<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR91696_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Coordinatieverordening gemeente Midden-Drenthe 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Midden-Drenthe</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-03-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Midden-Drenthe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteberichten 23 februari 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Coordinatieverordening gemeente Midden-Drenthe 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artt. 147, 149 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-02-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-02-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Coordinatieverordening gemeente Midden-Drenthe 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>De verordening verstaat onder:</al><al><cursief>besluit</cursief>: </al><al>besluit als bedoeld in artikel 3:30 lid 1 van de Wet ruimtelijke
                            ordening;</al><al><cursief>coördineren</cursief>: </al><al>het gelijktijdig en in samenhang voorbereiden van besluiten in één
                            gezamenlijke procedure volgens de coördinatieregeling van Afdeling 3.6
                            van de Wet ruimtelijke ordening;</al><al><cursief>bestemmingsplan</cursief>: </al><al>een plan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke
                            ordening;</al><al><cursief>uitwerkingsplan, wijzigingsplan</cursief>: </al><al>een uitwerkingsplan respectievelijk wijzigingsplan als bedoeld in
                            artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening;</al><al><cursief>structuurvisie</cursief>: </al><al>een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke
                            ordening;</al><al><cursief>bouwen</cursief>: </al><al>bouwen als bedoeld in artikel 1 sub a van de Woningwet en artikel 1.1,
                            eerste lid, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al><cursief>Omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk</cursief>: </al><al>een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al><cursief>aanvrager</cursief>: </al><al>een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een aanvraag om een
                            omgevingsvergunning heeft ingediend.</al><al><cursief>Omgevingsvergunning</cursief>: </al><al>een vergunning als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2 van de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Reikwijdte van de verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening, gebaseerd op artikel 3.30, eerste lid van de Wet
                                ruimtelijke ordening, is alleen van toepassing op het coördineren
                                van de voorbereiding van een besluit om een bestemmingsplan, een
                                uitwerkingsplan of een wijzigingsplan vast te stellen met het
                                besluit over een of meer daarmee samenhangende
                                omgevingsvergunningen, met daarin in ieder geval de activiteit het
                                bouwen van een bouwwerk opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Besluiten die bij een samenloop met een omgevingsvergunning aanhaken
                                en waarvoor een verklaring van geen bedenking nodig is van
                                Gedeputeerde Staten en/of de Minister vallen buiten de reikwijdte
                                van deze verordening.</al><al>Hoofdstuk 2 Coördinatie</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Gevallen waarin besluiten worden gecoördineerd</titel></kop><al>In de volgende gevallen en onder de volgende condities kan het college
                            van burgemeester en wethouders overgaan tot een gecoördineerde
                            voorbereiding van besluiten als bedoeld in artikel 2:</al><lijst><li nr="a."><al>het besluit over een omgevingsvergunning voor het bouwen van een
                                    bouwwerk die op het moment van indienen alleen op grond van
                                    artikel 2.10, eerste lid, sub c Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht geweigerd zou moeten worden en het besluit over
                                    het bestemmingsplan, het uitwerkingsplan of het wijzigingsplan
                                    dat de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk
                                    mogelijk maakt, maken tenminste deel uit van de te coördineren
                                    besluiten en</al></li><li nr="b."><al>door of namens het college van burgemeester en wethouders is
                                    vastgesteld dat zich geen belemmering voordoet, waarbij de
                                    gevallen genoemd in artikel 5 in ieder geval als een dergelijke
                                    belemmering gelden en</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager zich schriftelijk akkoord heeft verklaard met de
