<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.92--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.91--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR91985_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Oegstgeest 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oegstgeest</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oegstgeest</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-80455.html">Elektronisch Gemeenteblad, 31-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Oegstgeest 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0003420&amp;artikel=102&amp;g=2015-01-05">Wet op het primair onderwijs, art. 102</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0014350&amp;artikel=100&amp;g=2015-01-05">Wet op de expertisecentra, art. 100</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0002399&amp;artikel=76m&amp;g=2015-01-05">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 76m</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=5&amp;g=2015-01-05">Gemeentewet, art. 5</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005537&amp;artikel=4:4&amp;g=2015-01-05">Algemene wet bestuursrecht, art. 4:4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:2&amp;g=2015-01-05">Algemene wet bestuursrecht, art. 6:2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:12&amp;g=2015-01-05">Algemene wet bestuursrecht, art. 6:12</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:20&amp;g=2015-01-05">Algemene wet bestuursrecht, art. 6:20</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vervangen door de <extref doc="1.1:CVDR350555_1">Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Oegstgeest 2015</extref>.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING VOORZIENINGEN HUISVESTING ONDERWIJS GEMEENTE OEGSTGEEST
            2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Oegstgeest;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 7 december 2010, nr.
                        01/11;</al><al>gelet op:</al><lijst><li nr="-"><al>artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 100 van de
                                Wet op de expertisecentra en artikel 76m van de Wet op het
                                voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>artikel 5 van de Gemeentewet;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 4:4, 6:2, 6:12 en 6:20 van de Algemene wet
                                bestuursrecht;</al></li></lijst><al>gezien het gevoerde op overeenstemming gericht overleg met
                        vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen van de niet door gemeente
                        in stand gehouden scholen in de gemeente;</al><al>overwegende:</al><lijst><li nr="-"><al>dat het wenselijk is de Verordening voorzieningen huisvesting
                                onderwijs gemeente Oegstgeest 2009 aan te passen aan de gewijzigde
                                modelverordening onderwijshuisvesting van de Vereniging Nederlandse
                                Gemeenten;</al></li><li nr="-"><al>dat het wenselijk is enkele technische wijzigingen aan te brengen in
                                de artikelen 4, 15, 26, 28 en 33 van de verordening;</al></li></lijst><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de volgende</al><al><vet>VERORDENING VOORZIENINGEN HUISVESTING ONDERWIJS GEMEENTE OEGSTGEEST
                            2011</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="2.00*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20.47*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="1.00*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="55.41*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al>minister</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>de minister van Onderwijs, Cultuur en
                                                Wetenschap;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al>bevoegd gezag</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>het bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                                                primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en
                                                de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde
                                                openbare of bijzondere school, die geheel of
                                                gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich
                                                bevindt op het grondgebied van de gemeente;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.</al></entry><entry colname="col2"><al>school </al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>een school voor basisonderwijs, een school voor
                                                (voortgezet) speciaal onderwijs en een school voor
                                                voortgezet onderwijs;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.</al></entry><entry colname="col2"><al>school voor basisonderwijs</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>een basisschool of een speciale school voor
                                                basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet
                                                op het primair onderwijs;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e.</al></entry><entry colname="col2"><al>school voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>een school voor speciaal onderwijs of een school
                                                voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als
                                                bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                                expertisecentra, een instelling voor speciaal en
                                                voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel
                                                8 van de Wet op de expertisecentra en een school
                                                voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                                artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f.</al></entry><entry colname="col2"><al>school voor voortgezet onderwijs</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>een school of scholengemeenschap voor voorbereidend
                                                wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar
                                                algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend
                                                beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als
                                                bedoeld in artikel 1, 2 en 5 van de Wet op het
                                                voortgezet onderwijs;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>g.</al></entry><entry colname="col2"><al>nevenvestiging</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>deel van een school dat door de minister ingevolge
                                                artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs,
                                                artikel 76a of artikel 76b van de Wet op de
                                                expertisecentra, of artikel 75 van de Wet op het
                                                voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking
                                                is gebracht;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>h.</al></entry><entry colname="col2"><al>voorziening</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>één van de voorzieningen in de huisvesting als
                                                bedoeld in artikel 2 van deze verordening;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>i.</al></entry><entry colname="col2"><al>programma</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>het programma als bedoeld in artikel 12 van deze
                                                verordening;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>j.</al></entry><entry colname="col2"><al>overzicht</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>het overzicht van de niet in het kader van de
                                                vaststelling van het programma ingewilligde
                                                aanvragen als bedoeld in artikel 13 van deze
                                                verordening;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>k.</al></entry><entry colname="col2"><al>aanvrager </al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>het bevoegd gezag dat een aanvraag voor bekostiging
                                                van een voorziening of voor bekostiging van
                                                bouwvoorbereiding van een voorziening als bedoeld in
                                                artikel 25 van deze verordening heeft
                                                ingediend;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>l.</al></entry><entry colname="col2"><al>aanvraag</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>verzoek om bekostiging van een voorziening of om
                                                bekostiging van bouwvoorbereiding;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>m.</al></entry><entry colname="col2"><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>voorziening in de huisvestiging die, volgens de
                                                uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II
                                                van deze verordening, 15 jaren of langer
                                                noodzakelijk is;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>n.</al></entry><entry colname="col2"><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>voorziening in de huisvesting die, volgens de
                                                uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II
                                                van deze verordening, niet langer dan 15 jaren
                                                noodzakelijk is;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>o.</al></entry><entry colname="col2"><al>permanent gebouw</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp en de
                                                aard van de constructie en materialen ten minste 60
                                                jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs
                                                kan functioneren;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>p.</al></entry><entry colname="col2"><al>noodlokaal</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>verplaatsbare ruimte die door de keuze van het
                                                ontwerp en de aard van de constructie en materialen
                                                ten minste 15 jaren als volwaardige huisvesting voor
                                                het onderwijs kan functioneren;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>q.</al></entry><entry colname="col2"><al>gymnastiekruimte</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>ruimte die geschikt is voor het onderwijs in
                                                lichamelijke oefening;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>r.</al></entry><entry colname="col2"><al>advies Onderwijsraad</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>een advies van de Onderwijsraad over de vaststelling
                                                van het programma in relatie tot de vrijheid van
                                                richting en de vrijheid van inrichting als bedoeld
                                                in artikel 95 van de Wet op het primair onderwijs,
                                                artikel 93 van de Wet op de expertisecentra, artikel
                                                76f van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>s.</al></entry><entry colname="col2"><al>verhuur</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>het gebruik van een onderwijsgebouw door derden,
                                                niet zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve
                                                van culturele, maatschappelijke of recreatieve
                                                doeleinden;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>t.</al></entry><entry colname="col2"><al>gezamenlijke akte</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet op het
                                                primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de
                                                expertisecentra, artikel 76u van de Wet op het
                                                voortgezet onderwijs;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>u.</al></entry><entry colname="col2"><al>beslissing gedeputeerde staten</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>de beslissing van gedeputeerde staten in een geschil
                                                als bedoeld in artikel 110, tweede lid, van de Wet
                                                op het primair onderwijs, artikel 108, tweede lid,
                                                van de Wet op de expertisecentra, artikel 76u,
                                                tweede lid, van de Wet op het voortgezet
                                                onderwijs;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>v.</al></entry><entry colname="col2"><al>eigendomsoverdracht</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>de eigendomsoverdracht als bedoeld in artikel 110
                                                van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van
                                                de Wet op de expertisecentra en artikel 76u van de
                                                Wet op het voortgezet onderwijs;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>w.</al></entry><entry colname="col2"><al>college</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>burgemeester en wethouders;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>x.</al></entry><entry colname="col2"><al>meerjarenonderhoudsplan</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>plan voor het uitvoeren van onderhoud aan een
                                                schoolgebouw, waarover overeenstemming bestaat
                                                tussen gemeente en bevoegd gezag.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    voorzieningen bestaande uit:</al><lijst><li nr="1°"><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor
                                            rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel
                                            nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                            gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet op
                                            dezelfde locatie;</al></li><li nr="2°"><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                            gehuisvest;</al></li><li nr="3°"><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand
                                            gebouw ten behoeve van de huisvesting van een
                                            school;</al></li><li nr="4°"><al>verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten
                                            behoeve van de huisvesting van een school;</al></li><li nr="5°"><al>terrein voor zover nodig voor de realisering van een
                                            onder a sub 1° tot en met 4° omschreven
                                            voorziening;</al></li><li nr="6°"><al>inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en
                                            hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder voor
                                            bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is
                                            gebracht;</al></li><li nr="7°"><al>inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder
                                            voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in
                                            aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="8°"><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een
                                            gebouw dat al bij een andere school in gebruik is en
                                            medegebruik van een gymnastiekruimte;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>aanpassingen aan gebouwen van een school voor basisonderwijs en
                                    een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, bestaande uit
                                    één of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I onder
                                    1.9 en 2.9;</al></li><li nr="c."><al>onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs en een
                                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, bestaande uit één
                                    of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I onder
                                    1.10. en 2.10;</al></li><li nr="d."><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals
                                    uit kosten die gemaakt worden ter voorkoming van nog niet
                                    zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit
                                    ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li><li nr="e."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                                    onderwijsleerpakket of leer- en hulpmiddelen en meubilair
                                    ingeval van bijzondere omstandigheden;</al></li><li nr="f."><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een
                                    bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs ten
                                    behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel></kop><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a.
                            onderdelen 1<sup>0 </sup>tot en met 4<sup>0.</sup> en onder b kan een
                            aanvraag worden ingediend voor bekostiging van bouwvoorbereiding. Hierop
                            is het bepaalde in hoofdstuk 4 van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling vergoeding voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of bij
                                toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in
                                artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de
                                vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde
                                bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per
                                geval.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De genormeerde bekostigingsbedragen worden vastgesteld met
                                inachtneming van het bepaalde in bijlage IV en is van toepassing op
                                de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a1<sup>0</sup>,
                                a2<sup>0</sup>, a6<sup>0</sup>, a7<sup>0</sup> en a8<sup>0</sup>,
                                alsmede de vergoeding van de kosten van bouwvoorbereidingen als
                                bedoeld in artikel 3.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bekostiging op basis van feitelijke kosten is van toepassing op
                                de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a3<sup>0</sup>,
                                a4<sup>0</sup>, a5<sup>0 </sup> en onder b, c, d en e.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bedragen genoemd in bijlage IV die betrekking hebben op de
                                voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen 1 en 2,
                                kunnen met ten hoogste 12 procent worden verhoogd, wanneer dit naar
                                de mening van het college noodzakelijk is om deze voorzieningen te
                                kunnen realiseren volgens de principes van duurzaam bouwen en om in
                                deze voorzieningen een goed binnenklimaat tot stand te kunnen
                                brengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college de gegevens die naar het
                                oordeel van het college noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het
                                bepaalde in deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ter uitvoering hiervan kunnen door het college nadere aanwijzingen
                                worden gegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>PROGRAMMA EN OVERZICHT</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor opname van een voorziening in het programma
                                    wordt voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het
                                    betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij het
                                    college. Hierbij wordt gebruikgemaakt van een door het college
                                    vastgesteld aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend op of na 1 februari neemt het
                                    college niet in behandeling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor een voorziening die is opgenomen in het
                                    meerjarenonderhoudsplan en die redelijkerwijs te beschouwen is
                                    als een voorziening als bedoeld in artikel 2, behoeft geen
                                    aanvraag te worden ingediend. Een dergelijke voorziening wordt
                                    door het college op het programma geplaatst. Indien aanvullend
                                    door een bestuur aanvragen worden ingediend, geldt de procedure
                                    zoals in de voorgaande leden 1. en 2. aangegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                    behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, voor zover van toepassing, het
                                            gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is
                                            bestemd;</al></li><li nr="d."><al>welke voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                            gewenste voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                            voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de
                                    aanvraag vergezeld van:</al><lijst><li nr="a."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van
                                            de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                            vereisten, tenzij het een voorziening betreft als
                                            bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen 6° tot en met
                                            8° en artikel 2, onder d, e en f;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening
                                            moet worden gerealiseerd, indien het een voorziening
                                            betreft als bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen 1°
                                            tot en met 4°;</al></li><li nr="c."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt
                                            indien het een voorziening betreft bestaande uit:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke
                                                  vervanging van een gebouw;</al></li><li nr="2."><al>onderhoud aan een gebouw van een school voor
                                                  basisonderwijs of van een school voor (voortgezet)
                                                  speciaal onderwijs, of</al></li><li nr="3."><al>herstel van een constructiefout;</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering
                                            van de voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft
                                            op een voorziening waarop het gestelde in artikel 4,
                                            derde lid, laatste volzin van toepassing is; </al></li><li nr="e."><al>een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting,
                                            indien de aanvraag volgt op een toekenning van een
                                            vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding als
                                            bedoeld in artikel 27. </al></li></lijst><al>Bij de rapportage als bedoeld onder c wordt gebruik gemaakt van
                                    het door het college vastgestelde formulier 'Bouwkundige
                                    opname'. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op
                                    de hoogte van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in het
                                    eerste of tweede lid. De aanvrager wordt tot 15 maart in de
                                    gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.
