Het bedrijfsleven moet voor 1 januari 2005 de hoeveelheid
                                    blikjes en flesjes in het zwerfafval reduceren met ten minste
                                    2/3 (t.o.v. de 50 miljoen blikjes en flesjes in het zwerfafval
                                    in 2001).</al></li><li nr="•"><al>De rijksoverheid, de VNG en het bedrijfsleven dragen er zorg
                                    voor dat door een gezamenlijke inspanning uiterlijk in het jaar
                                    2005 het overige zwerfafval met ten minste 45% ten opzichte van
                                    het jaar 2002 is verminderd.</al></li></lijst></li></lijst><al>De ergernis van de burger over zwerfafval is groot. Gemeenten spelen daarom een
                    belangrijke rol bij het voorkomen en bestrijding van zwerfafval en daarmee het
                    verbeteren van de directe leefomgeving van de burger. Gedacht kan worden aan het
                    creëren van voldoende voorzieningen voor inzameling en verwijdering,
                    communicatie met de burger en de controle van (on)gewenst aanbied- en
                    wegwerpgedrag.</al><al>Op grond van artikel 10.25, onder a en b, Wm kunnen gemeenten in hun
                    afvalstoffenverordening de zwerfafvalproblematiek regelen. Er is sprake van
                    facultatief medebewind. Gemeenten hebben hiertoe de bevoegdheid, maar geen
                    wettelijke plicht.</al><al>In deze paragraaf van de afvalstoffenverordening zijn een aantal artikelen over
                    het voorkomen en beperken van zwerfafval opgenomen. Een aantal van deze
                    bepalingen zijn overgenomen uit afdeling 4.4 Bodem-, weg- en
                    milieuverontreiniging van de model-APV. De juridische basis van deze artikelen
                    is echter veranderd. Voorheen waren deze artikelen gebaseerd op de autonome
                    verordenende bevoegdheid op grond van de Gemeentewet. De artikelen vinden nu hun
                    grondslag in de Wet milieubeheer.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.25: Voorkomen van diffuse
                    milieuverontreiniging</tussenkop><al>(Voormalig artikel 4.4.1 model-APV)</al><al>Dit artikel heeft een primair een milieubeschermende functie en beoogt de
                    gemeenten een instrument te geven om illegale dumpingen, voorzover er geen
                    hogere wet- of regelgeving van toepassing is, of het ontstaan van zwerfafval
                    tegen te gaan. Zie voor illegale dumpingen ook het commentaar op artikel 1.
                    Uiteraard zal in een aantal gevallen het brengen van stoffen op of in de bodem
                    zodanig kunnen gebeuren dat een hogere wet, zoals de Wet bodembescherming of het
                    Bouwstoffenbesluit van toepassing is.</al><al>Met opzet worden in het eerste lid ook de termen “stof” en “voorwerp” gebruikt
                    en niet alleen de term “afvalstof” , omdat niet altijd duidelijk is of de
                    desbetreffende stoffen of voorwerpen afvalstoffen zijn.</al><tussenkop>Nieuwe wettelijke grondslag</tussenkop><al>Dit artikel is grotendeels overgenomen van artikel 4.4.1 model-APV. Dit artikel
                    was gebaseerd op de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeente. In
                    artikel 10.25, onder a, Wm wordt echter de basis gelegd voor het opnemen van een
                    dergelijk artikel in de afvalstoffenverordening. Van belang is dat dit artikel
                    voortaan niet meer is gebaseerd op de Gemeentewet, maar voortaan op artikel
                    10.25, onder a, Wm. Zie hiervoor ook de Memorie van Toelichting, die hierover
                    zegt: “De onderdelen a en b hebben betrekking op zwerfafval. Onderdeel a betreft
                    het voorkomen of het beperken van zwerfafval. Regels hieromtrent kunnen op
                    diverse wijze worden gesteld.”</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.26: Achterlaten van straatafval</tussenkop><tussenkop>Straatafval</tussenkop><al>In artikel 1 van deze verordening wordt een definitie gegeven van straatafval:
                    “huishoudelijke afvalstoffen van zeer beperkte omvang en gewicht, zoals proppen,
                    papier, sigarettenpeuken, kauwgom, plastic bekertjes en blikjes,
                    verpakkingsmateriaal, etenswaren, niet zijnde klein chemisch afval, ontstaan
                    buiten een perceel”. Bij het begrip straatafval gaat het in feite om afval ‘dat
                    onderweg ontstaat’, buiten een perceel, dat niet als zwerfafval op straat of in
                    het plantsoen terecht dient te komen en waarvoor je de burger (in dit geval ook
                    toeristen) de mogelijkheid wilt bieden om zich ter plekke ervan te ontdoen
                    (voorzover van zeer beperkte omvang en gewicht). Klein chemisch afval is
                    uitdrukkelijk uitgesloten van de omschrijving. Dit afval dient in alle gevallen
                    via de daartoe opgezette inzamelstructuur te worden verwijderd.</al><al>In de definitie van straatafval wordt uitdrukkelijk gesproken over “buiten een
                    perceel ontstaan”. Een huishoudelijke afvalstof, ontstaan op of binnen het
                    perceel, moet worden aangeboden volgens de bepalingen uit paragraaf 3 Ter
                    inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen (regels voor de burger over
                    de aanbieding van huishoudelijke afvalstoffen).</al><al>Toelichting artikel 4.2.27: Voorkomen van zwerfafval bij ter inzameling gereed
                    staande afvalstoffen</al><tussenkop>Nieuwe wettelijke grondslag</tussenkop><al>Dit artikel stond voorheen in de model-APV (artikel 4.4.7) en was gebaseerd op
                    de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeente. In hoofdstuk 10 van de Wet
                    milieubeheer wordt echter in artikel 10.25, onder a, Wm de basis gelegd voor het
                    opnemen van een dergelijk artikel in de afvalstoffenverordening. Van belang is
                    dat dit artikel voortaan niet meer is gebaseerd op de Gemeentewet, maar voortaan
                    op artikel 10.25, onder a, Wm</al><al>Zie hiervoor ook de Memorie van Toelichting, die hierover zegt: “De onderdelen a
                    en b hebben betrekking op zwerfafval. Onderdeel a betreft het voorkomen of het
                    beperken van zwerfafval. Regels hieromtrent kunnen op diverse wijze worden
                    gesteld. Zo kunnen er regels worden gesteld omtrent het direct veroorzaken van
                    dit soort verontreiniging. Ook een verbod om ter inzameling gereed gezet afval
                    te doorzoeken ( “morgensterrenverbod”) kan op onderdeel a worden
                    gebaseerd”.</al><tussenkop>Eerste lid: Morgensterren</tussenkop><al>Het eerste lid heeft betrekking op wat wel de “morgenster”-problematiek wordt
                    genoemd. Het beoogt paal en perk te stellen aan het doorzoeken en verwijderen
                    van ter inzameling aangeboden afvalstoffen voordat de medewerkers van de
                    inzameldienst ter plaatse zijn. Vaak immers heeft dit doorzoeken tot gevolg dat
                    het huisvuil over de hele straat verspreid ligt en de inzameldienst zijn werk
                    niet meer kan verrichten. Het aldus ontstane zwerfafval veroorzaakt een zware
                    belasting van de gemeentelijke veegdienst.</al><tussenkop>Tweede lid: Voorkomen van zwerfafval</tussenkop><al>In artikel 10.25, onder a, Wm wordt de basis gelegd voor het opnemen van het
                    tweede lid. Zie hiervoor ook de Memorie van Toelichting, die hierover zegt: “De
                    onderdelen a en b hebben betrekking op zwerfafval. Onderdeel a betreft het
                    voorkomen of het beperken van zwerfafval. Regels hieromtrent kunnen op diverse
                    wijze worden gesteld.” Met het tweede lid wordt beoogd om zwerfafval bij ter
                    inzameling gereed staande afvalstoffen te voorkomen.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.28: Afvalbakken in inrichtingen voor het
                    verbruiken van eet- en drinkwaren</tussenkop><tussenkop>Nieuwe wettelijke grondslag</tussenkop><al>Een soortgelijk artikel is ook opgenomen in artikel 4.4.3 model-APV op grond van
                    de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeente In artikel 10.25, onder a,
                    Wm is voortaan de basis gelegd voor het opnemen van een dergelijk artikel in de
                    afvalstoffenverordening. Van belang is dat dit artikel voortaan niet meer is
                    gebaseerd op de Gemeentewet.</al><al>Zie hiervoor ook de Memorie van Toelichting, die over dit artikel zegt: “De
                    onderdelen a en b hebben betrekking op zwerfafval. Onderdeel a betreft het
                    voorkomen of het beperken van zwerfafval. Regels hieromtrent kunnen op diverse
                    wijze worden gesteld. Zo kunnen er regels worden gesteld omtrent het direct
                    veroorzaken van dit soort verontreiniging. Veelal zal het daarbij gaan om een
                    verbod, bijvoorbeeld om afval op straat of in het water te werpen. De regels
                    kunnen ook de aanwezigheid van bepaalde voorzieningen (bijvoorbeeld een afvalbak
                    bij een snackbar) of het gebruik daarvan voorschrijven."</al><al>Inrichtingen waar eet- en/of drinkwaren worden verkocht zijn bijvoorbeeld een
                    winkel, hal of kraam. Het afval dat hierbij kan vrijkomen is bijvoorbeeld
                    papier, etensresten, verpakkingsmateriaal of ander afval.</al><tussenkop>Wet milieubeheer</tussenkop><al>Opgemerkt wordt dat een inrichting, zoals bedoeld in dit artikel,
                    vergunningsplichtig kan zijn op grond van de Wet milieubeheer dan wel
                    meldingsplichtig op grond van het Besluit Horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen milieubeheer. De verplichting zoals opgenomen onder c van
                    deze bepaling kan in deze gevallen als voorschrift aan een dergelijke vergunning
                    worden verbonden dan wel rechtstreeks voortvloeien uit het Besluit Horeca-,
                    sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.29: Wegwerpen van reclamebiljetten of ander
                    promotiemateriaal</tussenkop><al>Nieuwe wettelijke grondslag</al><al>Dit artikel is grotendeels overgenomen van artikel 4.4.4 model-APV op grond van
                    de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeente. In artikel 10.25, onder b,
                    Wm is voortaan de basis gelegd voor het opnemen van een dergelijk artikel in de
                    afvalstoffenverordening. Van belang is dat dit artikel voortaan niet meer is
                    gebaseerd op de Gemeentewet. Zie hiervoor ook de Memorie van Toelichting, die
                    over artikel 10.25 Wm zegt:“De onderdelen a en b hebben betrekking op
                    zwerfafval. …….. Onderdeel b betreft het opruimen van zwerfafval.”</al><al>Dit artikel is dus een uitwerking van artikel 10.25, onder b, Wm in de vorm van
                    een verplichting tot opruimen of laten opruimen van reclamebiljetten of ander
                    promotiemateriaal. Een bepaling als vervat in dit artikel, werd door de Hoge
                    raad verenigbaar geacht met artikel 7 grondwet (oud artikel 7, eerste lid, van
                    de herziene Grondwet). Zie HR 27 februari 1951, 472 (Eindhoven).</al><al>Promotiemateriaal</al><al>Niet alleen reclamebiljetten worden aan het publiek uitgereikt. Ook ander
                    promotiemateriaal wordt vaak uitgereikt. Gedacht kan worden aan de zogenaamde
                    samplings, monsters of miniverpakkingen, waarin ter promotie een product in een
                    kleine hoeveelheid wordt aangeboden. Op grond van dit artikel kan degene die
                    dergelijk promotiemateriaal uitreikt, worden verplicht het promotiemateriaal, de
                    verpakking of de inhoud daarvan op te ruimen of te laten opruimen.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.30: Zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of
                    overige werkzaamheden</tussenkop><al>Een soortgelijk artikel is in een minder uitgebreide vorm opgenomen in artikel
                    4.4.2 model-APV op grond van de autonome verordenende bevoegdheid van de
                    gemeente. In artikel 10.25, onder a en b, Wm is echter voortaan de basis gelegd
                    voor het opnemen van een dergelijk artikel in de afvalstoffenverordening. Van
                    belang is dat dit artikel voortaan niet meer is gebaseerd op de
                    Gemeentewet.</al><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>De grondslag voor het eerste lid is opgenomen in artikel 10.25, onder a, Wm. Zie
                    hiervoor ook de Memorie van Toelichting, die over artikel 10.25 Wm zegt: “De
                    onderdelen a en b hebben betrekking op zwerfafval. Onderdeel a betreft het
                    voorkomen of het beperken van zwerfafval. Regels hieromtrent kunnen op diverse
                    wijze worden gesteld. Zo kunnen er regels worden gesteld omtrent het direct
                    veroorzaken van dit soort verontreiniging.”</al><al>Het eerste lid beoogt het ontstaan van zwerfafval bij het laden of lossen of
                    vervoeren van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te voorkomen.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het tweede lid vloeit voort uit artikel 10.25, onder b, Wm. De memorie van
                    toelichting zegt hierover: “De onderdelen a en b hebben betrekking op
                    zwerfafval. …….. Onderdeel b betreft het opruimen van zwerfafval.” Dit artikel
                    is dus een uitwerking van artikel 10.25, onder b, Wm in de vorm van een
                    verplichting tot het reinigen of laten reinigen van de weg bij het ontstaan van
                    zwerfafval. De opname van het tweede lid heeft vooral betekenis in verband met
                    het op kosten van de overtreder laten reinigen van de weg (bestuursdwang).</al><al><vet><cursief>Overige
                            </cursief></vet><cursief>onderwerpen</cursief><vet><cursief> die de
