<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR91671_4</dcterms:identifier><dcterms:title>Procedureregeling planschadevergoeding 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Heraut, 10 januari 2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Procedureregeling planschadevergoeding 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de Ruimtelijke Ordening, art. 49, art. 49a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-01-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-01-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2008-09-30</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BW0700007</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Procedureregeling planschadevergoeding</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Procedureregeling planschadevergoeding 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland;gelet op de
                        artikelen 49 en 49a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening;besluit vast te
                        stellen de:Procedureregeling planschadevergoeding</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>De regeling verstaat onder:a. planschade: schade als bedoeld in artikel 49
                        van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO);b. planologische maatregel: de
                        bepalingen van een bestemmingsplan, dan wel het besluit omtrent vrijstelling
                        als bedoeld in de artikelen 17 of 19 WRO, dan wel een van de andere in
                        artikel 49 WRO genoemde schadeoorzaken;c. aanvrager: degene die een aanvraag
                        om vergoeding van planschade indient;d. college: het college van
                        burgemeester en wethouders;e. derde-belanghebbende: degene als bedoeld in
                        artikel 49a WRO die heeft verzocht om ten behoeve van de verwezenlijking van
                        een project een bestemmingsplan te herzien of te wijzigen dan wel om
                        vrijstelling te verlenen, anders dan bedoeld in artikel 31a of 31b WRO, en
                        die met de gemeente een overeenkomst heeft gesloten inhoudende dat geheel of
                        gedeeltelijk voor zijn rekening komt de schade die rechtstreeks haar
                        grondslag vindt in het besluit op dit verzoek en waarvan aanvrager
                        vergoeding vraagt;f. adviseur: een persoon of commissie belast met het
                        adviseren inzake de door het college te nemen beschikking op een aanvraag om
                        vergoeding van planschade en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van
                        dat bestuursorgaan;g. drempelbedrag: recht als bedoeld in artikel 49, derde
                        lid WRO.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Indiening van de aanvraag en mededeling van ontvangst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een aanvraag om vergoeding van planschade wordt bij het college
                            ingediend. De aanvraag wordt gedaan met gebruikmaking van een door het
                            college aangereikt aanvraagformulier, of dient tenminste de gegevens te
                            bevatten die overeenkomstig dit formulier van de aanvrager gevraagd
                            worden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college tekent de datum van ontvangst van de aanvraag als bedoeld in
                            het eerste lid onverwijld aan op het formulier waarbij de aanvraag is
                            ingediend. De ontvangst wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk
                            medegedeeld aan aanvrager. Van de aanvraag wordt een afschrift
                            toegezonden aan de derde-belanghebbende.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In de mededeling van ontvangst wijst het college de aanvrager erop dat
                            voor het behandelen van de aanvraag een drempelbedrag verschuldigd is en
                            deelt hem mede dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag
                            van verzending van de mededeling op de rekening van de gemeente moet
                            zijn gestort.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Besluit tot het niet-ontvankelijk verklaren van de aanvrager</titel></kop><al>Indien het drempelbedrag niet binnen de in artikel 2, derde lid genoemde
                        termijn is bijgeschreven of gestort, verklaart het college de aanvrager
                        niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat
                        aanvrager in verzuim is geweest.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Besluit tot afwijzing van de aanvraag wegens kennelijke
                            niet-ontvankelijkheid of kennelijke ongegrondheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college wijst de aanvraag binnen acht weken na de dag van verzending
                            van de mededeling van ontvangst af indien sprake is van kennelijke
                            niet-ontvankelijkheid of kennelijke ongegrondheid van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De termijn van acht weken kan een keer met ten hoogste vier weken worden
                            verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Besluit tot opdrachtverstrekking</titel></kop><al>Indien geen toepassing wordt gegeven aan artikel 3 of artikel 4 wijst het
                        college uiterlijk bij het verstrijken van de in artikel 4 bedoelde termijn
                        een adviseur aan en verstrekt een opdracht om ter zake van de aanvraag
                        advies uit te brengen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Werkwijze van de adviseur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De adviseur stelt de aanvrager, een derde-belanghebbende en het college
                            in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling hun visie te
                            geven over de aanvraag om vergoeding van planschade.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Van een mondelinge uiteenzetting door de aanvrager, de
