<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR91588_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Besluit Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Ede</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ede</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-04-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ede</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Ede Stad 9-3-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Besluit Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Ede</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-02-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-02-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2011-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-06-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>651835</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Verordening Voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2010</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>In dit besluit Maatschappelijke Ondersteuning Ede worden de financiële uitgangspunten van de Wmo-verordening uitgewerkt. De bedragen zijn bij elkaar gebracht, die op basis van de verordening nog moeten worden vastgesteld.</al><al>Verder wordt in het besluit geregeld welke regels rond verstrekking van een persoonsgebonden budget en een financiële tegemoetkoming gelden. Aangegeven is hoe een persoonsgebonden budget en financiële tegemoetkoming worden vastgesteld. Daarnaast is vermeld hoe de controle op de besteding van een persoonsgebonden budget is geregeld.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Besluit Maatschappelijke Ondersteuning
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Bijzondere regels over het persoonsgebonden budget.</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.</nr>
              <titel>Regels rond verstrekking en verantwoording</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.1</lidnr>
              <al>Verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm
                                van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de
                                aanvrager. Dit gebeurt nadat het college de aanvrager in duidelijke
                                en begrijpelijke bewoordingen heeft geïnformeerd over de gevolgen
                                van deze keuze.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>1.2</lidnr>
              <al>Verstrekking als persoonsgebonden budget vindt niet plaats
                                indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>op grond van aanwijzingen het ernstige vermoeden bestaat dat
                                        de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een
                                        persoonsgebonden budget;</al></li>
                <li nr="b."><al>er sprake is van een vastgesteld oneigenlijk gebruik of
                                        misbruik van een persoonsgebonden budget in het
                                        verleden</al></li>
                <li nr="c."><al>er sprake is van een belanghebbende met aanzienlijke
                                        schulden terwijl deze belanghebbende medewerking weigert bij
                                        het oplossen van deze schuldenproblematiek</al></li>
                <li nr="d."><al>de door de cliënt gewenste voorziening niet voldoet aan de
                                        gebruiksdoelen (dus niet compenserend is); </al></li>
                <li nr="e."><al>er, naar het oordeel van het college, andere zwaarwegende
                                        bezwaren bestaan tegen verstrekking.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>1.3</lidnr>
              <al>Woonvoorzieningen die bij voorkeur in natura worden verstrekt
                                zijn:</al>
              <al>mobiele tilliften, vaste douchezittingen, losse douchestoelen,
                                douchebrancards, eenvoudige toiletverhogers en eenvoudige
                                toiletstoelen. </al>
              <al>Als de verwachting bestaat dat een voorziening voor een beperkte
                                periode zal worden gebruikt dan verstrekt het college deze in natura
                                of een persoonsgebonden budget waarmee een voorziening kan worden
                                gehuurd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>1.4</lidnr>
              <al>Het college kan de budgethouder vragen over een specifieke periode
                                verantwoording af te leggen over besteding van het persoonsgebonden
                                budget. Verantwoording gebeurt door het overleggen van een factuur
                                van de aangeschafte voorziening of van nota’s en betalingsbewijzen
                                van de ingeschakelde hulp bij het huishouden over een specifieke
                                periode. Als het college van deze mogelijkheid gebruik maakt, legt
                                het college voor aanvang van deze periode aan de budgethouder de
                                verplichting op om de relevante bewijsstukken te bewaren en over te
                                leggen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>1.5</lidnr>
              <al>Bij de verlening van een persoonsgebonden budget worden de
                                budgethouder de volgende verplichtingen opgelegd:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de budgethouder gebruikt het persoonsgebonden budget
                                        uitsluitend om het resultaat waarvoor het is betaald, te
                                        behalen</al></li>
                <li nr="b."><al>de voorziening of de hulp bij de huishouding die de
                                        budgethouder inkoopt, is adequaat en kwalitatief verantwoord
                                        en voldoet aan het programma van eisen dat het college heeft
                                        vastgesteld.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Hulp bij het huishouden.</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2.</nr>
              <titel>Vaststelling bedrag persoonsgebonden budget hulp bij het
                                huishouden.</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>2.1</lidnr>
              <al>Voor hulp bij het huishouden in de vorm van een persoonsgebonden
                                budget wordt een bedrag per uur beschikbaar gesteld dat 75 %
                                bedraagt van de kosten voor huishoudelijke hulp in natura.