                            verordening aangaan</cursief></vet></al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.31: verbod opslag van afvalstoffen</tussenkop><al>(Nieuw, zie ook artikel 4.7.1 model-APV)</al><al>Artikel 10.17 Wm (oud)</al><al>In artikel 10.17 Wm (oud) was een algemeen verbod opgenomen om een autowrak
                    aanwezig te hebben op een voor het publiek zichtbare plaats (met als doel
                    dreigende bodemverontreiniging en schade aan het stads- of dorpsbeeld te
                    voorkomen). Dit verbod is in de Wet milieubeheer komen te vervallen. In artikel
                    10.25, onder c, Wm is voortaan de basis gelegd voor het opnemen van een
                    dergelijk artikel in de afvalstoffenverordening. Bij de afvalstoffenverordening
                    kunnen voortaan in ieder geval regels worden gesteld omtrent het op een voor het
                    publiek zichtbare plaats aanwezig hebben van afvalstoffen. Artikel 10.25, onder
                    c, Wm strekt mede ter vervanging van artikel 10.17 Wm (oud) en geldt nu voor de
                    opslag van alle afvalstoffen. Net als bij de bepalingen over zwerfafval, die
                    zijn gebaseerd op artikel 10.25, onder a en b, Wm is ook hier sprake van
                    facultatief medebewind.</al><tussenkop>Definitie autowrak</tussenkop><al>Op 2 juli 2002 is het Besluit beheer autowrakken (hierna te noemen BBA, zie
                    Staatsblad 2002, 259) in werking getreden.</al><al>Het begrip autowrak wordt in artikel 1, onder b, BBA als volgt gedefinieerd:
                    “voertuig dat een afvalstof is in de zin van artikel 1.1 lid 1 van de Wm”. De
                    Wet milieubeheer definieert het begrip afvalstof als: “alle stoffen, preparaten
                    of andere producten …… waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te
                    ontdoen of zich moet ontdoen”. Door deze definities wordt een autowrak altijd
                    aangemerkt als afvalstof en valt hiermee dus onder de werking van deze
                    bepaling.</al><al>In de Nota van toelichting van het BBA wordt nader ingegaan op het begrip
                    autowrak.</al><tussenkop>“De houder van een voertuig zal zich doorgaans zich daarvan ontdoen,
                    voornemens zijn zich daarvan te ontdoen of zich daarvan moeten ontdoen, wanneer
                    het voertuig rijtechnisch in onvoldoende staat verkeert en het niet meer op
                    rendabele wijze in een rijtechnisch voldoende staat is te brengen. Een
                    motorrijtuig verkeert in een rijtechnisch onvoldoende staat wanneer het niet
                    voldoet aan de wettelijke inrichtingseisen, genoemd in de wegenverkeerswetgeving
                    of aan de apk-eisen of andere ernstige technische gebreken kent, bijvoorbeeld of
                    essentiële onderdelen zijn gedemonteerd. Voor het beantwoorden van de vraag of
                    een voertuig op rendabele wijze weer in rijtechnisch voldoende staat te brengen
                    is, kan worden uitgegaan van de richtprijzen voor gebruikte voertuigen en van de
                    door garages en schadeherstelbedrijven gehanteerde tarieven voor
                    reparatiewerkzaamheden. ………. De vraag of sprake is van een autowrak zal van
                    geval tot geval door een persoon belast met de handhaving bepaald moeten worden
                    op grond van de wet- en regelgeving en de jurisprudentie terzake”.</tussenkop><al>Er is dus sprake van een autowrak indien een voertuig niet meer op economisch
                    rendabele wijze in rijtechnisch voldoende staat is te brengen.</al><tussenkop>Opslag van autowrakken in inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer </tussenkop><al>De provincie is bevoegd gezag voor Wm-inrichtingen die vijf of meer autowrakken
                    opslaan. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd gezag voor
                    inrichtingen die onder de werking van het Besluit inrichtingen voor
                    motorvoertuigen milieubeheer vallen. In dergelijke inrichtingen is de opslag van
                    maximaal vier autowrakken toegestaan.</al><tussenkop>Artikel 4.7.1 model-APV</tussenkop><al>In artikel 4.7.1 model-APV is een soortgelijke bepaling opgenomen. Op grond van
                    het eerste lid kan het college buiten de weg gelegen plaatsen aanwijzen, waar
                    het verboden is om onder andere afvalstoffen en autowrakken op te slaan. Door
                    het opnemen van deze bepaling in de model-afvalstoffenverordening is artikel
                    4.7.1 model-APV - alleen - voor wat betreft het aanwijzen van plaatsen voor
                    afvalstoffen en autowrakken komen te vervallen.</al><al>Artikel 4.2.31 beoogt het belang van het milieu te beschermen. Ten aanzien van
                    autowrakken die op de weg zijn geplaatst , zie ook artikel 5.1.4 model-APV. Dit
                    artikel heeft een aanvullend motief op grond van de verkeersveiligheid.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.2.32: Afgifte autowrakken afkomstig uit een
                    huishouden</tussenkop><al>(Nieuw)</al><al>Nieuw wettelijk regime autowrakken De regelgeving voor autowrakken is in 2002
                    drastisch gewijzigd. Op 8 mei 2002 is de wijziging van de Wet milieubeheer
                    (structuur beheer afvalstoffen, Staatsblad 2001, 346) gedeeltelijk in werking
                    getreden. Op 2 juli 2002 is het Besluit beheer autowrakken (Staatsblad 2002,
                    259) in werking getreden. Het nieuwe Besluit Beheer Autowrakken (hierna te
                    noemen BBA) verplicht autofabrikanten om een hoogwaardig inname- en
                    verwerkingssysteem voor autowrakken op te zetten.</al><tussenkop>Zich ontdoen van een autowrak door huishoudens</tussenkop><al>Dit artikel is een uitwerking van artikel 6 BBA. Hierin is de afgifte van
                    autowrakken door huishoudens geregeld. Op grond van artikel 6 BBA moeten
                    gemeenten in hun afvalstoffenverordening bepalen dat een autowrak, zijnde een
                    huishoudelijke afvalstof, slechts mag worden afgegeven aan
                    autodemontagebedrijven, garages en autoschadeherstelbedrijven of aan een persoon
                    die in een ander land dan Nederland is gevestigd (onder strikte
                    voorwaarden).</al><al>Op grond van artikel 7 BBA worden autowrakken, afkomstig van huishoudens
                    uitdrukkelijk uitgezonderd van de gemeentelijke zorgplicht voor de inzameling
                    van huishoudelijk afval.</al><tussenkop>Definitie autowrak</tussenkop><al>In artikel 1.1, eerste lid 1, Wm (oud) werd de definitie van autowrak gegeven,
                    met een nadere uitwerking in het Besluit nadere omschrijving begrip
                    afvalstoffen. Het begrip autowrak wordt nu gedefinieerd in artikel 1, onder b,
                    BBA als: <cursief>“voertuig dat een afvalstof is in de zin van artikel 1.1 lid 1
                        van de </cursief><cursief>Wm</cursief><cursief>.”</cursief></al><al>De Wm definieert het begrip afvalstof als volgt: “alle stoffen, preparaten of
                    andere producten …… waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te
                    ontdoen of zich moet ontdoen”. Zie voor de volledige definitie het commentaar op
                    artikel 1 van deze verordening.</al><al>In de Nota van toelichting van het BBA wordt nader ingegaan op het begrip
                    autowrak. “De houder van een voertuig zal zich doorgaans zich daarvan ontdoen,
                    voornemens zijn zich daarvan te ontdoen of zich daarvan moeten ontdoen, wanneer
                    het voertuig rijtechnisch in onvoldoende staat verkeert en het niet meer op
                    rendabele wijze in een rijtechnisch voldoende staat is te brengen. Een
                    motorrijtuig verkeert in een rijtechnisch onvoldoende staat wanneer het niet
                    voldoet aan de wettelijke inrichtingseisen, genoemd in de wegenverkeerswetgeving
                    of aan de apk-eisen of andere ernstige technische gebreken kent, bijvoorbeeld of
                    essentiële onderdelen zijn gedemonteerd. Voor het beantwoorden van de vraag of
                    een voertuig op rendabele wijze weer in rijtechnisch voldoende staat te brengen
                    is, kan worden uitgegaan van de richtprijzen voor gebruikte voertuigen en van de
                    door garages en schadeherstelbedrijven gehanteerde tarieven voor
                    reparatiewerkzaamheden. De vraag of sprake is van een autowrak zal van geval tot
                    geval door een persoon belast met de handhaving bepaald moeten worden op grond
                    van de wet- en regelgeving en de jurisprudentie terzake”.</al><al>Er is dus sprake van een autowrak indien een voertuig niet meer op economisch
                    rendabele wijze in rijtechnisch voldoende staat is te brengen.</al><tussenkop>Paragraaf 3 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging </tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting paragraaf 3:</tussenkop><al>In deze paragraaf is een aantal algemene bepalingen opgenomen, waarmee wordt
                    beoogd de vervuiling van de stad en de daardoor veroorzaakte verloedering van de
                    woon- en leefomgeving tegen te gaan. Het gaat hierbij vooral om gedragingen van
                    burgers inzake het milieu, waaromtrent in bijzondere wetten als bijvoorbeeld de
                    Afvalstoffenwet, de Wet milieubeheer en de Wet chemische afvalstoffen of de op
                    deze wetten gebaseerde voorschriften en/of gemeentelijke verordeningen, danwel
                    in deze verordening geen bijzondere regels zijn gesteld.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.3.1: verbod opslag van afvalstoffen</tussenkop><al>vervallen</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.3.5: straatvegen</tussenkop><al>Artikel 4.3.5 beoogt niet een verkeersbelang te dienen, maar heeft een
                    milieumotief. In het bijzonder strekt het ter voorkoming van overlast voor de
                    reinigingsdienst. Bovendien heeft het verbod slechts betrekking op bepaalde,
                    aangewezen weggedeelten en geldt het slechts gedurende bepaalde aangeduide dagen
                    en uren. Het kenbaar maken van het verbod kan via verplaatsbare borden
                    geschieden.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.3.6: natuurlijke behoefte doen</tussenkop><al>Met behulp van deze bepaling zal vooral in excessieve situaties kunnen worden
                    opgetreden. Artikel 4.3.6 kan worden gebruikt tegen personen, die hun
                    natuurlijke behoefte doen op of aan de wet, daar waar veel passanten zijn.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.3.8: toestand sloten/wateren </tussenkop><al>Dit artikel betreft een onderwerp, dat voorheen in de bouwverordening geregeld
                    was. Aangezien het hier om bepalingen gaat die niet direct het bouwwerk maar
                    meer de omgeving betreffen, is tot onderbrenging in de APV besloten.</al><tussenkop>Paragraaf 4 Het bewaren van houtopstanden/natuurbescherming</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting paragraaf 4:</tussenkop><al>In deze paragraaf was de voormalige Kapverordening opgenomen. </al><al>De bepalingen van deze paragraag voldeden niet meer. Er bestaat behoefte aan een
                    regeling die uitsluitend betrekking heeft op een beperkt aantal te beschermen
                    bomen. Een algemeen kapverbod geeft de gemeente onnodig veel werk omdat er in
                    praktijk meer dan 90% van de aanvragen om kapvergunning wordt verleend. Ook voor
                    de burger is een algemeen kapverbod belastend.</al><al>Gekozen is voor het uitgangspunt dat in beginsel geen kapvergunning vereist is
                    voor het vellen van een boom tenzij deze staat vermeld op de door de gemeente
                    opgestelde en vastgestelde bomenlijst.</al><al>Dit heeft ertoe geleid dat van de 8 artikelen er slechts 4 in afgeslankte vorm
                    overblijven.</al><al>Nu er gekozen is voor een geheel nieuwe opzet van de bepalingen is het vermelden
                    van verouderde jurisprudentie niet meer relevant.</al><al>Van belang is om bij de aanvrager onder de aandacht te brengen dat niet altijd
                    gebruik kan worden gemaakt van een verleende vergunning. Het kan zijn dat een
                    vereiste vergunning/vrijstelling/ontheffing van de Natuurbeschermingswet of
                    Flora-en faunawet ontbreekt. M.n. de vogels in de bomen dienen te worden
                    beschermd.</al><al>De artikelen 4.4.4. tot en met 4.4.8. zijn in verband met de nieuwe opzet komen
                    te vervallen.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.4.2: kapverbod</tussenkop><al>In deze bepaling wordt het belangrijkste nieuwe element geïntroduceerd: de
                    bomenlijst.</al><al>De gemeenteraad moet deze lijst vaststellen.</al><al>Uitgangspunten van deze lijst:</al><lijst><li nr="•"><al>Verantwoordelijkheid bij de gemeenten zelf: d.w.z. voor het
                            inventariseren en actualiseren van het gemeentelijk bomenbestand en het
                            overnemen van de gemeentelijke monumentale bomen die vermeld staan op de
                            landelijke lijst van de Bomenstichting in Utrecht.</al></li><li nr="•"><al>Duidelijk en inzichtelijk voor de burgers;</al></li><li nr="•"><al>Zoveel mogelijk de te beschermen bomen verankeren in een
                            bestemmingsplan, op het renvooi van de plankaart of in een
                            landschapsbeleidsplan of bomenplan.</al></li><li nr="•"><al>De bomenlijst is als bijlage opgenomen bij de bepalingen.</al></li></lijst><tussenkop>Toelichting artikel 4.4.3: vergunning van rechtswege</tussenkop><al>De vergunning wordt geacht te zijn verleend wanneer niet binnen de genoemde
                    termijn een beslissing is genomen op de aanvraag.</al><al>De bepaling 4.4.3. inzake de aanvraag vergunning is vervallen omdat dit in de
                    Algemene wet Bestuursrecht is opgenomen.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.4.4:</tussenkop><al>Artikel is komen te vervallen per 2009. </al><tussenkop>Toelichting artikel 4.4.5: Bijzondere
                    vergunningsvoorschriften</tussenkop><al>Lid 1 biedt de mogelijkheid een herplantplicht op te leggen. Behalve een termijn