                                    Indien de vereiste gegevens niet voor 15 maart zijn verstrekt,
                                    neemt het college de aanvraag niet in behandeling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                    betrekking heeft op een voorziening voor een school, waarvan de
                                    beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het aantal
                                    leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van
                                    1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt, dan zendt de aanvrager het college onverwijld een
                                    afschrift van de jaarlijkse opgave aan de minister van het
                                    aantal leerlingen dat op de wettelijke teldatum staat
                                    ingeschreven op de betrokken school. Indien het college het
                                    afschrift niet binnen een week na de wettelijke teldatum heeft
                                    ontvangen, deelt het college dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld
                                    het afschrift binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de
                                    mededeling in te dienen bij het college. Indien het afschrift
                                    niet binnen de termijn als bedoeld in de vorige volzin is
                                    verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in
                                    behandeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt ter informatie aan de bevoegde gezagsorganen
                                een opgave van de ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende
                                aanvragen en geeft daarbij aan welke aanvraag of aanvragen niet in
                                behandeling worden genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                                overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                    begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader toe
                                    te lichten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de
                                    aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde in artikel
                                    4, derde lid, laatste volzin van toepassing is en het college
                                    van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde
                                    kostenbegroting dient te worden aangepast. Het college geeft in
                                    het voorstel tot vaststelling van het bedrag, het programma en
                                    het overzicht als bedoeld in paragraaf 2.3, onder vermelding van
                                    de redenen, aan wanneer er in het overleg geen overeenstemming
                                    is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag. Het college
                                    geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het geraamde bedrag
                                    aan waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan bij
                                    de toepassing van het gestelde in paragraaf 2.3. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt,
                                    worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de
                                    gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud
                                    van dat voorstel naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee weken voor de
                                    door het college vastgestelde datum schriftelijk in kennis
                                    gesteld van de datum en het tijdstip van het overleg en van de
                                    voorgenomen inhoud van het voorstel. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als
                                    bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid
                                    bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het
                                    college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan
                                    in kennis. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                    bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de
                                    tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en
                                    van de reactie van het college op deze zienswijzen. Het verslag
                                    wordt toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een bevoegd gezag of college dat advies wenst van de
                                    Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                    voorgenomen inhoud van het programma, in relatie tot de vrijheid
                                    van richting en de vrijheid van inrichting, maakt dit kenbaar
                                    tijdens het overleg als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden tijdens het
                                    overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te
                                    brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het
                                    schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren
                                    gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag van het
                                    overleg als bedoeld in het vierde lid. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies
                                    bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de
                                    Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor de
                                    beoordeling van het verzoek, waaronder het schriftelijk verslag
                                    van het overleg met de daarin opgenomen zienswijzen, </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                    wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
                                    bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk
                                    opvolgen van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een
                                    of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van
                                    het programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het
                                    college bij de toezending van het afschrift van het advies
                                    uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen
                                    beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het
                                    advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft
                                    dit aan bij de toezending van het afschrift van het advies van
                                    de Onderwijsraad. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen
                                    twee weken plaats na toezending van het advies van de
                                    Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college maakt
                                    van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag als
                                    bedoeld in het vierde lid. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een bekostigingsplafond vaststellen voor de
                                    vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Dit
                                    bekostigingsplafond kan worden gesplitst in afzonderlijke
                                    bedragen per onderwijssoort en/of per voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld uiterlijk op
                                    31 december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud programma</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het
                                    jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden
                                    gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat
                                    geen van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de
                                    expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is, in aanmerking voor
                                    plaatsing op het programma. Daarbij past het college de regels
                                    toe met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als
                                            bedoeld in bijlage III;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                    wordt, voor zover van toepassing, door het college
                                    aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV, deel A
                                            voor de betreffende voorziening beschikbaar wordt
                                            gesteld; </al></li><li nr="b."><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                            voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                            volzin; </al></li><li nr="c."><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                            buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inhoud overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op
                                    het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma
                                    zijn opgenomen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                    voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het programma
                                    zijn opgenomen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond,
                                    programma en overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                    bekostigingsplafond, programma en het overzicht geschiedt binnen
                                    twee weken na de datum van vaststelling door toezending door het
                                    college van de besluiten aan de aanvragers. Tegelijkertijd met
                                    de bekendmaking doet het college schriftelijk mededeling over de
                                    besluiten aan de overige bevoegde gezagsorganen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd
                                    met de bekendmaking ter inzage gelegd. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoering programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen acht weken nadat het besluit van het college over de
                                    vaststelling van het programma aan de bevoegde gezagsorganen
                                    bekend is gemaakt, treden het college en de aanvrager in overleg
                                    over de wijze van uitvoering van de in het programma opgenomen
                                    voorziening, indien hierom door een of beide partijen wordt
                                    verzocht. In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die
                                    nodig is voor de uitvoering van de voorziening. Daarbij worden,
                                    voor zover van toepassing, afspraken gemaakt over: </al><lijst><li nr="a."><al>de locatie waar de voorzieningen gerealiseerd
                                            worden;</al></li><li nr="b."><al>het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair
                                            onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het
                                            voorgezet onderwijs; </al></li><li nr="c."><al>het tijdstip van indiening van het bouwplan en de
                                            begroting door de aanvrager; </al></li><li nr="d."><al>een andere wijze van uitvoering van het besluit met
                                            inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;
                                        </al></li><li nr="e."><al>de wijze waarop het college toepassing geeft aan de
                                            toetsing van het bouwplan en de begroting, alsmede aan
                                            de toetsing in verband met wettelijke voorschriften en
                                            nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel
                                            16; </al></li><li nr="f."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over
                                            de besteding van de beschikbaar te stellen middelen.
                                        </al></li><li nr="g."><al>de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt met als
                                            uitgangspunt dat op opdrachten onder het Europese
                                            drempelbedrag de richtlijnen zoals vastgesteld in het
                                            Besluit overheidsaanbestedingen van toepassing
                                            zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg
                                    niet tot overeenstemming heeft geleid, legt het college
                                    schriftelijk vast in een verslag, dat het binnen vier weken na
                                    het overleg ter kennis van de aanvrager brengt. Indien de
                                    aanvrager schriftelijk instemt met het verslag of binnen twee
                                    weken na ontvangst nog niet schriftelijk heeft gereageerd,
                                    wordt, afhankelijk van de inhoud van het vastgestelde verslag,
                                    geacht overeenstemming of geen overeenstemming te zijn bereikt.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16,
                                    vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de
                                    overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een
                                    beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het
                                    derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat
                                    het verslag is vastgesteld dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de
                                    uitvoering van de voorziening geen aanvang zal nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                    bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
                                    en omstandigheden; overlegging offertes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met betrekking tot de voorzieningen bedoeld in artikel 15 dient
                                    de aanvrager, voor zover van toepassing met inachtneming van de
                                    in het overleg als bedoeld in artikel 15 gemaakte afspraken, en
                                    voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht, de
                                    bouwplannen, de desbetreffende begroting en een aanduiding van
                                    het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang dient te nemen,
                                    ter instemming in bij het college. Indien het een voorziening
                                    betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin,
                                    overlegt de aanvrager, voor zover van toepassing met
                                    inachtneming van de in het overleg als bedoeld in artikel 15
                                    gemaakte afspraken, aan het college tevens minimaal drie aan de
                                    aanvrager uitgebrachte offertes of inschrijvingsbiljetten voor
                                    de uitvoering van de voorziening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen zes weken na ontvangst beslist het college over de
                                    instemming met de bouwplannen en de desbetreffende begroting en
                                    over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt. Het
                                    college kan, onder mededeling daarvan aan de aanvrager, deze
                                    termijn verlengen met drie weken. Indien niet binnen deze
                                    termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend
                                    met de bouwplannen en de begroting en vangt de bekostiging aan
                                    op het door de aanvrager aangegeven tijdstip.</al><al>Het college deelt de beslissing over het bouwplan, de
                                    desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging
                                    een aanvang neemt, binnen twee weken na de datum van de
                                    beslissing schriftelijk mee aan de aanvrager. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het
                                    college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de
                                    school verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten
                                    tijde van de vaststelling van het programma al dan niet
                                    ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een naar het oordeel van het
                                    college ingrijpende wijziging van de feiten en omstandigheden
                                    komt de voorziening alsnog niet voor bekostiging in aanmerking.
                                </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid vindt geen
                                    toepassing indien het voorzieningen betreft die in het programma
                                    zijn opgenomen voor een bedrag tot € 30.000 exclusief BTW. Het
                                    college doet hiervan mededeling aan de aanvrager door het
                                    verstrekken van een algemene uitvoeringsbeschikking.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De instemming met de bouwplannen, de instemming met de
                                    begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens
                                    de wet gestelde voorschriften, en de toetsing of er sprake is
                                    van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen achterwege blijven
                                    als dat naar het oordeel van het college niet noodzakelijk is
                                    gezien de inhoud van de in het programma opgenomen voorziening.
                                    Het college doet hiervan mededeling aan de aanvrager. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                    begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van
                                    een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                    volzin. De beslissing van het college als bedoeld in het tweede
                                    lid betreft dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan.
                                    Daarbij zijn de genoemde termijnen in het tweede lid van
                                    overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de
                                    offertes over het bedrag dat definitief beschikbaar wordt
                                    gesteld voor de uitvoering van de voorziening en over het
                                    tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan nemen. De
                                    aanvrager wordt binnen twee weken na de datum van deze
                                    beslissing hiervan schriftelijk in kennis gesteld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede
                                lid of artikel 16, zevende lid, over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling
                                van de gelden in termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling van
                                de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig tijdstip dat de
                                aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen voortkomend
                                uit de realisering van de op het programma geplaatste
                                voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor voorzieningen bedoeld in artikel 2, onder a. 6º en 7º en
                                    voor voorzieningen bedoeld onder b. en c. die in het programma
                                    zijn opgenomen voor een bedrag tot € 30.000 exclusief BTW,
                                    vervalt de bekostiging wanneer niet uiterlijk op 31 december van
                                    het jaar waarvoor het programma geldt, kopieën van de facturen
                                    van desbetreffende werkzaamheden of aanschaffingen door het
                                    bevoegd gezag bij het college zijn ingediend. Na deze datum
                                    ingediende facturen komen niet voor vergoeding in
                                    aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de overige voorzieningen vervalt de aanspraak op
                                    bekostiging, indien niet door de aanvrager vóór 31 december van
                                    het jaar waarvoor het programma geldt een afschrift van de
                                    bouwopdracht dan wel de koop-, huur- of erfpachtovereenkomst aan
                                    het college is gezonden. De in de eerste volzin bedoelde
                                    bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van
                                    het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen,
                                    binnen welke het werk wordt opgeleverd. De in de eerste volzin
                                    bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk. Een huur- of
                                    erfpachtovereenkomst vermeldt de datum van inwerkingtreding,
                                    alsmede de duur van de overeenkomst. Een koopovereenkomst
                                    vermeldt de datum van aankoop.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de aanvrager
                                    voor 1 november een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot
                                    verlenging van de termijn als bedoeld in het eerste lid bij het
                                    college heeft ingediend. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college beslist voor 1 december op het verzoek tot
                                    verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd,
                                    wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als
                                    bedoeld in het eerste lid wordt verlengd. </al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSDTUK</label><nr>3</nr><titel>AANVRAGEN MET SPOEDEISEND KARAKTER</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                kan worden ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruikgemaakt
                                van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in
                                    artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager
                                    de volgende gegevens te verstrekken: </al><lijst><li nr="a."><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
                                            voorziening in de huisvesting spoedeisend maken; </al></li><li nr="b."><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet
                                            kon worden aangevraagd in het kader van een nog vast te
                                            stellen programma; </al></li><li nr="c."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van
                                            de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                            vereisten, tenzij het een voorziening betreft als
                                            bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen 6 tot en met 8
                                            en artikel 2 onder d, e en f; </al></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering
                                            indien het een voorziening betreft als bedoeld in
                                            artikel 4, derde lid, laatste volzin. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als
                                    bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken
                                    na datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld
                                    aan de aanvrager. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld
                                    de ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de
                                    mededeling in te dienen bij het college. Indien de aanvrager de
                                    vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin
                                    bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de
                                    aanvraag niet te behandelen. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist binnen zes weken na ontvangst van de
                                    aanvraag of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens zijn
                                    verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee weken na
                                    de datum van de beslissing wordt de aanvrager hiervan
                                    schriftelijk in kennis gesteld door het college. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een beschikking niet binnen zes weken kan worden gegeven,
                                    stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en noemt
                                    daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel
                                    tegemoet kan worden gezien. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inhoud beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college
                                    heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op
                                    de voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen
                                    van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de
                                    expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is. Bij deze vaststelling past
                                    het college de regels toe met betrekking tot: </al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I; </al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II; </al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in
                                            bijlage III.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste
                                    voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening
                                    omvatten. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt het college welk
                                    genormeerd bedrag ingevolge het bepaalde in bijlage IV, deel A
                                    voor de toegewezen voorziening beschikbaar wordt gesteld, dan
                                    wel wat het geraamde bedrag is indien het een voorziening
                                    betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. Bij
                                    de beschikking stelt het college vast voor welke datum een
                                    bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                    erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, en voor welke datum een
                                    afschrift daarvan aan het college moet zijn toegezonden.</al><al>Binnen twee maanden na de datum van de beschikking door het
                                    college moet een bouwopdracht zijn verleend, dan wel een koop-,
                                    huur- of erfpachtovereenkomst zijn gesloten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Uitvoering beslissing</titel></kop><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste
                                lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo
                                spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                uitvoering.</al><al>Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij overeenkomstig
                                van toepassing, met uitzondering van de in het tweede lid van
                                artikel 16 genoemde termijn van zes weken. Hiervoor moet worden
                                gelezen drie weken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde
                                    tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-,
                                    huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift
                                    daarvan is gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op
                                    bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan
                                    wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het bepaalde in
                                    artikel 18, tweede lid van overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor voorzieningen bedoeld onder artikel 2, onder a. 6ºen 7º en
                                    b. en c. dienen uiterlijk 9 maanden na de datum van de
                                    verzending van de beschikking de facturen van desbetreffende
                                    werkzaamheden of aanschaffingen door het bevoegd gezag bij het
                                    college te worden ingediend. Na deze datum ingediende facturen
                                    komen niet voor vergoeding in aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging onder lid 1. vervalt niet, indien de
                                    aanvrager uiterlijk vier weken voor het verstrijken van deze
                                    datum een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij
                                    het college tot verlenging van de termijn. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging
                                    op totdat het college op het verzoek beslist. Indien het college
                                    het verzoek inwilligt, noemt het college een nieuwe datum waarop
                                    de aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het college het
                                    verzoek afwijst, geldt de datum van beslissing op het verzoek
                                    als vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet voor de
                                    oorspronkelijke vervaldatum kan vallen. </al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>BEKOSTIGING BOUWVOORBEREIDING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor
                                plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan voorafgaand een
                                aanvraag een aanvraag voor bekostiging van de bouwvoorbereiding
                                indienen bij het college. Het betreft de voorbereiding voorafgaand
                                aan het moment van aanbesteding van die voorziening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar voorafgaand
                                aan het jaar waarin de bekostiging wordt gewenst. Hierbij wordt
                                gebruikgemaakt van een door het college vastgesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager; </al></li><li nr="b."><al>de dagtekening; </al></li><li nr="c."><al>de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding
                                        wordt gewenst; </al></li><li nr="d."><al>de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de
                                        gewenste locatie van de voorziening; </al></li><li nr="e."><al>het gewenste tijdstip van realisering van de voorziening;
                                    </al></li><li nr="f."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                        school die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                        vereisten; </al></li><li nr="g."><al>indien het nieuwbouw betreft ter vervanging van een bestaand
                                        gebouw: een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van
                                        de vervanging blijkt. Bij de rapportage wordt gebruikgemaakt
                                        van het door het college vastgestelde formulier ‘Bouwkundige
                                        opname’; </al></li><li nr="h."><al>een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid,
                                        indien de bekostiging bouwvoorbereiding is aangemerkt als
                                        een voorziening bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                        volzin. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde
                                lid, deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk mee aan de
                                aanvrager en stelt hem in de gelegenheid om voor 15 maart de
                                gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7, derde lid, is
                                daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toelichting en overleg aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het
                                overleg over de begroting, als bedoeld in het vorige artikel, is het
                                gestelde in artikel 9 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor
                                bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met
                                de aanvrager. Dit overleg over de aanvraag vindt plaats tezamen met
                                het overleg als bedoeld in artikel 10, eerste lid. Artikel 10,
                                tweede, derde en vierde lid zijn daarbij van overeenkomstige
                                toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Beschikking op aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college neemt voor het tijdstip als bedoeld in artikel 11,
                                tweede lid, een beslissing op de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van
                                        bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;</al></li><li nr="b."><al>de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende
                                        vaststaat;</al></li><li nr="c."><al>er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het
                                        gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in aanmerking
                                        kan worden gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot
                                welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het
                                bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld,
                                echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn
                                financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft ingeschakeld
                                bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager en het college
                                maken afspraken over de daadwerkelijke beschikbaarstelling van het
                                bedrag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                                aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing
                                van de voorziening op enig toekomstig programma. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><al>De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de
                            aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar
                            waarin het besluit is genomen, daadwerkelijk is begonnen met de
                            bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie heeft
                            verstrekt aan het college waaruit dit blijkt. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>MEDEGEBRUIK EN VERHUUR</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.1</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een school berekend volgens het gestelde in bijlage III,
                                        delen A en B en het bevoegd gezag van die school een
                                        aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of
                                        uitbreiding heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een
                                        andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door
                                        medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien;</al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de
                                        voor die school of instelling gangbare
                                        berekeningswijze;</al></li><li nr="d."><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een
                                        school;</al></li><li nr="e."><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                        school.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs,
                                            indien uit de vergelijking van het aantal vierkante
                                            meters brutovloeroppervlakte zoals berekend op basis van
                                            bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw in
                                            vierkante meters brutovloer-oppervlakte zoals
                                            vastgesteld op basis van bijlage III, deel A, blijkt dat
                                            er ten minste een aantal vierkante meters
                                            brutovloeroppervlakte ter grootte van de in bijlage III,
                                            deel C genoemde drempelwaarde niet nodig is voor de daar
                                            gevestigde school of scholen;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            voortgezet onderwijs, indien uit de vergelijking van de
                                            ruimtebehoefte zoals berekend op basis van bijlage III,
                                            deel B en de capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld
                                            op basis van bijlage III, deel A blijkt dat er een
                                            overschot is aan vierkante meters
                                            bruto-vloeroppervlakte, tenzij het bevoegd gezag op
                                            basis van het lesrooster of de lesroosters voor het
                                            lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat er
                                            binnen het overschot aan vierkante meters
                                            brutovloeroppervlakte geen sprake is van onderbenutting
                                            van de onderwijsruimten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door
                                            een of meer scholen voor basisonderwijs of voor
                                            (voortgezet) speciaal onderwijs, indien de som van het
                                            aantal klokuren gebruik dat door het college wordt
                                            vergoed minder is dan 40 klokuren;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het een gebouw betreft van een school voor
                                            voortgezet onderwijs, indien uit de berekening op basis
                                            van Bijlage III, Deel B blijkt dat benutting van het
                                            gebouw lager is dan 40 lesuren, tenzij het bevoegd gezag
                                            op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het
                                            lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet
                                            het geval is;</al></li><li nr="c."><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door
                                            een of meer scholen voor basisonderwijs, voor
                                            (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs,
                                            indien de som van de berekeningswijzen genoemd onder a
                                            en b een aantal klokuren lager dan 40 oplevert.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                    medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw
                                    waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik
                                    heeft gegeven aan een andere school of scholen ten behoeve van
                                    het onderwijs aan die school of scholen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het
                                    gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de
                                    aan die scholen reeds ter beschikking staande
                                    huisvestingscapaciteit. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet wordt: </al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in
                                            gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag,
                                            tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het vorderen van
                                            leegstand in een ander gebouw een betere oplossing
                                            biedt; </al></li><li nr="b."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin
                                            een school van dezelfde richting is gehuisvest en </al></li><li nr="c."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het
                                            dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten
                                            behoeve waarvan de vordering plaatsvindt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde
                                    gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de
                                    in het derde lid opgenomen volgorde afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    van leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het
                                    college daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de
                                    leegstand gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de
                                    huisvesting is bestemd. Dit overleg maakt deel uit van het
                                    overleg als bedoeld in artikel 10. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als
                                    bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk mededeling
                                    van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt.