                                    gecoördineerde voorbereiding en met de gevolgen die dat voor de
                                    aanvrager heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Gevallen waarin geen coördinatie op grond van deze verordening
                                plaatsvindt</titel></kop><al>In de volgende gevallen is een gecoördineerde voorbereiding op grond van
                            deze</al><al>verordening niet mogelijk:</al><lijst><li nr="a."><al>er moet op grond van artikel 7, tweede lid van de Wet
                                    milieubeheer een milieueffectrapport worden opgesteld en het
                                    betreft geen deelproject van een grotere ontwikkeling waarvoor
                                    al een milieueffectrapport is opgesteld;</al></li><li nr="b."><al>er moet op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet
                                    ruimtelijke ordening een exploitatieplan worden opgesteld en er
                                    kan geen toepassing worden gegeven aan artikel 6.12, tweede lid
                                    van de Wet ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="c."><al>uit een analyse blijkt dat de bouw schade kan veroorzaken als
                                    bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening en de
                                    aanvrager is niet bereid deze schade voor zijn rekening te
                                    nemen.</al><al>Hoofdstuk 3 Procedurebepalingen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Procedureregeling</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan een procedureregeling
                                vaststellen ten behoeve van een goede uitvoering van de
                                coördinatieregeling.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>De procedureregeling geeft in ieder geval aan binnen welke periode
                                aanvragen ingediend moeten worden om voor coördinatie in aanmerking
                                te kunnen komen; de procedure kan bepalen hoe het college van
                                burgemeester en wethouders toepassing geeft aan artikel 3.20 van de
                                Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>Zolang het college van burgemeester en wethouders geen regeling als
                                bedoeld in het eerste lid heeft vastgesteld, is, aanvullend op de
                                artikelen 3.30 tot en met 3.32 van de Wet ruimtelijke ordening en op
                                deze verordening, § 3.5.3 van Afdeling 3.5 "Samenhangende besluiten"
                                van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met uitzondering
                                van de artikelen 3.28 en 3.29 van die wet.</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>Bij de toepassing van lid c is het college van burgemeester en
                                wethouders het aangewezen coördinerend orgaan als bedoeld in artikel
                                3.22 van de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>Als de gemeenteraad besloten heeft dat het wenselijk is dat de
                                coördinatieregeling wordt toegepast in een of meer andere gevallen
                                dan de gevallen die op grond van deze verordening mogelijk zijn, dan
                                zijn de leden a tot en met d van toepassing op de voorbereiding van
                                de besluiten die behoren bij die gevallen.</al><al>Hoofdstuk 4 Slotbepalingen</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Inwerkingtreding en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt de dag na de dag van bekendmaking in
                                werking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op procedures die zijn gestart voor inwerkingtreding van deze
                                verordening is deze verordening niet van toepassing, tenzij door of
                                namens het bevoegd gezag en met schriftelijk instemming van de
                                aanvrager anders is besloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Coördinatieverordening Gemeente
                            Midden-Drenthe 2011.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad,</ondertekening><ondertekening>gehouden op 17 februari 2011,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>de griffier</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>C.J. Onderwater</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>J.Broertjes</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>BIJLAGE</titel></kop><tussenkop>Toelichting op de coördinatieverordening</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1: Algemene toelichting</tussenkop><tussenkop>§ 1 Inleiding</tussenkop><al>Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking
                    getreden. Deze wet wijzigt de procedure voor het verlenen van diverse
                    vergunningen met betrekking tot de fysieke leefomgeving, in die zin dat de