                    kan ook een aanwijzing worden gegeven met betrekking tot bijvoorbeeld een
                    bepaalde boomsoort. In de APV 2009 is het derde lid, sub b. aangepast: het is
                    wenselijk dat van de kapvergunning geen gebruik wordt gemaakt tot het moment dat
                    op het bezwaarschrift is beslist. Hierin wordt voorzien in het derde lid, sub b. </al><tussenkop>Paragraaf 5 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting paragraaf 5:</tussenkop><al>In deze paragraaf is een drietal bepalingen opgenomen, waarmee primair wordt
                    beoogd het uiterlijk aanzien van de gemeente te beschermen. Dit uiterlijk
                    aanzien kan in het geding komen door ongecontroleerde opslag op particuliere
                    terreinen van allerhande materialen en voorwerpen, alsmede door reclames aan
                    gebouwen en door het in het wilde weg plaatsen van reclamevoertuigen in de
                    gemeente.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.5.1: opslag bromfietsen, motorvoertuigen caravans
                    etc.</tussenkop><al>Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit
                    oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare
                    opslag van bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten en –afval. Het
                    college is bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag geboden is
                    c.q. aan bepaalde regels gebonden is.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.5.2: verbod hinderlijke of gevaarlijke
                    reclame</tussenkop><al>In de APV 2009 is weer een (gedeeltelijke) vergunningplicht ingevoerd. Er is in
                    het kader van de dereguleringsgedachte wel naar gestreefd de regeling zo op te
                    zetten, dat de gemeentelijke bemoeienis met reclames niet verder gaat dan nodig
                    is voor een redelijke bescherming van bepaalde belangen (welstand,
                    verkeersveiligheid en voorkoming of beperking overlast), en dat het aantal
                    administratieve handelingen niet groter is dan strikt nodig. Een aantal
                    opschriften e.d. die kunnen dienen tot het maken van handelsreclame zijn
                    uitgezonderd van de vergunningsplicht (lid 2). Het betreft hier uitingen die
                    zijn aangebracht binnen een onroerend goed zonder zichtbaar te zijn vanuit de
                    openbare weg. Voorts is het aanbrengen van kleine uitingen, uitingen waarbij een
                    onroerende te koop wordt aangeboden, bordjes van beroepsuitoefening (arts,
                    notaris etc), borden bij bouwprojecten en uitingen ten behoeve van het openbaar
                    vervoer uitgezonderd van de vergunningplicht. Verder wordt ruimte gelaten aan
                    uitingen die tijdelijk worden aangebracht (bijvoorbeeld aankondigingen van
                    winkeliers op de etalageruit met een tijdelijk karakter zoals bijvoorbeeld
                    “uitverkoop”).</al><tussenkop>Paragraaf 6 Kamperen buiten kampeerterreinen</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>In verband met de afschaffing van de Wet op de Openluchtrecreatie (WOR) met
                    ingang van 1 januari 2008 zijn in de APV drie artikelen opgenomen. Dit ter
                    voorkoming van ongewenste situaties.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4.6.1</tussenkop><al>In de begripsomschrijving gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen,
                    kampeerwagen en caravan.</al><tussenkop>TOELICHTING HOOFDSTUK 5</tussenkop><tussenkop>ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE</tussenkop><al>Paragraaf 1 Parkeerexcessen</al><tussenkop>Algemene toelichting paragraaf 1:</tussenkop><al>Gemeentelijke regels betreffende het parkeren moeten betrekking hebben op
                    excessen; zij mogen niet mede het “normale” parkeren bestrijken, zoals het
                    stilstaan en wachten op wegen ten behoeve van het onmiddellijk in- en uitstappen
                    van personen en het onmiddellijk laden en lossen van goederen.</al><al>Het begrip “parkeerexces” heeft geen vaststaande inhoud. In de eerste plaats
                    gaat het om parkeren dat buitensporig is jegens andere weggebruikers met het oog
                    op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte, en dat op grond daarvan niet
                    toelaatbaar kan worden geacht.</al><al>In de tweede plaats betreft het parkeren dat onaanvaardbaar is om twee redenen,
                    zoals de aantasting van de openbare orde of veiligheid, schaden van het
                    uiterlijk aanzien van de gemeente, belemmering van het uitzicht.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5.1.1: begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder “weg” verstaan hetgeen artikel
                    1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. In artikel 5.1.1 is ook een
                    definitie opgenomen van “parkeren”. Gemeentelijke regels betreffende het
                    parkeren moeten betrekking hebben op excessen; zij mogen niet mede het “normale”
                    parkeren bestrijken, zoals het stilstaan en wachten op wegen ten behoeve van het
                    onmiddellijk in- en uitstappen van personen en het onmiddellijk laden en lossen
                    van goederen. Het begrip “parkeerexces” heeft geen vaststaande inhoud. In de
                    eerste plaats gaat het om parkeren dat buitensporig is jegens andere
                    weggebruikers met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte, en
                    dat op grond daarvan niet toelaatbaar kan worden geacht.</al><al>In de tweede plaats betreft het parkeren dat onaanvaardbaar is om andere
                    redenen, zoals de aantasting van de openbare orde of veiligheid, schaden van
                    uiterlijk aanzien van de gemeente, belemmering van uitzicht.</al><al><vet>Toelichting artikel 5.1.2: parkeren van voertuigen van autobedrijf
                        e.d</vet>. </al><al>Artikel 5.1.2, eerste lid, sub a, beoogt optreden mogelijk te maken tegen die
                    autohandelaren en exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die
                    de weg voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hen toebehoren
                    en/of zijn toevertrouwd. Het gaat hier om situaties waarin het gebruik van
                    parkeerruimte op buitensporige wijze plaats heeft en uit dien hoofde niet
                    toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief).</al><al>Als (neven)bedrijf uitgeoefende reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg
                    geparkeerde voertuigen kan leiden tot klachten. Deze werkzaamheden geven veelal
                    klachten inzake geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in mindere mate
                    wordt geklaagd over de als gevolg van deze activiteiten verminderde
                    parkeergelegenheid. Op grond van artikel 5.1.2, eerste lid, sub b, kan hiertegen
                    worden opgetreden. Met het oog op het vorenstaande is het derhalve wenselijk de
                    strafbaarheid van het herstellen of slopen op de weg niet te relateren aan de
                    omstandigheid dat er sprake moet zijn van twee of meer voertuigen. Indien het
                    slopen of herstellen van een voertuig bij herhaling geschiedt, moet – met het
                    oog op de vorengenoemde bezwaren – hiertegen kunnen worden opgetreden,
                    daargelaten of zich in de onmiddellijke omgeving meer auto’s bevinden die
                    betrokkene “toebehoren of zijn toevertrouwd”. Er zij op gewezen dat het
                    veroorzaken van hinderlijk rumoer reeds is verboden in artikel 2.4.4 van de APV. </al><al>Met het oog op het toenemend aantal klachten is een strafbepaling, welke zich in
                    het bijzonder richt tot de onderhavige activiteiten, wenselijk naast genoemde
                    (algemene) verbodsbepalingen.</al><al>Het tweede lid verschaft de mogelijkheid om ook op te treden tegen excessief
                    gebruik van de openbare weg door (voertuigen van) rijschoolhouders en
                    taxibedrijven.</al><al>In het derde lid onder a, is het woord “vergen” gebezigd in plaats van “duren”
                    teneinde twijfel over de vraag of met een bepaalde herstel- of
                    onderhoudswerkzaamheid meer dan een half uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit te
                    sluiten. Bij het gebruik van de term “vergen” beschikt men over een meer
                    objectieve maatstaf.</al><al>De in het eerste lid gestelde verbodsbepaling geldt uiteraard niet voor het
                    normaal parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de
                    exploitant.</al><al>Het verlenen van een ontheffing ingevolge het vierde lid zal in het algemeen op
                    zijn plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen,
                    redelijkerwijs moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden
                    ten dienste staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto’s op de weg te
                    parkeren. Te denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds
                    lang bestaand bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein
                    of in de nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren c.q. daarover op
                    andere wijze de beschikking te krijgen. Aan de ontheffing kunnen uiteraard
                    voorschriften worden verboden, onder meer omtrent de plaats waar en de tijd
                    gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg
                    mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen dat ter
                    plaatse door de houder van de ontheffing mag worden geparkeerd.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5.1.3: te koop aanbieden van voertuigen</tussenkop><al>Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de
                    openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen echt probleem.
                    Anders ligt het wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden
                    worden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt het voor de
                    omwonenden aanzienlijke overlast met zich mee. Een dergelijke uitstalling van
                    voertuigen trekt immers kooplustigen aan. Ook wordt er een aanmerkelijk beslag
                    op de beschikbare parkeerruimte gelegd. In deze bepaling is gekozen voor een
                    constructie waarin het college de bevoegdheid heeft gebieden aan te wijzen waar
                    het verbod van kracht is. Wanneer er naar het oordeel van het college sprake is
                    van overlast kan die het verbod activeren.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5.1.4: defecte voertuigen</tussenkop><al>Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op de
                    weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van een of meer van dergelijke
                    voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs maanden van
                    zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Niet altijd slaagt
                    deze poging, waarna het voertuig op de weg wordt achtergelaten, waar het na
                    verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in het
                    bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het bijzonder
                    gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde
                    doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het hier bedoelde
                    parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente meebrengen en
                    om die reden excessief zijn.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5.1.5: voertuigwrakken</tussenkop><al>Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere
                    tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot
                    het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig
                    op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak in de eerste plaats
                    aanstoot, doordat het een ontsierend element in het straatbeeld vormt. Ook houdt
                    een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en voor de weggebruikers. Het op
                    de weg plaatsen of hebben van een wrak is dus primair om die reden excessief.
                    Daarnaast speelt echter ook het zo juist genoemde verkeersmotief een rol bij het
                    uitvaardigen van dit verbod. In het derde lid is de afbakening geregeld ten
                    opzichte van hetgeen is geregeld in artikel 10.17 van de Wet milieubeheer, te
                    weten het verbod tot het aanwezig hebben van autowrakken op een voor het publiek
                    zichtbare plaats.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5.1.6: caravans, aanhangwagen etc.</tussenkop><al>De tekst van dit artikel komt uit de model-apv.</al><al>Artikel 5.1.6, eerste lid sub a, richt zich tegen het langer dan nodig parkeren
                    van caravans, kampeerwagens e.d. op de weg. Het excessieve van het hier bedoelde
                    parkeren is in de eerste plaats gelegen in het buitensporige gebruik van
                    parkeerruimte dat hiermee gepaard gaat. Daarnaast is dat het ontsieren van het
                    uiterlijk aanzien van de gemeente. Het parkeren op ten hoogste drie
                    (achtereenvolgende) dagen wordt niet verboden, opdat de betrokkene de
                    gelegenheid zal hebben zijn kampeerwagen of caravan voor een te ondernemen reis
                    gereed te maken, respectievelijk na de reis op te ruimen. Het verplaatsen van
                    een caravan, kampeerwagen e.d. op de weg binnen de genoemde drie-dagen termijn
                    naar een plek in de onmiddellijke omgeving van de “oude parkeerplek” heeft niet
                    tot gevolg dat opnieuw een drie-dagentermijn gaat lopen.</al><al>Artikel 5.1.6 eerste lid, sub b, richt zich tegen het ontsieren van het
                    uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van caravans e.d.