                                    Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in
                                    het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te
                                    hebben. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert
                                    het college daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd
                                    gezag waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor
                                    de huisvesting is bestemd. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Binnen twee weken na het overleg als bedoeld in het vorige lid,
                                    doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan
                                    het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling
                                    kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te
                                    kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in het
                                    tweede en vierde lid, bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve
                                            waarvan wordt gevorderd; </al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve
                                            waarvan gevorderd wordt of, indien het betreft het
                                            onderwijs in lichamelijke oefening, het aantal klokuren
                                            dat gevorderd wordt; </al></li><li nr="c."><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering
                                            betrekking heeft; </al></li><li nr="d."><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat
                                            gevorderd wordt; </al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum
                                            van het medegebruik.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg een vergoeding voor het medegebruik vast. Als het overleg
                                niet tot overeenstemming leidt wordt deze vergoeding gebaseerd op
                                het bedrag dat voor elke groep bij meer dan zes groepen door het
                                ministerie van OCW beschikbaar wordt gesteld binnen de
                                groepsafhankelijke programma’s van eisen, zoals jaarlijks
                                gepubliceerd door het ministerie van OCW.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.2</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering indien: </al><lijst><li nr="a."><al>sprake is van leegstand van een lesgebouw of een
                                        gymnastiekruimte zoals bedoeld in artikel 30; </al></li><li nr="b."><al>sprake is van onderbenutting van een sportveld van een
                                        school voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het
                                        lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor
                                        het onderwijs gebruiken. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg
                                    met het bevoegd gezag. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde: </al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;
                                        </al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                            onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school; </al></li><li nr="c."><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te
                                            voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw
                                            gevestigde school hinder van het medegebruik ondervindt;
                                        </al></li><li nr="d."><al>wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag
                                            een redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een
                                            aanvang kan nemen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen vier weken na afloop van het overleg doet het college
                                    schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag.
                                    Indien het overleg zoals bedoeld in het eerste lid heeft geleid
                                    tot afspraken, bevat de mededeling in ieder geval die afspraken.
                                    Voor zover het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid,
                                    bevat de mededeling de beslissing van het college over de punten
                                    waarover geen overeenstemming bestond. Indien het bevoegd gezag
                                    in het overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben
                                    tegen de vordering, kan van de schriftelijke mededeling als hier
                                    bedoeld worden afgezien. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toestemming college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit vraagt het
                                    bevoegd gezag toestemming voor de verhuur aan het college. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat
                                    een aanduiding van de huurder, alsmede van de bestemming van de
                                    te verhuren ruimte. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verleent geen toestemming indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                            school; of </al></li><li nr="b."><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met
                                            bepalingen daaromtrent in de Wet op het primair
                                            onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het
                                            voortgezet onderwijs.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>EINDE GEBRUIK GEBOUWEN EN TERREINEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft
                                voor de huisvesting van een school, wordt het gebruik van het gebouw
                                of terrein zo spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum
                                genoemd in de door het college en het bevoegd gezag ondertekende
                                gezamenlijke akte of de datum zoals vastgesteld door gedeputeerde
                                staten bij de beslissing inzake een geschil over de totstandkoming
                                van een gezamenlijke akte. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van
                                achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het
                                eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag
                                behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaatsvindt, een
                                staat van onderhoud opgemaakt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college
                                na overleg met het bevoegd gezag. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                                gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk
                                deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt
                                uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald
                                wordt. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen
                                partijen vast welke handelwijze gevolgd wordt. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit
                                naar het oordeel van het college niet nodig is. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>GEBRUIK GYMNASTIEKRUIMTE VOOR BASISONDERWIJS EN (VOORTGEZET) SPECIAAL
                            ONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                inroostering gebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs of een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks voor 1
                                maart voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave van de
                                voor dat schooljaar voor de school gewenste onderwijsgebruik van een
                                gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al>de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in
                                        een aantal klokuren; </al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin het
                                        gebruik wordt gewenst; </al></li><li nr="c."><al>de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een
                                        schoolweek wordt gewenst. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als
                                een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande dat op de
                                afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde in dit artikel
                                van toepassing is. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 mei voorafgaande aan het
                                daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een
                                voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door scholen
                                voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs van de op het
                                grondgebied van de gemeente gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe wordt
                                het gewenste onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare
                                capaciteit van de gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een
                                capaciteit van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                inroostering het volgende in acht: </al><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                        onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals opgenomen
                                        in bijlage I, deel B; </al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
                                        gehouden school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte
                                        wordt voor de betreffende school het eerste ingeroosterd
                                        voor die gymnastiekruimte; </al></li><li nr="c."><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                        ingeroosterd in één gymnastiekruimte. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs de volgende
                                gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in
                                        een gymnastiekruimte; </al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden
                                        gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt; </al></li><li nr="c."><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                        gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één
                                        gymnastiekruimte plaatsvindt; </al></li><li nr="d."><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het
                                        aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel bekostiging
                                        gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet)
                                        speciaal onderwijs voor bekostiging door de gemeente in
                                        aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel klokuren voor
                                        rekening komen van het bevoegd gezag van de school. </al></li></lijst><al>Het college neemt het aantal klokuren als bedoeld in dit lid onder d
                                slechts op in het voorstel tot inroostering voor zover daarvoor nog
                                capaciteit beschikbaar is, nadat rekening is gehouden met het totale
                                klokuurgebruik dat voor bekostiging door de gemeente in aanmerking
                                komt. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee
                                weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen voor
                                basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. De bevoegde
                                gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd voor een overleg over het
                                voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen twee weken na toezending
                                van het voorstel. In het overleg worden de vertegenwoordigers van de
                                bevoegde gezagsorganen in de gelegenheid gesteld te reageren op het
                                voorstel tot inroostering. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen stelt
                                het college voor 1 juni volgend op de genoemde datum in het derde
                                lid, de definitieve inroostering vast van het gebruik van de
                                gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het college
                                daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als bedoeld in het
                                zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan wordt dit gemotiveerd.
                            </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen de
                                betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke mededeling van
                                het college over de inroostering in de beschikbare gymnastiekruimten
                                van de onder hun bevoegd gezag staande school of scholen voor het
                                volgende schooljaar. Deze mededeling is te beschouwen als een
                                beslissing in de zin van artikel 22 en, indien van toepassing, een
                                beslissing in de zin van artikel 32, vierde lid. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek
                            van prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 februari 2011, met dien
                            verstande dat de aanvragen die worden ingediend voor het programma 2012
                            en volgende jaren worden afgehandeld volgens deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2009 gemeente
                            Oegstgeest en de bijbehorende bijlagen worden ingetrokken, met dien
                            verstande dat deze van toepassing blijven op de voorzieningen die zijn
                            toegekend vóór 1 februari 2011.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening voorzieningen
                            huisvesting onderwijs gemeente Oegstgeest 2011.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 27 januari 2011.</al></slotformulering><ondertekening>voorzitter</ondertekening><ondertekening>griffier</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>I</nr><titel>behorende bij de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente
                        Oegstgeest 2011</titel></kop><tussenkop>Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen </tussenkop><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                    voorwaarden waaronder - behoudens de financiële toets - de voorziening voor
                    bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen vallen uiteen in twee delen: </al><lijst><li nr="·"><al>deel A: lesgebouwen; </al></li><li nr="·"><al>deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening. </al></li></lijst><tussenkop>DEEL A Lesgebouwen </tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs </tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2.en 1.9 c worden niet
                    noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd
                    gezag en ter beoordeling van het college.</al><tussenkop>1.1 Nieuwbouw </tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><tussenkop>1.2 Vervangende bouw </tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen
                            geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de
                            levensduurverlenging);</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn (of
                            zullen zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                            de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste <cursief>vijftien jaren</cursief> deze groepen
                            leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn en dat
                            voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste <cursief>vier jaren</cursief> deze groepen leerlingen kunnen
                            worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen
                                <cursief>2000 meter</cursief> hemelsbreed een passende huisvesting
                            voor de school te realiseren. </al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als: </al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats. </al><tussenkop>1.3 Uitbreiding</tussenkop><tussenkop>1.3.1 Uitbreiding met een of meer leslokalen </tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig
                            zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III,
                            deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                            bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                            drempelwaarde overschrijdt, en</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste <cursief>vijftien aaneengesloten
                                jaren</cursief> voor een voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding
                            deze leerlingen kan (kunnen) worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste <cursief>vier aaneengesloten
                                jaren</cursief> voor een voor tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding
                            deze leerlingen kan (kunnen) worden verwacht of</al></li><li nr="b3."><al>het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag
                            aantoont, dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal
                                <cursief>vier aaneengesloten jaren</cursief> binnen het gebouw of de
                            gebouwen kunnen worden gehuisvest en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><tussenkop>1.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een speellokaal </tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar
                            worden toegelaten;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal
                            blijven bestaan en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl</al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300 meter
                            hemelsbreed niet mogelijk is en</al></li><li nr="e."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil
                            tussen de feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de genormeerde
                            bruto-oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel
                            A, inpandig een speellokaal te maken.</al></li></lijst><tussenkop>1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw </tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                            aanmerking komt, terwijl</al></li><li nr="b1."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                            voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                            de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                            de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                            jaren deze en leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al></li></lijst><tussenkop>1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen </tussenkop><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat: </al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is,
                            waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van
                            meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl</al></li><li nr="b."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al></li></lijst><tussenkop>1.6 Terrein </tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D. </al><tussenkop>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</tussenkop><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt
                    uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in de
                    huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor 1 januari
                    2009 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden. Deze noodzaak kan ook
                    ontstaan wanneer er wel door toename van het aantal leerlingen recht bestaat op
                    uitbreiding van de huisvestingscapaciteit maar deze niet gerealiseerd
                    wordt.</al><al>De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een
                    speellokaal blijkt uit het feit dat een school voor speciaal basisonderwijs
                    uitgebreid wordt met een speellokaal.</al><tussenkop>1.8 Medegebruik </tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                    leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt.</al><tussenkop>1.9 Aanpassing </tussenkop><al>De voorziening aanpassing bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het basisonderwijs, gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="b."><al>een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten of om,
                            afgezien van een speellokaal, een gebouw van een speciale school voor
                            basisonderwijs geschikt te maken voor kinderen jonger dan zes jaar;</al></li><li nr="c."><al>creëren van een speellokaal binnen het gebouw van een school voor
                            speciaal basisonderwijs;</al></li><li nr="d."><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                            regelgeving;</al></li><li nr="e."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties; en</al></li><li nr="f."><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                            aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen;</al></li><li nr="g."><al>aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen.</al></li></lijst><tussenkop>Ad a </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    1.4, noodzakelijk is, maar het gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor
                    een school voor basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks
                    ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn. </al><tussenkop>Ad b </tussenkop><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een schoolgebouw te kunnen
                    afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het aantal groepen
                    leerlingen het gebruik van een gebouw kan of moet worden beëindigd omdat binnen
                    een of meer andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende ruimte aanwezig
                    is, terwijl deze niet zijn ingericht voor het onderwijs aan vier- en vijfjarigen
                    of zes- tot twaalfjarigen. </al><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing in een gebouw van een speciale school
                    voor basisonderwijs blijkt uit het feit dat 12 kinderen jonger dan zes jaar
                    worden toegelaten tot de school, terwijl het gebouw niet geschikt is voor het
                    onderwijs aan leerlingen jonger dan zes jaar. </al><tussenkop>Ad c </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de speciale school voor
                    basisonderwijs niet beschikt over een speellokaal en er geen ruimte groter dan
                    56 m2 aanwezig is en er bovendien geen medegebruik van een speellokaal van een
                    school binnen 300 meter mogelijk is. Daarnaast is de noodzaak afhankelijk van
                    het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar worden
                    toegelaten. </al><al>Indien het inpandig creëren van een speellokaal meer kost dan een uitbreiding,
                    zulks ter beoordeling van het college, op grond van bijlage IV, deel A, wordt
                    beslist alsof uitbreiding de gevraagde voorziening is.</al><tussenkop>Ad d </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte termijn moet
                    worden opgeheven. </al><tussenkop>Ad e </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is. </al><tussenkop>Ad f </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                    gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                    voorziening noodzakelijk is. Voor zover het betreft het aanbrengen van een
                    traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische
                    maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan
                    worden gevolgd, respectievelijk kan worden gegeven. </al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is. </al><tussenkop>Ad g </tussenkop><al>De noodzaak van deze aanpassing blijkt uit het feit dat: </al><lijst><li nr="a."><al>de aanpassing nog niet eerder is toegekend, en</al></li><li nr="b."><al>bij de bouw van het gebouw geen rekening is gehouden met
                            onderwijskundige vernieuwingen, en</al></li><li nr="c."><al>het een permanent gebouw betreft, en</al></li><li nr="d."><al>het om een bouwkundige aanpassing van het gebouw gaat.</al></li></lijst><tussenkop>1.10 Onderhoud </tussenkop><al>De voorziening oonderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="-"><al>Vervangen dekbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenberging, c.q. dak buitenberging.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen brandtrap.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen erfscheiding.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen binnenkozijnen en -deuren inclusief hang- en sluitwerk.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenkozijnen en –deuren inclusief hang- en sluitwerk.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen voor centrale
                            verwarming.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen boeiboorden.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten mniste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier door het bevoegd gezag niet langer volstaat. Noodzakelijk onderhoud
                    aan:</al><lijst><li nr="-"><al>permanente gebouwen komt voor bekostiging in aanmeking indien op basis
                            van een prognose, die voldoet aan de vereiste gesteld in bijlage II, het
                            gebouw nog ten ministe vier jaar voor de school nodig is en </al></li><li nr="-"><al>noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een
                            prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw
                            nog ten ministe vier jaar voor de school nodig is en voor de aanwezige
                            leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van medergebruikers
                            elders.</al></li></lijst><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><tussenkop>1.11 Herstel van constructiefouten </tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><tussenkop>1.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden </tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><tussenkop>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder 2.2, 2.3.1 en 2.3.2 worden niet noodzakelijk
                    geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. De voorziening genoemd
                    onder 2.3.2 wordt niet noodzakelijk geacht voor nevenvestigingen. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd
                    gezag en ter beoordeling van het college. </al><tussenkop>2.1 Nieuwbouw </tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                            het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><tussenkop>2.2 Vervangende bouw </tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de verlenging
                            van de levensduur);</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn)
