<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR91945_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tilburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tilburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2011, 2</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen gemeente Tilburg 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-02-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-02-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2011/010</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening peuterspeelzaalwerk</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Tilburg;</al><al>-gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;</al><al/><al> Besluit:</al><al/><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al>Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen </al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder peuterspeelzaal hetgeen daaronder
                        wordt verstaan in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                        peuterspeelzalen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Groepsspeelruimte</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>In een peuterspeelzaal is voor ieder kind minimaal 3,5m²
                                bruto-oppervlakte aan </al><al>groepsspeelruimte beschikbaar.</al></li><li nr="2."><al>Elke ruimte is ingericht in overeenstemming met het aantal en de
                                leeftijd van de </al><al>op te vangen kinderen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Buitenspeelruimte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De peuterspeelzaal beschikt over aangrenzende buitenspeelruimte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De buitenspeelruimte voldoet aan de volgende eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor kinderen toegankelijk en veilig bereikbaar;</al></li><li nr="b."><al>een oppervlakte van minimaal 4m² bruto-oppervlakte speelruimte
                                    per aanwezig kind.</al></li><li nr="c."><al>ingericht in overeenstemming met de leeftijd van de op te vangen
                                    kinderen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Aanwijzing toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zien toe op de naleving van de bij deze
                            verordening</al><al> gestelde regels.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders wijzen de directeur van de GGD aan als
                            toezichthouder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Onderzoek door de toezichthouder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel 2.2,
                            eerste lid </al><al> van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen of de
                            instandhouding </al><al> redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de voorschriften
                            uit deze </al><al> verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder jaarlijks of de
                            exploitatie </al><al> van een peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming met de
                            voorschriften uit </al><al> deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan de
                            toezichthouder </al><al> incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving van de bij deze
                            verordening gestelde </al><al> voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Vastleggen onderzoeksresultaten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek
                            bij een </al><al> peuterspeelzaal vast in een inspectierapport.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens
                            artikel 2 en 3 gegeven voorschriften niet zijn of zullen worden
                            nageleefd, vermeldt hij </al><al> dat in het rapport.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de houder
                            in de </al><al> gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn
                            zienswijze </al><al> kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de
                            houder in een </al><al> bijlage van het rapport. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De toezichthouder zendt het inspectierapport onverwijld aan de houder,
                            die een </al><al> afschrift daarvan ter inzage legt op een voor ouders en personeel
                            toegankelijke plaats.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na de
                            vaststelling </al><al> daarvan openbaar.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De toezichthouder stelt burgemeester en wethouders in kennis van de
                            vaststelling </al><al> van het rapport.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen artikel 2 en 3 buiten toepassing laten of
                        daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van kwalitatief