                    verschillende vergunningen die nodig zijn voor de uitvoering van een project
                    (bijvoorbeeld sloopvergunning, bouwvergunning, monumentenvergunning,
                    kapvergunning en aanlegvergunning) gebundeld worden tot één
                        <cursief>omgevingsvergunning</cursief>, waarin de verschillende
                    toestemmingen om een en ander uit te voeren zijn opgenomen.</al><al>Het is mogelijk om met een omgevingsvergunning een project uit te voeren dat
                    niet past binnen een bestemmingsplan of beheersverordening. In de
                    omgevingsvergunning is dan een zogenaamd <cursief>projectafwijkingsbesluit
                    </cursief>opgenomen. Deze mogelijkheid is de opvolger van het projectbesluit uit
                    de Wet ruimtelijke ordening. </al><al>Het is ook mogelijk om een project dat niet binnen het bestemmingsplan past te
                    realiseren via een bestemmingsplanherziening, een wijzigings en/of
                    uitwerkingsplan en een daarop volgende omgevingsvergunning die binnen het nieuw
                    vastgestelde bestemmingsplan/wijzigingsplan/uitwerkingsplan past. In veel
                    gevallen heeft deze optie de voorkeur van initiatiefnemer en gemeente. De
                    proceduretijd kan echter aanzienlijk langer zijn dan die van een
                    projectafwijkingsbesluit, omdat de Wabo geen mogelijkheden biedt tot het
                    coördineren van een vergunningbesluit met een nieuw bestemmingsplan, een
                    wijziging en/of uitwerking van het bestemmingsplan. De Wet ruimtelijke ordening
                    voorziet in de mogelijkheid in dergelijke gevallen de bestemmingsplanprocedure
                    en de omgevingsvergunning te coördineren, waardoor de proceduretijd wordt
                    verkort. De coördinatieregeling is dus een aanvulling op de Wabo.</al><al>Daarmee kan de dienstverlening aan de aanvrager van een
                    omgevingsvergunningaanvraag die in strijd is met het bestemmingsplan verbeterd
                    worden, zowel door het tempo dat met de coördinatieregeling gemaakt kan worden,
                    als door duidelijkheid die het in samenhang afhandelen van verschillende
                    procedures met zich meebrengt.</al><tussenkop>§ 2 Wettelijk kader</tussenkop><al>Artikel 3.30, eerste lid Wro: <cursief>"Bij besluit van de gemeenteraad kunnen
                        […] categorieën van gevallen worden aangewezen waarin de verwezenlijking van
                        een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid het wenselijk maakt dat
                        […] de voorbereiding en bekendmaking van een bestemmingsplan, een wijziging
                        of uitwerking van een bestemmingsplan, […] wordt gecoördineerd met de
                        voorbereiding en bekendmaking van besluiten […]."</cursief></al><al>De wet stelt grenzen aan het toepassen van de coördinatieregeling, omdat het
                    besluit om de regeling toe te passen grote gevolgen heeft voor de procedures van
                    de te coördineren besluiten. Het in artikel 3.30 Wro neergelegde kader bevat
                    twee eisen:</al><lijst><li nr="1."><al>het moet gaan om de verwezenlijking van "gemeentelijk ruimtelijk beleid"
                            en</al></li><li nr="2."><al>het moet wenselijk zijn om de gecoördineerde besluitvorming in te zetten
                            voor de verwezenlijking van dat beleid.</al></li></lijst><al>Om te voldoen aan deze eisen staat de coördinatieverordening alleen coördinatie
                    toe wanneer een bestemmingsplan en een omgevingsvergunning deel uitmaken van de
                    te coördineren besluiten. Het bestemmingsplan is vereist om te waarborgen dat
                    het om de uitvoering van gemeentelijk beleid gaat; het bestemmingsplan is immers
                    -naast de structuurvisie- dé planfiguur waarin de gemeente haar ruimtelijke
                    beleid kenbaar maakt. Als er op uitvoering gerichte elementen in het
                    bestemmingsplan zitten, is het wenselijk om in één procedure zowel de
                    planologische wijziging -het bestemmingsplan- als de concrete uitwerking in de
                    vorm van een bouwplan te regelen, waar mogelijk met alle andere benodigde
                    vergunningen. Daarmee is de samenhang tussen te nemen besluiten, maximaal
                    zichtbaar en wordt de door de wet beoogde vereenvoudiging van procedures
                    bewerkstelligd, zodat de dienstverlening aan de vergunningaanvrager
                    geoptimaliseerd kan worden. De efficiënte procedure van de coördinatieregeling
                    zorgt ook voor lagere procedurekosten en minder bestuurlijke lasten (zie §3, §4
                    en §5).</al><al>In artikel 4 lid f wordt het aantal gevallen verder beperkt tot die gevallen
                    waarin, gezien de aard van het geval, op voorhand gesteld kan worden dat een
