<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR90663_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verontreinigingsheffing waterschap Hunza en Aa's 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Hunze en Aa's</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Hunze en Aa's</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Dagblad van het Noorden, 18-12-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verontreinigingsheffing waterschap Hunze en Aa's 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Waterschapswet, art. 110, 113; Waterwet, Hoofdstuk 7</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-11-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-12-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>598</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening verontreinigingsheffing waterschap Hunze en Aa’s 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het algemeen bestuur van het waterschap Hunze en Aa’s;</al><al>op voordracht van het dagelijks bestuur van 18 oktober 2010;</al><al>gelet op de artikelen 110 en 113 van de Waterschapswet en hoofdstuk 7 van de
                        Waterwet;</al><al>B E S L U I T :</al><al>vast te stellen de:</al><al>Verordening verontreinigingsheffing waterschap Hunze en Aa’s 2011</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Begripsbepalingen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan het
                                aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen,
                                alsmede de bijbehorende bodem en oevers, flora en fauna ten aanzien
                                waarvan het waterschap ingevolge artikel 3.2 van de Waterwet is
                                aangewezen als beheerder, met uitzondering van de gronden die
                                ingevolge artikel 3.1 of 3.2 van de Waterwet zijn aangewezen als
                                drogere oevergebieden;</al></li><li nr="b."><al>stoffen: de stoffen genoemd in artikel 9 van deze verordening;</al></li><li nr="c."><al>lozen: het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam in
                                beheer bij het waterschap;</al></li><li nr="d."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om
                                als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd
                                zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;</al></li><li nr="e."><al>bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als
                                afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een
                                woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een openbaar
                                vuilwaterriool;</al></li><li nr="f."><al>openbaar vuilwaterriool: een voorziening voor de inzameling en het
                                transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of
                                een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is
                                belast;</al></li><li nr="g."><al>zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van stedelijk
                                afvalwater, in exploitatie bij een waterschap of gemeente, dan wel
                                een rechtspersoon die door het bestuur van een waterschap met de
                                zuivering van stedelijk afvalwater is belast, met inbegrip van het
                                bij dat werk behorende werk voor het transport van stedelijk
                                afvalwater;</al></li><li nr="h."><al>stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel
                                daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of
                                ander afvalwater;</al></li><li nr="i."><al>de ambtenaar belast met de heffing:</al><lijst><li nr="-"><al>de krachtens of bij gemeenschappelijke regeling aangewezen
                                        ambtenaar van een openbaar lichaam, bedoeld in artikel 124,
                                        vijfde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet;</al><al> de ambtenaar belast met de invordering: </al></li><li nr="-"><al>de krachtens of bij gemeenschappelijke regeling aangewezen
                                        ambtenaar van een openbaar lichaam, bedoeld in artikel 124,
                                        vijfde lid, onderdeel b, van de Waterschapswet;</al></li></lijst></li><li nr="j."><al>watersysteem: het watersysteem zoals bedoeld in artikel 1, tweede
                                lid, van de Waterschapswet;</al></li><li nr="k."><al>drinkwater: drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
                                Drinkwaterwet;</al></li><li nr="l."><al>ingenomen water: geleverd drink– en industriewater, warm tapwater,
                                onttrokken grond– en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater;</al></li><li nr="m."><al>drinkwaterbedrijf: drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1,
                                eerste lid, van de Drinkwaterwet;</al></li><li nr="n."><al>warm tapwater: warm tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                                van de Drinkwaterwet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Bijlagen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:</al><al>– Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                        berekening;</al><al>– Bijlage Ia: handreiking voor het onderzoek voor de bepaling van de
                        alfa-factor in biologisch gezuiverd afvalwater ten behoeve van de berekening
                        van de T-correctie;</al><al>– Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten zoals opgenomen in artikel 122k,
                        derde lid, van de Waterschapswet.</al></artikel><artikel><kop><label>Belastbaar</label><titel>feit en heffingsplicht</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder de naam verontreinigingsheffing wordt een directe belasting
                            geheven ter zake van lozen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de heffing worden onderworpen:</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van het lozen vanuit een woonruimte of een
                                    bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die
                                    ruimte;</al></li><li nr="b."><al>ter zake van het lozen met behulp van een riolering of van een
                                    zuiveringtechnisch werk: degene bij wie die riolering of dat
                                    zuiveringtechnisch werk in beheer is;</al></li><li nr="c."><al>ter zake van het lozen anders dan bedoeld onder a of b: degene
                                    die loost.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het tweede lid onder a, wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden
                                    aangemerkt als gebruik door het door de ambtenaar belast met de
                                    heffing aangewezen lid van dat huishouden;</al></li><li nr="b."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in
                                    gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die het
                                    deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik
                                    heeft gegeven is bevoegd de heffing als zodanig te verhalen op
                                    degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;</al></li><li nr="c."><al>het ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte
                                    voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die
                                    deze ruimte ter beschikking heeft gesteld; degene die de ruimte
                                    ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de heffing als zodanig
                                    te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is
                                    gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De opbrengst van de verontreinigingsheffing komt ten goede aan de
                            bekostiging van het beheer van het watersysteem door het
                            waterschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Vrijstellingen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al>Van de verontreinigingsheffing zijn vrijgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>het lozen met behulp van een vuilwaterriool;</al></li><li nr="b."><al>het lozen vanuit een zuiveringstechnisch werk door het waterschap
                                zelf;</al></li><li nr="c."><al>het lozen van stoffen afkomstig vanuit een zuiveringstechnisch werk
                                anders dan door het waterschap zelf, mits de hoeveelheid stoffen
                                niet is toegenomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Ontstaan</label><titel>van de belastingschuld en heffing naar tijdsevenredigheid</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffing ter zake van woonruimten en van bedrijfsruimten als bedoeld
                            in artikel 16 is verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar of, zo
                            dit later is, bij de aanvang van de heffingsplicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de heffingsplicht als bedoeld in het eerste lid in de loop van
                            het heffingsjaar aanvangt, is de heffing naar tijdsevenredigheid
                            verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de heffingsplicht als bedoeld in het eerste lid in de loop van
                            het heffingsjaar eindigt, bestaat aanspraak op verlaging naar
                            tijdsevenredigheid van de verschuldigde heffing. Hiertoe kan de
                            heffingsplichtige een aanvraag tot ontheffing indienen bij de ambtenaar
                            belast met de heffing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de
                            heffingsplichtige het gebruik van de woonruimte beëindigt en direct
                            aansluitend het gebruik krijgt van een woonruimte van waaruit eveneens
                            wordt geloosd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Aangifte</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Uitnodiging</label><titel>tot het doen van aangifte</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met betrekking tot de heffing terzake van bedrijfsruimten wordt in die
                            gevallen dat de ambtenaar belast met de heffing dit nodig acht een
                            uitnodiging tot het doen van aangifte gedaan middels:</al><lijst><li nr="a."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebiljet;</al></li><li nr="b."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waarin wordt
                                    verzocht om aangifte te doen op de wijze als bedoeld in artikel
                                    7, eerste lid, onderdeel b.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid, onderdeel b, vindt slechts toepassing ten aanzien van
                            degene aan wie een vergunning als bedoeld in artikel 7, vierde lid, is
                            verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op verzoek van degene die op de wijze bedoeld in het eerste lid,
                            onderdeel b, is uitgenodigd tot het doen van aangifte, wordt door de
                            ambtenaar belast met de heffing een aangiftebiljet als bedoeld in het
                            eerste lid, onderdeel a, toegezonden of uitgereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Het</label><titel>doen van aangifte</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aangifte wordt gedaan door:</al><lijst><li nr="a."><al>het inleveren of toezenden van het uitgereikte aangiftebiljet
                                    met de daarbij gevraagde bescheiden;</al></li><li nr="b."><al>het op elektronische wijze toezenden, dan wel door middel van
                                    een gegevensdrager toezenden of inleveren, van de door de
                                    programmatuur, aangewezen in de vergunning als bedoeld in het
                                    derde lid, gevraagde gegevens.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval van aangifte op elektronische wijze worden de gevraagde
                            bescheiden afzonderlijk ingeleverd of al dan niet overeenkomstig het
                            eerste lid toegezonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het doen van aangifte op elektronische wijze is slechts toegestaan met
                            een daaraan voorafgaande vergunning van de ambtenaar belast met de
                            heffing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde vergunning wordt op verzoek verleend bij
                            voor bezwaar vatbare beschikking. De vergunning wordt geweigerd
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>bij het verzoek geen e-mailadres ten behoeve van het doen van
                                    aangifte op elektronische wijze wordt opgegeven, tenzij de
                                    vergunninghouder gebruik maakt van een elektronische
                                    handtekening als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek;</al></li><li nr="b."><al>het verzoek niet is ondertekend;</al></li><li nr="c."><al>in het belastingjaar voorafgaande aan het jaar waarvoor wordt
                                    verzocht tot het doen van aangifte op elektronische wijze niet
                                    is voldaan aan artikel 8, lid 1, van de Algemene wet inzake
                                    rijksbelastingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Tenzij de vergunninghouder gebruik maakt van een elektronische
                            handtekening als bedoeld in lid 4, onderdeel a, wordt bij de aangifte op
                            elektronische wijze gebruik gemaakt van het in lid 4, onderdeel a
                            bedoeld e-mailadres en de door de ambtenaar belast met de heffing in de
                            vergunning afgegeven code.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Degenen die betrokken zijn bij de aangifte op elektronische wijze dragen
                            zorg voor de nodige voorzieningen van technische en organisatorische
                            aard tegen verlies of aantasting van de gegevens en tegen onbevoegde
                            kennisneming, wijziging of verstrekking daarvan.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De in geval van aangifte op elektronische wijze toe te zenden dan wel in
                            te leveren gegevens, zijn inhoudelijk gelijk aan die welke toegezonden
                            dan wel ingeleverd hadden moeten worden indien voor de aangifte gebruik
                            zou zijn gemaakt van een aangiftebiljet, met dien verstande dat de
                            ondertekening plaatsvindt volgens het in lid 5 bepaalde.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Heffingsjaar</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Grondslag</label><titel>en heffingsmaatstaf</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Algemeen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de heffing bedoeld in artikel 3 geldt als grondslag de hoeveelheid
                            en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden
                            geloosd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de
                            stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd. De vervuilingswaarde
                            wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot zuurstofbindende
                            stoffen wordt bepaald op basis van de som van het chemisch
                            zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                            stikstofverbindingen, zoals voorgeschreven in Bijlage I van deze
                            verordening. Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking tot
                            zuurstofbindende stoffen een verbruik in het heffingsjaar van 54,8
                            kilogram zuurstof.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Meting,</label><titel>bemonstering en analyse</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere stoffen
                            wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse
                            verkregen gegevens. De meting, bemonstering, analyse en berekening
                            geschieden met in achtneming van de in Bijlage I opgenomen
                            voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering en analyse geschieden
                            ieder etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde in artikel
                            11.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De meting en de bemonstering geschieden zodanig dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt van
                                    de werkelijke hoeveelheid afvalwater;</al></li><li nr="b."><al>het verkregen monster representatief is voor de totale
                                    hoeveelheid stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode vanuit
                                    het bedrijf of het bedrijfsonderdeel wordt geloosd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De heffingsplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering met een
                            beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur voor aanvang van
                            het heffingsjaar ter kennis van de ambtenaar belast met de heffing.