                            en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                            de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als: </al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats. </al><tussenkop>2.3 Uitbreiding </tussenkop><tussenkop>2.3.1 Uitbreiding algemeen</tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig
                            zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III,
                            deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                            bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                            drempelwaarde overschrijdt, en</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste <cursief>vijftien aaneengesloten
                                jaren</cursief> voor een voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding
                            deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste <cursief>vier aaneengesloten
                                jaren</cursief> voor een voor tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding
                            deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b3."><al>het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag
                            aantoont, dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal
                                <cursief>vier aaneengesloten jaren</cursief> binnen het gebouw of de
                            gebouwen kunnen worden gehuisvest en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen
                                <cursief>2000 meter</cursief> hemelsbreed een passende extra
                            huisvesting voor de school te realiseren</al></li></lijst><tussenkop>2.3.2 Uitbreiding met een speellokaal </tussenkop><al>De noodzaak van uitbreiding met een speellokaal blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat aan de school of afdeling kinderen jonger dan zes jaar
                            worden toegelaten;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal
                            blijven bestaan en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl</al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal, gymnastiekruimte of lokaal voor
                            motorische therapie binnen 300 meter hemelsbreed niet mogelijk is
                            en,</al></li><li nr="e."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil
                            tussen de feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de genormeerde bruto
                            oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A,
                            geheel of gedeeltelijk inpandig een speellokaal te maken.</al></li></lijst><tussenkop>2.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw </tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                            het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                            aanmerking komt, terwijl</al></li><li nr="b1."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                            voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                            de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                            jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                            de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                            jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al></li></lijst><tussenkop>2.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen </tussenkop><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat: </al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is,
                            waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van
                            meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl</al></li><li nr="b."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor
                            een nieuwe tijdelijke</al></li></lijst><al>voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en dezelfde tijdsduur, zulks ter
                    beoordeling van het college. </al><tussenkop>2.6 Terrein </tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><tussenkop>2.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</tussenkop><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt
                    uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in de
                    huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor 1 januari
                    2009 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden</al><al>De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een
                    speellokaal blijkt uit het feit dat de school uitgebreid wordt met een
                    speellokaal.</al><tussenkop>2.8 Medegebruik </tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                    leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt.</al><tussenkop>2.9 Aanpassing </tussenkop><al>De voorziening aanpassing bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het (voortgezet) speciaal onderwijs gelet op de
                            eisen als gesteld in bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="b."><al>verbouwing om een dislocatie te kunnen afstoten;</al></li><li nr="c."><al>verbouwing van een dislocatie tot hoofdgebouw;</al></li><li nr="d."><al>functieverandering van vaklokalen als gevolg van de keuze voor een ander
                            vak (alleen voortgezet speciaal onderwijs);</al></li><li nr="e"><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                            regelgeving; </al></li><li nr="f"><al>vervangen van een oliegestookte verwarmingsinstallatie; en </al></li><li nr="g"><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                            aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen. </al></li></lijst><tussenkop>Ad a</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor
                    het (voortgezet) speciaal onderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten,
                    zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn. </al><al>De noodzaak voor deze activiteit kan ook aanwezig zijn indien een gebouw in
                    gebruik wordt genomen door een andere onderwijssoort. De voorzieningen die dan
                    noodzakelijk zijn, zijn de specifieke voorzieningen voor die onderwijssoort, die
                    nog niet in het gebouw aanwezig zijn. </al><tussenkop>Ad b </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat het aantal leerlingen
                    zodanig terugloopt dat het gebruik van een gebouw moet worden beëindigd omdat
                    binnen het (hoofd)gebouw voldoende ruimte aanwezig is, terwijl dit gebouw niet
                    is ingericht voor het desbetreffende onderwijs. </al><tussenkop>Ad c </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit de aanwezigheid van meer dan 60
                    leerlingen SO of meer dan 42 leerlingen VSO, terwijl volgens de prognose als
                    vereist volgens bijlage II deze leerlingen ten minste vijftien jaren aanwezig
                    zullen zijn en de dislocatie voor vijftien jaren of meer - gelet op de
                    bouwkundige staat - als hoofdgebouw kan dienen. </al><tussenkop>Ad d </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de keuze voor een ander
                    vak op het schoolwerkplan door de onderwijsinspecteur is goedgekeurd. </al><tussenkop>Ad e </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte termijn moet
                    worden opgeheven. </al><tussenkop>Ad f </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is. </al><tussenkop>Ad g </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                    gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                    voorziening noodzakelijk is. Voor zover het betreft het aanbrengen van een
                    traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische
                    maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan
                    worden gevolgd, respectievelijk gegeven.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste <cursief>vijftien jaren</cursief> voldoende leerlingen om
                    de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de
                    betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het
                    onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht,
                    wordt de aanpassing slechts goedgekeurd als er geen andere, goedkopere,
                    voorziening mogelijk is. </al><tussenkop>2.10 Onderhoud </tussenkop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="-"><al>Vervangen dekbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen nuitenberging c.q. dak buitenberging.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen brandtrap.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen erfscheiding.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen binnenkozijnen en -deuren inclusief hang- en sluitwerk.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenkozijnen en -deuren inclusief hang- en sluitwerk.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen voor centrale
                            verwarming.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen boeiboorden.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezagniet langer volstaat. Noodzakelijk
                    onderhoud aan:</al><lijst><li nr="-"><al>permanente gebouwen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis
                            van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II,
                            het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig is en </al></li><li nr="-"><al>noodlokalem komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een
                            prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage voor de
                            aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van medegebruik
                            elders. </al></li></lijst><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud. </al><tussenkop>2.11 Herstel van constructiefouten </tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><tussenkop>2.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van </tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><tussenkop>3. School voor voortgezet onderwijs </tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder 3.2 en 3.3 worden niet noodzakelijk geacht voor
                    dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden is
                    dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van
                    het college. </al><tussenkop>3.1 Nieuwbouw </tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><tussenkop>3.2 Vervangende bouw </tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit het feit dat: </al><lijst><li nr="a."><al>voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de
                            bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, in
                            zo'n slechte/matige conditie zijn dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de
                            levensduurverlenging);</al></li><li nr="b1."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                            voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                            de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor tijdelijk
                            gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren dit aantal
                            leerlingen kan worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.
                        </al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als: </al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw gesloopt wordt, vindt toekenning van sloopkosten plaats. </al><tussenkop>3.3 Uitbreiding </tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er meer te huisvesten leerlingen aanwezig zijn dan de met
                            tien procent verhoogde capaciteit van het gebouw of de gebouwen,
                            vastgesteld volgens de regels in bijlage III, deel A - voor de aanwezige
                            capaciteit en bijlage III, deel B - voor de ruimtebehoefte -, aangeeft
                            en de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                            dat gedurende ten minste vijftien jaren voor een voor blijvend gebruik
                            bestemde uitbreiding of gedurende ten minste vier jaren voor uitbreiding
                            met een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening deze aantallen
                            leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><tussenkop>3.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw </tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                            aanmerking komt, terwijl</al></li><li nr="b1."><al>de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                            voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht
                            of</al></li><li nr="b2"><al>de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                            voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en
                        </al></li><li nr="c."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al></li></lijst><tussenkop>3.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen </tussenkop><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat: </al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting van ten minste vier jaren is, waarin
                            beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan
                            2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl</al></li><li nr="b."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al></li></lijst><tussenkop>3.6 Terrein </tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><tussenkop>3.7 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair </tussenkop><al>Aanspraak op eerste inrichting van leer- en hulpmiddelen en meubilair bestaat
                    wanneer er sprake is van toekenning van een voorziening in de huisvesting en
                    daarbij sprake is van uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de
                    school. </al><al>Tevens bestaat aanspraak op een tegemoetkoming in de eerste inrichting- en
                    hulpmiddelen en meubilair indien door middel van een inpandige aanpassing een
                    andere ruimtesoort wordt gecreëerd. </al><al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra inrichting leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair, indien het aantal leerlingen na de fusie groter is
                    dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijke aan de fusie deelnemende
                    scholen. </al><tussenkop>3.8 Medegebruik </tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat de school een aantal
                    leerlingen heeft waarvoor binnen de bestaande huisvesting geen capaciteit is. De
                    capaciteit wordt bepaald op de wijze zoals beschreven is bij 3.3.a. </al><tussenkop>3.9 Herstel van constructiefouten </tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><tussenkop>3.10 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, leer- en hulpmiddelen
                    en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden </tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><tussenkop>DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening </tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs </tussenkop><tussenkop>1.1 Nieuwbouw </tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>1.2 Vervangende bouw </tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>1.3 Uitbreiding </tussenkop><al>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m2 en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd
                            wordt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte </tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde
                            bij 1.2 onder a, in aanmerking komt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door het college
                            vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en</al></li><li nr="d."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw.</al></li></lijst><tussenkop>1.5 Terrein </tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is. </al><tussenkop>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket </tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is
                            verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>1.7 Eerste inrichting meubilair </tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>1.8 Medegebruik </tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                    vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats is. </al><tussenkop>1.9 Aanpassing </tussenkop><al>De aanpassingen bestaan uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                            ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                            mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al></li><li nr="2."><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                            gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                            gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                            gymnastiekruimte;</al></li><li nr="3."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="4."><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;</al></li><li nr="5."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al></li></lijst><tussenkop>Ad 1</tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn. </al><tussenkop>Ad 2 </tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn. </al><tussenkop>Ad 3</tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende
                    gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4,
                    noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                    gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke
                    kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn. </al><tussenkop>Ad 4 </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil
                    op korte termijn moet worden opgeheven. </al><tussenkop>Ad 5 </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is. </al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste <cursief>vijftien jaren</cursief> voldoende leerlingen om
                    de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de
                    betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het
                    onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht,
                    wordt de aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere,
                    voorziening mogelijk is. </al><tussenkop>1.10 Onderhoud </tussenkop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="-"><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging. </al></li><li nr="-"><al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen brandtrap.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen erfscheiding.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen binnenkozijnen en -deuren inclusief hang- en sluitwerk.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenkozijnen en -deuren inclusief hang- en sluitwerk.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen voor centrale
                            verwarming.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen boeiboorden.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezagniet langer volstaat. Noodzakelijk
                    onderhoud aan:</al><lijst><li nr="-"><al>permanente gebouwen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis
                            van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II,
                            het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig is en </al></li><li nr="-"><al>noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een
                            pronose, die voldoet aan de veresiten gesteld in bijlage II, het gebouw
                            nog ten minste vier jaar voor de school nodig is en voor de aanwezige
                            leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van medegebruik elders. </al></li></lijst><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><tussenkop>1.11 Herstel constructiefouten </tussenkop><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><tussenkop>1.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden </tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><tussenkop>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </tussenkop><tussenkop>2.1 Nieuwbouw </tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                            het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                            voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                            gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal
                            onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                            binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>2.2 Vervangende bouw </tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder d, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                            voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                            gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal
                            onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                            binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>2.3 Uitbreiding </tussenkop><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m2 en daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd
                            wordt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                            voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                            gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal
                            onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                            binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>2.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte </tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de school of nevenvestiging voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde in
                            2.2 onder a, in aanmerking komt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                            voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                            gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal
                            onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                            binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door het college
                            vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en</al></li><li nr="d."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw.</al></li></lijst><tussenkop>2.5 Terrein </tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is. </al><tussenkop>2.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket </tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste onderwijsleerpakket is verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>2.7 Eerste inrichting meubilair </tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting meubilair is verstrekt.</al></li></lijst><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                            voor de desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd
                            en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            het specifiek noodzakelijk meubilair is verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>2.8 Medegebruik </tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                    getoetste aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    huidig in gebruik zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is.</al><tussenkop>2.9 Aanpassing </tussenkop><al>De aanpassingen bestaan uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                            ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                            mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al></li><li nr="2."><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                            gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                            gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                            gymnastiekruimte;</al></li><li nr="3."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="4."><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;</al></li><li nr="5."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al></li></lijst><tussenkop>Ad 1 </tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn. </al><tussenkop>Ad 2 </tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn. </al><tussenkop>Ad 3 </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                    gymnastiekruimten voor het (voortgezet) speciaal onderwijs, terwijl deze wel
                    tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken
                    zijn. </al><tussenkop>Ad 4 </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil
                    op korte termijn moet worden opgeheven. </al><tussenkop>Ad 5 </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste <cursief>vijftien jaren</cursief> voldoende leerlingen om
                    de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de
                    betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het
                    onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht,
                    wordt de aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere,
                    voorziening mogelijk is. </al><tussenkop>2.10 Onderhoud </tussenkop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="-"><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging. </al></li><li nr="-"><al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen brandtrap.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen erfscheiding.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen binnenkozijnen en -deuren inclusief hang- en sluitwerk.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenkozijnen en -deuren inclusief hang- en sluitwerk.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen voor centrale
                            verwarming.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen boeiboorden.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezagniet langer volstaat. Noodzakelijk
                    onderhoud aan:</al><lijst><li nr="-"><al>permanente gebouwen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis
                            van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II,
                            het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig is en</al></li><li nr="-"><al>noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een
                            prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw
                            nog ten minste vier jaar voor de school nodig is en voor de aanwezige
                            leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van medegebruik elders. </al></li></lijst><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><tussenkop>2.11 Herstel constructiefouten </tussenkop><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><tussenkop>2.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden </tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><tussenkop>3. School voor voortgezet onderwijs </tussenkop><tussenkop>3.1 Nieuwbouw </tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>3.2 Vervangende bouw </tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al></li></lijst><tussenkop>3.3 Uitbreiding </tussenkop><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m2 en daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd
                            wordt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al></li></lijst><tussenkop>3.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte </tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde
                            bij 3.2 onder a, in aanmerking komt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn en het feit dat
                            de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw.</al></li></lijst><tussenkop>3.5 Terrein </tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is. </al><tussenkop>3.6 Eerste inrichting voor bewegingsonderwijs </tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting voor bewegingsonderwijs blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder eerste