                            derde-belanghebbende of de vertegenwoordiger van het college wordt een
                            samenvatting gemaakt. De samenvatting wordt opgenomen in het
                            advies.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Advisering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De adviseur brengt binnen zestien weken na ontvangst van de opdracht een
                            schriftelijk en gemotiveerd conceptadvies aan het college uit omtrent de
                            gegrondheid van de aanvraag en de hoogte van de te vergoeden
                            planschade.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Van een overschrijding van de in het eerste lid genoemde termijn stelt
                            de adviseur het college schriftelijk in kennis, met vermelding van de
                            nieuwe termijn waarbinnen hij het conceptadvies zal uitbrengen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De adviseur zendt een afschrift van het conceptadvies aan de aanvrager
                            en een derde-belanghebbende, en stelt de aanvrager en de
                            derde-belanghebbende in de gelegenheid om binnen vier weken na
                            verzending van het conceptadvies schriftelijk een reactie daarop ter
                            kennis van de adviseur te brengen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij tijdige ontvangst van eventuele reacties brengt de adviseur binnen
                            vier weken na verloop van de in het derde lid bedoelde termijn een
                            definitief advies uit aan het college. Hij kan de termijn van vier weken
                            eenmalig met vier weken verlengen, van welke verlenging hij mededeling
                            doet aan het college.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien niet binnen de in het derde lid bedoelde termijn een reactie is
                            ingebracht, brengt de adviseur binnen twee weken na verloop van deze
                            termijn een definitief advies uit aan het college.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De adviseur zendt een afschrift van het definitieve advies aan de
                            aanvrager en de derde-belanghebbende.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Beschikking van het college</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Binnen zes weken na ontvangst van het advies beslist het college op de
                            aanvraag om vergoeding van planschade.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan deze termijn een keer met ten hoogste vier weken
                            verlengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Uitbetaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien het college een vergoeding van planschade vaststelt, vindt
                            uitbetaling plaats op een door aanvrager aangegeven rekening direct na
                            het onherroepelijk worden van deze beschikking.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij uitbetaling overeenkomstig het vorige lid zal tevens het
                            overeenkomstig artikel 2 derde lid betaalde drempelbedrag terugbetaald
                            worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van
                            haar bekendmaking. Op dat moment vervallen de drie Procedureregelingen
                            Planschadevergoeding van 1 september 2005 van Berkel en Rodenrijs,
                            Bergschenhoek en Bleiswijk.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Deze regeling wordt aangehaald als 'Procedureregeling
                            planschadevergoeding'.</al></lid></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders op 3 januari
                        2007.De secretaris, drs. ing. A.A. Eijkenaar De wnd. burgemeester, drs. H.B.
                        Eenhoorn</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label/><nr>1</nr><titel>Toelichting bij de Procedureregeling planschadevergoeding</titel></kop><al>Algemene toelichtingOp grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke
                    Ordening (WRO) heeft een belanghebbende de mogelijkheid om van de gemeente een
                    vergoeding te krijgen voor de schade die hij ondervindt als gevolg van een
                    bestemmingsplan of een daarmee gelijk te stellen planologische maatregel,
                    bijvoorbeeld een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 17 en 19 WRO, die
                    redelijkerwijs niet voor zijn rekening dient te komen.De Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb) en de WRO geven voorschriften over de wijze waarop een
                    vergoeding, als bedoeld in artikel 49 WRO, in de praktijk 'planschade' genoemd,
                    moet worden aangevraagd en hoe een aanvraag door het college moet worden
                    behandeld. Burgemeester en wethouders hebben de mogelijkheid een regeling vast
                    te stellen met aanvullende procedureregels voor die gevallen waarin om
                    toepassing van artikel 49 WRO wordt gevraagd. Van deze mogelijkheid wordt hier
                    gebruikgemaakt.Artikelsgewijze toelichtingArtikel 1: Begripsbepalingen-
                    AdviseurDe Awb bevat in afdeling 3.3 regels inzake advisering. Artikel 3:7 Awb
                    bevat bijvoorbeeld het voorschrift dat het bestuursorgaan aan de adviseur de
                    gegevens ter beschikking stelt die nodig zijn voor een goede vervulling van
                    diens taak. Bij onze opdrachten zullen wij de planschadeadviseur de nodige
                    informatie verstrekken.- Derde-belanghebbendeHet kan zijn dat de gemeente met de
                    verzoeker van een planherziening of planvrijstelling een overeenkomst heeft
                    gesloten ter compensatie van de door de gemeente eventueel toe te kennen
                    vergoeding van planschade als gevolg van de gevraagde planologische maatregel.