                            Indien het gebruik van de apparatuur in de loop van het heffingsjaar
                            aanvangt of wijzigt, dan wordt dit vóór de ingebruikname of de wijziging
                            ter kennis van de ambtenaar belast met de heffing gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing:</al><lijst><li nr="a."><al>kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden in
                                    afwijking van één of meer van de in Bijlage I, onderdeel A,
                                    opgenomen voorschriften, indien deze aannemelijk maakt dat dit
                                    noodzakelijk is ter voldoening aan het bepaalde in het derde
                                    lid, onderdelen a en b;</al></li><li nr="b."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat meting en
                                    bemonstering kunnen geschieden in afwijking van een of meer van
                                    de in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschriften, indien de
                                    heffingsplichtige aannemelijk maakt dat daarbij wordt voldaan
                                    aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen a en b;</al></li><li nr="c."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat kan worden
                                    afgeweken van de in Bijlage I, onderdeel B, opgenomen
                                    analysevoorschriften, indien de heffingsplichtige aannemelijk
                                    maakt dat de nauwkeurigheid van de uitkomsten van de analyse
                                    hierdoor niet wordt beïnvloed;</al></li><li nr="d."><al>kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b en
                                    c nadere voorschriften geven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in het
                            vijfde lid, onderdelen a, b en c, bij voor bezwaar vatbare beschikking.
                            Deze beschikking bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorschriften van Bijlage I, onderdelen A en B, waarvan wordt
                                    afgeweken;</al></li><li nr="b."><al>de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en
                                    c;</al></li><li nr="c."><al>de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel
                                    d;</al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor
                                    de beschikking wordt gegeven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing is bevoegd twee of meer ingevolge het
                            vijfde lid genomen beschikkingen, die betrekking hebben op hetzelfde
                            bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift te
                            verenigen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                            verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                            afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de desbetreffende
                            beschikkingen, bedoeld in het vijfde lid, ambtshalve wijzigen of
                            intrekken in verband met het bepaalde in het eerste lid en het derde
                            lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Beperkte</label><titel>meting, bemonstering en analyse</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de
                            berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan met
                            gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in een
                            beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar belast met
                            de heffing dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van het
                            bepaalde in artikel 10, tweede lid. Het besluit op aanvraag wordt
                            genomen bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat
                            in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een opgave van de afvalwaterstromen en de stoffen welke in het
                                    onderzoek dienen te worden betrokken;</al></li><li nr="b."><al>de tijdvakken waarin meting en bemonstering geschieden, hetzij
                                    ieder etmaal van die tijdvakken, hetzij één of meer daartoe
                                    aangewezen etmalen daarvan;</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen uitkomsten
                                    worden herleid tot het aantal vervuilingseenheden over een
                                    aldaar bedoeld tijdvak, onderscheidenlijk over het
                                    heffingsjaar;</al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor
                                    de beschikking wordt gegeven. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                            verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                            geloosde, respectievelijk te lozen stoffen, de desbetreffende
                            beschikking, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve wijzigen of
                            intrekken, indien toepassing van berekeningsvoorschrift IV van onderdeel
                            C van bijlage I leidt tot een ander aantal etmalen dan in die
                            beschikking is opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in het
                            tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Hoedanigheidscorrectie</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch
                            zuurstofverbruik bedoeld in artikel 9 in belangrijke mate is beïnvloed
                            door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op
                            aanvraag van de heffingsplichtige op die uitkomst een correctie
                            toegepast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De berekening van de correctie geschiedt met inachtneming van de
                            voorschriften welke zijn opgenomen in Bijlage I, onderdeel C en Bijlage
                            1a: Handreiking voor het onderzoek voor de bepaling van de alfa-factor
                            in biologisch gezuiverd afvalwater ten behoeve van de berekening van de
                            T-correctie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing als bedoeld in
                            het eerste lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking
                            bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de wijze van berekening van de correctie;</al></li><li nr="b."><al>de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater waarop de
                                    correctie van toepassing is;</al></li><li nr="c."><al>de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot
                                    meting, bemonstering en analyse;</al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor
                                    de beschikking wordt gegeven.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Tabel</label><titel>afvalwatercoëfficiënten</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 10, eerste lid, kan het aantal
                            vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een
                            kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan worden
                            vastgesteld met behulp van de in Bijlage II van deze verordening
                            opgenomen tabel afvalwatercoëfficiënten, indien door de
                            heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat het aantal
                            vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een
                            kalenderjaar 1.000 of minder bedraagt en dit aantal aan de hand van de
                            hoeveelheid ingenomen water kan worden bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid wordt
                            berekend volgens de formule A x B, waarbij</al><al> A = het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte
                            of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water;</al><al> B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in Bijlage
                            II opgenomen tabel met de klassengrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde
                            met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ ten behoeve van de
                            bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen
                            water is gelegen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan
                            worden vastgesteld aan de hand aan watermeterstanden die aan het begin
                            en aan het einde van het kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de ambtenaar
                            belast met de heffing die hoeveelheid vast op een door hem nader vast te
                            stellen wijze.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ als
                            bedoeld in het tweede lid wordt ingevolge artikel 7.3b, vijfde lid, van
                            de Waterwet bepaald met toepassing van de algemene maatregel van bestuur
                            als bedoeld in artikel 122k, tweede lid, van de Waterschapswet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
                            zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een
                            onderdeel daarvan meer dan 1.000 bedraagt en de heffingsplichtige
                            aannemelijk maakt dat de berekening van het aantal vervuilingseenheden
                            met toepassing van de in het eerste lid, aanhef, bedoelde tabel tot geen
                            lagere uitkomst leidt dan die welke wordt verkregen bij berekening op de
                            voet van artikel 10, eerste lid, beslist de ambtenaar belast met de
                            heffing bij voor bezwaar vatbare beschikking op aanvraag van
                            heffingsplichtige dat het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met
                            toepassing van de tabel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Vervuilingswaarde</label><titel>van tuinbouwkassen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 10, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                            de stoffen die worden geloosd vanuit een bedrijfsruimte of een onderdeel
                            van een bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de uitoefening van
                            een beroep of een bedrijf onder een permanente opstand van glas of
                            kunststof gewassen te telen, bepaald op basis van het tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vervuilingswaarde bedraagt drie vervuilingseenheden per hectare
                            vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per deel
                            van een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van drie
                            vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het eerste
                            lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte, dan wel
                            van een deel daarvan, door de gebruiker aanvangt of eindigt, wordt hij
                            in dat kalenderjaar voor die bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of voor
                            dat deel voor een evenredig gedeelte van het op basis van het tweede lid
                            bepaald aantal vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van een
                            bedrijfsruimte, berekend op basis van het tweede of derde lid, van
                            minder dan vijf vervuilingseenheden wordt op drie vervuilingseenheden,
                            en van één of minder dan één vervuilingseenheid op één
                            vervuilingseenheid gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Totale</label><titel>vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr></kop><al>De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte wordt bepaald op de som van de
                        aantallen vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig de artikelen 10
                        tot en met 14, voorzover deze van toepassing zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Vervuilingswaarde</label><titel>van kleine bedrijfsruimten</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 10, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                            de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een
                            zuiveringtechnisch werk voor het zuiveren van afvalwater worden geloosd
                            gesteld op drie vervuilingseenheden indien door de heffingsplichtige
                            aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde minder dan vijf
                            vervuilingseenheden bedraagt en op één vervuilingseenheid indien door de
                            heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één vervuilingseenheid
                            of minder bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanslag in het heffingsjaar al is opgelegd voor drie
                            vervuilingseenheden en de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de
                            vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat
                            aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige kan daartoe na afloop
                            van het heffingsjaar of, bij beëindiging van de heffingsplicht, in de
                            loop van het heffingsjaar een aanvraag indienen bij de ambtenaar belast
                            met de heffing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Vervuilingswaarde</label><titel>van woonruimten</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr></kop><al>1. De vervuilingswaarde van een woonruimte is drie vervuilingseenheden
                        indien die woonruimte bij het begin van het heffingsjaar of, indien de
                        heffingsplicht in de loop van het heffingsjaar aanvangt, bij de aanvang van
                        de heffingsplicht, wordt gebruikt door meer dan één persoon. Voor een
                        woonruimte die op genoemd tijdstip door één persoon wordt gebruikt, wordt op
                        aanvraag van de gebruiker, de vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid
                        vastgesteld.</al><al>2. Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden
                        bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie
                        bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin
                        bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als een bedrijfsruimte dan
                        wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.</al></artikel><artikel><kop><label>Schatting</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr></kop><al>De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in een
                        kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vaststellen,
                        indien door de heffingsplichtige:</al><lijst><li nr="a."><al>meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn geschied in
                                overeenstemming met de in Bijlage I opgenomen voorschriften;</al></li><li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van
                                meting, bemonstering en analyse en bepaling van de vervuilingswaarde
                                op basis van artikel 13, eerste of vijfde lid, 14, eerste lid, 16,
                                eerste lid, of 17, eerste lid, niet mogelijk is;</al></li><li nr="c."><al>het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van
                                meting, bemonstering en analyse, bepaling van de vervuilingswaarde
                                op basis van artikel 13, vijfde lid, wel mogelijk is, maar door de
                                heffingsplichtige gedurende het heffingsjaar geen aanvraag als
                                bedoeld in dat artikel is gedaan:</al></li><li nr="d."><al>niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan de
                                in artikel 10, 11 of 12 bedoelde toestemming.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Tarief</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr></kop><al>Het tarief bedraagt € 68,39 per vervuilingseenheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Wijze</label><titel>van heffing en termijnen van betaling</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.</al></li><li nr="2."><al>Op één aanslagbiljet kunnen meerdere soorten aanslagen worden
                                verenigd, de zogenaamde integrale aanslag.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>De aanslag is invorderbaar twee maanden na de dagtekening van het
                                aanslagbiljet.</al></li><li nr="4."><al>Het bedrag vermeld op de beschikking inzake een bestuurlijke boete
                                is invorderbaar twee maanden na de dagtekening van het
                                aanslagbiljet.</al></li><li nr="5."><al>In afwijking van het gestelde in het derde lid geldt dat als de
                                verschuldigde aanslag bedragen door middel van automatische incasso
                                kunnen worden afgeschreven, dit dient te gebeuren in </al><al>maximaal zes termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na
                                dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen
                                telkens een maand later. </al></li><li nr="6."><al>Een aanslag die een bedrag van € 10,- niet te boven gaat, wordt niet
                                opgelegd. Hieronder valt ook de in het tweede lid bedoelde
                                aanslag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Kwijtschelding</label><titel>voor woonruimten</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de invordering van waterschapsbelastingen kan op