                                Uitgangspunt zijn de maximale tarieven voor de hulp bij huishouden,
                                die de gemeente betaalt aan de zorgaanbieders.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.2</lidnr>
              <al>Het college stelt het persoonsgebonden budget betaalbaar op rekening
                                van belanghebbenden.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Woonvoorzieningen.</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>3.1.</lidnr>
              <al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming voor woonvoorzieningen
                                wordt gebaseerd op de kosten, die noodzakelijk moeten worden gemaakt
                                om de voorziening te realiseren.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.2</lidnr>
              <al>Een verplichting tot terugbetaling van een financiële tegemoetkoming
                                in de kosten van een woningaanpassing bij verkoop van de woning,
                                zoals bedoeld in artikel 24 van de Verordening voorzieningen
                                maatschappelijke ondersteuning 2010, kan worden opgelegd indien de
                                uitbetaalde tegemoetkoming meer heeft bedragen dan € 20.420,00.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.3</lidnr>
              <al>De financiële tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten als
                                genoemd in artikel 17 onder a van de Verordening voorzieningen
                                maatschappelijke ondersteuning 2010, verstrekt aan een persoon als
                                bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5 en 6 van de
                                wet, bedraagt € 2.500,00. Dit betreft een forfaitaire vergoeding in
                                de kosten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.4</lidnr>
              <al>Indien er sprake is van een situatie als in artikel 18 onder lid 5
                                van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2010
                                bedraagt de financiële tegemoetkoming in de verhuis- en
                                inrichtingskosten maximaal € 5.327,00.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.5</lidnr>
              <al>Voor het bezoekbaar maken van woonruimte als genoemd in artikel 21
                                van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2010
                                wordt een financiële tegemoetkoming verstrekt van maximaal </al>
              <al>€ 5.000,00.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.6</lidnr>
              <al>Indien de voorziening een woningsanering betreft waarbij stoffering
                                en /of vloerbedekking dient te worden vervangen, verlenen
                                burgemeester en wethouders een financiële tegemoetkoming waarbij
                                afhankelijk van de ouderdom van de te vervangen zaken de volgende
                                systematiek wordt gehanteerd:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>tot 2 jaar oud: vergoeding 100% van het normbedrag</al></li>
                <li nr="b."><al>tot 4 jaar oud: vergoeding 75% van het normbedrag</al></li>
                <li nr="c."><al>tot 6 jaar oud: vergoeding 50% van het normbedrag</al></li>
                <li nr="d."><al>tot 8 jaar oud: vergoeding 25% van het normbedrag</al></li>
                <li nr="e."><al>ouder dan 8 jaar: geen vergoeding.</al></li>
              </lijst>
              <al>Als normbedragen worden gehanteerd:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>voor zeil of linoleum € 53,00 per meter (uitgaande van een
                                        gemiddelde lengte van de rol van 4 meter), inclusief
                                        egalisatiekosten en leggen;</al></li>
                <li nr="b."><al>gordijnen: € 15,00 per meter voor rolgordijnen of een ander
                                        soort gladde gordijnen.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.7</lidnr>
              <al>Het persoonsgebonden budget voor een losse woonvoorziening wordt
                                vastgesteld op de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de
                                door het college geaccepteerde offerte, minus een korting van 10%.