                            inrichting voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>3.7 Medegebruik </tussenkop><tussenkop>3.7.1 Medegebruik gymnastiekruimte </tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik van een gymnastiekruimte blijkt uit het feit dat
                    klokuren gymnastiek noodzakelijk zijn waarvoor binnen de momenteel in gebruik
                    zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is. </al><tussenkop>3.7.2 Huur van een sportterrein </tussenkop><al>De noodzaak van huur van een sportveld blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat het lesrooster buitensport vermeldt, terwijl het bevoegd
                            gezag niet beschikt over een eigen sportveld en</al></li><li nr="b."><al>er geen mogelijkheden zijn tot gebruik van een sportveld van een ander
                            bevoegd gezag.</al></li></lijst><tussenkop>3.8 Herstel constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><tussenkop>3.9 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden </tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>II</nr><titel>behorende bij de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente
                        Oegstgeest 2011.</titel></kop><tussenkop>Criteria voor opstelling en toetsing van leerlingprognoses </tussenkop><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25,
                    derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaren
                    te starten met het gewenste jaar van bekostiging. </al><al>In bijlage I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van
                    welke prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat
                    voor (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is,
                    terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om
                    het gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een
                    korte-termijnprognose. </al><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de
                    school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met: </al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied of de voedingsgebieden;</al></li><li nr="b."><al>de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="c."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele
                            uitbreiding van het voedingsgebied;</al></li><li nr="d."><al>de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking
                            als gevolg van migratie, sterfte en geboorte;</al></li><li nr="e."><al>de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad;</al></li><li nr="f."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            school en</al></li><li nr="g."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><al>De prognose is niet meer dan twee jaar oud. </al><al>De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode
                    van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de
                    indiening van de aanvraag. </al><al>Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van
                    de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een
                    basisschool wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van
                    het voedingsgebied op wijkniveau. Voor een speciale school voor basisonderwijs,
                    het (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs kan, indien het
                    voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een
                    opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend. Bij
                    aanlevering van een prognose dienen de relevante gegevens en berekeningen over
                    de analyse- en prognoseperiode op papier te zijn afgedrukt. </al><al>Bij deze levering worden in elk geval de gebruikte programmatuur en de
                    aannames/assumpties met betrekking tot het gestelde onder d tot en met g, waarop
                    de prognose is gebaseerd, aangegeven en onderbouwd. </al><al>Het college is bevoegd onderscheiden naar onderwijssoort nadere regels te
                    stellen betreffende de criteria waaraan een prognose moet voldoen. Voorafgaand
                    aan de vaststelling door het college vormen de nadere regels onderwerp van
                    overleg aangaande het lokaal onderwijsbeleid als bedoeld in artikel 2, tweede
                    lid onder b van de Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid gemeente
                    Oegstgeest.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>III</nr><titel>behorende bij de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente
                        Oegstgeest 2011.</titel></kop><tussenkop>Criteria voor oppervlakte en indeling </tussenkop><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen:</al><al>deel A: de bepaling van de capaciteit; </al><al>deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte; </al><al>deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning; </al><al>deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen. </al><tussenkop>DEEL A De bepaling van de capaciteit</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs en speciale school voor
                    basisonderwijs</tussenkop><al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande
                    methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag
                    van de school besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek
                    vastgestelde capaciteit, indien de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden
                    ingezet ten behoeve van onderwijskundige, culturele, maatschappelijke (waaronder
                    kinderopvang) en recreatieve doeleinden.</al><tussenkop>1.1 Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de T en
                    B-dislocaties met een permanente of tijdelijke bouwaard</tussenkop><al>De brutovloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de bvo
                    zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de 'Meetinstructie voor het
                    vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair
                    onderwijs'.</al><tussenkop>Basisschool</tussenkop><al>De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het bruto
                    vloeroppervlak van het gebouw. De capaciteit van het gebouw met een permanente
                    bouwaard en de capaciteit van de tijdelijke bouwaard worden afzonderlijk
                    vastgesteld.</al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het
                    oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                    schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van
                    een fictief bruto vloeroppervlak als grondslag voor de capaciteitsbepaling.</al><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al><cursief>Voor een speciale school voor basisonderwijs geldt hetzelfde. Echter,
                        een eventueel aanwezig speellokaal wordt niet in de capaciteitsbepaling
                        wordt meegenomen. Indien een speellokaal aanwezig is èn de school voldoet
                        aan de voorwaarden zoals vermeld in bijlage I, deel A, paragraaf 1.3.2,
                        wordt op het bruto vloeroppervlak 90 m2 in mindering gebracht.</cursief></al><tussenkop>1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke
                    bouwaard</tussenkop><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen geldt het
                    gestelde onder 1.1.</al><tussenkop>1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</tussenkop><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.</al><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een
                    school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer dislocaties,
                    wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals
                    deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie van Onderwijs,
                    Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld,
                    doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt
                    vastgesteld. Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en
                    bouwkundige staat het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school
                    te dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer
                    1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente
                    bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens
                    de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit.</al><al>Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van de overblijvende
                    school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij de fusie betrokken
                    scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de gefuseerde scholen, gelet
                    op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij als dislocatie een plaats
                    in de rangorde zoals hiervoor omschreven.</al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist.</al><tussenkop>1.4 Terrein</tussenkop><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster.</al><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al><tussenkop>1.5 Inventaris</tussenkop><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle scholen voor
                    (speciaal) basisonderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende
                    onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto vloeroppervlakte van de school is de
                    basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris</al><tussenkop>1.6 Gymnastiekruimten </tussenkop><tussenkop>1.6.1 Gymnastiekruimte </tussenkop><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt 40
                    klokuren. </al><tussenkop>1.6.2 Terrein </tussenkop><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd. </al><tussenkop>1.6.3 Inventaris </tussenkop><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn. </al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </tussenkop><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld.Het college kan in
                    overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering
                    van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien de hierdoor
                    beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van onderwijskundige,
                    culturele, maatschappelijke (waaronder kinderopvang) of recreatieve doeleinden. </al><tussenkop>2.1 Hoofdgebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard</tussenkop><al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de
                    BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de 'Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het
                    primair onderwijs'.</al><al>De capaciteit van een gebouw voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt
                    vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte van het gebouw. De capaciteit van het
                    gebouw met een permanente bouwaard en de capaciteit van de tijdelijke bouwaard
                    worden afzonderlijk vastgesteld.</al><al>Indien een speellokaal aanwezig is èn de school voldoet aan de voorwaarden zoals
                    vermeld in bijlage I, deel A, paragraaf 2.3.2 sub a. en sub b, wordt op de
                    bruto-vloeroppervlakte 90 m2 in mindering gebracht.</al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het
                    oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                    schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van
                    een fictief bruto/vloeroppervlakte als grondslag voor de
                    capaciteitsbepaling.</al><tussenkop>2.2 Dislocaties of nevenvestigingen, gebouwen met een permanente of een
                    tijdelijke bouwaard. </tussenkop><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor scholen voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs geldt het gestelde onder 2.1.</al><tussenkop>2.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties </tussenkop><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. </al><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw en een of
                    meerdere dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is
                    de rangorde zoals deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het
                    ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Indien de rangorde opnieuw moet
                    worden vastgesteld, omdat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de
                    rangorde als volgt vastgesteld. </al><al>Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de
                    dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijk bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit. </al><al>Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige
                    staat, het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te dienen.
                    Dit is in de regel het grootste gebouw. </al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist. </al><tussenkop>2.4 Terrein </tussenkop><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. </al><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd. </al><tussenkop>2.5 Inventaris </tussenkop><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle scholen voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende
                    onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto-vloeroppervlakte van de school is de
                    basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris.</al><tussenkop>2.6 Gymnastiekruimten </tussenkop><tussenkop>2.6.1 Gymnastiekruimte </tussenkop><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het (voortgezet) speciaal onderwijs
                    bedraagt 40 klokuren. </al><tussenkop>2.6.2 Terrein </tussenkop><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd. </al><tussenkop>2.6.3 Inventaris </tussenkop><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn. </al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs </tussenkop><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                    vastgelegd in gegevens over: </al><lijst><li nr="-"><al>de bruto-vloeroppervlakte van gebouwen;</al></li><li nr="-"><al>het aantal specifieke ruimten;</al></li><li nr="-"><al>het aantal werkplaatsen;</al></li><li nr="-"><al>het aantal gymnastieklokalen. Het college kan in overeenstemming met het
                            bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering van de met
                            onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien de hierdoor
                            beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van culturele,
                            maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al></li></lijst><tussenkop>3.1 Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een permanente of
                    een tijdelijke bouwaard</tussenkop><al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de
                    BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-2 de 'Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de BVO van de schoolgebouwen in het voortgezet
                    onderwijs'.</al><al>Naast de bruto-vloeroppervlakte zal het gegeven 'aantal gymnastieklokalen'
                    moeten worden vastgelegd, evenals het gegeven 'aantal specifieke ruimten en
                    werkplaatsen' indien en voorzover deze noodzakelijk zijn in het kader van
                    aanvragen betreffende uitbreiding dan wel medegebruik. Bij het gegeven 'aantal
                    specifieke ruimten en werkplaatsen' moeten de ruimtesoorten worden onderscheiden
                    zoals deze binnen het ruimtebehoeftemodel zijn opgenomen. Indien een deel van
                    een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen, wordt dit deel niet
                    tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd. </al><tussenkop>3.2 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties </tussenkop><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een
                    voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (of nevenvestiging) en
                    een of meer dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit
                    is de rangorde zoals vastgelegd in de Basisregistratie Huisvesting van het
                    ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw
                    moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt
                    de rangorde als volgt vastgesteld. </al><al>Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de
                    dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit. </al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het bovenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist. </al><tussenkop>3.3 Terrein </tussenkop><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen
                    van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van
                    de terreinoppervlakte vastgelegd. </al><tussenkop>3.4 Inventaris </tussenkop><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 1997 alle instellingen
                    voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van een inventaris. De bruto
                    vloeroppervlakte algemene ruimten en het aantal specifieke ruimten en
                    werkplaatsen als zodanig zijn de basis voor de vaststelling van de omvang van de
                    aanwezige inventaris. </al><tussenkop>3.5 Gymnastiekruimten </tussenkop><tussenkop>3.5.1 Gymnastiekruimte </tussenkop><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het voortgezet onderwijs bedraagt 40
                    uur. </al><tussenkop>3.5.2 Terrein </tussenkop><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd. </al><tussenkop>3.5.3 Inventaris </tussenkop><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn. </al><tussenkop>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte </tussenkop><tussenkop>1. School voor basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>1.1 Lesgebouwen</tussenkop><tussenkop>Basisschool</tussenkop><al>Voor een basisschool is het aantal leerlingen en de gewichtensom bepalend voor
                    de huisvestingsbehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt
                    uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                    nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt voor de
                    ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school.</al><al>De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een toeslag in
                    verband met de gewichtensom.</al><al>De basisruimtebehoefte van een basisschool wordt berekend met de formule:</al><al>B = 200 + 5,03 * L, waarbij</al><al>B = basisruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op
                    hele vierkante meters.</al><al>, en</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al>T = 1,40 * G, waarbij</al><al>T=toeslag in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele vierkante
                    meters en G=gecorrigeerde gewichtensom.</al><al>De gecorrigeerde gewichtensom wordt als volgt bepaald:</al><lijst><li nr="-"><al>bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= de optelling van alle
                            gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al></li><li nr="-"><al>verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een bedrag ter grootte van
                            6,0 % van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom
                            niet kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op
                            een geheel getal;</al></li><li nr="-"><al>als de aldus verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 % van het
                            aantal ingeschreven leerlingen, wordt de gewichtensom vastgesteld op 80
                            % van het aantal ingeschreven leerlingen.</al></li></lijst><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al><cursief>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal leerlingen
                        bepalend voor de ruimtebehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte
                        wordt uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                        nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt
                        voor de ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke
                        school.</cursief></al><al><cursief>De ruimtebehoefte van een speciale school voor basisonderwijs wordt
                        berekend met de formule:</cursief></al><al><cursief>R= 250+7,35*L, waarbij</cursief></al><al><cursief>R= ruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte,rekenkundig afgerond op
                        hele vierkante meters, en</cursief></al><al><cursief>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar
                        waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn
                        ingeschreven.</cursief></al><al><cursief>Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van
                        90 m2.</cursief></al><tussenkop>1.2 Gymnastiekruimten</tussenkop><tussenkop>Basisschool</tussenkop><al>Voor een basisschool is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal klokuren
                    gymnastiek. Het aantal gymgroepen is afhankelijk van het aantal
                    formatieplaatsen, zoals bepaald in de modelbeleidsregel voor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs.</al><al>Per gymgroep 6-12-jarigen wordt uitgegaan van maximaal 1,5 klokuur
                    gymnastiek.</al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    voor een basisschool, wordt het aantal gymgroepen bepaald door het aantal
                    leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als
                    bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al><cursief>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal gymgroepen
                        bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Per gymgroep met leerlingen
                        jonger dan 6 jaar wordt uitgegaan van maximaal 3,75 klokuur gymnastiek
                        indien de school niet de beschikking heeft over een speellokaal. Per
                        gymgroep met leerlingen van 6 jaar en ouder wordt uitgegaan van maximaal
                        2,25 klokuur gymnastiek.</cursief></al><al><cursief>Het aantal gymgroepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen
                        door de 'N-factor'. De 'N-factor' is bepalend voor de groepsgrootte. De
                        N-factor voor een speciale school voor basisonderwijs is 15. Het verkregen
                        getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma
                        groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar beneden
                        afgerond.</cursief></al><al><cursief>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe
                        gymaccommodatie voor een speciale school voor basisonderwijs, wordt het
                        aantal gymgroepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage
                        II.</cursief></al><tussenkop>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </tussenkop><tussenkop>2.1 Lesgebouwen </tussenkop><al>Voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs is de
                    onderwijssoort, de categorie (speciaal of voortgezet speciaal), het type
                    vestiging en het aantal leerlingen bepalend voor de huisvestingsbehoefte. De
                    ruimtebehoefte van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt
                    berekend met de formule:</al><al>R=V+f*L, waarbij</al><al>R = ruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele
                    vierkante meters, en</al><al>V = vaste voet in m2 bruto-vloeroppervlakte. Voor hoofdvestigingen voor alle
                    onderwijssoorten 370 m2 behalve voor VSO-ZMLK. Voor VSO-ZMLK is de vaste voet
                    250 m2 . Voor nevenvestigingen is de vaste voet niet van toepassing, en</al><al>f = factor (m2 bruto-vloeroppervlakte per leerling) volgens onderstaande tabel,
                    en</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>De tabel geeft een overzicht van f (m2 bruto-vloeroppervlakte per leerling), per
                    onderwijssoort.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>SO</al></entry><entry colname="col3"><al>VSO</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>- Zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK)</al></entry><entry colname="col2"><al>8,8</al></entry><entry colname="col3"><al>12,2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor een school met zowel SO als VSO binnen een onderwijssoort, is de vaste voet
                    slechts eenmaal van toepassing.</al><al>Voor een school met meer onderwijssoorten is voor elk van de schoolsoorten de
                    vaste voet van toepassing.</al><al>De bepaling van de ruimtebehoefte van een SOVSO-school of een SO-school waaraan
                    een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de verschillende
                    onderwijssoorten afzonderlijk plaats, waarna de afzonderlijk vastgestelde
                    ruimtebehoeften worden gesommeerd.</al><al>Toekenning van een eventueel speellokaal geeft een additionele ruimtebehoefte
                    van 90 m2.</al><tussenkop>2.2 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>Het aantal gymgroepen is bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Het
                    aantal gymgroepen wordt bepaald op basis van de modelbeleidsregel voor
                    bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                    onderwijs:</al><al>Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt uitgegaan van maximaal 3,75
                    klokuur gymnastiek indien de school of nevenvestiging niet de beschikking heeft
                    over een speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van 6 jaar en ouder wordt
                    uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek.</al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    wordt het aantal gymgroepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in
                    bijlage II. De bepaling van het aantal groepen van een SOVSO-school of een
                    SO-school waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de
                    verschillende schooltypen afzonderlijk plaats.</al><tussenkop>3. School voor voortgezet onderwijs </tussenkop><tussenkop>3.1 Lesgebouwen</tussenkop><al>Voor een school voor voortgezet onderwijs wordt met behulp van het
                    Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte bepaald. Het totale ruimtebeslag van
                    een instelling voor voortgezet onderwijs is een optelling van twee componenten,
                    te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>een leerlinggebonden component;</al></li><li nr="2."><al>een vaste voet.</al></li></lijst><al>ad 1 Een leerlinggebonden component </al><al>Deze wordt bepaald door aan de hand van in tabel 7.1.a Berekening van de
                    leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs, opgenomen
                    bruto-vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal
                    leerlingen. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs,
                    leerweg of sector die de leerling volgt. </al><al>ad 2 Een vaste voet </al><al>De vaste voet wordt bepaald aan de hand van in tabel 7.1.b Berekening van de
                    vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet
                    onderwijs, opgenomen bruto- vloeroppervlakten per instelling of sector. De vaste
                    voet is afhankelijk van de aard van de vestiging en van het onderwijsaanbod
                    binnen de beroepsgerichte leerweg. </al><al>Vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de
                    bijbehorende normoppervlakten en verhoging met de vaste voet per instelling en,
                    indien van toepassing, een vaste voet per sector geeft, uitgedrukt in bruto
                    vierkante meters, de totale ruimtebehoefte van de instelling. </al><al>Voor een onderbouwing van de in tabel 7.1.a en 7.1.b opgenomen
                    bruto-normoppervlakten wordt verwezen naar de toelichting van deze bijlage.