                            schriftelijk verzoek van de heffingsplichtige, die niet in staat is
                            anders dan met buitengewoon bezwaar een aanslag zuiveringsheffing, voor
                            zover betrekking hebbend op een woonruimte, geheel of gedeeltelijk te
                            betalen, besluiten tot het verlenen van gehele of gedeeltelijke
                            kwijtschelding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het beoordelen van een verzoek om kwijtschelding vindt plaats
                            overeenkomstig de bepalingen, zoals daaromtrent zijn opgenomen in de
                            Leidraad Invordering Waterschapsbelastingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Nadere</label><titel>regels</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr></kop><al>Het dagelijks bestuur van het waterschap kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering.</al></artikel><artikel><kop><label>Inwerkingtreding</label><titel>en citeertitel</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr></kop><al>1. De Verordening verontreinigingsheffing waterschap Hunze en Aa’s 2010,
                        vastgesteld bij besluit van 18 november 2009, wordt ingetrokken met ingang
                        van de in het vierde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien
                        verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich
                        voor die datum hebben voorgedaan.</al><lijst><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na
                                die van de bekendmaking, met uitzondering van artikel 1, de
                                onderdelen k, l, m en n.</al></li><li nr="3."><al>Artikel 1, onderdelen k, l, m en n treden in werking op het tijdstip
                                dat de Drinkwaterwet, Staatsblad 2009, nr. 370, in werking
                                treedt.</al></li><li nr="4."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2011.</al></li><li nr="5."><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening
                                verontreinigingsheffing waterschap Hunze en Aa’s 2011.</al><al/></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van het
                        waterschap Hunze en Aa’s, gehouden op 24 november 2010 te Veendam. </ondertekening><ondertekening>Harm Küpers, Alfred van Hall.</ondertekening><ondertekening>secretaris-directeur, dijkgraaf.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING op de Verordening verontreinigingsheffing waterschap Hunze en
                        Aa’s 2011</titel></kop><divisie><kop><label>A.</label><titel>ALGEMEEN</titel></kop><al><cursief>Doelstelling en karakter verontreinigingsheffing</cursief></al><al>De verontreinigingsheffing vindt haar wettelijke basis in artikel 7.2,
                        tweede lid, van de Waterwet (Wet van 29 januari 2009, Stb. 107). Zij is
                        daarmee de opvolger van de verontreinigingsheffing zoals die tot en met 2009
                        werd geheven op basis van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wet van
                        13 november 1969, Stb. 536). Die verontreinigingsheffing “oude stijl” diende
                        ter financiering van alle activiteiten in het kader van het
                        waterkwaliteitsbeheer. Zowel de kosten voor het actieve beheer
                        (transporteren en zuiveren van afvalwater, verbranden van zuiveringsslib en
                        baggeren uit waterkwaliteitsoogpunt) als voor het passieve beheer
                        (vergunningverlening, toezicht en controle, handhaving,
                        waterkwaliteitsbeheersplannen) werden hiermee bekostigd. </al><al>Met de inwerkingtreding van de Wet modernisering waterschapsbestel (Wet van
                        21 mei 2007, Stb. 208) is hier verandering in gekomen. Met ingang van 2009
                        worden de kosten ter bestrijding van de zorg voor het zuiveren van
                        afvalwater, waar ook het transporteren van afvalwater en het verbranden van
                        zuiveringsslib toe worden gerekend, gedekt uit de opbrengst van de
                        zuiveringsheffing.</al><al>Het passieve waterkwaliteitsbeheer en het baggeren uit
                        waterkwaliteitsoogpunt horen sinds 2009 tot de zorg voor het watersysteem,
                        waar ook de zorg voor de waterkering en de waterbeheersing toe worden
                        gerekend. De zorg voor het watersysteem wordt bekostigd uit de opbrengst van
                        de watersysteemheffing. Voor directe lozingen op oppervlaktewater blijft de
                        verontreinigingsheffing wel bestaan. De opbrengst komt ten goede aan de
                        bekostiging van het beheer van het watersysteem. De wettelijke basis voor de
                        belasting is met ingang van 2010 in de Waterwet geregeld. De essentialia van
                        de belasting zijn niet veranderd en zij vertonen grote overeenkomst met de
                        zuiveringsheffing. Het kenmerkende verschil tussen de beide belastingen is
                        dat de zuiveringsheffing wordt geheven voor het afvoeren van stoffen op de
                        riolering of een zuiveringstechnisch werk, terwijl de
                        verontreinigingsheffing is verschuldigd voor het lozen van stoffen in een
                        oppervlaktewaterlichaam.</al><al>Het vaststellen van de vervuilingswaarde van de afgevoerde of geloosde
                        stoffen gebeurt op dezelfde wijze als bij de zuiveringsheffing. In dat kader
                        verklaart de Waterwet zelfs een aantal bepalingen ter zake van de
                        zuiveringsheffing in de Waterschapswet van overeenkomstige toepassing voor
                        de verontreinigingsheffing. Daarom wordt in deze toelichting ook op een
                        aantal plaatsen verwezen naar bepalingen in de Waterschapswet in plaats van
                        de Waterwet. </al><al>Bij de verontreinigingsheffing wordt de vervuilingswaarde voor woonruimten
                        alleen op forfaitaire wijze vastgesteld. De keuze om dit net zoals bij de
                        zuiveringsheffing als alternatief op basis van het drinkwatergebruik te
                        doen, heeft de wetgever bij de verontreinigingsheffing niet gegeven.</al><al>Omdat er geen directe relatie is tussen het lozen van stoffen en de kosten
                        van het beheer van het watersysteem, heeft de verontreinigingsheffing het
                        karakter van een bestemmingsheffing behouden. </al><al>Een aantal artikelen in deze verordening is letterlijk uit de wet
                        overgenomen. Hoewel die bepalingen vanwege het imperatieve karakter ook
                        achterwege hadden kunnen blijven, zijn ze toch in de verordening opgenomen.
                        Een belastingplichtige moet immers uit de belastingwet kunnen opmaken onder
                        welke voorwaarden zijn materiële belastingschuld ontstaat. Omdat de
                        belastingverordening voor het waterschap in feite de functie van
                        belastingwet heeft, is er een aantal jaren geleden al voor gekozen om van
                        verordeningen steeds een “aangeklede” versie maken.</al></divisie><divisie><kop><label>B.</label><titel>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><al><vet>Considerans</vet></al><al><cursief>Bevoegdheid algemeen bestuur</cursief></al><al>Uitsluitend het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van de
                        belastingverordening. Dit vloeit voort uit artikel 110 van de
                        Waterschapswet. Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van de
                        belastingverordening (artikel 84 van de Waterschapswet).</al><al><cursief>Bevoegdheid instellen verontreinigingsheffing</cursief></al><al>De bevoegdheid voor waterschappen om een verontreinigingsheffing in te
                        stellen, ligt in artikel 7.2 van de Waterwet, juncto artikel 113 van de
                        Waterschapswet. In het laatstgenoemde artikel geeft de wetgever aan het
                        waterschap de bevoegdheid om krachtens een bijzondere wet belasting te
                        heffen. De Waterwet is een dergelijke bijzondere wet. </al></divisie><divisie><kop><label>Begripsbepalingen</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>Om duidelijkheid te scheppen over een aantal in de verordening voorkomende
                        begrippen en om de leesbaarheid van de tekst te bevorderen, is van deze
                        begrippen een omschrijving gegeven in artikel 1. Daarbij is zo veel mogelijk
                        aangesloten bij de begripsbepalingen in de artikelen 1 en 7.1 van de
                        Waterwet.</al><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>De Waterwet introduceert het begrip oppervlaktewaterlichaam. Dit is meer
                        omvattend dan het begrip oppervlaktewater zoals dat in de Wet
                        verontreiniging oppervlaktewateren wordt genoemd en later in jurisprudentie
                        nader inhoud heeft gekregen. In artikel 7.2, tweede lid, van de Waterwet
                        wordt ten aanzien van de verontreinigingsheffing een tweetal zaken
                        uitgezonderd, te weten als zodanig aangewezen drogere oevergebieden en de
                        exclusieve economische zone. Er is voor gekozen om van die uitzonderingen
                        alleen de drogere oevergebieden als uitzondering op te nemen. De exclusieve
                        economische zone is het water in de Noordzee buiten de territoriale wateren
                        boven het Nederlandse deel van het continentaal plat en zal daarom in geen
                        enkel geval binnen het beheersgebied van een waterschap vallen. De
                        uitzondering van de exclusieve economische zone heeft dus alleen effect voor
                        zover het de verontreinigingsheffing door het rijk betreft.</al><al>Nu het begrip oppervlaktewater is vervangen door oppervlaktewaterlichaam,
                        doet zich de vraag voor of en in hoeverre de in de loop der jaren ontstane
                        definiëring van het begrip oppervlaktewater ook van toepassing is op
                        oppervlaktewaterlichaam. </al><al>De Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel (Kamerstuk 2006-2007, 30 818,
                        nr. 3) geeft daarover uitsluitsel. Op pagina 88 staat: “Onder de
                        begripsomschrijving vallen aldus de watereenheden waarop de jurisprudentie
                        van de Hoge Raad inzake het begrip oppervlaktewater uit de Wet
                        verontreiniging oppervlaktewateren – dat in die wet overigens niet is
                        gedefinieerd – betrekking heeft”. Vervolgens wordt ook aangegeven dat de
                        definitie van oppervlaktewater uit de kaderrichtlijn water niet geschikt is
                        om in de Waterwet over te nemen.</al><al>Zoals bekend mag worden verondersteld, is er destijds bij de Wet
                        verontreiniging oppervlaktewateren bewust voor gekozen om, vanwege de grote
                        verscheidenheid in verschijningsvormen, het begrip oppervlaktewateren niet
                        in de wet te omschrijven. Nadere definiëring zou moeten plaatsvinden door
                        middel van jurisprudentie. In de Memorie van Toelichting is wel aangegeven
                        welke eisen aan oppervlaktewater zouden kunnen worden gesteld.</al><al>Zo zou het: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="2*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="98*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>geschikt moeten zijn om te dienen als grondstof voor
                                            drinkwater voor de mens dat tegen een redelijke prijs is
                                            te distribueren;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>geschikt moeten zijn om te dienen als drinkwater voor
                                            vee;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>geschikt moeten zijn als sproei- en gietwater in de
                                            agrarische sector;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>geschikt moeten zijn voor recreatieve doeleinden;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>geschikt moeten zijn voor industriële toepassingen;
                                            of</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>vormen van aquatisch leven kunnen bevatten.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Uit de Memorie van Toelichting blijkt verder dat het begrip zich niet
                        beperkt tot openbare wateren. </al><al>Zoals verwacht is in de jurisprudentie aan het begrip oppervlaktewater de
                        nodige invulling gegeven. De meest uitgebreide definitie gaf de Hoge Raad in
                        zijn arrest van 30 november 1982 (BNB 1983/89):</al><al> ‘Als oppervlaktewater in de zin der wet is te beschouwen een – anders dan
                        louter incidenteel aanwezige – aan het oppervlak en aan de open lucht
                        grenzende watermassa (met inbegrip van een bedding waarin zodanige
                        watermassa al dan niet bij voortduring voorkomt), tenzij daarin als gevolg
                        van rechtmatig gebruik ten behoeve van een specifiek doel geen normaal
                        samenhangend geheel van levende organismen en een niet–levende omgeving
                        (ecosysteem) aanwezig is, dan wel het een ter berging van afval gegraven
                        bekken betreft waarin slechts in een overgangsfase water aanwezig is en zich
                        nog geen normaal ecosysteem heeft ontwikkeld.’</al><al>Op 8 november 1978 (BNB 1979/15) oordeelde de Hoge Raad dat bij een
                        zuiveringsinstallatie behorende bezinkbedden niet als oppervlaktewater
                        aangemerkt kunnen worden.</al><al>Een sloot van 300 meter lang en 2,5 meter breed die ‘s winters is gevuld en
                        ‘s zomers in de regel althans gedeeltelijk enig water bevat, moet onder
                        andere vanwege het feit dat de sloot kan dienen voor landbouwdoeleinden,
                        worden aangemerkt als oppervlaktewater (Hoge Raad 12 november 1980, BNB
                        1981/43 en na verwijzing Hof Amsterdam 28 oktober 1981 BNB 1983/55,
                        Belastingblad 1987, blz. 249).</al><al>Een sloot van waaruit geregeld – dat wil zeggen niet minder dan eenmaal per
                        jaar – gedurende enige tijd water wegvloeit naar een ander slotenstelsel kan
                        als oppervlaktewater worden aangemerkt (Hoge Raad 26 januari 1983, BNB
                        1983/89, Belastingblad 1983, blz. 182 en Hoge Raad 22 juni 1983, BNB
                        1983/241, Belastingblad 1983, blz. 465).</al><al>Ook afgedamde slootgedeelten kunnen oppervlaktewater zijn (Hoge Raad 25 mei
                        1983, BNB 1983/247, Belastingblad 1983, blz. 462).</al><al>Een open beekvak dat deel uitmaakt van een (ondergrondse) verbinding tussen
                        twee oppervlaktewateren kan als oppervlaktewater worden aangemerkt, ook als
                        de klep in de duiker onder de naast die verbinding gelegen weg gedurende het
                        heffingsjaar was gesloten (Hoge Raad 27 maart 1985, BNB 1985/167,
                        Belastingblad 1985, blz. 464).</al><al>Een greppel van vijftig meter lang en een meter breed, die aan weerszijden
                        van het lozingspunt slechts over een lengte van tien meter enig water bevat
                        en niet in verbinding staat met enig oppervlaktewater, kan niet als
                        oppervlaktewater worden aangemerkt (Hoge Raad 27 januari 1988, BNB 1988/123,
                        Belastingblad 1988, blz. 223).</al><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Voor de omschrijving van ‘stoffen’ is verwezen naar de stoffen genoemd in
                        artikel 9. In dat artikel zijn de stoffen opgenomen die door het waterschap
                        in de heffing worden betrokken, alsmede de gewichtseenheden van die
                        stoffen.</al><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Lozen is het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer
                        bij het waterschap. Welke oppervlaktewaterlichamen dat zijn, valt op te
                        maken uit de gebiedsomschrijving zoals die is opgenomen in het reglement
                        voor het waterschap. </al><al><cursief>Onderdeel d</cursief></al><al>Dit onderdeel regelt wat onder een woonruimte moet worden verstaan. Niet
                        elke bewoonde ruimte kan als woonruimte worden aangemerkt. Een woonruimte
                        wordt geacht te zijn bestemd om als een afzonderlijk geheel te voorzien in
                        woongelegenheid. Of dit het geval is moet blijken uit de inrichting van de
                        ruimte. In deze definitie wordt tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan
                        om een ruimte die zelfstandig bruikbaar is en daardoor niet meer dan
                        bijkomstig afhankelijk is van elders in het gebouw aanwezige voorzieningen
                        die voor de woonfunctie wel van wezenlijk belang zijn. Hierbij moet worden
                        gedacht aan het met gebruikers van andere ruimten delen van faciliteiten als
                        kookgelegenheid, sanitair of bad- en douchegelegenheid. Dit komt vaak in
                        onder meer studentenhuizen en pensions voor. In een dergelijke situatie kan
                        niet worden gesproken van een woonruimte in de zin van deze verordening. Zie
                        hiervoor ook de arresten van de Hoge Raad van 23 juli 1984, BNB 1984/282,
                        Belastingblad 1984, blz. 544, 8 februari 1995, BNB 1995/92, Belastingblad
                        1995, blz. 202, 10 januari 1996, BNB 1996/77, Belastingblad 1996, blz.