                    elders dan op de weg in de zin van de WVW. Het gaat hier vooral om situaties
                    waarin particulieren hun caravans e.d. lange tijd op eigen terrein laten staan
                    op een zodanige wijze, dat dit voor een ieder vanaf de openbare weg zichtbaar
                    is. Deze wijze van parkeren kan ontsierend zijn.</al><al>Artikel 7, lid 1 van de parkeerverordening is in strijd met dit artikel. Lid 4
                    is toegevoegd teneinde deze tegenstrijdigheid op te heffen. Tegelijk met deze
                    wijziging vindt een dienovereenkomstige aanpassing van de Parkeerverordening
                    plaats.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5.1.7: parkeren van reclamevoertuigen</tussenkop><al>In de praktijk wordt vaak geklaagd over het in het wilde weg plaatsen van
                    voertuigen, aanhangwagens e.d. op of langs de weg met de kennelijke bedoeling om
                    daarmee reclame te maken. Dit doet afbreuk aan het uiterlijk aanzien van de
                    gemeente. Daarom is in artikel 5.1.7.voorzien in een verbod om dergelijke
                    voertuigen op de weg te plaatsen, behoudens ontheffing van het college.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5.1.8: parkeren van grote voertuigen</tussenkop><al>Artikel 5.1.8, eerste lid beoogt het gemeentebestuur mogelijkheden te
                    verschaffen om aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het
                    doen of laten staan van bepaalde voertuigen tegen te gaan. Het doen of laten
                    staan van grote voertuigen kan immers op bepaalde plaatsen, zoals vóór
                    monumenten en historische gebouwen,, in parken, op rustieke plekjes in open
                    landschappen een ernstige aantasting van het stads-, dorps- of landschapsschoon
                    betekenen. Vrachtauto’s, aanhangwagens, kermiswagens en reclameauto’s bij
                    voorbeeld kunnen op dergelijke plaatsen een zeer storend element vormen. Het
                    zijn deze situaties waarop deze bepaling het oog heeft. Gezien het motief van
                    deze bepaling heeft zij ook betrekking op het parkeren van grote voertuigen
                    buiten de weg.</al><al>Het tweede lid van artikel 5.1.8 beoogt optreden mogelijk te maken tegen het
                    parkeren van grote voertuigen op de weg, als dat gepaard gaat met een excessief
                    gebruik van de weg. Met betrekking tot dit motief “buitensporig gebruik van de
                    weg” wordt opgemerkt dat het niet noodzakelijkerwijs om het parkeren van méér
                    voertuigen behoeft te gaan. Ook het parkeren van één groot voertuig kan een
                    parkeerexces in deze zin opleveren. Uit de aanwijzing van plaatsen waar het
                    parkeren van grote voertuigen niet toelaatbaar is, zal duidelijk moeten blijken
                    of deze aanwijzing is gebaseerd op het eerste lid of het tweede lid, zulks mede
                    in verband met het bepaalde in het derde lid.</al><al>De werking van het in het tweede lid gestelde verbod is ingevolge het derde lid
                    beperkt tot de avond en de nacht, alsmede het weekeinde en de doordeweekse
                    feestdagen. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de belangen
                    van met name handel en industrie te zeer schaden. Dit ligt echter anders wanneer
                    de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente in het geding is. Het
                    parkeren van grote voertuigen op plaatsen waar dit naar de mening van het
                    college schadelijk is voor dit uiterlijk aanzien, moet te allen tijde verboden
                    kunnen worden. Daarom geldt de in het derde lid vervatte uitzondering niet voor
                    het in het eerste lid gestelde verbod. </al><al>Naast het krachtens het tweede lid geldende beperkingen kent dit lid aan het
                    college de bevoegdheid toe ter zake van de in de eerste twee leden omschreven
                    verboden een ontheffing te verlenen. Aldus kan worden voorkomen dat de werking
                    van deze verboden in incidentele gevallen zou leiden tot een onevenredige
                    aantasting van bedrijfsbelangen. Verzoeken om ontheffing zullen van geval tot
                    geval moeten worden bekeken. Aan een ontheffing kunnen uiteraard voorschriften
                    worden verbonden betreffende de tijd en plaats waarop deze zal gelden.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5.1.9: parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen </tussenkop><al>Het eerste lid van artikel 5.1.9 beoogt optreden mogelijk te maken tegen het
                    parkeren van vrachtwagens e.d. bij andermans voor bewoning of ander dagelijks
                    gebruik bestemd gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of
                    gebruikers van het gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins
                    hinder of overlast wordt aangedaan. Onder de werking van deze bepaling valt ook
                    het hinderlijk doen of laten staan van grote voertuigen buiten de weg in de zin
                    van de WVW.</al><al>Door opneming van de bestanddelen “of hun anderszins hinder of overlast wordt
                    aangedaan” zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan
                    uitzichtbelemmering, door het parkeren van grote voertuigen aan bewoners of
                    gebruikers van gebouwen berokkend, stankoverlast en geluidsoverlast, bij
                    voorbeeld ten gevolge van het starten en warmdraaien van grote voertuigen.</al><al>De in het tweede lid opgenomen uitzondering ziet bijvoorbeeld op (het parkeren
                    van) “hoogwerkers”, meetwagens e.d.</al><al>Een ontheffingsmogelijkheid is niet geboden. Niet goed valt in te zien hoe deze
                    mogelijkheid te rijmen valt met het hinderlijke karakter van het hier bedoelde
                    parkeren.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5.1.10: parkeren van voertuigen met
                    stankverspreidende voertuigen</tussenkop><al>De tekst van dit artikel komt uit de model-apv </al><al>Deze bepaling ziet op hinder en overlast die voor bewoners of gebruikers van
                    nabijgelegen gebouwen of terreinen kunnen ontstaan door het parkeren van
                    voertuigen met stankverspreidende stoffen, zoals vrachtauto’s van
                    destructiebedrijven, vismeelfabrieken e.d. </al><al>Onder de werking van deze bepaling valt ook het doen of laten staan van
                    voertuigen met stankverspreidende stoffen buiten de weg in de zin van de
                    WVW.</al><al>Een ontheffingsmogelijkheid wordt niet geboden. Deze mogelijkheid valt niet goed
                    te rijmen met het hinderlijke karakter van het hier bedoelde parkeren.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5.1.11: overlast van fiets of bromfiets</tussenkop><al>De tekst van dit artikel komt uit de model-APV</al><al>Het nieuwe artikel 5.1.11 maakt het mogelijk van overheidswege op te treden
                    tegen overlast die veroorzaakt wordt door het plaatsen van fietsen of
                    bromfietsen buiten fietsenstalling-plaatsen. Het gaat om plaatsen waar zich
                    grote concentraties van gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bij stations,
                    winkelcentra, culturele instellingen en dergelijke. Voorop staat dat dan wel
                    voldoende stallingmogelijkheden ter plekke aanwezig zijn. Door het college
                    aangewezen plaatsen zullen moeten worden voorzien van borden, waarop staat
                    aangegeven dat foutief gestalde (brom)fietsen zullen worden verwijderd (is
                    toepassing van bestuursdwang). Op grond van het tweede lid is het verboden
                    (brom)fietswrakken op de weg te laten staan. Zowel in de stallingruimten voor
                    (brom)fietsen als overigens op de weg kunnen deze (brom)fietswrakken veel
                    overlast, ontsiering van de gemeente of schade aan de openbare gezondheid
                    veroorzaken.</al><al>Het gaat hierbij om (brom)fietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van
                    onderhoud en tevens in een verwaarloosde toestand verkeren. Deze wrakken die
                    doorgaans aan niemand meer toebehoren, kunnen op grond van het tweede lid van
                    dit artikel worden opgehaald en als grof vuil worden afgevoerd.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5.1.12: aantasting groenvoorzieningen door
                    voertuigen</tussenkop><al>De tekst van dit artikel komt uit de model-APV, waarnaar kortheidshalve wordt
                    verwezen.</al><tussenkop>Paragraaf 2 Collecteren, venten en standplaatsen</tussenkop><tussenkop>Toelichting artikel 5.2.1: inzameling van geld of goed</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>In het kader van de vermindering van regelgeving en de vereenvoudiging van
                    vergunningen is gekeken of de inzamelingsvergunning gehandhaafd diende te worden
                    of dat er andere mogelijkheden zijn variërend van afschaffen van de vergunning
                    tot een algemene regel.</al><tussenkop>Achtergrond</tussenkop><al>Van oudsher wordt in Nederland op ruime schaal een beroep gedaan op de
                    liefdadigheidszin van het publiek door middel van collecten, inschrijvingen,
                    verkoop van steunbonnetjes enz. Doorgaans gaan inzamelingsacties uit van
                    volkomen betrouwbare instellingen. Incidenteel komt het voor dat bij de
                    inzamelaar niet de charitatieve doelstelling voorop, staat maar een ander
                    (commercieel) belang. Hierbij wordt bij de burger de indruk gewekt dat de
                    opbrengst naar het goede doel gaat terwijl dit voor maar een klein deel het
                    geval is.</al><al>Buiten de sfeer van het strafrecht ligt het bestrijden van ongewenste praktijken
                    primair op de weg van de gemeenten die het vergunningenbeleid voor inzamelingen
                    in handen hebben. Dit is destijds verwoord in de Memorie van Toelichting (MvT)
                    bij het wetsontwerp tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht met een
                    bepaling omtrent telefonische colportage voor een goed doel (Kamerstuk 15678,
                    Stb. 1982,12). Bijlage bij dit kamerstuk was het rapport van de Werkgroep
                    misbruik bij charitatieve acties. Deze interdepartementale werkgroep werd in
                    1976 ingesteld naar aanleiding van kamervragen met als opdracht te rapporteren
                    op welke wijzen zich bij charitatieve acties misbruik kan voordoen en of en in
                    hoeverre dit kan worden bestreden. In de MvT wordt het volgende opgemerkt: “Ook
                    de overheid heeft een taak om het misbruik dat in sommige gevallen van de betere
                    gevoelens van de mensen en van hun goedgeefsheid wordt gemaakt te bestrijden.
                    Niet alleen is dit nodig ter bescherming van het publiek, maar ook ter
                    bescherming van de bonafide charitatieve instellingen, die voor de financiering
                    van hun activiteiten in meerdere of mindere mate zijn aangewezen op de offerzin
                    van het publiek.” Het rapport stelt vast, dat in de jurisprudentie in het
                    algemeen wordt aangenomen dat de gemeentelijke wetgever regelend mag optreden
                    ten aanzien van collecteren in de gemeente. </al><tussenkop>Huidige ontwikkelingen </tussenkop><al>Inmiddels zijn we dertig jaar verder. De vraag is of in de huidige maatschappij
                    nog steeds behoefte is aan een beschermende overheid zowel in het kader van het
                    toezicht op bonafide instellingen als van de beperking van het aantal
                    inzamelingen met het oog op het voorkomen van overlast voor burgers.</al><al>Goede doelen gebruiken steeds nieuwe methoden om geld in te zamelen. Jarenlang
                    was de huis- aan-huiscollecte de meest voorkomende vorm, tegenwoordig worden
                    mensen via de post (direct mail), de telefoon, het aanspreken op straat (direct
                    dialogue), door shows op tv en concerten (Live Aid, Dance4life) direct of
                    indirect aangesproken. Bij de gehanteerde methoden - of het nu per brief of
                    mondeling is - wordt vaak een sterke morele aanspraak gedaan op de geldgever
                    (die op een relatief eenvoudige manier zeer veel goeds kan doen). </al><al>Dat de goede doelen-branche steeds verder is geprofessionaliseerd wordt ook
                    duidelijk vanwege het inschakelen van professionele (commerciële)
                    fondswervingsbedrijven. Deze sales- en marketingbedrijven zijn gericht op het
                    werven van klanten (leden of donateurs) voor hun opdrachtgevers. Ze hebben
                    getrainde, resultaatgerichte mensen in dienst. Zowel de fondsenwerver op straat
                    als de uitvoerende instelling kan worden afgerekend op het aantal binnengehaalde
                    machtigingen (klanten/leden/donateurs). De professionele fondsenwervers willen
                    hun activiteiten met enige regelmaat uitvoeren, niet alleen huis-aan-huis, maar
                    ook op straat. </al><al>De inzamelingsvergunning in de APV is destijds met een ander uitgangspunt
                    ontwikkeld, namelijk spreiding middels het collecterooster. De meeste burgers
                    zijn mondig genoeg om aan te geven of zij al dan niet gediend zijn van een
                    inzamelingsactie. Er zijn echter nog steeds kwetsbare groepen in de samenleving
                    die enige bescherming nodig hebben. Niet voor niets wordt regelmatig aangegeven
                    dat het bij bezoek aan de deur, om wat voor reden dan ook, verstandig is een