                        verantwoorde opvang voor kinderen in een peuterspeelzaal leidt tot een
                        onbillijkheid van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Intrekking voorgaande regeling en inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verordening peuterspeelzaalwerk wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgend op haar </al><al> bekendmaking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening ruimte- en inrichtingseisen
                        peuterspeelzalen gemeente Tilburg 2011</al></artikel></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Algemene Toelichting</titel></kop><al>Op 1 augustus 2010 is de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen
                    (hierna: de Wet) in werking getreden. Het doel van deze Wet is om jonge kinderen
                    in peuterspeelzalen en kindercentra een veilig en stimulerende omgeving te
                    bieden.</al><al>Eén van de onderliggende doelstellingen van de nieuwe Wet is de regelgeving over
                    peuterspeelzalen te harmoniseren met de kinderdagopvang. Hierdoor ontstaat een
                    landelijk kwaliteitskader voor zowel de peuterspeelzalen als de kinderdagopvang
                    met minimum kwaliteitseisen. In de Wet zijn dan ook een aantal minimale eisen
                    voor de peuterspeelzalen vastgelegd en is tevens aan de minister de bevoegdheid
                    gegeven aanvullende regelgeving voor de kwaliteit in een Algemene maatregel van
                    Bestuur vast te leggen (AmvB). Van deze bevoegdheid is nog niet voor alle items
                    gebruik gemaakt omdat de partijen een convenant hebben afgesloten waarin de
                    kwaliteitseisen voor de houders van peuterspeelzalen nader zijn uitgewerkt. De
                    eisen in het convenant hebben als uitgangpunt gediend voor de Beleidsregels
                    kwaliteit peuterspeelzalen (hierna: Beleidsregels) van de minister van
                    Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OGW). Echter, in deze Beleidsregels zijn geen
                    eisen opgenomen ten aanzien van ruimte en inrichting van de peuterspeelzalen. </al><al>Deze Verordening is gebaseerd op de modelverordening van de VNG. Bij het
                    opstellen van de modelverordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen
                    is aangesloten bij het convenant en de Beleidsregels kwaliteitseisen
                    kinderopvang. Het onderhavige model is in overleg met diverse deskundigen op het
                    gebied van peuterspeelzaalwerk en kinderopvang en de brancheorganisaties tot
                    stand gekomen.</al><tussenkop>Ruimte en inrichting</tussenkop><al>Kwalitatief verantwoorde opvang voor kinderen kan niet zonder het stellen van
                    kwaliteitseisen. Eisen inzake ruimte en inrichting vormen hier een essentieel
                    onderdeel van. De eerste levensjaren van een kind zijn belangrijk voor de
                    ontwikkeling van de cognitieve, de sociaal-emotionele en de motorische
                    vaardigheden. De opvoeding door de ouders legt daarvoor de basis, maar ook de
                    rest van de omgeving waarin het kind opgroeit is van belang. Veel kinderen
                    brengen enkele uren per dag door in peuterspeelzalen en andere kindercentra. Ze
                    moeten daar veilig kunnen spelen en voldoende ruimte hebben.</al><al>Bestaande eisen over veiligheid en gezondheid die algemeen geldend zijn en
                    volgen uit andere weten regelgeving zoals bouwvoorschriften,
                    brandveiligheidsvoorschriften, eisen aan speeltoestellen, keukenhygiëne en
                    dergelijke.</al><tussenkop>Toezicht</tussenkop><al>In dit hoofdstuk is het kader voor het toezicht beschreven. Op de handhaving,
                    zijn de algemene handhavingsbevoegdheden uit de Awb van toepassing.</al><al/><tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepaling</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 2. Groepsspeelruimte</tussenkop><al>In dit artikel wordt bepaald dat voor elk kind 3,5m² bruto oppervlak speelruimte
                    aanwezig moet zijn.</al><al>Speelruimtes dienen passend te zijn ingericht voor spelen en rusten. Bij de
                    inrichting van de</al><al>binnenruimte dient rekening te worden gehouden met zowel het aantal kinderen dat
                    van een ruimte gebruik maakt als de leeftijd van de kinderen. Het gaat om het
                    totale aantal vierkante meters die beschikbaar zijn in de groepsruimten. Dus de
                    lengte vermenigvuldigd met de breedte van de ruimtes waar de kinderen
                    spelen.</al><al>Daarnaast is de houder van een peuterspeelzaal gehouden aan de eisen die zijn
                    vastgelegd in het Bouwbesluit 2003. Het Bouwbesluit bevat bouwtechnische
                    voorschriften waaraan alle bouwwerken minimaal moeten voldoen. Peuterspeelzalen