                                Daarnaast wordt er jaarlijks een gemiddeld bedrag voor onderhoud en
                                reparatie voor vergelijkbare woonvoorzieningen als persoonsgebonden
                                beschikbaar gesteld.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.</nr>
              <titel>Tijdelijke huisvesting</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>4.1</lidnr>
              <al>Burgemeester en wethouders kunnen een financiële tegemoetkoming voor
                                de kosten van tijdelijke huisvesting verlenen indien deze moeten
                                worden gemaakt in verband met het aanpassen van:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de huidige woonruimte van belanghebbende;</al></li>
                <li nr="b."><al>de door belanghebbende nog te betrekken woonruimte.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.2</lidnr>
              <al>De financiële tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting wordt
                                uitsluitend verleend voor de periode dat de aan te passen woonruimte
                                ten gevolge van het realiseren van de woningaanpassing niet bewoond
                                kan worden en belanghebbende als gevolg daarvan voor dubbele
                                woonlasten komt te staan die redelijkerwijs niet voorkomen kunnen
                                worden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.3</lidnr>
              <al>De hoogte van een te verlenen financiële tegemoetkoming voor
                                tijdelijke huisvesting bedraagt:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de werkelijke kosten - met een maximum van € 505,00 per
                                        maand - in verband met het tijdelijk betrekken van
                                        zelfstandige woonruimte;</al></li>
                <li nr="b."><al>de werkelijke kosten - met een maximum van € 255,00 per
                                        maand - in verband met het tijdelijk betrekken van niet –
                                        zelfstandige woonruimte.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.4</lidnr>
              <al>De financiële tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting kan
                                maximaal zes maanden worden verleend.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.</nr>
              <titel>Verwijderen van woonvoorzieningen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>5.1</lidnr>
              <al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                tegemoetkoming voor de kosten van het verwijderen van
                                woonvoorzieningen indien een woning door de aangebrachte
                                voorzieningen onverhuurbaar wordt .Ook kan een financiële
                                tegemoetkoming worden verstrekt voor het verwijderen van een
                                voorziening, die niet meer wordt gebruikt en die door het
                                verwijderen beschikbaar komt voor hergebruik. De financiële
                                tegemoetkoming wordt vastgesteld op de hoogte van de kosten die
                                noodzakelijk gemaakt moeten worden</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6.</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>6.1</lidnr>
              <al>Voor het reizen met het collectief systeem van aangepast vervoer,
                                als bedoeld in artikel 25 onder a. van de Verordening voorzieningen
                                maatschappelijke ondersteuning 2010, is voor een rit een tarief
                                verschuldigd dat gebaseerd is op de prijs die in het reguliere
                                openbaar vervoer wordt gehanteerd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.2</lidnr>
              <al>Er kan maximaal per kalenderjaar negenhonderd zones met het
                                collectief aangepaste vervoer worden gereisd tegen het tarief als
                                bedoeld in het eerste lid. Uitbreiding van het aantal zones is
                                mogelijk als er sprake is van zwaarwegende omstandigheden waardoor
                                900 zones in het specifieke geval onvoldoende blijken te zijn.
                                Belanghebbende dient aannemelijk te maken dat er sprake is van
                                zwaarwegende omstandigheden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.3</lidnr>
              <al>Indien op medische indicatie begeleiding van de belanghebbende
                                tijdens het gebruik van het collectief systeem van aangepast vervoer
                                noodzakelijk is, is de rit voor de begeleider gratis.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.4</lidnr>
              <al>Het persoonsgebonden budget voor vervoersvoorzieningen wordt
                                vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door
                                het college geaccepteerde offerte, minus een korting van 10%, indien
                                nodig verhoogd met een bedrag voor het in stand houden van de
                                voorziening (zoals onderhoud en reparatie).</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7.</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>7.1.</lidnr>
              <al>Het bedrag dat per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een eigen
                                auto of bruikleenauto bedraagt € 680,00. Als het een echtpaar of
                                samenwonenden betreft, die beiden persoon zijn als bedoeld in
                                artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5 en 6 van de wet wiens
                                vervoersbehoefte niet volledig samenvalt, dan wordt aan hen tezamen
                                een bedrag toegekend van € 1.020,00. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>7.2</lidnr>
              <al>Het bedrag dat per jaar verstrekt kan worden voor gebruik van een
                                taxi bedraagt € 1.800,00. Indien er ter zake feitelijk minder kosten
                                worden gemaakt, is het te verstrekken bedrag gelijk aan de werkelijk