                    legitimatie te vragen..</al><al>De nieuwe methoden van fondsenwerving leveren veel geld op en zullen daarom niet
                    snel verdwijnen. Tegelijkertijd kunnen de diverse werkwijzen voor de burger
                    overlast opleveren omdat men soms meerdere malen per dag aangesproken wordt door
                    een goed doel. De branche zelf erkent dat er irritatie is maar geeft aan dat het
                    persoonlijk contact de meest indringende manier is om klanten of donateurs te
                    werven.</al><al>Interessant is dat in Denemarken de wetgever het verboden heeft potentiële
                    klanten te benaderen per telefoon, mail, automatisch oproepsysteem, of
                    persoonlijk tenzij de ontvanger van tevoren hiermee akkoord is gegaan.</al><al>De commercialisering en professionalisering en het feit dat er sprake is van een
                    lucratieve markt, doen vermoeden dat de gevolgen van het afschaffen van een
                    inzamelingsvergunning ongewenst zijn. Indien daartoe over wordt gegaan, wordt
                    een grote toename van al dan niet commerciële inzamelaars die zich op de dan
                    vrije markt zullen begeven verwacht. De gevolgen hiervan ondervindt de burger
                    aan zijn voordeur of op straat. Dit is voor de VNG de reden om de
                    inzamelingsvergunning niet te schrappen uit de model-APV.</al><tussenkop>Aanpassingen gehele herziening 2008</tussenkop><al>Bij de dereguleringsactie heeft de model-APV enkele voor de gehele APV geldende
                    wijzigingen doorgevoerd. In artikel 1.7, van de model-APV is het uitgangspunt
                    van een vergunning voor onbepaalde tijd opgenomen, tenzij bij de vergunning of
                    ontheffing anders is bepaald. Wat betreft de inzamelingsvergunning wordt een
                    doorlopende vergunning verstrekt voor de instellingen die voorkomen op het
                    collecterooster. In de meeste gemeenten is dit al het geval. De VNG heeft
                    hiertoe geadviseerd bij Lbr. 89/140, 16 oktober 1989. Elders in deze toelichting
                    wordt een model gegeven.</al><al>Voor instellingen die niet voorkomen op het collecterooster wordt een vergunning
                    voor bepaalde tijd afgegeven. Voor bijvoorbeeld een lokale sportclub die
                    huis-aan-huis wil collecteren voor een nieuw clubhuis, zal doorgaans een
                    vergunning voor een week worden afgegeven in een collectevrije periode. </al><al>Een <cursief>algemene regel</cursief> waarbij niet-keurmerkinstellingen die niet
                    op het rooster voorkomen worden vrijgesteld van de vergunningsplicht, eventueel
                    gekoppeld aan een meldingsplicht, is niet zinvol. Het verlenen van een
                    incidentele vergunning is immers maatwerk. Vaak betreft het een lokale
                    organisatie waarbij specifiek voor die organisatie geldende voorwaarden worden
                    gesteld. Juist doordat de gemeente bij deze instellingen niet kan afgaan op een
                    oordeel van het CBF dient deze zelf een afweging te maken of sprake is van een
                    bonafide instelling. Daarbij is het uitgangspunt van het collecterooster dat er
                    slechts één organisatie per week huis-aan-huis mag collecteren met het oog op
                    het voorkomen van overlast. </al><al>Een<cursief>l</cursief><cursief>ex</cursief><cursief>silencio</cursief><cursief>
                        positivo </cursief>voegt niets toe. De landelijke instellingen op het
                    collecterooster hebben immers een doorlopende vergunning. De landelijke
                    instellingen doen een aanvraag om in een bepaalde week te mogen inzamelen. Beide
                    partijen (gemeente en aanvrager) zullen ervoor zorgen dat de vergunning ruim
                    voor die tijd is verleend, omdat bij overschrijden van de termijn de vergunning
                    geen nut heeft. Gezien het collecterooster is namelijk uitwijken naar een andere
                    week niet eenvoudig. Er zijn overigens geen signalen ontvangen uit de praktijk
                    dat het niet halen van de termijnen een probleem is.</al><al>De inzamelingsvergunning bevatte in het verleden geen
                        <cursief>weigeringsgronden</cursief>. Gezien de ontwikkelingen op het gebied
                    van inzamelen (mogelijk meerdere aanvragen voor inzamelen op straat, waarbij je
                    een maximumstelsel wilt hanteren) is het gewenst om weigeringgronden te kunnen
                    hanteren. Door een andere inrichting van de model-APV zijn de weigeringgronden
                    nu niet meer per artikel opgenomen, maar in hoofdstuk 1 benoemd. De
                    weigeringgronden van artikel 1.8 model-APV zijn dus ook van toepassing op de
                    inzamelingsvergunning.</al><al><cursief>Eerste lid</cursief> Voor het houden van een openbare inzameling is een
                    vergunning van het college nodig. Het artikel ziet op de welbekende inzamelingen
                    van geld middels collectebussen, maar ook op inzamelingen met gebruik van
                    intekenlijsten en de inzameling van goederen. Dit laatste komt bijvoorbeeld voor
                    als burgers gevraagd wordt een bijdrage te leveren aan een voedselpakket. Dit
                    kan middels een gift in geld maar ook door (vooraf bepaalde) producten te kopen
                    en vervolgens te doneren. Voor de openbaarheid van de inzameling is het
                    voldoende dat deze op of aan de openbare weg dan wel op een andere voor het
                    publiek toegankelijke plaats plaatsvindt. De bepaling ziet zowel op het
                    collecteren voor een ideëel als voor een commercieel doel. Deze bepaling ziet
                    formeel ook op inzamelen met collectebussen die op de toonbank van winkels
                    geplaatst zijn. Meestal betreft het hier een collectebus die voor langere tijd
                    geplaatst wordt. Hoewel dit formeel vergunningplichtig is, wordt hier in de
                    praktijk soepel mee omgegaan. Het heeft nog nooit tot klachten van hetzij
                    burgers hetzij organisaties op het collecterooster geleid. </al><al><cursief>Tweede lid</cursief> In het tweede lid is aangegeven dat ook een
                    vergunning vereist is, indien bij een inzameling geschreven of gedrukte stukken
                    worden aangeboden. Het komt veelvuldig voor dat het collecteren plaatsvindt
                    onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken, zoals prentbriefkaarten,
                    mapjes briefpapier e.d., waarbij de opbrengst een charitatieve bestemming
                    heeft.</al><al><cursief>Briefkaartenacties</cursief>Bij briefkaartenacties worden
                    briefkaarten huis-aan-huis te koop aangeboden. Deze activiteit komt tot stand op
                    initiatief van commerciële organisaties waarbij de naam van een goed doel wordt
                    gebezigd. Er wordt gebruikt gemaakt van studenten bij de verkoop. Een klein deel
                    van de opbrengst komt ten goede aan het goede doel, de rest van de opbrengst aan
                    de initiatiefnemers van de commerciële instelling. Het is verwarrend dat erkende
                    goede doelen (CBF-keur) meewerken aan dergelijke acties, Het CBF dringt er bij
                    de door haar erkende goede doelen dan ook op aan om goed toezicht te houden op
                    de verkoopactiviteiten en de informatie die daarbij vertrekt wordt. Vanwege
                    klachten over deze activiteiten die zowel bij het CBF als bij de goede doelen
                    zijn binnengekomen, is door verschillende instellingen met een goed doel
                    besloten te stoppen met deze activiteiten.</al><al><cursief>Direct </cursief><cursief>dialogue</cursief> Direct dialogue is een
                    fondsenwervingmethode waarbij mensen worden aangesproken en gevraagd om donateur
                    of lid te worden van een instelling voor een goed doel en waarbij een
                    intekenlijst wordt aangeboden. Het publiek geeft een machtiging af. In de
                    algemene toelichting is hierover al een en ander opgemerkt. Het is een
                    wervingmethode die de laatste jaren snel populair is geworden. Bij het opstellen
                    van de bepaling van de model-APV is met deze methode geen rekening is gehouden.
                    Deze zag immers voornamelijk op landelijk georganiseerde inzamelingen
                    huis-aan-huis.</al><al>Tot voor kort voor was de meest voorkomende vorm van direct dialogue inzameling
                    op plekken met veel lopend publiek, bijvoorbeeld in het winkelgebied of bij
                    stations. Tegenwoordig wordt deze vorm van inzamelen ook huis-aan-huis
                    toegepast. Dit maakt de vergunningverlening complexer. Duidelijk is dat voor de
                    huis-aan-huiswerving rekening gehouden dient te worden met het collecterooster.
                    De vergunning voor huis-aan-huis direct dialogue kan dan ook alleen verleend
                    worden voor de vrije perioden, waarin ook ruimte dient te zijn voor lokale
                    instellingen.</al><al>Organisaties die gebruik maken van direct dialogue op straat, willen graag
                    meerdere malen per jaar, gedurende enkele dagen leden werven. Een systeem van
                    vergunningverlening zoals aan de huis-aan-huiscollecten ten grondslag ligt (één
                    keer per jaar één week) voldoet niet aan deze behoefte. Duidelijk is ook
                    verschil bestaat tussen huis-aan-huiscollecteren en inzamelingen op straat. Een
                    groot aantal huis-aan-huiscollecten geeft eerder dan een groot aantal
                    straatcollecten aanleiding tot afkeer en wrevel onder de bevolking (AR
                    02-12-1983, Gst. 1984, 6763, 3). </al><al>Niet elke gemeente heeft te maken met direct dialogue-activiteiten, maar
                    gemeenten die regelmatig aanvragen krijgen kunnen overwegen om beleidsregels
                    vast te stellen. De gemeente kan aangeven hoeveel instellingen op een zelfde dag
                    een inzamelingsvergunning krijgen voor straatwerving, waarbij ook gekeken kan
                    worden naar het aantal wervers dat per instelling ingezet mag worden. Ook kan de
                    gemeente bepalen op welke plaatsen gebruik kan worden gemaakt van de vergunning.
                    Afgewogen dient te worden welke plekken het meest wenselijk zijn vanuit de
                    belangen van de wervende instelling en welke plekken geschikt zijn in het kader
                    van verkeersveiligheid, openbare orde en overlast. De in artikel 1.8 opgenomen
                    weigeringgronden geven de gemeente de mogelijkheid aan de hand van daar genoemde
                    criteria een maximumstelsel te hanteren.</al><al>Er bestaat een Gedragscode brancheorganisatie van de Vereniging Direct Dialogue
                    Donateurswervers Nederland. In deze gedragscode zijn regels opgenomen voor het
                    werven van leden en donateurs door middel van persoonlijke gesprekken. Enkele
                    van die regels zijn: de dienstverleners en hun medewerkers zullen zich aan
                    landelijke en lokale regelgeving houden (o.a. de APV), geen gebruik maken van
                    een intimiderende of agressieve werkwijze, de wervers hebben altijd een
                    identificatie bij zich en zijn goed getraind en geïnformeerd. </al><al><cursief> Direct </cursief><cursief>dialogue</cursief><cursief> in relatie tot
                        venten</cursief>Het komt de laatste tijd regelmatig voor dat
                    gemeenten benaderd worden door marketing- en salesorganisaties die een
                    vergunning aanvragen om huis-aan-huis klanten te werven voor hun opdrachtgevers.
                    Een opdrachtgever kan een charitatieve instelling zijn waarvoor leden worden
                    geworven door middel van een intekenlijst, maar ook een bedrijf dat producten
                    verkoopt. Bijvoorbeeld een energie- of telefonieleverancier werft huis-aan-huis
                    klanten waarbij aan de deur een contract wordt ondertekend. De vergunningen die
                    mogelijk op deze activiteiten van toepassing zijn, zijn de inzamelingsvergunning
                    (art 5.2.1. APV) en de ventvergunning (art. 5.2.2. APV). Wat betreft de
                    inzamelingsvergunning is het verwarrend dat het niet het charitatieve doel zelf
                    is dat de vergunning aanvraagt, maar de commerciële organisatie in opdracht van
                    een goed doel. Voor de hand ligt dat aan deze instelling bij het verlenen van de
                    inzamelingsvergunning dezelfde voorwaarden worden opgelegd als aan een
                    charitatieve instelling, dus ook het terugkoppelen van wat ingezameld is
                    (hoeveel machtigingen en voor welk bedrag). Bij venten ziet de vergunningplicht
                    zowel op het aanbieden van goederen als het aanbieden van diensten. Het werven
                    van klanten voor energieleveranciers valt onder het aanbieden van diensten. Doel
                    is immers om via deze methode een contract af te sluiten voor de levering van
                    een dienst. Een andere vorm van venten is het op straat of huis-aan-huis
                    verkopen van producten als een hotelbon of bon voor vakantiepark.</al><al><cursief>Gemeentelijk beleid met betrekking tot de verlening van de
                        inzamelingsvergunningen</cursief> Het gemeentelijk beleid inzake de
                    verlening van inzamelingsvergunningen heeft twee uitgangspunten: de inzameling
                    geschiedt door bonafide te achten instellingen en in het kader van overlast
                    wordt het aantal collecten beperkt en gelijkmatig over het jaar verdeeld.