                    Indien noodzakelijk voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op
                    basis van deze onderbouwing de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw
                    voor voortgezet onderwijs worden bepaald. </al><tussenkop>Tabel 7.1.a Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte
                    voortgezet onderwijs </tussenkop><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="381.75pt"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.00*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="1.17*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="1.22*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg </al></entry><entry colname="col3"><al>Ruimtetype </al></entry><entry colname="col4"><al>BVO/leerling</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2) </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al> 6,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al> 5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg </al></entry><entry colname="col2"><al>TLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 6,41</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda </al><al>TLW = theoretische leerweg </al><tussenkop>Tabel 7.1.b Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van
                    de ruimtebehoefte voortgezet onderwijs </tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="535.50pt"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.00*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="1.08*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Ruimtetype</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaste voet</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Hoofdvestiging</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>980</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>550</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vaste voet per instelling is 980 m2 bruto-vloeroppervlakte (BVO) welke wordt
                    toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een nevenvestiging die
                    op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende
                    bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt een aanvullende vaste voet
                    van 550 m2 BVO. </al><tussenkop>3.2 Gymnastiekruimten </tussenkop><al>De in onderstaande tabel 7.2 'Berekening van de ruimtebehoefte
                    gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs' vermelde bruto vloeroppervlakten
                    vormen de grondslag voor de bepaling van de omvang van de voorzieningen in de
                    huisvesting ten behoeve van gymnastiekonderwijs.</al><tussenkop>Tabel 7.2 Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie
                    voortgezet onderwijs </tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="507.75pt"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.00*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="1.08*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg</al></entry><entry colname="col3"><al>BVO/leerling</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg </al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda </al><al>TLW = theoretische leerweg </al><tussenkop>DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning </tussenkop><al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is
                    noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële
                    consequenties vast te stellen. </al><tussenkop>1. School voor (speciaal) basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>1.1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw, dan wel</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                    noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter brutovloeroppervlak
                    wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen
                    van de ruimtebehoefte’.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven genoemde
                    ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven
                    ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>uitbreiding, dan wel</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw</cursief>,
                            dan wel</al></li><li nr="-"><al>ingebruikneming dan wel</al></li><li nr="-"><al>medegebruik</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                    beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage.</al><al>Het verschil moet tenminste bedragen:</al><lijst><li nr="-"><al>55 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening basis-onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>40 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening basis-onderwijs;</al></li><li nr="-"><al><cursief>50 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend of
                                tijdelijk gebruik bestemde voorzie-ning voor een school voor
                                speciaal basisonderwijs.</cursief></al></li></lijst><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                    genoemde verschil gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het hierboven genoemde
                    verschil tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan.</al><al><cursief>Voor een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt de
                        bruto-vloeroppervlakte van een speellokaal 90 m2 bvo.</cursief></al><tussenkop>1.2 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening <cursief>terrein, dan wel
                        uitbreiding van het terrein</cursief>, wordt bepaald door de minimaal
                    noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                    inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de
                    terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D.</al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                        <cursief>eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket</cursief>, dan wel
                        <cursief>uitbreiding van de eerste aanschaf van het
                        onderwijsleerpakket</cursief>, en meubilair wordt bepaald door de omvang in
                    m2 bruto-vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening (vervangende)
                    nieuwbouw of uitbreiding.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening <cursief>onderhoud</cursief>
                    wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de
                    voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening <cursief>herstel van constructiefouten en herstel van
                        schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</cursief> wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><tussenkop>1.3. Gymnastiekruimten </tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in onderdeel D
                    van deze bijlage. </al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de
                    beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel
                    uitbreiding (bijlage I). </al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs,
                    dan wel voor de voortgang van het onderwijs. </al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte. </al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld. </al><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs. </al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><tussenkop>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><tussenkop>2.1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw, dan wel</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                    noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter brutovloeroppervlak
                    wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen
                    van de ruimtebehoefte’.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven genoemde
                    ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven
                    ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>uitbreiding, dan wel</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel</al></li><li nr="-"><al>ingebruikneming dan wel</al></li><li nr="-"><al>medegebruik</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                    beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage. Het verschil moet tenminste 50 m2
                    bruto-vloeroppervlakte bedragen.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                    genoemde verschil gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het hierboven genoemde
                    verschil tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan.</al><al>Voor een school voor speciaal onderwijs bedraagt de omvang van een speellokaal
                    90 m2 bvo.</al><tussenkop>2.2. Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorzieningen </tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde <cursief>voorziening, terrein</cursief>, dan
                    wel <cursief>uitbreiding van het terrein</cursief>, wordt bepaald door de
                    minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                    inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen zoals gesteld ten
                    aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, <cursief>eerste aanschaf van
                        het onderwijsleerpakket en meubilair</cursief>, dan wel <cursief>uitbreiding
                        van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair</cursief>,
                    wordt bepaald door de omvang in m2 bruto- vloeroppervlakte van de goedgekeurde
                    voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening <cursief>aanpassing</cursief>
                    wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw
                    geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn voor de
                    voortgang van het onderwijs. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, <cursief>onderhoud</cursief>
                    wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de
                    voortgang van het onderwijs. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening, <cursief>herstel van constructiefouten en herstel van
                        schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden </cursief>wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><tussenkop>2.3. Gymnastiekruimten </tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald door de minimumnormen bij realisering zoals aangegeven in onderdeel D
                    van deze bijlage. </al><al>De omvang van de goedgekeurde <cursief>uitbreiding </cursief>van een
                    gymnastiekruimte wordt bepaald door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven
                    bij de criteria voor de beoordeling van een voorziening in lichamelijke
                    oefening, het onderdeel uitbreiding (bijlage I). </al><al>De omvang van de goedgekeurde <cursief>aanpassing</cursief> wordt bepaald door
                    de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken
                    voor het onderwijs, dan wel voor de voortgang van het onderwijs. </al><al>De omvang van het goedgekeurde <cursief>terrein</cursief>, dan <cursief>wel
                        uitbreiding van het terrein</cursief>, wordt bepaald door de minimaal
                    noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding
                    van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens
                    de wet gestelde eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte. </al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de <cursief>eerste aanschaf van het
                        meubilair</cursief>, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de
                    gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het
                    meubilair voor andere leerlingen dan voor wie de gymnastiekruimte oorspronkelijk
                    is bedoeld. </al><al>De omvang van het goedgekeurde <cursief>onderhoud</cursief> aan de
                    gymnastiekruimte wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al>De omvang van het <cursief>goedgekeurde herstel van constructiefouten en het
                        herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van
                        bijzondere omstandigheden</cursief>, wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><tussenkop>3. School voor voortgezet onderwijs </tussenkop><tussenkop>3.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen </tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                    aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk
                    is. De hieruit voortkomende ruimtebehoefte wordt bepaald aan de hand van het
                    Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting van deze bijlage. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw of
                    uitbreiding door middel van ingebruikneming wordt bepaald door het verschil
                    tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor
                    huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en de huisvesting die
                    aanwezig is. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste
                    vijftien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met het
                    Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor
                    het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het
                    overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt
                    gegeven in de vorm van in te roosteren lessen. </al><tussenkop>3.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen </tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal
                    leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien
                    jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het
                    ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt
                    bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal
                    leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien
                    jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare huisvesting. Het verschil is minimaal 100 m2 bruto vloeroppervlakte.
                    De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte'. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste
                    vier jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent
                    verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt
                    bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze
                    bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor
                    het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het
                    overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt
                    gegeven in de vorm van in te roosteren lessen. </al><al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de huisvesting
                    verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor
                    huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is
                    en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De
                    ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte'. </al><tussenkop>3.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen </tussenkop><al>De omvang van de voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de
                    minimaal noodzakelijk oppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                    inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de
                    terreinoppervlakte. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van leer-
                    en hulpmiddelen en meubilair, is gekoppeld aan de omvang van de toegekende
                    voorziening in de huisvesting. </al><al>De omvang van de tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair als er sprake is van een inpandige aanpassing waarbij algemene of
                    specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke en/of werkplaatsruimte bedraagt
                    het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte
                    en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><tussenkop>3.4 Gymnastiekruimten </tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de
                    toelichting bij deze bijlage. </al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen,
                    waarvoor gymnastiekruimte langer dan vijftien jaar noodzakelijk is (te bepalen
                    met behulp van het ruimtebehoeftemodel) en de gymnastiekruimte die aanwezig is. </al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte. </al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld. </al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening medegebruik gymnastiekruimte wordt
                    uitgedrukt in lestijden. Het aantal lestijden gymnastiek wordt bepaald met
                    behulp van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van
                    het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym)
                    : 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule
                    gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) : 322. </al><al>Hierop wordt het aantal in eigen accommodatie te verzorgen lessen in mindering
                    gebracht (zie Deel A, paragraaf 3.5.1). </al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening huur sportterrein bedraagt ten hoogste
                    acht weken per kalenderjaar. Het aantal lestijden waarvoor vergoeding wordt
                    gegeven wordt bepaald aan de hand van het lesrooster met als maximum het met
                    toepassing van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal
                    leerlingen x 32 x m2 bvo gym) / 460. </al><tussenkop>DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen </tussenkop><tussenkop>1. School voor basisonderwijs</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte:
                            3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200 leerlingen kan
                            worden volstaan met 600 m2 netto;</al></li><li nr="-"><al>minimumoppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m2 netto;</al></li><li nr="-"><al>voor het speciaal basisonderwijs geldt een minimum netto oppervlakte van
                            84m2 voor een speellokaal.</al></li></lijst><tussenkop>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </tussenkop><lijst><li nr="-"><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte:
                            3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200 leerlingen kan
                            worden volstaan met 600 m2 netto;</al></li><li nr="-"><al>een speellokaal heeft een minimum netto oppervlakte van 84 m2;</al></li><li nr="-"><al>minimum oppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m2 netto.</al></li></lijst><tussenkop>3. School voor voortgezet onderwijs </tussenkop><al>Minimum afmetingen, uitgedrukt in netto m2:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="78*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>theorielokaal: </al></entry><entry colname="col2"><al>42 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>theorievaklokaal: </al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal natuurkunde:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal biologie:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal scheikunde:</al></entry><entry colname="col2"><al>60 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal handvaardigheid:</al></entry><entry colname="col2"><al>60 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal overig:</al></entry><entry colname="col2"><al>80 m2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>4. Gymnastiekruimten </tussenkop><al>De oefenruimte is minimaal 252 m2 netto. </al><al>De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m. </al><al>Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een
                    was-/douchegelegenheid. </al><tussenkop>III-1 Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                    bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs' </tussenkop><al>De vaststelling van de bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw geschiedt
                    voor basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs volgens NEN 2580, met de
                    volgende aantekeningen:</al><lijst><li nr="-"><al>de in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van
                            buitenaf be-reikbaar zijn, worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte
                            gerekend;</al></li><li nr="-"><al>de oppervlakte van verbindende ruimten tussen in-of aanpandige
                            gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw;</al></li><li nr="-"><al>bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in-of aanpandig gelegen
                            gymnastiek-lokalen wordt de bruto-vloeroppervlakte gerekend tot het hart
                            van de scheidingscon-structie.</al></li></lijst><tussenkop>III-2 Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                    bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs' </tussenkop><al>Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor
                    situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het
                    ministerie van OCenW. </al><al>De bruto-oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto-vloeroppervlakte van
                    alle tot het gebouw behorende 'beloopbare' binnenruimten. De
                    bruto-vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de
                    opgaande buitenconstructies, die de ruimten omhullen.</al><al>Tot de bruto-oppervlakte behoort eveneens: </al><lijst><li nr="-"><al>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk
                            vloerniveau;</al></li><li nr="-"><al>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter
                            dan 0,5 m2.</al></li></lijst><al>Uitzonderingen: </al><lijst><li nr="-"><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen
                            omsloten ruimten worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte gerekend,
                            ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft
                            luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande
                            verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet overdekt) en
                            dergelijke.</al></li><li nr="-"><al>Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij
                            de bepaling van de bruto-oppervlakte niet meegerekend.</al></li><li nr="-"><al>Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>IV</nr><titel>behorende bij de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente
                        Oegstgeest 2011.</titel></kop><tussenkop>Financiële normering </tussenkop><al>In onderstaande normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding is
                    tevens een vergoeding voor bouwvoorbereiding opgenomen. Deze vergoeding omvat 8%
                    (bij projecten tot een bruto-vloeroppervlakte van 2500 m2) respectievelijk 5%
                    (bij grotere projecten) van het aangegeven normbedrag. Bij uiteindelijke
                    genormeerde vergoeding van een op het aangegeven normbedrag. Bij de
                    uiteindelijke genormeerde vergoeding van een op het programma geplaatste
                    voorziening voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding wordt de toegekende
                    genormeerde vergoeding voor de koste van de bouwvoorbereiding in mindering
                    gebracht. Alle in deze bijlage genoemde bijdragen zijn inclusief BTW.</al><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen voor het jaar 2010 zijn aangepast
                    conform de systematiek van prijsbijstelling en indexering die is opgenomen in
                    hoofdstuk 4, Indexering.</al><al>Voor nieuwbouw en uitbreiding kan naast de normkosten als beschreven in deze
                    bijlage sprake zijn van specifiek locatiegebonden kosten. Hiervan is lsechts
                    sprake als de locatie voor de nieuwbouw of uitbreiding zodanig ligt of zodanige
                    eigenschappen heeft, dat de beoogde nieuwbouw of uitbreiding alleen mogelijk is
                    als door extra maatregelen de locatie bruikbaar wordt gemaakt of het gebouw aan
                    de locatie wordt aangepast. Het gaat hierbij dus om onontkoombare, onvermijdbare
                    kosten die uniek zijn voor de locatie en waar geen alternatieven voor handen
                    zijn.</al><al>De kosten voor de noodzakelijke extra maatregelen worden door het college
                    beoordeeld en kunnen leiden tot verhoging van het toe te kennen bedrag. Indien
                    nieuwbouw of uitbreiding plaatsvindt op basis van de werkelijke kosten, is er
                    geen verhoging voor specifieke locatiegebonden kosten mogelijk.</al><al>Voorbeelden van specifieke locatiegebonden kosten zijn: extra geluidwering als
                    de geluidsbelasting op de gevel dit noodzakelijk maakt of een grotere
                    oppervlakte van de begane grond doordat het bestemmingsplan een kleiner aantal
                    bouwlagen mogelijk maakt dan gebruikelijk is bij scholen van deze oppervlakte.