                                te maken kosten.</al>
              <al>Als het een echtpaar of samenwonenden betreft, die beiden persoon
                                zijn als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5 en 6
                                van de wet wiens vervoersbehoefte niet volledig samenvalt dan wordt
                                aan hen tezamen een bedrag toegekend van € 2.700,00.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>7.3</lidnr>
              <al>Het bedrag dat per jaar verstrekt kan worden voor gebruik van een
                                rolstoeltaxi bedraagt € 2.400,00. Indien er ter zake feitelijk
                                minder kosten worden gemaakt, is het te verstrekken bedrag gelijk
                                aan de werkelijk te maken kosten. Als het gehuwden of samenwonenden
                                betreft, die beiden persoon zijn als bedoeld in artikel 1, eerste
                                lid, onder g. onderdeel 5 en 6 van de wet wiens vervoersbehoefte
                                niet volledig samenvalt dan wordt aan hen tezamen een bedrag
                                toegekend van € 3.600,00.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>7.4</lidnr>
              <al>Indien de onder artikel 7.1 tot en met 7.3 vermelde voorziening voor
                                korter dan een jaar wordt verleend wordt het aldaar vermelde bedrag
                                evenredig verminderd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>7.5</lidnr>
              <al>Indien er een noodzaak bestaat voor het verstrekken van een
                                elektrische fiets of een fiets met trapondersteuning, wordt hiervoor
                                een financiële tegemoetkoming van maximaal € 1.000,00
                                verstrekt.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>Het zich verplaatsen in en rond de woning.</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8.</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>8.1</lidnr>
              <al>Het persoonsgebonden budget voor een rolstoel wordt vastgesteld als
                                tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college
                                geaccepteerde offerte, minus een korting van 10%, verhoogd met het
                                gemiddelde bedrag voor onderhoud en reparatie voor vergelijkbare
                                rolstoelen.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>6.</nr>
            <titel>Sportvoorzieningen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>9.1</lidnr>
              <al>Een sportrolstoel zoals bedoeld in artikel 28 en artikel 29 derde
                                lid van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                                2010, wordt uitsluitend verstrekt als forfaitaire vergoeding in de
                                vorm van een financiële tegemoetkoming.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>9.2</lidnr>
              <al>De financiële tegemoetkoming voor een sportrolstoel, bedraagt €
                                2.500. Deze tegemoetkoming kan pas na verloop van een periode van
                                drie jaar opnieuw worden verstrekt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>9.3</lidnr>
              <al>Het persoonsgebonden budget voor een sportvoorziening wordt
                                vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door
                                het college geaccepteerde offerte, minus een korting van 10%,
                                verhoogd met het gemiddelde bedrag voor onderhoud en reparatie voor
                                vergelijkbare rolstoelen.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>7.</nr>
            <titel>Samenhangende afstemming en advies</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.</nr>
              <titel>Samenhangende afstemming.</titel>
            </kop>
            <al>Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te
                            stemmen op de situatie van de aanvrager zoals bedoeld in artikel 35 van
                            de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2010, wordt
                            bij het onderzoek inzake het advies voor zover van toepassing aandacht
                            besteed aan:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de algemene gezondheidstoestand van de aanvrager;</al></li>
              <li nr="b."><al>de beperkingen die de aanvrager in zijn functioneren ondervindt
                                    als gevolg van ziekte of gebrek;</al></li>
              <li nr="c."><al>de woning en de woonomgeving van de aanvrager;</al></li>
              <li nr="d."><al>het psychisch en sociaal functioneren van de aanvrager;</al></li>
              <li nr="e."><al>de sociale omstandigheden van de aanvrager.</al></li>
            </lijst>
            <al>Bij de besluitvorming en de motivering van het besluit wordt door het
                            college bij deze bevindingen aangesloten.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11.</nr>
              <titel>Adviesaanvraag</titel>
            </kop>
            <al>Het college kan MO-zaak om advies vragen indien het college dat gewenst
                            vindt ter voorbereiding van een besluit.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <al>Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2011.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13.</nr>
            </kop>
            <al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager
                            afwijken van de bepalingen in dit besluit als de toepassing hiervan
                            leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14.</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Ede.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <nr>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Ede -Toelichting</nr>
        </kop>
        <al>
          <cursief>Inleiding</cursief>
        </al>
        <al>Naast een Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning is er ook een
                    Besluit maatschappelijke ondersteuning. In dit besluit zijn alle bedragen bij
                    elkaar gebracht, die op basis van de Verordening nog moeten worden vastgesteld.