                    Desgewenst wordt een onderscheid gemaakt tussen inzamelingen huis-aan-huis en op
                    straat.</al><al>De collecten van landelijke instellingen, voorkomende op het collecterooster
                    krijgen een doorlopende vergunning. De gemeente volgt hierbij het CBF en de
                    Stichting Collecteplan. Instellingen die niet op dit collecterooster voorkomen
                    en een vergunning vragen voor een vrije periode of voor werving op straat dienen
                    door de gemeente beoordeeld te worden. Bij de beoordeling van de aanvragen
                    worden in de praktijk onder meer de volgende criteria gehanteerd (indien van
                    toepassing): </al><al>de instelling moet als bonafide zijn aan te merken (advies inwinnen bij CBF); </al><al>de instelling moet specifiek plaatselijke kenmerken bezitten; en/of </al><al>de voorgenomen actie is geen duplicering van andere al 'gevestigde' inzamelingen
                    ten bate van een identiek doel, met name dat van instellingen vermeld op het
                    collecteplan; en/of de opbrengst van de voorgenomen collecte moet worden besteed
                    ten behoeve van personen of instellingen buiten de kring van collecterende
                    instellingen; en/of </al><al>de aanvragende instelling mag geen (controversiële) politieke doeleinden
                    nastreven;</al><al>controle van de begroting op besteding van de gelden;</al><al>tellen onder toezicht van een notaris;</al><al>betalingsbewijs achteraf (dat het geld daadwerkelijk is overgemaakt aan
                    doel);</al><al>gesloten bus, legitimatie inzamelaars etc;</al><al>onderschrijven Gedragscode brancheorganisatie van de Vereniging Direct Dialogue
                    Donateurswervers Nederland.</al><al>Model doorlopende inzamelingsvergunning </al><al>Het college van de gemeente … (naam);</al><al>Overwegende dat het in het belang is van de openbare orde om voorwaarden te
                    stellen aan de vergunning betreffende de inzameling van geld en goederen;</al><al>gelet op het bepaalde in artikel 5.2.1 van de Algemene Plaatselijke
                    Verordening;</al><al>gelet op het jaarlijks door de Stichting Centraal Bureau Fondsenwerving vast te
                    stellen collecterooster;</al><al>besluit tot het verlenen van een doorlopende inzamelingsvergunning aan:</al><al> … (naam instelling), te … (plaats). </al><al>onder de navolgende voorwaarden:</al><al>De instelling deelt de gemeente uiterlijk 3 maanden vóór de op het
                    collecterooster toegewezen periode mee dat de collecte wordt gehouden en wie ter
                    plaatse met de leiding van collecte zal zijn belast (naam, adres en
                    telefoonnummer contactpersoon). Indien dat niet is geschied, wordt de
                    betreffende periode door de gemeente aangemerkt als een zogenoemde ‘vrije
                    periode’. Dit houdt in dat een andere organisatie in aanmerking kan komen voor
                    een vergunning voor deze periode.</al><al>Indien de collecte niet doorgaat, wordt dit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk
                    8 weken voor de collectedatum doorgegeven aan de gemeenten. </al><al>De collectanten zijn onbezoldigd, minstens 16 jaar (indien jonger, onder
                    begeleiding van een volwassene), mogen niemand overlast bezorgen en dienen
                    eventuele aanwijzingen van de politie en/of daartoe aangewezen
                    gemeentefunctionaris stipt op te volgen. </al><al>Er mag slechts gecollecteerd worden met collectebussen die zijn verzegeld of met
                    een sleutelslot of plombe zijn afgesloten en waarop duidelijk de naam en/of het
                    doel van de collecterende instelling staat vermeld.</al><al>Het collecteren is toegestaan op maandag t/m zaterdag tussen 8.00 en 21.00
                    uur.</al><al>De collectanten moeten tijdens de collecte een door de collecterende instelling
                    gewaarmerkt geldig legitimatiebewijs dragen waarop in ieder geval de naam van de
                    collecterende instelling en de periode waarvoor de vergunning is verleend, zijn
                    vermeld.</al><al>De collecteopbrengst dient binnen 14 dagen na afloop van de collecte, door
                    middel van een door de leiding van de collecte ondertekende collectestaat, te
                    worden verantwoord bij de gemeente.</al><al>De vergunning wordt ingetrokken indien:</al><al>de instelling niet meer voorkomt op het collecterooster: </al><al> twee jaar achtereen geen gebruik van is gemaakt; </al><al>de voorschriften verbonden aan de vergunning niet worden nageleefd of de namens
                    het bevoegd gezag gegeven aanwijzingen, dan wel bij geconstateerd
                    wangedrag.</al><al>Aldus vastgesteld in de collegevergadering van … (datum). </al><al>De burgemeester: De secretaris: </al><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>Men kan twee soorten vergunningen onderscheiden. De eenmalige vergunning en de
                    vergunning voor onbepaalde tijd, ook wel de doorlopende vergunning genoemd die
                    bestemd is voor de instellingen die voorkomen op het collecterooster. </al><al>De collectevoorwaarden verbonden aan beide vergunningen kunnen grotendeels
                    gelijk zijn.</al><al>De doorlopende vergunning geldt voor de zogenoemde Collecteplaninstellingen, de
                    instellingen die zich hebben aangesloten bij Stichting Collecteplan, omdat deze
                    gebonden zijn aan de voorwaarden van het zogenoemde collecterooster. </al><al>Uit jurisprudentie blijkt dat gemeentebesturen in beginsel gebonden zijn aan het
                    collecteplan. Zij hebben amper de vrijheid hiervan af te wijken bij het verlenen
                    van vergunningen. Het verlenen van een doorlopende vergunning voor collecten die
                    in overeenstemming zijn met het collecteplan, maakt deel uit van de verbetering
                    van de dienstverlening door gemeenten aan burgers en het bedrijfsleven. De
                    inzamelende instelling is gebaat bij het niet jaarlijks aanvragen van de
                    vergunning. De werkdruk wordt voor zowel de inzamelende instelling als de
                    gemeente enigszins verminderd Wel is een meldingsplicht vereist en blijft de
                    gemeente bijhouden of er in een bepaalde periode gecollecteerd wordt of niet. De
                    gemeente dient een instelling die zich niet meldt te benaderen, om te weten te
                    komen of deze van de aan hem toebedeelde collecteperiode al dan niet gebruik
                    maakt. Dan kunnen ook de burgers (en doorgaans ook de politie in het kader van
                    de handhaving) worden geïnformeerd over welke instelling die periode
                    collecteert.</al><al>Het is niet zo dat de gemeente kan bepalen dat instellingen die voorkomen op het
                    collecterooster geen vergunning meer nodig hebben. Het CBF en het
                    collecterooster ontlenen hun kracht voor een groot deel aan de vergunningen van
                    de gemeenten doordat zij zich aansluiten bij het rooster. Het CBF is geen
                    bestuursorgaan dat vergunning kan verlenen. Daarnaast collecteren de landelijke
                    instellingen in de hun toegewezen periode niet in alle gemeenten. Het college
                    zal, bij instellingen welke twee jaar achtereen geen gebruik maken van de
                    doorlopende vergunning, deze intrekken, zodat de vrije periode in deze gemeente
                    verruimd wordt.</al><tussenkop>Toelichting op de voorwaarden</tussenkop><al>Instellingen met een doorlopende vergunning zijn verplicht om drie maanden van
                    te voren te melden of ze al dan niet gebruik maken van de vergunning. Het
                    college neemt kennis van deze mededeling en beantwoordt dat met een
                    schriftelijke bevestiging. Het is praktisch om in deze bevestiging de op dat
                    moment geldende voorschriften die aan de inzamelingsvergunning zijn verbonden op
                    te nemen als service aan de inzamelende organisatie, zodat deze herinnerd wordt
                    aan de vergunningvoorwaarden.</al><al>De gemeente reguleert het inzamelen op basis van de openbare orde en veiligheid.
                    Overlast voor de burger dient voorkomen te worden en deze dient beschermd te
                    worden tegen niet-bonafide instellingen. Het vergunningstelsel zorgt er voor dat
                    de burger geen overlast ondervindt door een veelvoud van collecten aan de deur
                    in een korte periode. De aan de vergunning verbonden voorwaarden zorgen ervoor
                    dat andere denkbare vormen van overlast voorkomen worden (geen inzameling op
                    zondag, of ‘s-avonds laat, politie kan aanwijzingen geven enz.).</al><al>Enkele voorwaarden zien op de betrouwbaarheid van de inzamelende instantie
                    (afgesloten bus, gewaarmerkt legitimatiebewijs inzamelaar, verantwoording
                    afleggen over het opgehaalde bedrag)</al><al>De intrekkinggronden voor de vergunning zijn gekoppeld aan de voorwaarden
                    waaronder een vergunning wordt afgegeven. Het voorkomen op het collecterooster
                    ligt voor de hand, het gebruiken van de vergunning komt voort uit de belangen
                    van andere organisaties, niet voortkomend op het rooster, om de mogelijkheid te
                    hebben een (gewone) inzamelingsvergunning aan te vragen. </al><tussenkop>Toelichting artikel 5.2.2: venten e.d.</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.2.2.1. Begripsomschrijving</tussenkop><tussenkop>Begripsomschrijving</tussenkop><al>Het is van belang te omschrijven wat onder venten wordt verstaan omdat het
                    uitoefenen van de ambulante handel (het venten) onderscheiden moet worden van
                    enerzijds de collectevergunning en anderzijds de standplaatsvergunning. Onder
                    venten met goederen wordt dan ook verstaan: de uitoefening van kleinhandel
                    waarbij goederen aan willekeurige voorbijgangers worden aangeboden dan wel het
                    huis-aan-huis aanbieden van goederen of diensten. Bij venten is het van belang
                    dat de venter in beweging is. De venter biedt zijn waren voortdurend aan vanaf
                    een andere plaats. Het tijdelijk stilstaan in afwachting van klanten is geen
                    venten. HR 26-03-1974, NJ 1974, 239.</al><al>Van venten is sprake wanneer voor deze goederen een reële contraprestatie in de
                    vorm van een vast bedrag wordt gevraagd. In principe worden bij collecteren geen
                    goederen aangeboden, maar gaat het om het inzamelen van geld en goederen.
                    Verkrijgt men een drukwerk of ander goed door een willekeurig bedrag of een
                    weliswaar vast, maar niet meer als reële contraprestatie aan te merken, bedrag
                    aan geld in een bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een duidelijk
                    kenbaar liefdadig of ideëel doel, dan is sprake van een collecte. De goederen
                    worden daarbij slechts ter ondersteuning van die actie uitgereikt. Bij
                    strafrechtelijk optreden tegen dit soort zonder vergunning gehouden inzamelingen
                    zal ten laste gelegd en bewezen moeten worden dat te kennen is gegeven of de
                    indruk is gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk is bestemd voor een
                    ideëel doel. </al><al>Onder het innemen van een standplaats wordt verstaan het te koop aanbieden van
                    goederen vanaf eenzelfde plaats, al dan niet gebruikmakend van fysieke
                    hulpmiddelen als een kraam of een aanhangwagen, in de openbare ruimte. Het
                    onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats, betreft de periode
                    gedurende welke goederen vanaf dezelfde plaats op straat worden aangeboden aan
                    willekeurige voorbijgangers. Het tien minuten standplaats innemen vereist een
                    standplaatsvergunning en geen ventvergunning, HR 26-03-1974, NJ 1974, 239.
                    Venten en standplaatsen sluiten elkaar dus uit. </al><tussenkop>Artikel 5.2.2.2 Ventverbod</tussenkop><tussenkop>Commentaar</tussenkop><al>Uitgegaan wordt vaneen algeheel verbod op venten, behalve als met een door het
                    college verstrekte vergunning wordt</al><al>gehandeld.</al><tussenkop>Artikel 5.2.2.2 Verbodsbepaling</tussenkop><tussenkop>Weigeringsgronden</tussenkop><al>De weigeringsgrond van het oude artikel 3, sub d, te weten: ‘wanneer als gevolg
                    van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente
                    redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een
                    redelijke verzorgingsniveau voor de consumenten ter plaatse in gevaar komt.’ is
                    komen te vervallen. Zie voor de weigeringsgronden inclusief deze de toelichting
                    bij artikel 1.8. </al><tussenkop>Maximumstelsel</tussenkop><al>Op grond van de motieven, zoals genoemd in artikel 1.8, kan de gemeente beleid
                    formuleren waarin gemotiveerd wordt aangegeven hoeveel vergunningen er voor
                    bepaalde plaatsen of voor de gehele gemeente maximaal worden verstrekt. </al><tussenkop>Artikel 5.2.2.3 Vrijheid van meningsuiting</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het verbod van artikel 5.2.2.3 geldt niet voor venten met gedrukte of
                            geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als
                            bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het eerste
                            lid beperken door een verbod in te stellen:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten
                                    daarvan, en/of</al></li><li nr="b."><al>voor bepaalde dagen en uren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod van het tweede
                            lid.</al></li></lijst><tussenkop>Commentaar</tussenkop><al>Venten met gedrukte stukken Artikel 7 Grondwet bepaalt dat geen vergunning mag
                    worden geëist voor de gebruikmaking van een zelfstandig middel van bekendmaking.
                    In de jurisprudentie is het aanbieden van of venten met gedrukte stukken als een
                    zelfstandig middel van bekendmaking aangemerkt. Een afzonderlijk probleem is het
                    beoordelen of er in een concrete situatie sprake is van de uitoefening van 'een
                    zelfstandig middel van bekendmaking' in de zin van artikel 7 van de Grondwet of
                    dat er sprake is van het te koop aanbieden van drukwerk, waarbij geen gedachten
                    of gevoelens worden geopenbaard. Het verspreiden van handelsreclame wordt niet
                    tot de vrijheid van drukpers gerekend, zie artikel 7, vierde lid van de
                    Grondwet. </al><al>Ook het trekken van een grens tussen het aanbieden van gedrukte stukken in het
                    kader van de vrijheid van drukpers en het verkopen van gedrukte stukken is in de
                    praktijk dikwijls moeilijk vast te stellen. Zo is in de jaren tachtig in een
                    groot aantal gemeenten het verzoek gedaan tot het venten met prentbriefkaarten.
                    De firma die in deze gemeenten haar prentbriefkaarten in het kader van een
                    commerciële protestactie wilde verkopen was van mening dat het gedrukte stukken
                    betrof die, gelet op artikel 7 Grondwet, zonder ventvergunning verkocht mogen
                    worden. Hoewel bij de verkoop van deze kaarten gesuggereerd werd dat de
                    opbrengst voor een goed doel bestemd was, bleek de opbrengst geheel ten goede te
                    komen aan de verkoper van de prentbriefkaarten. Optreden tegen de verkoper op
                    grond van overtreding van een APV-bepaling waarin een ventverbod wordt
                    vastgelegd, is in een dergelijk geval echter niet mogelijk. In een geval van
                    verkoop van posters met reproducties van aquarellen en afbeeldingen van foto's
                    al dan niet voorzien van teksten, is bepaald dat deze voor geen andere uitleg
                    vatbaar zijn dan dat zij een bepaalde uiting van kunst bevatten of ludiek van
                    aard zijn. Bezwaarlijk kan van zulke gedrukte stukken gezegd worden dat zij geen
                    gedachten of gevoelens openbaren als bedoeld in art. 7, eerste lid, van de
                    Grondwet. </al><al>Het stellen van beperkingen aan het venten met gedrukte stukken is onder de
                    volgende criteria toegestaan: de beperking mag geen betrekking hebben op de
                    inhoud van de gedrukte stukken en er dient gebruik van enige betekenis te
                    resteren; de beperking mag niet resulteren in een algeheel verbod. </al><al>Een constructie, waarbij aan een (beperkt) verbod de mogelijkheid tot het
                    verlenen van een ontheffing is verbonden, is volgens de jurisprudentie wel
                    toelaatbaar. De beperking van de verkoop van drukwerk waarop een mededeling
                    staat is, gelet op artikel 7 van de Grondwet, niet mogelijk voor zover het
                    betreft de inhoud van het drukwerk. Artikel 7 van de Grondwet beschermt immers
                    'iedere openbaarmaking van een - meer of minder weloverwogen - gedachte of een
                    gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit' (Kb 5 juni
                    1986, Stb. 339). Wel kan de verkoop van drukwerk in het belang van de openbare
                    orde en veiligheid naar tijd en plaats worden ingeperkt. </al><tussenkop>Toelichting 5.2.3: Standplaatsen</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.2.3.1 Begripsomschrijving</tussenkop><tussenkop>Commentaar</tussenkop><al>Deregulering bestaat niet alleen uit het verminderen van administratieve lasten,
                    maar ook uit het verhelderen en vereenvoudigen van regels. In het kader van de
                    deregulering in 2007 is daarom het oude artikel 5.2.3 opgedeeld in vijf
                    artikelen en is de tekst verduidelijkt. Er is geen inhoudelijke wijziging
                    beoogd. Artikel 5.2.3.1 bevat een begripsomschrijving en voorziet voorts in
                    uitzonderingen. Het hebben van een standplaats ziet op het te koop aanbieden van
                    goederen vanaf een vaste plaats. Dit is dan ook het onderscheidend criterium ten
                    opzichte van het venten met goederen. Bij het venten met goederen wordt er
                    immers vanuit gegaan dat de venter voortdurend zijn goederen vanaf een andere
                    plaats in de openbare ruimte aanbiedt. Met andere woorden: de venter is
                    ambulant, de standplaatshouder niet. </al><al>In de begripsbepaling is uitdrukkelijk ook “verstrekken” van goederen opgenomen.