                    Deze verzoeker wordt in artikel 49a WRO aangemerkt als belanghebbende bij een
                    besluit op een aanvraag om vergoeding van planschade ter zake van deze
                    planologische maatregel. In aansluiting op deze bepaling krijgt de verzoeker in
                    de procedureregeling gelegenheid tot inspraak bij de voorbereiding van het
                    gemeentelijk besluit ter zake van de planschadeclaim.Artikel 2: Indiening van de
                    aanvraag en mededeling van ontvangst- Eerste lidVast moet staan dat het
                    binnengekomen schrijven een aanvraag bevat om vergoeding van schade als bedoeld
                    in artikel 49 WRO en dat daarbij tevens wordt voldaan aan de vereisten van
                    artikel 4:2 Awb: de aanvraag moet worden ondertekend en ten minste bevatten:
                    naam en adres van de aanvrager, de dagtekening en een aanduiding van de
                    beschikking die wordt gevraagd.Aanvrager kan gebruikmaken van een door het
                    college vastgesteld formulier volgens bijgevoegd model. Daarin moet aanvrager
                    onder meer ook aangeven welke planologische maatregelen volgens hem oorzaak zijn
                    van schade.Volgens artikel 4:2, tweede lid en artikel 4:5 Awb heeft het
                    bestuursorgaan de mogelijkheid om later aanvulling van de aanvraag te verlangen.
                    De wet noemt daarvoor geen termijn. Dit betekent dat het college op elk moment
                    tijdens de behandeling van de aanvraag alsnog kan besluiten tot het laten
                    aanvullen van de aanvraag, indien blijkt dat bepaalde belangrijke gegevens
                    ontbreken.- Tweede lidRegistratie van de datum van ontvangst van de aanvraag is
                    van belang voor de bepaling van de wettelijke rente over de uit te keren
                    schadevergoeding en voorts in verband met de verjaringsregeling in het nieuwe
                    artikel 49 WRO: een aanvraag om vergoeding van schade als bedoeld in artikel 49,
                    eerste lid, onder a, b, c of f, moet worden ingediend binnen vijf jaar nadat de
                    desbetreffende bepaling van het bestemmingsplan of het desbetreffende besluit
                    onherroepelijk is geworden. Het is ons beleid de envelop met postzegel of
                    poststempel te bewaren.- Derde lidTer zake van een aanvraag om vergoeding van
                    planschade is een drempelbedrag verschuldigd. De wet WRO bepaalt dat teruggaaf
                    wordt verleend indien op de aanvraag geheel of gedeeltelijk positief wordt
                    beslist.Artikel 3: Besluit tot het niet-ontvankelijk verklaren van de
                    aanvragerDeze bepaling is direct ontleend aan artikel 49, derde lid WRO. In
                    uitzonderlijke gevallen kan worden geoordeeld dat aanvrager inderdaad niet in
                    verzuim is geweest, bijvoorbeeld als het college de mededeling van ontvangst per
                    abuis verkeerd heeft geadresseerd. Als dit blijkt, kan het college zijn besluit
                    tot het niet-ontvankelijk verklaren van de aanvrager herzien.Artikel 4: Besluit
                    tot afwijzing van de aanvraag wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid of
                    kennelijke ongegrondheidVolgens vaste rechtspraak moet de gemeente bij de
                    behandeling van aanvragen om planschadevergoeding objectief en deskundig advies
                    inwinnen, behoudens de uitzonderingsgevallen dat de aanvraag wegens kennelijke
                    niet-ontvankelijkheid of ongegrondheid direct moet worden afgewezen.