                    Het voordeel van het opnemen van alle bedragen in een besluit is dat bij
                    wijziging van de bedragen de verordening niet gewijzigd hoeft te worden en dus
                    niet opnieuw in de Raad besproken en vastgesteld moet worden. Bijstelling van
                    het Besluit door het college kan daardoor aanzienlijk sneller plaatsvinden.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Hoofdstuk 1. Bijzondere regels over het persoonsgebonden
                        budget.</cursief>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Algemeen.</cursief>
        </al>
        <al>Uitgangspunt van de Wmo en Verordening is dat burgers eerst zelf of binnen hun
                    eigen netwerk een oplossing voor de ervaren belemmeringen dienen te zoeken.
                    Indien dit niet tot een oplossing leidt kan de gemeenten verwijzen naar een
                    algemene voorziening. Voor algemene voorzieningen verstrekt de gemeente geen
                    persoonsgebonden budget , waar tegenover staat dat de algemene voorziening een
                    snel te realiseren oplossing biedt, er een eenvoudige en lichte toelatingstoets
                    geldt en er nooit een eigen bijdrage wordt gevraagd. Pas in laatste instantie
                    zal de gemeente een individuele voorziening verstrekken. Voor een individuele
                    voorziening kan een “bruto” persoonsgebonden budget worden toegekend door de
                    gemeente; het CAK berekent dan de eigen bijdrage voor de klant en brengt die
                    vervolgens bij de klant in rekening. </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Artikel 1. Regels rond verstrekking en verantwoording.</cursief>
        </al>
        <al>1.1</al>
        <al>Verstrekking van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de
                    aanvrager. De gemeente informeert de aanvrager over de gevolgen van de keuze
                    voor een persoonsgebonden budget, een voorziening in natura of een financiële
                    tegemoetkoming. Dit gebeurt in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen. </al>
        <al>1.2</al>
        <al>Niet in alle situaties kan de aanvrager een persoonsgebonden budget ontvangen.
                    Allereerst is het niet mogelijk een persoonsgebonden budget te ontvangen als de
                    algemene voorziening een goede en snelle oplossing biedt. Daarvan zal sprake
                    zijn indien het gaat om een beperkte omvang in tijd en/of duur. </al>
        <al>Daarnaast zal ook in situaties waarbij tijdens onderzoek duidelijk wordt dat een
                    aanvrager problemen zal krijgen met het omgaan met een persoonsgebonden budget,
                    dit als contra-indicatie worden opgevat. </al>
        <al>1.3</al>
        <al>Een aantal woonvoorzieningen wordt bij voorkeur verstrekt als voorziening in
                    natura. Dit zal vooral gelden voor kleinere, losse en daarom vaak voorzieningen
                    die hergebruikt kunnen worden, zoals tilliften, toiletstoelen en dergelijke
                    voorzieningen. Ook is er meer controle op de kwaliteit en het gebruik van de
                    voorziening. Bouwkundige woonvoorzieningen zullen naar hun aard over het
                    algemeen niet als voorziening in natura aangeboden kunnen worden. Dit artikellid
                    bepaalt dat een aantal roerende woonvoorzieningen bij voorkeur in natura wordt
                    aangeboden, om te voorkomen dat er sprake zal zijn van kapitaalvernietiging.
                    Alleen op uitdrukkelijk verzoek van de klant kan de voorziening in de vorm van
                    een persoonsgebonden budget worden verstrekt. </al>
        <al>Daarnaast kan het college er voor kiezen een voorziening in natura of als
                    huurpgb te verstrekken indien de verwachting is dat deze slechts voor een
                    beperkte periode zal worden gebruikt. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij een
                    progressief ziektebeeld.</al>
        <al> 1.4</al>
        <al>Ten aanzien van het persoonsgebonden budget vindt er steekproefsgewijs controle
                    plaats op de rechtmatigheid van het toegekende budget. Indien hier aanleiding
                    voor is, kan ook gericht controle plaatsvinden op de besteding van het budget.