                        168).</al><al>Dat het begrip woonruimte ruim moet worden uitgelegd valt af te leiden uit
                        het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1991 waarin een kajuitzeilschip als
                        woonruimte werd aangemerkt (BNB 1991/213, Belastingblad 1991, blz.
                        479).</al><al><cursief>Onderdeel e</cursief></al><al>Bij de omschrijving van het begrip bedrijfsruimte is gekozen voor een
                        negatieve formulering om een zo groot mogelijke reikwijdte aan het begrip te
                        geven. Alles wat geen woonruimte, een openbaar vuilwaterriool of een
                        zuiveringstechnisch werk is moet als een bedrijfsruimte worden aangemerkt.
                        Zo wordt bijvoorbeeld ook een stuk landbouwgrond als een bedrijfsruimte
                        aangemerkt (Hof ‘s–Gravenhage 17 maart 1993, Belastingblad 1993, blz. 457). </al><al>In een ogenschijnlijk soortgelijke situatie oordeelde de rechter echter
                        anders. Hierbij ging het om een kavel los land –deels akkerbouw, deels
                        weiland- dat niet als bedrijfsruimte kon worden aangemerkt. Er stonden
                        namelijk geen opstallen op en voor de exploitatie maakte de agrariër gebruik
                        van machines die elders, in de schuur achter zijn boerderij, werden gestald.
                        Hierdoor was hij meer dan bijkomstig afhankelijk van elders aanwezige, voor
                        de bedrijfsexploitatie wezenlijke, voorzieningen (Hof ’s-Gravenhage, 18
                        februari 1997, Belastingblad 1997, blz. 729). </al><al>Of daar ook sprake van was bij de zandopspuiting wordt uit de casus niet
                        duidelijk. Het Hof stelde alleen vast dat er sprake was van het lozen van
                        met slib verontreinigd perswater en liet de aanslag in stand (Hof Arnhem 22
                        augustus 1997, Belastingblad 1997, blz. 745). Voor de vraag of sprake is van
                        één of van twee bedrijfsruimten is onder andere van belang het arrest van de
                        Hoge Raad van 14 juni 1995 (BNB 1995/233, Belastingblad 1995, blz. 627)
                        waarin een bij twee verschillende personen in gebruik zijnde stortplaats als
                        één bedrijfsruimte werd aangemerkt. Daarbij speelde onder andere een rol het
                        feit dat de stortplaats maar één ingang heeft, om de gehele stortplaats een
                        hek staat en er geen deugdelijke afscheiding is tussen beide delen van de
                        stortplaats.</al><al><cursief>Onderdeel f</cursief></al><al>Onder openbaar vuilwaterriool wordt verstaan het algemene gemeentelijk
                        rioolstelsel. Dat loopt door tot het zogenaamde overnamepunt waar het
                        zuiveringstechnisch werk van het waterschap begint. Dit begrip betekent een
                        verruiming ten opzichte van het begrip riolering in artikel 17 van de Wet
                        verontreiniging oppervlaktewateren. Nu wordt ook rekening gehouden met de
                        omstandigheid dat het beheer bij een rechtspersoon en niet bij de gemeente
                        zelf berust. </al><al><cursief>Onderdeel g</cursief></al><al>De definitie van een zuiveringtechnisch werk komt in belangrijke mate
                        overeen met de omschrijving van artikel 15a van de Wet verontreiniging
                        oppervlaktewateren. Het gebruik van de term stedelijk afvalwater betekent
                        wel een bekorting van de oude omschrijving. Ook is de term beheer vervangen
                        door exploitatie, omdat in het kader van de Waterwet het begrip beheer
                        betrekking heeft op watersystemen. Dit doet overigens niet af aan het
                        vereiste in artikel 3.4 van de Waterwet dat het moet gaan om een installatie
                        onder de zorg van een waterschap of eventueel een gemeente. Naast
                        afvalwaterzuiveringsinstallaties vallen ook gemalen, persleidingen,
                        vrijvervalleidingen, open en dichte afvoergoten en pompstations ten behoeve
                        van het afvalwater nog altijd onder de definitie. Hiermee wordt aansluiting
                        gezocht op de jurisprudentie van de Hoge Raad dienaangaande. De
                        gemeentelijke riolering wordt hier niet onder begrepen (zie onderdeel f,
                        waar het begrip openbaar vuilwaterriool is gedefinieerd).</al><al><cursief>Onderdeel h</cursief></al><al>De definitie van stedelijk afvalwater is ontleend aan artikel 1.1, eerste
                        lid, van de Wet milieubeheer.</al><al><cursief>Onderdeel i</cursief></al><al>De ambtenaar belast met de heffing.</al><al>De inspecteur is het bestuursorgaan aan wie de wetgever door middel van de
                        Algemene wet inzake rijksbelastingen de bevoegdheid tot het opleggen van
                        aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften heeft geattribueerd.
                        In artikel 123 van de Waterschapswet wordt onder meer de Algemene wet inzake
                        rijksbelastingen van toepassing verklaard voor het heffen van belastingen
                        door waterschappen. Dit artikel bepaalt voorts dat de bevoegdheden van de
                        inspecteur toekomen aan de daartoe aangewezen ambtenaar van het waterschap,
                        i.c. van Hefpunt. Die aanwijzing geschiedt bij een door het dagelijks
                        bestuur van Hefpunt te nemen aanwijzingsbesluit. </al><al>Behalve het opleggen van aanslagen en het doen van uitspraak op
                        bezwaarschriften komt krachtens deze verordening aan deze functionaris ook
                        de bevoegdheid tot het afgeven van meetbeschikkingen toe (artikel 10 en
                        verder).</al><al>De ambtenaar belast met de invordering.</al><al>De ambtenaar van Hefpunt die de ontvangersbevoegdheden uit de
                        Invorderingswet 1990 uitoefent, wordt in de verordening met de term ‘de
                        ambtenaar belast met de invordering’ aangeduid. Tot de
                        ontvangersbevoegdheden behoort de bevoegdheid tot de invordering van de
                        belasting. Ook het verlenen van kwijtschelding van belasting is een
                        ontvangersbevoegdheid. De Waterschapswet noemt de ontvanger in artikel 123,
                        derde lid, onder c. Evenals dat ten aanzien van de ambtenaar belast met de
                        heffing het geval is, kan in geval samenwerking door waterschappen in een
                        gemeenschappelijke regeling en indien hierbij een openbaar lichaam is
                        ingesteld, een ambtenaar van dit openbaar lichaam, i.c. Hefpunt als
                        ambtenaar belast met de invordering worden aangewezen. Dit volgt uit artikel
                        124, vijfde lid, onder b, van de Waterschapswet. </al><al><cursief>Onderdeel j</cursief></al><al>Hoewel de Waterschapswet dit begrip niet expliciet omschrijft, moet onder
                        het watersysteem worden verstaan de zorg voor de waterkering, de
                        waterbeheersing en het passieve waterkwaliteitsbeheer. Hoewel hiervoor in de
                        vorm van de watersysteemheffing een eigen financieringsmiddel in het leven
                        is geroepen, is voor directe lozingen op een oppervlaktewaterlichaam de
                        verontreinigingsheffing blijven bestaan. De opbrengst van die belasting komt
                        ten goede aan de bekostiging van het beheer van het watersysteem (artikel
                        7.2, vijfde lid, van de Waterwet). </al><al><cursief>Onderdeel k</cursief></al><al>Voor de omschrijving van drinkwater wordt aangesloten bij het begrip
                        drinkwater zoals dat is omschreven in artikel 1, eerste lid van de
                        Drinkwaterwet.</al><al><cursief>Onderdeel l</cursief></al><al>Behalve via nutsbedrijven wordt ook op andere wijze water verkregen. Zo
                        wordt op steeds grotere schaal door bedrijven voor sanitair gebruik
                        hemelwater opgevangen. Omdat dit water na gebruik wordt geloosd, dient het
                        eveneens in de berekening van de vervuilingswaarde te worden betrokken. Met
                        de inwerkingtreding van de Drinkwaterwet is het begrip warm tapwater
                        geïntroduceerd. Dit is water voor huishoudelijk gebruik dat door een
                        leverancier wordt opgewarmd alvorens het aan de consument wordt geleverd.