                    Nadrukkelijk niet tot de specifiek locatiegebonden kosten behoren kosten die
                    geen relatie hebben tot de onderwijshuisvesting, zoals het realiseren van
                    parkeervoorzieningen of verkeerskundige aanpassingen.</al><tussenkop>1. School voor basisonderwijs</tussenkop><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw (paragraaf 1.1);</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding (paragraaf 1.2);</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3);</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf
                            1.4);</al></li><li nr="-"><al>aanpassing (paragraaf 1.5) en</al></li><li nr="-"><al>gymnastiek (paragraaf 1.6).</al></li></lijst><tussenkop>1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)</tussenkop><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in een viertal
                    kostencomponenten, te weten:</al><lijst><li nr="-"><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="-"><al>bouwkosten;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                            bouw;</al></li><li nr="-"><al>alleen voor speciale school voor basisonderwijs: toeslag voor een
                            speellokaal.</al></li></lijst><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een
                    gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen
                    in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard).</al><tussenkop>Kosten voor terreinen</tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het bouwrijpe terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt
                    en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein
                    dient te worden aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten
                    behoeve van het programma. Ook bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke
                    terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de
                    gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar
                    te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij
                    de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de
                    minimaal benodigde oppervlakte van het terrein wordt verwezen naar bijlage III,
                    deel D.</al><al>In geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude gebouw)
                    behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor
                    terreinen.</al><tussenkop>Bouwkosten</tussenkop><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                    inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag,
                    waarin inbegrepen een aantel m2 en een bedrag per m2 voor de overige m2.bvo. Met
                    deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven
                    bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 350 m2
                                        bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 786.808,92</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.346,45</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 670 m2 bvo,
                                        waarin niet begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.274.865,777</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                                        speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.409,91</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m2 bvo)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 120.961,80</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                    bouw op dezelfde plaats</tussenkop><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het
                    desbetreffende terrein daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te
                    verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie.</al><al>De genormeerde vergoeding voor deze kosten, zoals hieronder opgenomen, is
                    gebaseerd op een vast bedrag per m2 bvo, afhankelijk van het type huisvesting
                    dat gesloopt dient te worden.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw per m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 54,58</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw per m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 37,46</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>1.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)</tussenkop><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1035 m2
                    brutovloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij
                    grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor
                    nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 1.1).</al><tussenkop>Kosten voor terrein</tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding
                    van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het
                    terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al><tussenkop>Bouwkosten</tussenkop><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede extra aanleg en
                    inrichting van een deel van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een
                    startbedrag en een bedrag per m2 . Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de
                    in bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m2 bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 115.220,19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 60 tot 115 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 76.813,46</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.534,85</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m2 bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 118.488,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 105 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 78.992,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo, waarin niet begrepen
                                        een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.565,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90 m2
                                        bvo) in combinatie met uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 138.137,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                        m2 bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 253.973,40</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                    bouw op dezelfde plaats</tussenkop><al>Hiervoor gelden dezelfde bedragen als bij nieuwbouw (permanente bouwaard).</al><tussenkop>1.3 Tijdelijke voorziening</tussenkop><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve
                    van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid
                    gemaakt tussen enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of uitbreiding van een
                    permanente locatie en anderzijds uitbreiding van een bestaande tijdelijke
                    voorziening. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een tijdelijke
                    voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw.
                    Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke voorziening in
                    principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit niet het geval
                    dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde procedure als bij
                    nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al><tussenkop>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                    hoofdlocatie</tussenkop><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering, de toeslag voor
                    herstel en inrichting van terreinen alsmede eenmalige aansluitkosten op
                    nutsvoorzieningen.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m2 bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 44.807,43</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 29.871,63</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.101,13</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen</tussenkop><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de toeslag voor
                    herstel en inrichting van terreinen.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m2 bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 25.186,62</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 16.791,08</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.153,79</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</tussenkop><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden
                    gehuurd.</al><al>In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten)</al><tussenkop>1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</tussenkop><tussenkop>Basisschool</tussenkop><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen
                    bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m2. De hierna opgenomen bedragen
                    zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m2. Bij uitbreiding
                    wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de
                    investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen (in euro):</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 35.845,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het basisbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 125,39</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen (in euro):</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 76.050,92</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het basisbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 129,73</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een
                    speellokaal van een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt €
                    6.643,04.</al><tussenkop>1.5 Aanpassing </tussenkop><al>Alle aanpassingen met uitzondering van de aanpassing als gevolg van
                    onderwijskundige vernieuwingen worden vergoed op basis van werkelijke kosten
                    (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten). </al><tussenkop>Aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen </tussenkop><al>Voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs wordt de
                    normvergoeding bepaald op basis van de verschiloppervlakte tussen het aantal
                    genormeerde m2 bvo behorend bij de minimumnormen zoals deze golden voor 1
                    januari 2003 en het aantal genormeerde m2 bvo behorend bij de minimumnormen (zie
                    bijlage III, deel A) bij het aantal groepen dat bepaald is aan de hand van de
                    bepaling van de omvang van de permanente ruimtebehoefte van de school
                    (uitgedrukt in groepen). </al><al>De bedragen zijn inclusief een component voor de eerste inrichting. </al><al>Wanneer het bevoegd gezag van een basisschool of speciale school voor
                    basisonderwijs ervoor kiest om als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen in
                    de aanpassingen te voorzien door het op de capaciteit van een gebouw in
                    mindering brengen van een leegstaand lokaal, wordt op het hieronder bepaalde
                    bedrag € 61.197,46 in mindering gebracht.</al><tussenkop>Vergoeding aanpassing in verband met onderwijskundige
                    vernieuwing</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="510.75pt"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.00*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Aantal groepen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 61.197,46</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 78.682,45</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 96.167,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 113.652,43</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 131.137,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 148.622,40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 166.107,39</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 183.592,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 201.077,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 218.562,36</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 236.047,35</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 253.532,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Volgende groep</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 17.484,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>1.6 Gymnastiek</tussenkop><tussenkop>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</tussenkop><tussenkop>Nieuwbouw</tussenkop><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal voor zowel
                    een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 827.134,08 (op het schoolterrein)
                    respectievelijk € 843.863,35 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat
                    tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein.
                    De grondkosten zijn hierin niet begrepen.</al><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van
                    de benodigde paallengte.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 16.636,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 22.934,81</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 32.210,94</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Uitbreiding</tussenkop><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij
                    de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2.</al><al>Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van 140
                    m2 of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252
                    m2. Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen voor zowel een
                    basisschool als een speciale school voor basisonderwijs er als volgt uit:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 192.174,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 233.614,08</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt
                    een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt
                    bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="1.11*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="324.75pt"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="1.00*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>112-120m2</al></entry><entry colname="col3"><al>121-150m2</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 7.448,05</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 9.313,08</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 12.900,44</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 16.121,40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21.090,80</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 26.363,50</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>OLP/meubilair</tussenkop><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een
                    gymnastiekzaal bedraagt voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs € 48.021,61.</al><tussenkop>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor: </al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw (paragraaf 2.1);</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding (paragraaf 2.2);</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 2.3);</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf 2.4)
                            en</al></li><li nr="-"><al>gymnastiek (paragraaf 2.5).</al></li></lijst><al>Bij toekenning van nieuwbouw of uitbreiding van een nevenvestiging zijn deze
                    normbedragen niet van toepassing. Deze voorzieningen worden toegekend op basis
                    van deel B van dit hoofdstuk. </al><al>Daar waar in de financiële normering voor het (voortgezet) speciaal onderwijs
                    sprake is van een 'bedrag vaste voet' is dit bedrag mede bestemd voor het aantal
                    groepsruimten dat onderdeel is van de vaste voet aan brutovloeroppervlakte zoals
                    weergegeven in tabel 4 ruimtenormering (v)so. Het 'bedrag per groep' in de
                    financiële normering is het bedrag dat wordt vergoed voor iedere groep bovenop
                    het aantal groepen dat onderdeel is van de vaste voet. </al><al>Bij toekenning van nieuwbouw of uitbreiding van een nevenvestiging zijn deze
                    normbedragen niet van toepassing. Deze voorzieningen worden toegekend op basis
                    van deel B van deze bijlage. </al><tussenkop>2.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)</tussenkop><al>De financiële normering valt uiteen in een vijftal kostencomponenten, te weten: </al><lijst><li nr="-"><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="-"><al>bouwkosten;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het aanbrengen van een liftinstallatie;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor sloopkosten, herstel van terreinen en verhuiskosten bij
                            vervangende bouw.</al></li></lijst><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een
                    gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen
                    in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard). </al><tussenkop>Kosten voor terreinen</tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                    juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te
                    worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve
                    van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan
                    het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten,
                    wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de
                    bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente
                    gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de bepaling van de
                    minimale omvang van het terrein wordt verwezen naar bijlage III, deel D. </al><tussenkop>Bouwkosten</tussenkop><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                    inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag
                    waarin inbegrepen een aantel m2 en een bedrag per m2 voor de overige m2 bvo. Met
                    deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven
                    bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro):</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 677 m2 bvo,
                                        waarin niet begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.226.852,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                                        speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.401,55</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m2 bvo)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 120.961,80</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toeslag voor liftinstallatie </tussenkop><al>Indien bij nieuwbouw van een school een liftinstallatie wordt aangebracht geldt
                    het volgende vergoedingsbedrag: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="67*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Lift, incl. aanbrengen schacht</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 118.892,86</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                    bouw op dezelfde plaats</tussenkop><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het
                    desbetreffende terrein daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te
                    verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie.</al><al>De genormeerde vergoeding voor deze kosten, zoals hieronder opgenomen, is
                    gebaseerd op een vast bedrag per m2 bvo, afhankelijk van het type huisvesting
                    dat gesloopt dient te worden.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw per m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 62,60</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw per m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 31,32</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>2.2 Uitbreiding (permanente bouwaard) </tussenkop><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in een permanente bouwaard tot 1000 m2
                    bruto-vloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij
                    grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor
                    nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 2.1). </al><tussenkop>Kosten voor terreinen</tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding
                    van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het
                    terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 2.1).</al><tussenkop>Bouwkosten</tussenkop><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                    inrichting van een deel van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een
                    startbedrag, een bedrag per m2 .Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in
                    bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro):</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="80*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 96 m2 bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 107.315.27</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 96 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 71.543,51</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo, waarin niet begrepen
                                        een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.568,54</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90 m2
                                        bvo) in combinatie met uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 120.961,80</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                        m2 bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 253.973,40</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toeslag liftinstallatie</tussenkop><al>Indien bij uitbreiding van het gebouw tevens een liftinstallatie wordt
                    aangebracht kan aanspraak worden gemaakt op de volgende vergoeding: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="67*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Lift, incl. aanbrengen schacht</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 142.907,06</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                    bouw op dezelfde plaats</tussenkop><al>Voor deze toeslag gelden dezelfde voorwaarden en bedragen als bij nieuwbouw
                    (permanente bouwaard).</al><tussenkop>2.3 Tijdelijke voorziening</tussenkop><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve
                    van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid
                    gemaakt tussen enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of uitbreiding van een
                    permanente locatie en anderzijds uitbreiding van een bestaande tijdelijke
                    voorziening. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een tijdelijke
                    voorziening door middel van huur van een voor tijdelijke gebruik bestemde
                    voorziening. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke
                    voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit
                    niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde
                    procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 2.1). </al><tussenkop>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatie </tussenkop><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen
                    alsmede eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen.</al><al>De vergoeding voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt bepaald
                    op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m2 bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 46.962.96</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 31.735,68</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.078,85</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen
                    alsmede voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen kan een aparte toeslag
                    worden gegeven. Voor de bedragen wordt verwezen naar de toeslag bij nieuwbouw
                    (paragraaf 2.1). </al><tussenkop>Uitbreiding tijdelijke voorziening </tussenkop><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten en de toeslag voor herstel en inrichting van
                    terreinen.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro):</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m2 bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 25.538,21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 17.025,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.140,65</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen
                    alsmede voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen kan een aparte toeslag
                    worden gegeven. Voor de bedragen wordt verwezen naar de toeslag bij nieuwbouw
                    (paragraaf 2.1). </al><tussenkop>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</tussenkop><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd.
                    In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten) </al><tussenkop>2.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair </tussenkop><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen
                    bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m2. De hierna opgenomen bedragen
                    zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m2 Bij uitbreiding
                    wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de
                    investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col3"><al>Naast het basisbedrag voor elke m2 bvo</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 94.329,81</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 132,20</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een
                    speellokaal bedraagt € 6.939,99</al><tussenkop>2.5 Gymnastiek Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding </tussenkop><tussenkop>Nieuwbouw</tussenkop><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 774.035,26 (op het schoolterrein)
                    en € 789.690,58 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat tevens de
                    kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein. De
                    grondkosten zijn hierin niet begrepen. </al><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="60*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="40*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 16.636,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 22.934,81</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 32.210,94</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Uitbreiding </tussenkop><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij
                    de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2.</al><al>Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van 140
                    m2 of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252
                    m2. Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen er als volgt uit: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="69*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 192.174,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 233.614,08</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt
                    een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. </al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="1.00*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="312.75pt"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="1.06*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>112-120m2</al></entry><entry colname="col3"><al>121-150m2</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 7.448,05</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 9.313,08</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 12.900,44</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 16.121,40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21.090,80</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 26.363,50</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>OLP/meubilair </tussenkop><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een
                    gymnastiekzaal voor (voortgezet) speciaal onderwijs ziet er als volgt uit: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="509.25pt"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.00*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Schoolsoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Bedrag in euro</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>SO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>36.137,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>39.498,67</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>39.946,87</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>3. School voor voortgezet onderwijs </tussenkop><al>De financiële normering voor het voortgezet onderwijs is onderverdeeld in: </al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw/uitbreiding (paragraaf 3.1);</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke voorzieningen (paragraaf 3.2);</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair (paragraaf 3.3);
                            en</al></li><li nr="-"><al>gymnastiek (paragraaf 3.4).</al></li></lijst><tussenkop>3.1 Nieuwbouw en uitbreiding </tussenkop><al>Er bestaat geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en uitbreiding.