                    vallen onder de categorie 'bijeenkomstfunctie voor kinderopvang'. De eisen uit
                    het Bouwbesluit hebben betrekking op veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid,
                    energiezuinigheid en milieu.</al><tussenkop>Artikel 3. Buitenspeelruimte</tussenkop><al>Dit artikel geeft aan dat de buitenspeelruimte voor kinderen die gebruik maken
                    van de peuterspeelzaal aangrenzend aan de peuterspeelzaal dient te zijn
                    gesitueerd. Evenals de binnenruimte dient de buitenruimte voor spel geschikt te
                    zijn en ingericht in overeenstemming met de behoeften en mogelijkheden van de
                    kinderen. Ook voor de buitenspeelruimte geldt dat bij de inrichting rekening
                    dient te worden gehouden met het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen
                    die gebruik maken van de ruimte. De speelruimte bestaat per aanwezig kind uit
                    minimaal 4m² bruto oppervlakte. Met</al><al>aanwezig kind wordt gedoeld op in de peuterspeelzaal aanwezige kinderen, niet
                    noodzakelijkerwijs buitenspelend.</al><tussenkop>Artikel 4. Aanwijzing toezichthouders</tussenkop><al>Dit artikel maakt burgemeester en wethouders (hierna B&amp;W) verantwoordelijk
                    voor de naleving van deze verordening. B&amp;W wijzen de directeur van de GGD
                    aan als toezichthouder. Dit is in</al><al>overeenstemming met het systeem van de wet. De directeur van de GGD oefent aldus
                    het toezicht uit onder het gezag van de burgemeester en wethouders. Afdeling
                    5.2. van de Algemene wet bestuursrecht bevat een algemene regeling van de
                    bevoegdheden van toezichthouders, zoals het recht op het betreden van plaatsen,
                    op het vorderen van inlichtingen en het inzien van schriftelijke stukken.</al><tussenkop>Artikel 5. Onderzoek door de toezichthouder</tussenkop><al>In dit artikel worden drie soorten van onderzoek onderscheiden. In de eerste
                    plaats onderzoekt de toezichthouder naar aanleiding van een aanvraag voor de
                    exploitatie van een peuterspeelzaal of aan de voorschriften uit deze verordening
                    zal worden voldaan. Daarnaast voert de toezichthouder jaarlijks regulier
                    onderzoek uit bij bestaande peuterspeelzalen. Voorts beschikt de toezichthouder
                    op grond van lid 3 over de mogelijkheid om incidenteel onderzoek te verrichten
                    naar de naleving van de voorschriften uit deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 6. Vastleggen onderzoeksresultaten</tussenkop><al>De resultaten van het onderzoek uit artikel 5 worden door de toezichthouder
                    schriftelijk vastgelegd in een inspectierapport. De toezichthouder zendt het
                    ontwerpinspectierapport aan de houder van de peuterspeelzaal. De houder wordt
                    hiermee in de mogelijkheid gesteld om een reactie te geven op de inhoud van het
                    rapport. De toezichthouder dient de reactie van de houder als bijlage bij het
                    rapport te voegen. De houder zorgt er voor dat zowel ouders van kinderen in de
                    peuterspeelzaal als het personeel inzage hebben in het inspectierapport van de
                    toezichthouder. Uiterlijk 3 weken na ontvangst maakt de toezichthouder het
                    inspectierapport openbaar. Het ligt voor de hand dat de toezichthouder voor de
                    openbaarmaking een breed toegankelijk medium kiest. Gedacht kan worden aan de
                    mogelijkheden die het internet biedt. Van deze vaststelling worden burgemeester
                    en wethouders door de houder op de hoogte gebracht. In de praktijk zal het
                    veelal betekenen dat de toezichthouder het inspectierapport naar burgemeester en
                    wethouders toezendt.</al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Het opnemen van een hardheidsclausule in deze verordening opent de mogelijkheid
                    voor</al><al>burgemeester en wethouders om, in gevallen waarin toepassing van een artikel van
                    de verordening een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren, artikel 2
                    en 3 buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken. Het afwijkende besluit
                    van burgemeester en wethouders moet altijd binnen de doelstellingen van de
                    verordening passen. De toepassing van de hardheidsclausule moet beperkt blijven
                    tot individuele gevallen. Het gebruik van dit artikel is slechts in
                    uitzonderlijke gevallen mogelijk.</al><tussenkop>Artikel 8 en 9</tussenkop><al>Deze bepalingen spreken voor zich.</al><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 7 februari 2011</al><al>de griffier, de voorzitter,</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>