                    Hierdoor vallen bijvoorbeeld de “verkiezingskraampjes” onder de
                    omschrijving.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het tweede lid bepaalt dat de definitie van het eerste lid niet bevat het
                    innemen van een standplaats op een door de gemeente ingestelde markt op basis
                    van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet of op een
                    snuffelmarkt (zie art. 5.2.4). Degene die op een door de gemeente ingestelde
                    markt een standplaats wil innemen zal zich moeten houden aan de regels die voor
                    de markt gelden. Deze zijn in veel gemeenten in een marktverordening neergelegd.
                    Voor de snuffelmarkt geldt artikel 5.2.4. Voor het innemen van een standplaats
                    op een bepaald evenement is eveneens geen vergunning krachtens paragraaf 5.2.3
                    nodig. Op het evenement zijn de artikelen 2.2.1 en 2.2.2 van toepassing, waarbij
                    de bepalingen met betrekking tot het innemen van een standplaats niet van
                    toepassing zijn.</al><tussenkop>Artikel 5.2.3.2 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</tussenkop><tussenkop>Commentaar</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Volgens artikel 9 van de Europese Dienstenrichtlijn is een vergunningstelsel
                    geoorloofd, indien het niet discriminatoir, noodzakelijk en evenredig is. Voor
                    het noodzaakvereiste moet bezien worden of er een 'rule of reason' ofwel een
                    dwingende reden van algemeen belang is. Een dwingende reden van algemeen belang
                    is onder meer handhaving van de maatschappelijke orde en bescherming van het
                    milieu en stedelijk milieu daaronder begrepen de stedelijke en rurale
                    ruimtelijke ordening. Hieraan is voor wat betreft het stelsel van
                    standplaatsvergunningen mening voldaan. Gemeenten willen het immers met het oog
                    op het verdelen en uiterlijk aanzien van de openbare ruimte niet aan
                    standplaatshouders overlaten waar te gaan staan met de verkoopwagen. De
                    vergunning dient het verdelen van de beschikbare standplaatsen en het mogelijk
                    maken van een maximumstelsel. De vergunning heeft voorts tot doel overlast te
                    voorkomen, bijvoorbeeld stankoverlast, verkeershinder en overlast door
                    zwerfafval. De vergunning is persoonsgebonden (artikel 1.6).</al><tussenkop>Vergunning voor onbepaalde tijd</tussenkop><al>Een vergunning wordt in beginsel voor onbepaalde tijd verleend (artikel 1.7).
                    Indien de gemeente de vergunning met het oog op de verdeling van standplaatsen
                    aan een termijn wil verbinden, dan is het zaak te motiveren waarom dit
                    noodzakelijk is in het belang van onder meer de openbare orde, overlast en de
                    veiligheid en milieu. Zie voor nadere toelichting bij de artikelen 1.7. en
                    1.8.</al><tussenkop>Vrijheid van meningsuiting </tussenkop><al>In het derde lid van artikel 5.2.3 (oud) werd een uitzondering gemaakt op het
                    verbod op de straathandel voor zover het betreft het uitstallen van stukken
                    waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard (artikel 7 Grondwet). Voor het
                    aanbieden van gedrukte stukken als zodanig kan geen vergunning worden geëist.
                    Het wordt gezien als een zelfstandig middel van verspreiding. Wel is een
                    vergunning noodzakelijk indien vanaf een standplaats gedrukte stukken worden
                    aangeboden. Deze vergunning is niet vereist vanwege het feit dat gedrukte
                    stukken worden aangeboden, maar vanwege het feit dat een standplaats wordt
                    ingenomen. Dus het gaat hier om een standplaatsvergunning.</al><tussenkop>Tweede lid Weigeringsgronden</tussenkop><al>Artikel 5.2.3.2 bevat in het tweede lid een verwijzing naar de algemeen geldende
                    weigeringsgronden van artikel 1.8, te weten: openbare orde, openbare veiligheid,
                    volksgezondheid en milieu. Zie ook het commentaar onder dit artikel. Bovendien
                    worden als weigeringsgronden aangemerkt: redelijke eisen van welstand en het
                    bestemmingsplan. </al><al><cursief>Openbare orde</cursief> Dit begrip omvat in ieder geval de bescherming
                    tegen een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel
                    belang van de samenleving, en kan met name onderwerpen in verband met de
                    menselijke waardigheid (zedelijkheid), de bescherming van minderjarigen en
                    dierenwelzijn (zedelijkheid) betreffen.</al><al><cursief>Verkeersveiligheid</cursief> De weigeringsgronden omtrent de openbare
                    orde en openbare veiligheid bevatten de verkeersveiligheid. Standplaatsen waar
                    goederen te koop worden aangeboden hebben in de praktijk een verkeersaantrekkend
                    karakter. Door deze verkeersaantrekkende werking ontstaan mogelijk ongewenste
                    oversteekbewegingen door voetgangers en ontoelaatbaar rijwielverkeer in
                    voetgangersgebieden. Ook parkerende en geparkeerde auto's kunnen overlast in de
                    omgeving veroorzaken. In het belang van de verkeersveiligheid is het daarom niet
                    mogelijk overal een standplaats in te nemen. Uit de jurisprudentie blijkt dat
                    beperking van het aantal te verstrekken vergunningen in het belang van de
                    openbare orde en de verkeersveiligheid is toegestaan. Dit neemt niet weg dat
                    iedere aanvraag voor het innemen van een standplaats op haar eigen merites
                    beoordeeld dient te worden. <cursief>Redelijke eisen van welstand</cursief> Bij
                    de herziening van 2004 is de weigeringsgrond 'uiterlijk aanzien van de gemeente'
                    vervangen door ‘redelijke eisen van welstand’ vanwege het streven om de
                    terminologie in de model-APV zo eenduidig mogelijk te houden. Bovendien sluit
                    het aan bij de terminologie van de Woningwet. Wij gaan ervan uit dat ‘uiterlijk
                    aanzien’ en ‘redelijke eisen van welstand’ inhoudelijk dezelfde betekenis
                    hebben. De weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer
                    standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld
                    ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte
                    marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van monumentale
                    gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. Het college bepaalt
                    zelfstandig de inhoud van deze weigeringsgrond. Het is niet noodzakelijk, maar
                    wel verstandig om bij voorbeeld de welstandscommissie om advies te vragen.
                        <cursief>Bestemmingsplan</cursief> De bepalingen in de model-APV met
                    betrekking tot het innemen van een standplaats zijn gebaseerd op ordening van de
                    straathandel en zijn gebaseerd op de regulerende bevoegdheid van de gemeente van
                    zaken die tot haar huishouding behoren. Daarnaast vormen de besluiten op grond
                    van de Wet op de ruimtelijke ordening, zoals een bestemmingsplan, een
                    zelfstandige weigeringsgrond. Dit betekent dat bij de beoordeling van een
                    aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een standplaats altijd gelet
                    moet worden op de voorschriften die uit het bestemmingsplan voortvloeien. Nu het
                    bestaande voorzieningenniveau niet meer via een weigeringsgrond geregeld kan
                    worden, moet men dit regels hieromtrent opnemen in het bestemmingsplan. </al><tussenkop>Verzorgingsniveau en Europese dienstenrichtlijn</tussenkop><al>De weigeringsgrond van het oude artikel 3, sub d, te weten: ‘wanneer als gevolg
                    van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente
                    redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een
                    redelijke verzorgingsniveau voor de consumenten ter plaatse in gevaar komt.’ is
                    komen te vervallen, omdat de Dienstenrichtlijn deze grond niet als zodanig kent.
                    Zie hiervoor de toelichting bij artikel 1.8. </al><al>Beleidsregels</al><al>Aan de hand van de motieven, genoemd in artikel 1.8, kan het college
                    beleidsregels vaststellen, waarin wordt aangegeven wanneer wel of niet tot het
                    afgeven van een standplaatsvergunning wordt overgegaan. Het vaststellen van een
                    dergelijk beleid, waarin objectieve, algemeen bekendgemaakte criteria worden
                    aangegeven, die bij de beoordeling van een vergunningaanvraag worden gehanteerd,
                    is blijkens de jurisprudentie toegestaan. Wel moet worden opgemerkt dat te
                    voeren beleid niet mag leiden tot een beslissing omtrent een aangevraagde
                    vergunning die niet kan worden herleid op één van de in artikel 1.8 genoemde
                    weigeringsgronden. Rb Utrecht 23-12-1998, KG 1999, 78. Ook beleidsregels zijn
                    volgens artikel 4, van de Dienstenrichtlijn onderworpen aan de 'rule of reason',
                    dat wil zeggen aan dwingende reden van algemeen belang: de openbare orde, de
                    openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. </al><al>Bij het hanteren van deze weigeringsgronden kan een verdeling gerealiseerd
                    worden van het aantal standplaatsen, waarbij de af te geven vergunningen zodanig
                    over de week verspreid worden, dat een concentratie van de in te nemen
                    standplaatsen wordt tegengegaan. De weigeringsgronden kunnen ook gebruikt worden
                    wanneer veel belangstelling voor dezelfde locatie ontstaat. Een aantal
                    standplaatsen op één plek doet ook de kans op feitelijke marktvorming ontstaan.
                    Ook is het mogelijk om specifieke standplaatsen op bepaalde locaties te weren.
                    Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan bakkramen die in verband met stankoverlast
                    of brandgevaarlijkheid niet in de directe nabijheid van gebouwen gewenst
                    zijn.</al><tussenkop>Artikel 5.2.4: vergunninghouder/overschrijven standplaats</tussenkop><al>Alleen natuurlijke handelingsbekwame personen die beschikken over een legale
                    verblijfsstatus in Nederland komen in aanmerking voor een vergunning. Per
                    persoon wordt voor dezelfde periode ook maar één vergunning verleend, teneinde
                    onder meer de handel in vergunningen te voorkomen. Een persoon kan dus
                    bijvoorbeeld niet twee vergunningen hebben voor verschillende locaties op de
                    donderdag, maar wel bijvoorbeeld een vergunning voor de woensdag in noord en een
                    vergunning voor de donderdag in zuid. Het college kan een vergunning voor de
                    resterende geldigheidsduur op verzoek overschrijven op de naam van de
                    achterblijvende echtgenoot, de geregistreerde partner of een kind van de
                    vergunninghouder. Hierbij moet gedacht worden aan de omstandigheid dat de
                    relatiepartner of kind de vergunninghouder regelmatig bijstond op de
                    standplaats.</al><tussenkop>Artikel 5.2.5.: Standplaatsvrije gebieden</tussenkop><al>Naast de hierboven vermelde toetsingsgronden kan het college gebieden aanwijzen
                    waarbinnen geen standplaatsvergunningen worden afgegeven. Het betreft hier
                    gebieden die in hoge mate representatief zijn of waar de komende jaren grote
                    veranderingen te verwachten zijn, waarbij de inrichting van met name het
                    openbaar gebied een belangrijke rol zal spelen. Het college kan, met
                    inachtneming van de reguliere toetsingsgronden (zie artikel 5.2.3), in deze
                    gebieden voor bepaalde (seizoensgebonden) standplaatsen een ontheffing verlenen
                    voor het innemen van een standplaats met een verplaatsbare
                    verkoopinrichting.</al><tussenkop>Artikel 5.2.6: Inneming en ontruiming standplaats</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5.2.7: snuffelmarkten e.d.</tussenkop><al>De tekst van dit artikel vloeit voort uit de model-APV.</al><al>Er zijn verschillende markten, elk met een eigen juridisch regime. De weekmarkt
                    en de jaarmarkt in de zin van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder f, van de
                    Gemeentewet.</al><al>Snuffelmarkten staan ook wel bekend als ‘vlooienmarkt’, ‘zwarte markt’, ‘vrije
                    markt’ of ‘snuffel of rommelmarkt’.</al><al>Deze categorie kan commercieel of niet-commercieel van aard zijn. Indien
                    dergelijke markten vaak worden gehouden, kunnen zij een doorkruising van het
                    marktwezen veroorzaken. Om die reden kan de aanvraag voor vergunning worden
                    geweigerd. Andere redenen om de vergunning te weigeren zijn het belang van de
                    openbare orde en veiligheid, het belang van het voorkomen of beperken van
                    overlast en in het verlengde daarvan indien de woon- en leefsituatie in de
                    omgeving van de snuffelmarkt nadelig wordt beïnvloed (ontsiering daaronder
                    begrepen). In dat kader kan ook worden bedacht om bijvoorbeeld het aantal
                    snuffelmarkten in het openbaar gebied (in aantal) te beperken of plaatsen aan te
                    wijzen die niet geschikt zijn om daar snuffelmarkten te houden. Er kunnen ook
                    voorschriften aan de vergunning worden verbonden. Een voorbeeld kan zijn het
                    voorschrift te verbinden, dat op de 'vrije markt' niet door handelaren
                    bedrijfsmatig goederen te koop mogen worden aangeboden. Naast een voorschrift
                    over de aard van de te verhandelen zaken, kunnen ook voorschriften worden
                    verbonden die bepalen dat:</al><al>de frequentie van de te houden markten;</al><al>het maximum aantal standplaatsen (mede in verband met de brandveiligheid);</al><al>parkeervoorzieningen worden getroffen;</al><al>het houden van verlotingen verboden is. </al><al>In artikel 1.8 zijn de algemene weigeringsgronden vervat. Het derde lid is hier
                    op aangepast.</al><al>Paragraaf 3 Openbaar water</al><tussenkop>Algemene toelichting paragraaf 3:</tussenkop><al>De regelgeving in de onderhavige paragraaf blijft beperkt tot gedragingen in of
                    op het openbaar water (zie voor de definitie daarvan het eerste hoofdstuk van
                    deze verordening), die overlast kunnen veroorzaken voor andere gebruikers van
                    het openbaar water (de scheepvaart), die de veiligheid op het openbaar water in
                    gevaar kunnen brengen, die kunnen leiden tot beschadiging van waterstaatswerken
                    en oevers, of die te brengen zijn onder de categorie “baldadigheid”. De in deze
                    paragraaf opgenomen strafbepalingen kunnen in beginsel worden toegepast op alle
                    openbare wateren in Schiedam, tenzij voor die wateren andere regelingen van
                    toepassing zijn.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5.3.1: gebruik van openbaar water</tussenkop><al>Artikel 5.3.1 is bedoeld om de overige openbare wateren te vrijwaren van
                    activiteiten die het gebruik op enigerlei wijze nadelig zouden beïnvloeden (voor
                    zover niet reeds geregeld in andere regelgeving.) In het kader van de
                    deregulering en vermindering lastendruk is in dit artikel bij de algehele
                    wijziging van de APV de vergunningplicht vervangen door een melding. De
                    meldingsplicht maakt het mogelijk om de belangen op grond van dit artikel
                    afdoende te waarborgen en toch te voorzien in een lastenverlichting. Immers voor
                    de melding zijn geen leges verschuldigd.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5.3.2: beschadigen van waterstaatswerken en
                    oevers.</tussenkop><al>Artikel 5.3.2 vormt (in aanvulling op het Algemeen reglement van politie voor
                    rivieren en kanalen en de Vaarwegenverordening Zuid-Holland) het sluitstuk voor
                    de waterstaatswerken die in beheer zijn bij de gemeenten.</al><al>Artikel 1.14 van het Binnenvaartpolitiereglement legt aan degene die een
                    kunstwerk beschadigt bovendien nog een meldingsplicht op.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5.3.3: reddingsmiddelen</tussenkop><al>Om te waarborgen dat deze middelen aanwezig zijn en gebruikt kunnen worden voor
                    het redden van personen is andersoortig gebruik of het voor gebruik onklaar
                    maken van reddingsmiddelen strafbaar gesteld.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5.3.3a: zwemmen</tussenkop><al>De tekst van dit artikel vloeit voort uit de model-verordening. Het zwemverbod
                    kan door het college worden geactiveerd als het college dat nodig acht.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5.3.4: veiligheid op het water</tussenkop><al>In algemene zin wordt in deze bepaling het zwemmen in openbaar water – veelal
                    niet bevorderlijk voor de gezondheid en/of voor de persoonlijke veiligheid van
                    de zwemmer – verboden, behalve op die plekken, die door het college is
                    aangewezen.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5.3.5: overlast aan vaartuigen</tussenkop><al>Deze bepaling heeft vooral betrekking op baldadige gedragingen die kunnen
                    voorkomen en gemakkelijk tot schade of overlast voor watersporters leiden.</al><tussenkop>Paragraaf 4 </tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop>Paragraaf 5 Verbod vuur te stoken</tussenkop><tussenkop>Toelichting artikel 5.5.1.: verbod vuur stoken</tussenkop><al>Met de algehele wijziging van de APV in 2008 is de mogelijkheid opgenomen om
                    plaatsen aan te wijzen waar straat- of buurtbarbecues e.d. kunnen worden
                    gehouden.</al><al>Paragraaf 6: verstrooiing van as: begripsbepaling</al><tussenkop>Toelichting artikel 5.6.2: verboden plaatsen</tussenkop><al>Dit artikel komt uit de modelverordening</al><al>Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk.