                    Bij uitbreiding vindt veelal ook aanpassing van het bestaande gebouw plaats (zie
                    voor de vaststelling van het bedrag voor de component 'aanpassing' deel B).</al><al>De financiële normering voor nieuwbouw en uitbreiding valt uiteen in een tweetal
                    kostencomponenten: </al><lijst><li nr="-"><al>kosten van terreinen;</al></li><li nr="-"><al>bouwkosten.</al></li></lijst><tussenkop>Kosten van terreinen </tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                    juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te
                    worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve
                    van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan
                    het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten,
                    wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de
                    bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente
                    gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. </al><tussenkop>Bouwkosten </tussenkop><al>Bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op staal,
                    alsmede de aanleg en inrichting van het schoolterrein. In het bedrag voor de
                    vaste normkosten wordt een tweetal vergoedingen onderscheiden, te weten een
                    vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en een vergoeding voor de
                    sectie-afhankelijke kosten. De ruimte-afhankelijke kosten bestaan uit bedragen
                    per m2 bruto-vloeroppervlak voor de afzonderlijke ruimtesoorten van een
                    schoolgebouw. De indeling van deze bedragen geschiedt aan de hand van de
                    hoofdindeling van de ruimtelijke normering naar type ruimte zoals opgenomen in
                    Bijlage III, deel B. </al><al>De sectie-afhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460 m2
                    bruto-vloeroppervlak uit een vast bedrag per huisvestingsvoorziening, alsmede
                    een vast bedrag per sectie. Voor kleinere projecten worden geen
                    sectie-afhankelijke kosten per project toegekend. Deze kosten zijn namelijk
                    opgenomen in de bedragen voor de ruimte-afhankelijke kosten per m2
                    bruto-vloeroppervlakte. </al><al>De bedragen zijn opgenomen in de tabel op de volgende bladzijde met vaste
                    bedragen per m2 bruto-vloeroppervlakte en vaste bedragen per voorziening. Voor
                    de berekening van de vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten worden de
                    benodigde aantallen m2 per type ruimte van de goedgekeurde
                    huisvestingsvoorziening, berekend op basis van Bijlage III, Deel C,
                    vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per ruimtesoort. Berekening van de
                    vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten geschiedt door optelling van de
                    algemene vaste voet en de vaste voet voor de algemene sectie of de
                    werkplaatssectie, dan wel beide, afhankelijk van de secties waaruit de op basis
                    van Bijlage III goedgekeurde huisvestingsvoorziening bestaat. De vergoeding voor
                    de ruimte-afhankelijke kosten en de vergoeding voor de sectie-afhankelijke
                    kosten vormen tezamen de totale vergoeding voor de vaste normkosten. </al><al>Bedragen voor ruimte-afhankelijke kosten per bruto m2 (in euro) </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="279.00pt"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.08*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="1.00*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="1.04*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>&lt;460m2</al></entry><entry colname="col3"><al>460&lt;2500m2</al></entry><entry colname="col4"><al>&gt;=25002</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>2.106,53</al></entry><entry colname="col3"><al>1.250,16</al></entry><entry colname="col4"><al>1.220,21</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Bedragen voor de sectie-afhankelijke kosten per voorziening (in euro) </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="340.50pt"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.00*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="1.09*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>&lt; 460 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 460 &lt; 2500 m2</al></entry><entry colname="col3"><al>&gt;= 2500 m2</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet algemeen</al></entry><entry colname="col2"><al>132.917,29</al></entry><entry colname="col3"><al>132.917,29</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet algemene sectie</al></entry><entry colname="col2"><al>260.906,59</al></entry><entry colname="col3"><al>364.285,29</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Aanvullende normkosten</tussenkop><al>Bij de onderbouwing van het bedrag voor de vaste normkosten is uitgegaan van een
                    standaardlocatie. Echter, als gevolg van plaatselijke omstandigheden kunnen
                    extra kosten optreden. Voor een beperkt aantal omstandigheden wordt een
                    aanvullend bedrag beschikbaar gesteld. Dit beperkt zich tot een tweetal
                    aspecten, te weten fundering en bemaling.</al><al>In de hiervoor genoemde vergoedingsbedragen is uitgegaan van fundering op staal.
                    In veel gevallen zal echter paalfundering noodzakelijk zijn. Het criterium voor
                    toekenning van een bedrag voor (paal)fundering is het op te stellen
                    sonderingsrapport. </al><al>De vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte en de omvang van de
                    bouw in bruto-vloeroppervlakte (A). De vergoeding kan worden berekend aan de
                    hand van de volgende formules: </al><al>Nieuwbouw en uitbreiding &lt; 1000 m2</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="47*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="27*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="26*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1 tot 15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.874,72</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 20,33*A</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15 tot 20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4.125,13</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 34,49*A</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 20 meter of langer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4.606,57</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 61,54*A</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Uitbreiding &gt;= 1000 m2 </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="47*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="27*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="26*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1 tot 15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4.731,73 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 7,12 *A</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15 tot 20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 6.171,77</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 18,48 *A</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 20 meter of langer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 9.372,34 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 37,36 *A</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Om in aanmerking te komen voor een aanvullende bedrag voor bemaling is de
                    grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter onder
                    het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m2
                    goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. </al><al>De vergoeding bedraagt € 13,20 per m2 terrein. </al><tussenkop>3.2 Tijdelijke voorziening</tussenkop><al>Het vergoedingsbedrag voor een tijdelijke voorziening in het voortgezet
                    onderwijs is gebaseerd op een vergoedingsformule, afhankelijk van het type
                    voorziening.</al><al>De volgende typen van tijdelijke voorzieningen worden onderscheiden: </al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen;</al></li><li nr="-"><al>huur van tijdelijke lokalen.</al></li></lijst><tussenkop>Nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen </tussenkop><al>Het bedrag voor de huisvestingskosten van nieuwbouw en uitbreiding met
                    tijdelijke lokalen wordt vastgesteld aan de hand van de volgende formule:</al><al>€ 670,32* A + € 46.085,63</al><al>A = het toegekende aantal m2 bruto-vloeroppervlakte aan tijdelijke huisvesting. </al><al>Voor de berekening van A wordt verwezen naar bijlage III, deel C. Alle directe
                    en indirecte kosten gemoeid met de realisatie van de voorziening moeten worden
                    bestreden uit het ter beschikking gestelde bedrag. Tot die kosten behoren onder
                    meer het aansluiten van de tijdelijke huisvestingsvoorziening op
                    nutsvoorzieningen, de leges en het geschikt maken van het terrein inclusief
                    fundering voor de te plaatsen tijdelijke huisvestingsvoorziening. </al><tussenkop>Huur van tijdelijke lokalen</tussenkop><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd.
                    In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al><tussenkop>3.3 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair </tussenkop><al>De toekenning van een vergoeding voor eerste inrichting met inventaris (leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair) is gekoppeld aan de huisvestingsvoorzieningen
                    nieuwbouw (niet zijnde vervangende nieuwbouw), uitbreiding en ingebruikneming
                    (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de
                    eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd. Indien bij
                    uitbreiding wordt verwezen naar medegebruik is toekenning van inventaris slechts
                    van toepassing indien inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte
                    ontbreekt dan wel niet geschikt is. </al><al>De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het type ruimte dat wordt
                    gerealiseerd. Door het verschil te bepalen tussen de aanwezige bruto
                    vloeroppervlakte per ruimtetype en het te realiseren bruto vloeroppervlakte per
                    ruimtetype wordt de hoogte van de vergoeding bepaald aan de hand van de in
                    onderstaande tabel genoemde bedragen. </al><al>Normbedragen inventaris per ruimtetype (in euro) </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="68*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="32*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Algemene ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>147,93</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>3.4 Gymnastiek voortgezet onderwijs</tussenkop><tussenkop>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</tussenkop><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt (op het schoolterrein)
                    respectievelijk (op afzonderlijk terrein).</al><al>De vergoeding voor de bouwkosten van een gymnastiekzaal omvat alle schaal- en
                    ruimteafhankelijke kosten, alsmede kosten voor de inrichting van het terrein. De
                    kosten voor de aankoop van grond zijn hierin niet begrepen. </al><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van
                    de benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="65*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="35*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 16.636,88</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 22.934,81</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 32.210,94</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Medegebruik/huur van een niet-eigen lokaal </tussenkop><al>Naast gymnastiek in een eigen ruimte van de school is er tevens gymnastiek
                    mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik van
                    een gymnastiekaccommodatie van een andere school, de gemeente of een commerciële
                    exploitant. Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie is de school voor
                    voortgezet onderwijs de volgende vergoeding verschuldigd: </al><lijst><li nr="a."><al>Indien de gymnastiekruimte van een andere school voor voortgezet
                            onderwijs wordt gebruikt, wordt het variabele en het vaste deel van het
                            klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Voor de
                            hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele
                            deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</al><al> Indien de gymnastiekruimte van een school voor primair onderwijs wordt
                            gebruikt, wordt in ieder geval het variabele deel van het klokuurbedrag
                            vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Als de gebruiksduur van de
                            gymnastiekruimte vanwege het medegebruik door de VO-school boven de 26
                            klokuren uitkomt, dient de VO-school voor het aantal uren dat boven de
                            26 klokuren ligt ook het vaste deel van het klokuurbedrag te vergoeden.
                        </al></li><li nr="b."><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, is de
                            school voor voortgezet onderwijs de gemeente een bedrag aan
                            exploitatiekosten verschuldigd voor het aantal lesuren gebruik. Voor de
                            hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele
                            deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</al></li><li nr="c."><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt
                            gebruikt, betaalt de school voor voortgezet onderwijs de huurprijs
                            (stichtingskosten en materiële instandhouding). De gemeente betaalt aan
                            de school een stichtingskostenvergoeding als onderdeel van de huur. De
                            hoogte van deze stichtingskostenvergoeding bedraagt het verschil tussen
                            huurbedrag en het vaste en variabele deel van het klokuurbedrag voor het
                            aantal uren gebruik. Voor de hoogte van het klokuurbedrag wordt
                            aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in
                            het primair onderwijs.</al></li></lijst><al>Voor de hoogte van het vaste deel van het klokuurbedrag onder a, b en c wordt
                    het vaste bedrag, zoals genoemd in de beleidsregel voor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs
                    onderdeel 'Vergoeding per klokuur', gedeeld door 26. Vermenigvuldiging van het
                    op deze wijze verkregen bedrag met het aantal uren resulteert in het totale
                    vaste deel van de klokuurvergoeding dat een school voor voortgezet onderwijs
                    moet vergoeden.</al><tussenkop>Huur sportvelden </tussenkop><al>Gedurende maximaal 8 weken per jaar kan een school aanspraak maken op een
                    vergoeding van de huur van een sportveld. De vergoeding voor deze kosten
                    bedraagt € 19,59 per klokuur. </al><tussenkop>Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen/meubilair </tussenkop><al>In geval van nieuwbouw (als eerste voorziening), uitbreiding en ingebruikneming
                    (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de
                    eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd, bestaat
                    aanspraak op vergoeding voor eerste inrichting met leer- en
                    hulpmiddelen/meubilair. Bij de voorzieningen vervangende nieuwbouw en
                    medegebruik bestaat geen aanspraak op eerste inrichting met leer- en
                    hulpmiddelen/meubilair. De vergoeding, afhankelijk van het type toegekende
                    gymnastiekaccommodatie wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in
                    euro):</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="245.25pt"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.11*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="1.00*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="1.13*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Meubilair</al></entry><entry colname="col3"><al>L.h.m</al></entry><entry colname="col4"><al>Totaal</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Eerste lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>1.014,21</al></entry><entry colname="col3"><al>60.479,21</al></entry><entry colname="col4"><al>61.494,48</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tweede lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>1.014,21</al></entry><entry colname="col3"><al>47.178,35</al></entry><entry colname="col4"><al>48.192,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Derde lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>1.014,21</al></entry><entry colname="col3"><al>20.150,94</al></entry><entry colname="col4"><al>21.525,15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 1</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>13.356,72</al></entry><entry colname="col4"><al>13.356,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 2</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>1.541,82</al></entry><entry colname="col4"><al>1.541,85</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>4. Indexering </tussenkop><al>Jaarlijks worden door het college de werkelijke prijsontwikkeling in het
                    afgelopen jaar en de verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het vaststellen
                    van de hoogte van de vergoeding in het jaar van uitvoering van het programma
                    bekendgemaakt. </al><tussenkop>Werkelijke prijsontwikkeling </tussenkop><al>Jaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke prijsontwikkeling
                    tot 1 juli van het lopende jaar. Om te voorkomen dat elk jaar alle tabellen
                    aangepast zouden moeten worden, wordt jaarlijks na 1 juli het
                    prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt. </al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als prijsbijstellingscijfer
                    aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer 'Nieuwbouwwoningen;
                    outputindex 2000=100 (inclusief BTW)', gepubliceerd in de 'Maandstatistiek
                    bouwnijverheid' van het CBS over het tweede kwartaal van het lopende jaar en het
                    tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar.</al><al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek wordt als prijsbijstellingscijfer
                    aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer 'Consumentenindex van alle
                    huishoudens’ (NR-reeks), gepubliceerd in de 'Maandstatistiek van de prijzen' van
                    het CBS over de maand juli van het lopende jaar en de maand juli van het daaraan
                    voorafgaande jaar. </al><al>Indien de CBS-ondexcijfers “Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000 = 100” over het
                    tweede kwartaal van het lopend jaar niet (tijdig) beschikbaar zijn, worden de
                    CBS-cijfers over het eerste kwartaal van het lopende én het tweede kwartaal van
                    het daaraan voorafgaande jaar gehanteerd.</al><tussenkop>Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programma </tussenkop><al>Naast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het programma
                    wordt vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken van het
                    werkelijk prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma. Dit is
                    noodzakelijk om de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het programma
                    en het moment van vergoeding vast te stellen.</al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als prijsindexcijfer het
                    MEV-cijfer (Macro-economische verkenningen) 'bruto investeringen door bedrijven
                    in woningen', zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.</al><al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het
                    MEV-cijfer 'prijsmutatie van de netto-materiële overheidsconsumptie', zoals
                    bekendgemaakt op de derde dinsdag in september. </al><tussenkop>5. Europese aanbesteding</tussenkop><al>Voor opdrachten die vallen onder de Europese aanbesteding geldt de richtlijn van
                    de Europese Unie (2004/18/EG) met daarin de volgende bedragen:</al><lijst><li nr="a."><al>193.000 euro excl. BTW voor leveringen en diensten</al></li><li nr="b."><al>4.845.000 euro incl. BTW voor werken.</al></li></lijst></bijlage></regeling></body></cvdr>