                    Overeenkomstig deze rechtspraak geeft artikel 4 aan dat het college in
                    dergelijke gevallen een aanvraag kan afwijzen zonder advies in te winnen. Zo'n
                    afwijzing zal slechts in bijzonder duidelijk liggende gevallen verantwoord zijn;
                    daardoor wordt onnodig werk en onnodige kosten voorkomen.Tegen de achtergrond
                    van de bestaande jurisprudentie en voorts de in artikel 49 WRO opgenomen nieuwe
                    verjaringsregeling kunnen vermoedelijk de volgende voorbeelden worden genoemd
                    van situaties waarbij directe afwijzing van de aanvraag voor de hand ligt:- De
                    gestelde schade, indien en voorzover al aanwezig, vloeit niet voort uit de door
                    de aanvrager vermelde planologische maatregel, en evenmin uit een andere in
                    artikel 49 WRO genoemde planologische maatregel, maar kan slechts het gevolg
                    zijn van een andere oorzaak dan de in artikel 49 WRO genoemde, zoals een
                    gemeentelijk structuurplan, een gemeentelijke structuurvisie, een gemeentelijk
                    verkeersplan of een niet-gemeentelijke planologische maatregel.- De gestelde
                    schade kan, indien en voorzover al aanwezig, weliswaar het gevolg zijn van de
                    door de aanvrager vermelde planologische maatregel of een andere in artikel 49
                    WRO genoemde planologische maatregel, maar deze oorzakelijke planologische
                    maatregel is nog niet onherroepelijk geworden.- De gestelde schade kan weliswaar
                    het gevolg zijn van de door de aanvrager vermelde planologische maatregel of een
                    andere in artikel 49 WRO, eerste lid onder a, b, c of f genoemde planologische
                    maatregel, maar deze oorzakelijke planologische maatregel is vijf jaar of langer
                    geleden, gerekend vanaf de indiening van de aanvraag, onherroepelijk geworden.-
                    Het is overduidelijk dat de koper ten tijde van de aankoop van de onroerende
                    zaak die in waarde zou zijn gedaald, wist of had kunnen weten dat een bepaalde
                    negatieve ruimtelijke ontwikkeling zich zou kunnen voordoen zodat de schade
                    veroorzakende planologische maatregel kennelijk voorzienbaar was.In deze
                    voorbeelden wordt ervan uitgegaan dat het college een eventuele vermelding door
                    de aanvrager van de verkeerde planologische oorzaak ambtshalve converteert in de
                    vermelding van de juiste planologische oorzaak, vermeld in artikel 49 WRO,
                    indien zodanige oorzaak tenminste aan de orde is. Een eventueel verkeerde
                    oorzaakvermelding kan in deze situatie derhalve niet direct leiden tot afwijzing
                    van de claim. Stel bijvoorbeeld dat iemand een schadeclaim indient op grond van
                    een bestemmingsplan, terwijl de gestelde schade in werkelijkheid slechts het
                    gevolg kan zijn van een projectbesluit ex artikel 19 WRO, dan zal het college de
                    claim als zodanig ook beschouwen en behandelen.Artikel 5: Besluit tot
                    opdrachtverstrekking Het college schakelt een onafhankelijk, deskundig adviseur
                    in om een zo goed mogelijk en zo objectief mogelijk advies te krijgen over de
                    vraag of er inderdaad sprake is van schade ex artikel 49 WRO en vervolgens over
                    de omvang van de schadevergoeding.Op grond van het bepaalde in artikel 5 kan het
                    college per geval een adviseur aanwijzen. Door per aanvraag te bezien welke
                    adviseur moet worden ingeschakeld, bestaat de mogelijkheid om de keuze
                    afhankelijk te maken van de complexiteit en de aard van het verzoek. Uiteraard
                    is het mogelijk over het algemeen te werken met dezelfde adviseur of met
                    bijzondere adviseurs voor bijzondere onderwerpen. De aanvrager en een eventuele
                    derde-belanghebbende worden in kennis gesteld van het besluit tot
                    opdrachtverstrekking.Artikel 6: Werkwijze van de adviseurHet horen van de
                    aanvrager, de eventuele derde-belanghebbende en het college kan naar keuze
                    gescheiden of gezamenlijk plaatsvinden. Voorts zal de adviseur zo nodig de
                    situatie ter plaatse opnemen.Artikel 7: Advisering In dit artikel wordt met name
                    geregeld dat de adviseur aan de aanvrager en een derde-belanghebbende inzage
                    geeft in het conceptadvies met mogelijkheid tot reageren. Opbouw en volgorde van
                    het advies kunnen aan de adviseur worden overgelaten.Artikel 8: Beschikking van
                    het college Het college dat voornemens is een aanvraag geheel of gedeeltelijk af
                    te wijzen, behoeft de aanvrager, naar mag worden aangenomen, niet te horen: zie
                    artikel 4:12 Awb op grond waarvan geen hoorplicht geldt bij beschikkingen van
                    financiële aard.In het tweede lid is een verlengingsmogelijkheid opgenomen,
                    indien de termijn in het eerste lid onverhoopt niet gehaald kan worden. Bij
                    ingewikkelde aanvragen of verschillende zienswijzen kan verlenging noodzakelijk
                    zijn.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>