                    Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan
                    worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Er is gekozen voor
                    verstrooiing op een permanent daartoe aangewezen terrein. Van het verbod uit het
                    eerste lid kan ontheffing verleend worden.</al><al>TOELICHTING HOOFDSTUK 6</al><al>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</al><tussenkop>Algemene toelichting hoofdstuk 6:</tussenkop><al>In het zesde en laatste hoofdstuk van deze verordening hebben de straf-,
                    overgangs- en slotbepalingen hun plaats gekregen. Verwezen zij naar de
                    toelichtingen bij de betreffende bepalingen.</al><tussenkop>Toelichting artikel 6.1: Strafbepaling</tussenkop><al>Volgens artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding van
                    zijn verordeningen straf stellen, maar geen andere of zwaardere dan hechtenis
                    van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet
                    met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.</al><al>Hieruit volgt, dat de formele wetgever aan de gemeentelijke wetgever de
                    keuzemogelijkheid heeft gelaten om op overtreding van gemeentelijke
                    verordeningen geldboete te stellen van de tweede categorie(€ 2250)óf van de
                    eerste categorie(€ 225).</al><al>In het onderhavige artikel 6.1 is van de door de wetgever gegeven
                    keuzemogelijkheid gebruik gemaakt. Aangezien maximaal € 225 boete voor een
                    overtreding in de praktijk lang niet bij alle overtredingen volstaat, is daarbij
                    in beginsel gekozen voor onderbrenging van de strafbepalingen in deze
                    verordening in de tweede categorie (maximum € 2250) Met name geldt dat voor de
                    delicten die bedrijfsmatig (kunnen) worden gepleegd, voor milieudelicten, voor
                    delicten die de openbare orde en veiligheid in ernstige mate in gevaar kunnen
                    brengen e.d.</al><al>De strafbedreiging op overtreding van gemeentelijke medebewindsvoorschriften is
                    meestal te vinden in de bijzondere wetten die de raad bevoegd verklaren of
                    verplichten tot het vaststellen van deze voorschriften. De opsomming in het
                    eerste en tweede lid van artikel 6.1 bevat dan ook geen in deze verordening
                    opgenomen medebewindsvoorschriften, op overtreding waarvan straf is bedreigd in
                    de bijzondere wet. Deze voorschriften zijn de voorschriften met betrekking tot
                    heling met uitzondering van artikel 2.5.5 (overtreding van deze voorschriften is
                    strafbaar gesteld in de artikelen 437 en 437ter van het Wetboek van Strafrecht
                    (tweede, respectievelijk derde geldboetecategorie).</al><tussenkop>Toelichting lid 4</tussenkop><al>De strafbaarstelling van artikel 10.23 Wm over de gemeentelijke
                    afvalstoffenverordening is geregeld in de Wet op de economische delicten (Wed).
                    Aangezien niet alle bepalingen in de afvalstoffenverordening zich voor
                    strafrechtelijke handhaving lenen, is de strafbaarstelling geclausuleerd.
                    Artikel 1a, aanhef, onder 3º Wed luidt:“Economische delicten zijn eveneens:
                    overtredingen van voorschriften , gesteld bij of krachtens: …. de Wet
                    milieubeheer, 10.23 - voorzover aangeduid als strafbare feiten - en …….” In de
                    afvalstoffenverordening moet daarom worden aangegeven welke overtredingen (lees:
                    de overtreding van welke artikelen) een strafbaar feit opleveren. Uitsluitend
                    indien dat het geval is, vormt de overtreding een economisch delict in de zin
                    van artikel 1a, onder 3º Wed.</al><al>In de Wed is de strafmaat aangegeven van overtredingen van plaatselijke
                    verordeningen die gebaseerd zijn op de Wet milieubeheer. In het geval van
                    paragraaf 2, hoofdstuk 4 (afvalstoffenverordening) hechtenis van ten hoogste zes
                    maanden of een geldboete van de vierde categorie. Artikel 23, vierde lid, van
                    het Wetboek van Strafrecht stelt de hoogte van een boete van de vierde categorie
                    vast op maximaal 11.250 euro. Artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht geeft de
                    officier van justitie de mogelijkheid om met een boete strafvervolging te
                    voorkomen. Het openbaar ministerie heeft richtlijnen opgesteld voor boetes. De
                    boete voor het verkeerd aanbieden van huishoudelijk afval of voor zwerfafval is
                    op dit moment gesteld op een standaardbedrag van 46 euro.</al><tussenkop>Toelichting artikel 6.2: aanwijzing toezichthouders</tussenkop><al>In dit artikel worden de toezichthouders aangewezen. De basis voor deze
                    bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb. In dit hoofdstuk zijn
                    algemene regels gegeven voor de bestuurlijke handhaving van algemeen geldende
                    rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Afdeling 1 van dit hoofdstuk
                    geeft regels voor het toezicht. Zie ook het bepaalde in artikel 18.4 van de Wet
                    Milieubeheer in relatie tot de bepalingen van paragraaf 2 van Hoofdstuk 4 van
                    deze verordening. Sinds 2009 zijn de functionarissen die als toezichthouder zijn
                    aangewezen expliciet genoemd in de APV, zoals artikel 142 van het Wetboek van
                    Strafvordering vraagt.</al><tussenkop>Toelichting artikel 6.3: binnentreden van woningen</tussenkop><al>De toepassing van gemeentelijke voorschriften maakt het soms noodzakelijk
                    woningen en andere plaatsen (gebouwen en terreinen) te betreden tegen de wil van
                    de bewoner (c.q. rechthebbende).</al><al>Artikel 6.3 verleent daartoe een betredingsbevoegdheid, voor zover deze
                    bevoegdheid niet reeds door een bijzondere wet wordt verleend. Deze bevoegdheid
                    geldt zowel voor toezichthoudende- als voor opsporingsambtenaren. De bevoegdheid
                    tot binnentreden is afgeleid van de Algemene wet op het binnentreden.</al><tussenkop>Toelichting artikel 6.4: inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt grotendeels voor zichzelf. In het tweede lid zijn de
                    ingetrokken verordeningen vermeld. Door de toevoeging “voor zover zij niet
                    eerder zijn vervallen of ingetrokken.” worden ook alle (in de verordening niet
                    concreet genoemde) raadsbesluiten tot wijziging van de betreffende verordeningen
                    op de datum van inwerkingtreding van de nieuwe APV ingetrokken.</al><tussenkop>Toelichting artikel 6.5: overgangsbepaling</tussenkop><al>Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande vergunningen,
                    ontheffingen, enz.al dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de
                    inwerkingtreding van deze verordening. Dit geldt ook voor de vraag of het oude
                    dan wel het nieuwe recht van toepassing is bij beroepszaken, aanhangig gemaakt
                    voor de inwerkingtreding van het nieuwe recht, maar behandeld na de
                    inwerkingtreding.</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In het eerste lid wordt ervan uitgegaan dat alle bestaande vergunningen,
                    ontheffingen, enz. na een bepaalde termijn aangepast moeten worden aan het
                    nieuwe recht. Dit betekent in feite een sanering van alle vergunningen en
                    ontheffingen die voor onbepaalde tijd zijn afgegeven. In de praktijk zal het
                    voor de gemeente niet veel extra werk betekenen, aangezien het merendeel van de
                    vergunningen en ontheffingen nu reeds voor een bepaalde tijd zijn afgegeven. De
                    termijn in het eerste lid wordt op 5 jaar gesteld, zodat de evengenoemde
                    vergunningen en ontheffingen veelal toch reeds eerder vervallen zijn, aangezien
                    de werkingsduur van deze vergunningen, ontheffingen etc. korter zal zijn dan 5
                    jaar. </al><tussenkop>tweede en derde lid</tussenkop><al>Met betrekking tot op basis van het oude recht opgelegde voorschriften en
                    beperkingen wordt eveneens een sanering doorgevoerd. Ook hier moet weer een
                    redelijke termijn gekozen worden. Het ligt voor de hand dezelfde termijn als in
                    het eerste lid te kiezen. Bij de hier bedoelde voorschriften en beperkingen moet
                    gedacht worden aan de bevoegdheid van de burgemeester of het college om in
                    sommige gevallen aan de uitoefening van bepaalde activiteiten voorschriften en
                    beperkingen op te leggen zonder dat overigens voor die activiteit een
                    vergunning, ontheffing of kennisgeving is vereist. Zie bijvoorbeeld artikel
                    5.3.3, eerste lid. Vergunnings- en ontheffingsvoorschriften vallen onder het in
                    het eerste lid bepaalde. </al><al><cursief>Vierde lid</cursief> In het vierde lid wordt het nieuwe recht van
                    toepassing verklaard op aanvragen voor een vergunning en ontheffing, die voor de
                    inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend maar waar daarna op wordt
                    beslist. Voorwaarde is wel dat de nieuwe verordening een overeenkomstig gebod of
                    verbod kent. </al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Het oude recht is van toepassing op tijdig ingediende beroep- of
                    bezwaarschriften betreffende vergunningen, ontheffingen, voorschriften of
                    beperkingen, die gebaseerd zijn op het oude recht. </al><tussenkop>Zesde lid</tussenkop><al>In het zesde lid is bepaald dat de oude vergunning of ontheffing van kracht
                    blijft totdat onherroepelijk op de nieuwe aanvraag is beslist. De termijn die in
                    het eerste lid is genoemd kan hierdoor verlengd worden. Met deze bepaling kan
                    worden voorkomen dat gedurende een bepaalde periode de aanvrager niet in het
                    bezit is van de benodigde vergunning of ontheffing en daardoor, formeel
                    geredeneerd, in overtreding is. <cursief>Zevende lid</cursief></al><al>Het zevende lid heeft betrekking op activiteiten waarvoor voor de
                    inwerkingtreding van deze APV geen ontheffing of vergunning nodig was, maar
                    waarvoor dat op grond van de nieuwe APV wel het geval is. Zonder een
                    overgangsregeling zouden deze activiteiten een overtreding van de APV inhouden
                    totdat onherroepelijk positief beslist is op de desbetreffende aanvraag. </al><tussenkop>Toelichting artikel 6.6:</tussenkop><al>In deze bepaling is de nieuwe citeertitel “Algemene Plaatselijke Verordening
                    Schiedam 2010” of de verkorte weergave “APV Schiedam 2010” opgenomen. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>