                    voortvarende, inzichtelijke procedure wenselijk is. Zie ook de toelichting op
                    dit artikel in hoofdstuk 2.</al><tussenkop>§ 3 Wat houdt de coördinatieregeling in?</tussenkop><al>Met het coördineren bedoelt de wetgever dat besluiten die met elkaar
                    samenhangen, bijvoorbeeld één bouwplan, waarvoor een omgevingsvergunning en een
                    bestemmingsplan nodig zijn, in één procedure worden voorbereid. De procedures
                    voor de vergunningen en voor het bestemmingsplan worden dus gecombineerd tot één
                    procedure.</al><al>Het vaststellingsbesluit over een bestemmingsplan mag namelijk één van de te
                    coördineren besluiten zijn. Als dat zo is, dan is de bestemmingsplanprocedure
                    (ontwerp 6 weken ter inzage, mogelijkheid om zienswijzen in te dienen,
                    rechtstreeks beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State)
                    ook van toepassing op de besluiten die met het bestemmingsplan gecoördineerd
                    worden voorbereid.</al><al>Tegen de besluiten die na die gecoördineerde voorbereidingsprocedure worden
                    genomen kan beroep ingesteld worden, maar, anders dan bij het separaat afgeven
                    van de vergunningen, gebeurt de afhandeling van beroepen tegen onderdelen van
                    het bundeltje besluiten in één keer. Eén uitspraak dus, in het voorbeeld over de
                    omgevingsvergunning én over het bestemmingsplan.</al><al>Het voordeel van de enkele procedure is door de wetgever nog vergroot in artikel
                    8.3 van de Wro: er is slechts één beroepsprocedure bij maar één instantie
                    (alleen de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State) waarbij de wet
                    voorschrijft dat de Afdeling binnen zes maanden (in plaats van binnen één jaar)
                    uitspraak moet doen.</al><al>Daarnaast heeft de wetgever bepaald dat de omgevingsvergunning voor een bouwplan
                    dat met een bestemmingsplan is voorbereid, verleend kan worden voordat het
                    bestemmingsplan in werking treedt<sup>1</sup>. Als de coördinatieregeling niet
                    wordt toegepast kan een omgevingsvergunning pas verleend worden als het
                    bestemmingsplan in werking is getreden.</al><al>Bij een gecoördineerd voorbereid besluit, is er maar één procedure, namelijk het
                    beroep bij de Raad van State (half jaar), eventueel met één
                    schorsingsprocedure.</al><al>Een tweede belangrijke voordeel van de gecoördineerd voorbereide besluiten is
                    dat de samenhang tussen de te nemen besluiten voor iedereen duidelijk is.</al><al>Het vervallen van de mogelijkheden om bezwaar te maken en beroep bij de
                    Rechtbank in te stellen kan risico's met zich meebrengen, omdat een negatieve
                    uitspraak over een van de besluiten gevolg kan hebben voor daarmee samenhangende
                    besluiten. In het geval van een negatieve uitspraak over het bestemmingsplan zal
                    bijvoorbeeld ook het besluit om een omgevingsvergunning te verlenen vernietigd
                    worden.</al><al><sup>1</sup> Artikel 3.30, derde lid Wro Samenvattend: vergunningverlening via
                    de coördinatieregeling is gunstig, want sneller door het eenvoudige beroep en
                    met duidelijkheid over de samenhang tussen de genomen besluiten. De procedure is
                    per saldo sneller dan de vergunningverlening via artikel 19 WRO. De formele
                    procedure (dus exclusief voorbereiding) zal ongeveer één jaar duren (inclusief
                    beroep!).</al><tussenkop>§ 4 Welke gevallen lenen zich voor coördinatie?</tussenkop><al>Het is niet goed denkbaar dat hele grote projecten gecoördineerd zullen worden.
                    De wet geeft echter geen beperkingen aan de omvang van bouwprojecten. De
                    coördinatieverordening kan wel beperkingen bevatten, maar dat hoeft niet. Een
                    aanvrager zal bij grote projecten vaak zekerheid willen hebben over de
                    planologische inpassing in een bestemmingsplan, voordat er kosten gemaakt worden
                    om bouwtekeningen te maken. Omdat de coördinatieverordening de met waarborgen
                    omklede bestemmingsplanprocedure verplicht stelt en omdat de omvang van de via
                    de coördinatieverordening te realiseren projecten op natuurlijke wijze beperkt
                    wordt, is er voor gekozen om in deze verordening geen beperkingen aan de omvang
                    te stellen.</al><al>De wet staat een ruime coördinatie toe. De coördinatieverordening beperkt zich
                    echter tot die gevallen waarin naast een omgevingsvergunning ook de wijziging
                    van een bestemmingsplan nodig is. Dat is niet alleen om te voldoen aan het
                    wettelijke kader (zie §3), maar ook omdat het goed is om aan de hand van de