                    Het college kan belanghebbende de verplichting opleggen om over een specifieke
                    periode betalingsbewijzen over te leggen. Een dergelijke verplichting wordt
                    opgelegd voor aanvang van deze periode. </al>
        <al>1.5</al>
        <al>indien een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, dient deze te worden
                    aangewend om het resultaat te bereiken waarvoor het is bedoeld. Het college kan
                    hierbij eisen stellen waaraan de aan te schaffen voorziening of hulp bij het
                    huishouden dient te voldoen. Als blijkt dat niet is voldaan aan de gestelde
                    eisen kan het besluit tot toekenning worden ingetrokken en kan het verstrekte
                    persoonsgebonden budget worden teruggevorderd.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Hoofdstuk 2. Hulp bij het huishouden.</cursief>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Artikel 2. Vaststelling bedrag persoonsgebonden budget hulp bij het
                        huishouden.</cursief>
        </al>
        <al>Voor de voorziening hulp bij het huishouden in natura is een uurbedrag
                    vastgesteld in de contracten met de zorgaanbieders. </al>
        <al>Als de aanvrager kiest voor een persoonsgebonden budget dan wordt 75 % van het
                    geldende tarief per uur aan de aanvrager uitgekeerd. Het persoongebonden budget
                    wordt op een lager uurtarief gebaseerd aangezien een individuele aanvrager geen
                    overheadkosten heeft waarmee een zorgaanbieder wel heeft te maken. Daarnaast
                    biedt de gemeente aan budgethouders de mogelijkheid om gratis gebruik te maken
                    van de diensten van de sociale verzekeringsbank voor de administratieve
                    verplichtingen die een PGB met zich mee brengt. Deze dienstverlening door de SVB
                    is voor de gemeente niet gratis.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Hoofdstuk 3. Woonvoorzieningen</cursief>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Artikel 3.</cursief>
        </al>
        <al>3.1</al>
        <al>In artikel 3 lid 1 van het Besluit is geregeld dat de financiële tegemoetkoming
                    voor een woonvoorziening wordt vastgesteld op de hoogte van de noodzakelijk te
                    maken kosten.</al>
        <al>Deze kunnen worden gebaseerd op een door het college goedgekeurde (deel van een)
                    offerte of op genormeerde bedragen. Daarin kan een aantal kosten teruggevonden
                    worden. Te denken valt hierbij aan de kosten van bouw, maar ook aan eventuele
                    kosten architect, kosten van vergunningen en kosten van toezicht.</al>
        <al>Door uit te gaan van de kosten van de goedgekeurde (deel van een ) offerte is
                    het mogelijk per offerte andere kosten mee te nemen. Zo zullen toezichtkosten
                    bij een kleine verbouwing geen rol spelen. Om welke kosten het zal kunnen gaan
                    zal verder worden uitgewerkt in de beleidsregels, het Verstrekkingenboek.</al>
        <al>Ook bestaat de mogelijkheid de financiële tegemoetkoming vaststellen op een
                    genormeerd bedrag. </al>
        <al>3.2</al>
        <al>Artikel 3 lid 2 van het Besluit geeft het bedrag aan waarboven de
                    terugbetalingsverplichting van artikel 22 van de Verordening voorzieningen
                    maatschappelijke ondersteuning 2010 van toepassing is. Uiteraard wordt het deel
                    dat de belanghebbende zelf heeft bijgedragen buiten de berekening van een
                    eventuele terugbetaling gelaten. Basis is het bedrag dat de gemeente heeft
                    moeten voldoen.</al>
        <al> 3.3, 3,4, 3,5</al>
        <al>Artikel 3 lid 3, 4 en 5 van het Besluit leggen vast welke bedragen verstrekt
                    worden als het gaat om een verhuiskostenvergoeding respectievelijk het
                    bezoekbaar maken. De vergoeding die wordt verstrekt aan mensen die bereid zijn
                    een aangepaste woning te verlaten wordt gelijk gesteld aan de
                    verhuiskostenvergoeding die mensen ontvangen als ze hun huurhuis moeten verlaten
                    bij sloop of renovatie.</al>
        <al>3.6</al>
        <al>Indien vanwege een plotseling optredende noodzaak, waarmee de belanghebbende
                    niet eerder rekening kon houden, een woningsanering moet plaatsvinden, kan men
                    in aanmerking komen voor een vergoeding. Omdat vloerbedekking en dergelijke ook
                    zonder optredende beperkingen periodiek worden vervangen, zijn dit daarom
                    algemeen gebruikelijke kosten zijn, tenzij er sprake is van vervanging van
                    stoffering en/of vloerbedekking die nog niet is afgeschreven. Hoe ouder de zaken
                    zijn, hoe groter het algemeen gebruikelijke deel in het vervangen. Als de zaken
                    nog geen 2 jaar oud zijn, is er geen sprake van een algemeen gebruikelijk
                    deel.</al>
        <al>3.7</al>
        <al>Artikel 3.7 van het Besluit regelt de wijze waarop een persoonsgebonden budget
                    voor een woonvoorziening wordt vastgesteld. Het persoonsgebonden budget voor een
                    woonvoorziening wordt vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld
                    in de door het college geaccepteerde offerte, minus een korting van 10%,
                    verhoogd met het gemiddelde bedrag voor onderhoud en reparatie. De korting wordt
                    ingehouden omdat de gemeente via het contract met de leverancier vaak hoge
                    kortingen heeft bedongen. Ook mensen die van de gemeente een persoonsgebonden
                    budget ontvangen kunnen bij deze leverancier een voorziening met korting (10 %)
                    aan schaffen.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Hoofdstuk 4. Het zich lokaal verplaatsen per
                    vervoermiddel.</cursief>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Artikel 6.</cursief>
        </al>
        <al>6.1</al>
        <al>Voor het gebruik van het collectief vervoer is een vergoeding verschuldigd.