                        Door de Drinkwaterwet wordt warm tapwater nadrukkelijk uitgezonderd van het
                        begrip drinkwater. Het is echter wel water dat na gebruik wordt afgevoerd en
                        valt daarom binnen de ratio van ingenomen water.</al><al><cursief>Onderdeel m</cursief></al><al>Voor het begrip drinkwaterbedrijf wordt verwezen naar de omschrijving van
                        het drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
                        Drinkwaterwet.</al><al><cursief>Onderdeel n</cursief></al><al>Zie voor het begrip warm tapwater de toelichting bij onderdeel l van dit
                        artikel.</al></divisie><divisie><kop><label>Bijlagen</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>De grondslag voor de verontreinigingsheffing wordt gevormd door de
                        hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die worden geloosd. Als
                        heffingsmaatstaf geldt de vervuilingswaarde van de stoffen die in een
                        kalenderjaar worden geloosd, uitgedrukt in vervuilingseenheden. Zoals blijkt
                        uit artikel 7.5, eerste lid, van de Waterwet is de hoofdregel dat het aantal
                        vervuilingseenheden wordt vastgesteld met behulp van door middel van meting,
                        bemonstering en analyse verkregen gegevens overeenkomstig bij
                        belastingverordening te stellen regels. Die regels zijn opgenomen in Bijlage
                        I. Zie in dit verband ook de artikelen 10, 11 en 12.</al><al>Artikel 7.2, vijfde lid, van de Waterwet verklaart een aantal bepalingen met
                        betrekking tot de zuiveringsheffing in de Waterschapswet van overeenkomstige
                        toepassing voor de verontreinigingsheffing. Daardoor is er een aantal
                        uitzonderingen op deze hoofdregel van toepassing. Deze uitzonderingen, in
                        casu voor woonruimten, kleine bedrijfsruimten, glastuinbouwbedrijven en
                        bedrijven met een vervuilingswaarde van 1.000 vervuilingseenheden en minder,
                        zijn eveneens in deze verordening opgenomen.</al><al>Voor bedrijven met een vervuilingswaarde met betrekking tot het
                        zuurstofverbruik van 1.000 vervuilingseenheden en minder kan onder
                        voorwaarden de berekening van het aantal vervuilingseenheden plaatsvinden
                        met behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is opgenomen in
                        artikel 122k, derde lid, van Waterschapswet en volledigheidshalve eveneens
                        in Bijlage II. De wijze waarop deze tabel moet worden toegepast, is geregeld
                        in artikel 13.</al><al>Voor woonruimten en glastuinbouwbedrijven gelden afzonderlijke forfaitaire
                        regelingen.</al><al>De Bijlagen I, Ia en II maken deel uit van de verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Belastbaar</label><titel>feit en heffingsplicht</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De verontreinigingsheffing is verschuldigd wanneer stoffen in een
                        oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. Deze doelstelling is tot uitdrukking
                        gebracht in het eerste lid van artikel 3. De opbrengst komt, zoals blijkt
                        uit het vierde lid, ten goede aan de bekostiging van het beheer van het
                        watersysteem. De verontreinigingsheffing is dus primair een
                        bestemmingsheffing die overigens wel een regulerende nevenwerking kan
                        hebben.</al><al>Het belastbare feit is het lozen van stoffen, dat wil zeggen het direct
                        brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij het
                        waterschap. De vraag of het afgevoerde water van slechtere kwaliteit is dan
                        dat in het oppervlaktewaterlichaam waar op wordt geloosd, is niet van
                        belang. Dit bleek uit een arrest waarbij het ging om de lozing van opgepompt
                        bronwater dat werd gebruikt als koelwater (Hoge Raad 12 september 1990, BNB
                        1991/15, Belastingblad 1990, blz. 771). Dit ligt overigens anders als het
                        gaat om ingenomen oppervlaktewater dat wordt gebruikt als koelwater en dat
                        vervolgens weer wordt geloosd op oppervlaktewater. In dat geval wordt voor
                        de berekening van de vervuilingswaarde uitsluitend de toegevoegde vervuiling
                        in aanmerking genomen (zie Bijlage I bij de verordening). Uit het arrest van
                        de Hoge Raad van 13 maart 1996 (BNB 1996/205, Belastingblad 1996, blz. 335)
                        blijkt overigens dat er geen wettelijke verplichting bestaat voor een
                        dergelijke begunstigende regeling (zie ook Hoge Raad 18 maart 1998, nr. 33
                        186, Belastingblad 1998, blz. 386).</al><al>Ook wordt de verontreinigingsheffing aangemerkt als een directe belasting.
                        Dat is noodzakelijk voor de toepasselijkheid van de bepalingen inzake de
                        richtige heffing in hoofdstuk IV van de Algemene wet inzake
                        rijksbelastingen.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Heffingsplichtig zijn degenen die stoffen in een oppervlaktewaterlichaam
                        lozen. Dergelijke lozingen kunnen op verschillende wijzen plaatsvinden. Voor
                        de omschrijving van de belastingplicht wordt daarbij een koppeling gemaakt
                        met het object van waaruit wordt geloosd.</al><al>Aan de hand van de feitelijke omstandigheden moet worden beoordeeld wie de
                        gebruiker is. Ingeval er meerdere gebruikers zijn, is het noodzakelijk dat
                        de ambtenaar belast met de heffing of het dagelijks bestuur beleidsregels
                        opstelt op grond waarvan één van de gebruikers als heffingsplichtige kan
                        worden aangewezen. Deze beleidsregels moeten worden gepubliceerd zodat ze
                        kenbaar zijn voor de heffingsplichtigen. Ingeval van het ontbreken van
                        dergelijke beleidsregels kan de keuze van het waterschap voor één van de
                        gebruikers als willekeurig en onredelijk worden aangemerkt, wat tot
                        vernietiging van de aanslag kan leiden. Zie voor nadere informatie over dit
                        onderwerp en mogelijkheden voor de inhoud van de beleidsregels de brief van
                        de Unie van Waterschappen aan de leden–waterschappen van 23 maart 1995, nr.
                        951476 (Belastingblad 1995, blz. 326).</al><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>Vindt de lozing plaats vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte,
                        dan is de gebruiker van die ruimte aan de heffing onderworpen. Het komt voor
                        dat een woonruimte of een bedrijfsruimte aan een gebruiker wordt verhuurd,
                        waarbij één van de voorwaarden luidt dat de belastingen, waar onder de
                        verontreinigingsheffing, worden gedragen door de verhuurder. Dergelijke
                        overeenkomsten doen niet af aan de heffingsplicht: de gebruiker blijft
                        heffingsplichtig. Deze kan op grond van de huurovereenkomst zelf het bedrag
                        van de aanslag terugvorderen bij de verhuurder.</al><al>De omschrijving van woonruimte is ook dusdanig dat er geen misverstand kan
                        bestaan dat studentenhuizen met onzelfstandige wooneenheden dienen te worden
                        aangemerkt als bedrijfsruimte, waarvoor de verhuurder op grond van artikel
                        3, derde lid, onderdeel c, in de heffing kan worden betrokken. (Zie ook Hoge
                        Raad 23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544 en Hoge Raad 8
                        februari 1995, BNB 1995/92).</al><al>In zijn arrest van 1 mei 1991 oordeelde de Hoge Raad dat als gebruiker van
                        een bedrijfsruimte in de zin van de verordening slechts kan worden
                        aangemerkt degene die zich daadwerkelijk min of meer duurzaam te eigen
                        behoeve van de bedrijfsruimte kan bedienen. Daarom kon de aannemer die in
                        opdracht van de landeigenaar op een stuk grond werkzaamheden uitvoert om
                        deze geschikt te maken voor de bollenteelt, niet als gebruiker worden
                        aangemerkt (BNB 1991/188, Belastingblad 1991, blz. 478).</al><al>Ook kan het gebruik van een woonruimte of van een bedrijfsruimte er op zijn
                        gericht om die voor kortere perioden ter beschikking te stellen van
                        wisselende, opeenvolgende gebruikers. In dergelijke gevallen is de
                        verhuurder/exploitant belastingplichtig.</al><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Vindt de lozing plaats vanuit een riolering of vanuit een
                        zuiveringstechnisch werk, dan is de beheerder van die riolering of van dat
                        zuiveringstechnisch werk heffingsplichtig. Door het gebruik van het begrip
                        riolering vallen alle soorten lozingen, dus ook die via een niet openbare
                        voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, onder het
                        regime van de heffing.</al><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Wanneer er sprake is van een lozing die niet kan worden gerangschikt onder
                        één van de in onderdeel a of onderdeel b genoemde situaties, dan is degene
                        die feitelijk loost aan de heffing onderworpen. Hierdoor zijn alle denkbare
                        wijzen van lozen anders dan vanuit een woonruimte, een bedrijfsruimte, een
                        riolering of een zuiveringstechnisch werk aan de heffing onderworpen.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>Wanneer er met betrekking tot dezelfde woonruimte sprake is van meerdere
                        gebruikers, wijst de ambtenaar belast met de heffing voor het opleggen van
                        de aanslag één van hen aan als belastingplichtige. De criteria op grond
                        waarvan die belastingplichtige wordt aangewezen, liggen vast in
                        beleidsregels.</al><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Wanneer een (onzelfstandig) deel van een bedrijfsruimte in gebruik is
                        gegeven aan een ander, dan kan degene die dit in gebruik heeft gegeven de
                        aan dat deel toe te rekenen verontreinigingsheffing verhalen op degene die
                        het in gebruik heeft. Hierbij kan worden gedacht aan
                        bedrijfsverzamelgebouwen en dergelijke.</al><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Wanneer het gaat om een woonruimte of een bedrijfsruimte die voor kortere
                        perioden aan wisselende, opeenvolgende gebruikers ter beschikking wordt
                        gesteld, kan de heffingsplichtige de verontreinigingsheffing verhalen op
                        degenen aan wie hij de ruimte ter beschikking heeft gesteld.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>De opbrengst van de verontreinigingsheffing komt op grond van artikel 7.2,
                        vijfde lid, van de Waterwet ten goede aan de financiering van de kosten van
                        het watersysteem.</al></divisie><divisie><kop><label>Vrijstellingen</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al>De vrijstellingen zijn ontleend aan artikel 7.8 van de Waterwet.</al><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>In de oorspronkelijke tekst van de Waterwet werden lozingen vanuit een
                        openbaar vuilwaterriool vrijgesteld van de verontreinigingsheffing. Hierbij
                        werd, blijkens de aan deze vrijstelling ten grondslag liggende motie (Tweede
                        Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 30 818, nr. 33) gedoeld op overstorten vanuit
                        het gemeentelijk rioleringsstelsel. Bij de behandeling van de Invoeringswet
                        Waterwet is het aantal vrijstellingen naar aanleiding van een amendement
                        (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008-2009, 31 858, nr. 16) uitgebreid en is het
                        artikel opnieuw geredigeerd. Daarbij is de toevoeging “openbaar” uit de
                        tekst verdwenen zonder dat daar in het amendement op wordt ingegaan. Wij
                        gaan er daarom vanuit dat met deze vrijstellingsbepaling nog altijd wordt
                        gedoeld op overstorten vanuit het gemeentelijk rioleringsstelsel.</al><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Een lozing vanuit een zuiveringstechnisch werk door het waterschap zelf op
                        een “eigen” oppervlaktewaterlichaam is vrijgesteld van de heffing. </al><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Het op een zuiveringsinstallatie van het waterschap gezuiverde afvalwater is
                        onder omstandigheden goed bruikbaar voor bedrijfsmatige toepassingen. Het is
                        daarom denkbaar dat (een deel van) het effluent niet wordt geloosd, maar
                        door een bedrijf wordt ingenomen. Indien dat bedrijf het gebruikte water
                        weer loost en daar zelf geen stoffen aan heeft toegevoegd, dan is die lozing
                        door het bedrijf vrijgesteld van de verontreinigingsheffing. Het is daarbij,
                        anders dan bij onderdeel b, geen voorwaarde dat het oppervlaktewaterlichaam
                        bij hetzelfde waterschap in beheer is. Achtergrond van deze vrijstelling is
                        dat de regionale zoetwatervoorziening daardoor niet wordt belast. </al></divisie><divisie><kop><label>Ontstaan</label><titel>van de belastingschuld en heffing naar tijdsevenredigheid</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakheffing is, ontstaat bij
                        woonruimten en kleine bedrijfsruimten de materiële belastingschuld door de
                        regeling in het eerste lid toch bij het begin van het heffingsjaar. Dit
                        heeft als voordeel dat al in het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen worden
                        opgelegd (formalisering van de belastingschuld) en dat niet gewacht hoeft te
                        worden tot het heffingsjaar voorbij is. Bij een tijdvakbelasting is het
                        echter niet zonder meer mogelijk om een definitieve aanslag gedurende het
                        heffingsjaar op te leggen, omdat de omvang van de belastingschuld pas na
                        afloop van het heffingsjaar bekend is. Dit blijkt uit een aantal uitspraken
                        van de belastingrechter. Zie hiervoor Hoge Raad van 2 november 1994 inzake
                        precariorechten (BNB 1995/12, Belastingblad 1994, blz. 819), Hof Amsterdam
                        15 december 1995 inzake liggeld woonschepen (Belastingblad 1996, blz. 331)
                        en Hof Amsterdam 23 april 1997 (Belastingblad 1997, blz. 495) inzake
                        verontreinigingsheffing. </al><al>Uit deze jurisprudentie valt af te leiden dat om een definitieve aanslag al
                        in het heffingsjaar zelf op te leggen, de heffingsverordening in een aantal
                        zaken moet voorzien. Het gaat hierbij om:</al><al>– een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij het
                        begin van het heffingsjaar te ontstaan (artikel 5, eerste lid);</al><al>– een regeling op grond waarvan aanspraak op ontheffing bestaat indien de
                        heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt (voor woonruimten is dit
                        geregeld in artikel 5, derde lid en voor kleine bedrijfsruimten voorziet
                        artikel 16, tweede lid, daar in);</al><al>– een regeling op grond waarvan aanspraak op vermindering bestaat indien de
                        heffingsmaatstaf in de loop van het heffingsjaar wijzigt (voor kleine
                        bedrijfsruimten in artikel 16, tweede lid). </al><al>Indien in de heffingsverordening dergelijke bepalingen ontbreken, kan een
                        waterschap in het heffingsjaar wel voorlopige aanslagen opleggen. Artikel 13
                        van de Algemene wet inzake rijksbelastingen geeft hiertoe de
                        bevoegdheid.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De vervuilingswaarde van een woonruimte wordt forfaitair vastgesteld op drie
                        vervuilingseenheden en bij bewoning door één persoon op één
                        vervuilingseenheid (artikel 19, eerste lid). De verontreinigingsheffing is
                        echter een tijdvakbelasting. Dit betekent dat wanneer de heffingsplicht zich
                        niet gedurende het gehele heffingstijdvak voordoet, dit gevolgen heeft voor
                        de berekening van de hoogte van de verschuldigde heffing. Artikel 122h,
                        zesde lid, van de Waterschapswet bepaalt dat wanneer de heffingsplicht in de
                        loop van het jaar aanvangt, de heffingsplichtige aan de heffing wordt
                        onderworpen voor een evenredig gedeelte van het vastgestelde aantal
                        vervuilingseenheden. In de verordening moet zijn aangegeven op welke wijze
                        dat evenredig deel wordt vastgesteld. In deze verordening is gekozen voor de
                        dagnauwkeurige variant.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt, dan is de heffing
                        op grond van artikel 122h, zesde lid, van de Waterschapswet eveneens naar
                        tijdsevenredigheid verschuldigd. </al><al>Wanneer na het opleggen van de aanslag de heffingsplicht in de loop van het
                        jaar eindigt, is de ambtenaar belast met de heffing niet in de gelegenheid
                        geweest om daar bij het vaststellen van de aanslag rekening mee te houden.