                    dagelijkse praktijk routine op te doen en de behoefte in beeld te brengen. Mocht
                    het werken met de coördinatieregeling goed bevallen, dan kan het aantal gevallen
                    uitgebreid worden, bijvoorbeeld door ook toe te staan dat er gecoördineerd mag
                    worden zonder een bouwaanvraag. De aanvrager kan dan de bestemmingsplanprocedure
                    en bijvoorbeeld een milieuvergunning coördineren om vervolgens na het in werking
                    treden van het bestemmingsplan de omgevingsvergunning aan te vragen.</al><al>Om de uitvoering van de coördinatieregeling niet te ingewikkeld te maken,
                    bepaalt de verordening dat de voorbereiding niet gecoördineerd mag worden als er
                    complicerende factoren een rol spelen.</al><al>Er worden alleen besluiten gecoördineerd die door de gemeentelijke overheid
                    worden genomen, waarvoor geen MilieuEffectRapport nodig is en waarover
                    financieel overeenstemming is tussen de gemeente en de aanvrager.</al><tussenkop>§ 5 De gevolgen voor het gemeentebestuur</tussenkop><al>In vergelijking tot de vroegere artikel 19-procedure (gedelegeerd aan het
                    college) valt op dat de gemeenteraad de facto besluit over de
                    vergunningverlening voor plannen die niet in het geldende bestemmingsplannen
                    passen. Dat heeft de wetgever zo gewild.Het bovenstaande is overigens ook het
                    geval bij een niet-gecoördineerde vergunningverlening, omdat de gemeenteraad dan
                    ook een bestemmingsplan moet vaststellen voordat de omgevingsvergunning kan
                    worden afgegeven.</al><al>Enigszins vreemd is dit wel, want de bevoegdheid tot het nemen van
                    uitvoeringsbesluiten zouden volgens het duale stelsel bij het uitvoerende
                    bestuursorgaan, het college, horen te liggen. Zie ook §7. Met het vaststellen
                    van de verordening wordt voorkomen dat de gemeenteraad belast wordt met
                    besluiten over de toepassing van de coördinatieregeling.</al><al>De verordening verhindert niet dat de gemeenteraad een afzonderlijk besluit
                    neemt om de coördinatieregeling toe te passen in een geval die niet onder de
                    reikwijdte van de verordening valt. Het is bijvoorbeeld goed denkbaar dat de
                    gemeenteraad besluit tot gecoördineerde besluitvorming over een bestemmingsplan
                    en een omgevingsvergunning met het aspect milieu om een start te maken met de
                    realisering op een moment dat er geen bouwtekeningen beschikbaar zijn.</al><tussenkop>§ 6 De gevolgen voor de aanvrager</tussenkop><al>De snelle, overzichtelijke besluitvorming is handig voor de burger, zowel voor
                    de bouwende burger als voor de tegenstander van de bouw. De samenhang tussen de
                    besluiten is goed zichtbaar en men weet snel waar men aan toe is.</al><al>Hoewel de ervaring dat nog moet uitwijzen, mag verwacht worden dat de kosten in
                    geval van gecoördineerde besluiten lager zijn, doordat er minder
                    bestuursadviezen nodig zijn en minder bezwaar- en beroepsprocedures.</al><al>Een nadeel kan zijn dat de bouwer al in een vrij vroeg stadium de bouwtekeningen
                    gereed moet hebben. Om dit nadeel enigszins te beperken staat de verordening toe
                    dat de coördinatieregeling ook kan worden toegepast met een "omgevingsvergunning
                    eerste fase". Het aspect bouw valt dan buiten de coördinatieregeling.</al><al>De gemeente moet, voordat de coördinatieregeling wordt toegepast, met de
                    aanvrager bespreken of coördinatie gunstig is. De aanvrager is in geen geval
                    verplicht tot coördinatie.</al><tussenkop>§ 7 De noodzaak om een coördinatieverordening vast te stellen</tussenkop><al>De coördinatieregeling in de Wet ruimtelijke ordening mag alleen toegepast
                    worden als de gemeenteraad daartoe besloten heeft óf als de gemeenteraad (in een
                    verordening) heeft vastgesteld in welke gevallen het wenselijk is om de
                    coördinatieregeling te gebruiken.</al><al>Zonder coördinatieverordening kan de coördinatieregeling dus alleen gebruikt
                    worden als de gemeenteraad daar per geval een besluit over neemt. Dat is
                    natuurlijk mogelijk, maar dat zou betekenen dat de gemeenteraad extra belast
                    wordt en dat de procedure met enige maanden vertraging start. En dat terwijl de
                    coördinatieregeling onder meer bedoeld is om tempo te kunnen maken.</al><al>Zie ook § 5.</al><tussenkop>Relatie met milieuwetgeving</tussenkop><al>De gecoördineerde voorbereiding van besluiten bevat altijd een
                    bestemmingsplanprocedure (zie ook hieronder: artikelsgewijze toelichting over
                    artikel 2). Daarmee is gegarandeerd dat de nodige milieuwetten worden nageleefd.