                    Zonder beperking zou de belanghebbende immers ook kosten maken voor het openbaar
                    vervoer. De meerkosten van het collectief vervoer worden middels subsidiering
                    aan de vervoerder door de gemeente vergoed. </al>
        <al>6.2</al>
        <al>Het gebruik van collectief vervoer tegen een laag tarief is niet onbeperkt. Een
                    aantal van 900 zones per kalenderjaar wordt normaal gesproken voldoende geacht
                    om de vervoersbehoefte te dekken. Aanvullende toekenning tot een hoger aantal
                    zones blijft in bijzondere, individueel bepaalde omstandigheden mogelijk.
                    Belanghebbende dient zelf aan te tonen dat er sprake is van bijzondere
                    omstandigheden.</al>
        <al>6.3</al>
        <al>Als het om medische reden noodzakelijk is om een begeleider te laten mee reizen,
                    dan kan deze gratis meereizen.</al>
        <al>6.4</al>
        <al>Artikel 6.4 van het Besluit regelt de wijze waarop een persoonsgebonden budget
                    voor een vervoersvoorziening wordt vastgesteld. Het persoonsgebonden budget voor
                    een vervoersvoorziening wordt vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals
                    vermeld in de door het college geaccepteerde offerte, minus een korting van 10%,
                    verhoogd met het gemiddelde bedrag voor onderhoud en reparatie. De korting wordt
                    ingehouden omdat de gemeente via het contract met de leverancier vaak hoge
                    kortingen heeft bedongen. Ook mensen die van de gemeente een persoonsgebonden
                    budget ontvangen kunnen bij deze leverancier een voorziening met korting (10 %)
                    aan schaffen.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Artikel 7</cursief>
        </al>
        <al>Artikel 7 tenslotte legt een drietal bedragen vast voor de autokostenvergoeding,
                    de taxikostenvergoeding en de vergoeding van de rolstoeltaxi. Ten aanzien van de
                    autokostenvergoeding krijgt belanghebbende een forfaitair bedrag uitgekeerd
                    waarover geen verantwoording afgelegd hoeft te worden. De bedragen voor taxi en
                    respectievelijk de rolstoeltaxi zijn aanzienlijk hoger zodat de aanvrager
                    hierover wel verantwoording af dient te leggen. Om deze reden vindt uitbetaling
                    plaats op basis van declaratie. Belanghebbende krijgt hierdoor geen hoger bedrag
                    toegekend dan de kosten die hij zelf daadwerkelijk ter zake heeft gemaakt. </al>
        <al>Indien er een indicatie bestaat voor gebruik van de rolstoeltaxi en het inkomen
                    van de aanvrager is hoger dan 1,5 keer de bijstandsnorm dan wordt, op de
                    vergoeding voor gebruik van de rolstoeltaxi, het bedrag dat wordt toegekend als
                    vergoeding voor gebruik van de taxi ingehouden. Een rolstoeltaxi kan immers niet
                    als algemeen gebruikelijke voorziening worden beschouwd. </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>artikel 7.5</cursief>
        </al>
        <al>Het bedrag van de financiële tegemoetkoming voor een elektrische fiets of fiets
                    met trapondersteuning is gebaseerd op de meerkosten van een dergelijke fiets ten
                    opzichte van een relatief eenvoudige normale fiets. Uitgegaan wordt van de door
                    Nibud aangegeven bedragen voor een elektrische fiets van € 1.400,00 en voor een
                    normale fiets van € 400,00.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Hoofdstuk 5. Het zich verplaatsen in en rond de woning.</cursief>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Artikel 8.</cursief>
        </al>
        <al>Bij het bepalen van een persoonsgebonden budget voor een rolstoel wordt
                    uitgegaan van de goedkoopst adequate voorziening. Hiervoor wordt aan de, door de