                        Artikel 132 van de Waterschapswet geeft aan op welke wijze de
                        heffingsplichtige aanspraak kan maken op ontheffing. Op de aanvraag zoals
                        die kan worden ingediend, moet worden beslist bij voor bezwaar vatbare
                        beschikking. Dit opent voor de heffingsplichtige in voorkomende gevallen de
                        volledige fiscale rechtsgang. Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van
                        de rechtsbescherming van de heffingsplichtige met voldoende waarborgen
                        omkleed.</al><al>Het staat het waterschap ook vrij om, op grond van eigen gegevens, uit
                        eigener beweging een dergelijke ontheffing te verlenen zonder een aanvraag
                        van de heffingsplichtige af te wachten.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Wanneer de heffingsplichtige verhuist naar een andere woonruimte van waaruit
                        eveneens wordt geloosd, zijn zowel het tweede als het derde lid van
                        toepassing. Er kan immers worden gesteld dat ook in dat geval sprake is van
                        het eindigen van de heffingsplicht en het opnieuw ontstaan van de
                        heffingsplicht. Dit zou resulteren in een vermindering van een al opgelegde,
                        en mogelijk zelfs al betaalde, aanslag voor de oude woning en een nieuwe
                        aanslag voor de nieuwe woning. Om pragmatische redenen kan worden bepaald
                        dat in een dergelijk geval het tweede en het derde lid niet van toepassing
                        zijn. De aanslag verhuist dan als het ware mee.</al><al>Uiteraard gaat dit niet op wanneer vanuit de nieuwe woning op een
                        zuiveringstechnisch werk van het waterschap wordt afgevoerd: dan is de
                        zuiveringsheffing verschuldigd. </al></divisie><divisie><kop><label>Aangifte</label></kop><al>In artikel 127 van de Waterschapswet is de procedure voor het uitnodigen tot
                        het doen van aangifte geregeld. In het eerste lid van dat artikel is
                        geregeld dat de uitnodiging wordt gedaan door het uitreiken van een
                        aangiftebiljet en in het tweede lid is geregeld dat het doen van aangifte
                        geschiedt door het in leveren of het toezenden van het uitgereikte
                        aangiftebiljet met de daarbij gevraagde bescheiden. Op grond van artikel
                        127, vijfde lid, van de Waterschapswet kan bij de belastingverordening van
                        de hiervoor beschreven procedure worden afgeweken. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>Artikel 6 regelt de uitnodiging tot het doen van aangifte. In onderdeel a is
                        dat het uitreiken van een aangiftebiljet en in onderdeel b wordt een
                        afwijkende methode mogelijk gemaakt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al>Dit artikel regelt de wijze waarop aangifte wordt gedaan. Bij onderdeel a is
                        dat de traditionele wijze van het inzenden van het uitgereikte formulier met
                        de vereiste bijlagen. Door middel van onderdeel b wordt de mogelijkheid
                        geopend om dat op elektronische wijze, de zogenaamde digitale aangifte.</al></divisie><divisie><kop><label>Heffingsjaar</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>In artikel 8 is bepaald dat het heffingsjaar gelijk is aan het kalenderjaar.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Grondslag</label><titel>en heffingsmaatstaf</titel></kop><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><al>De grondslag van de heffing is de hoeveelheid en hoedanigheid van de stoffen
                        die in een kalenderjaar worden afgevoerd. In het tweede lid is gekozen voor
                        één uniforme heffingsmaatstaf, namelijk de vervuilingswaarde van de stoffen
                        die <onderstreept>in een kalenderjaar</onderstreept> worden afgevoerd. Deze
                        heffingsmaatstaf geldt dus zowel voor de zuurstofbindende stoffen en is
                        gedefinieerd in relatie tot de stoffen ten aanzien waarvan het afvoeren is
                        belast. Een verbruik van 54,8 kilogram zuurstof per heffingsjaar
                        vertegenwoordigt één vervuilingseenheid.</al><al>Bij zuurstofbindende stoffen gaat het om de hoeveelheid zuurstof die nodig
                        is om die stoffen af te breken. Die hoeveelheid wordt bepaald op de som van
                        het chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                        stikstofverbindingen. Daarbij is één vervuilingseenheid de zuurstofbehoefte
                        die ontstaat door de gemiddelde afvoer van huishoudelijk afvalwater van één
                        persoon per jaar.</al><al>In 2001 is onderzoek gedaan naar de vervuilingswaarde van het afvalwater dat
                        één persoon gemiddeld per jaar produceert. Naar aanleiding van dit onderzoek
                        concludeerde de toenmalige Commissie Integraal Waterbeheer dat de op dat
                        moment geldende getalswaarde van 136 gram zuurstof per etmaal of 49,6
                        kilogram per jaar beter in overeenstemming moest worden gebracht met de
                        meest recente gegevens. Als gevolg daarvan is de gemiddelde zuurstofbehoefte
                        vanaf 2009 verhoogd naar 150 gram per etmaal, of wel 54,8 kilogram per jaar. </al><al><vet><cursief>Meting, bemonstering en analyse</cursief></vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al>Hier is de hoofdregel opgenomen op grond waarvan bij de
                        verontreinigingsheffing de vervuilingswaarde dient te worden vastgesteld.
                        Deze hoofdregel geldt niet alleen ter zake van het lozen vanuit woonruimten
                        of vanuit bedrijfsruimten, maar ook ter zake van het lozen vanuit
                        zuiveringtechnische werken of op andere wijze.</al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Voor zowel de zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen wordt het
                        aantal vervuilingseenheden bepaald door middel van meting, bemonstering en
                        analyse van het afvalwater. Daarbij maakt het niet uit of dit elk etmaal
                        geschiedt of gedurende een beperkt aantal etmalen.</al><al>In Bijlage I zijn nadere regels gesteld met betrekking tot:</al><lijst><li nr="-"><al>de wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling;</al></li><li nr="-"><al>analysevoorschriften;</al></li><li nr="-"><al>berekeningsvoorschriften.</al></li></lijst><al>De kosten van een dergelijk onderzoek zijn voor rekening van de
                        heffingsplichtige.</al><al> Het spreekt voor zich dat de vervuilingswaarde zo nauwkeurig mogelijk wordt
                        vastgesteld. Echter niet tot elke prijs. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage
                        oordeelde op 16 maart 1988 dat de kosten in redelijke verhouding tot de
                        verschuldigde heffing moeten staan (Belastingblad 1988, blz. 626). Hiervan
                        is sprake wanneer de kosten niet hoger zijn dan 40% van de verschuldigde
                        heffing.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Volgens het tweede lid dienen meting, bemonstering en analyse plaats te
                        vinden gedurende alle dagen van het heffingsjaar. Hiervan kan echter onder
                        omstandigheden worden afgeweken. Zie hierna onder artikel 11.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>In het derde lid zijn de voorwaarden opgenomen waar meting en bemonstering
                        aan moeten voldoen. De voorschriften van meting en bemonstering in Bijlage I
                        zijn een waarborg voor de in het derde lid gestelde criteria. Als aan de
                        voorschriften van Bijlage I niet kan worden voldaan, kan hiervan onder
                        omstandigheden worden afgeweken.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>De wijze van meting en bemonstering wordt, samen met een beschrijving van de
                        te gebruiken apparatuur, vooraf meegedeeld aan ambtenaar belast met de
                        heffing. Ook ingebruikname en wijziging van apparatuur gedurende het
                        heffingsjaar valt onder de meldingsplicht.</al><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>De ambtenaar belast met de heffing mag onder voorwaarden afwijken van de in
                        Bijlage I opgenomen voorschriften. Dit mag hij:</al><al>– ambtshalve wanneer hij aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is om te
                        voldoen aan de voorwaarden in het derde lid;</al><al>– op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat
                        ook dan nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden in het derde lid;</al><al>– op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat de
                        nauwkeurigheid van de analyseresultaten er niet door wordt beïnvloed.</al><al>Verder mag hij nadere voorschriften stellen.</al><al>De beslissing op aanvraag wordt bij een voor bezwaar vatbare beschikking
                        genomen. Hiertegen staat de gewone fiscale rechtsgang van bezwaar en beroep
                        open. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is wel dat wanneer de
                        heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking en gebruik
                        maakt van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen, de voorschriften in
                        die beschikking wel moeten worden nageleefd. Dit om te voorkomen dat wanneer
                        de heffingsplichtige in het ongelijk is gesteld en de beschikking
                        onherroepelijk vaststaat, hij over onvoldoende gegevens beschikt om de
                        vereiste aangifte te kunnen doen. De ambtenaar belast met de heffing zal in
                        dat geval de aanslag immers geheel of gedeeltelijk op basis van schatting
                        vaststellen en de heffingsplichtige kan vervolgens bij het betwisten van die
                        schatting onvoldoende of geen tegenbewijs leveren. </al><al><cursief>Zesde lid</cursief></al><al>Hier is aangegeven welke elementen de bedoelde beschikking in ieder geval
                        dient te bevatten.</al><al><cursief>Zevende lid</cursief></al><al>Wanneer het gaat om meer dan één beschikking betreffende hetzelfde bedrijf
                        of bedrijfsonderdeel, dan mag de ambtenaar belast met de heffing die in één
                        geschrift combineren.</al><al><cursief>Achtste lid</cursief></al><al>De ambtenaar belast met de heffing kan een genomen beschikking ambtshalve
                        wijzigen of intrekken. Daarvoor is geen aanvraag van de heffingsplichtige
                        nodig. </al><al><vet><cursief>Beperkte meting, bemonstering en analyse</cursief></vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><al>In veel gevallen kan worden volstaan met een lagere frequentie dan ieder
                        etmaal meten, bemonsteren en analyseren, zonder al te veel afbreuk te doen
                        aan de nauwkeurigheid van het eindresultaat. Het spreekt voor zich dat een
                        lagere frequentie zich vertaalt in lagere kosten voor de heffingsplichtige.