                    Het bestemmingsplan moet immers onderbouwd worden met de uitkomsten van
                    onderzoeken naar bijvoorbeeld de luchtkwaliteit, de externe veiligheid, de
                    ecologische (hoofd-)structuur, het geluid, etc.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2 Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>In artikel 1 worden de belangrijkste begrippen beschreven.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Artikel 2 benadrukt dat de coördinatieregeling alleen ziet op het coördineren
                    van de procedure van de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk met
                    de bestemmingsplanprocedure of de procedure van een uitwerkingsplan of van een
                    wijzigingsplan. Dat is de basis.</al><al>Daarbij kunnen vergunningen die een relatie hebben met de omgevingsvergunning
                    voor het bouwen van een bouwwerk en het bestemmingsplan ook betrokken worden bij
                    de coördinatie. Dat kunnen vergunningen zijn op basis van bijzondere wetten of
                    op basis van gemeentelijke verordeningen.</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>In artikel 3 wordt aangegeven in welke gevallen het wenselijk is om de
                    coördinatieregeling toe te passen. Elk lid wordt afgesloten met het woordje “en”
                    om duidelijk te maken dat de coördinatieregeling alleen toegepast mag worden als
                    aan alle voorwaarden is voldaan.</al><al><onderstreept>Onderdeel a</onderstreept> vormt de basis van de
                    coördinatieverordening: coördinatie op grond van de coördinatieverordening is
                    alleen mogelijk als tenminste het besluit over een bestemmingsplan of over een
                    uitwerkingsplan of over een wijzigingsplan en het besluit over een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk<sup>2</sup> tot de te
                    coördineren besluiten behoren. De omgevingsvergunning voor het bouwen van een
                    bouwwerk moet een bouwplan betreffen dat alleen in strijd is met het geldende
                    bestemmingsplan in de zin van artikel 2.10 lid 1 c van de Wabo. Er mag niet ook
                    sprake zijn een andere grond waarop de vergunning in eerste aanleg moet worden
                    geweigerd. Het bestemmingsplan dat meedoet in de coördinatieregeling moet die
                    strijdigheid opheffen, zodat de vergunning verleend kan worden. Voor alle
                    duidelijkheid: de coördinatieregeling mag op grond van deze verordening dus niet
                    toegepast worden als de bouwaanvraag past in het geldende bestemmingsplan. In
                    dat geval zou coördinatie met alleen een nieuw bestemmingsplan neerkomen op het
                    omzeilen van de gewone procedure van een omgevingsvergunning. Dat kan anders
                    zijn als naast de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk ook nog
                    andere vergunningen nodig zijn om het project te realiseren. Als het wenselijk
                    is om in dat geval – er zijn meer vergunningen nodig – de besluiten met de
                    coördinatieregeling voor te bereiden, dan moet de gemeenteraad daartoe apart
                    besluiten.</al><al><onderstreept>Onderdeel b</onderstreept> moet ruim geïnterpreteerd worden. Het
                    gaat hier niet alleen om de vaststelling dat aan de eisen van lid 4 is voldaan,
                    maar het college ziet ook of aan de procedure-eisen voldaan is. Het college kan
                    ook afzien van coördinatie, bijvoorbeeld wanneer het college constateert dat de
                    gemeente geen bestemmingswijziging wil.</al><al>Uit artikel 3.31 Wro blijkt dat het college niet verplicht is om de
                    coördinatieregeling toe te passen. De wet stelt dat het college coördinatie
                    “bevordert”. Uitgangspunt is dus dat het college, waar dat op grond van deze
                    verordening mogelijk is, een gecoördineerde besluitvorming voorstaat.</al><al>Een ruime uitleg van lid b kan er niet toe leiden dat het college gevallen
                    coördineert die niet onder de verordening vallen en waartoe de raad niet
                    expliciet heeft besloten. De wet staat delegatie van de raadsbevoegdheid om te
                    besluiten dat gecoördineerde besluitvorming wenselijk is niet toe.</al><al>Uit <onderstreept>Onderdeel c </onderstreept>blijkt dat de aanvrager en de
                    gemeente samen de coördinatieregeling moeten willen toepassen. Een aanvrager kan
                    niet gedwongen worden om mee te werken aan een gecoördineerde besluitvorming.