                    gemeente Ede, gecontracteerde leverancier een offerte met cataloguswaarde
                    opgevraagd voor de voorziening, gebaseerd op de gebruiksdoelen. Het
                    persoonsgebonden budget wordt vervolgens door het toekennen van een bedrag als
                    tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde
                    offerte, minus een korting van 10%, verhoogd met het gemiddelde bedrag voor
                    onderhoud en reparatie voor vergelijkbare rolstoelen. </al>
        <al>Elke rolstoel die enige aanpassing behoeft zal uitkomen op een ander bedrag.
                    Daarom vindt vaststelling van het persoonsgebonden budget bij rolstoelen vaak
                    per rolstoel plaats.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Hoofdstuk 6 Sportvoorzieningen</cursief>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Artikel 9</cursief>
        </al>
        <al>Toegevoegd aan de nieuwe verordening zijn de sportvoorzieningen. Verstrekking
                    van een sportrolstoel vond al plaats onder de WVG. De wijze van verstrekken
                    wordt voortgezet zoals bij de Wvg gebruikelijk was. Dit houdt in dat een
                    sportrolstoel alleen verstrekt wordt als financiële tegemoetkoming in de kosten
                    van aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel voor een periode van drie jaar.
                    Het betreft een forfaitair bedrag. Na drie jaar kan opnieuw een financiële
                    tegemoetkoming worden toegekend.</al>
        <al>Bij het bepalen van een persoonsgebonden budget voor een sportvoorziening wordt
                    uitgegaan van de goedkoopst adequate voorziening. Hiervoor wordt aan de, door de
                    gemeente Ede, gecontracteerde leverancier een offerte met cataloguswaarde
                    opgevraagd voor de voorziening, gebaseerd op de gebruiksdoelen. Het
                    persoonsgebonden budget wordt vervolgens door het toekennen van een bedrag als
                    tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde
                    offerte, minus een korting van 10%, verhoogd met het gemiddelde bedrag voor
                    onderhoud en reparatie voor vergelijkbare sportvoorzieningen </al>
        <al>Elke sportvoorziening die enige aanpassing behoeft zal uitkomen op een ander
                    bedrag. Daarom vindt vaststelling van het persoonsgebonden budget bij
                    sportvoorzieningen vaak per voorziening plaats.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Hoofdstuk 7. Samenhangende afstemming en advies.</cursief>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Artikel 10. Samenhangende afstemming.</cursief>
        </al>
        <al>De Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2010 stelt in
                    artikel 38 dat in dit Besluit bepaald moet worden op welke wijze de verkrijging
                    van individuele voorzieningen samenhangend wordt afgestemd op de situatie van de
                    aanvrager. Hierbij is aangesloten bij de eisen die het Zorgindicatiebesluit
                    stelt ten aanzien van het onderzoek inzake de AWBZ. Hierdoor is enerzijds de
                    samenhang met de AWBZ gewaarborgd, maar wordt anderzijds ook een ruime
                    hoeveelheid informatie vergaard waarmee het college een zorgvuldig, op de
                    individuele situatie af te stemmen besluit kan nemen.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Artikel 11. Adviesaanvraag.</cursief>
        </al>
        <al>De Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2010 bepaalt in
                    artikel 37 lid 2 dat het college extern advies kan vragen als dit is gewenst ter
                    voorbereiding van een besluit.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Hoofdstuk 8. Slotbepalingen</cursief>
        </al>
        <al/>
        <al>Artikel 12 en 13 spreken voor zich.</al>
        <al/>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>