                        De heffingsplichtige die aannemelijk weet te maken dat met een lagere
                        frequentie kan worden volstaan, kan daar door middel van een aanvraag bij de
                        ambtenaar belast met de heffing toestemming voor vragen. Ook op deze
                        aanvraag wordt beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking, waartegen de
                        volledige fiscale rechtsgang open staat. Hierbij geldt eveneens dat de
                        voorschriften moeten worden nageleefd indien de heffingsplichtige zich niet
                        kan verenigen met de beschikking en zolang deze nog niet onherroepelijk
                        vaststaat.</al><al>In zijn beschikking geeft hij in ieder geval voorschriften met betrekking
                        tot de in de onderdelen a t/m d genoemde onderwerpen.</al><al>In dit kader zijn tevens van belang de model–meetbeschikking (brief van de
                        Unie van Waterschappen aan de leden–waterschappen van 28 oktober 1994,
                        kenmerk 942196 AJBZ/EK, Belastingblad 1994, blz. 802) en de richtlijnen in
                        het ‘Rapport bepaling meetfrequentie ter vaststelling van de
                        vervuilingswaarde van afvalwater’ van de Commissie Integraal Waterbeheer van
                        augustus 1998. </al><al><vet><cursief>Hoedanigheidscorrectie</cursief></vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><al>Bij het bepalen van het chemisch zuurstofverbruik (CZV) kan in de uitkomst
                        ook zuurstofverbruik tot uitdrukking komen van stoffen die in het natuurlijk
                        milieu niet of nagenoeg niet afbreekbaar zijn. Op grond van jurisprudentie
                        komt “nagenoeg niet” overeen met een percentage van niet meer dan 10%.
                        Wanneer het gevonden zuurstofverbruik van dergelijke stoffen het totale
                        chemisch zuurstofverbruik in belangrijke mate beïnvloedt, dan wordt de
                        gevonden CZV gecorrigeerd. In de jurisprudentie staat “in belangrijke mate”
                        voor ten minste 25%. De correctie die dan plaatsvindt, wordt veelal als
                        T-correctie geduid. De onderzoeksmethode en frequentie voor aantonen van het
                        percentage T is opgenomen in Bijlage Ia: Handreiking voor het onderzoek voor
                        de bepaling van de alfa-factor in biologisch gezuiverd afvalwater ten
                        behoeve van de berekening van de T-correctie.</al><al>Artikel 12 voorziet erin dat de voorschriften die het waterschap betreffende
                        de T–correctie stelt, kenbaar zijn voor de heffingsplichtigen (zie ook
                        Bijlage I, onderdeel C). </al><al>Daarnaast is in het artikel bepaald dat de heffingsplichtige voor toepassing
                        van de T–correctie een aanvraag moet indienen. De ambtenaar belast met de
                        heffing beslist hier op in een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit opent
                        voor de heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale
                        rechtsgang. Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de
                        rechtsbescherming van de heffingsplichtige met voldoende waarborgen
                        omkleed.</al><al>Tevens is voorgeschreven welke elementen de bedoelde beschikking dient te
                        bevatten.</al><al><vet><cursief>Tabel afvalwatercoëfficiënten </cursief></vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr></kop><al>Meting, bemonstering en analyse van afvalwater kan onder voorwaarden
                        achterwege blijven. Bij verreweg de meeste bedrijven gebeurt dit ook en daar
                        wordt het aantal vervuilingseenheden van het zuurstofverbruik berekend met
                        behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is ontleend aan
                        artikel 122k, derde lid, van de Waterschapswet. Zij is opgenomen in Bijlage
                        II en kent vijftien klassen met elk een afvalwatercoëfficiënt.</al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Toepassing van de tabel is toegestaan indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat toepassing van de tabel
                                    <onderstreept>niet</onderstreept> leidt tot een aantal
                                vervuilingseenheden van meer dan 1.000 en</al></li><li nr="2."><al>er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid ingenomen water en de
                                vervuilingswaarde van de geloosde stoffen.</al></li></lijst><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar door het bedrijf of het
                        bedrijfsonderdeel geloosde stoffen kan met behulp van de tabel worden
                        berekend door het aantal kubieke meters in het heffingsjaar ingenomen water
                        te vermenigvuldigen met de bij de klasse behorende
                        afvalwatercoëfficiënt.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Vaak is de feitelijk in het heffingsjaar ingenomen hoeveelheid water niet
                        direct vast te stellen, omdat de verbruiksperiode waarover het
                        drinkwaterbedrijf afrekent niet gelijk is aan het kalenderjaar. Ook kan er
                        sprake zijn van een andere tariefstructuur door het ontbreken van een
                        watermeter. In dergelijke gevallen worden de beschikbare gegevens herleid
                        tot verbruiken over het kalenderjaar. De wijze waarop dit gebeurt, liggen
                        vast in beleidsregels van het waterschap.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>De indeling in een klasse is afhankelijk van de aard van het bedrijf of het
                        bedrijfsonderdeel. Daarbij wordt uitgegaan van de conversietabel in artikel
                        2 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 (Besluit van 12
                        december 2008, Stb. 609).</al><al>Uit onderzoek op initiatief van zowel de heffingsplichtige als van de
                        ambtenaar belast met de heffing kan blijken dat het bedrijf of het
                        bedrijfsonderdeel in een andere klasse moet worden ingedeeld. De voorwaarden
                        daarvoor staan in artikel 4 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen
                        water 2009.</al><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al> De tabel kan ook worden toegepast bij vervuilingswaarden van meer dan 1.000
                        vervuilingseenheden. Voorwaarde is dan wel dat dit niet leidt tot een
                        vervuilingswaarde die lager is dan de vervuilingswaarde die wordt gevonden
                        op basis van meting, bemonstering en analyse.</al><al><vet><cursief>Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</cursief></vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr></kop><al>Op basis van artikel 14 worden tuinbouwkassen waarbinnen onder een
                        permanente opstand van glas of kunststof het telen van gewassen plaatsvindt
                        in de heffing betrokken op basis van een forfait van drie
                        vervuilingseenheden per hectare permanente opstand. Uit onderzoek naar een
                        afvalwatercoëfficiënt voor glastuinbouwbedrijven is gebleken dat de
                        vervuilingswaarde van tuinbouwkassen geen relatie heeft met de hoeveelheid
                        ingenomen water. Bepaling van de vervuilingswaarde op basis van meting,
                        bemonstering en analyse bleek gezien de relatief hoge perceptiekosten
                        evenmin een reële mogelijkheid. In verband daarmee is voor tuinbouwkassen
                        een heffingsmaatstaf op basis van oppervlakte in de wet opgenomen (artikel
                        122i, tweede lid, Waterschapswet).</al><al>Indien de vervuilingswaarde als berekend op grond van artikel 14 minder dan
                        vijf vervuilingseenheden bedraagt, is de regeling voor kleine
                        bedrijfsruimten van artikel 16 van toepassing.</al><al><vet><cursief>Totale vervuilingswaarde van een
                            bedrijfsruimte</cursief></vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr></kop><al>Dit artikel voorziet in de totalisering van het bij de artikelen 10 tot en
                        met 14 berekende aantal vervuilingseenheden aan zuurstofbindende stoffen
                        voor een bedrijfsruimte. Een dergelijke totalisering is onder meer van
                        belang indien binnen één bedrijfsruimte:</al><al>– voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                        meting, bemonstering en analyse plaatsvindt;</al><al>– voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                        afvalwatercoëfficiënten van toepassing zijn;</al><al>– voor een onderdeel van die bedrijfsruimte wordt gemeten, bemonsterd en
                        geanalyseerd en voor een ander onderdeel van die bedrijfsruimte een
                        afvalwatercoëfficiënt van toepassing is.</al><al> De vervuilingswaarde kan worden uitgedrukt in hele getallen of tot in
                        decimalen nauwkeurig. Indien hiervoor verschillende uitkomsten moeten worden
                        opgeteld, moet worden uitgegaan van niet afgeronde waarden. De uiteindelijke
                        totale vervuilingswaarde kan niet worden afgerond volgens de gebruikelijke
                        afrondingsregels. Er dient te worden “gekapt”. Zo wordt, afhankelijk van de
                        keuze, 7,94 uiteindelijk 7,9 of 7 op het aanslagbiljet en 20,49 wordt 20,4
                        of 20.</al><al><vet><cursief>Vervuilingswaarde van kleine
                        bedrijfsruimten</cursief></vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De regeling voor kleine bedrijfsruimten vindt haar basis vindt in artikel
                        122i, eerste lid, van de Waterschapswet. Indien de heffingsplichtige
                        aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden minder dan vijf
                        bedraagt, wordt de vervuilingswaarde op drie vervuilingseenheden gesteld en
                        op één vervuilingseenheid indien die één of minder bedraagt.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakbelasting is, wordt aan
                        bedrijven met een vervuilingswaarde van minder dan vijf vervuilingseenheden
                        in veel gevallen al aan het begin van het heffingsjaar een aanslag voor drie
                        vervuilingseenheden opgelegd. Dit is mogelijk op grond van de bepaling in
                        artikel 5, eerste lid. Na afloop van het heffingsjaar of, indien dit eerder
                        is bij beëindiging van de heffingsplicht, kan echter blijken dat de
                        vervuilingswaarde één of minder dan één vervuilingseenheid bedraagt. </al><al>Daarom moet de verordening ook voorzien in een deugdelijke regeling voor
                        ontheffing of vermindering. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt
                        dat het aantal vervuilingseenheden één of minder bedraagt, wordt op aanvraag
                        van de belastingplichtige de vervuilingswaarde op 1 vervuilingseenheid
                        gesteld. Het betreft hier een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste
                        lid, van de Waterschapswet. Deze moet worden ingediend binnen zes weken
                        nadat de omstandigheid zich heeft voorgedaan. De ontheffing of vermindering
                        kan door de ambtenaar belast met de heffing ook ambtshalve worden
                        verleend.</al><al><vet><cursief>Vervuilingswaarde van woonruimten</cursief></vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In navolging van artikel 122h, eerste lid, van de Waterschapswet wordt de
                        vervuilingswaarde voor een woonruimte vastgesteld op drie
                        vervuilingseenheden, met dien verstande dat die wanneer de woonruimte door
                        één persoon wordt bewoond één vervuilingseenheid bedraagt.</al><al>Voor het vaststellen van het aantal vervuilingseenheden wordt uitgegaan van
                        het aantal bewoners bij aanvang van de heffingsplicht (zgn. peildatum). Met
                        een afname van het aantal gebruikers van de woonruimte in de loop van het
                        heffingsjaar wordt geen rekening gehouden. Een verhoging van de aanslag bij
                        een toename van het aantal gebruikers is evenmin mogelijk. In de
                        wetsgeschiedenis van de wijziging van de Wet verontreiniging
                        oppervlaktewateren per 1 januari 1989 is expliciet aangegeven dat het
                        hanteren van een dergelijke peildatum is toegestaan (wetsontwerp 20 435,
                        Memorie van antwoord, blz. 9). </al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Voor woonruimten die voor recreatiedoeleinden zijn bestemd en zich bevinden
                        op een voor recreatiedoeleinden bestemd terrein dat als zodanig wordt
                        geëxploiteerd, geldt dat zij samen met de andere voorzieningen op dat
                        terrein worden aangemerkt als één bedrijfsruimte. De exploitant van het
                        terrein is dan de heffingsplichtige.</al><al>Deze regeling gaat echter niet in alle gevallen op. Steeds vaker komt het
                        voor dat recreatiewoningen op een recreatieterrein in eigendom zijn bij
                        particulieren. Die kunnen de woning dan alleen voor zichzelf beschikbaar
                        houden, of de woning via de exploitant verhuren aan wisselende gebruikers
                        gedurende de weken dat zij er zelf niet zijn.</al><al>In zijn arrest van 22 november 2002, nummer 37 361, geeft de Hoge Raad aan
                        dat dit onder voorwaarden gevolgen kan hebben voor de heffingsplicht. Hoewel
                        deze procedure betrekking had op het gebruikersdeel van de
                        onroerende-zaakbelastingen, is zij ook van betekenis voor de
                        verontreinigingsheffing.</al><al>Indien de woonruimte alleen ter beschikking staat van de eigenaar, dan is
                        hij de heffingsplichtige en is het gewone woonruimteforfait van toepassing.