                    Dat zou namelijk inhouden dat de aanvrager gedwongen zou kunnen worden om een
                    vergunning aan te vragen. De aanvrager kan natuurlijk goede redenen hebben om af
                    te zien van coördinatie. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de aanvrager eerst zeker
                    wil weten dat de bestemmingsplanwijziging doorgevoerd is, voordat hij kosten wil
                    maken voor het maken van een bouwtekening.</al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>In dit artikel staat in welke gevallen coördinatie niet mogelijk is. De leden a
                    en b sluiten uit dat besluiten gecoördineerd worden voorbereid, terwijl de
                    uitkomst van de voorbereiding nog onzeker is.</al><al>Zolang geen MER is opgesteld, is ook niet duidelijk welke locatievariant of
                    welke inrichtingsvariant de voorkeur heeft. Ook de noodzaak tot het opstellen
                    van een exploitatieplan maakt de procedure ingewikkelder. </al><al><sup>2 </sup>Met uitzondering van de artikelen 3.28 en 3.29 over administratief
                    beroep. Deze artikelen zijn overbodig, omdat de Wro dit aspect regelt. Bij
                    toepassing van de coördinatieverordening volgen alle gecoördineerde besluiten de
                    procedure van het bestemmingsplan.</al><al>Het feit dat een exploitatieplan nodig is, betekent dat er met partijen geen
                    overeenstemming is over de financiering, wat geen goede basis is voor een
                    gecoördineerde voorbereiding. Er is tijd nodig om in zo’n geval te proberen om
                    alsnog met partijen overeenkomsten te sluiten, wat niet past bij de
                    voortvarendheid waarmee via de coördinatieregeling uitvoering kan worden
                    voorbereid. </al><al>Bij mogelijke planschade moet de aanvrager zich bereid verklaren de kosten voor
                    zijn rekening te willen nemen. Als de aanvrager dat niet wil, dan zou het
                    financiële risico van het vaststellen van het bestemmingsplan bij de gemeente
                    liggen. De gemeente is in beginsel niet bereid tot een dergelijk risico.</al><al>Gecoördineerde besluitvorming is in zo’n geval dan ook niet wenselijk.</al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>De wet geeft geen aanwijzingen over de manier waarop de
                    coördinatieregelinguitgevoerd moet worden. Het is wel wenselijk dat de gemeente
                    duidelijkheid geeft over de uitvoering. Daarom draagt de gemeenteraad het
                    college in dit artikel op om een procedureregeling vast te stellen. Daarin kan
                    bijvoorbeeld worden aangegeven hoeveel tijd de aanvrager heeft om de te
                    coördineren vergunningen aan te vragen.</al><al>Zolang het college nog geen procedureregeling heeft vastgesteld is op grond van
                        <onderstreept>lid c</onderstreept><sup>3 </sup>de procedure van de Awb van
                    toepassing. Dat is handig, omdat de regeling van het college nog niet klaar is
                    en het overigens ook aan te bevelen is om die regeling pas op te stellen nadat
                    ervaring is opgedaan met het toepassen van de coördinatieregeling.</al><al>Als het college een procedureregeling vaststelt en bekend maakt, blijft lid c
                    buiten toepassing.</al><al><onderstreept>Lid b</onderstreept> geeft aan dat het wenselijk is dat het
                    college in de procedureregeling aangeeft hoe aan die verplichting vorm wordt
                    gegeven.</al><al><onderstreept>Lid d</onderstreept> is opgenomen voor alle duidelijkheid. Dat het
                    college het “coördinerend orgaan” is, blijkt ook al uit artikel 3.31, eerste lid
                    Wro, dus feitelijk is dit lid overbodig.</al><al>De procedureregeling moet uiteraard ook gelden als de raad in een bepaald geval
                    dat niet onder de coördinatieverordening valt heeft besloten tot coördinatie.
                    Lid 5 ziet hierop.</al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>Dit artikel bevat onder meer de bepaling waardoor procedures die voor
                    inwerkingtreding van de verordening zijn gestart, rechtsgeldig voortgezet kunnen
                    worden. Heeft ter inzage legging nog niet plaats gevonden, dan kunnen aanvrager
                    en gemeente overeenkomen alsnog te coördineren.</al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich en behoeft daarom geen toelichting.</al><al/><al/><al><sup>3</sup> Met uitzondering van de artikelen 3.28 en 3.29 over administratief
                    beroep. Deze artikelen zijn overbodig, omdat de Wro dit aspect regelt. Bij
                    toepassing van de coördinatieverordening volgen alle gecoördineerde besluiten de
                    procedure van het bestemmingsplan.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>