<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR91972_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Súdwest-Fryslân</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Súdwest-Fryslân</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Ta jo tjinst</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/volledig/geldigheidsdatum_01-03-2011#Opschrift">artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-01-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-02-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regelgeving</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Raadsbesluit gemeente Súdwest Fryslân</al><al> </al><al>Nummer: 13</al><al> </al><al>Onderwerp: Verordening onroerende-zaakbelastingen 2011</al><al> </al><al>De raad van de gemeente Súdwest Fryslân;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 11 januari 2011;</al><al>gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;</al><al> </al><al>b e s l u i t:</al><al> </al><al>vast te stellen de:</al><al>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2011</al><al>(Verordening onroerende-zaakbelastingen 2011)</al><al> </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><al>1. Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden ter zake van binnen de</al><al>gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:</al><al>a. een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een</al><al>onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens</al><al>eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen:</al><al>gebruikersbelasting;</al><al>b. een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van</al><al>een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt</al><al>recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.</al><al>2. Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><al>a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is</al><al>gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft</al><al>gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de belasting</al><al>als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;</al><al>b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik</al><al>aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking</al><al>heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is</al><al>bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter</al><al>beschikking is gesteld.</al><al>3. Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens</al><al>eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het</al><al>kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij</al><al>op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><al>1. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk</al><al>III van de Wet waardering onroerende zaken.</al><al>2. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond</al><al>van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die</al><al>onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die</al><al>onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan</al><al>woondoeleinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><al>1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering</al><al>onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het</al><al>kalenderjaar bedoeld in artikel 1.</al><al>2. Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de</al><al>voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de</al><al>heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing</al><al>van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet</al><al>waardering onroerende zaken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf</al><al>buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van</al><al>de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:</al><al>a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond,</al><al>daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van</al><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van</al><al>gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;</al><al>b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van</al><al>gewassen, voorzover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a</al><al>bedoelde grond;</al><al>c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of</al><al>voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van</al><al>levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van</al><al>zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al><al>d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de</al><al>Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden</al><al>genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met</al><al>uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;</al><al>e. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,</al><al>zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met</al><al>volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het</al><al>behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;</al><al>f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en</al><al>ander met inbegrip van kunstwerken;</al><al>g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door</al><al>organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met</al><al>uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;</al><al>h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die</al><al>worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke</al><al>rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen</al><al>als woning;</al><al>i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder</al><al>dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die</al><al>niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken.</al><al>j. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de</al><al>publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige</al><al>onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van</al><al>onderwijs;</al><al>k. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen -</al><al>niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het</al><al>publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals</al><al>lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen,</al><al>banken, abri's, hekken en palen;</al><al>l. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of</al><al>waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt</al><al>recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als</al><al>woning;</al><al>m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van</al><al>zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al><al>n. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt als dorpshuis,</al><al>wijk- of buurtcentrum, jeugdsoos, verenigingsgebouw, multifunctionele</al><al>accommodatie of kruisgebouw, voor zover niet bedrijfsmatig geëxploiteerd;</al><al>o. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt als sportzaal,</al><al>sportterrein of speeltuin, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde</al><al>eigendommen die deel uitmaken van dergelijke onroerende zaken, voor zover</al><al>niet bedrijfsmatig geëxploiteerd;</al><al>p. volkstuinen, niet zijnde gebouwen, voor het niet bedrijfsmatig exploiteren van</al><al>cultuurgrond.</al><al>2. De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde</al><al>onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van</al><al>die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.</al><al>3. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf</al><al>voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten</al><al>van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak</al><al>dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><al>1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Hetpercentage bedraagt voor:a. de gebruikersbelasting 0,1404%;b. de eigenarenbelasting</al><lijst><li nr="1."><al> voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1025%;</al></li><li nr="2."><al> voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,1755%.</al></li></lijst><al>2. Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond opgehele euro's.3. Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats. Voor detoepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigdeverschuldigde bedragen onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><al>1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de</al><al>aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste termijn</al><al>vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening</al><al>van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn twee maanden later.</al><al>2. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één</al><al>aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat</al><al>het bedrag daarvan, minder is dan € 5.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen</al><al>door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, de</al><al>aanslagen worden betaald in acht gelijke maandelijkse termijnen. De eerste termijn</al><al>vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening</al><al>van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een</al><al>maand later.</al><al>3. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden</al><al>gestelde termijnen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking</al><al>tot de heffing en de invordering van de onroerende-zaakbelastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de</al><al>bekendmaking.</al><al>2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2011.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening onroerende-zaakbelastingen 2011.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering</ondertekening><ondertekening>van 27 januari 2011</ondertekening><ondertekening>Drs. H.H. Apotheker , voorzitter.</ondertekening><ondertekening>Drs. K. Schraagen , griffier.</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>