                        Bij het vaststellen van de aanslag voor het recreatieterrein moet de
                        woonruimte buiten beschouwing worden gelaten. Wordt de woonruimte echter ook
                        via de exploitant aan anderen verhuurd, dan is de heffingsplicht afhankelijk
                        van de vraag op wie het exploitatierisico drukt. Krijgt de eigenaar een
                        vaste vergoeding ongeacht de werkelijke verhuurde periode(s), dan wordt de
                        woonruimte als onderdeel van de bedrijfsruimte beschouwd en is de exploitant
                        van het recreatieterrein heffingsplichtig. Is de vergoeding die de eigenaar
                        krijgt wel afhankelijk van de werkelijke verhuurde periode(s), dan rust het
                        exploitatierisico bij hem en is hij als heffingsplichtige het gewone
                        woonruimteforfait verschuldigd.</al><al><vet><cursief>Schatting</cursief></vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr></kop><al>In artikel 122j van de Waterschapswet is geregeld dat onder bepaalde, in de
                        onderdelen a tot en met d nader omschreven, omstandigheden de
                        vervuilingswaarde kan worden vastgesteld door middel van schatting.
                        Bijvoorbeeld indien een bedrijf niet voldoet aan zijn verplichting tot
                        meting, bemonstering en analyse of indien het bedrijf dat doet op een wijze
                        die niet in overstemming is met de in de verordening of meetbeschikking
                        opgenomen voorschriften.</al><al>De bepaling is tevens een vangnetbepaling voor het lozen vanuit objecten
                        waarvoor in de verordening geen bijzondere regelingen zijn opgenomen en
                        waarvoor de hoofdregel van artikel 10 (meting, bemonstering en analyse) niet
                        kan worden toegepast.</al><al>Overigens sluit dit artikel niet uit dat er ook andere omstandigheden kunnen
                        zijn op grond waarvan schatting kan plaatsvinden. </al><al><vet><onderstreept>Tarief</onderstreept></vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr></kop><al>Dit artikel regelt het tarief per vervuilingseenheid.</al></divisie><divisie><kop><label>Wijze</label><titel>van heffing en termijnen van betaling</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr></kop><al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen
                        worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of
                        op andere wijze. Het gaat hier om drie verschillende heffingstechnieken. In
                        dit artikel is gekozen voor de heffing bij wege van aanslag. De opgenomen
                        mogelijkheden zien op de betalingswijzen en betalingstermijnen. </al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Ingevolge het eerste lid vindt de heffing plaats bij wege van aanslag. Dit
                        betekent dat het waterschap eerst zelf een aanslag moet opleggen aan de
                        heffingsplichtige.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Op grond van het tweede lid is het mogelijk meerdere aanslagen op één
                        aanslagbiljet te verenigen. Met name dient hierbij te worden gedacht aan de
                        combinatie van de verontreinigings- en/of zuiveringsheffing en de
                        watersysteemheffing ingezetenen, gebouwd en/of ongebouwd.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>In de Invorderingswet 1990 is geregeld dat een belastingaanslag zes weken na
                        dagtekening van het aanslagbiljet invorderbaar is. Lokale overheden kunnen
                        in hun belastingverordening echter voor een afwijkende betaaltermijn kiezen.
                        In het derde lid van artikel 20 is geregeld, dat in afwijking van de
                        wettelijke regeling, een belastingaanslag betaald moet worden binnen twee
                        maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet. </al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Het bedrag van een opgelegde bestuurlijke boete is invorderbaar twee maanden
                        na de dagtekening van het aanslagbiljet. </al><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>Het in het derde lid gestelde geldt niet in het geval dat gekozen wordt voor
                        betaling via automatische incasso. In dat geval kan er in zes termijnen
                        betaald worden. </al><al><cursief>Zesde lid</cursief></al><al>Deze bepaling is een weergave van hetgeen in artikel 115a van de
                        Waterschapswet is bepaald. Het eerste lid van artikel 115a bepaalt dat een
                        aanslag die een bij de belastingverordening te bepalen bedrag niet te boven
                        gaat, niet wordt opgelegd. Doelmatigheid van de heffing staat hierbij
                        voorop; de bepaling voorkomt dat aanslagen voor betrekkelijk geringe
                        bedragen moeten worden opgelegd. De kosten van de aanslagoplegging zouden
                        het bedrag van de belasting in deze gevallen immers als snel kunnen
                        overstijgen. </al><al>Indien meerdere aanslagen op één aanslagbiljet worden verenigd, geldt het
                        voorgaande voor het totaal van de aanslag. Indien het waterschap de voor de
                        belastingplichtige bestemde aanslagen op één biljet verenigt, wordt eerder
                        boven de genoemde doelmatigheidsdrempel uitgekomen en kan dus wel een
                        (integrale) aanslag worden opgelegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Kwijtschelding</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr></kop><al>In bepaalde gevallen kan een heffingsplichtige in aanmerking komen voor
                        gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de woningaanslag
                        zuiveringsheffing. Het waterschap Hunze en Aa’s hanteert hierbij een
                        kwijtscheldingsnorm van 100%.</al></divisie><divisie><kop><label>Nadere</label><titel>regels</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr></kop><al>Artikel 22 is in de verordening opgenomen om expliciet aan de
                        belastingplichtige kenbaar te maken dat ook het dagelijks bestuur regels kan
                        stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de
                        verontreinigingsheffing.</al><al>In verband met de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet
                        bestuursrecht (Stb. 1996, 333) en de daarop gebaseerde aanpassingswetgeving
                        (Stb. 1997, 510 en 580) komen de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake
                        rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 aan de Minister van Financiën
                        zijn toebedeeld, vanaf 1 januari 1998 toe aan het dagelijks bestuur van het
                        waterschap (zie artikel 123, derde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet).
                        Voor die datum kwamen deze formele belastingbevoegdheden toe aan het
                        algemeen bestuur van het waterschap. Het betreft het stellen van nadere
                        regels ten aanzien van de volgende bevoegdheden:</al><al>– de verplichting te verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet;</al><al>– de mogelijkheid een voorlopige aanslag op te leggen;</al><al>– het berekenen van invorderingsrente.</al><al>Daarenboven heeft het dagelijks bestuur op grond van artikel 4:81 van de
                        Algemene wet bestuursrecht ook de bevoegdheid om beleidsregels vast te
                        stellen. Artikel 10:22 geeft het dagelijks bestuur verder de bevoegdheid om
                        per geval of in het algemeen instructies te geven ter zake van de
                        uitoefening van de toegedeelde bevoegdheid. </al></divisie><divisie><kop><label>Inwerkingtreding</label><titel>en citeertitel</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het eerste lid regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang
                        van de datum van ingang van de heffing. De oude verordening blijft echter
                        gelden voor de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
                        Voor die feiten kunnen dus nog aanslagen worden opgelegd op basis van de
                        oude verordening.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Artikel 73, eerste lid, van de Waterschapswet schrijft voor dat besluiten
                        van het waterschapsbestuur die algemeen verbindende regels inhouden, niet
                        verbinden dan wanneer zij zijn bekendgemaakt. Dit geldt daarom ook voor
                        belastingverordeningen. Zoals blijkt uit het tweede lid van artikel 73
                        geschiedt bekendmaking door plaatsing in een vanwege het waterschapsbestuur
                        tegen betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gestelde publicatie en door
                        het doen van mededeling daarvan in een plaatselijk verschijnend dag– of
                        nieuwsblad. De bekendgemaakte besluiten treden conform artikel 74 van de
                        Waterschapswet in werking met ingang van de achtste dag na die van de
                        bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is
                        aangewezen.</al><al>Voor een goed begrip van een en ander wordt erop gewezen dat regeling van
                        het tijdstip van inwerkingtreding nog niet inhoudt dat op dat tijdstip met
                        de heffing op de voet van de nieuwe verordening kan worden begonnen. Dat is
                        slechts mogelijk wanneer in de verordening het tijdstip van ingang van de
                        heffing wordt genoemd. Zie voor laatstgenoemd tijdstip de toelichting op het
                        vierde lid van artikel 23.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Het moment waarop de Drinkwaterwet in werking treedt is nog onzeker. Een
                        besluit daar over zal wellicht pas kort daar voor worden genomen. Omdat de
                        dan nog resterende tijd niet voldoende zal zijn om de verordening nog op
                        tijd aan te passen, is ten aanzien van de met de Drinkwaterwet verband
                        houdende wijzigingen een nadere bepaling met betrekking tot de
                        inwerkingtreding opgenomen.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Als gevolg van artikel 111 van de Waterschapswet is een van de onderwerpen
                        die in de belastingverordening moet worden geregeld het tijdstip van ingang
                        van de heffing. Dit tijdstip kan samenvallen met het tijdstip van
                        inwerkingtreding, maar dit is niet beslist noodzakelijk. In de toelichting
                        op het tweede lid is uiteengezet dat het niet nodig is dat het tijdstip van
                        inwerkingtreding in de verordening wordt vermeld, omdat bij gebreke daarvan
                        die verordening automatisch in werking treedt acht dagen na haar
                        bekendmaking.</al><al>Het tijdstip van ingang van de heffing is wel essentieel, omdat daarmee
                        duidelijk wordt op welk moment de nieuwe financiële verplichtingen die aan
                        de burgers worden opgelegd, een aanvang nemen.</al><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>Als gevolg van het vijfde lid van het onderhavige artikel 23 wordt de
                        verordening voorzien van een citeertitel.</al><al/><al>Bijlage I, Ia en I: zie www.hunzeenaas.nl /Regelingen / Belastingen
                            <vet>(</vet><extref doc="http://www.hunzeenaas.nl" struct="INTERNET"/><vet>)</vet></al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>